Page 1

.v . du 'A ct ie fb ht E rig

op y

Cursus:

C

Plan van aanpak voor zelfredzaamheid


Edu’Actief b.v. Meppel Postbus 1056 7940 KB Meppel Tel.: 0522-235235 Fax: 0522-235222 E-mail: info@edu-actief.nl Internet: www.edu-actief.nl

op y

rig

Colofon Uitgeverij

ht E

du 'A ct ie fb

> Inhoud 1 > Over deze cursus 2  > Een plan opstellen 5  > De doelgroep 12  > Zelfredzaamheid 14  > Reflectie 18  > Theoriebron 1: Methodisch werken 20  > Theoriebron 2: SMART 22  > Theoriebron 3: Ontwikkelingsfasen van kinderen 23  > Theoriebron 4: Zelfredzaamheid van kinderen 25  > Theoriebron 5: Evalueren 28  > Werkmodel: Samenwerkingscontract 29  > Werkmodel: Cursusplanning 30  > Werkmodel: Activiteitenformulier 31  > Beoordelingsformulier 35  > Specificaties 37 

.v .

> Inhoud

Betty Engelsma en Edu'Actief en ROC Mondriaan Plan van aanpak voor zelfredzaamheid Binnenwerk: DBD design / Ruurd de boer, omslag: Tekst in Beeld / Hubi de Gast *Clairity, Hortongrou, Ned, Uitgeverij Edu’Actief b.v.

ISBN Copyright

978 90 3720 371 4 © 2010 Uitgeverij Edu’Actief b.v.

C

Auteurs Titel Vormgeving Foto’s

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, microfilm, fotokopie of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikelen 16h t/m 16m Auteurswet 1912 jo. Besluit van 27 november 2002, Stb. 575, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoeding te voldoen aan de Stichting Reprorecht te Hoofddorp (Postbus 3060, 2130 KB) of contact op te nemen met de uitgever voor het treffen van een rechtstreekse regeling in de zin van art. 16l, vijfde lid, Auteurswet 1912. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.


> Over

deze cursus

In deze cursus maak je kennis met het opzetten van een plan van aanpak. Daarnaast maak je kennis met de doelgroepen: peuter, kleuter en schoolkind. In deze cursus zet je ook zelf een activiteitenplan op om de zelfredzaamheid bij jonge kinderen te vergroten.

Doelstellingen Je kunt een omschrijving geven van het werk van de onderwijsassistent of pedagogisch werker. Je kunt een plan van aanpak opzetten op basis van een gegeven format. Je kunt uitleggen wat het belang is van zelfredzaamheid ontwikkelen. Je kunt een activiteitenplan opzetten voor een kind dat tot grotere zelfredzaamheid leidt.

Beoordeling

Je toekomstige collega

du 'A ct ie fb

Je wordt op verschillende punten beoordeeld. Kijk voor deze punten achter in dit boek. Belangrijke punten bij de beoordeling zijn: • actieve deelname aan de lessen • afgeronde processtappen voor het maken van het plan van aanpak en het werkmateriaal • nette uitwerking van de opdrachten • een correct plan van aanpak • extra: een folder over zelfredzaamheid.

.v .

• • • •

Jildert de Groot

Werkzaam bij:

Basisschool De Boldert

Medewerkers:

8 leerkrachten, 2 onderwijsassistenten, een directeur

Werkzaam als:

ht E

Naam:

Onderwijsassistent

rig

Soort werkzaamheden:

op y

Over de werkomgeving:

C

Wat is leuk aan je werk:

De leerkracht ondersteunen bij handvaardigheidlessen, lezen met kinderen die daar moeite mee hebben, zorgen dat er bij lessen voldoende materialen zijn.

Het team waarmee ik werk is erg leuk. We hebben altijd veel lol met elkaar. Ons gebouw is eigenlijk te klein. Dat komt omdat onze school is gegroeid. De kinderen in de onderbouw vind ik hartstikke leuk, die hebben altijd van die prachtige verhalen. Laatst zei zo’n onderbouwer tegen mij: “Ik vind je de allerliefste meester.” Nou, dan is mijn dag weer goed.

Grootste blunder:

Ik was laatst lekker bezig met een groepje leerlingen waardoor ik de tijd helemaal vergat. De ouders stonden op het schoolplein maar te wachten.

Waar werk je aan:

Een opzet maken voor een ouderavond. Deze opzet maak ik samen met een collega.

2

Plan van aanpak voor zelfredzaamheid


Beroepsproduct 1: Plan van aanpak Dit beroepsproduct inleveren voor: In tweetallen stel je een plan van aanpak op voor een kind uit je stage of omgeving. Het plan van aanpak moet beschrijven hoe zelfredzaamheid bevorderd kan worden. Als je geen stage loopt of geen kind in je omgeving kent, kun je in overleg met je docent de onderstaande casus gebruiken: Maak een planning voor deze cursus. Maak eerst een planning voor de beroepsproducten. Werkmodel: Cursusplanning

du 'A ct ie fb

.v .

Casus: Jan Jan is 2,5 jaar en net wakker geworden uit zijn middagslaapje. Hij doet verwoede pogingen om zijn sokken aan te trekken. Annet, een van de groepsleidsters van Jans groep, wil hem helpen. Marion, haar collega, zegt tegen Annet dat Jan het zelf wel kan. Annet vindt het zielig voor Jan, want hij is er al een tijdje mee bezig. Zij vindt dat zeker jonge kinderen nog geholpen moeten worden.

Werkmodel: Samenwerkingscontract

ht E

Annet ergert zich aan de ‘harde’ aanpak van Marion. Ze werkt nog maar kort samen met Marion, die al heel wat jaren ervaring heeft, waardoor Annet haar ergernis niet bespreekbaar durft maken. In de werkbespreking met leidinggevende Kuldeep komt het toch aan de orde. Marion met haar stokpaardje: wat kinderen zelf kunnen, moeten ze ook zelf doen, want dat geeft ze zelfvertrouwen. En Annet met haar mening dat in de kinderopvang ook ruimte moet zijn voor ‘lekker verwennen’. Om hier uit te komen, bedenkt Kuldeep dat ze samen voor Jan een plan van aanpak moeten schrijven waarin ze aangeven hoe ze zijn zelfredzaamheid kunnen stimuleren bij aankleden.

rig

Processtappen • Maak een taakverdeling en een planning. • Kies een kind en een onderwerp waarin zelfredzaamheid bevorderd kan worden. • Maak een ontwerp van je plan van aanpak volgens de stappen van de cyclus van methodisch werken. • Maak het plan van aanpak.

op y

Je moet elke processtap af laten tekenen door je docent, voordat je aan de volgende processtap begint.

C

Eisen aan het plan van aanpak • Bouw je plan van aanpak op volgens de cyclus van methodisch werken. • Behandel in elk geval de volgende onderwerpen in je plan van aanpak: – beginsituatie Bespreek het ontwikkelingsniveau van het kind en wat het kind kan en nog niet kan met betrekking tot aankleden. In dit hoofdstuk beschrijf je ook jouw observaties. – doelen Beschrijf hier wat je wilt bereiken met de begeleiding. Doe dit SMART. – voorbereiding Beschrijf het plan van aanpak en welke voorbereidingen je moet treffen. – uitvoering Beschrijf hier welke activiteiten je gaat doen met de cliënt en wat de begeleiding inhoudt. – evaluatie – Beschrijf hier hoe je de begeleiding gaat evalueren.

© Uitgeverij Edu'Actief b.v.

3


*Beroepsproduct 2: Werkmateriaal Dit beroepsproduct inleveren voor: Je kunt je cliënt/leerling natuurlijk geen plan van aanpak laten lezen. Maak materiaal voor het kind zodat het begrijpt wat het doel is en wat het moet doen. Je kunt denken aan werkmateriaal als: • uitlegkaarten • een werkschrift • dagritmekaarten.

du 'A ct ie fb

.v .

Processtappen • Maak een taakverdeling en een planning. • Kies hoe je werkmateriaal eruit gaat zien. • Maak een ontwerp van je werkmateriaal. • Maak het werkmateriaal.

Je moet elke processtap af laten tekenen door je docent, voordat je aan de volgende processtap begint. Eisen aan het werkmateriaal Het werkmateriaal moet aansluiten bij het niveau van het kind. Het werkmateriaal moet aansluiten bij de leefwereld van het kind. Het werkmateriaal moet aantrekkelijk zijn vormgegeven. Het werkmateriaal moet voor het kind heel duidelijk zijn.

• • • •

C

op y

4

Taal

Taal

Lees alle vet/cursief gedrukte woorden in deze cursus. Noteer de woorden in de woordenlijst met daarbij telkens de betekenis. Alle woorden die je tijdens deze cursus tegenkomt en niet kent, noteer je met de betekenis op de woordenlijst. Na afloop van de cursus neem je dit overzicht op in je taalportfolio.

rig

Taal

ht E

Taal

Plan van aanpak voor zelfredzaamheid

Werkmodel: Woordenlijst op www.factor-e.nl


> Een

plan opstellen

Doelstellingen • • • • • •

Je kunt aangeven wat het belang is van methodisch werken. Je kunt omschrijven hoe de cyclus van methodisch werken wordt gebruikt. Je kunt een eenvoudig plan opstellen aan de hand van de cyclus van methodisch werken. Je kunt van een doelstelling zeggen of deze wel of niet SMART is. Je kunt een doelstelling SMART formuleren. Je kunt in eenvoudige gevallen een activiteit bedenken waarmee je een doelstelling kunt realiseren.

du 'A ct ie fb

.v .

Sommige van de jongste kinderen op de school van Jildert hebben in het begin vaak heimwee. Enkele collega’s hebben daarom een plan opgesteld waarin staat hoe hier in de onderbouw mee moet worden omgegaan. Deze collega’s hebben goed over de heimwee nagedacht en daarover ook navraag gedaan bij andere scholen. Ook hebben ze ideeën van internet verzameld. Het plan van aanpak is verspreid onder de collega’s, zodat iedereen weet hoe hij hiermee moet omgaan.

ht E

In alle professionele instellingen en organisaties werkt men met een plan. Het voordeel van een plan is dat je van tevoren nadenkt over hoe je het zult aanpakken. Een ander voordeel van een plan is dat alle betrokkenen op dezelfde manier omgaan met de kinderen die heimwee hebben. Als professional moet jij een plan kunnen lezen en opstellen.

Opdracht 1: Jouw opleidingsplan Maak een klein opleidingsplannetje voor jezelf. Doe dat door in te gaan op de volgende zaken: Beginsituatie

rig

Theoriebron 1: Methodisch werken

op y

Wie ben je? ______________________________________________________________________________________________________________ Wat is je vooropleiding? ____________________________________________________________________________________________

C

Heb je ervaring met kinderen? ___________________________________________________________________________________ Doelen

Wat wil je bereiken met deze opleiding?_____________________________________________________________________

Theoriebron 5: Evalueren

________________________________________________________________________________________________________________________________ Wat wil je behalve een vak leren met deze opleiding? _________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________ Wanneer is dat bereikt? _____________________________________________________________________________________________ Voorbereiding Wat heb je nodig voor deze opleiding? _______________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________

© Uitgeverij Edu'Actief b.v.

5


Wat kost deze opleiding? __________________________________________________________________________________________ Wanneer is de opleiding klaar? __________________________________________________________________________________ Uitvoering Wat is belangrijk bij het volgen van de opleiding? _______________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________ Hoe ga je zorgen dat je het haalt? ______________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________ Evaluatie

.v .

Hoe ga je bepalen of je je doelen hebt bereikt? ___________________________________________________________

________________________________________________________________________________________________________________________________

du 'A ct ie fb

Wanneer doe je dat? _________________________________________________________________________________________________

________________________________________________________________________________________________________________________________ Bespreek dit plan in je groep. Ieder groepslid stelt drie vragen over je plan.

Is het plan voor iedereen duidelijk? Waarom is het wel of niet duidelijk? _______________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________

Opdracht 2: Methodisch werken

•

ht E

Op basisschool De Boldert wil men een plan van aanpak maken over hoe om te gaan met kinderen met heimwee. Dat wil men doen volgens de cyclus van methodisch werken. Een van de collega’s heeft een opzet gemaakt. Vul die aan.

Beginsituatie: Onderzoek waarom kinderen heimwee hebben. ____________________

rig

________________________________________________________________________________________________________________________________ Doelen: Moet ik over nadenken.. _______________________________________________________________________

op y

________________________________________________________________________________________________________________________________ Voorbereiding: Ouders betrekken, opschrijven wat we gaan doen. ______________ ________________________________________________________________________________________________________________________________

C

________________________________________________________________________________________________________________________________

Uitvoeren: __________________________________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________ Evaluatie: We houden elke week bij hoeveel kinderen heimwee hebben. _____ ________________________________________________________________________________________________________________________________

Opdracht 3: De cyclus van methodisch werken Op basisschool De Boldert heeft een ander team voor de onderbouw een plan van aanpak opgesteld om kinderen met dyslexie te begeleiden.

6

Plan van aanpak voor zelfredzaamheid


Noteer hieronder achter elke activiteit om welk onderdeel van de cyclus van methodisch werken het gaat. Alle betrokken collega’s informeren. __________________________________________________________________________ Een plan schrijven. ____________________________________________________________________________________________________ Een avond met ouders organiseren. ___________________________________________________________________________ Inventariseren om welke kinderen het gaat. _______________________________________________________________ Het plan op papier zetten en uitwerken. ____________________________________________________________________ Kinderen extra aandacht geven met lezen. _________________________________________________________________ De ervaringen met ouders bespreken. ________________________________________________________________________

.v .

Achtergronden over dyslexie zoeken. _________________________________________________________________________ Met een deskundige praten. _____________________________________________________________________________________

Opdracht 4: Plannen

du 'A ct ie fb

Geld voor speciale leermiddelen aanvragen bij de directie. __________________________________________

Het is belangrijk om het plan van aanpak goed voor te bereiden. In deze voorbereidingsfase stel je vast wat het doel is van het plan van aanpak en welke activiteiten je wilt gaan doen met de cliënt/doelgroep.

Beschrijf in de volgende tabel wat je allemaal moet voorbereiden voor het plan van aanpak op basisschool De Boldert over hoe kinderen met dyslexie begeleid moeten worden. Je kunt hiervoor onder andere de gegevens gebruiken uit opdracht 3.

Planningsschema

ht E

rig

Welke personen zijn betrokken bij het plan van aanpak? Hoe ga je deze mensen inlichten over het plan?

op y

Wie begeleidt de activiteiten en de deelnemers?

C

Wie heeft de leiding bij de uitvoering?

Welk materiaal en welke middelen heb je nodig bij de uitvoering van je plan van aanpak? Wanneer ga je het plan van aanpak uitvoeren?

Waar ga je het plan van aanpak uitvoeren?

Wat zijn overige opmerkingen en aandachtspunten?

© Uitgeverij Edu'Actief b.v.

7


Opdracht 5: Persoonlijke doelstellingen Voor een plan heb je een doel nodig. Wat is jouw persoonlijke plan?

•

Formuleer voor jezelf enkele doelstellingen die je wilt nastreven. Vraag je groepsgenoten je te adviseren voor de kolom 'Wat moet ik doen?'.

Wat wil ik bereiken?

Wat moet ik doen?

ht E

Mijn doelstelling voor vrije tijd:

op y

rig

Mijn doelstelling voor relaties en contacten:

C

Mijn doelstelling voor leren en vorming:

8

Wanneer?

du 'A ct ie fb

Mijn doelstelling voor wonen:

.v .

Persoonlijke doelen van: _________________________________________________________________________

Plan van aanpak voor zelfredzaamheid


Opdracht 6: Doelen en acties Als je de doelen hebt geformuleerd, is het tijd om te bedenken hoe je die doelen kunt vertalen in actie. Op de volgende bladzijde staan enkele doelen en enkele acties. Trek een lijn tussen het doel en de actie die erbij hoort.

Opdracht 7: SMART

du 'A ct ie fb

.v .

Doelen die je formuleert moeten duidelijk zijn. Iedereen moet begrijpen wat je ermee bedoelt. Deze doelen moeten voldoen aan de SMART-formule. Noteer waar de letters S, M, A, R en T voor staan.

ht E

Theoriebron 2: SMART

S = ___________________________________________________________________________________________________________________________ M = _________________________________________________________________________________________________________________________

rig

A = _________________________________________________________________________________________________________________________ R = ___________________________________________________________________________________________________________________________

op y

T = __________________________________________________________________________________________________________________________ Formuleer de onderstaande doelstellingen opnieuw zodat deze SMART zijn.

Bedoeling en doelstelling Er is een groot verschil tussen ‘Het is mijn bedoeling om een diploma PW te halen’ en ‘In 2012 haal ik mijn diploma PW’.

C

Ik wil een leuke baan. _______________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________

De kinderen moeten het naar hun zin hebben.____________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________ Ik wil in de eerste periode van mijn studie vier toetsen met een voldoende halen. __________ ________________________________________________________________________________________________________________________________

© Uitgeverij Edu'Actief b.v.

9


Opdracht 8: SMART of niet SMART? •

Hieronder staan enkele doelstellingen. Geef aan of ze SMART zijn geformuleerd. S ja/nee/?

M ja/nee/?

A ja/nee/?

R ja/nee/?

T ja/nee/?

Ik word goed in volleybal. Als ik van school kom, heb ik een baan waarmee ik per maand € 4.000,- verdien.

.v .

Bij de volgende toets van Nederlands ga ik geen enkele spellingfout maken.

du 'A ct ie fb

Binnen een maand heb ik alle achterstand in de studie weggewerkt. Volgende week organiseren wij een bijeenkomst voor senioren waarvan na afloop 80% van de deelnemers zegt dat het voor herhaling vatbaar is. Voor de activiteitenmiddag maak ik binnen twee weken geld vrij bij de gemeente.

Opdracht 9: Doelen formuleren

ht E

Jildert en zijn collega maken een opzet voor een ouderavond. • Formuleer drie doelstellingen volgens de SMART-formule voor deze ouderavond.

1. ______________________________________________________________________________________________________________________________ _________________________________________________________________________________________________________________________________

rig

2. ______________________________________________________________________________________________________________________________ _________________________________________________________________________________________________________________________________

op y

3. ______________________________________________________________________________________________________________________________ _________________________________________________________________________________________________________________________________

C

Opdracht 10: Persoonlijke doelen SMART formuleren •

Noteer je persoonlijke doelen uit opdracht 7 volgens de SMART-methode.

Wat wil ik bereiken? Mijn doelstelling voor wonen:

10

Plan van aanpak voor zelfredzaamheid

Doelstelling SMART geformuleerd


Wat wil ik bereiken?

Doelstelling SMART geformuleerd

Mijn doelstelling voor vrije tijd:

.v .

Mijn doelstelling voor relaties en contacten:

C

op y

rig

ht E

du 'A ct ie fb

Mijn doelstelling voor leren en vorming:

Š Uitgeverij Edu'Actief b.v.

11


> De

doelgroep

Doelstellingen • •

Je kunt een beknopte omschrijving geven van de doelgroepen: peuters, kleuters en jonge schoolkinderen Je kunt de ontwikkelingsfasen van een kind beknopt beschrijven. Daarbij gebruik je begrippen als 'motorische ontwikkeling', 'cognitieve ontwikkeling' en 'sociaal-emotionele ontwikkeling'. Je kunt de belangrijkste kenmerken van de peuters, kleuters en jonge schoolkinderen aangeven. Je kunt de rol van ouders en opvoeders benoemen bij de ontwikkelingstaken.

• •

Geef een omschrijving van de drie doelgroepen en noteer wat volgens jou kenmerken zijn van deze doelgroepen.

Peuter _____________________________________________________________________________________________________________________

________________________________________________________________________________________________________________________________ Kleuter _____________________________________________________________________________________________________________________

________________________________________________________________________________________________________________________________ Jong schoolkind ________________________________________________________________________________________________________

ht E

________________________________________________________________________________________________________________________________

Opdracht 12: Je eigen ontwikkeling Probeer te achterhalen hoe jouw eigen ontwikkeling is verlopen. Vraag je ouders/verzorgers hoe je mijlpalen verliepen. Je kunt de tabel aanvullen met mijlpalen die je zelf belangrijk vindt.

op y

Mijlpaal

rig

Theoriebron 3: Ontwikkelingsfasen van kinderen

du 'A ct ie fb

In de kinderopvang en in de onderbouw van de basisschool kom je verschillende doelgroepen tegen. Bijvoorbeeld peuters, kleuters en jonge schoolkinderen.

.v .

Opdracht 11: De doelgroep

Wanneer?

Voor het eerst lopen

C

Plassen op het potje

Wisselen van het melkgebit Eerste schooldag Veterstrikken

12

Plan van aanpak voor zelfredzaamheid

Hoe ging het?


Opdracht 13: Ontwikkeling en mijlpalen •

Plaats onderstaande mijlpalen in de ontwikkeling van een kind in de tabel. zitten, kruipen, lopen, klimrek, sporten, eigen wil, hechten aan ouders, kunnen inleven in een ander, samenwerken, klanken herkennen, zinnetjes gebruiken, voorwerpen bij elkaar zoeken, fantasie en realiteit scheiden.

Ontwikkelingsgebied Æ Ontwikkelingsfase

Motorische ontwikkeling

Sociaal-emotionele ontwikkeling

Cognitieve ontwikkeling

du 'A ct ie fb

.v .

Baby

Peuter

Kleuter

Bedenk meer mijlpalen in de ontwikkeling van het kind. Ook deze noteer je in de tabel.

C

op y

rig

ht E

Jong schoolkind

© Uitgeverij Edu'Actief b.v.

13


> Zelfredzaamheid Doelstellingen • • • • • • •

Opdracht 14: Aanpak in het verkeer Lees de volgende drie verkeerssituaties en beschrijf wat je vindt van de aanpak.

Drie verkeerssituaties

du 'A ct ie fb

A. Een jongen houdt zijn kleine broertje bij de hand. De kleuter let op alles behalve op het verkeer. De grote broer trekt aan hem en zegt: “Nu vlug, oversteken!” Nog achteromkijkend naar een hond laat de kleine jongen zich meeslepen.

B. Een moeder brengt haar zoontje naar school. Hij moet een drukke weg oversteken. “Zeg jij nu eens wanneer we kunnen oversteken”, zegt de moeder. Het kind zegt een poosje later dat het kan. “Heb je goed gekeken? Ook naar die kant?”, vraagt moeder, terwijl ze wijst naar een naderende fietser. Ze overleggen en vinden vervolgens dat even later de kust veilig is. “Je kunt het nu bijna alleen”, prijst de moeder hem.

op y

rig

ht E

C. Een sinds kort visueel gehandicapte vrouw, die bijna niets meer ziet, oefent met haar begeleider bij het oversteken. Ze beweegt de roodwitte stok aarzelend langs de stoeprand. “Zeg jij het alsjeblieft. Kunnen we over?”, vraagt ze onzeker. “Ik zeg niets”, zegt de begeleider. “Je moet het nu zelf weten.”

A. _________________________________________________________________________________________________ _________________________________________________________________________________________________

C

B. __________________________________________________________________________________________________ _________________________________________________________________________________________________

C. _________________________________________________________________________________________________ _________________________________________________________________________________________________

Bespreek je mening in je groep. Over welke aanpak verschillen jullie van mening?

14

.v .

Je kunt aangeven wat het belang is van zelfredzaamheid bij kinderen. Je kunt van een aanpak zeggen of dit de zelfredzaamheid bevordert of niet. Je kunt beschrijven wat de rol van activiteiten is bij zelfredzaamheid ontwikkelen. Je kunt enkele activiteiten bedenken die de zelfredzaamheid vergroten. Je kunt aangeven wat het belang van zelfvertrouwen is in de ontwikkeling van een kind. Je kunt van gedrag aangeven of dat het zelfvertrouwen vergroot. Je kunt tips geven om het zelfvertrouwen van een kind te versterken.

Plan van aanpak voor zelfredzaamheid


Opdracht 15: Activiteiten en ontwikkeling De ontwikkeling van een kind kun je stimuleren door activiteiten. Zo ontwikkel je bijvoorbeeld de grove motoriek door met een bal te spelen.

Theoriebron 4: Zelfredzaamheid van kinderen

Noteer in de volgende tabel welke gebieden worden ontwikkeld door de genoemde activiteiten.

Activiteit

Ontwikkelingsgebied

.v .

Gymnastiek

Een tekening maken Over een lijn lopen Spelletje memory

du 'A ct ie fb

Speelwerken in de hoek

Prentenboek voorlezen waarin kleine beer bang is in het donker

ht E

Kringgesprek voeren over verlegen zijn

Opdracht 16: Een activiteit voor de fijne motoriek Bedenk twee activiteiten die de fijne motoriek van kinderen helpen ontwikkelen. Gebruik het werkmodel Activiteitenformulier voor jonge kinderen. Dit werkmodel staat achter in dit boek en op www.factor-e.nl. Kopieer dit werkmodel twee keer of print het twee keer uit en vul het formulier per bedachte activiteit in.

Werkmodel: Activiteiten formulier voor jonge kinderen

C

op y

rig

© Uitgeverij Edu'Actief b.v.

15


Opdracht 17: Opvoeden en zelfvertrouwen

Voetbalvaders

.v .

Toen moest de zoon van die fanatieke vader een penalty doen. Raak! Glunderend stapte hij op zijn vader af. ‘Goed hè, pap?’ ‘Jacco, jongen, je speelde vandaag als een dweil’, zei de vader. De schouders van de jongen zakten naar beneden, de hoopvolle blik in zijn ogen doofde.”

ht E

du 'A ct ie fb

“Ik was zelf een fanatieke voetballer en mijn dochter van zes is er ook zo één. Zodoende sta ik nogal eens aan de kant van de groene mat. Prachtig om zo’n stel enthousiaste, kleine voetbalhelden achter de bal aan te zien rennen. Weet je trouwens waaraan ik me zo vreselijk kan ergeren? Aan de vaders. Goed, ik ben zelf ook een vader. Maar ik houd mijn mond, hooguit roep ik een keer: 'Goed gedaan, Nynke!' Zo heet mijn dochter. Laatst was het weer raak. Een vader van de tegenpartij ging vreselijk tekeer. En nog wel tegen zijn eigen zoon! ‘Toe dan slome! Lopen! Je bent toch niet bang voor die roodwitten?’ Ik kreeg met de jongen te doen. Je zag hem als het ware hopen op een compliment, maar hij kreeg alleen maar schampere opmerkingen te horen. Tot slot mochten de jongens allemaal om de beurt even penalty schieten. Dat hoort er zo bij bij de jongste elftallen. Mijn Nynke schoot op de lat. Kwaad op zichzelf natuurlijk. Ik zeg: ‘Meisje, de volgende keer beter. Je hebt het verder goed gedaan.’

• •

Bespreek in je groep het artikel: Voetbalvaders. Waar in de tekst zie je voorbeelden van een groeiend zelfvertrouwen en een afnemend zelfvertrouwen? Onderstreep deze tekst. Ken je vergelijkbare situaties? *Wat is volgens jou de reden voor het geschreeuw van de vader?

rig

• •

op y

Opdracht 18: Een folder over zelfredzaamheid •

C

Maak een folder van twee A4'tjes waarin je ouders laat zien hoe je de zelfredzaamheid van kinderen kunt vergroten. Gebruik plaatjes en tekeningen en niet te veel tekst.

Opdracht 19: Je eigen zelfvertrouwen Hieronder staan twee keer tien stellingen die met zelfvertrouwen te maken hebben. • Noteer achter elke stelling een cijfer dat aangeeft of de stelling helemaal op jou slaat (10) of noteer een 1 als die niets met jou te maken heeft.

• • • • •

16

Je hebt bijna altijd een opgewekt humeur. Je voelt je meestal ontspannen. Je kunt goed tegen een grapje. Je kunt kritiek verdragen. Je stelt je eigen doelen en normen.

Plan van aanpak voor zelfredzaamheid


• • • • • • • • • •

Je vraagt meestal snel om hulp. Je twijfelt vaak. Je verandert nogal vaak van stemming. Je voelt je onzeker in nieuwe situaties. Je blijft meestal liever een beetje op de achtergrond. Je wordt gauw boos als je jouw mening moet verdedigen. Als mensen het niet met je eens zijn, houd jij je standpunt niet lang vol. Je voelt je snel schuldig. Je denkt vaak dat je het vast verkeerd hebt gedaan. Je bent gauw emotioneel.

.v .

Je hebt voor veel dingen belangstelling. Veel van wat je wilt lukt je ook. Je geeft duidelijk aan wat je ergens van vindt. Je werkt en studeert met plezier. Je kunt vrij snel beslissingen nemen.

du 'A ct ie fb

• • • • •

Wat is je conclusie?

_____________________________________________________________________________________________________________________________________

_____________________________________________________________________________________________________________________________________

_____________________________________________________________________________________________________________________________________

_____________________________________________________________________________________________________________________________________

_____________________________________________________________________________________________________________________________________

Opdracht 20: Leeftijd en mijlpalen

Bij welke leeftijd horen (bij benadering) de volgende mijlpalen?

ht E

Wil alles zelf doen _____________________________________________________________________________________________________ Ontdekken eigen ik ___________________________________________________________________________________________________

rig

Vragen stellen ___________________________________________________________________________________________________________ Maakt vriendjes_________________________________________________________________________________________________________

C

op y

Kan zich in beperkte mate aan regels houden _____________________________________________________________

© Uitgeverij Edu'Actief b.v.

17


> Reflectie Cursusevaluatie Noem het belangrijkste wat je hebt geleerd. Noem wat je het best is bevallen aan deze cursus.

.v .

Voor welke onderdelen had je te weinig tijd?

du 'A ct ie fb

Geef tips voor verbetering van de cursus. Geef hier je overige opmerkingen. Thermometer Voor de inhoud van deze cursus geef ik een (1-10).

rig

Voor de organisatie (zoals aanwezige middelen, tijdsduur) van deze cursus geef ik een (1-10).

ht E

Voor de begeleiding van deze cursus geef ik een (1-10).

C

op y

Voor het kunnen ontwikkelen van mijn competenties geef ik een (1-10).

18

Plan van aanpak voor zelfredzaamheid


Reflectie: Beroepsproduct 1 Wat was de opdracht?

Wat moest jij doen?

Noem activiteiten die je hebt gedaan.

.v .

Wat was het resultaat van je activiteiten?

du 'A ct ie fb

Waar was je tevreden over? Waar was je minder tevreden over? Hoe wil je het de volgende keer anders aanpakken?

Wat was de opdracht?

rig

Wat moest jij doen?

ht E

Reflectie: Beroepsproduct 2

op y

Noem activiteiten die je hebt gedaan.

C

Wat was het resultaat van je activiteiten? Waar was je tevreden over? Waar was je minder tevreden over? Hoe wil je het de volgende keer anders aanpakken?

Š Uitgeverij Edu'Actief b.v.

19


> Theoriebron

1: Methodisch werken

We maken vaak plannen. Voor de vakantie, voor een bezoek aan iemand, noem maar op. Dat gaat meestal vanzelf. Maar in ons werk met cliënten, doelgroepen of kinderen hebben we meestal een speciale bedoeling met de activiteiten die we organiseren: een doel. Bijvoorbeeld een ziek kind een prettige ervaring geven, zodat het zijn pijn en zorgen even echt vergeet. Of een leerzame activiteit voor een meisje dat behoefte heeft aan veel informatie. Of een activiteit voor een kind om hiermee zijn motorische vaardigheden verder te ontwikkelen.

du 'A ct ie fb

.v .

Zo’n activiteit moet voldoen aan allerlei afspraken: de betrokken personen moeten op de hoogte worden gebracht, je moet kunnen verantwoorden waarom je iets wilt gaan doen en op welke manier, je moet na afloop aangeven of jij je doel hebt gehaald. Je moet de activiteit die je met het kind doet, kunnen verantwoorden tegenover de ouders of anderen die zeggenschap hebben over het kind.

Verschillende soorten plannen

In de praktijk kom je als professional verschillende plannen tegen: – activiteitenplan – plan van aanpak – lesplan.

ht E

Een activiteitenplan gaat over activiteiten uitvoeren, bijvoorbeeld een spelletjesmiddag houden. Een plan van aanpak gaat over een cliënt of doelgroep behandelen. Op school worden lesplannen gebruikt om aan te geven welke onderwerpen worden behandeld en hoe dat wordt gedaan.

op y

rig

Voorbeeld: a In de buitenschoolse opvang wil de leiding in het kader van Pasen eieren beschilderen. Daarvoor stelt ze een plan op. Het gaat hier om een activiteit, daarom heet het een activiteitenplan. b In de buitenschoolse opvang komen een paar kinderen met erg veel heimwee. De leiding bespreekt hoe ze er met deze kinderen omgaan en hoe ze iets kunnen doen aan de heimwee. Ook spreken ze af hoe ze de ouders betrekken. Dit leggen ze vast in een plan van aanpak.

Cyclus van Methodisch Werken

C

Om activiteiten en begeleiding goed te laten verlopen, doen we dit aan de hand van een cyclus: de Cyclus van Methodisch Werken. Deze cyclus helpt je het plan systematisch op te zetten en geen dingen te vergeten. Bovendien kennen ook je collega’s deze cyclus, zodat je makkelijker kunt overleggen. Als je een plan maakt, doorloop je deze cyclus. Bij elk onderdeel van de cyclus horen vragen en antwoorden. Wat is het nut van methodisch handelen? • Je weet waar je mee bezig bent. • Je hebt inzicht in de stappen die moeten worden gezet. • Je hebt inzicht in de (te verwachten) resultaten.

20

Plan van aanpak voor zelfredzaamheid


• •

Iedereen weet wat er gedaan moet worden en door wie. Je kunt gericht terugkijken.

1. Beginsituatie Om te beginnen beschrijf je de beginsituatie. Wie betreft het, wat zijn de gegevens van deze cliënt/dit kind, hoe zijn zijn leefomstandigheden?

du 'A ct ie fb

.v .

Als je bijvoorbeeld een ontwikkelingsactiviteit voor een kind met een beperking wilt organiseren, verdiep je je eerst grondig in de beginsituatie. Dat doe je door de cliënt te observeren en door met hem te praten en daarbij vooral goed te luisteren. Je praat ook met anderen over dit kind. Hoe zijn hun ervaringen met hem? Welke informatie kunnen zij je geven? Eventueel zoek je achtergronden op over de beperking of raadplaag je een deskundige. Ook is het noodzakelijk dat je voldoende kennis hebt van de ontwikkelingsfase van het kind. Want daardoor kun je inschatten wat je normaal gesproken kunt verwachten van een kind van deze leeftijd.

Je benoemt in deze eerste fase ook het probleem, of de behoefte van de cliënt. Waarom is het nodig om een activiteit voor hem te organiseren? Wat wil je daarmee bereiken? Wil de cliënt of het kind zelf dat er iets verandert? Of vinden de ouders het noodzakelijk? Dat maakt wel uit voor de manier waarop je aan de activiteit begint. 2. Doelstellingen Nadat je de beginsituatie goed in beeld hebt gebracht en weet wat de behoefte is van je cliënt of doelgroep, ga je nadenken over de doelstellingen. Deze schrijf je op volgens de SMART-formulering. Daarmee kun je nauwkeurig omschrijven wat je doel is met de activiteit die jij gaat vormgeven. Meer informatie over SMART doelstellingen formuleren vind je in theoriebron 3.

rig

ht E

3. Voorbereiding Nu weet je wat je wilt bereiken. De volgende stap is bedenken hoe je deze doelen gaat verwezenlijken. Je moet misschien bijvoorbeeld andere collega’s inlichten, bepaalde spullen verzamelen, voor geld zorgen. Dat zijn allemaal zaken die je in deze fase, de voorbereiding, regelt. In deze fase zet je ook het plan op papier.

C

op y

4. Uitvoeren Ben je goed voorbereid, dan kun je de activiteit uitvoeren: natuurlijk heb je met de deelnemer(s)/het kind duidelijke afspraken gemaakt over de tijd en de plaats. En ook zijn de opvoeders op de hoogte en heb je alle benodigde afspraken en spullen goed geregeld. Je gaat aan de slag, maar niet zomaar; je hebt over de uitvoering nagedacht. 5. Evalueren En zo kom je dan uiteindelijk op het moment waarop je kunt zeggen: ‘Het is gebeurd, we hebben de activiteit achter de rug.’ Je bent dan tevreden, of niet helemaal. Je gaat evalueren. Serieus ga je bij alle onderdelen na of die gegaan zijn zoals je had verwacht. En je bedenkt hoe het komt dat sommige dingen toch anders gingen. Sommige onderdelen vielen tegen, andere mee. Op grond van dit onderzoek kun je dan bedenken waarop je de volgende keer moet letten. Misschien had je in de beginsituatie iets belangrijks over het hoofd gezien of waren de doelen te moeilijk voor het kind. Of er was meer oefentijd nodig geweest. Je kunt na de evaluatie misschien al bedenken wat een nieuw doel is voor het kind voor wie je de activiteit hebt bedacht. En dan is de cirkel dus rond, want je kunt zo weer instappen om (nieuwe) doelen vast te stellen.

© Uitgeverij Edu'Actief b.v.

21


> Theoriebron

2: SMART

Een doel is datgene wat men wil bereiken. Bijvoorbeeld: “Ik ga deze cursus met een voldoende afsluiten.” Een doel geeft sturing aan je handelen. Lees maar eens het citaat dat hiernaast staat. Alice in Wonderland Alice vraagt: ‘Welke kant moet ik op?’ Chesire Cat antwoordt: ‘Wat is je doel?’ Alice: ‘Ik heb geen doel, zeg me gewoon maar welke kant ik op moet.’ Chesire Cat: ‘Nou, dan maakt het ook niet uit welke kant je op gaat.’

du 'A ct ie fb

.v .

Hieronder staan enkele doelstellingen die studenten formuleren voor deze cursus. • Iemand zegt: “Ik ga een goede 8 halen.” Dit is niet zo’n duidelijke doelstelling, want waarvoor moet deze 8 worden gehaald? • Een ander zegt: “Ik haal een voldoende voor deze cursus.” Deze doelstelling is ook niet zo duidelijk, want hoe moet je dat straks meten? Wat is een voldoende? Is dat een 6 of een 7? • Een ander zegt: “Ik doe één jaar over deze cursus.” Deze doelstelling is waarschijnlijk niet acceptabel voor de docenten. • Een leerling met veel onvoldoendes zegt: “Ik ga een 10 halen voor deze cursus.” Dat is natuurlijk een ambitieuze doelstelling, maar waarschijnlijk niet zo realistisch. Niet elke doelstelling geeft dus sturing. Een doelstelling moet wel duidelijk zijn. Doelstellingen die SMART zijn, zijn meestal ook duidelijk. SMART is een afkorting en betekent het volgende:

• • • • •

S = Specifiek M = Meetbaar A = Acceptabel R = Realistisch T = Tijdgebonden

ht E

Specifiek Met specifiek wordt bedoeld dat het doel begrijpelijk en maar voor één uitleg vatbaar is. De doelen zijn geformuleerd in termen van concrete resultaten.

rig

Meetbaar De doelstelling is meetbaar. Dit betekent dat het doel concreet aangeeft wat het oplevert.

op y

Acceptabel Het doel moet voor jezelf (en anderen) acceptabel zijn. Het gaat er vooral om of je het eens bent met het gestelde doel.

C

Realistisch Wanneer je een doel opstelt, is het belangrijk dat dat doel haalbaar is. Houd hierbij rekening met alle betrokken partijen. Is het voor iedereen een haalbare doelstelling? Er is niets vervelender dan een doel formuleren dat niet haalbaar is. Dit werkt voor veel mensen ontzettend demotiverend. Tijdgebonden Zorg dat je duidelijk aangeeft wanneer het begint en wanneer het doel afgerond moet zijn. Voorbeelden van doelstellingen die SMART zijn geformuleerd: • “Dit jaar ga ik vijf proeven van bekwaamheid afronden.” • “Ik ga mijn rijbewijs binnen een halfjaar en met maximaal 36 lessen halen.”

22

Plan van aanpak voor zelfredzaamheid


> Theoriebron

3: Ontwikkelingsfasen van kinderen

Ontwikkelingsgebieden

du 'A ct ie fb

.v .

Ieder mens ondergaat in zijn leven een aantal veranderingen. Vanaf de conceptie ontwikkelt de mens zich van een foetus tot een baby die wordt geboren. En daarna tot een peuter, een kleuter, een puber, een adolescent, een volwassene, een oudere. Een mens blijft zich gedurende zijn leven ontwikkelen. Een baby die zich ontwikkelt tot kind, heeft geleerd wat bepaalde woorden betekenen, heeft een spraakvermogen ontwikkeld, heeft leren lopen. Deze ontwikkeling valt het meest op als een kind een poosje uit beeld is. Als je een kind een poos niet ziet, bijvoorbeeld door vakantie, valt ineens op hoe zo’n kind is verandert. Het is groter geworden, praat ineens een stuk beter, stelt plots heel andere vragen. Het valt je ineens op dat het kind zich enorm heeft ontwikkeld. Ineens kan een kind iets wat het eerder niet kon. Bijvoorbeeld zitten of kleuren herkennen. Dit zijn mijlpalen.

Een kind ontwikkelt zich op een aantal gebieden. De belangrijkste zijn: • de cognitieve ontwikkeling • de lichamelijke ontwikkeling • de motorische ontwikkeling • de sociaal-emotionele ontwikkeling.

rig

ht E

De cognitieve ontwikkeling Een baby kan niet meteen praten, rekenen of redeneren. Dit leert een kind naarmate het ouder wordt. Je merkt dat doordat een kind nieuwe woorden gaat gebruiken die het daarvoor niet gebruikte. Een kind van vier jaar kan zeggen: “Ik ga in de bouwhoek en ik ga met die planken een racebaan maken.” Dit kind is dus in staat om van tevoren te bedenken hoe hij iets gaat aanpakken. Als je een kind van twee jaar een puzzel geeft, zal het waarschijnlijk met de puzzelstukjes gaan gooien. Een kind van vier jaar kan al een eenvoudige puzzel maken. Uit deze voorbeelden blijkt dat het denkvermogen van een kind zich steeds verder ontwikkelt. De ontwikkeling van het denkvermogen noemen we cognitieve ontwikkeling.

C

op y

De mijlpalen voor een peuter: kan woordjes en korte zinnetjes gebruiken denkt magisch: De zon slaapt en de maan is wakke', De poes zegt hallo. De mijlpalen voor een kleuter: • kan zinnen gebruiken • kan een lied leren • kan ordenen, bijvoorbeeld driehoeken bij driehoeken leggen . De mijlpalen voor een jong schoolkind: • kan in een instructietekening lezen hoe je een Lego-autootje maakt • kan zich aan spelregels houden • kan een ander uitleggen hoe je iets doet • kan onderscheid maken tussen realiteit en fantasie. Een meisje van 8 jaar zegt: “Stel je voor dat je een paard zou krijgen; waar moet je die dan stallen?”

• •

De lichamelijke ontwikkeling Dat een kind groeit, blijkt elke keer weer als de kleren niet meer passen en een maatje groter moeten worden gekocht. Het lichaam ontwikkelt zich. Dat wordt niet alleen groter, maar ook de verhoudingen worden anders. Bij een baby is het hoofd in verhouding erg groot ten opzichte van het lichaam. Bij een kind van vier jaar is het hoofd

© Uitgeverij Edu'Actief b.v.

23


verhoudingsgewijs kleiner. De ontwikkeling van het lichaam noemen we lichamelijke ontwikkeling. Een belangrijke mijlpaal in de lichamelijke ontwikkeling is het beheersen van de sluitspieren; het kind doet zijn behoefte op de pot.

du 'A ct ie fb

.v .

De motorische ontwikkeling Het bewegingsapparaat van de mens heet de motoriek. De motorische ontwikkeling is dus de ontwikkeling van de bewegingen. Er zijn fijne bewegingen, zoals schrijven, tekenen en knutselen aan kleine voorwerpen. Dat is de fijne motoriek. Een bal vangen, hinkelen en hardlopen horen bij de grove motoriek. Op de basisschool is goed te zien dat een kind op een bepaald moment in staat is om het potlood vast te houden tussen duim en wijsvinger en niet in de volle vuist. De fijne motoriek ontwikkelt zich. Het heeft dus geen zin een kind van drie jaar te leren schrijven met een pen, want dat kind heeft nog niet de fijne motoriek om een pen goed vast te houden. Op de speelplaats is goed te zien dat een kind steeds beter een bal kan vangen. Dit is de ontwikkeling van de grove motoriek.

ht E

De mijlpalen voor een peuter: • kan goed lopen • kan voorwerpen vastpakken • kan bouwen met blokken. De mijlpalen voor een kleuter: • wordt sterk in spierkracht • kan een bal gericht gooien • kan een potlood goed vasthouden. De mijlpalen voor een jong schoolkind: • kan sporten, de beheersing van de bal verbetert • kan goed leren zwemmen • krijgt conditie om inspanning langer vol te houden.

op y

rig

De sociaal-emotionele ontwikkeling Een baby hecht zich aan de ouders/verzorgers. Een klein kind is erg afhankelijk van zijn ouders. Als vader of moeder even uit de buurt is, wordt het kind al onrustig. Een kind leert geleidelijk om alleen te kunnen zijn. Naast leren om alleen te zijn, moeten jonge kinderen leren om samen te werken. Dat is iets wat zich langzaamaan ontwikkelt. Dit soort ontwikkelingen noemen we sociaal-emotionele ontwikkelingen. De mijlpalen voor een peuter: het kind is eenkennig maar leert dat de persoon aan wie ze gehecht zijn weer terugkomt • koppigheid • ontdekken van het eigen ik. Mijlpalen voor een kleuter: • zich aan kortdurende regels kunnen houden • vriendjes maken en samenspelen. Mijlpalen voor het jonge schoolkind: • kan regels en afspraken toepassen • kan zich voorstellen dat anderen niet hetzelfde denken en voelen • kan zich enigszins inleven.

C

Persoonlijke ontwikkeling We doorlopen allemaal ongeveer dezelfde ontwikkelingsfasen. Maar iedereen ontwikkelt zich op zijn eigen manier. De een ontwikkelt heel sterke taalvaardigheden, de ander juist heel sterke sociaal-emotionele vaardigheden. Zo is geen mens gelijk.

24

Plan van aanpak voor zelfredzaamheid


> Theoriebron

4: Zelfredzaamheid van kinderen

In het praktijkwerkveld wordt altijd gewerkt aan het behalen van een zo groot mogelijke zelfredzaamheid en een zo groot mogelijke mate van zelfvertrouwen bij kinderen. In deze theoriebron zal worden uitgelegd wat we onder deze begrippen verstaan.

Zelfredzaamheid Kijk voor meer informatie op www.factor-e.nl.

du 'A ct ie fb

.v .

Door zelfredzaam te worden, worden kinderen steeds minder afhankelijk van anderen, en dat ervaren ook zij als prettig. Het is een menselijke behoefte. Om zelfredzaam te kunnen worden, hebben kinderen behoefte aan een veilige, betrouwbare basis. Ze hebben ouders of andere opvoeders nodig op wie ze volledig kunnen rekenen. Vanuit die stevige basis durven ze op onderzoek uit te gaan om de wereld te ontdekken. Elk kind heeft een aangeboren drang om zich te willen ontwikkelen, te groeien en de wereld te verkennen. Ouders en opvoeders kunnen het kind helpen om zelfredzaam te worden door het te ondersteunen als het hulp nodig heeft. Ze doen dingen voor en bieden de gelegenheid om zelf op onderzoek uit te gaan. Zo kan het kind veel leren, veel zelf doen en aangeven wat het nog meer wil leren. Hierbij sluiten ouders en opvoeders aan. Ze stellen daarbij niet te hoge eisen, want dat werkt ontmoedigend.

ht E

Als een kind nieuwe vaardigheden heeft aangeleerd, doet dat hem goed. Daarna heeft het meestal zin om weer iets nieuws te leren. Zo veel zelfvertrouwen heeft het ontwikkeld. En dan is het kind dus op de goede weg om zelfredzaam te worden. Zelfredzaam worden begint al vanaf de tijd dat een kind erg klein is. Het leert zelf een blokje vasthouden, zelfstandig staan, zelf zijn eigen sokken aantrekken. Stukje bij beetje leert hij zo meer vorm te geven aan zijn eigen leven.

C

op y

rig

Voorbeelden Voorbeelden van de vele zaken en taken die een kind leert in het kader van zelfredzaamheid: • persoonlijke verzorging: tanden poetsen, jezelf wassen, douchen, nagels knippen, haren kammen • aankleden: sokken aantrekken, schoenen aandoen, rits dichtdoen, knopen vastmaken, kleren kiezen die goed bij elkaar passen • taken in het huis: bed opmaken, tafel dekken, planten water geven, afwasmachine leegruimen, stofzuigen, water koken, koffie zetten • zorg voor (huis)dieren: vis voeren, kattenbak schoonmaken, konijnenhok verschuiven, lopen met de hond • zorg voor eigen speelgoed: opruimen, spullen in de goede la doen • iets maken: cadeau voor de jarige opa of voor een vriendje, cadeau inpakken, tekening maken, een uitvinding bedenken, een kledingstuk of een kunstwerk maken • sociale vaardigheden: samen met andere kinderen spelen, speelgoed eerlijk verdelen, ruzies oplossen, spelregels vaststellen, deze naleven en elkaar daaraan houden, vriendschappen beginnen en onderhouden • veilig gedrag in het verkeer: leren fietsen, leren oversteken, zelfstandig naar school lopen Om die zelfredzaamheid zo goed mogelijk te kunnen ontwikkelen, heeft het kind dus een basis van veiligheid en geborgenheid nodig. Als er een veilige basis is voor het kind, kun je het stimuleren om zich te ontwikkelen. Dat kan door het kind taken te geven of door activiteiten met het kind te doen. Dat kan ook door het kind instrumenten aan te bieden zoals dagritmekaarten.

© Uitgeverij Edu'Actief b.v.

25


Dagritmekaarten

du 'A ct ie fb

Dagritmekaarten worden gebruikt op verschillende plekken: • kinderdagverblijven • primair onderwijs • jeugdzorg en jeugdwerk • lichamelijke en geestelijke gehandicaptenzorg • zorgboerderij. Dagritmekaarten kunnen ook thuis worden gebruikt.

.v .

Dagritmekaarten geven aan wat er op een dag gebeurt. Bijvoorbeeld fruit eten, muziek maken, kleuren en in de hoek spelen. Behalve dagritmekaarten zijn er weekkaarten of seizoenskaarten die de jaargetijden aangeven. Op weekkaarten kan het kind zien hoeveel nachtjes slapen het is tot bijvoorbeeld de verjaardag. Dagritmekaarten worden gebruikt om kinderen zicht te geven op het verloop van de dag. Kinderen hoeven niet steeds te vragen, maar kunnen bijvoorbeeld zelf zien wat ze hierna gaan doen of wanneer mama of papa ze komt halen. Deze kaarten vergroten zo de zelfredzaamheid van de kinderen.

Zelfvertrouwen

ht E

Om zelfredzaamheid te ontwikkelen, heeft een kind naast veiligheid en geborgenheid ook zelfvertrouwen nodig. Je kunt het verschil tussen een kind met zelfvertrouwen en een kind zonder zelfvertrouwen meestal goed merken. Een kind met zelfvertrouwen durft op onderzoek uit te gaan en fouten te maken, het kan zelfs lachen om zichzelf als het een keer fout gaat (en als niemand hem voor schut zet). Een kind zonder zelfvertrouwen onderneemt niet veel, neemt weinig risico en denkt dat het wel aan hemzelf zal liggen als er iets misgaat. Je begrijpt dat het voor zelfredzaamheid ontwikkelen belangrijk is dat het kind nieuwe dingen durft uit te proberen en dus voldoende zelfvertrouwen heeft om een experiment aan te gaan. Want als een nieuwe vaardigheid lukt, groeit hij, en ook zijn zelfvertrouwen groeit dan. Maar het kind dat het niet durft te proberen, voelt zich nog meer een sufferd of een kluns. Zijn zelfredzaamheid is niet groter geworden, zijn zelfvertrouwen is nog kleiner geworden.

C

op y

rig

Hoe komt het dat het ene kind blaakt van zelfvertrouwen en dat het andere geen lef heeft? Dat is niet altijd te verklaren. Sommige kinderen lijken van nature niet zo ondernemend of zijn erg voorzichtig. Het kan ook door opvoeders overgedragen worden om eerst maar eens goed de kat uit de boom te kijken. Als ouders zelf geen zelfvertrouwen hebben, dragen ze die onzekerheid vaak over op het kind. Er zijn ook omstandigheden die het zelfvertrouwen ondermijnen. Ouders die niet consequent reageren (de ene keer lachen ze als het kind een glas laat vallen, de andere keer krijgt het een pittige scheldpartij over zich heen) maken het kind onzeker. De opvoeders hebben veel invloed op de ontwikkeling van het zelfvertrouwen van het kind. Door kleinerende opmerkingen te maken of door het kind uit te lachen kan een kind ernstig worden gekwetst. Het raapt dan niet gauw weer de moed bijeen om nog een keer iets nieuws te proberen. Een paar voorbeelden van opmerkingen die het zelfvertrouwen schaden (of in ieder geval niet stimuleren): • Beschuldigen: “Ja, dat komt er nou van. Je had eerst beter moeten nadenken!” • Belachelijk maken: “Jij dacht zeker dat jij dat al kon? Nou, kijk maar eens wat ervan terecht is gekomen. Alles ligt aan gruzelementen.” • Kleineren: “Jij bent nog maar een klein kind en kunt daar niet over meepraten.” • Goedkope oplossingen aandragen en niet goed luisteren naar wat het kind dwarszit: “Zó erg is dat toch ook weer niet? Dan halen we wel een nieuw poesje uit het asiel.”

26

Plan van aanpak voor zelfredzaamheid


Schelden, gedrag afkeuren of moraliseren: “Ben jij nou een grote jongen?”

Deze opsomming kan nog wel worden uitgebreid. Je begrijpt het wel: het kind wordt niet serieus genomen, gekleineerd, ontmoedigd. Vaak hebben de ouders niet door dat ze dit doen.

ht E

du 'A ct ie fb

.v .

Zelfredzaamheid stimuleren Ouders, verzorgers en begeleiders van kinderen kunnen de zelfredzaamheid van kinderen stimuleren. Een aantal tips: • Geef een kind zo veel verantwoordelijkheid als het aankan. Niet meer en niet minder. • Geef daarbij vertrouwen aan het kind. Laat dingen echt aan hem over. Houd eerst natuurlijk wel een oogje in het zeil en overvraag het kind niet, maar geef het de kans zelf dingen goed te doen. En prijs hem zo nu en dan voor deze prestatie. • Geef het kind ruimte voor experimenten. Een kind heeft een omgeving nodig die interessant is en uitdaagt om op onderzoek te gaan. Zorg daarbij wel voor voldoende veiligheid. • Laat het kind die taken doen die goed aansluiten bij wat hij al kan. • Laat het kind merken dat hij gewoon een kind mag zijn. Dat hij mag leren en fouten mag maken. • Als je iets nieuws wilt aanleren, bekijk dan eerst ook hoe het kind het gemakkelijkst leert. Wil hij het zelf graag leren door te doen? Of wil hij graag dat je het stapje voor stapje voordoet? • Stimuleer. Nodig vriendelijk uit tot activiteiten doen: met anderen spelen, een ander helpen, een wedstrijd aangaan, zelf spullen maken, uitzoeken hoe dingen in elkaar zitten. • Prijs het kind als het een goede poging heeft gedaan als het lukt of bijna lukt. Prijs niet te veel en niet te vaak, want dan hoort het kind het niet meer. Maar noem precies wat je waardeert, wat je knap vindt. Duidelijk en gemeend. Daarmee bouw je aan het zelfvertrouwen van het kind. • Gun het kind ook voldoende rust. Het geeft het zelf waarschijnlijk wel aan als het eraan toe is om meer te leren.

C

op y

rig

Voor het ontwikkelen van zelfvertrouwen is ook het volgende heel belangrijk: • Geef het kind het gevoel dat je hem accepteert zoals hij is. Als een uniek mens, met zijn eigen mogelijkheden. • Praat veel met het kind. Over waar het mee bezig is, maar ook over waar jij mee bezig bent (vertaald in termen die begrijpelijk voor hem zijn). Daarmee geef je het signaal af dat je ook zijn mening en interesse op prijs stelt. • De opvoeders mogen daarbij ook voor zichzelf aardig zijn: ook zij maken wel eens fouten, vergissen zich of vergeten dingen. Hierover kun je ook met het kind praten. Daardoor laat je merken dat iedereen zijn best doet, maar dat fouten maken er nu eenmaal bij hoort. • Sommige kinderen vragen snel raad of hulp van de begeleider. Je kunt dan best eens vragen: 'Hoe lijkt het jou het best?' Door hier serieus op in te gaan, draag je ook bij aan het zelfvertrouwen. • Zie de positieve dingen en benoem deze. • Het is beter om verstandige alternatieve ideeën te bedenken dan alleen te benoemen wat niet mag. Bijvoorbeeld: “Jij mag met dit plastic bekertje spelen.' En niet: 'Niet met dat mooie kopje spelen, straks gaat het stuk!”

© Uitgeverij Edu'Actief b.v.

27


> Theoriebron

5: Evalueren

Als het plan is uitgevoerd, gaan de betrokkenen evalueren. Dit is een heel belangrijk onderdeel in het proces. Door terug te kijken naar hoe iets is gegaan, kun je veel leren. De professionele begeleider hanteert de evaluatie dan ook als een vaste afsluiting van activiteiten. Zo werk je aan je eigen professionaliteit. Je evalueert het product en het proces en je kijkt vooruit: wat kunnen we de volgende keer anders doen?

Productevaluatie

du 'A ct ie fb

.v .

Als je een product evalueert, kijk je vooral of de doelstellingen gehaald zijn. Je stelt jezelf de vraag: zijn de doelstellingen gehaald? Hiervoor ga je de doelstellingen één voor één bij langs en bespreek je deze met de betrokkenen en de cliënt. Stel, je hebt de volgende doelstelling: een gezellige middag organiseren waarvan 80% van de deelnemers na afloop zegt dat ze het erg gezellig vonden. Dan kan de evaluatie bestaan uit alle deelnemers interviewen. Als na afloop inderdaad 80% zegt dat de activiteit erg gezellig was, is de productevaluatie positief.

TIP Van evalueren kun je leren!

Procesevaluatie

ht E

Als je het proces evalueert, kijk je vooral naar hoe iets is gegaan. Je kijkt bijvoorbeeld of de kosten niet zijn overschreden, of je het proces goed kon begeleiden en of het voor alle betrokkenen duidelijk was wat moest gebeuren. De weg waarlangs dat doel bereikt wordt, zal geëvalueerd moeten worden. Dat is de procesevaluatie. Je kunt natuurlijk aan het einde van een activiteit constateren dat het doel niet gehaald is. Maar met die constatering alleen doe je niets. Je zult je dan moeten gaan afvragen: waar is het misgegaan? Wat ging helemaal goed? Waar ligt het aan? Ergens tussen start- en eindpunt is er wat gebeurd dat ervoor gezorgd heeft dat het doel niet is bereikt. Met behulp van procesevaluatie kun je dat achterhalen. Bij de evaluatie heb je vaak de neiging om te kijken naar de dingen die niet goed gingen. Maar het is ook belangrijk om de dingen die wel goed gingen te benoemen en vast te houden!

rig

Bij de evaluatie heb je vaak de neiging om te kijken naar de dingen die niet goed gingen. Maar het is ook belangrijk om de dingen die wel goed gingen te benoemen en vast te houden!

op y

Vooruitkijken

C

Wat niet of onvoldoende is gelukt, is een werkpunt voor een volgende keer. Wat goed is gegaan: prima, vasthouden en zo doorgaan! Zo is de cirkel rond. De evaluatie van het afgeronde plan levert stof op voor de beginsituatie van de volgende keer. Van tevoren bedenken Het is belangrijk om van tevoren te bedenken hoe je gaat evalueren en wat je daarin opneemt. Voorbeeld evaluatievragen • Heb ik de beginsituatie goed ingeschat? • Waren de activiteiten geschikt voor mijn doelgroep? • Wat wil ik de volgende keer anders doen? Waarom? • Hebben we ons aan de planning kunnen houden? Wat ging goed en wat ging niet goed?

28

Plan van aanpak voor zelfredzaamheid


> Werkmodel: Samenwerkingscontract Adressen, telefoonnummers en e-mailadressen

Groepsregels Wat doen jullie bij afwezigheid of ziekte van een van de partners of jezelf?

ht E

Wat doen jullie bij onenigheid in je groepje?

du 'A ct ie fb

.v .

Groepsleden

op y

rig

Wat doe jullie als je iets niet snapt?

C

Taakverdeling

Ondertekening:

Š Uitgeverij Edu'Actief b.v.

29


> Werkmodel: Activiteit

Inleveren

Bijzonderheid

Waar

C

op y

rig

ht E

du 'A ct ie fb

.v .

Datum

Cursusplanning

Belangrijke deadlines: _____________________________________________________________________________________________________________________________________ _____________________________________________________________________________________________________________________________________ _____________________________________________________________________________________________________________________________________ _____________________________________________________________________________________________________________________________________ _____________________________________________________________________________________________________________________________________ _____________________________________________________________________________________________________________________________________

30

Plan van aanpak voor zelfredzaamheid


> Werkmodel: Activiteitenformulier Om een activiteit voor te bereiden, kun je dit werkmodel gebruiken. Het bestaat uit een toelichting en invultabel.

Toelichting

du 'A ct ie fb

.v .

Beginsituatie Doelgroepanalyse • Wat is de leeftijd en sekse van de doelgroep? Wat zijn de bijzonderheden? • Wat is het aantal deelnemers en de gemiddelde leeftijd van de groep (of individuele leeftijden)? • Wat is het niveau van de deelnemers? Wat zijn hun mogelijkheden en waar gaat hun belangstelling naar uit? Reden • Welk probleem wil je oplossen? • Wat is de aanleiding voor deze activiteit? Randvoorwaarden • voorwaarden opdracht (waar je de materialen haalt, hoe het zit met veiligheid) • beleid van de instelling (bijvoorbeeld regels die men stelt voor kleding, eten/drinken, opruimen).

ht E

Doel Wat wil je bereiken? SMART formuleren. • Stel het doel vast met behulp van ontwikkelingsaspecten: – motorische aspecten, bijvoorbeeld de fijne motoriek ontwikkelen (knippen, plakken) – cognitieve aspecten, bijvoorbeeld spelregels onthouden, nieuwe technieken leren – sociaal-emotionele aspecten, bijvoorbeeld leren samenwerken, rekening houden met anderen, opruimen.

C

op y

rig

Voorbereiding Beschrijving activiteit • Welke activiteit ga je doen? • Beschrijf hoe de activiteit zal gaan verlopen (volgorde, spelregels, enzovoort). Plannen • Wanneer en hoe laat vindt de activiteit plaats? • Welke kosten heb je? En welke accommodatie, welke hulpmiddelen en welk materiaal heb je nodig? • Hoe wordt de taakverdeling wat betreft het begeleiden van de activiteiten en de deelnemers daaraan? Uitvoering Uitleg en presentatie • Hoe ga je duidelijk maken wat moet gebeuren? • Ga je de activiteit promoten? Hoe doe je dat? Uitvoering en begeleiding • Wat doe je om de deelnemers goed te begeleiden, te motiveren en te stimuleren? • Op welke manier kun je aandacht besteden aan het groepsproces tijdens de activiteit? • Hoe begeleid je de deelnemers hierbij?

© Uitgeverij Edu'Actief b.v.

31


C

op y

rig

ht E

du 'A ct ie fb

.v .

Evaluatie Op welke manier evalueer je het proces en/of product tijdens de activiteit? • Hoe pak je dit aan (mondeling of schriftelijk)? • Met wie evalueer je de activiteit? • Het proces: wat ging wel/niet goed? • Het product: wat vinden de deelnemers ervan, wat vind jij ervan? • Welke leerpunten voor activiteiten voorbereiden heb je nog na deze activiteit?

32

Plan van aanpak voor zelfredzaamheid


Activiteitenformulier Activiteit: Opsteller: Datum: Beginsituatie

.v .

Doelgroepanalyse

du 'A ct ie fb

Reden

Randvoorwaarden

Doelen (SMART)

op y

Keuze activiteit

rig

Ontwikkelingsaspecten

ht E

Wat wil je bereiken?

C

Voorbereiding

Beschrijving activiteit(en)

Planning

Kosten

Š Uitgeverij Edu'Actief b.v.

33


Activiteitenformulier vervolg Uitvoering Uitleg en presentatie

.v .

Uitvoering en begeleiding

Evaluatie

du 'A ct ie fb

Hoe ga je evalueren?

Procesvragen

C

op y

rig

ht E

Productvragen

34

Plan van aanpak voor zelfredzaamheid


> Beoordelingsformulier Naam deelnemer Namen groepsleden

Groep Docent

.v .

Blok

Onderwerp

Product

Criteria

Beroepsproduct 1

Onvoldoende

ht E

Processtappen taakverdeling en planning keuze soort materiaal ontwerp werkmateriaal uitvoering werkmateriaal.

• • • •

Plan van aanpak Algemeen • Het plan ziet er netjes en verzorgd uit. Voorblad en inhoudsopgave zijn aanwezig. • Het plan van aanpak is op tijd ingeleverd. Beginsituatie • Het plan geeft een goede achtergrondbeschrijving van de doelgroep, waaronder de ontwikkelingsfase van het kind. • Het plan bevat een rapportage van een observatie. • Het plan geeft een duidelijk en juist beeld van wat het kind wel kan en wat nog niet. • Het plan geeft een goed beeld van de omgeving waarin het kind functioneert. Doelen • De doelstellingen zijn helder en begrijpelijk. • De doelstellingen zijn SMART. • De doelstellingen sluiten goed aan bij de beginsituatie.

C

op y

rig

Beroepsproduct 1

Voldoende

Processtappen taakverdeling en een planning kind en een onderwerp zelfredzaamheid een ontwerp plan van aanpak uitvoering plan van aanpak.

• • • • *Beroepsproduct 2

du 'A ct ie fb

Project

© Uitgeverij Edu'Actief b.v.

35


Criteria

Werkmateriaal Algemeen • Het werkmateriaal ziet er netjes en verzorgd uit. • Het werkmateriaal is op tijd ingeleverd. Functioneel • Het werkmateriaal sluit aan bij het niveau van het kind. • Het werkmateriaal sluit aan bij de leefwereld. • Het werkmateriaal is aantrekkelijk vormgegeven • Het werkmateriaal is duidelijk voor het kind

Actieve deelname in de les

• •

C

-

-

-

-

-

-

-

-

-

De opdrachten voor de cursus zijn goed en netjes uitgewerkt. De eigen evaluatie is ingevuld en besproken.

-

-

op y •

Mondeling en schriftelijk taalgebruik

-

De student was voldoende aanwezig. De student leverde een positieve bijdrage in zijn groepje. De student leverde een actieve bijdrage in de les.

rig

ht E

*Beroepsproduct 2

Opdrachten

Onvoldoende

du 'A ct ie fb

Voorbereiding In de voorbereiding is ingegaan op: • de ouders betrekken • de kosten • de betrokkenen informeren • een duidelijke beschrijving van het plan. Uitvoering • Geeft aan waar mogelijke problemen liggen. • De rol van de begeleider en de betrokkenen. Evaluatie • In dit hoofdstuk is duidelijk aangegeven welke evaluatievragen worden gesteld. • De evaluatievragen zijn gekoppeld aan de doelen. • Er zijn procesvragen en productvragen.

Voldoende

.v .

Product

-

Mondeling taalgebruik

-

-

Schriftelijk taalgebruik • De teksten zijn in correct Nederlands geschreven.

-

-

Datum: ______________________ Paraaf docent:

36

______________________

Paraaf deelnemer: _____________________

Plan van aanpak voor zelfredzaamheid


> Specificaties Pedagogisch werker 3 Kinderopvang Plan van aanpak voor zelfredzaamheid

Soort:

Cursus

Werksituatie:

Kinderopvang Naschoolse opvang/buitenschoolse opvang Basisschool Brede school Opvoedingssituaties

Eindproduct:

Plan van aanpak Werkmateriaal

Niveau:

3/4

KD:

Pedagogisch werk 2010-2011

Kerntaak:

1. Opstellen van een activiteitenprogramma en plan van aanpak 2. Opvangen en begeleiden van het kind/de jongere 3. Uitvoeren van organisatie- en professiegebonden taken

Werkproces:

1.2 Stelt een activiteitenprogramma op 2.2 Biedt het kind/de jongere persoonlijke verzorging 2.4 Biedt het kind/de jongere ontwikkelingsgerichte activiteiten aan 3.3 Stemt de werkzaamheden af met betrokkenen

Competenties:

L Materialen en middelen inzetten Q Plannen en organiseren R Op de behoeften en verwachtingen van de ”klant” richten

du 'A ct ie fb

ht E

Activiteitenplan, doelgroep, plan van aanpak, cyclus van methodisch werken, SMART-doelen, evalueren, cognitieve ontwikkeling, motorische ontwikkeling, sociaal-emotionele ontwikkeling, zelfredzaamheid, dagritmekaart, zelfvertrouwen, straffen, negeren, belonen

op y

rig

Kernwoorden:

.v .

Titel:

C

Korte inhoud:

Tijdsduur:

Kennismaking met werkveld Kennismaking met methodisch werken Het activiteitenplan/plan van aanpak Ontwikkelingsfasen Ongewenst gedrag 40 SLU

© Uitgeverij Edu'Actief b.v.

37


Prestatie-indicatoren Werkproces 1.2 Plannen en organiseren De gespecialiseerd pedagogisch medewerker 4 kinderopvang plant en regelt ruim van tevoren activiteiten die goed op elkaar zijn afgestemd en houdt daarbij rekening met de mogelijkheden, zodat het activiteitenprogramma uitvoerbaar is en aansluit bij de wensen en behoeften van de kinderen.

Werkproces 2.2

.v .

Op de behoeften en verwachtingen van de ‘klant’ richten De gespecialiseerd pedagogisch medewerker 4 kinderopvang geeft het kind een op de persoon toegesneden verzorging, zodat aan de behoeften van het kind wordt voldaan.

Werkproces 2.4

du 'A ct ie fb

Materialen en middelen inzetten De gespecialiseerd pedagogisch medewerker 4 kinderopvang kiest sport-, spel- en speelmaterialen die aansluiten bij de behoeften en ontwikkeling van het kind en gebruikt deze – eventueel in overleg met betrokkenen – effectief en vindingrijk, zodat de ontwikkeling van het kind gestimuleerd wordt.

Plannen en organiseren De gespecialiseerd pedagogisch medewerker 4 kinderopvang regelt ruim van tevoren activiteiten en schat de benodigde tijd in. Ze houdt rekening met onvoorziene omstandigheden en houdt de voortgang in de gaten, zodat het activiteitenprogramma zo veel mogelijk volgens plan wordt uitgevoerd.

Werkproces 3.3

C

op y

rig

ht E

Plannen en organiseren De gespecialiseerd pedagogisch medewerker 4 kinderopvang houdt rekening met de haalbaarheid van haar werkzaamheden in tijd en kwaliteit, zodat de continuïteit en kwaliteit van de opvang en begeleiding gewaarborgd zijn.

38

Plan van aanpak voor zelfredzaamheid


Onderwijsassistent Plan van aanpak voor zelfredzaamheid

Soort:

Cursus

Werksituatie:

Kinderopvang Naschoolse opvang/buitenschoolse opvang Basisschool Brede school Opvoedingssituaties

Eindproduct:

Plan van aanpak (folder over zelfredzaamheid, dagritmekaarten)

Niveau:

3/4

KD:

Onderwijsassistent 2010-2011

Kerntaak:

1. Assisteren bij het uitvoeren van onderdelen van het primaire proces 2. Uitvoeren van taken rondom het primaire proces 3. Uitvoeren van organisatie- en professiegebonden taken

Werkproces:

1.3 Assisteert bij de uitvoering van programmaonderdelen 1.4 Begeleidt de leerlingen/deelnemers bij de uitvoering van programmaonderdelen 2.1 Voert werkzaamheden uit ten behoeve van het primaire proces 2.4 Houdt toezicht en begeleidt buiten het primaire proces 2.5 Voert in PO en SO pedagogisch verzorgende taken uit 3.3 Stemt de werkzaamheden af

Competenties:

B Aansturen C Begeleiden D Aandacht en begrip tonen S Kwaliteit leveren T Instructies en procedures opvolgen V Met druk en tegenslag omgaan

Korte inhoud:

du 'A ct ie fb

ht E rig

Activiteitenplan, doelgroep, plan van aanpak, cyclus van methodisch werken, SMART-doelen, evalueren, cognitieve ontwikkeling, motorische ontwikkeling, sociaal-emotionele ontwikkeling, zelfredzaamheid, dagritmekaart, zelfvertrouwen, straffen, negeren, belonen

C

op y

Kernwoorden:

.v .

Titel:

Kennismaking met werkveld Kennismaking met methodisch werken Het activiteitenplan/plan van aanpak Ontwikkelingsfasen Ongewenst gedrag

Tijdsduur:

40 SLU

Š Uitgeverij Edu'Actief b.v.

39


Prestatie-indicatoren Werkproces 1.3 Instructies en procedures opvolgen De onderwijsassistent voert de assisterende taken volgens de instructies en aanwijzingen van de leraar/leraren/het team uit, hanteert veiligheidsregels en ziet erop toe dat ook de leerlingen/deelnemers de veiligheidsregels toepassen.

Werkproces 1.4

.v .

Begeleiden De onderwijsassistent stimuleert de leerlingen/deelnemers om kritisch naar zichzelf te kijken, zet ze aan om zelf naar mogelijke oplossingen te zoeken, motiveert de leerlingen/deelnemers om hun best te doen, helpt ze hun doelen te bereiken en uitdagingen aan te gaan en biedt als zodanig ondersteuning bij het leren en ontwikkelen.

du 'A ct ie fb

Werkproces 2.1

Kwaliteit leveren De onderwijsassistent pakt de voorbereidende en afrondende werkzaamheden ordelijk en efficiĂŤnt aan, gericht op een optimale voorbereiding of afronding.

Werkproces 2.4

Aansturen De onderwijsassistent toont tijdens het toezicht houden overwicht op de leerlingen/deelnemers, zodat zij luisteren en de aanwijzingen opvolgen.

Werkproces 2.5

ht E

Begeleiden De onderwijsassistent stimuleert de leerling(en) de persoonlijke verzorging zo zelfstandig mogelijk uit te voeren, waarmee zij de leerling(en) versterkt.

rig

Aandacht en begrip tonen De onderwijsassistent richt zich op de zorgbehoefte van leerlingen, herkent wanneer leerlingen hulp nodig hebben en biedt dan de nodige ondersteuning, let daarbij op het welzijn van de leerling en stimuleert de zelfredzaamheid, zodat leerlingen op het gebied van de zorg zich (verder) ontwikkelen en zo zelfstandig mogelijk functioneren.

op y

Werkproces 3.3

C

Met druk en tegenslag omgaan De onderwijsassistent geeft in de communicatie met de leraar/leraren/het team aan wanneer zij ervaart dat anderen, zowel leerlingen/deelnemers als de leraar/leraren/het team haar grenzen overschrijden of overvragen en draagt hier oplossingen voor aan, wat bijdraagt aan het zo goed mogelijk kunnen uitvoeren van haar taken binnen de school.

40

Plan van aanpak voor zelfredzaamheid

03714 c plan van aanpak voor zelfredzaamheid  

03714 cursus plan van aanpak voor zelfredzaamheid