Page 1

2014 JAARMAGAZINE OVER BELEID EN TENDENSEN IN HET SOCIAAL-CULTUREEL WERK

Het sociaal-cultureel werk uitgedaagd: OVER TROEVEN, OPLOSSINGEN EN VALKUILEN

Subsidiëren of investeren: WHAT’S IN A NAME?

Samen aan de weg timmeren: VERBIST EN SUYKENS IN DIALOOG

GOUDEN TIPS VOOR MINISTER GATZ


Colofon Een uitgave van:

OP DE COVER…

Sven Gatz klaar voor een bevlogen reis met het SCW! De FOV was er als de kippen bij om kersvers minister van Cultuur Sven Gatz te feliciteren met zijn mandaat. Met deze raket wil FOV de minister vanaf dag een op het sociaal-culturele spoor zetten. Namens 136 sociaal-culturele organisaties overhandigden wij hem Veerkracht, onze ambitiebundel, en een tijdcapsule met concrete doelstellingen voor de komende vijf jaren. Voeg daar bij de tips die we hem bieden in deze Wascabi (zie het artikel op pg. 24), en de minister is gewapend voor een stevig en toekomstgericht beleid! Leuk om te weten: de raket krijgt een tweede leven in de jeugdbeweging van zijn kinderen!

FOV vzw federatie sociaal-cultureel werk Gallaitstraat 86 bus 12 1030 Brussel tel. 02/244.93.39 info@fov.be www.fov.be Brussel, augustus 2014

Bijdragen: Karine Cleynhens, Nele Cornelis, Liesbeth De Winter, Mathijs Post, Joris Smeets, Dirk Verbist

Tekstbewerking en redactie: Isa Van Dorsselaer

Fotografie: Robert Boons: pg. 3, 5, 7, 11, 42-44 Kris Jacobs: pg. 6 ‘FoAM’: pg. 8 Go!: pg. 12 Vicky Bogaert: pg. 13 Istock: pg. 16-17, 24-27, 36-40 Kris Van Exel: pg. 47 Overige foto’s uit eigen collectie FOV of aangeleverd door betrokken organisaties/personen.

Eindredactie: Joris Smeets

Vormgeving: Media Luna - Marc Provoost

Druk: Drukkerij Bulckens, Herenthout

Met dank aan: Mohamed Chakkar, Riet Ory, Frieda Bex, Johny Wijnants, Lieve Van Hoofstadt, Wouter De Ploey, Brigitte Mouligneau, Raymonda Verdyck, Jan De Braekeleer, Saskia Van Gerven, Elke De Beukelaer, Bram Dewolfs, Viviane Schuer, Philippe Vandevorst, Wim Van Roy, Pol Vermoere, Peter Kruys, Jan Nolf, Roel Stynen, Dirk Voorhoof, Kathleen Van Brempt, Mark Suykens, Peter Warson, Robert Boons, Jacky Geboers. Een bijzonder woord van dank aan Marc Provoost en Isa Van Dorsselaer voor hun constructieve inbreng. Met medewerking van de FOV-lidorganisaties

federatie sociaal-cultureel werk


“Vertrouwen, verbinden, vooruitgaan.” De titel van het regeerakkoord van de nieuwe Vlaamse regering kan haast niet sociaal-cultureler zijn. Vertrouwen. Ook van het regeerakkoord van 2004 begon de titel met dit woord. Waarom willen Vlaamse regeringen telkens van de daken schreeuwen dat zij vertrouwen willen geven? Omdat zij beseffen dat de Vlaamse beleidscultuur niet doordesemd is van vertrouwen. Het Vlaams Parlement neemt nog altijd te weinig ruimte voor fundamenteel debat. De Vlaamse administratie bulkt van interne controle- en opvolgsystemen. Interne procedures en regels worden vooral door wantrouwen onder de bestuurders gevoed. Hoeft het dan te verbazen dat vertrouwen elke vijf jaar als een ‘cri de coeur’ uit de politieke wereld weerklinkt?

Slimme antwoorden Maar er is meer aan de hand met dat vertrouwen. We worden steeds intoleranter voor zij of hij die anders is, anders denkt, anders doet dan wijzelf, en we verwachten dan dat de overheid onze eigen microkosmos veilig stelt. Maar iedereen heeft zijn microkosmos. Een overheid kan hier moeilijk subtiele antwoorden op geven. En dus dreigen we daarin door te slaan (denken we maar aan de GAS voor futiliteiten). Samenleven moet een stabielere basis krijgen. Kunnen sociaal-cultureel werk en overheden antwoorden bieden die meer gemeenschapsbevorderend zijn? Hoe kunnen we samen beterschap brengen? Overheden en sociaal-cultureel werk moeten samen op zoek naar slimme vormen van sociale cohesie en burgerschap. Soms zullen dat geheel nieuwe technieken en tactieken zijn. Dikwijls kunnen ze gewoon de sterktes uit beider genen aanwenden om hetzelfde anders te doen en andere dingen hetzelfde aan te pakken.

Spookrijders

INTRO

VERTROUWEN ALS RODE DRAAD Daar heb je vertrouwen voor nodig. En dat kunnen bestuursingenieurs en communicatietovenaars niet voor elkaar krijgen. Want zij mismeesteren termen als ‘efficiëntiewinst’ en ‘bestuurlijke optimalisatie’, als vormen van ‘newspeak’ voor blinde besparingen en doelloze schaalvergroting: gemeenten moeten groter, de afstand tussen Vlaanderen en lokale besturen moet groter, administraties moeten groter, scholen en voorzieningen moeten groter… Groter, groter, groter. Wat met het kleine? De straat, de buurt? De geëngageerde burger die zijn weg niet meer vindt? De kiemen van maatschappelijke innovatie die een belofte in zich dragen voor heel Vlaanderen en Brussel? Hier timmert het sociaal-cultureel werk graag aan. Met honderdduizenden initiatieven die samen een gigantisch maatschappelijk potentieel vormen. Met miljoenen mensen samen tonen ze dat het kan werken: een samenleving waar iedereen mee is. Soms met verhalen en ideeën die zich vandaag als spookrijders doorheen de grondstroom voortbewegen en morgen plots de grondstroom blijken te zijn. Allemaal essentieel voor echt vertrouwen, reële verbindingen en een toekomst die maatschappelijke vooruitgang uitstraalt.

Voortdurende verandering De maatschappij is voortdurend in verandering. Zo ook het sociaal-cultureel werk. Dat is niet altijd even gemakkelijk. Maar we kunnen niet genoeg herhalen dat er juist daarom meer dan ooit nood is en blijft aan vele duizenden plekken waar mensen samen de goesting aanwakkeren en antwoorden zoeken op onzekerheid. Samen de toekomst verbeelden en een samenleving met veerkracht opbouwen. En jawel, dit vraagt bevlogen investeringen in een ‘future proof’ beleid. Wascabi, het jaarmagazine over beleid en tendensen in het sociaal-cultureel werk, wil hierover prikkelen en inspireren. Dirk Verbist, directeur FOV

I

2014 1


4

Het sociaal-cultureel werk uitgedaagd: OVER TROEVEN, OPLOSSINGEN EN VALKUILEN…

Bij de buren:

PETER KRUYS OVER DE PARTICIPATIESAMENLEVING

DE PRIJZEN… 15 INErkenning voor het sociaal-cultureel werk

2

I

2014

18

16

Ready for takeoff?

AANBEVELINGEN VOOR EEN LEREND VLAANDEREN

3, 2, 1… start!

24

GAAT MINISTER GATZ VOOR GOUD?

23 STEMMINGMAKERIJ Pittige quotes over het middenveld


INHOUD 28

Europa in de stellingen:

VAN BREMPT OVER WAAR HET MET DE UNIE NAAR TOE MOET

42

Samen aan de weg timmeren: DIRK VERBIST EN MARK SUYKENS IN DIALOOG

36

Subsidiëren of investeren: WHAT’S IN A NAME?

Hardop dromen

50

PETER WARSON OVER ZIJN FOV

NOG RUIMTE VOOR PUBLIEKE ACTIE? DE PRAKTIJK: 34 ISDrieERkritische 46 INVandaag stemmen antwoorden antwoorden op de uitdagingen van morgen

I

2014 3


CONTROL-ALT-DELETE_ sociaal-cultureel werk reboot de samenleving De wereld verandert in sneltreinvaart. Voor een antwoord op de nieuwe maatschappelijke uitdagingen heeft onze samenleving een reboot nodig. Met het ViA-toekomstproject geeft de Vlaamse overheid de aanzet. Het sociaal-cultureel werk maakt vandaag al, elke dag weer, mee de toekomst. Wij kunnen dus een deel van de oplossing zijn. Welke troeven kunnen we uitspelen? Waar kunnen we onszelf nog versterken? Welke valkuilen moeten we handig ontwijken? Waar zien we wissels op de toekomst? En wat moet de overheid doen opdat we nog meer kunnen betekenen?

Een t rio buitenstaanders prikkelt, een panel

middenvelders

in hart en nieren zet de puntjes op de i.

4

I

2014


Riet Ory_

ADJUNCT ALGEMEEN DIRECTEUR FEMMA (VERENIGINGEN)

Johny Wijnants_

Frieda Bex_

COÖRDINATOR VORMINGPLUS LIMBURG (VOLKSHOGESCHOLEN) STAFMEDEWERKER WELZIJNSZORG

Mohamed Chakkar_

VOORZITTER FEDERATIE MAROKKAANSE VERENIGINGEN (VERENIGINGEN)

(BEWEGINGEN)

Lieve Van Hoofstadt_ DIRECTEUR CCV, PARTNER IN CHRISTELIJK VORMINGSWERK (VORMINGSINSTELLINGEN)

VEERKRACHT:

GEEN LUCHTKASTEEL MAAR SPRINGKASTEEL

Sociaal-culturele organisaties hebben veel ideeën voor een ambitieus sociaal-cultureel beleid dat de antwoorden op de grote maatschappelijke uitdagingen mee vorm kan geven. Dat blijkt uit ‘Veerkracht’, onze bundeling van richtingaanwijzers voor de toekomst. (zie ook veerkracht.fov.be) De afgelopen jaren hebben beleidsmakers en middenveldspelers heel wat sporen verkend en werden boeiende en toekomstgerichte dwarsverbanden opgezet. Om die leernetwerken te laten leven, is er nood aan zowel een formeel netwerk (overheden of formele samenwerkingsverbanden, die een coördinerende rol opnemen) als een informeel netwerk

(mensen die het idee sociaal-­maatschappelijk tot leven brengen). Als mensen ‘eilanden’ van expertise met elkaar verbinden, wordt die nieuwe biotoop diverser en veerkrachtiger en kunnen we samen verder springen. Om zulke verbindingen tot stand te brengen, zijn niet altijd ingrijpende veranderingen nodig. Het is vaak vooral zoeken naar een nieuwe manier om niet voor de hand liggende partners met elkaar te verbinden en de inzet efficiënt te coördineren. Mooie voorbeelden hiervan zijn de projecten Het Keerpunt, Pulse en OPEK, in dit dossier.

I

2014 5


transities niet aanpakken als een project van iedereen, dan zal het niet werken. Ik begrijp dat bij het middenveld soms het gevoel leeft dat de visie niet duidelijk is. Men verwacht van die transities dat op twee of drie jaar kristalhelder is waar het naartoe gaat, maar dit is een langzaam proces, met vallen en opstaan. We kunnen projecten opstarten die aanvankelijk een goed idee lijken, maar die uiteindelijk toch moeten bijgestuurd of zelfs geschrapt worden.

BRIGITTE MOULIGNEAU, AFDELINGSHOOFD STAFDIENST VLAAMSE REGERING, ViA-PROCESMANAGER Het middenveld is betrokken bij alle “transities, voor alle grote maatschappelijke uitdagingen, en dat hoort ook zo. Om het systeem fundamenteel te veranderen, moeten alle actoren – overheid, bedrijfswereld, kenniscentra, middenveld en burger – meewerken en hun verantwoordelijkheid opnemen. Het volstaat dus niet om te zeggen dat er iets fout zit in het systeem en met kenniscentra en ondernemingen nieuwe producten en diensten te ontwikkelen. Dit zijn veel complexere uitdagingen. Er dient ook gewerkt te worden op de waardenkaders, op het gedrag, op de cultuur van mensen en organisaties. Het middenveld kan daar een belangrijke katalysator zijn. Het kan zijn organisaties en verenigingen informeren en meetrekken in dat verhaal van noodzakelijke verandering op domeinen als armoede of energie- en

materialengebruik. Daarnaast kan het vanuit zijn ervaring op het terrein expertise binnenbrengen in de debatten. Ik heb wel gemerkt dat middenveldorganisaties soms moeite hebben met die nieuwe rol. Ze komen vaak naar de overheid vanuit belangenverdediging. Maar ze moeten nu niet komen zeggen wat de overheid niet goed doet en wat ze wel moet doen. We zitten aan tafel om samen een thema aan te pakken. We maken afspraken die we in gedeeld eigenaarschap toepassen. Dat vergt een omslag die niet iedereen al gemaakt heeft. Er is bij sommigen wantrouwen. Ze hebben het gevoel dat ze herleid worden tot een onderaannemer van de overheid, die het ook nog eens moet doen met minder geld. Sommigen zien ViA uitsluitend als een politiek project, dat van bovenaf wordt opgelegd. Maar als we die

Experimenten die in de juiste richting zitten moeten vanzelfsprekend voorrang krijgen voor subsidies, financiering voor innovatie of steun aan ondernemingen. En daar zit het nog niet helemaal goed. Overheidsorganisaties zoals VITO, IWT en Agentschap Ondernemen zouden het financiële instrumentarium van de overheid best afstemmen op de noden van de transi­ties. Dat besef groeit, en dat gebeurt nu ook deels met de Sociale Innovatiefabriek, die ruimte wil creëren voor prille experimenten. Ik deel de bezorgdheid van het middenveld dat daarbij te veel wordt ingezet op technologische innovatie en te weinig op sociale innovatie. Met zuivere technologische innovatie alleen gaan we geen samenleving vernieuwen. Ik begrijp dat deze nieuwe rol voor het middenveld niet gemakkelijk is. Ze blijven namelijk ook die andere rol, van belangenbehartiger en luis in de pels, spelen tegenover de overheid. Dat is een lastige spreidstand. Maar we hebben mensen nodig die kritisch-constructief mee aan tafel kunnen schuiven. Is het middenveld bereid om die verantwoordelijkheid te nemen?

is volop bezig “ Hometdemiddenveld rol van co-architect op te nemen in deze revolutie. ”

RIET ORY

6

I

2014


KANS OF VALKUIL? De Vlaamse overheid zoekt met Vlaanderen in Actie (ViA) oplossingen voor diep­gewortel­de problemen, om te komen tot een duurzame, innovatieve en warme samen­ leving. Ze werkt rond transitie­thema’s zoals armoede­ bestrijding, duurzaamheid, vergrijzing en sociale innova­ tie. Om het systeem fundamenteel te veranderen, moeten volgens haar alle actoren – overheid, bedrijfswereld, kenniscentra, middenveld en burger – hun verantwoorde­ lijkheid nemen, in ‘gedeeld eigenaarschap’. Is het midden­ veld klaar voor die nieuwe rol? Wil het die wel?

FRIEDA BEX:  Kijk naar hoe het overleg rond armoede georgani-

seerd wordt. Het sociaal-cultureel werk komt daarbij niet aan bod, althans niet structureel. Als je armoede wil bestrijden, dan moet je de hele samenleving mobiliseren. Dat doen wij als Welzijnszorg systematisch, bijvoorbeeld met het samenwerkingsverband ‘Decenniumdoelen 2017’ rond armoede in eigen land. De overheid ondersteunt ons daarbij niet. Dan kan je nog zoveel toeteren over gedeeld eigenaarschap, het wordt niet waargemaakt.

” “In mede-eigenaarschap zitten ook valkuilen. Het gevaar is dat de overheid zegt: ‘Jullie doen dit en hier MOHAMED CHAKKAR: 

RIET ORY:  Ik zie een sterke beweging binnen het middenveld

deze rol van co-architect opnemen. Ik wil daarbij niet alleen experimenten aan de basis opzetten, maar ook een echte tegenmacht zijn voor de thema’s waarover wij kennis van zaken hebben. Neem nu de 30-urenweek van Femma, een idee waarvoor we contact hebben gezocht met universiteiten, vakbonden, denktanks. Als sociaal-cultureel veld kunnen wij een droom formuleren die wij werkelijkheid willen zien worden en waarvoor wij verbindingen zoeken. Dat is maatschappelijke innovatie vanuit het sociaal-cultureel werk. Dat is systeemverandering.

LIEVE VAN HOOFSTADT:  De overheid vraagt gedeeld eigenaar-

schap in die transities. Goed, maar het is niet evident om als sociaal-culturele organisatie, die probeert innovatief te zijn, steeds wisselende overheden op haar pad te vinden, met steeds wisselende accenten in hun beleid. Ondanks alle mooie woorden ontbreekt bij de overheid een integrale benadering, terwijl sociaal-culturele organisaties die met kwetsbare groepen werken verschillende beleidsdomeinen in hun werking integreren.

zijn wat kruimels om de klus te klaren’. Wij kunnen een sterke partner zijn, maar het beleid heeft de hoofdverantwoordelijkheid. De structurele aanpak van problemen ligt niet bij het middenveld. Wij moeten de rol van belangenbehartiger spelen en zeggen waar het op staat.

ij moeten de rol van “ Wbelangenbehartiger spelen en zeggen waar het op staat. ”

MOHAMED CHAKKAR

I

2014 7


ANTENNES OPEN De maatschappelijke uitdagingen zijn complex en gelaagd. Het volstaat niet om te morrelen in de marge. Het is zoeken naar nieuwe verbindingen die wijzen op ­verandering en die een toekomstmodel in zich houden. Het middenveld moet de verbindingen die er zijn verster­ ken, en er nieuwe zoeken. Het potentieel is er, wordt het voldoende aangeboord?

RIET ORY:  Er broeit vanalles aan de basis rond anders naden-

ken over energie- en voedselproductie, over consumptie. Over samenleven ook. Neem nu Dyab Abou JahJah die zijn Movement X wil lanceren (burgerbeweging rond antwoorden voor de gekleurde samenleving, red.). Weet hij wat dat gaat worden? Nee. Maar hij probeert het. Wel, dan moeten wij als sociaal-cultureel werk onze antennes openzetten. Want hier staat iemand op die in het middenveld een positie wil innemen en die een beweging wil maken. Dat zijn wij. Maatschappelijke innovatie en de rol die we daarin spelen, gaan hand in hand met sociale innovatie, met de manier dus waarop we georganiseerd zijn, met onze methodes. We moeten veel meer nadenken over hoe we die verbindingen maken.

JOHNY WIJNANTS:  Er zijn heel wat goede transitiepraktijken op

het vlak van duurzaamheid in verschillende sectoren, die verbindingen maken: samen tuinieren, repaircafés, samen delen. Zij hebben een gemeenschappelijke grondstroom die ik mis bij thema’s als armoedebestrijding of diversiteit. Wij moeten ons verbinden rond waarden. Dan kunnen wij de ambitie om maatschappelijk te innoveren beter realiseren. Wij verdedigen die inclusieve samenleving.

MOHAMED CHAKKAR:  Als je je openstelt als organisatie en de

durf hebt om elke mogelijke partner te betrekken en te laten meedenken, zodat je heel verschillende invalshoeken hebt, dan krijg je een sterke dynamiek. Dat zie je gebeuren rond het brede-schoolconcept.

JOHNY WIJNANTS:  Het sociaal-cultureel veld kan nieuwe initia-

tieven die ontstaan bij burgers of lokale groepen versterken, zonder ze te willen overnemen, en die zelf opnemen in zijn dagelijks functioneren. Zo zorgen wij er voor dat die maatschappelijke innovaties ook sterk worden en dat ze niet te snel worden geïncorporeerd in het systeem.

FRIEDA BEX:  Het belangrijkste voor mij is toch dat je weer

vormen van collectiviteit krijgt, tegen de individualisering in. Of we in al die initiatieven de grote duurzame innovatie moeten zien? Wij moeten vooral bekijken hoe we tot die nieuwe vormen van collectiviteit kunnen bijdragen vanuit onze deskundigheid, onze visie, onze methodiek, en ze zo mee versterken.

8

I

2014

PULSE “ Thematische hubs zijn de

toekomst: expertise delen en capaciteiten koppelen zijn hierbij sleutelbegrippen.

ELKE DE BEUKELAER, PULSE

Pulse brengt mensen en organisaties uit de kunst-, erfgoeden sociaal-culturele sector samen rond de thema’s cultuur, ecologie en transitie. De kiemen van dit transitienetwerk werden gelegd op het Atelier Ecocultuur in 2010 (Cultuurforum). Een groep enthousiastelingen werkte daarna samen voort rond het thema. De minister van Cultuur Joke Schauvliege goot deze positieve energie in het transitienetwerk Pulse. Pulse is een levend leernetwerk. Het wil het kapitaal rond duurzaamheid in de verschillende sectoren versterken, maar ook uitdagen en hokjes openbreken. Pulse is een broedplaats voor nieuwe inzichten, bruikbare actiemodellen en concrete instrumenten. Prikkels uit de dagelijkse praktijk (Wat als de energieprijzen verdubbelen of verdrievoudigen? Wat betekent dit voor onze werking?) staan naast grote vraagstukken zoals ‘Welke rol heeft of neemt de brede cultuursector in sociale rechtvaardigheid?’ of ‘Hoe versterkt cultuur transitie?’. Meer weten? www.pulsenetwerk.be of contacteer Elke De Beukelaer op 02-247.28.41.


SLOW THINKING Er broeit veel, maar is het echte vernieuwing of is het hype? Waar duik je in als sociaal-culturele organisatie, waar blijf je af? Heb je de tijd nog om hier bij stil te staan? Krijg je die tijd nog van de overheid?

MOHAMED CHAKKAR:  Wij nemen te weinig tijd om te herbronnen

HET KEERPUNT “ We vertrekken vanuit microverhalen van mensen. Door mensen te versterken wordt ook het verhaal van De Brede School ‘Het Keerpunt’ langzaam groter en structureler.

SASKIA VAN GERVEN, DE BREDE SCHOOL ‘HET KEERPUNT’

Het Keerpunt in hartje Borgerhout is een van de langstlopende brede-schoolinitiatieven. Gestart vanuit een droom en een visie op breed leren, huizen intussen 13 partners van divers pluimage, waaronder Open School, FAAB, FMV en Het centrum voor leren en werken, onder één dak. Dankzij deze partners krijgt Het Keerpunt jaarlijks 15.000 zeer diverse bezoekers over de vloer. Het Keerpunt is echter meer dan een gedeelde infrastructuur. Het Keerpunt speelt ook een maatschappelijke rol als netwerk voor leren tussen de sociale, culturele en onderwijsorganisaties. Die mix zorgt voor een dagelijkse kruisbestuiving, bijvoorbeeld door de sociale tewerkstelling van jongeren uit het deeltijds leren of door bewust cultuur te injecteren in de brede school. Het kostuumatelier DOEK bijvoorbeeld is een sociaal-artistiek tewerkstellingsproject. Het atelier maakt kostuums en textielobjecten voor de cultuursector: theater, film, processies, evenementen, kunst, mode. Maar Het Keerpunt is ook stevig verankerd in de buurt. Zo besliste de bewonersvergadering om deel te nemen aan de jaarlijkse Reuzenstoet in Borgerhout. Samen met alle partners, vele vrijwilligers en de expertise van onder andere het constructie-atelier en het naaiatelier in Het Keerpunt won het Keerpunt bij haar eerste deelname vorig jaar de kinderjuryprijs en de prijs van de mooiste reus! Dit jaar start de aanleg van een grote samentuin op de binnenspeelplaats. De partners hebben niet alleen een gezellige, groene plek voor bezoekers en buurtbewoners voor ogen. Ook sensibilisatie rond ecologie en milieu­educatie staan op het programma. Meer info? www.bredeschoolhetkeerpunt.be of contacteer Saskia Van Gerven op 03-270.01.92.

en stil te staan bij onze eigen rol. We mogen niet te snel tevreden zijn. En we moeten oppassen, want de verrechtsing gaat vroeg of laat als een golf over ons heen spoelen. Wij moeten daar sneller een antwoord op formuleren, maar wij staan niet altijd stil bij de grote veranderingen die bezig zijn.

LIEVE VAN HOOFSTADT:  Er is een hele grote spanning tussen hoe

vluchtig de wereld is geworden en de manier waarop wij bezig zijn, op een procesmatige manier die tijd vraagt en waarvan de impact niet altijd meteen zichtbaar is. Je ziet overal nieuwe dingen en je vraagt je af: is dit nu echt vernieuwend of is dit hype? Waar ga je mee aan de slag, wat laat je liggen?

RIET ORY:  De Duitse socioloog Hartmut Rosa zei dit voorjaar

op het Groene Boek in het Kaaitheater dat door de maatschappelijke versnelling de tijd en de ruimte voor reflectie afnemen. Die versnelling komt er onder andere door de snelle technologische evolutie en het hogere levensritme. Ook de overheid stapt mee in die dynamiek, waardoor er nog minder ruimte is om na te denken en uit te wisselen, kortom ruimte voor democratie. Hoe kunnen we deze dynamiek, die de democratie zelf bedreigt, doorbreken? Het brede middenveld kan de samenleving weer helpen te vertragen. Rond een thema of een idee mensen verzamelen en verbinden, en er een toekomst rond formuleren – of dat nu gaat om de dertigurenweek of de brede school of een inclusieve samenleving.

MOHAMED CHAKKAR:  Er moet onmiddellijk en aantoonbaar resul-

taat zijn. Waarom hebben wij het recht niet meer om te mislukken? Wij hebben toch de waarheid niet in pacht? Sommige projecten starten we op met een bang hart. Neem een probleem als de radicalisering van jongeren die naar Syrië vertrekken. Wij denken ons suf over hoe je dat kan aanpakken. Het kan zijn dat we iets opstarten en dat dit niet lukt. Dan weet je dat en verander je het geweer van schouder.

RIET ORY:  Er wordt nu te veel van uit gegaan dat transitie een

resultaat is. Je moet dus in transitie zijn, maar het mag niet te veel tijd in beslag nemen en je mag zeker niet mislukken, want je moet resultaat boeken. Transitie is een constant proces.

r wordt onmiddellijk resultaat “ Egeëist. Dat gaat niet, het procesmatig versterken van mensen vergt tijd.

MOHAMED CHAKKAR

I

2014 9


de praktijk waarin deze verenigingen werken. Zij kunnen veel praktische en pragmatische voorbeelden geven van hoe mensen zich tot een gemeenschap verhouden en zich erin herkennen. Een tweede grote uitdaging is die rond gelijke kansen voor alle kinderen op de schoolbanken. Het gaat dan niet alleen over de kansen die kinderen krijgen op de school zelf, maar ook de coaching van de ouders, van de omgeving. De juiste begeleiding, als het niet kan door de ouders, dan door het sociaal-cultureel werk, kan een enorm verschil maken.

WOUTER DE PLOEY, PARTNER/DIRECTEUR MCKINSEY, VOORZITTER RAAD VAN BESTUUR M HKA, ANTWERPENAAR

Het is pas wanneer je schoolgaande “kinderen hebt, dat je ten volle beseft hoe ver de multiculturele realiteit van deze stad al is gevorderd. Hoe kan je die 177 nationaliteiten in Antwerpen, en in Vlaanderen, begeleiden naar een zekere vorm van sociale cohesie? Dat is een grote uitdaging voor de toekomst. In de kunst- en cultuursector zijn er rond dit thema nog altijd veel taboes en white elephants, dingen waarover niet gesproken mag worden. Kunst en cultuur moeten in debat treden met alle politieke en maatschappelijke geledingen om te zien of ze een rol kunnen spelen bij deze gemeenschapsvorming – sommigen zeggen natievorming – en welke dan. Ze moeten zich weer engageren en zien waar ze kunnen bijdragen tot sociale cohesie, kritisch en opbouwend.

Dat geldt ook voor de sociale organisaties. Je hebt in Vlaanderen, en in Antwerpen, een belangrijke allochtone gemeenschap, in al haar diversiteit, en je hebt een grote autochtone gemeenschap die rechts stemt – nu democratischer dan in het verleden, weg van die vieze component. Wanneer komt het echte debat vanuit de sociale organisaties, ook met de N-VA, over wat gemeenschapsvorming betekent? Wat is er nodig om tot een gemeenschap te behoren? Welke zijn de minimumnormen? En zijn minimumnormen wenselijk of relevant? Nu wordt er vaak a priori niet gepraat. Nochtans kan het middenveld in dit moeilijke en delicate debat een zeer grote rol spelen, alleen al door het te voeren. Niet op een hoog principieel-emotioneel niveau, zoals dat nu gebeurt, maar vanuit

Het middenveld kan dus een nuttige tussenschakel zijn. De uitdaging zal echter zijn om zulke projecten op te schalen om echt impact te hebben. Want dat vergt een investering van mensen en een continuïteit van organisatie. Kennis van hoe je zoiets getrapt opbouwt en verankert, hoe je de juiste mensen kiest. Niet iedereen in het middenveld heeft daarvoor de capaciteiten. Dat is geen verwijt, die nood aan competentievorming zie ik op vele plekken. Het middenveld kan die competenties echter ook ‘inkopen’, bijvoorbeeld bij het bedrijfsleven. Het bedrijfsleven moet in de eerste plaats toegevoegde waarde en tewerkstelling creëren. Op die basis kan je veel beginnen te financieren. Eerder dan een bedrijf dat zegt ‘belast me weinig en dan zal ik veel goeds doen voor de samenleving’, zie ik liever een positief debat over hoe we die middelen in de gemeenschap gaan steken, en waarin we gaan investeren. Waarbij het middenveld mee de noden kan identificeren en bepaalde initiatieven kan lanceren.

TOUS ENSEMBLE, TOUS ENSEMBLE Biedt actief burgerschap in combinatie met sociaal ondernemerschap de oplossing voor de toekomst? En wat betekent actief burgerschap dan voor ons?

FRIEDA BEX:  Welzijnszorg is ruim een jaar geleden begonnen

met de ondersteuning van lokale vrijwilligersgroepen met mensen in armoede, die in gesprek willen treden met de lokale overheid. Want ze weten niet altijd hoe dat moet, hoe je je boodschap brengt, hoe je dat aanpakt. Wij leiden vrijwilligers op om die groepen te ondersteunen. Zo maken we het voor mensen mogelijk om zich vanuit die veilige basis te uiten. We 10

I

2014

werken daarvoor bewust met groepen, en niet met individuen. Maar ik merk in het publieke discours een verschuiving naar een individuele invulling van actief burgerschap en dat schrikt me af, omdat het veel van mensen vergt en daardoor mensen uitsluit. Ik breek daarom een lans voor het sociaal-cultureel werk om dat collectieve actief burgerschap te helpen realiseren. Anders komen alleen de mensen aan het woord van wie de stem het luidst klinkt.

MOHAMED CHAKKAR:  Je ziet ook een nieuwe discussie ontstaan

over de interpretatie van het woord solidariteit. Je krijgt


et sociaal-cultureel werk “ Hmoet actief burgerschap helpen realiseren, anders klinkt alleen de stem van wie het luidst roept.

FRIEDA BEX

solidariteit als je ze verdient. Geen Nederlands? Geen hulp. Roken? Geen ziekteverzekering. Dat gaat toch in tegen alles waar we voor staan? Helpt een beschaafde samenleving niet iedereen die hulp nodig heeft? Wij moeten het debat over de invulling daarvan als middenveld voeren, want dat zal zich ook vertalen in het overheidsbeleid. Je merkt nu hoe overheden proberen om ons aan de kant te schuiven, omdat ze ons te kritisch vinden. In Gent heeft het stadsbestuur het gesprek over de grote maatschappelijke uitdagingen direct gevoerd met de lokale afdelingen, zonder de federaties. In Antwerpen was eerder al de dialoog met het middenveld stopgezet. Een politieke blunder, want als wij betrokken worden, dan kunnen wij dat beleid mee dragen en daardoor versterken.

LIEVE VAN HOOFSTADT:  Stafmedewerkers van de lokale overheid

RIET ORY:  Je vertrekt vanuit iets wat er is – een stad, een wijk,

werken nu met lokale burgers of groepjes rond het gemeentelijke beleidsplan, zo wordt de burger direct betrokken, individueel of per wijk. Dat is voor de overheid actief burgerschap. Maar dat is niet hoe wij dat invullen. Actief burgerschap betekent voor mij: ‘Ik neem verantwoordelijkheid voor mijn leven maar vooral ook voor mijn samen leven’. Dat is onze grondhouding: we doen dit als groep, niet als individu. Zo realiseren wij sociale cohesie. Maar de wereld is wel veranderd. Gemeenschapsvorming is het DNA van onze sector. Misschien hebben we daardoor ook te weinig benoemd hoe wij die gemeenschap zien, tegenover onze doelgroep, tegenover de samenleving, tegenover de overheid. Wat betekent gemeenschap? Wat betekent het om tot een gemeenschap te behoren? Het verhaal van gemeenschappen vandaag is er een van heel veel lagen. En waar komen wij als sociaal-cultureel werk dan binnen, in welke laag?

een thema in je omgeving zoals de overkapping van een Ring – en je verenigt daarrond mensen. We moeten veel meer gaan kijken wie we willen verenigen of welke kaders we kunnen scheppen die aansluiten bij wat mensen lokaal beroert, om een gemeenschap te vormen.

FRIEDA BEX:  Gemeenschap gaat voor mij niet over mini-

mumnormen voor de individuele deelnemers, zoals nu vaak het geval is. Ik wil liever normen over wanneer een gemeenschap zich een gemeenschap mag noemen. Het gaat over inclusiviteit.

MOHAMED CHAKKAR:  Een van de unieke dingen die onze school

Iqra, in Vlaanderen, in Borgerhout, in die wijk, heeft teweeggebracht is dat ouders het gevoel hebben erbij te horen. Dat trekt andere mensen aan die geloven in dit verhaal. Ja, gemeenschapsvorming is gelaagd. Maar het gevaar bestaat dat wanneer wij als middenveld geen positie innemen en duidelijk maken wat wij bedoelen met gemeenschapsvorming, die idee langzaam gaat verengen tot etniciteit of religie.

FRIEDA BEX:  Voor de samenleving is het een slechte zaak

wanneer je armoedebestrijding alleen overlaat aan mensen in armoede. Wij moeten daar een samenleving rond mobiliseren. Gemeenschapsvorming die te eng wordt ingevuld, of het nu gaat om sociaaleconomische positie dan wel etniciteit, moet je openbreken, want op termijn kom je daar geen stap verder mee. Daar heeft het middenveld een rol in te spelen.

MOHAMED CHAKKAR:  Maar wat als ik me geen Vlaming voel? En als

Marokkaan word ik scheef bekeken, als moslim nog meer? Wat als ik werk noch diploma heb? Tot welke gemeenschap behoor ik dan? Wij handelen naar een idee van een gemeenschap. Maar dan is er een incident en plots zijn dat geen burgers meer, dan zijn dat moslims, Marokkanen, hangjongeren. Er zijn nu groepen mensen die bijna nergens terecht kunnen. Hoe komt het dat we als middenveld die boot hebben gemist?

e moeten kijken welke “ Wkaders we kunnen scheppen

die aansluiten bij wat mensen lokaal zien zitten, om een gemeenschap te vormen.

RIET ORY

I

2014 11


een bepaalde bagage mee te geven. Maar wij willen dat de werelden van formeel en informeel leren elkaar vinden en versterken. Niet alles moet komen van de leerkracht.

RAYMONDA VERDYCK

AFGEVAARDIGD BESTUURDER GO! village to raise a child.’ Daar “zijn‘ItwijtakesalsaGO! absoluut van overtuigd. Wij zijn helemaal gewonnen voor de gedachte van de brede school. Het middenveld is onze partner om gelijke kansen te garanderen voor alle kinderen, een van de grootste uitdagingen voor het onderwijs. Het leren stopt namelijk niet aan de schoolpoorten. Middenveldorganisaties kunnen de leefwereld waarin kinderen opgroeien, verder openbreken en hen in aanraking brengen met een aantal aspecten van die brede wereld waar we in de school niet alleen op kunnen inzetten. Op dit moment is die partnerschap nog embryonaal. Er gebeurt te veel ad hoc. Er heerst bij scholen nog drempelvrees om de deuren open te gooien, die kruisbestuiving door de buitenwereld binnen te halen en organisaties uit het middenveld aan te spreken. Scholen zijn nog te veel eilanden.

Omgekeerd stellen we echter vast dat ook vanuit dat middenveld zelf nog te weinig stappen worden gedaan om dat diepe water over te steken. We moeten veel meer in dialoog gaan om te zien hoe we elkaar kunnen versterken en aanvullen. Het middenveld kan inspelen op dingen waar onze scholen rond werken. Ze kunnen drempels verlagen voor jonge mensen die we nu moeilijker bereiken in ons onderwijs en hen toeleiden naar het sociaal-cultureel werk, om hen te motiveren en aansluiting te doen vinden, vanuit hun eigen leefwereld. Ze kunnen ouders, en in het bijzonder allochtone ouders, ondersteunen. Het blijft voor scholen moeilijk om aansluiting te vinden bij deze doelgroep, terwijl de betrokkenheid van ouders een belangrijke sleutel is voor het welzijn van een kind op school. Het middenveld kan de brug slaan. Je zult wel altijd een formele setting voor leren nodig blijven hebben om kinderen

Het middenveld kan niet alleen onze partner zijn in het behalen van de leerdoelen, maar vooral ook in het leren samenleven en opnemen van verantwoordelijkheid en burgerschap. Daar liggen veel meer mogelijkheden dan vandaag worden benut voor een interactie met de buitenwereld die jongeren kan versterken. De muren tussen onderwijs en de aanbieders van informeler leren uit het middenveld moeten dus naar omlaag. Maar ik ben niet gewonnen voor de idee om het monopolie van het onderwijs op leren zo af te breken dat jongeren als het ware hun kennis ‘inkopen’ op verschillende plekken. Je dreigt daarin een grote groep jonge mensen te verliezen, terwijl ons leerplichtonderwijs toch de ongelofelijke kans biedt om elke jongere te bereiken. We willen vooral inzetten op competenties die hen toelaten om te blijven leren en in de toekomst in te spelen op gewijzigde omstandigheden, in hun leven en op de arbeidsmarkt. Het sociaal-cultureel werk brengt mensen een aantal vaardigheden en basiscompetenties bij die zeer waardevol zijn, die je evenzeer nodig hebt en die daarom erkend moeten worden. Want we worden allemaal burgers die moeten mee denken en functioneren in de samenleving.

EEN ZIEL VOOR HET ONDERWIJS De samenleving rekent veel op onderwijs om ongelijkheid weg te werken. Onderwijs, in de brede zin van het woord, moet daarom meer investeren in partnerschappen met het sociaal-culturele veld. Gebeurt dat voldoende? Hoe moet het dan wel?

FRIEDA BEX:  Wij moeten nadenken over hoe wij het onderwijs

kunnen opentrekken. Het klassieke onderwijs slaagt er op dit moment helaas alleen niet in om alle jongeren de kansen te bieden die ze nodig hebben. Er zijn een hoop jongeren die er op zijn minst tijdelijk uitstappen. Sociaal-culturele actoren zetten tijdelijke of permanente initiatieven op, zodat jongeren kunnen blijven leren wanneer ze niet meer terecht kunnen in dat onderwijs.

12

I

2014

LIEVE VAN HOOFSTADT:  Het is niet de verantwoordelijkheid van

jongeren zelf om ervoor te zorgen dat ze volwaardige burgers worden. Het is een opdracht voor het onderwijs en voor ons om jongeren te vormen, hen te laten opgroeien tot mensen die toegerust zijn om verantwoordelijkheid te nemen voor zichzelf en voor de ander. Daarvoor moeten we de brug leggen tussen arbeid en onderwijs, tussen kunst en onderwijs, tussen vrijwillige inzet en onderwijs.

MOHAMED CHAKKAR:  Onderwijs kan niet alle problemen oplossen.

Maar ze hebben wel boter op het hoofd. Als het gemeenschaps­ onderwijs collectief beslist om tienduizenden meisjes elke dag 25 keer de hoofddoek op en af te laten zetten, ben je dan echt bekommerd om jongeren? Als je daar dan ook nog eens


pedagogische flauwekul rond verkondigt, dan strooi je mensen zand in de ogen. Het gevolg is een grote groep mensen die zich weggeduwd voelt, omdat ze niet mogen zijn wie ze zijn. Dat is een achterhaalde visie op onderwijs. Zij verklaren zich de specialist: dat is ons terrein, blijf weg. Maar scholen moeten vandaag de dag veel breder en dieper in de samenleving ingebed zijn. Wij hebben bezielers nodig in het onderwijs en we kunnen dat als middenveld mee dragen.

LIEVE VAN HOOFSTADT:  Misschien geldt ook voor vormingsinstel-

lingen dat we leren niet voldoende geëxpliciteerd hebben. Leren is van oudsher de methodiek om mensen tot ontwikkeling en groepen tot vooruitgang te brengen. Leren in de heel brede betekenis. We leren veel informeel, maar we benoemen dat te weinig, ook voor de doelgroep. Ze moet weten dat wat ze doet effect heeft.

RIET ORY:  Een lesgever die iets komt uitleggen of deelneem-

sters aan een naaiatelier die van elkaar leren, dat is een hele omslag in de manier van leren, een manier die ook veel meer succes heeft, zeker bij jonge deelnemers. Het is aan ons om deze goede praktijken te benoemen en zo bij te dragen tot een sterke visie op leren.

OPEK “ Kunst tonen, maken, doen, beleven, leren in een jong en bruisend huis.”

JAN DE BRAEKELEER, WISPER

OPEK is een kunstenhuis in Leuven met een artistiek en een educatief spoor. De wisselwerking tussen beide sporen levert verrijkende trajecten op voor alle gebruikers van het huis: kunstenaars, cursisten, toeschouwers en partners. Gestart in 2012 werd OPEK op korte tijd een belangrijke cultuurspeler. Het is veel meer dan de optelsom van de vijf dragende kunst(educatieve) organisaties Artforum, Braakland/ ZheBilding, fABULEUS, Mooss en WISPER. OPEK verbeeldt een toekomst waarin organisaties en mensen elkaar ontmoeten en een verhaal schrijven van onderlinge uitwisseling en kunsten, maar ook van buurtgericht werken en nieuwe manieren van gemeenschapsvorming.

LIEVE VAN HOOFSTADT:  We hebben inderdaad veel meer te bieden

dan het klassieke leerproces. Ondanks alle discussies over EVC’s (Erkenning van Verworven Competenties, red.) en zo meer wordt onze aanpak wel erkend en gedoogd, maar niet meegenomen in het beleid. Druppelsgewijs zie je wel nieuwe inzichten – ook de onze – op leren binnensijpelen in onderwijsomgevingen, maar de cognitieve en diplomagerichte benadering domineert toch nog. Dat is een uitdaging voor ons: hoe komen we uit die hoek? We moeten er als sector, samenleving en beleid voor zorgen dat we de boot niet missen en daardoor alleen voortwerken met mensen die in staat zijn hun eigen leerbehoeften te formuleren, die hun weg vinden naar een aanbod dat past bij hun leerbehoefte en die het kunnen betalen.

JOHNY WIJNANTS:  Als je in participatieonderzoek ziet welke groepen in de samenleving leren, dan is de algemene regel dat naarmate je hoger geschoold bent, je meer deelneemt. Wij doen er volgens mij niet goed aan om de functie educatie expliciet te beklemtonen. We zijn met gemeenschapsvorming bezig, met maatschappelijk activeren. We moeten veel meer naar mensen toestappen en niet verwachten dat ze naar ons komen. We moeten inhaken op wat er ter plekke leeft, mensen en groepen versterken. Of je dat dan in een direct beheersbare vorm kunt gieten, dat is bijzaak.

Succesfactoren van OPEK zijn onder andere: de lokale inbedding in het Leuvense cultuurlandschap, de ligging op de grens van een arm en een rijk Leuven, de flexibele en functionele infrastructuur, de dynamiek van de verschillende werkingen in Leuven en Vlaanderen, het café als (publieks)verbindende factor en de interne samenwerking. Dit alternatieve kunstenhuis zet als stedelijke en landelijke innovator de toon voor het samenkomen in de toekomst van sociaal-cultureel en artistiek talent. Meer weten? www.opek.be of Jan De Braekeleer via 016-25 16 21.

RIET ORY:  Dat voel ik bij Femma ook. Critici smalen soms dat

we alleen nog bezig zijn met koken en naaien. Maar we hebben een methode. We denken na over hoe we dat educatieve en gemeenschapsvormende er in krijgen en de drempel toch laag houden. We leren samen en dat is ook de drijfveer van de deelnemers, maar dat is niet het enige of het belangrijkste. Het draait vooral rond gemeenschapsvorming.

Vragen of reacties? nele@fov.be

I

2014 13


DOMINO-EFFECT MET PETANQUEBALLEN BRAM DEWOLFS IS SAMEN MET RAF KNOPS DE OPRICHTER VAN DE BOULISTES BRUXELLOIS, EEN VRIENDENCLUB DIE MET EEN MOBIELE PETANQUEBAAN VOORAL IN KANSARMERE WIJKEN VAN BRUSSEL DE PUBLIEKE RUIMTE OPNIEUW CLAIMT EN MENSEN SAMENBRENGT. wel plannen voor een vzw, om veel meer mensen dit plezier te gunnen, maar het is niet onze eerste prioriteit. We mikken vooral op een domino-effect. Anderen kunnen ons navolgen, maar dat hoeft niet binnen één grote structuur. Wij willen eigenlijk vooral kleine dingen verwezenlijken die een verschil maken in de stad, maar het moet werkbaar blijven en dat is soms lastiger binnen grote structuren.

Bruxellois zijn ontstaan uit passie “enDeuit Boulistes frustratie. Weinig mensen in Brussel hebben een eigen tuin en wat doe je dan in de zomer? Er zijn amper gelegenheden voor volwassenen om zich gratis te amuseren in de publieke ruimte. Met de Boulistes zijn we op zoek gegaan naar een plek om petanque te spelen. We vonden een pleintje met grind en zijn gewoon begonnen. Veel omstaanders vonden dat sympathiek en vroegen om mee te doen. Het is opvallend hoe je sneller mensen aantrekt als je ze niet expliciet uitnodigt. Met een simpel spelletje lukt het om mensen die anders niet veel contact hebben met elkaar, samen te brengen. Een houten kader die we zelf hebben gebouwd, kunstgras en enkele ballen, dat is onze mobiele petanquebaan en meer hebben we niet nodig om bruggen te slaan tussen mensen in deze stad.

We pinnen ons ook niet vast op de Boulistes. Ze zijn een middel, geen doel op zich. We willen werken aan dat sociaal weefsel en we willen de openbare ruimte claimen. Hoe we dat doen, kan veranderen. Misschien vinden we volgend jaar iets anders. We willen constant in vraag stellen wat we doen en buiten de kaders denken en werken. ‘Guerrilla-acties’ als de Boulistes passen misschien ook beter bij de jonge, creatieve bevolking van de stad. Ze willen zich wel engageren, maar dan voor initiatieven die hun leefwereld raken, en dit in losse verbanden. Dat moet het middenveld ook doen om aantrekkelijk te zijn voor jongeren en al dat potentieel te kunnen aanboren.

Wij vragen geen toestemming. De openbare ruimte is van ons. Als we willen pentanquen op de Grote Markt, dan doen we dat. De overheid doet zelf weinig om kwaliteitsvolle publieke ruimte te organiseren. Met deze ‘ongehoorzaamheid’ willen wij dat afdwingen. Voor je het weet heb je tegenwoordig een GASboete vast. Met de Boulistes willen we de frustratie over wat allemaal niet meer mag een constructieve uitweg geven. De Boulistes komen in actie wanneer ze er zin in hebben. We maken niet te veel promotie, we leggen niet vast hoe vaak per week of per maand we het doen. We willen dat het voor iedereen leuk is. Er zijn

14

I

2014

Meer weten? https://www.facebook.com/boulistesbruxellois


IN DE PRIJZEN…

Kookbijbel valt in de prijzen De kookbijbel ‘Ons Kookboek’ leerde onze grootmoeders nog koken, maar hij is verre van achterhaald. Het gepersonaliseerde ‘Ons Kookboek’ van de KVLV, waarbij je zelf de naam voor de cover en de rug kon kiezen, won in 2014 een Gourmand World Cookbook Award in de categorie ‘beste drukwerk’. http://onskookboek.kvlv.be

Mobiel 21 wint ‘Kind in de Stad’-prijs Voor ecologisch schoolvervoer ontwikkelde Mobiel 21 de Fietsbus, waarbij verschillende kinderen met één fiets vervoerd worden. Zo wordt gezorgd voor een leefbare schoolomgeving. De kinderjury verkoos dit project tot winnaar van de Kind in de Stad-prijs, omdat het “behulpzaam is en ervoor zorgt dat je samen met je vrienden en groep leuke dingen kan doen”.

De Standaard Solidariteits­prijs voor De Huizen Deze prijs geeft organisaties de kans om 3 full page advertenties te winnen om hun werk meer bekendheid te geven. In 2013 won De Huizen met een advertentie die pleit voor kleinschalige detentiehuizen om mensen weer naar de samenleving te loodsen. Hoofdredacteur Karel Verhoeven: “De ruimte waarin we ons bewegen, bepaalt hoe we ons gedragen, voelen en denken, vindt De Huizen. Ze geloven in de kracht van architectuur – en dat blijkt uit de advertentie.” www.dehuizen.be

NOG MEER PRIJSWINNAARS OP P.41

www.mobiel21.be

I

2014 15


Blijven leren: de toekomst! Vlaanderen wil een lerende samenleving zijn. De overheid levert al inspanningen, maar mag gerust nog een tandje bijsteken. Een denkgroep in de schoot van de Vlaamse Onderwijsraad (www.vlor.be/blijvenleren) heeft recent een reeks aanbevelingen gedaan. In één oogopslag: een handig overzicht van de belangrijkste elementen voor het sociaal-cultureel werk.

DE VIER DIMENSIES VAN HET LEREN Om ‘levenslang leren’ voor alle volwassenen in de praktijk te brengen, mag het beleid vier dimensies niet uit het oog verliezen. Zo kunnen mensen de nodige competenties verwerven voor heel diverse omstandigheden. Tijd Hoe oud je ook bent: je moet de kans krijgen om leer­ competenties te verwerven en te onderhouden. Inhoud Leren gaat niet enkel over vakkennis of jobinhoud. Mensen moeten ook leren hoe om te gaan met veranderingen en vernieuwingen in onze samenleving. Omgeving Beleidsmakers, kijk niet enkel naar formele leeromgevingen, maar bevorder en waardeer ook het leren in niet-formele en informele settings, zoals die van het sociaal-cultureel werk. Actor Zet de lerende centraal, met ruimte voor flexibiliteit en variatie. Laat mensen hun leerloopbaan in eigen handen nemen. Leren in en als groep, zoals in onze sector, moet een plaats krijgen. 16

I

2014

ZES AANBEVELINGEN VOOR HET BELEID

6

Maak werk van visie en strategie Een toekomstgericht beleid overstijgt het artificiële onderscheid tussen ‘leren voor de job’ en ‘leren voor het leven’ en ziet beide als evenwaardig en complementair. Deze visie moet omgezet worden in een doordachte, gecoördineerde strategie.

5

Mik op de effecten van het leren Cursusuren en deelnemersaantallen zijn belangrijk, maar belangrijker nog is alle effecten van alle vormen van leren (zie inzet rechts boven) zichtbaar te maken en onder de aandacht brengen.

4 3 2

1

Zet in op netwerken en partnerschappen Volwassenenonderwijs, professionele opleidingen en sociaal-culturele vorming moeten in netwerken op gelijke voet samenwerken en elkaar versterken. Bevorder een positief leerklimaat Levenslang leren moet een evidentie worden. De overheid kan samen met alle sectoren waar geleerd wordt, stimuleren dat dit concept breed maatschappelijk gedragen wordt. Waardeer allerlei vormen van leren Het beleid rond Erkenning van Verworven Competenties (EVC) moet bijgestuurd worden. Ook het herkennen van competenties is van belang. De eigen competenties kunnen benoemen en naar waarde schatten heeft positieve effecten op de lerende. Verbeter wat bestaat Er moeten niet zozeer bijkomende stimulerende maatregelen komen, wel is er nood aan transparantie en optimalisering. Het sociaal-cultureel werk mag niet uit de boot vallen bij dergelijke incentives door een te enge focus op economisch inzetbare competenties.


Onderzoek (European Association for the Education of Adults) toont het aan: mensen die de kans krijgen om te leren en zich te ontwikkelen zijn… Gezond Mensen die leren, leven gezonder en zijn mentaal weerbaarder.

Gelukkig Leren geeft zelfvertrouwen en een groter geloof in eigen kunnen.

Actieve burgers Wie leert, begrijpt maatschappelijke ontwikkelingen beter.

Open van geest Wie leert, is opener tegenover mensen met een andere achtergrond.

Productief Leren vergroot de kansen op de arbeidsmarkt.

Ondersteunende ouders Ouders die blijven leren, geven deze houding door aan hun kinderen.

INSPELEN OP MAATSCHAPPELIJKE UITDAGINGEN Leren gebeurt niet in een vacuüm. Willen we een lerend Vlaanderen, dan moet het beleid ook oog hebben voor de uitdagingen nu en later. Demografisch Europa vergrijst. Mensen blijven langer actief. Ook (super)diversiteit en verstedelijking zullen inspanningen vergen. Dualisering dreigt. Levenslang leren kan bruggen slaan. Loopbanen in beweging Mensen veranderen vaker van functie of werkgever. Knelpuntberoepen geraken niet ingevuld. Bepaalde groepen vinden geen aansluiting met de arbeidsmarkt. Inzetten op leren creëert hefbomen. Arbeid verandert Van werknemers wordt meer zelfsturing en auto­ nomie verwacht. Innovatie, creativiteit en samenwerking worden sleutelbegrippen, waarden uit het DNA van het sociaal-cultureel werk. Technologie ICT-toepassingen hebben een enorme impact en ontwikkelen zich steeds sneller. Informatie en kennis zijn in overvloed aanwezig. Daarmee omgaan vereist de nodige competenties. Kennismaatschappij Banen worden kennisintensiever. Laagdrempelige vorming, zoals ook het sociaal-cultureel werk die aanbiedt, voorkomt dat mensen uit de boot vallen. Bestuurlijke complexiteit Mensen dreigen het overzicht te verliezen over het bestuur van hun samenleving. Voortdurend leren kan een democratisch deficit helpen te voorkomen en betrokkenheid stimuleren. Vragen of reacties? joris@fov.be

I

2014 17


die je nu overal “ Dziete burgerinitiatieven bloeien, ademen allemaal de idee dat in een samenleving iedereen zijn steentje moet bijdragen.

18

I

2014


Peter Kruys over de participatie­ samenleving in Nederland

Nederland gidsland?

VOOR VLAANDEREN IS NEDERLAND VAAK GIDSLAND VOOR NIEUWE BESTUURLIJKE RECEPTEN. WIJ VOLGEN DAAROM DE ONTWIKKELINGEN DAAR ROND DE PARTICIPATIESAMENLEVING MET EEN WAAKZAAM OOG. VANOP AFSTAND HEEFT HET VEEL WEG VAN EEN BOTTE BESPARING, WAARBIJ DE OVERHEID TAKEN AFSTOOT EN DE BURGER HET ZELF MOET UITZOEKEN. DE REALITEIT, MEENT PETER KRUYS, IS GENUANCEERD. “SAMEN ZORG DRAGEN VOOR DE SAMENLEVING IS EEN MOOIE INTENTIE.” MAAR OOK: “ER IS EEN GROEP DIE IN DE PROBLEMEN KOMT.”

D

e idee van de participatiesamenleving leefde al langer in Nederland, maar het debat barstte pas echt los met de eerste troonrede van koning Willem-Alexander, op 17 september 2013. “Het is onmiskenbaar,” zei de Nederlandse koning, “dat mensen in onze huidige netwerk- en informatiesamenleving mondiger en zelfstandiger zijn dan vroeger. Gecombineerd met de noodzaak om het tekort van de overheid terug te dringen, leidt dit ertoe dat de klassieke verzorgingsstaat langzaam maar zeker

verandert in een participatiesamenleving. Van iedereen die dat kan, wordt gevraagd verantwoordelijkheid te nemen voor zijn of haar eigen leven en omgeving.” Nog altijd wordt gedebatteerd – tot in de Nederlandse Tweede Kamer – over wat deze participatiesamenleving nu precies inhoudt. Maar ook in Vlaanderen smeult deze kwestie, die raakt aan de kern van de samenleving die we wensen. Ook hier wordt, net als bij de critici in Nederland, gevreesd dat deze

Sociaal-cultureel werk in Nederland Nederland maakt het onderscheid tussen welzijnswerk en sociaal-cultureel werk niet zo duidelijk als Vlaanderen. Sociaal-cultureel werk is daar eerder een onderdeel van het welzijnswerk. Het gaat vooral om opbouwwerk, club- en buurthuiswerk, jeugdwerk en vrouwenwerk. Al van in de jaren zestig van de vorige eeuw staat in het welzijnsbeleid de participatie van de bevolking centraal. Lokale overheden kregen in de decennia daarna steeds meer bevoegdheden voor welzijn – zorg, educatie en recreatie – in handen. Deze decentralisatietrend zette zich voort in de jaren ’90 met de Welzijnswet, die op 1 januari 2007 werd vervangen door de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO). Het begrip ‘meedoen’ is ook hier belangrijk: zelfredzaamheid, participatie, actief burgerschap. Daarom werd deze WMO ook wel de Participatiewet genoemd. Op 1 juli 2014 keurde de Eerste Kamer de vernieuwde Participatiewet goed, die de mogelijkheden van gemeenten versterkt om participatie te stimuleren op het vlak van zorg, welzijn, leren en werken. Kritische stemmen vrezen echter dat lokale besturen deze taken onvoldoende zullen opnemen, omdat de centrale overheid door de forse bezuinigingen de lokale besturen niet kan ondersteunen.

participatiesamenleving er vooral toe zal leiden dat kwetsbare mensen op zichzelf zullen worden teruggeworpen. Het zou in elk geval fout zijn, meent Peter Kruys, docent Culturele en Maatschappelijke Vorming aan de Hogeschool Nederland Rotterdam, om de participatiesamenleving te herleiden tot een instrument om te bezuinigen. “Uiteraard is er het besef dat als we op deze manier voortdoen, het onbetaalbaar wordt. Maar het gaat vooral ook om het gevoel dat de huidige individualisering leidt tot te veel polarisatie. Je wilt toch met elkaar een samenleving creëren?” De participatie-idee leeft al van lang voor de huidige economische crisis, die de overheid naar het besparingsmes deed grijpen (zie kader). De recent goedgekeurde Participatiewet past samen met de oude Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) in een breder kader dat mensen zoveel mogelijk wil stimuleren om voor zichzelf en hun naasten zorgen. Wanneer dat niet lukt, moet de overheid – en dat zijn in de eerste plaats de gemeenten – hen daarbij helpen. Nederland gaat daarbij steeds verder met de decentralisatiegolf en met inzetten op de zelfredzaamheid van burgers. Met de vernieuwde WMO krijgen gemeenten vanaf volgend jaar de wettelijke

I

2014 19


mogelijkheden om participatie te stimuleren op het vlak van zorg, welzijn, leren en werken. Denk aan gezinshulp, kinderopvang of daklozenzorg. Ook het beleid rond vrijwilligers die actief zijn in verenigingen, valt onder de WMO en dus onder de verantwoordelijkheid van de gemeenten. “Een gemeente bepaalt zelf hoe ze het welzijnsbeleid aanpakt en welke organisaties welke taken uitvoeren,” aldus Peter Kruys. Vrijwilligers helpen dan samen met welzijnsorganisaties een handje. Het gaat bijvoorbeeld om buurtvaders, boodschappendiensten, maaltijdvoorziening, maatjesprojecten.

Opborrelende creativiteit Voor veel initiatieven die buurten kunnen samenbrengen, heeft de overheid ondertussen de geldkraan dichtgedraaid. “Buurthuizen die vanuit de overheid worden georganiseerd en waar kinder- en tieneractiviteiten plaatsvinden of workshops worden georganiseerd, zijn aan het verdwijnen,” zegt Kruys. “Als een buurt de werking wil behouden, dan is dat een taak voor een zelfstandig burgerinitiatief.” Dit zie je in Nederlandse gemeenten nu op heel veel vlakken gebeuren. Het kan gaan over de schoonmaak van de eigen straat of het beheer van een buurthuis of een wijkbibliotheek. “Deze burgerinitiatieven ademen allemaal de idee dat in een samenleving iedereen zijn steentje moet bijdragen.” En dit beleid leidt tot heel mooie dingen, vindt Kruys. “Nu de weerstand slijt, zie je heel creatieve ideeën van de grond komen.” Hij denkt bijvoorbeeld aan Leeszaal West. “De afgelopen jaren zijn de bibliotheken van de deelgemeenten in Rotterdam gesloten. Bewoners uit een gebied rond de Nieuwe Binnenweg hebben zelf een leeszaal opgezet. Bij de woningbouwvereniging hebben ze een gebouw los gekregen. Ze hebben rondgevraagd voor boekenkasten, computers, stoelen, banken en boeken en hebben in no time een leeszaal ingericht.” “Buurtbewoners kunnen er gratis boeken komen halen en mee naar huis nemen. De enige voorwaarde is dat je iets terugdoet. Koffie zetten, computers repareren, wat dan ook. Jongeren en ouderen komen 20

I

2014

daar nu samen en runnen dit, zonder hulp van de gemeente. Dat is veel mooier dan de bibliotheek die er altijd is geweest. Zo zijn er tientallen initiatieven die als paddenstoelen uit de grond schieten.”

articipatie lijkt “ Pvooral in het belang van de economie te moeten staan.

Lege fles met mooi etiket Maar flirt een gemeente op die manier niet met de creatieve vernietiging? Je neemt dingen weg en je ziet of er iets nieuws en creatievers voor in de plaats komt? Loop je niet het risico om gewoon een stap terug te doen? Burgerinitiatieven die in het verleden omwille van hun meerwaarde door de overheid werden opgepikt en ondersteund, verliezen die steun weer. Een wijk moet dan maar het geluk hebben dat iemand anders in de bres springt? “Inderdaad,” zegt Kruys. “Al kan de gebiedscommissie (die de inwoners van een gebied van een gemeente vertegenwoordigt, red.) de lokale overheid adviseren om in te grijpen als inwoners duidelijk maken dat een behoefte groot is.” Bovendien, zegt Kruys, ziet de overheid sommige burgerinitiatieven liever opbloeien dan andere. “Ze moeten in het teken staan van wat er voor de overheid toe doet: toeleiding naar werk of een opleiding.” Als je in Nederland iets wilt doen dat daar buiten valt, dan loopt de overheid minder warm. Ook al omdat lang niet duidelijk is wat verstaan wordt onder zelfredzaamheid. Niet voor niets dringt de politieke oppositie in Nederland aan op een debat over de juiste invulling van het begrip ‘participatiesamenleving’. Ze verwijt de regering een etiket te plakken op een fles die nog leeg is, terwijl ze eerst had moeten nadenken over de inhoud van de fles. “Je ziet dan hoe eenieder de participatiesamenleving op zijn manier invult, terwijl de overheid nog niet klaar is om mee te gaan in de verdere ontwikkeling ervan.

Neem nu de kinderopvang. Ouders nemen dan zelf het heft in handen, zoals de overheid wil, en organiseren met een aantal gezinnen een eigen opvang. Maar dan krijgen ze van diezelfde overheid al snel te horen dat ze aan bepaalde vereisten niet voldoen en dat de locatie moeten sluiten.”

Vrijwilligerswerk vernietigd In de participatiesamenleving stuurt de Nederlandse overheid dus aan op een directe relatie met de burger. Ze breekt stukjes van de verzorgingsstaat af en geeft de verantwoordelijkheid terug aan de Nederlander. De tussenschakel tussen overheid en burger, die het middenveld in Vlaanderen is, is in Nederland al langer verdwenen, ook al omdat deze verenigingen door de overheid stiefmoederlijk behandeld zijn en er daardoor minder zelforganisatie is dan in Vlaanderen. “De bolwerken van het vrijwilligerswerk zijn in Nederland vernietigd door alles te professionaliseren,” zegt Kruys. “Op een bepaald moment is de overheid begonnen met werklozen te verplichten tot een zogeheten ‘tegenprestatie naar vermogen’ als ze hun uitkering wilden behouden.” Tegenprestatie, ook door ouderen, zieken of mensen met een handicap in ruil voor de zorg die ze krijgen, zit ook in de WMO. Niet verplicht, zoals bij bijstandstrekkers, maar het wordt hun wel ‘op indringende wijze duidelijk gemaakt’ dat ze iets horen terug te doen voor wat ze krijgen. Gemeenten vullen dit vaak anders in, wat leidt tot grote verschillen. Ook in België gaan stemmen op om leefloners te laten werken voor hun uitkering. Dit opent vanzelfsprekend de discussie over wat vrijwilligerswerk nog betekent in die context. Wordt het begrip niet te sterk uitgehold? “Vrijwilligerswerk betekent voor mij werken zonder vergoeding vanuit intrinsieke motivatie,” zegt Kruys. “Mensen verplichten om vrijwilligerswerk te doen is in dat opzicht geen goede ontwikkeling. Zo neem je taken over van bestaande vrijwilligers en vernietig je het traditionele vrijwilligerswerk. Alles lijkt zo in het belang van de economie te worden gezet.”


“MENSEN VERPLICHTEN OM VRIJWILLIGERSWERK TE DOEN IS GEEN GOEDE ONTWIKKELING. ZO NEEM JE TAKEN OVER VAN BESTAANDE VRIJWILLIGERS EN VERNIETIG JE HET TRADITIONELE VRIJWILLIGERSWERK.”

Luis in de pels? In Vlaanderen wordt burgerinitiatief gecapteerd en gestimuleerd door het sociaal-cultureel werk, en is veel ruimer dan (zorg)voorzieningen. Het wil mensen verenigen, vormen en in beweging brengen en het krijgt daarvoor van de overheid een bepaalde vrijheid. De wetgever bepaalt een aantal vormvereisten en enkele inhoudelijke richtingaanwijzers, maar voor de rest doet het middenveld zijn ding. Dat geeft organisaties de kans om de luis in de pels te zijn en aan maatschappijkritiek te doen, aan verandering van onderuit te bouwen. Dat staat in Nederland onder druk, bevestigt Kruys. Maar je wilt als sociaal-cultureel werker toch meer doen dan mensen samenbrengen in een buurthuis, hoe waardevol ook. Je wilt mensen tot een bewustzijn brengen. Participatie kortom. Biedt het Nederlandse beleid daar nog wel voldoende kansen voor? Deze burgerinitiatieven, die niet ingebed zijn in een bredere structuur, kunnen toch even snel weer verdwijnen?

“Iedereen is nog zoekende,” zegt Kruys daarover. “Kritisch denken over een participatiesamenleving is ook lastig in een sociaal domein waar de overheid met marktwerking de geldkraan kan open- en dichtdraaien.” Het systeem organiseert namelijk competitie tussen de sociale organisaties, door hen te verplichten om te dingen naar de zorg of dienstverlening die de gemeente wil aanbieden. “Wie gekozen wordt, op basis van de prijs-kwaliteitverhouding, krijgt prestatieafspraken opgelegd, waarop ze aan het eind worden afgerekend. Dat betekent dat een organisatie zich zes jaar uit de naad kan werken, om dan die samenwerking niet verlengd te zien.”

Nieuwe groepen uit de boot Deze economische invalshoek doordesemt het hele denken van de overheid rond de participatiesamenleving. Het overheidsbeleid, zegt Kruys, zet sterk in op innovatie en talentontwikkeling, met een nadruk op vaardigheden die direct inzetbaar zijn in de kenniseconomie.

De WMO is gericht op mensen leiden naar werk en naar opleiding, zegt Kruys. Daarbij zie je dan bijvoorbeeld dat een stad als Rotterdam in officiële beleidsdocumenten over sociale strategie haar bevolking opdeelt in drie categorieën: de groene, de oranje en de rode groep. De groene groep, dat zijn de “sociaal sterke mensen: burgers die geen hulp nodig hebben” en die functioneren zoals de overheid dat wenst. “De oranje groep, de sociaal kwetsbare mensen, zijn de burgers die heel af en toe een duwtje in de rug nodig hebben, een tijdelijke vorm van ondersteuning. De rode groep, in Rotterdam 20.000 tot 30.000 mensen, zijn burgers die de stad lastig vindt en die geld kosten. Die heten overlevers of afglijders.” Ze zijn niet gemakkelijk te activeren, ze wonen in probleemwijken. “Als ze het te bont maken, dan is het de bedoeling dat ze voor twee tot drie jaar verplaatst worden naar een containerwoning buiten de stad. Ze krijgen dan intensieve begeleiding naar een woning, naar werk of een opleiding. De sociale

I

2014 21


professional zal zich vooral moeten richten op deze doelgroep van de multiprobleemgezinnen. De groene en oranje groep worden deel van de participatiesamenleving en organiseren zichzelf. Op termijn moeten, dankzij de professional, ook de roden het zelfstandig redden.” “Op deze manier mag je er bijhoren als je geen problemen hebt en als je iets kunt bieden,” meent Kruys. “Maar er zijn specifieke vaardigheden nodig om je te kunnen organiseren in een dergelijke samenleving. Alles is bovendien gevat in regels en je moet die taal beheersen. Zonder deze vaardigheden is het moeilijk deelnemen aan de maatschappij. Er is dus een groep die in de problemen komt.”

Menselijk geluk centraal De Nederlandse overheid moet nog veel meer durf tonen en buiten de kaders denken, besluit Kruys. “De essentie van die participatiesamenleving vind ik niet zo een gek idee. Samen zorg dragen voor een samenleving is een mooie intentie. Alleen moet de overheid het misschien meer loslaten. Innoveer daar waar mensen willen innoveren. Ze probeert nu nog te veel, op basis van haar focusgebieden, mensen in een richting te dwingen. Als je ze de ruimte geeft, dan krijg je vernieuwende ideeën en mogelijkheden.” “Daar is bijvoorbeeld de kunst- en cultuursector zo belangrijk voor. Die is vernieuwend, maar niet voor de vaardigheden die het beleid belangrijk vindt. Ik denk nu aan een maatjesproject van Kunstexpres, waarbij een student met een kind een jaar lang op stap gaat om kunst en cultuur te ontdekken. De blik van die kinderen wordt verbreed en dat levert zo gigantisch veel op. Maar het is niet meetbaar en in deze maatschappij moeten resultaten in cijfers te vatten zijn.” Meten is weten: een mantra die ook in Vlaanderen steeds luider klinkt. Investeringen in een voedingsbodem worden als ‘te soft’ weggelachen. Niet verwonderlijk dan dat de kunst- en cultuursector in Nederland het zwaarst het hakmes van de besparingen heeft gevoeld. Twintig procent van het budget werd geschrapt. Buitenproportioneel, noemt Kruys dat, en met grote 22

I

2014

slachtoffers. “Participatief drama bijvoorbeeld. Die organisaties hebben heel veel moeite om te overleven, terwijl zij, als je het hebt over participatie en ontwikkeling, echt vanuit de doelgroep inzichtelijk maken wat er speelt.” Thema’s als geluk en plezier worden ‘linkse hobby’s’ genoemd en daar is geen ruimte meer voor in het zorg- en welzijnswerk. “Maar naast economische welvaart moet het geluk van de mens centraal staan,” stelt Kruys. “Ruimte voor plezier, voor sociaal leven, voor cultureel erfgoed, en niet alleen dat van de dominante cultuur. De focus van elk beleid moet altijd blijven liggen op de mens.” Vragen or reacties? joris@fov.be


STEMMINGMAKERIJ Het snijvlak tussen middenveld, burger, markt en overheid maakt ook bij ons de tongen los.

WE NOTEERDEN ENKELE MARKANTE UITSPRAKEN.

Met participatie kunnen we een progressieve of een conservatieve richting uit. […] Het spoor dat toenemend voet aan de grond krijgt is burgers en vooral kwetsbare groepen op zichzelf terugwerpen. Het is tegen die achtergrond dat we een radicaal conservatieve reflex ontwaren in die ‘participatiesamenleving’.

(Pascal Debruyne en Bart Van Bouchautte in De Wereld Morgen, 25/9/2013)

Je mag een sociale beweging niet reduceren tot dienstverlening, wederzijdse ondersteuning en gezelligheid. Zeker in de huidige dramademocratie … hebben sociale bewegingen meer dan ooit de plicht om zelf aan politiek te doen door in het publieke debat een kritische stem te laten horen, door maatschappelijke problemen op de politieke agenda te plaatsen en door gelijkgezinden te mobiliseren. Kortom, het middenveld is politiek, of zal niet zijn.

(Prof. Dr. Jaak Billiet, De Standaard, 9/03/13)

“ “

De vrijwilligers van de sociaal-culturele takken van de KWB over Femma tot Welzijnszorg, zullen blijven doen wat ze altijd al gedaan hebben. Zij zijn, samen met de duizenden verenigingen die Vlaanderen rijk is, scholen en proeftuinen in democratie. (Luc Huyse, dS Weekblad 6/04/2013)

Als je voor een sociale organisatie gaat werken, ben je een idealist. Je wilt de samenleving beter maken, maar de overheid geeft je vaak niet voldoende middelen om die taak uit te voeren. De maatschappelijke waardering is de laatste tijd ook al niet hoog […]. Jullie gaan grondig tewerk, bestuderen problemen traag en komen dan met genuanceerde antwoorden. Allemaal zaken die [de media] uiterst vervelend vinden. Wij willen een snel, flitsend antwoord dat liefst heel duidelijk kant kiest.

(Yves Desmet, in het boek ‘Politieke Ruimte’ van Samenlevingsopbouw, 2013)

Overheden [maken] steeds meer gebruik van hun macht (zij verdelen de middelen) om de overeenkomst (het reglement, de convenant) overmatig door hun logica en noden in te vullen. Deze overmacht verkleint de autonomie van de verenigingen en pleegt soms roofbouw op de wezenlijke doelstellingen. […] Daarbij moeten overheden erover waken dat zij in hun streven naar legitimering en promotie van het nuttige geen verenigingsvernietigende effecten sorteren. (Bert Anciaux in zijn doctoraatsthesis ‘Zelforganisaties in Vlaanderen’, 11 maart 2014)

I

2014 23


GAAT MINISTER GATZ VOOR GOUD? De baan van een minister is niet te onderschatten. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat aandachtig voor wat komen kan, creatief in wat komen moet en alert voor wat komen zal. Daarvoor moet je in bloedvorm zijn, zowel fysiek als mentaal. Politiek is topsport. Een minister hoeft die inspanning gelukkig niet alleen te leveren. Er is het kabinet, er is de administratie, maar er zijn daarbuiten ook de vele spelers op het terrein, die het beleid mee kunnen voeden en vorm geven.

Minister Sven Gatz, verantwoordelijk voor het sociaal-cultureel werk, kan veel doen voor onze kleurrijke sector, waarin 200.000 vrijwilligers en 2.200 beroepskrachten jaarlijks tekenen voor zo’n 10 miljoen deel­ names aan activiteiten, 10 miljoen keer vormen, bewegen en verenigen in Vlaanderen en Brussel. Omgekeerd kan die sector ook iets betekenen voor de minister. De hordes die de samenleving moet nemen zijn namelijk hoog en de race van 240 weken ministerschap is zo gelopen. En zoals elke sporter weet: een goede voorbereiding is alles.

WIJ HEBBEN DRIE TIPS VOOR DE WEG NAAR HET GOUD.

24

I

2014


TIP 1:

SCHIET METEEN UIT DE STARTBLOKKEN 30 juni 2015 De minister zorgt voor de instroom van nieuwe organisaties en maakt de beleidsprioriteiten voor de verenigingen en gespecialiseerde vormingsinstellingen bekend.

D

e kalender die het decreet voor het sociaal-cultureel volwassenenwerk dicteert, zal de eerste twee jaar heel wat aandacht opeisen. Dit is het moment waarop de evaluaties gebeuren, de speerpunten voor de volgende jaren worden bepaald, de budgetten vastgelegd. Weinig tijd dus om rustig warm te lopen. Schiet snel uit de startblokken.

Verenigingen en gespecialiseerde vormingsinstellingen kunnen per subsidieperiode intekenen op beleidsprioriteiten. Zo kunnen de sector en de overheid samen werk maken van maatschappelijke uitdagingen. De minister voorziet hiervoor bijkomende budgetten, die in de eerstvolgende beleidsperiode enkel kunnen dienen voor deze prioriteiten. Een mooi evenwicht: voor de structurele enveloppe beschikken de organisaties over een grote autonomie om eigen keuzes te maken; met de middelen voor de beleidsprioriteiten ontwikkelen overheid, verenigingen en instellingen samen enkele speerpunten.

31 december 2014 De minister beslist over de eindevaluatie van elke organisatie. Dit heeft gevolgen voor hun subsidies.

Daarnaast kan de minister ook nieuwe bewegingen, verenigingen en vormingsinstellingen erkennen. 2015 wordt het jaar waarin de minister opnieuw kan zorgen voor vers bloed in de sector.

Sociaal-culturele organisaties werken met een subsidie-enveloppe die telkens voor vijf jaar wordt toegekend. Via een beleidsplan en voortgangsrapporten informeren zij de overheid over hun plannen en de uitvoering ervan. De administratie kan tijdens de subsidieperiode controleren, inspecteren, feedback geven. Eén keer komt een visitatiecommissie langs, bestaande uit twee ambtenaren en twee externe deskundigen, die de minister selecteert uit een lijst die de sector heeft opgesteld.

In de vorige regeerperiode legde de sector enkele mogelijke prioriteiten voor aan de minister (dualisering, duurzaamheid, burgerparticipatie en innovaties in levenslang leren). Maar zij besloot geen bijkomende middelen vrij te maken en formuleerde geen beleidsprioriteiten. Wel mochten we nieuwe organisaties in onze sector verwelkomen (zij het “binnen de perken van de bestaande kredieten”). Oktober 2015

Al deze bevindingen monden aan het einde van de beleidsperiode uit in een eindevaluatieverslag, met gevolgen voor de subsidie. Voor de meeste werksoorten geldt dat bij een negatieve eindevaluatie de subsidie in een volgende beleidsperiode zakt met 10 %. De organisaties kunnen dan geen aanspraak maken op eventuele meergelden. Bij een positieve eindevaluatie vertrekken de organisaties in een volgende beleidsperiode minimaal van eenzelfde subsidie-enveloppe. In de vorige subsidieperiode kregen negen organisaties een negatieve eindevaluatie. Eén daarvan trok naar de Raad van State en kreeg gelijk. Als gevolg daarvan hebben overheid en sector duidelijkere procedure-afspraken gemaakt.

Uit de begroting voor 2016 blijkt op welke middelen de sector kan rekenen. De beslissingen over de subsidie-enveloppes zien er voor de verschillende werksoorten telkens wat anders uit. Wat ze met elkaar gemeen hebben, is de vraag welke middelen voor het sociaal-cultureel volwassenenwerk zijn ingeschreven in de Vlaamse begroting. Kunnen nieuwe organisaties erkend worden? Kunnen de werksoorten rekenen op de decretaal voorziene groei? Deze vragen krijgen in het najaar van 2015 een antwoord. Een van de criteria om de budgetten te bepalen, is de ‘levensduurte’. Het decreet gaat er immers terecht van uit dat elke organisatie in een

I

2014 25


vijfjaarlijkse periode met haar vaste subsidie-­ enveloppe (die in het beste geval enkel wordt geïndexeerd) jaarlijks minder kan betalen. Anciënniteit, nieuwe sociale verplichtingen, stijging van vaste kosten: deze evoluties worden met de sector besproken. Op die manier bouwen de administratie, de minister en de sociaal-culturele organisaties samen aan een onderbouwd dossier, waarin de stijging van de levensduurte van de afgelopen vijf jaar wordt becijferd. Op basis hiervan kan de minister een hoger budget toekennen.

In de vorige beleidsperiode werd fors bespaard. Naast de ‘kaasschaaf ’ (lineaire besparingen, zoals in heel wat culturele deelsectoren) trof een aantal gerichte maatregelen het sociaal-cultureel volwassenen­werk. De volkshogescholen verloren ruim een kwart van hun middelen. Ook voor de bewegingen was er een derde te weinig geld. De etnisch-culturele verenigingen gingen fors achteruit ten opzichte van de vorige beleidsperiode. Verenigingen werden voor hun innovatie-enveloppe op droog zaad gezet. De inzet van opleidings­ cheques voor de vormingsinstellingen werd tot nagenoeg niets herleid. Jaarlijks loopt de sector ruim 13 miljoen euro mis ten opzichte van een gewone uitvoering van het decreet.

TIP 2:

HOUD DE VINGER AAN DE POLS Dát is efficiëntie. Het valt op dat overheden deze efficiënte aanpak proberen te vervangen door die van consultancybureaus. Soms is dat nuttig, maar zijn dit ook geen (dure) uitwassen van een doorgeslagen ‘meten is weten’-samenleving? Een duurzaam beleid ontwikkelen gaat immers om meer dan technocratische modellen en instrumenten bedenken. Het gaat vooral om het voortdurend zoeken naar een draagvlak voor oplossingen.

E

lke sporter weet wat er gebeurt als zij of hij de polsslag te weinig in de gaten houdt: verzuring, krampen, evenwichtsproblemen.

Vlaanderen kent een rijke traditie van overleg en advisering. Op die manier maken de spelers elkaar en zichzelf mee verantwoordelijk voor het beleid. Bovendien: uit de praktijk blijkt dat deze vormen van samenspraak leiden tot maatregelen met minder fouten en onduidelijkheden en meer slagkracht en draagvlak. Dat kan het gewenste resultaat alleen maar ten goede komen. Open debatteren op basis van onderbouwde meningen en ideeën, elkaar zo vroeg mogelijk betrekken, voorzien in overleg en advisering over zowel de strategische lijnen als de manier waarop die in de praktijk worden omgezet: het ligt allemaal voor de hand als je een cocreatief beleid wilt voeren. En, ja hoor, het mag vooruit gaan als het moet en voldoende tijd krijgen als het nodig is.

26

I

2014

In de vorige periode oefende de Vlaamse regering rond de interne staathervorming met de formule van groen- en witboeken: ze lanceerde een discussietekst (groenboek), verzamelde alle mogelijke opmerkingen om uiteindelijk te komen tot besluiten (witboek). Wij vinden dit een interessant instrument, op voorwaarde dat er voldoende openheid is in het debat. Tegelijk zond de regering signalen uit alsof ze het werken met strategische adviesraden en andere overlegstructuren eerder als een last dan een lust ervaarde. Wij blijven alleszins de meerwaarde van het sectoroverstijgende gesprek in de SARC (strategische adviesraad voor (onder meer) cultuur) beklemtonen. En één kleine waarschuwing toch, meneer of mevrouw de minister: het insnoeren van overleg en advisering leidt dikwijls tot een voorsprong voor de sterkste roepers of de strafste lobbyisten.


GEEF LUCHT AAN VRIJWILLIGERS

• Maak van ‘Samen Vereenvoudigen’ een innovatie-speerpunt • Maak van E-griffie een toegankelijke en betaalbare site voor vzw’s • Hol de vrijwilligerswet niet uit • Onderzoek een verruiming van de collectieve verzekering voor vrijwilligers

• Ondersteun bovenlokale samenwerking om vrijwilligers bij te staan

ZORG VOOR LICHT IN DE REGELTUNNEL

• Trek de minimumdrempel in de wet op de overheidsopdrachten op van 8.500 naar 25.000 euro

• Trek de minimumdrempel voor btw-vrijstelling op van 15.000 naar 25.000 euro

• Werk aan een veilig en ruim kader voor sociaal-cultureel werk op het gebied van btw, marktpraktijken,…

TIP 3:

• Sloop drempels voor andere organisatie- en financieringsvormen in het sociaal-cultureel werk

SLIMME TUSSENSPRINTS, LEVEREN STRAFFERE PRIJZEN OP AAN DE MEET

I

n juni 2013 bracht de FOV ‘Veerkracht’ uit, de ambitiebundel voor een sterk sociaal-cultureel beleid: 126 concrete tips om ruimte te geven aan sociaal-cultureel initiatief, om straffe verbindingen te leggen met allerlei maatschappelijke domeinen en groepen mensen, om een offensief beleid te voeren op alle overheidsniveaus, van het district tot Europa. Bekijk deze initiatieven als slimme tussensprints. Als u ze alle optelt, dan zult u vaststellen, op het einde van de legislatuur, dat ze samen het beleidskader voor het sociaal-cultureel werk grondig hebben opengebroken. En… de meeste voorstellen kunnen zonder of met een heel beperkt budget meteen het verschil maken voor al dat sociaal-culturele engagement. Onprettige budgettaire tijden, zegt u? Een reden te meer om niet bij de pakken te blijven zitten en doorheen de legislatuur met een rist concrete en goedkope maatregelen te blijven verrassen. Om het u gemakkelijk te maken, geven wij u hier telkens een handvol voorbeelden van speerpunten waar elk beleidsniveau naar hartenlust uit kan putten om fors in te spelen op zoveel vrij engagement. Voor meer duiding en de overige 101 tips: zie www.wascabi.be. Vragen of reacties? dirk@fov.be

• Wees creatief en offensief met de ruimte die je geeft aan onderzoek, innovatie en experiment

BLAAS LEVEN IN LEERNETWERKEN

• Maak EVC (Erkenning Verworven Competenties) laagdrempelig en breng het tot leven door ook aandacht te geven aan het Herkennen van Competenties (HVC) • Ruim 40 % van de sociaal-culturele organisaties werkt aan informeel/niet-formeel leren met en voor kansengroepen. Betrek en versterk hen om drempels te slopen en bruggen te leggen • Werk een Open Ruimte-actie uit voor leren, samen met het bedrijfsleven, onderwijs en gemeenten • Faciliteer internationale netwerken en uitwisselingen • Hervorm de opleidingscheques zodat mensen zelf kunnen beslissen welke vorming zij kiezen

GEEF RUIMTE AAN DE GEMEENSCHAP

• Werk met alle overheden samen aan acties rond (brand-)veilige en duurzame infrastructuur

• Ga voor een btw-tarief van 6 % voor bouw en verbouwing van lokalen

• Stimuleer sociaal-culturele her- en nevenbestemmingen van ­religieuze infrastructuur

• Werk samen met de horeca een gastvrij-voor-verenigingen-actie uit • Investeer slim in brede scholen, zodat het gemeenschapsleven er zijn plaats krijgt

STOP BEZIGHEIDSTHERAPIE

• Schrap “binnen de perken van de kredieten” in de decreten en geef het parlement zijn controletaak terug

• Houd u tijdens lopende periodes aan de subsidie-afspraken: stipt, correct, transparant

• Bevrijd administraties van onnodige interne controles op controles op controles en zorg daardoor voor een zinvolle verhouding tussen de overheid en de organisaties • Laat de ene overheidsdienst de erkenning van organisaties door de andere overheidsdienst erkennen door de aanvraag- en verantwoordingsplichten te beperken • Faciliteer, naar het voorbeeld van de premiezoeker voor verbouw­ ingen, een portaalsite met alle (Europese, federale, Vlaamse,…) subsidie­lijnen die relevant zijn voor het sociaal-cultureel werk

I

2014 27


 “

Hardvochtig Europa is niet mijn Europa

28

I

2014


Europarlementslid Kathleen Van Brempt over Europa en het middenveld EUROPA IS ER IN DE EERSTE PLAATS VOOR DE OPTIMALE WERKING VAN DE MARKT EN DE BESCHERMING VAN DE CONSUMENT. GEVOLG: HET VERENIGINGSLEVEN KOMT KLEM TE ZITTEN TUSSEN MAATREGELEN VOOR BEDRIJVEN EN MAATREGELEN VOOR OVERHEDEN. KLEINE ZINNETJES IN EEN EUROPESE RICHTLIJN HEBBEN GROTE GEVOLGEN VOOR DE EIGENHEID VAN MIDDENVELDORGANISATIES. OM ZICH TE WEREN PROBEERT ONZE SECTOR EUROPA ‘BINNEN TE DRINGEN’. ZITTEN ONZE VLAAMSE EUROPARLEMENTSLEDEN DAAROP TE WACHTEN? KUNNEN ZIJ ZELF VOLDOENDE WEGEN? IN MEI STUURDE VLAANDEREN 13 VERKOZENEN NAAR HET NIEUWE EUROPEES PARLEMENT. WIJ LEGDEN EEN VAN HEN, KATHLEEN VAN BREMPT (SP.A), ZEVEN STELLINGEN VOOR. KUNNEN ZIJ EN HAAR COLLEGA’S VOOR HET MIDDENVELD HET VERSCHIL MAKEN?

Het Europa van Kathleen Van Brempt Welk is uw favoriete plek in Europa?

steden in Europa zijn mijn favoriete plekjes. Als Europees parlementslid heb je “hetDevoorrecht om op veel plaatsen te komen, zij het meestal om te vergaderen. Als je ergens bent voor je werk, ervaar je die stad anders dan als toerist. Ik duik graag onder in onze steden als ik enkele uurtjes vrij heb.

Wie is uw favoriete buitenlandse collega in het Europees Parlement?

Marietje Schaake, van de Nederlandse D66. Progressief en heel geëngageerd, onder “andere rond buitenlands beleid en dan vooral het Midden-Oosten. Een fijne en straffe collega, die ook een goede vriendin is geworden. ” Wat moet Europa in de toekomst meer doen?

Een ander, socialer Europa maken. Dat van de voorbije vijf jaar, gekenmerkt door een “hardvochtig besparingsbeleid, is niet mijn Europa. Europa moet rechten zoals gelijk loon voor gelijk werk en een menswaardig inkomen verankeren. Daarnaast wil ik een gezamenlijke strategie rond energie, vooral hernieuwbare energie en energie-efficiëntie. Omdat we zo minder afhankelijk worden van Rusland, maar vooral omdat we zo de strijd tegen de klimaatverandering voeren. Bovendien kan dit veel banen opleveren en de EU een toekomstperspectief bieden.

Waar moet Europa zich minder mee bemoeien?

moet af van haar onwaarschijnlijke bureaucratie. Ze moet rechten verankeren “enEuropa grote lijnen uitzetten, en verder steden en staten vooral de vrijheid bieden om ideeën te ontwikkelen voor de toekomst. ”

I

2014 29


STELLING 1 Europa moet dringend werk maken van een apart statuut voor middenveldorganisaties of zogenaamde Civil Society Organizations. mooi idee. Maar de diversiteit in middenveldorganisaties “in Een de Europese Unie is groot. Vlaanderen heeft een heel rijk en goed georganiseerd middenveld, maar er zijn lidstaten waar dergelijke organisaties nog maar net van de grond komen. Hoe ga je middenveld dan definiëren? En hoe los je daarmee de problemen op die het ondervindt, de overreglementering, de drang naar liberalisering, de drang om alles wat ruikt naar overheidssteun een ander kader te geven? De oplossing ligt voor mij in het vastleggen van een lijst van diensten en activiteiten die te maken hebben met maatschappelijke dienstverlening. Dat is ook flexibel, zodat je mengvormen die maatschappelijke doelen nastreven én commerciële activiteiten hebben, niet allemaal in dat ene statuut duwt, want zo fnuik je creativiteit.

Die idee van de vrijplaats is ook voor ons essentieel. Maar we voelen dat die eigen plek, tussen de overheid en de vrije markt, onder druk staat.

Nochtans zullen de oplossingen voor deze tijd in de eerste “plaats uit het middenveld komen. Neem nu stadslandbouw. Een mooi concept dat zoveel doelstellingen combineert: sociaal contact, duurzame en lokale voedselvoorziening, de strijd tegen de klimaatverandering. En waar is het ontstaan? In allerlei buurtorganisaties in de steden. De overheid had dit niet eens kunnen bedenken. Je moet oppassen dat je zulke grassroots initiatieven niet klem zet in een statuut.

Maar biedt Europa wel voldoende kansen voor kleinere organi­ saties en nieuwe initiatieven?

probleem. Europa heeft te veel de neiging gehad “omDathaaris een bestaansrecht te verantwoorden door regels op te leggen en een heel leger ambtenaren in te zetten om die strak te controleren. Dan eindig je met een logge bureaucratie waarvoor alleen multinationals en grote organisaties de mensen en de middelen hebben om subsidies binnen te rijven en de weg te vinden. Kleine organisaties aan de basis beginnen er zelfs niet aan. Terwijl nieuwe concepten als stadslandbouw zich met Europese ondersteuning volop kunnen ontwikkelen, als ze de vrijheid krijgen.

uropa duwt je als “ Eorganisatie die een

maatschappelijke opdracht wilt vervullen in de verdediging.

STELLING 2 Een Europees parlementslid uit Vlaanderen legt onvoldoende gewicht in de schaal om zijn of haar fractie te beïnvloeden. Bovendien weegt het Europees Parlement in zijn geheel te weinig op het Europese beleid. waar en niet waar. Belgen boksen boven hun gewicht in “hetNiet Europees Parlement. Omdat we met ons land in het hart van Europa zitten, omdat België een van de founding fathers is, omdat we sterk zijn in het maken van compromissen. En het Europese is bij uitstek een parlement om compromissen te sluiten en bruggen te slaan. Onze sociaaldemocratische fractie telt 191 parlementsleden uit 28 lidstaten, dat is een parlement op zich. Bovendien, als je hier hard werkt en je dossiers goed beheerst, dan kan je impact hebben. Ik ben voor deze nieuwe legislatuur vicevoorzitter van onze fractie, op basis van mijn opgebouwde kennis en ervaring, en dat is een invloedrijke positie. Ook de macht van het Europees Parlement zelf is groot. Er is helaas een aantal thema’s waar we weinig of niets over te zeggen hebben, zoals fiscaliteit of buitenlands beleid. Maar voor het landbouwbeleid, de milieunormen of de handelsgesprekken met de Verenigde Staten mag de Europese Commissie onderhandelen wat ze wil, het Europees Parlement beslist. Samen met de Europese Raad zijn we een volwaardig tweekamerstelsel, we werken samen aan een compromis. Kijk naar wat er gebeurd is met Commissievoorzitter Jean-Claude Juncker. De Britse premier David Cameron was niet zozeer tegen Juncker als figuur, hij vond vooral dat het Europees Parlement met het systeem van de spitsenkandidaten, waarbij de grootste fractie na de verkiezingen de Commissievoorzitter levert, te veel het laken naar zich heeft toegetrokken. Naast het Amerikaanse Congres is het Europees Parlement het machtigste halfrond ter wereld.

STELLING 3 De (Vlaamse) Europarlementsleden moeten vaker en meer structureel overleg plegen met het middenveld, om zo een goed zicht te krijgen op grensoverschrijdende bekommernissen. Het onevenwicht tussen het bedrijfsleven, dat veel meer mensen en middelen kan vrijmaken om gehoord te worden in Europa, en het middenveld, dat dit niet kan, is te groot. Het bedrijfsleven vindt gemakkelijk zijn weg naar het “Europees Parlement. Het middenveld kan leren uit hun efficiëntie en effectiviteit op dat vlak. Ik ga ook graag in discussie met bedrijven die hun belangen komen verdedigen. Dat is hun goed recht. Alleen is het evenwicht zoek, want veel middenveldorganisaties zijn er minder goed in. Deze organisaties hebben sterke, professionele Europese koepels nodig, die weten aan wiens mouw ze moeten trekken. Middenveldorganisaties moeten zelf op Europees niveau mensen en middelen poolen en goede technische kennis opbouwen. Veel Europarlementsleden zijn bereid om dat mee te ondersteunen. Mijn deur staat altijd open!

30

I

2014


“OPLOSSINGEN VOOR DEZE TIJD ZULLEN IN DE EERSTE PLAATS UIT HET MIDDENVELD KOMEN. JE MOET OPPASSEN DAT JE GRASSROOTS INITIATIEVEN NIET KLEM ZET IN EEN STATUUT.”

STELLING 4 De administratieve verplichtingen die Europa oplegt, bijvoorbeeld de verantwoording van projectsubsidies, zijn te zwaar. Bovendien struikelen veel organisaties over de regel van cofinanciering, de inbreng van eigen middelen om subsidies te verkrijgen. Het inzetten van vrijwilligers moet daarom erkend worden als cofinanciering bij Europese projecten. Dat is inderdaad een dubbele drempel. Ik ken steeds meer “organisaties die niet eens meer beginnen aan Europese subsidies. Dan blijven alleen grote ngo’s over. Europa beseft wel dat haar bureaucratie de grenzen bereikt heeft. De geesten zijn op dat vlak aan het rijpen, al denkt Europa daarbij op dit moment vooral aan het bedrijfsleven, zoals met het Refit-programma om administratieve beslommeringen voor bedrijven te beperken. Waarom ook niet voor middenveldorganisaties? Maar je moet realistisch zijn. Europa zal steeds regels opleggen en cofinanciering zal daar een van zijn. Europa heeft niet zoveel geld en cofinanciering is een goede manier om privépartners te mobiliseren. Maar ook dan zie je dat vooral kapitaalkrachtige organisaties die ofwel veel eigen fondsen hebben of die zwaar gesubsidieerd worden door een andere overheid, die Europese fondsen binnenhalen. Je krijgt een Mattheuseffect. Een oplossing daarvoor is inderdaad erkennen dat mensen

kunnen worden ingebracht als kapitaal. Arbeid is duur, dat weet iedereen, en bij dergelijke projecten is dat de grootste kost. Als een organisatie honderden vrijwilligers kan mobiliseren, dan brengt die een groot menselijk kapitaal bijeen. Europa moet dat honoreren. Zo zijn er nog pistes te bedenken.

STELLING 5 Het Europese discours rond overheidssteun is een bedreiging voor het verenigingsleven zoals dat in Vlaanderen georganiseerd is. ik nog Vlaams minister voor Sociale Economie was, “hebToen ik me daar vaak dood aan geërgerd. Terwijl het eigenlijk simpel is. Als je diensten levert die ook door de markt worden geleverd, dan moet je aan dezelfde voorwaarden voldoen en moet je die dienst niet beginnen te subsidiëren. Maar als je diensten aanbiedt die je als overheid belangrijk vindt en die niet door de markt worden aangeboden omdat ze niet rendabel zijn, waarom zou je die niet mogen ondersteunen? Europa duwt je als organisatie of als overheid die een maatschappelijke opdracht wil vervullen, echter in de verdediging. Net omdat er geen lijst bestaat van maatschappelijke activiteiten die buiten die liberalisering vallen en waarvoor je als overheid mag bijspringen.

I

2014 31


Ziet u daar snel verandering in komen?

De machtsverhoudingen liggen nu wel beter. Waar de EVP “(Europese Volkspartij, red.) vroeger ter rechterzijde gemakkelijker een meerderheid kon vinden rond sociale discussies, kunnen ze nu niet meer zonder ons, omwille van dat grote eurokritische blok waarmee geen land te bezeilen valt. De Europese Commissie neemt op dit punt alvast geen initiatieven meer, ze past de richtlijnen niet meer aan, net omdat ze dan via het parlement moet passeren. Ze gaat nu via de juridische weg, zoals de onwaarschijnlijke klacht tegen Natuurpunt, omdat het met overheidsgeld natuurgebieden zou aankopen. De Europese Commissie probeert op deze manier haar gelijk te halen via de rechtbank en het Europees Hof. Dat is een heel nefaste evolutie, waarvoor we zeer alert moeten zijn.

e Unie beseft wel dat “ Dhaar bureaucratie de grenzen bereikt heeft. ” STELLING 6 Het Europa van de Burger, Europa als een echte gemeenschap van Europeanen, is een utopie. En door de toevloed van eurosceptische Europarlementsleden is die betrachting verder weg dan ooit.

Ik word vaak aangesproken door mensen, maar zelden over Europa. Dus ja, er is een probleem van democratische legitimiteit. Maar dat is eigenlijk altijd zo geweest. Het is niet verergerd, het is ook niet verbeterd. Nochtans is de democratische legitimiteit net toegenomen, want het Europees Parlement, dat direct wordt verkozen door de Europese burger, heeft steeds meer macht gekregen. Het Europees Parlement is ook open en transparant. Iedereen die wil kan elke commissie volgen via de computer, kan zien wat ik heb gezegd, welke amendementen ik heb ingediend, hoe ik heb gestemd. Maar die transparantie wordt niet benut. De media berichten hier niet over. Terwijl hier steeds meer beslist wordt, terwijl hier boeiende debatten worden gevoerd die relevant zijn voor de publieke opinie in Vlaanderen. En daarbij komt nu die grote, eurokritische fractie, die volgens mij vooral het gevolg is van het Europese beleid van de voorbije vijf jaar. Besparen, mensen geen enkel perspectief bieden, zo begeester je niemand. Als Europa dan ook nog eens, soms terecht, soms onterecht, als boeman wordt aangewezen, dan beginnen mensen zich af te vragen of ze dat Europa nog wel willen. Je moet hun uitleggen dat je de sociale problemen, de problemen met het klimaat, met de banken, met fiscaliteit, alleen op Europees niveau kunt aanpakken.

Verschuilen nationale politici zich te veel achter Europa?

Absoluut. Dat is altijd zo geweest en dat wordt steeds erger“lijker. Ik ben het ook niet eens met wat Europa de afgelopen vijf jaar heeft gedaan, maar haar met alle zonden Israëls overladen, is niet correct.

32

I

2014

STELLING 7 Vlaanderen moet veel meer overleg plegen met de andere beleidsniveaus in ons land voor een coherent beleid ten aanzien van Europa en moet het middenveld veel meer financieel en decretaal ondersteunen bij Europese netwerkvorming. Vlaanderen en België zijn niet slecht georganiseerd op “Europa. Misschien wat versnipperd, maar die diensten leveren goed werk. Ze kunnen het middenveld ondersteunen. De Verenigde Verenigingen zouden vooral rond Europa moeten werken, maar ze kunnen ook niet tot in elk detail bezig zijn met de Europese dossiers. Met de hulp van Vlaanderen kunnen ze zich beter organiseren op Europees niveau. Voor mij ligt de toekomst in Europa en in de stadsregio’s. Nationale overheden zijn vaak niet bij machte om iets te doen. Ze gaan te veel in concurrentie met andere lidstaten en zo krijg je niets opgelost. Dat zie je op Europees niveau ook: als Europa alleen bestuurd zou worden door de Europese Commissie en het Europees Parlement, dan zouden we veel verder staan. Want zodra een probleem naar de Europese Raad gaat, begint de concurrentie tussen de landen weer te spelen. De problemen die we hebben, zijn problemen van interdependentie, onderlinge afhankelijkheid, en alleen samen kunnen we tot oplossingen komen. Dat zegt Benjamin Barber (Amerikaans politicoloog en auteur van ‘Als burgemeesters zouden regeren’, red.) en dat zeg ik met hem. Steden worden vaak eerst geconfronteerd met de grote, nieuwe problemen van deze tijd en daar groeien lokale initiatieven uit. Europa kan daar een breder beleidskader voor uittekenen, zodat op deze twee niveaus een offensief beleid kan worden gevoerd. Het is op die twee niveaus dat moet worden ingezet en dus is het belangrijk voor het middenveld om zich ook Europees te organiseren.

Vragen of reacties? liesbeth@fov.be


Het sociaal-cultureel volwassenenwerk in beeld

136

organisaties

9,5 miljoen

deelnames per jaar

200.000 vrijwilligers

In Vlaanderen en Brussel zijn meer dan 2 miloen mensen actief in het sociaal-cultureel volwassenenwerk. Als lid van een vereniging, als deelnemer bij een volkshogeschool of vormingsinstelling, als actievoerder of sympathisant bij een beweging.

4 werksoorten 57 Verenigingen 31 Bewegingen 13 Vormingplus-centra 35 Landelijke Vormingsinstellingen

Het erkende sociaal-cultureel volwassenen­ werk telt 136 organisaties. Alleen al de 57 verenigingen zijn samen goed voor meer dan 14.000 lokale afdelingen. De sector kan rekenen op de inzet van zo’n 200.000 vrijwilligers. Dat is een vijfde van het totale aantal Vlaamse vrijwilligers.

26% 50%

14% 10%

50%

eigen middelen

HET SCW KAN REKENEN OP 20% VAN ALLE VRIJWILLIGERS IN VLAANDEREN

Een goede investering

190 miljoen andere inkomsten

2.200

professionals

De inkomsten en uitgaven van de sector bedragen subsidie decreet samen ruim 190 miljoen euro. 40 % hiervan zijn subsidies. Tellen we hier de recuperatie van personeelskosten bij op, dan zien we dat de sector andere 50 procent van de middelen zelf genereert. De subsidies rechtstreekse inkomsten van bv. leden, deelnemer en donateurs zijn dus jaarlijks goed voor minstens 95 miljoen euro.

recuperatie personeelskosten

Vlaams…

€ € € Van elke euro die de overheid in de sector investeert, vloeit er louter economisch dus dubbel zoveel naar de samenleving.

…en internationaal

> 14.000 lokale afdelingen

Internationale samenwerking

bij verenigingen

intensief

105.200 uur per jaar

regelmatig sporadisch

aan vorming

in 78% van de gemeenten vindt minimaal 1 Vormingplus-activiteit plaats 1.664 freelancers worden in het sociaal-cultureel volwassenenwerk ingezet

Gegevens uit Boekstaven 2013. Voor meer data over de sector, kijk op www.boekstaven.be en bestel gratis de laatste editie.

I

2014 33


IS ER NOG RUIMTE VOOR PUBLIEKE ACTIE?

Vindt u dat de ruimte voor publieke actie steeds meer onder druk staat?

Dirk Voorhoof, hoogleraar UGent en specialist mediarecht

W

anneer mensen in het Midden-Oosten of China in opstand komen, juichen we hen toe. Maar als burgers hier hun stem laten horen voor een rechtvaardige wereld, oogsten ze dan evenveel applaus? Sociaalculturele organisaties houden de vinger aan de pols van de samenleving. Wanneer ze het nodig vinden, springen ze op de barricaden, om het beleid en de publieke opinie te beïnvloeden. Steeds vaker ondervinden ze echter dat de juridische ruimte hiervoor fors wordt ingeperkt. Moet het middenveld zich ongerust maken? We vroegen het aan drie kritische stemmen.

Jan Nolf, gewezen vrederechter en politierechter

Roel Stynen, medewerker Vredesactie vzw

34

I

2014

De voorbije jaren toonde de overheid zich een aantal keer bijzonder onverdraagzaam tegenover de collectieve uitoefening van de vrije meningsuiting. Geweldloze actie met een belangrijke maatschappelijke boodschap is nochtans grondwettelijk beschermd. Collectieve actie gaat onvermijdelijk gepaard met ordeverstoring. Daarop is te vaak gereageerd met strafvervolging, eisen tot schadevergoeding tot en met veroordeling wegens bendevorming. Telkens gaat het om ongefundeerde of buitensporige aantijgingen of een al te repressieve en daarom intimiderende aanpak van wat zou moeten gekoesterd worden in een democratie: wakkere burgers die hun stem laten horen. Als wat we privé denken door Big Brother gemonitord wordt, zal de mogelijkheid om een overtuiging publiek uit te dragen logischerwijze nog meer aan banden gelegd worden. Vanuit risico-­ aversie zijn we naadloos in de criminalisering geduikeld van al wat afwijkend lijkt. De publieke ruimte die per definitie van iedereen is, werd commercieel geprivatiseerd, maar als het over de essentie ging – publieke actie – werden de gekste hinderpalen opgeworpen. Tot overmaat van ramp buiten de controle van de rechtbanken om. De ruimte voor actievoeren wordt steeds kleiner. Overheden en bedrijven grijpen naar vervolging voor de rechtbank als antwoord op vreedzame acties. Vaak gaat het om aanklachten die helemaal niet in verhouding staan tot de aard van de acties. Vakbonden worden geconfronteerd met eenzijdige verzoekschriften om syndicale acties te ontmoedigen. Ook Gemeentelijke Administratieve Sancties (GAS) worden steeds vaker ingezet om acties in de openbare ruimte aan te pakken.


Welke maatregelen moet de overheid nemen opdat er meer publieke ruimte Indien ja, welk voorbeeld daarvan stuit komt om op te komen voor collectieve belangen van mensen? Of vindt u het meest tegen de borst? Indien u dat de overheid net strenger mag nee, welk bewijs van het tegendeel optreden? ziet u?

Wat kan het georganiseerde middenveld doen om het maatschappelijke draagvlak voor publieke actie te verbreden?

Het is niet één voorbeeld, het is een trend, een reeks van interventies die onrustwekkend is. Ik denk aan diverse Greenpeace-acties die aanleiding gaven tot processen, het uitdelen van GASboetes aan actievoerders of voor beledigende kritiek op de politie via sociale media of blogs. Er was de vervolging van vzw Vredesactie, na een klacht van de toenmalige defensieminister De Crem. En er is vooral de veroordeling door de correctionele rechtbank van Dendermonde van de ‘aardappel­ activisten’ wegens bendevorming, naar aanleiding van de protestactie tegen een onwettige veldproef met GGOaardappelen in Wetteren.

Politie, lokale overheden en openbaar ministerie moeten hun al te repressieve houding tegenover vormen van collectieve actie laten varen. Van de rechterlijke macht wordt verwacht dat ze het recht op vrijheid van meningsuiting en collectieve actie beter beschermt. Wie de democratie genegen is, kan zich immers niet neerleggen bij de criminalisering van wakkere, actieve en gemotiveerde burgers. De rechtspraak van het Europees Hof voor de Mensenrechten die een verregaande bescherming biedt aan de expressie- en demonstratie­ vrij­heid, moet ook bij ons worden toegepast.

Systematisch elke ongeoorloofde, onverantwoorde, buitensporige of controversiële inmenging in het recht op publieke actie onder de aandacht brengen. Een breed netwerk (verder) uitbouwen, samen met media, academici, ngo’s, auteurs en kunstenaars, juristen, ‘opinion leaders’ en het brede middenveld om weerstand te bieden aan het inperken van de publieke ruimte. De aandacht vestigen op het gevaar van de erosie van burgerlijke en politieke rechten en vrijheden, in België, in Europa en ook elders in de wereld.

De Monsantobetoging – die eigenlijk een sympathieke wandeling naar het Antwerps Centraal Station was – blijft me bij als het prototype. De politiediensten wandelden eerst vriendelijk mee, tot zij het order kregen voor een razzia. Uiteindelijk klasseerde het stadsbestuur de tientallen GAS-boetes. Het ultieme bewijs van de politisering van die verderfelijke pseudo-justitie. Wat in het geheugen gegrift blijft is de intimidatie. Brave burgers als criminelen behandelen is een schande.

De ‘overlast’-discussie moet uit het bestuurlijke nep-recht van de GAS gelicht worden en terug naar justitie. Die moet dan wel inspanningen doen om dichter bij de burger te staan. De gemeentelijke autonomie mag geen voorwendsel zijn om iedere burgemeester toe te laten zijn intieme invulling te geven aan de voorwaarden voor publieke actie. Aan die willekeur moet dringend een einde gesteld.

Burgerlijke ongehoorzaamheid kan een funest systeem doen imploderen en dus de rechtvaardigheid dienen. “Illegaal handelen kan dus legitiem zijn,” schreef wijlen Koen Raes (ethicus, red.) terecht. Durf het dus, want zoals Stéphane Hessel benadrukte: verontwaardiging is niets zonder actie.

De veroordeling van de ‘aardappelactivisten’ omwille van criminele bendevorming is een brug te ver. Dat vonnis gooit actievoerders op één hoop met zware georganiseerde misdaad. Dat is een gevaarlijk precedent: iedereen die deelneemt aan een actie die zich op het randje van de wet begeeft, loopt het risico als lid van een criminele bende te worden beschouwd. Ook de vervolging van Vredesactie omwille van een symbolische actie aan het ministerie van Defensie was duidelijk een poging om kritische stemmen het zwijgen op te leggen.

De overheid moet het middenveld respecteren, ook in zijn kritische en tegendraadse rol. Lokale overheden mogen GAS niet gebruiken om het recht op vrije vergadering en vrije meningsuiting in te perken. De mogelijkheid om via eenzijdig verzoekschrift stakingen en andere vormen van sociale acties te verbieden en dwangsommen op te leggen moet worden ingeperkt. Een wetswijziging moet de interpretatie van het misdrijf ‘bendevorming’ beperken, zodat het niet langer wordt toegepast op politieke actiegroepen die opkomen voor het algemeen belang.

Het middenveld moet mee de ruimte voor actievoeren beschermen en vrijwaren. Het middenveld moet van zich laten horen en, als dat nodig is, durven geweldloos actievoeren om mee de publieke en politieke agenda te bepalen.

I

2014 35


WE MOETEN HET TOCH OOK EENS OVER GELD HEBBEN

De wereld op zijn voeten E

r wordt dezer dagen lustig aan de legitimiteit van ons subsidiestelsel geknaagd en kromme retoriek wordt daarbij niet geschuwd. Vijf vragen keren steeds terug. Moeten we niet eerder investeren (lees: in bedrijven die opbrengen) dan subsidiëren (lees: in potverteerders)? Zit er niet meer efficiëntiewinst bij organisaties? Moeten we niet paal en perk stellen aan de oneerlijke concurrentie van verenigingen tegenover hardwerkende ondernemers? Kunnen we meer inzetten op alternatieve financiering? En vanuit de aloude gedachte dat brood voor de spelen komt: heeft Cultuur al dat geld echt nodig? Want… moeten we geen prioriteiten stellen nu we moeten besparen? Tegenover al dit retorische geweld voelt het sociaal-cultureel werk zich soms in de hoek gedrumd. Onterecht, want deze luide roepers hebben de wereld sluipend op zijn kop gezet. Wij proberen hem hier opnieuw recht te trekken, op zijn voeten als het ware, met stevige tegenargumenten.

36

I

2014


Subsidiëren of investeren: twee kantjes van dezelfde munt? Het woord ‘subsidie’ heeft een eigentijdse inkleuring gekregen. Aan de ene zijde vinden we zij die een subsidiedecreet haast als een natuurwet beschouwen, aan de andere kant zij die werken met subsidies als ‘potverteren’ wegzetten. Beide invalshoeken dreigen het debat over de legitieme inzet van overheidsmiddelen te verlammen.

DE NATUURWET Voor vele aanhangers van het natuurwet-denken zijn (hun) subsidies een evidentie. Subsidies zijn er, ze zullen er altijd (moeten) zijn en alleen al de vraag naar het waarom stellen, is genoeg voor een excommunicatie uit de groep van de weldenkenden. Bij de adepten van het natuurwet-denken is ook een groeiende groep technocraten terug te vinden: zij die van subsidiesystemen autonome, zichzelf voedende biotopen hebben gemaakt. Subsidies worden omkaderd met regels, controlemechanismen, verantwoordingsdocumenten en procedures. Zo wordt het systeem zelf de essentie. Het vertrouwen tussen beide groepen, die nochtans beide geloven in de meerwaarde van subsidies, durft dan wel eens zoek te geraken.

POTVERTEERDERS Vooral belangenbehartigers uit de economische wereld ontwikkelden de jongste jaren de retoriek dat subsidies weggegooid geld zijn. Subsidies fnuiken de echte ondernemerszin. In tijden van besparingen moeten ze er dus eerst aan geloven. Bovendien worden subsidies gezien als een instrument aan het einde van de waardeketen. Immers, zijn het niet de bedrijven die via hun economische activiteit zorgen voor inkomsten voor de overheid? Zijn zij het niet die de beurs spekken waaruit de subsidies kunnen worden verstrekt? Om een taart te verdelen, moet je er eerst één maken, niet? Dus, zo luidt de aanbeveling, moet de overheid zich vooral inzetten voor zij die de taart maken. En dat doe je niet door te subsidiëren, wel door te investeren.

EN WAAR STAAT DE BELASTINGBETALER? Overheden verwerven op diverse manieren inkomsten. Via financiële en economische activiteiten, via retributies, maar vooral via belastingen die werkgevers, werknemers, consumenten, producenten,… betalen. Met deze middelen ontwikkelen overheden hun beleid: zij kiezen voor een ‘teruggave’ van een deel van de belastingen; zij investeren in (of subsidiëren…) mobiliteit, zorg, onderwijs; zij corrigeren via herverdeling en ga zo maar door. Nu eens om de economie beter te doen draaien of de werkloosheid te bestrijden, dan weer om het welzijn van mensen te vergroten. Overheden proberen zo aan vragen van burgers tegemoet te komen. En die vragen en behoeften zijn van velerlei aard: werk, bestaanszekerheid, gezondheid, geluk,… Investeren of subsidiëren? Het zijn niet meer dan technieken waarmee een overheid haar keuzes in de praktijk probeert te brengen, met het geld dat wij samen opbrengen. En ja, er zijn voorbeelden van subsidies die meer perverse dan bedoelde effecten hebben. Herinner je je de discussie over zonnepanelen? En ja, er zijn voorbeelden van investeringen in het economische weefsel die vooral gekost en niet opgebracht hebben. Doet de sluiting van Ford in Genk een belletje rinkelen? Dus: de ene techniek is niet beter dan de andere. Maar aan elke techniek gaan keuzes vooraf. Deze diversiteit aan keuzes en de manier waarop ze op elkaar (kunnen) inwerken, dàt is het enige juiste debat.

I

2014 37


Concurreren met geld van de gemeenschap? Dit voorjaar trok Bart Buysse, directeur-generaal van het VBO, in De Standaard van leer tegen de valse concurrentie van (onder meer) de non-profit: “Organisaties wier werking meegefinancierd wordt met overheidsgeld hebben de plicht om efficiënt om te gaan met hun middelen. Is het dan wel oké dat de overheden of de gesubsidieerde werkgevers de privéwerkgevers uit de arbeidsmarkt concurreren met geld van de gemeenschap?” Ook de strijd die de Vereniging Vlaamse Reisbureaus tegen het sociaal-cultureel werk voerde (en verloor) om een feitelijk verbod op het organiseren van trips door verenigingen af te dwingen, ligt nog vers in het geheugen. Wij nemen dergelijke aantijgingen telkens op onze krachten. Want ze zijn, althans wat het sociaal-cultureel werk betreft, onjuist. 10.000.000 keer per jaar nemen mensen deel aan 300.000 activiteiten van het sociaal-cultureel volwassenenwerk, bijna allemaal activiteiten die onder dezelfde voorwaarden niet door commerciële marktspelers zouden worden ontwikkeld. Omdat ze niet lucratief (genoeg) zijn. Zo eenvoudig is dat. Sterker nog: uit een enquête van Unizo uit 2011 blijkt dat 85 % van alle Vlaamse KMO’s het brede sociaal-cultureel werk ondersteunt, met jaarlijks tientallen miljoenen euro’s voor het verenigingsleven. Want, zo lezen we, de zelfstandige winkeliers en de verenigingen brengen samen leven in buurten en wijken en daar worden zij beide beter van. Ook op andere vlakken blijken profit en non-profit geen gescheiden werelden die niets aan elkaar hebben. Hoeveel mensen zijn er niet die rond concepten van participatie of coaching

38

I

2014

experimenteerruimte vinden in het sociaal-cultureel werk, om vervolgens een privé-consultancypraktijk te beginnen? Sociaal-cultureel werk ontwikkelt dus niet enkel complementaire activiteiten, in de praktijk versterken profit en social profit elkaar. Vandaag worden echter allerlei instrumenten in het leven geroepen om de concurrentie volop te laten spelen. Zo worden sociaal-culturele organisaties verplicht de wet op de overheidsopdrachten uit te voeren en worstelen ze met de vele bochten in het parcours van fiscale vrijstellingen. Naast de gigantische administratieve overlast dreigt hier nog een ander effect, namelijk dat we onszelf, via schaalvergroting, gezamenlijk organiseren om de druk van vooral grotere economische spelers en sectoren te weerstaan. We zouden dan voor ICT-diensten samen een beroep kunnen doen op een grote firma die tegen een concurrentiële prijs vele diensten aan vele organisaties tegelijk kan leveren. Alle lokale afdelingen van een vereniging zouden via een samenaankoop jaarcontracten met de groothandel kunnen sluiten voor de mosselen voor hun soupers. Geen slechte zaak, denkt u dan? Maar wat met de ICT-starter op wie we vandaag graag een beroep doen? Wat met de lokale visboer die al jarenlang van dat ene mosselsouper een erezaak maakt? We weten niet wie beter kan worden van deze schaalvergroting, wél wie er ongelukkiger door zal zijn: de 200.000 sociaal-cultureel werkers en de 85.000 KMO’s, die naast ‘letten op de kleintjes’ ook die andere ‘kleine’ waarden, zoals lokale verbondenheid en sociale cohesie, belangrijk vinden.


Kunnen ze op efficiëntie geen winst boeken?

Meer inzetten op alternatieve financiering?

Hét buzzword van de afgelopen jaren: efficiëntiewinst, nek aan nek met de kaasschaaf en het vet dat van de soep moet. Het is duidelijk dat de overheden op vele terreinen op zoek zijn naar hoe het goedkoper kan. Tegelijk mogen burgers niet gefrustreerd worden in hun vele verwachtingen en dus zal er meer met minder moeten gebeuren, zo klinkt het herhaaldelijk. De besparingen van de afgelopen jaren werden dikwijls ook op die manier verantwoord: er kan nog wel wat aan efficiëntie worden gewonnen.

Tijdens de beginjaren van de voorbije legislatuur moest de Vlaamse regering fors besparen. Het is niet toevallig dat net toen concepten van alternatieve financiering in de vitrine werden gezet: sponsoring, giften en mecenaat, complementaire betaalwijzen, crowdfunding. De cultuursector werd gesensibiliseerd of, zo u wil, geresponsabiliseerd. Neen, zo klonk het, alternatieve financiering zal en mag nooit subsidies vervangen, ze is complementair. En intussen schraapte de kaasschaaf en hakte de bijl.

Organisaties werden gedwongen/aangemoedigd/verleid om hun werking efficiënter te maken. Kunnen we niet knippen in de uitgaven voor publicaties? Moet elke vorm van ondersteuning nog op dezelfde manier gebeuren? Kunnen we met prijsdifferentiatie meer inkomsten verwerven? Zo begon het. Deze vragen gingen naadloos over in fundamentelere kwesties zoals het inkrimpen van het personeelsbestand, outsourcing naar freelancers (of net andersom), of het abrupt stopzetten van activiteiten die financieel niet meer kunnen worden gedragen. Organisaties worden node in deze zogenaamde efficiëntielogica geduwd. Dat bemoeilijkt net waar zij sterk in (kunnen) zijn: zich op ongekende paden wagen en tijd nemen om te experimenteren.

Al gauw bleek dat de hippe vitrine afgekeken was van beproefde systemen en modellen uit het sociaal-cultureel werk. Neem nu crowdfunding, een concept waarbij vele investeerders of belanghebbenden bereid zijn om te investeren in projecten waarbij ze zich betrokken voelen. Wie wat ziet in een project, kan een kleine bijdrage geven. Dikwijls krijgt hij enkele kleine voordelen in ruil. Of crowdsourcing, waarbij een beroep gedaan wordt op mensen om de activiteiten van een organisatie of bedrijf mee te voeden en te innoveren. Crowdfunding en -sourcing: mooie concepten om van mensen niet enkel deelnemers, maar ook deelhebbers te maken.

Ook de overheid zoekt bij zichzelf efficiëntiewinst. En dan is het toch wel vreemd om vast te stellen dat er voor vorming en opleiding niet sneller naar het brede sociaal-cultureel werk wordt gekeken. Je zou toch ook verwachten dat er samen met verenigingen, bewegingen en instellingen wordt nagegaan hoe de volgende jaren – met respect voor elkaars eigenheden – gezamenlijk werk kan worden gemaakt van de maatschappelijke uitdagingen? Enkele voorbeelden? De ‘Ik vind de aarde leuk’-campagne van Okra is veel goedkoper dan om het even welke marketingstrategie rond duurzaamheid, én ze heeft veel meer impact op het leven van mensen. Door het vliegwieleffect van de inspanningen van Velt en Tuinhier is stads- en volks­ tuinieren in sneltempo een wervend verhaal geworden. Met de campagne ‘Armoede (op den) Buiten’ slaagden Welzijnszorg, Welzijnsschakels, KVLV, Landelijke Gilden en Mobiel 21 erin om hun expertise te delen en tot sterke aanbevelingen te komen, lang voordat dure studiebureaus zich over deze kwestie bogen. Het sociaal-cultureel volwassenenwerk is dus een krachtige motor met veel potentieel en veel gedreven mensen: een 200.000-tal actieve vrijwilligers en beroepskrachten zijn samen jaarlijks 44.278.832 uren in de weer in Vlaanderen en Brussel. Dat kost de Vlaamse overheid 1,4 euro per uur inzet. Twee derde van een pint.

Verdeling inkomstensoorten Andere Werking Recuperatie personeelskosten

10% 10%

22%

18% 40%

Lidgeld/schenking

Subsidies

Het sociaal-cultureel werk haalt jaarlijks bijna 22.000.000 euro op uit de ‘crowd’. Honderdduizenden mensen weten zich betrokken bij een werking, een organisatie, een campagne. Toegegeven, we kleven er geen Engelse termen op, we noemen het doorgaans ’lidgeld‘. Samen met schenkingen en legaten dragen deze vormen van alternatieve financiering bij tot bijna een vijfde van de inkomsten van het sociaal-cultureel volwassenenwerk. En dit – in tegenstelling tot vele vormen van crowdfunding – niet eenmalig, maar duurzaam. Begrijp ons niet verkeerd, het is zeer goed dat de overheid vormen van alternatieve financiering wil vergemakkelijken. Maar het is niet zozeer onze sector die sensibilisatie nodig heeft, het zijn vooral de overheden die moeten wakker worden. Organisaties worden bijvoorbeeld nog steeds administratief gepest als ze fiscale attesten voor giften willen verlenen.

I

2014 39


Besparen dus… waar is het Cultuurbudget? Dat er de volgende jaren moet worden bespaard, staat buiten kijf. Op het moment waarop u dit leest zijn de contouren van deze operatie misschien al bekend. Heel wat d ­ omeinen zullen, zoals dat heet, hun steentje moeten bijdragen. Maar kan Cultuur de begroting wel redden? In 2013 ging 1,6 % van het geld van de Vlaamse regering naar Cultuur, in 2009 was dit nog 1,9 %. Door de zesde staatshervorming zal dit aandeel nog feller krimpen. Het decreet sociaal-cultureel volwassenen­werk was goed voor een bescheiden 0,2 % van de middelen. Uit bovenste grafiek blijkt dat tijdens de voorbije legislatuur (van eind 2009 tot begin 2014) Cultuur er niet eens in slaagde gelijke tred te houden met de evolutie van de Vlaamse middelen. Deze laatste namen toe met ongeveer 12 %, terwijl de uitgaven voor Cultuur met ongeveer 8 % groeiden, wat lager is dan de inflatie, berekend op 10,49 %. Elke evolutie die zich dus onder die 10,49 % ­situeert, betekent een feitelijke verarming.

Evolutie middelen (2009 = 100%)

115%

Uitgaven Vlaamse overheid

110%

IVA Kunsten & Erfgoed Uitgaven cultuur

105%

IVA Sociaal-cultureel werk

100% Decreet sociaal-cultureel volwassenenwerk

95% 90% begin 2009

eind 2009

2010

2011

2012

2013

begin 2014

Evolutie sectoren (2009 = 100%)

Kunsten

115%

De relatieve groei van Cultuur staat dan nog vooral op conto van het kunstenbeleid. Het IVA (intern verzelfstandigd agentschap) sociaal-cultureel werk zag zijn budget met amper 3 % toenemen. En voor het decreet sociaal-cultureel volwassenenwerk was er begin 2014 evenveel geld als begin 2009, wat – rekening houdend met de inflatie – betekent dat 10 % van het budget gewoon verdampte. Als we geen rekening houden met de overheveling van de provinciale middelen in 2014 (een feitelijke broekzak-vestzakoperatie), is er volgens onderste grafiek maar één sector binnen Cultuur die zijn waarde (boven de inflatie) heeft zien toenemen. Samen met het participatie- en circusbeleid bungelt het sociaal-cultureel volwassenenwerk helemaal onderaan. Deze twee sectoren hebben in de voorbije legislatuur binnen Cultuur dus het meest bijgedragen aan de besparingen. 40

I

2014

110%

Lokaal cultuurbeleid Amateurkunsten

105%

Erfgoed Participatie & circusbeleid

100%

Sociaal-cultureel volwassenenwerk

95% 90% begin 2009

eind 2009

2010

2011

2012

2013

begin 2014


Moeten we dan geen prioriteiten stellen?

IN DE PRIJZEN…

Natuurlijk. Werk en kansengroepen meenemen in de samenleving: dit zijn met stip de twee meest genoemde thema’s als er – in besparingstijden – naar prioriteiten wordt gevraagd. Kan het sociaal-cultureel werk daar met zijn creativiteit een rol in spelen? We denken van wel. Nog even wat harde feiten op een rijtje.

WERK, WERK EN NOG EENS WERK Werk, werk en nog eens werk. Daar draait het de volgende jaren om, zoveel is duidelijk. Dat er geen eenduidig recept is, is dat evenzeer. Opvallend is dat Boekstaven, waarin de FOV jaarlijks het erkende sociaal-cultureel volwassenenwerk in kaart brengt, al sinds het begin van de metingen vaststelt dat de personeelskosten in de sector de helft hoger liggen dan de inkomsten waarmee de organisaties hun personeel duurzaam kunnen financieren. De overheid gaat er van uit dat 80 % van haar subsidies door de organisaties aan personeel wordt besteed en 20 % aan werking. Een werknemer in het sociaal-cultureel volwassenenwerk kost de Vlaamse overheid 28.284 euro. Een werkloze kost gemiddeld 33.443 euro. De rekensom is dan snel gemaakt: inzetten op banen in het sociaal-cultureel werk loont voor de staatskas. De extra maatschappelijke inzet krijgen overheid en samenleving er gratis bovenop.

KANSENGROEPEN Een kleine 40 % van de sociaal-culturele organisaties richt zich expliciet en structureel op kansengroepen. Dit betekent dat minstens 19,9 miljoen euro (of 36 % van het budget) aantoonbaar gaat naar het dag in dag uit werken met en voor etnisch-cultureel diverse groepen, mensen in armoede en mensen met een beperking. En dan schrijven we nog niet over de vele andere organisaties die ook projecten en activiteiten met, voor en door kansengroepen ontwikkelen. De opgebouwde ervaringen en de nabije relaties met deze groepen mensen maken van deze organisaties dikwijls innoverende partners. Zij worden hier nog al te vaak in miskend.

Zijn er nog vragen? Neen, het sociaal-cultureel werk is lang niet het antwoord op alle vragen. Het kan en wil dit niet zijn. Maar misschien moeten we, voor een écht gesprek, eens beginnen met de wereld niet op zijn kop te zetten. Deze sector werkt voor de helft met private en de andere helft met publieke middelen. De opbrengst van deze investering is gigantisch, want kiezen voor sociaal-cultureel werk is investeren in burgerschap, solidariteit, cohesie en tientallen miljoenen uren positieve inzet per jaar. Voor de prijs van twee derde van een pint. Niet overdreven, toch? Vragen of reacties? dirk@fov.be

Citizenne krijgt Vlaamse Cultuurprijs voor Sociaal-Cultureel Werk Citizenne, dat de sociale samenhang in Brussel wil versterken, kreeg in 2013 de Vlaamse Cultuurprijs voor het sociaal-cultureel volwassenenwerk. “Leren dat het een plezier is, met extra aandacht voor groepen die moeilijker hun weg naar vorming vinden. Vormingplus Citizenne straalt die boodschap uit met een bezieling die bergen verzet,” zei minister Joke Schauvliege. www.citizenne.be

Prijs Vrijwilligerswerk voor Repair Café Ze schieten als paddenstoelen uit de grond, de Repair Cafés waar mensen samen gratis spullen kunnen repareren. Niet verwonderlijk dus, de prijs voor het Vrijwilligerswerk 2014, vanwege “de consolidatie van het concept en de grote groeicapaciteiten”. Nog uit het juryrapport: “Deze laureaat heeft een grote voorbeeldfunctie als antwoord op de wegwerpsamenleving.” www.repaircafe.be

I

2014 41


MARK SUYKENS VERSUS DIRK VERBIST

New Deal

Naar een tussen gemeenten en sociaal-cultureel werk

Z

E GELOVEN BEIDEN VURIG IN DE KRACHT VAN GEMEENTEBESTUREN EN VAN HET LOKALE SOCIAAL-CULTUREEL WERK OM SAMEN ANTWOORDEN TE VINDEN DIE ONZE SNEL VERANDERENDE SAMENLEVING NODIG HEEFT. EEN NEW DEAL OP LOKAAL NIVEAU, JAZEKER, ZEGGEN MARK SUYKENS, DIRECTEUR VAN DE VERENIGING VAN VLAAMSE STEDEN EN GEMEENTEN, EN DIRK VERBIST, DIRECTEUR VAN DE FOV. HOE? DAAROVER WILLEN ZE WEL EENS VAN MENING VERSCHILLEN. MAAR OOK WEER NIET TE VEEL. “HET IMPULSBELEID VAN VLAANDEREN KAN ANDERS EN BETER.”

42

I

2014


IS HET LOKALE SOCIAAL-CULTUREEL WERK KLAAR VOOR DE 21STE EEUW?

WIE IS MARK SUYKENS? DE PROFESSIONAL: a  lgemeen directeur van de Vereniging van

Vlaamse Steden en Gemeenten DE BURGER: V  orselaar DE VERENIGINGSMENS: “ Begonnen bij de KSA, actief geweest in

de jeugdraad, in het jeugdwerk en het volwassenen­ vormingswerk. Ik ben jurist van opleiding, maar als ik zie wat ik allemaal heb geleerd op het vlak van vergaderen, werken met mensen, in groep werken, dat heb ik allemaal in het sociaal-cultureel werk opgepikt. Je wordt je bewust van dingen die je elders niet meekrijgt en je kunt er een andere kant van jezelf ontwikkelen. Dat heeft me later professioneel veel geholpen.” WAT ALS… IK BURGEMEESTER WAS? “ Sociale cohesie is voor mij een prioriteit. Als ik burgemeester was, dan zou ik nog meer inzetten op samenwerking met alle organisaties en actieve mensen om de sociale cohesie te versterken.”

WIE IS DIRK VERBIST? DE PROFESSIONAL: d  irecteur van de FOV DE BURGER: Z  ottegem DE VERENIGINGSMENS: “ Zoals veel Vlamingen ben ik als kind

naar de jeugdbeweging geweest, de KSA in mijn geval. Daarna was ik actief in het jeugdhuis, de speelpleinwerking en in de jeugdraad. Alles is daar begonnen, tot en met de relatie met mijn vrouw, die ik daar heb leren kennen. Ik heb ondertussen op verschillende plekken gewerkt, onder andere bij een gemeentebestuur en op het Vlaamse beleidsniveau. Maar mijn professionele traject is eigenlijk begonnen in het jeugdwerk. Ik heb zoveel geleerd uit het verenigingsleven: hoe omgaan met mensen, hoe vergaderen en organiseren.” WAT ALS… IK BURGEMEESTER WAS? “ Gemeentebesturen zijn de afgelopen decennia op heel veel vragen van hun burgers ingegaan of moeten ingaan. Samen dingen ontwikkelen met het middenveld is vervangen door initiatieven door sterke professionals uit het gemeentebestuur zelf. De budgettaire context leent zich daar nu niet meer toe. We moeten ons opnieuw afvragen hoe we elkaar kunnen versterken rond de uitdagingen van vandaag.”

Clichés over gemeentebesturen of het lokale verenigingsleven zijn vaak niet van de lucht. Maar clichés zijn er om doorgeprikt te worden. Zo wil Dirk Verbist af van het beeld dat Vlaamse gemeentebesturen bestaan uit hobbyisten. “Gemeenten zijn doorgaans professionele organisaties geworden, met veel competente medewerkers.” Maar zijn ze wel goed genoeg geor­ ganiseerd voor de grote uitdagingen van de toekomst? Het is dezelfde vraag die Mark Suykens zich stelt over het sociaal-cul­ tureel werk.

MARK SUYKENS:  Is er wel voldoende innovatie in het lokale

sociaal-cultureel werk waarop een gemeente kan inspelen en waarvoor het impulsen kan geven? Ik heb soms het gevoel dat het sociaal-cultureel werk vooral bestendigt wat er is. Dat is, gezien de maatschappelijke evolutie, geen optie. Er is nochtans nood aan mogelijkheden tot ontmoeting, samenwerken en samenleven. Maar mensen voelen zich minder verbonden met het traditionele verenigingsleven. DIRK VERBIST:  Ja, een deel van de 14.000 lokale afdelingen van onze verenigingen bestaat uit mensen – soms wat grijzer – die samenkomen rond traditionelere activiteiten. Dat is toch fantastisch? En het plaatje van het sociaal-cultureel werk is ook veel ruimer. Veel nieuwe, lokale sporen rond duurzaamheid zijn het werk van sociaal-culturele initiatieven: repaircafés, samenhuizen, alternatieve zorgmodellen. De helft van onze verenigingen ziet het aantal afdelingen inderdaad dalen. Zij vangen de aandacht van beleidsmakers, die zich afvragen of die nog voldoende ‘mee zijn’. Bij de andere helft neemt het aantal actieve afdelingen toe. Het sociaal-cultureel werk is dus niet ten dode opgeschreven. We zien dat die grondstroom van verbinding zich in heel veel buurten opnieuw ontwikkelt. Meer en meer verenigingen maken die klik en ze moeten daar de ruimte voor krijgen. MARK SUYKENS:  Voor een gemeentebestuur is het zeker belangrijk om de diversiteit van wat op het veld gebeurt te ondersteunen, zowel de traditionelere initiatieven, die ook een grote meerwaarde hebben, als de vernieuwende. Maar we moeten realistisch zijn. Bij de echt traditionele vormen van het sociaal-cultureel werk slaat de veroudering toch erg hard toe en het engagement van jonge mensen is heel kortstondig. DIRK VERBIST:  Het is organisatorisch moeilijker dan vroeger, inderdaad, maar daar zullen flexibelere organisatiemodellen uit voortvloeien. Het lokaal beleid moet in elk geval de trampoline zijn voor initiatieven door traditionele of minder traditionele verenigingen.

STAAT SECTORAAL HOKJESDENKEN EEN GEÏNTEGREERD LOKAAL BELEID IN DE WEG? Gemeentebesturen worden voortdurend aangespoord om een geïntegreerd lokaal beleid te voeren, zowel ruimtelijk als inhoude­lijk. In welke mate worden ze daarin echter geremd door de sectorale differentiatie die is blijven bestaan, ook na de invoering van het planlastverminderingsdecreet?

MARK SUYKENS:  De afgelopen twintig jaar is in Vlaanderen een

sterk sectoraal beleid gevoerd, met goede effecten. Het planlastverminderingsdecreet moest hieraan verhelpen, maar dat

I

2014 43


is inderdaad niet gebeurd. Sommige besturen willen een breed vrijetijdsbeleid voeren, met verbindingen tussen autochtonen en allochtonen, jongeren en ouderen, cultuur en jeugd. Maar met de huidige regeltjes is dat moeilijk. De sectoren hebben zich op zichzelf teruggeplooid, ook al omdat Vlaanderen de doelstellingen die ze wil subsidiëren per sector blijft aanbieden. En ook op lokaal niveau is het beleid in aparte categorieën geduwd, met een aparte dienst, een aparte adviesraad en een aparte ambtenaar voor elk van de sectoren. De toekomst voor de gemeenten is een breed en geïntegreerd beleid, met voldoende sectorale differentiatie. Nu is het omgekeerd: een sectorale aanpak en nul integratie. DIRK VERBIST:  Het is niet het planlastverminderingsdecreet dat deze integratie in de weg staat. Soms is het zelfs goed om vanuit Vlaanderen verkokerde impulsen te geven om een lokaal geïntegreerd beleid mogelijk te maken. Maar Vlaanderen schiet tekort. Het moet voldoende sectorale impulsen blijven geven, al was het maar opdat de Vlaamse politiek oog blijft hebben voor die financiering, maar ze moet wel vertrekken vanuit de reflex van een geïntegreerd beleid op lokaal niveau. Dan kan een gemeentebestuur een prioriteit bepalen, bijvoorbeeld de ondersteuning van het verenigingsleven, ongeacht onder welke sector dat zit. MARK SUYKENS:  Wij moeten toch verder gaan dan dat. Het zou veel beter zijn om de budgetten voor het jeugdbeleid, het cultuurbeleid, het seniorenbeleid, het sportbeleid te bundelen op Vlaams niveau en gemeenten dan een budget toe te kennen afhankelijk van de samenstelling van hun bevolking. Want er zijn bijvoorbeeld gemeenten met een snel verouderende bevolking en gemeenten met een enorme groei van jonge gezinnen. Dat vergt op bepaalde punten een heel ander beleid. Met gebundelde budgetten kan je ook sectoraal differentiëren. Als je ze niet bundelt, dan zullen lokale besturen doelstellingen formuleren op maat van de subsidielijnen. Dat leidt niet tot integratie. DIRK VERBIST:  Hoe groter de afstand en hoe technocratischer de relatie tussen Vlaanderen en haar gemeenten, hoe kleiner de kans dat ze elkaar kunnen prikkelen. Bovendien is er, door de snelheid waarmee lokale besturen aan de slag moesten gaan met hun meerjarenplannen, op bovenlokaal niveau te weinig nagedacht over een minimaal kwaliteitskader voor een aantal thema’s waarrond ook lokale besturen voldoende garanties moeten geven aan alle burgers. MARK SUYKENS:  De basisdienstverlening moet in elke gemeente dezelfde zijn: dat argument wordt altijd gebruikt in beleidsmiddens. Verschillen zijn ook waardevol en kunnen inspireren. Vlaanderen heeft goede impulsen gegeven aan het lokale cultuurbeleid de afgelopen twintig jaar. De meeste gemeenten hebben daar op ingespeeld, de besturen zijn enorm geprofessionaliseerd. Maar ik denk dat de relatie met Vlaanderen voortaan heel anders moet worden ingevuld. We moeten veel meer ruimte geven aan gemeenten om in samenspraak met het brede lokale veld een eigen beleid te ontwikkelen. In sommige gemeenten zal dat goed vooruit gaan, in andere traag. Dat moet je kunnen aanvaarden. Goede praktijken moeten we verspreiden en dan zullen de andere wel volgen. Een uniform en centraal beleid dat alle gemeenten op hetzelfde ritme wil doen bewegen, is niet langer realistisch.

” “

” “

44

I

2014

MARK SUYKENS: “WE MOETEN VEEL MEER RUIMTE GEVEN AAN ­GEMEENTEN OM IN SAMENSPRAAK MET HET BREDE LOKALE VELD EEN EIGEN BELEID TE ONTWIKKELEN.”

MOETEN WE NAAR EEN NIEUWE FINANCIERINGSVORM VOOR HET LOKAAL CULTUURBELEID? Momenteel geeft Vlaanderen impulssubsidies aan gemeenten. Is er in de toekomst nog ruimte voor dit soort stimuli of richt Vlaanderen beter zijn pijlen op andere spelers als het lokaal nog wil wegen?

MARK SUYKENS:  Laat ons de budgetten van de reguliere sub-

sidiëring bundelen en verdelen via een mechanisme als het Gemeentefonds. Gemeenten krijgen een bepaalde som per inwoner geoormerkt voor het brede vrijetijdsbeleid. Vlaanderen kan daarnaast tijdelijke impulsen geven van enkele jaren, in het raam van haar strategische doelstellingen. Wil je het nadien voortzetten, dan moet je het zelf financieren. De jeugddienst, de cultuurdienst, de sportdienst: ze zijn de afgelopen twintig jaar veel zelf gaan doen, ten nadele van het sociaal-cultureel werk, met als gevolg de afbouw van vrijwilligersengagementen die nu professioneel worden ingevuld. De lokale overheid moet terugtreden. Maar als je aan gemeentebesturen zegt dat ze niet alles zelf moeten doen en de actieve krachten in de gemeente kansen en mogelijkheden moeten bieden, dan moet je die besturen ook de instrumenten geven voor die impulsen. DIRK VERBIST:  Er is ongeveer honderd miljoen euro voor het lokaal cultuurbeleid. Ik denk dat we niet anders kunnen dan van een deel van die middelen gewoon reguliere financiering maken voor een aantal gemeentelijke basistaken rond cultuur. Daarnaast kan een aantal spelers op Vlaams niveau, zoals de VVSG en sectororganisaties, samen met de minister en de administratie nadenken over de meest efficiënte en effectieve manier om vanuit Vlaanderen nieuwe impulsen te geven voor Cultuur of voor het verenigingsleven, met het andere deel van die middelen. Gemeenten hoeven daarbij niet altijd het voortouw te nemen. Rond bepaalde behoeften kan ook beslist worden om de schaalgrootte te laten spelen, de investering te doen en de effecten daarvan dan te laten doorspijpelen op lokaal niveau.


MARK SUYKENS:  Dit impulsbeleid kan inderdaad zeer gevarieerd

zijn en ook mee gestuurd worden vanuit de landelijke ondersteuningsdiensten of koepels van verenigingen. Op voorwaarde dat je van bij het begin duidelijk maakt dat de impulsen tijdelijke financiering en geen structurele zijn, want dat is de verwarring die constant onvrede creëert, op lokaal en op Vlaams niveau.

HOE OPNIEUW INVESTEREN IN PARTICIPATIE? Het gemeentedecreet stimuleert de gemeenteraad om initiatie­ ven te organiseren en inspraak van burgers te verzekeren. Maar de nieuw verkozen burgemeesters en raadsleden zijn daar minder van overtuigd dan hun voorgangers. Hoe vernauwen we de band tussen gemeenteraadsleden en burgers om inspraak weer op de agenda te krijgen?

daar de instrumenten niet voor. Nu is er vaak alleen een directe relatie tussen de schepen en ‘zijn’ adviesraad, en niet met de gemeenteraad. Dat moeten we doorbreken. Sommige gemeenten gaan elk jaar het gesprek aan met een aantal adviesraden. Zo erkennen ze formeel de adviesraad als een gespreks­ partner.

HOE WERKEN AAN MEER DRAAGKRACHT VAN GEMEENTEN? De draagkracht van gemeenten om alle toegeschoven taken en verantwoordelijkheden op te nemen zou ontoereikend zijn. Ze moeten bovendien dingen teruggeven aan het middenveld, want ze kunnen dat niet blijven financieren op dezelfde manier. Rond welke taken kunnen gemeente en middenveld intenser samen­ werken? Willen gemeenten lossen? Heeft het middenveld daar zelf de draagkracht voor?

DIRK VERBIST:  Hoe vrijwilliger de inzet van actoren, hoe

DIRK VERBIST:  Ja, een aantal basistaken van gemeenten zal de

groter het dedain waarmee over hen wordt gesproken. Gemeentebesturen zijn enorm geprofessionaliseerd en dat is nodig in de technocratische en gejuridiseerde context van vandaag. Maar ik merk daardoor ook een grote vermoeidheid rond alle vormen van participatie van mensen die daar geen opleiding voor genoten hebben en die dat doen zonder ondersteuning. Die worden aan hun lot overgelaten. Dat is een gebrek aan investeren in een democratisch klimaat. Terwijl we net de mensen die willen meedenken op beleidsniveau, zowel gemeenteraadsleden als bijvoorbeeld leden van adviesraden, moeten versterken. Zo creëren we zelfvertrouwen en draagvlak, waardoor die scheefgegroeide verhouding kan hersteld worden. MARK SUYKENS:  De democratie is maar zo sterk als er actieve burgers zijn. Maar de adviesraden zijn een model van enkele decennia geleden. Sommige werken goed, andere leveren niets op. Er gebeuren daarnaast veel andere dingen op het vlak van participatie, bijvoorbeeld in deelgemeenten of wijken. Participatie kan ook heel breed gaan, van betrokkenheid tot medebeslissingsrecht. Op dit moment wordt er lokaal soms te weinig geïnvesteerd in overleg, of in overleg dat werkt. Ik pleit voor een variëteit aan instrumenten. En daar waar de adviesraad goed werkt, kan die gewoon voortdoen. Participatie moet wel vooral gaan over concrete projecten. Mensen laten meedenken over strategische meerjarenplannen, dat is niet voor iedereen. DIRK VERBIST:  Pop-upwinkels functioneren ook alleen in een winkelstraat. Wat bedoel ik daarmee? Ad-hocinitiatieven gedijen maar in een klimaat waarin op een duurzame manier over participatie gedacht wordt. Gemeenteraden en adviesraden moeten veel meer platformen van participatie zijn, de winkelstraat voor de pop-upinitiatieven als het ware. Ze moeten garanderen dat er, voor een beslissing valt, minstens een moment is van samenspraak en van advies, en eventueel van protest. Dat betekent ook dat gemeenteraden en adviesraden de openheid aan de dag moeten leggen om die schakel te zijn. MARK SUYKENS:  Volgens het gemeentedecreet moet de gemeen­ teraad het initiatief nemen voor participatie. Maar die heeft

komende tien jaar op een andere manier moeten worden ingevuld. En er zal daarvoor meer gerekend worden op burgers. Maar ik vrees voor een Nederlands scenario, waar een participatiesamenleving is uitgeroepen die een lege doos blijkt te zijn, vooral bedoeld om te besparen (zie ook het artikel Nederland, gidsland? op pag. 18). ‘Je zult het zelf moeten doen,’ krijgt de Nederlander te horen, ook voor fundamentele vragen waarvan mensen het gewoon zijn dat de overheid de antwoorden geeft. Ik vrees een gelijkaardige evolutie hier. Zonder dat nagedacht is over hoe de overheid de trampoline kan creëren opdat mensen rond zorg, ouderen, duurzaamheid of integratie nieuwe rollen kunnen vinden in een samenleving waarin niet iedereen zich op dezelfde manier engageert. De overheid moet zich samen met groepen burgers organiseren en de draagkracht versterken, om ook in de toekomst antwoorden te geven. Het mag niet zijn: zoek het zelf maar uit. Burgers moeten bovendien het recht blijven hebben om hun vragen aan de overheid te stellen. MARK SUYKENS:  Gemeenten moeten inderdaad niet alles zelf willen organiseren. Ze moeten regisseur worden in de plaats van actor. Ze moeten respect opbrengen voor de zelforganisatie van groepen, buurten en wijken. Dat betekent niet loslaten, wel ondersteunen en faciliteren. Maar in budgettair krappe tijden moeten wel fundamentele keuzes worden gemaakt. En als we moeten kiezen, dan moeten gemeenten veel meer de prioriteit leggen bij mensen die het echt moeilijk hebben. Het bezuinigingsbeleid van de doorsnee gemeente heeft zich vooral vertaald in het optrekken van de tarieven voor elke vorm van dienstverlening. Maar dat mag niet leiden tot het niet deelnemen van groepen die veel behoefte hebben aan participatie en sociale cohesie. Een gemeente mag op dat punt nooit afhaken.

moet “ Deene overheid trampoline creëren voor nieuwe, duurzame initiatieven.

Vragen of reacties? liesbeth@fov.be

I

2014 45


WIE HET KLEINE NIET EERT…

D

e omvang van de uitdagingen waarvoor deze wereld staat, kunnen een mens het gevoel geven dat ze ook alleen op heel grote schaal kunnen worden aangepakt. Niets is minder waar. Kleine, lokale praktijken kunnen een wereld van verschil maken, zoals blijkt uit deze vier voorbeelden.

Democratie versterken VOOR DE VERKIEZINGEN IN MEI ZETTE DE WAKKERE BURGER, EEN VZW DIE WERKT ROND BURGERPARTICIPATIE EN INSPRAAK, SAMEN MET RYCKEVELDE, ACTIEF ROND EUROPEES BURGERSCHAP, EEN CAMPAGNE OP DIE BURGERS VROEG OM EEN DOORDACHTE STEM UIT TE BRENGEN. WIM VAN ROY VAN DE WAKKERE BURGER OVER BENNY MEE. Benny Mee was eerst en vooral een oproep aan de “burger om een doordachte stem uit te brengen op 25 mei en zich dus goed te informeren over de standpunten van de partijen. Daarnaast vroegen we aan de politici om samen met de burger de democratie te versterken door duidelijke en correcte informatie te geven over hun programma’s. Burgers en politici konden de oproep digitaal ondertekenen. We hadden links naar alle mogelijke informatie en stemtests. Op de openbare omroep liep ons campagnefilmpje in primetime. Naast de 2.000 burgers en 200 politici die het pact zijn aangegaan

via de website hebben ruim 50 organisaties hun achterban warm gemaakt voor de oproep. Dit was een aangename verrassing, zo breidde het bereik van onze boodschap sterk uit. We kunnen zulke versterkende vormen van samenwerking alleen maar aanraden. Maar de campagne is niet gestopt met de verkiezingen. Burgers hebben het recht om te weten wat de politici die hun stem hebben gekregen daar nadien mee doen. Er komt dit najaar een digitaal platform dat opvolgt wat ze in het parlement doen, welke initiatieven ze nemen. Burgers kunnen ook vragen stellen aan mandatarissen. De samenwerking met Ryckevelde was een succes, vooral omdat zij rond een verwant thema werken. We moesten inhoudelijk dus niet te veel water bij de wijn doen en vonden relatief gemakkelijk een gemeenschappelijk verhaal. Misschien kan je alleen scherper en gerichter werken. Met zijn tweeën moet je veel meer overleggen. Maar door onze tijd en energie en ons budget te bundelen, hebben we meer kunnen doen dan we ieder apart hadden gekund.

www.bennymee.be

46

I

2014


Gemeenten en verenigingen doen samenwerken GEMEENTEBESTUREN EN LOKALE VERENIGINGEN KUNNEN ZOVEEL VERDER SPRINGEN ALS ZE BETER SAMENWERKEN. MET KOLOS ZETTE VORMINGPLUS KEMPEN EEN TRAJECT OP POTEN DAT DEZE SAMENWERKING BEVORDERT, VERTELT VIVIANE SCHUER VAN VORMINGPLUS KEMPEN. Lokale verenigingen en gemeenten zien “elkaar soms teveel als concurrenten die hun ding willen doen, ten koste van elkaar. Ze weten niet wat ze van elkaar mogen verwachten, er is te weinig communicatie. Vrijwilligers die iets willen organiseren moeten soms te veel verschillende formulieren invullen en te veel diensten aandoen om voor hun evenement in orde te zijn. Dit zijn maar enkele wrevelpunten van lokale verenigingen en gemeentebesturen. Om hieraan te verhelpen, tekende een stuurgroep van professionals die een band hebben met het verenigingsleven, een traject uit voor cultuurschepenen en -ambtenaren en trekkers uit het lokale verenigingsleven. Een reflectiegroep, bestaande uit mensen uit die drie categorieën, kwam vier keer samen om na te denken, niet vanuit grote theorieën, maar vanuit concrete praktijken, over hoe de samenwerking te verbeteren. Ze kwam tot de volgende werkpunten: een goede verstandhouding tussen lokale overheid en verenigingsleven, goede begeleiding door de ambtenaren, een goede samenwerking met en tussen verenigingen en goede financiële en materiële ondersteuning. Daarnaast peilden we naar de ervaringen van zeven gemeenten buiten ons werkingsgebied. Daaruit kwam een bundeling van goede praktijken en 60 tips & tricks, die in heel Vlaanderen kunnen worden gebruikt.

Wij stimuleren gemeenten om hiermee aan de slag te gaan, op eigen houtje of samen met ons. Gemeenten nemen voorbeelden over of borduren er op voort. Een aantal gemeenten krijgt de kans om met Kwadraet het traject van de reflectiegroep lokaal door te maken. Een traject als Kolos is tijdrovend en je moet het van dichtbij opvolgen. Doorloop je dit traject in een gemeente, dan zie je echt dingen veranderen. Dat heeft deze aanpak voor op de klassieke vorming. Dat onthoud ik voor de toekomst.

www.plankolos.be

I

2014 47


Ondernemers in moeilijkheden helpen ONDERNEMERS IN MOEILIJKHEDEN ZOEKEN NIET SNEL HULP. TUSSENSTAP BEGELEIDT HEN MET MAATWERK EN ADVISEERT ANDERE HULPVERLENERS HOE ZE DEZE DOELGROEP HET BEST BENADEREN, VERTELT POL VERMOERE. TUSSENSTAP, OPGERICHT DOOR ZENITO EN DE VORMINGSPOOT VAN UNIZO, WERKT NAUW SAMEN MET EFREM VZW. OOK NEOS VZW IS EEN PARTNER. ondersteunen ondernemers in moeilijkheden. “ZeWijmelden zich aan met één probleem, maar vaak speelt een combinatie van factoren hen parten. Wij geven hun het gevoel dat ze er niet alleen voor staan en dat ze met ondersteuning een oplossing kunnen vinden voor hun problemen. Bij Tussenstap werken we een aanpak op maat uit. We kunnen een medewerker – een vrijwilliger die wij hebben opgeleid – ter plaatse sturen. We kunnen ook telefonisch inlichtingen geven of advies per mail. Indien nodig, verwijzen we door naar aangepaste dienstverlening. Onze meerwaarde ligt in onze kennis van de wereld van de ondernemer. Onze vrijwilligers zijn zelf ondernemers of kennen deze wereld zeer goed. De afstand is meteen veel kleiner. Dat is niet zo evident bij andere diensten, die meestal weinig ervaring hebben met zelfstandigen. Dat onze formule aanslaat, werd bevestigd toen we uit handen van Wouter Beke de Innesto Award ontvingen. Je bereikt meer als je ondernemers begrijpt. Zij hebben liever het gevoel dat de oplossing van hen komt, dan dat iemand die opdringt. Dus bied je hun opties aan, opdat ze hun eigen conclusie kunnen trekken. Sinds 2007 hebben we 8.000 dossiers behandeld. We zien wel een verschuiving. De Vlaamse overheid heeft in haar strijd tegen faillissementen middelen voorzien om ondernemers bij te staan die in de gevarenzone zitten, maar van wie de zaak te redden is. Die komen nu veel minder bij ons. Wij krijgen nu veel vaker ondernemers van wie de zaak verloren is en die hun leven in een heel nieuw spoor moeten krijgen. We moeten daarvoor ook op zoek naar een ander type vrijwilliger om hen bij te staan, want dit is een andere opdracht. De Vlaamse overheid voorziet gelukkig wel in een basisfinanciering voor Efrem en Tussenstap. Samen met middelen van het Europees Sociaal Fonds

48

I

2014

kunnen we onze doelgroep kosteloos helpen en inzetten op voortdurende vernieuwing en verbreding. Zo hebben we OCMW’s aangemoedigd om hun verantwoordelijkheid tegenover ondernemers in moeilijkheden te nemen. Voordien werden ze vaak wandelen gestuurd, ook omdat OCMW’s niet goed weg wisten met deze dossiers. Wij hebben kennis opgebouwd en we delen die nu met anderen. Wij verlenen advies aan OCMW’s en andere hulpverleners, zodat ondernemers op meer plaatsen terecht kunnen.

www.tussenstap.be


Intuïtie aanboren JE KUNT HET ENGAGEMENT VAN MENSEN VERDUURZAMEN DOOR HEN TE LATEN STILSTAAN BIJ WAT EEN THEMA BINNENIN MET HEN DOET, ZEGT PHILIPPE VANDEVORST VAN DE GESPECIALISEERDE VORMINGSINSTELLING TIMOTHEUS. DAT IS DE BEDOELING VAN WORLD CAFÉ, WAARMEE TIMOTHEUS DIT JAAR BEGONNEN IS. Voor de 20ste verjaardag van Timotheus “hebben we gekozen voor World Café, een idee van de Britse kwantum-natuurkundige David Bohm dat we op onze manier toepassen. In de World Cafés organiseren we een gesprek rond een maatschappelijk thema. Maar in plaats van in debat te gaan rond argumenten is het de bedoeling om te luisteren en stil te staan bij wat je raakt in wat de ander zegt. Zo hebben we een World Café gedaan rond onderwijs, met Mieke Van Hecke en

Raymonda Verdyck, of rond gezondheids­ zorg met Inge Vervotte. Eerst vertelden deze centrale gasten over hun eigen ervaringen, twijfels en onmacht. Nadien praatten de deelnemers in kleinere groepen door over wat dit in hen had losgemaakt. Een facilitator waakt er over dat er geen debatten ontstaan, want luisteren zonder anderen te willen overtuigen van het eigen standpunt blijkt niet zo eenvoudig. Het is wel de bedoeling om wat je persoonlijk voelt en ervaart door dit gesprek, te delen. Deze subjectieve ervaring heeft een impact op wat mensen doen. Voor onderwijs bijvoorbeeld gaat een leerkracht dan, vanuit de emoties die het gesprek heeft losgemaakt, op een andere manier voor de klas staan. Het verandert dus de manier van in de wereld te staan. Deelnemers kiezen een buddy uit de aanwezigen, die nadien dit proces samen met hen volgt. Deze methode is niet alles zaligmakend. We zijn ook niet tegen debat. Maar het World Café is een innovatieve toevoeging aan wat al bestaat. Voor ons was het een manier om ons publiek te verruimen en ook mensen uit heel andere sectoren te doen nadenken over de rol die intuïtie of de binnenkant van de mens speelt bij zijn inzet in de samenleving. Met de World Cafés kunnen we sterker aansluiten bij maatschappelijke thema’s en bij de maatschappelijk geëngageerde mensen die met deze thema’s bezig zijn en die zoekende zijn. Door hen in contact te brengen met wat hen raakt rond een thema, wat hen daarin bezielt, zorg je voor een duurzamer engagement, omdat het van binnenuit komt.

www.timotheus.be

I

2014 49


De liefde voor een eerstgeborene WANNEER DIT NAJAAR ZIJN MANDAAT EINDIGT, ZAL PETER WARSON 14 JAAR VOORZITTER VAN DE FOV GEWEEST ZIJN. HIJ STOND AAN DE WIEG VAN ONZE FEDERATIE EN LOODSTE ONS DOORHEEN NU EENS WOELIGE, DAN WEER RUSTIGE BELEIDSWATEREN. TIJDENS DE ONTELBARE INTERNE VERGADERINGEN EN TALLOZE GESPREKSRONDES MET BELEIDSMAKERS ZOCHT HIJ TELKENS ONVERMOEIBAAR NAAR WAT KON EN WAT MOEST. HIJ GEEFT ENKELE GOUDEN STELREGELS VOOR ONZE ROL VAN BELANGEN­ BEHARTIGER EN VOOR DE RELATIES MET ONZE VOORNAAMSTE GESPREKSPARTNERS: PARLEMENT, KABINET, ADMINISTRATIE.

Wat wilde ik bereiken, toen we veertien jaar geleden de FOV boven de doopvont hielden? Een krachtige stem laten klinken voor het sociaal-cultureel werk, voor de duizenden professionele medewerkers en vrijwilligers die elke dag werken aan verandering in de samenleving. Wij zijn er in geslaagd om ons te positioneren als een gedegen gesprekspartner, als een betrouwbare en vastberaden vertegenwoordiger van onze sector. Wij staan nu sterk, maar wij moeten ook sterk staan. We zijn een sector met heel veel kleine organisaties die zich met hart en ziel geven, maar die te weinig mensen en middelen hebben om hun belangen zelf te behartigen en in hun eentje de weg te vinden in het kluwen van steeds veranderende regels. Zij hebben een structuur nodig om dat namens, voor en met hen te doen. Dat zijn wij. Als de overheid ons ook nog eens in alles zou volgen, zou dat het leven een pak aangenamer maken… Maar zo werkt het natuurlijk niet. Ieder heeft zijn eigen belangen. Het gaat er om voldoende gemeenschappelijks te vinden om onze zaak met succes te verdedigen. Wij zoeken daarbij bondgenoten in het Vlaams Parlement, bij de commissie Cultuur. Ik heb, in mijn jaren als FOV-voorzitter, alleen maar parlementsleden met goede intenties gezien, van welke partij ook. Misschien is de commissie Cultuur niet altijd hun eerste keuze, maar zodra ze er zitten, leven ze zich helemaal uit. Ze waren voor mij erg bereikbaar en benaderbaar, al heb ik soms de indruk gehad dat ze te weinig creatief mogen of durven of kunnen bezig zijn. Maar misschien is dat wel een ziekte waar heel het Vlaams Parlement aan lijdt. We zijn er overigens in al die jaren met de FOV in geslaagd om onze sector buiten de partijpolitieke spelletjes te houden. Het sociaal-cultureel werk herleiden tot

50

I

2014

een partijpolitieke kwestie kan nooit goed zijn voor ons, op de lange termijn. Levert de parlementaire weg ons veel op? Het beeld is op zijn zachtst gezegd gemengd. Ik heb vaak het gevoel gehad dat deze gedreven parlementsleden eenzaam zijn in hun partij. Er is weinig interesse voor Cultuur. Het relatieve aandeel ervan in de Vlaamse begroting spreekt boekdelen. Het sturend vermogen van zo een commissie is relatief klein. Als je iets gedaan wilt krijgen, dan moet je vooral bij de kabinetten zijn, zo heb ik altijd ondervonden. Het vergt tijd, dat wel, na elke verkiezing weer. Tijd om het vertrouwen van een kabinet te winnen en goede relaties op te bouwen. De kabinets­ medewerkers zelf moeten de sector leren kennen als ze er niet uit komen. Maar zodra je dat vertrouwen hebt, zijn ze boeiende gesprekspartners, al lukt dat bij het ene kabinet al beter dan bij het andere. Zijn er goede of slechte kabinetten? Nee, er zijn verschillende kabinetten, met andere opdrachten, andere regeerakkoorden. Een degelijke kabinetsmedewerker kan de minister overtuigen van het feit dat wij zoveel meer doen dan lobbywerk of enge belangenbehartiging. Dat wij zinnige dingen te vertellen hebben en het algemeen belang – het is een vies woord geworden, maar ik gebruik het toch – voor ogen houden. Dat we tot compromissen bereid zijn ook. Dus, kabinetten: leer dat zien en leer daar mee werken. En dan wordt een aantal dingen mogelijk, voor jullie minister en voor ons. Hetzelfde geldt voor de administratie, die altijd getuigde van een sterk geloof in wat het sociaal-cultureel werk betekent en kan betekenen. In de loop der jaren heb ik een nieuwe garde ambtenaren zien aantreden. Zij hebben minder natuurlijke affiniteit


met onze sector en zoeken hun rol nog. Ze hinken nog vaak op twee benen: ze verdedigen enerzijds een terugwijkende overheid, anderzijds een overheid die zich wil bemoeien met de kern van het werk van onze organisaties. Dat spanningsveld lijkt verlammend te werken. Het was soms onduidelijk wat de administratie wilde bereiken, en dan wordt onderhandelen een hele opgave. Ik heb één boodschap voor hen: maak, vanuit die sterke overtuiging, een keuze en communiceer hier duidelijk over met ons. Wij zullen dan zien hoe dit kan leiden tot samen overleggen en samen doen. Misschien worden de kabinetten minder belangrijk in de toekomst voor beleidsvoorbereidend werk en zullen ze de stok doorgeven aan de administratie. Maar zij zijn tot nader order, als we geluk hebben, een motor van creatief beleidsdenken. Zij blijven vooralsnog aan het stuur zitten in dit verhaal. Zij zijn degene tegenover wie wij ons als sector kunnen positioneren of met wie wij kunnen beslissen mee te stappen. Dat spanningsveld tussen de sector en de overheid moet blijven bestaan. De FOV krijgt, ook vanuit de kabinetten, wel eens de kritiek te behoudsgezind te zijn geweest op bepaalde momenten. Verwijt ik dat onszelf? Ach, elke verandering roept weerstanden op, zeker als het gaat om funda­mentele veranderingen. Maar wij hebben wel telkens de nodige creativiteit en flexibiliteit aan de dag gelegd om daar mee om te gaan en dat pleit voor onze organisatie.

et gaat er om met de “ Hoverheid voldoende

gemeenschappelijks te vinden om onze zaak met succes te verdedigen.

Misschien zij we nog te weinig proactief in ons denken. Als je, zoals in de voorbije regeerperiode, geconfronteerd wordt met het besparingsmes, kan je wel niet anders dan in de behartiging van de belangen reactief zijn. Op zo een moment komt het denken over de toekomst onvermijdelijk wat in het gedrang. Maar misschien hadden we het op andere momenten sterker moeten doen. Misschien zijn we er ook te weinig in geslaagd om de cohesie tussen onze verschillende werksoorten te versterken. Ze blijven te veel in aparte hokjes zitten. En ook op het wetenschappelijk onderzoek voor onze sector hebben we nog te weinig kunnen

wegen. Maar niemand twijfelt, ook in deze tijden, aan het nut van het sociaal-cultureel werk en ook dat is mee de verdienste van de FOV. De rol van het sociaal-cultureel werk wordt door ongeveer alle partijen bezongen. Ze loven onze impact op de sociale cohesie, onze bijdrage tot de vorming van vele duizenden Vlamingen, ze zien ons zelfs als een remedie tegen depressie. Die lofzang is leuk, maar wat kopen we er voor? De nieuwe regering krijgt er met de zesde staatshervorming een pak bevoegdheden bij. Ik heb maar één boodschap voor onze beleidsmakers: verraad jullie eerstgeboren kind niet. Ik hoop dat er met al die nieuwe bevoegdheden voldoende beleidsaandacht blijft voor Cultuur, al houd ik mijn hart vast. Want het relatieve begrotingsaandeel van onze sector kan alleen nog maar zakken. Wat hebben wij nodig? Een homogeen bevoegdheidspakket waarmee één minister het brede culturele verhaal kan aansturen en de beleidsmaatregelen cohesie kan geven. Jeugd, sport, media, cultuur, toerisme, vorming: één adres. Een minister ook die goesting heeft om ons onder de vleugels te nemen en meteen deze portefeuille opeist, in plaats van hem als een weeskindje helemaal op het laatst toegeschoven te krijgen. Een minister die bewaakt dat Cultuur, bij al dat geweld van de zesde staatshervorming, niet versnipperd geraakt en nog voldoende middelen krijgt. Een mens mag dromen, nietwaar?

I

2014 51


SMAAKT 6-STAPPENPLAN NAAR ONS OM EXPERT TE WORDEN IN MEER? SOCIAAL-CULTUREEL BELEID Pak onze inspiratiebundel ‘Veerkracht’ eens vast In de aanloop naar de Europese, federale en regio­ nale verkiezingen van 2014 schreef de FOV een krachtige bundel met concrete voorstellen voor een sterk sociaal-cultureel beleid. ‘Veerkracht’ bevat tal van hapklare en vaak verrassende ideeën, gebracht in 19 fiches.

1

DOWNLOAD OF BESTEL DE BUNDEL OP WWW.WASCABI.BE

Werp een blik op de toekomst

Abonneer je op onze nieuwsbrief Digizine

Een nieuwe regering, een nieuw regeerakkoord. De FOV stippelde in haar sectormemorandum een mooi parcours uit voor de minister, boordevol tips om snel uit de startblokken te schieten, slimme tussensprints te trekken en mooi te finishen in 2019. BESTEL VIA WWW.FOV.BE

Digizine focust op nieuws over politiek en beleid met relevantie voor het sociaal-cultureel werk. De stijl is kritisch en alert, maar toegankelijk. Naast het beleidsnieuws is er ook aandacht voor events, onderzoek, nuttige publicaties en straf sectornieuws. Liever korter op de bal? Volg ons op Twitter via @FOVtweets ABONNEER JE VIA WWW.FOV.BE

2 52

I

3 2014


4

Bestel het zakboekje sociaal-cultureel volwassenenwerk Om het kapitaal belang van de sector extra in de verf te zetten, besloten Socius en de FOV tot de gezamen­ lijke uitgave van het ’Zakboekje sociaal-cultureel volwassenenwerk’. In het zakboekje staan de contactgegevens van alle erkende organisaties uit de sector samen met een korte beschrijving van hun werking. Het zakboekje is daarom meer dan alleen een handige naslaggids, het biedt ook een mooie staalkaart van sociaal-cultureel Vlaanderen. BESTEL VIA WWW.SOCIUS.BE

Surf naar Socius.be, LaatMensenSchitteren.be en PrettigGeleerd.be Benieuwd waar de sector zelf en zijn steunpunt Socius mee bezig zijn? Ontdek de straffe verhalen, het vormingsaanbod en de activiteitenkalender op de verschillende websites van Socius. Laatmensenschitteren.be is hét portaal voor iedereen die onze sector in een oogopslag wil leren kennen. SURF NAAR WWW.SOCIUS.BE

5 Laat de cijfers spreken Boekstaven brengt jaar na jaar het sociaal-cultureel volwassenenwerk in beeld met cijfers, praktijken en analyses. Het boek is de toonaangevende bron voor harde gegevens over sociaal-cultureel volwassenenwerk in Vlaanderen. In de grafische editie van 2013 vertellen we ons verhaal met levendige tekeningen en infografieken. DOORBLADER OF BESTEL VIA WWW.BOEKSTAVEN.BE

6 I

2014 53


federatie sociaal-cultureel werk FOV | federatie sociaal-cultureel werk, is de federatie van alle 130 door de Vlaamse overheid erkende organisaties voor sociaal-cultureel volwassenenwerk. Wij groeperen verenigingen als KVLV, de Turkse Unie, Oxfam-Wereldwinkels, curieus, Davidsfonds, çavaria; bewegingen als Vredesactie, EVA, Welzijnszorg, Mobiel 21; vormingsinstellingen als Kwadraet, Natuurpunt Educatie, CCV, PRH; en de 13 regionale Vormingplus-centra. Meer info op www.fov.be. Twitter: @FOVtweets en #sociaalcultureel

Verantwoordelijke uitgever: Dirk Verbist, directeur FOV Overname van tekstmateriaal is toegelaten voor niet-commerciĂŤle doeleinden en mits bronvermelding.

Wascabi 2014  

Wascabi is een pittig jaarmagazine over beleid en tendensen in het sociaal-cultureel werk in Vlaanderen.

Wascabi 2014  

Wascabi is een pittig jaarmagazine over beleid en tendensen in het sociaal-cultureel werk in Vlaanderen.

Advertisement