ANS-Krant 4 (J36)

Page 1

Algemeen Nijmeegs Studentenblad ans.online ANS_online Editie 4 - 15 november 2021

2

ANS online De ratrace naar de simulatie van een mensenbrein

2

Column Aristoteles joins the chat.

3

Kamervragen Studenten vinden een Sodastream en een functionele One Directionposter in elkaars kamer.

Achtergrond

TE MOOI OM WAAR TE ZIJN?

Pagina 5: De diensten van multi-level marketingbedrijven (MLM’s) zijn een

lonkende optie om geld te verdienen voor studenten. Hoe komt het dat deze bedrijven zo aantrekkelijk zijn? Illustratie Ella van Dalen

Achtergrond

Interview

Pagina 7: Wat houdt wokeness in en waar-

om kunnen wetenschappers zich erdoor bedreigd voelen in hun academische vrijheid? illustratie Ester van der Wal

illustratie Loes van Woezik

Pagina 5 : Bart Jacobs maakt zich

sterk voor privacy in de digitale wereld, ook op onze eigen universiteit. Email redactie@ans-online.nl Adres Heyendaalseweg 141 6525AJ Nijmegen


2 Wat er verscheen op ANS online Wetenschap

De ratrace naar de simulatie van een mensenbrein DE IRREALISTISCHE ANALIST Aristoteles joins the chat

tekst Eef Van Bommel and Nikita Krouwel

Tien november begon het InScience filmfestival in Nijmegen waar de documentaire In Silico wordt gespeeld over het Human Brain Project (HBP). ANS sprak met Paul Tiesinga, hoogleraar Neuroinformatica aan de Radboud Universiteit en onderzoeker voor het Donders Instituut, die betrokken is bij het project. Hij vertelt over het verloop van het HBP, de toekomst van breinsimulaties en de documentaire. Het HBP begon met de visie van neurowetenschapper Henry Markram om in een periode van tien jaar een simulatie van het menselijk brein te produceren. In de documentaire In Silico volgt regisseur Noah Hutton vanaf het begin verschillende wetenschappers die meewerken aan het HBP. Over een periode van tien jaar laat Hutton zien wat er bij zo’n project komt kijken: het binnenhalen van investeringen, de conflicten tussen collega-wetenschappers en de intellectuele uitdagingen van baanbrekend onderzoek. Het HBP door de ogen van een ingewijde Tiesinga is als neuro-informaticus betrokken bij het project. ‘Samen met nog een paar honderd andere Europese wetenschappers ben ik betrokken bij het project,’ vertelt Tiesinga. ‘Het HBP is in 2013 gestart met het doel om de eerste vijf jaar te werken aan een simulatie van het muizenbrein en de tweede vijf jaar hetzelfde te doen voor het menselijk brein’, zegt Tiesinga. Het is een van de meest grootschalige neurowetenschappelijke projecten in die tijd. ‘Daarvoor hebben we zowel informatie zelf verkregen als de data van andere onderzoekers gebruikt om die in een groot data-driven model om te zetten.’ Het samenbrengen van enorme hoeveelheden data uit verschillende onderzoeken op zo’n grote schaal was vernieuwend. ‘Voorheen werd neurowetenschappelijk onderzoek vooral in isolatie bekeken in plaats van in relatie tot elkaar.’ Tiesinga vertelt vanachter zijn computer in zijn studeerkamer enthousiast over zijn rol binnen het grote, overkoepelende project. ‘In eerste instantie schreef ik een klein programma dat de verbindingen tussen neuronen kon reproduceren. Daarna werkte ik aan het verbinden van twee soorten informatie om daar modellen van te maken zodat er een betere schatting van die connectiviteit kon worden gemaakt.’ Op deze manier heeft hij van dichtbij kunnen observeren hoe het HBP in de afgelopen acht tot negen jaar is veranderd.

‘Wetenschap is soms gedreven door een persoon die een duidelijke mening heeft en daar niet van afwijkt.’ De tragiek van het Human Brain Project Het HBP liep vanaf het begin tegen verschillende problemen aan. Tiesinga beaamt dit. Volgens hem was het doel van het project, afgezien van de simulaties van het muizen- en mensenbrein, niet duidelijk genoeg. ‘Ten grondslag daaraan lag dat het tien jaar durende project in vier segmenten van twee tot drie jaar is ingedeeld, waarbij elke overgang met structurele en inhoudelijke veranderingen gepaard ging. Dit maakt het lastig maakt om echt uitputtend onderzoek te bedrijven en een visie te behouden.’ Daarnaast werken er zo’n driehonderd onderzoekers aan het project die allemaal hun eigen onderzoek verrichten. ‘Het project is tot stand gekomen door meerdere ideeën over het produceren van breinsimulaties samen te voegen in een groot project. Daardoor zijn er verschillende fracties ontstaan met een net iets ander doel,’ zegt hij enigszins opgelaten. Een ander groot probleem was de financiering van het project. Tiesinga legt uit: ‘De Europese Commissie zou in eerste instantie een miljard euro investeren in het project, maar in werkelijkheid leverde de EU maar de helft van dat geld.’ De rest moesten de wetenschappers zelf bij elkaar halen van andere bronnen. ‘Wanneer de EU meer vrijheid had gegeven aan de onderzoekers was het project beter van de grond gekomen. In plaats daarvan trok de EU meermaals aan de noodrem. Hierdoor hebben de wetenschappers de nieuwe informatie die nodig was voor de breinsimulaties niet hebben kunnen verkrijgen. Het project kondaardoor

niet binnen tien jaar worden afgerond,’ vertelt Tiesinga teleurgesteld. Door het gebrek aan geld konden wetenschappers niet de nodige onderzoeken doen om meer informatie te verzamelen over de verbindingen tussen hersengebieden en neuronen. Deze informatie was cruciaal voor het creëren van de breinsimulaties. De neuro-informaticus noemt dit alles ‘de tragiek van het Human Brain Project’ Critici zijn sceptisch over Markrams’ moonshot Het project kreeg niet alleen te maken met tegenslagen, maar ook met forse kritiek van andere neurowetenschappers. ‘Zij vonden dat er nog niet genoeg informatie bekend was over het brein, en specifiek de connectiviteit van neuronen, om dit succesvol weer te geven in de simulatie van een brein’, vertelt Tiesinga. Om deze reden waren zij van mening dat het zonde was om zoveel geld te investeren in één project in plaats van verschillende neurowetenschappelijke onderzoeken. Tiesinga begrijpt de wetenschappers die liever eerst meer onderzoek naar het brein hadden willen doen. ‘In neurowetenschappelijk onderzoek zijn er nog een hoop belangrijke vragen die je kunt beantwoorden, maar je moet een keuze maken’, aldus de wetenschapper. ‘Door de grote investering konden we een groot doel nastreven: een moonshot landen op de maan was eigenlijk het idee.’ Dit is ook waarom wetenschappers zoals Tiesinga geïnteresseerd waren in het project. ‘Het doel om binnen tien jaar een breinsimulatie te produceren maakte het project juist uniek.’ De nieuwe koers van het HBP Uiteindelijk hebben de wetenschappers van het HBP hun doel niet kunnen behalen. ‘Het initiële doel is uiteindelijk losgelaten. We zijn niet eens halverwege, maar staan nog steeds aan het begin.’ Toch zijn er belangwekkende resultaten voortgekomen uit het grootschalige project. ‘Er zijn heel veel papers geproduceerd met interessante resultaten. Daarnaast zijn er een aantal breinatlassen gepubliceerd, van onder andere een ratten- en mensenbrein. Deze atlassen zijn essentieel voor neurowetenschappers om data te vergelijken’, vertelt de neuro-informaticus enthousiast. Dat laatste is onderdeel van de nieuwe richting van het HBP. ‘Het doel is nu om een toegankelijke infrastructuur voor Europese neurowetenschappers te creëren, door middel van atlassen en ’, legt Tiesinga uit. ‘Zij kunnen hiermee analyses uitvoeren en inzichten verkrijgen die ze niet met hun eigen onderzoek alleen hadden kunnen krijgen.’ Markram’s hersenkronkels in beeld Wanneer Tiesinga wordt gevraagd of de documentaire over het project is geslaagd, geeft hij allereerst terloops toe dat hij deze pas met een half oog gekeken heeft. Wat hij desalniettemin meteen benoemt, is dat de sfeeropnames van het onderzoeksteam kloppend zijn weergegeven door documentairemaker Hutton, die het project van begin af aan volgt. ‘Vooral het initiële enthousiasme van het team is goed in beeld gebracht’, knikt Tiesinga. ‘Daarnaast zijn de resultaten duidelijk weergegeven met mooie visualisaties.’ De documentairemaker geeft ook de critici ruim baan in de documentaire. Tiesinga vertelt dat Markram de documentairemaker hiervoor op zijn kop gaf onder het mom dat je niet moet luisteren naar ‘die mensen’. Tiesinga merkt op dat dit eigengereide karakter tekenend is voor de persoon Markram. ‘Wetenschap is soms gedreven door een persoon die een duidelijke mening heeft en daar niet van afwijkt’, grijnst Tiesinga. Hij vervolgt: ‘Soms heb je juist zo iemand als Markram nodig’. Hijzelf vindt echter dat de documentaire juist meer is geslaagd omdat deze de kritiek meeneemt. De kritiek geeft een kijkje achter de schermen in de wetenschap. ‘Zo kun je echt meeleven met de onderzoekers wat de documentaire heel invoelbaar maakt’, besluit Tiesinga. ANS

Derdejaars student Tonnie de Benis heeft op de universiteit mateloos leren nuanceren. Iedereen weet echter dat een goed verhaal ontstaat met een leugentje of een zware overdrijving. In zijn column laat hij de nuances varen op een zee met meer dan één korreltje zout. Het is kwart over acht ‘s ochtends in het jaar 2021 na Christus, wanneer ik vol goede moed de campus van de Radboud Universiteit betreed. Nog bezweet van de fietsrit neem ik plaats in de collegezaal, terwijl de andere helft van de studenten vol frisheid en enthousiasme online verschijnt via Zoom. Tijdens dit college wordt er gebruik gemaakt van het wonderbaarlijke hybride onderwijs. Deze onderwijsvorm is dankzij alle digitale en technologische ontwikkelingen uitermate toegankelijk, studenten hebben nu immers vanuit huis toegang tot colleges. In de Klassieke Oudheid was de collegezaal daarentegen helemaal niet zo toegankelijk. De grondleggers van het wetenschappelijk onderwijs waren totaal niet bekend met een inclusieve vorm van educatie. De uiterst fascinerende vraag die nu in mij opkomt is dan ook: hoe zouden de grootste Griekse filosofen uit onze historie zijn omgegaan met hybride onderwijs? Het is een bijzondere maandagochtend op de Akademia wanneer hoogleraar Socrates zijn studenten ontvangt in zijn collegezaal. Hij strijkt nog even over zijn grijze haar en trekt zijn toga goed, waarna hij Zoom opstart en de camera aanzet. Plato en Aristoteles zijn ditmaal uitgenodigd als gastdocenten. Nadat zij zich geïntroduceerd hebben schiet de chat vol met vragen, tot grote ergernis van Socrates. ‘Ik ben toch degene die hier de vragen stelt?’, moppert hij. Aristoteles raakt eveneens geïrriteerd wanneer iemand met she/her achter haar naam in de Zoom tevoorschijn komt. ‘Sinds wanneer mogen vrouwen meedoen aan het intellectuele debat?’, vraagt hij verontwaardigd aan Socrates. De drie wijsgeren zetten het college met moeite voort, totdat een van de studenten in de collegezaal erop wijst dat er een poll is aangemaakt in de Zoom meeting. Wanneer Plato ziet dat alle studenten op deze wijze gebruik maken van hun democratische inspraak, slaan de stoppen bij hem door. ‘Deze studenten hebben geen enkel idee over de daadwerkelijke wereld, ze moeten eens uit hun grot komen’. De chaos is te overweldigend voor Socrates en hij besluit de meeting te sluiten, vol frustratie gooit hij de toga in de ring en beëindigt het college per directa. De grondleggers van het wetenschappelijk onderwijs blijken weinig feta van het hybride onderwijs te hebben gegeten. Het hedendaagse onderwijs mag trots zijn op het feit dat het deze inclusieve vorm van onderwijs heeft gecreëerd. Alle verschillende opvattingen en meningen van de grote denkers zijn juist een blokkade in het succesvol faciliteren van deze onderwijsvorm. Ze zouden nog veel van ons kunnen leren.

tekst Tonnie de Benis illustratie Inge Spoelstra


3

KAMERVRAGEN tekst Ellen Verhoeven en Maud Hagens afbeeldingen Elze Bekkers

In Kamervragen gaan twee studenten op ontdekkingstocht in elkaars kamer en speculeren ze over de persoonlijkheid, activiteiten en vreemde trekjes van de bewoner. Kunnen ze uitvinden wat voor persoon er achter de kamer schuilgaat? Deze editie: Floor en Lennard Floor op bezoek bij Lennard Nadat Floor braaf volgens de regel haar schoenen heeft uitgetrokken, schuifelt ze over het zachte tapijt de studio binnen. Direct merkt ze de grote hoeveelheid kleur in het interieur op. ‘Dit moet wel iemand zijn die heel vrolijk is’, conFloor stateert ze. Floor loopt rechtdoor de kamer in en ziet een Mona Lisa aan de wand voor haar. Ook staat er een groot Disneyschilderij tegen de muur en een Romeins beeld bij het voeteneind van het bed. ‘Aan de vele kunstwerken te zien woont hier een kunstliefhebber’, stelt Floor enthousiast. Ze loopt verder en blijft hangen bij een open kast. Daar stuit ze op studieboeken, waaronder Art through the ages. Hieruit concludeert ze dat de bewoner een kunststudie doet. Vervolgens trekken de kleurrijke kledingstukken haar aandacht. Nadat ze shirts met opdrukken van Hard Rock Cafe en Disney haar zegen heeft gegeven, observeert ze de rest van de kast. ‘Ik zie een polaroidcamera, een aantal lp’s en

Star Wars-items’, dat laatste past volgens Floor bij de zichtbare liefde voor Disney. Nogmaals kijkt ze rond: ‘Die grote televisie in de vensterbank valt me nu pas op’, roept ze. De Playstation doet haar vermoeden dat de bewoner gamet in zijn vrije tijd. Dan verplaatst Floor haar blik naar de vensterbank ernaast. Het USA-lampje maakt dat ze zich voorzichtig afvraagt of de student uit de Verenigde Staten komt. De Amerikaanse kentekenplaten aan de muur hadden haar namelijk ook dat idee gegeven. Aangekomen bij de keuken trekken de Airfryer, SodaStream en broodrooster Floors aandacht: ‘Dit ziet er behoorlijk luxe uit.’ Ze vermoedt dat hier een ouderejaars student woont omdat die volgens haar vaak investeren in dure keukenapparaten. Om de tour af te sluiten stapt Floor nog even de badkamer in. Ze dacht dat het de kamer van een man was, maar de gebloemde zeephouder, lipgloss en skincare-producten onder de spiegel doen haar toch twijfelen. Ondanks Floors vermoeden dat de bewoner uit Amerika komt, verraden de Duitse doucheartikelen volgens haar dat het gaat om een student uit Duitsland. Na een laatste blik op de kamer trekt Floor haar conclusie: ‘Hier woont een mannelijke, internationale kunststudent, die houdt van Disney en gamen.’

Lennard op bezoek bij Floor Terwijl Lennard nog op adem komt van zijn fietstocht, opent hij de deur van de studentenkamer. Hij loopt door naar de aansluitende badkamer, waar hem direct iets opvalt. ‘Mijn god, hier woont sowieso Lennard een One Directionfan’, roept hij uit als hij de vele posters van de boyband op de glazen douchewand ziet hangen. Terug in de slaapkamer ziet hij een mondharmonica en een zwarte gitaar die erop wijzen dat de student niet alleen naar muziek luistert, maar zelf ook muzikaal is. ‘De gitaar wordt echter gebruikt als houder voor bucket hats, dus ik weet niet of hij echt wordt bespeeld’, twijfelt hij hardop. Lennard neemt een pauze om de spullen in de slaapkamer te observeren en trekt de conclusie dat er een vrouw woont. ‘Ik zie namelijk sieraden, hoge hakken en een boek dat er feministisch uit-

ziet’, stereotypeert hij. Wat hem daarnaast opvalt, is dat de kamer niet alleen een tv heeft, maar ook een projector. Daardoor vermoedt hij dat de bewoner een filmliefhebber is. Lennard loopt door naar de woonkamer. ‘Het is een ruime kamer en er is zelfs een tuin’, merkt hij dan op. De ruimte lijkt daardoor ideaal om feestjes in te houden. Hij denkt in ieder geval dat de student daar zelf niet vies van is: een fles Smirnoff Ice wordt als waterfles gebruikt en het keukenaanrecht is gedecoreerd met lege bierflesjes. Vervolgens bekijkt Lennard peinzend het extra matras dat in de woonkamer op de grond ligt. Hardop probeert hij te verzinnen wie erop zou slapen: ‘Misschien is er iemand aan het couchsurfen of is er een bezoeker’, verzint hij. Hij komt er niet uit en laat het onderwerp verder rusten. Wanneer hij in de keuken een kastje opentrekt, denkt hij te weten wie de bewoners zijn: ‘Een mok met Mr. en een ander met Mrs. erop: hier woont dus een koppel.’ Ten slotte is er ook nog de vraag wat de bewoner studeert. Daar hoeft Lennard niet lang over na te denken. Hij had namelijk al eerder in het televisiekastje boeken met psychology in de titel gespot: een psychologiestudent dus.

VRAGENUURTJE Tijd voor de confrontatie: hadden de studenten het bij het juiste eind of sloegen ze de plank compleet mis?

Enthousiast stellen Floor (17, eerstejaars Psychologie) en Lennard (20, eerstejaars Arts & Culture Studies) zichzelf in het Engels aan elkaar voor, om vervolgens plaats te nemen aan tafel in het Cultuurcafé op de campus. Geïnteresseerd vraagt Floor waar Lennard vandaan komt, waarna haar voorspelling wordt bevestigd: ‘Ik kom uit Duitsland’, vertelt hij. Het ijs is al snel gebroken en Lennard vraagt opgetogen naar de boybandposters op het doucheraam: ‘Ben je een One Direction-fan?’ Waarop Floor lachend antwoordt dat de posters er slechts hangen voor de privacy. ‘De douche grenst met enkel een glazen wand aan de ruimte waar een huisgenoot slaapt, dus de posters leken ons een goede oplossing’, legt ze uit. Floor vertelt dat ze samen met haar huisgenoten heeft geprobeerd het huis zo leuk mogelijk aan te kleden, aangezien de meeste meubels niet van henzelf zijn. Ze huren het appartement namelijk

voor een tijdje van Floors neef. Daardoor begint Lennard over de mokken met Mr. en Mrs. erop in het keukenkastje. ‘Ik dacht al: woont hier nou een koppel?’ zegt hij. Floor geeft aan dat dat een soort inside joke is met haar huisgenoot, waarmee ze samen in de kamer slaapt. Floor vraagt Lennard of hij al langer studeert, vanwege de luxe keukenapparaten. Lennard geeft aan eerst Amerikanistiek te hebben gestudeerd en dat hij nu in zijn eerste jaar van Arts & Culture Studies zit. Floor vertelt dat ze dat al had gedacht en dat ze zijn interesse in kunst terugzag in zijn kamer. Ze vraagt Lennard waar zijn liefde voor Disney vandaan komt, waarop hij antwoordt dat zijn ouders hem vroeger vaak meenamen naar Disneyland. Floor geeft toe dat ze het niet makkelijk vond om een beeld te schetsen van Lennard. ‘Je hebt geen specifieke stijl: ik zag sieraden, spullen uit de VS, kristallen. Het waren zoveel verschillende dingen.’ Toch sluiten ze volgens Lennard allemaal aan bij zijn interesses. Hij vertelt dat zijn oma’s huis de grootste inspiratiebron was voor zijn interieur. ‘Bij haar hangt altijd een warme en gezellige sfeer. Ik wilde dat mijn kamer ook zo zou voelen.’ Floor knikt instemmend: ‘Dat is ook zo, het is erg knus.’.ANS


4 Achtergrond

TE MOOI OM WAAR TE ZIJN? tekst Mara Burgstede en Tijn Manche illustratie Ella van Dalen

Je eigen baas zijn, werken vanuit huis en verdienen door te verkopen aan vrienden en familie. De diensten van multi-level marketingbedrijven (MLM’s) zijn een lonkende optie om geld te verdienen voor studenten, maar ze blijken in de praktijk weinig op te leveren. ‘Het ergste is nog dat verkopers er een positive mindset aan overhouden, zelfs als ze niks verdienen.’ Hoe komt het dat deze bedrijven zo aantrekkelijk zijn?

‘W

il jij je eigen entrepeneur zijn?’ Menig student heeft wel eens een berichtje voorbij zien komen dat met een ‘unieke kans’ komt om producten als ‘hoogwaardige parfum’ of ‘afslankkoffie’ te verkopen. De producten van deze bedrijven worden de hemel in geprezen door de promoters. Vaak komen deze woorden van distributeurs van MLM’s, die op zoek zijn naar kopers en mensen om voor hen te werken. Volgens Amerikaans onderzoek is de globale MLM-branche in de coronacrisis met maar liefst dertien procent gegroeid. Binnen MLM’s wordt zelfstandige verkopers, ook wel distributeurs, veel geld beloofd door de directe verkoop van producten. Ze werken met een gelaagd schema van kopers die tevens verkopers zijn, en zo vaak ver onder de top van het bedrijf staan. Bijna niemand verdient echter iets aan het werven van anderen en verkopen voor een MLM. ‘Ik was niet echt bezig met benaderen, maar meer met belazeren’, zegt Jaap, oud-distributeur voor verschillende MLM’s. Hoe werken MLM’s dan precies en wat zijn de gevolgen van deze bedrijfsstructuur? Een stinkend zaakje MLM’s werken niet met een traditionele klant-bedrijfverhouding, maar met tussenpersonen. Deze tussenpersonen kopen producten zelf in, om ze vervolgens te verkopen aan eventuele volgende tussenpersonen. Een distributeur voelt zich dus vaak een echte ondernemer, maar heeft geen vrijheid in de bedrijfsvoering. Daarnaast wordt hem door distributeurs die boven hem staan voorgehouden dat hij heel rijk kan worden, zonder daar echt perspectief op te hebben. Zo ontstaat een gelaagd netwerk met individuele distributeurs van hetzelfde product. Jaap zat in zo’n netwerk, maar is inmiddels werkzaam voor de overheid. Hij vertelt over zijn ervaringen: ‘Ik heb voor een stuk of vier van deze bedrijven gewerkt, maar heb heel weinig verdiend’, vertelt hij. Hoewel hij elke keer geloofde het te gaan maken en hem dat ook werd beloofd, lukte het niet. Hij kon niet genoeg mensen werven en producten verkopen om daadwerkelijk geld te verdienen. ‘Voor ACN, een Amerikaans telecombedrijf, moest ik producten verkopen. Zodra ik een bepaalde hoeveelheid had verkocht, mocht ik naar Barcelona om op de foto te gaan met Donald Trump, die toen nog zakenman was. Ik ben wel met Trump op de foto geweest, maar heb er geen euro aan overgehouden’, zegt hij besmuikt. Er hangt ook een luchtje aan de constructie wanneer wordt gekeken naar de opbouw van prijzen, die kunnen oplopen tot flinke bedragen. Terwijl beweerd wordt dat de producten een hoge kwaliteit en een eerlijke prijs hebben, klopt dit vaak niet. Alle lagen van tussenpersonen moeten immers ook meeverdienen. Dr. Claudia Gross, universitair docent Organisatieontwerp en Ontwikkeling aan de Radboud Universiteit, vertelt: ‘Er zijn zelfs producten die zo absurd of duur zijn, dat het verkopen zelf niet lukt. Uiteindelijk kun je echt alleen geld verdienen door anderen te werven, die zelf de producten kopen in de hoop om zo weer geld te verdienen.’

‘Sommige bedrijven stellen als eis dat je zelf voor tweehonderd euro aan producten koopt.’ Spin in het web Niet alleen vanwege de pretentie van kwaliteitsproducten is het verleidelijk om voor een MLM te werken, ook de belofte om gewoon via sociale media bij je vrienden en familie te kunnen werven maakt het aantrekkelijk. Het wordt aangemoedigd om de basis van je afzetmarkt in je directe omgeving te zoeken: de bedrijven hebben baat bij mond-tot-mondreclame. ‘Dit heet ook wel de ‘warme markt,’ vertelt Gross. Jaap stelt zich af en toe stom te voelen dat hij steeds voor deze bedrijven viel. ‘Ja, ik had alleen maar dollartekens in mijn ogen’, geeft hij toe. Gross vertelt dat het niet gek is dat mensen voor deze constructies vallen. Het vertrouwen dat vrienden en familie in de distributeur hebben, geeft een duidelijke markt waar distributeurs een unieke positie hebben ten opzichte van reguliere bedrijven. De verwachting is immers dat vrienden hen vertrouwen en luisteren naar het aanbod van een product en de kans om zelf geld te verdienen. Dit is precies de reden waardoor mensen geloven dat ze veel geld kunnen verdienen binnen een MLM. ‘Mensen benaderen elkaar via hun persoonlijke account in plaats van via een bedrijf ’, duidt Gross. ‘Sommige bedrijven stellen als eis dat je zelf voor tweehonderd euro aan producten koopt, voordat je commissie kan ontvangen op de mensen onder je. Wanneer je dus eindelijk iemand hebt geworven, jaag je jezelf alleen maar meer op de kosten of werk je jezelf in de schulden, omdat je meer moet inkopen dan je verkoopt’, zegt Gross geageerd.


5 Een MLM belooft dat je als distributeur rijk kunt worden met het werven van een grote groep verkopers. Zij worden echter vaak bedrogen en verdienen bijna nooit wat aan hun bedrijfje. Gross stelt dat dit te verklaren valt met de fake it till you make it-houding die binnen de bedrijven wordt aangehouden. ‘Om succesvol over te komen en zo meer mensen te kunnen werven, laten veel distributeurs hun dikke bak zien. Deze kan evengoed geleased zijn’, zegt ze. De meeste mensen die voor deze bedrijven werken bevinden zich in een kwetsbare positie. ‘Vroeger waren het moeders met kleine kinderen of jonge en niet-opgeleide mannen die meededen. Het zijn vrijwel altijd mensen die slechtere kansen op de arbeidsmarkt hebben’, vertelt Gross. Mede door de invloed van de pandemie, digitalisering en globalisering zijn deze groepen diverser geworden. ‘Jonge mannen worden aangesproken met Bitcoin, jonge vrouwen worden getrokken met bossbabe-verhalen. Er zijn verschillende bedrijven voor verschillende groepen. Zij passen zich ook aan op een nieuwe groep wervers’, duidt de onderzoeker. Doordat de MLM’s zich richten op jongeren maakt ze zich extra zorgen: ‘We kunnen gewoon bijna niets doen met de wetgeving die er nu ligt.’ Jaap deelt deze zorgen met haar: ‘Het is belangrijk dat mensen erover spreken. Ik denk dat MLM’s een groot gevaar vormen, met name in coronatijd, aangezien de groep kwetsbare mensen door het verlies van banen groter is geworden. Helaas willen die bedrijven enkel geld zien.’

is onwaarschijnlijk dat een Kruidvatverkoper een klant belooft dat sinaasappelolie kanker voorkomt, aangezien daar wetgeving tegen is. Echte medicijnen mogen immers alleen door een apotheek worden verkocht, met een recept van een arts. Bij een MLM ligt het niet zo simpel. ‘In een zakelijke organisatie zou een manager van een apotheek de werknemer bij valse uitspraken op de vingers tikken’, legt Gross uit. De consument koopt bij MLM’s echter bij een distributeur met een zelfstandige status. ‘Wanneer je het hoofdkwartier confronteert met dit soort uitspraken, wijzen zij op hun richtlijnen en wijzen ze bepaalde distributeurs aan als zwarte schapen’, verzucht de onderzoeker. De top-distributeurs, die wettelijk onafhankelijke distributeurs zijn, leggen enorme druk op de verkopers onder hen om te werven en te verkopen. Hierbij zijn gewaagde marketingtechnieken niet uitgesloten. Zowel het hoofdkwartier als deze top-distributeurs blijven zelf echter ongeschonden. MLM’s hebben daarnaast een negatief effect op de sociale relaties van distributeurs. Het vaak wanhopige werven bij familie en vrienden zet druk op relaties, zo ook bij Jaap. ‘Ik was zo getraind door ACN dat het voelde alsof mijn familieleden het me niet gunden wanneer ze niet bij mij kochten. Daar heb ik toen heftige ruzies over gehad met mijn moeder’, vertelt hij gelaten. Hij geeft aan dat ook zijn relaties met vrienden onder zijn activiteiten leden. ‘Door dat gepush ben ik redelijk wat vrienden kwijtgeraakt. Ik ben dus niet zo positief over MLM’s’, verzucht hij.

Eigenaardige effecten In tegenstelling tot bij Jaap heerst er onder veel andere distributeurs schaamte omdat zij zelden slagen rijk te worden. ‘Distributeurs krijgen interne cursussen waar ze leren dat anderen kritiek op hen leveren omdat zij niet de juiste mindset hebben. We noemen dit ook wel toxic positivity: het idee is dat iedereen het binnen deze bedrijven kan maken, en als dat niet lukt is dat je eigen schuld’, vertelt Gross. De drang om zo veel mogelijk producten te verkopen, drijft distributeurs tot het doen van wanhopige en onware uitspraken, zoals gezondheidsclaims. Ze leren in de toxische cursussen dat falen hun eigen schuld is. In 2020 deed de NOS onderzoek naar de beloftes die distributeurs doen op social media, zoals het genezen en voorkomen van ernstige ziektes en dagelijkse ongemakken. Het

Wie kritisch naar de structuur van distributeurs kijkt, ziet een vorm die veel op een piramideschema lijkt. Multi-level-wetgeving Wie kritisch naar de structuur van distributeurs kijkt, ziet een vorm die veel op een piramideschema lijkt. Deze schema’s beloven deelnemers prijzengeld op basis van de inleg van nieuwe deelnemers. Over piramideschema’s is de wet keihard: die zijn helemaal verboden gesteld in de Wet op de Kansspelen.

Hoewel MLM’s in tegenstelling tot piramideschema’s wel producten verkopen, gebruiken ze veel van dezelfde technieken. Gross vat het kernachtig samen: ‘In de criminologie zegt men ook wel lawful, but awful.’ Door een drietal juridische kronkels vallen MLM’s buiten deze wetgeving. Deze richt zich vooral op illegale piramideschema’s, waar bijvoorbeeld bitcoinfraudeurs dan weer wel onder vallen. ‘Het eerste gat waar MLM’s inspringen, is dat de bescherming die de wet biedt, is geregeld voor consumenten’, legt Gross uit. Hoewel distributeurs zelf ook spullen van het bedrijf kopen, gelden zij als zelfstandigen en niet als consumenten. Zij genieten dus geen bescherming van de wet. Het tweede verschil is dat binnen piramideschema’s met name geld wordt verdiend met het werven van anderen. ‘Niemand weet wat de grens is. Het is niet gedefinieerd wat dat ‘met name’ verdienen precies inhoudt. MLM’s hebben een product, zoals kleding of een afslankmiddel en het is niet duidelijk wanneer de wetgever vindt dat het werven de overhand neemt. Is dat als er sprake is van 51 procent winst op werven, of misschien pas bij de negentig procent?’, duidt Gross de onduidelijkheid. Gross vertelt dat het derde probleem is dat MLM’s lastig te controleren zijn. ‘De handhaving doet heel weinig om na te gaan wat er in de bedrijven gebeurt’, licht ze toe. In de praktijk blijkt dat er geen instantie is die de MLM-bedrijven goed kan controleren. Ook de ministeries wijzen na gestelde Kamervragen naar elkaar. De overheid reageert in beantwoording van de Kamervragen dan ook vrij droog: ‘Een piramidespel is in Nederland op grond van de Wet op de kansspelen verboden. De Kansspelautoriteit houdt toezicht op de naleving van de Wet op de kansspelen en beoordeelt of er in een specifiek geval sprake is van een piramidespel.’ MLM’s, en vooral ook hun top-distributeurs die niet goed worden gecontroleerd door het hoofdkwartier, doen al met al dus veel te vaak valse beloftes aan degenen die ze zelf hebben geworven. Het hoofdkwartier neemt veel te weinig verantwoordelijkheid over wanhopige leugens en laten de zelfstandige distributeurs daarbij te vaak hun eigen gang gaan. ‘Alles samengevat zijn de meeste MLM’s legaal, maar niet omdat ze goed handelen. Het ontbreekt gewoon aan goed toezicht om alles netjes te laten verlopen’, sluit Gross af. ANS

Interview

PLEIDOOI VOOR PRIVACY tekst Simon Swelsen illustratie Loes van Woezik

Bart Jacobs is hoogleraar Security, Privacy en Identity aan de Radboud Universiteit (RU) en won in oktober de Stevinsprijs voor zijn werk. Hij maakt zich sterk voor privacy in de digitale wereld, ook op onze eigen universiteit. ‘Nederlandse universiteiten zijn direct op hun rug gaan liggen voor grote technologiebedrijven.’

D

e hoogleraar verschijnt op passende wijze in beeld, namelijk via een geauthenticeerde videoverbinding, waardoor je zeker weet met wie je belt. Hij is niet bang dat hij wordt gehackt, maar hij licht toe: ‘Strikt genomen kennen wij elkaar niet en had je een of andere grappenmaker kunnen zijn.’ Zijn voorzichtigheid sluit naadloos aan bij zijn expertise op het gebied van digitale identiteit. In het begin van zijn carrière richtte Jacobs zijn onderzoek meer op het oplossen van technische vraagstukken rondom gegevensbescherming. Jacobs vertelt dat hij zich later pas ging bezighouden met de maatschappelijke discussie omtrent privacy. Dat deed Jacobs zowel in zijn onderzoek als door het bekleden van verschillende nevenfuncties. Het belang dat zijn werk heeft gehad voor de samenleving leverde hem de Stevinprijs op, een van de hoogste onderscheidingen in de wetenschap. Jacobs is kritisch over de impact van grote technologiebedrijven op de samenleving en hij waarschuwt voor de gevaren van het uit handen geven van onze data aan grote technologiebedrijven als Facebook. Ook binnen zijn eigen universiteit uit hij zich kritisch over de onomkeerbaarheid van de overstap naar Microsoft. Wat beweegt hem in zijn onderzoek en maatschappelijke betrokkenheid op het gebied van privacybescherming?


6 Digitale identiteit Je staat er misschien niet bij stil als je inlogt met je Facebookof Googleaccount op een andere website, maar privacywaakhond Jacobs zou je aanraden hier wel twee keer over na te denken. Met een serieuze toon verkondigt hij waarom hij bezwaar maakt tegen deze manier van inloggen. ‘Facebook kan zien welke websites een persoon bezoekt. Zo krijgt dit bedrijf bakken met gegevens over jou om een digitaal profiel op te bouwen. Vervolgens kan Facebook jou op zijn eigen sites doelgerichter manipuleren met bijvoorbeeld advertenties’, licht de hoogleraar zorgelijk toe. Doordat het niet echt transparant is wat er met je gegevens gebeurt zodra jij ze uit handen geeft, kan je moeilijk jouw eigen privacy bewaken. Jacobs is überhaupt sceptisch over hoe inloggen op dit moment werkt wat privacy betreft. Als je namelijk een specifiek account gebruikt voor die website kunnen Facebook en Google niet zien dat jij er bent geweest. Wel slaat het bedrijf achter de website de gegevens van jouw account op in een database en vaak moet je volgens de hoogleraar veel meer gegevens aan een bedrijf geven dan noodzakelijk is. De omgang met online gegevensverzameling is volgens Jacobs dus erg privacygevoelig. ‘Daarom vind ik het belangrijk dat er bij het ontwerpen van digitale omgevingen wordt nagedacht over de gevolgen voor de privacy van de gebruiker.’ Het is dan ook geen verrassing dat de hoogleraar onderzoek doet naar alternatieve manieren om in te loggen. Om de gegevens van mensen beter te beschermen en de grote technologiebedrijven als Google en Facebook in macht te beperken heeft hij een technologie ontwikkeld. ‘Hiermee geef je niet alle informatie van jezelf aan een bedrijf maar alleen wat in die context relevant is,’ legt de hoogleraar uit. In zijn eigen ontwikkelde app genaamd IRMA (I Reveal My Attributes), maakt hij gebruik van deze technologie. Om te verduidelijken hoe attribuut-gebaseerd inloggen werkt, geeft Jacobs het voorbeeld van een videogame met minimale leeftijdsgrens: ‘Bij deze manier van inloggen laat je alleen het gegeven dat jij achttien jaar oud bent als informatie van jezelf zien om toegang te krijgen tot de game. De makers van de game hebben dan geen database meer nodig met overbodige informatie, zoals je geslacht.’ Jacobs probeert met zijn wiskundige achtergrond te onderzoeken op welke manier de gegevens zo versleuteld kunnen worden dat de game ze niet kan zien, maar er wel op kan vertrouwen dat de leeftijd correct is. ‘Je beschermt de privacy van mensen door ze controle te geven over welke gegevens zij vrij willen geven,’ concludeert Jacobs.

afbeelding NWO

‘Ongeveer negentig procent van alle Europese data staat opgeslagen op Amerikaanse servers.’

Tech-kolonialisme Niet alleen de individuele gebruiker moet worden beschermd. Jacobs bepleit in het debat over privacy ook dat we op politiek niveau moeten waken voor kwaadwillende digitale machten. Volgens hem wordt de macht achter de technologie namelijk een steeds belangrijker geopolitiek thema, met name in Europa: ‘Er wordt ook wel gesproken van tech-kolonialisme.’ De hoogleraar vertelt teleurgesteld dat er geen grote Europese digitale platformen zijn. ‘Ik vind dat we in Europa onze eigen technologie moeten ontwikkelen en niet moeten overnemen wat ze in de Verenigde Staten of China hebben bedacht’, stelt Jacobs. Volgens hem is het belangrijk dat we onze eigen privacystandaarden kunnen aanhouden en niet afhankelijk zijn van de wetgeving in die landen. Jacobs duidt het probleem: ‘Ongeveer negentig procent van alle Europese data, waaronder ook gevoelige gegevens, staat opgeslagen op Amerikaanse servers.’ Met het oog op de politieke instabiliteit in dat land voegt hij daar spottend aan toe: ‘Dat geeft toch een klein beetje een ongemakkelijk gevoel.’ Zuchtend vertelt hij dat ook de RU zich slachtoffer heeft laten maken van de Amerikaanse digitale macht. ‘Door de softwareoverstap naar Office 365 heeft een grote partij uit de Verenigde Staten in een klap talloze gegevens van de universiteit in handen,’ merkt hij teleurgesteld op. Jacobs stelt dat er gevaar op de loer ligt: ‘In het geval dat een Amerikaanse president bepaalt dat Amerikaanse IT-bedrijven geen Iraanse persoonsgegevens zouden mogen verwerken, dan zijn Iraanse studenten opeens niet meer welkom aan onze universiteit. Zonder dat we daar enige zeggenschap over hebben.’ Klaarblijkelijk is Microsoft niet het enige probleem, ook ons mailsysteem mag aan buitenlandse inmenging geloven. ‘Het Amerikaanse bedrijf Proofpoint scant mails op verdachte links en krijgt daarmee toegang tot het interne berichtenverkeer op de RU.’ Jacobs is zeer bezorgd over deze ontwikkelingen: ‘De universiteit geeft door de overschakeling een bepaalde autonomie op.’ Aanwezigheidsplicht voor werkgevers Naast de internationale verhoudingen, bekommert Jacobs zich ook om de privacy binnen de universiteit. ‘Op de universiteit verlopen steeds meer processen digitaal en daar komen allerlei extra gegevens bij kijken,’ vertelt hij. ‘Die gegevens zouden kunnen worden gebruikt. Als docent zou ik bijvoorbeeld na een paar weken een waarschuwing kunnen krijgen dat er studenten zijn die nooit of alleen ‘s nachts inloggen, wat mij erop kan wijzen dat er iets niet goed gaat met de student. Je kunt echter betwisten of het gebruik van deze gegevens relevant is voor het leerproces van de student’, suggereert Jacobs terecht. De hoogleraar vindt het belangrijk dat de universiteit zich bezighoudt met de gevaren voor privacyschending die digitalisering met zich meebrengt. Toch staan veel van deze gegevens nu bij private partijen, die daar dus middels hun bezit meer controle over hebben. Met moeite vertelt hij wat voor horrorscenario zich kan voordoen: ‘Zij kunnen er profielen van maken om door te verkopen aan toekomstige werkgevers.’ De hoogleraar voegt hier aan toe: ‘Werkgevers zien dan bijvoorbeeld dat jij iemand bent die het hele semester niks doet en vlak voor het tentamen gaat leren.’ Jacobs zou dit misbruik van de gegevens vinden en bovendien privacyschending. ‘Ik pleit voor het binnen de leeromgeving houden van studiegerelateerde gegevens, zodat die data niet bij werkgevers terecht komen.’ Publieke waarden De verschillende horrorscenario’s waar de hoogleraar over vertelt, kunnen volgens hem allemaal worden voorkomen als er ‘publieke waarden’ in onze digitale systemen worden opgenomen. Afgelopen jaar bracht de hoogleraar met de Vereniging van Nederlandse Universiteiten een advies uit over hoe dit in het onderwijs mogelijk zou zijn. In het advies komen privacy, transparantie van achterliggende technieken en bescherming tegen misbruik en manipulatie naar voren als belangrijke publieke waarden. ‘Het is nou eenmaal moeilijk en duur om je eigen ICT-beheer te regelen. Voor grote partijen als Microsoft is dit makkelijker. Zij staan bovendien te trappelen om dit over te nemen’, geeft Jacobs als verklaring voor het gebrek aan waarborging van deze waarden in het onderwijs. De hoogleraar vindt daarom dat de verantwoordelijkheid van de besluiten meer zou moeten liggen bij het bestuur in plaats van bij de ICT-afdeling: ‘ICT’ers kijken juist naar de technisch gezien makkelijkste opties. Als je eenmaal met zo’n private partij in zee gaat kom je er echter vaak niet meer vanaf.’ Hij vervolgt: ‘Microsoft heeft er namelijk geen enkel belang bij dat hun systemen verenigbaar zijn met andere waarbij bijvoorbeeld de privacy meer wordt gewaarborgd,’ stelt Jacobs verontrust. De hoogleraar is daarom kritisch op alle Nederlandse universiteiten omdat zij volgens hem te weinig hebben geprobeerd om waarden zoals privacy te waarborgen. Hij verwijst naar ons buurland om te illustreren dat dit beter kan: ‘In Duitsland zijn de universiteiten veel actiever geweest, daar hebben ze een gezamenlijke cloudinfrastructuur opgezet.’ In Duitsland hebben universiteiten de keuze gemaakt om publieke waarden beter te waarborgen. Zelfs als politici en bestuurders deze vaak niet zien, wil Jacobs laten zien dat zo’n keuze er altijd is. Met de gewonnen Stevinpremie gaat hij samen met José van Dijck, hoogleraar op het gebied van de Digitale samenleving en winnaar van de Spinozaprijs, een digitaal sociaal platform creëren, waarbij privacy en transparantie het uitgangspunt zijn. ‘Mensen zouden via dit platform besloten groepen kunnen maken, van bijvoorbeeld een afdeling op de universiteit, waarin veilig gecommuniceerd kan worden zonder dat het op Amerikaanse servers staat,’ vertelt hij. Hij concludeert bezorgd maar hoopvol: ‘Als we autonomie over onze samenleving willen houden, moeten we keuzes maken en onze investeringen aanpassen.’ ANS


7

Achtergrond

MET DE WOKEGOLF TEGEN DE KLIPPEN OP tekst Julia Meilink en Freek van Til illustraties Ester van der Wal

De een schreeuwt moord en brand over censuur in de wetenschap als gevolg van een vermeende ‘wokeness’-golf. De ander haalt zijn schouders op en stelt nog nooit iets te hebben vernomen van censuur of cancelcultuur die met de beweging wordt geassocieerd. Het roept de vraag op: wat houdt deze wokeness in en waarom kunnen wetenschappers zich erdoor bedreigd voelen in hun academische vrijheid?

‘W

oke bedreigt de academische vrijheid, zo kopten Steije Hofhuis en Niek Pas, universitair docenten aan respectievelijk de Universiteit Utrecht en Universiteit van Amsterdam, in een opinieartikel in NRC. In hun artikel spreken ze van een woke-beweging die komt overwaaien vanuit de Verenigde Staten en ervoor wil zorgen dat machtsverhoudingen in de maatschappij worden vernietigd. Dat is een nobel doel, zou je zeggen. Wokeness gaat in beginsel namelijk over het ‘wakker’ zijn omtrent allerlei sociale misstanden, zoals genderongelijkheid, racisme of seksisme. Bepaalde ideologische theorieën met betrekking tot deze termen worden volgens Hofhuis en Pas echter als de onomstotelijke waarheid gezien. Dat staat volgens hen haaks op het nemen van waarheidsvinding die in de wetenschap als uitgangspunt hoort te worden gehanteerd. Judi Mesman, hoogleraar Maatschappelijke vraagstukken aan de Universiteit Leiden, reageert echter met felle pen op het opiniestuk en stelt op haar beurt dat er helemaal niet zoiets is als één georganiseerde wokeness-beweging, zoals Hofhuis en Pas suggereren. Wel zijn er mensen die oude normen en waarden ter discussie stellen en dat zou even slikken zijn voor ‘anti-wokers’ als Hofhuis en Pas, stelt ze kritisch. Door de beweging te demoniseren, zouden ze deze juist zelf de mond snoeren. Op welke verschillende manieren kan wokeness worden geïnterpreteerd en waarom kunnen wetenschappers zich erdoor bedreigd voelen in hun academische vrijheid?

Door de beweging te demoniseren, zouden ze deze juist zelf de mond snoeren. Lekker woken op de universiteit? Het moddergooien tussen de kampen woke en anti-woke gebeurt op een redelijk abstract niveau. Wat houdt ‘oude normen bevragen’ of ‘kritiek leveren op denkpatronen binnen de beweging’ bijvoorbeeld in voor de academische samenleving? Niels Spierings, universitair hoofddocent Sociologie aan de Radboud Universiteit (RU), omschrijft ‘wokeness’ als een karikaturale schets van mensen die een kritische houding hebben ten opzichte van machtsverhoudingen en die pleiten voor diversiteit. Vanwege de negatieve connotatie die het woord heeft gekregen, wil hij het liever zelf niet gebruikten. Toch zijn er een aantal vraagstukken die er vaak mee worden geassocieerd: ‘Denk aan diversiteitskwesties zoals het systematisch slechter beoordelen van vrouwen in studentenevaluaties, ons te witte studiecurriculum of het feit dat we nog steeds gender-binaire taal gebruiken.’ Marc van Oostendorp, hoogleraar Nederlands en Academische communicatie aan de RU, vindt dat de mate waarin studenten zich met

diversiteitskwesties bezighouden, meevalt bij zijn vakgroep. ‘Mijn studenten hoor ik hier niet vaak over’, zegt hij. ‘Naar mijn smaak wordt er eigenlijk helemaal niet voldoende kritiek geleverd op het aandeel witte mannen dat we bij letteren bestuderen.’

Sommigen zijn zo klaar met het gedoe dat ze bepaalde thema’s niet meer behandelen. Schreeuwen en sissen in de collegebankjes Met kritische studenten heeft Christophe Van Eecke, universitair docent Media aan de RU, echter wel ervaring. Hij zou alleen niet zeggen dat een diversere literatuurlijst het hoofddoel noch het probleem is van de ‘woke’-beweging die hij mede onder zijn studenten ziet leven.


8 Wat die ‘wokeness’ precies inhoudt, vindt ook hij lastig te omschrijven. ‘Het is geen organisatie met een redactieadres en een postbus of iets dergelijks. Ik zou dan ook eerder spreken van een beweging die zich verspreid in de maatschappij afspeelt’, zegt hij. ‘Het gaat dan om wat zij social justice noemen, om compensatie van bepaalde misstanden uit het verleden.’ De beweging kent misschien geen postbus, maar ieder jaar is er wel weer een nieuw groepje studenten dat Van Eecke als ‘woke’ zou omschrijven in zijn collegebankjes te vinden. Zij eisen in naam van social justice volgens hem op redelijk harde wijze ‘morele conformiteit’. Wat hij daarmee bedoelt, licht hij toe aan de hand van een voorbeeld van een jaarlijks terugkerend collegeonderdeel waarin hij gender en geslacht bespreekt. ‘Ik zeg dan dat een serieuze theorie over gender er wel rekening mee moet houden dat het biologisch verschil tussen man en vrouw een empirisch gegeven is’, legt hij uit. ‘Er is wel eens door een behoorlijk aantal studenten gesist toen ik dat zei, ook is er vaker dan eens naar me geschreeuwd midden in college.’ Als hij zich namelijk niet onvoorwaardelijk conformeert aan hun eisen dat bepaalde dingen niet mogen worden gezegd, zeggen sommige studenten dat hij de collegezaal een ‘onveilige plek’ maakt. Volgens hem komt hun ideologische standpunt over de kwestie in dit geval haaks te staan op de feiten, wat het overbrengen van wetenschappelijke informatie bemoeilijkt. Zijn vakgebied, Algemene Cultuurwetenschappen, gaat immers precies over discussies met betrekking tot bijvoorbeeld gender of identiteit. Met ernstige toon zegt hij: ‘Je kunt je voorstellen dat college geven een mijnenveld gaat worden: wat zal het deze keer zijn dat een probleem gaat vormen?’

dat het bekendstaan als ‘niet woke’ een rol kan spelen tijdens een sollicitatiegesprek en dat je dus moet uitkijken met wat je zegt. Je kunt je echter afvragen of Van Eecke zelfcensuur niet te vroeg rechtvaardigt, hij zei immers zelf dat een open discussie tussen collega’s gewoon mogelijk is. Van Oostendorp is in ieder geval niet snel onder de indruk. ‘Natuurlijk moet je geluiden van zelfcensuur serieus nemen, maar het is een beetje kinderachtig’, zegt hij. ‘Je bepaalt zelf wanneer je jezelf censureert en bent dus ook zelf verantwoordelijk. Je kunt wel alles veilig willen hebben voor jezelf, maar mensen moeten ook iets kritisch tegen je kunnen zeggen.’

open, inclusieve en veilige cultuur moeten hebben. ‘Voorheen hadden ze het nog over waarheidsvinding en objectiviteit. Die termen noemen ze nu opeens niet meer’, zegt hij. Volgens Hofhuis word je op deze manier niet direct gecanceld, maar wordt het je wel moeilijker gemaakt om onderzoek te doen als je je niet houdt aan deze vermeende ‘woke’-criteria. Andersom zouden mensen die zich daarmee wel bezighouden aan minder kritische vragen worden onderworpen omtrent hun onderzoek en eerder beurzen, prijzen of aanstellingen krijgen. Na het aanhoren van dit scenario begint Spierings ronduit te lachen. ‘Dit is ridiculiteit ten

‘Op Twitter worden wetenschappers die als “woke” zijn bestempeld heel naar bejegend.’

‘Wokeness is geen organisatie met een redactieadres of iets dergelijks.’ ‘Het is wel een beetje kinderachtig’ Van Eecke probeert zelf vast te houden aan het bespreken van wat hij noemt de empirische feiten, maar geeft aan dat sommige van zijn collega’s zo klaar zijn met het ‘gedoe’ van de studenten dat ze discussies uit de weg gaan door bepaalde onderwerpen of uitspraken achterwege te laten. Alhoewel docenten onderling meer of minder ‘woke’ kunnen zijn, kunnen de inhoudelijke discussies over de thema’s die ermee gepaard gaan volgens Van Eecke binnen zijn vakgroep nog prima worden gevoerd. Ook Van Oostendorp en Spierings sluiten zich erbij aan dat vrijwel alles kan worden bediscussieerd in hun vakgroepen. Van een daadwerkelijke monddoodheid of cancelcultuur van mensen met bepaalde standpunten in de academische wereld, kun je wat hen betreft dus niet spreken. Toch plaatst Van Eecke de kanttekening dat een zekere mate van zelfcensuur hem niet zou verbazen: ‘Ik denk dat veel wetenschappers zich ervan bewust zijn dat je door collega’s op andere dingen wordt afgerekend dan louter de wetenschappelijke coherentie van wat je zegt.’ Als voorbeeld haalt hij aan dat het kan voelen

nul keer ter sprake gekomen tijdens vergaderingen.’ Zelfs wanneer er in het uitzoeken van het onderzoek wel nadrukkelijk een nadruk wordt gelegd op diversiteit, vormt dat volgens Spierings geen reden tot paniek. ‘Racisme en discriminatie’ is bijvoorbeeld een van de thema’s waarvan de Nationale Wetenschapsagenda (NWA) zegt dat wetenschappers ermee aan de gang moeten gaan. ‘Dat bepaalde thema’s worden aangewezen waarvan we zeggen dat we er nog niet zoveel van weten, betekent niet dat ander onderzoek niet gedaan mag worden’, zegt Spierings resoluut. Volgens de docent kunnen de onderzoekers die de boot missen bij de NWA, waar toch weinig geld wordt uitgedeeld, altijd nog een poging wagen bij de NWO of een andere geldschieter.

NWO, more like NW-wOke? Tot nog toe gaat het vooral over ‘wokeness’ in de collegebanken en in de wandelgangen tussen collega’s, maar hoe zit het eigenlijk met onderzoek doen? ‘Ik zie op dit moment dat onderzoeksgroepen of plannen steeds minder worden beoordeeld aan de hand van of het wetenschappelijk klopt’, stelt Hofhuis, een van de schrijvers van het ‘woke’-kritische artikel dat in de NRC verscheen. Ondanks de kritische tegengeluiden die hij kreeg, is hij duidelijk nog niet van zijn standpunt gebracht. Hij verwijst naar een richtlijn van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen waarin staat dat onderzoekseenheden een

36e jaargang Hoofdredactie Delphine Broasca en Simon Swelsen Redactie Elze Bekkers, Annika Eskes, Jip Meijers en Loïs Verkooijen Medewerkers Jochem Bodewes, Mara Burgstede, Maud Hagens, Tijn Manche, Julia Meilink, Tom Steenblok, Ellen Theuws,Freek van Til en Ellen Verhoeven Illustraties Ella van Dalen, Ester van der Wal, Inge Spoelstra en Loes van Woezik Foto’s Faye Westen en Ted van Aanholt Columnist Claire Vaessen Eindredactie Elze Bekkers, Jochem Bodewes, Sofie Bongers, Sanne Breedveld, Mara Burgstede, Pim Dankloff, Naomi Habashy, Mayra Hijdra, Aaricia Kayzer, Tijn Manche, Julia Mars, Thijs Meeuwisse, Julia Meilink, Gian Oerlemans, Jean Querelle, Philip Schröder, Inge Spoelstra, Tom Steenblok, Ellen Theuwis, Floor Toebes, Vincent Veerbeek, Simone Vlug en Irene Wilde.

top.’ Spierings maakte in het verleden deel uit van onder andere beurstoekenningscommissies van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek en stelt op basis van zijn ervaring dat afwegingen voor het uitreiken van onderzoeksgelden alle kanten uit kunnen gaan. Volgens de docent wordt er vooral rekening mee gehouden hoe goed een aanvraag is onderbouwd. ‘Er zijn een heleboel redenen waarom iemand geen beurs krijgt, onder andere omdat er simpelweg te weinig geld is’, zegt hij. ‘Sterker nog: zo’n tachtig of negentig procent krijgt geen geld.’ Een ding is zeker, vervolgt de docent: ‘Dat onderzoek iets met diversiteit zou moeten doen, is echt

De stropop van anti-woke Spierings denkt dus niet dat de onderzoeken en voorstellen van mensen die geen onderzoek doen naar ‘woke’-onderwerpen aan een kritischer oog worden onderworpen. Sterker nog: hij denkt dat mensen die zich wel bezighouden met diversiteitsvraagstukken, het juist zwaarder hebben vanwege de anti-woke geluiden. Wetenschappers als Hofhuis en Pas die anderen betichten van ‘wokeness’ zouden dat vooral gebruiken om zichzelf in een slachtofferrol te plaatsen. Dit terwijl zij door anderen als ‘woke’ te bestempelen, ook nog eens bedoeld of onbedoeld een afkeer tegen deze wetenschappers oproepen op sociale media. ‘Op Twitter en op websites als GeenStijl worden wetenschappers die zich bezighouden met bijvoorbeeld diversiteit, heel naar bejegend wanneer zij daar met die term worden bestempeld’, licht Spierings toe. Dat weet hij uit eigen ervaring, maar ook uit die van collega’s. Een aantal van hen had zelfs de beruchte VizierOpLinks-stickers op hun huisdeur te pakken. ‘Die mensen denken nog wel een keer na voordat ze een wetenschappelijk valide en gefundeerd onderzoeksresultaat of perspectief delen’, zegt hij. Verwijzend naar het artikel van Hofhuis en Pas stelt hij: ‘Het is typisch dat juist de groep mensen die zegt zelfcensuur te plegen, zelf voor cancelling zorgt.’ Spierings voegt daar echter wel de nuance aan toe dat ‘anti-woke’-wetenschappers als Hofhuis en Pas uitzondering op de regel zijn. Vooralsnog blijkt dat de RU-wetenschappers die voor dit artikel zijn geïnterviewd allemaal aangeven dat bij hen op de vakgroep een inhoudelijke discussie nog gewoon kan worden gevoerd. Bovendien stellen ze allemaal de vraag of je wel kunt spreken van één ‘woke’-beweging. De een associeert het namelijk met schreeuwende studenten in de collegebanken, de ander met een term die wordt gebruikt om wetenschappers die diversiteit onderzoeken de mond te snoeren. Weer een derde kent ‘wokers’ als literatuurlijstcritici. Hoe je het ook wendt of keert: dat zijn heel verschillende problemen, gebeurtenissen en thema’s die wellicht los van elkaar dienen te worden onderzocht. ANS

Lay-out Simon Swelsen Logodesign voorpagina Noah Kleijne Dagelijks bestuur Melisa Kurt (penningmeester), Begüm Çilsal (secretaris) en Tuana Öztürk (voorzitter) Druk Flevodruk Harlingen BV Uitgave, abonnementen en advertentie-acquisitie Stichting MultiMedia: stichtingmultimedia@gmail.com Redactieadres Heyendaalseweg 141 6525 AJ Nijmegen Mail: redactie@ans-online.nl