ANS-krant 12

Page 1

Algemeen Nijmeegs Studentenblad ans.online ANS_online Editie 12 - 31 mei 2022

2

Column ‘Wie over de campus loopt, moet zijn uiterste best doen om een glimp op te vangen van de verkiezingsstrijd.’

3

Opinie De gemeente Nijmegen moet meer structurele opvanglocaties faciliteren voor asielzoekers en vluchtelingen.

6

Over de kook Een hoogstaand staaltje kookkunst? Deze keer: Gluren in de kastjes van buren

Meeloopreportage

BIJ-DRAGE Pagina 4: Op de daken van de Nijmeegse skyline zijn de bijenvolken van Joost Clevis te vinden, eigenaar van de stadsimkerij Bijmegen. Zijn bijen vliegen door de stad en maken honing van de bloemen uit het Kronenburgerpark tot aan de Ooij.

foto Simon Swelsen

Van het lijf

Interview

Pagina 8: ‘Net als mijn moeder maak ik zelf kleding, zoals deze jurk die bestaat uit verschillende T-shirts.’

foto Ted van Aanholt

Email redactie@ans-online.nl Adres Heyendaalseweg 141 6525AJ Nijmegen Tel. 06-45176456

foto Simon Swelsen

Pagina 7: De 21-jarige Lena Hessels bracht begin dit jaar haar debuut EP If not now uit. Nu zet ze zich schrap om haar dromen werkelijkheid te zien worden.


2

Wat er verscheen op ANS-online

De nieuwe lijsttrekkers van AKKUraatd en asap tekst Delphine Broasca en Sophia van Engelshoven foto Diede van der Vleuten

Van maandag 30 mei tot donderdag 2 juni zijn de verkiezingen voor de Universitaire Studentenraad (USR). Dit jaar staat Hugo van Bree bovenaan de lijst van AKKUraatd en Mark Bunschoten is de nummer een van asap. Middels vijf stellingen vroeg ANS de lijsttrekkers naar hun plannen voor komend jaar.

D

e zesdejaarsstudent Hugo van Bree (24, master Spatial Planning) had vijf jaar geleden al interesse in de medezeggenschap. Hij stortte zich echter eerst op een bestuursjaar bij Postelein, de studievereniging voor Pedagogische Wetenschappen. ‘Vervolgens kwam corona en lag alles stil.’ Nu dat voorbij is, leek het Van Bree het perfecte moment om lijsttrekker van AKKUraatd te worden. ‘Nu ben ik namelijk nog student’, lacht de masterstudent. De interesse in universiteitspolitiek ontstond bij de derdejaarsstudent Mark Bunschoten (21, bachelor Politicologie) dit jaar door zijn functie in de Opleidingscommissie (OLC). ‘Ik heb gezien hoeveel er eigenlijk speelt op de universiteit’, zegt hij enthousiast. ‘Er zit zoveel achter de universiteit wat je als student helemaal niet weet en ziet.’ Via de OLC is het balletje gaan rollen en nu is Bunschoten lijsttrekker van asap. Studentenwelzijn Op dit moment is preventie belangrijker dan zichtbaarheid van hulp op de campus. Van Bree: ‘Ik denk niet dat preventie belangrijker is dan zichtbaarheid. Het gaat namelijk hand in hand. Bovendien kan je nooit alles voorkomen en dan is zichtbaarheid ontzettend belangrijk. Studenten moeten weten waar ze terecht kunnen. Daarnaast moet het taboe rondom hulp vragen worden doorbroken. Zo zouden studieadviseurs ook op studenten kunnen afstappen om toegankelijkheid te creëren. Het vragen om hulp komt dan niet alleen vanuit de student, maar de universiteit stelt zich ook actiever op.’ Bunschoten: ‘Ik sluit me daarbij aan. Het is geen vraag of het ene belangrijker is dan het ander. Studentenwelzijn is een heel breed probleem, wat om actie vraagt aan beide kanten: preventie en hulp achteraf. Wat betreft zichtbaarheid zou het goed zijn als er een zorgkaart komt op de website, zodat er een duidelijk overzicht is wat voor zorg er is en waar je naartoe moet om hulp te krijgen. Een voorbeeld van preventie is het buddyproject. Dat loopt al, maar asap wil dat dit project nog verder wordt uitgewerkt. Daarnaast denk ik dat integratie ook bijdraagt aan het welzijn van studenten. Dit kan de universiteit creëren door wat vaker op de student af te stappen. Zo komt de integratie van twee kanten: de universiteit denkt met de studenten mee en de studenten met de universiteit ’ Van Bree: ‘Die integratie kan worden gecreëerd op de introductiemarkt. Waar ik me graag voor in wil zetten is dat de focus van die markt niet meer alleen ligt op eerstejaars-, maar ook op ouderejaarsstudenten. Eerstejaars zijn namelijk vaak wat terughoudender om actief te worden bij een vereniging omdat alles nieuw is. Ouderejaars zijn al gesetteld en weten hoeveel tijd ze over hebben naast het studeren. Door ook op hen te focussen tijdens de introductiemarkt kan dus meer integratie in het studentenleven ontstaan.’ Studeren Om studenten opnieuw naar college te trekken moet de RU geen hybride onderwijs aanbieden, maar slechts fysiek onderwijs. Bunschoten: ‘Ik denk niet dat het helemaal afschaffen van online onderwijs de oplossing is om studenten naar de campus te trekken. Zo bieden sommige opleidingen nooit online

colleges aan en ook daar blijven de collegezalen leeg. De vraag die de universiteit zich dus moet stellen is: Hoe zorgen we ervoor dat we intrinsieke motivatie bij studenten creëren, zodat ze weer naar de campus komen?’ Van Bree: ‘Het is inderdaad de verantwoordelijkheid van de universiteit om de campus aantrekkelijker te maken, dan worden de collegezalen vanzelf wel weer gevuld. Enkel fysiek colleges aanbieden is lastig. Hoewel AKKUraatd van mening is dat dat de basis is, is hybride onderwijs een goed middel om iedereen op diens manier te laten studeren. Studenten die bijvoorbeeld een bestuursjaar beoefenen, topsport doen, of andere omstandigheden hebben, kunnen dan namelijk makkelijk flexibel studeren.’ Bunschoten: ‘Asap pleit natuurlijk ook dat flexibel studeren voor deze studenten makkelijk moet blijven, maar we moeten ook kijken naar de “gewone” studenten. Ook met hen moet worden meegedacht als ze even niet naar college kunnen komen. Het belangrijkste punt van hybride onderwijs is daarbij dat het een aanvulling is op de normale colleges. Het moet geen vervanging worden, zoals in de coronaperiode.’ Duurzaamheid Plasticvermindering is het belangrijkste punt waar de RU zich op moeten focussen als zij duurzaam wil zijn. Van Bree: ‘Plasticvermindering is heel belangrijk en het is makkelijk om daar een grote stap in te zetten die veel impact heeft. Op dit moment wordt bijvoorbeeld nog al het eten los verpakt. Deze zomer kan de universiteit hiermee stoppen omdat het contract dan verloopt. Toch denk ik dat de universiteit veel meer kan doen dan enkel focussen op plastic verminderen.’ Bunschoten: ‘Daar ben ik het mee eens. Duurzaamheid is een heel breed begrip. Als de universiteit zich enkel zou focussen op ecologische duurzaamheid, zoals plasticvermindering, mist ze een heel groot deel. Ook sociale duurzaamheid is van belang. Een voorbeeld daarvan zijn de maaltijden van de Refter die steeds meer veganistisch en vegetarisch worden. Dat is ontzettend goed, maar we moeten wel rekening houden met allergieën. Veganistische en vegetarische maaltijden bevatten namelijk vaker voedingsstoffen die allergie gevoelig zijn. We moeten ervoor zorgen dat we hier dus geen studenten in uitsluiten, wat samenhangt met de sociale duurzaamheid.’ Van Bree: ‘AKKUraatd heeft ook een plan dat bijdraagt aan sociale duurzaamheid. We zien graag dat er een studenthovenier komt. De studenthovenier is een bijbaan voor studenten, waarbij ze de taak hebben om de planten op de campus te onderhouden. Zo kunnen de kunstmatige planten worden vervangen door echte planten, wat de campus een fijnere en aantrekkelijkere plek maakt.’ Bunschoten: ‘Om de campus groener te maken willen we kijken of we de fietsenstallingen onder de Refter en het Collegezalencomplex beter kunnen benutten. Als we ervoor zorgen dat deze meer worden gebruikt, kunnen we de bovengrondse fietsenstallingen vervangen door groen, wat net als de studenthovenier bijdraagt aan een aantrekkelijkere campus.’ Inclusiviteit Inclusie kan worden bevorderd door interdisciplinair onderwijs. Bunschoten: ‘Interdisciplinair onderwijs biedt veel voorde-

36e jaargang Schröder, Marjolein Smetsers, Tom Steenblok, Michelle Hoofdredactie Delphine Broasca en Simon Swelsen Tang, Ellen Theuws, Freek van Til, Floor Toebes, Ellen Redactie Thijs Meeuwisse, Jip Meijers, Gian Oerlemans Verhoeven, Loïs Verkooijen, Irene Wilde en Eline Zouten Philip Schröder dijk. Medewerkers Marieke van Ruiten, Michelle Tang, Ellen Lay-out Simon Swelsen Theeuws, Ellen Verhoeven en Eline Zoutendijk Logodesign voorpagina Noah Kleijne Illustraties Ande Cremers, Evelien Denneman en Inge Dagelijks bestuur Begüm Çilsal (secretaris), Melisa Spoelstra Kurt (penningmeester) en Tuana Öztürk (voorzitter) Foto’s Ted van Aanholt en Diede van Vleuten Druk Flevodruk Harlingen BV Columnist Tonnie de Benis Uitgave, abonnementen en advertentie-acquisitie Verbeeld Ande Cremers, Evelien Denneman en Simone Stichting MultiMedia: stichtingmultimedia@gmail.com Vlug Redactieadres Eindredactie Jochem Bodewes, Mara Burgstede, Pim Heyendaalseweg 141 Dankloff, Britt Duijzer, Sofie Groen, Naomi Habashy, 6525 AJ Nijmegen Maan Heijthuijsen, Twan van Lith, Julia Mars, Julia Mail: redactie@ans-online.nl Meilink, Gian Oerlemans, Marieke van Ruiten, Philip Tel. 06-45 176 456

DE IRREALISTISCHE ANALIST Leve de USR! Vierdejaars student Tonnie de Benis heeft op de universiteit mateloos leren nuanceren. Iedereen weet echter dat een goed verhaal ontstaat met een leugentje of een zware overdrijving. In zijn column laat hij de nuances varen op een zee met meer dan één korreltje zout. Het is weer zover: vanaf 30 mei mogen alle Radboud studenten hun stem uitbrengen voor de Universitaire Studentenraad (USR). Acht nieuwe kandidaten zullen aankomend jaar in deze raad komen. Deze jaarlijkse verkiezingen symboliseren de democratische, vrije, laagdrempelige en transparante inspraak van studenten op de universiteit. De jaarlijkse opkomst bij deze studentenverkiezingen bedraagt echter slechts 30 procent. Hoe komt het dat studenten weinig gebruik maken van hun democratische recht? Eerlijk toegegeven, de promotie van de verkiezingen en beschikbare kandidaten is wel heel erg minimaal. Wie deze maand over de campus loopt, zou zijn uiterste best moeten doen om een glimp op te vangen van de verkiezingsstrijd. Een oplossing kan zijn om posters van verkiesbare studenten aan lantaarnpalen op de campus te behangen. Uiteraard hoeven ze niet op iedere paal te worden vastgenageld, maar een continue verafgoding van de hoofden van kandidaten op posters zal wel ertoe leiden dat iedere stemmer ‘s nachts over deze verkiesbare studenten droomt. Bovendien wordt er ook zeer weinig gebruik gemaakt van sociale media. Wat de USR misschien niet weet, is dat veel studenten actief zijn op platformen als Facebook en Instagram. Het sturen van dwangmatige privéberichten over de stemplicht zou wellicht kunnen bijdragen aan een hogere opkomst. De ultieme utopie is toch niets meer dan een persoonlijke boodschap ontvangen van je favoriete USR-leider? Daarnaast verdrinkt de student in het aantal opties van verschillende partijen. Gelukkig doet de extra partij die op het stembiljet zou verschijnen, Masterlyck, toch niet mee dit jaar. Deze toevoeging zou de student nog meer verstrengelen, die toch al geen overzicht meer had van welke partijen er allemaal meedoen. Bovendien, de enorme verscheidenheid aan unieke standpunten maakt het voor de kiezer uiteraard alles behalve eenvoudig om een weloverwogen besluit te nemen. Om meer stemmers enthousiast te maken, zou het een aanbeveling kunnen zijn om iets meer gebruik te maken van populistische standpunten waar iedereen het mee eens is, bijvoorbeeld: ‘Een zo prettig mogelijk studieklimaat waar goed onderwijs op één staat.’ Al met al kan er worden geconcludeerd dat de USR simpelweg niet genoeg haar best doet om studenten gebruik te laten maken van hun democratische recht. In dit opzicht kan de normale student ook niets kwalijk worden genomen, aangezien de inactieve houding van de USR hier een onderliggend probleem vormt. Uitermate zonde, omdat de acht verkozen leden van de studentenraad echt een heel grote invloed hebben op het beleid van de universiteit. Het mag duidelijk zijn dat de raad het moeilijk heeft om studenten te laten stemmen. Laten we daarom dit jaar de USR een handje helpen door allemaal massaal onze stem uit te brengen! Grijp die democratische kans en stem! Leve de USR!

tekst Tonnie de Benis illustratie Inge Spoelstra


3 len: je leert nieuwe mensen kennen en anders naar problemen kijken. Daarom denk ik dat het zou kunnen bijdragen aan inclusiviteit, maar inclusiviteit wordt niet erg vergroot door interdisciplinair onderwijs. Asap denkt dat je daarom naar veel meer dingen moet kijken, zoals integratie, sociale veiligheid en mentaal welzijn van studenten.’ Van Bree: ‘Daar sluit ik me helemaal bij aan. Ik denk ook dat interdisciplinair onderwijs kan bijdragen aan inclusie. Je wordt immers inclusiever als je meer perspectieven op de wereld leert. Toch moet de universiteit ook inzetten op het doorbreken van taboes rondom het zoeken van hulp, gender, seksualiteit en racisme als ze inclusiviteit wil bevorderen.’

flexibel onderwijs.’ Van Bree: ‘Dat meedenken doet de universiteit door cursussen aan te bieden die je kunnen helpen met een bestuursjaar. Hoewel het al gebeurt, is het belangrijk dat het voor studenten ook duidelijk is dat de universiteit dat aanbiedt. Zo zijn studenten beter op de hoogte van hun mogelijkheden en dat kan ze stimuleren om een bestuursjaar te doen. Dat is ook voor de universi-

Medezeggenschap De RU moet het doen van bestuursjaren zoals medezeggenschap niet alleen faciliteren, maar ook stimuleren. Van Bree: ‘AKKUraatd is van mening dat het doen van bestuursjaren zeker moet worden gestimuleerd. Studenten worden dan zowel bij de universiteit als de stad betrokken, waardoor ze minder snel tegen problemen als eenzaamheid zullen aanlopen. Het draagt dus bij aan een mentaal gezonde campus. Bovendien krijgen studenten dan de kans om zichzelf te ontplooien. Om dit te stimuleren moet de universiteit een passende compensatie bieden, waardoor iedereen de mogelijkheid krijgt om een bestuursjaar te doen.’ Bunschoten: ‘Ik ben het met je eens. De universiteit moet bestuursjaren, zoals sport en medezeggenschap, stimuleren. Het draagt inderdaad bij aan je persoonlijke ontwikkeling en daarnaast gaat de kwaliteit van de universiteit omhoog. Het stimuleren van bestuursjaren zorgt namelijk voor een kwaliteitsimpuls van de medezeggenschap, waardoor er beter beleid wordt gemaakt en dit zorgt voor een hogere kwaliteit van de universiteit en het onderwijs. Om bestuursjaren te stimuleren moet de universiteit meedenken in de vorm van financiële compensatie en

teit zelf van belang, want zonder een studentenraad, OLC’s en studentenverenigingen kan je als universiteit niet functioneren.’ Verschillen Jullie zijn het over de meeste dingen met elkaar eens. Dat kan fijn zijn voor de samenwerking, maar hoe weet de student dan op welke partij hij moet stemmen? Waar zitten de grootste verschillen tussen AKKUraatd en asap? Bunschoten: ‘Asap zet zich vooral in om de student in staat te stellen alles uit zijn studie en onderwijs te halen. Daarvoor is het van belang dat de universiteit studenten aanmoedigt om zich naast hun studie te ontwikkelen en de informatie beschikbaar stelt waardoor studenten actief kunnen worden buiten de opleiding om.’ Van Bree: ‘AKKUraatd is er voor iedere student en zet zich ook actief in voor minderheden. Daarnaast is duurzaamheid een belangrijke pijler voor ons. AKKUraatd is over het algemeen vooruitstrevender en wij stellen ambitieuzere doelen.’ Bunschoten: ‘Dat klopt, asap is iets terughoudender. Verder hebben we ook andere persoonlijke kernpunten. Ik wil me hard maken voor sociale veiligheid en studentenwelzijn. Zeker na het rapport van het Trimbos Instituut dat is uitgekomen over dat veel studenten met mentale problemen kampen.’ Van Bree: ‘Ik wil me vooral inzetten voor goed onderwijs voor iedereen. Elke student op de RU moet de kans krijgen om te studeren op diens manier. Als ik mij hiervoor kan inzetten en kan laten zien waar AKKUraatd voor staat, dan ben ik tevreden. Het doorvoeren van concrete wijzigingen duurt heel lang, dus ik vind het vooral belangrijk dat AKKUraatd zijn concrete punten over de jaren heen kan vasthouden en doorvoeren.’ Bunschoten: ‘Ik kan spreken van een geslaagd jaar als een aantal concrete beleidswijzingingen zijn doorgevoerd. Als ik het standpunt van asap naar voren heb gebracht en een positieve verandering teweeg heb gebracht, dan ben ik tevreden.’

Opinie

NIJMEGEN: ZORG VOOR STRUCTURELE OPVANG tekst Gian Oerlemans

Met de komst van tienduizenden Oekraïense vluchtelingen, een tekort aan structurele opvangplekken en de soms erbarmelijke opvang is het vraagstuk over de opvang van vluchtelingen wederom immens actueel. De gemeente Nijmegen moet meer structurele opvanglocaties faciliteren om asielzoekers en vluchtelingen op te vangen.

D

e ogenschijnlijke ruimhartigheid van het Nijmeegse vluchtelingenbeleid kent een schaduwzijde. In 2015 en 2021 opende de gemeente Kamp Heumensoord als crisisnoodopvang, een tijdelijke opvanglocatie voor vluchtelingen. Hier ving het respectievelijk duizenden Syrische en Afghaanse vluchtelingen op. Deze locatie is op aandringen van de Nationale ombudsman en het College voor de Rechten van de Mens echter gesloten vanwege onder meer gebrekkige voorzieningen en slechte leefomstandigheden. Hoewel deze locatie is opgeheven, doen zich nog steeds problemen voor. Zo is de reguliere opvang bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) door een tekort aan beschikbare plekken en de recent toegenomen instroom van asielzoekers en vluchtelingen landelijk vol. Daarnaast is de doorstroom van asielzoekers met een verblijfsvergunning, de zogenaamde statushouders, naar een reguliere woning laag vanwege de woningcrisis. Ook Nijmegen kampt met deze problemen en heeft als oplossing voor het opvangtekort crisisnoodopvanglocaties geopend in onder meer de Jan Massinkhal en op cruiseschepen in de Waalhaven. Om de problemen omtrent de crisisnoodopvang op te lossen, meer draagvlak te creëren, integratie te bevorderen en voorbereid te zijn op de toekomst, moet de gemeente Nijmegen haar best doen om structurele opvanglocaties voor asielzoekers en vluchtelingen te faciliteren. Op handen dragen In tegenstelling tot crisisnoodopvang op verschillende plekken kan structurele opvang van een vast maximaal aantal vluchtelingen eerder

tot draagvlak onder de lokale bewoners leiden. Door asielzoekers en vluchtelingen in de wijken op te vangen, kan er meer positief contact tussen hen en de lokale bewoners komen. Jochem Tolsma, universitair hoofddocent Sociale Ongelijkheid aan de Radboud Universiteit, stelt dat bestaande stereotypes over deze groepen hierdoor kunnen worden bijgesteld: ‘De weerstand wordt snel minder als mensen zien dat de wijk niet verloedert en dat niet alle asielzoekers crimineel zijn.’ Onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen wijst bovendien uit dat het draagvlak stijgt als asielzoekers als medemensen worden gezien. Door asielzoekers en vluchtelingen op een vaste plek op te vangen en contact te stimuleren, kan de gemeente dit verwezenlijken. Dit heeft in 2015 al tot succes geleid toen honderd Eritrese vluchtelingen in Nijmegen-Noord werden opgevangen. Hierop vroeg de gemeente buurtbewoners om met initiatieven voor activiteiten met de groep te komen. Jeroen van Gisbergen, oprichter en bestuurder van stichting Run4Freedom, sprong hier met buurtgenoten op in door meermaals per week met de groep te gaan hardlopen en ze mee te nemen naar wedstrijden in de buurt. Ook andere buurtinitiatieven startten op om het contact tussen de lokale bewoners en de Eritrese vluchtelingen te bevorderen. Beleid om te integreren kun je leren Structurele opvanglocaties en contact met lokale bewoners kunnen bovendien positief bijdragen aan de integratie van nieuwkomers. In het huidige landelijke beleid worden vluchtelingen daarentegen vanuit de crisisnoodopvanglocaties verplaatst als er ruimte is op structurele opvanglocaties in zowel Nijmegen als in de rest van Nederland. Zo is een

deel van de Afghaanse vluchtelingen uit Kamp Heumensoord na een half jaar naar Enschede verplaatst. ‘Ze worden van hot naar her gereden, waardoor ze moeilijk kunnen integreren’, stelt Tolsma het probleem vast. Van Gisbergen beaamt dit: ‘Als je ze verplaatst, breek je alles af wat ze net hebben opgebouwd.’ Door vluchtelingen en asielzoekers echter op een vaste plaats op te vangen, kunnen ze een start maken om hun leven opnieuw op te bouwen, creëren ze een netwerk en komen ze in contact met de Nederlandse taal, waarmee hun integratie wordt gestimuleerd. ‘De hardlooptrainingen die wij organiseren, zijn ook voor minder sportieve mensen een contactmoment waar ze hun verhaal kwijt kunnen en een moment waar ze samenzijn met lokale bewoners’, geeft Van Gisbergen een voorbeeld van de werking. Tolsma voegt toe: ‘Als kinderen op school in een vaste klas komen, dan voelen ze zich sneller ingebed in de samenleving en dan werkt dat ook door naar hun ouders.’ Op zoek naar een buffer Een veelgenoemde reden om niet meer vluchtelingen op structurele locaties op te vangen, is de woningcrisis. ‘Het probleem daarin is dat er geen plek is voor statushouders’, licht Tolsma toe. Hierdoor is er weinig of geen ruimte voor de instroom van asielzoekers en vluchtelingen in opvanglocaties. Normaliter wijst de gemeente statushouders namelijk een woning toe, maar door het gebrek aan beschikbare woningen is dat lang niet altijd mogelijk. Volgens de socioloog kan de concurrentie op de huizenmarkt tot weerstand tegen de komst van asielzoekers en vluchtelingen leiden: ‘Statushouders concurreren op dit moment met lokale bewoners over huisvesting en als groepen met elkaar in com-

petitie zijn, dan ontstaan er spanningen.’ Ondanks de woningnood heeft de gemeente andere opties om structurele opvanglocaties te creëren en is dat ook noodzakelijk. ‘Het zal namelijk vaker gebeuren dat we grote groepen mensen op moeten vangen. Kijk naar de overstromingen in Limburg, oorlogen en natuurrampen overal ter wereld. Daar moeten we op voorbereid zijn’, stelt Van Gisbergen. Op dit moment is Nijmegen daar niet goed genoeg op voorbereid. ‘Het COA houdt nu nog geen buffer aan’, vertelt Tolsma. De organisatie sluit veel opvanglocaties namelijk weer zodra de bewoners elders zijn gehuisvest. ‘Als je wil voorkomen dat er een opvangcrisis is en dat er slechte omstandigheden zijn zoals in Kamp Heumensoord, dan moet je als maatschappij accepteren dat het COA meer noodopvang heeft’, vult hij aan. Om een noodzakelijke buffer te creëren, kan de gemeente kijken naar leegstaande panden en deze gereed maken met basisvoorzieningen. Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek blijkt bijvoorbeeld dat vijf procent van de kantoorpanden in Nijmegen leegstaat. Zo is het oude belastingkantoor aan de Stieltjesstraat in Nijmegen recentelijk gereedgemaakt voor de opvang van Oekraïense vluchtelingen. Dit is een goede eerste stap, maar de gemeente moet ervoor zorgen dat deze en andere locaties ook na vertrek van de Oekraïners beschikbaar blijven voor toekomstige vluchtelingen en asielzoekers en dat de locatie in zo’n geval direct in gebruik kan worden genomen. Hiermee voorkom je niet alleen dat er erbarmelijke locaties worden opgetuigd om hen voor kortere tijd op te vangen, maar maak je de opvang ook nog eens duurzaam voor zowel de lokale bewoners als voor de vluchtelingen en asielzoekers. ANS


4 Meeloopreportage

BIJ-DRAGE tekst Simon Swelsen en Ellen Theuws fotos Simon Swelsen

Op de daken van de Nijmeegse skyline zijn de bijenvolken van Joost Clevis, eigenaar van de stadsimkerij Bijmegen, te vinden. Zijn bijen vliegen door de stad en maken honing van de bloemen uit het Kronenburgerpark tot aan de Ooij. ‘Bij elkaar heb ik zo’n miljoen bijen, dat is een aardige veestapel.’

Z

ijn onderburen groeten hem vriendelijk als Clevis door het stadhuis zijn weg naar het dak vindt. Acht jaar geleden begon hij als imkercursist, nu staan op de daken van onder andere het Honigcomplex en het Stadhuis zijn bijenkasten. De stadsbijen maken de honing van Bijmegen, die nu zelfs in enkele Nijmeegse restaurants wordt gebruikt. Hoe dichter je bij de kleurrijke bijenkasten komt, hoe harder het gezoem in je oren klinkt. Momenteel lijkt het groene dak van het stadhuis wel een bijenvliegveld. De zwart-gele beestjes zijn hard aan het werk om nectar te verzamelen voor de winter. ‘Tegelijkertijd bestuiven ze de flora in Nijmegen’, vertelt Clevis. Zo kan hij de beste lokale honing maken en heeft de natuur daar profijt van. Zodra de bijen beginnen met het aanleggen van een honingvoorraad om de winter te doorstaan, zet Clevis zijn imkerkap op. Zijn passie voor bijen ontpopte zich toevallig

toen hij de documentaire More than honey keek. Het triggerde hem om meer over bijen te weten te komen en uiteindelijk actie te ondernemen. Bovendien was hij het zat achter een bureau te werken: ‘Ik heb toen mijn imkercertificaat gehaald, met als droom alle Nijmegenaren van mijn honing te voorzien.’ Zijn eerste kasten stonden buiten de stad in de Ooij, van urban beekeeping hoorde wist hij dat hij stadsimker wilde worden. Naast het produceren van Nijmeegse stadshoning vind hij het vergroten van bewustwording van het belang van bijen even zo belangrijk. ‘Ik geef inmiddels lessen op scholen en werk samen met bedrijven die willen verduurzamen. Het is ontzettend gaaf om mijn verhaal over de bijen te delen met kinderen, maar ook met volwassenen’, vertelt hij. De hobby en honingzoete droom van de stadsimker monDde uit in het hebben van twee bedrijven met zijn bijen. Hoe dragen de imker en zijn bijen eigenlijk bij aan een gezonder Nijmegen?

Mater bij pater Clevis Met de Sint-Stevenskerk op de achtergrond zoemen vier bijenvolken die vloeibaar goud maken. Met zijn bedrijf Bijen op daken plaatst en onderhoudt de stadsimker volken op daken door het hele land: ‘Ik krijg een gedeelte van het duurzaamheidspotje van zo’n bedrijf, in ruil voor het vergroenen van hun dak, honing en workshops over het belang van de bij’, vertelt hij trots. De honingproductie vergt overigens niet alleen werk van de bijen maar ook van de stadsimker. Hij probeert om de week bij zijn kasten langs te gaan. Op imkerapp BEEP houdt hij bij hoe het gaat met zijn ‘veestapel’. Zoals een boer weet wanneer het tijd is om zijn koeien te melken en de stal schoon te vegen, ziet Clevis op de app wanneer het tijd is om honing af te halen, zijn bijen te voeren, de beestjes te checken op ziektes en infecties en de raten schoon te maken. Voordat hij een kast opent steekt hij eerst wat imkertabak aan, niet omdat hij een sjekkie wilt roken maar

zodat de bijen tijdelijk de kast verlaten. ‘Wat doe je als je denkt dat je huis in brand staat? Je gaat je koffer pakken en maakt dat je wegkomt.’ Dat werkt ook zo bij de bijen, legt hij uit. De kast gaat open en de imker zoekt eerst naar de koningin: de mater familias die vijf jaar lang bovenaan de bijenhierarchie staat. ‘Die hou ik dan in een klemmetje apart, zodat ze niet per ongeluk wordt geplet.’ Als dit gebeurt staat de ontwikkeling van het volk namelijk een maand stil omdat het lang duurt om een nieuwe koningin te maken. ‘Een bij leeft maar vier weken dus rond deze tijd van het jaar legt de koningin zo’n 2000 eitjes per dag’, vertelt de imker. Hij schudt de zoemende beestjes grof van de raten zodat hij hun huisjes kan schoonmaken. Eventuele extra grote cellen, koninginnencellen genaamd, worden verwijderd. Hierin legt de koningin namelijk het eitje dat haar opvolger zal worden en en dat wil Clevis voorkomen: ‘Een oude koningin zal uitvliegen met de helft van de bijen en elders een nieuw


5

onderkomen zoeken.’ Zo houdt een imker dus de natuurlijke driften van de bij in bedwang, zodat zij op de daken blijven wonen. Niet alle natuurlijke neigingen van de bij worden echter ingeperkt. Zo kickt de bij van nature op nectar en daar maakt Clevis gebruik van. ‘Bijen zijn de bestuivers van onze bloemen en planten’, legt hij uit. ‘Dit gebeurt in de vierde en laatste week van het bijenleven, dan wordt ze haalbij’, zegt hij al wijzend naar de opening in de kast. De bijen gebruiken het dak van het stadhuis als landingsbaan om hun nectar te deponeren bij het thuisfront, waar er honing van wordt gemaakt door de andere bijen. ‘Omdat de bij helemaal de bloem in moet kruipen om bij de nectar te komen komt hij volledig onder het stuifmeel te zitten’, beeldt Clevis uit. De bij maakt meerdere stops en helpt zo bloemen bevruchten. Hij wijst een aantal bijen aan die onder het stuifmeel zitten: ‘Sommige bijen hebben gele klompjes mee op hun achterpoten en andere rode, dat is van verschillende planten.’ Door verspreiding van stuifmeel dragen bijen dus bij aan biodiversiteit in de stad. Eén tegen honderden De honingbij kan dus biodiversiteit bevorderen, maar volgens sommige onderzoeken vormt ze er ook een bedreiging voor. Het aantal imkers in Nederland is de laatste jaren sterk toegenomen, zo grapt Clevis spottend dat er tegenwoordig meer honing lijkt te vloeien dan er bijen zijn. Hierdoor zou de honing-

bij een bedreiging vormen voor driehonderd wilde bijensoorten. Deze leven in tegenstelling tot de bijen van Clevis solitair en maken maar weinig honing om te overwinteren, wat het minder interessant maakt om ze te houden. Doordat de honingbij wel gehouden wordt ,heeft deze een oneerlijke concurrentiepositie en zou het te weinig voedsel over laten voor de wilde bijen. Clevis gelooft echter dat honingbijen geen grote bedreiging vormen voor de voedselvoorziening van de wilde bij. ‘Er zijn genoeg bloemen waar niet veel nectar in zit of waarvan het suikergehalte laag is.’ Deze zijn voor de honingbij minder interessant omdat die soms nog ver terug naar de koningin moet vliegen. De energie die hiervoor nodig is, kost hen al een groot deel van de nectar. De stadsimker erkent desondanks dat er rekening moet worden gehouden met wilde bijen. Om de voedselvoorziening voor de verscheidene bijensoorten in balans te houden had Clevis het idee om een kaart te maken van de stad waarop alle planten en bijenkasten staan. Dan moet echter wel iedereen meewerken. ‘Het is lastig om elke hobby-imker te traceren en sommige imkers houden er doorgaans niet van om de plek van hun kasten openbaar te maken’, vertelt Clevis. ‘Als de buurvrouw wordt gestoken en allergisch blijkt te zijn, kunnen ze wel inpakken.’ In zijn ervaring hebben mensen echter geen last van de volken tot ze weten dat ze er zijn. De bijen zijn immers niet agressief. ‘Behalve als ik hun huis overhoop haal, dan worden ze natuurlijk boos’, grapt hij,

terwijl hij achteloos een paar bijen van zijn arm afslaat. Anders dan concurrentie ziet hij echter vooral verstening als de vijand van alle bijen. Hij ergert zich aan de enorme hoeveelheid stenen tuinen die hij voorbij ziet komen: ‘Waar het aan schort is de hoeveelheid bloemen en planten in de stad.’ De stadsimker probeert op zijn manier rekening te houden met de voedselvoorziening. ‘Je moet geen vijftig kasten op een dak neerzetten’, zegt hij terwijl hij naar de vier kasten op het dak van het stadhuis wijst. ‘Ik begin altijd met twee, waarna ik kijk of de kolonie zich goed ontwikkelt en genoeg honing opbrengt.’ Als dat zo is, blijkt er ook genoeg voedsel te zijn en kan hij er wellicht meer bij plaatsen.

‘Ik stond met een dik oog op het terras.’ Healthy honing ‘Toen ik begon wilde ik elke Nijmegenaar van lokale honing voorzien’, vertelt hij na het onderhouden van de kast. De honing uit de supermarkt is volgens Clevis namelijk troep, terwijl het juist een heel gezond product is. ‘Omdat honing kristalliseert en consumenten dat niet willen, wordt honing in fabrieken vaak op te hoge temperaturen verhit’, legt hij uit. De gezonde stoffen die in de honing zitten en afkomstig zijn uit de planten uit de omgeving gaan hiermee verloren. Meer kasten betekent echter ook meer concurrentie voor de wilde

bij en dus denkt hij daar momenteel niet aan. Naast zijn werk als stadsimker werkt hij bovendien nog in de horeca, dus heeft hij het druk genoeg: ‘De eerste honingoogst is meestal halverwege mei, dus in de maanden dat de zon schijnt ben ik fucking druk’, lacht hij. Dan zoemen de bijen iets te dichtbij de baas. Dezelfde morgen was hij op een van zijn andere locaties in de stad waardoor hij nu onder de honing zit. ‘Daar zullen ze waarschijnlijk op afkomen’, stelt hij. Bang is hij niet voor de insecten, ondanks dat hij genoeg gestoken wordt. Nonchalant babbelt hij door: ‘Ik heb er vandaag al een paar te pakken.’ De eerste steek van het seizoen zwelt altijd gigantisch op, wat in zijn geval interessante situaties oplevert: ‘Ik heb wel eens met een dik oog op het terras gestaan.’ De bijen lijken eerder huisdieren voor Clevis dan honingpersoneel, toch wil hij niet zo ver gaan. ‘Mijn liefde voor de bij is eenzijdig’, grapt hij. Toch loont zijn werk als stadsimker. Inmiddels wordt zijn honing op verschillende plekken in Nijmegen verkocht, wat een stap in de richting is van zijn droom. Evenals een positieve ontwikkeling voor het milieu, want lokale producten hoeven geen grote afstanden af te leggen van producent naar consument, en stoten zo minder Co2 uit. Verschillende winkeltjes in de stad verkopen zijn honing en hoogaangeschreven restaurants verwerken het in hun gerechten. ‘Dat voelt supervet en ik zou graag eens gaan proeven wat ze ervan maken’, vertelt de stadsimker stralend. ANS

Advertenties

sor vakantiekampen

kampen 2022

DE SOR ZOEKT

KAMPLEIDING EEN WEEK OM NIET TE VERGETEN, VOOR KINDEREN ÉN DE VRIJWILLIGERS!

OP REIS MET DE BUS

KAMPVUUR ZWEMMEN PANNEKOEKEN VERKLEDEN SPELLETJES EN NOG VEEL MEER....

Ontdekkers (6, 7 en 8 jaar) 30 juli t/m 6 augustus Blokhut in St. Anthonis Avonturiers (9 en 10 jaar) 30 juli t/m 6 augustus Tentenkamp in Bergen Pioniers (11 en 12 jaar) 30 juli t/m 6 augustus Blokhut in Mill

www.sorvakantiekampen.nl


6

OVER DE KOOK tekst Michelle Tang fotos Simon Swelsen

Dit is de rubriek voor echte fijnproevers. ANS bedenkt iedere editie een bepaald thema en een budget voor een gerecht. Het is aan de student om de uitdaging aan te gaan en een hoogstaand staaltje kookkunst te laten zien. Staat de student nog aan het begin van zijn bachelor of is hij al een masterchef? Deze keer: Gluren in de kastjes van buren

V

oor haar maaltijd test Jozan (26, Rechtsgeleerdheid) test de vrijgevigheid van haar buren in deze dure tijden. Ze moet een gerecht bereiden met wat haar buren haar willen geven. De zevendejaars student bewijst de ideale kandidaat voor deze uitdaging te zijn door meteen assertief bij iedere student in het Jacob Canis-gebouw aan te bellen. ‘Hier doet zeker iemand open’, zegt ze lachend. De buzzer gaat, ze stapt naar binnen en komt op de trap haar eerste sponsor tegen. ‘Van mij mag je best eieren hebben, maar dan moet je wel vier verdiepingen omhoog.’ Na het beklimmen van de trappen zoekt een kortademige Jozan mee in de koelkast naar de beloofde eieren. De andere huisgenoten krijgen lucht van de uitdaging en bieden ingrediënten aan van wisselende bruikbaarheid: ‘We hebben rodewijnazijn, een pak rijst en een paar dode muizen.’ Jozan wijst het aanbod beleefd af, maar als er eenmaal een tros bananen tevoorschijn komt, slaat ze toe. ‘Top, nu kan ik bananenpannenkoekjes maken’, jubelt ze. De gulheid van de Nijmeegse studenten valt niet tegen. ‘Trek al die kasten maar leeg’, roept een student terwijl zijn huisgenoten de bedeltas van Jozan volgooien. Na het bezoeken van een aantal andere buren die helaas geen boodschappen over hebben, keert ze met haar buit terug naar huis.

Als Jozan drie verschillende pakken pasta op haar keukentafel uitstalt, wordt het haar snel duidelijk dat de Italiaanse keuken onder studenten een grote favoriet is. Naast de pastasoorten haalt ze kappertjes, cherrytomaatjes, spinazie, bananen, eieren en stroop tevoorschijn en ze heeft ook nog knoflook, ui en ricotta gescoord. Ze tuurt naar de uitgestalde producten en realiseert dat ze haar studentenintuïtie om pasta pesto te maken moet negeren.‘Het wordt een mix van pasta’s met een tomaat-ricottasaus, kappertjes en bananenpannenkoekjes als dessert.’ Jozan brengt de pasta aan de kook en begint met het snijden van de ui. Teleurgesteld pinkt ze een traantje weg als ze opmerkt dat ze zelf niet veel pasta eet: ‘Ik vervang gerechten met koolhydraten vaak door koolhydraatvrije producten. Dan kook ik in plaats van rijst bijvoorbeeld bloemkoolrijst.’ Om de uitdaging volledig te omarmen maakt Jozan een uitzondering en eet ze deze keer wel normale pasta. De pastasaus is klaar als Jozan de ricotta vermengt met de gebakken groenten. Ze schept de pasta op borden en giet de pastasaus er overheen. Daarna begint ze aan het beslag voor de bananenpannenkoekjes, bestaande uit ei en banaan. Deze ingrediënten stopt ze in een blender en ze giet het beslag in de pan. ‘Ik ben nu heel blij dat ik ook stroop heb gekregen om eroverheen te schenken’, zegt ze tevreden over het eindresultaat.

Budget: niks voor vier personen.

Overige toegestane ingrediënten: water, olie, knoflook, ui, peper en zout

IS DE SMAAK RAAK? De verwachting dat de uitdaging moeilijk zou zijn, bleek niet te kloppen. Jozan bemachtigde makkelijk de ingrediënten. Hoewel ze weinig invloed had over de producten waarmee ze moest werken, heeft ze het voor elkaar gekregen om een smaakvol en voedzaam gerecht neer te zetten. De pasta was iets te zacht gekookt, maar de saus maskeerde de matige structuur. Deze was lekker fris door de combinatie van de ricotta en de kapper tjes. Ook de bananenpannenkoekjes lieten wat betreft stevigheid te wensen over, maar vormden wel een smakelijke afsluiting van het buur-avontuur. ANS

Resultaat: Ricottapasta met bananenpannenkoekjes

VRAAG VAN DE WEEK Steel jij wel eens wat van de Spar op de campus?

19%

JA 81%

NEE

Verhoog jij je studiefinanciering vanwege de inflatie? 38%

JA 62%

NEE


7 Interview

LENA HOSSELT tekst Marieke Ruiten fotos Simon Swelsen

Zwarte vrachtwagens, hyena’s en donker water. Dat is wat er omgaat in het hoofd van aanstormend popster Lena Hessels. De 21-jarige bracht begin dit jaar haar debuut EP If not now uit. Nu zet ze zich schrap om haar dromen werkelijkheid te zien worden.

M

uzikant Lena Hessels straalt wanneer ze in haar joggingpak het terras van Café Mojo in Amsterdam-Oost oploopt. Tussen het klussen en schilderen door schuift ze aan voor een verveine thee. ‘Ik ben nu even helemaal niet bezig met muziek omdat ik aan het verhuizen ben, maar het kriebelt wel heel erg’, zegt ze vrolijk. Een jaar lang heeft ze al haar gevoel in de muziek gestopt. Als resultaat kwam in februari haar debuut EP If not now uit en verscheen eind april haar single My baby’s belly. De elektronische, abstracte pop-plaat If not now staat vol duistere nummers die echter niet direct aan popmuziek doen denken. ‘Deze EP speelt zich af in de krochten van mijn brein’, vertelt Hessels. Het is een eerste indruk van wat er nog meer zal komen. ‘Ik ga dit jaar nog veel meer muziek uitbrengen. Hierna wordt het iets lichter en meer dansbaar’, grijnst ze. ‘My baby’s belly vind ik bijvoorbeeld het liefste liedje ooit.’ Al haar hele leven is Hessels bezig met het maken van muziek. Op haar achtste nam ze haar eerste nummer op: ‘Het gaat over dropjes en er zit echt een sicke beat onder. Voor mijn negende verjaardag heb ik daar toen dertig cd’s van gebrand en aan al mijn klasgenootjes gegeven.’ Ze heeft het niet van een vreemde. Haar vader, gitarist Terrie Hessels, zit al veertig jaar in de business, waardoor Hessels in haar jeugd werd omgeven door muziek. ‘Als kind ging ik mee naar zijn shows en er waren altijd muzikanten bij mij thuis, dat vond ik heel leuk’, vertelt ze. Ze realiseert zich nu hoe indrukwekkend de carrières zijn van de mensen waarmee ze is opgegroeid. ‘Holy shit’, denkt ze hardop, in volle bewondering. ‘Dat hebben ze zelf voor elkaar gebokst en nu moet ik dat gaan doen.’ Ze neemt met popmuziek echter een andere afslag dan haar voorgangers. Hoe ontgroeit Lena Hessels haar warme muzikale nest en maakt ze haar popdroom tot werkelijkheid?

Ik was veel bezig met meningen van anderen: die van mijn vader en mijn vrienden.’ Uitvliegen In rebellie tegen de improvisatiejazz en punkmuziek die ze van thuis meekreeg, ging Hessels popmuziek maken. ‘Als tiener voelde ik dat ik iets anders wilde doen. Toen ontdekte ik Taylor Swift. Zij werd mijn idool’, zegt ze glunderend. Zo ontstond haar liefde voor popmuziek en raakte ze gefascineerd door het fenomeen van een popicoon. Het fascineert haar omdat je niet om de grootsheid van een popster heen kan. ‘Het is een soort droombeeld. Het feit dat zo iemand kan bestaan is bijna ondenkbaar’, vertelt de muzikant. ‘Ik vind het leuk om te zeggen dat ik popster wil zijn omdat het zo’n sterk idee bij zich draagt’, stelt ze.

Hessels is dus tegendraads. Desalniettemin heeft ze een tijd geworsteld met wat anderen van haar zouden vinden. Haar eerste project, Billow, kwam uit toen ze zeventien was. ‘Ik was toen ik Billow maakte nog heel veel bezig met meningen van anderen: die van mijn vader, de muzikanten waarmee ik ben opgegroeid en mijn vrienden’, vertelt ze kalm. ‘Op je zeventiende ben je nog niet echt gevormd’, vult ze aan. Hessels cijferde haar eigen visie weg in de muziek die ze maakte. Hierdoor voelde de muziek al snel niet goed meer en daarom heeft ze de plaat inmiddels van het internet gehaald. Nu Hessels verder uitvliegt, vormt de muzikale omgeving waarin ze is opgegroeid een bron van prestatiedruk. Ze stelt namelijk hoge eisen aan zichzelf. ‘Als zij het kunnen, kan ik het ook zelf. Het liefst doe ik het nog beter dan iedereen om me heen’, stelt ze vastberaden. ‘Ik ken mensen die veel verder zijn in hun carrière. Daardoor moet ik mijn best doen om blijdschap te voelen in de successen die ik boek als beginnend artiest’, zegt ze peinzend. De hoge lat die ze voor zichzelf legt, maakt het des te enger om niet aan haar eigen verwachtingen te kunnen voldoen. ‘Ik ben erachter gekomen dat ik faalangst heb’, vertelt ze. Tijdens het schrijven besefte ze dat het thema opvallend vaak terugkomt in haar teksten. Zo gaat Questions, het eerste nummer op If not now, over onzekerheid en twijfelen. ‘Het vergde veel zelfontdekking om vanuit mijn jeugd naar de muziek te gaan die ik nu maak’, stelt de artiest. ‘Het belangrijkste voor mij is dat ik niet meer met iedereen rekening houd in mijn werk. Dat is ook de boodschap die ik heb besloten van mijn vader mee te nemen’, zegt ze. Nu weet ze dat ze achter haar muziek staat: ‘If not now is het eerste project dat echt belichaamt wie ik ben. Dit is wat ik wil doen, dit klopt.’ Abstracte pop Hessels speelt op If not now met het iconische idee van pop, maar de muziek klinkt zeker niet als Taylor Swift of Dua Lipa. Ze zoekt met haar sound de grenzen van het genre op. Het hoeft volgens haar niet in een vaste popformule te passen: ‘Alles kan pop zijn, als er maar een goede hook in zit.’ Hessels denkt dat de popmuziek in de toekomst erg zal veranderen. Die verschuiving is volgens haar al gaande: ‘Niches worden steeds meer pop. Het is tenslotte een flexibele term.’ Als voorbeeld noemt ze Rosalía, die flamenco met reggaeton combineert. ‘Haar muziek is eigenlijk fucking weird en insane cool. In mijn beleving is zij gewoon popster’, vertelt ze met bewondering. Ze vervolgt: ‘Voor nu noem ik dit genre abstracte pop, wat zichzelf lekker tegenspreekt.’ Om haar eigen draai te geven aan pop zoekt Hessels ook in haar creatieve proces de abstractie op. ‘Ik maak veel gebruik van beelden als ik muziek maak’, stelt ze. Zo raakte ze voor If not now geïnspireerd door buitenbeelden zoals de lucht, het weer en de lichtcyclus in een dag. ‘Aan de hand van deze beelden heb ik het concept voor de EP uitgedacht’, vertelt Hessels. ‘Daaraan associeer ik het gevoel, de kleuren, de geluiden en het verhaal dat zich in de muziek afspeelt’, vervolgt ze. ‘Op dit moment produceer ik nieuwe muziek zonder dat ik er al helemaal achter


8 ben wat het project gaat worden’, zegt ze. Ook hiervoor begint Hessels bij een sfeerbeeld: ‘Ik vind bijvoorbeeld het beeld van een zwart glimmende vrachtwagen interessant, want die zie je niet zo vaak.’ Ook hyena’s en donker water inspireren haar op dit moment. Aan die beelden koppelt ze vervolgens geluid. ‘Het zijn beelden die me grijpen, maar die ik nog niet helemaal begrijp. Daar probeer ik houvast in te vinden en dan wordt het later een geheel.’

‘Daar was ik het meisje met de gitaar.’ Popzaken doen Inmiddels is Hessels’ sound steeds meer uitgekristalliseerd en is ze klaar om het te maken in de muziekwereld. ‘Het idee dat ik het wil maken als artiest is sterk gelinkt aan het feit dat succes er ook voor zorgt dat je alles kan creëren, omdat alle middelen beschikbaar zijn’, zegt ze. Ze ziet in dat daar meer voor nodig is dan enkel muziek produceren. Daarom focust Hessels zich naast het creatieve proces ook sterk op de zakelijke kant, bijvoorbeeld door te leren over de timing waarop ze muziek uitbrengt. ‘Ik denk dat het tegenwoordig heel hip is om te doen alsof succes iemand overkomt in plaats van dat diegene er hard voor werkt. Ik werk hier heel hard voor en dat zeg ik ook’, zegt ze strijdbaar. Al doende leert ze steeds meer over de manier waarop de popindustrie in elkaar steekt. ‘Ik doe mijn best om zo goed mogelijk voorbereid te zijn, ik wil er namelijk controle over kunnen hebben’, vertelt ze. Hessels baalt dat ze geen influencer-genen heeft. ‘Dat je als muzikant een publiek figuur bent, vind ik vet. Ik zou dus willen dat het in mij zat om meer met sociale media te doen, maar dat is helaas niet het geval’, zegt ze. Het is iets wat ze nu vooral nog ongemakkelijk vindt. ‘Mijn volgers bestaan vooral uit vrienden, familie, of mijn oude leraren van de middelbare school’, zegt ze lachend. ‘Ik moet nog door het ongemak heen bijten’, vervolgt ze. Viraal gaan vindt ze dan weer niet zo nodig: ‘Ik zeg niet dat ik dat bereik niet zou willen, maar het lijkt me wel heel moeilijk voor het creatieve proces.’ Hessels houdt ook hier liever de touwtjes in handen: ‘Als mijn bereik iets geleidelijker vergroot, ben ik er wel klaar voor.’ Nu de EP uit is, staat Hessels te springen om een echte popshow neer te zetten. Optreden vindt ze namelijk even belangrijk als het schrijven van de muziek. ‘Ik kijk uit naar de directe interactie met mensen, dat heeft namelijk veel invloed op de muziek’, zegt Hessels verheugd. Terwijl ze de muziek schreef, was ze al bezig met de manier waarop ze de liveshow ging vormgeven. ‘Ik sta in mijn eentje op het podium, daarom doe ik iets met licht. Zo heb ik bij de show twintig centimeter boven mijn hoofd een rechthoek met licht hangen. Als ik hoog spring moet ik wel oppassen dat ik mijn hoofd niet stoot’, grapt de artiest. De show die ze neerzet, is wezenlijk anders dan de shows die ze speelde met Billow. ‘Daar was ik het meisje met de gitaar’, zegt Hessels. Als echte popster wil ze nu een dansbare show vol energie. ‘Mijn hoogste doel is dat mensen kunnen moshen’, grijnst ze. ANS

VAN HET LIJF

tekst Naomi Habashy foto’s Ted van Aanholt

Gave outfit! Hoe zou je de algemene lijn in jouw stijl omschrijven? ‘Er is vaak een balans tussen strakke en wijde kleding in mijn outfits. Vandaag draag ik bijvoorbeeld een strakke trui en een wijde broek onder een jurk. Ik houd daarnaast van felle kleuren, pasteltinten en printjes. Vooral bloemenprint vind ik mooi. Bovendien vind ik zachte, natuurlijke stoffen het fijnst om te dragen. Mijn prioriteit ligt in ieder geval bij comfort en dingen dragen die ik echt leuk vind. Waarom zou ik kleding aandoen die niet lekker zit of die ik niet mooi vind, enkel om erbij te horen?’ Je geeft dus niet zoveel om de mening van anderen? ‘Ik ben chronisch ziek en heb meerdere keren lange tijd thuis gezeten. Dat heeft invloed gehad op wat belangrijk voor me is. Zo heb ik een tijd gemillimeterd haar gehad en scheer ik bewust niet mijn lichaamshaar. Daarnaast trek ik me niet veel aan van gendernormatieve verwachtingspatronen. Een houthakkersbloes in combinatie met een wijdere broek is bijvoorbeeld niet heel vrouwelijk, maar ook niet per se enkel mannelijk. Soms speel ik met die verhoudingen en kom ik tot een androgyne look.’ Wat is je favoriete soort kledingstuk? ‘Broeken vind ik interessant. Je kunt er namelijk vrij goed een statement mee maken dat anders is dan verwacht. Vaak zie je echter dat mensen kiezen voor een opvallend topje. Dat is jammer, aangezien er ook veel leuke en opvallende broeken op de wereld zijn. Toevallig draag ik vandaag een gewone blauwe spijkerbroek, maar ik heb ook een super oversized broek met allemaal felgekleurde bloemetjes erop. Van een andere broek heb ik door de jaren heen alle gaten gerepareerd. Daardoor bestaat hij nu meer uit gekleurde lapjes dan uit de originele stof. Zo is het een levend kunstproject geworden.’ Repareer of naai je vaker kleding? ‘Ja, zo gaat mijn kleding langer mee. Dit heb van huis uit meegekregen. Als er vroeger een gat in m’n broek zat, herstelde mijn moeder dat altijd. Bovendien vind ik het belangrijk om de fastfashionindustrie niet te steunen. Net als mijn moeder maak ik verder af en toe ook zelf kleding, maar dat doe ik niet zo vaak als dat ik zou willen. De jurk die ik vandaag draag, heb ik in ieder geval zelf gemaakt. De onderkant bestaat uit verschillende stukken van felgekleurde T-shirts die ik aan elkaar heb gemaakt en aan een bovenkant van dit shirtje heb genaaid.’ Ik zie dat je een aantal tatoeages hebt. Houd je daar rekening mee in het samenstellen van je outfit? ‘Soms vind ik het leuk om iets aan te trekken waardoor je ze kunt zien, maar ik doe niet mijn best om mijn outfit bij ze te laten matchen. Het zijn eigenlijk een soort coole extra accessoires, die overal goed bij staan. Onbedoeld zijn ze allemaal geïnspireerd op de natuur. Ik heb bijvoorbeeld een tattoo van een mandragora, een eenhoorn en in een andere is een grote gloriosabloem verwerkt. Mijn opa en oma kweekten die, dus het voelt een beetje als een familiesymbool.’ ANS

Wie : Charlotte van Ruiten (27), masterstudent Taalkunde

Stijl : Eclectisch geheel