Issuu on Google+

De Stad als Leerschool Dr. Marina Meeuwisse


De

praktijk als tekentafel

In september 2013 is het Expertisecentrum Maatschappelijke Innovatie (EMI) van Hogeschool Rotterdam gestart. Dit Expertisecentrum richt zich op het verbinden van onderzoek, praktijk en onderwijs. Dat gebeurt in ‘Communities of Practice’, waar studenten en docenten met professionals uit Rotterdam samenwerken en de Rotterdamse praktijk onderzoeken. Het doel is te inventariseren aan welke veranderingen de Rotterdamse praktijk onderhevig is en wat dit betekent voor het onderwijs aan toekomstige professionals die aan Hogeschool Rotterdam studeren. De programma-lijn van ‘De Stad als Leerschool’ past in gebiedsontwikkeling en focust op praktijkonderzoek dat studenten kan helpen om hun eigen professionaliteit te versterken. Het Expertisecentrum Maatschappelijke Innovatie richt zich op grote complexe vraagstukken, met name in Rotterdam Zuid. De vraagstukken in Rotterdam Zuid, die zich op een internationale schaal in alle grote steden voordoen, zijn dermate ingewikkeld dat er gezocht wordt naar bijzondere en creatieve oplossingen door studenten en professionals van verschillende expertises. Het gaat daarbij om de combinatie van onderzoek, onderwijs en praktijk.

De stad als leerschool In dit onderzoek is de veelzijdige praktijk in de stad het startpunt. Omdat de stad de belangrijkste biotoop is waar mensen leven, is de stad de motor van sociaal culturele veranderingen. Ontwikkelingen in de stad worden beïnvloed door technologische veranderingen, die op hun beurt veranderingen in de samenleving bewerkstelligen. Deze ontwikkelingen, zoals de industrialisatie, migratie-patronen en meer recent communicatie technologieën, zijn telkens bepalend voor aanpassingen op stedenbouwkundig, sociaal maatschappelijk 2


beleid én op sociaal-economisch beleid. De stad is min of meer een informele leerschool, waarmee burgers de manier waarop zij de wereld begrijpen en verklaren door dagelijkse nieuwe waarnemingen en nieuwe indrukken. In het publieke domein van de stedelijke ruimte leren burgers omgaan met de belangrijkste veranderingen in de moderne stedelijke omgeving: de toegenomen culturele diversiteit en de vervaging van de harde grens tussen de persoonlijke identiteit en de stedelijke ruimte (Sennett, 1990, 1994). Omgekeerd leveren burgers hun bijdrage aan veranderingen in het stedelijk leven: wereldsteden weerspiegelen structurele wereldveranderingen. In zekere zin is de stad als leerschool een omgeving waarin burgers bijdragen aan de veranderende ‘culturele kaders’ in steden. Die bijdragen van burgers aan culturele kaders van de stad als leerschool kunnen actief zijn - door zelf te participeren, ook al is dit een stadswandeling - en/of passief door anderen te observeren. De stedelijke inrichting, de vormtaal van gebouwen, de politiek-bestuurlijke invloeden op die stedelijke inrichting, en de representatie van de stad in de media, vormen de context op macro-niveau waarbinnen informeel en non-formeel leren plaatsvindt. Informeel leren verwijst naar alle vormen van leren die plaatsvinden in het dagelijks leven: elke ontmoeting, elke ervaring kan daarvan deel uitmaken. En non-formeel leren verwijst naar georganiseerde activiteiten, die plaatsvinden buiten de formele educatieve systemen (Elias, Vanwing, 2002: 163).

Een parlement in ons hoofd Hoe dat ‘non-formeel’ en ‘informeel’ leren plaatsvindt is te verklaren met actuele inzichten uit de psychologie: voorkeuren en gevoelens ontstaan door gebeurtenissen en ervaringen, die mensen zich niet bewust herinneren. Die niet-bewuste herinneringen vinden we terug in het impliciet geheugen. Dat geheugen heeft een belangrijke rol: waar het bewustzijn slechts een interpretatie van één beeld tegelijk kan zien, doet het onbewuste, impliciete geheugen zo ongeveer alles 3


wat psychologisch van belang is (o.a.: Loftus, 1974, 2005; Schacter, 1994, 1996; Dijksterhuis, 2007; Kandel, 2012). Onbewuste kennis is een compositie van informatie die we opvissen uit de wereld om ons heen, het kent geen rubrieken of categorieën en staat meer flexibiliteit toe in het vinden van nieuwe combinaties en omkering van ideeën. Het impliciet geheugen bevat ‘kennis waarvan we niet weten dat we het weten’ en staat haaks op het expliciet geheugen waar we bewust informatie opslaan, die we bewust onthouden. Volgens Vroon (1992) hebben wij mensen een parlement in ons hoofd, verschillende neurale circuits functioneren relatief autonoom, ze zijn verkaveld over verschillende structuren, en ze interacteren met elkaar. Het zijn als het ware persoonlijkheden - met eigen karakters - die in hetzelfde huis wonen maar niet met elkaar ‘on speaking terms’ zijn (Crombag, 1989). Het komt er dus op neer dat we het vinden van slimme oplossingen voor complexe vraagstukken beter niet over kunnen laten aan ‘het nadenken’. Tenminste: niet op de manier zoals we gewend zijn na te denken over ingewikkelde vraagstukken. Onbewuste denkprocessen zijn daar beter in toe in staat.

4


Onderzoek naar bewuste kennis lijkt dan ook niet zinvol. En omdat het ons geheugen niet lukt om onderscheid te maken tussen werkelijk ervaren en niet-werkelijk ervaren gebeurtenissen, is er sprake van een bondgenootschap tussen fictie en non-fictie in het geheugen. De huidige theoretische inzichten over de werking van het geheugen laten zien dat impliciete, onbewust aangeleerde kennis in de totstandkoming van ‘de stad als denkbeeld’ een hoofdrol heeft en dat het geheugen niet altijd in staat is om feit en fictie uit elkaar te houden. Dat gegeven is vertaald in het concept ‘intrinsieke kennis’ (zie Afbeelding 1). Omdat de intrinsieke kennis, die we hebben opgedaan door nonformele en informele leerprocessen in het dagelijks leven, is de stad en stedelijke cultuur de inspiratiebron waar de zoektocht naar innovatie begint. Argument om dit type onderzoek meer aandacht te geven zijn: (1) Er is een té enge focus op het micro-niveau waarop informele educatie werkzaam is. Professionals en onderzoekers pleiten voor meer aandacht voor macro-processen (buurt, stad, gemeenschap) want het is op dat macro-niveau dat, tot op zekere hoogte, de opportuniteiten voor informeel leren worden gevormd. (2) Er is nood aan meer onderzoek, vooral wat betreft innovatieve manieren om informeel leren te faciliteren en om professionals te ondersteunen: zij zijn immers degenen die op lokaal vlak de leerkansen voor mensen ontwikkelen en beheren. (3) Door de complexiteit en diversiteit van informele educatie is onderzoek ernaar best multidimensioneel van opzet, er is telkens een sterke contextualisering van het beschrevene vereist. Ook het normatieve karakter van deze activiteiten dient onderkent te worden (Vanwing, et al, 2008: 6). De focus van die zoektocht ligt op het bedenken van professionele, innovatieve arrangementen die uitgaan van de vragen die er in diverse stadsgebieden leven. Om te ontdekken welke bestaande structuren er in een bepaald gebied zijn en over welk potentieel bewoners en ondernemers beschikken, voeren we handelings-onderzoek in dat 5


gebied uit. Daarom richten we ons praktijkonderzoek op de (complexe) relatie tussen de stedelijke inrichting, de sociaal-economische texturen in de stad en de representaties van de stad en stedelijke cultuur in de media het uitgangspunt.

Visueel (veld)onderzoek Het visueel onderzoek start met een visuele veld-analyse in een gebied. Een visuele veld-analyse van de stedelijke ruimte toont het imago dat omgevingsbeelden oproepen (Lynch, 1960) en is bij uitstek een geschikt instrument om observaties uit te voeren (Collier en Collier, 1986). Het fotograferen van een gebied ondersteunt kijken met een visuele nauwkeurigheid; observatie met de camera draagt eraan bij de cultuur in al haar complexe details te zien, omdat de camera trouw het onderwerp dat de fotograaf kiest registreert, inclusief alle andere elementen die binnen focus en het bereik van de lens liggen. Vakbekwaam en adequaat gebruik van fotografie is aanvullend op waarnemingen met het blote oog (Collier en Collier, 1986). Er zijn twee redenen om beelden in kwalitatief onderzoek te gebruiken (Banks, 2008): (1) omdat beelden alom vertegenwoordigd zijn in de samenleving is het logisch dat zij deel uit kunnen maken van sociaal onderzoek. En (2) het gebruik van beelden kan de onderzoeker in staat stellen om nieuwe inzichten te genereren die op een andere manier niet toegankelijk zijn. Fotografie biedt de mogelijkheid om vraagstukken in verhouding te laten zien: een beeld kan de weerbarstige werkelijkheid van de stad en stedelijke cultuur tastbaar maken. Met andere woorden: met behulp van fotografie kunnen (1) ook de onderzoekers zelf - de studenten - gebruik kunnen maken van hun onbewuste kennis en (2) verleent het onderzoekers de mogelijkheid om buiten de eigen normatieve kaders te treden. Alles wat een professional zegt, alles wat hij doet, heeft een verborgen normatieve boodschap in zich. Elke professional die met anderen communiceert geeft zo de eigen normen door. We noemen dit transacties: taalgebruik, gedrag, nonverbale communicatie, zelfs de manier waarop een ruimte is ingericht 6


maken deel uit van die transacties. Anderen ‘lezen’ die verborgen normatieve boodschappen van de professional op hun beurt met behulp van hun kennis en ervaringen. Daarom is het is voor professionals van belang dat zij zich bewust zijn van hun eigen culturele referentiekaders – die verpakt zitten in de symbolische structuren - dan kunnen zij zich rekenschap kunnen geven van het ’waarom’ van hun concept, aanpak of methode in combinatie met ethische veronderstellingen. Als we de beelden hebben verzameld selecteren we, gefundeerd op de combinatie theorie en praktijk, beelden die we als meetinstrument gaan gebruiken. Want door gebruik te maken van visuele indrukken, roepen we bij anderen onbewuste herinneringen op. Die onbewuste herinneringen functioneren als richtlijnen voor het menselijk geheugen en activeren weer andere, specifieke, onbewuste kennis. We bereiken het slimme onbewuste van de burgers, door verschillende beelden gedurende enkele seconden aan hen te tonen en hen te vragen hierop te reageren. Deze reacties analyseren we met begrippen die naar mentale processen verwijzen. De associaties van respondenten bij de beelden geven inzicht in de motivatie en barrières van de doelgroep. Omdat deze associaties voort komen uit het onbewuste van de mens, verzamelen we essentiële informatie, die gebruikt kan worden in het verder onderzoek. Met deze onderzoeksmethode krijgen studenten veel beter inzicht in de motivatie en barrières van de doelgroep, waardoor de studenten beter kunnen inspelen op de behoeftes (zie Afbeelding 2). De inzichten die dit praktijkonderzoek oplevert, zijn het startpunt voor (nieuwe) professionele inzichten. De aard en de typologie van die inzichten zijn steeds afhankelijk van het beroep waarvoor studenten worden opgeleid. Rotterdam, januari 2014

7


8


Geraadpleegde bronnen Banks, M., (2001) Visual Methods in Social Research. Sage Publications, Los Angeles. Collier, J., Collier, M. (1986) Visual Anthropology. Photography as a Research Method. Revised and expanded edition University of New Mexico Press, Albuquerque. Crombag, H.F.M. (1989) Why (legal) rules often fail to control human behavoir. Methodology and Science, 22 138-148 Dijksterhuis, Ap (2007). Het slimme onbewuste. Denken met gevoel. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam Elias, W., Vanwing, T. (2002) Vizier op Agogiek. Uitgeverij Garant, Leuven, Apeldoorn. Kandel, E.R. (2012) The Age of Insight. The quest to understand the unconscious in art, mind and brain. Random House, New York. Loftus, E.F. & Palmer, J.C. (1974) Reconstruction of automobile destruction: An example of interaction between language and memory. In Journal of Verbal Learning and Behavior, 13, p 585-589. Loftus, E.F., (2005) Planting misinformation in the human mind: A 30-year investigation into the malleabilty of memory. Learning & Memory, 12, 361-366 Lynch, Kevin, A. (1960) The Image of the City. MIT Press, Cambridge MA. Schacter, Daniel L., (1996) De kunst van het geheugen. De herinnering, de hersenen en de geest. Uitgeverij Anthos, Amsterdam. Schacter, D.L., Tulving. E., (1994) Memory Systems 1994. The MIT Press, Cambridge, Massachusetts. Sennett, Richard (1974) The Fall of Public Man. Cambridge University Press, Cambridge. Sennett, Richard (1990) The Conscience of the Eye. The Design and Social Life of Cities. W.W. Norton & Company, New York, London. Vanwing, T., Meurs, P., Buffel, T., De Pauw, W., (2008) Adviesrapport: Eigenschappen en positie van niet formele educatie in het sociaal-cultureel volwassenenwerk. Vrije Universiteit Brussel, Brussel. Vroon, P. A., (1992) Wolfsklem. De evolutie van het menselijk gedrag. Uitgeverij Ambo, Baarn.

9


Leefwereldonderzoek Dr. Marina Meeuwisse