Page 1

DeSchat bewaarder


‘Het Ruchtbaar worden der Stadsdieverij is eene heilzame en helaas hoogstnoodige waarschuwing aan ons land. Ik hoop dat de koning er kennis van neme.’

J.R. THORBECKE, 16 oktober 1838


DE SCHATBEWAARDER


Voor mijn ouders, Eelco Veldhuijsen en Eleonore Seyn. In 1962 startten zij boekwinkel Visalis. Wat rook het drukwerk er lekker. Ik denk er met liefde aan terug.

ISBN 978 90 123 9997 5 NUR 342 Copyright © Huib Veldhuijsen, 2017. Sdu Uitgevers bv, ’s-Gravenhage. Illustratie omslag: Hans Leijerzapf 2017, naar Desterbecq 1838. Alle rechten voorbehouden. Behoudens de in of krachtens de Auteurswet gestelde uitzonderingen, mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van reprografische verveelvoudigingen uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16h Auteurswet, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Reprorecht (Postbus 3051, 2130 KB Hoofddorp, www.reprorecht.nl). Voor het over nemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich te wenden tot Stichting PRO (Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie, Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp, www.cedar.nl/pro). Voor het overnemen van een gedeelte van deze uitgave ten behoeve van commerciële doeleinden dient men zich te wenden tot de uitgever. Hoewel aan de totstandkoming van deze uitgave de uiterste zorg is besteed, kan voor de afwezigheid van eventuele (druk)fouten en onvolledigheden niet worden ingestaan en aanvaarden de auteur(s), redacteur(en) en uitgever deswege geen aansprakelijkheid voor de gevolgen van eventueel voorkomende fouten en onvolledigheden. All rights reserved. No part of this publication may be reproduced, stored in a retrieval system, or transmitted in any form or by any means, electronic, mechanical, photocopying, recording or otherwise, without the publisher’s prior consent. While every effort has been made to ensure the reliability of the information presented in this publication, Sdu Uitgevers neither guarantees the accuracy of the data contained herein nor accepts responsibility for errors or omissions or their consequences. www.sdu.nl en www.de-schatbewaarder.nl.


DeSchat bewaarder


‘Gelijk gij wilt dat u de menschen doen zullen, doet gij hun ook desgelijks’ Lucas VI:31


In deze voorbeeld weergave treft u enkele fragmenten uit ‘De Schatbewaarder’

Spotprent op de stadsfraude, Desterbecq 1838. Casper Seyn en Jan Christiaan Backer, klerken van de secretarie van Leiden. Wegens verduistering van gelden veroordeeld bij de dood van secretaris P.A. du Pui. Rechts de trotse stadsarchitect Salomon van der Paauw, omgeven door gouden munten. Collectie auteur.


Proloog Deel I Zoete Waan 1807 - 1838

Deel II

Hof van Holland 1839 - 1845

Deel III Raderwerk 1846 - 1860

Epiloog

Verantwoording Literatuur


Proloog

M

Maandag 30 januari 1860

ijn naam is Jan Laurens. Mijn leven lang was ik klerk op de

secretarie van het stadhuis. Wie dacht dat het leven van een klerk saai is, komt bedrogen uit. Letterlijk en figuurlijk. Ik neem u mee naar het Leiden aan het begin van de negentiende eeuw. De ooit zo vermaarde lakenstad was in de loop der jaren verworden tot een omsingelde mengelmoes van elite, wetenschappers, bedelaars en zwervers. De grachten stonken enorm. We vochten er tegen ziekten en armoede. Lakenwevers woonden met gro-

te gezinnen in te kleine huisjes, waar hun kinderen werden ingezet om nog iets van de textielindustrie overeind te houden. We weekten ons los van de Fransen en moesten nog maar afwachten hoe verenigd het nieuwe koningrijk zou blijken. Het was in deze jaren dat de muzen van de kunsten en mu-

ziek zich moesten hervinden. Daarvoor zijn kleurrijke figuren nodig. Lang heb ik me niet gerealiseerd dat zij zo dicht bij me stonden. Casper, Christiaan en Pierre. Wat miste ik mijn curieuze vrienden. Mijn vader overleed toen ik zeven jaar oud was, in 1797. Hij had een apothekerszaak aan de Breestraat, tegenover de Papengracht. Mijn oudere broers volgden hem op. Een van mijn andere broers werd dokter en overleed jong. Mijn zusje Saartje hielp vooral mijn moeder. Mijn zusje Debbie heb ik nooit gekend. Ik trouwde op mijn 36 ste jaar, in 1825, met de jonge Carolina. Een meisje verderop in de Breestraat. Nu ja, verderop: De Breestraat is een van de langste, statigste, maar ook drukste straten van de stad. Nog geen driehonderd jaar geleden werden hier door het stadsbestuur lijf-

straffen uitgevoerd, bij De Blauwe Steen. Het was het middelpunt van de stad, waar de oude vier stadskwartieren samenkwamen en ook het stadhuis was gepositioneerd.

9


Carolina woonde voorbij het stadhuis. Zij was de jongste dochter van het koopmansgezin van Carel van der Noordaa. Hij was als koopman zeer ge-

zien in de draperie, de textielindustrie, en net als ik zeer geïnteresseerd in de boekdrukkunst. Carels vader Simon was lakenkoper en behoorde tot de roemrijke regenten van Leiden. De familie had mijn vader nog gekend. Toen ik klein was waren er in het gezin Van der Noordaa nog drie andere

In deze voorbeeld weergave gered. Ik zeg één voor want ze fragmenten werden steeds geborenuit als het eerdere treft u één, enkele zusjes, die vaak medicijnen nodig hadden. Ze hebben het één voor één niet

zusje weer was overleden. Ze heetten ook allemaal hetzelfde, net zo lang

‘De Schatbewaarder’

tot er een bleef leven.

Alles wat er om mij heen gebeurde, besprak ik met Antoine, de zoon van Casper. Zoals Wilhelmus in mijn jonge jaren ook met mij sprak. We hadden het erover dat alles anders was dan dat we het zagen. Of misschien

hadden willen zien. De zuidelijke Nederlanden raakten in opstand omdat koning Willem de Nederlanden stuntelig bijeen hield. De koning erkende uiteindelijk België en verbond hieraan zijn aftreden. De scheiding bracht ons Thorbecke. Hij veegde de vloer aan met de hei-

melijke vergaderingen en begrotingen van het stadsbestuur. Er verschenen publicaties dat de post op het postkantoor al jaren werd geopend en gelezen. En onder mijn ogen speelde zich die enorme stadsfraude af. Wat een bijzonder toeval dat de vroedschapspenningen precies voldoende waren tot het moment dat de Fransen kwamen! Burgemeester Gael en zijn zoon Diderik hadden ze er ooit voor opgesloten. Op verdenking van verduistering. Professor Kluit zou het geheim van de schatbewaarders meegenomen hebben in zijn graf. Of niet? Ik was intussen zeventig jaar en mijn pensioen nog niet zeker, toen ik in de zomer van 1859 besloot aan de raad te vragen mij eervol te ontslaan. Wat bezielde toch die twee raadsleden die daar tegen waren? Ik schudde aan mijn zakhorloge dat ik van

Casper had geërfd. Het begon weer te lopen. TEERLINK

10


Deel I

Zoete Waan 1807 - 1838


In deze voorbeeld weergave treft u enkele fragmenten uit ‘De Schatbewaarder’

De verwoesting van 1807. ‘Het Rapenburg in Leiden’. Carel Lodewijk Hansen. Collectie Rijksmuseum.


Zoete Waan

Hoofdstukken I

Verwoesting

1807

15

II

Wilhelmus

1807-1809

21

III

Code Napoleon

1810-1814

47

IV

De Twee Kolommen

1814-1815

67

V

Vroedschapspenningen

1816

79

VI

Cape Noir

1816-1817

91

VII

Koppeschaar

1818-1820

103

VIII

Bank van Leening

1821-1823

121

IX

Eenige Verlustigingen

1824

133

X

Lichaam van Leiden

1825-1828

143

XI

Misdadig België

1829-1832

163

XII

Blauwe dood

1832-1834

175

XIII

’t Welvaere deses Huyse

1834-1837

191

XIV

Bekisting

1838

215


Ode aan Napoleon Fragment Spoedt aan o heuglijke dagen, Ten koste van wat bloed, het zij!

In deze voorbeeld weergave treft u enkele fragmenten uit

Spoedt aan in ’s Hemels welbehagen! Herstelt des aardrijks Monarchy!

Ja, moeten wij door stroomen waden

‘De Schatbewaarder’

In zeeën van ellende baden

Tot dat die grote dag verschijn’

Wij lijden, dragen, hopen, zwijgen Hij zal, hij zal ter kimme stijgen En ’t menschdom zal gelukkig zijn

Willem Bilderdijk, Leiden 1806. In opdracht van koning Lodewijk.


I Verwoesting 1807

I

Maandag 12 januari 1807

k was een jongen van 17 jaar en Carel en ik hielpen op deze gure

winterdag onze broer Nicolaas in de apotheek. In het gegraveerde glas van de deur was een Asclepiusstaf verwerkt. Mijn grootvader had deze ooit bij een meestergraveur laten maken in Antwerpen. Volgens Nicolaas was Asclepius in de Griekse tijd de god van de geneeskunde. Hij werd vaak getekend met een slang om de staf die hij vasthield. De zaak had een hoge entree met een houten omlijsting en een gevel met veel ramen, waarachter zich een bijzonder interieur bevond met hoge, maar ook vele verborgen kasten. Overal waren laatjes en vakjes, en voorin in de zaak stond een statige toonbank. Alles werd genoteerd. Natuurlijk de recepten en de voorraden, maar ook welke klanten welke medicijnen kwamen

halen. Honderden plantjes waren er om te versnijden, verhakken en te verstampen tot medicijn. Poeders werden er gevouwen, pillen gedraaid en zalven gemaakt. Het rook er altijd naar kruiden. Er waren planken met grote bolle apothekersflessen. Alles werd in het Latijn opgeschreven, maar ook de Franse benaming kwam op het etiket en soms werd er ook een Nederlandse benaming bijgeschreven. De meest griezelige apothekerslade vond ik de dikke glazen bak met hirudo medicinalis. Hirudoj zijn bloedzuigers. Nicolaas vertelde dat er in Parijs jaarlijks wel een miljoen hirudoj werden uitgezet. Een manier van bloed afnemen die niet alleen door doctoren werd uitgevoerd, maar ook gewoon bij de barbier. Zelfs koning Lodewijk liet zich ermee behandelen.

De wijzers van de grote klok in de apothekerszaak toonden dat het alweer twaalf over vier was. Vanaf dat moment raakte ik gefascineerd door het mechanisme waarmee de tijd zich voortbeweegt. Carel hielp een meisje dat

12


Fragment hoofdstuk I

last had van een splinter in haar vinger. Ik kan die tijd zo exact noemen, omdat wat er op dat moment gebeurde heel Leiden voor jaren verdoofde.

Verwoesting

Haar moeder sprak met Nicolaas over kruiden. Ikzelf zag op dit tafereel toe, vanaf een hoge ladder die langs de hoge kast rolde. Ik herinner me de doffe onweersdonder. Daarvan keken we even op, maar we lieten ons er niet door van de wijs brengen. Ik bewonderde Carel, die met de grootste

precisie dat ellendige stukje splinter uit de vinger van dat arme meisje probeerde te krijgen. Precies op het moment dat hij de puntjes van het pincet op het kleine uitsteekseltje bij elkaar had geknepen… precies op dat moment was er een enorme knal. Een donderslag van een onweersbui die nog nooit was gehoord. Een enorme ontploffing met een geweldige lichtflits, alsof de aarde die middag werkelijk verging. Het einde der tijden, waar de dominee de godvrezenden nog weleens mee wilde dreigen, was aangebroken. Ruiten sprongen, er was gegil en paniek in de straat. De ruit met de Asclepiusstaf, was gesprongen. Gek dat me dat opviel. Tegelijkertijd werd dat minder belangrijk. We zouden er die middag evenwel allemáál aangaan. Vanuit de winkel zagen we grote drommen mensen richting het stad-

huis rennen. Wij gingen naar buiten. We zagen boven het silhouet van het dak van de Pieterskerk dikke rookwolken en vlammen. ‘Leiden staat in brand’, werd er geroepen. Het leek wel of het in een klap nacht was geworden. We vergaten de barre koude en probeerden, van mensen die de andere kant op vluchtten, te horen wat er nu werkelijk gebeurd was. De rook werd massaler en de vlammen heftiger. Direct toen ik mijn moeder O nee Jooooh hoorde roepen realiseerde ik me dat de ramp zich voltrok in het gebied waar haar zus en oom Kluit woonden. Nicolaas, Carel en ik hadden de behoefte om te helpen. We wisten nog niet wat zich er precies had afgespeeld. Duidelijk was dat een stuk Leiden was weggevaagd. Nicolaas kende de autoriteiten in de stad goed en hij bood onze

hulp aan. Onze kruiden zouden er natuurlijk niet helpen, maar alles wat we hadden om wonden te kunnen schoonmaken, benen te spalken of te verbinden, trokken we uit de kasten.

13


Onderweg met onze hulpkist werd het beeld van de stad steeds grimmiger. De glas-in-loodramen waren uit de Pieterskerk geslagen. Via de

Nieuwsteeg mochten we het gebied in. Het was afschuwelijk. Lichaamsdelen lagen verspreid tussen de puinhopen. Even dacht ik de hand van iemand te zien die ik had kunnen redden. Het was inderdaad een hand. Maar niet van iemand die ik had kunnen redden. Aan de mouw en de roodgloei-

ende manchetknoop, die er nog aanhing, kon ik opmaken dat het een mannenhand was. Mijn maag draaide zich om. Ik verafschuwde mezelf vooral omdat ik me ook nog eens afvroeg of ik misschien de ring van zijn vinger had kunnen halen. Ik deed het niet. De mist maakte dat we alleen nog maar konden vermoeden wat we zagen. Enkele fakkels in het ontplofte gebied, waarvan we nog niet wisten hoe ver dat zou reiken, zorgden ervoor dat we ons een pad konden banen. Koning Lodewijk arriveerde diezelfde avond om de hulp vanuit het stadhuis te coรถrdineren. Een enorm netwerk van soldaten werd door hem ingezet om het gebied rond Rapenburg te vrijwaren van plunderaars, om onder het puin te zoeken naar overlevenden en gekwetsten te helpen. Vele stad-

genoten boden die nacht hulp door met olielampen bij te schijnen. Het werd langzaam licht. We voelden dat het na een ijskoude nacht ook een ijskoude ochtend werd. Het werd duidelijk wat er werkelijk gebeurd was. Een schip dat de vorige dag was afgemeerd aan de Rapenburg, had zoveel buskruit aan boord dat een vonkje voldoende bleek om een stuk van de stad op te blazen. We zagen hoe groot de verwoesting was die de klap toebracht. Meer dan 200 woningen waren verwoest en een veelvoud daarvan beschadigd. Meer dan 2000 mensen raakten gewond en snel bleek dat het aantal doden niet beneden de honderd bleef. Nadat het garnizoen, waarbij we ons hadden aangesloten, werd afgelost hadden we slecht nieuws voor mijn moeder. Op de groeiende lijst van vermisten, gekwetsten

en omgekomenen was inmiddels ook te zien dat de oude Kluit en tante Jo bij de ramp waren omgekomen.

14


Fragment hoofdstuk II

me bij de Koninglijke Academie van W etenschappen er voor in te zetten dat het werk van mijn vader voor de generaties na ons bewaard blijft. Ik

Wilhelmus

heb al heel wat verstrooide en gehavende overblijfselen van mijn vaders handschriften bijeen verzameld. De puinresten hebben soms als een soort presse-papier de stapels papier enigszins bijeen kunnen houden. Mijn vader was een bijzonder trafiek op het spoor, Laurens, om stedelijke verdien-

sten verre van de Fransen te houden.’ Wilhelmus wenkte me naar een hoge deur, die zich achter het hekje bevond naast de balie van het postkantoor. We betraden een muffe ruimte. Het was er donker. Door het strijklicht, dat uit een raam naar binnen kwam, zag ik dat er touw was gespannen waarover vellen geschept papier hingen te drogen. Er waren ook gedrukte vellen met gezette teksten en gehavende handgeschreven aantekeningen er op. Wilhelmus noemde deze suite zijn atelier. Hij was er het werk van zijn vader aan het reconstrueren. De mufheid uit de stapels papier die hij had opgeslagen kwam je tegemoet. Er waren boeken die duidelijk onder de ontploffing geleden hadden. Soms door waterschade, soms aangeslagen door roet. Bij vlagen rook ik de kruit-

dampen er doorheen, alsof het tot in de diepste vezels van het papier was getrokken. Er waren ook stukken die er ogenschijnlijk gaaf uitzagen. Ik streelde de lederen kaften. ‘Dat was eerder niet zo’, lichtte Wilhelmus toe. ‘De boeken die je daar ziet heb ik opnieuw ingebonden.’ Er lagen stapels met handschriften die hun volgorde nog moesten vinden. Maar ook papieren die nog overgeschreven moesten worden. ‘Ook bij de Maatschappij zal ik mijn vaders sporen volgen en een belangrijke bijdrage aan het herstel van zijn werk proberen te leveren.’ We namen plaats aan een werktafel in het midden van het atelier. ‘Mijn vader wilde het graag, gewoon een stadhouder. Willem VI. Wist u

dat onze laatste stadhouder zijn erfrechten gewoon heeft verkocht aan Napoleon? Koning Lodewijk is daarmee een volstrekt legale troonopvolger, Laurens. Dat stoorde mijn pa.’

24


Wilhelmus vertelde dat de werkzaamheden van het genootschap al een tijdje niet hadden plaatsgevonden. ‘Men vond geen geschikte plaats voor het houden van de maandelijkse vergaderingen, of om de voorlezingen van de sprokkel- en grasmaand te laten voortgaan. Naast de grote schade aan de vertrekken, is de fraaie gehoorzaal geheel onbruikbaar geworden. Het levensgrote beeld van Apollo is tegen de

vloer geslagen en verpletterd; het Pan Poëticum vergruisd, spiegels, lusters en kostbaarheden zijn gebroken en de beeltenissen van de dichters lagen in stukken over de zaal verspreid. Misschien voor altijd verwoest.’ Op de jaarvergadering, voor deze gelegenheid in De Burcht, werd stil gestaan bij de schrikverwekkende ramp waarin de Maatschappij deelde. ‘U kent vast orangist en hoogleraar Te Water, onze voorzitter?’ ‘Zeker. Wie kent de wit gepruikte professor niet?’ ‘Het verhaal doet de ronde’, vertelde Wilhelmus, ‘dat zelfs zijn zo dove vrouw zich op het moment van de knal, zich afvroeg of ze haar man iets hoorde zeggen. Meer getroffen toonde Te Water zich door de onverwachte dood van twee achtingswaardige leden. Adriaan Kluit natuurlijk, en pro-

fessor Luzac. Aan beiden werd door het genootschap met toegenegenheid en eerbied teruggedacht. Te Water moest er enorm zijn best voor doen om zich niet over hun wijd uiteenlopende en vaak strijdige denkwijzen ten aanzien van het landsbestuur te hoeven uitlaten. Wilhelmus was er trots op

dat Te Water had uitgesproken dat beiden zich ervoor hadden ingezet, de

Pagina 26 t/m 399 zijnstaat niet kennelijk kwijnende en diep vervallen van weergegeven. de Maatschappij te herstellen en weer tot bloei en roem te willen brengen.

‘De Schatbewaarder’ wordt 19 mei ‘Zij maakten zich verdienstelijk voor ons vaderland en het 2017 geletterde Europa’, had de voorzitter gesproken. Beide professoren hadden in ieder

uitgebracht bij Sduhadden uitgevers. geval gemeen dat ze opvattingen die door de curatoren van de hogeschool niet werden gedeeld. Als aanhanger van de stadhouderlijke regering werd Kluit kort na de omwenteling van 1795 uit zijn ambt ontslagen. In 1796 werd van Luzac al gevonden dat hij als aristocraat geen Vaderlandsche geschiedenis meer kon geven.

25


Het Einde De laatste woorden van Casper Seyn, zijn ontleend aan een later gedicht van Martinus Nijhoff. ‘Laten we niet meer denken aan wat was. God heeft met ons gedaan wat hij doen wilde.’ Uit ‘Het Einde’, ‘De Wandelaar’ (1916). Met dank aan de erven Nijhoff. Illustraties omslag Voor: ‘De Schatbewaarder’, Hans Leijerzapf 2017. Naar spotprent Desterbecq 1838.

Binnen: ‘Stadhuis Leiden’, C. Springer 1867, collectie Stedelijk museum De Lakenhal. Achter: Fragment ‘Kelk met inscriptie ’t Welvaere deses huyse’, tweede kwart 18de eeuw, collectie Stedelijk museum De Lakenhal, Leiden. Geschenk G.P. Seyn, 1897. Portret auteur, bij graf Jan Laurens Teerlink (1789-1874), begraafplaats De Groenesteeg.

Binnen: ‘Plattegrond Leiden’, Salomon van der Paauw 1860. Collectie RAL.

400


Huib Veldhuijsen (IJ sselstein, 1965) gr oeide op in de boekhandel van zijn ouders. Met een altijd

actuele collectie tijdschriften binnen handbereik kon hij al Googlen avant la lettre. Het werk van fotografen, de levens die zij registreerden en hoe mensen met elkaar waren verbonden, inspireerde. Casper

Salomon

Met de tienertoer maakte hij stedentrips om tentoonstellingen en stadsarchieven te bezoeken en interessante mensen te ontmoeten en fotograferen. Hieruit groeide een warme belangstelling voor cultuurhistorie en openbaar bestuur. Sinds hij in 1981 zijn eerste ontdekkingen over zijn voorouder Casper Seyn met zijn grootvader deelde groeide

Apotheek

ook de nieuwsgierigheid naar de historische context Huiszittenhuis

Postkantoor waarin

de klerk werkte.

De Twee Kolommen

Laurens Stadhuis Gravensteen

Heer Diderik

Bank van Leening

RuĂŻne

Thorbecke


Huib Veldhuijsen (1965) is communicatieadviseur en citymarketeer. Om zijn creatieve geest te scherpen tijdens zijn jaren als raadslid en wethouder, projecteerde hij het verhaal van zijn voorvader Casper Seyn tegen de achtergrond van de liberalisering van het openbaar bestuur. Zijn debuut.

DE SCHATBEWAARDER is het verhaal van de grote stadsfraude die plaatsvond in het in verval geraakte Leiden van de eerste helft van de negentiende eeuw. We volgen Jan Laurens Teerlink, een apothekerszoon die nietsvermoedend als klerk op het stadhuis komt werken, terwijl onder zijn ogen stadssecretaris Du Pui en zijn klerken Seyn en Backer een complot smeden waarmee de helft van de gemeentebegroting, over een periode van bijna dertig jaar, geruisloos wordt weggesluisd. De heren leiden een onopvallend bestaan waarin het hen aan niets ontbreekt. Van snuisterijen, kunst en boeken tot rariteiten en snuifdoosjes. Als de zaak in 1838 aan het licht komt, overlijdt onverwacht Du Pui. Seyn en Backer worden gearresteerd. De politici waren furieus. Welke rol bleken zij zelf in de zaak te hebben? Waarom adopteerde raadslid Bucaille de kinderen van Du Pui? Welke motieven had de mysterieuze gever die de gelden terugbetaalde? Welke administraties werden nog meer buiten de stadskas gehouden? Wanneer Thorbecke met Seyns opvolger het onroerend goed van de armenhuizen ook aan de stad toeschrijft is het kerkbestuur des duivels. Teerlink is geobsedeerd door het mechanisme van tijd en gaat op zoek naar de radertjes die het klokwerk van de stad vormen. DE SCHATBEWAARDER is een historische roman, geschreven met humor en vol politieke intriges, die zich afspeelt in het Nederland tussen Napoleon en Thorbecke. In een land op zoek naar identiteit en waar de liberalisering vastloopt in het raderwerk van kerk en koning.

ISBN 978 90 123 9997 5

www.sdu.nl

Fragmenten de schatbewaarder  

DE SCHATBEWAARDER is een historische roman, geschreven met humor en vol politieke intriges, die zich afspeelt in het Nederland tussen Napol...

Advertisement