ANS-krant editie 5

Page 1

Algemeen Nijmeegs Studentenblad ans.online ANS_online 14 juni 2021 - Editie 5

2

Interview Radboudstudenten die VMBO-advies kregen, vertellen over hun ervaringen in het onderwijs.

3

Nieuws Voor eerstejaars een introductieweek, voor tweedejaars een introductiejaar.

3

Column ‘Ik heb trouwens een nieuwe baan.’

Tijdgeest

EIND GOED, FASTFOOD

8

Kamervragen Van vlindermessen en wandelende takken naar compacte kamers met vele hoekjes.

Opinie

STUDEREN VOOR WERKLOOSHEID De meeste studenten krijgen te maken met een moeilijke arbeidsmarkt. De stages waarmee je ervaring kunt opdoen, zijn bij de RU slecht geïntegreerd in het curriculum. Pagina 4: De RU zou aan alle studenten stageruimte moeten bieden binnen het studieprogramma.

Interview

BELEZEN ONDERWEZEN

Fastfood is vandaag de dag in veel landen een belangrijk onderdeel van de eetcultuur. Nederland kent sinds de eerste helft van de twintigste eeuw snackbars, maar het nuttigen van fastfood kwam in de jaren zeventig pas echt in een stroomversnelling door de komst van Amerikaanse fastfoodketens. Pagina 6: Hoe dacht men over de komst van fastfood en zal de kijk op dit voedsel in de toekomst anders zijn? Email redactie@ans-online.nl Adres Heyendaalseweg 141 6525AJ Nijmegen Tel. 0636458763

De een vindt het literatuuronderwijs op de middelbare school te ouderwets, de ander vraagt zich af waar de Grote Drie zijn gebleven. Veel kritiek in de media is ongefundeerd, vindt neerlandicus Jeroen Dera. Pagina 5: Wel is hij het eens met critici dat er iets moet veranderen.


2 Interview

VAN KLASSEN NAAR COLLEGEBANKEN

tekst Naomi Habashy illustratie Flórián Kiers

De succesvolle NPO-documentaireserie Klassen heeft het gesprek rondom kansenongelijkheid in het onderwijs weer aangezwengeld. Vooral kinderen uit een lager sociaal milieu worden lager dan hun niveau ingeschat ten opzichte van hun medeleerlingen. Drie Radboudstudenten die een vmbo-advies kregen, vertellen over hun ervaringen in het onderwijs. Uit een analyse van de NOS uit 2020 blijkt dat ruim een kwart van de derdeklassers een te laag schooladvies heeft gekregen in groep 8. Zij zijn tegen die tijd doorgestroomd naar een ‘hoger’ niveau dan hun schooladvies in eerste instantie voorschreef. Het zijn vooral kinderen van laagopgeleide ouders en kinderen van kleur die deze ruime kwart vormen. Daarnaast wordt in een rapport van de Primair Onderwijs-raad gesteld dat leerkrachten aan kinderen met een twijfeladvies vaak het ‘laagste’ van de twee niveaus geven, uit angst dat ze het op het ‘hogere’ niveau niet zullen redden. Hoewel sommige kinderen, de zogenoemde laatbloeiers, gebaat zijn bij een rustiger begin en meer opbouw in hun onderwijscarrière, wordt de weg voor andere kinderen alleen maar langer en lastiger. De basisschool verlaten met een vmbo-advies en terechtkomen in het wetenschappelijk onderwijs klinkt dan ook als een helse klus. Toch zijn er leerlingen die dat presteren. Zij worden door de website Onderwijs in Cijfers bergbeklimmers genoemd, wat betekent dat zij minstens twee keer doorstromen en een heel ander diploma halen dan in het begin de verwachting was. In totaal besloeg deze groep in 2017 een kleine 10% van de leerlingen in het gehele voortgezet onderwijs. 2,2% van die bergbeklimmers bestaat uit leerlingen die beginnen op vmbo-gemengd of -theoretisch en uiteindelijk een universitair diploma halen. Zo’n 12% van de bergbeklimmers bestaat uit havisten die na het doorstromen een academische master behalen. ANS sprak drie bergbeklimmers die nu aan de Radboud Universiteit studeren over hun schooltijd, hun ervaringen en hun visie op het onderwijs.

Eindtoets en beginpunt Een schooladvies komt niet zomaar tot stand, maar is volgens de onderwijsinspectie opgebouwd uit factoren als motivatie, werkhouding, leerresultaten en de uitkomst van de citotoets of eindtoets. Het komt echter vrij veel voor dat die eindtoets de doorslag geeft, wat geen correcte afspiegeling van al die factoren hoeft te zijn. Romé Kraaikamp (22, eerstejaars Geschiedenis) vertelt: ‘Op basis van mijn citoscore kreeg ik een basis-kaderadvies, maar mijn ouders waren het daar niet mee eens en vonden dat ik wel naar vmbo-t kon. Dat heb ik ook gedaan.’ Ook bij Lotte Roording (23, tweedejaars Psychologie) speelde de eindtoets een bepalende rol in wat haar advies werd. ‘Mijn advies werd hierdoor ook vmbo basis-kader, maar mijn juffrouw heeft zich hard gemaakt voor vmbo-t. Ik wilde namelijk graag naar een middelbare school waar dat advies een minimale vereiste was.’ De eindtoets speelde voor Inse Bekx (22, tweedejaars Notarieel Recht) echter geen aanzienlijke rol in het vmbo-t-advies dat hij kreeg. ‘Op de basisschool was ik helemaal niet gefocust op goede cijfers halen’, vertelt hij. ‘Ik werd gepest omdat ik nieuw was en daarna was ik vooral bezig met erbij horen. School stond totaal niet op mijn prioriteitenlijstje en ik haalde ook niet de beste resultaten.’ Hij maakte vele omzwervingen voordat hij aan de RU begon met studeren: ‘Na het vmbo ben ik doorgestroomd naar de havo. Van daaruit ben ik naar het vwo gegaan en zo op de universiteit gekomen.’ Laat bloeien, doorgroeien Ook al is het advies waarmee sommige achtstegroepers naar de middelbare school worden gestuurd onjuist, het hoeft nog niet het einde van de wereld te betekenen. Sommige leerlin-

gen zijn namelijk laatbloeiers. Zij hebben volgens de definitie van de onderwijsraad meer tijd nodig om leerstof te begrijpen en te laten zien wat zij in hun mars hebben. Hierdoor gaan zij op latere leeftijd pas serieus met hun schoolwerk om. Zo ook bij Bekx, die vertelt dat dat rond zijn vijftiende kwam. ‘Toen ging ik inzien dat school belangrijk was. Ik kreeg motivatie om na vmbo-t verder te studeren, omdat ik merkte dat het op een gegeven moment best wel goed ging met leren.’ Kraaikamp heeft een vergelijkbare herinnering. ‘Het kwam bij mij ook pas later dat ik echt iets wilde leren en iets wilde bereiken in m’n leven’, zegt ze vol enthousiasme. ‘Het was dan ook beter dat ik niet naar de havo of naar basis-kader ben gegaan. Bij die eerste had ik op mijn tenen moeten lopen


3

Voor eerstejaars een introweek, voor tweedejaars een introjaar IN TRANSITIE Voor je het weet, sta je met een diploma in je handen, begin je aan een grotemensenbaan en is je studententijd voorbij. Columnist en ex-student Aan-Age Dijkstra deelt hier zijn inzichten over zijn overgang van het vrije studentenleven naar een degelijk burgerbestaan.

Het is zeker dat de eerstejaarsstudenten een introweek krijgen, desnoods online. Ook tweedejaars zullen mogelijk een rol krijgen in die introweek. Op 31 augustus zal namelijk een studieverenigingendag voor tweedejaars plaatsvinden. Daarnaast zullen de studenten het hele jaar worden geholpen met extra activiteiten. De wens van studieverenigingen om volgend jaar ook de tweedejaars te betrekken is groot. ‘Het is echter nog wel onzeker wat we kunnen organiseren,’ vertelt Dionne Aldus, evenementenmanager aan de Radboud Universiteit. ‘Er komen geen sportdag of introductiegroepjes voor de tweedejaars, maar ik houd de optie open dat ze op een of twee onderdelen kunnen aanhaken.’ Aldus verwijst naar de introductiemarkt, al moet daar dan wel plek blijken binnen de maatregelen. ‘Daarom kijken we ook naar aparte momenten voor de tweedejaars.’ Studieverenigingendag als brug Zo’n apart moment zou 31 augustus plaats moeten vinden. Een studieverenigingendag, zo vertelt Aline Boels, de politieke commissaris van het Samenwerkingsoverleg Faculteitsverenigingen. De studieverenigingen hebben aangegeven dat ze behoefte hebben aan een extra moment

en het andere was te makkelijk geweest.’ Ook Roording herkent zich hierin sterk. ‘Ik was best onzeker en door naar vmbo-t te gaan heb ik meer zelfvertrouwen gekregen omdat het wat makkelijker was. Zodoende raakte ik gemotiveerd om door te gaan naar de havo en later het hbo.’ Daar was het ingrijpen van haar juf in groep acht wel voor nodig geweest. Ze vertelt: ‘Ik weet dat ik nooit bij de universiteit was uitgekomen als ik naar vmbo-basis of kader was gegaan, dan zou de weg te lang zijn geweest.’ Ernstig vervolgt ze: ‘Waarschijnlijk was ik op het mbo blijven steken of heel misschien was ik nog naar het hbo gegaan.’

‘Het type leraar dat voor in het lokaal staat, kan voor veel ongelijkheid in de klas zorgen.’ Ongelijkheid in het onderwijs Doordat ze vele vormen van onderwijs hebben genoten, zien de studenten wat er zoal aan ongelijkheid in het onderwijs is. Kraaikamp: ‘Op mijn middelbare school werd door sommige docenten heel neerbuigend gedaan over vmbo’ers. Ze stonden vaak niet te springen om hen les te geven omdat de leerlingen niet altijd even goed meededen.’ Volgens Kraaikamp heeft dat te maken met de onjuiste manier waarop vmbo’ers les krijgen. ‘Van wat ik heb meegemaakt word je als vmbo’er dom gevonden omdat je niet goed of graag uit boeken kunt leren. Dit wordt als het hoogst haalbare gezien, terwijl zij juist een combinatie van theorie- en praktijkonderwijs nodig hebben. Docenten passen de stof daar niet altijd op aan en daar zit dan ook de ongelijkheid.’ Bekx merkte vooral een ongelijke behandeling van zijn leraar in groep 5 en 8: ‘Hij behandelde mij alsof ik minderwaardig was en liet weten dat aan mij geen aandacht hoefde te worden besteed. Hij zette mij zelfs af tegen een andere jongen die hij wel speciaal vond.’ Bekx vertelt dat zijn ouders hetzelfde ervoeren: ‘Mijn ouders merkten deze ongelijke behandeling ook op tijdens de ouderavonden. Daarin kwam duidelijk naar voren dat de leraar bepaalde ouders op een voetstuk zette, terwijl voor anderen weinig

met de tweedejaars. ‘Studenten hebben namelijk geen echte introductie gehad. Ze kennen de studie, universiteit en medestudenten te weinig.’ legt Boels uit. Het is de bedoeling dat de studieverenigingendag dat gat gaat vullen. Het plan is om dit fysiek te organiseren, maar als dat toch niet kan verwacht Boels dat de verenigingen met creatieve alternatieven zullen komen. ‘Bijvoorbeeld een dropping of een route door de stad. Er zijn best wel veel ideeën om toch dingen te kunnen doen binnen de maatregelen.’ Integratie heeft tijd nodig De integratie van die jaarlaag zal echter meer dan een dag nodig hebben. ‘We hebben het over een generatie die vorig jaar ook al een intro heeft gemist en dit jaar bijna niet op de campus is geweest,’ benadrukt Rob Vaessen, het afdelingshoofd van Student Affairs. ‘We vinden het dan ook zeker belangrijk dat daar nog meer aandacht voor is gedurende het hele jaar.’ Die nadruk wordt ook kracht bijgezet doordat de welzijn en sociale binding van studenten op de universiteit hoog op de agenda staat bij de verdeling van Nationaal Plan Onderwijs (NPO) gelden, zo vertelt Vaessen. Het afdelingshoofd ziet daar een rol in voor studentenorganisaties. ‘Met activiteiten zoals sport, cultuur, gezelligheid en evenementen net zoals bij de intro willen we het weer bij die doelgroep terecht laten komen.’ Rik Sinnige

belangstelling was.’ Bekx vervolgt: ‘Het type leraar dat voor in het lokaal staat, kan dus voor veel ongelijkheid in de klas zorgen. Hoe ik door hem ben behandeld, is namelijk zeker van invloed geweest op de manier waarop ik me later heb ontwikkeld.’ Het begint bij de docent Ondanks dat veel leerlingen in het huidige schoolsysteem uiteindelijk goed terechtkomen, is er zeker nog ruimte voor verbetering. Wat zouden de studenten op basis van hun eigen ervaringen graag anders willen zien? Voor Kraaikamp en Roording was het beter geweest als de eindtoets geen allesbepalende factor had gespeeld in de totstandkoming van hun schooladvies. ‘De citotoets is maar een momentopname’, zegt Roording. ‘Het was voor mij beter geweest om te kijken naar de manier waarop ik me over de jaren heen had ontwikkeld en hoe ik met opdrachten omging.’ Bekx vindt dat de zorgtaak van zijn leerkracht verder had mogen gaan: ‘Toen ik naar een andere basisschool ging, kon ik daar totaal mijn draai niet vinden en zat ik niet goed in mijn vel. Wat ik nodig had gehad, was persoonlijke hulp van de leraar.’ Hij ziet voor de leerkracht dan ook een taak als poortwachter. ‘De leraar is er in de eerste plaats om onderwijs te geven. Daaronder valt ook een bepaalde mate van zorg voor het mentale welzijn van zijn leerlingen.’ Hierdoor kan ervoor worden gezorgd dat kinderen de hulp krijgen die ze behoeven zodat ze wel naar hun ware potentie kunnen presteren. Volgens Kraaikamp is één docent hier niet voldoende. Door haar eigen basisschooltijd is ze van mening dat er meer leerkrachten op een klas moeten worden gezet. Zo behouden kinderen nog motivatie om te werken als een leraar niet goed in de groep ligt. ‘Ik kon totaal niet omgaan met mijn leraar in groep acht en ik wilde dan ook helemaal niet graag voor hem werken. Dat hadden wel meer kinderen in mijn klas. Als ik er meerdere had gehad, zou de nadruk niet zo hebben gelegen op het negatieve gevoel dat ik van hem kreeg.’ Daartegenover ziet Roording een docent voor meerdere jaren juist als een goed idee. ‘Wat mij heeft geholpen is dat mijn juffrouw mij in groep acht al vier jaar lesgaf. Zij had dus een goed beeld van hoe ik me door de tijd heen heb ontwikkeld.’ ANS

Op het IKEA-bijzettafeltje stond een stilleven van lege bierflesjes en een zak chips. Her en der lagen herinneringen aan een zojuist gespeeld potje kaart. Terwijl door de stereo een plaat van Fleetwood Mac klonk, ramde mijn huisgenoot met wilde gebaren op zijn luchtgitaar. Hij waande zich even Lindsey Buckingham. De rest van het huis keek geamuseerd toe. Toen de rust weer enigszins was wedergekeerd, schoot me te binnen dat ik nog iets moest vertellen. ‘Ik heb trouwens een nieuwe baan’, deelde ik kalmpjes mede. Mijn huisgenoten reageerden dolenthousiast en ik nam de felicitaties beleefd in ontvangst. ‘Je blijft er wel nuchter onder’, merkte iemand droogjes op. Toen ik eerder die dag had gehoord dat ik was aangenomen, deed ik nog een vreugdedansje door mijn kamer. Ik had een baan gevonden bij een leuke organisatie en het werk sloot naadloos aan op mijn interesses. Toch maakte de aanvankelijke vreugde snel plaats voor een somber gevoel. Het telefoontje was als een shot dopamine: de vlaag van euforie was van slechts van korte duur. Ondertussen hadden mijn huisgenoten alweer een nieuw gespreksonderwerp gevonden en bespraken een naderende tentamenweek, maar ik kreeg er slechts flarden van mee. Ik staarde naar mijn bier en overdacht de oorzaken van mijn gelatenheid. Het kwam voort uit de afgelopen werkloze maanden waarin ik me weer even in het studentenleven had gewaand. Net als toen gaf ik mijn leven zin door te doen wat ik nuttig vond, zonder daarbij aan een urennorm te moeten voldoen. Bierdrinken op dinsdagavond was geen enkel probleem en op een zonnige dag kon ik mijn laptop verruilen voor het Waalstrand. Ik had het gevoel dat ik nergens aan vast zat. Over een paar weken was dat leven voorbij en moest ik mijn dagen weer slijten achter een computerscherm. Terwijl ik mijn huisgenoot zich hoorde beklagen over zijn statistiekvak waarvoor hij het hele semester nog niks had gedaan, realiseerde ik me dat het werkende leven ook zijn voordelen heeft. De structuur van de werkweek, het grotemenseninkomen en het gevoel dat ik me professioneel ontwikkel, waren me tijdens mijn vorige werk goed bevallen. Bovendien raakte ik met mijn nieuwe baan heus niet alle vrijheden kwijt en bood mijn 32-urige werkweek genoeg ruimte voor mijn hobby’s en een studentikoos avontuur op zijn tijd. ‘Iemand nog bier?’, vroeg mijn huisgenoot terwijl hij vijf groene pretcilinders omhooghield. Er moest worden geproost op mijn nieuwe baan. Ik accepteerde het aanbod gretig en mijn gelatenheid maakte plaats voor een tevreden gevoel. Ook tijdens mijn werkende bestaan kon ik dit nog doen, maar voor nu waande ik me nog even de student die denkt dat zijn leven eindigt bij het burgerbestaan.

tekst Aan-Age Dijkstra illustratie Inge Spoelstra tekst Sjoerd Bakker illustratie Inge Spoelstra


4 Opinie

STUDEREN VOOR WERKLOOSHEID tekst Annika Eskes illustratie Vera Joosten

De meeste studenten krijgen te maken met een moeilijke arbeidsmarkt waarbij werkervaring wenselijk is. Deze kan je opdoen door stages, maar die zijn bij veel studies aan de Radboud Universiteit (RU) niet goed geïntegreerd in het curriculum. De RU zou aan alle studenten stageruimte moeten bieden binnen het studieprogramma.

D

e afgelopen twintig jaar is het aantal studenten aan de Nederlandse universiteiten explosief gegroeid. Vorig jaar bestond de studentenpopulatie uit maar liefst 328.000 studerenden. Dat is een verdubbeling van de 165.000 die in het jaar 2000 een universitaire opleiding genoten. Het behoeft geen zeggen dat het onrealistisch is om ervan uit te gaan dat zij, eenmaal afgestudeerd, in de academische wereld terechtkomen. Jaarlijks is er namelijk voor slechts vijfduizend werknemers plek in het academische veld. Het overschot moet knokken op een hypercompetitieve arbeidsmarkt. Een stage kan die strijd een stuk makkelijker maken. Dat beaamt Maarten Wolbers, hoogleraar Sociologie van Onderwijs en Arbeidsmarkt aan de RU: ‘Een stage tijdens een bachelorstudie is relevanter dan ooit. Je kan studenten niet voor werkloosheid opleiden.’ Toch bieden niet alle studieprogramma’s genoeg ruimte om een stage te lopen. In de praktijk neemt ongeveer eenderde van de opleidingen de stage op als vast onderdeel van het studieprogramma. Dat is goed, maar tweederde van de overige studies neemt de stage dus niet goed of helemaal niet op in het programma. Als het toch een mogelijkheid is, gaat het vaak om een optionele minor waarbovenop stagelopers vaak nog een vak moeten volgen. Zij lopen dikwijls studievertraging op, wat leidt tot stressklachten en eventuele hogere financiële lasten die hen er nog meer van weerhouden om een stage te lopen. Hierdoor ervaren studenten ongelijke kansen op de arbeidsmarkt. De RU zou het daarom toegankelijker moeten maken om een stage te volgen in het bachelorprogramma. Met hulp het diepe in Aangezien niet iedereen stage kan lopen, missen een hoop studenten ervaringen die ze niet kunnen opdoen in de collegebanken. ‘Een stage is een eerste kennismaking met een bepaalde beroepsuitoefening’, vertelt Wolbers. ‘Studenten merken hierdoor al vroegtijdig of dat beroep iets voor hen is.’ Daarnaast leren ze praktische vaardigheden zoals samenwerken met collega’s in een andere setting dan de zoveelste groepsopdracht met medestudenten. Jolien Dopmeijer, projectleider Studenten bij het Trimbos-instituut, voegt hier aan toe: ‘Praktijkervaring dient als een goede toevoeging op theoretische kennis. Het is niet logisch dat een rechtenstudent zonder enige praktijkervaring op een advocatenkantoor terecht komt.’ Studenten verwerven niet enkel vaardigheden op de werkvloer zelf. Ze maken ook kennis met de procedures die horen bij het solliciteren naar een baan, zoals het schrijven van een motivatiebrief en het voeren van een sollicitatiegesprek. Deze kundigheid

komt vrijwel niet aan bod in hun lesstof, maar is wel essentieel omdat veel universitair geschoolden in de knoop komen als ze na hun studie gelijk een baan moeten vinden. Het is daarom van belang dat ze dit al voor hun afstuderen leren. De voordringpas op de arbeidsmarkt Studenten die een stage hebben gelopen, kunnen makkelijker bij hun potentiële werkplek laten zien wat zij in huis hebben. Dat stelt ook Wolbers: ‘Werkgevers weten of iemand geschikt is wanneer hij of zij al een tijdje meeloopt bij het bedrijf.’ Daarnaast hebben afgestudeerden die goed beslagen de sollicitatieprocedure inrollen volgens hem een grotere kans om te worden aangenomen. Beide partijen ervaren dus voordelen wanneer de stageminor goed in het studieprogramma wordt geïntegreerd.

Studenten sprinten hard, maar de extra rondes die ze rennen zijn amper te halen. Bovendien bouwt een stageloper een professioneel netwerk op, dat hij kan inschakelen bij het zoeken van een baan. Het is dus hinderlijk als studenten niet of moeilijk praktijkervaring op kunnen doen tijdens hun voltijdstudie. In het huidige systeem hebben niet alle studenten de mogelijkheid om een stage te lopen en van de bijkomende voordelen op de arbeidsmarkt te profiteren. De carrièrekansen zijn dus niet gelijk. Een betere integratie van stages in het curriculum zorgt ervoor dat alle studenten een dezelfde kans hebben om te laten zien waartoe zij in staat zijn en een netwerk kunnen opbouwen. Een onmogelijke sprint Zij die ondanks het gebrek aan stageruimte in hun programma besluiten bij een bedrijf mee te lopen, kampen vaak met studievertraging. Fanatiekelingen die er in hun studie voor kiezen om een stage te doen, volgen vaak tegelijkertijd een vak of schrijven hun scriptie, zoals het geval is bij de meeste letterenstudies. Zij sprinten hard, maar de extra rondes die ze moeten rennen, zijn amper te halen: werkgevers staan aanmoedigend aan de kant, vragend om volledige toewijding van een stagiair. Tegelijkertijd moet er ook nog worden gestudeerd. Bovendien heeft niet iedereen het voorrecht om in de arena te mogen rennen en mooie ervaringen op te doen. Studenten die toch een sprintje trekken, zijn achteraf volledig uitgeput. Ze kampen met financiële- en uitloopdruk, legt Dopmeijer uit. Ze willen immers zo snel mogelijk en voor zo min mogelijk geld afstu-

deren in het huidige leenstelsel. Daarom nemen deze studenten veel hooi op hun vork, omdat het anders niet financieel haalbaar is. ‘In sommige gevallen ontwikkelen stressklachten zich tot een burn-out’, kaart Dopmeijer aan. Om de stress te beperken, kan de RU de stageruimte beter anders inrichten. Volgens Wolbers mag de studielast niet meer dan een fulltime

werkweek bedragen, iets dat in het huidige systeem wel gebeurt. Dopmeijer voegt daaraan toe: ‘Wanneer een student de keuze krijgt om een stage te lopen, moet daar wel genoeg tijd voor zijn binnen het curriculum.’ De carrièreladder opklimmen wordt lastig als de treden wankel zijn en de ladder niet wordt ondersteund. Het is daarom tijd dat de RU de


5

Interview

BELEZEN ONDERWEZEN tekst Julia Meilink en Rik Sinnige illustratie Inge Spoelstra foto’s Max Collombon

De een vindt het literatuuronderwijs op de middelbare school te ouderwets, de ander vraagt zich af waar de Grote Drie zijn gebleven. Veel kritiek in de media is ongefundeerd, vindt neerlandicus Jeroen Dera. Wel is hij het eens met critici dat er iets moet veranderen. ‘Het probleem is dat het vaak nog steeds gaat over motiefjes of de symboliek van getallen.’

ladders voor iedereen even stabiel maakt en alle studenten de kans geeft om een eerste stap naar de arbeidsmarkt te zetten. Ook studenten zonder vangnet moeten de kans krijgen om even hoog te klimmen als hun gezekerde studiegenoten. Als het jongeren toegankelijker wordt gemaakt om een universitaire studie te doen, moet er ook een betere voorbereiding op de arbeidsmarkt komen. ANS

Jeroen Dera, universitair docent Nederlandse Letterkunde aan de Radboud Universiteit, deed de afgelopen jaren onderzoek naar de boeken die leerlingen lezen voor de lijst. Daar deed hij al praktijkervaring over op als docent Nederlands op de middelbare school waar hij ooit zelf in de schoolbankjes zat. Hij doceerde daar slechts twee jaar, maar heeft het onderwijs niet achter zich gelaten. Nu, negen jaar na zijn tijd als middelbareschooldocent, heeft hij een felbegeerde Veni-beurs van 250.000 euro ontvangen voor de voortzetting van zijn onderzoek naar het Nederlandse literatuuronderwijs. Als hem wordt gevraagd zijn kennis te delen, schuwt hij de media niet. Zo kwam hij voorbij in de Taalstaat op Radio 1 en in Eus’ boekenclub op NPO2. Dat vindt hij belangrijk, want volgens de docent worden er te vaak ongefundeerde uitspraken in de media gedaan. Hij verwijst naar columnisten als Christiaan Weijts die op basis van hun eigen indrukken een conclusie trekken over het hele schoolvak. Hij zucht vermoeid: ‘Ik vind ook dat er iets moet veranderen, maar dat is iets anders dan er onjuistheden over beweren in de media.’ Zijn onderzoek moet er dan ook aan bijdragen dat er niet alleen moord en brand wordt geschreeuwd over het onderwijs, maar dat er ook op wetenschappelijk niveau wordt gekeken naar het daadwerkelijke probleem. Een punt daarin is dat iedere havist of vwo’er heeft moeten lezen voor de lijst, maar dat het belang daarvan lang niet altijd duidelijk is. Dera vindt dat het onderwijs wat dat betreft beter kan en wil daarin zowel de onderwerpen als de thema’s die leerlingen belangrijk vinden, verenigen met die van docenten. Volgens hem zit de sleutel deels in de boeken die worden gelezen, maar ook in de vragen die je erbij stelt. ANS interviewde hem over de problemen en belangen van literatuuronderwijs.

Complexe teksten of mediaflexen? Dera knikt hevig wanneer hem wordt gevraagd of er ontlezing is. ‘Tegenwoordig heeft lezen het zwaar in de strijd om vrijetijdsbesteding’, zegt hij. ‘De huidige generatie is opgegroeid met een smartphone die voortdurend voor afleiding zorgt.’ Wel nuanceert hij de claim dat ontlezing is ontstaan omdat jongeren boeken saai vinden. Er wordt volgens hem namelijk vaak alleen gesproken over een groep die wel wil lezen en een groep die niet wil lezen. Daar zit echter nog een grote groep tussen: de boekentwijfelaars. ‘Zij vinden lezen best leuk, maar kiezen er toch voor andere dingen te doen. Ze begrijpen wel dat het belangrijk is en dat ze het eigenlijk meer zouden moeten doen’, verkondigt Dera. Het is specifiek deze groep waaraan de onderzoeker veel belang hecht. Zij kunnen namelijk nog worden overgehaald om toch boeken te gaan lezen, in tegenstelling tot de echte boekenhaters. Boekenliefhebber, -twijfelaar of -hater, hoe dan ook: leerlingen lezen wel, maar vooral korte tekstjes op sociale media. ‘Voor jongvolwassenen is het van groot belang dat ze ook langere en complexere teksten lezen’, stelt Dera. ‘We weten uit onderzoek dat mensen simpelweg slimmer worden als ze langer aan een stuk door zulke teksten lezen. Hierdoor ontwikkel je een grotere woordenschat en leer je diepere verbanden ontdekken.’ Dat is nog niet eens het belangrijkste, benadrukt hij. ‘Zeker voor fictie is er onderzoek dat suggereert dat je door lezen meer inzicht in sociale situaties krijgt en dus empathischer wordt.’ Omdat die eigenschappen van groot belang zijn voor het latere leven van leerlingen, benadrukt de onderzoeker dat er op middelbare scholen al iets moet veranderen. ‘Op veel scholen wordt er nauwelijks tijd gecreëerd om leerlingen gedurende een langere tijd geconctreerd te laten lezen’, zucht hij. ‘Lezen moeten ze thuis maar een keertje doen.’


6 In het verleden werkte dat misschien nog wel, maar scholen zullen het nu echt anders moeten aanpakken, vertelt Dera. Hij stelt daarom voor dat iedere leerling minimaal een uur per dag leest op school, bijvoorbeeld aan het begin van de dag. Pluk van de Petteflet in de donkere kamer Het blijft dan nog wel de vraag wat leerlingen moeten lezen. Hoewel er in de eindexamenomschrijving staat dat er bij leerlingen aan de hand van ‘literaire teksten’ een leesontwikkeling plaats moet vinden, constateert Dera dat het moeilijk vast te stellen is wat literatuur concreet betekent. ‘Je ziet dat die bal vaak bij docenten wordt neergelegd. Oudere docenten zeggen dan veelal dat het een lastigere en diepere tekst moet zijn en eisen dat het stilistisch ook literatuur is.’ De onderzoeker verwijst naar werken als De donkere kamer van Damokles. Hij vervolgt: ‘Er zijn echter ook leraren die zeggen: literatuur is een veel breder begrip en daar kan ook een literaire thriller zoals Hex onder vallen.’ In zijn aankomend Veni-onderzoek is één van zijn doelen dan ook om een duidelijk beeld te krijgen van de boeken die docenten goedkeuren voor de lijst en vooral op basis waarvan ze keuzes rechtvaardigen. De keuze voor een bepaald boek is volgens de neerlandicus nog niet eens het belangrijkste. ‘Ik vind dat er nog wel eens wordt gedaan alsof een tekst zelf het vermogen heeft om leerlingen literaire competenties bij te brengen’, zucht hij. Hij vervolgt dat leerlingen bij wijze van spreken Pluk van de Petteflet zouden kunnen lezen om meer literair inzicht te krijgen, als je er maar de juiste vragen bij stelt. ‘Het gaat om het niveau waarop je over een tekst praat’, benadrukt de docent. ‘Het probleem is dat het in veel literatuurtoetsen vaak nog steeds over motiefjes gaat of over de symboliek van getallen.’ Hij stelt dat het voor leerlingen dan ook erg gemakkelijk wordt om een verslag van Scholieren.com te recyclen, waar ze helemaal niets aan hebben. Volgens de docent leren de leerlingen door maatschappelijke of ethische inzichtsvragen te stellen pas echt teksten te doorgronden en belangrijke verbanden te leggen. Als voorbeeld begint hij dan over Het gouden ei van Tim Krabbé, het meest gelezen boek door scholieren. ‘Er komt daar gewoon letterlijk “een neger in een Afrikaanse jurk” voorbij gelopen’, zegt hij verbijsterd. Moet je dat werk dan niet meer door leerlingen laten lezen? Dera ontkent direct: ‘Ik ben niet voor cancel culture.’ Het is echter wel een probleem dat leraren niet op de hoogte zijn van die passages, vervolgt hij. ‘Vaak is het heel lang geleden dat ze Het gouden ei hebben gelezen.’ Volgens Dera is dat begrijpelijk, maar zouden docenten van tijd tot tijd de vragen die ze bij een werk stellen moeten veranderen om het zodoende ook levend te houden: ‘Wat zegt Het gouden ei bijvoorbeeld over de manier waarop in de jaren tachtig misdaadromans werden geschreven en welke stereotypen zitten er in?’ 21ste-eeuwse vraagstelling Bij Het gouden ei zou je volgens Dera dus nieuwe vragen kunnen stellen, maar volgens hem moet er ook meer diversiteit in boekenaanraders voor leerlingen komen. ‘In aanraders van docenten zie je een nadruk op mannelijke schrijvers en hoofdpersonen die wit en cis zijn’, betoogt Dera op basis van het onderzoek dat hij over de leeslijst heeft gedaan. Hij vertelt vervolgens hoe hij überhaupt bij het diversiteitsthema betrokken raakte: ‘Ik ben natuurlijk zelf een witte man en ik geef les aan bijna alleen maar vrouwelijke studenten.’ Daar voegt hij aan toe: ‘Naarmate je hoger op de succesladder van de academische wereld klimt, kom je steeds minder vrouwen tegen.’ Die ervaring zorgde ervoor dat het diversiteitsthema iets was wat hij in ieder geval wilde meenemen in zijn onderzoek. Dera schrok van de resultaten: ‘Het viel mij op dat de situatie zo ontzettend ongerepresenteerd was in het onderwijs dat ik het inderdaad behoorlijk heb uitgelicht in het onderzoeksrapport.’ Waarom de scheve verhoudingen een probleem zijn? Als leerlingen zich kunnen identificeren met

een personage, lezen zij die verhalen ook liever, in plaats daarvan worden sommige leerlingen nu zelfs gekwetst. Dat licht hij toe: ‘Ik heb bijvoorbeeld zwarte studenten op de schrijfopleiding van Artez gehad die zeiden: “Alles wat ik bij Nederlands moest lezen, was vanuit een wit-koloniaal perspectief geschreven en soms ook racistisch.”’ Dera vervolgt dat het niet alleen belangrijk is dat leerlingen zich-

In Tijdgeest wordt iedere editie het verleden, heden en de toekomst van de kijk op een fenomeen of ontwikkeling besproken. Deze editie: Fastfood in Nederland tekst Gian Oerlemans en Loïs Verkooijen illustratie Flórián Kiers Fastfood is vandaag de dag in veel landen een belangrijk onderdeel van de eetcultuur. Nederland kent sinds de eerste helft van de twintigste eeuw snackbars, maar het nuttigen van fastfood kwam in de jaren zeventig pas echt in een stroomversnelling door de komst van Amerikaanse fastfoodketens. Volgens Michiel Korthals, voedselfilosoof en gasthoogleraar aan de Vrije Universiteit, kenmerkt het concept zich door de lage prijs van ingrediënten en fabrieksmatige manier van produceren. Fastfood heeft tal van gevolgen gehad voor de volksgezondheid. In 2020 meldde het CBS dat een recordaantal van maar liefst 32% van de Nederlandse bevolking overgewicht had als gevolg van onder meer een ongezonde levensstijl. Ondanks dat burgers weten dat fastfood ongezond is, blijven ze er massaal naar grijpen. Hoe dacht men over de komst van fastfood en zal de kijk op dit voedsel in de toekomst anders zijn?

zelf herkennen in een werk, maar ook de wereld van de ander beter leren begrijpen. Dera noemt als voorbeeld kinderen die opgroeien in een witte omgeving. ‘Voor hen kan het waardevol zijn om een boek als Confrontaties van Simone Atangana Bekono te lezen. Daardoor kunnen ze een beter beeld krijgen van wat racisme met een jongere kan doen.’ Via boeken kunnen leerlingen dus zichzelf en de maatschappij beter begrijpen.

‘Leerlingen zouden bij wijze van spreken Pluk van de Petteflet kunnen lezen.’

De kip een kop geven Omdat veel leraren het volgens Dera te druk hebben om op de hoogte te blijven van vernieuwingen in het literaire landschap, ziet hij voor zichzelf een rol om ze daarover te informeren via workshops en mediaoptredens. ‘Ik wil ze daarnaast bewust maken van selectiemechanismen in de leeslijsten, door te praten over diversiteit en de relevantie van lezen’, licht hij toe. Daarnaast wil hij een poging wagen om de kip zonder kop uit de onderwijsvernieuwingen te halen. Dera wil met andere woorden niet meer dat er op basis van onderbuikgevoelens dingen worden geroepen over wat goed zou zijn voor de jeugd, zoals nu wel vaak gebeurt in columns en opiniestukken. Zijn aankomend onderzoek zal onder meer kijken naar het belang van literatuuronderwijs vanuit het perspectief van zowel docenten als leerlingen. Het doel is om het ideale raakvlak te vinden tussen de interesses van beide partijen. Er is volgens hem in de praktijk namelijk pas een goed werkend systeem als de twee belevingswerelden van docent en leerling elkaar ontmoeten. ‘Ik snap dat een jongen van vijftien liever gamet en bezig is met zijn seksuele ontluiking dan dat hij een boek leest uit 1947’, concludeert hij. ‘Dat is heel logisch, maar dan hoop je dat er een docent staat die hem snapt en kan vertellen waarom dat boek uit 1947 wel de moeite waard is.’ ANS

VERLEDEN: PATATGENERATIE De oorsprong van fastfood in Nederland ligt bij banketbakkerijen die in het begin van de twintigste eeuw kroketten gingen maken, zegt Lenno Munnikes, promovendus in Simpel, Snel en Goedkoop eten aan de Katholieke Universiteit Leuven. ‘Strikt genomen vallen deze kroketten niet onder fastfood zoals we dat nu kennen omdat ze met verse producten en met de hand werden bereid’, nuanceert hij. Een kroket van de banketbakkerij was toen een luxeproduct dat met name door zakenlui werd gegeten. Het werd echter niet enkel en alleen als luxeproduct beschouwd, vertelt Munnikes. Volgens hem werd de kroket tegelijkertijd ook in verschillende broodjeswinkels verkocht als goedkoop product van restvlees. De snelle snack was dus voor alle inkomensklassen bereikbaar.

‘We zijn onszelf aan het bekeren tot zout-, suikeren vet-eters.’ Fastfood was daarmee voor iedereen toegankelijk en werd ook nog eens ontzettend veel geconsumeerd. ‘Tijdens de economische crisis van de jaren twintig en de wereldoorlogen hadden mensen veel honger gekend. Na de wederopbouw zag je een omslag naar overvoeding als resultaat van de toegenomen welvaart’, constateert Munnikes. Fastfood paste perfect bij de honger naar meer consumptie. Daarnaast werd het als pronkstuk van innovatie gezien omdat het nieuw en efficiënt was. Naast de kleinere broodjeszaken kwamen er na de Tweede Wereldoorlog immers snackbars waar zo’n vijfentwintig mensen snel en tegelijk konden worden geholpen, stelt de promovendus. ‘Bovendien werd fastfood populair dankzij Amerikaanse invloeden. Mensen keken naar Amerikaanse films en het interieur uit die films werd in Nederlandse snackbars geïmiteerd’, stelt hij.


7 Tijdgeest

EIND GOED, FASTFOOD

In relatie tot de groeiende aandacht voor obesitas in Nederland zijn er bezwaren gekomen tegen het gebruik van te veel zout, suiker en vet. Korthals vertelt over een protest tegen een vestiging van McDonald’s die precies tussen een woonwijk en een school in zou komen te liggen. Volgens de filosoof hoeft de oplossing in zo’n geval niet ingewikkeld te zijn. ‘Het is aan de overheid om veel strikter te handhaven op de verleidingstechnieken van fastfoodketens’, zegt hij. Nu kunnen de ketens door beperkte wetgeving ongestoord hun gang gaan. Omdat het vestigen simpelweg legaal is, zullen gemeenten fastfoodketens niet weigeren. Hoewel er namelijk groepen zijn die protesteren tegen de komst van een McDonald’s, ziet het grootste deel die hunkering niet als een probleem. ‘Consumenten vinden de merken van grote fastfoodketens tof en zijn er dan ook trots op als er een vestiging in hun woonplaats neerstrijkt’, zegt Brouwer. Het is per slot van rekening een groot en populair bedrijf dat het dorp de moeite waard vindt om zich te vestigen.

TOEKOMST: VEGAN VETKRAAI De toenemende kritiek van de consument op fastfood richt zich tegenwoordig niet alleen op de nadelige gezondheidseffecten. In de discussie is ook het milieu een rol gaan spelen aangezien fastfoodketens veelvuldig gebruik maken van vlees en plastic, merkt Brouwer op. ‘De overheid en bedrijven wijzen vaak naar de consument als degene die de gezonde, duurzame keuzes moet maken.’ De foodtrendwatcher vindt dat onterecht. Hij noemt consumenten een speelbal van fastfoodketens waartegen zij geen weerstand kunnen bieden.

Voor een poké bowl geldt de tijdwinst van het halen van een snelle hap nog steeds.

Toch ondervond het imago van fastfood in de jaren erna flink wat schade. ‘Vooral bij de oudere generaties werd dit voedsel geassocieerd met jonge, ongezonde mensen’, legt Munnikes uit. Verschillende jeugdculturen, zoals de nozems en punkers, omarmden fastfood rond die tijd namelijk. Het ongezonde voedsel werd een onderdeel van de identiteit van de jeugdgroepen die rondhingen bij de verschillende snackbars. Jongeren uit de jaren zeventig werden om die reden de patatgeneratie genoemd.

HEDEN: FASTFOODVERLANGEN Ondanks het slechte imago dat het voedsel in de naoorlogse periode bij de oudere generaties kreeg, wordt fastfood vandaag de dag alsmaar meer geconsumeerd. Volgens foodtrendwatcher Gijsbregt Brouwer heeft dat vooral te maken met de manier waarop de ketens zich presenteren. ‘De branche heeft miljarden euro’s uitge-

geven om ervoor te zorgen dat burgers naar fastfood hunkeren, ondanks dat ze het op het moment van eten niet eens zo lekker vinden’, legt hij uit. Voedselfilosoof Korthals stelt dat dit komt doordat we verslaafd zijn geraakt aan de smaken zout, suiker en vet. Gepassioneerd vertelt hij over deze ontwikkeling die hij ‘smaakvervlakking’ noemt: ‘We kunnen duizenden smaken proeven, maar we zijn onszelf aan het bekeren tot zout-, suiker- en vet-eters.’ Daardoor hebben we steeds meer behoefte aan deze ingrediënten terwijl we andere smaken die in verse producten zitten steeds minder leren te herkennen en waarderen.

‘Het is aan de overheid om veel strikter te handhaven op de verleidingstechnieken van fastfoodketens.’

Toch duiken er andersoortige initiatieven op die sterk op fastfood lijken, maar meer focussen op gezondheid en duurzaamheid. Volgens Brouwer gebeurt dit in reactie op de snelle, ongezonde en schadelijke ketens. Een voorbeeld van een gerecht dat door een dergelijk alternatief wordt gemaakt, is de poké bowl, die een diverser smakenpalet heeft dan de grote ketens aanbieden. De tijdwinst van het halen van een snelle hap bestaat dan nog steeds. Toch hebben dit soort milieuvriendelijke initiatieven niet genoeg invloed om de grote ketens weg te concurreren en zelf de verandering te maken. ‘Die zijn immers machtig en als zij tien procent minder vlees gebruiken, heeft dat pas echt veel impact op de wereldwijde vleesconsumptie. Veel meer dan al die kleinere initiatieven samen voor elkaar kunnen krijgen’, zegt Brouwer. Het feit dat nieuwe initiatieven opkomen en zowel direct als indirect succes hebben, bevestigt dat de consument bewuster naar de ketens is gaan kijken en daar ook naar probeert te handelen. Desalniettemin laten de nieuwe initiatieven de fastfoodketens niet onbewogen. Brouwer observeert dat de grote ketens de voedseltrends in de samenleving wel degelijk volgen: ‘Zo is de vegaburger bij McDonald’s de afgelopen tien jaar onder druk van de consument enorm in smaak verbeterd.’ Hij concludeert echter: ‘Die veranderingen gaan langzaam. Toch verwacht ik dat we de komende jaren steeds meer duurzame en gezonde gerechten gaan zien op de menu’s van grote ketens.’ Afgezien van de verduurzaming en gezondere gerechten blijven Nederlanders voorlopig nog als verslaafden naar fastfood grijpen. ANS


KAMERVRAGEN tekst Pim Dankloff en Julia Meilink foto’s Jochem Bodewes In Kamervragen gaan twee studenten op ontdekkingstocht in elkaars kamer en speculeren ze over de persoonlijkheid, activiteiten en vreemde trekjes van de bewoner. Kunnen ze uitvinden wat voor persoon er achter de kamer schuilgaat? Deze editie: Eline en Joëlle Om verdere verspreiding van het coronavirus te voorkomen, bekijken de deelnemers elkaars kamer virtueel. Daarbij filmen ze om de beurt hun kamer terwijl de ander meekijkt via Skype en commentaar geeft. Beide deelnemers hebben daarbij hun geluid uit staan zodat hun identiteit nog even geheim blijft. De persoon die meekijkt geeft aanwijzingen via de chat.

Eline op bezoek bij Joëlle Met flink wat gekraak wordt een deur geopend waarna een grote kamer verschijnt met aan alle kanten spulletjes. Direct wordt ingezoomd op een kledingrek rechts naast de deur. ‘Ik zie Eline een heleboel zwart’, constateert Eline. Vanwege de topjes die ze ziet hangen, concludeert ze al snel dat hier een vrouw woont. Dan komt er meer in beeld: allerlei boeken, posters en hebbedingen liggen netjes uitgestald in een stellingkast naast het kledingrek. Eline herkent de titel van een dikke pil genaamd Genderstudies van de gelijknamige masteropleiding en suggereert dat de bewoner die volgt. Nadat ze verschillende kristallen op het bovenste plankje van de kast en nog een hindoeïstische poster heeft gezien, veronderstelt Eline geïnteresseerd: ‘Ze is denk ik veel bezig met spiritualiteit.’ Er wordt niet voor alle zielen in de kamer goed gezorgd: ‘Oh, een dode

plant’, zegt Eline sipjes. Haar gezichtsuitdrukking verandert wanneer een oerwoud aan bloeiend groen in de vensterbank verschijnt. ‘Oké, ik neem terug dat ze een slechte plantenverzorger is’, zegt ze. Naast het raam staat een kleine stoel met daarop een platenspeler. Eline concludeert dat de bewoner van oude muziek houdt wanneer ze een aantal platen uit de jaren tachtig voor ogen krijgt. Dat oordeel nuanceert ze als ze een festivalposter van Woo Hah ziet. ‘Misschien ligt de focus wel meer op hiphop.’ Het beeld verplaatst zich vervolgens naar een grote, glazen bak. ‘Zit daar een beest in?’ vraagt de student zich af. Het terrarium blijkt vol te zitten met wandelende takken. ‘Grappig dat ze die heeft, maar ik zou er zelf niet voor kiezen.’ Het is niet het enige soort insect waar Eline zich over verbaast. Als de tour bij het bed aankomt, ziet ze namelijk een vlindermes. ‘Dat zou ik echt niet aan mijn bed hangen’, huivert Eline. Wat dit over de persoon zegt, weet ze niet te vast te stellen. De camera draait naar het plafond boven het bed en een geschilderde sterrenhemel komt in beeld. ‘Dat is echt heel vet’, complimenteert Eline. Veel meer heeft ze niet op te merken en ze sluit af: ‘Wat een toffe kamer met al die planten.’

Joëlle op bezoek bij Eline Bij binnenkomst ziet Joëlle direct een wollig kleedje dat over een stoel hangt: ‘Dat verlinkt wel dat het een meisje is’, zegt ze vol overtuiging. Er komt een kleine en strak ingerichte kamer in Joëlle beeld. ‘Het compacte toont dat ze praktisch en simpel is’, zegt Joëlle zelfverzekerd, wijzend op de slim opgeborgen spullen op plankjes in de bovenste hoekjes van de kamer. Hoewel de ruimte klein is, heeft de bewoner voor iedere woonactiviteit een aparte hoek gemaakt. Er is een hoogslaper voor het slaapgedeelte en er staat een bank met een televisie om te relaxen. ‘Ik denk dat ze vanwege de coronacrisis veel in haar kamer zit’, zegt Joëlle. ‘Het is er echt op ingericht dat je erin kunt leven.’ Dan komt de andere kant van de kamer in beeld. Daar is een een zeer opgeruimde tafel te zien. Vanwege het grote aantal highlighters dat erop ligt, kan Joëlle het gemakkelijk als bureau identificeren.

‘Die markers heb je als je veel literatuur moet lezen en dus een talenstudie doet’, vermoedt ze. Toch voegt ze nog een mogelijkheid toe: ‘Het zou ook Rechten kunnen zijn, daarvoor moet je veel jurisprudentie lezen.’ Joëlle leidt daarnaast uit het opgeruimde bureau af dat het om iemand gaat die haar studie belangrijk vindt. Daarom wordt de werkplek goed op orde gehouden. Bovendien is er veel ruimte om te schrijven. Op basis daarvan concludeert ze dat het om een eerstejaars moet gaan: ‘Eerstejaars schrijven nog, net zoals op de middelbare school. Oudere studenten zijn daar volgens mij al mee gestopt.’ Als vervolgens een kast wordt gefilmd waarin een boek staat met ‘Recht’ erop, is de link gauw gemaakt met de eerder genoemde studie. De camera draait naar een koelkast en Joëlle wacht met spanning af welk stukje persoonlijkheid ze hieruit kan afleiden. Vol enthousiasme roept ze: ‘Een avocado. Ze is vast veganist, die hebben altijd een avocado.’ Toch kent de bewoner ook ongezondere gewoontes, zo blijkt wanneer een collectie speciaalbiertjes tevoorschijn komt. De detective heeft ook over het uitgaansleven haar theorie al klaarliggen. ‘Dat doet ze het liefst in het weekend, doordeweeks is voor studie gereserveerd.’

VRAGENUURTJE Tijd voor de confrontatie: hadden de studenten het bij het juiste eind of sloegen ze de plank compleet mis? Na wat technische moeilijkheden breekt Joëlle (19, eerstejaars Algemene Cultuurwetenschappen) het ijs: ‘Studeer je Rechten en ben je eerstejaars?’ Eline (21) bevestigt het eerste, maar moet haar daarna teleurstellen. ‘Ik ben vierdejaars, jij doet Genderstudies toch?’ Joëlle ontkent dit en vervolgt direct met de dringende vraag of Eline van avocadotoast houdt. ‘Hoe heb je dat geraden?’ reageert deze verrast. ‘Ik zag de avocado in je koelkast’, onthult Joëlle anticlimactisch. Ze hebben met elkaar gemeen dat ze allebei vegetariër zijn, maar er zijn ook verschillen. Zo zou Eline nooit met een mes boven haar bed slapen. ‘Ik houd van streetwear en dit soort messen horen daarbij’, verklaart Joëlle. ‘Ik vertrouw mannen bovendien niet.’ Voor Eline rest dan nog steeds de vraag waarom het op deze plek hangt. Ook hier komt een logisch antwoord op. ‘Ik moest het ergens neerleggen en in al mijn kasten liggen stenen met

goede energie’, zegt Joëlle nonchalant. ‘Daar kan ik natuurlijk geen mes naast leggen.’ Tevreden met de verklaring verandert Eline het onderwerp naar muziek. ‘Ik dacht dat je muzieksmaak uiteen loopt van hiphop naar oude muziek.’ Joëlle bevestigt: ‘Ik luister naar elke soort muziek, ik catch iedere vibe.’ De twee kletsen gezellig door over muziek en uitgaan, waarna Joëlle haar aanname over Eline vertelt: ‘Ik had het idee dat je studie voor de leuke dingen komt.’ Deze ene aanname waarop Joëlle zo’n beetje haar gehele karakterschets baseerde, blijkt een schot in de roos. ‘Ja dat klopt’, beaamt Eline droogjes. Ter afsluiting begint Joëlle nog over de wandelende takken, waar ze blijkbaar nodig vanaf wil: ‘Ik heb er twintig, ik probeer ze aan iedereen kwijt te raken.’ Gauw biedt ze er nog een aan Eline aan en wijst op een pot waar het beestje prima in zou passen. Eline bedankt voor het aanbod en stelt dat ze het wel leuk zou vinden om Joëlle nog eens in het echt te ontmoeten. ANS

35e jaargang Hoofdredactie Jochem Bodewes en Julia Meilink Redactie Delphine Broasca, Annika Eskes en Naomi Habashy Medewerkers Pim Dankloff, Rik Sinnige, Gian Oerlemans en Loïs Verkooijen Illustraties Vera Joosten, Flórián Kiers en Inge Spoelstra Foto’s Jochem Bodewes en Max Collombon

ANS ZOEKT MEDEWERKERS! Vind jij het leuk om te schrijven, illustreren, vertalen of fotograferen? Stuur dan een mail naar redactie@ans-online.nl. De koffie staat klaar!

Columnist Aan-Age Dijkstra Eindredactie Sjoerd Bakker, Cameron-May Bosch, Sofie Bongers, Sanne Breedveld, Mara Burgstede, Sietske Dijkstra, Julia Mars, Leah van Oorschot, Inge Spoelstra, Simon Swelsen, Celis Tittse, Lauren Tomasouw, Floor Toebes en Vincent Veerbeek Ontwerp en lay-out Julia Meilink Logodesign voorpagina Noah Kleijne Dagelijks bestuur Shiba Shohra Fahim (penningmeester), Seber Faraj (secretaris) en Sumaya Jimale (voorzitter) Druk Flevodruk Harlingen BV Uitgave, abonnementen en advertentieacquisitie Stichting MultiMedia: stichtingmultimedia@gmail.com Redactieadres Heyendaalseweg 141 6525 AJ Nijmegen Tel: 06-36458763 Mail: redactie@ans-online.nl Digitale nieuwsbrief ontvangen? Ga naar ans-online.nl en klik rechts in het menu op ANS-nieuwsbrief om de krant in je e-mail te ontvangen.