ANS-krant 4 (J37)

Page 1

Algemeen Nijmeegs Studentenblad ans.online ANS_online Editie 4 - 16 november 2022

2

Interview

‘Er wordt soms iets gerapt dat ik zelf niet zou zeggen: iets vrouwonvriendelijks bijvoorbeeld.’

3

Column

‘Twee jaar later kwam ik erachter dat er een sluimerende marxist in ons midden zat.’

Interview

RADDRAAIERS VAN DE UNIVERSITEIT

8

Kamervragen

‘Die schilderijtjes zijn niet helemaal mijn smaak, maar het past bij de vakantieachtige sfeer.’

Achtergrond

VAN BOZE BEZETTINGEN NAAR BRAAF BOEGEROEP

Pagina 6: Grote studentenprotesten en maandenlange universiteitsbezettingen lijken fenomenen van het verleden. Hebben studenten de strijdbijl begraven en zo ja, waarom dan? Van het lijf

Pagina 5: In het eerste deel van deze interviewreeks met voorvechters van de universitaire toekomst vertelt wetenschapssocioloog Willem Halffman over groei en concurrentie. ‘Ik vind dat er per universiteit een bovengrens moet worden gesteld aan de studentenpopulatie.’ Email redactie@ans-online.nl Adres Heyendaalseweg 141 6525AJ Nijmegen Tel. 06-45176456

Pagina 4: ‘Op straat zie ik weleens oude mensen minachtend kijken. Dat vind ik altijd wel grappig.’


Wat er verscheen op ANS-online

2

Interview

Terry Joint: ‘In de studio gaat er wel wat doorheen’ tekst Claire Vaessen foto’s Simon Swelsen

‘6 yungboys die liedjes maken over het leven, liefde en geluk’: zo luidt de Instagrambiografie van Terry Joint. Die liedjes, zo ook de onlangs uitgekomen single Binnenkomer, schrijft de Nijmeegse hiphopgroep tijdens wekelijkse studiosessies. Naast muziek maken en blowen gebeurt er op zo’n avond nog iets anders: er wordt eindeloos gediscussieerd. Hoe ziet het schrijfproces van Terry Joint eruit en hoe maken onenigheden er deel van uit?

‘D

it is de studio van mijn vader en oom’, zegt Terry, een van de zes leden van Nijmeegse hiphopgroep Terry Joint. Hij loopt een trap af naar een schaars verlichte kelder, waar vintage meubilair en een rijk scala aan instrumenten elkaar afwisselen. De muren zijn bekleed met posters van drie mannen. ‘Dat zijn de Sjonnies, de feestband waar mijn vader en oom in zitten’, vertelt Terry. Casually late sijpelen drie andere jongens binnen: Cem, Ninny en Timothy. ‘We missen er twee vandaag, want Marek zit in Tsjechië en Flip werkt aan een clip’, delen ze mee. Broederlijk ploffen ze naast elkaar neer op de bank. ‘Ik kom op jouw schoot, Timothy’, waarschuwt Ninny lachend. De leden van Terry Joint schreven hun eerste single voor de grap. Als vijftienjarigen namen ze een rap op met de microfoon van een Wii en hoorden ze zichzelf later terug op ieder middelbare schoolfeestje. Drie albums verder, waarvan de meest recente afgelopen augustus verscheen, zoeken de jongens elkaar nog elke vrijdag op. Het bijkletsen, muziek maken, drinken en blowen wordt tijdens zo’n studiosessie onderbroken door heftige discussies. Hoewel ze Terry Joint zelf als een ironische act zien, hebben de jongens alle zes namelijk een sterke mening en zijn ze bloedserieus over het eindresultaat. Hoe ziet het proces tot een ‘hard’ nummer er voor hen uit en hoe zijn onenigheden daar een onvermijdelijk onderdeel van? Waarom heten jullie Terry Joint? Terry: ‘Nu zijn we allemaal Terry Joint, maar eerst was het mijn bijnaam. Toen we begonnen was ik de centrale persoon, dus brachten we nummers onder mijn naam uit. Mijn eerste naam is Terrence en mijn tweede naam is Jonathan. Terrence werd ooit Terry.’ Cem: ‘En je blowde, hè?’ Terry: ‘Ja, ik blowde. We blowden allemaal.’ Nu niet meer? Ninny: ‘Ik heb dat een halfuur geleden nog gedaan.’ Cem: ‘Tijdens studiosessies gaat er altijd wel wat doorheen. Zonder hebben we ook voldoende inspiratie, maar een beetje wiet helpt het creatieve proces.’ Terry: ‘Het hoort nog steeds bij ons imago, maar eerst was het een groter onderdeel van Terry Joint.’ Cem: ‘Ja, nu drink ik gewoon.’ Ninny: ‘Dat is voor iedereen anders. Ik voel me een beetje in de steek gelaten.’ Cem: ‘Dat hebben we door, jij blowt nu voor iedereen.’ Waar halen jullie de rest van jullie inspiratie vandaan? Terry: ‘Onze ingevingen komen uit de liefde, het leven en geluk.’ Timothy: ‘We zitten tijdens studiosessies met zijn zessen, dan roep je vanzelf gekke dingen over wat je hebt meegemaakt. We schrijven alles met een knipoog. Ik kan me voorstellen dat je sneller naar gevoelige teksten neigt als je in je eentje muziek maakt. Wij zitten hier echter met zijn allen biertjes weg te tikken omdat we later nog de stad in gaan.’ Ninny: ‘Dan ga je niet zo snel zielig over een meisje zingen.’ Hoe zien die studiosessies eruit? Cem: ‘Dat hangt ervan af of we een concreet plan hebben. Als we een nummer willen afmaken of iets moeten bespreken, gaan we daar gelijk mee aan de slag. In andere gevallen gooit iemand een beat aan en freestylen of schrijven we een beetje. Tussendoor praten en drinken we.’ Maken jullie die beats samen? Timothy: ‘Terry en ik zijn de producers. Wij hebben meestal al iets klaarliggen voordat we naar de studio komen. Het maken van een beat kan best even duren, dus het is efficiënter om dat alvast thuis

te doen. Ik wil hier sowieso nooit beats maken, want in deze studio staan echt kutboxen.’ Terry: ‘Als we de beat van tevoren maken, ontstaat er in de studio typische Terry Joint muziek met bars. Als we produceren in de studio, komen er gekke nummers uit, zoals American Fever Dream.’ Ninny: ‘Terry studeert aan het conservatorium: hij leert daar de taal van muziek. Wij leren elke dag dingen van hem. Hij komt met dingen waar wij nog nooit van hebben gehoord.’ Terry: ‘Tegelijkertijd hebben zij een frisse kijk op de muziek. Waar ik het vaak heel moeilijk wil zoeken en focus op details, kijken zij naar de sound in het geheel.’ Ninny: ‘Ik vraag vaak of er een trompetje in kan worden gegooid.’ Bemoeien jullie je ook met elkaars teksten? Ninny: ‘Ja, vaak is iemands tekst kut en dan zegt de rest daar wat van.’ Timothy: ‘Een verse blijft wel diegenes eigen ding. Er wordt soms iets gerapt dat ik zelf niet zou zeggen: iets vrouwonvriendelijks bijvoorbeeld. Ik vind het dan niet aan mij om daar iets aan te doen. Die tekst komt van iemand anders, niet van mij.’ Terry: ‘Als een tekst anders moet, kan het heel geforceerd gaan klinken, omdat je het dan opnieuw moet opnemen. Zeker als iemand een gek stemmetje heeft opgezet voor de microfoon.’ Waar komen die gekke stemmetjes in jullie nummers vandaan? Ninny: ‘Dat is freestylen.’ Cem: ‘We gaan achter de microfoon staan, soms wel een halfuur lang, en doen iets geks.’ Ninny: ‘Het is even in komen. Ik ben gek, we zijn allemaal gek, maar die momentjes moet je wel opzoeken.’ Hoe vormt dat zich uiteindelijk tot een nummer? Terry: ‘Het proces is elke keer anders. Dat maakt het leuk, maar ook lastig, want je hebt geen idee wanneer je klaar bent. Er zijn elke keer weer verrassingen. Uit een freestyle komt vaak een lange audiofile waar ik de beste stukjes uitknip. Ik knutsel eraan tot het hard klinkt.’ Ninny: ‘We komen er meestal halverwege achter dat er een centraal onderwerp in een nummer zit. Dan bouwen we daarop voort.’

Hoe bepalen jullie samen of een nummer ‘hard’ klinkt? Terry: ‘Daar hebben we hele discussies over, vaak op Whatsapp.’ Cem: ‘We zijn met zes jongens, dus dat gaat er heftig aan toe. Het komt weinig voor dat we het meteen over iets eens zijn.’ Timothy: ‘Er wordt over meer dingen nagedacht dan je misschien zou denken. Over kleine dingen, zoals een enkel geluidje, kunnen we eindeloos discussiëren. Het gaat vaak mis als niet iedereen in de studio aanwezig was. Zij horen later wat er is gemaakt en vinden het dan soms niet hard. De anderen, die wel netjes bij de studiosessie waren, hebben er veel tijd in gestoken. Dat schuurt.’ Cem: ‘Dat we nu ver van elkaar wonen maakt het er niet beter op. Eerst woonden we allemaal in Nijmegen, nu zit de een in Enschede, een ander in Groningen en weer een ander in Tsjechië. WhatsApp is gewoon niet geschikt voor discussies: op gegeven moment gaan we elkaar uitschelden.’ Timothy: ‘Dan wint degene die het hardst roept.’ Cem: ‘Nou, vaak stemmen we over een idee of gaan we met zijn allen opnieuw de studio in.’ Durven jullie alles tegen elkaar te zeggen? Timothy: ‘Ja, ik zeg het gewoon als ik iets lelijk vind.’ Ninny: ‘Lelijk?’ Timothy: ‘Als ik iets niet mooi vind, dan vind ik het niet mooi. Ik kan dan beter gelijk eerlijk zijn, in plaats van te wachten tot het nummer bijna uitkomt.’ Zijn jullie ook zo kritisch bij het maken van een videoclip? Terry: ‘Nee, het maken van een clip gaat veel minder in overleg dan de muziek.’ Cem: ‘Flip gaat over de grafische dingen. Hij bedenkt samen met een bevriende videograaf hoe de clip eruit gaat zien.’ Cem: ‘We vertrouwen erop dat het vet wordt.’ Vertrouwen jullie elkaar dan minder als het om muziek gaat? Timothy: ‘Nee, het proces rond een videoclip verloopt gewoon anders. Soms wil ik dat er iets van een clip anders gaat, maar dan gebeurt het niet. Als het om muziek gaat, maken we wel aanpassingen.’ Terry: ‘Ik vind het wel flauw dat Flip van mij verwacht dat ik tijdens het maken van een nummer veel tussenversies stuur, terwijl hij ge-


3 woon zijn gang mag gaan. Dat levert soms onenigheid op.’ Timothy: ‘Ja, mee eens. Het kan zijn dat we daar over een jaar wel afspraken over maken. We zijn niet heel georganiseerd, dus soms gaan de dingen niet helemaal eerlijk.’ Hoe combineren jullie Terry Joint met jullie nieuwe levens in verschillende steden, als jullie niet zo georganiseerd zijn? Timothy: ‘Ik zie het als elke andere hobby. Als ik tijd over heb ga ik eraan werken.’ Terry: ‘ Ik probeer wat ik leer op het conservatorium toe te passen bij Terry Joint en andersom. Het is wel lastig om steeds op en neer te moeten reizen, zeker omdat ik de verantwoordelijkheid draag om de studiosessies te organiseren. Ik merk bovendien dat ik meer de drang heb om dingen te organiseren dat anderen. Ik wil dat er een plan komt, de rest is er wat losser in. Zij zien het echt als hobby.’ Hebben jullie niet dezelfde ambities binnen Terry Joint? Terry: ‘Niet helemaal, maar ik denk dat we allemaal willen doorbreken.’ Timothy: ‘Ja, maar ik weet niet of je dat echt een ambitie kan noemen. Dan zouden we er alles voor opzij zetten. Dat doen we niet, behalve Terry misschien. Hij is een muziekopleiding gaan volgen, wij niet.’ Terry: ‘Maar als je straks merkt dat we bijna doorbreken…’

Cem: ‘Dan ben ik echt wel hyped. Als we een zomertour hebben, dan skip ik school misschien.’ Timothy: ‘Er zit al veel tijd in Terry Joint, dus we weten niet zeker of we zouden doorbreken als we ons er nu vol op zouden storten.’ Terry: ‘Terry Joint is niet het enige wat ik wil bereiken met mijn leven, maar muziek is wel mijn hoofddoel. Daarom sta ik hier zo ambitieus in.’ Schuurt dat wel eens, die verschillen in ambitie? Terry: ‘De afgelopen tijd schuurt het steeds vaker, dan kaart ik ook aan dat ik het lastig vind dat ik meer initiatief neem. Het scheelt dat we met zes zijn. We hoeven niet per se dezelfde ambities te hebben: heel veel artiesten werken in hun eentje. Je hebt elkaar wel nodig, maar het is niet erg als mensen afwezig zijn.’ Timothy: ‘Het is ook geen groot probleem dat Marek nu een halfjaar in Tsjechië zit bijvoorbeeld.’ Terry: ‘Het is wel lastig dat we alle zes een hele sterke mening hebben. Niet iedereen heeft dezelfde ambities, maar iedereen heeft wel een even grote stem.’ Hoe zien jullie de toekomst van Terry Joint? Terry: ‘Ik wil doorbreken.’ Cem: ‘Dat is niet mijn hoofddoel, maar als het gebeurt, dan gebeurt het.’ Timothy: ‘We gaan gewoon door met wat we nu doen.’ Ninny: ‘Ik wil gewoon lekker muziek blijven maken met de boys.’

Temperatuur campus komt niet overeen met plan RU

tekst Michelle Tang

In april van dit jaar werd door het bestuur van de Radboud Universiteit (RU) besloten om de thermostaat te verlagen van 21 graden naar 19 graden. ANS ging op pad om de temperatuur te meten in de campusgebouwen. Uit de meting bleek dat de werkelijke temperaturen niet overeenkomen met de beoogde temperatuur. Voor de zomervakantie kwam de RU met het plan om de thermostaat in stappen te verlagen naar 19 graden. Dit deed de universiteit na de oproep van de overheid om de thermostaat lager te zetten, om zo minder afhankelijk te worden van Russisch gas. Daarnaast wil de universiteit op deze manier de klimaatverandering tegengaan. Ondertussen is de thermostaat verlaging volledig doorgevoerd. De RU heeft besloten dit zo te houden omdat de gasprijzen hoog zijn en omdat het gebruikte gas meer CO2 uitstoot dan Gronings gas. ‘Daarnaast hebben we veel positieve reacties gekregen van medewerkers en studenten die er begrip voor hebben’, zegt Martijn Gerritsen, woordvoerder van de RU. Temperatuurmeting Na een temperatuurmeting in ieder campusgebouw van de RU blijkt dat de temperaturen hoger liggen dan de 19 graden waarop de thermostaat zou zijn ingesteld. De temperaturen in de campusgebouwen horen niet zo hoog te zijn volgens Anja van Kessel, vervangend woordvoerder van de RU. ‘In principe stoken wij niet hoger dan 19 graden. Ik begrijp niet waarom de temperaturen dit niet weergeven.’ Gerritsen geeft aan dat het te maken kan hebben met de de zoninval en interne warmtebronnen, maar weet niet of dit de werkelijke oorzaak is van de hoge temperaturen. Daarnaast hebben sommige kantoren een eigen thermostaat die niet op 19 graden staat ingesteld. Geen verschil De meeste studenten merken geen verschil in temperatuur met vorig jaar. ‘Ik voel eigenlijk niks van de temperatuurverandering’, stelt Katja, masterstudent Strategic Management. Ook volgens derdejaars Geografie, Planologie en Milieu stu-

dent Timo is er niks te merken: ‘Het voelt niet kouder in de gebouwen, maar het is een goede zaak dat de RU dit doet.’ In het Huygensgebouw blijft het aan de warme kant volgens tweedejaars Moleculaire Levenswetenschappen student Rebecca: ‘Hier is het altijd lekker knus gebleven.’ Liselotte, tweedejaarsstudent Rechtsgeleerdheid, merkt ook geen temperatuurverschil, maar geeft wel aan het fris te vinden in veel campusgebouwen. ‘Ik kleed me altijd warm aan op de campus’, zegt ze.

‘In principe stoken wij niet hoger dan 19 graden. Ik begrijp niet waarom de temperaturen dit niet weergeven.’ Gebouw

Temperatuur (°C)

Elinor Ostrom

22,6

Linnaeus

20,6

Huygens

21,7

Erasmus

21,5

Universiteitsbibliotheek 21,9 Spinoza

20,3

Thomas van Aquino

20,9

Collegezalencomplex

20,1

Radboud UMC

20,6

Studentenkerk

19,9

Commenius

20,4

Grotius

21,2

LIEFDE EN (KLASSEN)STRIJD Fucking filosofen Kayleigh Hofstede is een derdejaars filosofiestudent die in haar columns haar liefdesleven onder de loep neemt. Met een luchtig marxistisch-feministisch gedachtegoed in haar achterhoofd bestudeert ze haar relaties en wat deze maakt tot toxische cocktails of bruisende bubbels. Voor een vak op de hogeschool, wat niks met enige politiek te maken had, stelde ik mij voor aan de hand van een obscuur Pools kunstwerk van Karl Marx. Twee jaar later kwam ik erachter dat er een sluimerende marxist in ons midden zat. Ondanks de weinig verbloemende marxistische sympathieën in mijn presentatie is hij een jaar lang niet op mij afgestapt. Dat jaar heb ik nooit enig moment gedacht dat hij marxistisch kon zijn. Op de hogeschool ging hij namelijk veel om met, in mijn ogen, anti-marxistische mensen. Des te verbaasder was ik toen hij naar me toe kwam tijdens een #NietMijnSchuld protest. De zon brandde al de hele dag en ik had net twee uur staan schreeuwen tegen politici. Hij deed zijn zonnebril half af en vroeg of ik hem nog herkende. ‘Ik dacht dat jij een fascist was’, hoorde ik uit mijn mond komen. Hij begon te lachen en keek me vragend aan, omdat hij niet begreep waar het vandaan kwam. Hij legde snel uit dat hij nooit een fascist was geweest. Daarna hebben we lang gepraat, zittend op het Malieveld, tussen mensen die ik nu als mijn vrienden beschouw. Die nacht hebben we met zijn allen doorgehaald. Hij vertelde hoe cool hij me vond, ten opzichte van een jaar terug, toen hij me vooral zag als een stil meisje achterin de klas. In het jaar na die demonstratie in Den Haag ontstond een bijzonder kameraadschap. We belandden in dezelfde vergaderingen, hadden steeds meer oog voor elkaar bij het naborrelen en deden zelfs een wanhopige poging tot bezetting van het SP-pand in Nijmegen. Dit uit solidariteit met onze vrienden, die op dat moment in een vergadering zaten met het Nijmeegse partijbestuur en uit de partij dreigden gezet te worden. We hebben die avond het essay gelezen dat de Forum voor Democratie-wedstrijd had gewonnen. Samen hebben we het uitgelachen. Pas een paar maanden later sloeg de vonk echt over. Toen bleef ik voor het eerst bij hem slapen, gingen we voor het eerst op een date en lazen we Lenin. Al snel bleek dat we op veel vlakken complete tegenpolen zijn van elkaar. Hij is erg rustig en naar binnen gekeerd, terwijl ik soms zeer drukke en excentrieke momentjes heb. Hij komt uit de stad en eet graag kaas, terwijl ik van het platteland kom en veganist ben. Ik ben een vloed van emoties, dit compenseert hij met een bijna permanente eb. Dit zorgt ervoor dat we samen een goed verdeeld geheel vormen. Hierdoor bruist onze relatie nog steeds als fritz-kola wanneer je er een papieren rietje in steekt.

tekst Kayleigh Hofstede illustratie Vera Joosten


4

VAN HET LIJF tekst Jarda Bruurmijn en Britt Duijzer foto’s Nienke Cremers

Wie : Jannes Kruidenier (19), eerstejaars

Stijl : Florerend figuur

Sociologie Hoe zou jij je stijl omschrijven? ‘Mijn stijl is vintage en doet denken aan de jaren zeventig en tachtig. Het bevat elementen van traditionele mannenkleding, zoals een stropdas en een jasje. Dit combineer ik graag met kleurrijke en vrouwelijke items. Zo draag ik nu een colbert met een kilt. Deze geruite wollen rok kreeg ik een jaar geleden cadeau van een Schotse kennis. Hij was ervan overtuigd dat het kledingstuk voor mij was gemaakt. Daarnaast draag ik oorbellen en lak ik mijn nagels.’ Hoe heb je je stijl ontwikkeld? ‘Vroeger droeg ik gewoon T-shirts en spijkerbroeken: de H&M- flop era. Ik vond kleding nooit zo spannend. Van het kleurenpalet van de meeste winkels word je ook een beetje depressief, vooral als je naar de mannenafdeling gaat. Er zijn daar drie kleuren: zwart, donkerblauw en met een beetje geluk bordeauxrood. Toen een vriendin mij in de vierde klas meenam naar een tweedehandskledingwinkel, vond ik dat eigenlijk wel leuk. Ik zag daar veel meer verschillende kleuren en stijlen. Sindsdien ben ik echt met kleding bezig. Zo leerde mijn moeder me hoe ik mijn eigen kleding kan maken en repareren. Als er een gaatje in de stof zit, los ik dit bijvoorbeeld op door er een hartje in te borduren.’ Je mengt mannelijke kleding met vrouwelijke elementen. Zit daar een gedachte achter? ‘Naast dat ik het vooral mooi vind, ben ik van mening dat je je niet te veel moet houden aan normen en regeltjes. De stijl van de kleding van mannen is over het algemeen meer rigide dan die van vrouwen, daar kan ik me aan ergeren. Wat ik ook vreselijk vind zijn kakkers die haast opgeblazen in hetzelfde, drie jaar oude en inmiddels te kleine pak rondlopen. Dat vind ik er gewoon echt niet uitzien. Ik denk dat je kleding moet dragen omdat je het mooi vindt, in plaats van om aan de sociale standaarden te voldoen.’ Hoe reageren anderen op deze normoverschrijdende stijl? ‘Het roept vaak gemengde reacties op. Mijn baas zei een keer tegen me: “Jannes, ik zie dat je altijd nagellak draagt en ik heb geen vooroordelen hoor. Maar…” Nadat hij meerdere keren iets soortgelijks had gezegd, dacht ik: “Ja, je kan me ook gewoon vragen of ik homo ben.” Op straat zie ik ook weleens oude mensen minachtend kijken. Dat vind ik altijd wel grappig. Vroeger was ik meer bezig met wat zulke mensen van me dachten, nu vind ik het niet meer zo interessant. Ik kleed me namelijk zo ver van de norm af, dat ik toch wel buiten de boot val. Mijn zelfvertrouwen is gegroeid naarmate ik me meer met kleding bezig ging houden. Als mensen mijn kleding zien, zullen ze wellicht denken: “Dat is een figuur.” Maar ja, misschien ben ik dat ook wel.’ ANS


Interview

5

RADDRAAIERS VAN DE UNIVERSITEIT: WILLEM HALFFMAN tekst Marieke van Ruiten illustratie Jip Meijers

De rek op de universiteit is eruit: docenten zijn overwerkt, de campus stroomt over, een kamer is nog zelden te bemachtigen en studenten zinken steeds dieper de schulden in. Waar komen deze problemen vandaan en kan het ook anders? Raddraaiers van de universiteit vertellen hoe het zit. Deel 1: Wetenschapssocioloog Willem Halffman over groei en concurrentie.

W

illem Halffman, wetenschapssocioloog aan de Radboud Universiteit (RU), zit in de late middaguren op zijn kamertje in het Huygensgebouw ijverig te werken aan iets wat op een academisch stuk lijkt. Vanuit bezorgdheid over de gang van zaken in het hoger onderwijs is hij sinds vijf jaar actief bij de landelijke actiebeweging WOinActie, waarvoor hij als aanspreekpunt aan de RU fungeert. Hij peutert zich los van zijn werk en begint even later met een vriendelijke lach over zijn passie: ‘Het is mijn vak om de wetenschap te bestuderen. Ik ben altijd al geïnteresseerd geweest in waar universiteiten voor dienen, hoe ze zijn georganiseerd en hoe ze zijn gefinancierd’. Halffman vertelt over de moordende concurrentie en onhandelbare groei waar universiteiten in verzeild zijn geraakt. Waarom voert u actie voor het hoger onderwijs? ‘Universiteiten worden te massaal. Je merkt dat collegezalen uit hun voegen barsten, dat docenten de tentamens niet meer krijgen nagekeken en dat woningen, fietsenstallingen en andere campusfaciliteiten onder druk staan. Met name in het bacheloronderwijs is er bij sommige opleidingen nauwelijks nog contact tussen studenten en docenten. Het wordt dan steeds moeilijker om met enige diepgang iets te leren. Academici gaan dan vaak een stuk schrijven over wat er allemaal fout gaat. Het is bijna een literair genre geworden an sich. Mijn hele boekenkast staat vol met titels als De universiteit gaat om zeep, maar het is tijd om in actie te komen.’ Waar komen de problemen op de universiteiten volgens u vandaan? ‘Een model van extreme concurrentie. Ik vind het al erg genoeg dat wetenschappers voortdurend met elkaar moeten concurreren om onderzoeksgeld, vanuit het idee dat de kwaliteit van hun werk daardoor verbetert. Daarnaast concurreren universiteiten onderling ook nog eens voor financiering vanuit de overheid. De grens van dat model is bereikt. Als een universiteit de concurrentieslag ‘wint’ en het studentenaantal plots met 20 of 30 procent groeit, dan gaat de kwaliteit van het onderwijs het jaar daarop achteruit. Geen enkele organisatie kan die groei namelijk aan in een jaar tijd.’ Ze concurreren vaak ook op rare manieren die het onderwijs inhoudelijk niet verbeteren. Universiteiten stoppen bijvoorbeeld veel geld in reclamecampagnes. Ze investeren meer in bushokjes met grote affiches en advertenties in de krant dan in een inhoudelijk beter ‘product’. Op die manier studenten proberen weg te lokken bij andere universiteiten draagt op geen enkele manier bij aan beter onderwijs.’ Dit model van concurrentie, hoe werkt dat precies? ‘De financiering voor universiteiten wordt nationaal verdeeld op basis van het marktaandeel: hoeveel studenten er aan een universiteit studeren als deel van de hele vijver. Daardoor concurreren universiteiten met elkaar en proberen zij steeds meer studenten te trekken, ook over de grens. Als een universiteit erin slaagt om veel internationale studenten binnen te halen, wordt hun aandeel in de vijver groter, waardoor het aandeel van de andere universiteiten kleiner wordt. Zij krijgen dan dus minder uit het onderwijspotje van de overheid. Zodra een universiteit begint met internationaliseren moet iedereen mee om bij te blijven in die slag. Hierdoor zitten we nu met een systeem waarbij alle universiteiten boven hun capaciteit zitten. Ze hebben meer studenten nodig om het hoofd boven water te houden, maar kunnen niet op hetzelfde tempo de faciliteiten uitbreiden en studentenwoningen realiseren.’ Door die competitie wordt de vijver zelf dus ook steeds groter. Hoe moeten we die groei opvangen? ‘Door nieuwe universiteiten te bouwen. Als je steeds meer mensen wilt laten studeren moet je als overheid zorgen dat die ruimte er is, ook voor het leven als student. Ik vind dat er per universiteit een bovengrens aan de studentenpopulatie moet worden gesteld. Op het moment dat ze vol zitten moeten er

dr. Willem Halffman Is als wetenschapssocioloog werkzaam bij het Institute for Science in Society aan de Radboud Universiteit waar hij bestudeert hoe wetenschap en de samenleving met elkaar zijn verweven. Verder zet Halffman zich in voor verandering in het hoger onderwijs. In 2013 publiceerde hij in samenwerking met Hans Radder Het academisch manifest waarin zij hun grieven uitten over het bestuurssysteem op universiteiten. Deze werd goed ontvangen in binnen- en buitenland: inmiddels is het meer dan zes keer vertaald. Daarnaast is Halffman aangesloten bij actiegroep WOinactie dat zich inzet voor de belangen van het universitair onderwijs na jarenlange bezuiningen.


6 nieuwe universiteiten bij komen. Niemand vraagt zich af wat de capaciteit van een universiteit is. Over een lagere of middelbare school zegt men dat wel. Daar heb je een bepaalde hoeveelheid klaslokalen en dat is het dan: meer studenten kunnen er niet bij. Al sinds de jaren zeventig is er geen universiteit bijgebouwd in Nederland. Voor die tijd was het gebruikelijk om een nieuwe universiteit te starten wanneer de studentenpopulatie groeide. Dat is al heel lang niet gebeurd, omdat de overheid zulke investeringen niet meer doet. Drenthe heeft geen universiteit, misschien moeten we er daar eentje stichten, dat is ook goed voor de regio.’ Niet iedere student zal erop zitten wachten om naar Drenthe te verhuizen. Hoe krijgen we studenten daarheen? ‘Zeker op bachelorniveau trekt een universiteit een groot deel van de studenten uit de regio. Op de RU is dat ook zo, dus met een andere regio zou dat gewoon kunnen.’ Afgelopen juni heeft het kabinet een miljardeninvestering voor het hoger onderwijs aangekondigd. Is meer geld voor de huidige universiteiten niet genoeg? ‘Zo’n eenmalige impuls creëert wel zuurstof, maar het model blijft hetzelfde. Ik weet dus niet of dat de problemen gaat oplossen. Vaak zijn investeringen tijdelijk. Alles moet op basis van projecten en vooral niet structureel. Je kunt met tijdelijk geld een extra onderzoeksbeurs aanvragen, maar universiteiten willen er geen vaste mensen mee aanstellen, terwijl we daar juist meer stabiliteit in willen. Om echt iets te veranderen moet de overheid structureel de basisfinanciering opschroeven en minder geld verdelen via nationale competitie.’

‘Een artikel met een geweldige ontdekking is veel belangrijker dan honderd gepubliceerde stukjes met triviale observaties.’

U zegt dat vaste aanstellingen niet stabiel zijn. Hoe komt dat? ‘De concurrentie leidt tot hele snelle verschuivingen in nieuwe studenten, waardoor er met tijdelijke contracten wordt gewerkt. Als een opleiding groeit, dan moeten er weer tijdelijke docenten bij. Is diezelfde opleiding het jaar daarop populairder bij een concurrent, dan moeten er weer mensen weg. Zo kan je onderwijs niet over een langere termijn ontwikkelen. Als docent doe ik mijn best het eerste jaar dat ik een vak geef, maar er moet nog veel aan worden verbeterd. Tijdens het tweede jaar begint het ergens op te lijken en een vak wordt pas echt goed als je het vier of vijf jaar hebt gedoceerd. Als je met tijdelijke docenten werkt zijn die er tegen die tijd niet meer.’ Wetenschappers aan de universiteit staan daardoor ook zodanig met elkaar in concurrentie dat ze onderzoeksvoorstellen schrijven tot ze erbij neervallen. De beoordeling van wetenschappers is de afgelopen jaren gebaseerd op harde, kwantitatieve metingen om te bewijzen dat ze waardevol zijn voor de universiteit. Iemands kwaliteiten worden beoordeeld op hoeveel artikelen ze hebben gepubliceerd, hoe vaak het is geciteerd en hoeveel geld ze hebben binnengehaald. Maar niet op de kwaliteit van de inhoud van het werk of de kwaliteit van het onderwijs dat ze geven. Dat geeft een verkeerd signaal aan jonge wetenschappers, namelijk dat zoveel mogelijk papers publiceren het doel is in het leven.’ Hoe moet wetenschap worden beordeeld zonder kwantitatieve indicatoren? ‘De inhoud moet belangrijker worden dan de hoeveelheid. We moeten richting een beoordelingscultuur waarbij de bijdrage die iemand levert aan de wetenschap het belangrijkst is. Voor die beoordeling moeten experts in dat vakgebied ernaar kijken. Het gaat dan niet om hoe vaak iets is geciteerd, maar of iets heeft bijgedragen aan de ontwikkelingen in een vakgebied. Een artikel met een geweldige ontdekking is veel belangrijker dan honderd gepubliceerde stukjes met triviale

observaties.’ Zo een beoordeling is subjectiever, maar het gaat wel in op de inhoud. Het feit dat maatstaven zoals de hoeveelheid citaties en publicaties objectief zijn, omdat er geen mens aan te pas komt, betekent niet per se dat ze correct zijn. Op de RU zijn we daar overigens wel een slag in aan het maken met een nieuwe visie op erkennen en waarderen.’ Denkt u dat deze vorm van beoordelen realistisch is? ‘Het is niet perfect. Het grote risico is dat er vriendjespolitiek ontstaat. Wetenschappers in hetzelfde vakgebied kennen elkaar vaak. Die komen elkaar op congressen tegen. De grote puzzel is om het niet persoonlijk te maken. Toch denk ik dat het een vooruitgang is ten opzichte van alleen maar naar de cijfers kijken.’ U bent zelf wetenschapper. Hoe ervaart u de druk? ‘Zelf heb ik nog niet zo lang een vaste aanstelling. Via allerlei constructies ben ik rondgeklotst van de ene universiteit naar de andere. In die tijd had ik het idee dat ik veel moest publiceren, want ik wilde bewijzen dat ik waardevol ben. Eigenlijk ben ik juist meer gaan publiceren op het moment dat het niet meer hoefde. Toen ik wist dat ik mocht blijven, kreeg ik rust in mijn hoofd en hoefde ik niet meer als een gek onderzoeksaanvragen te schrijven. In samenwerking met promovendi is het de afgelopen jaren echter bijna vanzelf gegaan, omdat we steeds op dingen komen waarvan ik denk: ‘‘Wauw, dat moeten we opschrijven.’’’ Merkt u dit aan de kwaliteit van uw werk? ‘Goh, dat weet ik niet. Op de cijfertjes let ik niet zo. Waar ik vooral heel trots op ben, is dat het doceren steeds beter is gegaan. Door het feit dat ik een vast contract kreeg, had ik de tijd om mijn onderwijs te verbeteren. Ik kon het oppoetsen tot het glom als een diamantje. Dat hoor ik ook terug van de studenten.’ ANS

Achtergrond

VAN BOZE BEZETTINGEN NAAR BRAAF BOEGEROEP tekst Iris Houben en Philip Schröder illustratie Vera Joosten

Maandenlange bezettingen, massale demonstraties en knokken met de politie: menig Nederlands activist kijkt met enige jaloezie naar de studentenprotesten van de jaren zestig en zeventig. Tegenwoordig lijken protesten niet verder te gaan dan vreedzame demonstraties of bezettingen van slechts enkele uren. Zijn studenten hun strijdlust verloren en zo ja, waarom zijn ze die dan kwijtgeraakt?

W

ie aan studentenstrijd van de vorige eeuw denkt, denkt aan grote bezettingen en uitgebreide protestacties. Zeker in Nijmegen: de eerste bezetting van een universiteitsgebouw in Nederland vond plaats op de Radboud Universiteit (RU), toen nog de Katholieke Universiteit Nijmegen. Deze bezetting leidde zelfs tot het ontslag van de rector magnificus. De studentenstrijd groeide uit tot een beweging waarin studentenbonden enorme aantallen studenten op de been wisten te krijgen. Dit leidde tot grootschalige demonstraties en maandenlange bezettingen van universiteitsgebouwen in Nederland. Geweld werd daarbij niet geschuwd. Protesten werden regelmatig met harde hand neergeslagen en mondden vaak uit in heftige confrontaties met de politie. De acties die tegenwoordig plaatsvinden gaan er een stuk rustiger aan toe dan een paar decennia geleden. Het Compensatieprotest dat de Landelijke Studentenvakbond (LSVb) afgelopen februari organiseerde bestond bijvoorbeeld uit een vreedzame mars door Amsterdam. Het huidige gebrek aan vuur roept de vraag op waarom studenten ogenschijnlijk hun strijdbaarheid in de loop van de jaren zijn verloren. Met een wooncrisis, klimaatcrisis, de invoering van het leenstelsel, een teleurstellende compensatie voor de ‘pechgeneratie’ en een alarmerend aantal studenten met mentale problemen hebben studenten immers niet minder om over te klagen. Tijd voor een duik in het verleden, op zoek naar de plek waar de studentikoze strijdbijl begraven ligt. De roerige jaren zestig en zeventig In 1968 sloeg de vlam in de pan in de studentenwereld. Uit onvrede over het gebrek aan gelijkwaardige inspraak in de

universitaire besluitvorming bezetten studenten enkele universiteitsgebouwen in Nijmegen, Amsterdam en Tilburg. In de maanden daarna werden er verschillende succesvolle acties gevoerd: binnen de kortste keren wisten de studenten gelijkwaardige zeggenschap in het universiteitsbestuur af te dwingen. Dit was een unicum volgens Janos Betkó, voormalig bestuurder van studentenvakbond AKKU en de LSVb. ‘Die grootte van inspraak ging verder dan in bijna elk ander Europees land.’ Na lange bezettingen besloten veel studenten hun studie weer te hervatten, al was niet iedereen tevreden. ‘Wat overbleef was een radicale kern die vond dat ze veel meer inspraak hadden moeten krijgen’, vertelt Betkó. Volgens hem was de verharding ook te zien in de acties die in de jaren daarna werden gevoerd. Zo werd in de jaren zeventig de wiskundefaculteit in Nijmegen maandenlang bezet om de komst van socialistische docenten af te dwingen. Ook braken er in 1988 grootschalige protesten uit tegen de onderwijsplannen van CDA-minister Wim Deetman waar wel 35 duizend studenten aan deelnamen. De studentenbeweging was snel geradicaliseerd. De toegenomen toegankelijkheid van het studeren in de jaren zestig speelde een belangrijke rol in het succes van de studentenbeweging volgens Betkó. ‘Waar studeren voorheen vooral een elite-aangelegenheid was, startte de Nederlandse overheid na de Tweede Wereldoorlog met een speciaal beurzensysteem waardoor ook de kinderen uit de lage- en middenklassen de kans kregen om naar de universiteit te gaan’, stelt hij. Dat leidde in de jaren zestig tot een ongekende groei van de studentenaantallen. Anders dan we vandaag de dag gewend zijn, was er slechts een beperkt aantal verenigingen en organisaties waar studenten zich bij konden aansluiten. ‘Stel je voor dat de hele campus alleen kan kiezen tussen Carolus Magnus, AKKU, Navigators en Kunde, dan krijg

je een hele andere dynamiek’, legt Betkó uit. ‘Dat zou voor duizenden leden bij AKKU zorgen, waardoor studenten ook veel makkelijker kunnen worden gemobiliseerd’, vervolgt hij. Naast die enorme aanwas van nieuwe studenten speelt ook de tijdgeest van de jaren zestig mee in de popularisering van de studentenbeweging. Er kwamen subculturen op die zich in toenemende mate afzetten tegen de gevestigde orde. ‘Veel jongeren vonden de Nederlandse samenleving autoritair en ongelijk verdeeld’, vertelt Carla Hoetink, universitair docent Politieke Geschiedenis aan de RU. ‘In een poging zich af te zetten tegen de gevestigde orde ontstonden er linkse protestbewegingen zoals de anarchistische Provo’s, die met ontregelende acties thema’s als emancipatie, vrije liefde, het milieu en democratie op de kaart probeerden te zetten’, vervolgt Hoetink. Het is volgens haar daarom niet gek dat studenten juist in deze tijd van zich lieten horen: ‘De marxistische studenten beschouwden de universiteiten als bolwerken van conservatisme. Zeker de RU, die als katholieke universiteit een duidelijke maatschappijvisie had, werd extra hard aangevallen.’ De beteugelde jaren negentig Vanaf het midden van de jaren negentig van de vorige eeuw tot het begin van de jaren nul daalde de hoeveelheid studentenprotesten en werden ze milder. ‘Studenten en docenten probeerden demonstraties te organiseren tegen de bachelor-masterstructuur die werd ingevoerd’, vertelt Betkó. ‘Er kwamen toen maar een paar honderd mensen opdagen, dat stelde echt weinig voor’, licht hij toe. Hoetink ziet eveneens een breuk ontstaan vanaf de jaren negentig: ‘Demonstraties kregen over het algemeen een veel minder radicaal grensoverschrijdend karakter.’ Volgens Betkó ging de gedachte op dat het wel eens klaar kon zijn met studentenstrijd. ‘Binnen de studentenbeweging dacht men dat de tijden waren ver-


7 anderd en dat het mobiliseren daarom niet meer lukte.’ De bedongen inspraak en overlegstructuur als gevolg van de grote protesten van de jaren zestig en zeventig zorgden er in toenemende mate voor dat protesteren overbodig werd. ‘Er is sinds die tijd veel vooruitgang geboekt als het gaat om de inspraak en rechten van studenten’, stelt Hoetink. ‘Als belangenbehartiging goed is geregeld, wordt de behoefte om te demonstreren steeds minder’, stelt Jacquelien van Stekelenburg, hoogleraar Sociale verandering en conflict aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Studenten en hun belangenbehartigers werden beter gehoord en studentenbonden als de LSVb zaten steeds vaker aan tafel met universiteiten en politici. Dat staat in schril contrast met de onwelwillende en conservatieve oren van de autoriteiten in de jaren zestig en zeventig. Joram van Velzen, voorzitter van de LSVb, onderschrijft dat: ‘Toen we in 1983 net waren opgericht, waren we veel bezig met protestacties. Naarmate we meer en meer als constructieve gesprekspartner werden gezien, begon dat minder te worden.’ Daarnaast verloor de studentenstrijd in deze periode haar radicale karakter gedeeltelijk doordat de persoonlijke gevolgen van actievoeren steeds groter werden voor studenten. ‘Het studeren werd duurder, de beurzen werden lager en er kwamen steeds meer rendementsmaatregelen in het systeem, zoals het bindend studieadvies’, stelt Betkó. ‘Voorheen kon je een paar maanden een gebouw bezetten en vervolgens weer verder met je studie, nu moest je ineens je hele studiejaar opnieuw doen als je dat deed’, licht hij toe. Verder veranderde de tijdgeest vanaf het begin van de jaren nul waardoor er minder maatschappelijke steun was voor radicale protestacties. ‘De aanslag op de Twin Towers, de moord op Pim Fortuyn en Theo van Gogh zorgden ervoor dat wetgeving werd aangescherpt en er meer draagvlak was voor repressie’, zegt Betkó. ‘Toen mochten de autoriteiten mensen bijvoorbeeld iemand die was gearresteerd voor tien dagen vasthouden als ze hun naam niet wilden geven, waar dat voorheen acht uur was. Je moest dus een potentieel groter offer brengen dan vroeger’, vervolgt hij. ‘De aanleiding moest een stuk dwingender zijn om dat risico te nemen’, concludeert Betkó. Studentenprotesten bleven echter niet lang uit. ‘Op het moment dat studenten denken dat ze er niet uit gaan komen met praten, blijven ze gewoon de straat op gaan’, zegt Van Stekelenburg. Vluchtige jaren tien Na het eerste decennium van deze eeuw verschuift de studentenstrijd naar een kantelpunt ‘Er zijn steeds meer kleinschalige protesten op veel verschillende plekken’, stelt Van Stekelenburg. Dit soort protesten, ontstaan vanuit kleine netwerken, komt steeds vaker voor sinds de jaren tien. ‘Ik moet denken aan de pyjamaprotesten bij Femke Halsema voor de deur. Toen protesteerden studenten tegen het gebrek aan woonruimte in Amsterdam.’ Dit komt onder andere door de komst van sociale media. ‘Hierdoor zijn protesten laagdrempelig en eenvoudig te organiseren’, legt Van Stekelenburg uit. René Danen, klimaat- en mensenrechtenactivist en voorzitter van de LSVb van 1991 tot 1992, onderschrijft dat. ‘Je kan meer dingen sneller doen, maar sociale media maakt het ook veel vluchtiger omdat er zo’n groot aanbod van berichten en meningen is’, zegt hij. ‘Daardoor is er minder hechtheid binnen een beweging. Vroeger had je dan bijvoorbeeld een verenigingsblad, waardoor je je automatisch een onderdeel voelde van een club, dat is veel minder zo met social media’, voegt Danen daaraan toe. Hierdoor is het lastiger dan voorheen om consistent grote protesten te organiseren voor een enkel thema. Een andere uitleg voor het feit dat er meer, maar kleinere protesten zijn gekomen, is dat de thema’s van de protesten niet meer voornamelijk op onderwijsgebied ligt. Hierdoor versplintert studentenstrijd in uiteenlopende thema’s, zoals klimaat of racisme. Door die versplintering vinden er veel verschillende demonstraties plaats, maar is het lastig om veel studenten tegelijkertijd voor hetzelfde thema op de been te

krijgen. Volgens Hoetink is die thematische verbreding deel van een algemene golfbeweging van verbreding en versmalling die te zien is in studentenstrijd. ‘Vaak begint de strijd op thema’s die alleen de universiteiten of het onderwijs treffen’, stelt ze. ‘Vervolgens wordt dat momentum aangegrepen om bredere thema’s aan te spreken en gaat het zich ook richten op de overheid of op ongelijkheid’, voegt Hoetink daaraan toe. ‘Studenten zijn op een veel breder gebied activistisch dan tien jaar geleden’, stelt Danen. ‘Ze houden zich nu veel meer bezig met bijvoorbeeld antiracisme, klimaat en milieu’, verduidelijkt hij. Volgens Van Velzen gaat ook de LSVb mee in die verbreding. ‘Wij vertegenwoordigen studenten, maar die bestaan ook uit een bepaalde generatie. Die generatie zit nu met grote zorgen rondom bijvoorbeeld klimaat, racisme en wonen’, zegt hij. ‘Om er voor hen te zijn is het is belangrijk dat we ons niet richten op een enkel thema en dat we onszelf

breed inzetten.’ Toch is het denkbaar dat studenten in de nabije toekomst weer massaal in actie komen voor een enkel thema. ‘Het kantelpunt is bereikt, ik heb het gevoel dat studenten het nu zat zijn. Er zijn zoveel crises waar potentieel grote protestacties tegen kunnen komen’, stelt Van Velzen. Zo noemt hij de coronacrisis, de wooncrisis, de arbeidscrisis en de klimaatcrisis. Bovendien heerst ook het gevoel dat er vanuit de overheid weer minder wordt geluisterd naar de stem van studenten dan voorheen. ‘Er is wel contact en het is ook vriendelijk, maar er wordt daarmee niet veel bereikt’, zegt Danen. Volgens hem zijn thema’s als energiearmoede bij uitstek onderwerpen waarop studenten zich weer kunnen verenigen als de overheid niet ingrijpt. Hij concludeert: ‘Er zijn de laatste tijd geen grote demonstraties geweest, maar dat betekent niet dat er morgen geen kan plaatsvinden.’ ANS

Volg ANS op Instagram

@ans.online


8

KAMERVRAGEN tekst Floriaan Gruisen en Stijn Lintsen foto’s Stijn Lintsen en Tom Steenblok

In Kamervragen gaan twee studenten op ontdekkingstocht in elkaars kamer en speculeren ze over de persoonlijkheid, activiteiten en vreemde trekjes van de bewoner. Kunnen ze uitvinden wat voor persoon er achter de kamer schuilgaat? Deze editie: Denise en Mirthe. Denise op bezoek bij Mirthe Met een nieuwsgierige blik loopt Denise het knusse woonkamergedeelte van Mirthes kamer in, die uit twee losse delen bestaat. De tientallen edelstenen en een zoutlamp op de vensterbank wekken de indruk dat de Denise bewoner een voorliefde voor spiritualiteit heeft. Een vage geur van wierook versterkt die gedachte: ‘Dat past precies bij die edelstenen.’ Een Portugees souvenir creëert, samen met kunstwerken van een regenwoud en een boot op zee die boven een schattig rood bankje hangen, een reislustig imago. ‘Die schilderijtjes zijn niet helemaal mijn smaak, maar het past bij het vakantieachtige sfeertje’, bekent ze. De vermeende spiritualiteit, de kunstwerken en de exotische invloeden resulteren in een eerste gok over de studie van de kamerbewoner. ‘Het is antropologie of iets anders in de culturele hoek’, verkondigt Denise. Vlak na deze uitspraak stuit ze op twee pillen van boeken vol met post-its, al staan ze zo hoog in een kast dat de kaften onleesbaar zijn. Deze vondst levert een flinke knauw in de vastbe-

radenheid over de studiegok op. ‘Oei, deze lijken precies op de rechtenboeken van een huisgenoot van mij’, zegt ze vertwijfeld. ‘Maar misschien had deze persoon ze voor een bijvak nodig?’ Denise neust verder rond in het slaapkamergedeelte, waarin een tweepersoonsbed het overgrote deel van de ruimte in beslag neemt. Het valt haar op dat er weinig persoonlijke foto’s aanwezig zijn. ‘Ik zie bijna geen foto’s van vrienden of van feestjes. Hier woont denk ik iemand die meer van boeken houdt dan van bier’, zegt ze. In de kleine ruimte naast het bed is net genoeg ruimte om de deur van de kledingkast te openen. ‘Deze donkere kleren horen voor mijn gevoel bij een alternatieve kledingstijl. Het is heel anders dan mijn kleren, die vooral van de Zara komen’, merkt ze op. Terug in het woonkamergedeelte vindt Denise een make-updoos voor een wasbak met spiegel: ‘Ik denk dat hier een vrouw woont’, zegt ze. De speurneus vindt vervolgens een stapel studieboeken met titels als Burgerlijk procesrecht en Nederlands rechtsinstituut. Denise kan nu niet meer om de studie rechten heen. Alhoewel de gemiddelde rechtenstudent niet bekend staat om diens excentriciteit, blijft het beeld van de persoon achter de kamer hetzelfde: ‘Hier woont iemand met een alternatieve persoonlijkheid, die toevallig rechten studeert.’

Mirthe op bezoek bij Denise Wanneer Mirthe de kamer van Denise binnenstapt wordt ze overrompeld door de verzorgde inrichting. ‘De kamer straalt een grote eenheid uit’, lacht ze. De lichtblauw geverfde muren en de hoeveelheid rieten decoratie geven haar een Mirthe sterk strandgevoel. ‘Het is alsof je in een hotel in Noordwijk zit’, zegt ze met een knipoog. ‘Misschien doet ze een hele drukke studie en wil ze graag in een rustig huis thuiskomen’, oppert ze. Mirthe probeert meer over de kamereigenaar te ontdekken, maar de rustige en anonieme uitstraling maakt haar zoektocht lastig. Op een paar foto’s na zijn er weinig persoonlijke spullen te vinden. Ook studiemateriaal en studieboeken zijn nergens te bekennen. ‘Ik denk in eerste instantie aan iets sociaals’, redeneert ze zonder onderbouwing. ‘Misschien studeert ze niet, is dat ook een optie?’ Pas als Mirthe de fotocollage ontdekt, die verstopt

zat achter de opengeslagen deur, begint ze een idee te krijgen van een mogelijke studierichting van de bewoner. Ze inspecteert de fotomuur als een ware Sherlock Holmes. Opeens herkent ze de achtergrond van een van de selfies: ‘Als ik mij niet vergis is dit in het Grotiusgebouw. Misschien studeert ze wel rechten.’ Vervolgens valt haar oog op een visitekaartje van de tennisvereniging Slow. Een bijbehorend tennisracket is echter in geen velden of wegen te bekennen. In een poging de bewoner toch beter te leren kennen, struint Mirthe nog een laatste keer door de kamer. In een lade onder het bed vindt ze een paar skeelers tussen een uitgebreide schoenencollectie. Verstopt in een hoekje achter een kast staat het nog missende tennisracket. ‘Nu hebben we ook echt bewijs dat ze tennist’, concludeert ze. Daar stokt echter al snel het onderzoek. ‘Ik vind het moeilijk om te beoordelen wat voor een type persoon hier woont. Op basis van de foto op de muur zou ik zeggen dat ze rechten studeert’, zegt Mirthe peinzend. ‘De kamer heeft een bepaalde stijl, het is een mooi geheel en het past goed bij elkaar. Ik kan me alleen geen specifiek karakter bij de persoon achter de kamer voorstellen.’

VRAGENUURTJE

turele antropologie zou studeren, maar door je rechtenboeken wist ik genoeg.’ Mirthe kan haar verbazing hierover niet verbergen. ‘Ik ben totaal geen persoon voor culturele antropologie. Rechten past juist heel goed bij mij, met name huurrecht en arbeidsrecht vind ik interessant.’ Denise probeert de gok op culturele antropologie te onderbouwen. ‘Door de edelstenen, wierook en schilderijen in je kamer kreeg ik het idee dat je spiritueel bent en van cultuur en reizen houdt’. Wederom reageert Mirthe verbaasd. ‘Ik hou gewoon van spulletjes, ik ben super materialistisch. 80 procent van mijn kamer komt van Marktplaats.’ Als de studenten verder praten wordt duidelijk dat hun levens, net als hun kamers, totaal anders zijn. Mirthes verklaring voor het reislustige beeld dat Denise had, komt door een vrijetijdsbesteding: ‘Ik werk vrijwillig als taalcoach, waardoor ik in contact kom met mensen van over de hele wereld. Daarnaast loop ik een stage waarbij ik help met het opvangen van activisten. Die souvenirs zijn cadeaus van deze mensen.’ Denise lijkt onder de indruk: ‘Wat een coole job. Ik werk zelf bij een social media bureau en ik doe veel bij mijn studievereniging, maar jij bent echt al bezig met de grotemensenwereld en minder met bier, zoals ik.’ ANS

Tijd voor de confrontatie: hadden de studenten het bij het juiste eind of sloegen ze de plank compleet mis?

Onder een waterig herfstzonnetje op het terras van het Cultuurcafé ontmoeten Denise (19, Communicatiewetenschap) en Mirthe (23, Rechten) elkaar. Mirthe steekt direct van wal: ‘Je kamer is echt heel leuk, het matcht ook allemaal bij elkaar. Dat zorgde wel voor een vtwonen sfeer, dus ik vond het moeilijk om er een persoon bij te bedenken.’ Denise knikt begripvol mee terwijl Mirthe haar verhaal vervolgt. ‘Ik heb geen idee welke studie je doet, maar door de foto van jou in het Grotiusgebouw op je kamer zou ik rechten gokken. Als ik je zo zie, kan je ook wel voor rechtenstudent door’, stelt ze op basis van Denise’s lange blonde haren en onberispelijke outfit. Denise onthult haar daadwerkelijke studie, die volgens haar de afwezigheid van studieboeken verklaart: ‘Communicatiewetenschap is misschien een makkelijke studie, ik heb in ieder geval nooit een boek gebruikt.’ Denise vervolgt het gesprek door haar gedachtegang over Mirthes studie te delen. ‘Ik dacht eerst dat je cul-

37e jaargang Hoofdredactie Sophia van Engelshoven en Philip Schröder Redactie Vera Joosten, Marieke van Ruiten, Tom Steenblok, Michelle Tang en Claire Vaessen Medewerkers Delphine Broasca, Jarda Bruurmijn, Britt Duijzer, Floriaan Gruisen, Iris Houben en Stijn Lintsen Illustraties Vera Joosten en Jip Meijers Foto’s Nienke Cremers, Stijn Lintsen, Tom Steenblok en Simon Swelsen Columnist Kayleigh Hofstede Eindredactie Richard van den Berg, Jochem Bodewes, Delphine Broasca, Cato Bruinewoud, Jarda Bruurmijn, Britt Duijzer, Maan Heijthuijsen, Stijn Lintsen, Julia

Meilink, Marjolein Smetsers, Guul Stienen, Simon Swelsen, Pablo Vinkenoog en Eline Zoutendijk Lay-out Philip Schröder Logodesign voorpagina Noah Kleijne Dagelijks bestuur Khalid Abouzia (voorzitter), Yunus Sahin (penningmeester) en Sem Wilbers (secretaris) Druk Flevodruk Harlingen BV Uitgave, abonnementen en advertentie-acquisitie Stichting MultiMedia: stichtingmultimedia@gmail.com Redactieadres Heyendaalseweg 141 6525 AJ Nijmegen Mail: redactie@ans-online.nl Tel. 06-45 176 456