Issuu on Google+

2003 12

Bureau de d茅p么t Bruxelles X Afgiftebureau Brussel X

4e trimestre 2003 | 4de trimester 2003

Revue trimestrielle de la Fondation Belge de la Vocation Driemaandelijks tijdschrift van de Belgische Stichting Roeping

vocatio


page 1 | pagina 1

collection n째1 Daniel Henry

page 4 | pagina 4

Petit Goma Sarah Vanagt

page 8 | pagina 8

Gemene gronden Tine De Moor

page 11 | pagina 11

Leren lezen Peter Van Vugt

page 12 | pagina 12

Sisesti Elisabeth Broekaert

page 16 | pagina 16

Agenda - News


collection n°1 Daniel Henry 2002

fr Diplômé avec grande distinction de l’atelier de Création Textile à l’ENSAV – La Cambre. J’ai commencé mon cursus en Stylisme et Création de mode. Après un an et demi, lors d’un stage de maille, j’ai trouvé ma vocation. La semaine suivante j’ai changé d’atelier et je me suis lancé dans l’aventure textile a commencé. Mon travail textile est resté très intimement lié au corps et au vêtement. Et, plus j’avance, plus je retourne au stylisme, mais par le biais du textile. La matière est à l’origine de tous les volumes. Indépendant depuis un peu plus de trois ans, j’ai créé, à Tournai, un atelier de design textile équipé pour la maille, la sérigraphie et la confection de vêtements. Travaillant principalement dans le domaine de la mode, je crée

1

nl des prototypes réalisables industriellement, des pièces uniques, et j’assume également des productions artisanales. Originaire de Tournai et conscient de son déclin dans le domaine textile, il est très important pour moi d’être installé ici et de contribuer à un certain renouveau du textile. Après l’obtention de ma bourse en 2002, il s’est passée une rencontre inattendue, celle avec Céline Dion et Franco Dragone. J’ai fait partie de la grande aventure du show « A New Day » pour les costumes des 50 danseurs et des douze musiciens. Neuf mois de travail à temps plein, recherches et production en sérigraphie de La Louvière à Las Vegas. Cet été j’ai acheté une maison de maître qui me permettra dès janvier 2004 de doubler la surface de mes ateliers

Sinds 2002 run ik in Doornik een atelier voor textieldesign, uitgerust voor breiwerk, zeefdruk en confectie. Mijn werk bestaat voornamelijk uit het maken van prototypes, bestemd voor industriële productie, het creëren van unieke stukken en het verzorgen van artisanale producties. Het verval van de textielproductie in mijn geboortestad heeft mij ertoe aangezet er te wonen en te werken. Zo hoop ik een kleine bijdrage te leveren aan de heropbouw van de regionale textielindustrie. Deze zomer kocht ik een herenwoning in het centrum van de stad, waar ik vanaf januari 2004 mijn woon- en werkruimten kan onderbrengen. Mijn nieuw atelier zal een oppervlakte hebben van ongeveer 300 m2, haast het dubbele van het vorige !


fr (deux plateaux de 150 m2) et d’habiter sur place. Je prépare le lancement de ma première collection mixte de prêt-à-porter haut de gamme. Simple et intemporelle, cette panoplie de vêtements en maille est destinée aux adultes de tous âges. J’ai choisi de faire du prêt-à-porter, parce que j’aime réinterpréter mon travail de création pour qu’il puisse toucher un large public. Cette ligne commerciale me permettra de financer une cellule créateur composée de pièces plus pointues qui allieront la maille à

diverses manipulations telles : l’enduction, la teinture à l’aérographe et le cloutage. Ma démarche est « opposée » à celle des stylistes dans le sens où ceux-ci de plus en plus souvent, se contente de tricoter un métrage qui est finalement coupé comme un tissu, sans utiliser les richesses de la maille. Mon créneau est de profiter des techniques de maille pour donner corps au vêtement ; le travail de coupe s’en trouve simplifié. Mon univers est composé de vêtements traditionnels, transformés par un travail réfléchi de la matière. La sortie de cette première collection est fixée à l’automne – hiver 2004 – 2005 et la présentation officielle est prévue pour mars 2004. La collection est produite à Leuze, dans la bonneterie Fernand Dubois. Madame Delépine, la responsable des collections, refuse depuis plusieurs années de travailler avec des jeunes créateurs, à cause du faible taux de réussite. Elle a cependant accepté de me faire confiance et de produire ma collection car elle la trouve très réfléchie par rapport à la technique maille. Les fils ont été commandés chez Christory, à Tourcoing. La vidéo a été réalisée en collaboration avec Edith Dekyndt. Mon choix de travailler avec une

La collection sera exposée au B.P.S. 22 à Charleroi (22 bd Solvay) dans le cadre du « Prix du Hainaut - Arts Plastiques » du 29/11 au 14/12, du jeudi au dimanche de 12 à 18 heures Renseignements au 071 53 15 15.

artiste plutôt qu’avec quelqu’un issu du sérail renforce ma position de créateur hors tendances, j’essaye d’imposer mon propre style. Je prépare cette collection depuis un an maintenant. J’ai d’abord mis au point une ligne directrice puis j’ai réalisé les patronages, choisi les fils et tricoté les premiers prototypes. En décembre 2002, mon dossier est parti à la bonneterie. En avril 2003, j’ai vu les premiers prototypes industriels, ils ont été essayés et soumis à quelques modifications. En août, tous les prototypes m’ont été livrés. La vidéo, quant à elle, a été réalisée au mois d’octobre. Depuis septembre, je montre la collection à toute une série de connaissances et de professionnels du textile afin de découvrir la formule qui en garantisse la diffusion la plus large possible. Je veux me donner le temps de

trouver la combinaison gagnante entre salons, show-rooms, agents et bureaux de presse. Le lancement de cette collection est très important pour le développement de ma carrière dans le sens où c’est une collection de prêt-à-porter que j’aimerais diffuser sur plusieurs continents. Je pourrais ainsi être reconnu internationalement et contribuer au label de qualité et de créativité de la mode et du savoir-faire belges. Si cette collection fonctionne bien, je pourrai envisager d’engager quelqu’un pour m’aider. Une fois que j’aurai fait mes preuves, peut-être une grande maison de couture m’ouvrira-t-elle ses portes pour créer sa ligne de knitwear, un rêve…

dan_hen@hotmail.com

2


nl Momenteel bereid ik mijn eerste prêt-à-portercollectie voor : eenvoudige en tijdloze modellen voor mannen en vrouwen van alle leeftijden. Ik koos voor confectiekleding, omdat ik ervan houd mijn ontwerpen te vertalen naar een vorm die voor een breed publiek bereikbaar is. Die commerciële lijn zal me in staat stellen een zuivere ontwerppraktijk te financieren, bestaande uit complexere stukken, waarin manipulaties van het breiwerk (bedrukken, lamineren of vilten) centraal staan. Mijn werkwijze is eigenlijk tegengesteld aan die van de modeontwerpers die tricot uiteindelijk steeds meer benaderen zoals stof en in de coupe de rijkdom van de steek niet gebruiken. Ik vertrek van de breitechnieken om het kledingstuk vorm te geven, wat de snit vereenvoudigt. In mijn universum heersen

3

traditionele kledingstukken die dankzij de nadruk op de materie een ware transformatie ondergaan, waardoor ze een nieuwe uitstraling krijgen. De officiële presentatie van mijn collectie is voorzien voor maart 2004 ; ze wordt uitgebracht in de herfst-winter van 2004-2005. De productie gebeurt bij Fernand Dubois in Leuze en de garens zijn besteld bij Christory in Tourcoing, twee bedrijven uit de streek. Mijn eigen collectie op de markt brengen kan een mijlpaal zijn in mijn carrière, in die zin dat ik ze graag wereldwijd verspreid zou willen zien. Tevens is het een manier om internationale erkenning voor mijn werk te krijgen en persoonlijk bij te dragen tot het kwaliteits- en creativiteitslabel van de Belgische mode. Als de collectie goed wordt onthaald, kan ik misschien iemand aannemen om mij bij te staan, zodat ik mijn activiteiten stilaan kan uitbouwen. Wie weet, wordt mijn grote droom dan misschien ooit werkelijkheid : voor een befaamd modehuis werken als verantwoordelijke van de tricotlijn…


Petit Goma Sarah Vanagt 2001

nl Tussen 15 juli en 15 augustus maakte Sarah Vanagt een onderzoeksreis in Rwanda en Oost-Kongo, ter voorbereiding van een documentaire over de speelwereld van kinderen in de regio van de Grote Meren. In de grensstad Goma, die in januari 2002 bedolven werd onder een reusachtige lavastroom, werkte ze gedurende vijf opeenvolgende dagen met een groepje kinderen uit Noordoost-Kongo. De kinderen zijn de recente oorlog in Ituri ontvlucht en wonen in de verlaten resten van gebouwen op de lava. Een beeldverslag van een almaar groeiend mini-Goma in een stad die opnieuw moet worden opgebouwd.

fr

Dag 1 | Jour 1 Eerste ontmoeting met de kinderen. Ze leggen de grondvesten van hun huisjes. Première rencontre avec les enfants. Ils posent les fondations de leurs maisons miniatures.

De film die ik aan het voorbereiden ben, stelt telkens het spel centraal van kinderen die op verschillende plaatsen rond het Kivumeer opgroeien. Door de specifiek politieke en sociale thema's vanuit een 'a-politieke' hoek te benaderen (de verbeelding van kinderen) wil ik een film maken die net de diepste implicaties van die sociopolitieke situatie belicht. Ik geloof dat de verbeelding van kinderen een 'geheime toegang' tot de werkelijkheid kan bieden. Door kinderen tijdens hun spel te filmen, wil ik de kijker niet meenemen naar een 'andere' (verzonnen, geconstrueerde) wereld, maar hem juist op speelse wijze dichter bij 'deze' wereld brengen. De kinderen die ik tijdens mijn onderzoeksreis heb 'geselecteerd', groeien allemaal op in uiterst moeilijke omstandigheden. Ik heb getracht voor elke locatie telkens een groepje kinderen te vinden met een levenswijze die specifiek is voor de regio van de Grote Meren : weeskinderen in een weeshuis, een gedemobiliseerde kindsoldaat die herenigd is met zijn

4


Dag 2 | Jour 2

fr Du 15 juillet au 15 août 2003, Sarah Vanagt a effectué un voyage dans l’est du Congo en préparation du tournage d’un documentaire sur les jeux des enfants de la région des Grands Lacs. A Goma, ville frontalière engloutie en janvier 2002 par une énorme coulée de lave, elle a côtoyer durant cinq jours un petit groupe d’enfants. Ils ont fui la récente guerre en Ituri et vivent dans des bâtiments désaffectés au milieu des amas de lave. Un récit en images de « Petit Goma ». Le film que je prépare a pour thème les jeux des enfants qui grandissent dans la région des Grands Lacs. En abordant les thèmes politiques et sociaux d’un point de vue non politique – l’imagination enfantine – je souhaite faire un film qui précisément éclaire les implications les plus profondes de la situation sociopolitique. Je crois que l’imagination des enfants peut offrir un « accès secret » à la réalité. En filmant les jeux des enfants je ne désire pas entraîner le spectateur dans un « autre » monde (construit et imaginaire), mais le rapprocher de manière ludique de « notre » monde. Tous les enfants que j’ai « sélectionnés » au cours de mon voyage grandissent dans des conditions extrêmement dif-

5

ficiles. Pour chaque lieu, j’ai tenté de trouver un groupe d’enfants dont la manière de vivre est propre à la région des Grands Lacs : orphelins séjournant dans un orphelinat, orphelins vivant en communauté en l’absence d’adultes (child-headed family), enfants d’un camp de réfugiés de l’ONU, enfants des rues, enfants ayant fui la guerre qui sévit au nord-est du Congo et squattant des bâtiments désaffectés.

Dag 3 | Jour 3 De kinderen wonen samen met hun moeders in de resten van het gebouw op de achtergrond. Les enfants vivent avec leurs mères dans les décombres des bâtiments à l’arrière-plan.


nl gezin, een groepje weeskinderen dat zonder volwassenen in een nieuw gezinsverband leeft (child-headed family), kinderen in een VNvluchtelingenkamp, straatkinderen, kinderen die de oorlog in Noordoost-Kongo zijn ontvlucht en die nu in verlaten resten van gebouwen wonen. Het gaat stuk voor stuk om getraumatiseerde kinderen die in grote armoede leven. Vanuit de grootst mogelijke miserie bouwen de kinderen een klein universum op : eigen huizen en straten, een vliegveld, bloemen en een elektriciteitscentrale, een gebouw van de MONUC (Mission de l'Organisation des Nations Unies au Congo), popjes die het journaal op radio en televisie volgen, de nieuwe vlag van de Democratische Republiek Kongo… De materialen die ze daarvoor gebruiken, variëren naargelang van de locatie : bakstenen, brokken lava, plastic flessen, karton, touw, takken, vodden, bananenbladeren, sorghostammen, telefoonkaarten, eigen tekeningen…

We bevinden ons in een miniatuurwereld, waarin de dingen, de dieren en de mensen een eigen leven leiden volgens de logica van het spel. De tijd van het spel is geen chronologische opeenvolging van 'feiten', maar een tijd die je naar believen versneld en vertraagd kan worden. De popjes hebben een stem en maken alledaagse gebeurtenissen of fantastische avonturen mee. Ik wil niet aan de kinderen vragen om 'hun verhaal' te vertellen of hen 'spelenderwijs' uithoren over de oorlogsgruwelen die ze hebben meegemaakt. De raakpunten met wat ze persoonlijk hebben meegemaakt, en met actuele gebeurtenissen komen vanzelf boven. Er is enerzijds de wondere wereld van het spel, gekenmerkt door plezier, humor en verbeeldingskracht, en anderzijds de verschrikkingen die ieder spelend kind heeft meegemaakt. Die spanning staat in de film centraal.

Dag 4 | Jour 4 De kinderen “zappen” op hun mini-tv door de telefoonkaart uit het sardienenblikje te vervangen door een andere kaart. Les enfants « zappent » sur leur télé miniature en remplaçant la carte de téléphone dans le fond de la boîte à sardines.

Filmografie | Filmographie Little Figures, 15 min, Z/W, Wild Heart Productions 2003 (met o.m. de standbeelden vanuit het raam van stichting roeping). Geselecteerd voor Shadowfestival Amsterdam, Argos festival Brussel, Siena Short Film Festival, Leuven Kort (dagelijks in de festivallounge), Brief Encounters Bristol After Years of Walking, 37 min, National Film and Televion School 2002, UK. Geselecteerd voor Sheffield International Documentary Festival, Les Ecrans Documentaires Val-de-Marne (bij Parijs), IDFA International Documentary Festival Amsterdam, Oxdox International Documentary Festival Oxford, Imperial War Museum Film Festival London, Festival of European Film Schools Bologna

6


Dag 5 | Jour 5

fr Tous ont subi des traumatismes et vivent dans la misère la plus totale. Partant de cette précarité, ils construisent un univers propre fait de maisons et de rues, d’un aéroport, de fleurs, d’une centrale électrique, d’un bâtiment de la MONUC (Mission de l’Organisation des Nations unies au Congo), de petites poupées qui suivent le journal à la radio et à la télé, et du nouveau drapeau de la République démocratique du Congo… Les matériaux qu’ils utilisent varient selon les lieux : briques, débris de lave, bouteilles en plastique, carton, ficelle, chiffons, feuilles de bananes, écorces de sorgho, cartes de téléphone, dessins,…Nous découvrons un monde miniature où les choses, les animaux et

7

les personnes vivent une existence propre régie par la logique du jeu, une temporalité qui n’évolue pas au fil d’une chronologie de faits, mais qui s’accélère ou ralentit à souhait. Les poupées parlent et vaquent à des tâches quotidiennes ou vivent des aventures fantastiques. Mon but n’est pas d’interroger les enfants ni de leur faire raconter au cours du jeu les atrocités qu’ils ont vécues. Les expériences individuelles et l’actualité se recoupent de manière naturelle, presque évidente. Il y le monde du jeu, fait de plaisir, d’humour et d’imagination et l’autre, celui des traumatismes subis. C’est précisément la tension entre ces deux réalités que le film tente d’exprimer.


Gemene gronden Tine De Moor 2003

nl T

Tine De Moor was laureate van de promotie 2003 'André Delvaux'. De Stichting Roeping verleende haar een beurs voor het voortzetten van haar historisch onderzoek naar gemene gronden in Europa. Tine behaalde in 1997 een licentiaat in de hedendaagse geschiedenis aan de universiteit van Gent en volgde daarna een postacademische vorming milieukunde aan de universiteit van Antwerpen. Vier jaar geleden vatte ze een doctoraatsstudie aan over gemeenschappelijk gebruikte en beheerde gronden in Vlaanderen. De keuze van dat onderwerp steunde op haar interesse voor de huidige milieuproblematiek, de onderliggende politieke, sociale en economische aspecten daarvan, én op de overtuiging dat de toenemende individualisering van het politieke, sociale en economische leven, in het bijzonder vanaf de 18de eeuw, een belangrijke rol gespeeld heeft in de totstandkoming ervan. Op 24 oktober 2003 promoveerde ze tot doctor in de geschiedenis. Haar proefschrift draagt als titel : Tot proffijt van de ghemeensaemheijt. Gebruik, gebruikers en beheer van gemene gronden in Zandig Vlaanderen, 18de en 19de eeuw.

Wat betekende het behalen van je doctoraat voor je wetenschappelijke carrière ? Is het ook voor het verwezenlijken van je roeping een betekenisvolle etappe ? Voor elke onderzoeker is het doctoraat een logische stap en een absolute vereiste voor de verdere uitbouw van een wetenschappelijke carrière. Het is tegelijk een eind- en een beginpunt. Je werkt jarenlang vreselijk hard aan dat proefschrift. De verdediging ervan voor een jury en een publiek is echt wel een zware proef. De opluchting achteraf moet al gauw plaatsmaken voor de vraag : wat nu ? Een academische carrière gaat voor de meesten gepaard met grote werkonzekerheid. Gelukkig kreeg ik vooraf al het aanbod om een collega voor één jaar als assistent te vervangen. Ik combineer nu het lesgeven met het voorbereiden van publicaties, het geven van lezingen, activiteiten in internationale samenwerkingsverbanden en het opzetten van een aantal kleinere internationale projecten. Dat deed ik als doctorandus ook al, maar met een doctoraat op zak krijg je voor al die inspanningen toch meer erkenning. Terugblikkend op die vier jaar en acht

De Gemene weide op de Ferrariskaart / Les communaux sur la carte Ferraris uit / in M. De Moor en R. Debbaut, De Gemene en Loweiden in Assebroek en Oedelem, 1515-1965, Brugge, 2003, p.7.

8


fr Terres communes Historienne poussée par le désir de comprendre les enjeux de nos sociétés contemporaines au travers d’une approche historique, Tine De Moor s’intéresse plus particulièrement à la problématique actuelle de l’écologie et à ses aspects politiques, économiques et sociaux. Cette préoccupation ainsi que la conviction que l’individualisation croissante de la vie politique, économique et sociale, en particulier depuis le 18e siècle, a joué un rôle majeur dans le développement des enjeux écologiques actuels, l’ont poussée à entamer il y a quatre ans un doctorat consacré aux terres utilisées et gérées par la collectivité en Flandre. Le 24 octobre 2003, Tine a défendu publiquement sa thèse de doctorat intitulée Tot proffijt van de ghemeensaemheijt". Gebruik, gebruikers en beheer van gemene gronden in Zandig Vlaanderen, 18de en 19de eeuw. Que signifie l’obtention de ton doctorat pour ta carrière scientifique ? Est-ce une étape importante dans la réalisation de ta vocation ? Pour tout chercheur, le doctorat est non seulement une étape logique mais aussi un passage obligé. A la fois un aboutissement et un commencement. Des années de travail acharné sont enfin récompensées, mais tout aussitôt se pose immédiatement la question de savoir que faire ensuite. Le soulagement personnel peut faire place à l’incertitude au niveau professionnel. En ce qui me concerne, je savais à l’avance que je pourrais bénéficier d’un poste d’assistante. Actuellement, je partage mon temps entre mes cours et la préparation de publications et de conférences, tout en collaborant à des projets internationaux et en m’investissant dans la mise sur pied de projets internationaux de petite envergure. Ces activités ne sont pas nouvelles car elle faisaient déjà partie de mon quotidien lorsque j’étais doctorante. Je réalise à présent que pendant quatre ans et huit mois j’ai fait

9

pas mal de sacrifices, et il m’a fallu une volonté énorme pour terminer ce doctorat tout en étant très active hors du milieu universitaire, notamment au sein du mouvement écologique. Bien sûr, le doctorat a ceci de fantastique qu’il vous permet d’approfondir le sujet qui vous passionne, mais il exige également une grande discipline. De plus, si vous voulez sortir du lot en tant que chercheur, il vous faut trouver une approche originale, personnelle. Cela demande du culot et une bonne dose de créativité. Personnellement je considère que je dévie de la méthode historique descriptive. Je tente de travailler de la manière la plus interdisciplinaire possible en intégrant de manière analytique des méthodes empruntées à la sociologie, à l’économie, à la géographie. Le facteur temps constitue une dimension de plus qui peut nous aider à expliquer des phénomènes de société de manière évolutionnaire. Travailler de la sorte constitue un défi, mais également une prise de risque car j’aborde des domaines qui ne me sont pas familiers en tant qu’historienne. Mais c’est précisément cela qui rend la recherche passionnante et intéressante.

Transmettre ton savoir te semble important ? Très, pour la simple raison que je suis persuadée de la pertinence sociologique de ma recherche, et ce à des niveaux différents. Je crois que les résultats de mon étude peuvent amener des réponses à différents types de problématiques. Les cours constituent une manière de transmettre mes connaissances, mais pas la seule. La publication crée elle aussi une forme d’interaction. Bien sûr, devant un auditoire je me sens parfois mal assurée car je faire pour le mieux, j’aimerais que tous les étudiants profitent du cours et que ce cours soit d’un bon niveau. Je stimule le travail individuel chez les étudiants car étant étudiante je sais que cela m’a beaucoup apporté. A part les cours, mon programme pour l’année qui s’annonce est composée d’un grand nombre de conférences et, bien sûr, de la publication de mon doctorat.

Terminologie La propriété collective est appelée en français « les (biens) communaux », en anglais : « commons » et en néerlandais : « gemene gronden ». Le mot communal ne renvoie pas à la même notion que « commun », « common », « gemene » mais fait référence à une commune, une unité administrative. Or il existe en Europe beaucoup de propriétés collectives qui n’appartiennent pas à une commune mais à des coopératives, ou à des groupes. « Terres communes » semble donc un terme mieux adapté à la comparaison internationale. Une définition du phénomène des « terres communes » De manière générale celles-ci se définissent comme des terres utilisées et gérées par la collectivité. Dans cette définition nous omettons volontairement le terme de propriété. En effet, en ce qui concerne l’Ancien Régime (la période avant 1796) il nous faut penser en termes de droits sur la terre et non à la propriété privée absolue telle que nous la connaissons aujourd’hui. Selon le concept de terres communes, un groupe de personnes avait le droit de les exploiter de manières diverses, selon la nature de la terre et du contrat passé avec le seigneur local. Ces droits s’accompagnaient du devoir de gérer les terres selon les règles convenues. A notre époque la distinction entre terres communes et propriété privée repose sur le fait que ce n’est pas seulement une personne mais plusieurs qui sont responsables de l’exploitation d’un territoire ; quant à la distinction entre terres communes et propriété publique elle repose sur la différence dans le domaine de l’administration, à savoir la gestion par un groupe d’utilisateurs de droit et non par les pouvoirs publics.


nl

Een omschrijving van het fenomeen 'gemene gronden' Gemene gronden kunnen we in algemene termen omschrijven als gronden die gemeenschappelijk gebruikt en beheerd worden. Bewust nemen we het begrip 'eigendom' niet op in de omschrijving. Als we over het Ancien Régime (de periode vóór 1796) spreken, moeten we immers eerder denken in termen van verschillende rechten op grond en niet aan de absolute privaateigendom die we vandaag kennen. Een groep personen had het recht om de grond in kwestie op allerlei wijzen te exploiteren, afhankelijk van de aard van het goed en van de overeenkomst met de locale heer. Aan die gemeenschappelijke rechten hingen ook een aantal gemeenschappelijke plichten vast, met name het voeren van een beheer volgens de overeengekomen regels. Vandaag onderscheiden de (nog overblijvende) gemene gronden zich van privaat eigendom in die zin dat niet één maar veel mensen minder of meer bij de exploitatie van een gebied betrokken zijn. In tegenstelling tot publiek eigendom is het niet de overheid die het gebied gebruikt en beheert, maar de groep gebruiksgerechtigden.

Martina.demoor@Ugent.be

maanden besef ik dat het veel wilskracht en opofferingen heeft gevergd om dat doctoraat te behalen, terwijl ik ook nog buiten de universiteit, ondermeer in de milieubeweging, actief was. Het fantastische aan doctoreren is dat je intellectueel heel diep en ver kunt gaan in het thema dat je boeit. Daar staat tegenover dat je gedisciplineerd moet kunnen werken en over veel doorzettingsvermogen moet beschikken. Wil je als onderzoeker ook nog enigszins vernieuwend uit de hoek komen, dan moet je bovendien over een stevige portie lef en creativiteit beschikken. Persoonlijk meen ik dat ik als historica afwijk van de traditionele beschrijvende geschiedschrijving. Ik tracht zo interdisciplinair mogelijk te werken door methodes uit ondermeer de economie, de sociologie en de geografie op een analytische wijze te integreren. De factor tijd is voor mij vooral een extra dimensie, waarmee je bepaalde maatschappelijke fenomenen op een evolutionaire manier kunt (proberen te) verklaren. Die aanpak vergt niet alleen een extra inspanning, maar ook een risico, want je begeeft je ook wel eens op terreinen die je als historica niet zo goed kent. Dat maakt wetenschappelijk onderzoek des te spannender en interessanter.

je alle studenten iets wilt bijbrengen, moet je verstaanbaar zijn ; daarnaast wil je de kwaliteit van je vak hooghouden. Ik stimuleer zoveel mogelijk eigen initiatief en zelfstudie, omdat ik daar in mijn eigen studententijd ook veel uit geput heb. Naast mijn lessen staan er dit jaar veel lezingen op het programma en natuurlijk ook het publiceren van mijn doctoraat.

Hoe belangrijk is het doorgeven van je kennis voor jou ? Heel belangrijk, om de eenvoudige reden dat ik ervan overtuigd ben dat mijn onderzoek op verschillende vlakken maatschappelijk relevant is en dat ik met mijn onderzoeksresultaten een zinvolle bijdrage kan leveren tot het aanpakken van allerlei problemen. Lesgeven hoort daar bij, maar is voor mij zeker niet de enige manier om dat waar te maken. Ook als je publiceert, geef je iets door, is er een vorm van interactie. Het lesgeven confronteert je wel met je eigen onzekerheid. Omdat Extract uit de namenlijsten (bron : Rijksarchief Brugge) / Extrait du registre (source : Rijksarchief Brugge) uit / in M. De Moor en R. Debbaut, De Gemene en Loweiden in Assebroek en Oedelem, 1515-1965, Brugge, 2003, p.11.

10


Leren lezen Peter Van Vugt 1991

nl Peter Van Vugt was in 1991 laureaat van de Belgische Stichting Roeping. Zijn roeping beschreef hij toen als een lijn, waarvan de punten gedefinieerd zijn door het stelsel van vier assen : het wetenschappelijk inzicht en de overtuiging dat interdisciplinariteit de beste weg is om tot echt begrip van de fenomenen van de realiteit te komen ; het engagement tegenover de medemens ; een streven naar een betere erkenning van de neurolinguïst ; en de zelfrealisatie door de uitbouw van een academische loopbaan.

Peter Van Vugt is licentiaat in de Romaanse filologie, speciaal licentiaat in de neurolinguïstiek en sinds 4 september 2003 ook doctor in de medische wetenschappen. Die promotie behaalde hij aan de Universiteit Antwerpen (UIA) met het proefschrift Verworven en aangeboren leesstoornissen : onderzoek naar typerende, cognitieve psycholinguïstische effecten en functionele, hemisferische lateralisatie. Gedurende meer dan tien jaar heeft hij onderzoek verricht naar leesstoornissen. Hij heeft ervaring als leerkracht (Frans), maar ook als clinicus (ziekenhuizen en revalidatiecentra). Hij publiceert in internationale vaktijdschriften over neuropsychologische onderwerpen (alexie en dyslexie, auditieve hallucinose, hemispatieel neglect, neuropsychologische

aspecten van migraine, schrijfdwang bij neurologische patiënten, tactiele agnosie). In Vlaamse en Nederlandse onderwijsliteratuur verschenen allerlei bijdragen van zijn hand over leerstoornissen. Reeds verschillende jaren is hij docent in de opleidingen tot remedial teacher/zorgcoördinator (CBL-UA, België en Fontys Hogescholen, Nederland). Hij tracht leraren van zowel het basisonderwijs als het secundair onderwijs wegwijs te maken in het omgaan met leerlingen die met een of andere vorm van 'bijzonder gedrag' kampen (dyslexie, ADHD, migraine, faalangst…). Hij is een graag geziene spreker op pedagogische studiedagen ; ook ouderverenigingen doen geregeld een beroep op zijn vaardigheid om ingewikkelde dingen verstaanbaar uit te leggen.

Peter Van Vugt était déjà licencié en philologie romane et détenteur d’une licence spéciale en neurolinguistique. Depuis le 4 septembre 2003, il est également docteur en médecine de l’université d’Anvers (UIA). Dans le cadre de sa thèse de doctorat, il a étudié pendant plus de dix ans les troubles de la lecture acquis et innés. Il cumule une expérience professionnelle d’enseignant et de clinicien en hôpital et en centre de revalidation. Il a publié de nombreux articles dans des revues internationales spécialisées, sur des sujets tels que l’alexie et la dyslexie, l’hallucinose

auditive ou les aspects neuropsychologiques de la migraine. Dans la littérature pédagogique flamande et hollandaise, il est connu pour ses articles sur les troubles de la lecture. Depuis plusieurs années, Peter Van Vugt forme des enseignants de l’enseignement primaire et secondaire à l’encadrement d’élèves présentant des troubles de l’apprentissage (dyslexie, migraine, peur de l’échec,…). Conférencier apprécié de journées pédagogiques, il informe également des associations de parents qui souvent font appel à ses conseils.

fr En 1991, Peter Van Vugt obtenait une bourse de la Fondation Belge de la Vocation. A l’époque, il décrivait sa vocation comme reposant sur quatre piliers : l’interdisciplinarité, l’engagement social, la reconnaissance de la profession de neurolinguiste et la poursuite d’une carrière dans la recherche grâce à l’obtention d’un doctorat.

11


Sisesti Élisabeth Broekaert 1994

Elisabeth Broekaert volgde kunstfilm en fotografie aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Gent en ging zich daarna specialiseren in documentaire fotografie aan het gerenommeerde Gwent College of Higher Education in Wales, UK. De fotoessays die ze daar maakte van de moederen-baby-afdeling van de Askham Grangegevangenis in York en van de fans van de koninklijke familie zijn in The Sunday Correspondent gepubliceerd. Na haar thuiskomst werkte ze als freelance fotografe voor verschillende kranten en tijdschriften. Haar grootste passie is

documentaire fotografie gebleven. Als laureate van de Belgische Stichting Roeping trok ze in 1995 naar Maine. Daar maakte ze een portret van de familie Moulton. Die fotoreeks, ‘Meet the Moultons’, is meermaals gepubliceerd en tentoongesteld. Het boek en de gelijknamige tentoonstelling ‘Let’s stick together’ (1999) over liefde en huwelijksrituelen is unaniem lovend onthaald. http://www.elisabeth.broekaert.com

12


nl ‘Oude liefdes’ - Sisesti ‘Oude liefdes’ is een project waarbij twee kunstenaars de confrontatie aangaan met een oude liefde van één van hen. Van die confrontatie (en het verhaal daarrond) wordt een verslag gemaakt door beide kunstenaars, elk binnen hun discipline. Het eerste verhaal binnen die reeks gaat over Sisesti, een dorpje in Noord-Roemenië waar zanger Geert Hautekiet 10 jaar geleden tijdens een toevallige passage zijn hart heeft verloren. Onaangekondigd trekt hij samen met fotografe Elisabeth Broekaert terug naar het dorp om te zien wat er van de mensen is geworden. Het audioverslag en beeldverslag worden samen gebundeld in een fotoboekje-met-CD. ‘Oude liefdes’ wordt uiteindelijk een reeks van intrigerende verhalen. De radioreportage 'Oude Liefdes - Sisesti' werd uitgezonden op radio 1 op 3 mei 2003. Dit is een voorpublicatie van enkele foto's uit die reeks. De originele kleurfoto’s werden omgezet naar zwart-wit. De tekstfragmenten komen uit de klankreportage.

13


Danuts staart voor zich uit. Zijn bonkig hoofd in zijn ruwe handen. Zijn poten op tafel. Hij heeft iets van een Neanderthaler. Een Neanderthaler in rust. Hij gromt ook zo. Hij grijst. Zijn vuisten tegen zijn voorhoofd. Zijn vingerknoken kraken. In het weekend is hij de puber die hij eigenlijk tien jaar geleden had moeten zijn. Voetbal op zondag. Niet meer naar de kerk en drinken. Ongelooflijk veel drinken. Bier met een snuifje zout op de flessentuit afgewisseld met zelfgebrouwen tsuica. 26 is hij nu en hij heeft nog altijd geen lief. Of ik er in België geen kan vinden voor hem ? Daar kraken de knoken weer. Hij lacht zoals alleen Neanderthalers dat kunnen : huhuhu. Tijdens de week is hij een werkpaard. Een brons bloot mannenbovenlijf dat blinkt van het zweet. Permeke in een decor van de Witte van Zichem. Een door en door goede gast. Zonder lief. Op z'n kar door het dorp : "Ju ! Ju !" Werk zien en hard werken. De ideale boerenschoonzoon. Alleen zijn er geen boerendochters meer. Die wonen in de stad en hebben boekhoudkunde gestudeerd. Het is niet meer wat het geweest is. Jammer. Het zag er immers allemaal heel simpel uit. Al generaties

lang hard, maar heel simpel. Jammer. Danuts staart. In januari wil hij naar Ilatië. Net als Bokdan drie jaar geleden. "Als je hoort wat die daar verdient ! Jongens, drie maanden werken en ik kan er drie jaar tegen." Ik kijk hem aan en weet gewoon dat hij niet weet wat hij zou moeten weten. Och, jongen toch. Het ga je goed. Ik vrees ervoor, maar ik meen het wel. Tsuica is een alcoholische drank die wordt gestookt van pruimen. Dat doen ze in een gemeenschappelijke stokerij van het dorp. "La Multsan !" "Een gelukkig jaar !" "No roc !" "Veel geluk !" en ze wensen me bovendien bij elk glas tsuica telkens weer een goede gezondheid toe. Vriendelijke jongens, die Roemenen. Een goede gezondheid, hm. Alleen brandt het zelfgestookte spul zich bij elke slok dieper in m'n lijf. Ik voel me na enkele dagen gastvrij Sisesti één en al verbrand gat. Ik krijg het zelfs niet meer doorgeslikt. Het verdwijnt gewoon ergens. Ik weet niet waar. Het doet pijn en het verdwijnt. Punt. En ik heb absoluut geen karakter. Ik verbrand dus gewoon verder. La Multsan.

14


fr ‘Oude liefdes’ est un projet commun de deux artistes partant à la recherche d’un de leurs amours passés. Autour de cette confrontation se tisse une histoire. Chaque artiste rapporte à sa manière le vécu de cette expérience. La première histoire de cette série se situe à Sisesti, un village du nord de la Roumanie, dont le chanteur Geert Hautekiet est tombé amoureux il y a dix ans lors d’un passage fortuit. Sans s’annoncer, il y est retourné accompagné de la photographe Elisabeth Broekaert pour voir ce que les habitants étaient devenus. Les récits audio et visuel seront édités ensemble sous la forme d’un livre photo avec CD. ‘Oude liefdes’ rassemblera des histoires étonnantes. Le reportage radio 'Oude Liefdes - Sisesti' a été diffusé à radio 1 le 3 mai 2003. Elisabeth Broekaert a sélectionné quelques photos tirées de son reportage. Celles-ci sont publiées pour la première fois. Les originaux en couleurs ont été convertis en noir et blanc. On y découvre les membres de la famille qui a accueilli Geert il y ad dix ans : mama Maria, son mari Johan et leur fils Danuts. Johan vit dans les montagnes avec son troupeau de chèvres et de moutons. Danuts, lui, est ouvrier et rêve de partir travailler en Espagne ou en Italie comme son ami Bokdan. Les autres images montrent la fabriction de la tsuica, une liqueur à base de prunes, et les femmes priant à l’église.

15


Agenda C O N C E RT Tony Nys (Quatuor Danel) 20/12 20.30 21/12 12.30 21/12 20.30 Around Weinberg's String Quartets Het muziekcentrum Prins Bernhardstraat 4-6 5200 BL 's Hertogenbosch T. : +31 (73) 6 122 123 F. : +31 (73) 6 138 297 info@hetmuziekcentrum.net

EXPOSENT | STELLEN TENTOON Ana Torfs « à… à… aaah ! » Ecrans Dark Pictures Redites Essais de frontispice et autres vignettes 22/11/03 – 18/01/04 Tous les jours de midi à 21h Dagelijks van 12u tot 21u ‘Het Kabinet’ Wintertuinstraat 23, 9000 Gent INFO : 09 233 01 91 http://users.pandora.be/het-kabinet

Bénédicte Henderick Monographies d’artistes, Centre Culturel Wolu-Culture, La Médiatine, Bruxelles. 22/11 au 21/12/2003

News SITE

R E P O RTA G E

Nicolas Deletaille, violoncelliste lauréat de la promotion 2002, et sa compagne Nathalie ont entrepris fin septembre 2003 un voyage autour du monde qui durera un an environ. L'itinéraire les conduira du bassin méditerranéen à l'extrémité orientale de la Chine par le plus de détours possibles. Ils reviendrons ensuite vers l'Europe, probablement par la Mongolie et la Russie. Sur le site http://cellotravel.site.voila.fr vous trouverez les belles photos de ce voyage, ainsi que des textes divers écrits au fur et à mesure.

Reportage photo réalisé en Ituri (Congo) du 3 au 17 octobre 2003 par Christophe Smets / Luna avec l’ONG Aviation Sans Frontières Belgique. Reportage écrit de Cyrus Pâques publié sous la forme de deux articles dans Le Soir du 31/10 et du 04/11.

Dans le camp d’une milice Lendu, Mahagi

Défilé scolaire pour la Paix, Mahagi

MUSIQUE | MUZIEK Denis Sung-Hô a été nommé Rising Star pour la saison 2004-2005. Vous aurez la chance de l’entendre prochainement sur les grandes scènes belges, européennes et américaines.

16


Vocatio est la revue trimestrielle de la Fondation Belge de la Vocation. Lancé en février 2001, ce magazine a pour but de faire connaître l’action de la Fondation par le biais des projets de ses lauréats. La Fondation Belge de la Vocation fut créée en 1963 par Emile Bernheim à l’exemple de la Fondation française de la Vocation fondée par Marcel Bleustein-Blanchet. Chaque année la Fondation décerne une quinzaine de bourses de 10 000 € à des jeunes de nationalité belge ayant entre 18 et 30 ans et pouvant témoigner d’une véritable vocation. Elle leur donne l’appui financier et le soutien moral nécessaires pour l’accomplir et ce dans des domaines d’activités aussi divers que la médecine, les arts plastiques, le cinéma, la recherche scientifique, la littérature, etc. Elle attribue également une bourse spéciale de 25 000 €, le Trèfle d’Or, décernée à un ancien lauréat pour distinguer un projet non commercial situé dans la lignée de la vocation déjà reconnue.

Vocatio is het driemaandelijkse tijdschrift van de Belgische Stichting Roeping. Het is in februari 2001 opgericht en heeft tot doel de Stichting bekend te maken via de projecten van haar laureaten. Emile Bernheim heeft de Belgische Stichting Roeping in 1963 opgericht naar het voorbeeld van de Fondation française de la Vocation, gesticht door Marcel Bleustein-Blanchet. Elk jaar reikt de Stichting beurzen van 10 000 € uit aan een vijftiental jonge Belgen die tussen achttien en dertig jaar oud zijn en die kunnen getuigen van een werkelijke roeping ; de beurs verschaft hen de morele en materiële middelen om ze te realiseren. Alle domeinen komen in aanmerking : geneeskunde, literatuur, plastische kunsten, film, wetenschappelijk onderzoek… De Gouden Klaver is een speciale beurs van 25 000 € . Ze wordt jaarlijks door de Stichting uitgereikt en bekroont een niet-commercieel project van een oud-laureaat dat in de lijn ligt van de eerder erkende roeping.

Fondation Belge de la Vocation Belgische Stichting Roeping Sous le haut patronage de Sa Majesté la Reine Fabiola Onder de hoge bescherming van Hare Majesteit Koningin Fabiola Albertinaplein 2, 1000 Brussel Tel. 02 213 14 90 | Fax 02 213 14 95 E-mail : fbv.bsr@online.be Website : www.stichtingroeping.be Het secretariaat is open op maandag, dinsdag en donderdag van 8.30 tot 12.30 uur en van 13.30 tot 17 uur ; op woensdag en vrijdag enkel van 8.30 tot 12.30 uur.

Place de l’Albertine 2, 1000 Bruxelles Tél. 02 213 14 90 | Fax 02 213 14 95 E-mail : fbv.bsr@online.be Site internet : www.fondationvocation.be Le secrétariat est ouvert lundi, mardi et jeudi de 8h30 à 12h30 et de 13h30 à 17h, mercredi et vendredi de 8h30 à 12h30.

Conseil d’administration | Raad van bestuur

Jury

Président d’honneur | Erevoorzitter Claude Wielemans

Président | Voorzitter : Chevalier Evers Vice-président | Ondervoorzitter : Chevalier Leduc

Président | Voorzitter Edouard Jakhian Vice-présidents | Ondervoorzitters Chevalier Evers Baronne Vaxelaire Chevalier Leduc Trésorier | Schatbewaarder Pierre Konings Secrétaire général | Secretaris-generaal Edouard De Ruydts

Membres | Leden Christine Boël Jacques Coerten Rik De Nolf François Desclée de Maredsous Frie Dierickx Visschers Jacques Dopchie Paul Dujardin Roger Forthomme Emmanuel Janssen Pierre Konings Vicomte Louis le Hardÿ de Beaulieu Mme Jean Michiels Baron Philippson Jacques Planchard Stéphane Rosenblatt Baudouin Ruquois Dominique Snyers Jacques-Ch. Vanden Schrieck Baron Velge Paul Washer

Ludo Bekkers Gabriel Belgeonne Jean Bingen Thierry Boon Hugues Boucher Baron Coninx Lydia De Pauw-Deveen Eric Desoppere Annie Devreese-Declerck Rafaël D’Haene Jan Gybels

Baron Kesteloot Christian Koninckx Pierre Laroche Vicomte Louis le Hardÿ de Beaulieu Marc Mendelson Guy-Roland Pâque Luc Putman Gustave Stoop François Terlinden Pierre Van Damme

Secrétariat | Secretariaat Déléguée générale | Algemeen afgevaardigde Sylviane Jacquet de Haveskercke sjacquet.fbvbsr@online.be Déléguée | Afgevaardigde Nicole Gautier Secrétaires | Secretaresses Bernadette Stevens Régine de Renesse

G RAPHISME | V ORMGEVING RÉDACTION | REDACTIE

Marie-Hélène Grégoire Séverine Windels swindels.fbvbsr@online.be Nadine Wampach, Jan H. Verbanck

RELECTURE | HERLEZING É DITEUR RESPONSABLE | V ERANTWOORDELIJKE UITGEVER Edouard Jakhian, Albertinaplein 2 place de l’Albertine, Bruxelles1000 Brussel


oitacov


Vocatio 12 - 2003