HOGENT - LO/BR- Doel- en terugslagsporten

Page 1

Van shuttle tot smash! Basisboek badminton

Ine De Clerck en Piet Benoit

Acco Leuven / Den Haag


Inleiding

Badmintonners aller landen verenigt u rond de nieuwe uitgave van het basis badmintonboek Van shuttle tot smash! In dit boek vind je als trainer, (toekomstig) leerkracht lichamelijke opvoeding of als sportanimator alles wat je nodig hebt om intensieve badmintontrainingen, spelgerichte lessen of recreatieve badmintonhappenings (sportkampen of instuiven) te geven. Spelend leren spelen staat centraal, en dit komt ook tot uiting in de inhoud: voor de één een beetje meer spelletjes, voor de ander een beetje meer diepgang. En toch kan iedereen min of meer dezelfde leerlijn volgen. In de eerste vier hoofdstukken treedt de techniek en de tactiek op de voorgrond. Het eerste hoofdstuk geeft je inzicht in de fundamenten van het slaan (slagwerk) en het bewegen (voetenwerk), cruciaal voor een beginnend lesgever. In de volgende hoofdstukken vind je meer diepgang rond dezelfde thema’s. In hoofdstuk 2 komen de belangrijkste badmintonslagen zoals clear, smash, lob en netdrop uitgebreid aan bod en krijg je er meteen tal van interessante oefeningen en wedstrijdvormen bij die het aanleren heerlijk leerrijk maken. In hoofdstuk 3 koppelen we het slaan aan het bewegen: van basisvoetenwerk op een half terrein (dat voor iedereen haalbaar is) schakelen we vlotjes over naar het voetenwerk op een volledig terrein (dat meer gericht is op de liefhebbers van competitie). In hoofdstuk 4 ten slotte leren we de geleerde technieken op het juiste moment te gebruiken: we bespreken de basistactiek enkelspel en dubbelspel en leren snelschaken met racket en shuttle! In de twee volgende hoofdstukken staat het aanleren van badminton centraal. In het hoofdstuk rond de spelconcepten (hoofdstuk 5) maken we het ‘spelend leren spelen’ heel concreet door een duidelijke methodische opbouw met wedstrijdvormen rond vijf belangrijke thema’s: ‘netspel’, ‘lobservice en clear’, ‘speedminton’, ‘smash en verdediging’ en tot slot ‘drop en lob’. Hoofdstuk 6 (Badminton aanleren: hoe doe je dat?) is tot aan de rand gevuld met tips en suggesties om elke les of training leuker, speelser en leerrijker te laten verlopen. We hebben het onder andere over de slimme lesvoorbereiding, het verhogen van de actieve leertijd, differentiëren en over manieren om het probleem van plaatsgebrek aan te pakken.

23


Inleiding

Vanaf hoofdstuk zeven kan het badmintonfeest echt beginnen. Met een keur aan specifieke opwarmingen (hoofdstuk 7) en toernooivormen en leuke evenementen in badmintonland (hoofdstuk 8) sluiten we dit badmintonboek af. Of toch niet helemaal, want de nieuwe uitgave bevat ook de sleutel tot een grote uitbreiding: het digitale leerplatform Sofia. Vast en zeker de moeite voor zowel de badmintontrainer, -leerkracht als -animator om er eens te gaan snuffelen! Zo vind je onder andere: • Een uitgewerkt hoofdstuk rond de badmintonspeeltuin: badminton voor de allerjongsten (4-8 jarigen). • Een opsomming van de recentste badmintonreglementen, zowel de volledige als de beknopte versie. • Uitleg over een aantal extra slagen, met oefenstof, en dit speciaal voor de clubtrainer. • Een ruim digitaal aanbod aan filmpjes, ter aanvulling van het fotomateriaal in het handboek. • Volledig uitgewerkte lesvoorbereidingen, aangeboden via uitgeschreven tekst én via filmpjes. • Een hoop kijkwijzers, taakwijzers en opdrachtwijzers. • ...

24


Iconen

Om sneller je weg te vinden in dit boek gebruiken we iconen als aandachtspunten en als verwijzingen. We zetten ze hier even op een rij.

De ruitenwisser verwijst naar de familie van de rotatieslagen.

De vogelpikwerper verwijst naar de familie van de extensieslagen.

De voeten hebben overduidelijk te maken met alle vormen voetenwerk.

De opgestapelde blokjes verwijzen naar het tactische aspect ‘opbouw’.

De shuttle die als een pijl uit een boog naar beneden komt, verwijst naar het tactische aspect ‘aanval’.

HELP

Het bordje met help verwijst naar het tactische aspect ‘redden’.

De shuttles genummerd van 1 tot 5 verwijzen naar onze vijf spelconcepten. 1

5

De boekentas verwijst naar belangrijke informatie, handige tips of leuke oefeningen voor wie badminton wil aanbieden op school.

De glimlachende shuttle staat garant voor spelplezier.

25


Iconen

Het brandende lampje vraagt om speciale aandacht voor tips of belangrijke opmerkingen.

Dit logo verwijst naar het digitale platform Sofia, waar een schat aan extra info en werkmaterialen te vinden is.

Via het logo met een plus duiden we uitbreidings- en verdiepingsleerstof aan.

26


Basistechniek Hoofdstuk 1

1

1.1 Inleiding In dit hoofdstuk willen we de lesgever meer inzicht geven in de basisprincipes van de badmintonsport. Het gaat hier dus over de bouwstenen waar we in de volgende delen mee verder werken. Dit hoofdstuk kun je dan ook gebruiken als handleiding, om verdere hoofdstukken beter te begrijpen: in hoofdstuk 2 combineren we deze bouwstenen om de basisslagen aan te leren en is inzicht in de basistechniek een must om het slagverloop en de foutenanalyse te begrijpen, in hoofdstuk 3 gebruiken we ze om het voetenwerk te onderbouwen en in hoofdstuk 5 plaatsen we de bouwstenen in een logische en spelgerichte opbouw (spelconcepten). Bij de initiatie van de badmintonsport vormen slagtechniek en voetenwerk twee basispijlers: • Slagtechniek is een essentieel element in het badmintonspel: met een correcte techniek kun je harder, nauwkeuriger en efficiënter op de shuttle slaan. Bovendien stelt het je in staat om meer variatie in je slagenarsenaal te stoppen en wordt het badmintonspel dus gewoonweg leuker! • Ook voetenwerk maakt deel uit van de basistechniek, want snel bij de shuttle komen is een eerste voorwaarde om erop te kunnen slaan. Het voetenwerk wordt uitgebreid besproken in hoofdstuk 3, maar met het bespreken van de basishoudingen geven we hier reeds een aanzet in verband met het bewegen naar de shuttle. In hoeverre de lesgever deze (soms moeilijke) theoretische inzichten doorgeeft aan zijn groep, hangt af van het niveau en de doelstellingen. Voor sommige groepen werken kennis, inzicht en de juiste benamingen (het cognitieve aspect) bevorderend, voor andere dan weer remmend.

1.2 Enkele basisbegrippen van de slagtechniek Als je in het midden van het veld staat, zijn er – eenvoudig gesteld – twee mogelijkheden om de shuttle te raken, namelijk in forehand en in backhand. 29


Basistechniek

Bij het spelen worden de twee zijden van het racketblad gebruikt: in forehand de ene zijde en in backhand de andere zijde. Hoofdstuk 1

1.2.1 Forehand • Je speelt de shuttle aan de kant waar je je racket vasthoudt. Dat is de ‘racketzijde’ of de ‘forehandzijde’. Voor een rechtshandige speler is dat de rechterkant (foto 1.1). • Soms spreekt men ook van de voorhandzijde of de palmzijde. • Wij gebruiken twee soorten forehandgrepen: de ‘palmgreep’ (vooral aan het net en op het middenveld) en de ‘hamergreep’ (vooral op het achterveld en op het middenveld). 1.2.2 Backhand • Je speelt de shuttle aan de niet-racketzijde van je lichaam of de ‘backhandzijde’. Voor een rechtshandige speler is dit de linkerkant (foto 1.2). • Soms spreekt men ook van rughandzijde of kneukelzijde. • Aan de backhandzijde gebruik je meestal de ‘duimgreep’ (vooral op het voorveld en het middenveld), soms wordt de ‘tussengreep’ gebruikt.

Foto 1.1  Shauni staat klaar voor slag aan de forehandzijde.

30

Foto 1.2  Shauni staat klaar voor slag aan de backhandzijde.


Basistechniek

Opmerking vooraf

1.2.3

Hoofdstuk 1

Hoewel alle beschrijvingen in verband met de slagtechniek gemaakt zijn voor rechtshandige spelers, spreken we voor de duidelijkheid toch van de racketvoet en de rackethand aan de dominante kant (voor rechtshandigen is dit dus de rechtervoet en rechterhand), en van de niet-racketvoet en niet-rackethand aan de niet-dominante kant. De basisgrepen In de badmintoninitiatie leren we 4 grepen aan. Elke greep wordt gebruikt in specifieke situaties. Dit functionele gebruik is noodzakelijk aangezien de gebruikte greep de mogelijkheden om de shuttle te raken sterk beïnvloedt. Zo kun je bijvoorbeeld met de duimgreep en de palmgreep heel moeilijk een harde slag van de ene achterlijn naar de andere achterlijn spelen. Grepen aanleren en goed gebruiken is niet eenvoudig. Daarom willen we de lesgever naast de theoretische benadering en de greeproutine ook een heel praktisch hulpmiddel geven om de grepen eenvoudig en duidelijk over te brengen naar de spelers. De lesgever markeert met een ‘correctieroller’ twee witte strepen op de grip (handvat) van het racket. Dit zal de speler in staat stellen om de greep continu te controleren. Op figuur 1.1 en foto 1.3 zie je waar de witte strepen moeten worden aangebracht.

Figuur 1.1  Dwarsdoorsnede van de grip met aanduiding (pijlen) waar de witte strepen aangebracht moeten worden.

Foto 1.3  De witte strepen op de grip.

31


Basistechniek

TIP voor de TRAINER! Hoofdstuk 1

Denk je dat het niet haalbaar is om al die grepen aan te leren in een schoolsituatie? Wil je het vooral simpel houden voor jouw leerlingen? Vereenvoudig dan en snoei in het aanbod grepen. In backhand spreken we alleen van de duimgreep, want deze is gemakkelijk aan te leren en te controleren! In forehand leren we leerlingen de racket vast te nemen zoals je iemand een hand geeft en gebruiken we de term ‘forehandgreep’, die ergens tussen hamergreep en palmgreep ligt. Voor beginners is het onderscheid tussen hamergreep en palmgreep namelijk minder belangrijk (er wordt nog niet met ruitenwissers gespeeld). Wie in forehand met een duimgreep speelt of met de wijsvinger in het verlengde van de steel, gaan we wel systematisch verbeteren. 1.2.3.1 De hamergreep Hoe? Houd je racket vast (met je niet-rackethand) zodat het racketblad loodrecht staat op het net en neem de grip van je racket zoals een hamer(steel) vast. (Je kunt hier de rand van je racketkop als hamer gebruiken om ergens een spijker in te slaan). De duim sluit boven de wijsvinger, en de V tussen duim en wijsvinger ligt op de smalle zijde van de grip (foto 1.4). Controle? Houd je racket voor je neus en sluit één oog. Als de hamergreep juist is, zie je enkel de zijkant van je frame en geen snaren. Gebruik je de twee witte strepen, controleer dan als volgt: de twee witte strepen zijn zichtbaar tussen duim en wijsvinger (figuur 1.2).

Figuur 1.2  Hamergreep: de V tussen duim en wijsvinger ligt op de smalle zijde van de grip (pijl).   Foto 1.4  De hamergreep.

32


Basistechniek

De hamergreep wordt gebruikt bij alle rotatieslagen aan de forehandzijde: clear, smash, lobservice en bij de rotatielob. TIP voor de TRAINER! Veel trainers en handboeken gebruiken de term ‘universele greep’ voor het aanduiden van de forehandgreep. Hoewel deze greep heel erg gelijkt op de hamergreep, zijn er toch kleine verschillen: 1. Bij de hamergreep raken de wijsvinger en de duim elkaar (bijna) aan, de hand is dus gesloten. Het voordeel hiervan is dat je hard kunt slaan. We noemen dit ook de ‘powergrip’. 2. Bij de universele greep is de hand meer open: de wijsvinger is duidelijk los van de middenvinger en hij raakt de duim niet. Het voordeel hiervan is dat er met meer gevoel en ‘touch’ kan worden gespeeld, wat bijvoorbeeld bij het spelen van een drop een voordeel is (foto 1.5).

Foto 1.5  De universele greep.

Welke greep je ook aanleert om in forehand te spelen op het achterveld, weet dat beide voor- en nadelen hebben. Wij kiezen ervoor om de term ‘hamergreep’ te gebruiken voor de forehandgreep bij rotatieslagen en deze eenduidig in dit handboek te gebruiken. We maken deze keuze enerzijds omdat onze ervaring leert dat het beeld van de hamer een krachtig leermiddel is bij jongeren. Anderzijds zinspeelt de term ‘universeel’ eerder op het feit dat deze greep vroeger voor alle bestaande badmintonslagen (forehand én backhand) gebruikt werd, wat vandaag helemaal niet meer het geval is. Echter, als we verder in dit boek spreken van de hamergreep, dan kun je dat dus steeds interpreteren als de universele greep!

33

Hoofdstuk 1

Gebruik?


Basistechniek

1.2.3.2 De duimgreep Hoe? Hoofdstuk 1

Houd je racket verticaal voor je (in je niet-rackethand) zodat je door het ‘raam’ (venster) van je racket kunt kijken. Maak met je rackethand het teken van een dikke duim (OK-teken, duim omhoog) en steek je grip erin zodat de duim verticaal op de brede zijde van de grip komt te staan (zie pijl op figuur 1.3). Sluit de vier andere vingers zodat de kneukels naar voren wijzen (foto 1.6).

Figuur 1.3 Duimgreep: de pijl duidt de brede zijde van de grip aan waarop de duim wordt geplaatst.

Controle? Je kijkt nu door de snaren van je racket heen naar het net, en de witte strepen op je handvat lopen evenwijdig met de duim.

Foto 1.6  De duimgreep.

Gebruik? Bij alle backhandslagen aan het net: netdrop, dab, push, extensielob en korte backhandservice. De duimgreep wordt ook gebruikt voor speedminton/drives op het middenveld en voor de backhandverdediging. 1.2.3.3 De palmgreep Hoe? Houd je racket vast in je niet-rackethand en kijk door het raam (venster) van je racket. Ga met open handpalm (rackethand) naar de grip en sluit je hand.

34


Zo komt de brede zijde van de grip in het midden van de handpalm te liggen. Sluit nu je vingers zodat de V tussen duim en wijsvinger op de schuine rechterzijde van de grip staat (zie pijl op figuur 1.4 en foto 1.7). Let erop dat de wijsvinger wel een beetje mag loskomen van de middelvinger, maar dat hij zeker niet in het verlengde van de steel komt (een veelvoorkomende fout!). Controle? Je kijkt nu door je snaren (het raam) heen. De witte rechterstreep zit in de V tussen duim en wijsvinger. Hier zijn wel duidelijk individuele verschillen mogelijk.

Figuur 1.4  De V tussen duim en wijsvinger valt samen met de witte rechterstreep (pijl).

Foto 1.7  De palmgreep.

Gebruik? De palmgreep wordt gebruikt bij alle forehandslagen aan het net: netdrop, dab, push, extensielob en ook bij de korte forehandservice. De palmgreep wordt ook gebruikt voor speedminton/drives op het middenveld en voor de forehandverdediging. 35

Hoofdstuk 1

Basistechniek


Basistechniek

1.2.3.4 De tussengreep Hoe? Hoofdstuk 1

De tussengreep is een greep die letterlijk tussen de hamergreep en de duimgreep ligt. Vertrekkend vanuit de duimgreep draai je het racket een achtste draai in tegenwijzerzin en maak je tezelfder tijd een hoek tussen je racketsteel en je onderarm. De duim zakt een beetje en staat nu schuin opwaarts op het brede deel van de grip. Daarbij blijft er een lichte opening tussen wijsvinger en middenvinger. Controle?

Figuur 1.5  De V tussen duim en wijsvinger valt samen met de witte linkerstreep (zie pijl).

De tussengreep zit echt halverwege tussen de duimgreep en de hamergreep. De witte linkerstreep zit in de V tussen duim en wijsvinger (zie pijl op figuur 1.5).

Foto 1.8  De tussengreep.

Gebruik? De tussengreep wordt gebruikt bij harde backhandslagen met rotatie: de rotatielob en de bovenhandse backhandclear. Bij de initiatie is deze greep dus de minst belangrijke, aangezien deze slagen pas later in het aanleerproces geoefend worden.

36


Basistechniek

Als je het badmintonterrein opdeelt in forehandslagen en backhandslagen, dan zien we geen scheidingslijn ter hoogte van de middellijn, zoals je misschien zou verwachten: bovenhands speel je namelijk gemakkelijker in forehand en onderhands speel je gemakkelijker in backhand. • Onderhandse slagen. In het voorveld en het middenveld gebruiken we onderhands duidelijk meer backhandslagen (meestal met duimgreep en soms met tussengreep) dan forehandslagen (meestal met palmgreep en soms met hamergreep). In het achterveld worden heel weinig onderhandse slagen gebruikt. Indien wel nodig, gebruiken we de tussengreep (backhand) en de hamergreep (forehand). • Bovenhandse slagen. Zowel in het voorveld, het middenveld als het achterveld gebruiken we bovenhands meer forehandslagen dan backhandslagen. Voor forehand in het voorveld en het middenveld gebruiken we meestal de palmgreep, en in het achterveld slaan we bovenhandse forehandslagen met de hamergreep. Bovenhandse backhand slaan we in het voorveld en middenveld met de duimgreep en in het achterveld met de tussengreep.

Figuur 1.6  Ruwe voorstelling van het functionele gebruik van de grepen: 1 = hamergreep, 2 = palmgreep, 3 = duimgreep, 4 = tussengreep.

1.2.3.6 Didactische en methodologische tips bij het aanleren van de grepen 1. Het is zeer belangrijk dat de lesgever bij elke slag duidelijk maakt wat de bijpassende greep is. De greep is absoluut een basisaandachtspunt, zelfs bij korte initiatielessen. 2. We leren steeds greep per greep aan. We gaan pas een nieuwe greep aanleren als we voelen dat de spelers de vorige greep voldoende onder de knie hebben, om verwarring met de nieuwe greep te vermijden. In de spelconcepten (zie hoofdstuk 5) leren we eerst de duimgreep aan, vervol-

37

Hoofdstuk 1

1.2.3.5 Waar gebruik je welke greep?


Basistechniek

gens de hamergreep en ten slotte de palmgreep. Ervaren trainers zullen voor bepaalde doelgroepen wel soms een andere volgorde gebruiken. Hoofdstuk 1

SPELCONCEPT 1

SPELCONCEPT 2

Duimgreep

(Duimgreep) Hamergreep

(Palmgreep)

SPELCONCEPT 3 Hamergreep Palmgreep

Tabel 1.1  De grepen leren we systematisch aan in combinatie met de spelconcepten: we starten met de duimgreep (spelconcept 1) en leren achtereenvolgens de hamergreep (spelconcept 2) en de palmgreep (spelconcept 3) aan. De grepen die tussen haakjes staan, zijn grepen die als uitbreiding aangeleerd kunnen worden.

3. Het is belangrijk om tijdens de uithaalbeweging/tegenbeweging van de slag het racket los vast te houden, om zo een ontspannen gevoel in de arm te verkrijgen en met een grotere amplitude te kunnen spelen. De tegenbeweging bij de extensieslagen en het opendraaien bij de rotatieslagen gaan dan gemakkelijker. Op het raakmoment daarentegen is het wel noodzakelijk om de grip plots erg stevig vast te houden en als het ware te knijpen in de grip. Dit heeft als voordeel dat je hand erg afremt. Het racket geeft zo een extra zweepslag mee aan de shuttle en je racket vliegt niet door de zaal. 4. De spelers moeten in staat zijn om steeds het racket op de juiste manier vast te nemen en hierbij liefst zo weinig mogelijk tijd te verliezen. Daarom moeten we eveneens oefenen op snelle greepwissels: hamergreep ↔ palmgreep, hamergreep ↔ duimgreep en palmgreep ↔ duimgreep. TIP voor de TRAINER! Greepwissels zijn niet eenvoudig voor beginnelingen, maar ze zijn wel een must om wat we aanleren in geïsoleerde oefeningen (met vaste patronen en één greep) ook in wedstrijdsituaties (met totaal onverwachte patronen en dus met verschillende grepen) te kunnen gebruiken. Bij het inoefenen van de verschillende greepwissels komt steeds hetzelfde patroon terug: 1. Oefen de greepwissel zonder shuttle, met nadruk op lossen en manipuleren van de grip met de vingertoppen. Oefen deze greepwissels eerst traag en dan sneller. 2. Idem, na elke greepwissel voer je een slag uit (nog steeds zonder shuttle!), bijvoorbeeld backhandnetdrop met extensie (duimgreep) en wisselen naar forehandlob met rotatie (hamergreep). 38


3. Idem, maar nu met een shuttle: speel enkele keren de shuttle naar het plafond met een forehandruitenwisserbeweging (hamergreep), doe een greepwissel naar de duimgreep en duw de shuttle vervolgens enkele keren in backhand omhoog. 4. Idem, en wissel nu na elke slag. 5. Oefen deze greepwissel ook met andere slagen, bijvoorbeeld extensielob (duimgreep) en forehandclear (hamergreep). 6. Oefen de greepwissel ten slotte met twee aangevers aan het net. De werker (de speler die oefent) slaat afwisselend een forehandrotatielob en een backhand- netdrop. De aangevers werpen om beurten shuttles aan zodat de werker zich kan concentreren op de greepwissel (figuur 1.7).

Figuur 1.7  Oefening op greepwissel met twee aangevers aan het net.

1.2.4

De basishoudingen In een badmintonwedstrijd zie je bij elke speler een aantal karakteristieke houdingen terugkomen. Deze houdingen zijn zeer belangrijk voor zowel slagtechniek als voor het voetenwerk en vormen als het ware de lijm tussen beide aspecten: de houdingen vormen de functionele uitgangshoudingen voor zowel de slagtechniek als voor het voetenwerk. We zetten deze houdingen dan ook centraal in onze uitleg over het slaan (slagtechniek) en het bewegen (voetenwerktechniek). Omdat men de houdingen statisch kan oefenen en controleren, vormen ze voor beginnende spelers ware kapstokken om de moeilijkere bewegingen aan op te hangen.

39

Hoofdstuk 1

Basistechniek


Basistechniek

SPELCONCEPT 1

SPELCONCEPT 2

Hoofdstuk 1

Schermhouding

SPELCONCEPT 3 (Schermhouding)

(Basis-afwachtingshouding)

Basis-afwachtings­ houding

Dakhouding

(Dakhouding)

Backhandservice­ houding

Forehandservice­ houding

(Serviceontvangst­ houding)

(Serviceontvangst­ houding)

(Serviceontvangst­ houding)

Tabel 1.2  De houdingen leren we systematisch aan in combinatie met de spelconcepten: we starten met de schermhouding en de backhandservicehouding (spelconcept 1) en leren achtereenvolgens de dakhouding en de forehandservicehouding (spelconcept 2) en de basis-afwachtingshouding (spelconcept 3) aan. De houdingen die tussen haakjes staan, zijn houdingen die als uitbreiding aangeleerd kunnen worden.

1.2.4.1 De basis-afwachtingshouding Deze actieve afwachtingshouding vinden we in heel veel sporten terug: de doelman klaar voor het stoppen van een strafschop, de basketbalverdediger, de tennisser bij service ontvangst, ... Telkens als we in het badmintonspel de shuttle hoog in het achterveld van de tegenstrever spelen en dus nog niet weten naar waar we naartoe zullen moeten bewegen, staan we klaar in onze basis (dat is ongeveer in het midden van het speelveld) en nemen we de basis-afwachtingshouding aan. Vanuit deze houding (op het middenveld) schakelen we heel gemakkelijk over naar de schermhouding (op het voorveld) of de dakhouding (op het achterveld). Ook als we vanuit het middenveld plat spelen (speedminton/drive), staan we in de basis-afwachtingshouding. Kenmerken: • De voeten staan minstens op schouderbreedte, met het lichaamsgewicht lichtjes op de voorkant van de voet (hielen zijn net van de grond). • De romp is rechtop en evenwijdig aan het net. • De benen zijn goed gebogen en in voorspanning. • Het racket wordt duidelijk vóór het lichaam gehouden, ook de niet-racketarm bevindt zich vóór het lichaam. In de basis-afwachtingshouding zijn twee racketposities mogelijk: • Verdedigende basis-afwachtingshouding: verwacht ik een steile smash in de richting van mijn voeten, dan ben ik op verdedigen aangewezen en houd ik mijn racket meestal onderhands in duimgreep (foto 1.9).

40


• Aanvallende basis-afwachtingshouding: verwacht ik geen smash (of een plattere smash in de richting van mijn hoofd), dan sta ik aanvallend klaar met mijn racket bovenhands voor mij in palmgreep. Deze laatste racketpositie benoemen we ook als de HAW-positie (foto 1.10).

Foto 1.9  De basis-afwachtingshouding met verdedigende racketpositie.

Foto 1.10  De basis-afwachtingshouding met aanvallende racketpositie: de HAW-positie.

TIP voor de TRAINER! Al van bij de initiatie leren we de spelers een aanvallende racketpositie aan waarbij de racketkop opwaarts wijst. We noemen deze de HAW-positie, verwijzend naar de indianengroet. Hierbij anticiperen we op het feit dat de shuttle wellicht op die hoogte gespeeld zal worden.

Foto 1.11  Badminton: een indianensport?

Ook na het spelen van een netdrop wordt de HAW-positie (aanvallende racketpositie in schermhouding) ingenomen en wordt het racket dus opwaarts gehouden. Door zo een dreigende houding aan te nemen, kun je eenvoudiger reageren op eventuele korte of opwaartse slagen van je tegenstrever.

41

Hoofdstuk 1

Basistechniek


Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.