'De Rembrandt-roof' van Deron Hicks

Page 1

-

ROOF DeRon HICKs

National Portrait Gallery

Washington D.C.

Begane grond Eerste verdieping Lobby Lobby Café Kogod Binnenplaats
N Z
Bijzondere tentoonstellingen
Millenniumtentoonstelling Collectie Amerikaanse presidenten
W O

Tweede verdieping

Tussenverdieping

Derde verdieping

Conserveringscentrum Lunder

Conserveringscentrum Lunder

zaal
Grote

Proloog Eenentachtig minuten

02.00 uur

Dertig jaar geleden

Boston, Verenigde Staten

Sam keek op zijn horloge. Het was een klassiek exemplaar met stopwatch en een bruin leren bandje. Het was van zijn vader geweest en het was in de loop der jaren misschien een beetje versleten, maar nog altijd even betrouwbaar.

Het horloge vertelde Sam iets wat hij al wist: het was tijd.

Hij dwong zichzelf zijn laatste restje koffie naar binnen te gieten en huiverde. Het was ijskoud en smaakte bitter. Sam haatte koude koffie, maar hij had de cafeïne hard nodig. Het was een lange avond geweest en het was nog lang niet voorbij.

In de verte klonk het rumoer van St. Patrick’s

11

Day-vierders. Het feestgeluid zweefde naar binnen door het open raam van de onopvallende rode auto waar Sam in zat. Ondanks het late uur wist hij dat het tot in de vroege ochtend druk zou zijn in de stad. In de rustige laan met bomen waar hij geparkeerd stond zou gelukkig niet gefeest worden.

Sam rolde het raampje weer omhoog. Hij draaide de achteruitkijkspiegel naar zichzelf en zette zijn pet recht. Op zijn gezicht verscheen vanzelf een kleine glimlach. Hij wist maar al te goed hoe ironisch het was dat hij deze pet ophad.

‘Klaar?’ vroeg Sam aan de grote man in politie-uniform die naast hem zat.

‘Klaar,’ antwoordde Bob.

Sam, die ook een politie-uniform aanhad, wist natuurlijk dat de man naast hem niet echt Bob heette. En hij heette zelf ook geen Sam. Zo werkten ze altijd: geen echte namen. Dat was beter. En gemakkelijker.

De mannen stapten uit en stonden even stil. De koele nachtlucht voelde verfrissend. Er begon net een lichte mist te ontstaan, die lichtringen vormde rond de straatlantaarns in de smalle laan. Sam keek om zich heen. Er was niemand. Hij had de afgelopen weken rondgereden in de buurt, dus het gebrek aan mensen verbaasde hem niet. Hij had het verwacht. Hij kende dit gebied en de vaste patronen maar al te goed. De laan werd omringd door twee parken en meerdere universiteitsgebouwen. Op dit tijdstip was het hier superrustig. Zelfs op een feestdag.

Sam herkende ieder voertuig dat er stond. Het

12

blauwe busje dat ’s nachts altijd aan de overkant geparkeerd stond. Het kleine zwarte autootje dat een stukje verderop stond, altijd te ver van de stoeprand af. En de witte middelgrote auto die op een oprit in de buurt van het kruispunt stond.

Een grijze kat liep iedere nacht zijn vaste rondje. Hij sliep meestal onder een brievenbus op de hoek. De enige persoon die op dit tijdstip nog wel eens buiten was, was een oudere man die zijn kleine bruine hondje vaak net na middernacht uitliet. De hond heette Millie. Millie was eerder deze nacht al voorbijgekomen en was inmiddels weer thuis. Alles aan deze buurt – zelfs de kat – was voorspelbaar, en ook vannacht leek alles te gaan zoals het altijd ging.

‘Mooie nacht,’ zei Bob.

‘Perfecte nacht,’ antwoordde Sam.

Sam pakte zijn tas van de achterbank, deed de auto op slot en liep achter Bob aan de stoep op. Tijdens hun korte wandeling lette Sam goed op of hij iets zag wat niet klopte. Het draaide allemaal om de details, de kleine dingen die de meeste mensen niet eens opvallen. In zijn baan deden details ertoe. Details maakten het verschil tussen succes en falen.

Even later stonden Sam en Bob voor een groene deur aan de zijkant van een gigantisch stenen gebouw. Aan de buitenkant leek het een vrij onopvallend, normaal gebouw. Vier verdiepingen bruine bakstenen en donkere ramen. Je zou het gemakkelijk kunnen aanzien voor een eenvoudig appartementencomplex of een kantoor. Maar het was iets heel

13

anders. Dit was een prachtige Italiaanse villa, in het hartje van de stad. Sam stond even stil om het statige paleis te bekijken. Dit zou de laatste keer zijn dat hij het ooit zou zien.

Jammer, dacht hij. Hij vond het echt een schitterend gebouw. Het was uniek en hij hield van unieke dingen. Hij had hier de afgelopen weken veel tijd doorgebracht en alle gangen, zalen en trappenhuizen leren kennen. Hij kende ieder hoekje van het gebouw: de grote zalen, de kleine zijkamertjes, de nauwe gangen en de nisjes. Hij wist hoe het licht ’s ochtends door de ramen naar binnen viel en hij had gezien hoe er in de late namiddag diepe schaduwen vielen over de prachtige binnenplaats. Het gebouw leek zich niets aan te trekken van de moderne wereld. Het was een prachtig, caleidoscopisch doorkijkje naar het verleden: een mengelmoes aan geschiedenis, samengepakt in één gebouw. Alles hier was mooi.

Sam zuchtte.

Hij werd oud. Vroeger was hij nooit zo sentimenteel.

Bob drukte op de knop van de intercom naast de deur.

Een paar seconden later verscheen er een lange

jongeman met lang haar aan de andere kant van het raampje in de deur. Hij droeg een beveiligersuniform. Zijn blouse hing uit zijn broek en was niet dichtgeknoopt. De stem van de jongeman kraakte door de intercom: ‘Wat kan ik voor jullie doen, agenten?’

‘We hebben een melding gehad over overlast op

14

de binnenplaats van dit gebouw,’ legde Bob uit.

‘Waarschijnlijk gewoon jongeren die St. Patrick’s Day aan het vieren zijn,’ voegde Sam toe. ‘Maar we moeten het wel even natrekken.’

De jongeman keek verward. ‘Ik heb niets gehoord,’ zei hij. ‘Weet u het zeker?’

‘Luister, jongen,’ antwoordde Sam. ‘Ik heb ook niets gehoord, oké? En ik begrijp ook niet hoe er iemand op de binnenplaats is gekomen. Maar ik heb toch echt een melding gehad en het is onze taak om die na te trekken. Maak het niet te moeilijk voor ons, oké? Laat ons naar binnen, dan kijken we even snel en dan zijn we zo weer weg.’

De jongeman aarzelde even. De onzekerheid was van zijn gezicht af te lezen. Uiteindelijk haalde hij zijn schouders op. ‘Prima. Dan kunnen we maar beter het zekere voor het onzekere nemen.’

Hij liep naar een balie in het kantoortje aan de andere kant van de hal. Een paar seconden later klonk er een zoemer, gevolgd door het klikkende geluid van een openspringend slot. Bob deed de deur open en liep naar binnen. Sam keek nog een laatste keer om zich heen en volgde Bob naar het kleine kantoortje van de beveiliger. Hij trok de deur achter zich dicht.

‘De binnenplaats is die kant op,’ zei de jongeman van achter de balie. ‘De hal door. Niet te missen.’ Hij wees naar een deur aan zijn rechterhand.

‘Dankjewel,’ antwoordde Sam. ‘We gaan er kijk–’ Hij stopte midden in zijn zin en staarde de jongeman aan. ‘Ken ik jou?’ vroeg hij.

15

De jongeman schudde zijn hoofd. ‘Ik denk het niet,’ antwoordde hij nerveus.

‘Ik weet bijna zeker dat ik je ergens van ken,’ zei Sam. ‘Kun je achter de balie vandaan komen, alsjeblieft?’

De jongeman deed wat er van hem werd gevraagd, zoals Sam ook al had verwacht.

Sam richtte zich tot Bob. ‘Komt hij jou niet bekend voor?’

Bob wreef peinzend over zijn kin. ‘Ja, hij ziet er heel bekend uit,’ zei hij.

Sam knipte met zijn vingers. ‘Ik weet het. Er staat een arrestatiebevel open voor jou.’

De jongeman kreeg grote ogen en zijn mond viel open. ‘Een… Een arrestatiebevel?’ stamelde hij. ‘Nee, meneer, dit moet een vergissing zijn. Ik zweer dat ik niets heb gedaan.’

‘Dit is geen vergissing,’ zei Sam, die handboeien van zijn riem trok. ‘Draai je om en plaats je handen tegen de muur.’

De jongeman deed wederom wat er van hem gevraagd werd. Sam voelde hoe de handen van de beveiliger trilden toen zijn armen achter zijn rug werden getrokken en hij handboeien om kreeg. De jongeman was bijna aan het hyperventileren.

‘Wat is er hier aan de hand?’ klonk een stem vanuit de deuropening aan de andere kant van het kantoor. Het was een andere beveiliger in uniform. Hij was ouder en had een stuk minder haar.

‘Er staat een arrestatiebevel uit voor uw collega. Ik

16

moet hem meenemen,’ legde Sam uit.

‘Arrestatiebevel?’ zei de beveiliger. ‘Nou, mooi is dat. Moeten jullie hem per se nú arresteren? Zijn dienst duurt nog een paar uur. Kan hij zichzelf daarna niet aangeven, of zo?’

‘O, het wordt nog veel mooier,’ zei Bob. Hij pakte nog een set handboeien en even later stond ook de tweede beveiliger geboeid tegen de muur aan, naast zijn langharige collega. Bob knikte naar Sam en liep het kantoor uit.

‘Jullie zijn niet echt politieagenten, hè?’ vroeg de jongeman.

Er verscheen vanzelf een glimlach op Sams gezicht. ‘Dat klopt als een bus.’

De jongeman begon steeds moeizamer te ademen. Sam had geen zin in een medische toestand. Dat was geen onderdeel van het plan. Hij moest de jongen kalmeren. Hij klopte hem op zijn rug. ‘Geen zorgen, jochie,’ zei hij. ‘Gewoon meewerken en dan komt het allemaal goed.’

‘Er zijn meer beveiligers in het gebouw,’ flapte de andere beveiliger eruit. ‘Als jullie nu vertrekken, kun je nog ontsnappen. Ze kunnen ieder moment hier zijn.’

‘Er zijn helemaal geen andere beveiligers,’ antwoordde Sam kalm. ‘Jullie zijn met z’n tweetjes.’

‘En er is een stil alarm,’ zei de oudere beveiliger. Hij kon de wanhoop niet uit zijn stem houden. ‘Ik heb het ingedrukt en de politie kan hier elk moment zijn.’

17

Sam moest toegeven dat die ouwe echt zijn best deed. ‘Er is geen stil alarm afgegaan,’ zei hij. ‘De alarmknoppen zitten onder de linkerhoek van de balie. Ik weet zeker dat ze niet ingedrukt zijn. En voordat je het vraagt: ik weet dat er camera’s en bewegingssensoren zijn. Mijn partner is die op dit moment aan het uitschakelen. Ook haalt hij de videobanden weg.’ Sam was even stil. ‘Nog iets wat jullie wilden toevoegen?’ vroeg hij uiteindelijk.

De beveiligers zwegen. Het was duidelijk dat ze nu precies begrepen wat er aan de hand was.

‘Uitstekend,’ zei Sam. ‘Het was me een waar genoegen om kennis te maken, maar mijn collega en ik hebben nu belangrijke zaken te doen.’

Sam liep het kantoor uit en een korte gang in. Daar nam hij een stenen trap naar de eerste verdieping. Hij liep naar een grote zaal in de zuidwesthoek van het gebouw. De lampen waren gedimd op dit tijdstip, maar dat maakte niet uit. Het object aan de muur gaf zowat licht. Sam kon de zeelucht haast ruiken en de koude mist tegen zijn gezicht voelen. Hij kon voelen hoe zwaar de mannen het hadden en hoe bang ze waren voor de hoge golven die om hen heen stuksloegen. Hij hoorde het gekraak van de houten balken, het knappen van de touwen en het geflapper van de losgeraakte zeilen in de wind.

Het was adembenemend. ‘Dag, vriend,’ zei Sam. ‘Ik kom je halen.’

18

16.23 uur

Vrijdag 25 maart

National Portrait Gallery, Washington D.C.

Camille Sullivan veegde een lange rode krul uit haar gezicht en tuurde met samengeknepen ogen naar de oudere man aan de andere kant van de zaal. Arthur Hamilton junior – door zijn vrienden en familie gewoon Art genoemd – stond naast Camille. Hij was twaalf jaar en hoewel hij amper een jaar ouder was dan zij, was hij ruim een kop groter; de bos felrood haar van Camille die alle kanten op vloog niet meegerekend. Het leeftijds- en lengteverschil was geen enkel probleem voor Camille.

‘Die oude man staart naar ons,’ zei Camille. ‘Dat is toch raar?’

19
Hoofdstuk 1

‘Hij staart niet naar ons,’ antwoordde Art.

‘Draagt hij nou een baret?’ vroeg Camille. ‘Daar is hij toch veel te oud voor. Het staat hem echt totaal niet, als je het mij vraagt. Alsof hij probeert om Frans te zijn, of zo. Is hij Frans? Hij zou Frans kunnen zijn, natuurlijk, maar ik vind het nog steeds lelijk.’

‘Hij is niet Frans,’ antwoordde Art. ‘Hij is Nederlands. En hij is niet te oud voor een baret. Ik vind het best mooi staan bij hem.’

‘En die snor en dat sikje of hoe dat ook heet wat hij op zijn gezicht heeft,’ ging Camille verder. ‘Hij vindt zichzelf vast heel cool. Maar ik vind het gewoon raar.’

Art had geen zin in een discussie met Camille. ‘Prima,’ zei hij. ‘Hij staart naar ons en zijn snor is raar.’

‘En wat heeft hij aan?’ fluisterde Camille. ‘Kijk nou… Hij heeft zijn kraag helemaal omhoogstaan.’

‘Ik heb geen idee wat hij aanheeft. Wat maakt dat nou uit?’

‘Het maakt niet uit,’ zei Camille. ‘Ik bedoel gewoon dat hij daar veel te oud voor is.’

Art rolde met zijn ogen. ‘Hij probeert niet cool te zijn,’ zei hij. ‘Hij zit daar gewoon.’

‘Ik vind zijn haar wél mooi,’ zei Camille.

Art glimlachte. ‘Dat dacht ik al.’

De oudere man had krullend grijs haar dat aan alle kanten als wolkjes onder zijn donkere baret vandaan sprong. Het leek een eigen leven te leiden, net als dat van Camille.

‘Maar ik denk nog steeds dat hij naar ons staart,’ zei Camille.

20

Art zwaaide naar zijn vader, die aan de andere kant van de zaal naast de oudere man met de baret stond. Art leek als twee druppels water op zijn vader: lang, blond en slank. Arthur Hamilton senior gebaarde dat ze naar hem toe moesten komen. Blijkbaar vond hij het nodig om de oudere man aan hen voor te stellen. En Art was wel een beetje klaar met het commentaar van Camille.

‘Ik vind het spannend,’ zei Camille, toen ze naar de overkant van de zaal liepen.

‘Waarom?’ vroeg Art.

‘Je zei toch dat hij meer dan honderd miljoen dollar waard is?’ antwoordde Camille. ‘Dat is giga-veel geld.’

Art haalde zijn schouders op. Hij was zijn hele leven omringd geweest door types als de man met de baret. Hij had ook wel eens mensen gezien die veel meer waard waren. Hij was het gewend.

‘Camille! Art!’ riep Arthur Hamilton senior met een grote glimlach op zijn gezicht.

‘Hoi, meneer Hamilton,’ zei Camille.

‘Hé, pap,’ zei Art.

‘Hoe was het op school vandaag?’ vroeg Arthur senior. Die vraag stelde hij altijd na school. Dat was best wel irritant.

‘Leuk,’ antwoordde Art. Hoe korter het antwoord, hoe beter, wist hij uit ervaring.

‘Het was oké,’ voegde Camille toe ‘Het was… gewoon school.’

Ze tuurde naar de man met de baret.

21

‘We komen even kijken hoe het hier gaat,’ zei Art. ‘Hoe is het met de patiënt?’

‘Nou,’ antwoordde Arts vader, die zich omdraaide naar de oudere man, ‘het gaat best aardig met hem, voor iemand van meer dan driehonderdvijftig jaar oud.’

Arthur Hamilton senior stond naast zijn zoon en Camille in een grote zaal op de tweede verdieping van een enorm stenen gebouw in het centrum van Washington. Het gebouw was in 1836 gebouwd en stond tussen F Street en G Street. Het was bijna een halve straat lang. De gigantische stenen pilaren aan de zuidkant keken uit op het Nationaal Archief. In de ruimtes achter de dikke granieten muren hadden zich allerlei belangrijke momenten afgespeeld. Hier was het tweede inauguratiebal van president Abraham Lincoln geweest. Ook was het de thuisbasis geweest voor de troepen tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog en daarna had het Amerikaanse Octrooibureau er tientallen jaren gezeten. Een van de grote zalen in het gebouw was op een gegeven moment de grootste binnenruimte in heel Amerika geweest. Maar het gebouw was uiteindelijk leeg komen te staan en was in verval geraakt. Het leek wel alsof de stad Washington vergeten was hoe belangrijk het was geweest voor de geschiedenis van het land. De sloop leek onvermijdelijk. Er waren plannen om er een parkeergarage van te maken. Maar gelukkig hield het Smithsonian Instituut dit tegen en werd deze historische plek gered. Op

22

7 oktober 1968 gingen de deuren weer open en kreeg het prachtige gebouw een nieuw doel: de National Portrait Gallery.

De National Portrait Gallery is opgericht door de overheid, en het doel ervan was om er portretten tentoon te stellen van Amerikanen die belangrijk waren voor de geschiedenis en cultuur van het land. De zalen hingen vol met portretten van bekende zangers, muzikanten, filmsterren, sporters, politici, mensen die zich in hebben gezet voor burgerrechten, rijke mensen, activisten en vele anderen. In de westvleugel van het gebouw gebeurde iets wat daar wel mee te maken had, maar tegelijkertijd heel anders was: hier zat Conserveringscentrum Lunder. De wetenschappers, conservatoren en technici van het centrum waren verantwoordelijk voor alle kunst van het Smithsonian Instituut. Dit was een collectie van onschatbare historische, economische en culturele waarde. De experts die in het centrum werkten repareerden en restaureerden schilderijen, beelden, foto’s, tekeningen en prints. Er was zelfs een studio waar ze oude lijsten repareerden. Het was een zware verantwoordelijkheid om leiding te geven aan Lunder, maar het was een taak die perfect paste bij Arthur Hamilton senior, de nieuwe directeur van het centrum.

Voordat doctor Hamilton deze baan kreeg, had hij overal op de wereld gewerkt. Hij stond bekend als een van de beste kunstwetenschappers ter wereld en hij had altijd korte klussen aangenomen waardoor hij

23

en zijn zoon vaak verhuisd waren. Doctor Hamilton had een uniek talent en hij had het nooit nodig gevonden om lang op één plek te blijven. Zelfs na de dood van zijn vrouw, toen Art nog maar vier jaar oud was, was hij doorgegaan met reizen, met zijn zoontje als vaste reisgenoot. Ze hadden in Parijs, Londen, Shanghai, Los Angeles, Rome en Kaapstad gewoond. Nooit langer dan een paar maanden achter elkaar. Doctor Hamilton had zijn best gedaan om zijn zoon dingen te leren. Arts klaslokaal was altijd een appartement, park, museum of koffiecafé geweest, of een andere plek die toevallig goed uitkwam.

En wat had hij veel geleerd. Art had jaren doorgebracht met kunstenaars, schrijvers, geleerden, presidenten, dichters en vorsten. Hij had samen met zijn vader in kastelen geslapen en een keer gepicknickt boven op Westminster Cathedral in Londen. Art sprak vloeiend Frans, las alles wat los en vast zat en wist meer over kunst dan de meeste museumdirecteuren. Doctor Hamilton had met zijn zoon door de ruïnes van het Forum Romanum gelopen in Rome. Ze hadden Shakespeares graf bezocht. Ze hadden boven op de Chinese Muur gestaan. Art had de wereld gezien en doctor Hamilton was trots op zijn zoon. Het was een slimme, zorgzame en vindingrijke jongen. Hun leven leek perfect… totdat het dat ineens niet meer was.

Drie maanden geleden had Art ineens met geheugenverlies in zijn eentje in een museum in Washington gezeten. Hij had geen idee wie hij was of hoe hij

24

daar terecht was gekomen. Wat hij toen nog niet wist, was dat zijn vader was ontvoerd. Doctor Hamilton was bang geweest dat hij zijn zoon nooit meer zou zien. Maar de jongen had zijn geheugenverlies overwonnen. Hij had samen met zijn roodharige vriendin Camille doctor Hamilton gered en daarmee een van de grootste kunstfraudes ooit voorkomen. Het was een ongelooflijke heldendaad geweest, al helemaal voor een jongen van twaalf en een meisje van elf. Na alles wat er was gebeurd, zou het makkelijk zijn geweest om weer terug te gaan naar hun oude leventje: reizen van land naar land, van baan naar baan en van museum naar museum. Maar doctor Hamilton had zich ineens gerealiseerd dat er één ding was dat hij Art nooit gegeven had: een thuis. Hij was erachter gekomen dat een thuis iets anders is dan een huis. Hij wilde ergens bij horen: bij een plek, een gemeenschap en een groep mensen. Een thuis is onderdeel van je identiteit en na zijn geheugenverlies had Art moeite gehad om zijn identiteit weer te vinden. Misschien, dacht doctor Hamilton, had een gebrek aan zo’n plek er wel voor gezorgd dat hij moeite had gehad om zijn geheugenverlies achter zich te laten en zichzelf weer te vinden. Toen had hij besloten om niet meer te verhuizen. Het was tijd om hun thuis te vinden. Het Smithsonian Instituut was dolblij geweest om iemand met doctor Hamiltons status en ervaring in te kunnen huren om leiding te geven aan het Lundercentrum. En zijn zoon kon voor het eerst in zijn leven naar een echte school, waar hij echte vrienden

25

kon hebben. Ze hadden een klein huis gekocht in de buurt van Camille en haar moeder Mary en waren al snel gewend geraakt aan het leven in Washington.

26

www.uitgeverijdefontein.nl

Oorspronkelijke titel: The Rembrandt Conspiracy

Verschenen bij Clarion Books, een imprint van Houghton Mifflin

Harcourt Books

© 2020 Deron Hicks

Voor deze uitgave:

© 2023 Uitgeverij De Fontein, Utrecht

Vertaling: Elsbeth Witt

Omslagafbeelding: Antonio Javier Caparo

Omslagontwerp en grafische verzorging: Zeno

Uitgeverij De Fontein vindt het belangrijk om op milieuvriendelijke en verantwoorde wijze met natuurlijke bronnen om te gaan. Bij de productie van het papieren boek van deze titel is daarom gebruikgemaakt van papier waarvan het zeker is dat de productie niet tot bosvernietiging heeft geleid.

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

isbn 978 90 261 6713 3 (e-book 978 90 261 6714 0)

nur 283, 284

Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.