Page 1

TWEESTROMENLAND M A A S EN WA AL S TIJDSCHRIF T VOOR S TREEKGE SCHIEDENIS

I I I -2 0 1 7

171

1

MACHT EN DEVOTIE Een vijftiende-eeuws getijdenboek met Batenburgse wortels.

2

EXPERIMENTEREN met democratie met Joan Derk van der Capellen tot den Pol

3

PETER-HANS KOLVENBACH,

generaal der Jezuïeten

4

WEESVADER

Johannes van ‘t Lindenhout (1836- 1918)


INHOUD MACHT EN DEVOTIE

4

18 PETER-HANS

KOLVENBACH

12

22

EXPERIMENTEREN

MET DEMOCRATIE

NOBIT MOLORA SOLORUM AUDI

WEESVADER JOHANNES VAN ‘T LINDENHOUT


VAN DE REDACTIE INHOUDSOPGAVE

4

MACHT EN DEVOTIE Een vijftiende-eeuws getijdenboek met Batenburgse wortels.

Eindelijk, daar is hij dan: Tweestromenland in kleur! De lang gekoesterde wens van de redactie is daarmee in vervulling gegaan. Voor u ligt een blad dat zich kan meten met de betere historische bladen, qua formaat en uitvoering, opmaak en kwaliteit van de artikelen. De nieuwe uitgever is Print Rendement in Beuningen, de opmaak wordt verzorgd

12

EXPERIMENTEREN MET DEMOCRATIE met Joan Derk van der Capellen tot den Pol

door Dix Design, Tessa Dix. Hulde aan het bestuur dat uiteindelijk instemde met het voorstel van de redactie, en de redactieleden Adriaan Maters en Janus Kolen, die veel van het voorbereidend werk voor hun rekening hebben

18

genomen. Wij hopen dat dit vernieuwde blad zal bijdragen PETER-HANS KOLVENBACH, generaal der Jezuïeten.

aan de bekendheid van de vereniging en geïnteresseerden zal aanzetten om een artikel op papier te zetten. Voor hun gemak is een auteurshandleiding in de maak, die bij de vereniging te verkrijgen zal zijn.

22

WEESVADER JOHANNES VAN ‘T LINDENHOUT

Zoals u bij de inhoudsopgave kunt zien, is de redactie er in geslaagd een blad samen te stellen met een gevarieerde en interessante inhoud. Van een laat-middeleeuws getijdenboekje van een lid van de familie Van BronckhorstBatenburg uit Batenburg, de namen van landgoederen in

UT EGESTAS PRETIUM EST AT TRISTIQUE. UT QUIS ENIM GRAVIDA

Druten en Boven-Leeuwen, die verwijzen naar NederlandsIndië, de Beuningse stichter van de Weesinrichtingen in Neerbosch Johannes van ’t Lindenhout, tot de Drutense pater Peter-Hans Kolvenbach, die bijna 25 jaar generaaloverste van de Jezuïeten is geweest, en de Appelternse

34

jonker Joan Derk van der Capellen tot den Pol en zijn NIEUWSBRIEF

invloed op de komende verkiezingen. En dan nog even terug naar Tweestromenland nr. 168, het artikel over de Nederlandse zeeheld Willem Joseph van Ghent, die in 1626 is geboren in Winssen. Over hem is een uitgebreide website gemaakt (www.wjvanghent.nl) en er ligt nu een voorstel bij de straatnamencommissie van de gemeente Beuningen om het plein bij De Paulus in Winssen naar hem te noemen (zie het artikel ‘Een plein voor de zeeheld?’ in De Gelderlander van 10-1-2017) Onze artikelen hebben dus soms ook gevolgen! De redactie wenst u in elk geval veel leesplezier.


Pas onlangs is dit getijdenboek uit particulier bezit in de openbaarheid gekomen. Zelfs de kenners van het vakgebied wisten niet van het bestaan ervan. Het is voor ons gespot door redactielid Jan Dekkers op de Maastrichtse TEFAF-beurs (The European Fine Art Foundation). De vraagprijs bedroeg € 120.000,-. Helaas bleek Het Batenburgs Erfgoed niet in staat om het boek aan te kopen. Wel werd beloofd om er een artikel over te schrijven.

MACHT EN DEVOTIE

EEN VIJFTIENDE-EEUWS GETIJDENBOEK MET BATENBURGSE WORTELS.

E

Janus Kolen

WAT IS EEN GETIJDENBOEK1 ? en getijdenboek is een Middeleeuws gebeden­

Bij hun gebed maakten kloosterlingen en priesters gebruik

boek. Van oudsher hielden klooster­ lingen

van gebedenboeken die vaak groot en zwaar waren. Zij

zich bezig met gebed en baden ze iedere dag

namen er ook de tijd voor, het was ten slotte hun beroep.

achtmaal op vaste uren (zie kader). Deze uren

De gewone gelovigen hadden wel wat anders aan hun

worden getijden genoemd. De getijden gaven

hoofd en in ieder geval niet zoveel tijd om te bidden. Voor

structuur aan het Middeleeuwse leven binnen en

hen ontstond het getijdenboek, een eenvoudige versie

buiten de kerk. Op de vaste tijden werden de kerkklokken

van de uitgebreide boeken die de priesters gebruikten.

geluid. De kloosterlingen zongen dan hun gebeden in de

Het boek voor de leken is ingedeeld volgens de kerkelijke

kerk en van de leken werd verwacht dat ze een kort gebed

gebedsuren, maar veel minder ingewikkeld in gebruik. Het

zeiden. Dit gebruik bestaat nog steeds in de Islamitische

bestaat uit een aantal vaste elementen. Het begint met

wereld, waar je de Imam op gezette tijden vanaf de minaret

een eeuwigdurende kalender. Daarop staan de feesten

de gelovigen hoort oproepen tot het gebed.

van heiligen en andere kerkelijke feesten. Het boek bevat ook altijd de Getijden van Maria, een gebedscyclus gewijd aan Maria, met gebeden voor elk van de getijden. Ook de boetepsalmen ontbreken nooit. Het zijn zeven psalmen

4


Een pagina uit het van Bronckhorst-Batenburg getijdenboek met een initiaal over 4 regels en een in goud uitgevulde regel.

Het van Bronckhorst-Batenburg getijdenboek (foto Jan Dekkers)

waarmee de gelovige zijn zonde belijdt en boete doet. Het

hun gebed dichter bij God hoopten te komen en zo een plekje

boek bevat ook vaak teksten met namen als de Kruisgetijden,

in de hemel veilig wilden stellen.

de getijden van de Heilige Geest en de getijden van de

BESCHRIJVING VAN HET “VAN BRONCKHORSTBATENBURG GETIJDENBOEK”3

Eeuwige Wijsheid. Verder kunnen er nog korte gebeden instaan om bijvoorbeeld te bidden voor mooi weer of de genezing van ziekte. Voor iedere gelegenheid was er wel een geschikt gebed. Het getijdenboek besluit meestal met

Het is een klein boek van maar 117x84 mm. Toch zitten er

de dodenvigilie, om te bidden voor de gestorvenen.

meer dan 200 perkamentbladen in, ruim 400 pagina’s. De beschreven ruimte is 60x45 mm.. De tekst is geschreven

De acht getijden:

door ėén hand over 11 regels per pagina in een gotisch

Metten: drie/vier uur ’s-nachts of bij het opstaan

lettertype. De taal is Latijn en dat is bijzonder. De meeste

Lauden: zonsopgang of tegelijk met de metten

van deze boeken zijn in de landstaal. Veel tekstpagina’s hebben randversiering aan drie of vier kanten

Priem: zes uur ’s-morgens

met

omlijstingen in goud, blauw en roze aangevuld met witte

Terts: negen uur

en gouden ornamenten en klimopbladeren. De regels

Sext: twaalf uur

worden uitgevuld in goud met geschilderde motieven erin.

None: drie uur ’s middags

Initialen (beginletters) van één of twee regels hoog zijn in

Vespers: eind v/d middag of begin v/d avond

goud en soms omringd met rode en blauwe versiering.

Completen: ’s-avonds of voor het slapen gaan

Grotere initialen van drie of vier regels hoog staan vaak in een gouden veld en zijn omringd met geschilderd

Deze getijdenboeken waren vooral in de vijftiende eeuw

gebladerte en randversiering, soms aangevuld met een

populair. Er waren toen veel mensen die gebed en devotie

vogel, draak of eekhoorn. Het boek bevat verder vier

niet meer zagen als iets van priesters alleen. Ze wilden er zelf

paars/gouden initialen met daarin een klein schilderijtje

mee aan de slag. Voor hoog opgeleide leden van de adel en

(gehistorieerde

de toen opkomende burgerij waren er boeken in het Latijn,

miniaturen. Deze zijn erg expressief en geschilderd door

maar vooral in de Nederlanden waren de meeste boeken

een navolger van de Hofstijl van Albrecht van Beieren en

in de volkstaal, het Middelnederlands. Vooral de vertaling

Margaretha van Kleef.

initialen),

en

zeven

pagina-vullende

van Geert Grote, de grondlegger van de Moderne Devotie , 2

is duizenden malen overgeschreven. Deze boeken zijn

Sommige dramatische scènes uit het lijdensverhaal

vaak eenvoudig uitgevoerd, maar soms ook zijn het ware

van Christus zijn geschilderd op apart ingevoegde

pronkstukken met prachtige illustraties op elke bladzijden.

dubbelpagina’s, waarvan er dan één leeg is. Er zijn ook een

Ze zijn gemaakt in opdracht van gelovige mensen die door

paar schutbladen voor- en achterin het boek waarop door

5


HET BOEK IS IN 1538 OPNIEUW GEBONDEN IN BRUIN KALFSLEER OVER HOUTEN PANEELTJES WAAROP MEDAILLONS MET PORTRETTEN VAN BIJBELSE FIGUREN. DE RUG HEEFT DRIE VERHOOGDE BANDEN.

Pagina uit het van Bronckhorst-Batenburg getijdenboek met Catharina van Gronsveld, de echtgenote van Dirk II in aanbidding.

opeenvolgende eigenare(sse)n persoonlijke notities zijn geschreven en een gedicht met als eerste regel: “Wywater is van groeter kracht”. Intensief gebruik heeft zijn sporen achtergelaten, Sommige miniaturen zijn versleten en een aantal randen van het perkament vertonen slijtage. Een deel van de opgelopen schade is vakkundig hersteld. Van de sluiting zijn de scharnieren nog aanwezig, maar de gespen verdwenen. Het boek is pas onlangs uit particulier bezit in de openbaarheid gekomen. Voor mensen die oude handschriften bestuderen is het bijzonder interessant omdat het een heel vroeg exemplaar is en bovendien in het Latijn is geschreven.

Albrecht van Beieren en Margaretha van Kleef zijn de eersten die in de periode 1395-1415 in verband worden gebracht met het ontstaan van een groep rijk geïllustreerde handschriften met trekken van een eigen stijl. Deze stijl, die de Hofstijl wordt genoemd, is van grote invloed geweest op de latere Nederlandse miniatuurkunst. Albrecht van Beieren was heer van Holland en hield hof in Den Haag. Onder zijn patronage ontwikkelde zich een dynamisch cultureel leven in de Noordelijke Nederlanden. De miniatuurkunst was vooral geconcentreerd in Utrecht.

VOOR WIE IS HET GEMAAKT ?

Waarschijnlijk is ook het hier beschreven boek in die

Het boek is waarschijnlijkheid op bestelling gemaakt tussen 1410 en 1420. Het was gebruikelijk dat de opdrachtgever of degene voor wie het boek was bedoeld ergens daarin werd afgebeeld in een vrome pose. In ons exemplaar staat links onder de miniatuur van de kruisiging een rijk geklede vrouw knielend op een bidstoel met daarop een open boek. Over de bidstoel ligt een blauwe doek bedekt met wat gouden sterren lijken. Dat de gebeden in het Latijn zijn vertelt ons dat de dame van hoge stand en opleiding was. Een klein initiaal in het boek bevat

6

stad gemaakt. Margaretha van Kleef was een tante van Catharina van Kleef, wier naam is verbonden aan het wereldberoemde getijdenboek van de Meester van Catharina van Kleef uit 1442.


Hermanna en tien jaar later Dirk. Zijn enige dochter trouwde in 1415 met Willem van Gulik, een gewettigde bastaardzoon van de hertog van Gelre. Dit stel ging in Batenburg wonen en zowel Hermanna’s bruidegom als haar vader kunnen haar ter gelegenheid van haar huwelijk het getijdenboek ten geschenke hebben gegeven. Gijsbert II werd al in 1412 weduwnaar en is nooit hertrouwd. We mogen aannemen dat hij in zijn latere levensfase bij zijn dochter en schoonzoon heeft gewoond, temeer omdat, zoals we hierna zullen zien, het kasteel in Batenburg toen grondig was vernieuwd. Omdat hij ook heer was van Anholt6 zal hij ook daar nog regelmatig acte de présence hebben gegeven. Hij is echter begraven in Batenburg in het splinternieuwe gotische koor van de kerk daar, dat onder zijn leiding tot stand was gekomen. Zijn grafzerk uit 1429 getuigt er nog altijd van. Tegen de hypothese van Hermanna als eerste eigenaresse pleit dat het boek niet via haar kinderen is doorgegeven, maar terecht is gekomen bij de vrouw van haar neef Dirk, de heer van Anholt en Angeraen. Waarschijnlijker is het daarom dat het boek is gemaakt in opdracht van De Heilige Geest daalt neer op Maria en aposte-

haar broer Dirk. Deze trouwde vóór 1425 (verschillende

len; gehistori-eerde initiaal uit het van Bronck-

bronnen noemen verschillende jaartallen) met Catharina

horst-Batenburg getijdenboek.

van Gronsveld (1399 -1444). Catharina en Dirk waren de schoonouders van de boven genoemde Aleyda van AlphenHönnepel. Catharina is dus naar alle waarschijnlijkheid de dame die staat afgebeeld op de bidstoel onder de afbeelding van de kruisiging.

een wit/zilveren leeuw op azuur die wellicht verwijst naar

We zullen nu niet verder de weg volgen waarlangs het boek

het wapen van Bronckhorst, maar dit is niet zeker. Het kan

uiteindelijk onze tijd heeft

ook puur als versiering zijn bedoeld. Toch mogen we ervan

bereikt, maar ons licht laten

schijnen over het meest waarschijnlijke startpunt van die

uitgaan dat het boek is gemaakt voor een lid van de familie

route: Dirk II van Bronckhorst-Batenburg (±1400-1451) 7,

van Bronckhorst-Batenburg. De eerste persoon namelijk

heer van Batenburg, Anholt, Gronsveld en Rimburg8.

waarvan we met zekerheid weten dat ze het getijdenboek in bezit had was Aleyda van Alphen-Hönnepel (1445-1500),

DIRK II EN DE GOUDEN EEUW VAN BATENBURG.

de tweede vrouw van Dirk van Bronckhorst-Batenburg, heer van Anholt en Angeraen4. We weten dat omdat zij er

De meest waarschijnlijke geboorteplaats van Dirk II

vanaf februari 1469 persoonlijke aantekeningen in heeft

is niet Batenburg maar Anholt. Zijn moeder bracht

gemaakt. Mogelijk heeft zij het bij gelegenheid van haar

deze heerlijkheid via haar huwelijk in bij de familie van

huwelijk in 1465 gekregen. Dergelijke boeken werden

Bronckhorst-Batenburg. Het is aannemelijk dat het gezin

gewoonlijk langs een familielijn doorgegeven en gezien

daar woonde toen Dirk rond 1400 werd geboren. In Anholt

haar achtergrond en vooral die van haar man ligt het veruit

stond in die tijd al een aanzienlijk en voor die tijd modern

het meest voor de hand dat het van de Bronckhorsten

kasteel. De burcht in Batenburg was toen nog een vroeg-

kwam. Zij zal het van haar man hebben gekregen die het

middeleeuws versterkt huis op een omgrachte motte-

op zijn beurt van zijn ouders had geërfd.

heuvel. Batenburg moet in die tijd wel het tafereel zijn geweest van omvangrijke bouwactiviteiten. Rond de motte

Er zijn dan twee heren van Bronckhorst-Batenburg die in

van het kasteel werd eind 14e eeuw de ringmuur gebouwd9

aanmerking komen als opdrachtgevers, vijftig jaar eerder:

en binnen die muur verrezen nieuwe woongebouwen.

Gijsbert II (±1370-1429) of zijn zoon Dirk II (±1400-1451)5.

Ook het stadje zelf werd voorzien van grachten en aarden

Gijsbert II trouwde in 1388 en kreeg twee kinderen:

7


De hertogdommen Gelre en Kleef in de tijd van Dirk II. Anholt ligt in het kwartier van Zutphen ten oosten van Emmerich aan de Issel. Bron: The Hours of Catharina van Cleves.

wallen met stadspoorten. Toen Dirks 10 jaar oudere zus in 1415 in Batenburg ging wonen met haar man, de (bastaard)zoon van de Gelderse graaf was de ringmuur klaar en stond er ook een gerieflijk woongebouw op de kasteelplaats. In de decennia daarna werd ook nog het eenvoudige kerkje in de stad flink vergroot en verfraaid met een toren en een gotisch koor10. Dit alles illustreert dat het de familie van Bronckhorst ernst was met het ontwikkelen van Batenburg tot een belangrijk centrum van hun macht. Gezien Dirks latere bemoeienis Wapen van de ridders van het Heilig Graf

met Batenburg kunnen we er veilig van uitgaan dat hij een groot deel van zijn volwassen leven in het vernieuwde kasteel in Batenburg heeft gewoond11. Soms wordt hij echter ook aangeduid als een Nijmegenaar12 maar dat is te veel eer voor die stad. Hoewel hij ook in Nijmegen een riant huis heeft laten bouwen (of heeft gekocht): de Hof van Batenburg, was hij daar een zogenaamde buitenburger. Aanzienlijke personen die niet in de stad woonden, maar zich burgerrechten hadden verworven werden zo genoemd. Hij voelde zich als heer van de vrije heerlijk­heden Batenburg en Anholt de meerdere van de opkomende stadse burgerij. Hij was immers alleen verantwoording schuldig aan de keizer van het Heilige Roomse Rijk. Hij trok met een gevolg langs de kastelen in zijn heerlijkheden om daar te besturen en recht te spreken. Hij zal zich ook in Nijmegen wel thuis hebben gevoeld maar een Nijmegenaar was hij niet.

8


HET WAS DE FAMILIE VAN BRONCKHORST ERNST MET HET ONTWIKKELEN VAN BATENBURG TOT EEN BELANGRIJK CENTRUM VAN HUN MACHT.

Een afbeelding uit het getijdenboek van de Meester van Margaret van Kleef, met Margaret zelf in aanbidding. Bron: The Hours of Catharina van Cleves.

Een afbeelding uit het getijdenboek van de Meester van Margaret van Kleef, met Margaret zelf in aanbidding. Bron: The Hours of Catharina van Cleves.

Al jong speelde hij een prominente rol zowel in Gelre als in het

rechten en privileges en er was een stadhuis

naburige hertogdom Kleef. Als bannerheer stond hij op gelijke voet

en een stedelijke administratie. Ook bestond

met de hertogen van beide “landen”. De volgende gedocumenteerde

er een eigen rechtbank waarbij ook burgers

feiten illustreren dat. In 1424 werd hij door hertog Arnold van Gelre

waren betrokken en vanaf 1443 een kapittel. In

naar Kleef gestuurd om over een verbond te onderhandelen. In

1459 had Batenburg zelfs voldoende allure om

1436 was hij in Gelre deelgenoot in het Verbond der Vier Kwartieren

grote delegaties van de hertog zelf en van alle

als onafhankelijk vorst. Hij trad verder vaak op als adviseur van

Gelderse steden en vorsten te ontvangen. Die

hertog Arnold en hierboven zagen we al dat zijn zus getrouwd was

onderhandelden twee weken op het kasteel over

met een halfbroer van de Gelderse hertog. In Kleef speelde hij een

hun onderlinge betrekkingen hetgeen leidde

belangrijke rol als bemiddelaar tussen hertog Johan en de Staten

tot de “Vrede van Batenburg”. Dirk II lag toen

daar (de adel en de steden). Met Johan zou hij later in zijn leven zelfs

echter al 8 jaar begraven op het kerkhof van het

op bedevaart gaan naar het Heilig Land. Dirk was ook een puissant

Broerenklooster in Nijmegen. Het is mooi hem te

rijk man. Zo leende hij in 1435 een enorme som geld aan hertog

gedenken als je in Nijmegen vanuit de Burchtstraat

Arnold in ruil voor goederen en tiendrechten op de Veluwe.

de Broerstraat in loopt. Mogelijk liggen daar zijn stoffelijke resten nog ergens onder de winkel van

Het staat wel vast dat Dirk en na hem zijn zoon Gijsbert veel tijd in

Douglas. Drie vrome wapenfeiten: een klooster,

Batenburg hebben doorgebracht. Het stadje beleefde een periode

een kapittel en een bedevaart.

van relatieve rust, ontwikkeling en welvaart13. Het kasteel werd permanent bewoond. In de omwalde stad leefde een burgerij met

9


In de korte gouden eeuw van Batenburg speelde de godsdienst

begin van de Tachtigjarige Oorlog door geweld

een centrale rol in het leven van alle mensen, hoog en laag.

zo goed als met de grond gelijk gemaakt. De

Beschouwen we Dirk II in zijn omgeving en zijn tijd dan kan het niet

bouwwerken zijn verwoest en de kunstwerken

verbazen dat hij aan de oorsprong staat van een fraai getijden­

vernield of onherkenbaar verspreid geraakt. Alleen

boek. Het wekt eerder verbazing dat van deze in zijn tijd zo

zijn bedevaart is blijven voortleven in een lied.

belangrijke edelman zo weinig tastbare sporen zijn overgebleven. Hoe anders is het met de hier al vaak genoemde hertog Adolf.

Het klooster dat hij in 1432 stichtte was ‘Onze

De naam van zijn echtgenote is voor altijd verbonden met

Lieve Vrouwe op de Holtmeer’ in Horssen, aan de

een onbetwist hoogtepunt van Nederlandse miniatuurkunst:

noordgrens van zijn Maas en Waals territorium.

het Getijdenboek van de Meester van Catharina van Kleef

Het complex stond op een zandopduiking dicht

(± 1444). Ruim vijf en een halve eeuw later, in 2009, wijdde het

bij het Puiflykse schutlaken. Deze sluis was heel

Valkhofmuseum in Nijmegen er nog een tentoonstelling aan. Het

belangrijk voor de waterbeheersing in het hele

steekt het beroemde boek Trės Riches Heures (± 1415) van de

gebied. Het klooster werd aanvankelijk bewoond

Nijmeegse gebroeders van Limburg naar de kroon en dat was

door vrouwen maar bleek door de afgelegen ligging

volgens sommige historici ook de bedoeling . Arnold en zijn vrouw

al snel te gevaarlijk en werd toen omgevormd tot

Catharina, die verwant was aan het Hof van Bourgondië, wilden

een franciscaans mannenklooster.

14

niet onderdoen voor de rijkdom en smaak van hun familie die de opdracht had gegeven voor dit boek. Ze hebben daarom de beste

De minderbroeders zouden later nog een

miniaturisten van hun tijd ingezet om een minstens vergelijkbaar

belangrijke rol spelen als bemiddelaars in de

manuscript te maken. Een mix van vroomheid, rijkdom en rivaliteit

ruzies tussen de Maas en Waalse dorpen over de

heeft tot het oogverblindende kunstwerk geleid dat we nu nog

waterlossing15. Behalve een handvol oorkonden

kunnen bewonderen. Dirk II maakte deel uit van deze sociale

en documenten is niets tastbaars overgeleverd

omgeving en gezien zijn macht en rijkdom mag je aannemen dat

van dit klooster. Het is zelfs tot op heden niet

hij ook dergelijke religieus geïnspireerde voorwerpen heeft laten

systematisch onderzocht of beschreven.

maken. Temeer daar hij tijdens zijn leven zowel een klooster als een kapittel heeft gesticht en ter bedevaart is gegaan naar het Heilig

Ook naar het westen consolideerde Dirk II zijn

Land. Maar zowel zijn stad als zijn klooster en kapittel zijn in het

wereldlijke invloedsfeer met het oprichten van een

Een pagina uit het van Bronckhorst-Batenburg getijdenboek; gehistorieerde initiaal met een voorstelling van het vagevuur.

10


kerkelijk instituut. In 1443 werden met het oprichten van het

Noten:

kapittel van Sint Victor16. de parochies van Maasbommel

1 De beschrijving is gebaseerd op www.literatuurgeschiedenis. nl, Literatuurgeschiedenis.nl is een website voor het onderwijs

en Horssen bij die van Batenburg ingelijfd. De pastoors van

van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren, in

de drie dorpen waren voortaan kapittelheren, benoemd

samenwerking met [-] Universiteit Leiden, Universiteit Utrecht,

door de heer van Batenburg. Ook van dit kapittel is niets

Radboud Universiteit Nijmegen en Universiteit van Amsterdam.

tastbaars overgebleven. Toch moeten deze kanunniken,

2 De Moderne Devotie was een spirituele beweging binnen de

zoals de kloosterlingen in Holtmeer, bijbels en brevieren

katholieke kerk die opkwam aan het eind van de 14e eeuw. De

hebben bezeten waaruit ze hun gebeden en koorgezangen

beweging ontstond uit onvrede over misstanden onder de geestelijkheid en in de kerkelijke leiding. De beweging stond

in de kerken deden klinken. Met zo’n rijke beschermheer

voor

waren die misschien wel fraaier dan het relatief bescheiden

vernieuwing

van

het

christelijke

gemeenschapsleven

door hervormingen in kerk en maatschappij en persoonlijke

getijdenboek dat nu met naam van Bronckhorst-Batenburg

levensheiliging. (bron: Wikipedia)

wordt verbonden. We zullen het waarschijnlijk nooit weten.

3

De ironie van de geschiedenis wil dat Dirk II vooral bekend

De beschrijving is gebaseerd op: Van Bronckhorst-Batenburg Book of Hours, Dr. Jörn Günther Rare Books AG, Stalden (CH), 2016.

4

is gebleven vanwege een eenvoudig pelgrimslied. Het is

Vermoedelijk staat deze naam voor Angeren, een nederzetting aan de Rijn bij Huissen.

geschreven naar aanleiding van zijn bedevaart naar het

5

Heilige Land en tot op heden overgeleverd17. Hij vertrok

De gegevens over de in dit artikel genoemde personen komen uit H. van Heiningen, Eeuwenlang Twistappel, Wijchen, 1984. Deze gegeven

in het voorjaar van 1450. In Venetië kwam zijn gezelschap

werden getoetst, zo nodig gecorrigeerd en aangevuld met informatie

samen met dat van Jacob I, de graaf van Horne en Johan

uit Wikipedia. Tenzij anders vermeld.

I, de hertog van Kleef. Samen reisden ze over zee verder

6 Anholt ligt ten oosten van Emmerich aan de Issel. Het was, net als

naar Jaffa en bezochten vandaar de heilige plaatsen. Op het

Batenburg, een vrije heerlijkheid die alleen aan de keizer van het Heilige Roomse Rijk verantwoording schuldig was.

Heilig Graf werden ze tot ridder geslagen. Op de terugweg

7 Het is soms verwarrend, maar dezelfde persoon wordt in de

ontmoetten zij in Rome hertog Arnold van Gelre, die later in

bronnen soms Dirk I genoemd en soms Dirk II. Het blijkt een

dat jaar met dezelfde bestemming was vertrokken. Het zou

kwestie van perspectief: hij was in Anholt de eerste Dirk, maar

goed kunnen dat die het niet verdroeg dat de drie edelen

in Batenburg de tweede heer met die naam. Wij kiezen het

van Horne, Kleef en Batenburg als ridders van het Heilig Graf

Batenburgse perspectief. 8 De heerlijkheden Gronsveld en Rimburg liggen buiten het

naar huis terugkeerden terwijl hij die prestigieuze titel zou

hertogdom Gelre resp. ten zuiden van Maastricht en ten

moeten ontberen. Rivalen in macht en devotie.

noordoosten van Heerlen. 9 T.C. Bauer, Batenburg, in: Castellogica, 1994-3. Een beschrijving van de resultaten van bodemonderzoek op de kasteelplaats in 1993. 10 A.G. Schulte, Monumenten van geschiedenis en kunst, Het Land van Maas en Waal, 1986, pgs. 358-361. 11 We weten niet hoe dat kasteel er heeft uitgezien. Het is in 1503 samen met de stadswallen en een deel van de stad verwoest in een oorlog tussen Jacob van Bronckhorst-Batenburg (de kleinzoon van Dirk II) en de Gelderse hertog Karel. Het kasteel dat we kennen van de vele plaatjes is de laatste herbouw uit de 17e eeuw. 12 Martijn Wijngaards, Een Nijmeegse pelgrim in 1450, Numaga, 2007. 13 De periode tussen het huwelijk van Hermanna in 1415 en de verpanding van Batenburg, Horssen en Leur in 1470 door Dirks zoon Gijsbert III. Die markeert het begin van weer een roerige periode. 14 The Hours of Catharina van Cleves, Devotion, Demons and Daily Life in the 15e Century, Museum Het Valkhof, Nijmegen, 2009. 15 Zie ook: Johan van Os, Tempeliers tussen Horssen en Bergharen?, Tweestromenland no 16, 1973.. 16 Zie ook: Janus Kolen, Het kapittel van Sint Victor te Batenburg, 1443-1600, Tweestromenland no.166, 2015. 17 Wijngaards a.v. gaat uitvoerig in op dat middeleeuwse pelgrimslied. Hij baseerde zich daarbij vooral op: B.H. van ’t Hooft, Honderd jaar Gelderse geschiedenis in historieliederen, vereniging Gelre, 1948. Zie ook: Dirk van Bronckhorst-Batenburg op bedevaart, Martin Bergevoet, Tweestromenland no. 19, 1974.

11


Op 15 maart 2017 gaan we weer naar de stembus. Zal de PVV de grootste worden? Kunnen de middenpartijen zich nog staande houden? En hoe zullen nieuwe uitdagers, zoals het Forum voor Democratie van Thierry Baudet, de Turkse partij DENK en de antiracistische partij Artikel1 van Sylvana Simons het doen? Meer dan tweehonderd jaar geleden, tussen 1780 en 1787, werd er in Nederland voor eerst met democratie geĂŤxperimenteerd. Een sleutelrol speelde Joan Derk van der Capellen tot den Pol (1741-1784), de anonieme auteur van het pamflet Aan het Volk van Nederland, dat in de nacht van 25 op 26 september 1781 over heel Nederland werd verspreid. Hoewel sommige tijdgenoten vermoedden dat Van der Capellen dit pamflet had geschreven kon men het toen niet bewijzen. Meer dan honderd jaar later, in 1891, kon worden vastgesteld dat hij inderdaad de auteur van dit pamflet was.

EXPERIMENTEREN

MET DEMOCRATIE MET JOAN DERK VAN DER CAPELLEN TOT DEN POL

Ewout Klei

O

ver Joan Derk van der Capellen tot den Pol is in de loop der tijd het een en ander geschreven. In 1922 verscheen de grondige, maar moeilijk door te komen biografie van De Jong; Jan Romein schreef een schitterend essay over Van der Capellen in Erflaters van onze beschaving (4 delen, 1938-1940). In mei 1978 schreef het echtpaar Wertheim een artikel over hem in ons tijdschrift (nr 28, mei 1978) en drie jaar later verzorgden ze een uitgave van Aan het Volk van Nederland in de Tweestromenlandreeks (nr. 2). In 1984 verscheen de herdenkingsbundel De wekker van de Nederlandse natie, in 1989 Schaduwbeeld of Het geheim van Appeltern van Hella S. Haasse. In 2013 kwam de korte biografie Patriot en populist avant la lettre van ondergetekende uit, waarin Van der Capellen met de Engelse politicus John Wilkes en met Pim Fortuyn wordt vergeleken, en in 2016 ten slotte gaf ondergetekende Aan het Volk van Nederland opnieuw uit bij Elsevier, geannoteerd en voorzien van een uitgebreide inleiding.

Portret van Joan Derk van der Capellen door Johan

WIE WAS JOAN DERK VAN DER CAPELLEN? EN WAT MAAKT HEM ZO BIJZONDER?

Antonie Kaldenbach, in het Rijhksmuseum Amsterdam, foto: www.toenennu.nl).

12


“ZORG VOOR DE VRIJHEID VAN DRUKPERS, WANT ZIJ IS DE ENIGE STEUN VAN UW NATIONALE VRIJHEID. ALS MEN NIET VRIJ TOT ZIJN MEDEBURGERS KAN SPREKEN, EN HEN NIET BIJTIJDS KAN WAARSCHUWEN, DAN VALT HET DE ONDERDRUKKERS VAN HET VOLK AL ZEER GEMAKKELIJK HUN ROL TE SPELEN. DAAROM IS HET DAT ZIJ WIER GEDRAG GEEN ONDERZOEK KAN VELEN, ALTIJD ZO TEGEN DE VRIJHEID VAN SCHRIJVEN EN DRUKKEN AGEREN EN WEL GRAAG ZOUDEN ZIEN DAT ER NIETS GEDRUKT OF VERKOCHT ZOU WORDEN ZONDER TOESTEMMING.” ( JOAN DERK VAN DER CAPELLEN TOT DEN POL)

Portret van Joan Derk van der Capellen (gravure van Reinier Vinkeles, 1786; foto www.dbnl.nl).

HET PAARD VAN TROJE Joan Derk van der Capellen werd op 2 november 1741 geboren te Tiel. De Van der Capellens waren een oud adellijk geslacht en hadden in het hertogdom Gelre vaak belangrijke functies bekleed. Frederik Jacob van der Capellen, de vader van Joan Derk, was echter kapitein in het Staatse leger en was vaak ingekwartierd in garnizoensplaatsen. Joan Derk werd daarom opgevoed door zijn moeder, Anna Elisabeth van Bassenn, en haar vader, Dirk Renier. De oude Van Bassenn was eens burgemeester van Arnhem, maar werd in 1708 uit zijn functie gezet omdat hij een leidende rol had gespeeld in de plaatselijke Plooierijen, het georganiseerde verzet van dissidente regenten en burgers tegen de zetmannen van stadhouder Willem III. Joan Derk, die in 1778 uit de Staten van Overijssel gezet zou worden, heeft zijn grootvader wellicht als rolmodel gezien. Van 1758 tot 1763 studeerde Van der Capellen rechten in Utrecht, zonder dat hij zich had ingeschreven als student en zonder dat hij afstudeerde. Tijdens zijn studie deed hij nieuwe staatsrechtelijke ideeën op en raakte hij ervan overtuigd dat de Nederlandse politiek hervormd moest worden.

13

De volgende negen jaar van Van der Capellens leven waren niet om vrolijk van te worden. In 1766 trouwde hij met Hillegonda Anna Bentinck tot Wittenstein, maar omdat het stel geen eigen inkomen had trokken ze bij haar moeder in. Vier jaar lang zou Van der Capellen in het huis van zijn schoonmoeder wonen. Van der Capellens droom was om de politiek van binnenuit te veranderen, maar het lukte hem niet om in de Staten van Gelderland te komen. Ondanks zijn adellijke achtergrond zat men daar niet zo om nieuwkomers verlegen. Daarom beproefde Van der Capellen zijn geluk in Overijssel. Hier lukte het aanvankelijk ook niet, omdat Van der Capellen niet aan de voorwaarden voldeed om te worden toegelaten. Pas nadat stadhouder Willem V van Oranje ten gunste van Joan Derk besliste, werd de baron in 1772 in de Overijsselse Staten geadmitteerd (= toegelaten). De prins besefte pas later dat hij hiermee het paard van Troje had binnengehaald.


HUIS TE APPELTERN

TEGENDRAADS EN THEATRAAL

Het in oorsprong middeleeuwse kasteel van het geslacht Van Apppeltern werd in de 17e eeuw verkocht en verbouwd tot landhuis. Het hele landgoed kwam In 1709 in handen van de familie Van der Capellen. Joan Derk, de bekendste telg uit deze familie, bracht een deel van zijn jeugd hier door en hij vestigde zich er als heer van Appeltern na de dood van zijn vader in 1780. Hij schreef in een van zijn brieven dat hij vanuit zijn kasteel een “allerplezierigst gezigt op de Maaze” had.

Het blijkt dat Van der Capellen zich heeft laten inspireren door het Engelse Lagerhuislid John Wilkes, die met zijn provocerende acties in de jaren zestig van de achttiende eeuw voor veel ophef zorgde. Wilkes kwam op voor de vrijheid van meningsuiting en drukpers en wist de aandacht van de publieke opinie gevangen te houden. Van der Capellen kopieerde als Statenlid deze stijl. Net als Wilkes bracht hij geheime stukken in de openbaarheid, net als Wilkes speelde hij de rol van politieke martelaar en net als Wilkes deed hij een beroep op de volksstem. Beide politici werden uit de politiek gezet door hun collega’s, maar beide politici keerden dankzij de steun van het volk toch weer terug.

Hij leerde de toen grotendeels roomskatholieke boeren­ bevolking van het Land van Maas en Waal goed kennen. Door zijn eenvoud en vriendelijkheid was hij algemeen zeer geliefd. Zijn sympathie voor de katholieken, die van alle burgerrechten verstoken waren in de Verenigde Republiek, blijkt uit de volgende passage in een brief aan zijn vriend Pieter Vreede: “De toestand der Roomschen in ons Land doorboort mij de ziel! Ik zal mij, wil ik mij niet

Toen Van der Capellen eindelijk in de Staten was geadmitteerd ontpopte hij zich al snel als de grootste tegenstander van de stadhouder, degene aan wie hij zijn positie had te danken.

volstrekt nutteloos maken, echter wel wagten daarvan veel te spreeken. Tot stellige onderdrukking (en dit heb ik getoond) zou ik nimmer de hand leenen: maar hun staat - voorals nog - te verbeeteren is ondoenlijk. Geduld is in deezen de beste medicijn. De vrijheid van schrijven, verwagt ik, zal allengs de volgende geslagten verlichten en rekkelijker maaken.”

Met zijn tegendraadse mening en zijn felle betogen joeg Van der Capellen zijn collega’s tegen zich in het harnas. Van der Capellen was: 1. vóór versterking van de vloot, in tegenstelling tot de stadhouder die versterking van het leger wilde; 2. tégen de uitlening van de Schotse Brigade aan de koning van Engeland, die daarmee de opstand in de Amerikaanse koloniën wilde neerslaan;

Joan Derk schreef zijn Democratisch Manifest in 1781 het landhuis in Appeltern. Bijna twee eeuwen later venoemde de toenmalige gemeente een straat naar haar illustere dorpsgenoot. Nog eens 35 jaar later, in 2014, werd een monument voor hem opgericht in wat nog over is van wat eens het sterrebos bij het landhuis was.

3. tégen militaire jurisdictie, het feit dat de militaire rechtbank ook zaken tussen soldaten en burgers behandelde en daarbij de soldaten bevoordeelde; 4. vóór het handhaven van het Regeringsreglement en tégen de informele benoemingspraktijk en vriendjespolitiek;

5. vóór de afschaffing van de drostendiensten, een uit de Middeleeuwen stammend instituut dat boeren in Overijssel verplichtte om tweemaal in het jaar kosteloos hand- en spandiensten voor hun heren te verrichten.

Naast de vijver met daarin zijn buste is nu in steen de volgende tekst vereeuwigd: Waarde medeburgers! Verkiest zelf degenen die U bevelen moeten, en gaat in alles met kalmte en bescheidenheid te werk. En Jehova, de God der vrijheid, die de Israëlieten uit het diensthuis heeft geleid en hen tot een vrij volk heeft gemaakt, zal onze goede zaak ongetwijfeld ondersteeunen. Uit het Democratisch Manifest, Appeltern,

Borstbeeld van Joan Derk van der Capellen in de vijver bij

26 september 1781.

het Huis te Appeltern; foto A. Maters.

14


In zijn strijd maakte Van der Capellen gebruik van verschillende strategieën. Joan Derk was creatief. De rede tegen de uitlening van de Schotse Brigade werd, waarschijnlijk met zijn medeweten, gedrukt en was overal in Nederland te koop. Van der Capellen beweerde echter tegenover zijn collega’s dat deze publicatie buiten zijn medeweten was geschied. Omdat deze eerste druk fouten bevatte verscheen er een tweede druk van de rede, waarin zijn woorden wel goed werden weergegeven. Het laten uitlekken èn het opnieuw laten drukken van zijn advies tegen de uitlening van de Schotse Brigade zorgde voor een nationaal schandaal. Wat eerst achterkamertjespolitiek was, werd nu besproken in de herbergen en op de pleinen, in de huiskamers en de leesgezelschappen. Er ontstond een sterk anti-Engelse stemming. De koning van GrootBrittannië trok daarom zijn verzoek maar in. Van der Capellen was theatraal. Toen zijn rede tegen de informele benoemingspraktijken in de secrete capse (= de doofpot) belandde, toonde Van der Capellen zich hevig verontwaardigd. Joan Derk vond dat hij als geboren regent het recht had om in alle vrijheid zijn adviezen te geven. Hij hoefde toch zeker geen blad voor de mond te nemen? Het ging hem immers om de vrijheid en het algemeen belang. Hij suggereerde dat hij de enige was die een eerlijk en betrouwbaar regent was, een echte patriot, en plaatste zich hiermee in een uitzonderingspositie. Van der Capellen zag zichzelf als de roepende in de woestijn, de profeet die niet door zijn vaderstad werd geëerd. Zijn collega’s ergerden zich aan dit theater, maar Van der Capellen werd zo wel een held van het volk.

Portret van John Wilkes; foto: www.wikipedia.nl).

van Van der Capellen ook officiële documenten bevatte, die eigenlijk niet voor publicatie bestemd waren. Van der Capellen legde door de publicatie van dit werk rekenschap van zijn daden af aan het publiek en brak weer met de gedragscode van geheimhouding. Capellen regent lijkt heel erg op het boekwerk English liberty, dat alle toespraken en officiële documenten over John Wilkes bevat. Van der Capellen en Van der Kemp hadden de stijl van dit boek exact gekopieerd.

IN DE POLITIEKE WOESTIJN Van der Capellen durfde grote risico’s te nemen. In 1778 hield hij zijn rede over de onwettigheid van de drostendiensten in Overijssel. Joan Derk had deze rede van tevoren laten drukken en onder het volk verspreid. Omdat Van der Capellen harde woorden gebruikte – hij had onder andere de drostendiensten vergeleken met slavernij en gezegd dat de drosten, die in de zeventiende eeuw de diensten opnieuw hadden ingevoerd, schurken waren – werd hem de toegang tot de vergadering van de Overijsselse Staten ontzegd. Vier jaar lang zou zijn politieke ballingschap duren.

Het bekendste geschrift van Van der Capellen is Aan het Volk van Nederland, het anonieme pamflet, waarin de vriendjespolitiek van de regenten en het zwakke beleid van Willem V worden aangeklaagd. Hij schreef dit stuk tijdens zijn verblijf op het Huis te Appeltern en het werd in de nacht van 25 op 26 september 1781 over heel Nederland verspreid. Dit pamflet was de klaroenstoot voor de patriottenbeweging. Dissidente regenten en ontevreden burgers verbonden zich en gingen ijveren voor politieke hervormingen en meer burgerinvloed. De patriotten bewapenden zich om hun vrijheid te verdedigen en richtten burgercommissies op, die het lokale bestuur moesten controleren. Van der Capellen werd één van de belangrijkste leiders van de patriotten.

Van der Capellen liet in de tijd van zijn politieke ballingschap zien dat hij geen eendagsvlieg was, maar over een groot doorzettingsvermogen beschikte. Hij zette zijn strijd tegen de drostendiensten voort. Zijn vriend en wapenbroeder François Adriaan van der Kemp, een doopsgezinde predikant uit Leiden, schreef voor Van der Capellen onder verschillende pseudoniemen een serie pamfletten tegen de drostendiensten en bracht het verzamelwerk Capellen regent uit, dat uit zes delen bestond en naast alle redes

15


Plaquette op de muur van het Zwolse woonhuis van Van der Capellen, bevestigd door de Holland Society van New York als dank voor de verdiensten van Joan Derk tijdens de Amerikaanse onafhankelijkheidsstrijd van 1775-1783; foto www.zwolleinbeeld.nl.

SUCCESSEN EN VROEGE DOOD In de laatste jaren van zijn leven boekte Van der Capellen met steun van het volk enkele grote successen. Dankzij een petitiebeweging, waarin Van der Capellen een niet onaanzienlijke rol had gespeeld, erkende Nederland als tweede land na Frankrijk in 1782 de onafhankelijkheid van de Verenigde Staten van Amerika. Daarna probeerde Joan Derk met een nieuwe petitiebeweging, die grootser was opgezet, zijn terugkeer in de Staten van Overijssel te bewerkstelligen. Op 1 november 1782 werd Joan Derk weer tot deze Statenvergadering toegelaten. Het volk vierde Joan Derks readmissie uitbundig. Toen in februari 1783 eindelijk de gehate drostendiensten in Overijssel werden afgeschaft, boden de dankbare boeren die deze diensten moesten verrichten Joan Derk een gouden gedenkpenning aan.

Titelblad van het pamflet Aan het Volk van Nederland; foto: Collectie Nederland: Musea, Monumenten en Archeologie).

plotselinge dood, en net als Joan Derk zelf een aanslag niet irreĂŤel achtten. Van der Capellen was door tegenstanders zo gehaat dat in 1788, vier jaar na zijn dood en een jaar na de Oranjerestauratie, zijn graf te Gorssel met buskruit werd opgeblazen door Orangisten uit Zutphen.

Hij kon echter slechts een korte tijd van zijn roem genieten. Op 6 juni 1784 overleed hij plotseling na een kort ziekbed. Na Joan Derks overlijden verschenen er allerlei lijkredes, gedichten en treurspelen. In een pamflet, dat een dag na zijn overlijden verscheen, werd beweerd dat Van der Capellen misschien wel was vermoord, vergiftigd door de Oranjegezinden. Dit is waarschijnlijk niet waar, hij had altijd al een broze gezondheid, maar het geeft wel heel duidelijk aan hoe zeer zijn aanhangers geschokt waren door zijn

BETEKENIS De betekenis van Van der Capellen voor de patriotten­ beweging is dat hij de patriotten in beweging bracht. Hij riep de burgers op zich te bewapenen, burgergecommitteerden te kiezen en druk uit te oefenen op het bestuur, zodat

16


Het Huis te Appeltern in 1763, op een prent in het Rijksmuseum Amsterdam.

Verwoesting van het graf van

de politiek werd hervormd. De Bataafse Revolutie stond uiteindelijk veel radicalere hervormingen voor dan Van der Capellen had voorgesteld, maar de baron was de eerste die met kritiek kwam. Hij was de wekker van de Nederlandse natie. Dankzij Van der Capellen experimenteerde Nederland voor het eerst met democratie.

Joan Derk van der Capellen, door Reinier Vinkeles; afb. https://nl.wikipedia.org.

Vanwege zijn voortrekkersrol blijft Van der Capellen actueel. Pim Fortuyn beschouwde Van der Capellen als zijn “illustere voorganger en voorbeeld”. Hij schreef een niet-anoniem pamflet Aan het Volk van Nederland, waarin hij opriep tot democratisering van Nederland en de achterkamertjes- en vriendjespolitiek van “ons soort mensen” hekelde. Pim Fortuyn;

Ten slotte is ook Van der Capellens strijd voor de vrijheid van meningsuiting en drukpers actueel. De vrijheid van meningsuiting is niet altijd fijn. Mensen die gebruik maken van deze vrijheid trappen anderen wel eens op de teentjes, zoals Van der Capellen meerdere malen gedaan heeft. Maar rebellen heb je nodig om de boel scherp te houden, om iets nieuws te proberen. Joan Derk was zo’n rebel.

1

foto www.telegraaf.nl.

Dit artikel werd in 2005 door de auteur geplaatst op Wikipedia (https://nl.wikipedia.org) en door hem op 1 februari 2015 integraal gepubliceerd op http://www.historiek.net/je-suis-joan-derk/47792/.

2

Geciteerd in: Prof. Dr. W.F. Wertheim en Mr. Dr. A.H. Wertheim-Gijze Weenink, Een straatnaam na bijna twee eeuwen, in Tweestromenland no. 28, mei 1978.

17


Op de Nederlandstalige bladzijde over Druten op Wikipedia kom je geen bekende Drutenaren tegen. De Engelstalige versie kent er echter twee: Reginald Wolfe (overleden 1573, over wie in Tweestromenland nr. 164 (juli 2015) een uitgebreid artikel is verschenen) en Peter-Hans Kolvenbach. Deze laatste is van 1983 tot 2008, bijna 25 jaar lang, generaal (= algemeen overste) van de Sociëteit van Jezus geweest. Afgelopen najaar is hij overleden. Kolvenbach is de tweede Nederlander, die de Societas Jesu heeft geleid. Jan Roothaan ging hem van 1829-1853 voor. Reden genoeg dus om in ons tijdschrift aan deze onbekende bekende Drutenaar aandacht te besteden.

PETER-HANS KOLVENBACH,

GENERAAL DER JEZUÏETEN.1 Martin Bergevoet

P

eter-Hans Kolvenbach wordt geboren in Druten op 30 november 1928 als zoon van Gerard Kolvenbach, zakenman uit Nijmegen (met Duitse wortels), en Jacoba Johanna Petronella Domensino (met een Italiaanse achtergrond). Na de lagere school vertrekt hij naar het door Jezuïeten geleide Canisiuscollege in Nijmegen, waar hij zich toelegt op moderne talen. Kolvenbach treedt op 7 september 1948 als novice bij de paters Jezuïeten in op Mariëndaal. Na de voltooiing van de filosofiestudie aan het Berchmanianum in Nijmegen gaat hij les geven op het Aloysiuscollege in Den Haag. Vervolgens studeert hij MO-Duits en wordt hij naar Libanon gezonden, waar hij op 1 oktober 1958 per boot aankomt. Daar voltooit hij zijn doctoraal in de theologie aan de Universiteit van St. Joseph in Beiroet. Op 29 juni 1961 wordt hij daar tot priester gewijd volgens de rite van de Armeens-Katholieke Kerk, verbonden met de Kerk van Rome.2

ACADEMICUS De volgende jaren brengt Kolvenbach door in de academische wereld, waar hij zich vooral bezighoudt met taalkunde. Van 1963 tot 1976 studeert èn doceert hij algemene en Oosterse linguïstiek in Den Haag, aan de Sorbonne in Parijs en de Verenigde Staten. In 1968 keert hij terug naar Beiroet, waar hij is hij benoemd tot professor in de Algemene Taalwetenschappen en het Armeens aan

Pater Kolvenbach (bron: http://educaetministrare.blogspot.nl).

18


De paters Kolvenbach (l) en Dezza in 1983 (bron: www.avvenire.it).

Paus Benedictus XVI met pater Kolvenbach (bron: www.italy24.ilsole24ore.com).

het Instituut van Oosterse Talen. Ook wordt Kolvenbach directeur van het Filosofisch Instituut van de Universiteit van St. Joseph in Beiroet. Hij bekleedt die functies tot 1981 en woont in die tijd in het Armeens College St. Grégoire L’Illuminateur in Beiroet. Hierna wordt hij rector van het Pauselijk Oriëntaals Instituut in Rome. Van 1974 tot 1981 is hij tevens vice-Provinciaal van het Midden-Oosten van de Orde der Jezuïeten.3 Hier is hij tijdens de burgeroorlog in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw bemiddelaar tussen achttien strijdende – vaak religieuze – partijen van alle mogelijke soorten moslims en christenen, die in geregeld wisselende bondgenootschappen elkaar naar het leven staan.4

Vaticaan te doorbreken en het vertrouwen van de H. Stoel in de Sociëteit van Jezus te herstellen. Zijn voorganger pater Aruppe heeft daar al een begin mee gemaakt, maar Kolvenbach brengt de gemeenschap met 87 provincies en twintigduizend leden in rustiger vaarwater. Zijn in Libanon opgedane diplomatieke bekwaamheden komen hem goed van pas in de delicate onderhandelingen. De relatie met de paus wordt zelfs zo goed, dat hij wekelijks met hem luncht. Johannes Paulus II luistert graag naar Kolvenbach, omdat die – als een van de weinigen – eerlijk zijn mening geeft. Ook met paus Benedictus XVI heeft hij goede banden. En paus Franciscus is zèlf een Jezuïet. In dertig jaar is er – dankzij het werk van pater Kolvenbach – veel ten goede veranderd in de relatie tussen de Kerk en de Jezuïeten.8

GENERAAL-OVERSTE VAN DE ORDE DER JEZUÏETEN Op 7 augustus 1981 wordt de generaal-overste van de Jezuïeten, pater Pedro Arrupe, getroffen door een beroerte. Die wilde al eerder terugtreden als generaal, maar dit wordt dan urgent. Hoewel hij Vincent O’Keefe van de Fordham Universiteit als zijn tijdelijke opvolger voorstelt, komt paus Johannes Paulus II tussenbeide en benoemt twee gedelegeerden om de Orde te leiden tot een nieuwe generaal is gekozen: de paters Paolo Dezza (later kardinaal) en Giuseppe Pittau (later aartsbisschop).5 Tijdens de 33e Algemene Congregatie van de Sociëteit van Jezus wordt pater Kolvenbach op 13 september 1983 gekozen tot 29e generaal overste van de Orde.6 Niet alleen zijn rectorschap aan het Pauselijk Oriëntaals Instituut heeft daartoe bijgedragen, ook het feit dat hij acht talen spreekt.7

Kolvenbach reist als generaal intensief om de twintigduizend Jezuïeten in 112 landen te bezoeken, en zijn kennis over hen en hun kloosters is legendarisch. Hij is een gematigde stem in de Kerk, in de vergadering van Oversten en in de Sociëteit van Jezus als geheel. Zijn eigen ervaringen in het Midden-Oosten hebben hem buitengewoon gevoelig gemaakt voor de betrekkingen tussen Joden, Moslims en Christenen en geschikt om die te verbeteren. Kolvenbach stimuleert de groei van de Sociëteit in Afrika, India en Azië, en hij doet een beroep op Jezuïeten uit deze regio’s om de traditionele aanpak van de Orde uit te dragen. In Europa daarentegen is hij voorstander van de instandhouding van de Provincies en de rol van leken in de doelstellingen van de Sociëteit om een groeiende niet-godsdienstige bevolking kennis te laten maken met het evangelie.9 Een kenmerkende uitspraak van Kolvenbach uit die tijd is ‘creatieve trouw aan de traditie.’ Voor pater Kolvenbach is het duidelijk dat eenheid niet de oplossing is. God heeft bij de schepping juist verscheidenheid gecreëerd. Verscheidenheid is dan ook een verrijking. ‘Het drama is alleen’, volgens Kolvenbach in een interview eind 2007 met Leo Fijen voor KRO-Kruispunt, dat wij verscheidenheid gebruiken om te vechten met elkaar. Dat is wat de schok der culturen inhoudt.’10

Bij het aantreden van pater Kolvenbach als generaal zijn de relaties tussen de Sociëteit en het Vaticaan erg gespannen. Binnenkerkelijk is de koers van de orde omstreden, onder meer ten aanzien van de bevrijdingstheologie in Latijns-Amerika en met betrekking tot de contacten met Aziatische religies en rituelen. Paus Johannes Paulus II vindt dat de Jezuïeten te werelds zijn geworden. Een van zijn eerste taken is het dan ook om de barrière met het

19


Volgens pater Jan Stuyt, in 2013 kort deken van Druten en nu secretaris van de Vlaamse en Nederlandse Provincie van de Jezuïeten, verhaalt over de eigenaardige manier van werken van Peter-Hans.11 ‘Vergaderingen belegde hij het liefste om half acht ’s morgens. Hij was dan zelf om drie uur opgestaan en fris als een hoentje. Aan het eind van de morgen was zijn bureau leeg. Dan kon hij gaan studeren of iemand bezoeken. De mooiste dag van zijn bestuursperiode was toen hij de sleutel van de achterdeur kreeg, zodat hij ongemerkt weg kon. Hoe minder hij werd gezien, hoe gelukkiger hij was. Een mysterieuze man’, aldus pater Stuyt. Kolvenbach vindt het vroege opstaan nodig, omdat er dan stilte is, je wordt niet afgeleid. Volgens Ignatius, de stichter van de orde, moeten we contemplatief (= beschouwend) zijn ín de actie. In alles wat we doen en zoeken wat de Heer wil dat we doen. Dat kan volgens hem het beste in de stilte van de zeer vroege ochtend. Die ‘actie’ is ook de reden dat Kolvenbach moeite heeft met vakantie. Hij vindt dat vooral verloren tijd, maar zegt er meteen bij dat anderen daar best anders over mogen denken.12

(CEDRAC).15 Voorts is hij assistent-bibliothecaris bij de Jezuïeten-Universiteit in Beiroet.16 Pater Peter-Hans Kolvenbach overlijdt vier dagen voor zijn 88e verjaardag in het ziekenhuis Hotel Dieu de France in Beiroet op 26 november 2016. Paus Franciscus condoleert ‘de hele familie van Jezuïeten’ in een telegram aan de generaal-overste met het verlies. Hij prijst ‘de totale trouw van pater Kolvenbach aan Christus en aan Zijn Evangelie’ en diens ‘ruimhartige toewijding om zijn positie voor het welzijn van de Kerk met een geest van dienstbaarheid uit te oefenen’. De paus bidt ‘voor de eeuwige rust van zijn ziel’ en zegt ‘geestelijk aanwezig’ te zijn bij de uitvaart van pater Kolvenbach. Die uitvaart vindt plaats op de verjaardag van Kolvenbach in het Collège Notre Dame de Jamhour in Libanon en is druk bezocht met meer dan 800 aanwezigen. De avond daarvoor is in de kerk St. Joseph in Beiroet een avondwake gehouden. Daarbij zijn ook een schoonzus van pater Kolvenbach aanwezig en haar zoon. Op 2 december is pater Kolvenbach herdacht in de Gesu-kerk in Rome.17 En op 7 januari 2017 is er een gedachtenisdienst geweest in de kerk van het H. Sacrament aan de Heyendaalseweg in Nijmegen-Brakkenstein.

AFTREDEN EN PENSIOEN Al in 1994 vraagt pater Kolvenbach bij paus Johannes Paulus II ontslag aan uit zijn zware functie. De paus vraagt hem nog even aan te blijven, in elk geval zolang hij zelf nog leeft. Johannes Paulus heeft namelijk geen zin in een andere topjezuïet naast zich.13

SOCIËTEIT VAN JEZUS18 De Sociëteit van Jezus (in het Latijn: Societas Jesu) is een katholieke religieuze kloosterorde, die in 1534 in Parijs wordt opgericht door een groep studievrienden rond de Baskische edelman Ignatius van Loyola (1491-1556). Het doel van de groep is hulp aan de naaste.

Op 2 februari 2006 informeert pater Kolvenbach de leden van zijn Orde dat hij definitief van plan is om in 2008 af te treden als generaal overste. Omdat de generaal wordt gekozen voor het leven, moeten voor een vrijwillig terugtreden zwaarwegende redenen zijn. Zijn aanstaande tachtigste verjaardag en het feit dat zijn gezondheid achteruit gaat voldoen aan die eis. Hij is dan ook pas de tweede generaal die uit het ambt terugtreedt. Ook zijn er maar weinig generaals die langer dan twintig jaar in functie zijn gebleven. Als een mandaat buitengewoon lang duurt, gaat een Algemeen Vicaris de ouder wordende generaal ondersteunen. Op die manier gaat het bestuur van de Orde dóór, door een energiek iemand, die naast de oudere generaal in staat is de leden van de Sociëteit te inspireren. Paus Benedictus XVI keurt de ontslagaanvraag goed. Tijdens de 35e Algemene Congregatie van de Orde wordt het terugtreden van pater Kolvenbach aangenomen en wordt 14 januari 2008 Adolfo Nicolás gekozen tot zijn opvolger.14

De acceptatie van de orde verloopt moeizaam. Ignatius wordt meermaals in hechtenis genomen en verhoord door de Inquisitie. De Sociëteit wordt toch in 1540 goedgekeurd door de paus. Het is nu nog steeds de grootste mannelijke katholieke orde met op dit moment ongeveer 16.400 leden, waarvan de grote meerderheid uit priesters bestaat. In Nederland verblijven nog circa 80 Jezuïeten. Het motto van de sociëteit is Ad majorem Dei Gloriam (= Tot meerdere eer van God), dikwijls afgekort tot ‘AMDG’. Jezuïeten vormen een kloosterorde, maar leven niet noodzakelijk in kloosters. Net als veel andere orden zijn zij gehouden tot kuisheid, armoede en gehoorzaamheid. Embleem van de Societas Jesu (Sociëteit der Jezuïeten) (bron: www.stmichaelbuffalo.org).

Na zijn aftreden keert pater Kolvenbach terug naar Libanon om zich opnieuw te verdiepen in de Oosterse linguïstiek. Hij bekleedt nog diverse functies. Hij geeft retraites, houdt spreekbeurten tijdens conferenties en doet wetenschappelijk onderzoek op de Armeense afdeling van de Oriëntaalse Bibliotheek en op het Onderzoeksen Documentatiecentrum van het Arabisch Christendom

20


Kolvenbach-9a: detail van een mozaïek-tableau met het motto van de Jezuïeten. Bron: Ibo et Non Redibo. A web-log of miscellany by Canadian Jesuits (http://www.ibosj.ca/).

De Jezuïeten leggen een vierde gelofte aan de paus af: zonder tegenspraak of reisgeld een missie of zending naar gelovigen en ongelovigen te doen als de paus dit beveelt, als keurkorps van de paus. De gehoorzaamheid en de tucht zijn zeer streng. Het bestuur van de orde zetelt in Rome en gebruikt de Gesu-kerk als hoofdkerk.

1

Met dank aan pater Jan Stuyt sj voor zijn medewerking en informatie.

2

Cindy Wooden (28-11-2016), ‘Father Kolvenbach, former Jesuit

Een pater Jezuïet zet veelal achter zijn naam de afkorting sj of S.J. van Societas Jesu (vroeger ook S.I. van Societas Iesu, aangezien het Latijn (oorspronkelijk) geen letter ‘j’ kent).

4

superior, dies in Beirut’, in: National Catholic Reporter. Catholic News Service, gevonden op 28-11-2016; https://nl.wikipedia.org. 3

Cindy Wooden, a.w.; L. Boisset, interview met pater Kolvenbach: ‘Peter Peter-Hans Kolvenbach sj in Libanon’, op: www.jezuieten. org/; ‘Pater Kolvenbach overleden’, in: Katholiek Nieuwblad d.d. 2-12-2016. M. Slingerland, ‘Scheidende jezuïetenleider: ‘eenheid is niet de oplossing’’, in: Trouw, d.d. 27-12-2007.

5

Alexandra Stanley (22-12-1999), ‘Cardinal Paolo Dezza, 98; Guided the Jesuits’, in : New York Times, gevonden op 28-

Jezuïeten zijn nogal eens kritische intellectuelen, die als individu geen blad voor de mond nemen en ook hun leerlingen opvoeden tot kritische individuen. De ‘stoottroepen van de paus’ waren en zijn enthousiaste missionarissen. Ze trekken de hele wereld over om het vuur van Ignatius te doen branden. Ze tonen zich daarbij bereid om hun leven voor het geloof te geven. De vaak maatschappelijk toonaangevende ordeleden, hun opvattingen, werkwijzen en successen, zijn in veel landen, zeker die met totalitaire regimes, niet erg geliefd. De bekendste Nederlandse Jezuïet, Jan van Kilsdonk (19172008), was een vrijmoedige pater die de aandacht trok met onorthodoxe opvattingen en zich soms nadrukkelijk van het gezag van Rome distantieerde.

11-2016; Daniel Cosacchi, ‘The spiritual legacy of Peter-Hans Kolvenbach’, in: America. The national Catholic Review, 26-112016, op: www.americamagazine.org/. 6

‘Dutchman Elected Leader of Jesuits’, in: New York Times d.d. 149-1983, gevonden op 28-11-2016.

7

https://nl.wikipedia.org/.

8

M. Malone sj, ‘Of many things’ in: America. The national Catholic Review, 19/26-12-2016, op: www.americamagazine.org/; D. Cosacchi, a.v.    

9

Zie de Australische website van de Jezuïeten: http://web.archive. org; www.jezuieten.org/; ‘Pater Kolvenbach overleden’, a.v.

10 M. Slingerland, a.w.; zie het interview van Leo Fijen op: www. youtube.com/. 11 G. van der List, ‘Het heilige vuur van Ignatius’, in: Elsevier 72 nr. 50/52 (17/31-12-2016) 220-221. 12 Interview Leo Fijen (zie noot 10).

De Gesu-kerk in Rome (bron: https://nl.pinterest.com).

13 M. Slingerland, a.w. 14 ‘Spaniard becomes Jesuits’ New ‘Black Pope’’, in : Reuters, 19-1-2008 ; gevonden op 29-11-2016; https://nl.wikipedia. org/; L. Boisset, a.w.; M. Rotsaert, ‘Beschouwingen bij de 35e Algemene Congregatie’, in: Cardoner, Tijdschrift voor Ignatiaanse spiritualiteit, 6-2-2009; ‘Pater Kolvenbach overleden’. 15 L. Boisset, a.w.; www.jezuieten.org/ 16 M. Malone, a.v.; D. Cosacchi, a.v. 17 D. Cosacchi, a.v.; www.jezuieten.org/j; ‘Pater Kolvenbach overleden’, a.v.; ‘Begrafenis pater Kolvenbach in Libanon’, op: www.jezuieten.org/. 18 https://nl.wikipedia.org/; G. van der List, a.w..

21


Jarenlang was de in Beuningen opgegroeide Johannes van ‘t Lindenhout een beroemde Nederlander. Hij trok zich het lot aan van de honderden weeskinderen, die in armoe en zonder liefde moesten opgroeien. Hij bouwde in Neerbosch2 een weesinrichting voor hen. In het hele land en met name in de protestants-christelijke kringen wist hij geld in te zamelen om zijn droom te verwezenlijken. In latere jaren – na het vertrek van Van ‘t Lindenhout veranderde de inrichting van karakter. Er kwamen steeds minder wezen en steeds meer kinderen die er door de kinderbescherming geplaatst werden.

WEESVADER

Adriaan Maters

JOHANNES VAN ‘T LINDENHOUT (1836- 1918)1

J

JEUGD

ten opzichte van het orthodox protestantse geloof. Toen op zijn achttiende zijn broer Hendrik overleed, was dat een aangrijpende gebeurtenis. Hij kwam niet alleen in een geloofscrisis terecht, maar werd ook door zijn ouders van school gehaald omdat hij nu thuis op de boerderij nodig was.

ohannes van ‘t Lindenhout werd in 1836 in de boerderij van zijn grootouders van moeders kant in Herveld geboren. Zijn familie van vaders kant kwam uit Beuningen. Deze familie bestond uit tamelijk welvarende protestantse boeren.3

COLPORTAGE EN BIJBELLEZINGEN Na een bezoek van een colporteur in godsdienstige literatuur kwam Johannes tot de overtuiging dat hij ook moest rondreizen om christelijke boeken en bijbels te verkopen en te evangeliseren om het juiste geloof aan de man te brengen. Hoewel met tegenzin, lieten zijn ouders hem gaan. Maar al het reizen en zeulen met zware tassen werd fysiek te zwaar voor hem. Hij moest hiermee stoppen en keerde hij terug naar Beuningen.

De ouders van Johannes woonden op ‘Het Vossenhol’ aan de Waardhuizenstraat in Beuningen. In deze boerderij bracht Johannes zijn jeugd door. Hij was vaak ziek. Op school was hij geen uitblinker. Maar omstreeks zijn vijftiende veranderde dat. Hij kreeg een steeds bredere belangstelling en werd leergierig. Hij was vooral ook in godsdienst geïnteresseerd. Zijn ouders stuurden hem daarom op zijn zestiende naar kostschool en hoopten dat hij predikant zou worden. Voor het boerenwerk had Johannes weinig belangstelling. Het was daarom de bedoeling dat zijn twee jaar jongere broer Hendrik later de boerderij zou overnemen.

In 1859 zette hij zijn werk weer voort en hield druk bezochte bijbellezingen, o.a. bij een boer in Dodewaard. Hier ontmoette hij ds. Otto Heldring, die enige jaren daarvoor in Zetten een tehuis had geopend voor prostituees en ongehuwde moeders. Het was vooral Heldring die Johannes op het spoor van het Réveil zette. Door de aanraking met deze beweging nam de bewogenheid met armen en vooral met verwaarloosde jeugd steeds toe.

Tijdens zijn studiejaren werd Johannes steeds kritischer

Het Réveil Het Réveil (1815-1865) was een internationale beweging binnen de protestantse kerk die zich afzette tegen het rationalisme uit de verlichting. Het réveil legde de nadruk op de eigen beleving van de godsdienst. Bilderdijk was de grondlegger van deze beweging in Nederland. Da Costa en Groen van Prinsterer waren enkele van zijn belangrijkste leerlingen. Vanaf 1845 werd de maatschappelijke betrokkenheid in Réveilkringen steeds groter. Armenzorg, hulp aan verwaarloosde jeugd (Van ‘t Lindenhout), aan prostituees en ongehuwde moeders (Heldring) en aandacht voor zwakzinnigen werd een belangrijk onderdeel van de beweging.

Boerderij ‘Het Vossenhol’ in Beuningen. (Foto: www. oudbeuningen.nl)

22


LEVEN UIT GODS HAND

Johannes van ‘t Lindenhout en Hendrina Sipman (Foto: Van ’t Lindenhout­museumarchief)

Otto Heldring werd een leermeester voor Van ‘t Lindenhout. Hij zegende enkele jaren later in 1862 ook het huwelijk in tussen Johannes Van ‘t Lindenhout en de uit Randwijk afkomstige boerendochter Hendrina Sipman.

rotsvast vertrouwen in God. Hij was ervan overtuigd dat hij voor de Heer werkte, dat deze ervoor zorgen zou dat de financiën er zouden komen en dat de Heer hem later voor zijn werk zou belonen. Hij wilde leven ‘uit Gods hand’.

WEESVADER

EEN GROEI VAN DE WEESINRICHTING

Al gauw drong de faam die Van ‘t Lindenhout in de Betuwe verwierf door in de stad Nijmegen. Zijn bijbellezingen werden hier een groot succes. Voor het geven van die lezingen was door zijn vrienden een leegstaande herberg in de Lange Brouwersstraat aangekocht. Hier ging Van ‘t Lindenhout met zijn gezin wonen. Veel kamers bleven echter leeg. Zij besloten deze kamers te gebruiken voor de opvang van wezen. Zij wilden deze wezen een toekomstperspectief bieden. Vooral de geestelijke opvoeding achtten zij van belang. Daarnaast zouden de meisjes opgeleid worden tot dienstbodes en de jongens tot ambachtslieden. Na een half jaar waren er al achttien wezen in huis. Hoewel er in die tijd nog niet heel veel geld binnen kwam, kon Van ‘t Lindenhout de opvang bekostigen door liefdegaven van de Nederlandse protestanten, vooral van hen die dachten vanuit de idealen van het Réveil. Van ‘t Lindenhout wilde geen salaris voor zijn werk. Hij en zijn vrouw, die in alles met hem samenwerkte, hadden een

Al gauw raakte het weeshuis in de Lange Brouwerstraat onverantwoord vol. Er waren in 1866 al meer dan 80 wezen. Zelfs op de vliering liet Van ‘t Lindenhout kamers timmeren om daar meisjes te kunnen laten slapen. De gebroeders Jansen, twee Beuningse oud-klasgenoten en geestverwanten kochten in 1866 een boerderij met grond in Neerbosch en gaven een deel van de grond aan Van ‘t Lindenhout om daar een nieuw weeshuis te bouwen. Van ‘t Lindenhout was een goede organisator en wist veel publiciteit voor zijn werk te verwerven. Hierdoor stroomden er giften uit het hele land binnen. In het eerste jaar (18631864) wist hij 4.500 gulden bij elkaar te krijgen. Zes jaar later was dit een bedrag van 30.000 gulden. Er waren toen inmiddels 300 wezen aan zijn zorg toevertrouwd. De weesinrichting breidde zich gestaag uit. Er werden zowel jongens als meisjes opgenomen. Hierdoor konden broertjes en zusjes nog contact met elkaar houden. Dat was voor die tijd nog bijzonder, omdat in veel kringen nog de opvatting heerste dat dit tot ‘zedeloosheid’ zou leiden. Een belangrijke uitbreiding van de weesinrichting was de drukkerij. De uitgaven van het weekblad Het Oosten, de Weezen Almanak en andere stichtelijke bladen zorgden voor publiciteit en voor een vaste bron van inkomsten. In het weekblad Het Oosten werden ook de namen van de gulle gevers bekend gemaakt, in de hoop dat anderen hun voorbeeld zouden volgen. De weesjongens konden in de drukkerij een opleiding tot drukker, zetter of binder krijgen.

De overtuiging om voor de Heer te werken spreekt uit dit wandbord. (Foto: Adriaan Maters in het Van ‘t Lindenhoutmuseum)

23


Dit waren de eerste gebouwen die in de nieuwe weesinrichting gebouwd werden. Rechts was het meisjesweeshuis, in het midden de woning van Van ‘t Lindenhout en links het jongensweeshuis. Daartussenin was de speelplaats. (Foto: Van ’t Lindenhoutmuseum-archief)

Voor de allerjongsten werd al snel het zogenaamde moederhuis gebouwd. (Foto: Van ’t Lindenhoutmuseum-archief)

Hoewel er aparte huizen voor jongens en meisjes waren, hadden de kinderen toch de gelegenheid elkaar te ontmoeten. (Foto: Van ’t Lindenhoutmuseum-archief)

We zien hier de leerling-smeden onder leiding van baas Steven Mulder. (Foto: Van ’t Lindenhoutmuseum-archief)

Ook voor andere ambachten kwamen er werkplaatsen met o.a. een bakkerij, een klompenmakerij, een meubelmakerij, een kleermakerij en een smederij. De jongens hielpen bij het timmeren en het metselen van de gebouwen die op Neerbosch verrezen.

had daardoor minder contact met zijn medewerkers en naarmate hij ook meer activiteiten buiten het kinderdorp ontplooide, had hij minder controle op zijn personeel. Hij had daardoor niet in de gaten dat zij soms wat al te hardhandig optraden en dat er in sommige gevallen zelfs sprake was van kindermishandeling. Het werken vanuit de liefde voor God en de bewogenheid voor kinderen stond bij Van ‘t Lindenhout voorop. Hij ging er vanuit dat dit bij zijn personeel ook zo was en zag niet altijd waar het mis ging.

Voor de meisjes kwam er een wasserij, een keuken en een naaiatelier. Daarnaast werd er een moestuin aangelegd, waarin ook de kinderen werkten. Het streven was om zoveel mogelijk zelfvoorzienend te zijn.

De naamsbekendheid van de Weesinrichting Neerbosch werd steeds groter. Veel predikanten kwamen kijken. Er werden voor deze predikanten ook conferenties gehouden. Overal in het land waren Neerbosch’ avonden, die als doel hadden fondsen te werven. Van ‘t Lindenhout kwam op deze avonden preken en nam dan vaak het eigen Neerbossche zangkoor mee.

Het geestelijk heil bleef heel belangrijk. Er werd een Weezenkapel gebouwd en er kwamen scholen. Goed onderwijs en een goede vakopleiding waren voor Van ‘t Lindenhout essentieel, want daardoor konden de kinderen een goede toekomst tegemoet zien. De weesinrichting bleef maar groeien. Er kwam een ziekenhuis, een eigen begraafplaats, de kapel en de gebouwen werden vernieuwd. De instelling kreeg steeds meer het karakter van een klein dorp.

Bij een van deze avonden was ook prinses Marianne, de tante van koning Willem III. Zij was erg onder de indruk van en schonk een bedrag van 1000 gulden. Van ‘t Lindenhout zocht steeds weer naar mogelijkheden om oudere wezen een plek in de maatschappij te geven.

Die snelle groei had ook zijn nadelen. Van ‘t Lindenhout

24


Op de foto hierboven zien we links de belangrijkste straat van het Wezendorp. Vooraan de kerk, aan de zijkanten de scholen en achteraan de weeshuizen met in het midden aan het eind de directeurswoning. Aan de rechterkant staan de gebouwen waar de kinderen een vakopleiding kregen. (Foto: Van ’t Lindenhoutmuseum-archief) Van de Weezen Almanak werden jaarlijks ongeveer 30.000 exemplaren gedrukt. (Foto: Van ’t Lindenhoutmuseumarchief)

Daarvoor reisde hij zelfs naar Amerika. Hij ontmoette daar sympathisanten, die bereid waren jongens en meisjes op te vangen. Tientallen kinderen emigreerden later naar de Nieuwe wereld.

De kapel nam een centrale plaats in op de weesinrichting. Aanvankelijk zat er nog geen torenspits op. De gebroeders Houtman ,die jarenlang in Neerbosch gewoond hadden, en later een aannemersbedrijf in Den Haag begonnen waren, schonken de spits uit dankbaarheid voor hun verblijf. (Foto: Van ’t Lindenhoutmuseum-archief)

DE KWESTIE NEERBOSCH In 1893 werd ernstige schade aan het werk en de persoon Johannes van ‘t Lindenhout toegebracht. In een brochure beschuldigden Amos van Houten en Gerard van Deth de weesvader en de weesinrichting van allerlei misstanden. De kwestie begon met een brief van Van Houten aan Jacob van ‘t Lindenhout. Jacob was een zoon van Johannes en werkte als adjunct-directeur in de weesinrichting. In de brief kondigde Van Houten aan een brochure te zullen schrijven over de misstanden in Neerbosch. Voor een

bedrag van 293 gulden zou hij hiervan af willen zien. Toen Johannes hiervan hoorde, maakte hij deze poging tot chantage onmiddellijk openbaar. Van Houten had een tijdlang als hulponderwijzer in Neerbosch gewerkt, maar kreeg in 1892 een verzoek om ontslag te nemen, omdat hij ‘op een christelijke school misplaatst was’. Vol wrok was hij begin 1893 uit de weesinrichting vertrokken.

25


Rond 1893 woonden er in de weesinrichting bijna 1100 wezen. In de Bethelkerk is nu het Van ‘t Lindenhoutmuseum gevestigd. (Foto: Van ’t Lindenhoutmuseum-archief)

Na de openbaarmaking reageerde Van Houten met de uitgave ‘De weesvader Van ‘t Lindenhout ontmaskerd. Onthullingen over de weesinrichting te Neerbosch’. Deze uitgave bevatte twee brochures. De ene was van Van Houten, de andere van oud-zeekapitein Gerard van Deth, met wie Van Houten samenwerkte. De twee kinderen van Van Deth waren na het overlijden van hun moeder in 1892 een jaar lang als half-wezen opgenomen in de weesinrichting. Volgens Van Deth was de slechte behandeling van zijn kinderen aanleiding tot het schrijven van de brochure. Van Deth beschuldigde Van ‘t Lindenhout ervan het weeshuis opgericht te hebben om over de rug van welwillende burgers rijk te worden. Van Deth klaagde over de slechte voeding, de opvoeding en vooral ook over de mishandeling die de kinderen ten deel vielen. Een staatssubsidie van 3.000 gulden zou Van ‘t Lindenhout geweigerd hebben om geen inspecteurs op zijn terrein te hoeven toelaten. Ook werd Johannes van ‘t Lindenhout in een tweede door van Deth geschreven brochure verweten meisjes onzedelijk te hebben betast.

besteed. Voor- en tegenstanders roerden zich. Oudbewoners werd om hun mening gevraagd. Veelal was deze mening over de weesinrichting positief. Van ‘t Lindenhout besloot om een onderzoekscommissie in te stellen, die een objectief oordeel moest vellen. Voorzitter van de commissie werd Tweede Kamerlid jonkheer mr. Hendrik Willem de Beaufort. Hij was een erudiete man die in hoog aanzien stond. Andere gezaghebbende personen zoals oudminister De Savornin Loman en de Utrechtse hoogleraar Jan de Louter traden tot de commissie toe. Toch kwam er kritiek op de commissie. Het zouden teveel geestverwanten van Van ‘t Lindenhout zijn. De onderzoekscommissie kwam uiteindelijk met een mild oordeel. Ze sprak Van ‘t Lindenhout vrij van de zware beschuldigingen. Ze stelde dat Van ‘t Lindenhout zichzelf nooit verrijkt had en dat er geen bewijzen waren voor onzedelijke handelingen. Wel kreeg zijn vrouw een veeg uit de pan: zij zou naar het oordeel van de commissie vaak te hardhandig optreden. De commissie deed een aantal aanbevelingen voor een betere financiële boekhouding en een betere hygiëne. Ook vond de commissie dat het aantal bewoners van Neerbosch teruggebracht moest worden, want door een te snelle groei van het aantal bewoners was een deel van de problemen, zoals de overvolle slaapzalen ontstaan. Op deze punten kreeg Van Houten gelijk.

Van Houten schreef vooral over zijn ervaringen als onderwijzer en toezichthouder. Hij schreef dat in een slaapzaal wel 118 jongens sliepen, terwijl hij maar 96 bedden had geteld. In de slaapzalen was een slechte ventilatie en hygiëne. Er was bijvoorbeeld maar één privaat, waar ook water gehaald moest worden.

Hoewel Van ‘t Lindenhout dus vrijgesproken werd, had de mediahype rond deze kwestie wel tot gevolg dat er veel minder geld binnenkwam en dat de weesinrichting begon te krimpen: aan het begin van de twintigste eeuw waren er nog ruim rond vijfhonderd kinderen. Daarmee werd toch aan een van de voorwaarden van de onderzoekscommissie voldaan.

Hij beschreef het wasritueel, waarbij het schoonpoetsen van de gezichten van de jongens een taak was van een meisje dat ‘zelf nog een kind was’. De jongens werden met twee, drie wasbewegingen gewassen en moesten hun gezicht droog maken met hun mouwen. Een handdoek kregen ze niet. Ook de medewerkers hadden het volgens Van Houten slecht. Hij besloot zijn relaas met het voorval van een werkstaking van het onderwijzend personeel. Die staking zou zijn gegaan over het eten van bedorven voedsel dat de onderwijzers voorgeschoteld kregen.

DE JAREN TOT 1903 Een belangrijke stap het eerherstel van Van ‘t Lindenhout was het bezoek dat koningin Emma met haar dochter, de latere koningin Wilhelmina, aan de weesinrichting bracht. Zij had grote bewondering voor wat Van ‘t Lindenhout tot

In de landelijke pers werd veel aandacht aan deze kwestie 26


éénpersoonskamers met daarbij gemeenschappelijke ruimtes. In de paviljoens probeerde men een gezinssituatie te creëren. Ook kwamen er steeds meer kinderen die alleen ambulante begeleiding kregen en wel in het eigen gezin bleven wonen. Neerbosch werd een behandelcentrum waar psychologen, orthopedagogen, maatschappelijke werkers en onderwijskundigen de boventoon voerden. De protestants-christelijke levensbeschouwing was niet langer maatgevend. De naam weesinrichting Neerbosch veranderde in ‘Kinderdorp Neerbosch’. Op het gebied van de jeugdzorg veranderde veel. Achttien Gelderse jeugdzorginstellingen fuseerden in de overkoepelende organisatie, die de naam Stichting Lindenhout kreeg. Een postuum eerbewijs aan de oprichter van weesinrichting Neerbosch. In 1996 verhuisde deze stichting van Neerbosch naar Arnhem. Wel zijn er op het Neerbossche terrein nog verschillende jeugdzorginstellingen actief, gerelateerd aan het autistisch spectrum. Het terrein werd aan een projectontwikkelaar verkocht, met de restrictie dat de enkele gebouwen die er nog stonden als beschermd monument niet afgebroken mochten worden. Te midden van deze gebouwen glorieert de Bethelkerk. In deze kerk is nu het Van ‘t Lindenhoutmuseum, waarin de geschiedenis van de weesinrichting zichtbaar gemaakt is. Het museum, dat zeer de moeite waard is, is elke woensdag en elke eerste zondag van de maand geopend, daarnaast kunnen groepen een afspraak maken.

De publicatie van Van Deth en Van Houten (Afbeelding: Van ’t Lindenhoutmuseum-archief) Het verslag van de onderzoekscommissie (Afbeelding: Van ’t Lindenhoutmuseum-archief)

stand had gebracht. In 1900 overleed zijn vrouw Hendrina. Zij was al die tijd mede-directeur geweest. In 1903 stopte Van ‘t Lindenhout op 66 jarige leeftijd als directeur. Hij werd opgevolgd door dominee Schrijver. Schrijver had een zakelijker instelling. Hij ging er toe over om ook voogdijkinderen op te nemen. Nog bijna vijftien jaar bleef Van ‘t Lindenhout over de weesinrichting schrijven, totdat hij in 1918 stierf. Hij werd in Nijmegen begraven.

Noten 1 Met dank aan Anne-Marie Jansen, conservator van het Van ‘t Lindenhoutmuseum. 2 Neerbosch was vroeger een zelfstandig dorp en is nu een stadswijk van Nijmegen. Het kinderdorp Neerbosch lag ten westen van het MaasWaalkanaal, grenzend aan Weurt.

VAN WEESINRICHTING TOT KINDERDORP Nadat Van ‘t Lindenhout gestopt was als directeur, vond er een aantal belangrijke veranderingen plaats. Door de kinderwetten die in 1905 in werking traden, konden kinderen uit huis geplaatst worden. Vanaf die tijd kwamen er naast weeskinderen ook veel voogdijkinderen. Een voordeel daarbij was dat de financiële ondersteuning door het rijk voor deze kinderen beter geregeld was. Neerbosch hoefde niet meer ‘uit Gods hand’ te leven. Het aantal kinderen dat Neerbosch bevolkte bleef lange tijd constant. Bij de volkstelling in 1930 telde men er rond de vijfhonderd. Na de Tweede Wereldoorlog veranderde veel. Vooral in de jaren zestig. Naast wezen en voogdijkinderen kwamen er nu ook kinderen met psychische problemen. De kinderen kwamen niet meer uit het hele land, maar vooral ook uit de regio.

3 Een oom van Johannes Van ‘t Lindenhout woonde op boerderij ‘De Oude Tempel’ in Beuningen. Deze boerderij is gebouwd op de fundamenten van een kasteel dat hier vroeger stond en dat waarschijnlijk al een pleisterplaats was van de tempeliers. Literatuur Renssen, Anton van, Het wezendorp Neerbosch, de protestants-christelijke weesinrichting Neerbosch en haar stichter Johannes van ‘t Lindenhout, academisch proefschrift, Nabij producties Nijkerk 2015 Rullman, Henk; Brauer, Myra; Jansen, Anne-Marie, 1863-2013 Kinderen van Neerbosch, Ds. G. Boerstichting Neerbosch 2013 Rosendaal, Joost, Johannes van ‘t Lindenhout, vader van 20.000 kinderen, Ds. G. Boerstichting Neerbosch 2013 Renssen, Anton van, Bewogen door kinderen, Print Rendement Beuningen z.j. Altena, Peter, Neerbosch’ nieuws uit Het Oosten, Het Nijmeegs Katern 29, Nieuwsbrief voor de geschiedenis van stad en streek, Numaga oktober 2015 www.vantlindenhoutmuseum.nl / www.kinderdorpneerbosch.nl. www.huisvandenijmeegsegeschiedenis.nl/info/Kinderdorp_Neerbosch. www.kinderdorpneerbosch.nl/Paginas/Geschiedenis.htm.

Eind jaren zestig wilde het dorp vooral gezinsvervangend te zijn. Er werden nieuwe paviljoens gebouwd die de vorm hadden van een honingraat. In plaats van slaapzalen met lange rijen bedden kwamen in deze paviljoens zestien

27


Niet alleen Indische Nederlanders, Molukkers, Chinezen, Surinamers of Antillianen die in onze streek wonen, herinneren ons aan het koloniale verleden van Nederland. Ook boerderijen, hofsteden en landerijen, gekocht met kapitaal dat vergaard is in de Oost (voluit: Nederlands OostIndië, nu Indonesië), zijn even zo vele herinneringen aan de Nederlandse aanwezigheid in Indië.

KOLONIALE RIJKDOM IN MAAS EN WAAL

Cor van den Heuvel en Jos van Oijen

O

ADRIAAN BOESSES, LAATSTE HEER VAN DE HEERLIJKHEDEN LEEUWEN EN PUIFLIJK

de tijd dat bijvoorbeeld peper in Nederland belandt, is ze letterlijk peperduur. Als de Portugezen de weg naar Indië vinden, nemen ze het monopolie op de handel in de kostbaarheden uit het verre Oosten over. Geen wonder dat de Hollanders zèlf een weg zoeken naar die exotische streken. Zo varen dan durfals als Barentz, De Houtman of Tasman uit over zeeën en oceanen op zoek naar profijt. Omdat zulke reizen erg kostbaar zijn en de risico’s groot, besluiten de kooplieden uit de steden Amsterdam, Delft, Enkhuizen, Hoorn, Middelburg en Rotterdam om samen te werken. Ze richten de V.O.C. op.

p 30 april 1784 passeert in Utrecht een akte tot verkoop van: “Allodiale en feodale goederen van het huis Leeuwen en Puiflijk en onder Leeuwen, Puiflijk, Borgharen, Druten, Wamel, Dreumel, Alphen en Altforst door Salomon Johan baron Van Gerschdorff“ aan een zekere Adriaan Boesses. Deze Adriaan wordt daarmee de laatste heer van de heerlijkheden Leeuwen en Puiflijk. Maar in 1784 woont Adriaan nog in Batavia in de Oost. Tijdens zijn verblijf daar laat hij zich wel vaker vertegenwoordigen door iemand als legerofficier Van Oijen (ook een Tielenaar) om aandelen of goederen te verhandelen. Een kwestie van (zeer groot) vertrouwen.

Tijdens een debat in de Tweede Kamer in 2006 meent toenmalig premier J.P. Balkenende, dat we wel wat “VOCmentaliteit“ kunnen gebruiken. Het levert hem hoon en kritiek op. Niet ten onrechte!

Adriaan Boesses wordt op 6 november 1742 in Tiel geboren als zoon van ritmeester Vincent Boesses en Suzanna van Lidt de Jeude. Het is een patricisch gezin dat in redelijke welstand leeft, maar niet bekend staat als schathemeltje rijk. Wel heeft met name de familie Van Lidt de Jeude enkele bezittingen, waaronder grond en een hoeve in Kerk-Avezaath. Zijn rijkdom heeft Adriaan dus niet van de familie. Hoe heeft hij die rijkdom dan wél verworven?

In 1602 wordt de Verenigde Oost-Indische Compagnie (Generale Vereenichde Geoctroieerde Compagnie) opgericht. De compagnie is feitelijk de eerste naamloze vennootschap. Iedereen kan in principe naamloos aandelen kopen en verkopen. De VOC kent vier afdelingen: Amsterdam, Zeeland, West-Friesland en Maaze. Ze heeft in de zes al genoemde steden kantoren, die kamers worden genoemd. Samen op zoek naar rijkdom, zoveel mogelijke rijkdom. Dat was het ultieme doel. En die rijkdom is vooral te vinden in verre oosterse streken. De Staten Generaal van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden steunt de VOC van harte in de zoektocht naar die lonkende rijkdommen. Zo mag de Compagnie een eigen leger hebben, eigen munten slaan, in de handelsposten zelfstandig de zaken regelen en verdragen sluiten. Vooral het leger zal in de kleine twee eeuwen van het bestaan van

HANDEL Kooplieden willen goederen liefst zo goedkoop mogelijk inkopen en zo duur mogelijk verkopen. Zeker als het kostbare goederen zijn, als zijde of specerijen. Eeuwenlang zijn ze afhankelijk van Arabische handelaren, die over de zijderoute naar China trekken en bij terugkomst hun waren duur verkopen aan Europese kooplieden. Tegen

28


MET GEWEREN EN KANONNEN WORDEN INHEEMSEN GEDWONGEN.

Rach, ‘Tuin van Carel Frederik Severin bij Batavia’ (1760-1780). (Anno 2002 heet de weg Jl. Pangerang Jayakarta).

EEN INGEWIKKELDE KWESTIE VAN RUILEN

de VOC een wezenlijke rol spelen. Met geweld verslaat de Compagnie de Portugezen en neemt haar monopolie over. Willen de “inheemsen“ niet voor de VOC werken of hun producten niet tegen de geboden lage prijzen verkopen? Wel, kanon en geweer bieden uitkomst.

Maar zo eenvoudig is al dat kopen en verkopen in de praktijk niet. Het oosten kent hoog ontwikkelde beschavingen, die niet te verleiden zijn met kraaltjes en spiegeltjes. De heersers waarmee verdragen moeten worden gesloten, zijn alleen te paaien met Europese wapens, medische handboeken en medische instrumenten of goud en zilver. Goud en zilver hebben de Hollanders en Zeeuwen niet. Dat halen ze op de Goudkust van Afrika of in Zuid-Amerika. Lang niet altijd is er sprake van eerlijke (ruil)handel met textiel, wijn, olijfolie, salpeter en opium voor de kostbare metalen. Vaak, veel te vaak, wordt geweld gebruikt of wordt er een veel te lage prijs betaald. Ons bekendste voorbeeld is de zilvervloot van Spanje, veroverd door Piet Heijn. Zijn naam is klein en zijn daden benne groot, nietwaar? Met goud en zilver op weg naar het verre oosten om peper, salpeter en slaven te kopen in India, kaneel op Ceylon, porselein en zijde in China. Op de Banda-eilanden worden foelie en nootmuskaat in monopolie goedkoop voor de VOC geteeld en op Java zorgen overeenkomsten met de vorsten voor goedkope thee, koffie en rijst.

In de loop van de tijd krijgt de VOC vele handelsposten: Batavia, Ceylon, de Noordoostkust van Java, Ambon, Makassar, Banda, Malabur, Molukken, Kaap de Goede Hoop, Coromandel, Malakka, Bantam, Japan, Formosa, Bengalen, Perzië. Let wel: het zijn handelsposten. De Compagnie is niet geïnteresseerd in koloniseren van die oosterse gebieden. Ze wil er zo voordelig mogelijk handelen en als geweld daarbij helpt, dan wordt dat gebruikt. Lang bejubeld, nu onderhevig aan stevige kritiek, is de verovering van de Banda-eilanden in 1622 door J.P. Coen. Vrijwel de hele bevolking is daarbij uitgeroeid en dwangarbeiders moeten voortaan de specerijen telen die alleen aan de VOC mogen worden geleverd. Coen heeft het zo begeerde monopolie verwezenlijkt. Zoals men weet, levert een monopolie het meeste winst op. Zo verkrijgt de VOC met geweld ook het monopolie op de handel in opium op de Coromandelkust van Oost-India. Hoe groot de rol van het geweld is bij handel en uitbuiting mag blijken uit het feit dat rond 1700 de helft van de VOC dienaren militair is. Verzet is er genoeg, maar speren en messen delven het onderspit tegen kanonnen en geweren.

Het centrum van al deze handel in de Oost is Batavia, het huidige Djakarta. Van daaruit zeilt de retourvloot met alle kostbaarheden naar Amsterdam. De schepen komen lang niet altijd en lang niet allemaal behouden aan. Ze vergaan in stormen of worden gekaapt. Desondanks worden er vaak enorme winsten behaald door onze eerste multinational.

De Heren Zeventien, de bestuurders van de VOC in Holland, krijgen de hun beloofde winsten door de handel in een veelheid van goederen. Peper natuurlijk, maar ook kruidnagel, nootmuskaat, foelie, kaneel. Naast die specerijen verhandelt de compagnie ook rijst, koffie, thee en suiker of salpeter voor buskruit. Bovendien koopt en verkoopt ze opium, goud en zilver, koper en tin, porselein en olifanten, zijde, tapijten, textiel en slaven, vooral jonge mensen uit India.

NAAR DE OOST Op 22 januari 1759 scheept de Tielse onderkoopman Adriaan Boesses zich namens Amsterdam in op de “Lekkerland“ om naar Batavia te varen. Na 170 dagen komt hij aan op Kaap de Goede Hoop, waar vers fruit, groenten en fris water worden ingeslagen. Negentien dagen later vertrekt de Indiëvaarder naar Batavia, waar ze 255 dagen na vertrek uit Amsterdam aan komt. Adriaan zal er zevenentwintig jaar blijven, trouwen en kinderen krijgen, maar vooral gestaag carrière maken als trouw dienaar van 29


de Compagnie. Hij begint met een salaris van veertig gulden per maand. Elke promotie echter levert weer meer geld op. En hij maakt vaak promotie. In loop dan zijn carrière krijgt hij posten, die hem veel “stille winsten“ opleveren. Daarmee is Adriaan overigens niet de enige. Vrijwel al het personeel van de VOC, van hoog tot laag, pikt een graantje mee buiten de VOC om. “Braaf plichten vervullen maakt ook overzee niemand rijk en iedereen kijkt altijd uit naar bijverdiensten.“ Een bijzonder voorbeeld is in die achttiende eeuw de gouverneur van Oost-Java. Hij verdient bij de VOC 2400 gulden per jaar, maar door bijverdiensten (ook onwettige) vergaart hij wel veertig keer meer. Bijverdienen wordt in die tijden normaal gevonden en Adriaan Boesses, getuige zijn rijkdom, zal geen uitzondering zijn geweest. Kansen om zijn schatkist te vullen heeft hij in al zijn functies. In 1776 is hij eerste administrateur voor de “negotiepakhuizen“ op de eilanden “Onrust“ (nu Pulau Onrust of Pulau Kapal) en “de Kuiper“ en in 1779 is de geboortige Tielenaar opperkoopman en sabandhaar. Een sabandhaar is een tussenpersoon die goederen controleert die worden ingevoerd en waar belasting of tol over moet worden betaald. Van de VOC beurt hij daar zestig gulden per maand voor. Kansen om wat extra te verdienen, zijn dan ook volop aanwezig. Zeker als hij bij zijn gestage klim door de hiërarchie van de VOC, directeur wordt van het Amphioengezelschap in 1779. De handel in opium (amphioen) is zeer winstgevend en een bron van rijkdom voor alle handelaren. Corruptie is algemeen en de VOC is er nooit in geslaagd daar een eind aan te maken.

Portret van Anna Adriana Severin/Severijn Boesses.

Coromandelkust van India. Anna Sibilla Haselkamp is op 21 mei 1783, kort voor haar tweede huwelijk, bevallen van Anna Adriana, dus de dochter van Carel Frederik Severin/ Severijn. Het echtpaar Boesses-Haselkamp krijgt nog twee kinderen: zoon Vincent Adriaan (26 juni 1784) en dochter Suzanna Elisabeth (27 oktober 1785). Adriaan is dan al jaren lid van de vrijmetselaars, zelfs een van de oprichters en bestuursleden van de loge “La Vertueuse” in Batavia. Dat verklaart waarschijnlijk de symbolen in het timpaan van het Huys te Leeuwen.

TERUG IN HOLLAND

In 1783 is Adriaan lid van de Raad van Indië (daar krijgt hij tweehonderd gulden per maand voor), president van het college van schepenen en kolonel van de burgerij. Hij hoort tot de koloniale elite. Hij heeft een uitgebreid netwerk van vrienden, bekenden en zakenrelaties. Adriaan Boesses raakt zo ook bevriend met Dirk van Hogendorp. Dirk is patriot en vindt dat alle mensen vrij, gelijk en broeders moeten zijn. Hij kijkt dan ook kritisch naar de handel en wandel van de dienaren van de VOC. Boesses daar­en­tegen is Oranjegezind, maar dat is blijkbaar geen probleem.

Als Adriaan in 1784 de bezittingen van Salomon Johan baron Van Gerschdorff, waaronder de heerlijkheden Leeuwen en Puiflijk, laat kopen, betekent dat, dat hij plannen heeft om terug te keren naar de Republiek. En zo geschiedt, al duurt het nog een paar jaar. Op donderdag 26 oktober 1786 vertrekt Adriaan met de Oost-Indiëvaarder “Schelde“, als vlootvoogd van de retourvloot uit Batavia. Behalve zijn gezin, andere passagiers, soldaten en bemanning, zijn er ook zeven slaven aan boord. Die zullen in Kaap de Goede Hoop zijn achtergebleven en later mogelijk naar Suriname zijn gebracht.

FAMILIE EN ZO In die zevenentwintig jaar in Batavia heeft Adriaan ook privé het een en ander meegemaakt. Op 31 januari 1768 trouwt hij met Adriana Gertruida Westpalm, die in 1752 in Batavia is geboren. Met haar adopteert hij de dochter van Lientje van Rassier. Het meisje, Adriana, is vijftien maanden als ze uit het weeshuis van Batavia in het gezin van Adriaan en Adriana komt. Adriana Westpalm overlijdt op 9 maart 1781. Het schijnt dat ze wel wat geld heeft nagelaten.

Na de tussenstop bij Kaap de Goede Hoop, komt na 243 dagen de vloot behouden aan in Amsterdam. Adriaan Boesses is inmiddels een rijke en grote meneer geworden, die in Haarlem gaat wonen en daar in 1789 burgemeester wordt. Ook zit hij in het bestuur van het Proveniershuis. Het deftige huis waar het gezin in woont, wordt later de woning van de bisschop van Haarlem. Op 12 oktober 1787 staan Adriaan en zijn vrouw ingeschreven als lidmaat van de Nederduits-Gereformeerde gemeente van Leeuwen; ze wonen in de zomer in hun buitenverblijf in Leeuwen, zoals we zullen zien.

Ruim twee jaar later trouwt de weduwnaar op 28 juni 1783 met Anna Sibilla Haselkamp, de weduwe van Carel Frederik Severin/Severijn. Anna is geboren in Negapatnam op de

30


Rond het Huijs en in de omgeving heeft de familie nog het een en ander aan bezittingen: “Tuinmans-Woning, Orangerie, Trek-Kasten, Broeijerij, Stallingen, Basse-Cour, Engelsche Tuin, Moeshof, Slingerbosschen, Kwekerijen, Menagerie, Duifhuis, Vijvers, Kommen, Visscherijen, Houtgewasch; voorts een Bouwmans-woning, met Schuur, Berg en Karnmolen; dan nog het Huis en Herberg, de Brouwerij en twee Arbeiders woningen, met de daar bij gehorende Bouw- en Weilanden, verdeelt in 25 Parceelen…”

DE RIJKDOM PRONKT JE TEGEMOET. BUITENVERBLIJF

Alles groot zo’n 64 morgen. Daar blijft het niet bij. Op de Drutense Waarden, aan de buitenkant van de dijk, heeft Adriaan Boesses nog veel meer eigendommen: vele morgens aan weilanden, wilgepassen, strangen, onland, bouwland, een steenoven met de naam “Sibillenburg” en het huis dat erbij hoort, een hoeve met hofgrond en boomgaard, nog een andere boerderij met bouwland, een rijswaard en kolken. Niet alles is geld waard, want in de archieven worden de strangen, kolken, laag gelegen gronden en een groot aantal weilanden van weinig of geen waarde genoemd.

In 1793 schrijft Adriaan een brief aan C.F. van Holst, die hij een vriend noemt, waar hij nog geld van tegoed heeft en die hij advies geeft over onderdak in het Proveniershuis. Na die plichtplegingen zingt hij in zijn brief de lof van het aards paradijs in Leeuwen (nu Boven-Leeuwen). In dat jaar woont de familie kennelijk in Den Haag, want Adriaan is ook gedeputeerde in de Staten-Generaal. Maar in de zomer vertoeven ze in hun buitenverblijf “daar het aller aangenaamst is, ik heb hier de kostelijkste en uijtgestreksten visscherijen zo dat ik alle dagen zo veel visch als ik wil op mijn tafel kan hebben, ik heb de kostelijksten en beste vrugten en groentens, zo uijt de trekkasten en broeij bakken als van de koude grond, ik heb een uijtgestrekt land zo van weij als koornlanden, verscheidene aangename bosjes Engelsche en andere tuijnen, ik heb vier vijvers met goudvisjes die zijn zo mooij niet als op Batavia, daar deze cie (verschrijving voor ‘niet’?) langer de grootere dubbelde staarten hebben, die wentschte ik wel daarvan hier te hebben, ook heb ik nog een groote vijver met karpers, en een vijver met allerleij soorten van visch, die ik enkel voor mijn plaisier houde, en dagelijks met mijn gezelschap brood te eten ga geeven, komende de visch dan direct op mijn gefluijt daar…”

Ook in het Huijs pronkt de rijkdom je tegemoet. Ze is onvoorstelbaar voor de meeste dorpelingen, al zullen ze die schatten nooit hebben gezien. Kostbare meubels, Franse klokken en pendules, serviezen voor ontbijt, lunch, thee of diner, ander duur porselein, luxe glaswerk, tapijten, spiegels, tafel- en schoorsteenornamenten, schilderijen, kroonluchters, bijouterieën, spullen van schildpad, agaat, ivoor en chinees koper en andere rariteiten. Er staan boeken op de plank en schilderspullen. In de krotten van de Leeuwenaren is dat allemaal niet te vinden. De tegenstelling tussen arm en rijk is in die tijd schrijnend groot. In de opvattingen van toen echter, van God gegeven. Indische herinneringen

De brief is gedateerd op 31 augustus. Late zomertijd dus.

Het is heel bijzonder, dat Adriaan de boerderijen op de Drutense Waarden en rond zijn Huijs te Leeuwen, namen

Kaart van M.J. de Man van het Huys te Leeuwen met het Sterrebos (1806-1811).

Kaart van de omgeving van het Huys te Leeuwen met ‘Indische’ naam Negapatnam, de plaats waar Adriaans vrouw vandaan kwam.

31


Topografische kaart van omgeving van het Huys te Leeuwen met ‘Indische’ namen Batavia en Banda.

heeft gegeven die hem herinneren aan zijn tijd in Indië. Zo is er de Bataviahoeve, de Bandahoeve, huize Onrust en opmerkelijk, ten zuidoosten van het Huijs, de boerderij Negapatnam. Nou had Boesses ook in andere dorpen bezittingen, zoals bijvoorbeeld op de Elzend in Bergharen of de Heppert in Altforst. In Dreumel is hij zelfs de grootste grondbezitter, maar aan die bezittingen heeft hij geen Indische namen gegeven, voor zover bekend. Ze zijn wél betaald met geld, verdiend in de Oost.

de openbare verkoop aanwezig. De bezittingen worden aan verschillende kopers verkocht. Het is heel bijzonder dat Vincent Boesses en zijn zwager Willem Engelen van Pijlsweert het Huijs in 1826 terugkopen. Het is dan echter gesloopt op het poortgebouw na. De “pôrt“ wordt het voorhuis van een boerenhoeve. Door de aanbouw van een achterhuis ontstaat een T- boerderij. Deze wordt in 1836 gekocht door de broers Krijnen.

DE KINDEREN De kinderen, geboren in Batavia en hier opgegroeid, worden groot en gaan trouwen. Merkwaardig genoeg komen we de geadopteerde dochter nergens meer tegen. Zou ze in Indië achter zijn gebleven of is ze vroeg gestorven? Op 17 april 1801 trouwt de oudste dochter, Anna Adriana, in Haarlem met Adriaan van Bylandt, kolonel bij de infanterie. Zoon Vincent Adriaan wordt ontvanger van de dijk- en polderlasten van het Ambt van Maas en Waal, woont in Nijmegen en trouwt met Jeanneton Henriëtte Nobel. Susanne Elisabeth, de jongste dochter, huwt in de protestantse kerk van Leeuwen op 3 oktober 1808 met Willem Engelen van Pijlsweert.

Huis op de plek van De Brouwerij.

Adriaan Boesses is dan al overleden (8-7-1808). Zijn vrouw sterft ruim een jaar later in Leeuwen op 16 oktober 1809. Ze worden in Tiel begraven en er is een rijke erfenis. De drie kinderen delen gelijk in die rijkdom. Anna Severin is eigenlijk een halfzus. Misschien heeft dat geleid tot enige onenigheid, want pas na jaren worden inboedel, huizen, landerijen, bosschages, vijvers, onlanden, steenoven en boerderijen te koop aangeboden. Het is de echtgenoot van Susanne, Willem Engelen van Pijlsweert, die optreedt als de verkoper. Ten huize van tapper Ernst Ernsten, wonend op “De Brouwerij“ (eigendom van de familie Boesses) op 25 oktober in 1815. De verkoop wordt gedaan door notaris Wiegand uit Nijmegen. Ook notaris Van Marle uit Deventer is bij

Het huidige Huys te Leeuwen.

32


Hier kan de lid worden pagina komen!

33


maart 2017

NIEUWSBRIEF Algemeen Postadres

Openingstijden

Historisch Vereniging Tweestromenland

Woensdag 14.00 - 17.00 uur 1ste zaterdag van de maand uitsluitend op afspraak (drie dagen van tevoren) van 09.30 - 12.30 uur. In de maanden juli en augustus gesloten.

Campuslaan 6, 6602 HX Wijchen De redactie van Tweestromenland behoudt zich het recht voor ingezonden kopij of brieven te weigeren, te redigeren of in te korten.

De Historische Vereniging Tweestromenland heeft een ANBI erkenning ontvangen, ofwel is onze vereniging als een algemeen nut beogende instelling aangewezen. Deze erkenning betekent dat giften, donaties e.d. aan de vereniging onder bepaalde voorwaarden onder de giftenregeling voor de inkomstenbelasting aftrekbaar zijn.

Bezoekadres Documentatiecentrum van de Vereniging Kasteellaan 24, Wijchen, tel. 024 6413012

ALGEMENE LEDENVERGADERING De jaarlijkse Algemene Ledenvergadering zal dit jaar gehouden worden op zaterdag 25 maart 2017. De aanvang zal rond de klok van 13.00 uur zijn. Noteer deze datum alvast in uw agenda. De uitnodiging met daarin de exacte tijd, locatie en het programma zal aan ieder per separate post begin maart a.s. worden toegezonden. Bij deze uitnodiging treft u ook het verzoek aan om de contributie 2017, € 22,00, te voldoen.

NIEUWS VANUIT MUSEUM TWEESTROMENLAND BENEDEN-LEEUWEN Expositie: de historie van de Stoomtram Maas en Waal: te zien vanaf 4 februari tot en met 11 juni 2017 in museum Tweestromenland.

- Druten geopend. Op 8 augustus van datzelfde jaar nog werd het traject doorgetrokken tot Wamel. De opening was een hele gebeurtenis voor de inwoners van Maas en Waal. De stoomtram gaf meer vrijheid van reizen naar Nijmegen binnen het Land van Maas en Waal, waar de meeste inwoners waren aangewezen op paard en wagen of de benenwagen. Bij de feestelijke opening van de lijn hadden inwoners uit de dorpen de vlag uitgehangen.

De expositie geeft een beeld van de historie van de stroomtram in Maas en Waal, periode 1902-1933 met veel foto’s, documentatiemateriaal en een grote maquette. De expositie is tot stand gekomen in samenwerking met Historische Vereniging Wijchen, Historische Vereniging Wamel en de Heemkundevereniging Leeuwen. Bouwers van de Modelspoorclub Maas en Waal bouwen al meer dan tien jaar aan een model stoomtram, schaal 1:64. Deze maquette is in het museum te bewonderen.

In de jaren ’20 liepen de inkomsten sterk terug met gevolgen voor het onderhoud van de rails en het rollend materieel. In december 1933 nam de Maasbuurtspoorweg de exploitatie over en verving de totaal versleten tramlijn door een busdienst. De laatste tram reed op 28 februari 1934, waarna de trambaan werd afgebroken.

Op 8 maart 1902 ging de eerste tram van de NV Stoomtram Maas en Waal rijden. Toen werd het baanvak Nijmegen

34


HISTORISCHE VERENIGING TWEESTROMENLAND Het boek is fraai gedecoreerd met talrijke foto’s uit het eigen bestand van de vereniging of aangeleverd door anderen. 15 Kunstenaars uit Maas en Waal zijn bereid gevonden een plaats in te nemen in het boek. Zij presenteren hier een van hun prachtige kunstwerken en geven er een beschrijving bij. Om het geheel compleet te maken hebben twee beroepsfotografen een aantal schitterende aansprekende foto’s uit Maas en Waal beschikbaar gesteld. Dit rijk geïllustreerde jubileumboek met een harde kaft en bijna 300 bladzijden, geheel in kleur, is voor €22,50 te koop in het documentatiecentrum van de Historische Vereniging en Museum Tweestromenland in Beneden Leeuwen.

FINAAL AANBOD TIJDSCHRIFTEN In verband met de op handen zijnde verhuizing gaan we opruimen.

Museum Tweestromenland, Pastoor Zijlmansstraat 3, 6658 EE Beneden-Leeuwen tel. 0487-595002 info@museumtweestromenland.nl www.museumtweestromenland.nl

De onderstaande tijdschriften bieden wij gratis aan voor belangstellenden. De mededeling in onze vorige nieuwsbrief heeft al de nodige reacties opgeleverd. Maar er zijn nog mogelijkheden. Alle jaargangen zijn compleet of bijna compleet. Midden 2017 – tijdens de verhuizing - worden de niet afgehaalde tijdschriften vernietigd. Reserveringen per mail (tweestromenland@hetnet.nl).

Openingstijden: april tot en met oktober: di, wo, do, za, zo van 13.30-16.30 uur November tot en met maart: di, wo, zo, 13.30-16.30 uur

Twee voorwaarden: 1. Zelf op komen halen.

NOGMAALS: TWEESTROMENLAND IN VERHALEN EN FOTO’S.

2 Alle jaargangen meenemen van gewenst tijdschrift. • Bijdragen en mededelingen Ned. Openluchtmuseum, jrg.1978-1989.

Dit is de titel van het boek dat ter gelegenheid van het 50-jarig jubileum van de Historische Vereniging Tweestromenland is geschreven. In eerdere Nieuwsbrieven hebben wij hier aandacht aan geschonken.

• Heemschut. jrg. 1968-2015. • Mededelingen van de centrale commissie voor onderzoek van het Nederlandse volkseigen. 19491978.

Het is een mooi boekwerk geworden met vele verhalen en foto’s waar veel mensen aan meegewerkt hebben. Vanuit elk kerkdorp in het werkgebied zijn door inwoners de veranderingen beschreven van de afgelopen 50 jaar. Ook de plaatselijke heemkundekringen hebben hier hun steentje aan bijgedragen. Daarnaast zijn er nog aparte hoofdstukken gewijd aan de ontwikkelingen in het onderwijs, de zorg, streektaal en de veranderingen op het gebied van religie.

• Oost Brabantse Heerlijkheden. 1971-1978 (onvolledig). • Osenvorenreeks. De nrs. 1-40. Betreft Kesteren en Omstreken. • Stichting Historisch Boerderij-onderzoek. 1962, 19701982. • Volkscultuur magazine. jrg. 2006-2001.

Het zou geen jubileumboek zijn als de eigen vereniging er geen aandeel in zou hebben. In een van de hoofdstukken geven alle werkgroepen een beschrijving van hun werkzaamheden. 35


Tweestromenland nummer 171  

Magazine Tweestromenland is een uitgave over de streekgeschiedenis van Maas en Waals en verschijnt 4x per jaar in een exclusieve oplage.

Tweestromenland nummer 171  

Magazine Tweestromenland is een uitgave over de streekgeschiedenis van Maas en Waals en verschijnt 4x per jaar in een exclusieve oplage.