Wascabi 2018

Page 1

Jaarmagazine over beleid en tendensen in het sociaal-cultureel werk

Kaat Peeters:

“Sociaal ondernemen? Lef tonen, en een goed hart!” En verder: Sven Gatz, Maggie De Block, Katia Segers, Bart Caron, Orry Van de Wauwer, Marius Meremans, Sammy Mahdi, Tarik Fraihi, Lorin Parys, …


COLOFON EEN UITGAVE VAN:

De Federatie sociaal-cultureel werk Gallaitstraat 86 bus 12 1030 Brussel tel. 02 244 93 39 info@defederatie.org www.defederatie.org Brussel, augustus 2018 VERANTWOORDELIJKE UITGEVER:

Dirk Verbist, directeur De Federatie TEKSTBEWERKING EN REDACTIE:

Isa Van Dorsselaer FOTOGRAFIE:

Alle foto’s door Sophie Nuytten (www.sophienuytten.allyou.net), behalve: pg. 45, 46 en 49 door Lien Nullens (www.liennullens.com) EINDREDACTIE:

Joris Smeets VORMGEVING:

Media Luna - Marc Provoost DRUK:

Drukkerij Bulckens, Herenthout

MET DANK AAN: Sven Gatz, Marius Meremans, Katia Segers, Orry Van de Wauwer, Bart Caron, Jean-Jacques De Gucht, Mieke Van den Brande, Wim Van Roy, Maggie De Block, Sammy Mahdi, Tarik Fraihi, Kaat Peeters, Herman Lauwers, Sophie Verjans, Dirk Lens, Dominique Verté, Martin De Loose en Lorin Parys. Een bijzonder woord van dank aan Marc Provoost en Isa Van Dorsselaer voor hun constructieve inbreng.

Overname van tekstmateriaal is toegelaten voor niet-commerciële doeleinden en mits bronvermelding.


Dorst

Z

weet. Ja, ook wel eens een druppel bloed en soms een traan. Sociaalculturele organisaties kregen en krijgen deze maanden een visitatiecommissie op bezoek. Urenlang spreken ze met elkaar over wat is, wat goed is, wat beter mag. Het verslag, een maandje later, wil de toon zetten voor de beoordeling van de ambities van onze organisaties voor de periode 2021-2025. De externe deskundigen en de administratie houden een spiegel voor. Nu en dan heel bepalend, een enkele keer zelfs bedilzuchtig, maar meestal afgewogen, waarderend, stimulerend. Ze bereiden zich doorgaans stevig voor, de visitatoren en de organisaties. Met een scheut stress en ongetwijfeld aan beide kanten geregeld een zucht – niet altijd van verlichting. Het is niet eenvoudig: organisaties die zelfkritisch deelnemen aan de dialoog en visitatoren die inspanningen moeten doen om zich uit het eigen gelijk te hijsen. Geen enkel evaluatiesysteem is feilloos. Maar het blijven hoe dan ook straffe momenten, de uren waarin diep in het wezen van een organisatie kan worden gedoken, maar waar vooral de goesting, de overwinningen en zoektochten kunnen bovendrijven. De Federatie mag er op de eerste rij getuige van zijn. Amai, driewerf amai. Een tsunami aan engagement overspoelt ons. Geleidelijk aan hertekent het veld zich, gestuwd door waar mensen dagelijks mee bezig zijn, door beelden over een straffe toekomst, door frustraties over een onvolkomen vandaag. Zij springen behendig over de soms artificiële beleidsmuurtjes tussen sectoren, generaties en landsgrenzen heen. Het is typisch voor onze sector dat beleidskaders dan ook dikwijls op achtervolgen zijn aangewezen. Hopelijk slaagt het nieuwe decreet erin om lucht en ruimte te geven aan deze wirwar aan trajecten waarmee een sociaal-culturele toekomst wordt

geschreven in Vlaanderen en Brussel. Ja, er zullen in 2021 noemenswaardige budgetten tegenaan moeten worden gegooid om de openheid die het decreet pretendeert ook in realiteit om te zetten. Niet enkel het veld hertekent zich, ook het cultuurbeleid flirt met het openbreken van kaders en grenzen. “Transversaal” is het buzz-woord. Gefundenes Fressen voor de maatschappelijk ondernemende sociaal-culturele werkingen. Maar het zal nog een resem vingeroefeningen vragen om het vizier van het cultuurbeleid ook complexloos te verruimen naar de grenzeloze netwerken die eigen zijn aan sociaal-cultureel werk. Vanuit de overtuiging dat dit breedbeeld veel meer legitimiteit zal geven aan waar cultuur voor staat. Als onze organisaties verandering maken door verbinding, wil De Federatie niet achterblijven. Het investeren in netwerken zit in ons DNA, we kicken op de magistrale hefboom die dikwijls uit krachtenbundeling groeit. Daarom investeerden we in Scwitch, daarom beloven we onszelf om de volgende jaren inspirerende banden te smeden met sociale ondernemers, met bovenlokale cultuurwerkingen,… En daarom zijn we vandaag vooral heel blij dat de krachtige en veelzijdige amateurkunstensector ervoor koos zich bij ons aan te sluiten. We gaan ook voor hen onze verrekte best doen, en smullen nu al van de nieuwe lijnen die hieruit zullen groeien. We rusten niet tot iedere mens die het voor het zeggen heeft onherroepelijk is doordrongen van wat miljoenen Vlamingen elke dag ondervinden en mee maken: dat sociaal-culturele en amateurkunstenorganisaties de gist zijn voor de verandering, de verbeelding, het engagement en de goesting waar het lapje grond waarop wij wonen zo’n dorst naar heeft. Dirk Verbist, directeur De Federatie

I

WASCA BI 2018 1


13 DE COMMISSIE CULTUUR 4 MINISTER GATZ

Het laatste jaar van de legislatuur

MAAKT DE BALANS OP Na al die jaren nog steeds een klein punkerke

AAN TAFEL Participeren moet je leren

I

2 WASCABI 2018

20

26

DE LIJM VAN DE SAMENLEVING Minister De Block over vrijwilligersen verenigingswerk. En het verschil tussen beide


Inhoud

TEGEN DE STROOM IN

32

Sammy Mahdi en Tarik Fraihi over politiek en middenveld

38 GOEDE ZAKEN DOEN Kaat Peeters schreef een boek over de kracht van sociaal ondernemen

DE FEDERATIE KIJKT IN DE SPIEGEL

45

Niet geïsoleerd in het midden, maar verbonden met alles

HOEZO OUD?

52

Engagement komt met de jaren

I

WASCA BI 2018 3


“Ik maak mij zorgen over de sluipende intimidatie�


De punker in Sven Gatz roert zich Sven Gatz keek vreemd op toen we in juli 2014 op zijn nog lege kabinet binnenvielen met een kartonnen raket die hem vanaf de eerste dag in de richting van de sociaalculturele planeet moest zetten. Het werd voor de minister van Cultuur zoeken naar een ritme in het werken met een sector die hem met ijzeren glimlach bleef bestoken. Omgekeerd moesten wij vaststellen dat deze liberaal oren had naar wat wezenlijk is voor de sector, zeker in deze tijden: de vrijplaats van het sociaal-cultureel werk.

I

n deze laatste Wascabi voor de Vlaamse verkiezingen wuiven we Sven Gatz uit als minister van Cultuur. We doen dat met een ronde langs de sociaal-culturele hoogtepunten tussen 2014 en 2019. Hoe kijkt hij daarop terug? Waarom vond hij bepaalde kwesties toen belangrijk? Zou hij, met de kennis en de inzichten die hij nu heeft, bepaalde dingen anders aanpakken? Is hij trots op de eerste resultaten van het beleid dat hij de voorbije vier jaar heeft gevoerd als Vlaams minister van Cultuur?

en dat we bakens wilden verzetten, al wisten we op dat moment nog niet welke klemtonen we in de hervorming van het decreet Sociaal-cultureel Volwassenenwerk zouden leggen.” U werden wel wat wittebroodsweken gegund. De besparingen zorgden voor spanningen, maar u kreeg krediet en ruimte. Tegelijkertijd moest u al snel fundamentele beslissingen nemen. Ik was de eerste minister van deze ploeg die tijdens het begrotingsdebat in de plenaire zitting de percentages voor de besparingen in mijn subsectoren noemde. En ook dan kon ik nog op krediet rekenen, omdat ik tenminste openlijk had gezegd waar het op stond. Ik denk dat die wittebroodsweken tot eind 2014 hebben geduurd. Toen begon alles te bewegen, en vanaf 2015 voelde de sector de besparingen echt.”

2014

U wordt minister en krijgt bij het begin van de zomer meteen een cadeautje van toen nog de FOV: ons memorandum, in de vorm van een kartonnen raket. Die zomer sloot u nog eens af in ons gezelschap, met uw maiden speech op het Wascabi-evenement op 28 augustus. ’Wie zijn die mensen!?’ Dat vroeg ik me af toen jullie hier binnenstormden met die raket (lacht). Die eerste maanden, dat was een opwindende maar ook een ongemakkelijke periode. Opwindend, omdat ik vijf jaar had om dingen te doen. Maar het financieel gesternte waaronder we van start gingen was niet ideaal. Voor onze nieuwe, enthousiaste ploeg was het niet leuk om meteen te moeten snijden. Ik heb wel geprobeerd, van bij het begin, om uit te stralen dat we er samen het beste van gingen maken

Nog in 2014 verloren de provincies de bevoegdheid voor Cultuur en de ondersteuning van lokaal cultuurbeleid. Veel van de middelen vloeien nu direct naar de gemeenten. U pleitte toen voor vertrouwen in de lokale besturen. Globaal kijk ik daar nog steeds op dezelfde manier naar. We zijn nu drie jaar verder – het heeft nog een jaar geduurd voor die overdracht volledig in voege was. Er is op dit moment nog niet veel veranderd, durf ik voorzichtig te stellen.

I

WASCA BI 2018 5


Veel colleges voeren ondanks de extra middelen de bestaande beleidsplannen uit. Het echte keerpunt zal komen met de nieuwe colleges. Maar ik ga ervan uit dat de veranderingen ook in de volgende beleidsperiode nog relatief beperkt zullen zijn. Het duurt een tijdje vooraleer de impact van al deze beslissingen voelbaar is. Pas dan zullen we kunnen bijsturen of zien waar meer middelen nodig zijn. Vandaar dat ik samen met minister Muyters volop inzet op de lokale vrijetijdsmonitor. Wat ook positieve gevolgen zal hebben is het decreet Bovenlokale Cultuurwerking, dat nieuwe kansen voor aansturing biedt, met een rol voor Intergemeentelijke Samenwerkingsprojecten (IGS) maar ook voor bovenlokale actoren uit het sociaal-cultureel volwassenenwerk.”

“Als gemeentebesturen niet door hebben dat deze monitoring een onmisbaar instrument is om hun eigen beleid goed te ondersteunen, begrijp ik dat niet”

De Federatie lanceerde toen haar New Deal voor een nieuwe relatie tussen lokale overheden en sociaal-cultureel werk: Vlaanderen dat probeert op een andere manier aan te sturen. U sprak zelf over het belang van monitoring om te kunnen ingrijpen als het misloopt. Maar slechts de helft van de gemeenten participeert. Geeft die monitoring wel een scherp beeld van de toestand? De periode voor gemeenten om in te tekenen loopt nog volop. Meer dan 200 gemeenten vullen de monitor nu al in. De eerste resultaten worden na de gemeenteraadsverkiezingen bekendgemaakt, ideaal qua timing voor de nieuwe gemeentebesturen om hun beleidsplannen op te maken voor de komende legislatuur. Ik hoop daar samen met de gemeenten toch een aantal dingen uit te halen. Hoe verhoudt de ene centrumgemeente zich tot de andere voor vrije

I

6 WASCABI 2018

tijd, wie investeert het meest? De monitor zal vooral ook een ‘peer review’ zijn voor steden en gemeenten. Ze zullen onderling kunnen vergelijken. Als gemeentebesturen niet door hebben dat deze monitoring een onmisbaar instrument is om hun eigen beleid goed te ondersteunen, begrijp ik dat niet. Het debat is in elk geval nog niet ten einde. Het evenwicht tussen lokaal en bovenlokaal zal zich op een heel nieuwe manier zetten.” In die discussie werd geregeld verwezen naar de beperkte draagkracht van de vele relatief kleine Vlaamse gemeenten. Het symbolisch recht op cultuur dreigt heel ongelijk verdeeld te zijn. Dat klopt wel, maar dat was ook zo met de vorige regeling. In het nieuwe decreet Bovenlokale Cultuurwerking zitten interessante elementen: er is een IGS-stimulans om over de gemeenten heen aan te sturen, maar er is ook de kracht van onderuit, van de lokale partners. Dit wordt een interessante testcase voor verdere fusies. Wie Marx gelooft, meent dat economische assen zullen bepalen welke gemeente met welke samengaat. Maar hier kunnen cultuurgelijkenissen en cultuurverschillen een grotere rol spelen dan economische banden. Mijn aanvoelen is dat dit decreet, wanneer het in 2020 van kracht wordt, vrij snel verder uitgebouwd moet worden. In welke zin – meer IGS of meer van onderuit – zal duidelijk worden aan de hand van best practices. Ik verkies in elk geval een goede samenwerking met partners van onderuit boven een slechte IGS, maar ook een ambitieuze IGS boven een matige samenwerking tussen partners van onderuit.”


focusgesprekken waarvan de verslagen niet beschikbaar waren. Organisaties voelden zich buitengesloten. Ik kan me voorstellen dat jullie het gevoel hadden dat alles plots heel snel gegaan is. Maar – hand op het hart – er is geen enkele sector waar we zo lang mee gepraat hebben om zijn decreet bij te schaven. Het heeft gewoon even tijd gekost om in die financieel moeilijke tijden een procedure te vinden die zou werken om die gesprekken met jullie te kunnen voeren. Dat is geen verwijt, maar jullie hebben een andere overlegstructuur met de overheid dan de meeste sectoren. Hun overleg duurt meestal iets korter (lacht). Als ik jullie na een ‘gemengd constructieve bespreking’ langs de voordeur had buitengewerkt, kwamen jullie langs de achterdeur weer naar binnen. Andere sectoren doen dat niet!”

2015 Alleen de Vormingplussen en de bewegingen blijven gespaard van het budgettaire mes. Voor het eerst kregen de bewegingen ook effectief het minimum. Maar de etnisch-culturele verenigingen (en de andere verenigingen en instellingen) leken de prijs te betalen met de “solidariteitsbijdrage”. Onze positie over de bewegingen – lees: de kleintjes – begon zich toen te kristalliseren. Welk perspectief wilden we bieden in moeilijke omstandigheden? Dit was een eerste domino­ steentje van wat we nadien structureler in het decreet hebben uitgebouwd. Wat de etnisch-culturele verenigingen betreft, die bijdrage was het gevolg van wat voor mij was afgesproken. We hebben dat willen en kunnen rechtzetten met een inhaalbeweging voor de etnisch-culturele verenigingen en de projectsubsidies.”

Nog in 2015: de sector werd laat betrokken bij het nieuwe decreet Sociaal-cultureel Volwassenenwerk. U begon dan met

Klinkt daar appreciatie? Jullie zijn zeer taai. Je moet je aanpassen aan dat ritme en toch proberen tot een werkbaar perspectief te komen.”

Die hele periode, tot aan het voorontwerp in september 2016 toen we rond de tafel gingen zitten, voelden velen in de sector aan als tijdverlies. U had ongetwijfeld tijd nodig om tot een afgewogen concept te komen. Maar de sector had intern al inzichten samengebracht en gevoelige punten aangestipt. Een aantal van die principiële discussiepunten hebben we nooit met u kunnen doorpraten. Het leek een erg klassieke kijk op de rol van een belangenbehartiger, die er pas wordt bijgehaald als de teksten klaar zijn. Wij hadden soms ook de indruk dat jullie op vorige kabinetten iets gemakkelijker de pen mee konden vasthouden. Nochtans hebben we jullie nooit iets te nemen of te laten gegeven, dat konden we niet en dat wilden we niet. Maar point taken. Met de keuze om te werken met focusgroepen wilde ik ook experten uit andere

I

WASCA BI 2018 7


domeinen, specifieke thema’s en nieuwsoortige praktijken mee in het bad krijgen. Samen met jullie input en de bijdrage van het steunpunt en mijn departement mag ik wel zeggen dat het resultaat er mag zijn. Het decreet biedt voor de sector toekomstperspectief, er zijn spelregels gecreëerd die mogelijkheden scheppen en tegelijk ook grenzen trekken van wat kan en mag. Gevestigde en nieuwe organisaties, in verschillende vormen en gedaanten, bepalen morgen de sociaal-culturele praktijk.”

2016 Een goed idee hangt altijd in de lucht. Ongeveer op het moment dat u kwam met het witboek over de aanvullende financiering, werd Scwitch opgericht, dat organisaties wil helpen om goedkoper en efficiënter te werken. Ondertussen is ook het Cultuurloket er. Het concept van de aanvullende fi ­ nanciering was in hoofdzaak op de kunstensector gemodelleerd. Niet, of toch veel minder, op het sociaal-cultureel volwassenenwerk. Niet omdat ik jullie dat misgun. Maar het lokale verenigingsleven heeft de aanvullende financiering al decennia geleden uitgevonden met lidgelden en eetfestijnen. Daar is al een dynamiek van onderuit. Ik was dus blij om Scwitch te zien, ik waardeer dat jullie zelf het weefsel versterken. Maar het heeft inderdaad wel lang geduurd vooraleer het Kunstenloket is omgevormd tot Cultuurloket.”

In het witboek is ook sprake van het wegwerken van drempels voor organisaties, een beetje vergelijkbaar met het actieplan Gecoördineerd Vrijwilligersbeleid. Voor beide moet de link met het federale niveau gelegd worden. Hoe ervaart u die gesprekken? Traag vooral. Ik geloof wel dat we met de coördinatie van het vrijwilligersbeleid ergens geraakt zijn. In de eerste plaats omdat we een aantal keuzes gemaakt hebben waar we ons eerst op geconcentreerd hebben. We hebben

I

8 WASCABI 2018

eerst een aantal drempels weggewerkt om de rest van het kluwen overzichtelijker te maken. Het is sisyfusarbeid, want voor elke drempel die je wegwerkt, moet je ergens anders herbeginnen. Maar ondanks die traagheid ben ik tevreden over deze bundeling van krachten. We moeten zo verder doen.” Toch verandert er niets fundamenteels. Er is nu weer een pittig debat over de reiswetgeving waar het verenigingsleven mee geconfronteerd wordt, met nieuwe planlast tot gevolg. Opnieuw een voorbeeld van hoe met de beste bedoelingen – een Europese verordening om consumenten te beschermen – kleine organisaties getroffen worden. Bij het begin van deze regeerperiode zei u nog dat u daar een fundamentelere doorbraak wilde forceren. Daar zijn we nog niet verder in geraakt. Ik zoek zelf nog naar de sleutel op Europees niveau. Eerlijk? Het is me niet duidelijk welke argumenten je op welk moment bij welke organen moet ontwikkelen in dat Europese labyrint. Maar dat thema is niet weg.”

Heeft het gecoördineerd vrijwilligersbeleid een breder draagvlak gecreëerd in de regering om daar assertiever in te zijn? Principieel wel. Ik ken weinig partijen die niet beseffen wat deze vorm van verenigen betekent voor onze samenleving. Wij komen ook uit dit verenigingsleven, wij voelen dat aan. Maar wat betekent dat middenveld in andere landen? We hebben vlot een Europese taal gevonden rond handel en economie. Maar voor de positie van mensen en groepen vrijwilligers en de vraag of het beleid die kan ondersteunen, vinden we niet zo gemakkelijk een gemeenschappelijke taal voor dat gesprek over de lidstaten heen.”

Maar het blijft voor u een belangrijke werf? Zeker, maar een werf die een individuele beleidsmaker overstijgt. Iedereen voelt goed aan dat het plaatje van


“Als ik jullie langs de voordeur had buitengewerkt, kwamen jullie langs de achter­deur weer naar binnen. Andere sectoren doen dat niet!”

“ Het decreet biedt voor de sector toekomstperspectief, er zijn spelregels gecreëerd die mogelijkheden scheppen en tegelijk ook grenzen trekken van wat kan en mag”

I

WASCA BI 2018 9


overheid-burger-bedrijven niet volledig is, dat een vierde poot nodig is. We zullen een sleutel moeten vinden.”

2016 September. De conceptnota over het nieuwe decreet wordt voorgesteld aan de sector. Die kon zich vinden in heel wat basisuitgangspunten, en zeker in de klemtoon op het civiel perspectief. Maar het verdict over de uitvoering was hard: onwerkbaar, ongewenst, onrealistisch. Enter: De Federatie. Ik vond die gesprekken met jullie interessant, al kon ik ze niet altijd bijwonen. Soms om praktische redenen, soms uit tactische overwegingen. Het is soms beter om afwezig te blijven en toe te slaan op kantelmomenten. We hebben elkaar over het algemeen wel gevonden in het herwerken van de tekst. Dat weerspiegelt mijn pragmatische karakter en dat van mijn kabinet. We hadden een aantal basisprincipes, maar er was daarnaast wel ruimte om bij te sturen. Wel moeilijk was dat wij dachten goed te doen door jullie leden vanuit kwalitatieve doelstellingen te laten werken. Terwijl jullie net aangaven dat jullie leden meer vaste grond onder de voeten wilden. Dat hebben we er nadien moeten insteken. Ik begrijp jullie redenering wel: een decreet gaat langer dan één regeerperiode mee, een andere minister heeft misschien andere beweegredenen. Maar voor mij valt de vrijheid van verenigen en zich van onderuit ontwikkelen samen met mijn liberaal uitgangspunt: dat mensen en verenigingen de vrijheid moeten hebben om te kunnen zijn wie ze willen zijn. Dat zit in het decreet

I

10 WASCABI 2018

verankerd. En dat kan in de toekomst nog van pas komen…” Het decreet Sociaal-cultureel Volwassenenwerk is inderdaad bijna het enige decreet waar organisaties nog het recht hebben om kritisch te zijn en niet ingeschakeld te worden in het beleid. Dat is uniek en wezenlijk voor onze sector. En dat is bewaard gebleven in deze samenleving waar de vrijheid van vereniging en de vrijheid van meningsuiting meer en meer ter discussie staan. Je merkt dat dit decreet daardoor een grote aantrekkingskracht uitoefent op belendende sectoren. Fantastisch, want dat toont dat dit civiel perspectief nodig is. Maar zijn de centen er? Het is gemakkelijk voor mij om beloftes te doen voor een volgende legislatuur. Maar ik heb altijd gezegd dat dit nieuwe beleidskader met nieuwe middelen moet gepaard gaan. Nog los van jullie bedenking, moet dat op de tafel van de volgende minister van Cultuur liggen. Dat is de consequentie van onze keuze. Als wij vanuit het kabinet de nieuwe instromers redelijke perspectieven willen bieden, moeten er – alleen al daarvoor – nieuwe middelen zijn.”

Staat of valt de uitvoering van dit decreet met bijkomende budgetten? Ik denk het wel. Anders hebben we gewoon een verevening: de groten iets minder groot en de kleine wat groter. Jullie hebben daarvoor intern de oefening gemaakt en dat waardeer ik echt. Dat doen ze niet altijd in andere sectoren, daar kijken ze meteen naar de minister. Maar ik wil vermijden dat we gewoon een verevening


krijgen. Het decreet moet ambitieuzer zijn. Ik wil niet dat het snel vervangen moet worden. Dat is een taak voor de volgende minister van Cultuur.” Misschien bent u dat wel weer? “Dan weet ik waar we voor staan. J’assume!”

2017 In het Vlaams Parlement was er door enkele incidenten waarbij organisaties als KifKif, Citizenne en V.O.E.M. onder vuur werden genomen omwille van hun kritische standpunten of omdat ze in de ogen van sommigen buiten de lijntjes kleurden, een debat over de vrijplaats van het sociaal-cultureel werk. Met een interventie van u die een klassieker is geworden in opleidingen Sociaal-cultureel Werk. U hebt toen duidelijk de subsidie losgekoppeld van het idee dat iemand verkondigt. Hoe ervaart u dat nu? In het parlement zie ik steeds weer hetzelfde gebeuren: er komt vanuit een bepaalde hoek opgeschroefde kritiek, er volgt een onderzoek door de administratie met een feitelijk antwoord dat aan het parlement wordt bezorgd en dan binden ze in. Tot daar. Waar ik me meer zorgen over maak, is over de toenemende intimidatie die in de samenleving geslopen is. Wie het schoentje past, trekke het aan. Ik vind dat betreurenswaardig. In een democratie moet je kunnen leven met iemand die er een fundamenteel andere mening dan jijzelf op nahoudt. Je kan niet zomaar mensen of organisaties de mond snoeren door ze schrik aan te jagen en te dreigen met sancties. Het is vreemd om te zien hoe degenen die vroeger vonden dat er een te grote pensée unique was, nu – bewust of onbewust – een gelijkaardige pensée unique creëren.”

“Het is gemakkelijk voor mij om beloftes te doen voor een volgende legislatuur. Maar ik heb altijd gezegd dat dit nieuwe beleidskader met nieuwe middelen moet gepaard gaan”

Kijk vier jaar verder. Wat ziet u dan? Bent u nog optimistisch? Nee, want je ziet het eerder toenemen dan afnemen. Met die intimidatie creëer je bij een groot deel van de bevolking ook een soort consensus: in de pas lopen, niet buiten de lijntjes kleuren. Terwijl al wat een samenleving doet veranderen, buiten de lijntjes ligt. Zie je wel, ik ben nu, als minister, establishment tegen wil en dank, maar er zit nog een klein punkerke verborgen in mij en dat spreekt nog af en toe!”

2018 EN 2019 Tot slot, wat staat nog op uw to-dolijstje? De veilige context die we met het decreet gecreëerd hebben, voortzetten met de visitaties. Dat is ook een uitnodiging aan jullie: als jullie voelen dat er ‘schuurpapierelementen’ zijn, laat het ons weten. Ik ben ook benieuwd naar de eerste ronde van de sociaal-culturele projecten binnenkort. Dit is gekoppeld aan de tweede ronde van de innovatieve partnerprojecten. Mij boeit het om te zien wie het met wie doet, welke nieuwe ideeën daaruit voortkomen, ook met voldoende ruimte voor partners uit erfgoed en het sociaal-cultureel werk. We hopen dat nu iedereen er zijn gading in kan vinden. We willen drie rondes organiseren om projecten te krijgen die ons nieuwe paden kunnen aanreiken. Tot slot is er de rol van het sociaal-cultureel werk in het bovenlokale verhaal. Wie in 2020 van start wil gaan, zal in 2019 allianties beginnen te smeden. En voor de rest breekt nu een rare periode aan. Je weet nooit in welk politiek klimaat we terechtkomen vanaf september. Het is moeilijk in te schatten wat we nog kunnen doen in het venster tussen november en februari. Voor we toch weer in de grote publieke debatten terechtkomen over vertrouwen en wantrouwen. En dan zeg ik: waarom zouden we het verenigingsleven wantrouwen als we de gemeente vertrouwen?”

→ Vragen of reacties? dirk@defederatie.org liesbeth@defederatie.org

I

WASCA BI 2018 11


De laatste sprint van de commissie Cultuur De “kneusjes van het Vlaams Parlement” maken zich op voor de sprint tot aan de verkiezingen. Het grote werk is achter de rug, met de upgrade van het Kunstendecreet en de nieuwe decreten Sociaal-cultureel Volwassenenwerk en Bovenlokale Cultuurwerking. Zal de commissie Cultuur ook in de stijgende verkiezingskoorts het spitante inhoudelijke debat tussen meerderheid en oppositie blijven koesteren? Zullen haar leden de parlementaire reflex van hun minister, Sven Gatz, op de proef blijven stellen? De commissie Cultuur 2014-2019 laat zich een laatste keer op de rooster leggen.

Als u één commissievergadering van de afgelopen jaren mocht overdoen, welke zou dat zijn en waarom? Katia Segers (s.pa): “Het radiodossier. Dat verdiende beter. Ik vond het goed dat de minister het wilde oppakken, want het is een taai dossier. Maar het dossier was niet goed voorbereid en de uitvoering van de erkenningsprocedure verliep niet vlot, met onbegrijpelijke erkenningen tot gevolg. Als de minister zijn administratie tijdig tot de orde had geroepen, had hij aan ons een medestander gehad. Want de doelstellingen van dat radiodecreet waren goed: diversiteit garanderen, zorgen dat lokale zenders echt lokaal zijn, netwerkradio’s om de leefbaarheid te garanderen. In de uitwerking is het echter misgelopen.” Bart Caron (Groen): “Voor mij was het de commissievergadering

I

12 WASCABI 2018

waarin Sven Gatz de toewijzing van de subsidies in het Kunstendecreet toelichtte. Ik had de helft van de sector in de zaal gekregen. Voor mij was dat een hoogtepunt, omdat we een debat kregen over de grond van de zaak – waarom geef je subsidies en aan wie – en omdat een deel van de samenleving zich nauw betrokken toonde. Ik kon hun ontgoocheling mee verwoorden. De drive die dag, de tegenstellingen die naar boven kwamen en deels ook de onmacht van een minister in een regering, dat vond ik markant.” De aanwezigheid van al die organisaties heeft het debat verlevendigd. Heeft ze ook effect gehad? Bart Caron: “Het probleem van ons werk – zeker als je in de oppositie zit – is dat je niet altijd kan meten wat het effect is van wat je doet. Naderhand is een aantal organisaties via meerjarige projecten opgevist en heeft de minister bij de projectrondes

veel meer de adviezen gevolgd. Is dat het gevolg van dat debat? Die eer durf ik niet op te strijken. Maar ik heb een pak ervaring waardoor er misschien sneller geluisterd wordt.” Orry Van de Wauwer (CD&V): “Dat is het fijne aan de commissie Cultuur. We kunnen hier over de grenzen van oppositie en meerderheid heen goed samenwerken.” Katia Segers: “Dat heb ik gemerkt tijdens de hervorming van het Kunstendecreet. Ik vond dat een fijn voorbeeld van dat proces van luisteren naar de behoeften van het veld en die samen in de commissie bespreken. De spelletjes van meerderheid tegen oppositie zie je bij ons minder. Ook al omdat Cultuur niemand politiek interesseert…” Bart Caron: “We zijn inderdaad de kneusjes van de politiek. De commissie Cultuur is niet het brandpunt van de politieke agenda. Maar iedereen in de commissie heeft wel een hart voor wat in die sector gebeurt. Het is samen aan de kar trekken ten bate van dat veld.” Katia Segers: “Ik passeerde daarnet de commissie Mobiliteit, met al die cameraploegen. Dat zie je bij Cultuur niet. Natuurlijk is dat belangrijk, mobiliteit. Maar cultuur is dat


I

WASCA BI 2018 13


evenzeer. Je moet het opnemen voor cultuur in alle fora waar je gehoord wordt, tot iedereen luistert. Bij s.pa zijn we al bezig met een werkgroep Cultuur om een mooi hoofdstuk te maken in het verkiezingsprogramma van 2019.” Als er veel mensen opdagen in de publiekstribune van de commissie­ zaal, zoals in die vergadering over de subsidies voor de Kunsten, beïnvloedt die aanwezigheid dan uw discours? Marius Meremans (N-VA): “Je moet toch je eigen stem vertolken. Ik moest achteraf lezen in de media dat ik bijna triomfalistisch was over wie minder had. Dat was niet zo, ik begreep de ontgoocheling goed. Maar we hebben keuzes gemaakt en dan zijn er altijd verliezers. Of er dan meer of minder mensen achteraan

in de zaal zitten, oefent op mij geen invloed uit. Al is het wel leuker als er publiek is.” Katia Segers: “Jullie sector laat zijn stem horen. Als parlementslid weet je dat er tijdens de commissievergadering mensen naar die livestream kijken, want ze sms’en en mailen. Dat jaagt je als parlementslid aan en ondersteunt je. Voor zoverre dat nodig is, want we zijn sowieso betrokken.” Bart Caron: “De mobilisatiekracht van een sector maakt de politiek toch altijd wat ongeruster, wat banger.” Orry Van de Wauwer: “Ja, maar er is ook de mobilisatie die je niet ziet, in het overleg achter de schermen met de sector, in die toetsing aan en de inspraak van de sector.” Marius Meremans: “Het zijn de gesprekken die de sector voert buiten de commissie, de gesprekken met de parlementsleden, met de fracties, die belangrijk zijn. Dat is voor mij de invloed die de sector uitoefent.”

“Aan het decreet is zoveel bijgevijld voor het in de commissie kwam. Doet dat afbreuk aan het parlementaire werk? Nee. We willen toch allemaal betrokkenheid van de samenleving” BART CARON

I

14 WASCABI 2018

Bart Caron: “Daardoor wordt het discours in de commissie ook verzacht. Neem het decreet Sociaal-cultureel Werk. Dat traject was zo uitgebreid, met alle mogelijke actoren op alle mogelijke niveaus. Als de tekst er dan ligt, kan je die niet meer ten gronde afkraken, omdat er al zoveel is afgevijld en bijgesteld. Doet dat afbreuk aan het parlementaire werk? Nee. We willen toch allemaal betrokkenheid van de samenleving?”

Marius Meremans: “Een goed contact tussen de sector en de minister werpt vruchten af. Maar je moet ook wel durven toe te geven dat deze minister een goede parlementaire reflex heeft. Hij luistert naar de commissieleden.” Orry Van de Wauwer: “Deze minister is inderdaad heel toegankelijk, over de grenzen van meerderheid en oppositie heen. Dat is bij andere ministers niet altijd het geval, zelfs niet bij ministers van mijn meerderheid (aarzelt). Nee, ik ga geen namen noemen (hilariteit).” Kan in een commissie als deze, waarin je over de grenzen van oppositie en meerderheid heen een deftig debat kan voeren, een minister functioneren die geen parlementaire reflex heeft? Bart Caron: “We hebben in de commissie Cultuur al ministers gehad die deze reflex niet hadden en waarbij de commissie zich soms collectief zette tegen de minister. Het verschil


“Je kan niet alles aan de markt overlaten want de markt faalt. Ze heeft een voorkeur voor professionaliteit, grootschaligheid en gevestigde kunsten. Al wat amateur, vernieuwend of experimenteel is, lust ze niet” KATIA SEGERS

met andere beleidsterreinen is dat een minister van Cultuur er niets van moet kennen, maar hij moet de sector wel graag zien.” Marius Meremans: “Dat is correct. Hij of zij moet een zekere affectie hebben voor de cultuursector. Anders gaat het fout.”

Minister Gatz gaf zichzelf voor zijn hervorming van de bovenbouw eerst 7 op 10 en dan, na de feedback van de commissie Cultuur, een 5 op 10. Welke punten krijgt hij van jullie? Jean-Jacques De Gucht (Open VLD): “Ik kies resoluut voor het onderscheidingscijfer 7. Onze minister heeft duidelijke fundamenten gelegd. Hij heeft tijd gemaakt voor analyse en onderzoek en voor overleg, om voldoende draagvlak te vinden. Zijn aanbevelingen zijn stuk voor stuk aangepakt. Sommige volledig, zoals de omvorming van Kunstenloket naar Cultuurloket en

de oprichting van het steunpunt Bovenlokaal Cultuurwerk, bij andere heeft hij de fundamenten gelegd voor verdere uitwerking zoals de samenwerking met VIAA, Packed, Publiq en CultuurConnect als kernspelers voor de uitwerking van de visienota Digitalisering. Hij nam beslissingen die rekening houden met de historiek of met de realiteit en hij stemde de kerntaken en de beheersovereenkomsten van de drie sectorale steunpunten Kunstenpunt, Faro en Socius op elkaar af.” Katia Segers: “Het decreet ligt er nog niet. Een finaal examencijfer kan ik dus nog niet geven. Maar voor zijn voorbereidende paper krijgt hij van mij een onvoldoende. Dat bovenbouwdossier is toch sterk verbonden met het bovenlokale dossier en die afstemming zit daar totaal niet in. Waar is de plaats van dat steunpunt ten opzichte van de andere steunpunten? Waar gaan de amateurkunsten een plaats krijgen? Kijk, er is een systeemcrisis. Er is eerst gigantisch

bespaard bij Cultuur. Dan was er die ideologisch ingegeven beslissing om de persoonsgebonden materies van de provincies af te schaffen. De ondersteuning van de provincies was cruciaal voor kleine gemeenten. Ze schaffen die af, om dan vast te stellen dat ze het niveau tussen de gemeenten en het Vlaamse niveau toch nodig hebben. Gevolg: een bric-à-brac decreet Bovenlokale Cultuurwerking. En een herschikking van de bovenbouw die niet eens dringend was. Het is goed om dingen onder de loep te nemen, maar of we nu met iets gaan landen wat beter is?” Marius Meremans: “Ik had het dossier liever vroeger op tafel gehad. Het is er ook één waarbij onze zienswijze niet direct 100% compatibel is met die van de collega’s. Wij willen echt hervormen, anderen zien dat minder zitten. Sven Gatz heeft die hervorming voor zich uitgeschoven omdat ze moeilijk lag. Op basis van wat er nu ligt, geef ik een vijf tot een zes.”

I

WASCABI 2018 15


N-VA heeft zich erg verdiept in dit dossier, met een ronde langs de bovenbouworganisaties om ze te ontmoeten en ze te bevragen. Marius Meremans: “Wij wilden de ideeën in onze conceptnota toetsen. Wat mij opviel was dat ik steeds weer hoorde dat er weinig contacten waren geweest met de minister. Ze waren blij dat er iemand kwam luisteren. Ik had tijdens die ronde het gevoel dat de bovenbouw niet tegen een hervorming is. Ik ben ook blij dat er één ligt, maar het zit er nu tussen­in. Ik zou nog meer trajecten uitgewerkt hebben voor de toekomst.” Voor u is dit een eerste stap, en de tweede stap komt er in de volgende legislatuur? Marius Meremans: “Ik heb geleerd dat we in deze sector, en zeker in die van het sociaal-cultureel werk, het roer best niet in één keer omgooien (lacht). We zullen na de hervorming evalueren, maar ik had begrepen dat dit nog maar de eerste stap is in een grotere hervorming die transparante lijnen moet opleveren.”

Orry Van de Wauwer: “Het is zeker belangrijk om te kijken waar we kunnen bijsturen. Maar ik denk dat de sector nu in de eerste plaats snakt naar decretale rust, zodat organisaties zich kunnen concentreren op hun kerntaken. Er is in deze legislatuur enorm veel gebeurd. Er is een interne staatshervorming geweest met een nieuwe taakverdeling, bijna elk basisdecreet is onder handen genomen. We moeten nu uitvoeren en eventueel bijsturen. Ik zit niet te wachten

I

16 WASCABI 2018

op een hervorming 2.0 in de bovenbouw. Bij deze hervorming was de betrokkenheid van de sector inderdaad een pijnpunt. Voor zijn allereerste voorstellen kreeg de minister van ons een dikke buis, bij de voorstelling in de commissie Cultuur een vijf. Als de plannen nu worden bijgeschaafd, gaat hij naar voldoening. Want hij heeft iemand aangesteld om het draagvlak bij de sector te vergroten en in kaart te brengen wat leeft.” Bart Caron: “Het eerste rapport was een degelijk werkstuk, maar er waren lacunes. Zo was er geen aandacht voor de belangenbehartigers. Wat er uiteindelijk ligt, is een lelijk kind. Wat daarbij opvalt zijn de particuliere politieke keuzes van de minister. Cultuurloket: veel extra geld voor een taak die vooral marktgerichte en individuele artiesten moet helpen. Toeplooien van Locus, wat meteen een fout bleek te zijn, want nu komt er alsnog een steunpunt Lokaal en bovenlokaal Cultuurwerk in de plaats. Of nog: veel geld voor een vrijetijds­ pas. Op zich geen probleem, maar we weten al lang dat er naast een pasje – een individueel model – ook andere strategieën moeten zijn om de cultuurparticipatie te verhogen. Welke systematiek zit daar achter?” U sluit zich dus aan bij Marius Meremans, die een grondige hervorming wil in de volgende legislatuur? Bart Caron: “Een liberale minister richt een Cultuurloket op terwijl andere sectoren dat zelf kunnen, bijvoorbeeld het sociaal-cultureel werk met Scwitch. Explain that to me. Dat is toch niet consequent!

“ De sector snakt nu in de eerste plaats naar decretale rust, zodat organisaties zich kunnen concentreren op hun kerntaken” ORRY VAN DE WAUWER

Of Poppunt. Geen woord verkeerd over de kwaliteit van Poppunt, maar waarom liggen net zij op zo’n hoge plank bij het kabinet? In een vorige legislatuur zijn de kunstensteunpunten gefuseerd. In deze legislatuur wordt er één weer uitgehaald. Met welke inhoudelijke argumenten? Daar zit geen logica in. Het hangt met haken en ogen aaneen.” Marius Meremans: “Ik ben altijd een voorstander geweest van Poppunt. Ik begrijp dat die apart worden behandeld. Wat betreft belangenbehartigers is gekeken naar de historiek. Maar als je het cru bekijkt, kan je zeggen dat belangen behartigen de taak van de sector zelf is.”


Is die redenering – dat de sector de belangenbehartiging zelf moet financieren – niet vooral een excuus om kritische stemmen monddood te maken? Marius Meremans: “Zes procent van het budget gaat naar de bovenbouw. Ik vind dat je die zes procent niet mag overschrijden. Organisaties krijgen subsidies van de overheid. Als zij vinden dat er een organisatie moet komen om hun belangen te behartigen, geen probleem, dan kunnen ze een percentage van hun subsidie daaraan geven.”

Bart Caron: “De kritische stem van professionele belangenbehartigers is nodig. Ze voedt de kwaliteit van het beleid. Ik ben het principieel eens met jou, Marius. Belangenbehartigers moeten omwille van hun kritische stem autonoom zijn en dus het liefst geld uit de sector halen. Maar erfgoed en sociaal-cultureel volwassenenwerk zijn kleine sectoren. Ze krijgen al weinig subsidies en dan ga je nog hoge lidgelden vragen om een piepkleine belangenbehartiger op te zetten? Je moet ook rekening houden met de realiteit en de schaal van Vlaanderen.”

Katia Segers: “Toch is dat pure symboliek. Want als die verenigingen, met hun subsidies, zo’n belangenbehartiger betalen, komt dat ook uit de pot van de Vlaamse overheid. Bovendien, we hebben een sterk veld precies door die kritische stem van de gesubsidieerde belangenbehartigers die het veld beter maken. En als het veld beter wordt, wordt de Vlaming beter. Dus wie dat financiert, is voor mij niet zo belangrijk.” Jean-Jacques De Gucht: “Voor het sociaal-cultureel werk is het van kapitaal belang dat de onafhankelijkheid van het middenveld gevrijwaard blijft, dit zal ik dan ook blijven verdedigen in de toekomst. Op die manier kan het sociaal-cultureel werk zijn maatschappelijke laboratoriumfunctie in alle vrijheid blijven vervullen.”

In het Cultuurbeleid van de afgelopen jaren doken nieuwe termen op. Digitaal, transversaal, aanvullende financiering, civiel perspectief, innovatie,… Welke woorden zijn blijvers? En welke niet? Katia Segers: “Het hangt in de eerste plaats af van wie de volgen­ ­de minister van Cultuur wordt. Met welke ideologie kijkt die naar Cultuur? Aanvullende financiering is zo’n klassieker van een liberale minister die het belang van private middelen voor kunst en cultuur vooropstelt. Als je kijkt naar de cultuurgeschiedenis, is er altijd een samenspel geweest van privaat en publiek initiatief. Kunst en cultuur zijn nooit volledig aan de markt overgelaten, omdat de markt faalt. De markt

Orry Van de Wauwer: “Inderdaad, als het alleen met lidgelden moet, kunnen ze hun rol niet spelen.” Marius Meremans: “Als overgangsmaatregel kan het, maar op termijn vind ik niet dat het aan de overheid is.”

“Ik heb geleerd dat we in deze sector, en zeker in die van het sociaal-cultureel werk, het roer best niet in één keer omgooien” MARIUS MEREMANS

I

WASCABI 2018 17


heeft een voorkeur voor professionaliteit, grootschaligheid en gevestigde kunsten. Al wat amateur of experimenteel is, lust ze niet.” Zieke kindjes en diertjes wel, sociale uitsluiting niet. Katia Segers: “Inderdaad. Als je weet dat de markt faalt en als je als overheid zegt dat cultuur belangrijk is, dat je wil dat iedereen toegang heeft tot kunst en cultuur en dat het culturele veld zo rijk en divers mogelijk moet zijn, dan kan je dat nooit aan de markt alleen overlaten. Civiel perspectief vind ik dan weer een blijver. Ik geloof in het heruitvinden van de werking van de democratie. Ik zou de Senaat willen hervormen, met deels mensen uit de deelstaten en deels mensen uit het middenveld die uitgeloot zijn, die ideeën kunnen uitwerken boven het politieke gewoel. We hebben gestreden voor emancipatie, we zijn allemaal hoger opgeleid en mondiger. Het is een enorme verspilling van menselijk kapitaal om daar niets mee te doen.”

of burgerparticipatie. Aanvullende financiering is zo’n typische term van deze regering. Ik hoop dat hij snel verdwijnt. Dat de volgende regering zal inzien dat aanvullende financiering al lang bestaat, maar ook dat ze op grenzen botst. Nog straffer is de tax shelter. Dat zijn subsidies zonder inhoudelijke voorwaarden.” Marius Meremans: “Er wordt wel veel mee gerealiseerd.” Katia Segers: “De tax shelter werkt voor de audiovisuele sector en voor de musical in de podiumkunsten. Maar je derft wel veel belasting­ inkomsten die je anders zou kunnen gebruiken om beleid te sturen. Met de tax shelter laat je gewoon de markt spelen. Ik ben daar niet tegen, maar voor alles wat kleinschalig, amateur of experiment is, heb je de investering van de overheid hard nodig. Digitalisering is inderdaad een blijver. Het gaat zo snel, we kunnen de impact en de richting van big data en artificiële intelligentie nog niet inschatten.”

Orry Van de Wauwer: “Digitaal en innovatie, die twee zie ik niet verdwijnen. Dat is een revolutie die we moeten omarmen. Wat aanvullende financiering betreft, dat zal afhangen van hoe liberaal de volgende coalitie is. Civiel perspectief is een blijver, want dat is wat ons betreft het DNA van het sociaal-cultureel werk.”

Bart Caron: “Digitalisering verandert de relaties tussen mensen en in gemeenschappen. Hoe kunnen we de samenhang in de samenleving maar ook samenwerking en solidariteit tussen mensen blijven stimuleren in een samenleving die door de digitalisering eerder fragmenteert?”

Bart Caron: “Grappig, het woord civiel perspectief is weer een hertaling van iets wat al heel lang bestaat en wat voordien gemeenschapsvorming heette, sociale cohesie

Orry Van de Wauwer: “Tegelijkertijd biedt die digitalisering ook kansen voor verenigingen. Mensen willen graag ergens bijhoren. Er zijn veel nieuwe participatievormen die daar

I

18 WASCABI 2018

via digitale kanalen handig op inspelen. Het wordt een uitdaging voor het klassieke middenveld om te kijken hoe het die nieuwe initiatieven kan omarmen.” Bart Caron: “Sociale media hebben inderdaad een grote rekruteringskracht. Ze doen een direct appel aan mensen, zonder omwegen. Ze verbinden mensen op een manier die doet denken aan hedendaags sociaal-cultureel werk.” Jean-Jacques De Gucht: “Elke term zal er over 5 jaar nog staan. Omdat ze nu beleidsmatig op de agenda zijn gezet. Niet alleen digitaal maar ook transversaal bijvoorbeeld, omdat veel uitdagingen een samenwerking vergen binnen en tussen beleidsdomeinen. Of aanvullende financiering.

“ De minister heeft duidelijke fundamenten gelegd. Hij heeft tijd gemaakt voor analyse en onderzoek en voor overleg, om voldoende draagvlak te vinden” JEAN-JACQUES DE GUCHT


Het doel van de conceptnota van de minister is om zoveel mogelijk middelen naar de cultuursector te laten stromen en het marktfalen in het cultuurveld een halt toe te roepen, zodat culturele doelen gerealiseerd kunnen worden.”

Wat willen jullie voor het sociaal-cultureel werk absoluut in het regeerakkoord? Wat mogen we vatten onder jullie verkiezingsbeloften? Katia Segers: “Het optrekken van de middelen voor Cultuur, voor alle deelsectoren, zodat we opnieuw uitkomen bij een aanvaardbaar budget. En het belang van sociaal-cultureel volwassenenwerk. De contouren van wat er dan moet gebeuren? Daarvoor is het uitkijken naar de memoranda. Ik ga in de eerste plaats luisteren naar de sector.” Marius Meremans: “Eén: ruimte maken voor vernieuwing en experiment. Twee: je hebt zeker en vast altijd kapstokken nodig, want zonder beland je in een gat. Drie: het regionale verhaal waar ik sterk in geloof en waarin het sociaal-cultureel werk een rol heeft, omdat het juist die verbindende factor is tussen mensen.” Orry Van de Wauwer: “Die decretale rust, de ruimte om te kijken welke de kernopdrachten zijn en de nodige middelen om die uit te voeren. En dan kijken naar de uitdagingen die eraan komen: digitalisering, participatie. Er zijn nog steeds hele groepen die weinig bereikt worden, maar bij wie veel leeft. Zij kunnen, aanvullend

op het bestaande veld, ook activiteiten en verenigingen opzetten die de overheid kan faciliteren en ondersteunen.”

Wat maakt volgens u de ziel uit van het sociaal-cultureel werk: dat ene aspect dat niet verloren mag gaan?

Bart Caron: “Inderdaad. Ik vind het nieuwe decreet Sociaal-cultureel Volwassenenwerk te gesloten. Niet in de geest, wel in de praktijk omdat de voorwaarden zo streng zijn. Ik wil meer ruimte zien voor de diversiteit van initiatieven, maar er moet dan ook geld bijkomen want anders wordt die taart in nog kleinere partjes verdeeld. Er zijn zoveel nieuwe toffe burgerinitiatieven die aanleunen bij het sociaal-cultureel werk of die sociaal-cultureel werk zijn, maar zich zo niet noemen. Het sociaal-cultureel werk moet de deuren openzetten. Twee: ik ben beducht voor de instrumentalisering die andere sectoren is binnengeslopen. En drie: het bovenlokale niveau moet sterker worden, daar ben ik het met Marius eens. Al zitten er weinig instrumenten in de gereedschapskist om dat te doen. Dat bovenlokale niveau zou een aantal van die jonge vormen van sociaal-cultureel werk een plek kunnen geven.”

Katia Segers: “It’s for the many not the few. De nabijheid van dat sociaal-cultureel werk dichtbij de leefwereld van mensen om hen te ondersteunen in hun leven. Want cultuur kan voor iedereen een belangrijke hefboom zijn wanneer het minder goed gaat, om de moed en de kracht te vinden om door te gaan.”

→ Vragen of reacties? liesbeth@defederatie.org

Orry Van de Wauwer: “Mensen die vanuit een persoonlijk engagement aan iets willen meewerken, andere mensen ontmoeten en zo allemaal meebouwen aan een warmere en een mooiere samenleving.” Bart Caron: “Iedere mens een stem geven.” Marius Meremans: “Ik moet denken aan de baseline van Chiro Sagevo in Grembergen: samen gemeenschap vormen. Erbij horen, maar zonder dwingend of verstikkend te zijn. Identiteit geven en gemeenschap vormen zijn belangrijk, maar het mag niet dwingend zijn en er moet genoeg ruimte zijn voor mensen die uit de band springen.” Jean-Jacques De Gucht: “Zijn unieke aanpak: de participatieve, inclusieve werking met aandacht voor het empoweren van mensen. Dat is volgens mij de ziel van sociaal-cultureel werk.”

I

WASCABI 2018 19


Zit iedereen mee rond de tafel? Ruim 5.500 burgers gaven in de bevraging CultuurContentement hun mening over de kwaliteit van het culturele aanbod en het cultuurbeleid in hun gemeente. Steden en gemeenten, oordeelden ze, moeten zorgen voor meer begeleiding, regulitis genezen, beter communiceren over hun aanbod en beleid, meer betaalbare infrastructuur ter beschikking stellen en meer experimenteren. Voelt Mieke Van den Brande, Cultuurschepen van Bonheiden, zich aangesproken? En wat denkt Wim Van Roy van De Wakkere Burger van de nadrukkelijke vraag naar meer participatie? De Federatie bracht hen samen voor een dubbelgesprek.

D

e keuze voor de schepen van Cultuur van Bonheiden is geen toeval. Deze relatief kleine gemeente telde maar liefst 148 respondenten voor CultuurContentement, de grootschalige bevraging over lokaal cultuurbeleid waarvan De Federatie een van de initiatiefnemers was. Mieke Van den Brande is bovendien vertrouwd met De Wakkere Burger, een sociaal-culturele organisatie die participatie en betrokkenheid van burgers bij lokaal beleid probeert te ondersteunen en te promoten. In zijn zoektocht naar een participatieve manier van werken, stak de Cultuurdienst van Bonheiden namelijk zijn licht op bij een collega van coördinator Wim Van Roy. Bonheiden scoorde zowat het hoogst van alle gemeenten wier inwoners de bevraging invulden. Waarom was er zoveel respons? Mieke Van den Brande: “Cultuur is bij ons van onderuit gegroeid. We zijn enkele tientallen jaren geleden begonnen met een aantal gedreven vrijwilligers die vol waren van cultuur en die zich daar letterlijk in gesmeten hebben. De opeenvolgende gemeentebesturen zijn dat geleidelijk gaan ondersteunen. Cultuur lééft gewoon. We hebben veel vrijwilligers, we hebben een sterke traditie van gediplomeerde vrijwillige lesgevers voor een ruim en divers opleidingsaanbod. Dat engagement wordt ook erkend en geapprecieerd.”

I

20 WASCABI 2018

Welke lessen hebt u getrokken uit de bevraging? En hoe belangrijk is participatie voor u in dat verband? Mieke Van den Brande: “Het was een positieve bevestiging. Maar ons interesseert op dit kantelpunt, zo vlak voor de verkiezingen, de toekomst. Moeten we andere accenten leggen? Het feit dat onze burgers zo talrijk gereageerd hebben, sterkt ons in de gedachte dat we vooral niet moeten afbouwen. We moeten minstens bestendigen en tegelijkertijd nadenken over wie we nu juist bereiken. We hebben bijvoorbeeld een enorme schoolwerking, maar scoren minder goed voor de jongeren tussen 14 en 25 jaar. Hebben ze het te druk? Want geëngageerd zijn zit in de genen in Bonheiden. Of is er misschien een andere groep jongeren die niet lokaal actief is, en wier interesse we kunnen ontwikkelen? We proberen de deuren open te gooien. ‘Kunst in Open Ruimte’ bijvoorbeeld is geen afgewerkt aanbod, we streven niet naar een bepaalde vorm. Het is een traject waarmee we bepaalde wijken willen stimuleren om deel te nemen. Ik zie de gemeente als een moderator, een kansengever. We proberen ook de deuren wat open te gooien door het subsidiereglement te hervormen. We hebben de toegang tot infrastructuur nu losgekoppeld van deelname aan de Cultuurraad. We willen zo ook niet-gebonden mensen op de been brengen, los van verenigingen. Dat is verrijkend voor het culturele leven in onze gemeente.”


Mieke Van den Brande (schepen Bonheiden) en Wim van Roy (De Wakkere Burger) over lokale cultuurparticipatie

I

WASCA BI 2018 21


“Volgens mij is dat de essentie: heb vertrouwen in je inwoners en in je cultuurmedewerkers en luister naar elke groep” MIEKE VAN DEN BRANDE

“Om een nieuw publiek te betrekken bij cultuurbeleid zullen gemeenten het thematischer of projectgerichter moeten aanpakken” WIM VAN ROY

I

22 WASCABI 2018


Is Bonheiden typisch voor Vlaanderen op het vlak van participatie? Of is die gemeente eerder een uitzondering? Wim Van Roy: “We horen in gemeenten wel vaker bedenkingen bij de klassieke adviesraden. De samenstelling is nu nog vaak vrij eenzijdig gebaseerd op verenigingen, gekoppeld aan subsidies. Moet dat zo blijven? Zo zijn er burgers die actief zijn rond cultuur, maar die niet enthousiast worden van het idee van een zitje in de Cultuurraad. In de toekomst werk je misschien beter met een kern van interessante en gedreven mensen in de Cultuurraad, met daarnaast dat nieuwe publiek – jongeren, tweeverdieners. Om die te bereiken, zullen gemeenten het thematischer of projectgerichter moeten aanpakken. Misschien met ad-hocstructuren waarbij geclusterd wordt rond gemeenschappelijke thema’s? Op die manier vangt een bestuur ook de vragen bij de bredere bevolking op.” Er wordt in Vlaanderen dus volop nagedacht over hoe je bij participatie kan innoveren? Wim Van Roy: “Gemeenten willen naast de adviesraden zeker ook andere participatievormen inzetten zoals digitale overlegplatformen om de niet-georganiseerde burger te pakken te krijgen.” De middelen voor lokaal cultuurbeleid zitten nu exclusief bij de gemeente. Geeft dat meer vrijheid omdat een gemeente zelf kiest waarin ze investeert, zonder verantwoording te hoeven af te leggen, of

moet u nu meer strijd leveren om te investeren in cultuur? Mieke Van den Brande: “Voor mij zijn die budgetten er vanuit een overtuiging. Ik hoop dat elke coalitie die overtuiging kan dragen, zodat daar zekerheid over blijft bestaan. Maar er is enige zenuwachtigheid in het veld. ‘Jullie zijn toch niet van plan om af te bouwen?’ klonk het in de Cultuurraad. Wij hebben meteen duidelijkheid verschaft. Voor het bestuur was het een evidentie om gewoon voort te doen zoals het in de meerjarenplanning staat. Ik kan me voorstellen dat in een andere stad of gemeente met een hoge schuldgraad of een grote zorg naar basisondersteuning, deze middelen ter discussie komen te staan. Dat is het gevaarlijke aan deze situatie.” Na de gemeenteraadsverkiezingen komen er voor het eerst nieuwe overeenkomsten en meerjarenplannen. Dit kan een kantelpunt worden. Hoe kijkt u naar deze mogelijke verschuivingen? Wim Van Roy: “Een deel van de verenigingen is gewoon niet op de hoogte. De andere weten, net zo min als wij, wat de volgende legislatuur zal opleveren. Zal het volgende bestuur kiezen voor riolering of voor sport, in plaats van cultuur? Die angst leeft wel. Het comfort van zeker te weten dat er een potje geld naar cultuur gaat, is weg. Anderzijds moet de lokale democratie nu zelf keuzes maken en verantwoorden.” Het wordt belangrijker dat burgers zelf op tafel slaan en eisen dat er middelen naar cultuur blijven gaan.

Wim van Roy: “Dat is wat wij met De Wakkere Burger bepleiten: als je wil dat het cultuurbeleid in jouw gemeente behouden blijft, kom dan zelf met voorstellen voor het nieuwe gemeentebestuur.”

“ Ik zie de gemeente als een moderator, een kansengever” MIEKE VAN DEN BRANDE

Meestal staat cultuur toch niet in het brandpunt van een verkiezings­ campagne, ook lokaal niet? Mieke Van den Brande: “Dat hangt af van de biotoop van een gemeente. Vind je cultuur iets additioneels, of iets dat aan de basis ligt van het welzijn van burgers? Cultuur gaat over innerlijke rijkdom, over elkaar ontmoeten. Ze voedt mensen en helpt hen zich te ontwikkelen. Dat hangt er niet zomaar bij.”

Wim Van Roy: “Partijen focussen in hun verkiezingscampagnes voor cultuur toch vaak op de opvallendste initiatieven zoals nieuwe infrastructuur: moet er een jeugdhuis worden bijgebouwd, moet het cultuurcentrum onder handen genomen worden? Het gaat veel minder over het algemeen ondersteunend subsidiebeleid.” Hoe staat het met het verenigingsleven in Bonheiden? Wat doet het gemeentebestuur om het te ondersteunen? Mieke Van den Brande: “Wij hebben vooral gefocust op het aanbieden

I

WASCABI 2018 23


van infrastructuur en uitleenmateriaal. Dat zijn heel belangrijke pijlers. Verenigingen kunnen gebruikmaken van verschillende types infrastructuur. Ons gemeenschapscentrum bijvoorbeeld is ook voor verenigingen, zodat die hun kunsten kunnen beleven in de mooiste zaal. Dat geeft een gezonde frictie tussen de verenigingen en het professionele aanbod. Maar we moeten dat vooropstellen en behouden.” We horen van onze verenigingen vaak klachten over de papierwinkel en de administratieve rompslomp in hun gemeente. Mieke Van den Brande: “Onze balie is zeer klantvriendelijk en laagdrempelig. We proberen wel meer te digitaliseren en zo de processen efficiënter te laten verlopen. Hoe meer ruimte die medewerker die nu het aanspreekpunt is voor verenigingen krijgt, hoe meer er kan opgezet worden en kan bloeien.” De Wakkere Burger organiseert sinds kort Burgervuur. Welke bedoeling hebben jullie daarmee? Wim Van Roy: “Burgervuur is een initiatief van De Wakkere Burger om burgerinitiatieven in een netwerk te trekken. Het gaat om heel diverse burgerinitiatieven op alle domeinen, van een actiecomité dat de straat veiliger wil maken tot een tuinwissel tussen ouderen die niet meer aan tuinieren toekomen en mensen die in een sociale huurflat zonder tuin wonen. Wat me daar vooral in getroffen heeft is de ongelofelijke diversiteit in de activiteiten met een maatschappelijke meerwaarde. En

I

24 WASCABI 2018

hoe soms met één kleine actie een ongelofelijk project wordt uitgedacht. In Gent bijvoorbeeld geraakte een aantal ouders in een speelstraat in gesprek over duurzame mobiliteit, een paar jaar later eindigden ze met een coöperatieve die elektrische deelwagens beheert. Het klassieke verenigingsleven en dergelijke individuele initiatieven worden soms tegenover elkaar gezet, maar het is eerder een puzzel die in elkaar valt en waarbij ook steden en gemeenten stukjes leggen.” Zijn dat de succesrijkste projecten, die met een vervlechting tussen verschillende actoren? Wim Van Roy: “Hoe definieer je succes? Als een aantal mensen iets kleins in hun wijk wil doen en daar gelukkig mee is, dan hebben die succes. Andere projecten worden groter, en dat is dan dikwijls omdat ze een netwerk krijgen met een stad of een gemeente. Die vervlechting is vaak wel nodig als je wil opschalen. Dat is ook de bedoeling van Burgervuur: mensen samenbrengen, van elkaar leren, misschien samen dingen doen.” Ziet u een exponentiële groei van dat soort burgerinitiatieven waar mensen zelf het heft in handen nemen? Wim Van Roy: “Dat is alleszins de indruk die wij hebben. Maar zeggen dat dit nieuw is? Dat denk ik niet. In de jaren zeventig en tachtig had je ook actiegroepen en mensen die lokaal iets deden. Al wordt de huidige trend – bijvoorbeeld voor alles wat gaat over klimaat

en duurzaamheid – gevoed door ongeduld. Mensen vinden dat de overheid niet snel genoeg reageert en ze doen het dan maar zelf. Opvallend: niet alle initiatieven willen even graag samenwerken met een gemeentebestuur.” Ziet u deze initiatieven ook bloeien in Bonheiden? Mieke Van den Brande: “Zeker. Er gebeurt veel rond nieuwe energie. Er zit ook heel wat kennis hierover bij burgers die dan samen iets ondernemen, en die ons vragen of wij een platform kunnen bieden. Een overheid moet tussenkomen als het nodig is en als het moet. Maar ze moet vooral niet overnemen. Laat die dynamiek gebeuren en laat mensen fouten maken als het moet. Ik wil dat mensen uit hun zetel komen en verantwoordelijkheid nemen, een idee durven uit te werken. Die sfeer willen wij als bestuur ondersteunen.” Bonheiden heeft, zoals u al zei, een traditie op dat vlak, bijvoorbeeld met die vrijwillige lesgevers die zich inzetten voor levenslang leren. Mieke Van den Brande: “Ik hoop dat het standhoudt, en dat we vrijwilligers blijven vinden die vol overgave hun kennis blijven delen. Die vormingen zijn gegroeid uit de Krankhoeve, onze ontmoetingszaal aan een groot natuurdomein. Een groep burgers is daar vele jaren geleden begonnen met de Zomerzondagen, kleinschalige ontmoetingen met muziek. De gemeente zorgt ondertussen voor het programma: wij betalen nu de kunstenaars. Maar het blijft kleinschalig en die traditie wordt gesmaakt.”


“Als je wil dat het cultuurbeleid in jouw gemeente behouden blijft, kom dan met voorstellen voor het nieuwe gemeentebestuur” WIM VAN ROY

Tekenen zich tendensen af in burgerparticipatie? Wat is er ten goede of ten kwade veranderd? Wim Van Roy: “Ten kwade niet zo veel. Sommige adviesraden krijgen wat minder aandacht – soms terecht – en andere vormen komen meer op, zoals onlineplatformen. Het risico van die digitale weg is wel dat je dan alleen losse ideeën en duimpjes oogst. Is dat een gesprek waarin mensen elkaars argumenten leren kennen? Verder zie ik overal allerlei nieuwe vormen van inspraak en participatie opduiken die ik best wel knap vind. Zo zijn er gemeenten die een stuk van hun budget laten verdelen door burgers, of die projecten laten uitkiezen of invullen door burgers en die daar ook middelen voor voorzien.” Geeft het nieuwe gemeente­decreet naar uw aanvoelen handvaten om die experimenten nog uit te breiden? Wim Van Roy: “Het nieuwe gemeentedecreet zal daar volgens mij amper invloed op hebben. Voor participatie

verschilt het niet zo erg van het oude decreet. Je had bijvoorbeeld al de formule om vragen op de gemeenteraad te krijgen. Het percentage van noodzakelijke handtekeningen is nu geschrapt. Gemeenten kunnen nu de handtekeningendrempel verhogen – maar dat denk ik niet – of verlagen. Ik vind niet dat er grote hefbomen of garanties zijn weggevallen in het nieuwe decreet. Ik hoop wel op meer participatie bij het opmaken van de meerjarenplanning in gemeenten. Zes jaar geleden hebben gemeenten veel naar binnen gekeken. Ik hoop dat ze nu meer naar buiten kijken en burgers meer betrekken.” We merkten in CultuurContentement ongerustheid bij vrijwilligers over het verdwijnen van de Cultuurbeleidsplannen. Met het meerjarenplan hebben burgers een zeer beknopte visie en strategie voor die zes jaar. Het is dan niet gemakkelijk om je een duidelijk beeld te vormen van wat het beleid zal zijn. Mieke Van den Brande: “Die meerjarenplanning was een eerste probeersel. Ook als schepen heb ik dat soms wel als te stringent ervaren. Je start voor een periode van zes jaar en dan moet je op een paar maanden tijd een glazen bol bovenhalen om te bepalen wat de volgende zes jaar brengen. Zo werkt het niet. Je moet kunnen inspelen op opportuniteiten. Het lijkt me de evidentie zelve te zijn dat er vanuit een visie wordt gewerkt die ook wordt besproken in adviesorganen en cultuurraden, zodat burgers op de hoogte zijn.”

Welke tips voor een bruisend Cultuurbeleid hebt u nog voor collega-schepenen? Wat kunnen ze leren van Bonheiden? Mieke Van den Brande: “Durf risico te nemen met je cultuuraanbod, schep ruimte voor creativiteit, en bouw vooral voldoende vrijheid in. Houd de afstand tussen het politiek bestuur en het culturele leven gezond, versterk wat je kan versterken, maar durf ook te vertrouwen. Volgens mij is dat de essentie van alles: heb vertrouwen in je inwoners en in je cultuurmedewerkers en luister naar elke groep. Wees alert en zorg dat je iedereen mee hebt. Dat zit achter dat brede aanbod in Bonheiden. Wij zijn daar trots op.” Wat is voor u, Wim Van Roy, het essentiële ingrediënt voor een schitterende cultuurparticipatie in Vlaanderen? Wat wil u elke gemeente aanraden? Wim Van Roy: “Dat alles wat met participatie te maken heeft nog meer gebaseerd wordt op een brede en diverse betrokkenheid. Dus ook van jongeren, ook van kansengroepen, diversiteit naar leeftijd, geslacht, handicap. Door met hen en niet alleen over hen te praten. Een bestuur moet daar altijd aandacht voor hebben: wie zit er nog niet mee rond de tafel? Doe dan die extra inspanning.”

→ Vragen of reacties? liesbeth@defederatie.org

I

WASCABI 2018 25


“Wat vrijwilligers doen, het feit dat ze daar altijd staan voor anderen, wordt nog te vaak voor lief genomen�


“Vrijwilligerswerk moet vrijwillig blijven” Nog te veel regeltjes bezorgen de 200.000 vrijwilligers in het sociaal-cultureel volwassenenwerk hoofdbrekens. Te veel rompslomp om gewoon de handen uit de mouwen te kunnen steken. Er zit gelukkig schot in de zaak. De Vlaamse regering kwam met een Actieplan Gecoördineerd Vrijwilligersbeleid. De federale overheid schaafde de vrijwilligerswet bij en zorgde met de ‘bijkluswet’ voor een statuut verenigingswerk, dat een grijze zone tussen arbeid en vrijwilligerswerk wegwerkt. En toch zijn we er niet. Dat vindt ook de federale minister van Sociale Zaken Maggie De Block.

H

aar goede geheugen leverde Maggie De Block ooit de rol van souffleur op in een toneelstuk van het Willemsfonds. Toen ze geneeskunde studeerde, vroeg haar omgeving zich af of ze dat diploma wel zou behalen, zoveel tijd stak ze in het verenigingsleven. “Ik vind het verrijkend om vrijwilligerswerk te doen. Je ontmoet veel mensen. Je leert veel bij. Je wordt er beter van.” Ook als huisarts kwam ze in aanraking met vrijwilligers. Leer haar dus niets over het belang van mensen die zich in hun vrije tijd engageren om het leven voor anderen beter te maken. “Vrijwilligers zijn de lijm van de samenleving.” Ook nadat u in de politiek bent gestapt, heeft dat engagement u niet losgelaten? Als staatssecretaris voor Asiel en Migratie heb ik nog vrijwilligerswerk gedaan op tweede kerstdag bij Dokters van de Wereld, en later bij Samusocial. Voor de vluchtelingencrisis en de daklozencrisis heb ik meteen gevraagd om vrijwilligersorganisaties in te schakelen. Vrijwilligers houden en brengen mensen samen, daar ben ik altijd van overtuigd geweest. Daarom nam ik al in 1999 samen met een aantal collega’s het initiatief om een vrijwilligerswet te maken. Het heeft zes jaar geduurd voor die er was. Wallonië wilde aanvankelijk niet mee en er zat een stembusgang tussen. In 2005 lag de wet er. Maar de problemen die we toen hadden zijn nog altijd actueel: de semi-agorale arbeid, de grijze zone,

de vergoedingen. We hebben al wat geremedieerd, maar de symptomen van vroeger zijn nog dezelfde en we zoeken voor het verenigingsleven nog altijd naar een goede oplossing.” Toen de wet tien jaar oud was, in 2015, deed de Koning Boudewijnstichting een onderzoek naar vrijwilligerswerk in Vlaanderen. In tegenstelling tot de doemvoorspellingen bleek dat niet achter­uit te boeren. Integendeel. Wij hebben dat onderzoek toen zelf gevraagd en mee ondersteund en daar komt nu een vervolg op. We zien inderdaad dat heel veel actieve senioren vrijwilligerswerk doen voor elkaar. We stellen wel vast dat vrijwilligers vaak zo geëngageerd zijn dat ze zichzelf voorbijhollen, en te vaak te veel verantwoordelijkheid alleen dragen. Ik gaf altijd de raad om vrijwilligers in een ploegje te laten werken. Op die manier delen ze de spanningen en de beslissingen.”

Onderzoek heeft aangetoond dat mensen gelukkiger worden van vrijwilligerswerk. Dat is zeker zo. Maar de druk mag niet te hoog worden. Ik heb mijn man (voormalig voorzitter

van het OCMW in Merchtem, dat er het woonzorgcentrum Ter Stelten heeft, red.) vroeger nog gewaarschuwd om vrijwilligers zelf te laten kiezen

I

WASCA BI 2018 27


wanneer ze zich engageren, om een beurtrol af te spreken en om in back-up te voorzien. Het moet vrijwillig blijven, zonder dat je je moet excuseren als het een keertje niet lukt. We blijven ook oproepen doen om vrijwilligers en die vinden we telkens opnieuw. Steeds vaker ook mannen, ook voor de ouderenzorg. Het OCMW van Merchtem organiseert jaarlijks een barbecue voor de vrijwilligers en ook in de communicatie letten we erop dat we hen in de bloemetjes zetten.” Een pleidooi om zorgzaam om te springen met vrijwilligers. Als vrijwilligers suggesties doen, moet je daar gehoor aan geven. Dat is een kwestie van erkenning en waardering. Als ze aangeven hoe iets beter kan worden georganiseerd, moet je als organisatie die suggestie proberen te volgen. Vrijwilligers willen vooral waardering voor wat ze doen. Want er zijn soms moeilijke momenten en dan kunnen ze een schouderklopje gebruiken. Wat vrijwilligers doen, het feit dat ze daar altijd staan voor anderen, wordt nog te vaak voor lief genomen.”

Ziet u nog andere uitdagingen voor het vrijwilligerswerk de komende jaren? Andere tijden brengen andere uitdagingen met zich mee. De vergrijzing is er één. Iedereen wil zo lang mogelijk thuis blijven wonen en mensen hebben steeds meer hulp nodig. Eenzaamheid en isolement zijn een probleem. Daar zijn vrijwilligers nodig, dat kan niet alleen aan mantelzorgers of buren worden overgelaten.”

Is dat iets wat het beleid kan stimuleren? Welke rol heeft een overheid daar? Vrijwilligerswerk kan je uiteraard niet opleggen, dan is het geen vrijwilligerswerk meer. Je doet dat omdat je het graag doet, omdat je wil helpen, omdat je je maatschappelijk engageert. Een overheid kan wel in de omkadering voorzien en dat hebben we ook gedaan.”

“ I

28 WASCABI 2018

Ook het gemeenschapsniveau roert zich. Uw collega’s Sven Gatz en Geert Bourgeois hebben gewerkt rond het gecoördineerd vrijwilligersbeleid. Op welke manieren werken jullie samen? Het is niet alleen met Vlaanderen dat ik moet samenwerken. Als federaal minister moet je op de hoogte zijn van wat er in alle regio’s gebeurt. We volgen dat op via de kabinetten, in het geval van Vlaanderen via de kabinetten van partijgenoten Sven Gatz en Bart Tommelein, die viceminister-president is. In Wallonië en Brussel is het ingewikkelder omdat de bevoegdheden daar meer versnipperd zijn. Wij werken met iedereen samen, zolang het constructieve voorstellen zijn die in de goede richting gaan.”

Het akkoord over bijklussen, met ook het statuut voor verenigingswerk, is vorige zomer goedgekeurd. Het oorspronkelijke voorstel over verenigingswerk zorgde voor ongerustheid in de brede sociaal-culturele sector. Na overleg is de functielijst met de functies en activiteiten waarop het nieuwe statuut van toepassing is, aangepast. Waarom heeft dat zo lang geduurd? Het statuut is ondertussen in voege, maar er is nog een reparatiewet op komst. We hebben enorm veel tijd verloren door het belangenconflict vanuit de COCOF, om redenen die me nog altijd niet duidelijk zijn. Belangenconflicten zijn zoals bouwaanvragen… Er is een hele procedure: een verzoeningsvergadering in de Kamer, een vergadering in de Senaat, nieuwe voorstellen en dan weer terug naar het Overlegcomité. De trein der traagheid, dus. En dat in digitale tijden! Die termijnen zijn nog uit de tijd van de postkoets. Maar het belangrijkste is dat het in gang is gezet. Veranderingen en hervormingen brengen nu eenmaal tumult teweeg. Als er geen tumult is, heb je niet hervormd.”


“In deze tijden moet het toch mogelijk zijn om een eenvoudige elektronische aangifte te doen als je als werkzoekende vrijwilligerswerk wil doen. Als er dan toch een vermoeden van misbruik is, kan dat gecontroleerd worden� I

WASCA BI 2018 29


Wij zijn tevreden met de aanpassingen voor het verenigingswerk. Er is geluisterd naar de bezorgdheden van de sociaal-culturele sector. Als de vraag om aanpassingen gemotiveerd en constructief is, staan wij daar altijd voor open. Want wie kan het beter weten dan de sector zelf? Maar als iemand vraagt om gewoon alles te schrappen, dan willen we veel minder luisteren. Ook de gewijzigde vrijwilligerswet zal waarschijnlijk in september in het parlement besproken worden. Maar ik heb niet alles in één keer kunnen doorvoeren. Zo was de afschaffing van de RVA-melding gevraagd en ik ben daar ook voorstander van. Dat is onnodige administratieve rompslomp. Moet dat nu echt om gewoon in een ouderenvereniging koffie te kunnen schenken? Maar ik vond er geen draagvlak voor. Andere bevoegde ministers denken dat de afschaffing van de melding misbruik in de hand zal werken. Ik ben daar niet van overtuigd, maar ik heb het niet gehaald. Ik heb dan gepleit om op zijn minst de rompslomp te beperken en de procedure te versoepelen. Aan Franstalige kant is die rompslomp overigens nog groter, de Franstalige RVAkantoren zijn strenger dan de Vlaamse en het duurt soms lang voor ze een beslissing nemen.”

Is dat voor u het belangrijkste knelpunt dat nog overblijft na de goedkeuring van de vrijwilligerswet?

I

30 WASCABI 2018

Voor mij wel. In deze tijden moet het toch mogelijk zijn om gewoon een elektronische aangifte te doen. Als er dan toch een vermoeden van misbruik is, kan dat gecontroleerd worden. Als je ziet hoe dat nu voor studenten is geregeld met een app. Er wordt ergens een ober gevraagd voor een paar uurtjes, en hop, een uur later zijn ze aan het werk en volledig in orde. Studenten kunnen zo gemakkelijk het hele jaar door bijklussen.” Is het de bedoeling om voor het verenigings­ leven ook zo’n app te introduceren? Nee, het blijft bij die online-aangifte voor verenigingen. Maar ook die is soepel en snel. Op een kwartier ben je rond. Je kan de URL als app installeren en dan functioneert de website als een app. We gaan nu die aangiftes monitoren en over een jaar volgt een eerste evaluatie.”

En de functielijst wordt nog aangepast. Ja. De PS heeft wel een tweede lezing gevraagd. Een kafkaiaanse situatie want de aanpassingen waren vooral een vraag van Vlaanderen, vanuit de Franse Gemeenschap waren er geen voorstellen. Tenzij: schaf alles af. Of doe dit alleen voor sport. Maar daar gaf de Raad van State ons gelijk, dat zou discriminerend geweest zijn. De volgende commissie Sociale Zaken is pas begin september. Het is dus nog


wachten op die reparatiewet. Terwijl ik net voor die weg had gekozen omdat ik hoopte dat hij sneller zou zijn. The duty of the opposition is to oppose, zeker?” Voor verenigingen is deze situatie niet evident. Als ze vrijwilligers een engagement voor een jaar laten aangaan volgens de huidige functie­ lijst kan het zijn dat ze in oktober, met de nieuwe functielijst, plots niet meer in aanmerking komen. Dat was dus niet de bedoeling. Wij willen de spagaat zo klein mogelijk houden. We zullen tijdig op de website de correcte informatie geven. Maar we kregen er nog niet veel vragen over.”

U zei in 2015 dat u op zoek ging naar maatregelen voor die grijze zone tussen arbeid en vrijwilligerswerk. Maar u zei ook dat we moeten oppassen dat vrijwilligerswerk als een vrijwillig engagement niet uitgehold wordt. Daarom hebben we het ook een andere naam gegeven. Het is bijklussen.”

“Als de vraag om aanpassingen gemotiveerd en constructief is, staan wij daar altijd voor open. Want wie kan het beter weten dan de sector zelf?”

U weet dat sommigen vrezen dat er een verdrukking kan ontstaan. Wordt dat mee gemonitord? Het Rode Kruis bijvoorbeeld is daar niet ongerust over. Het maakt in elk geval deel uit van de evaluatie.”

Bij vakbonden klonk er ook kritiek: zij vonden dit veel weg hebben van een flexibilisering van de arbeidsmarkt. Dat bijklussen heeft niets te maken met de arbeidsmarkt, het arbeidsrecht is daar niet van toepassing. De vakbonden waren ook tegen de uitbreiding van het aantal werkuren voor studenten. En wat zie je nu? Studenten springen in de bres in supermarkten of woonzorgcentra, zodat de werknemers daar met vakantie kunnen of op zondag niet hoeven te werken. In de woonzorgcentra trekken we jongeren binnen die verpleegkunde of zorg studeren, en die in hun vakantie of tijdens de weekends een handje toesteken. Ze leren daar zelf ook veel mee. Ze worden geconfronteerd met het werk. Zo zien ze waar het echt om gaat.”

Is het systeem van verenigingswerk voor u een opstap naar verdere maatregelen in de volgende legislatuur? Sommige aspecten zijn er nu tussenuit gevallen. We zijn dat nog aan het bekijken. Er volgen nog bijsturingen en we zullen die aspecten tegen dan uitwerken. Het is altijd een work in progress, maar met het verenigingswerk hebben we een belangrijke stap gezet. Sommigen vrezen dat mensen door de nieuwe regeling gaan shoppen tussen verenigingen. Ik ben daar nogal gerust in. Als je je in een vereniging engageert, kies je daar echt voor, dat wordt ook een deel van je sociaal leven. Je stapt daar niet zomaar uit.”

→ Vragen of reacties? hannes@defederatie.org

I

WASCA BI 2018 31


Tegen de schenen schoppen, en dan verbinden Zelden zijn verenigingen populairder dan wanneer de gemeenteraadsverkiezingen in aantocht zijn. Politici verdringen zich om te dingen naar hun gunsten. Is zo’n stembusgang een ideaal moment voor sociaal-culturele organisaties om te wegen op toekomstige beleidskeuzes? Welke stem hebben zij eigenlijk in deze tijden van schreeuwers en socialemediaprovocateurs? Wij vroegen het aan twee politieke veelvraten, die beide kanten van de medaille kennen: Tarik Fraihi, politiek directeur bij Groen, en Sammy Mahdi, voorzitter van Jong CD&V.

T

arik Fraihi is gepokt en gemazeld in het sociaal-cultureel werk. Hij was actief bij FMDO, de federatie van sociaal-culturele verenigingen van mensen met een migratieachter­ grond, en hij richtte de interculturele beweging KifKif op. Hij is ook voorzitter van het Vermeylenfonds en politiek directeur van Groen. Sammy Mahdi dook vrijwel meteen de politiek in, als parlementair medewerker en voorzitter van de Molenbeekse afdeling van CD&V. Hij is nu voorzitter van Jong CD&V. Welke strategieën raden zij sociaal-culturele organisaties aan de vooravond van de gemeenteraadsverkiezingen aan? Sammy Mahdi, u bent een geboren Brusselaar en studeerde aan de VUB. De VUB is ook de alma mater van Tarik Fraihi. Jullie zijn beiden uitgesproken opiniemakers, tegen de stroom in. Zit dat bij de VUB in het water? Tarik Fraihi: “Mijn eerste les was bij Hubert Dethier, de befaamde filosoof. ‘Wat is filosofie?’ vroeg die. ‘Tegen de stroom ingaan, koste wat kost.’ Ook als dat je op de brandstapel doet belanden. Je analyseert en je komt tot een

I

32 WASCABI 2018

gedachte in je hoofd en daar ga je voor, desnoods tegen de stroom in. Ik zit hier juist, wist ik. Dat ga ik doen: durven tegen de stroom in te gaan als het moet.” Sammy Mahdi: “Het is vooral eigenzinnig zijn, of het nu tegen de stroom in is of met de stroom mee. Wat ik geleerd heb aan de VUB is de emanciperende kracht die kan uitgaan van een universiteit. Zeker een universiteit als de VUB die al heel divers was toen ik er studeerde, en die alleen diverser is geworden. Ik heb gezien welk een effect dit had op veel van mijn vrienden, die allemaal hun eigen socioculturele en economische achtergrond hadden en die toch allemaal zichzelf konden zijn, op hun manier.” Tarik Fraihi: “Dat vrije denken aan de VUB was voor mij belangrijk. Kritisch durven zijn, je eigen gedachten vormen. Dat is een heel belangrijke


Sammy Mahdi (CD&V) en Tarik Fraihi (Groen) over de dubbele rol van het middenveld I

WASCA BI 2018 33


les geweest, ook voor nadien: denk vooral na voor je iets doet of zegt.” Kritisch denken, het is ook een wezenlijk element van het sociaal-cultureel volwassenenwerk. Welke rol kunnen deze organisaties spelen de komende maanden, in de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen, en met de Vlaamse verkiezingen op de hielen van die stembusgang? Welke strategie zouden jullie aanraden? Tarik Fraihi: “Wat sociaal-cultureel werk altijd heeft gedaan, is verbinden. Mensen samenbrengen en in beweging zetten. Dat is belangrijk. Bij sociale en maatschappelijke thema’s zoals vluchtelingen of luchtkwaliteit, speelt het sociaal-cultureel werk een voortrekkersrol. Je ziet dat mensen zich spontaan organiseren, maar telkens kan het sociaal-cultureel werk ook een mobiliserende en verbindende factor zijn. Die maatschappelijke rol zorgt voor meer beschaving in de samenleving.”

Sammy Mahdi: “Er komen belangrijke maanden aan voor verenigingen, want de rollen zijn tijdelijk omgedraaid. Alle politieke partijen dingen nu naar hun steun. Ze willen overal mee op de foto om die te kunnen delen op Facebook. ‘Laat dat niet gebeuren zonder daar iets aan te koppelen’: dat is mijn boodschap aan de verenigingen. Presenteer politici die jouw steun vragen jouw lijstje met vijf voorstellen die je wil ondersteund zien, neem een foto met de politicus die ze onderschrijft en zet dat op Facebook. Dan kan je ze daar nadien nog op aanspreken. Want na

I

34 WASCABI 2018

de verkiezingen zijn de rollen weer omgedraaid en zijn al die mooie beloftes verdwenen. Daarnaast moeten ze zeker aan agendasetting doen. Sommige politieke partijen zijn beter dan andere in het bepalen van de thema’s van vandaag. Ook al krimpt de vluchtelingenstroom, toch gaat het alleen daarover, en niet over andere thema’s die minstens even belangrijk zijn. Het sociaal-cultureel middenveld moet en kan die naar voor schuiven, vanuit een oprechtheid die politieke partijen niet altijd hebben.” Dus eigenlijk zegt u: ‘help ons, politici, andere thema’s aan bod te laten komen, los van de waan van de dag’. Sammy Mahdi: “Met alle respect voor de politiek, maar als er één actor is die weet wat er leeft bij de bevolking, dan is dat het middenveld. Jullie zijn het best geplaatst om die thema’s naar boven te laten komen. Wanneer ik tijdens huisbezoeken de vraag stel wat er volgens mensen moet gebeuren, komen er al totaal andere thema’s bovendrijven dan degene waar ik elke dag mee in aanraking kom.” Welke thema’s duiken dan op tijdens de huisbezoeken? Sammy Mahdi: “Luchtkwaliteit leeft enorm. Vereenzaming is een gigantisch probleem. De verstedelijking die uitdagingen met zich meebrengt. Mensen die al veertig jaar in het oude Vilvoorde wonen en die hun gemeente en hun buren zien veranderen. Dan kunnen wij als politici wel zeggen dat mensen moeten buiten komen en elkaar moeten

“ Misschien ben ik naïef, maar ik ben ervan overtuigd dat je mensen altijd kunt samenbrengen, ook lijken ze het in het begin totaal oneens te zijn” SAMMY MAHDI


leren kennen. Wij kunnen helpen een bepaalde richting uit te zetten. Maar uiteindelijk moet het middenveld ervoor zorgen dat buren bij elkaar worden gebracht en dat mensen in beweging komen. Ik zie in Vilvoorde veel jongeren die iets willen doen, die zich willen nuttig maken maar ze weten niet hoe ze aan de slag kunnen gaan. En naar de verenigingen in de parochiezalen zal je die niet krijgen.”

navigatietoestellen in het dashboard is het sociaal-cultureel middenveld. Armoede bijvoorbeeld is ook een thema dat erg leeft.”

“De navi­gatietoestellen van een samenleving moeten veel breder zijn dan de bubbel van politiek en media” TARIK FRAIHI

Tarik Fraihi: “Absoluut. Maar de politieke wereld is ook wel meer dan politieke partijen en parlementen. Er zijn verschillende instellingen, organisaties en instituten die ook aan politiek doen. Als je gewoon kiest om inkopen te doen in de supermarkt of bij de groenteboer in de wijk, maak je een politieke keuze. Als je vijftig euro geeft aan een dakloze, is dat een politieke daad. Het sociaal-cultureel middenveld moet zich ervan bewust zijn dat ze ook een zwaar politiek gewicht kunnen hebben – niet alleen vlak voor de verkiezingen, maar continu. Politieke partijen moeten wat er leeft in de maatschappij politiek vertalen, maar het middenveld kan beïnvloeden, mensen in beweging zetten, thema’s op de agenda plaatsen. Oplossingen bieden ook. Want dat zien we ook, dat ze het heft in eigen handen nemen in plaats van te wachten tot gemeentebesturen ingrijpen. Dat maakt de samenleving kleurrijker en warmer. Hoe breder het gamma en de diversiteit aan thema’s, hoe beter. En dan is het middenveld een goede barometer. Want je navigatietoestellen moeten veel breder zijn dan de bubbel waarin media en politici zitten. En een van die

We merken nochtans dat het voor onze organisaties niet gemakkelijk is om greep te krijgen op dat maatschappelijk debat. De standpunten zijn verhard. Wanneer ze met feitelijk onderbouwde dossiers komen, zijn de nieuwe media niet altijd de meest geschikte vorm om die boodschap te verspreiden. Hoe doe je dat, de wereld veranderen tegen een stroom van populisme – alle vormen van populisme – in, zonder mee te gaan in de polarisering? Tarik Fraihi: “Polarisering is niet altijd slecht. Via conflict raak je vooruit. Er is wel een aantal verontrustende maatschappelijke tendensen, zoals die verharding en het egoïsme. Opportunisme is bijna een deugd geworden. ‘Ikke ikke ikke’: dat credo leeft in deze samenleving. Het sociaal-culturele veld moet een tegenboodschap lanceren, mensen doen inzien dat je door samen te werken en solidair te zijn veel meer bereikt dan door alleen aan je eigenbelang te denken of door in je eigen hoekje via Facebook je gal te spuwen.”

Sammy Mahdi: “Ik geloof minder in polarisering. Misschien ben ik naïef, maar ik ben ervan overtuigd dat je mensen altijd kunt samenbrengen, ook lijken ze het in het begin totaal oneens te zijn. Als het gaat over luchtkwaliteit bijvoorbeeld, kan je het radicale standpunt innemen dat de auto weg moet. Of je kan mensen duidelijk maken dat hun keuzes impact hebben. Zet bijvoorbeeld op elke hoek van de straat een meter die in realtime aangeeft hoe het met de luchtkwaliteit gesteld is. Als je werkt aan bewustzijn, kan je mensen meekrijgen die in het begin nog geen centimeter bewogen. In een samenleving die alsmaar meer polariseert, moet er een manier zijn om iedereen samen te brengen. Het middenveld moet daarbij, net zoals politieke partijen overigens, nadenken over de manier waarop het communiceert. In deze samenleving draait veel om emoties overbrengen. Een filmpje van dertig seconden heeft meer impact dan een krachtige tekst. We kunnen in deze beeldcultuur niet blijven werken zoals we altijd gedaan hebben. Ik zie bijvoorbeeld hoe, zeker vanuit rechtse en extreemrechtse hoek, daar goed wordt op ingespeeld door memes en cartoons te gebruiken die jongeren aanspreken, en die hen onbewust meenemen in een bepaald gedachtegoed.” De kracht van onze boodschap zijn verhalen. De verhalen van de mensen wier leven verandert door het sociaal-cultureel werk, door wat ze er meemaken en leren. Dat werkt op sociale media en dat spelen we uit. Maar dat is het

I

WASCABI 2018 35


tegenovergestelde van wat extreemrechts doet met zijn memes. Dat gaat niet over het individu, dat gaat over allemaal hetzelfde doen en hetzelfde doorsturen, dat gaat over het groepsgevoel. Sammy Mahdi: “Dat is de vraag: hoe krijg je dat groepsgevoel erin?”

Tarik Fraihi: “Ik zou polarisering niet problematiseren. Polarisering is ­inherent aan een democratie. Democratie is net op een beschaafde en georganiseerde manier van mening verschillen.” Als je op een beschaafde manier van mening verschilt en je gaat daarover in debat, is er geen probleem. Het probleem ontstaat wanneer links vindt dat het niet meer naar rechts moet luisteren, alleen omdat het rechts is, en omgekeerd. Tarik Fraihi: “Maar dat was in de verzuilde samenleving van vroeger nog erger. De segregatie was toen veel groter. Nu is de vermenging veel sterker. Wij zijn sociale wezens. Wij zijn sowieso met elkaar verbonden. Als er een aantal zaken scherp of simplistisch wordt gesteld, als een aantal tendensen in de samenleving ons verontrust, moeten we daar niet bang van zijn en ze niet van tafel vegen. Je kan dat ombuigen. Dat is de flexibiliteit en de kracht van een democratische rechtstaat. En middenveldorganisaties hebben ook daar een belangrijke rol. Om als zaken heel zwart-wit worden voorgesteld de juiste nuance aan te brengen, de juiste vragen te stellen en de juiste oplossingen te bieden, in plaats van het verhaal te negeren

I

36 WASCABI 2018

omdat het polariseert. Radicalisering bijvoorbeeld is zo’n containerbegrip geworden waarop verkrampt wordt gereageerd. Radicalisme kan heel gezond zijn in een samenleving. Zonder radicalen had België niet bestaan, zonder radicalen hadden we geen sociale zekerheid. De standpunten over milieu en klimaat zoals de kilometerheffing die vandaag hip zijn, waren tien jaar geleden nog radicaal. Radicale ideeën brengen mensen in beweging en dat is goed. Het middenveld moet radicale ideeën op tafel leggen. Zodra we in onze schulp kruipen en aarzelen om iets op de agenda te zetten om niet de N-VA of Vlaams Belang in de kaart te spelen, wordt het ongezond. En als er daardoor conflict of meningsverschil of debat is, goed! Hoe harder Francken vluchtelingen aanpakt, hoe groter de solidariteit op het terrein. Zonder die druk van onderuit, zonder die druk van het middenveld, ga je heel weinig dingen in beweging zetten.”

“Alle lokale politici willen nu met verenigingen op de foto. Laat dat niet gebeuren zonder daar iets aan te koppelen” SAMMY MAHDI

Sammy Mahdi: “Ja, een aantal organisaties heeft over klimaat radicale standpunten vertolkt en die zijn nu mainstream geworden. Maar dat heeft volgens mij veel meer te maken met de wetenschappelijke bewijzen die er nu zijn, en met de

mondiale erkenning van dit probleem. Andere kwesties zijn ook mainstream geworden zonder die rol van het middenveld. Wie dertig jaar geleden had gezegd dat het idee van pushbacks en hot spots in Noord-Afrika mainstream zou zijn, zou je voor gek hebben verklaard. De polarisering is intrinsiek aanwezig in de samenleving. Ik denk dat de rol van het sociaal-cultureel middenveld erin bestaat om die polarisering niet nog te voeden maar mensen proberen samen te brengen en op een positieve manier oplossingen te zoeken.” Tarik Fraihi: “Maar je hebt het middenveld nodig om de bevolking bewust te maken. Dat bewustzijnsproces heeft de milieubeweging in gang gezet. Je hebt nu inderdaad rechtse ideeën, bijvoorbeeld over migratie, die mainstream worden. Maar het is dan opnieuw aan dat middenveld om dat bewustzijn in gang te zetten en mensen duidelijk te maken dat we niet overspoeld worden door migranten en vluchtelingen. Dat is een traag en moeizaam proces, maar dat maakt de democratie net zo mooi. Dat je van mening kan verschillen.” Wat jullie zeggen is niet per se tegengesteld. Het sociaal-cultureel volwassenenwerk doet beide: tegen de schenen van het bestel schoppen tot een idee mainstream wordt, maar ook die radicale ideeën vertalen naar de leefwereld van mensen en op basis daarvan verbinding zoeken tussen verschillende meningen. Voelen jullie bij Groen en CD&V druk vanuit het middenveld?


Hebben jullie vaak contacten? Kaarten ze thema’s direct bij jullie aan? Tarik Fraihi: “We hebben geregeld contacten met middenveldorganisaties. Zij inspireren ons, zij kunnen ons ideeën aanreiken, wij kunnen onze ideeën toetsen. Wij kunnen niet altijd terugvallen op oude zuilorganisaties zoals de klassieke partijen, maar wel op een heel aantal nieuwe sociale bewegingen, zoals de milieubeweging, de derdewereldbeweging, de vredesbeweging.”

“Als een aantal tenden­sen in de samenleving ons verontrust moeten we niet bang zijn en ze van tafel vegen. Je kan ze ombuigen” TARIK FRAIHI

Sammy Mahdi: “Wij hebben die contacten inderdaad via beweging.net. Maar wij zijn ook een politieke partij waarin iedereen een gigantisch sociaal engagement opneemt. Veel CD&V-leden zijn, in verschillende gradaties, actief in vele andere verenigingen. Van daaruit nemen we ook veel informatie mee naar onze partij. Op lokaal vlak is die wisselwerking nog sterker. Ik merk dat wanneer ik als nationaal jongerenvoorzitter nieuwe jongeren mag presenteren in een lokale afdeling. Het gaat altijd om hetzelfde type: jongeren die in tienduizend verenigingen zitten en die nog durven te denken dat ze de wereld kunnen veranderen. Dat is mooi om zien. Dat is heel rijk voor een partij, omdat zij hun voelsprieten overal in de hele gemeente hebben.” Verwondering is belangrijk voor het sociaal-cultureel volwassenenwerk. Daarmee begint vaak verandering. Wanneer zijn jullie nog verwonderd geweest? Fraihi: “Dat gebeurt wel vaak. Bijvoorbeeld toen er bij mij in de

streek een benefiet werd georganiseerd voor vluchtelingen en er bijna 1.000 mensen naar dat eetfestijn zijn gekomen. Wat me ook kan verwonderen en blij maken is de solidariteit in het Maximiliaanpark en elders. Maar ook de acties rond luchtkwaliteit van Klimaatzaak of Café Filtré. Dat kan mij wel raken en sterk ontroeren. Er zijn toch nog goede mensen op de wereld, denk ik dan.” Sammy Mahdi: “Ik ben een nuchter mens. Maar omdat ik zo nuchter in het leven sta, zie ik af en toe dingen gebeuren die me dan toch verwonderen. De Curieuzeneuzenactie bijvoorbeeld. Bij ons in Vilvoorde had ik niet gedacht dat er veel mensen aan zouden meedoen. Een dag later zag ik overal in de wijk borden van Curieuzeneuzen staan. Ook bij mensen van wie je dat niet verwachtte. Ik ben wel vaker verwonderd. Onder de brug in Vilvoorde zag ik onlangs een aantal jonge gasten vissen. Gasten van wie je nooit zou denken dat die vissen tof zouden vinden. Bleek dat een ‘grote broer’, een voorbeeldfiguur in de wijk, een vislijn had die ze mochten lenen. Het gaf hun iets te doen. Ik was verbaasd over het feit dat ze iets cool vonden dat op het eerste gezicht niet sexy is. Het is leuk om te zien hoe je die jongeren met iets kleins in beweging kan krijgen.” → Vragen of reacties? hannes@defederatie.org liesbeth@defederatie.org

I

WASCABI 2018 37


“Een sociaal ondernemer kijkt verder dan de tijdelijke injectie van een subsidie. hij wil structureel impact hebben�


“Ondernemen is niet vies” Sociaal ondernemers wachten niet tot de overheid of de markt met een oplossing komt voor een maatschappelijk probleem. Ze dichten zelf maatschappelijke kloven en maken zo de verandering die ze willen zien. Ze lijken daarmee op hun neefjes van het sociaalcultureel volwassenenwerk. Kunnen deze familieleden elkaar meer versterken dan ze vandaag doen? We vroegen het Kaat Peeters, directeur van de Sociale InnovatieFabriek en coauteur van Zaken die je raken, over sociaal ondernemerschap.

D

e Sociale InnovatieFabriek is een netwerk dat sociale innovaties en sociale ondernemingen zichtbaarheid geeft en hen versterkt, zodat die sociale innovatoren en sociaal ondernemers de maatschappelijke uitdagingen waar we voor staan sneller en beter kunnen aanpakken. Over hen gaat ‘Zaken die je raken’. Waarom hebt u ‘Zaken die je raken’ geschreven, en voor wie? ’Geef eens een voorbeeld van sociaal ondernemerschap’, krijgen we vaak te horen. Maar wat sociaal ondernemers doen is zo divers. Dat willen we met het boek aantonen: dat sociale onder­nemingen op heel veel domeinen zitten, dat sociaal ondernemers met vernieuwende oplossingen komen voor heel diverse uitdagingen, dat ze niet allemaal in één vakje te duwen zijn. Sociaal ondernemen is namelijk geen sector. Het is een manier van handelen: je wil een maatschappelijk probleem aanpakken, je komt daarvoor met een nieuwe oplossing en die ga je ondernemend in de samenleving zetten.”

U schreef dit boek samen met de Nederlanders Mark Hillen en Willemijn Overloop? Wie zijn dat en waarom ging u met hen in zee? Die twee Nederlanders lagen op mijn nachtkastje (lacht). Ik had hun boek ‘Verbeter de wereld, start een bedrijf’ gelezen, een boek

met voorbeelden uit Nederland, waarin ze heel no-nonsense beschrijven wat sociaal ondernemers zijn. Ik was daar enorm door geïnspireerd. Toen ik op een dag in een meeting met Mark Hillen zat, zei ik al grappend: ‘Ik wil ook zo’n boek, maar dan met cases uit België’. ‘Ok, dan schrijven we één samen,’ antwoordde hij. Het boek is voor iedereen die zich afvraagt of we oplossingen kunnen vinden voor maatschappelijke uitdagingen. Wie zijn die pioniers? Zodat we onze lezers goesting geven om zelf ook iets te gaan doen.” Hebben die Nederlandse auteurs iets bijgeleerd over hoe bij ons aan sociaal ondernemen wordt gedaan? Ze vonden heel wat cases ‘charmant’ (lacht). Zodra ze het verhaal achter de onderneming hoorden, waren ze ook echt onder de indruk. Zoals Zorgnetwerken: verbanden leggen tussen bestaande actoren en de impact vergroten door ze op een andere manier te laten samenwerken. Daar zijn wij Belgen goed in: samenwerkingen opzetten en partnerschappen smeden die een impact hebben op het grote verhaal. In Nederland zijn er verhoudingsgewijs meer sociale ondernemingen. Meer niche sociale ondernemingen ook, zoals Fairphone. In Vlaanderen hebben wij dan weer een uitgebreid

I

WASCA BI 2018 39


“Ik kom veel sociaal ondernemers tegen die niet wachten op de overheid, omdat ze daar van het kastje naar de muur worden gestuurd”

netwerk van sociale economie, sociale werkplaatsen, beschutte werkplaatsen, met alle vernieuwingen die daaruit komen, zoals Kringwinkels. Wij hebben meer vernetwerkte sociale ondernemingen dan zij. In Nederland wordt ook commerciëler gedacht. Ze hebben veel spelers die de markt op gaan, zoals Tony’s Chocolonely. Wij hebben dat mercantiele misschien minder, maar wij hebben meer cocreatie.” U opent het boek met een definitie van sociaal ondernemerschap: sociaal ondernemers hebben een maatschappelijke visie, zetten producten of diensten in de markt om die missie te volbrengen, halen een aanzienlijk deel van hun inkomsten uit de markt om ze te herinvesteren voor de missie. Dat klinkt heel sociaal-cultureel. Waar zit het verschil? Vanaf een bepaalde percentage middelen uit de markt? We plakken daar niet graag percentages op. Sociaal ondernemen is vooral een manier van handelen. Heel wat sociaal-culturele organisaties zijn ook zoals sociaal ondernemers. Je spreekt over sociale ondernemingen als gekeken wordt naar hoe ze verschillende inkomsten kunnen aanspreken en nieuwe inkomstenbronnen kunnen aanboren om hun missie te bereiken. Om sneller, effectiever, impactvoller te kunnen werken, combineren ze een subsidie met nog andere bronnen zoals geefgeld uit de filantropie, betalende diensten of inkomsten van klanten voor hun product. Het gaat steeds over een combinatie. Bij een projectsubsidie ben je 100% gesubsidieerd

I

40 WASCABI 2018

en als de subsidie op is, is het gedaan. Een sociaal ondernemer kijkt verder dan die tijdelijke injectie en bekijkt hoe hij structureel impact kan hebben.” Ook in het sociaal-cultureel werk komt de helft van de middelen al uit de markt. Verschillende sociaal-culturele organisaties zoals De Landgenoten of Konekt omschrijft u in het boek als sociale ondernemingen. De lijnen tussen het sociaal-culturele veld en de privémarkt lijken vloeiender te worden. Geeft dit meer kansen om aan maatschappelijke verandering te werken? Ik zie een groot verschil ten opzichte van vijf jaar geleden. Als ik toen ging praten voor profit of non-profit, was de kloof tussen beide zo diep als de Grand Canyon. Nu zie ik een spectrum. Profit en non-profit beginnen elkaars taalgebruik over te nemen, ze groeien naar elkaar toe.”

Hoe valt dit verhaal bij het beleid? Hebt u het gevoel dat daar de klik al gemaakt is? Dat zij het sociaal ondernemerschap ten volle omarmen en ondersteunen?

Er is meestal wel enthousiasme. Sociaal ondernemers komen vaak met nieuwe modellen, ze vullen het bestaande aanbod aan en wijzen overheden op hiaten. Samenhuizen voor jongvolwassenen met een beperking bijvoorbeeld: voor die doelgroep bestaan gesubsidieerde initiatieven, maar soms gaat het niet snel genoeg, of zijn ze niet aanwezig in de regio waar mensen erop zitten te wachten. Sociaal ondernemers zetten dat zelf op. Maar het wettelijk kader is daar niet altijd klaar voor of geeft niet altijd de ruimte. De overheid kijkt naar de sociaal ondernemers en leert van hen.” Zet het feit dat de domeinen waarop sociaal ondernemers actief zijn, beleidsmatig in kokertjes zitten soms een rem op de dingen? Absoluut. Sociaal ondernemen gebeurt dankzij maar ook ondanks de overheid. Ik kom veel sociaal ondernemers tegen die niet wachten op de overheid, omdat ze anders toch maar van het kastje naar de muur worden gestuurd.”

U benadrukt de rol van het individu en de persoonlijke motivatie en talenten van de sociaal ondernemer. Maar niemand werkt in een vacuüm. Integendeel, we leven in een vernetwerkte samenleving. U spreekt zelf van het butterfly effect. Welk vlinders leiden tot het succes van sociaal ondernemers? Sociaal ondernemers zijn mensen zoals jij en ik. Iedereen heeft eigenlijk het potentieel in zich om een sociale onderneming op te starten. Je moet gewoon lef en


een goed hart hebben, en ervoor durven te gaan. Je moet op zoek gaan naar een goede mix van inkomstenbronnen. En een goed plan maken, natuurlijk. Hoe komt het dat mensen beginnen sociaal te ondernemen? Bij sommigen is het vanuit een gevoel van urgentie, van verontwaardiging, van verwondering ook. Of het feit dat ze vastlopen op iets of door een andere persoonlijke ervaring. Stephanie van de Big C bijvoorbeeld is met haar koffielabel en ontmoetingsplek gestart omdat zij als jonge vrouw kanker heeft gekregen en gemerkt heeft hoe weinig bespreekbaar de ziekte bij jongeren is. De Landgenoten is ontstaan vanuit een gevoel dat het een voor twaalf is: als we niet nu zorgen dat die gronden worden aangekocht en ter beschikking gesteld, is het te laat. Iedereen heeft een rugzak en door die rugzak beginnen mensen sociale ondernemingen.”

Dat is ook zo voor het sociaal-cultureel werk. Maar het antwoord van een sociale onderneming is toch – meer dan bij sociaal-cultureel werk – een antwoord vanuit een individu, een ‘self made man’ die een antwoord in de samenleving wil zetten? Sociaal ondernemers willen vooral snel zaken kunnen opzetten. Soms is dat moeilijk vanuit sociaal-culturele organisaties. Je moet een mandaat krijgen, je moet de achterban meehebben. Sociaal ondernemers handelen net als sociaal-culturele organisaties vanuit die verontwaardiging, maar ze kiezen soms de weg van de minste weerstand. Ze gaan ervoor zonder maandenlang te vergaderen.”

Is daar ook een risico aan verbonden? Die individuele ondernemer kan alleen of met een paar mensen snel en wendbaar de markt op gaan, maar in een sociaal-culturele organisatie heb je wel een netwerk achter

je, een hele organisatie. Kan dit misschien voor een grotere impact zorgen? Beide zijn nodig. Wat vaak gebeurt, is dat een sociaal ondernemer een partnerschap aangaat met een grote sociaal-culturele organisatie om dan met dat netwerk aan de slag te gaan. Dat netwerk zit overigens soms ook te wachten op vernieuwende zaken om aan bij te dragen. Kijk wat de kwb nu doet met de rijopleiding voor vluchtelingen. De voorzet kwam van sociale onderneming Rising You. Dat zijn de vlinders. Jullie zijn gewoon een vlindertuin!”

In uw beschrijving van de waarden die sociaal ondernemers aanhangen, wordt de lat erg hoog gelegd. Terecht! Maar slagen ze daar ook allemaal in? Natuurlijk scoort niet iedere sociaal ondernemer op alle vlakken super. Niemand is heiliger dan de paus. Ze zetten ieder op hun manier met hun

I

WASCABI 2018 41


oplossing iets in beweging. Burgers pikken daar zaken uit op die voor hen haalbaar zijn. Niet iedereen kan van de ene op de andere dag vegetariër worden of de auto wegdoen, maar als ze zich geïnspireerd voelen, als het voor hen als consument gemakkelijk gemaakt wordt om bewustere keuzes te maken, is dat als een ketting die in gang wordt gezet.” Een van de voorbeelden in uw boek, Tony’s Chocolonely, is daar heel eerlijk in. Zij zetten op de binnenkant van hun wrapper dat de ‘fair chain’ een continu proces is. En het fijne is dat sociaal ondernemers met hun alternatief gewoon al tonen dat het bestaat en dat het kan. Dat vind ik zo krachtig aan bijvoorbeeld Fairphone. Zij roepen smartphonegiganten op om zich niet weg te stoppen achter het excuus dat er geen consumenten zijn voor een ethische telefoon, want Fairphone vindt wel mensen die ervoor willen betalen. In België hebben we nu Blommm. Door ecologische boeketten op de markt te brengen kaart Paulien Verhaest aan dat snijbloemen te weinig ecologisch zijn.”

Netwerk Bewust Verbruiken voert al tien jaar actie rond faire bloemen. Kunnen sociaal-culturele organisaties of bewegingen, en sociale ondernemingen elkaar versterken? Is daar al samenwerking? Dat gebeurt al wel. De beweging kan de sociale onderneming gebruiken als voorbeeld. Een sociaal ondernemer is soms missionaris, naast ondernemer, maar anderen kunnen ook die rol overnemen.”

I

42 WASCABI 2018

Omgekeerd lopen sociaal ondernemers wel eens vast omdat ze de productie niet aankunnen? Ze hebben tijd nodig voor de experi­menteerfase. Ze moeten de tijd krijgen en nemen om die snelle groei te realiseren met de juiste diensten, producten of partners. De Sociale InnovatieFabriek daagt sociaal ondernemers daarom ook uit om vooraf goed stil te staan bij de manier waarop ze willen opschalen. Wil je je impact vergroten door je diensten of producten aan meer mensen aan te bieden? Of wil je je verdiepen in het maatschappelijke probleem of een doelgroep? Welke partners heb je daarvoor nodig? Wat kan je zelf aan? Dat zijn belangrijke vragen.”

“ Zaken die je raken van Kaat Peeters, Mark Hillen en Willemijn Overloop is te vinden in de betere boekhandel: www.vbkbelgie.be/ boek/zaken-die-je-raken

Kunnen sociaal-culturele organisaties sociale ondernemingen niet meer helpen? Moet bijvoorbeeld niet heel het sociaal-cultureel werk aan de Fairphone? Moeten we niet meer nadenken over hoe we elkaar kunnen versterken? Als netwerkorganisatie gaat de Sociale InnovatieFabriek altijd na welke linken we kunnen leggen met sociaal-culturele organisaties. Als we een sociaal ondernemer naar een sociaal-culturele organisatie sturen, zal die hem altijd goed ontvangen. We hopen wel dat ze samen het juiste tempo vinden. Sociaal ondernemers willen hun oplossing beginnen realiseren en leren van de eerste contacten en van klanten. Bij sociaal-culturele organisaties moet dat vaak eerst nog naar de algemene vergadering of er wordt nog eerst lang geschaafd aan voorstellen. Daadkrachtige sociaal ondernemers kunnen daar niet altijd op wachten…”

In hoeverre is doorgedreven idealisme voor sociaal ondernemers soms niet eerder een handicap? Je geraakt niet doorheen de beginjaren zonder de nodige portie idealisme. Dat is zo voor elke onderneming. Maar sociaal ondernemers blijven trouw aan hun missie. Ze weten heel goed waarom ze ermee gestart zijn en ze gaan bewust bepaalde partnerschappen niet aan als die nefast zijn voor hun impact. Dat maakt het voor hen ook wel moeilijker. Maar dat idealisme is ook een troef. Ja, het is wroeten en ze lopen tegen allerlei hindernissen aan. Maar we zien ook wel dat er steeds meer openheid is, dat steeds meer partijen sociaal ondernemers goed willen omringen.”


“Iedereen kan sociaal ondernemer worden. Je moet gewoon lef en een goed hart hebben, en ervoor durven te gaan� I

WASCABI 2018 43


Voelt u een tipping point naderen? Wanneer wordt sociaal ondernemerschap de norm? Als ik zie hoe het nu al veranderd is ten opzichte van 2013, toen ik bij de Sociale InnovatieFabriek begon, ben ik hoopvol over 2030. Gaan alle bedrijven ineens sociale ondernemingen zijn? Nee. Er zullen altijd mensen zijn die het geen fuck interesseert hoe het rondom hen gaat. Maar we zien ook hoe steeds meer bedrijven voor hun MVO-beleid kijken naar sociale ondernemingen. Ze gaan structurele partnerschappen aan en geven op die manier sociaal ondernemers vleugels.”

Sociale ondernemingen zien wel vaker hun idee gepikt worden door anderen, waardoor zij alleen de zorgen van het begin kennen en die van het faillissement achteraf. Dat gebeurt. En dat is altijd een moeilijke afweging: vanaf wanneer komen ze ermee naar buiten, vanaf wanneer ga je partnerschappen aan? Ook als je een nieuwe sociaal-culturele organisatie opricht, kan iemand anders hetzelfde idee gehad hebben. In plaats van elkaar te beconcurreren is het vaak een oplossing om te gaan kijken of je niet kunt samenwerken. We zien daar toch veel generositeit, veel bereidheid om samen dingen te doen. Natuurlijk zijn er ook verhalen van sociale ondernemers die belazerd zijn. Maar die leren daar dan uit en maken diezelfde fout niet meer.”

Welke valkuilen moeten sociaal ondernemers mijden? Buitenstaanders maken zich zorgen dat sociaal ondernemers ineens de

I

44 WASCABI 2018

markt zullen ruiken, hun missie zullen lossen en hun waarden overboord gooien. Dat is zelden het geval. Wat wel een valkuil is, is het startkapitaal bijeenbrengen. Zodra de onderneming up and running is, loopt dat wel los, maar de eerste twee jaar is het een strijd. Dan is het zaak om een goede combinatie te maken van geefgeld voor die experimenteerfase en een goed netwerk, want je kan kosten uitsparen door met anderen samen te werken. Een andere valkuil is tijd. Sociaal ondernemers zijn heel gepassioneerde mensen. Ze hebben een oplossing en ze willen die realiseren. Ze werken zich te pletter en lopen dan tegen zichzelf aan.” U hebt het in het boek over “ondernemende burgers”. In het sociaal-cultureel werk noemen wij dat gewoon engagement. Of is er toch een verschil? Nee (lacht). Maar met mijn Nederlandse coauteurs moest ik soms letten op het taalgebruik. Toch wilde ik ook de geladenheid uit het woord ondernemerschap halen, zodat mensen het gevoel hebben dat het over hen gaat. Wij zijn allemaal ondernemend. Ondernemerschap is niet iets van bedrijfsleiders alleen. Ondernemen is niet vies. Als je iets in

gang zet en verbetering brengt, ben je ondernemend aan het handelen.” Je ziet toch veel bedrijven die innovatieve oplossingen zoeken en die willen investeren in de experimenten van sociale ondernemingen. Er zijn wel impactinvesteerders aan het opstaan die het niet erg vinden als ze minder gegarandeerd rendement krijgen, zolang het geld besteed wordt aan een maatschappelijk goed. Maar ook de filantropie kijkt naar sociaal ondernemers. Filantropen geven graag een eenmalige injectie die de sociale onderneming de kans geeft om zelfbedruipend te worden. Ook voor de samenleving zijn sociale ondernemingen en de problemen die ze willen oplossen, geen ver-vanmijn-bedshow meer. Dat willen we bereiken met dit boek: mensen tonen dat iedereen er toe kan bijdragen. Je kan niet blijven denken dat anderen het gaan oplossen. De anderen, dat zijn jij en ik.”

→ Vragen of reacties? joris@defederatie.org liesbeth@defederatie.org

De Sociale InnovatieFabriek en De Punt beginnen dit najaar, met steun van Syntra Vlaanderen, een nieuwe reeks van Kick-Off, een basisvorming sociaal ondernemen voor wie broedt op een idee voor een eigen sociale onderneming, of zich wil verdiepen in die vorm van ondernemerschap. Er zijn reeksen in Gent, Brussel, Kortrijk en Antwerpen. Meer informatie? www.socialeinnovatiefabriek.be


Een sterk merk in woelige tijden

Het waren drukke jaren voor de raad van bestuur van De Federatie. Jaren van richting zoeken en het sociaal-cultureel volwassenenwerk in de markt zetten als een onverwoestbaar merk. Er waren een nieuw decreet op het Sociaal-cultureel Volwassenenwerk en een nieuw decreet Bovenlokale Cultuurwerking. Met Scwitch kreeg onze sector een gesmaakt instrument voor professionalisering. En De Federatie wordt binnenkort weer wat groter, nu de amateurkunsten aansluiten. In oktober gaan nieuwe bestuurders voor De Federatie aan de slag. Voor het zover is voelen we twee leden en één afzwaaiend lid aan de tand over de uitdagingen voor de toekomst.

I

WASCABI 2018 45


Sophie Verjans is sinds drie jaar medewerker bij GetBasic, een beweging die via eigen media wil bijdragen aan divers, democratisch en duurzaam samenleven. Ze is al ongeveer even lang bestuurslid van De Federatie.

Dirk Lens dook in 2010 van de privésector het sociaal-cultureel volwassenenwerk in, als algemeen directeur van vtbKultuur. Hij zat tot voor kort in het bestuur van De Federatie en was medeoprichter van en bestuurder bij Scwitch.

1 NOMEN EST OMEN De FOV kreeg vorig jaar een nieuwe naam. Uit een lang lijstje kwam De Federatie als winnaar uit de bus. Is enkel de naam veranderd, of zagen jullie de afgelopen jaren ook andere evoluties bij de FOV/De Federatie? Dirk Lens: “Voor mij was de naamswijziging een sluitstuk. De Federatie is door de jaren heen geëvolueerd in de richting van een open, geprofessionaliseerde belangenbehartiger die naar buiten kijkt. De naam en de nieuwe website zijn de visuele samenvatting van deze evolutie. De Federatie was trouwens mijn favoriete naam (lacht).”

Herman Lauwers: “Voor mij hoefde de naam niet te wijzigen. Maar goed, de naamsverandering geeft wel goed weer dat het sociaal-cultureel volwassenenwerk vandaag een andere invulling heeft gekregen dan de vroegere organisaties voor volksontwikkeling – een respectabele maar oubollige naam. Ik denk niet dat de organisaties wakker lagen van die naam. De FOV was al een sterk merk. Het is vooral het imago ten opzichte van de buitenwereld dat gemoderniseerd is.” Dirk Lens: “En aantrekkelijker geworden. Neem nu de website: ook als je niet tot de sector behoort, vind je er interessante bijdragen. De vorige website was naar binnen gericht, deze kijkt naar buiten. Hij weerspiegelt zo de evolutie die De Federatie heeft doorgemaakt.”

Herman Lauwers, die als parlementslid en lid van de commissie Cultuur ook ‘aan de andere kant’ heeft gezeten, is sinds 2014 voorzitter van De Federatie. Hij is ook voorzitter van Stichting Lodewijk De Raet en Cultuurconnect.

I

46 WASCABI 2018

Sophie Verjans: “Welke naam roept de herkenning op die we willen benadrukken? De Federatie legt de focus op verenigen en positioneren. We slagen er ook in om ons gemeenschappelijk belang breed te formuleren en te verdedigen. De nieuwe naam straalt dat uit. En dat is een goede zaak. Onze leden treden met mekaar in gesprek. Dat is ook logisch. We hebben immers veel meer gemeen dan ons eigen belang. Het gaat om de bescherming van maatschappelijke sociaal-culturele belangen. De maatschappelijke evoluties zijn alarmerend. Als belangenbehartiger willen we herkend en erkend worden als gesprekspartner die het sociaal-cultureel belang kan doen spreken.”


2

BUCKETLIST UPDATE

Een memorandum is de bucketlist van een sectorfederatie. Wij presenteerden in 2014 met ‘Veerkracht’ een waslijst aan te realiseren veranderingen in het beleid. Wat kunnen we afvinken? Zijn er aandachtspunten die we toen niet zagen aankomen en die jullie er nu, vier jaar later, aan zouden toevoegen? Dirk Lens: “Ik heb de eisen in ‘Veerkracht’ nog eens overlopen. Je had drie grote richtingen: vrijplaats, ‘iedereen mee’ en ‘van lokaal naar internationaal’. Vrijplaats, dat waren thema’s als de vraag naar de plaats tussen overheid en vrije markt, verscheidenheid, infrastructuur, innovatie, de mogelijkheid om maatschappelijke actie te voeren, de omkadering van vrijwilligers, regels die zuurstof geven, en een stabiel subsidiekader. ‘Iedereen mee’ ging over levende leernetwerken, het actieplan informele educatie, kansengroepen die het participatiebeleid trekken, ‘iedereen sociaal-cultureel’ en een krachtig actieplan. In het derde deel had je de New Deal, bovenlokale ondersteuning, steun aan internationale netwerken, de cvo als fundament van een sociaal Europa en vrij verkeer van ideeën. Waarschijnlijk zullen we dat nooit allemaal realiseren. Op sommige punten zijn we vooruitgegaan, op andere niet. Maar ik vind het een goede inventaris van al wat belangrijk is voor de sector en waar het sociaal-cultureel volwassenenwerk voor staat.” Verschillende ideeën van De Federatie over de samenwerking tussen lokale besturen en sociaal-culturele organisaties, zijn opgenomen in het decreet Bovenlokale Cultuurwerking. Heeft de New Deal het geïnspireerd? Herman Lauwers: “De New Deal gaf concrete handvaten om een betere weg te vinden in de onomkeerbare en mijns inziens spijtige evolutie van het sneuvelen van het decreet Lokaal Cultuurbeleid. Maar op dat moment waren weinig mensen bereid om echt te luisteren. Het bovenlokale steunpunt en het decreet dat nu voorligt zijn er uiteindelijk gekomen via een omweg, onder druk van veel lokale overheden en een deel van de bovenbouw. Maar de oormerking voor culturele doeleinden is wel verdwenen en dat betreur ik. In welke mate zal het bovenlokale steunpunt dat nu stimuleren?”

Het decreet Bovenlokale Cultuurwerking bevat een luik rond sociaal-culturele organisaties en het grootste deel van de middelen gaat zelfs naar projectreglementering. Maar er staan geen beleidsprioriteiten in voor gemeenten. Herman Lauwers: “Nee. Bovendien zou veel kunnen verschuiven naar de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, die wel spelen op het terrein van de gemeenten, maar zonder het lokale vrijwilligerswerk. We hebben op dit ogenblik geen garantie dat die vrijwilligers op bovenlokaal vlak voldoende aan de bak zullen komen. Dat kon gemakkelijker gestimuleerd worden via de lokale beleidsplannen uit het decreet Lokaal Cultuurbeleid. We zullen moeten zien of het nieuwe decreet voldoende werkt.”

3 WAAR IS THUIS? De regering heeft vorige week het nieuwe expertisecentrum voor vrijwilligerswerk goedgekeurd en opgericht. Ze maakt ook werk van een gecoördineerd vrijwilligersbeleid. De Federatie pleit voor meer afstemming tussen het vrijwilligerswerk en we merken dat de minister onze eisen op dat vlak overgenomen heeft. Maar het dossier stokt hier en daar in de samenwerking met het federale niveau. Herman Lauwers: “De aandacht voor vrijwilligerswerk is een positieve zaak. Maar het moet wel over vrijwilligerswerk gaan. Sommige mensen zien die nieuwe bijklusmogelijkheden ook als vrijwilligerswerk, en dat is het in de feiten niet. Het is voor een beperkte groep van mensen een mogelijkheid om bij te verdienen. Ik begrijp de bijklusvergoeding voor scheidsrechters, trainers, koordirigenten of toneelregisseurs. Maar we zullen goed moeten evalueren welke de impact van deze maatregelen is op het vrijwilligerswerk. Je dreigt aan de ene kant kapitaalkrachtigere organisaties te hebben die gemakkelijker dit soort bijklussers kunnen aantrekken, terwijl kleinere of minder kapitaalkrachtige organisaties dat niet kunnen en dus minder aantrekkelijk worden voor mensen die toch wel iets willen bijverdienen. Dit bijklussen is bovendien voorbehouden aan mensen die minstens viervijfde werken. Werklozen, studenten en dergelijke komen niet

I

WASCABI 2018 47


in aanmerking. Ik hoop dat deze maatregel op termijn het vrijwilligerswerk niet ondergraaft.“ In ‘Veerkracht’ wilden we ook aantonen dat investeren in sociaal-cultureel werk niet enkel te maken heeft met een decreet waar middelen achter zitten voor organisaties, maar dat we ook integraler moeten denken, dat op veel verschillende fronten maatregelen kunnen genomen worden voor organisaties. Soms lijkt het alsof deze minister dergelijke maatregelen vooral genomen heeft voor de kunsten. Zitten we fout onder Cultuur? Herman Lauwers: “Ik denk het niet. Ik zie niet in waar je anders heel het sociaal-culturele veld zou onderbrengen. Tenzij bij Binnenlandse Aangelegenheden, maar dan zitten we toch in een veel ambtelijkere omgeving. Of bij Welzijn, maar dat is een heel andere sector. Bovendien kunnen we niet beweren dat deze minister geen aandacht heeft gehad voor het sociaal-cultureel werk, als je kijkt naar het decreet Sociaal-cultureel Volwassenenwerk, de hervorming van de bovenbouw en het decreet Bovenlokale Cultuurwerking.”

4 HOE MEER ZIELEN De ledenlijst van De Federatie breidt uit: vanaf 2019 komen de amateurkunsten erbij. Wat vinden jullie daarvan? Sophie Verjans: “De instroom kan ons inzichten geven om nog fijner het gemeenschappelijk belang en de uitdagingen van sociaal-cultureel werk in het daglicht te stellen. Voor kleine organisaties is samenwerken de boodschap, als je ziet wat er gevraagd wordt op het vlak van professionalisering, verantwoording en beleidsopvolging. Bij de amateurkunsten, vermoed ik, is dat ook zo.” De Federatie probeert daarop te anticiperen met bovenlokale werkgroepen die kleinere organisaties in dat netwerk trekken. Is dat een goede evolutie? Sophie Verjans: “Ja, omdat het uitdagingen zijn waar we een werkbaar antwoord op moeten vinden. En ik geloof dat werkgroepen de mogelijkheid geven om je als deelnemer adequaat te informeren. Maar het is ook een

I

48 WASCABI 2018

goede manier om als koepel te begrijpen wat er leeft bij de leden. Bovendien nemen zowel grote als kleine organisaties deel aan de werkgroepen. En dat kan versterkend werken.” Dirk Lens: “Sociaal-cultureel werk en amateurkunsten zijn logische en natuurlijke bondgenoten. Het zal wel een aanpassing zijn: een andere sector met andere geplogenheden. Maar het schept ook een schitterende mogelijkheid om op lokaal niveau mekaar beter te leren kennen en samen te werken. Want ik zie dat daar soms op lokaal niveau nog een muur tussen staat. De Federatie moet er mee over waken dat er lokaal tussen die verschillende spelers contact en samenwerking zijn.” Bij De Federatie hebben we sterk het gevoel dat de meeste organisaties het appreciëren dat er een nieuwe sector bij komt. Herman Lauwers: “De organisaties voor amateurkunsten zijn misschien iets productgerichter dan onze verenigingen, die procesgerichter zijn. Maar tegelijkertijd is ook daar de sociaal-culturele methodologie aanwezig, dus dat sluit mooi bij elkaar aan.”

Dirk Lens: “Je hebt ook een overlap van mensen, die zeker op lokaal niveau in de twee sectoren zitten.” Sophie Verjans: “Dat apprecieer ik bij De Federatie, dat we die herkenbaarheid over heel veel grenzen heen laten lopen. We evolueren naar een verenigd veld.”

5 BUSINESS AS USUAL? De takenlijst van De Federatie nam de jongste jaren een hoge vlucht. Denk maar aan het binnentrekken van zakelijke thema’s, de opstart van Scwitch. Vinden jullie deze ontwikkelingen belangrijk voor de sector? Dirk Lens: “Professionalisering is een manier om sociaal-cultureel werk duurzaam te maken. Daarom was ik zo enthousiast over Scwitch. Scwitch zorgt dat die professionalisering op maat van de sector kan gebeuren. Maar professionalisering heeft in de sociaal-culturele sector


“De Federatie is door de jaren heen geëvolueerd in de richting van een open, geprofessionaliseerde belangen­behartiger die naar buiten kijkt”

“De organisaties voor amateurkunsten zijn misschien iets productgerichter dan onze verenigin­gen, maar ze sluiten mooi bij elkaar aan”

DIRK LENS

HERMAN LAUWERS

“ Onze leden hebben veel meer gemeen dan ons eigen belang. Het gaat om de bescherming van maatschappelijke sociaal-culturele belangen” SOPHIE VERJANS

I

WASCABI 2018 49


dikwijls een negatieve bijklank, omdat men denkt dat ze tegenover vrijwilligerswerking staat. Weet je, toen ik mijn collega’s in de commerciële sector vertelde dat ik in de not for profit ging werken, wenste iedereen me wel proficiat, maar je voelde dat ze eigenlijk dachten: loser! En toen ik na zeven jaar sociaal-cultureel werk terugkeerde naar de internationale zakenwereld, kreeg ik onuitgesproken ook een beetje de stempel van de verrader die koos voor het geld. Dat was voor mij toch een teken dat er nog een enorm grote kloof gaapt tussen die twee sectoren, een kloof die vooral het gevolg is van het feit dat deze sectoren elkaar niet kennen en niet begrijpen. Ik steun dus alle initiatieven – en Scwitch is daar één van – die deze kloof overbruggen. Alle bedrijven zijn op zoek naar een manier om ook maatschappelijk zin te geven aan waar ze mee bezig zijn. En daar is de sociaal-culturele sector enorm sterk in. Ik denk dat het sociaal-cultureel werk zijn minderwaardigheidsgevoel moet afschudden en moet proberen die bruggen te slaan. Dan zal het middenveld een echt middenveld zijn. Niet ergens in het midden geïsoleerd staan, maar verbonden met alles. Daar ligt voor De Federatie ook een rol naar die harde for profit sector die de competenties van het sociaal-cultureel volwassenenwerk hard kan gebruiken.” In het beleidsplan van De Federatie is opgenomen dat we meer de brug willen slaan naar sociaal ondernemers omdat hun ambitie en hun doelen vaak dezelfde zijn als die van het sociaal-cultureel volwassenenwerk. Samen met de Sociale InnovatieFabriek willen we een denktank oprichten om de banden van onze sector met sociaal ondernemers en met de rest van het bedrijfsleven hechter te krijgen. Zien jullie daar verder kansen in? Sophie Verjans: “Jazeker, dit maakt ook deel uit van die vernetwerking, maar enige waakzaamheid is op zijn plaats. Kijk, we zitten niet voor niets in de non profit, en we hoeven zeker niet de for profit te worden. Dat mag geen verwachting of doel zijn. Als je ziet hoe kleine politiserende organisaties met een kritische houding steeds kwetsbaarder dreigen te worden… We moeten kritisch blijven, dat is onze taak als sociaal-cultureel werk, we mogen dat kritisch vermogen niet verliezen. Maar er zijn ook mogelijkheden om met deze sectoren verrijkend te werken, de interactie op zich is waardevol.”

I

50 WASCABI 2018

Herman Lauwers: “Er ontstaat wel hoe langer hoe meer een veld tussen de commerciële sector en wat je de non-profit zou kunnen noemen. Burgerinitiatieven bijvoorbeeld die na verloop van tijd coöperatieven worden en die naar beperkte vormen van winst streven die dan opnieuw in de organisatie wordt geïnvesteerd. Dat is een belendende sector geworden waar elementen zoals cocreatie en processen uit het sociaal-cultureel werk toegepast worden. Samenwerking met die coöperatieven kan nuttig zijn voor beide.”

6 DE REGEL VAN DRIE Met welke drie woorden zouden jullie de sfeer in de raad van bestuur en in De Federatie het treffendst omschrijven? Dirk Lens: “Richting, omdat ik altijd het gevoel had dat in de raad van bestuur gezocht werd naar richtingen en dat geprobeerd werd op een heel toekomstgerichte manier te anticiperen. Open, omdat het zoeken naar die richting werd ingevuld via een brede bevraging en een brede discussie en dat er altijd gestreefd werd naar een gedragen standpunt, ook als het even vastliep. Ik zag die cyclus van zoeken om de richting voor de toekomst te bepalen, beslissingen voorbereiden en met veel nazorg toepassen, zich steeds herhalen. Dat is een handelsmerk van de werking van de raad van bestuur.”

Herman Lauwers: “Collegiaal en solidair onder mekaar, deskundig en grondig, en gezellig.” Sophie Verjans: “Herkenbaar, ook voor bewegingen. Voor bewegingen is ook snelheid zeer belangrijk, en die is er, er is een korte afstand. Ook het gevoel van organisatie-overstijgende verbondenheid vind ik belangrijk. Het feit dat we in elkaar allemaal iets herkennen wat onze eigen werking overstijgt. En dat we steeds kunnen discussiëren in een sfeer van vertrouwen.”


7 TOP & FLOP

8 GROENTJESADVIES

Zien jullie een dossier dat De Federatie zeer goed heeft aangepakt, of net iets wat ze niet zo goed gedaan heeft? Herman Lauwers: “Ik denk dat het proces rond het decreet goed gelopen is. Door te blijven hameren op overleg met de minister en met parlementsleden hebben we dat ook gekregen. We hebben zeker een aantal gevoeligheden in of uit het decreet kunnen krijgen. Uit dat hele proces bleek ook dat er intern veel vertrouwen is tussen grote en kleine organisaties, tussen bewegingen en verenigingen. Op geen enkel moment is er een echte spanning ontstaan tussen de verschillende belangen. Iedereen heeft oog gehad voor de belangen van de ander. Daar heeft De Federatie een hele mooie weg afgelegd.”

Dan rest ons nog een hotlist van tips voor de nieuwe bestuurders die in oktober aan de slag gaan. Geef hun het beste advies om er voor de sector in De Federatie in te vliegen. Herman Lauwers: “Je moet het doen voor de sector zelf. Voor je eigen organisatie, die er ook baat bij heeft dat je van dichtbij bij alles betrokken bent. En voor jezelf, omdat je daardoor je zicht op de sector verbreedt.”

Dirk Lens: “Ook voor mij is het decreet een topdossier. Het was een lang en degelijk proces, soms ook moeilijk. Toen de subsidie en de herverdeling van de subsidies op tafel kwamen, was het even spannend. Maar het is op geen enkel moment ontspoord en dat vond ik bijzonder knap. Ik herinner me de eerste keer dat we op tweedaagse gingen. We spraken zo lang over alles dat ik aan het eind van die twee dagen niet meer wist waar we nu stonden. De volgende vergadering lag daar toch weer een coherente basis om mee verder te gaan. Zo werd er gewerkt. En aan het eind lag er iets waar we invloed op hadden gehad en waarvan iedereen de richting deelde.”

Dirk Lens: “Ga altijd voor het maximum haalbare. Ik denk dat De Federatie daar altijd naar streeft. En blijf er over waken dat je de deuren naar alle andere stakeholders in de samenleving openhoudt en stevige bruggen slaat. De Federatie kon een belangrijke rol spelen in de totstandkoming van het nieuwe decreet en dat lukte omdat die interne stevigheid er was maar ook omdat er vanuit het kabinet en de administratie respect en vertrouwen waren voor de reputatie van De Federatie. Die moeten we bewaren en koesteren en verder uitbouwen.” Sophie Verjans: “Als jonge collega in de sector en in het bestuur zeg ik: helemaal mee eens. Maar ook: schrijf mee in De Federatie, spreek, deel ideeën, toets waar de mogelijkheden liggen en waar niet. Dat kan en dat is nodig.” → Vragen of reacties? dirk@defederatie.org liesbeth@defederatie.org

Sophie Verjans: “Met de visitatieronde en de voorbereidingen voor de nieuwe beleidsplannen, is De Federatie erin geslaagd om de pijnpunten te markeren. We hebben daar ook rond samengewerkt en hopelijk kunnen de meeste organisaties zich nu op een ingelichte manier voorbereiden.”

I

WASCABI 2018 51


Ouderenverenigingen: krachtvoer voor de samenleving, buffer tegen eenzaamheid

I

52 WASCABI 2018


Een goudader om aan te boren Ouderen worden gemakshalve op één hoopje gegooid, of ze nu 65 of 95 zijn. Maar wat een diversiteit. En wat een engagement. De samenleving verwacht nog steeds dat mensen na hun pensioen in een hoekje wegkruipen, terwijl zij onder andere via het verenigingsleven een belangrijke rol hebben in de constructie van onze samenleving en bij maatschappelijke uitdagingen als de strijd tegen eenzaamheid. Een gesprek met gerontoloog Dominique Verté, directeur van het netwerk voor ondernemende senioren Neos Martin De Loose en N-VA parlementslid Lorin Parys.

I

WASCA BI 2018 53


Waarom is het belangrijk dat ouderen participeren aan de samenleving? Dominique Verté: “Ouderen zijn lang gezien als passieve consumenten. Terwijl wij in ons onderzoek vaststellen dat zij geen prisoners of place – geen gevangenen van hun omgeving – zijn. Ze zijn bevrijders van de omgeving. Zij hebben een rol te spelen in de constructie van de samenleving. Je moet hun die ruimte geven.” Ze zijn geen beroepskrachten meer. Als ze geen economische rol spelen, op welk vlak situeert die rol zich dan wel? Dominique Verté: “Dat hangt ervan af hoe je economisch invult. Als wij wat zij doen voor kinderopvang en mantelzorg moesten ophoesten via professionele krachten, zouden we er slecht voorstaan. Maar de samenleving is veel meer dan economisch participeren. Heel belangrijk zijn de middenveldorganisaties waarin veel ouderen actief zijn. Die organisaties zijn de lijm van onze samenleving. Zij hebben ogen en oren voor maatschappelijke ontwikkelingen en zoeken er oplossingen voor. Sociale innovatie in de samenleving komt uit dit middenveld. De overheid consolideert slechts wat het middenveld bedacht heeft. Het middenveld maakt dat de samenleving functioneert.”

Lorin Parys: “Je kan de participatie van ouderen inderdaad niet gewoon uitdrukken in centen. Zij weven mee het kostbare weefsel van deze samenleving. Zeventig is daarbij het

I

54 WASCABI 2018

nieuwe veertig. We kennen allemaal de cijfers over de stijgende levensverwachting. We moeten het beeld over ouderen bijstellen. Veel oudere mensen zijn op de top van hun kunnen. Dat mogen we niet laten verloren gaan. Dé oudere bestaat niet. Je hebt negentigers die nog zo dartel zijn als een 65-jarige en zich inzetten voor hun familie en hun gemeenschap, en 60-jarigen die op zijn en die zich alleen concentreren op hun onmiddellijke omgeving. Ik zie er vooral ongelofelijk veel kansen in.” Martin De Loose: “De toekomst zou er maar somber voorstaan als we op de vraag naar de participatie van ouderen ‘nee’ antwoorden. We worden allemaal ouder, we hebben er allemaal belang bij dat ouderen participeren. Er zit echter een interessante paradox in dat idee van zeventig als

“We moeten stoppen met eenzaamheid louter te zien als een probleem van ouderen. Het hoogste eenzaamheids­risico zit bij de groep tussen 40 en 65 jaar” LORIN PARYS


een bijdrage kunnen leveren aan de samenleving.” Martin De Loose: “Het is zeker noodzakelijk, met de vergrijzing, om daar op in te zetten. Maar ik wilde vooral meegeven dat die paradox bestaat. Als ouderenvereniging botsen we elke dag op die beeldvorming en proberen we die stereotypen over ouderen te doorbreken. In de feiten wil niemand met ouder worden geassocieerd worden. De maatschappij hinkt nog achterop. We moeten op dat vlak toch dringend een tandje bijsteken.”

het nieuwe veertig. De biologische levensverwachting neemt toe, maar de economische en maatschappelijke levensverwachting daalt. Mensen worden hoe langer hoe sneller afgeschreven op dat vlak. Kijk naar de bankensector die steeds jongere werknemers aan de deur zet.” Lorin Parys: “Toch zijn daar mooie initiatieven zoals de vzw Exchange. Banken en andere ondernemingen stellen oudere werknemers als consultants ter beschikking aan vzw’s die deze expertise anders niet kunnen inkopen. De vzw’s betalen deze ervaren werknemers tegen het tarief van een junior consultant, de onderneming past de rest bij. De ondernemingen zijn gelukkig, want een ontslagvergoeding zou hen veel meer kosten, de werknemers zijn gelukkig, omdat ze met hun kennis

Dominique Verté: “Voorbeelden als Exchange vzw zijn toch uitzonderingen. Er is zeer veel onderzoek gedaan naar de houding van werkgevers tegenover oudere werknemers en die gaan nog steeds uit van een deficitmodel: ouderen zijn niet competitief, ouderen zijn niet waardevol, je hoeft niet te investeren in hun bijscholing. Dat deficitmodel regeert nog altijd. Daarom is niemand systematisch bezig met de vraag welke rol ouderen kunnen spelen in de constructie van de samenleving. In de jaren zeventig en tachtig werden omwille van dat deficitmodel ouderen systematisch uitgestoten uit de arbeidsmarkt. De maatschappelijke gevolgen van dat verhaal waren helemaal niet goed ingeschat. Vandaag wordt de pensioenleeftijd verhoogd, ook weer met maatschappelijke gevolgen voor al die andere rollen van ouderen. Het probleem is dat nooit fundamenteel wordt nagedacht over welke rol ze kunnen hebben. De vergrijzing is een

feit. Je kan niet tegen een derde van de bevolking zeggen: houd je in stilte bezig. Dan zaag je de poten van je maatschappelijke organisatie af.” Lorin Parys: “Werkgevers schrijven oudere werknemers snel af, maar dat komt ook omdat we ons verloningssysteem verkeerd opgebouwd hebben.” Dominique Verté: “Dat is één reden waarom mensen vervroegd uitgestoten zijn. Maar ik ga een ander voorbeeld geven. Een groot staalbedrijf in West-Vlaanderen dat al zijn oudere werknemers met 52 jaar op pensioen stuurde, heeft ze allemaal teruggeroepen en zelfs beter betaald. Ze stelden vast dat ze alle knowhow hadden weggestuurd. Nog een voorbeeld: BMW mat op een bepaald moment dat jongere werknemers productiever waren dan oudere. Tot ze werknemers de kans gaven om productielijnen zelf te organiseren. Plots lag de productiviteit hoger bij de oudere werknemers. Deze voorbeelden tonen hoe altijd weer vertrokken wordt vanuit dat stereotiep negatief beeld van ouderen. Die fundamentele switch moet de samenleving nog maken.” Wat is voor jullie eigenlijk ‘een oudere’? Valt zowel de babyboomgeneratie (55+) als de tachtiger en negentiger hieronder? En kan je een aanbod afstemmen op zo’n diverse groep? Lorin Parys: “We spreken bijna over de helft van iemands leven. Dat vatten in een doelgroepenbeleid vind ik bijna onmogelijk.”

I

WASCABI 2018 55


Martin De Loose: “Je ziet toch wel verschillen in die generaties. Wij plakken zelf geen leeftijd op senior zijn. Geen beginleeftijd en geen eindleeftijd. Er zijn ouderenverenigingen die dat wel doen, maar wij vinden dat – zeker in het kader van het pensioendebat – niet wenselijk. Bovendien is de perceptie voor verschillende mensen anders. Wat de mensen in onze clubs bindt, is dat ze op een actieve en ondernemende manier in het leven staan. Omdat er verschillende generaties instromen, moeten we als organisatie een model creëren dat constant voeling houdt met wat leeft in de maatschappij. Wij hebben daarvoor een model met concentrische cirkels, waarbij we constant in dialoog gaan met de lokale clubs en daarop inspelen. Mensen pikken niet meer dat van bovenuit gedicteerd wordt hoe het moet. Wij werken van onderuit en geven mensen de kans en de mogelijkheid om de dingen te doen die ze zelf zinvol vinden. Dat vragen babyboomers wel.” Dominique Verté: “Het grote verschil is dat jullie nu werken op basis van competenties, in plaats van op leeftijd. Op basis van gemeenschappelijke achtergrond en gemeenschappelijke interesses ook. Terwijl klassieke ouderenorganisaties voor een groot stuk gebaseerd zijn op leeftijd, en op ideologische of filosofische achtergrond. Maar die organisaties boeren achteruit. Ze trekken nog nauwelijks jonggepensioneerden aan. Wij hebben een honderdtal ouderen in Vlaanderen bevraagd over participatie in ouderen- en andere verenigingen. Op het niveau

I

56 WASCABI 2018

van de gemeenten zie je gigantische verschillen, en dat heeft te maken met de mate waarin verenigingen erin slagen om lokaal te verankeren, vanuit nieuwe concepten. Dan kunnen ze wel jonggepensioneerden aantrekken.” Bij Neos lijkt dat alvast goed te lukken. Martin De Loose: “Absoluut. In 2000 hadden we 167 lokale afdelingen en nog geen 27.000 leden, anno 2018 hebben we 214 lokale afdelingen en 33.600 leden. En we blijven groeien. De sterkte van ons model zit in het lokale. Onze meer dan 1.900 bestuursvrijwilligers spreken mensen direct aan. Want het is op het lokale dat mensen zich verbinden. Dit model vergt veel tijd en energie. Het volstaat niet om vanuit Brussel een paar mailtjes te sturen, onze mensen zijn constant op de baan om de lokale bestuursploegen te bezoeken en te voelen welke de behoeften en de problemen zijn, en waar wij kunnen ondersteunen, op maat van die lokale clubs.” Bij jullie lukt het wel om die bestuursvrijwilligers aan te trekken, terwijl veel organisaties geen mensen meer vinden die nog willen trekken. Martin De Loose: “Het is niet omdat het moeilijker gaat, dat het niet kan. Maar als je er niet in investeert, ga je het niet bekomen. Het is een self fulfulling prophecy.”

Lorin Parys: “Bestuursleden vinden is een probleem voor alle verenigingen. De samenleving verandert. Mensen

willen zich wel engageren, maar dan in een open organisatiemodel. Als een organisatie dat goed communiceert en bestuursvergaderingen heeft met een duidelijke agenda, binnen een afgebakend tijdsbestek, houd je meer mensen aan boord. Dat is een uitdaging voor elke soort organisatie op dit moment.” Martin De Loose: “Als je kijkt naar de maatschappelijke gevolgen en effecten van de vergrijzing, snap ik niet dat er niet meer geïnvesteerd wordt in ouderenverenigingen. Rudi Westendorp, een hoogleraar uit Nederland, zegt dat de factor om succesvol ouder te worden vitaliteit is. En een belangrijk aspect daarvan zijn sociale contacten. Innovaties zoals sociale media hebben ons op dat vlak lui gemaakt. We denken dat we goed omringd zijn omdat we vijfhonderd Facebookvrienden hebben. Maar dat is niet te vergelijken met samen rond de tafel zitten. We moeten verbinding blijven maken met elkaar en een vereniging is daar een fantastisch instrument voor.” “Eenzaamheid en sociaal isolement aanpakken moet een structureel werkpunt zijn voor elk lokaal bestuur.” Dat lazen we in een interview met meneer Parys, naar aanleiding van de N-VA-conceptnota over de strijd tegen eenzaamheid. Kunnen ouderenverenigingen hier ook geen rol in spelen? Lorin Parys: “We hebben een conceptnota geschreven over wat de politiek kan doen, een nota die vertrekt vanuit een zekere nederigheid. De Vlaamse overheid kan


Hoe zien jullie dagen eruit als jullie 75 zijn? Martin De Loose is directeur van Neos vzw, een netwerk van ondernemende senioren. Op zijn 75ste ziet hij zichzelf als bestuurslid van een heel dynamische Neosclub. “Ik zie mezelf opstaan en me opmaken voor een dagje Oostende, waar we in het Kursaal ‘Elvis the Musical’ gaan bekijken. Ik voel me in één klap dertig jaar jonger. En de volgende dag voel ik geen pijn aan mijn heup (lacht).”

Lorin Parys, Vlaams Parlementslid N-VA, kandidaat-burgemeester voor Leuven en auteur van de visienota van de partij over de strijd tegen eenzaamheid: “De activiteiten die ik dan doe zijn misschien wel anders, maar ze zijn even gevarieerd als vandaag. De balans tussen werk en privé zit iets beter, dat wel, maar ik hoop dat ik even maatschappelijk geëngageerd ben als nu.”

Dominique Verté, professor Sociale Gerontologie en Vergrijzing aan de VUB en oud-voorzitter van het Vermeylenfonds, wil vooral niet doen wat hij nu doet op zijn 75ste. “Ik heb veel gewerkt in een zeer intellectuele carrière. Ik wil in een volgend hoofdstuk van mijn leven iets met mijn handen doen. Als me gevraagd wordt om mijn kennis te delen, doe ik dat alleen nog zonder deadlines en als het maatschappelijk belangrijk is.”

I

WASCABI 2018 57


lokale besturen ondersteunen. Die besturen kunnen inzetten op een stevig middenveld, maar er is ook een aantal instrumenten om eenzaamheid aan te pakken. Rotterdam – en binnenkort Antwerpen – heeft een meldpunt, daar kan je al veel mee doen. Op de sociale media zijn er mooie buurtgerichte initiatieven zoals Hoplr, die een aantal straten met elkaar in contact brengen in een gesloten netwerk. Dit gezegd, we moeten stoppen met eenzaamheid louter te zien als een probleem van ouderen. Het hoogste eenzaamheidsrisico zit bij de groep tussen 40 en 65 jaar, en ook bij jongeren is eenzaamheid een aandachtspunt.” Martin De Loose: “Waarom de kracht van het verenigingsleven niet gebruiken?” Lorin Parys: “Zeker, je moet op het verenigingsleven inzetten. Je moet ervoor zorgen dat een lokaal bestuur antennes heeft. Sociale media zijn niet hét grote antwoord. Maar initiatieven zoals Hoplr kunnen dat verenigingsleven versterken. Eenzaamheid bestrijden is een zaak van iedereen: van het middenveld, van ondernemingen, van het bestuur, van alle Vlamingen. Ik ben alleen terughoudend als het op een specifiek doelgroepenbeleid aankomt. Leeftijd hoeft niet het definiërende element te zijn in hoe je je organiseert.” In uw conceptnota en in uw beleidsvoorstellen is er nochtans niet zoveel aandacht voor de rol van het middenveld.

I

58 WASCABI 2018

Lorin Parys: “Omdat de nota vertrekt vanuit een ondersteunende rol voor de politiek. Het middenveld heeft al mooie initiatieven. Mijn vraag was hoe we die lokale besturen kunnen ondersteunen vanuit Vlaanderen. Welke strategie gaan we ontwikkelen, hoe gaan we detecteren en meten?” Dominique Verté: “Recent onderzoek van de Vrije Universiteit Amsterdam heeft aangetoond dat 80% van de interventies om eenzaamheid te bestrijden niet werkt. Waarom niet? Omdat alles op één hoopje wordt gegooid. Er is sociale eenzaamheid en er is emotionele eenzaamheid. De sociale eenzaamheid, gevoed door het gebrek aan sociale contacten die je toegang geven tot de samenleving, daalt naarmate je ouder wordt. Omdat je minder behoefte hebt aan dergelijke

contacten. Daarnaast stijgt de emotionele eenzaamheid drastisch, omdat de behoefte aan intimiteit, aan een diepe relatie groot is. Als je eenzaamheid wil bestrijden, moet je dus weten op welke soort je inzet. En dan moét je een doelgroepenbeleid ontwikkelen of je schiet met hagel in de haag. Een lokaal bestuur dat iets wil doen tegen eenzaamheid moet alle capaciteit in een gemeente gebruiken. Dat adviseren wij lokale besturen. En als die organisaties er niet zijn, moet het bestuur zelf organiseren. Dan nog zal gemiddeld 5 tot 15% van de populatie de weg erheen niet vinden, en dat zijn vaak de mensen die dit het hardst nodig hebben. Die mensen toch proberen te detecteren kan je alleen in een gemeente doen.”


Martin De Loose: “Dat is inderdaad de kracht van verenigingen. Zorg er als lokaal bestuur voor dat zij optimaal kunnen draaien en versterk hun verbindende rol. Komt het verenigingsleven er niet toe of is het er niet? Zorg dan dat het er komt. Dat betekent niet dat een lokale overheid de rol van een vereniging moet overnemen. Dat zie je wel vaker, zeker als verkiezingen naderen, dat ze een succesvol idee kopiëren. Ze gebruiken die middelen beter om dat nog meer te versterken.”

“Het deficitmo­del regeert nog altijd. Daarom is niemand systematisch bezig met de vraag welke rol ouderen kunnen spelen in de constructie van de samenleving” DOMINIQUE VERTÉ

Is dat voor jullie een goed samenspel tussen een lokale overheid en het lokale middenveld voor dit thema? Lorin Parys: “Een goede samenwerking ziet eruit zoals Martin ze beschrijft: je brengt in kaart wat er is, je ziet waar de zwarte vlekken zijn, je probeert incentives te geven om dat gat op te vullen. Een stad of een gemeente moet faciliteren en de vinger aan de pols houden: wat doen we, welke doelstellingen hebben we, behalen we die doelen? Ik geloof in evidence based beleid. Rode Kruis Vlaanderen doet aan evidence based policy making en zij hebben dat nu toegepast op eenzaamheidsinitiatieven. Dat is superinteressant. Bovenop dit alles moeten we dit thema op de agenda blijven zetten. Erover praten zodat mensen het makkelijker ter sprake durven te brengen.”

Dominique Verté: “Wat de Vlaamse overheid zeker wel kan doen is een programma financieren dat interventies evalueert op hun effectiviteit en dat hun impact meet.”

Lorin Parys: “Op Vlaams vlak willen we daarom een interventiedatabank. Daarin catalogeer je alle interventies en zeg je wat gewerkt heeft, in welke omstandigheden, en tot welk resultaat dat heeft geleid.” Dominique Verté: “Je hebt een derde partij nodig om de impact te meten. Als je een evaluatie vraagt aan de mensen die de interventie gedaan hebben, vinden ze allemaal dat ze goed werk geleverd hebben. Je zal dit gericht moeten aansturen vanuit de Vlaamse overheid.” Lorin Parys: “Een ander instrument zijn de sociale impactobligaties, waarin we ook met een derde partij – vaak een universiteit – interventies meten. Dan kan de overheid op het eind van zo’n traject vaststellen welk effect de social impact bond heeft gehad. Als het geslaagd is, kan je dat in een basiswerking incorporeren. Als het geen effect heeft gehad, zijn de kosten voor de sociale organisatie gedekt. De sociale investeerder is wel zijn geld kwijt.” Dominique Verté: “Die bonds hebben één gevaar. Als je experimenteert, kan je mislukken. Als je daarop afgerekend wordt, zullen er geen risico’s meer genomen worden. Zonder risico geen innovatie.” Zijn instrumenten als impactmeting wel compatibel met het werk dat verenigingen doen, werk dat niet altijd een onmiddellijk zichtbaar effect heeft? Lorin Parys: “Wat wij doen met social impact bonds, is heel gericht

I

WASCABI 2018 59


is een mentaliteitswijzing nodig. Ze moeten met de laarzen in de modder staan.” Lorin Parys: “Ik vind niet dat ons sociaal weefsel dunner wordt. Het verandert, dat zeker. Sommige organisaties zijn helemaal mee met die veranderingen, andere nog niet. Maar het engagement is niet verminderd.”

“Wij werken van onderuit en geven mensen de kans om de dingen te doen die ze zelf zinvol vinden. Dat vragen babyboomers wel” MARTIN DE LOOSE

I

60 WASCABI 2018

een objectief proberen te bereiken. Daarmee komt de basisfinanciering voor verenigingen die het sociaal weefsel versterken in mijn ogen niet in het gedrang.” Martin De Loose: “Als je werkt aan verbinding, hoe ga je dan impact meten? Hoe ga je meten of bepaalde zaken succesvol zijn? Ik denk dat het belangrijk is om als samenleving verder te blijven investeren in dat sociaal weefsel. Door een aantal tendensen is dat brozer geworden. Het is belangrijk om dat te versterken, en het middenveld heeft daar een belangrijke rol in.” Dominique Verté: “Zeker, maar we zullen het sociaal-cultureel volwassenenwerk ook moeten aanporren om in het veld te gaan en niet achter de computer te blijven zitten. Daar

Dominique Verté: “Persoonlijk aangesproken worden is van kapitaal belang. Als je ze niet vraagt, krijg je ze niet. Dat vraagt veel tijd van verenigingen, ze moeten in het veld deze mensen aanspreken via sleutelfiguren. Deze vrijwilligers willen bovendien het gevoel hebben dat ze op hun technische capaciteiten worden aangesproken. Ze maken een kostenbatenanalyse en willen meedoen als ze het project maatschappelijk relevant vinden. Als die voorwaarden vervuld zijn, krijg je ze een tijdje mee.” Lorin Parys: “Het is in elk geval belangrijk om de diversiteit van mensen die ouder worden en die zich engageren, te onderkennen. Daar zit onontgonnen goud voor de samenleving. Wij moeten die goud­ader goed aanboren.” Martin De Loose: “We geloven duidelijk alle drie in een zinvolle invulling van dit belangrijk hoofdstuk van een mensenleven. Ik hoop dat we die kracht nog veel meer gaan benutten. Want dat zal cruciaal zijn voor de toekomst.” → Vragen of reacties? hannes@defederatie.org joris@defederatie.org


[ COMING SOON ] De Federatie verwelkomt 9 amateurkunstenorganisaties Vlaanderen telt maar liefst 2 miljoen amateurkunstenaars. Ze zijn bezig met kunst, met leren van en met elkaar, met engagement. Negen amateurkunstenorganisaties ondersteunen hen daar bij, elke dag opnieuw. Vanaf oktober vervoegen deze negen de club van De Federatie. Dat maakt ons trots en blij!

Maak nu al online kennis met ‘de 9’ Binnenkort kom je ze zeker ook tegen in de wandel­gangen, op de feestjes en in de publicaties van De Federatie

breedbeeld.org

creatiefschrijven.be

danspunt.be

koorenstem.be

kunstwerkt.be

muziekmozaiek.be

opendoek.be

poppunt.be

vlamo.be


fe·de·ra·tie (de; v; meervoud: federaties): bond van

samenwerkende (hun zelfstandigheid behoudende) sociaal- culturele organisaties.

De Federatie is de erkende sectorfederatie van het sociaal-cultureel werk. We betrekken, informeren en vertegenwoordigen sociaal-culturele organisaties. We streven naar gedeelde en gedragen standpunten met respect voor ieders eigenheid. De Federatie neemt het dus op voor sociaal-cultureel werk, zowel voor de individuele organisaties als voor de sector in zijn geheel. Dat doen we met passie en deskundigheid. Samen met onze leden en partners. De sociaal-culturele sector telt ruim 14.000 lokale ankerpunten in alle buurten en wijken, over heel Vlaanderen en Brussel. Sociaal-cultureel werk is niet enkel lokaal, maar ook globaal ingebed: maar liefst drie kwart van de organisaties is actief over de landsgrenzen heen. Meer dan 200.000 vrijwilligers zetten zich met veel passie en gedrevenheid in voor de samenleving. Een dikke twee miljoen mensen schraagt de sector als lid en de 300.000 activiteiten tellen jaarlijks ongeveer 10.000.000 deelnemers. Je leest het, heel Vlaanderen is sociaal-cultureel. Best iets om fier op te zijn!

Meer weten? www.defederatie.org

@defederatiescw en #sociaalcultureel facebook.com/sociaalcultureelwerkvlaanderen