Issuu on Google+

GEHOORD

Het Gelders orkest daar horen we

jaar

120

Hoofdsponsor:

1

2009

AUG NOV


Gemeente Apeldoorn Gemeente Arnhem Gemeente Ede

Co-sponsor:

Projectsponsors: Fourdigits i.s.m. Catharsis, Connexxion Partners: Akkermans Van Elten, Allegro Automatisering, ARN Afvalverwerking Regio

Het Gelders orkest daar horen we

Hoofdsponsor:

Nijmegen, GE Artesia Bank, Wijnhandel Appeldoorn B.V., BDO Accountants & Adviseurs, Rechtskundig Advies- en Incassobureau v/h E. Beekman, Bénard. Verstraaten Advocaten, Breed, CCV Holland B.V., Cito, Deloitte Accountants, Djam B.V., Electrabel Nederland N.V., Erku B.V., Eromes Projectinrichting, Den Hartog Heuff Notarissen, Hieke de Zeeuw Communicatie & Management, K+V Interim Management Search, Ondernemers Sociëteit KAN, KplusV Organisatieadvies, KEMA, MeerWaarde Management en Advies, Handels­ onderneming PD, Peutz B.V., PriceWaterhouse Coopers, Q-Marq B.V., Rabobank Arnhem e.o., Saréco, Synthon, Thoma TBB Bedrijfsmakelaars, Tüv Rheinland Quality B.V. Donateurs: De heer H. Hierck en mevrouw J. van Nes, De heer en mevrouw B.R.C. de Roo

2


Die Lustige Witwe Sjostakovitsj:

pag. 18

Martin Sieghart dirigent

GEHOORD

pag. 4

Symfonie nr. 10

Nikolai Alexeev dirigent Severin von Eckardstein

Solisten en koor

piano

Pag. 28 War Requiem Martin Sieghart dirigent Pag. 42 In

Holland staat een huis

Bart Schneemann dirigent

Pag. 46 Groots & Onvoltooid Celso Antunes dirigent Groot Omroepkoor Pag. 58 Rachmaninov

Symfonische Dansen

Nikolai Alexeev dirigent Yevgeny Sudbin piano

Pag. 66 Kobayashi

& Tsjaikovski

Ken-ichiro Kobayashi dirigent

Pag. 76 Scandinavische

Sferen

Damian Iorio dirigent Eliane Rodrigues piano

Pag. 84 Brahms:

Symfonie nr. 4

Antonello Manacorda dirigent

Pag. 92 Het

Gelders Blaaskwintet

Pag. 104 Daphnis en ChloĂŠ Sascha Goetzl dirigent Roeland Gehlen viool

3


Die Lustige Witwe

Martin Sieghart dirigent Robert Herzl regie

Arnhem

zo. 23 augustus (Serie M) Musis Sacrum, 14.15 uur

Amsterdam

di. 25 augustus Concertgebouw, 20.15 uur

Apeldoorn

do. 27 augustus (Serie I) Orpheus, 20.00 uur

Nijmegen

vr. 28 augustus (Serie 1) De Vereeniging, 20.15 uur

Arnhem

zo. 30 augustus Stadhuishal, 12.00 uur

World Statues, gratis concert (deel van de operette)

4


Frans Fiselier bariton (Zeta)

Birgit Beer

sopraan (Valencienne)

Sebastian Reinthaller bariton (Danilo)

Annemarie Kremer sopraan (Hanna)

Christian Baumgärtel tenor (Rossilon)

Frans Kokkelmans bariton (Cascada)

Jean-LĂŠon Klostermann tenor (Brioche)

Valentin Jar tenor (Kromow)

Anna la Fontaine sopraan (Sylviane)

Anna-Maria Birnbauer sopraan (Olga)

Ralph Jaarsma

bariton (Bogdanowitsch)

Florian Bonneau bariton (Pritschitsch)

Koor:

Ensemble van (ex)-studenten Codarts Rotterdam, Koninklijk conservatorium Den Haag, ArtEZ Conservatorium Arnhem:

Murni Suwetja, Florien Hilgenkamp, Nicole Fiselier, sopraan

5


Janneke Schaareman, Merlijn Runia, Maria Fiselier, Oukje den Hollander, mezzosopraan Kees de Groot, Gyükér László, tenor Tim Maas, bariton

6


Die Lustige Witwe

Programma

Synopsis

Akte I. Tijdens een feest op de ambassade probeert Baron Zeta, ambassadeur van het fantasielandje Pontevedro in Parijs, het vermogen van de rijke weduwe Hanna Glawari voor het land te behouden. Daartoe geeft hij op een feest zijn secretaris Danilo opdracht om haar hand te vragen. Deze weigert dit omdat hij ooit verliefd op haar was, maar wegens zijn afkomst niet met haar mocht trouwen. Wel belooft hij buitenlandse huwelijkskandidaten bij Hanna weg te houden. Op het feest is ook Valencienne, vrouw van de baron, die wordt achtervolgd door de verliefde Rosillon. Akte II. De volgende dag geeft Hanna een feest. Daar zijn ook Valencienne, Rosillon en Danilo aanwezig. Valencienne weert Rosillon af, maar bezwijkt voor een afscheidskus. Als de baron, haar man, haar dreigt te betrappen neemt Hanna vlug haar plaats in. Danilo voelt zich gekwetst en verlaat het feest. Akte III. Feest in het paleis van Hanna. Daar verbiedt Danilo haar, nog steeds in opdracht van de baron, met Rosillon te trouwen. De baron die het bedrog van zijn vrouw toch heeft ontdekt, wil van haar scheiden en doet Hanna zelf een aanzoek. Zij verklaart dat volgens het testament zij bij een nieuw huwelijk haar hele vermogen verliest. Uiteindelijk geeft zij haar hand aan Danilo, die, volgens een tweede bepaling in het testament, het vermogen verkrijgt. Dit blijft op deze manier bewaard voor Pontevedrino. De baron en Valencienne verzoenen zich.

7


Martin Sieghart dirigent Als blijk van waardering na ruim vijf succesvolle seizoenen als chef-dirigent is Martin Sieghart in januari 2009 benoemd tot honorair gastdirigent van Het Gelders Orkest. Zijn interpretaties van Mahler, Bruckner, Schönberg en de Strauss-familie hebben hem zowel bij het orkest als bij het publiek tot een geliefde dirigent gemaakt. Sieghart startte zijn carrière in zijn geboorteplaats Wenen, waar hij cello, piano en directie studeerde. In 1975 werd hij benoemd tot solocellist van de Wiener Symphoniker, het orkest dat hij in 1986 voor de eerste maal dirigeerde. Daarna was hij o.a. chef-dirigent van het Stuttgarter Kammerorchester en het Bruckner Orchester in Linz. Hij leidt de dirigentenklas van de Musikuniversität te Graz en is dirigent van het Kammer­ orchester des Wiener Konzert-Verein. Martin Sieghart maakte met Het Gelders Orkest cd-opnamen van symfonieën van Schubert en Brahms en van Das Lied von der Erde en de Zesde en Tiende symfonie van Mahler. In februari 2010 dirigeert hij Het Gelders Orkest in het Weense Konzerthaus in Mahlers Tiende om in april ook de Vierde met Het Gelders Orkest op cd vast te leggen. Sieghart opent het seizoen 2009-2010 met een semi-scenische uitvoering van Léhars operette Die lustige Witwe en dirigeert verder o.a. Brittens War Requiem en Bruckners Vijfde symfonie.

8


Die Lustige Witwe

Robert Herzl regie Prof. Robert Herzl (Graz, 1940) heeft naam gemaakt als zanger, acteur en regisseur. Verder maakte hij een serie televisie­ programma’s over operette voor de ORF en schreef, bewerkte en vertaalde libretti voor opera’s. Hij is momenteel artistiek leider van het Stadttheater Baden. Herzl werkte al vaker samen met Het Gelders Orkest. Zo was hij verantwoordelijk voor de regie van HGO’s semi-scenische uitvoering van Don Giovanni in augustus 2008. Daarover schreef de Trouw: “De conclusie moge duidelijk zijn: er zijn in het laatste decennium in Nederland geen betere Mozart/ Da Ponte-opera’s te zien en te horen geweest dan die van Sieghart en Het Gelders Orkest. Hulde.’’

Frans Fiselier bariton (Zeta)

De Nederlandse bas-bariton Frans Fiselier studeerde zang in Amsterdam bij Cora Canne-Meyer en in Berlijn bij William Murray. Op het Internationaal Vocalisten Concours in Den Bosch won hij in 1984 drie prijzen en twee jaar later de Toonkunst-jubileumprijs. Fiselier stond regelmatig op de planken bij onder meer De Nederlandse Opera, de Vlaamse Opera en de Nationale Reisopera. In 2004 vertolkte Fiselier in een speciale bewerking vier rollen in Mozart’s Le nozze di Figaro met het Nederlands Blazers

9


Ensemble. Een jaar later was hij te gast bij Het Gelders Orkest in Così fan tutte, de eerste in een reeks succesvolle semiscenische opera-uitvoeringen van HGO.

Birgit Beer

sopraan (Valencienne)

Birgit Beer studeerde in Wenen, waar zij het vak leerde van Renate Holm en Hanna Ludwig. Haar eerste verbintenis was met de Wiener Volksoper, waar zij in diverse opera’s en ope­rettes met onder meer Nicolai Gedda en Alfredo Kraus zong. Van 1992 tot 1997 was Birgit Beer vast verbonden aan de opera van Bonn. Daar zong zij een groot aantal rollen waarbij vooral haar vertolking van Pamina in Mozarts’s Die Zauberflöte opviel. Na Bonn werkte ze tot 2000 in het Aalto Theater in Essen. Momenteel is zij actief als zelfstandig zangeres. Regelmatig zingt ze operetterollen bij diverse theaters. Zo werkte ze bij de Wiener Volksoper lange tijd mee aan een succesvolle productie van Strauss’ Wiener Blut als Gabriela.

Sebastian Reinthaller bariton (Danilo)

Sebastian Reinthaller volgde zijn opleiding bij de Operaklas van het Conservatorium in Wenen. Na zijn studie werd hij aangenomen bij de Weense opera en zong enkele kleinere rollen in de Staatsoper en de Volksoper. Zijn grote doorbraak kwam met de vertolking van Tamino in Mozarts Die Zauberflöte bij de Volksoper. Naast een voorkeur voor Mozart en de lichtere Italiaanse opera draagt Sebastian Reinthaller ook de operette een warm hart toe. Een bijzondere band heeft hij met Die lustige Witwe. Hij zong in deze operette in de Weense Staatsoper en tijdens een tournee van de Volksoper naar Japan. Bijzonder was zijn deelname in een concertante productie van deze operette in Tel Aviv onder leiding van Zubin Mehta.

10


sopraan (Hanna)

De sopraan Annemarie Kremer studeerde aan het conservatorium van Maastricht en de Operastudio NederlandMaastricht. Daarnaast volgde ze privé-lessen bij onder andere Charlotte Margiono. Annemarie Kremer maakte haar debuut in Aken, waar zij als 21-jarig veelbelovend talent meezong in een productie van Mozarts Idomeneo. In 2002 speelde ze mee in een Franse productie van Don Giovanni, geregisseerd en verfilmd door de bekende muziekregisseur Gérard Corbiau. Ook haar vertolking van de titelrol in Agrippina van Handel met het Combattimento Consort Amterdam leverde haar een lovende recensie op. Annemarie Kremer is geen onbekende bij Het Gelders Orkest. Tijdens de nieuwjaarsconcerten 2008 zong zij naast Ilse Eerens en Ernst Daniel Smid in een feestelijk productie van Die Fledermaus.

Die Lustige Witwe

Annemarie Kremer

Christian Baumgärtel tenor (Rossilon)

De Duitse tenor Christian Baumgärtel studeerde aan de Musikhochschule van Hannover en in Keulen bij Dietger Jacob. Ook parti­cipeerde hij in de operaklas van de Bayerische Staatsoper. Zijn eerste engagementen waren bij de opera van Dortmund en Karlsruhe. Zijn echte doorbraak kwam in 1996 toen hij debuteerde in de Scala van Milaan in Die Zauberflöte van Mozart. Er volgden uitnodigingen van onder meer de Bayerische Staatsoper, de Muntschouwburg in Brussel en De Nederlandse Opera. Christian Baumgärtel kent zijn rol in Die lustige Witwe als geen ander. Nog in het voorjaar van 2006 zong hij deze in een succesvolle productie bij de Vlaamse Opera.

11


Frans Kokkelmans

bariton (Cascada)

De bariton Frans Kokkelmans studeerde aan het Conservatorium van Maastricht. Hij is actief als concertzanger en operavertolker. Zo is hij regelmatig te zien bij Opera Zuid en werkte zes jaar lang bij het Stadttheater Aachen. Zijn meest bijzondere project was de hoofdrol in de opera Ibn Sina die Michiel Borstlap in opdracht van de sjeik van Qatar schreef. Momenteel is Frans Kokkelmans verbonden als docent zang aan het Maastrichts conservatorium.

Jean-Léon Klostermann tenor (Brioche)

De tenor Jean-Léon Klostermann studeerde aan het Utechts conservatorium bij Hennie Diemer. Hij is de afgelopen tijd regelmatig te zien geweest in operarollen bij onder meer De Nederlandse Opera, de Nationale Reisopera, de Zaterdag Matinee in het Concertgebouw en De Nieuwe Nederlandse Operette. Ook zong hij met het Bachkoor onder Roy Goodman de aria’s uit Bachs Matthäuspassion.

12


Die Lustige Witwe

Valentin Jar tenor (Kromow)

De tenor Valentin Jar begon zijn zangstudie in zijn geboortestad Boekarest, maar vervolgde zijn opleiding aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Hij was enige tijd verbonden aan de operahuizen van Gelsenkirchen en Frankfurt voordat hij aan een interna­tionale carrière begon. Die bracht hem bij vele operagezelschappen, waaronder de Vlaamse Opera en De Nederlandse Opera. Jar zong al tweemaal in Die lustige Witwe in een tour­nee door Nederland en een productie van Opera Zuid.

Anna la Fontaine sopraan (Sylviane)

De Oostenrijkse sopraan Anna la Fontaine volgde haar zangstudie in Nederland bij onder andere Simon Schouten. Haar eerste bekendheid kreeg zij in een productie van Die Fledermaus onder Marc Minkowski bij de Salzburger Festspiele in 2001. Bijzonder was haar medewerking aan de wereldpremière van Boris Godunov van de Barokcomponist Mattheson. Nog zeer onlangs soleerde zij in Jephta van Händel tijdens het Styriarte Festival in Graz onder leiding van Nikolaus Harnoncourt.

13


Anna-Maria Birnbauer sopraan (Olga)

Anna-Maria Birnbauer studeerde zang aan de Musikhochschule in Wenen. Daar was zij vanaf 1991 enige tijd verbonden aan de Staatsoper waar zij vele kleinere operarollen vertolkte. In 1995 was zij één van de medeoprichters van de Musikwerstatt Wien, waar zij nog steeds directeur van is. In 2008 was zij nog te gast bij Het Gelders Orkest in de nieuwjaars­productie van Die Fledermaus van Johann Strauss.

Ralph Jaarsma bariton (Bogdanowitsch) De bariton Ralph Jaarsma volgde zijn zangopleiding aan het Utrechts Conservatorium bij Henny Diemer. Daarnaast volg­de hij Masterclasses bij onder anderen Udo Reinemann, Montserrat Caballé en Jard van Nes, die hem momenteel nog als coach begeleidt. Daarnaast werkte hij enige tijd bij de Vlaamse Operastudio. Jaarsma heeft aan diverse operaproducties meege­werkt waaronder bijzondere als Greek van Turnage en Der Kaiser von Atlantis van Ullmann. Vermeldenswaard is ook zijn theatrale uitvoering van Schuberts Winterreise met dans en toneel.

Florian Bonneau bariton (Pritschitsch)

De Franse bariton Florian Bonneau begon zijn opleiding aan het Centre de Musique Baroque in Versailles. In Nederland studeerde hij zang bij Margreet Honig en Pierre Mak aan het Amsterdams Conservatorium. Daarna was hij verbonden aan De Nieuwe Opera Academie waar hij in enkele operavoorstellingen meezong. Deze sloot hij af met een succesvolle productie in Mozart’s Così fan tutte onder leiding van Henrik Schaefer.

14


Franz LehAr

Die Lustige Witwe Ons concertseizoen openen we traditioneel met een verfrissende opera. Dit jaar kozen we voor een operette van Frans Léhar. In diens dolkomische verhaal over een jolige weduwe haalt de Oostenrijkse Hongaar met overweldigend succes alles uit de kast. Aanstekelijke dansen (van cancan tot polka), subtiele orkestraties en heerlijke meezingers maken dit bruisende werk tot een van de beroemdste operettes aller tijden. Welkom in het nieuwe seizoen! Op 2 januari 1906, drie dagen na de uiterst succesvolle première van Die lustige Witwe schreef de Wiener Zeitung: “Lehár liet zijn muziek weer triomferend tot klinken brengen. Deze heeft kleur, gemoedelijkheid en karakter; ondanks zijn neiging tot enige zwaarmoedigheid, raakt hij ook met vrolijkheid de juiste snaar. Daarbij ging de in de regel uitbundige componist ditmaal echter fijnzinniger te werk. Dat was vooral goed merkbaar in een wals met een uitgesproken Lanneriaanse sfeer”.

15


Die genoemde wals was natuurlijk de melodie van het beroemde duet Lippen schweigen uit de derde akte van de operette. Binnen enkele dagen was het een hit in de straten van Wenen en daarbuiten. Iedereen, ongeacht rang of stand, zong, neuriede en floot het en tot op de dag van vandaag is het een evergreen gebleven. Maar ook de operette zelf beleefde een stormachtige triomftocht. Na de eerste voorstelling in het Theater an der Wien, volgden er nog 482, ook voor die tijd een uitzonderlijk groot aantal. En daarna ging het werk de hele wereld over. Tot de dood van de componist in 1948 werd de operette meer dan 300.000 maal uitgevoerd. En dat was nog niet alles. Er kwamen diverse verfilmingen van waarvan die met schlagerzanger, acteur en entertainer Peter Alexander uit 1962 veel succes had. Ook werd er een balletversie van gemaakt, en wie weet is The Merry Widow, the Musical al ergens in de maak. Wat was het geheim achter dit succes? Ongetwijfeld lag dat aan de muzikale kwaliteiten van Lehár. Hij kreeg het vak van zijn vader, die een kundig militair muzikant was, ingegoten. Aan het conservatorium van Praag studeerde hij onder meer piano en viool, maar het was Antonín Dvorˇák die hem stimuleerde zich op het componeren toe te leggen. Een eerste poging om door te breken had nog geen succes, zijn opera Kukuška uit 1896 was een fiasco. Ook zijn volgende operettes hadden weinig succes, maar een aantal losse marsen, polka’s en walsen waaronder de beroemde Gold und Silber brachten populariteit en inkomsten. In 1902 kwam hij in contact met het Theater an der Wien. Het was een operahuis met een bewogen geschiedenis. Ooit waren hier de premières geweest van Mozarts Die Zauberflöte en Beethovens Fidelio. In de tweede helft van de 19de eeuw waren het Franz von Suppé, Karl Millöcker en natuurlijk Johann Strauss jr. die het theater het middelpunt van de gouden jaren van de operette maakten. Maar zij waren inmiddels overleden en de directie was op zoek naar nieuwe successen. Wellicht zou dat Franz Lehár kunnen zijn. Zijn opera Der Rastelbinder werd in 1902 aardig ontvangen en ook Wiener Frauen uit hetzelfde jaar werd door het publiek gewaardeerd. Maar de klapper kwam in 1905 met Die lustige Witwe. En dan te bedenken dat de directeur van het theater er in eerste instantie helemaal geen brood in zag. Richard Heuberger, eveneens een componist uit de stal van het Theater an der Wien stond eerst genomineerd om de operette te schrijven. Toen hij de eer aan zich voorbij liet gaan werd Lehár gevraagd. Om de kosten te drukken werd de productie zo goedkoop mogelijk uitgevoerd. De leiding

16


Maar die populariteit is uit het voorgaande wel degelijk te begrijpen. Een theater, dat zijn sporen had verdiend in de opera, dreigt in een impasse te komen. Een componist die getalenteerd is in operette zoekt emplooi en beiden vinden elkaar. Zij schrijven geschiedenis op een keerpunt in de ontwikkeling van de operette. Lehár is in staat om het genre in oude staat te doen herleven, zonder dat hij letterlijk in de voetsporen van zijn voorgangers treedt. Zijn operette is niet meer 19de-eeuws maar 20ste-eeuws. Geen schildering meer in grote en directe streken, waarbij het voornamelijk draait om een koppel dat elkaar na allerlei komische verwikkelingen toch krijgt. Daarbij moet de man het vaak afleggen tegenover de vrouw, in de typische mannenmaatschappij van die tijd een onuitputtelijke bron voor dwaze situaties. In Die lustige Witwe ligt dat anders. Hier zijn de liefdesverwikkelingen veel gecompliceerder, maar ook veel menselijker. De personages moeten voortdurend hun actie en reactie op elkaar afstemmen en laten zich daarbij leiden door emotionele drijfveren. De aanleiding van het verhaal, tegen de achtergrond van een in financiële nood verkerend fantasiestaatje, geeft het geheel een komisch karakter, maar doet niets af aan het intermenselijk handelen. Man en vrouw trekken daarbij gelijkelijk op. De weduwe Hanna is net zo vastberaden of twijfelend als haar mannelijke tegenspelers. Juist die gelijkwaardigheid maakt de interactie spannend. Voeg daarbij de subtiele sfeertekening van Lehár en je krijgt een operette met een zwoele, bijna erotische lading.

Die Lustige Witwe

van de première lag in handen van Robert Stolz. Tot ieders verbazing sloeg de operette in als een bom en het verdere verhaal is bekend.

Met recht wordt Die lustige Witwe gezien als het begin van een nieuwe generatie operette, die in de jaren na 1905 voor een grote opleving van het genre zou zorgen en die met recht de ‘zilveren’ operetteperiode genoemd werd. Franz Lehár zou daar nog verder aan bijdragen. Met zijn latere operettes als Der Graf von Luxemburg (1909), Zigeunerliebe (1910) en Eva (1911) wist hij zijn eerste succes te evenaren. En in samenwerking met de beroemde tenor Richard Tauber was hij met werken als Das Land de Lächelns (1923-1929) Paganini (1925) en Der Zarewitsch (1927) als één van de weinigen in staat om de operette tot ver in de 20ste eeuw een plaats in de muziek te geven die zij wel degelijk verdient.

17


Sjostakovitsj nr. 10

Nikolai Alexeev dirigent Severin von Eckardstein piano

Arnhem

wo. 2 september Musis Sacrum, 12.45 uur

Gratis lunchconcert, deel van het programma

Arnhem

vr. 4 september (Serie C) * Musis Sacrum, 20.15 uur Inleiding Maarten Brandt, 19.15 uur

Nijmegen

za. 5 september (Serie 2) De Vereeniging, 20.15 uur Inleiding Maarten Brandt 19.15 uur * live cd-opname

18


Sjostakovitsj nr. 10

Programma Lex Van Delden

Concerto per Pianoforte ed Orchestra (1919-1988)

Frans Liszt (1811-1886)

Hongaarse fantasie voor piano en orkest

• Andante mesto - allegro molto - cadenza - prestissimo Pauze

Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975)

Symfonie nr. 10 in e, opus 93 (1953)

• Moderato • Allegro • Allegretto • Andante - allegro

19


Nikolai Alexeev dirigent Nikolai Alexeev is in Sint Petersburg geboren en getogen en heeft gestudeerd bij Alexander Michailov en bij Arvid en Mariss Jansons. Hij schreef in 1983 het Herbert von Karajan Concours te Berlijn op zijn naam en werkte enige tijd aan de Kirov Opera als assistent van Yuri Temirkanov. Inmiddels is hij vaste dirigent bij het St. Petersburg Philharmonisch Orkest en als chef-dirigent verbonden aan het Estlands Nationaal Symfonieorkest. Als gastdirigent is hij veel te horen in Europa, de Verenigde Staten en Japan. In Nederland dirigeerde hij o.a. het Radio Philharmonisch Orkest, het Residentie Orkest, het Rotterdams Philharmonisch Orkest en het Koninklijk Concertgebouworkest. Nikolai Alexeev is sinds 2002 vaste gastdirigent van Het Gelders Orkest. Hij legt zich vooral toe op de 19de- en 20ste-eeuwse muziek uit zijn vaderland. Dit seizoen brengt hij concerten met Prokofjev en Skrjabin, maar ook Van Delden, DvorĂĄk en Brahms. De Tiende symfonie van Sjostakovitsj wordt, als eerste van een serie symfonieĂŤn, door Het Gelders Orkest onder Alexeevs leiding live op cd vastgelegd.

20


Sjostakovitsj nr. 10

Severin von Eckardstein piano De in 1978 in Düsseldorf geboren pianist Severin von Eckardstein kreeg al op zesjarige leeftijd zijn eerste pianolessen en op zijn twaalfde werd hij ingeschreven als leerling in de jong-talentklas van de Robert Schumann-Hochschule in zijn geboortestad. Tijdens zijn schooltijd zette hij zijn piano­ studie voort in Hannover en Salzburg. Na zijn eindexamen studeerde hij aan de Hoge School voor de Kunsten in Berlijn, waar hij in 2002 zijn diploma behaalde. In de loop van de jaren heeft Von Eckardstein vele nationale en internationale concoursen gewonnen, waarvan de eerste prijs van het prestigieuze Koningin Elisabeth Concours te Brussel in 2003 een hoogtepunt vormde. Severin van Eckardstein is dan ook een graag gezien pianist, die in de pers het predicaat ‘De nieuwe Horowitz’ meekreeg. Hij was te horen op de grote wereldpodia zoals het Kennedy Center in Washington en het Mozarteum in Salzburg. Ook maakte hij een uitgebreide tournee door Japan en Korea. In Nederland trad hij onder meer op in de Serie Meesterpianisten in het Concertgebouw. Inmiddels heeft de pianist enkele cd’s gemaakt waaronder een bijzondere opname met werk van Alexander Skrjabin en een cd met composities van de Russische componist Nikolai Medtner.

21


Sjostakovitsj nr. 10 Lex van Delden ‘Composer in focus’, een aardig initiatief van Musis Sacrum om Lex van Delden dit seizoen uitgebreid in het zonnetje te zetten. HGO sloot hierbij aan, door het pianoconcert van de componist in zijn programmering op te nemen. Lex van Delden was een tijdgenoot van Sjostakovitsj, van wie na de pauze de Tiende symfonie klinkt. Geboren in Amsterdam als Alexander Zwaap kreeg Van Delden al op jonge leeftijd pianoles. (De naam Van Delden nam hij na de oorlog aan, afgeleid van de naam die hij als onderduiknaam had gebruikt.) Als componist was Van Delden autodidact. Een beoogde opleiding tot neurochirug bleek onhaalbaar. Want niet alleen moest hij als jood in 1942 zijn studie medicijnen afbreken, maar ook kwam het er na de oorlog niet meer van zijn droom te realiseren door een ongeluk in zijn onderduiktijd, waardoor het zicht in zijn linkeroog hem ontnomen werd. Naast componerend, ontplooide Van Delden zich ook in tal van bestuurlijke functies en was hij een belangrijk schrijver over muziek, onder meer als muziekredacteur van Het Parool. Zijn Concerto per pianoforte ed orchestra, opus 66 werd geschreven in 1960. Het was een tijd dat werken van Van Delden regelmatiger gespeeld werden. Als aanhanger van de tonaliteit werd hij echter al spoedig overvleugeld toen een nieuwe garde opkwam met luidruchtige Notenkrakersacties, en zijn oeuvre raakte in

22


Franz Liszt Franz Liszt was een veelzijdig artiest: natuurlijk genoot hij een grote repu­tatie als pianist, maar daarnaast dirigeerde hij en liet hij een enorm oeuvre na, terwijl hij ook nog eens tijd vond om te publiceren.

Sjostakovitsj nr. 10

vergetelheid. Zijn pianoconcert laat horen dat dat ten onrechte is: in een idioom dat weliswaar de grenzen van de tonaliteit opzoekt maar nooit daarbuiten treedt, laat Van Delden een hoogst-individuele klankenwereld horen.

Bijvoorbeeld over de Hongaarse muziek, zoals in zijn ‘Des bohémiens et de leur musique en Hongrie’ uit 1859. Daarin sprak hij zijn geloof uit dat de muziek uit zijn geboorteland afkomstig was van de zigeuners. Pas veel later toonde onderzoek van mensen als Béla Bartók en Zoltán Kodály aan dat hij het daarbij niet bij het juiste eind had. Het was juist omgekeerd: zigeuners pasten de muziek die zij leerden kennen in de Balkanlanden aan bij hun typische eigen speelstijl. Liszt’s interesse in de Hongaarse muziek inspireerde hem tot zijn negentien Hongaarse rapsodieën en ook tot composities als de Fantasie op Hongaarse thema’s voor piano en orkest. In feite was dit werk zelf trouwens ook al weer een vrij arrangement, namelijk van de veertiende Hongaarse rapsodie. De Fantasie werd in 1852 geschreven en een jaar later in Pest ten doop gehouden, met Hans von Bülow als solist en de Hongaarse nationale componist Franz Erkel als dirigent. Hoewel de Fantasie geënt is op de rapsodie, zijn er duidelijke verschillen. Waar in de rapsodie de drie traditionele Hongaarse dansen lassan, czifra en friska elkaar opvolgen, komt in de Fantasie het materiaal vooral van het stevige forte-thema dat de veertiende rapsodie zo kenmerkt: dat wordt omspeeld en gevarieerd in virtuoos passagewerk. Dit thema, het Hongaarse volksliedje ‘Mohac’s veld’, met zijn typerende lang-kort-kortlang ritme is al direct te horen in de langzame orkestrale inleiding. Verderop in de Fantasie duikt een lang allegretto op met een zigeunerinslag. Met dit ‘alla zingarese’ verraadt Liszt wederom zijn grote affiniteit met de zigeunermuziek.

23


Een kniesoor die zich dan nog druk maakt over de vraag of dit wel of geen authentieke Hongaarse muziek is…

Dmitri Sjostakovitsj Het creatieve leven van Dmitri Sjostakovitsj heeft steeds in het teken gestaan van een moeizame relatie met de Sovjetautoriteiten. Want zoals hij in 1936 werd geattaqueerd op zijn opera Een Lady Macbeth van Mtsensk, zo kreeg hij ook weer kritiek van de bolsjewistische machthebbers over zich heen naar aanleiding van zijn Negende symfonie. Zij oordeelden Sjostakovitsj’ werk ten tweede male als ‘formalistisch’ en ‘niet in staat om de ware geest van het Sovjet-volk te weerspiegelen’. Het was de partij-ideoloog Andrei Zdanov die dit in 1948 onder woorden bracht en een aantal componisten onder wie Sjostakovitsj beschuldigde van ‘formalistische vervormingen en anti-democratische tendensen, vreemd aan het Sovjet-volk’. Het resultaat van deze terechtwijzing? Gedurende acht jaar zou Sjostakovitsj geen symfonie meer schrijven en zich concentreren op filmpartituren en patriottische cantates waaraan hij zich in ieder geval geen buil kon vallen. En daarnaast erkende de componist (hoewel de oprechtheid van die verklaring later is aangevochten) dat hij inderdaad een muziektaal schreef die ‘onbegrijpelijk was voor het volk’. Naar alle waarschijnlijkheid zou Sjostakovitsj pas na Stalins dood (op 5 maart 1953, exact dezelfde dag dat ook de eveneens zwaar bekritiseerde Sergei Prokofjev het tijdelijke voor het eeuwige verwisselde) de pen weer opnemen om een nieuwe symfonie aan het papier toe te vertrouwen. Het was deze Tiende symfonie, die door de beroemde Russische dirigent Evgeni Mravinsky op 17 december 1953 voor het eerst werd uitgevoerd. Overigens zijn wel twijfels aangevoerd over de ontstaansperiode van de Tiende - wellicht had de componist toch al eerder uitgebreid eraan gewerkt. Tatiana Nikolayeva, de pianiste die in 1950 het Bach Concours van Leipzig won (Sjostakovitsj zat in de jury en was zó onder de indruk van haar spel dat hij besloot zijn 24 Preludes en Fuga’s voor haar te schrijven), wist zich met grote stelligheid te herinneren dat de componist al in 1951 de laatste hand aan het werk legde, en er het werk aan die Preludes en Fuga’s voor onderbrak.

24


Sjostakovitsj nr. 10

Maar anderzijds is een brief uit 1953 overgeleverd aan zijn collega-componist Kara Karajev, waarin Sjostakovitsj schreef: ‘Ik probeer een nieuwe symfonie te schrijven. Hoewel niets me weerhoudt, vordert het werk zozo.’ Hoe het ook zij, in de Tiende symfonie duikt veelvuldig Sjostakovitsj’ handtekening op, het thema met de noten D-Es-C-B (in de Duitse noten­ benamingen wordt de noot B aangeduid met H), dus D. SCH. ofwel Dmitri Schostakowitsch zoals de Duitse translitteratie van zijn naam luidt. Het is juist door dit persoonlijke motto, samen met de door Solomon Volkov opgetekende – maar ook aangevochten – memoires van de componist die de veronderstelling hebben doen postvatten dat Sjostakovitsj in de symfonie eerder een persoonlijke kritiek heeft willen leveren op het regime dan dat hij zich conformeerde of instemde met de veroordeling. Het tweede deel van de symfonie zou dan een portret zijn van de kwade tiran Stalin. En Sjostakovitsj zelf? Die hulde zich in stilzwijgen: ‘Laat het publiek zelf luisteren en zijn eigen beeld creëren’, placht hij te zeggen. Het werk werd door veel critici beschouwd als de beste symfonie die de componist tot dan toe had geschreven. Frits de Haen

25


Passie voor muziek op Gelderse kastelen

Nieuwe serie Het Gelders Orkest: concert en rondleiding door kasteel

Het Gelders Orkest organiseert dit seizoen samen met Geldersch Landschap en Geldersche Kasteelen een drietal concerten inclusief rondleiding op de Gelderse kastelen Cannenburch, Verwolde en Ammersoyen. Onder de titel Passie voor Muziek vertellen en spelen musici van Het Gelders Orkest in de sfeervolle ruimte van een kasteel, waar men na het concert een rondleiding door de historische vertrekken krijgt. Op zondag 6 september staan het eerste concert en rondleiding op het programma: in Huis Verwolde in Laren (Gld) vertelt Cindy Albracht, aanvoerder 2de violen van Het Gelders Orkest over haar passie voor de viool. Bovendien brengt zij haar collega’s uit Het Gelders Orkest Alexej Pevzner (viool), Meintje de Roest (altviool), Inge Grevink (cello) en Oscar Ramspek (klarinet) mee. Met hen speelt zij o.a. het prachtige Klarinetkwintet van Johannes Brahms. Kijk voor het bestellen van kaarten op www.hetgeldersorkest.nl.

26


27


War Requiem

Martin Sieghart dirigent Chin-Chao Lin dirigent kamerorkest Ingrid Kaiserfeld sopraan Herbert Lippert tenor Nanco de Vries bariton Nederlands Concertkoor Roder Jongenskoor

Arnhem

za. 19 september (Serie B) Musis Sacrum, 20.15 uur Inleiding Maarten Brandt, 19.15 uur

Nijmegen

zo. 20 september (Serie M) De Vereeniging, 20.15 uur Inleiding Maarten Brandt, 19.15 uur

28


War Requiem

Programma

Benjamin Britten (1913-1976)

War Requiem, opus 66 Aeternam • Requiem Irae • Dies • Offertorium • Sanctus Dei • Agnus • Libera me (concert zonder pauze)

i.s.m. Stichting War Requiem – Bridge to the Future

29


Martin Sieghart dirigent Als blijk van waardering na ruim vijf succesvolle seizoenen als chef-dirigent is Martin Sieghart in januari 2009 benoemd tot honorair gastdirigent van Het Gelders Orkest. Zijn interpretaties van Mahler, Bruckner, Schönberg en de Strauss-familie hebben hem zowel bij het orkest als bij het publiek geliefd gemaakt. Sieghart startte zijn carrière in zijn geboorteplaats Wenen, waar hij cello, piano en directie studeerde. In 1975 werd hij benoemd tot solocellist van de Wiener Symphoniker, het orkest dat hij in 1986 voor de eerste maal dirigeerde. Daarna was hij o.a. chef-dirigent van het Stuttgarter Kammerorchester en het Bruckner Orchester in Linz. Hij leidt de dirigentenklas van de Musikuniversität te Graz en is dirigent van het Kammer­ orchester des Wiener Konzert-Verein. Martin Sieghart maakte met Het Gelders Orkest cd-opnamen van symfonieën van Schubert en Brahms en van Das Lied von der Erde en de Zesde en Tiende symfonie van Mahler. In februari 2010 dirigeert hij Het Gelders Orkest in het Weense Konzerthaus in Mahlers Tiende om in april ook de Vierde met Het Gelders Orkest op cd vast te leggen. Sieghart opent het seizoen 2009-2010 met een semi-scenische uitvoering van Léhars operette Die lustige Witwe en dirigeert verder o.a. Brittens War Requiem en Bruckners Vijfde symfonie.

30


War Requiem

Chin-Chao Lin dirigent kamerorkest De in 1987 in Taiwan geboren dirigent Chin-Cao Lin begon al als vijfjarige op de viool, maar speelde ook piano. Het was zijn pianolerares die hem naar Europa stuurde waar hij op zestienjarige leeftijd een vioolstudie aan de Kunst Universität in Graz aanving. Daar groeide ook na enkele jaren zijn liefde voor het dirigentschap. Zoals hij zelf eens zei: “Ik wilde niet alleen mijn eigen partij leren kennen, maar ook die van het hele orkest.” Sinds 2005 studeert hij dan ook orkestdirectie bij onder anderen Martin Sieghart. In de afgelopen jaren heeft Chin-Cao Lin veel ervaring op kunnen doen als directiestudent. Bij diverse orkesten en instellingen werd hij gevraagd als koorrepetitor en als assistent-dirigent. Als zodanig werkte hij tot twee maal toe onder Sieghart mee aan een productie uit de inmiddels bekende serie semi-scenisch operavoorstellingen van Het Gelders Orkest: Le nozze di Figaro in 2007 en Don Giovanni in 2008. Afgelopen voorjaar studeerde hij met leerlingen van diverse richtingen van de Grazer Kunst Universität de operette The Mikado van Sullivan in, waarvan hij ook de voorstellingen dirigeerde.

31


Ingrid Kaiserfeld sopraan De Oostenrijkse sopraan Ingrid Kaiserfeld werd geboren in 1961. Zij studeerde zang aan de Musikhochschule van Graz. Daar startte zij ook haar carrière, eerst voornamelijk als concertzangeres, maar daarna ook met opera. Haar vertolking als Gilda in Verdi’s Rigoletto en Donna Anna in Mozarts Don Giovanni waren daar haar eerste grote successen. In 1998 verhuisde zij naar Wenen waar zij tot 2002 verbonden was aan de Staatsoper. Sinds 2002 is zij zelfstandig zangeres. Ingrid Kaiserfeld is voornamelijk bekend om haar uitzonderlijke uitvoeringen van Mozartrollen. Haar vertolking van de Koningin van de Nacht uit Die Zauberflöte van Mozart is ongeëvenaard. Deze rol zong zij de afgelopen jaren meer dan tachtig keer in diverse producties in onder meer de Staatsoper in Wenen, de Bastille in Parijs en de Opera van Berlijn. Maar Kaiserfeld zingt meer. Haar interpretaties van opera’s van onder anderen Verdi en Strauss brengen haar lovende kritieken. Ook het concertrepertoire is zij niet vergeten. Regelmatig staat zij hiermee op de grote podia. Nog vorig jaar werkte zij mee aan een opname van Beethovens Negende Symfonie met het Mozart-Haydn Orkest Bolzano-Trento onder leiding van Gustav Kuhn.

32


War Requiem

Herbert Lippert tenor Herbert Lippert behoort momenteel tot de meest gevraagde tenoren van deze tijd. Hij heeft dan ook al een lange carrière achter de rug die al vroeg begon bij de Wiener Sängerknaben. Hij studeerde muziekpedagogiek aan de Universiteit van Wenen, een studie die hij met onderscheiding afsloot. In het begin waren het vooral Georg Solti en Wolfgang Sawallisch die zijn stem bijzonder waardeerden. In de loop der jaren werkte hij ook met andere grote dirigenten samen zoals Nikolaus Harnoncourt, Riccardo Muti en Zubin Mehta. Intensief is zijn band met de Wiener Philharmoniker. Met dit orkest trad hij talloze malen op in opera en concerten. Met leden van het orkest vormde hij een eigen ensemble onder de naam Herbert Lippert und seine philharmonischen Freunde. Hiermee bracht hij talloze succesvolle operetteproducties. In de loop der jaren heeft Herbert Lippert een groot aantal cd-opnames gemaakt, van opera, operette en lied- en oratorium­ repertoire. Bijzonder vermeldenswaardig was de opname uit 1995 van Die Meisersinger van Wagner met het Chicago Symphoy Orchestra onder leiding van Solti, waarin hij de rol van David zong. Hiervoor werd hij bekroond met een Grammy Award.

33


Nanco de Vries bariton De Nederlandse bas-bariton Nanco de Vries begon zijn studie als baszanger aan het Utrechts conservatorium bij Udo Reinemann. In 1994 behaalde hij zijn diploma met de hoogste onderscheiding. In datzelfde jaar won hij een tweede prijs bij het Christina Deutekom Concours en werd hij toegelaten tot een studie voor de Nederlandse Muziekprijs. Verder volgde hij lessen bij de Amerikaanse tenor James McGray waar hij zijn stem verder ontwikkelde richting bariton. Nanco de Vries heeft in zijn carrière met veel grote dirigenten samengewerkt waaronder Frans Brüggen, Claus Peter Flor, Hans Vonk en Edo de Waart. Enige jaren, tot 2002, was hij vast verbonden aan het Meiniger Staatsheater waar hij een aantal grote partijen zong zoals de titelrollen in Dion Giovanni van Mozart, Rigoletto van Verdi en Der fliegende Holländer van Wagner. Daarna was hij lid van de Komische Oper Berlin, waar hij in diverse operaproducties participeerde. Momenteel is Nanco de Vries freelance operaen concertzanger.

34


War Requiem

Nederlands Concertkoor Het Nederlands Concertkoor bestaat uit ruim honderd getrainde amateurs en is in 1987 opgericht met het doel om aan concerten van de professionele orkesten in Nederland zijn medewerking te verlenen. In de twintig jaar van zijn bestaan werkte het koor onder meer samen met het Residentie Orkest, het Rotterdams Philharmonisch Orkest, het Nederlands Philharmonisch Orkest en Het Gelders Orkest, waarmee het koor met Kerst 2008 nog samenwerkte in Beethovens Negende Symfonie. Ook maakte het koor veel dirigenten uit binnen- en buiten­land mee, zoals Jaap van Zweden, Valery Gergiev, Yakov Kreizberg, Hartmut Haenchen en Paul McCreesh. Het repertoire van het Concertkoor, dat sinds 1993 onder leiding staat van Rob Vermeulen, beslaat de grote koorwerken uit de afgelopen drie eeuwen. Maar daarnaast heeft het koor ook naam gemaakt met bijzondere concerten. In 2005 was het één van de koren in een zeven uur durende uitvoering van The Veil of the Temple van John Tavener tijdens de nachtelijke afsluiting van het Holland Festival van 2005. Vermeldenswaard waren ook de optredens met Paco Peña in diens Requiem Flamenco tijdens een tournee in 2006 door Nederland, Griekenland en Libanon.

35


Roder Jongenskoor In 1985 richtte dirigent Bouwe Dijkstra het Roder Jongenskoor op. Zelf gespecialiseerd in de Engelse koortraditie (hij volgde lessen bij onder anderen David Willcocks en John Rutter) schoolde hij het jongenskoor geheel naar Brits voorbeeld. En met resultaat. Het Roder Jongenskoor is veelvuldig te horen op concerten en regelmatig op televisie te zien. Een belangrijk onderdeel van het repertoire is uiteraard de Anglicaanse kerkmuziek, maar ook daarbuiten heeft het koor zich gemanifesteerd als een veelzijdig ensemble. Sinds 2006 is Rintje Albert te Wies vaste dirigent van het koor.

36


War requiem “This book is not about heroes. English poetry is not yet fit to speak about them. Nor is it about deeds, or lands, nor anything about glory, honour, might, majesty, dominion or power, except war (...) My subject is war and the pity of war. The poetry is in the pity.” Het zijn de woorden van de humanistisch georiënteerde christelijke dichter Wilfred Owen (1893-1918), die op 25-jarige leeftijd om het leven kwam in een poging om zijn manschappen over het Sambrekanaal te leiden. Ironisch genoeg één week voor de definitieve wapenstilstand in 1918. Het is diezelfde Owen, op wiens gedichten de Engelse componist Benjamin Britten zijn aangrijpende uit 1961 daterende War Requiem baseerde. Deze unieke Dodenmis werd op 30 mei 1962 in de herbouwde St. Michaels Cathedral te Coventry ten doop gehouden - het kerkgebouw, dat door de Nazi’s in de as werd gelegd. Deze kathedraal is niet zo maar herbouwd. Immers, het oude en verwoeste deel is niet afgebroken maar bewaard gebleven om als plechtanker te fungeren voor de nieuwe en daaraan toegevoegde architectuur. Dit met als doel een zichtbaar

37


symbool te creëren voor de telkens opnieuw bedreigde vrede. Met het oog op de wederingebruikneming schreef Britten deze imposante mis. De wereldpremière stond onder zijn leiding met als solisten de sopraan Heather Harper, de tenor Peter Pears en de bariton Dietrich Fischer-Dieskau. Harper verving de Russische sopraan Galina Vishnevskaja, die van de Sovjetautoriteiten geen toestemming kreeg naar Engeland af te reizen, maar wel haar medewerking kon verlenen aan de beroemde fonografische en eveneens onder leiding van Britten staande primeur voor het prestigieuze Engelse platenlabel Decca. Het was namelijk de uitdrukkelijke wens van de componist dat Duitsland, Rusland en Engeland als nationaliteiten in dit project zouden zijn vertegenwoordigd teneinde aldus de in deze partituur belichaamde verzoeningsgedachte tot uitdrukking te kunnen brengen. Zoveel is duidelijk, het War Requiem is niet alleen een felle aanklacht tegen het niets- en niemand ontziende oorlogsgeweld, maar tegelijkertijd een intens pleidooi voor meer humaniteit over alle grenzen heen. En met name dit feit verleent aan dit grandioze kunstwerk zijn universele strekking. Drie lagen Er zijn weinig composities waarin de problematiek van oorlog en vrede, of wat ruimer geformuleerd: van disharmonie en harmonie zo suggestief in klank is omgesmeed als in dit stuk, dat zonder twijfel tot de hoogtepunten uit de twintigste eeuwse vocaal/religieuze muziek mag worden gerekend. Het centrale thema is de zinloosheid van het fenomeen oorlog met daaraan vastgekoppeld de wetenschap dat er in essentie alleen maar slachtoffers zijn. Met als eerste en grootste verliezer: de menselijke waardigheid. Wie zich hiervan bewust is en zich openstelt voor de van enorme emoties doortrokken gedichten van Owen, zal merken hoe griezelig actueel de inhoud daarvan nog is. Wat het War Requiem voorts bijzonder maakt, is de geweldige rijkdom van deze partituur. Die komt onder meer tot uitdrukking in de constante aanwezigheid van drie lagen, te weten: • Het jongenskoor, begeleid door orgel, dat staat voor de onschuld, het gave, de schoonheid, al datgene kortom, dat nog niet is getekend door de uitersten van goed en kwaad en hetwelk daarom een andere dan onze wereld van het hier en nu representeert. • Gemengd koor, sopraansolo en groot symfonieorkest. Deze vertolken de liturgische visie op zaken als leven en dood, goed

38


War Requiem

en kwaad, ondergang en uiteindelijke verlossing. Ze baseren zich geheel op de tekst van de ‘Missa pro defunctis’ ofwel het latijnse Requiem. • Tenor- en baritonsoli plus kamerorkest. Deze berichten van het hier en nu op het slagveld, zoals opgetekend in de realistische poëtische verslagen van Wilfred Owen. Dankzij deze originele opzet krijgen de liturgische teksten met terugwerkende kracht een belangrijk andere ‘impact’ dan de gangbare. Genoemde drie lagen functioneren naast elkaar. Zulks met uitzondering van de slotepisode van het kolossale laatste deel, het ‘Libera me’, want gedurende het ‘In te Paradisum’ vloeit alles ineen. Dan krijgt de toehoorder de impressie van een volledig gevulde muzikale kosmos. Alle verpletterende climaxen van het War Requiem ten spijt wordt dit moment als het emotionele hoogtepunt ervaren. Klanktaal Tijdens de totstandkoming van het War Requiem heeft Britten zich duidelijk beziggehouden met de grote voorbeelden van weleer. Zijn grote bewondering voor met name het Requiem van Giuseppe Verdi heeft zonder twijfel zijn sporen in dit opus achtergelaten. Ook Brittens liefde voor Wolfgang Amadeus Mozart resoneert soms mee. Wat de dikwijls ontzagwekkende passages betreft zijn er raakvlakken te signaleren met het Requiem van Hector Berlioz, zeker in het ‘Dies Irae’ en het ‘Libera Me’. Vervolgens doet de opbouw in zes grote delen sterk denken aan de monumentale symfonische werken van Brittens idool Gustav Mahler. Sterker nog, de intense ont­kno­ping van het ‘Libera me’ bezit de allure van die in ‘Der Abschied’ uit Mahlers – N.B. eveneens zesdelige! – Das Lied von der Erde. Overigens, uit dit werk citeert Britten heel geraffineerd ook nog elders in zijn War Requiem. Daarnaast vertoont de manier waarop de componist thematische verbanden tussen de delen weet te leggen ook dikwijls raakvlakken met zijn grote Oostenrijkse voorbeeld. Een cruciaal element in de omgang met het muzikale materiaal is het voortdurend manifeste spanningsveld tussen tonaliteit en atonaliteit. Iets dat Britten duidelijk verwant maakt met Alban Berg. Een componist met wie hij ook emotioneel bijzonder veel affiniteit had. Evenals in het werk van Berg houdt die atonaliteit ook in dat van Britten geen pure anti-tonicaliteit in, omdat de werking van bepaalde toon-

39


centra bijna nooit helemaal afwezig is. Misschien is het zelfs beter om te spreken van ‘verbrede tonaliteit’ die, als bepaalde dramatische situaties dit vereisen, wel degelijk in de richting van atonaliteit kan omslaan. ‘Duivel in de muziek’ In dit verband is een belangrijk muzikaal sleutelsymbool in het War Requiem zeer vermeldenswaard: de overmatige kwart. Dit is een dissonerend en tweeslachtig interval, omdat het zowel de tonaliteit kan bevestigen alsook geheel op losse schroeven kan zetten. Het werkt dus naar twee kanten. Daar komt nog bij, dat het vanwege zijn moeilijke trefbaarheid voor de zangers al eeuwen berucht was en daarom ook wel de ‘diabolus in musica’ ofwel de ‘duivel in de muziek’ is genoemd. Hetzij onverhuld dan wel verbloemd komt dit interval op verschillende toonhoogtes in alle delen van het War Requiem voor. De symboliek is duidelijk, aangezien de overmatige kwart fungeert als zinnebeeld van de toestand in de wereld van vandaag, waarin de, al dan niet bedrieglijke, vrede plotseling in zijn tegendeel, een alles platwalsende oorlog kan omslaan. Maarten Brandt Voorafgaand aan de concerten is een uitgebreid programmaboek te koop.

40


41


In Holland staat een huis

Verrassingsconcert onder leiding van Bart Schneemann

Zutphen

vr. 25 september Hanzehof, 20.00 uur Familieconcert

Apeldoorn

wo. 30 september (Serie II) Orpheus, 20.00 uur Familieconcert

Ede

vr. 2 oktober Cultura, 20.15 uur

Familieconcert Inleiding Jacob Jansen, 19.15 uur

Arnhem

zo. 4 oktober Musis Sacrum, 14.15 uur Familieconcert

42


In Holland staat een huis

Programma De inhoud van dit concert blijft een verrassing‌ U ontvangt het programma voor aanvang van het concert. Meer informatie vindt u ook op www.hetgeldersorkest.nl

43


Bart Schneemann dirigent Bart Schneemann studeerde hobo bij onder andere Han de Vries bij wie hij in 1977 afstudeerde. Tot 1996 was hij eerste hoboïst van het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Al in deze tijd trad hij veel op in klein ensembleverband (hij was oprichter en lid van het Fodor Blaaskwintet en het Amsterdam Baroktrio), maar ook als solist was en is hij veelgevraagd. Daarbij is zijn repertoire zeer uitgebreid, van oude muziek op de barokhobo tot hedendaags repertoire. Niet voor niets dat veel componisten, waaronder Verbey, Keuris en Rihm muziek speciaal voor hem schreven. Sinds 1988 heeft Bart Schneemann de artistieke leiding van het Nederlands Blazers Ensemble. Hij transformeerde het tot een gezelschap dat beroemd werd om zijn spraakmakende experimentele programma’s met onverwachte theatrale elementen. De compositiewedstrijden voor jeugdige componisten en de inmiddels befaamde nieuwjaarsconcerten in het Concertgebouw zijn daar klinkende bewijzen van. Maar ook op het gebied van directie is Bart Schneemann actief met diverse orkesten. Zo dirigeerde hij onder meer het Nationaal Jeugd Orkest, het Brabants Orkest, en het Odense Sym­foni­ orkester. Met Holland Symfonia werkt hij regelmatig samen in het kader van educatieve projecten.

44


45


Groots & onvoltooid

Celso Antunes dirigent Hellen Kwon sopraan Elena Zhidkova mezzo-sopraan Dominik Wortig tenor Martin Busen bas Groot Omroepkoor

Arnhem

do. 8 oktober (Serie A) Musis Sacrum, 20.15 uur Inleiding Martin Buniga, 19.15 uur

Utrecht

vr. 9 oktober Muziekcentrum Vredenburg, 20.15 uur

Nijmegen

zo. 11 oktober (Serie M) De Vereeniging, 14.15 uur Inleiding Martin Buninga, 13.15 uur

46


Groots & onvoltooid

Programma

Franz Schubert (1797-1828)

Symfonie nr. 8 in b, D. 759 ‘Onvoltooide’

moderato • Allegro • Andante Pauze

Anton Bruckner (1824-1896) Mis nr. 3 in f ‘Grote’

• Kyrie • Gloria • Credo • Sanctus • Benedictus • Agnus Dei

47


Celso Antunes dirigent De Braziliaan Celso Antunes heeft zich in zijn carrière gemanifesteerd als een zeer kundig en uiterst muzikaal koor- en orkestdirigent. Hij kreeg zijn opleiding zang en directie aan de universiteit van São Paulo. Hij vervolgde zijn studies aan de Musikhochschule in Keulen waar hij in 1990 zijn diploma behaalde. In 1991 vormde Antunes het Tippett Ensemble op dat nog steeds succesvolle concerten geeft. Als leider van het Antwerpse gezelschap Champ d’Action voerde hij tussen 1994 en 1997 talloze wereldpremières uit. In dezelfde tijd was hij chef-dirigent van het Neues Rheinisches Kammerorchester. In de loop der jaren heeft Antunes een veelheid aan grote koren en orkesten geleid waaronder het Vlaams Radio Koor, de BBC Singers, het SWR Vokalensemble, het Gürzenich Orchester en het Ulster Orchestra, om er maar enkele te noemen. Daarbij reikt zijn repertoire van Monteverdi tot hedendaagse muziek. Van 2002 tot 2007 was hij dirigent van het National Chamber Choir of Ireland. In die tijd zette hij dit ensemble op de kaart van internationaal gerenommeerde koren. Vanaf 2008 is Celso Antunes benoemd tot chef-dirigent van het Groot Omroepkoor. Tevens heeft hij een aanstelling als docent koordirectie aan het Conservatoire de Musique de Genève.

48


Groots & onvoltooid

Hellen Kwon

sopraan

Geboren in Zuid-Korea, volgde de sopraan Hellen Kwon haar opleiding aan de Hochschule für Musik in Keulen. In 1984 voltooide zij daar haar studie en liet meteen horen welk talent zij bezat. In het jaar van haar afstuderen won zij het de eerste prijs tijdens het Concours van Novara. Spoedig daarna kreeg zij haar eerste engagement bij de opera van Wiesbaden voor de rol van de Koningin van de Nacht in Mozart’s Die Zauberflöte. Het bleek een gouden greep. In haar carrière zou zij de partij talloze malen met enorm succes zingen. Sindsdien zong zij in vele voorstellingen en concerten bij alle grote operahuizen en concertzalen over de hele wereld. Daarbij werkte ze samen met grote dirigenten als Zubin Mehta, Wolfgang Sawallisch en Nikolaus Harnoncourt. Ook maakte zij haar opwachting in gerenommeerde festivals zoals de Bayreuther Festspiele in 1988 en de Salzburger Festspiele in 1991. Daarnaast maakte zijn diverse cd-opnamen. Componist en theaterdirecteur Rolf Liebermann schreef speciaal voor Helen Kwon één van de hoofdrollen in zijn opera La Forêt. Ook contracteerde hij haar voor de Staatsoper Hamburg waar zij nog steeds werkzaam is.

49


Elena Zhidkova mezzosopraan De Russische mezzosopraan Elena Zhidkova begon haar carrière aan de internationale operastudio van de Staatsoper Hamburg. Een jaar later volgde haar eerste engagement bij de de Deutsche Oper Berlin, waar zij tot 1999 aan verscheidene producties meewerkte. Maar ook daarna was zij regelmatig te gast bij dit ensemble. In Nederland debuteerde zij in 2001 in Eugen Onegin van Tsjaikovski bij De Nederlandse Opera. Verder maakte zij met succes haar opwachting bij de Bayreuther Festspiele, het Nationaal Theater van Tokyo en de Bastille in Parijs. Ook concerteerde zij met onder anderen Claudio Abbado met de Berliner Philharmoniker en Nikolaus Harnoncourt. Haar debuut in de Scala van Milaan met een uitvoering van Katja Kabanova van Janácek was succesvol, maar diepe indruk maakte zij daar als Judith in Hertog Blauwbaards Kasteel van Bártok. Niet voor niets trok Gergjev juist haar aan om ter vervanging van de zieke oorspronkelijke zangeres haar deze rol te laten zingen, een indrukwekkend concert met het London Symphony Orchestra, dat ook op cd werd opgenomen. In maart van 2010 zal zij deze rol dan ook in een productie van De Nederlandse Opera vertolken.

50


Groots & onvoltooid

Dominik Wortig tenor “Wortigs tenor heeft gewonnen aan kracht en uitdrukking, zonder dat dit ten koste gegaan is van de kleur en helderheid van zijn stem”, zo sprak de Duitse pers zich lovend uit over het optreden van Dominik Wortig in Wuppertal afgelopen winter. Deze Duitse zanger heeft een ongekend veelzijdige achtergrond. Naast zang studeerde hij ook piano, orgel, directie, muziektheorie en kerkmuziek. Met dit alles bouwde hij als zanger een indrukwekkend repertoire op dat loopt van de grote werken van Bach en de Romantische oratoria tot hedendaagse muziek. Daarbij staat hij zowel in de concertzaal als op het operatoneel en heeft inmiddels met grote dirigenten als Bachspecialist Helmuth Rilling, Dennis Russell Davies en Claus-Peter Flor samengewerkt. Al jaren wordt hij in de pers dé tenor van de nieuwe generatie genoemd. Sinds 2001 is Dominik Wortig vast verbonden aan het Theater van Hagen waar hij al ettelijke belangrijke rollen gezongen heeft. Maar ook bij ander operagezelschappen is hij een graag geziene gast. Zo trad hij op bij opera’s van Aachen, Meinigen, Stuttgart en Dresden.

51


Martin Busen bas Met zingen kun je niet vroeg genoeg beginnen. Als kind was Martin Busen (1970) al lid van het befaamde Tölzer Knabenchor en soleerde als Knabe in Die Zauberflöte tijdens de Salzburger Festspiele van 1981. Zijn zangstudie volgde hij in zijn geboortestad München aan de Hochschule für Musik. Daar studeerde hij in 1991 af in de richtingen opera, oratorium en lied, en kreeg een beurs om ook het coloratuurvak te leren. Daarna was hij enige tijd lid van de Opernstudio Köln. Al tijdens zijn studie deed Martin Busen ervaring op in diverse Duitse operagezelschappen, maar eenmaal gediplomeerd zong hij in veel operahuizen van zijn land zoals Wiesbaden, Osnabrück, Frankfurt en de Deutsche Oper am Rhein. Naast de bekende rollen voor zijn stem zong Busen ook veel moderne opera, waaronder enkele wereldpremières. Zo participeerde hij onder meer in Was ihr wollt van Manfred Trojahn en Doktor Popels fiese Falle van Moritz Eggert. Ook in Nederland was Martin Busen te horen. In november 2007 zong hij tijdens de Zaterdagmatinee in de onlangs gereconstrueerde en voltooide opera Der König Kandaules van Zemlinsky een van de basrollen.

52


Groots & onvoltooid

Groot Omroepkoor Vrij snel na de oorlog werd er een aantal muziekensembles in het leven geroepen ten behoeve van de omroepen. Naast enkele orkesten werd ook het Groot Omroepkoor opgericht voor de vocale bijdragen. Vandaag is het Groot Omroepkoor nog steeds aan Hilversum verbonden en geldt het met zijn huidige omvang van 74 leden als het grootste professionele koor van Nederland, dat bovendien internationale faam geniet. Het koor draagt bij aan de diverse opnames die door de omroepen worden gemaakt, maar heeft daarnaast ook een eigen concertpraktijk. Daarin heeft het de afgelopen jaren met vele grote dirigenten gewerkt zoals Jaap van Zweden, Mariss Jansons en Nikolaus Harnoncourt. Naast het traditionele repertoire heeft het koor een grote ervaring in moderne en hedendaagse muziek. Binnen de organisatie van het koor is er veel ruimte voor de nieuwe generatie musici. Zo is er de Eric Ericson Masterclass voor aankomende koordirigenten. En onder de noemer Groot Omroepkoor XL geeft het ensemble ruimte aan zangstudenten om in koorverband ervaring op te doen en concerten te geven.

53


Groots & onvoltooid Schubert en Bruckner Franz Schubert en Anton Bruckner. Je zou heel wat bomen op kunnen zetten over de parallellen tussen beide meesters. Beiden Oostenrijkers. Beiden begonnen als onderwijzer. Beiden katholiek. Beiden geregeld geplaagd door depressies. Beiden meenden ze dat ze op latere leeftijd nog wel wat contrapuntlessen konden gebruiken. En met enige goede wil hoor je in het werk van beiden rustieke Oostenrijkse landschappen opdoemen, maar ook regelmatig iets mysterieus doorschemeren. Zouden ze op elkaar hebben geleken? Dat er een muzikale link is tussen Schubert en Bruckner is voor de meeste musicologen zonneklaar. Hoewel ze van verschillende generaties zijn - Bruckner was vier toen zijn landgenoot op 31-jarige leeftijd overleed – hadden ze bijna beiden les gehad van dezelfde docent: Simon Sechter. Bruckner – altijd onzeker over zijn eigen kunnen - ging in elk geval bij de beroemde contrapuntmeester in de leer. Schubert was hetzelfde van plan geweest, maar door zijn vroege dood kwam er niets van. Een naam die ook in beide biografieën opduikt is die van Karoline Eberstaller. Zij was de dochter van een Franse generaal en kwam als jong, muzikaal getalenteerd meisje bij Schubert over de vloer, onder meer om samen met hem vierhandig piano te spelen. Nadat de 19-jarige Bruckner haar jaren later ontmoette, liet zij hem kennismaken met Schuberts muziek. Ook via een bevriende dirigent, Johann von Herbeck, werd Anton bepaald bij Schuberts muziek. De noten van zijn illustere voorganger lieten Bruckner allerminst koud. Met onder meer zijn Negende symfonie en de grotere miszettingen plaveide Schubert de weg voor Bruckners

54


Von Herbeck was ook de dirigent die in 1860 bericht kreeg van een van Schuberts oude vrienden. Die meldde dat hij nog een manuscript van de decennia geleden overleden Franz had liggen. Herbeck ging erachter aan en in 1865 klonk voor het eerst Schuberts zolang verborgen gebleven Symfonie in b-klein. ‘Wanneer na een paar inleidende maten van het Allegro klarinetten en hobo unisono hun zoete gezang boven het rustige gemurmel van de strijkers aanheffen’, zo beschreef de bekende criticus Eduard Hanslick na die uitvoering, ‘dan herkent ook elk kind de componist en de half onderdrukte uitroep “Schubert!” gonst fluisterend door de zaal.’ Waarom het werk, waaraan Schubert al in 1822 begon, meer dan 40 jaar bij een van zijn vrienden in de kast bleef liggen is een raadsel. Maar nog prangender is de vraag waarom de componist het werk niet voltooide. De symfonie bestaat uit slechts twee delen en Schubert bleef vervolgens na zo’n twintig maten in het Scherzo steken. Had hij in de twee delen alles al gezegd? Kon hij geen goede voortzetting vinden? Moet de entr’acte in b-klein uit de toneelmuziek bij Rosamunde als de finale van deze symfonie worden beschouwd? Tussen al de speculatieve theorieën die over de ‘Unvollendete’ de ronde doen, is er een, die het werk in verband brengt met een kort verhaal dat Schubert schreef, een paar maanden voordat hij zich aan de symfonie zette. In het eerste gedeelte van deze droomvertelling, schrijft de componist dat hij wordt verdeeld ‘door de grootste liefde en het grootste verdriet’. In het tweede deel klinkt een ‘wonderbaarlijk lieflijke toon’ en wordt ‘de eeuwige zaligheid als in een enkel ogenblik samen­ gedrongen’. Ook al heeft de componist zelf deze parallel niet getrokken, voor menig luisteraar zijn deze woorden toch een treffende karakterisering van de ‘Unvollendete’.

Groots & onvoltooid

grootse werken in die genres. Ook Schuberts cantabele melodiek kreeg zijn weerslag in Bruckners oeuvre.

Zo’n twee jaar later braken er in huize Bruckner woelige tijden aan. Begin 1867 zette de Weense hofmuziekkapel Bruckners Mis in d-klein uit 1864 op het programma. Een historisch moment, want tot dan toe was de muziek van de 42-jarige domorganist uit Linz – voor zover we weten – nog niet in Wenen te horen geweest. De luisteraars waren enthousiast en de componist kreeg van het ‘kaiserliche Obersthofmeisteramt’ het verzoek een nieuwe mis voor de hofkapel te schrijven. Het leek erop dat Bruckner de werkzaamheden aan dat nieuwe werk op de lange baan moest schuiven, want in

55


het voorjaar kreeg hij een flinke zenuwinzinking die hij in een kuuroord te boven trachtte te komen. Zijn arts verbood hem voorlopig te componeren, maar eenmaal terug thuis, begon Bruckner op 14 september tóch aan de nieuwe mis. De streng katholieke componist kon op deze manier ook uitdrukking geven aan zijn dankbare gevoelens, nu hij weer min of meer genezen was. Het overlijden van de al eerder genoemde Simon Sechter in dezelfde tijd zou grote gevolgen krijgen. Anton zou hem opvolgen als hoforganist én als professor aan het Weense conservatorium. Dat gebeurde in 1868, het jaar waarin Bruckner de Mis in f-klein voltooide en ook zijn Eerste symfonie ten doop werd gehouden. Kritisch als hij was, zou hij jaren later de mis af en toe nog bijslijpen. De Weners konden tevreden zijn over de gevraagde mis - die ze overigens pas in 1872 te horen kregen. Op een meesterlijke manier weet Bruckner in dit werk al de verschillende invloeden die in hem om voorrang streden onder een noemer te brengen. Zo horen we in de mis zowel de Wagneriaans aandoende harmonieën, als traditioneel contrapunt. In de mis komt ook Bruckners vormbesef aan de oppervlakte. Hij verbindt bijvoorbeeld de verschillende delen ervan intern met elkaar via het motief dat al aan het begin van het Kyrie klinkt: dat van een dalende kwart. Voordat het motief in het Agnus Dei voor het laatst terugkeert, zijn we inmiddels getuige geweest van de grote muzikale verbeeldingskracht van de componist. Monumentale passages wisselen af met intieme klankkleuren; indrukwekkende koren met verstilde sololijnen. Fuga’s – waar Sechter vast zijn goedkeuring aan had gehecht – dramatische uitbarstingen, devote ogenblikken, milde lyriek, visionaire klanken en kerktonale wendingen, virtuoze strijkerspartijen en koraalachtige blazersbijdragen… ze staan gebroederlijk naast elkaar en maken van deze mis tot een kleurrijk monument met een symfonische allure. De Mis in f zou voorlopig het laatste kerkmuzikale werk zijn van Bruckner. De tijd van de grote symfonieën was aangebroken; in de Tweede zou hij nog thema’s uit de mis aanhalen. Pas in 1884 en 1892 zou hij met respectievelijk het Te Deum en Psalm 150 zich weer met religieuze vocale muziek bezighouden. Dirk Luijmes

56


57


Symfonische dansen

Nikolai Alexeev dirigent Yevgeny Sudbin piano

Arnhem

do. 15 oktober (Serie C) Musis Sacrum, 20.15 uur

Vriendenarrangement Inleiding Jochem van der Heide, 19.15 uur

Nijmegen

vr. 16 oktober (Serie 2) De Vereeniging, 20.15 uur

Adoptieconcert De Gelderlander Inleiding Jochem van der Heide, 19.15 uur

Doetinchem

za. 17 oktober Schouwburg Amphion, 20.00 uur Inleiding Jochem van der Heide, 19.00 uur

Apeldoorn

zo. 18 oktober (Serie II) Orpheus, 16.00 uur

58

Inleiding Jochem van der Heide, 15.15 uur


Symfonische dansen

Programma

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840-1893)

Serenade in C, opus 48 voor strijkers

in forma di Sonatina • Pezzo • Valse • Elegia • Finale (Tema Russo)

Alexander Skrjabin (1872-1915)

Concert voor piano en orkest in fis, opus 20

• Allegro (thema) met variaties • Andante Allegro moderato • Pauze

Sergej Rachmaninov (1873-1943)

Symfonische dansen, opus 45

allegro • Non Andante • Lento assaicon moto (Tempo di valse) •

59


Nikolai Alexeev dirigent Nikolai Alexeev is in Sint Petersburg geboren en getogen en heeft gestudeerd bij Alexander Michailov en bij Arvid en Mariss Jansons. Hij schreef in 1983 het Herbert von Karajan Concours te Berlijn op zijn naam en werkte enige tijd aan de Kirov Opera als assistent van Yuri Temirkanov. Inmiddels is hij vaste dirigent bij het St. Petersburg Philharmonisch Orkest en als chef-dirigent verbonden aan het Estlands Nationaal Symfonieorkest. Als gastdirigent is hij veel te horen in Europa, de Verenigde Staten en Japan. In Nederland dirigeerde hij o.a. het Radio Filharmonisch Orkest, het Residentie Orkest, het Rotterdams Philharmonisch Orkest en het Koninklijk Concertgebouworkest. Nikolai Alexeev is sinds 2002 vaste gastdirigent van Het Gelders Orkest. Hij legt zich vooral toe op de 19de- en 20ste-eeuwse muziek uit zijn vaderland. Dit seizoen brengt hij concerten met Prokofjev en Skrjabin, maar ook Van Delden, DvorĂĄk en Brahms. De Tiende symfonie van Sjostakovitsj wordt, als eerste van een serie symfonieĂŤn, door Het Gelders Orkest onder Alexeevs leiding live op cd vastgelegd.

60


Symfonische dansen

Yevgeny Sudbin piano De Daily Telegraph noemde Yevgeny Sudbin onlangs de meest veelbelovende pianist van de 21ste eeuw. Sinds zijn spectaculaire opnamen van de sonates van Scarlatti, die door de gehele pers werd bejubeld als een interpretatie van onvoorstelbare klasse, heeft de jonge pianist een stormachtige carrière gemaakt. In 1980 in Sint Petersburg geboren, werd Sudbin al op zijn zevende jaar toegelaten tot de speciale opleiding van het conservatorium aldaar. In 1990 zette hij zijn studie voort in Berlijn en later in Londen aan de Royal Academy of Music bij Christopher Elton. Daarnaast volgde hij lessen bij onder meer Claude Frank, Leon Fleisher en Murray Perahia. Naast een drukke concertpraktijk in Europa concerteerde Yevgeny Sudbin in 2006 en 2007 uitgebreid door de Verenigde Staten en Canada. Ook maakte hij in 2008 een succesvol debuut bij de BBC Proms met het BBC Philharmonic Orchestra. Behalve de genoemde opname van Scarlatti heeft Sudbin meerdere cd’s geproduceerd die alle zeer lovend ontvangen werden. Zo was zijn opname met pianoconcerten van Tsjaikovski en Medtner bij The Grammophone cd van de maand, en de opname met werk van Skrjabin bij de Daily Telegraph zelfs cd van het jaar 2007.

61


Symfonische dansen Tsjaikovski Pjotr Iljitsj Tsjaikovski was een somber man. Een aartstwijfelaar, een melancholicus tot en met. Luister er zijn noodlotszwangere symfonieën maar op na: de laatste, de Pathétique, eindigt diep, diep onder de grond…. Maar toch: hij kon ook wel eens gelukkig zijn al duurde het dan nooit lang. Op een mooie zomerdag in 1881 bijvoorbeeld: ‘Ik geniet van het leven in de ruimste zin van het woord. Mijn werk schiet redelijk op, ik maak elke dag een wandeling in de bossen, verkeer in de kleine kring van de familie. Eigenlijk zijn muziek, bloemen en kinderen de mooiste dingen in het leven.’ Hij schreef toen de ongewoon montere Serenade voor strijkers, die hem prima beviel. In zijn eigen woorden: ‘Tot mijn verrassing heb ik een serenade geschreven. Of het nu is omdat ze mijn nieuwste kindje is, of omdat het stuk echt niet slecht is: ik houd er echt van.’ ‘Verschrikkelijk verliefd’ was hij er zelfs op. Blinde liefde bleek dat niet: bij de première, 30 oktober 1881 in Sint-Petersburg, was men het erover eens dat dit wonderbaarlijke opus 48 het beste was wat Tsjaikovski ooit had gecomponeerd. Misschien was Tsjaikovski ook wel zo gelukkig omdat hij er zo goed in was geslaagd ‘iets moois te scheppen uit niets.’ Dat was pas echt componeren, vond hij. Want zo componeerde Beethoven, en dat was een groot voorbeeld voor hem. Het ‘niets’ is hier de dalende toonladder van C. Wat is dat nu helemaal, maar in

62


Symfonische dansen

Tsjaikovski’s handen blijkt het veel. Het stralende begin, muziek die een wijds verschiet opent, is in feite niet veel meer dan een omspeling van deze toonladder, een oprekken, stilstaan en dan weer verder gaan juist op die momenten die alleen een genie kan kiezen. Het hele werk door speelt Tsjaikovski er mee, om ‘m tenslotte in de finale opeens heel dartel voor de dag te laten komen (begin van het allegro). Dartel, omdat ze juist op het goede moment ook weer even naar boven wandelt.

Skrjabin In Alexander Skrjabin treft u een vreemde snoeshaan. Z’n egocentrisme en grootheidswaan waren groot. Skrjabin, schreef iemand eens, ‘was zo’n kunstenaar die ervan overtuigd was dat zijn werk een beslissende invloed zou uitoefenen op niets minder dan de hele wereld. Niet de wereld beïnvloedde zijn kunst, maar omgekeerd: zijn muziek zou de wereld transformeren. Zijn ultieme werk, Mysterium, een synthese van alle kunstvormen dat in een Indiase tempel zou moeten worden opgevoerd, moest een allesomvattend apocalyptisch ritueel worden, de bevrijdende dyonisische roes ontketenen die de mensheid tot een hoger stadium van bewustzijn zou brengen en de wereldgeschiedenis zou voltooien.’ Toe maar. Voor minder deed Skrjabin het niet. Toen in 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak, stond deze man als een van de heel weinigen te juichen: zie je wel, daar had je de eerste stap op weg naar transformatie dus nu zal, voortkomend uit mijn Prometeïsche werkzaamheden, het nieuwe Nirwana aanbreken. Goed, tot zover de persoon. De persoon toen hij al wat ouder was, een beetje in de war misschien, en gelukkig dateert zijn mooie pianoconcert van daarvóór. Dit concert in de opmerkelijke toonsoort fis klein (alleen Skrjabins klasgenoot op het conservatorium, Rachmaninov, schreef er ook eentje in fis) is Skrjabins enige, geschreven op z’n 25ste. Alsof hij al spoedig was uitgekeken op de concertvorm zoals die door Chopin, Liszt en Tsjaikovski al zo briljant was behandeld. Het wijkt ook meteen van de geijkte vorm af door de orkestrale inleiding over te slaan: de solist zet al na enkele maten in. Eerst een lyrisch, dan een scherzando thema: ook merkwaardig. In het Andante toont Skrjabin zijn grote variatiekunsten; dansantcapricieus is de finale, op een manier dat de componist bij het hoofdthema noteerde: ‘Elke noot zeer gemarkeerd, als een trompet.’

63


Rachmaninov ‘Ik begrijp zelf niet hoe het is gegaan. Ze moeten mijn laatste vonk zijn geweest...’ Hij was oud toen hij de Symphonic Dances schreef, 67 jaar. Een oude man. Een lang gegroefd, perkament-achtig gelaat, de ogen bijna spleten en met wallen eronder, de haren en wenkbrauwen echter nog ravenzwart. De zeer lange gestalte vermoeid maar fier en indrukwekkend. De enorme handen met sterke contouren van de aderen maar de vingers door veel oefening nog rap en lenig. Hij had niet meer gecomponeerd sinds hij vier jaar geleden zijn Derde symfonie voltooide: ‘Waar moet ik de kracht vandaan halen, het noodzakelijke vuur?’ Onlangs, in mei, had hij nog een zware operatie ondergaan; nu was hij herstellende op zijn landgoed Huntingdon op Long Island. – En toen, toch nog, was daar de voltooide schets van een nieuw opus, een groot driedelig werk voor orkest. Begonnen 3 juli 1940, voltooid 21 augustus 1940 – nauwelijks te geloven. Rachmaninovs echtgenote Irina vertelt hoe de Symphonic Dances ontstonden: ‘Hij begon om half 9. Vanaf 10 uur speelde hij dan piano, zich voorbereidend op het komende concertseizoen. Van 12 tot 1 werkte hij weer aan de Dances. Om 1 uur lunchte hij en deed een middagslaapje maar vanaf 3 uur met een onderbreking voor het avondeten werkte hij aan zijn compositie tot 10 uur in de avond. Hij wilde koste wat kost de Dances voltooien voor het begin van het concertseizoen. Sergej Wassiljewitsj bereikte zijn doel, maar de hele tijd maakte ik me bezorgd om hem. ‘s Avonds weigerden zijn ogen te focussen vanwege het uitschrijven van de partituur in zijn kleine handschrift.’ - Wat een zomer voor een bejaard man! Later, op tournee, ging het werk echter nog door: ‘Op elk groot station waar wij stopten wachtten de drukproeven van de Symphonic Dances op hem, en Sergej Wassiljewitsj ging snel aan het werk met deze groene pagina’s vanuit zijn eigen witte muziekpapier. Hij ging door met corrigeren zowel voor als na een concert...’. Het was belangrijk voor hem, dit werk. Twee autobiografische momenten bevatten ze. Aan het eind van het eerste deel (een plotseling zacht opbloeiende melodie in de violen) blikt Rachmaninov terug op de grootste catastrofe van zijn leven, de weggehoonde première van zijn Eerste symfonie toen hij 24 jaar was. Het ging voor altijd de la in. Nu, in zijn laatste werk, citeert

64


Symfonische dansen

hij het hoofdthema van het spookstuk. Het klinkt als... een verzoening. Zo moest het zijn. De componist heeft, aan het slot van het derde deel, ook vrede met de Dies irae-melodie, het gezang over de Dag des Oordeels dat hij obsessief door veel van zijn werken vlocht. Nu, nu hij het voor de laatste keer gebruiken zal, combineert hij het met het Opstandingsgezang Alleluia en wordt ook deze spookgestalte overwonnen. ‘Mijn laatste vonk...’ De laatste noten van één van de grootste componisten van de 20ste eeuw. Zijn schoonzusje Sofia Satina vertelde: ‘Tot het eind van zijn leven hield hij van hen en beschouwde hen als waarschijnlijk zijn beste compositie.’ Stephen Westra

65


Kobayashi & Tsjaikovski

Ken-ichiro Kobayashi dirigent Cécile Huijnen viool

Arnhem

do. 22 oktober (Serie A) * Musis Sacrum, 20.15 uur Adoptieconcert Teijin Aramid Inleiding Kees Wisse, 19.15 uur

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840-1893) Delen uit ballet Het Zwanenmeer Pauze

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski

(1840-1893)

Symfonie nr. 3 in D, opus 29 ‘Poolse’ Introduzione e Allegro Moderato assai • (Tempo di marcia funebre) Alla Tedesca - Allegro moderato e semplice • Andante - Andante • Scherzo. Allegro vivoelegiaco • Finale. Allegro con fuoco (Tempo di polacca) •

66


Kobayashi & Tsjaikovski

Programma Arnhem

vr. 23 oktober (Serie B) * Musis Sacrum, 20.15 uur Inleiding Kees Wisse, 19.15 uur

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840-1893) Souvenir d’un lieu cher (viool en orkest)

• Méditation • Scherzo • Mélodie Pauze

Symfonie nr. 4 in f, opus 36

sostenuto - moderato con anima • Andante in modo di canzone • Andante Scherzo: allegro (pizzicato ostinato), trio • Finale: allegro con fuoco •

Utrecht

zo. 25 oktober Muziekcentrum Vredenburg, 16.00 uur

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840-1893) Delen uit ballet Het Zwanenmeer Symfonie nr. 4 * live cd-opname

67


Ken-ichiro Kobayashi dirigent De Japanse dirigent Ken-ichiro Kobayashi studeerde directie bij Akeo Watanabe en Kazuo Yamada aan de Tokyo National University of Fine Arts. In 1974 startte hij zijn Europese loopbaan met het winnen van het Internationale Dirigentenconcours in Boedapest. Sindsdien heeft hij met veel toonaan­ gevende orkesten in Europa gewerkt, in landen als Hongarije, Duitsland, Oostenrijk, Engeland, Frankrijk, Italië en Tsjechië. Hij was gedurende tien jaar artistiek leider en chef-dirigent van het Hongaars Nationaal Philharmonisch Orkest en lange tijd als Music Director verbonden aan het Japan Philharmonic Orchestra. Ken-ichiro Kobayashi is na verschillende succesvolle gastdirecties als vaste dirigent aan Het Gelders Orkest verbonden. Hij leidde het orkest in het voorjaar van 2007 en 2009 tijdens uitgebreide, zeer succesvolle tournees door zijn geboorteland Japan. Ook in eigen land oogstten de concerten onder zijn leiding zeer veel lof met werken van o.a. Tsjaikovski, Berlioz, Moesorgski en Rimski-Korsakov. In het seizoen 2009-2010 staan opnieuw concerten en live cd-opnamen met symfonieën van Tsjaikovski op het programma.

68


Kobayashi & Tsjaikovski

Cécile Huijnen viool

Cécile Huijnen studeerde bij Davina van Wely aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag en vervolgens bij Jaap van Zweden. Al op veertienjarige leeftijd won zij de derde prijs van het Sweerts de Landas Vioolconcours, vijf jaar later de tweede prijs op het Berlage Concours en in 1987 de hoofdprijs van het Oskar Back Vioolconcours. Haar opleiding sloot zij in 1990 cum laude af. In datzelfde jaar werd Cécile Huijnen aangesteld als eerste concertmeester van het Nederlands Balletorkest; sinds 2000 vervult zij dezelfde functie bij Het Gelders Orkest. Bovendien is zij een veelgevraagd gastconcertmeester bij diverse orkesten zoals het Radio Filharmonisch Orkest, het Residentie Orkest, het Rotterdams Philharmonisch Orkest, The Sydney Symphony Orchestra, en Symfonica Toscanini o.l.v. Lorin Maazel. Als soliste speelde ze onder leiding van dirigenten als Thierry Fischer, Roy Goodman en Jaap van Zweden met vioolconcerten van o.a. Strawinsky, Barber, en Sjostakovitsj. Bovendien vertolkte zij vele solistische partijen bij het voormalige Nederlands Balletorkest in balletten van Hans van Manen, Jirí Kylián en Ohad Naharin. Nog steeds treedt ze als soliste op bij Het Nederlands Dans Theater. Tournees met vele kamermuziekensembles, in zowel barok, romantisch als hedendaags repertoire brachten haar over de hele wereld. Sinds 2003 vormt zij een duo met de Engelse pianist Ian Gaukroger.

69


Kobayashi & Tsjaikovski Ken-ichiro Kobayashi is de laatste jaren een Tsjaikovski-parcours aan het afleggen met Het Gelders Orkest. Zo werden al eerder opnamen gemaakt van Tsjaikovski’s Vijfde en Zesde symfonie, en nam het orkest ook de Ouverture 1812 op, alsmede de Fantasie-Ouverture Romeo en Julia. Dit seizoen gaan orkest en vaste dirigent verder op deze lijn, met twee andere symfonieën, het ‘vioolconcert’ Souvenir d’un lieu cher en delen uit het ballet Het Zwanenmeer. En ook nu worden weer opnamen gemaakt: tijdens de concerten zijn de microfoons weer aanwezig van de Japanse firma Exton, waarmee het orkest een exclusief contract heeft. De Derde symfonie en het Zwanenmeer ontstonden in dezelfde tijd. Zo schreef de componist aan Rimski-Korsakov: ‘Ik bracht de zomer door in verscheidene plaatsen in de provincie met vrienden en familie. Ik werkte nauwgezet en schetste, los van de symfonie, twee akten van een ballet. Op uitnodiging van het Moskouse management schrijf ik de muziek voor een ballet Het meer van de zwanen (sic!). Ik heb deze taak deels op me genomen vanwege het geld, dat ik nodig heb, deels omdat ik mijn geluk al lang eens wilde beproeven in deze soort muziek.’ Met zijn balletmuziek sloot Tsjaikovski aan bij een oude traditie. Natuurlijk zijn muziek en dans zeer aan elkaar verwant: niet alleen hebben van oudsher dansen vaak hun weg gevonden in de klassieke muziek, maar ook heeft muziek op haar beurt vaak

70


Kobayashi & Tsjaikovski

de inspiratie gegeven aan choreografen om de meest kleur­rijke en indrukwekkende balletten te ontwerpen. Tsjaikovski kan zonder meer gezien worden als de belangrijkste componist van balletten in de negentiende eeuw. Een deel van de muziek voor Het Zwanenmeer, misschien wel zijn populairste ballet, werd oorspronkelijk geschreven als een klein ballet voor de kinderen van zijn zus Alexandra. Zij voerden het met hun oom uit, toen die hen bezocht in de zomer van 1871. En toen de componist later gevraagd werd muziek te leveren voor een productie van Het Zwanenmeer, hergebruikte hij materiaal eruit. En hoewel hij wel zei het vooral voor het geld te hebben geaccepteerd, bekende de componist later aan Rimski-Korsakov: ‘Al lang koesterde ik de wens mij eens met dit soort muziek bezig te houden. ’Overigens besloeg het compositieproces een aanzienlijke tijd. Al in het najaar van 1875 meldde hij in een brief aan zijn broer Modest dat hij ijverig werkte aan een ballet. En in brieven van later die winter aan o.a. Rimski-Korsakov maakte hij ook gewag van het Zwanenmeer, om in maart het daarop volgende jaar te schrijven: ‘Ik zit tot over mijn nek in het orkestreren van het ballet dat ik zonder mankeren moet voltooien in de week van St. Thomas.’ (De week van 24 april in dat jaar). ‘Omdat er nog twee en een halve akte voltooid moeten worden, heb ik besloten de Passieweek en de Heilige Week te besteden om een einde te maken aan deze oneindig saaie, lang uitgerekte zaak.’ Uiteindelijk zou het werk in maart 1877 zijn eerste uitvoering beleven in Moskou, maar niet in de versie die de componist voor ogen had gestaan: ruwweg een derde van de partituur werd weggelaten omdat men die te ingewikkeld beschouwde om op te dansen. Overigens was dat niet de enige reden dat het ballet niet zo aansloeg: de dirigent had problemen met Tsjaikovski’s muziek, de choreografie was niet echt je-dát en verder waren decors en kostuums tweedehands. De kritieken waren dan ook niet mals: op een enkele criticus als Hermann Augustovisj Laroche na was men uiterst negatief. Daarmee was het lot van het ballet – voorlopig – bezegeld: de première was een mislukking en pas na de dood van de componist begon Het Zwanenmeer aan een zegetocht die heeft voortgeduurd tot aan de dag van vandaag. Ook de Derde symfonie kreeg bij haar introductie geen overenthousiaste ontvangst. Ze werd zelfs beschouwd als de saaiste van zijn symfonische werken. Het is overigens

71


opvallend dat de componist, altijd zo gevoelig voor kritiek en zo weinig overtuigd van zijn eigen kunnen, in dit geval er niet voor koos het werk te reviseren, iets wat hij vaker bij sommige andere mislukte werken wel had gedaan. Zo maakte hij niet minder dan drie versies van zijn Eerste symfonie, en ook van zijn Tweede zijn twee versies overgeleverd, hoewel dit laatste werk nog tamelijk positief ontvangen werd. Terug naar de Derde, die ten onrechte de ‘Poolse’ werd genoemd door de Duits-Engelse dirigent Sir August Manns (vanwege zijn finale die het opschrift Tempo di polacca draagt). De symfonie ontstond in dezelfde tijd als waarin Tsjaikovski begon te werken aan Het Zwanenmeer, de zomer van 1875 en er zijn ook wel commentatoren geweest die overeenkomsten opmerkten tussen beide werken. Zo zagen sommige muziekwetenschappers haar als een choreografie en werd de inleidende Introduzione beschreven als een toneelgordijn dat wordt opengetrokken. De componist zelf waagde zich niet aan dergelijke beelden. Hij oordeelde heel nuchter in een brief aan Nikolai RimskiKorsakov: ‘Zo ver ik het kan beoordelen, heeft de symfonie niet echt vernieuwende ideeën, maar technisch gesproken is ze een stap voorwaarts. Ik houd het meest van het eerste deel en van de beide scherzi, hoewel het tweede wat moeilijk is.’ Het publiek lijkt deze ietwat ambivalente opstelling gedeeld te hebben: toen het werk in november 1875 zijn première beleefde, werd het koel ontvangen. Desondanks kreeg de componist, toen hij zich liet zien, een enthousiaste ovatie. De collega’s en schrijvende pers waren verdeeld. Enerzijds merkte een componist als César Cui op: ‘In haar geheel demonstreert de nieuwe symfonie talent, maar we hebben het recht meer te verwachten van Tsjaikovski.’ Anderzijds was de hierboven ook genoemde invloedrijke Russische muziekcriticus Laroche van mening dat ‘de rijke en diepe gedachten, de excellente vorm, de nobele stijl (gekenmerkt door de karakteristieken van originaliteit) en de ongewone perfectie Tsjaikovski’s symfonie tot een van de belangrijkste gebeurtenissen in de laatste tien jaar maken.’ Wie het gelijk ook aan zijn kant had, het moet teleurstellend zijn geweest dat de Derde symfonie geen onverdeeld succes was; al helemaal voor een man als Tsjaikovski, die wel eens opgemerkt had dat het enige wat telde in het leven zijn succes als componist was. In de jaren 1876-1877 maakte Pjotr Iljiltsj Tsjaikovski kennis met twee vrouwen die een belangrijke rol zouden spelen in zijn leven. Enerzijds was er Nadezjda von Meck, een rijke weduwe

72


Kobayashi & Tsjaikovski

die zich ontpopte als een belangrijke mecenas voor hen. Jarenlang zou zij een belangrijke steun en toeverlaat voor de componist zijn. Ze wisselden meer dan duizend brieven uit maar ontmoetten elkaar nooit. Anderzijds was er Antonina Miljoekova, een leerlinge van Tsjaikovski aan het conservatorium van Moskou, die hem begon te achtervolgen: ze stuurde hem liefdesbrieven en dreigde zichzelf van kant te maken toen hij, met zijn homoseksuele natuur, haar gevoelens niet beantwoordde. Om maar van haar het geroddel en haar gestalk af te zijn, besloot hij uiteindelijk haar te trouwen, een huwelijk dat slechts heel kort stand hield. Door zijn huwelijksproblemen geraakte de componist in een langdurige depressie, waar hij maar met moeite uitkwam. Madame Von Meck was een grote steun voor hem, artistiek en persoonlijk. Bovendien stond ze, met haar gulle hand, al dan niet direct aan de wieg van veel composities, waaronder Tsjaikovski’s Vioolconcert. Het was immers voor haar beschermeling Eduard Josifovitsj Kotek dat Tsjaikovski zijn Vioolconcert in maart 1878 schreef. Het werk zou een desastreus onthaal krijgen, dat genoegzaam bekend is. Nog steeds smullen lezers van programmatoelichtingen van het – inderdaad smakelijke – verhaal over hoe dit tegenwoordig bijzonder populaire werk door muziekcriticus Eduard Hanslick werd afgedaan als muziek ‘die je hoort stinken’. En dat terwijl de componist niet over één nacht ijs was gegaan. Zo had hij het langzame deel van het Vioolconcert herschreven, nadat hij het laten horen aan zijn broer Modest en Kotek. Dit valt te lezen in een brief die de componist schreef in 1878: ‘Ik heb een nieuw Andante geschreven dat mijn beide strenge maar sympathieke critici bevalt.’ Blijkens Tsjaikovski paste het nieuwe middendeel beter bij de hoekdelen van het concert. Maar hij vond de eerste versie ervan op zich zeker geen mislukt werk. Dat valt af te lezen uit het feit dat hij dit deel voor een andere compositie wilde gebruiken: ‘Het wordt een los vioolstuk dat ik wil combineren met twee andere vioolstukken die ik van plan ben te schrijven. Gezamenlijk zullen ze een apart opus vormen.’ En zo geschiedde: het voormalige Andante (nu Méditation geheten) vormt, samen met een Scherzo en een Mélodie, de Souvenir d’un lieu cher voor viool en piano. Als dank voor zijn weldoener Von Meck droeg hij dit werk op aan de geliefde plek Brailov in de Oekraine; ze had de componist daar gebruik laten maken van haar buitenverblijf tijdens haar afwezigheid. Het drieluik heeft sindsdien ook een

73


plaats verworven als orkestraal werk: zo is er een bewerking van de hand van Alexander Glazoenov, maar ook van de in Nederland wonende Roemeen Alexandru Lascae. Zoals al kort aangehaald, liep het huwelijk van Tsjaikovski al snel spaak. Hij gruwde van zijn vrouw en nam de benen, richting Zwitserland en Italië. In Venetië verbleef hij een tijdje in een hotel aan de Riva degli Schiavoni. Nog steeds is daar een plaquette te vinden met de tekst: ‘De grote Russische componist Peter Iljitsj Tsjaikovski verbleef in dit hotel van 2 tot 16 december 1877 en hij schreef hier de Vierde symfonie.’ Nu doet deze constatering de waarheid niet helemaal recht: Tsjaikovski verbleef weliswaar toentertijd in Venetië en werkte er ook aan zijn Vierde symfonie, maar hij was al eerder aan het werk begonnen en legde anderzijds de laatste hand eraan in San Remo, waar hij na zijn vertrek uit de lagunestad neerstreek. Aan Von Meck schreef hij: ‘Ik ben momenteel druk bezig met de symfonie waar ik deze winter aan begonnen ben. Ik zou dit werk graag aan jou opdragen, omdat ik denk dat jij er je meest intieme gedachten en gevoelens in zult terugvinden’. Nadezjda von Meck stelde de opdracht zeer op prijs. Ze had dan ook besloten de componist met raad en daad ter zijde te staan, en kende hem een jaargeld van 6000 roebel toe; een vrijgevig gebaar dat ze gedurende dertien jaar volhield. Zo bood ze hem een belangrijke helpende hand in zijn financiële problemen. Wat de huwelijksperikelen betreft: hoewel Tsjaikovski’s aanvankelijk instemde met een scheiding zou het huwelijk pas in 1881 worden ontbonden. In een brief van 1 maart 1878 aan Nadezjda von Meck schildert Tsjaikovski zijn depressieve gedachten uit die tijd: ‘Het leven is enkel een eeuwige afwisseling van sombere werkelijkheid en epheral dromen van geluk’. In deze brief beschrijft de componist zijn Vierde symfonie – ‘onze’ symfonie noemt hij haar – uitgebreid, compleet met notenvoorbeelden. De inleidende koperfanfare bevat de kiem van het werk: ‘Fatum, het Lot, de onvermijdelijke macht die ons streven naar geluk verijdelt en er jaloers op toeziet dat onze vrede en geluk niet te volmaakt en zonnig zijn. Het is een macht die evenals het zwaard van Damokles steeds boven ons hoofd hangt en de ziel voortdurend verbittert.’ Toch biedt de symfonie nog hoop, want in het vierde deel wordt ‘de sfeer van een volksfeest opgeroepen’: als je dan geen geluk bij jezelf kunt vinden, kijk dan naar gewone mensen, lijkt de componist te willen zeggen. Op het eind echter wordt dit bruusk

74


onderbroken door het Lot. Aan de reikwijdte van Tsjaikovski’s beschrijvingen kan echter getwijfeld worden. Hij was het zelf die in een postscriptum op de brief opmerkte: ‘Ik schrok van het verwarde en onsamenhangende verhaal dat ik je stuur. Voor het eerst in mijn leven heb ik een poging gedaan mijn muzikale gedachten en beelden te verwoorden. Daar ben ik niet erg in geslaagd...’ De Vierde symfonie beleefde haar première op 22 februari 1878 in Moskou. En hoewel de ontvangst gereserveerd was, behoort het werk in onze tijd terecht tot de populairste van Tsjaikovski. Frits de Haen

75


Scandinavische sferen Damian Iorio dirigent Eliane Rodrigues piano

Arnhem

wo. 4 november Musis Sacrum, 12.45 uur

Gratis lunchconcert, deel van het programma

Nijmegen

do. 5 november (Serie 2) De Vereeniging, 20.15 uur Inleiding door Jacob Jansen, 19.15 uur

Doetinchem

vr. 6 november Schouwburg Amphion, 20.00 uur Inleiding door Jacob Jansen, 19.15 uur

Arnhem

zo. 8 november* (Serie M) Musis Sacrum, 14.15 uur Inleiding door Jacob Jansen, 13.15 uur

76

* Het concert in Arnhem op zondag 8 november wordt vooraf gegaan door een voorprogramma met Het Groot Gelders Grieg Orkest.


Scandinavische sferen

Programma

Edvard Grieg (1843-1907) Holbergsuite, opus 40

• Praeludium • Sarabande • Gavotte • Air • Rigaudon

Pianoconcert in a, opus 16

molto moderato • Allegro Adagio • Allegro moderato, molto e marcato • Pauze

Edward Elgar (1857-1934)

Symfonie nr. 1 in As, opus 55

e Semplice/Allegro; • Andante/Nobilemente Allegro molto • Adagio • Lento/Allegro •

77


Damian Iorio dirigent Geboren in Londen begon Damian Iorio aanvankelijk op de viool. Daarvoor volgde hij een opleiding in Engeland en de Verenigde Staten. Hij stapte over op directie en studeerde in Sint Petersburg bij Alexander Polishchuk en de legendarische Ilya Mushin. Van 1999 tot 2005 was Iorio chef-dirigent van het Moermansk Symfonie Orkest. Met dit ensemble gaf hij veel succesvolle concerten in Rusland en Scandinavië. Maar ook als gastdirigent groeide zijn reputatie. Zo stond hij voor het London Philharmonic Orchestra, het Philharmonisch Orkest van Sint Petersburg het Deens Radio-orkest en in Nederland Het Radio Filharmonisch Orkest. Ook op operagebied is Damian Iorio actief. Zo verzorgde hij de Russische première van The Man Who Mistook His Wife for a Hat van Michael Nyman. Zijn debuut bij de Central City Opera Denver met Brittens The rape of Lucretia brachten hem lovende kritieken. Momenteel is Damian Iorio gevestigd in Italië waar hij furore maakt bij operahuizen in onder meer Milaan (Scala), Pisa en Florence. Voor zijn activiteiten bij het Orchestra Sinfonica di San Marino werd hij in dat land geridderd.

78


Scandinavische sferen

Eliane Rodrigues piano “De piano is een doek, een klankbord waarop kleuren en geluiden in felle mengeling en levendige subtiliteit onze wereld relativerend en wezenlijk vrolijk en zintuiglijk weergeven.” Het is het motto waarmee de van oorsprong Braziliaanse pianiste Eliane Rodrigues (1959) haar liefde voor haar instrument gestalte geeft. En dat doet zij al heel wat jaren met verve. Het begon in Rio de Janeiro waar zij reeds op vijfjarige leeftijd haar eerste concert gaf. Een jaar later had zij haar eerste optreden op de Braziliaanse televisie. Grote indruk maakte zij als finaliste van het Koningin Elisabeth Concours in België waar zij de publieksprijs won. Sindsdien is zij een veel geziene soliste op de grote concertpodia in de wereld. Ook haar 25 cd’s getuigen van haar muzikale gave. De ambities van Eliane Rodrigues reiken echter verder. Zij is actief als componiste, heeft haar eigen zomerfestival in het Zwitserse Saas-Fee, en is als docent verbonden aan het Conservatorium van Antwerpen. Sinds drie jaar heeft zij ook de baton opgenomen en is een succesvolle carrière als dirigente begonnen.

79


Scandinavische sferen GRIEG EN ELGAR: VERKNOCHTHEID AAN DE HOOGROMANTISCHE TRADITIE. Het beste trefwoord om dit programma mee te typeren is nostalgie. Want dat is een gemeenschappelijk element in de drie composities van achtereenvolgens de Noor Edvard Grieg en de Engelsman Sir Edward Elgar. Een ander hiermee samenhangend fenomeen is de status van ‘splendid isolation’ waarin beide componisten verkeerden. Ze bleken immers volstrekt ongevoelig voor de turbulente vernieuwingen die zich rond de voorlaatste eeuwwisseling voordeden. 80


Scandinavische sferen

Vernieuwingen die het muzikale landschap zodanig hebben veranderd dat de nawerking daarvan nog tot op heden voelbaar is gebleven. Natuurlijk valt die nostalgische hang grotendeels te verklaren uit een soort angst voor de teloorgang van die grote romantische traditie die, tengevolge van eerder genoemde omwentelingen, door Grieg en Elgar als een substantiële bedreiging werd ervaren. Wat echter de klinkende nalatenschap van beide componisten haarscherp aantoont is dat het bereiken van een ongekend hoge graad aan originaliteit niet perse met een innovatie van de mid­delen gepaard hoeft te gaan. Hoezeer deze figuren ook aan elkaar raken door hun diepe verknochtheid aan de hoog­ romantische 19de eeuwse toonkunst, ieders stijl is zo onver- vreemdbaar eigen dat men die op slag herkent. Melancholie

Griegs uit 1884 daterende Holberg Suite behoort, samen met de bekende Serenades van Dvorak en Tsjaikovski, tot de weinige maar eens te meer opvallende hoogtepunten van de romantische strijkorkestliteratuur. Zij was bedoeld om de 200ste geboortedag van Ludvig Holberg (1684-1754), de oervader van het Scandinavische drama, mee op te luisteren. Grieg schreef het stuk eerst voor pianosolo, maar transcribeerde het enkele maanden nadien voor strijkers. Hoewel de vijfdelige compositie naar uiterlijke maatstaven geredeneerd de opzet van een barokke suite verraadt – getuige de opschriften van de delen (Prelude, Sarabande, Gavotte etc.) – zijn de harmonieën onverhuld 19de eeuws. Een verhaal apart is de alles verterende melancholie van het Andante religioso bijgenaamde vierde en in verhouding langste gedeelte, dat een nadrukkelijke verwantschap vertoont met de Twee elegische melodieën die eveneens voor strijkorkest zijn gedacht. “Chopin van het noorden”

Dikwijls wordt Griegs befaamde Pianoconcert uit 1868 wel met dat van Robert Schumann vergeleken en dit niet alleen vanwege dezelfde toonsoort: a kleine terts. Nee, ook de aperte nadruk op de lyrische modellering van de melodieën is kenmerkend voor zowel het ene als het andere concert. Voorts is de veerkrachtige aanhef een punt van overeenkomst tussen de twee werken. Toevallig is dit niet, aangezien Grieg een kolossale bewondering koesterde voor Schumann, wiens Pianoconcert hij in 1858 door Clara Schumann in Leipzig had horen vertolken. Het meest opmerkelijk is nog

81


dat Griegs gelijknamige compositie als een volop gerijpt meesterwerk op de luisteraar overkomt, terwijl de maker de partituur reeds op 25-jarige leeftijd voltooide. Niemand minder dan de eertijds gevierde dirigent Hans von Bülow was van het resultaat dermate onder de indruk dat hij Grieg beschouwde als de “Chopin van het noorden. “ Niettemin is Griegs Pianoconcert allesbehalve een kopie van dat van Schumann. Zelfs eerder gesignaleerde aanhef is eerder Noors dan Duits, blijkens het meteen in de piano opklinkende en uit een dalende secunde alsmede een dito terts bestaande motief, dat op zich in hoge mate karakteristiek is voor de Noorse volksmuziek en dat tevens in de nodige andere werken van Grieg voorkomt. In de finale treden de elementen van de Noorse muzikale folklore nog sterker op de voorgrond, waaronder echo’s van de ‘Hallinger’ (een bekend Noors danstype in 2/4de maat). In zijn algemeenheid kan van dit concert worden opgemerkt dat een milde weemoed en een opgeruimd temperament er om het voorste gelid in strijden, waarbij het pleit uiteindelijk volledig ten gunste van die opgeruimdheid wordt beslecht. Strijd

Grandeur, noblesse en tragiek kleuren de magistrale in 1908 en aan dirigent Hans Richter opgedragen Eerste symfonie in As van Elgar. Dit enorme bouwwerk frappeert door zijn naadloze structuur en vier thematisch ten nauwste op elkaar betrokken delen. Opvallend is bovendien dat het scherzo en het adagio zonder onderbreking op elkaar volgen. Aan het totale werk ligt een mottothema ten grondslag dat regelmatig en in verschil­lende gedaanten aan de dag treedt. Het rijkgeschakeerde openingsdeel begint met dit motto, dat eerst ingetogen de revue passeert en daarna door het voltallige orkest wordt herhaald. Dit alles schraagt de plechtstatige langzame introductie waar Elgars liefde voor Wagners muziekdrama Parsifal in meeresoneert. Het gepassioneerde tweede thema (allegro) ontvouwt zich op een liggende as. De toonsoort d-klein geeft al aan dat er een heftige strijd ophanden is, wat duidelijk wordt aan de hand van het expansief en opwaarts gerichte derde thema, dat op lyrische wijze wordt aangevuld door een kort, dalend en door de harp begeleid motief. Het wordt op de voet gevolgd door een extatisch en zich in de hoogste regionen manifesterend vierde thema (strijkers),

82


Scandinavische sferen

dat echter duidelijk stoelt op het motto van het begin. Alsof dit nog niet genoeg is, komt – na een eerste climax – het vijfde thema aan de beurt dat dankzij zijn ‘gevleugelde’ allure een fraai contrast oplevert met het voorgaande. Met behulp van dit uitvoerige materiaal – n.b.: vijf themagroepen! – worden tijdens de doorwrochte doorwerking de dramatische uitbarstingen geïntensiveerd en de lyrische tussenspelen uitgebreid, maar de afsluiting van het eerste deel hult zich, vanzelfsprekend op basis van het motto, in schroomvalligheid. Vergane glorie

Het scherzo, waarvan het eerste thema in de eerste violen is vervat, is stormachtig en nerveus en het tweede thema is uitgesproken martiaal. De fierheid ervan krijgt dankzij een fugatische behandeling een extra accent. In tegenstelling tot het scherzo is het trio – een combinatie van twee ideeën – dansant van opzet. Een zeer vage toespeling op het motto- t­ hema functioneert als overgang naar het adagio. Het eigenlijke hoofdthema daarvan is een ritmische variant van het virtuoze eerste thema van het scherzo. Maar wat een wereld van verschil! Gevoelens van vervoering, rouw en verhevenheid wisselen elkaar in dit tragisch getinte brok muziek af dat zingt van een vergane glorie, een tijd die nooit meer terugkomt. De finale is qua structuur sterk verwant aan die van het eerste deel. Opnieuw gaat aan het allegro een langzame inleiding (lento) vooraf, die wat de ritmische signatuur betreft het mottothema in herinnering brengt. Dan barst in volle energie het allegro los dat, ondanks de belangrijk geringere proporties dan in het eerste deel, even rijk is aan thematische vondsten. Tijdens de recapitulatie worden elementen van het mottothema geïntegreerd in een hartstochtelijk bewogen melodie die tot een immense hoogte wordt opgestuwd en tenslotte culmineert in de briljante coda waarin tenslotte het mottothema zelf glansrijk de boventoon voert. Maarten Brandt

83


Brahms nr. 4

Antonello Manacorda dirigent Gary Hoffman cello

Apeldoorn

do. 12 november (Serie I) Orpheus, 20.00 uur

Inleiding door Kees Wisse, 19.15 uur

Arnhem

vr. 13 november (Serie A) Musis Sacrum, 20.15 uur Inleiding door Kees Wisse, 19.15 uur

Nijmegen

za. 14 november (Serie 1) De Vereeniging, 20.15 uur

Adoptieconcert Stichting Partners van Het Gelders Orkest Inleiding door Kees Wisse, 19.15 uur

84


Brahms nr. 4

Programma

Johann Sebastian Bach (1685-1750) Ricercare uit Musikalisches Opfer (bew. A. Webern)

Robert Schumann (1810-1856)

Celloconcert in a, opus 129

zu schnell • Nicht Langsam • Sehr lebhaft • Pauze

Johannes Brahms (1833-1897) Symfonie nr. 4 in e, opus 98

non troppo • Allegro Andante • Allegrettomoderato giocoso • Allegro energico e passionato •

85


Antonello Manacorda dirigent Aanvankelijk bekwaamde de in Turijn geboren Antonello Manacorda zich op de viool. Na zijn opleiding aan het conser­ vatorium in zijn geboorteplaats afgesloten te hebben volgde hij nog verdere lessen bij onder anderen Herman Krebbers in Amsterdam. In 1997 richtte Manacorda met Claudio Abbado en enkele andere leden van het Gustav Mahler Jugend Orchester het Mahler Chamber Orchestra op, waar hij in het bestuur zitting nam en als concertmeester optrad. In 2002 besloot Manacorda zich op het dirigeren toe te leggen en volgde twee jaar lessen bij Jorma Panula. Dat leidde in 2006 tot zijn eerste vaste verbintenis als chefdirigent bij het ensemble I Pomeriggi Musicali in Milaan, waar hij deze functie nog steeds vervult. Er volgden diverse uitnodigingen van orkesten als Orchestra della Svizzera Italiana, het Scottisch Chamber Orchestra en het Helsingborgs Symfoniorkester. Twee jaar geleden stond hij voor het eerst voor het orkest dat hij zelf had opgericht: het Mahler Chamber Orchestra. Maar ook opera laat Antonello Manacorda niet onberoerd. In de afgelopen jaren leidde hij producties in Florence, Milaan en Napels. Nog vorig seizoen leidde hij een aantal voorstelling van Verdi’s Falstaff in diverse theaters in Noord-ItaliÍ.

86


Brahms nr. 4

Gary Hoffman cello Gary Hoffman (1956) mag gerust gerekend worden tot de zeer grote cellisten van onze tijd. Al enige decennia brengt hij wereld­wijd met zijn cellospel het publiek tot groot enthousiasme. Daarbij speelt hij samen met orkesten als The Chigaco Symphony Orchestra, het Philadelphia Orchestra, de London Philharmonic Orchestra, het Nederlands Philharmonisch Orkest en het Rotterdams Philharmonisch Orkest, om maar een kleine greep te doen. Daarnaast geeft hij talloze recitals als solist en in kamermuziekverband. Al heel wat componisten van naam hebben composities voor Hoffman geschreven waaronder Joel Hoffman, Renaud Gagneux en Gil Shohat. Ook speelde hij de Franse première van het celloconcert van Elliott Carter. Dit laatste speelde hij ook vorig jaar oktober op de Amsterdamse Cello Biënnale in een bijzonder concert waarin drie cellisten uiteenlopende cello­ concerten vertolkten. In dit alles beschouwt hij zijn musiceren niet alleen als mooi spelen, maar ook als een metafysisch gegeven: “Laat er in je een verlangen zijn om het ongrijpbare, het ondefinieerbare te riskeren”.

87


Brahms nr. 4 Webern De noten zijn Bach, de klank Webern. De noten zijn achttiendeeeuws, de tonen twintigste. Anton Weberns orkestratie van de zes-stemmige ricercare (Ricercar a 6 voci) uit Das Musikalische Opfer van Johann Sebastian Bach is een ‘klinkende realisatie van een analyse’. Bach zelf schreef geen instrument(en) voor. Webern gaat er nu op z’n Weberns overheen: miniaturistisch wordt al meteen het thema uitgesplitst en verdeeld over gesordineerde trombones, hoorns en trom­petten, en harp. Alle ‘stemmen’ hebben hun eigen individuele dynamiek, frasering en accentuering. Dit principe wordt voortgezet. Het is natuurlijk een interpretatie van de muziek, een specifieke manier om haar te horen - reden waarom Webern het ook niet als zomaar een bewerking maar als een ‘oorspronkelijk’ werk van hemzelf betitelde (zonder daarbij Bach te vergeten uiteraard!). Belangrijk bij de instrumentatie was het blootleggen van motivische verbanden; om ze extra uit te lichten, mochten zulke passages van Webern rubato worden gespeeld. Het resultaat: een heldere mozaïek. Webern voltooide het stuk in januari 1935. Het was een opdracht van zijn uitgever. De eerste uitvoering was in april dat jaar voor de BBC in Londen. Niet zo gelukkig viel een latere uitvoering, in juli toen Webern het zelf dirigeerde voor de Oostenrijkse radio in combinatie met het vioolconcert van

88


Brahms nr. 4

Mendelssohn. Een onhandig idee; door in het nazitijdperk voor muziek van de joodse Mendelssohn te kiezen, vestigde Webern er de aandacht op dat hijzelf tot het ‘entartete’ kamp behoorde van de door Goebbels’ Ministerie voor Propaganda verboden jood Schönberg. Het was Weberns laatste optreden voor de Oostenrijkse radio.

Schumann U bent er beter aan toe dan Robert Schumann. U geniet namelijk het voorrecht zijn Celloconcert in de concertzaal te horen, en dat is een genoegen dat de componist zelf nooit heeft mogen smaken. De eerste uitvoering was pas na zijn dood. Schumann schreef het celloconcert tussen 11 en 24 oktober 1850. Tenminste, toen kwam de eerste schets op papier. Hij speelde het met een paar bevriende cellisten door, maar die waren niet erg enthousiast. Het laatste deel was te moeilijk, de cello had te weinig uitgesponnen melodieën voor zich alleen, enzovoort, typisch van dat solistengezeur - en zo bleef het liggen. Pas een kleine vier jaar later in 1854 voltooide Schumann de instrumentatie. Dat was overigens nagenoeg het laatste wat hij als componist presteerde. Het was vlak voordat de zenuwzieke componist een zelfmoordpoging deed door bij zijn woonplaats Düsseldorf in de Rijn te springen, waarna hij in een gesticht werd opgesloten alwaar hij twee jaar later stierf. Volgens zijn vrouw Clara, betekende het instrumenteren van het celloconcert zijn laatste gelukkige uur: ‘Deze arbeid schijnt hem wat te hebben verlicht.’ De cellisten hadden indertijd wel wat enthousiaster op dit schitterende stuk mogen reageren. Het repertoire voor cello en orkest is bepaald niet groot, zeker niet als je het vergelijkt met waaruit pianisten, violisten en zangers naar hartelust mogen kiezen. De drie groten uit de muziekgeschiedenis bijvoorbeeld – Bach, Mozart en Beethoven – lieten de arme cello geheel aan zijn lot over. Haydn schreef twee concerten, inderdaad, maar die stonden lange tijd alleen tot men pas in de Romantiek begon in te zien dat het instrument toch echt zo z’n kwaliteiten had. Tsjaikovski, Lalo, Saint-Saëns, Dvorák schreven toen dankbare concerten. Maar van de cellogevoelige Romantici was Schumann de eerste. De eerste die de

89


mannelijke klank, de tere vrouwelijke expressie van het instrument benutte – misschien omdat hij ooit grondig cello had gestudeerd en haar specifieke geheimen kende.

Brahms Johannes Brahms. Componist van romantische muziek. Gevoelsmuziek van een hartstochtelijk mens, vervuld van hevige emoties die woelend opspelen en met moeite weer tot bedaren komen. Maar de componist die het romantisch temperament misschien als een der overtuigendste vertegenwoordigt, was niet alleen maar romantisch. Brahms was de meest klassieke der romantici. Zijn gevoelens bracht hij onder in een heldere, evenwichtige klassieke vorm. Formeel verschillen z’n symfonieën niet van Mozart of Haydn, het orkest dat hij gebruikt is niet groter dan wat je nodig hebt voor Beethovens Vijfde. Brahms gebruikte om zijn eigen taal te spreken middelen en technieken uit het verleden. In de Vierde symfonie (1885) reikt hij bijzonder ver terug: voor de finale gebruikt hij de vorm van de passacaglia, geliefd in de Barok. Wanneer aan het begin van de symfonie het thema in de strijkers wordt vergezeld van echo’s in de blazers, word je herinnerd aan de dubbelkorigheid van de Renaissance. En nog verder terug gaat Brahms in het Andante; daar gebruikt hij middeleeuwse kerktoonsoorten (bijvoorbeeld de hoornroep aan het begin). Dit alles met als synthese de beste symfonie die de Romantiek heeft opgeleverd. Ongelooflijk, allemaal. Zeggen wij nu. Maar onbegrijpelijk, leek het toen. Tenminste, Brahms was aanvankelijk bang dat hij onbegrijpelijk was. Zijn vriendin Elizabeth von Herzogenberg, waarachtig wel met zijn werk, stuurde hij het stuk toe met een brief waaruit je een soort ‘sorry’ kunt lezen: ‘Gewoonlijk zijn mijn composities aangenamer dan ikzelf, en valt er weinig aan te verbeteren! Maar in de streek waar ik nu ben, worden de kersen niet zoet en eetbaar. Als het ding u dus niet smaakt, schaamt u zich dan niet. Ik ben er niet op uit een slechte nr.4 te schrijven.’ Inderdaad had ze er wat moeite mee: ‘Ik heb heel wat zaken eerst met m’n ogen ontdekt, en moet bekennen dat ik ze [enkel] met mijn gevoelens niet zou hebben begrepen.’ Ook aan de dirigent Hans von Bülow toonde Brahms zijn nieuwe symfonie quasi-beschroomd: ‘Ik heb hier een paar entr’actes liggen, zo wat men gewoonlijk een symfonie noemt’ - wel een

90


Maar bij de première op 25 oktober 1885 in Meiningen was de Vierde een succes. Wie raakt ook niet onmiddellijk gegrepen als hij dat begin hoort? Een spel met tertsen en sexten, dat op papier zo academisch oogt maar klinkt als een verklanking van de vergeefsheid zelve. Het grootste wonder is de finale. Zo simpel de bouwstof, zo dramatisch het effect. Een eenvoudige baslijn is de basis voor 32 variaties. Een simpele toonladderfiguur, die Brahms ontleende aan Bachs cantate nr 150 Nach dir, Herr, verlanget mich (hij laste alleen in de vijfde maat een chromatische verhoogde kwart in). Nergens moduleert dit deel, de baslijn blijft onveranderd en treedt nooit buiten zijn simpele acht-maten­ structuur. Toch wordt een adembenemende spanningsboog opgebouwd. De beste karakterisering van de symfonie stamt misschien wel van de criticus Eduard Hanslick, die na de première schreef: ‘Het is als een donkere bron: hoe langer we er in kijken, des te helderder zien we de weerspiegeling van de sterren.’

Brahms nr. 4

heel vreemde karakterisering van een der meest hecht doortimmerde werken ooit gecomponeerd.

Stephen Westra

91


HGO klein Kamermuziek

Het Gelders Blaaskwintet Gudrun Bourel fluit Bram Kreeftmeijer hobo Irene Teepe klarinet Mette Laugs fagot Kirsten Jeurissen hoorn

Arnhem

ma. 16 november Musis Sacrum, 20.15 uur

Nijmegen

zo. 22 november De Vereeniging, INGzaal, 12.00 uur

Ede

ma. 23 november Cutura, 20.15 uur

Inleiding door Kees Wisse, 19.15 uur

Winterswijk za. 28 november De Storm, 20.15 uur

92


Jan Pzn. Sweelinck (1562-1621)

HGO klein

Programma

Variations on a folksong

Claude Debussy (1862-1918)

bew. David Walter

Children’s Corner (1908)

Gradus ad Parnassum •• Doctor The little Shepherd • Golliwogg’s Cake Walk

Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791) bew. Guido Schäfer

Ein Stück für ein Orgelwerk in einer Uhr, KV594 (1790)

György Ligeti (1923-2006)

Zes Bagatellen (1953)

Allegro con spirito - Rubato, lamentoso - Allegro grazioso - Presto ruvido - Béla Bartók in memoriam: Adagio mesto - Molto vivace, capriccioso

Sergej Prokofjev (1891-1953)

Suite uit Romeo en Julia

• Volksdans • Scène • Madrigaal • Montagues & Capulets

Paul Hindemith (1895-1963)

Kleine Kammermusik, opus 24 nr. 2 (1922)

• Lustig •• Walzer Ruhig und einfach Viertel •• Schnelle Sehr lebhaft

Jurriaan Andriessen (1925-1996) Sciarada Spagnuola (1962)

•• Entrata Pavane •• Gagliarda Passamezzo •• Frottola Finale

93


Gudrun Bourel fluit Gudrun begon haar conservatoriumstudie aan het Lemmens­ instituut te Leuven bij Roland Vanden Berghe. Na haar kandidatuurstudies studeerde Gudrun verder aan het Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium te Antwerpen in de klas van Aldo Baerten. Tevens kreeg ze hier piccololes van Vincent Cortvrint en ze studeerde in juni 2003 met grote onderscheiding af. Vervolgens studeerde Gudrun een jaar in Den Haag bij Emily Beynon en van 2004 tot 2006 volgde ze de master opleiding piccolo aan het Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium te Antwerpen bij Peter Verhoyen. In 2001-2002 speelde Gudrun als solofluitiste bij het SchleswigHolstein Festival Orchester. Sindsdien wordt ze gevraagd om te remplaceren in de grote Belgische en Nederlandse orkesten. Op dit moment is ze naast solo piccoloïste in Het Gelders Orkest ook te beluisteren in Het Gelders Blaaskwintet en het Trio Artio. Daarnaast geeft ze dwarsfluitles aan het cultuurcentrum “De Nieuwe Veste” in Breda en is ze sinds 2007 als gastdocente piccolo verbonden aan het conserva­torium van Utrecht.

94


HGO klein

Bram Kreeftmeijer hobo Bram Kreeftmeijer komt uit een muzikaal bewogen familie en kreeg thuis al vroeg blokfluit- en pianoles van zijn moeder. Na wikken en wegen besloot hij de blokfluit te verwisselen voor de hobo. Een studie hoofdvak hobo bij Ernest Rombout aan het Utrechts Conservatorium volgde. Nog tijdens zijn studie, die hij met onderscheiding afrondde, werd hij in 1995 benoemd tot solohobo誰st van Het Gelders Orkest. Sinds 1998 is Bram lid van de vaste kern van Combattimento Consort Amsterdam en hij speelt vanaf 2005 bij het Hexagon Ensemble. Elk jaar neemt hij deel aan het Microtonal Festival. Dit evenement vindt al jaren plaats in New York en de nieuw geschreven composities ter ontdekking en stimulering van microtonaliteit zorgen voor een welkome afwisseling naast alle andere activiteiten. Ook is Bram docent hoofdvak hobo aan de Messiaen-Academie, het conservatorium van Arnhem, Zwolle en Enschede.

95


Irene Teepe klarinet Irene Teepe studeerde klarinet aan het Sweelinck Conservatorium te Amsterdam, achtereenvolgens bij Piet Honingh en George Pieterson. Zij sloot haar studie in 1994 cum laude af. Zij vervolgde haar opleiding bij Wolfgang Meyer te Karlsruhe (Duitsland). Tijdens haar studie volgde Irene masterclasses bij Samuel Barren, Sabine Meyer, Anthony Pay, Reiner Wehle, Eddy Daniels en Hans Deinzer. In 1995 werd zij aangenomen bij Het Gelders Orkest als 2e en Es klarinettiste en sinds 2007 is zij ook op de basklarinet te horen. Hiernaast verzorgde Irene ook 10 jaar lang concerten met het Icarus Ensemble en zij treedt ook nu nog dikwijls met onder andere haar trio en Het Gelders Blaaskwintet op.

96


HGO klein

Mette Laugs fagot Mette Laugs studeerde bij Johan Steinmann aan het conservatorium te Den Haag. Tijdens haar studie volgde ze masterclasses bij onder andere John Miller, Maurice Bourge en Rostropovitsj. Mette speelt sinds 1994 in Het Gelders Orkest, aanvankelijk als plaatsvervangend eerste en vanaf 1998 als solo fagottiste. Tijdens concerten met het orkest was ze meermalen als soliste te beluisteren o.a. in het Concertino van Juriaan Andriessen, Sinfonia Concertante van Mozart en Sinfonia Concertante van Joseph Haydn. Ook speelt ze regelmatig in kleinere formaties, zoals bij het Hexagon Ensemble, het Schonberg Ensemble en Het Gelders Blaaskwintet. Tevens is ze per september 2008 als fagotdocente verbonden aan het conservatorium van Groningen.

Kirsten Jeurissen hoorn

Kirsten Jeurissen (1977) begon haar muzikale carrière op de viool. Op haar 11de stapte ze over op de hoorn. Tijdens haar conservatoriumopleiding studeerde ze aanvankelijk bij Vicente Zarzo en later bij Herman Jeurissen. Gedurende haar studie volgde ze ook masterclasses bij Peter Damm, Jindrich Petras, Lowell Greer en Ab Koster. Bovendien was ze vaste remplaçant bij o.a. het Residentie Orkest, de Radio Orkesten en het Koninklijk Concertgebouw­orkest. Ook in kleinere bezettingen was zij actief. Zo speelde zij onder andere de solo partij bij de theaterproductie: De roep van de Kinkhoorn, naar een verhaal van Paul Biegel. Deze kinderopera is ook op cd uitgebracht. In diezelfde periode rondde zij haar rechtenstudie af met als afstudeeronderwerp: De rechten en plichten van de uitvoerend kunstenaar.

97


HGO klein Jan Pzn. Sweelinck Misschien Neêrlands grootste componist? Hoe dan ook, in zijn eigen tijd was Jan Pieterszoon Sweelinck (1562-1621) een internationale beroemdheid. Zijn muziek werd bijvoorbeeld afgedrukt in het beroemde Fitzwilliam Virginal Book, dat verder alleen Engelse componisten bevatte. Het manuscript van de Variaties op een volkslied werd veelzeggend niet in Nederland maar in Duitsland teruggevonden, in de Lübbenauer Orgeltabulatur (thans in de Staatsbibliothek in Berlijn). Sweelinck, organist van de Oude Kerk in Amsterdam, was beroemd om zijn schitterende improvisaties. Vaak wist deze ‘Orpheus van Amsterdam’ van geen ophouden; een tijdgenoot beschrijft bijvoorbeeld zijn vertolking van het lied Den lustelicken Mey ‘d’welck hy, soo ick goede memorye daer van hebbe, wel op vijf en twintigerley wijsen speelde, dan sus, dan so.’ – De zes variaties geven een beeld van hoe Sweelinck toen te werk moet zijn gegaan. Het volksliedje Mein junges Leben hat ein End kreeg hij waarschijnlijk in handen via een Duitse leerling.

98


Debussy ‘Het is mijn innerlijk landschap, bezongen met de naïeve oprechtheid van de kindertijd.’ Dat was wat Debussy zelf over Children’s Corner losliet. Hij verplaatst zich niet werkelijk in de wereld van het kind, in dit geval zijn twaalfjarige dochtertje Chouchou aan wie hij Children’s Corner op de titelpagina opdroeg ‘met tedere excuses van pappa voor alles wat nog volgt.’ Het is meer de zienswijze van een volwassene. Zo lijkt de humor van Doctor Gradus ad Parnassum niet aan een kind besteed. Gradus ad Parnassum is de naam van een beroemde pianomethode van Clementi (bij kinderen slechts bekend, respectievelijk gevreesd, vanwege z’n sonatines). Debussy geeft weer hoe de jeugdige pianoleerling elke ochtend met de beste bedoelingen weer aan zijn tergende oefeningen begint, bij het mollenvolle Des groot overmand wordt door verveling maar zichzelf tenslotte in de hand krijgt en vol vuur zijn oefeningen beëindigt. The Little Shephard is met zijn imitaties van de schalmei (herdersfluit) een soort ‘kinderlijk’ eenvoudige versie van Debussy’s alles behalve voor minderjarigen bedoelde Prélude à l’après-midi d’un faune. In Music hall stijl tenslotte is Colliwog’s Cakewalk. Debussy blijkt hier, begin twintigste eeuw, als één der eersten zeer ontvankelijk voor de charmes van de jazz.

Mozart Op 26 maart 1791 had de Müllersche Kunstgalerie, fraai gelegen aan de Himmelpfortgasse nr 1355 in Wenen, een aardig nieuwtje. Feitelijk was de aanleiding wat verdrietig. Een half jaar daarvoor was de succesvolle veldmaarschalk baron Gideon von Laudon overleden, iemand die door al wat zich Oostenrijker noemde zonder meer als held werd beschouwd. De Kunstgallerie van de heer Müller had nu een speciaal mausoleum voor de grote man laten inrichten. Komt allen: ‘Het is er tot 10 uur ‘s avonds schitterend verlicht. […] Op klokslag van het hele uur zal men een treurmuziek horen, iedere week een andere. Deze week is de compositie van Herr Kapellmeister Mozart.’ Hoe in zo’n oord nou muziek te maken? Middels een mechanisch orgeltje, een zogenaamd ‘Flötenuhr’. Dit was een fluitspelend uurwerkje dat muziek

99


produceerde middels kleine orgelpijpjes die met doorboorde cilinders werden aangedreven. Mozart was van dit speelgoed niet erg onder de indruk en schreef zijn Stück für ein Orgelwerk in einer Uhr puur om den brode.

Ligeti De Hongaar György Ligeti schreef zijn Zes Bagatellen (1956) gewoon thuis, in Boedapest. Het zou een constatering van niks zijn, ware het niet dat zulke avantgardische muziek als de zijne, zeker deze bagatellen, in die tijd verboden was. Het communistische regime had de moderne muziek nagenoeg het zwijgen opgelegd. Maar juist dat jaar, 1956, bracht een kortstondige politieke en daarmee artistieke ‘dooi’; in Ligeti’s woorden ‘alsof een luchtstroom plotseling een geopend vacuüm binnenstroomde.’ Hij durfde het vijfde deeltje zelfs onverbloemd ‘Béla Bartók in memoriam’ te noemen - zeker gewaagd, aangezien landgenoot Bartók al een tijdje op de zwarte lijst stond.

Prokofjev ‘Ik hoop dat Romeo en Julia de harten van alle luisteraars zal veroveren.’ Prokofjev schreef in 1935 zijn ballet nadat men er op had aangedrongen eens wat ‘gevoeliger en melodischer’ te componeren. Wel, bij zo’n onderwerp kon je moeilijk anders. En de speciale lyrische kwaliteiten die altijd al in hem sluimerden, ontwaakten nu in volle glorie. Opmerkelijk genoeg, het ballet, een opdracht van het Kirovtheater in Sint-Petersburg, was geen succes. Men had omwille van de choreografie idioot hardhandig ingegrepen in Shakespeare’s geniale drama… ‘Omdat levende mensen kunnen dansen, maar dode mensen die op de grond liggen niet,’ aldus een begrijpelijk cynische Prokofjev, was besloten dat de grootste tragedie aller tijden goed moest aflopen: Romeo komt een minuutje eerder aan en vindt Julia nog juist in leven. Belachelijk, en een van de redenen waarom Prokofjev de belangrijkste muziek uit het ballet losweekte en verwerkte tot drie orkestsuites. U hoort vier delen daaruit.

100


HGO klein

Hindemith ‘Dit jaar schreef ik een verschrikkelijke hoeveelheid muziek. Zal ik ooit van mijn chronische manie tot werken verlost worden?’ verzuchtte Paul Hindemith toen hij de oogst van het jaar 1922 overzag. Inderdaad, het was een gigantische lijst, waaronder meesterwerken als de liederencyclus Das Marienleben en de Kleine Kammermusik. Het laatste schreef hij in vijf dagen. Is ongeveer evenveel tijd als de hoboïst behoeft om als hij ’t stuk wil spelen een goed riet te snijden en dat in te blazen. En zelfs beduidend minder tijd dan een ensemble nodig heeft om het in te studeren: de muziek is ondanks zijn bescheiden ogende benaming nogal lastig (Hindemith zelf zag zijn Kleine Kammermusik bij uitvoeringen regelmatig tegen de vlakte gaan). De luisteraar wordt het trouwens niet zo moeilijk gemaakt; Hindemith blijft zijn adagium trouw, dat ‘muziek altijd uitgaat van de drieklank en er ook altijd weer naar terug zal keren.’ Uitermate trouw zelfs, een tonaler slot als van dit stuk is nauwelijks denkbaar: na de vele muzikale buitelingen en ironische stijlimitaties – bijvoorbeeld wanneer in de wals de piccolo elegische gedachten vertolkt, iets waar ‘t nietige instrument bij uitstek niet geschikt voor is – klinkt een nadrukkelijk e-klein, e-klein, e-klein. ‘Tonaal, tonaal, tonaal’ hoor je Hindemith denken.

Andriessen Een kleine Nederlandse klassieker, Sciarada Spagnuola van Jurriaan Andriessen. Zoon van Hendrik en broer van Louis, wist Jurriaan zich vooral als componist van zogenaamde ‘gebruiksmuziek’ te onderscheiden. Op hoog niveau; voor zijn inspanningen – waaronder muziek voor het 50-jarig regeringsjubileum van Wilhelmina en de huldiging van Beatrix – kreeg hij niet voor niets de Johan Wagenaarprijs. Jarenlang was Andriessen de ‘hofcomponist’ van de Haagse Comedie, met schitterende partituren als Hamlet, Rouw past Electra en Rosencrantz and Guildenstern are dead. Voor films als Dorp aan de rivier en De Aanslag schreef hij de filmmuziek.

101


In Sciarada Spagnuola hoor je goed dat Andriessen van vele markten thuis was. Hier vereenzelvigt hij zich met de Renaissancepolyfonie; deze ‘Spaanse charade’ is een soort hedendaagse impressie van dansen uit de 15de, 16de en 17de eeuw. Voor een zo succesvol componist van gebruiksmuziek als Andriessen, is het toepasselijk dat op z’n beurt ook hij werd ‘gebruikt’: wie indertijd was getroffen door het opmerkelijke herkennings­ muziekje van de absurdistische Weird Al Show (in 1997 op CBS TV en onlangs op dvd verschenen), mag er bij stilstaan dat er gul wordt geciteerd uit Sciarada Spagnuola. Stephen Westra

102


Daphnis en ChloĂŠ

Sascha Goetzl dirigent Roeland Gehlen viool

Arnhem

do. 3 december (Serie B) Musis Sacrum, 20.15 uur Inleiding door Kees Wisse, 19.15 uur

Nijmegen

vr. 4 december (Serie 1) De Vereeniging, 20.15 uur Inleiding door Kees Wisse, 19.15 uur

Arnhem

zo. 6 december Musis Sacrum, 14.15 uur

Familieconcert, aangepast programma Zie voor meer informatie www.hetgeldersorkest.nl

104


Daphnis en Chloé

Programma

Claude Debussy (1862-1918)

La Mer, Trois esquisses symphoniques

l’aube à midi sur la Mer (van de ochtend tot de • Demiddag op zee) Jeux des (spel van de golven) • Dialoguevagues • en golven)du vent et de la Mer (dialoog tussen wind

Camille Saint-Saëns (1835-1921)

Vioolconcert nr. 3 in b, opus 61

non troppo • Allegro Andantino quasi allegretto • Molto moderato e maestoso - allegro non troppo • Pauze

Maurice Ravel

Uit Daphnis en Chloé: Suite nr. 1 en 2

Suite nr. 1

• Nocturne • Interlude guerrière • Danse Animé et très rude •

(1875-1937) Suite nr. 2

du jour • Lever Pantomime • Danse générale •

105


Sascha Goetzl dirigent De Oostenrijkse dirigent Sacha Goetzel begon zijn carrière als violist bij de Wiener Philharmoniker. Daar ontstond zijn passie voor het dirigeren. De lovende woorden van dirigenten als Zubin Mehta en Riccardio Muti stimuleerden hem zich helemaal op het vak toe te leggen. Hij studeerde aan de Sibelius Academie onder de vleugels van Jorma Panula en volgde op diens uitnodiging lessen van Seiji Osawa in Tanglewood. Daarna kreeg hij invitaties van talloze orkesten waaronder het City of Birmingham Symphony Orchestra, het Berliner SinfonieOrchester en het Sjanghai Symfonieorkest om er maar enkele te noemen, en is inmiddels uitgegroeid tot een geliefd gastdirigent. Daarnaast verzorgt hij regelmatig operaproducties bij de Wiener Staatsoper en Volksoper. Momenteel is Sacha Goetzl chefdirigent bij het Kuopio Symfonie­ orkest en het Borusan Philharmonisch Orkest van Istanbul. Ook heeft hij de vaste leiding over het Oostenrijks Koreaans Symfonieorkest. Tevens verleent hij zijn medewerking aan het Internationales Orchesterinstitut Attergau, een kweekvijver voor talentvolle orkestmusici onder de vleugels van de Wiener Philharmoniker. Tot slot mag vermeld worden dat Sacha Goetzel een succesvol arrangeur is, die onder meer voor Ensemble Wien, Ramòn Vargas en José Carreras heel wat mooie arrangementen op zijn naam heeft staan.

106


Daphnis en Chloé

Roeland Gehlen viool Als kind wilde de uit Limburg afkomstige Roeland Gehlen trompet spelen, maar de plaatselijke muziekschool zette hem aan de viool. De liefde voor het instrument was gauw geboren. Gehlen studeerde aan de conservatoria van Maastricht, Brussel en Berlijn. In 1989 was hij winnaar van het Oskar Back-concours in Amsterdam. Ook op andere concoursen won hij diverse prijzen. Na enkele jaren als remplaçant bij de Berliner Philharmoniker werd hij in 2000 benoemd tot concertmeester van de Bochumer Symphoniker. Sinds 2004 vervult hij deze functie bij Het Gelders Orkest. Naast zijn orkestfunctie is de kamermuziek een ware passie voor hem. Het bracht hem over de hele wereld, van benefietconcerten in Argentinië tot het Kamermuziekfestival van Schiermonnikoog. Met pianist Joop Celis gaf hij veel recitals en maakte hij een cd-opname met vioolsonates van Franck en Beethoven. Sinds 2005 is hij lid van het kamermuziekensemble Suoni d’Arte, dat met zijn aparte combinatie van viool, altviool, gitaar en toetsen borg staat voor bijzondere programma’s. Roeland Gehlen speelt op een viool van de bekende 19deeeuwse Franse vioolbouwer Jean Baptiste Vuillaume.

107


Daphnis en Chloé L’Esprit de France

Dromerige klanklandschappen, betoverende stemmingsbeelden, exotische impressies... In Frankrijk heeft zich in de tweede helft van de 19de eeuw een muziekstijl uitgekristalliseerd die zich fundamenteel van de diepgravende en dramatische Duitse onderscheidde. De werken van Claude Debussy en Maurice Ravel wekken associaties met schilderijen. Ze bekoren door geraffineerde klankeffecten en elegantie in de omgang met instrumentale kleuren. Camille Saint-Saëns, de ‘vader van de Franse muziek’ heeft een beslissende bijdrage tot deze ontwikkeling geleverd.

‘Debussy straalt verleidelijke krachten uit van geheimzinnig betoverende magie. Zijn positie op de drempel van de Nieuwe Muziek lijkt op een pijl die eenzaam de hoogte in schiet.’ Inderdaad is Claude Debussy, zoals in dit citaat van Pierre Boulez doorklinkt, een muziekhistorisch fenomeen. Debussy heeft de klank bevrijd van de ketens van het klassieke harmonische systeem en tot enige compositorische maatstaf verheven. Terwijl Schönberg de consequenties uit de toenemende chromatiek in de romantiek heeft getrokken en op basis daarvan een nieuw systeem heeft ontwikkeld, waagde Debussy de sprong naar de vrijheid. Hoewel Debussy’s op associatieve klankverbindingen berustende muziek geen directe voorbeelden heeft, waren er toch inspiratiebronnen: de folkloristische en middeleeuwse muziek en de klankwereld van Indonesische gamelan-orkesten. La Mer is een van Debussy’s meest visionaire en vooruitstrevende werken. Het idee voor deze compositie

108


Daphnis en Chloé

kreeg de componist tijdens verblijven aan de Atlantische kust. Op een zaterdagavond in september 1904 stuurt Debussy – hij is weer eens aan de Franse kust, in Dieppe – een brief aan zijn Parijse uitgever Durand. Het is de zoveelste. De componist is al een jaar met het werk bezig en wil hem aan het lijntje houden. ‘Ik had La Mer graag hier afgemaakt maar ik moet de instrumentatie nog voltooien – ze is stormachtig en wisselend als – de zee!’ Het in 1903 begonnen werk is in maart 1905 eindelijk klaar. De vorm van alle drie delen is onderhevig aan een continu proces van ontstaan en vergaan, opbouwen en weer vernielen. Ze is – en daarin is de grote prestatie van Debussy gelegen – de afbeelding van datgene wat beschreven wordt, een symbool van de zee. De van onbegrip getuigende recensie van een criticus na de première – ‘Ik hoor de zee niet, ik zie en ruik haar niet’ – heeft Debussy niet serieus genomen. In werkelijkheid is het tegendeel waar.

‘Om over Saint-Saëns’ muziek te spreken moet ik naar een vergelijking grijpen. Ik zie een middeleeuwse straat voor me, een vanuit zijn gotische raam naar buiten leunende en de moderne drukte op straat observerende Saint-Saëns - een meester die alle mogelijkheden van de eigentijdse kunst beheerst, maar die trouw blijft aan de tradities van een verleden tijd. In zijn ongelooflijke kunnen en de universaliteit van zijn middelen herinnert hij aan Mozart.’ Wat Glazunov, van wie deze regels afkomstig zijn, in Camille Saint-Saëns waardeerde, hebben anderen hem verweten. Voor componisten als Franck en jongere, bijvoorbeeld Debussy, was hij te traditioneel. Hoewel Saint-Saëns op de moderne Franse muziek een grote invloed heeft uitgeoefend, heeft hij in zijn vaderland voor erkenning moeten vechten. Qua uiterlijk een onopvallende man die eerder op een geleerde dan op een kunstenaar leek, was hij het mikpunt van voortdurende kritiek: zijn vakmanschap werd als gevoelsarmoede geïnterpreteerd; zijn meesterlijk en goedkoop effect vermijdend pianospel miste – volgens muziekcritici – de nodige passie. Het feit, dat hij zich voor filosofie en natuurkunde interesseerde, gedichten en toneelwerken schreef, maakte hem verdacht als dilettant. Pas na zijn dood zag men in hem wie hij werkelijk was: ‘de vader van de Franse muziek’ of tenminste haar wegbereider. Naast zijn opera Samson et Dalila, Danse macabre en

109


Le Carnaval des animaux behoort zijn Derde Symfonie op. 78, bijgenaamd ‘Orgel-symfonie’, tot zijn meest beduidende werken. Het werk blinkt niet alleen uit door zijn monumentale bezetting – het orkest is verrijkt met twee piano’s en orgel – en zijn grandioze klankeffecten. Ingenieus is ook de manier waarop alle delen uit één enkel motief voortvloeien, de homogeniteit van het werk. Saint-Saëns: ‘…zo fungeert het eerste deel, dat in de doorwerking afbreekt, als inleiding tot het ‘Adagio’, en op dezelfde manier is het ‘Scherzo’ aan de ‘Finale’ geknoopt’. De ‘Orgel-symfonie’ is Saint-Saëns’ laatste grote orkestwerk. ‘Hier heb ik alles gegeven wat ik kon geven… zoiets als dit werk zal ik nooit meer schrijven.’

‘Toen ik het ballet Daphnis et Chloé schreef, was het niet zozeer mijn bedoeling om een archaïsche periode te doen herleven, maar om een groot fresco te componeren, het Griekenland van mijn dromen weer te geven, net zoals de Franse kunstenaars van de achttiende eeuw het zich voorgesteld en op hun schilderijen geïllustreerd hebben.’ Aldus Maurice Ravel over zijn oor­spronkelijk als ballet geconcipieerde werk Daphnis et Chloé naar een roman van de Griekse schrijver Longos. Vandaag klinken twee concert­suites die samengesteld zijn uit delen van dit ballet, dat voor het eerst in 1912 werd uitgevoerd - door het befaamde Ballets Russes met Vaclav Nijinski en Tamara Karsavina in de hoofdrollen. Zoals Ravels gehele oeuvre geeft ook dit werk blijk van zijn belangstelling voor exotische onderwerpen en folkloristisch koloriet. Hij schiep kleurrijke muzikale taferelen die geïnspireerd zijn door vreemdsoortige voorstellingen en klankwerelden. Daphnis et Chloé voert ons mee naar een bucolisch Hellas. Longos’ verhaal kan als volgt kort samengevat worden. Piraten overvallen een vreedzaam door herders bevolkt gebied – de streek waar Daphnis en Chloë leven – en ontvoeren het meisje. Tijdens een uitgelaten drinkfeest van de rovers laat de god Pan de aarde beven en vlammen uit de grond schieten. Hij zendt saters en fabelwezens naar de schuilplaats van de piraten. Deze slaan op de vlucht en laten Chloë ongedeerd achter; ze keert behouden naar haar geboortestreek en geliefde Daphnis terug. Ravels suites roepen een antiek arcadia op; hij bezingt een nachtelijk landschap (‘Nocturne’), een herdersidylle met zonsopgang en vogelzang (‘Lever de jour’) en verplaatst zich in een amoureus tête-á-tête van het liefdespaar (‘Pantomime’). Een wervelende, met pittige stravinskiaanse ritmen, veel koper en slagwerk gelardeerde ‘Danse génerale’ vormt het slot. Christiane Schima

110


111


50V777 Omslag 7_004

04.05.2009 13:19:59

Pdf_Moniqu

The best things in life are created in harmony Working together as a real team not only makes the work itself more pleasurable, it delivers a better end product every time. In music and in business. That’s why Teijin Aramid, one of the worlds biggest producers of the ultra strong, lightweight and sustainable aramid fiber focuses on partnership with its customers. To create the best and most sustainable solutions. Time and time again. Teijin Aramid is the main sponsor of the Arnhem Philharmonic Orchestra since 2002.

www.teijinaramid.com


Gehoord aug - nov 2009