Page 1

Algemeen Nijmeegs Studentenblad ans.online ANS_online Editie 2 - 18 december 2020

3

Column Het interieur van mijn vriendje past niet bij dat van mij.

3

Nieuws Stichting Studentenhuisvesting bouwt de komende tien jaar duizend studentenkamers bij in Nijmegen.

4

Tijdgeest Nieuwsmedia doen het lijken alsof corona veel impact op ons welzijn heeft, maar is dat eigenlijk wel zo?

8

Kamervragen Twee georganiseerde watersportliefhebbers gaan op zoek naar elkaars geheime rommellaatje.

Interview

INTENSIVE INFLUENCING Op televisie ging hij met zowel Mark Rutte als Famke Louise in gesprek: Diederik Gommers is inmiddels de bekendste IC-arts van het land. Om de coronamaatregelen bekender te maken onder jongeren, heeft hij nu ook een Instagramaccount. Pagina 2: ‘Aan de hand van goede communicatie begrijpen jongeren je veel beter.’

illustratie Ande Cremers

De afgelopen maanden zorgden de uitingen van jongeren van de SP en FvD voor flink wat opschudding binnen hun partij. Pagina 5: Wat is eigenlijk de wisselwerking tussen een politieke jongerenorganisatie en haar moederpartij?

Email redactie@ans-online.nl Adres Heyendaalseweg 141 6525AJ Nijmegen Tel. 0636458763

Tijdens de eerste maanden van de coronacrisis was menig Nijmegenaar in de natuurgebieden rondom de stad te vinden. Pagina 6: Wat is eigenlijk de waarde van natuur en erkennen we die voldoende?


2 Interview

INTENSIVE INFLUENCING tekst Sofie Bongers en Sanne Breedveld illustratie Ande Cremers

Op televisie ging hij met zowel Mark Rutte als Famke Louise in gesprek: Diederik Gommers is inmiddels de bekendste IC-arts van het land. Om de coronamaatregelen bekender te maken onder jongeren, heeft hij nu ook een Instagramaccount. ‘Aan de hand van goede communicatie begrijpen jongeren je veel beter.’

Als intensivist bij het Erasmus MC en voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor de Intensive Care sprak Gommers de afgelopen tijd veel in de media over de coronamaatregelen. Zijn rustige manier van communiceren, te midden van verhitte discussies, leverde hem veel lof op. In plaats van olie op het vuur te gooien, nam Gommers de tijd voor een gesprek. Op deze manier lukte het hem om Famke Louises standpunt ten aanzien van corona honderdtachtig graden te doen draaien: naar aanleiding van één uitzending van Jinek ging ze van #ikdoenietmeermee naar zijn campagnepartner. De laatste tijd probeert de intensivist een soortgelijke verandering te bewerkstelligen onder jongeren. Via Instagram probeert hij vooral studenten hun rol in de coronacrisis te laten inzien en zo hun omgang met de coronamaatregelen te veranderen. ANS spreekt de IC-arts via Zoom. Aan de andere kant van de camera zit hij met doktersjas aan in een kamertje van het Erasmus UMC. Het is het hoogtepunt van de tweede golf. Volgens hem is er niet één schuldige aan te wijzen wanneer het gaat over de veroorzakers van de nieuwe groep zieken die deze golf met zich meebracht: ‘Wat we nu weten is dat het virus in de zomer door vakantiegangers is meegenomen uit het zuiden van Europa. Dat waren niet enkel studenten’, legt hij uit. Desalniettemin zijn ze grote verspreiders van het virus. Hij hoopt ze daar bewust van te maken. Niet via angstzaaierij, maar met de kracht van communicatie. ‘Je kan als arts veel beter vertellen wat wij leren over de virusverspreiding dan voor opschudding zorgen’, vertelt Gommers. ‘Wanneer studenten namelijk meer uitleg krijgen, kunnen ze inzien wat hun rol is in de coronaverspreiding.’

Besmetting van studenten is wel degelijk een probleem. ‘Ik ben ook jong geweest’ De arts vertelt dat studenten vaak een groot sociaal netwerk hebben en daardoor potentiële megaverspreiders van het virus zijn. Daarnaast ziet hij dat ze de maatregelen niet altijd even serieus nemen door bijvoorbeeld geen afstand te houden. ‘Ik begrijp dat studenten zich niet altijd aan de maatregelen houden’, vervolgt Gommers. ‘Voor hen zitten er immers veel negatieve effecten aan de maatregelen van de coronacrisis. Een voorbeeld is het grotendeels wegvallen van

hun sociale contacten.’ Een andere reden voor de losse omgang met de maatregelen zou volgens de arts zijn dat studenten niet ernstig ziek worden als zij besmet raken. Volgens Gommers is hun besmetting echter wel degelijk een probleem omdat studenten niet kunnen worden gescheiden van risicogroepen. Ze hebben oudere familie of naasten die eventueel een slecht afweersysteem hebben.

‘Ik was met medestudenten in discussie gegaan over de maatregelen.’ De arts probeert zich in te leven in de studenten van nu en begint enthousiast te vertellen over zijn studentenleven: ‘Het mooie aan mijn studententijd was dat ik tegendraads was. Dat gaf me het idee dat ik alles zelf kon bepalen.’ Hij ziet deze dwarse houding terug in de studerenden vandaag de dag. Deze houding zorgt er voor dat veel studenten het gezag ondermijnen en de maatregelen niet altijd serieus willen nemen, aldus Gommers. Hij vertelt dat hij de maatregelen dan ook niet blindelings zou hebben gevolgd: ‘Ik was in discussie gegaan over de maatregelen met mijn medestudenten, want discussiëren zit in mijn aard’, denkt hij hardop met een brede glimlach op zijn gezicht. In gesprek met de student Vanwege deze opstandige houding is het volgens Gommers des te belangrijker om de redenatie achter de maatregelen duidelijk te maken. ‘De uitleg over de coronamaatregelen werkt momenteel niet voldoende. Ik denk dat studenten je aan de hand van goede communicatie veel beter begrijpen.’ Gommers zag dat er nog niemand was die specifiek jongeren uitleg gaf over de consequenties van het coronavirus. Hij besloot die rol vervolgens op zich te nemen. Hij realiseerde zich snel dat studenten niet te bereiken waren via de algemene nieuwskanalen. ‘Ik heb veel opgetreden bij Jinek en Op1, maar de meeste jongeren kijken daar helemaal niet naar. Zij kijken enkel fragmenten van zo’n uitzending die viral zijn gegaan. Daarom stapte ik over naar sociale media.’ De arts vertelt over de manier waarop hij zijn weg probeerde te vinden binnen de mediakanalen van jongeren. ‘Instagram is heel populair en werd daardoor een van mijn uitkomsten.’ Hij plaatste berichten en gaf voorlichtingen via livestreams

van accounts die populair zijn onder jonge mensen, zoals NOS stories. ‘Het is daarbij belangrijk dat je jezelf niet neerzet als ‘gezaghebbend’ bij het delen van die informatie’, stelt hij. ‘Je moet het gesprek aangaan.’ Hij wil zichzelf naast de jongeren zetten en niet erboven. Om te laten zien dat hij ze begrijpt plaatste hij op Instagram een foto van zichzelf als student. Hieronder legt hij uit dat het lastig is voor de jongeren, maar dat ze wel hard nodig zijn. ‘Studenten moeten ook hun steentje bijdragen.’

‘Ik merkte dat ik eigenlijk zo’n slechtnieuwsgesprek voerde.’ Communicatie is een vak De kwaliteit om uitleg te geven is iets wat hij als intensivist heeft geleerd. In dat werk is het een van de belangrijkste taken om een slechtnieuwsgesprek te kunnen voeren. Het is dan de bedoeling om een eerlijke schets te geven van de stand van zaken. Dat komt Gommers als woordvoerder nu goed van pas. ‘Wanneer ik het op televisie en sociale media over de coronacijfers van de IC had, merkte ik dat ik eigenlijk zo’n slechtnieuwsgesprek hield.’ Sinds het begin van de crisis heeft hij de mogelijkheid gekregen om dit te doen. Als voorzitter van de IC’s heeft hij veel van dit soort toesprekingen op televisie moeten houden en besloten er het beste van te maken. Hij besloot om geduldig het gesprek aan te gaan en zijn expertise te delen. ‘Die aanpak heeft positief uitgepakt, maar het is jammer dat ik daardoor een bekende Nederlander ben geworden’, zegt Gommers met een bescheiden lachje. ‘Mensen herkennen me nu namelijk overal. Ik kan niet eens meer een ronde door het ziekenhuis of door mijn dorp lopen.’ Zijn reputatie is onderhand behoorlijk opgebouwd op sociale media. Dat valt hem zelf ook op. Hij noemt een voorbeeld van comments die hij zoal krijgt: ‘U bent de enige die ik nog vertrouw.’ Hij concludeert: ‘Dat vind ik natuurlijk overdreven.’ De arts legt uit dat hij spreekt voor een grote groep Nederlandse intensivisten die hebben besloten om met een verhaal naar buiten te komen: ‘Ik neem altijd aan dat iemand probeert te zeggen dat hij of zij de kennis van de dokter vertrouwt.’ Plan de campagne Daarnaast vertelt hij dat hij geen politieke of financiële belangen heeft in de coronacrisis: ‘Daarom kan ik ook zo eerlijk zijn over wat er gebeurt op de IC.’ Hij benadrukt dat deze behoefte aan eerlijkheid heel typerend is voor een onzekere tijd als deze. ‘Pas met de juiste informatie kan men nadenken over de afwegingen die je als groep maakt wanneer er weer een versoepeling plaatsvindt.’ Het is volgens Gommers namelijk de bedoeling dat studenten kritisch kijken naar wat ze belangrijk vinden. ‘Is dat in groepjes weer naar de kroeg kunnen of is dat met grotere groepen weer activiteiten organiseren?’, vraagt hij zich hardop af. ‘Dat moet worden uitgesproken, want dan kun je daar naartoe werken. Wanneer je dat afspreekt met elkaar, neemt de kans toe dat men de


3 Uit de jaarlijkse monitor, waarin de cijfers zijn gebaseerd op het voorgaande jaar, blijkt dat het percentage vrouwelijke hoogleraren ten opzichte van het voorgaande jaar met 0,3 procentpunt is gestegen. In 2018 was 29,3% van de hoogleraren in Nijmegen een vrouw, het jaar daarna stond de teller op 29,6%. De universiteit staat daarmee in de landelijke top drie, onder de Open Universiteit en de Universiteit Maastricht.

Nieuws

Percentage vrouwelijke hoogleraren RU licht gestegen, lange weg te gaan Het percentage vrouwelijke hoogleraren aan de Radboud Universiteit (RU) is opnieuw licht gestegen. Dat blijkt uit de Monitor Vrouwelijke Hoogleraren 2020, die het Landelijk Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren presenteerde.

Nieuws

SSH&: duizend kamers erbij in 2030 De Nijmeegs-Arnhemse studentenhuisvester SSH& neemt zich voor om in 2030 duizend kamers voor studenten in Nijmegen bij te bouwen. De helft hiervan moeten zelfstandige woonruimtes worden. Het is nog onduidelijk waar er precies wordt bijgebouwd. Deze voornemens staan in het Ondernemingsplan 2021-2025, dat de stichting presenteerde. In totaal wil de organisatie in 2030 het kameraanbod in Arnhem en Nijmegen met twaalfhonderd vergroten: het overgrote deel daarvan zal dus in de universiteitsstad komen. In 2025 moet de helft van deze kamers zijn opgeleverd. De studentenhuisvester maakt hier komend jaar al een begin mee door nieuwe woonruimtes op bestaande complexen Heidepark, Nestor en Boekstaetehof beschikbaar te stellen. Voor de nieuwbouw van studentenkamers neemt SSH& zich voor om de helft van de kamers met gedeelde voorzieningen aan te bieden. De andere helft zouden studio’s en appartementen moeten worden. Hiermee wil de studentenhuisvester aan de uiteenlopende wensen van studenten voldoen. De vraag is of deze keuze niet ten koste gaat van het verkleinen van het kamertekort. Dat vormde voor de stichting juist de aanleiding voor om het doel te stellen van duizend extra woonruimtes. Uit de landelijke monitor studentenhuisvesting bleek vorige maand al dat er een tekort van negentienhonderd kamers in Nijmegen is. Het bestaande tekort wordt met de nieuwe plannen dus niet volledig opgelost.

Streefcijfers Met dit percentage is het streefcijfer van de RU van 25% vrouwelijke hoogleraren in 2020 bereikt. Ook landelijk gezien is dit goed nieuws: in de monitor staat te lezen dat de critical mass voor 2025, namelijk dat 1 op de 3 Nederlandse hoogleraren een vrouw is, moet zijn behaald. De RU loopt wat dat betreft op schema. RU-woordvoerder Martijn Gerritsen laat weten dat er op allerlei manieren wordt gewerkt aan het vergroten van het percentage vrouwelijke hoogleraren. ‘We hebben speciale commissies in de werving van vrouwelijke medewerkers.’ Gerritsen laat weten dat er ook de Christine Mohrmanstipendia zijn. Per jaar worden tien stipendia uitgereikt aan veelbelovende vrouwelijke promovendi. Daarnaast is er nog het Christine Mohrmannprogramma, met als doel gendergelijkheid bevorderen binnen het wetenschappelijk en ondersteunend personeel. Er is echter wel werk aan de winkel. Het nieuwe streefpercentage van het aandeel vrouwelijke hoogleraren dat de RU voor zichzelf in 2025 stelt, is 36%. Met de stijging van 0,3 procentpunt die zich van 2018 op 2019 heeft voorgedaan, zal dat bij lange na niet worden gehaald. Naomi Habashy juist voor het marktaandeel van SSH& te vergroten door complexen bij te bouwen, waarbij vooral mogelijkheden in de buitenwijken van Nijmegen werden gezien. Wat deze verschillen in visie voor gevolgen hebben op de uitvoering is nog onbekend. De gemeente presenteert begin 2021 een concreet plan waarin duidelijk wordt op welke manier de SSH& precies een groter marktaandeel moet krijgen. In het ondernemingsplan noemt de studentenhuisvester dat ze zich ook wil gaan inzetten om ex-studenten in Arnhem en Nijmegen te behouden. Samen met de gemeenten en andere woningcorporaties gaat de stichting onderzoeken hoe er betaalbaar en geschikt aanbod voor deze starters kan komen. Jochem Bodewes

Marktaandeel Voor de locaties van nieuwe kamers stelt de organisatie dat er wordt gekeken naar ruimte rond de stations, het centrum en de campus. Anderhalve maand geleden nam de gemeenteraad zich

maatregelen serieuzer naleeft.’ Hij oppert een aantal ideeën over hoe studenten dit zouden kunnen aanpakken. ‘Wanneer maatregelen worden versoepeld, is het belangrijk dat studenten bij universiteitsbesturen aangeven wat zij belangrijk vinden. Die kunnen dat weer terugkoppelen naar hogere instanties als het kabinet.’ In de praktijk gebeurt dit echter nog niet zoveel en Gommers weet zelf ook niet hoe dit precies moet worden ingevuld. Hij noemt dit zorgelijk.

Ook de input van studenten is nodig. Volgens hem kan geen enkele groep zich permitteren een lakse houding op te stellen rondom de regels. Hij pleit dan ook voor de betrokkenheid van alle leeftijdsgroepen in deze nieuwe fase van het virus. Ook de input van studenten is dus nodig. ‘Als dit niet gebeurt, bestaat de kans dat er hetzelfde zal gebeuren als afgelopen zomer’, vertelt de arts. ‘Toen leidde een versoepeling van de maatregelen tot gemakzucht rondom de nog geldende coronaregels.’ Hieruit is volgens hem de tweede golf ontstaan. Nu vertelt

hij dat het zaak is om georganiseerd met elkaar te praten zodat dit niet weer gebeurt. Als we daarvoor ons best doen en ons ook aan die maatregelen houden, kunnen we in de toekomst het studentenleven weer voortzetten als vanouds. Dat concludeert Gommers: ‘Studenten vinden het ontzettend belangrijk om nieuwe mensen te leren kennen in hun dagelijks leven, deel uit te maken van sportverenigingen of om op stap gaan met vrienden.’ Des te meer reden voor de intensivist om zijn boodschap te blijven verspreiden. Daaraan zal nog heel wat intensive influencing aan te pas komen. ANS

HET SCHAAMROOD Tweedejaarsstudent Jackie de Bree observeert zo nu en dan confronterende situaties. Doorgaans blijkt daaruit dat gevoelens van schaamte vaker op de loer liggen. Zowel voor haar als haar omgeving. In deze column beschrijft zij met licht ironische toon zo’n geval. Toen ik voor het eerst bij mijn vriendje op bezoek kwam, kriebelden mijn voelsprieten bij het zien van zijn interieur. Ik kijk toch kritischer naar het huis van mijn partner, dan dat van een vriend. Je identificeert jezelf namelijk een beetje met de omgeving van je partner. Jij valt immers ook binnen zijn keuzepakket. Iemands korf is in zekere zin ook een weerspiegeling van zijn karakter. Zelf heb ik veel aandacht besteed aan mijn inrichting: sommige spullen verdienen een prominentere plek dan andere. Het doet er verder weinig toe of mijn designbank lekker zit. Mijn vriend ontbrak het jammer genoeg aan dit inzicht. Zijn inrichting is functioneler: pragmatisme boven pracht. De stoelen zitten lekker, de meeste kopjes zijn heel en de lampen geven licht. De weinige mooie dingen die hij heeft zijn familiecadeaus of jeugdsentimenten. Waar ik lang pieker over mijn interieur, deelt mijn vriend zijn vertrek slechts in op basis van kleurovereenkomst. Zo staat er een zwart-wit geblokte vaas boven een kleed met gelijk patroon en kleuren. Het stond me niet aan. Aangezien we verder goed bij elkaar passen snapte ik niet waarom het juist op zo’n belangrijk punt als esthetica wrikt. Het is echter nooit te laat om te leren, ook niet over smaakvolle interieurvormgeving, en dus trof ik maatregelen. In de eerste periode van onze relatie kwam er een nieuw bankstel, nieuw servies en bracht ik geregeld posters langs. Mijn vriend vond het best dat ik zodoende mijn stempel op het appartement drukte, maar hij genoot meer van mijn enthousiasme dan van de nieuwe pracht. Dat bracht mij geen voldoening: hij snapte nog steeds niet wáárom dit een verbetering was. Later besefte ik dat zijn kale inrichting niet voortkomt uit esthetische blindheid. Een mooi kussen verandert simpelweg niets aan zijn gemoedstoestand, terwijl ik erg gevoelig ben voor een mooie omgeving. Ik zag niet in dat zijn appartement juist een weergave is van zijn nuchtere, doelmatige en heldere persoonlijkheid waarop ik verliefd ben geworden. Het voelde alsof ik samen met zijn appartement ook hem wilde veranderen. Ik schaamde me voor de gedachte dat we nog beter bij elkaar zouden passen als hij meer op mij lijkt. Zelf zou ik het niet pikken als hij mijn inrichting onderhanden nam. Gelukkig is mijn vriend niet zo buigbaar, net als zijn dertig jaar oude kapstok. tekst Jackie de Bree illustratie Inge Spoelstra


4

Tijdgeest

DE ONGRIJPBARE MENSELIJKE GEEST

In Tijdgeest wordt iedere editie het verleden, heden en de toekomst van de kijk op een fenomeen of ontwikkeling besproken. Deze editie: Psychische stoornissen tekst Bavo Oost en Romi Vos illustratie Vera Joosten ‘Bereid je voor op een lange, strenge coronawinter: “Het wordt taai’’’, kopte Het Parool begin oktober. Bij het openslaan van de krant komt een angstaanjagend toekomstperspectief je tegemoet: lockdowns, geen zicht op een coronavaccin en een kerst zonder samenzijn. Door deze beeldvorming lijkt het alsof corona een enorme impact heeft op ons psychisch welzijn. Dit is echter niet het geval, vertelt Peter van der Velden, gezondheidspsycholoog aan de Universiteit van Tilburg (UvT): ‘Alle studies wijzen erop dat het aantal mensen met psychische klachten stabiel blijft.’ Volgens de Geestelijke Gezondheidszorg krijgt namelijk ongeveer vier op de tien Nederlanders in zijn of haar leven te maken met psychische klachten. We hebben dus wel kwaaltjes, maar dit betekent zeker niet dat we allemaal een depressie of een angststoornis hebben. Toch lijkt het door de grote hoeveelheid media-aandacht voor psychische problemen alsof het aantal serieuze stoornissen in tijden van corona sterk is toegenomen. Is er altijd zoveel aandacht voor het geestelijk welzijn geweest en wat is het effect van al die aandacht eigenlijk? Verleden: Duiveluitdrijvingen en wetenschap Tot aan de negentiende eeuw was er nog geen wetenschappelijke belangstelling voor psychische stoornissen. De meeste verklaringen voor ongewoon gedrag waren religieus van aard. Een uitleg was bijvoorbeeld dat iemand bezeten was door de duivel. ‘Dan werd er een pastoor of dominee gehaald en kon er een exorcisme worden uitgevoerd’, vertelt Giel Hutschemaekers, hoogleraar Geestelijke Gezondheidszorg aan de Radboud Universiteit (RU). ‘In die tijd was dat een adequate verklaring.’ De kijk op abnormaal gedrag veranderde drastisch in de negentiende eeuw. Toen begon de ontkerkelijking en kreeg de wetenschap meer aanzien. ‘Met de uitbreiding van universiteiten kregen geesteswetenschappen daarbinnen een plek. Zodoende begonnen disciplines als psychiatrie en psychologie zich te vormen’, vertelt Anneleen Arnout, universitair docent Emotie- en Consumptiegeschiedenis aan de RU. In haar bronnenonderzoek zag Arnout dat de middenklasse in steden meer interesse kreeg in die wetenschappelijke verklaringen. Dit was van grote invloed op de uitbreiding van de psychologie omdat veel beleid door de middenklasse werd gemaakt. ‘Ineens zie je in kranten en tijdschriften psychologische termen als agorafobie en kleptomanie circuleren’, vertelt Arnout. Ze plaatst die ontwikkeling in de context van de veranderende maatschappij van toen: ‘De economie industrialiseerde en commercialiseerde, steden groeiden enorm snel en de stedelijke ruimte, waaronder straten en pleinen, werd onder handen genomen.’ De wereld van de stedelijke bevolking werd op zijn kop gezet. Daarop gingen mensen soms vreemd en moeilijk te verklaren gedrag vertonen. Psychologie bleek een adequate manier om dit toch uit te leggen. De diagnose kleptomanie ontstond bijvoorbeeld in een periode waarin vrouwen uit de middenklasse begonnen te stelen. ‘Dat gedrag was meer iets voor de lagere klassen’, aldus Arnout. De enige manier om het te begrijpen, was door het te bestempelen als een psychische ziekte. Religieuze verklaringen en duiveluitdrijvingen stopten dus niet spontaan, maar de psychologie kwam simpelweg meer onder de aandacht bij de middenklasse.

Heden: Taboes en trauma’s Vandaag de dag wordt de ene psychologische stoornis zonder schaamte gedeeld, waar de ander minder goed te begrijpen is en om die reden volkomen in de taboesfeer ligt. Voor dat eerste heeft de ontdekking van de oorzaken van posttraumatische stressstoornis (PTSS) grote gevolgen gehad, vertelt gezondheidspsycholoog Van der Velden: ‘Dat heeft gezorgd voor meer erkenning van trauma’s in het algemeen.’ Hij vertelt dat bijvoorbeeld politieagenten met PTSS tijdens professionele bijeenkomsten uit eigen initiatief over hun stoornis vertellen. Er rust dus geen taboe op deze psychische stoornis meer. Dit komt volgens Hutschemaekers omdat ziektes als PTSS relatief eenvoudig te verklaren zijn: ze hebben een eenduidige ervaring als oorzaak: ‘Het wordt ingewikkeld wanneer er onvoldoende verklaringen zijn.’ Omdat depressies vaak niet te verklaren zijn aan de hand van zo’n concrete aanleiding, rust op zulke stoornissen nog wel een taboe. Ondanks dat taboe rondom onverklaarbare stoornissen, schreeuwen nieuwsmedia moord en brand over het aantal mensen dat eraan lijdt. Hierdoor is een vervormd beeld ontstaan van psychische stoornissen en de mate waarin mensen ermee te kampen hebben. Van der Velden verklaart dit ongenuanceerde beeld als volgt: ‘De aandacht van nieuwsmedia is enkel gericht op de negatieve resultaten terwijl wetenschappelijk onderzoek een veel gevarieerder beeld van de situatie aantoont. Er zijn natuurlijk extreme gevallen van psychische stoornissen, maar dit is zeker niet de norm.’ Nieuwsmedia creëren dus een schijnrealiteit van deze stoornissen waardoor de terminologie door lezers verkeerd wordt opgevat en vervlakt in betekenis. ‘Gezonde mensen beschrijven hun scheiding of mislukte studie eenvoudig als een traumatische ervaring om hun verdriet te verzwaren’, aldus Van der Velden. Zo wordt er steeds meer gesproken over psychische stoornissen, maar durven mensen die daar serieus aan lijden er nog steeds nauwelijks over te praten.

Toekomst: De heilige graal Er rusten dus nog steeds taboes op psychische stoornissen. Of deze worden doorbroken is afhankelijk van zowel het beeld dat door de media wordt gevormd als neurologisch onderzoek naar een eenduidige oorzaak van psychische stoornissen. Zo lang de nieuwsmedia hun huidige beeldvorming in stand houden, zullen zij het gesprek rondom psychische stoornissen niet makkelijker maken. Hierdoor ligt de focus hoofdzakelijk op neurologisch onderzoek naar eenduidige oorzaken om los te kunnen komen van het taboe. Vooral neurologisch onderzoek naar de hersenprocessen die schuilgaan achter een stoornis, zou een belangrijke stap kunnen zijn richting de acceptatie van sommige psychische diagnoses. ‘Een stofje in de hersenen die psychische stoornissen kan aanwijzen, zou de heilige graal zijn voor psychologen’, vertelt Hutschemaekers. ‘Dan kun je makkelijker het verschil aangeven tussen bijvoorbeeld somberheid en een depressie’, vervolgt hij. Hierdoor zou er minder ruimte overblijven voor brede interpretaties van wat een psychische stoornis zou zijn. Zo’n stofje in de hersenen zou echter niet de oorzaak van zulke stoornissen nader verklaren. ‘Je weet dan nog steeds niet of die chemische reactie in je hersenen de oorzaak of het gevolg is van de klacht’, aldus Hutschemaekers. Of zulke neurologische bevindingen de behandeling van psychische stoornissen zal verbeteren, is dus nog maar de vraag. Oorzaak of gevolg, de stand van de gesteldheid van mensen die aan deze ziektes leiden is er niet mee opgelost. Zij zullen altijd nog een aparte behandeling moeten krijgen om om te kunnen gaan met hun geestelijke klachten. Zowel de psychologie als psychiatrie zal nodig blijven om hen daarmee te helpen. De menselijke geest zal dus ook in de toekomst lastig te vangen blijven voor zowel experts als burgers. Het is afwachten totdat er een neurologische doorbraak plaatsvindt. Zolang dat duurt, zal het ongrijpbare karakter van de menselijke geest ertoe leiden dat mensen hun eigen interpretatie geven aan psychische stoornissen. ANS

Voor de negentiende eeuw: non-wetenschappelijke verklaringen voor geestesziektes

Negentiende eeuw: institutionalisering van psychologie

1980: diagnose PTSS

Coronatijd: veel media-aandacht voor depressies

Toekomst: meer neurologisch onderzoek naar stoornissen


5

Interview

DWARS, JONG EN DEMOCRATISCH

tekst Jochem Bodewes en Rik Sinnige afbeeldingen Vincent Veerbeek

De afgelopen maanden leidden extremistische uitingen binnen verschillende jongerenafdelingen van politieke partijen tot grote ophef in de media. Los van deze kwesties rondom de SP en Forum voor Democratie zijn er vaker politieke verschillen tussen de moederpartij en de jongerenafdelingen. Twee bestuursleden van de Jonge Democraten en DWARS vertellen over de politieke verhouding tussen een jongerenafdeling en de moederpartij. De nazistische Whatsappberichten binnen de jongerenafdeling van Forum voor Democratie en de beschuldigingen van radicaal communisme naar ROOD, de jongerenafdeling van de SP, deden de gemoederen in de jongeren- en hun moederpartijen hoog oplopen. Bij ROOD leidde dit zelfs tot een loskoppeling van de moederpartij, waardoor de organisatie zelfstandig verder moet en niet meer bij de landelijke politiek wordt betrokken. Dit illustreert het grote dilemma van politieke jongerenorganisaties (PJO’s): enerzijds varen ze een eigen politieke koers en hebben ze hun eigen standpunten. Anderzijds loopt de weg om politieke vooruitgang te boeken via de moederpartij, die wel macht bezit en waar zij aan zijn verbonden.

‘Als er een groter politiek verschil is, uiten we onze mening publiekelijk.’ ‘Wij hebben als jongerenafdeling van GroenLinks uitgesproken dat we achter de leden van ROOD staan’, reageert Radboudstudent Sander van der Goes. ‘Het is treurig om te zien dat die hele jongerenorganisatie vol politiek engagement niet meer wordt erkend.’ Hij heeft als politiek commissaris en

Sander van der Goes is vice-voorzitter van jongerenpartij DWARS en Sophie den Ouden is secretaris van de Jonge Democraten. Beide studeren aan de RU.

vice-voorzitter van jongerenafdeling DWARS ook te maken met de politieke tweestrijd ten opzichte van de moederpartij. Dat de politieke jongerenafdeling een waardevol middel is voor politieke participatie benadrukt ook Sophie den Ouden, secretaris van de Jonge Democraten (JD): ‘PJO’s zijn dé manier om jongeren op een laagdrempelige manier kennis te laten maken met de politiek.’ In haar rol houdt Den Ouden zich onder andere bezig met de relatie tot D66. ANS spreekt de twee Radboudstudenten over de verhouding van de Jonge Democraten en DWARS ten opzichte van hun moederpartijen. De Jonge Democraten en DWARS presenteerden in oktober allebei het Klimaatmanifest, waarmee ze hun moederpartijen oproepen tot een strenger klimaatbeleid. Wat is de aard van zulke politieke verschillen tussen een PJO en de moederpartij? Den Ouden: ‘Het standpunt van jongeren mist vaak in de politiek: dat gaat dan om zaken die D66 niet naar voren brengt en JD wel. Zo hebben we ook tijdens een fractievergadering gesteld dat de prioriteit van D66 bij studenten moet liggen rondom de coronamaatregelen. De partij heeft dat toen opgepakt en een plan opgezet waardoor studenten al in het tweede semester meer fysiek onderwijs moeten krijgen. Wij zijn op dat soort punten veel vooruitstrevender dan onze moederpartij. Als D66 bijvoorbeeld de klimaatdoelen in 2050 wil hebben gehaald, willen wij, als organisaties die het manifest ondertekenden, ze in 2035 hebben gehaald. Wij proberen de partij op die manier scherp te houden.’ Van der Goes: ‘Net als jullie bij de JD hebben wij als DWARS dezelfde idealen als de moederpartij, maar het verschil zit erin wat je wil doen om die te bereiken. Je ziet bijvoorbeeld dat wij de klimaatdoelen van GroenLinks dus nog ambitieuzer willen stellen. Ik had laatst bijvoorbeeld een discussie met Eerste Kamerlid Kees Vendrik: econoom en lid van de commissie die het verkiezingsprogramma van GroenLinks opstelt. Hij zei: “We hebben al super ambitieuze klimaatmaatregelen en kunnen het net betalen, we kunnen echt niet meer doen.” Wij zeggen dan: maar het is

nodig. Je kan niet zeggen: we hebben geen geld, dus we doen niet wat nodig is. Als iemand ziek is, kan je ook niet zeggen: we trekken de stekker eruit want het is te duur.’ Jullie proberen deze punten door te voeren door amendementen in te dienen aan het concept-verkiezingsprogramma van jullie moederpartij. Waarom kiezen PJO’s voor deze route? Van der Goes: ‘Het verkiezingsprogramma is een van de belangrijkste documenten binnen GroenLinks en geeft aan waar de partij vier jaar lang voor zal staan. Daarin liggen dus dé kansen om aan te geven wat we weg willen en wat we willen toevoegen. Daarvoor dienen we dan die amendementen in. Voor het komende partijcongres van GroenLinks hebben we als DWARS een bundeling van meer dan zestig amendementen ingediend. Zo hebben we bijvoorbeeld een amendement dat ervoor moet zorgen dat er in het onderwijs meer aandacht komt voor onder andere slavernij en ons koloniale verleden. Op het aanstaande congres besluiten de leden of de partij dit punt in haar programma opneemt.’

‘Wij zouden ook zonder geld van D66 ons hoofd boven water houden.’ Jullie kiezen er ook weleens voor om jullie kritiek wat harder te uiten. Begin dit jaar verscheurde de voorzitter van de JD symbolisch de Moria-deal. Waarom koos de JD ervoor zo publiekelijk de moederpartij te bekritiseren? Den Ouden: ‘Normaal gesproken draagt onze voorzitter bij de wekelijkse fractievergadering de punten aan. Dan hebben we het erover en schaven wij iets bij of neemt D66 dat mee de Kamer in. Dat zie je bijvoorbeeld terug bij dat plan voor meer fysiek onderwijs, dat de partij na ons interne initiatief opzette. Als er een groter politiek verschil is, kiezen we ervoor onze mening publiekelijk te uiten. In het geval van de Moria-deal, vonden wij het

als organisatie niet kunnen dat onze moederpartij die steunde. Dan vinden we dat we dat naar buiten moeten brengen en hopen we daarmee een krachtig statement neer te zetten.’ De SP draaide de geldkraan dicht nadat jongerenafdeling ROOD zich steeds meer begon af te zetten. Houden jullie, met het oog op de financiële afhankelijkheid, rekening met de gevolgen van politieke uitingen voor jullie organisatie? Van der Goes: ‘Ik denk dat de situatie bij ROOD en de SP is ontstaan omdat die financiële afhankelijkheid daar heel groot was. Bij ons als DWARS is dat niet aan de orde. We hebben een groot ledenaantal en ontvangen daardoor veel contributiegeld. Net als iedere PJO ontvangen we daarnaast subsidies van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Daarom kunnen we onafhankelijk opereren.’ Den Ouden: ‘Sterker nog, we zouden ons als PJO ook niet volledig onafhankelijk noemen als we ons schikken naar onze moederpartij of onze ideeën door hun geld aanpassen. Wij zouden ook zonder het geld van D66 ons hoofd boven water kunnen houden.’ Toch ontvangen jullie ook subsidies vanuit jullie moederpartijen, die in totaal eenzesde van jullie begrotingen vormen. Hoe is onafhankelijkheid met zo’n aandeel van de moederpartij in de inkomsten te rijmen? Van der Goes: ‘Die subsidiegelden hebben we dus niet nodig om het financieel te overleven. Het is een geoormerkt extraatje wat we kunnen gebruiken en dat is superleuk, want daarmee kunnen we grote evenementen organiseren, zoals lustrumactiviteiten.’ Andersom helpen jullie de moederpartij ook. Zo zijn in maart de Tweede Kamerverkiezingen. Wat is jullie rol in de aanloop hier naartoe? Den Ouden: ‘Het is ons doel zoveel mogelijk jongeren naar de stembus te krijgen, wat denk ik het doel is van elke PJO. Ik hoop dat we daar met alle jongerenafdelingen samen campagne voor kunnen voeren. Ons tweede doel is dan natuurlijk wel zoveel mogelijk jongeren D66 te laten stemmen en zorgen dat de partij meer zetels krijgt dan waar ze nu in de peilingen op staat.’ Van der Goes: ‘Net als de JD willen wij ook zoveel mogelijk jongeren naar de stembus krijgen. Daarnaast willen we vooral breken met de rechtse koers van de afgelopen jaren, met een beleid dat bijvoorbeeld voor klimaatrechtvaardigheid en sociale zekerheid zorgt. Dit willen we doen door via GroenLinks ons geluid te laten horen aan de eventuele onderhandelingstafel en in de media.’ ANS


6

Fotograaf Vincent Veerbeek zocht de mooiste plekjes rondom Nijmegen op. In de foto’s zijn onder andere de Bizonbaai, Park Brakkenstein en de Ooijpolder te zien.

Achtergrond

TERUG NAAR DE NATUUR tekst Niek van Ansem afbeeldingen Vincent Veerbeek

Tijdens de eerste maanden van de coronacrisis was menig Nijmegenaar in de natuurgebieden rondom Nijmegen te vinden. Deze periode, waarin ons vertrouwde leven op zijn kop werd gezet, leek velen eraan te herinneren hoe waardevol nabije natuur voor een stad kan zijn. Maar wat is precies de waarde van die natuur en erkennen we die waarde ook voldoende? Wie door de winkelstraten van Nijmegen loopt, zal er wellicht niet bij stilstaan hoe dichtbij de natuur is. Uiteraard beschikt Nijmegen als voormalig Green Capital over een ruim aanbod aan stadsparken, maar ook buiten de stad ligt de natuur binnen handbereik. Na vijf minuten fietsen vanuit het centrum houdt de bebouwing op en bevind je je in de Ooijpolder. Met zijn uitgestrekte meren en gevarieerde bebossing vormt de Ooijpolder voor veel bezoekers een ware oase van rust. Tijdens de eerste lockdown vonden veel Nederlanders hun ontspanning in soortgelijke natuurgebieden, maar nu de temperaturen dalen is het in de Nederlandse bossen beduidend rustiger. Toch kan het juist in deze barre wintertijden goed zijn om de natuur op te zoeken. Wetenschappelijk onderzoek toont namelijk aan dat contact met de natuur van grote waarde kan zijn voor onze geestelijke gesteldheid. Een lange boswandeling of een blokje om in het park kunnen beide wonderen doen voor onze

psyche. Wat houdt die waarde van natuur voor ons mentale welzijn eigenlijk precies in en weten we dit belang ook voldoende op waarde te schatten?

‘Alleen al het kijken naar natuuromgeving werkt rusgevend.’ Kuur du natuur Wat onze fysieke gezondheid betreft, bieden natuurgebieden onschatbare ruimte voor sport en beweging. De natuur heeft echter ook een grote invloed op ons mentale welbevinden, zo stelt omgevingspsycholoog Sjerp de Vries. Hij doet bij Wageningen Environmental Research onderzoek naar het welzijnseffect van de natuur en weet daardoor dat deze invloed ver reikt. ‘Er is experimenteel onderzoek dat aantoont dat alleen al het kijken naar een natuuromgeving rust-

gevend werkt voor mensen’, legt De Vries uit. Volgens de wetenschapper is dit effect zo sterk dat we het zelfs kunnen ervaren als we helemaal niet buiten zijn: ‘Onderzoek heeft laten zien dat dit welzijnseffect al kan optreden bij uitzicht op natuurgroen vanuit de woonkamer.’ Waar dergelijke effecten onmiddellijk optreden, is ook aangetoond dat de welzijnseffecten op de langere termijn kunnen bijdragen aan een betere mentale gezondheid. ‘Over deze positieve effecten bestaan verschillende theorieën’, aldus De Vries. ‘Zo is een mogelijke verklaring dat de natuur bij ons vrijwillige aandacht oproept, in plaats van de noodzakelijke aandacht die in een groot deel van het dagelijks leven van ons wordt gevraagd’, legt hij uit. Als voorbeeld van noodzakelijke aandacht noemt De Vries een toeterende auto in de stad. ‘Die auto eist je aandacht op: je moet op blijven letten’, licht hij toe. Daar tegenover staat de vrijwillige aandacht die bijvoorbeeld het zien

van een eekhoorntje bij mensen oproept. Die vrijwillige aandacht kost minder energie dan de noodzakelijke aandacht, waardoor dergelijke natuurervaringen ontspannend werken. Contact met de natuur kan daardoor bijdragen aan een vermindering van de aandachtsvermoeidheid die optreedt doordat we dag in dag uit lange periodes geconcentreerd moeten zijn.

In Nederland moet veel natuur plaatsmaken voor bouwprojecten. Naast het verminderen van aandachtsvermoeidheid kan de natuur ook stressgevoelens verlagen. ‘Een mogelijke verklaring hiervoor is dat mensen in de natuur beter in staat zouden zijn om te zien of hun omgeving gastvrij en ongevaarlijk is’, legt De Vries uit. ‘Dat zou komen doordat de mens als soort in de natuur is opgegroeid.’ Volgens deze verklaring ervaren mensen deze geborgenheid veel minder in een stedelijke omgeving. Door de instinctieve aard van dit veiligheidsgevoel kan het zien van een natuurrijke omgeving ook bij de stadsmens stressgevoelens verminderen. De mate waarin we ons veilig voelen in de natuur hangt wel af van hoe herbergzaam het gebied oogt, zo stelt De Vries: ‘Voor een Nederlander maakt het natuurlijk wel verschil of je in het vertrouwde polderlandschap staat, of dat je in de jungle of de Himalaya bent.’ Van kale akkers naar dichtbevolkte natuur De waarde van de natuur voor de geestelijke gezondheid wordt niet alleen door de wetenschap erkend. Voor sommige gemeenten is deze waarde namelijk aanleiding om in hun


7

beleid expliciet voor natuurbehoud te kiezen. Zo heeft de gemeente Nijmegen in haar omgevingsvisie vastgelegd dat de toekomstige woningbouw vooral gerealiseerd gaat worden binnen de grenzen van het reeds bebouwde gebied. Zodoende kan de Ooijpolder een plek blijven waar Nijmegenaren er even tussenuit kunnen. Dat het belang van nabijgelegen natuurschoon zwaarder weegt dan economische belangen is allesbehalve vanzelfsprekend: op veel plekken in Nederland moet de natuur nog regelmatig plaatsmaken voor nieuwe bouwprojecten. Ook het rivierenlandschap van de Ooijpolder stond lange tijd in dienst van de plattelandseconomie. Twan Teunissen, teamleider bij Staatsbosbeheer in de Ooijpolder, groeide op in de regio en kan zich deze periode nog goed herinneren. ‘In de jaren tachtig zag je hier nauwelijks een boom staan’, vertelt hij. ‘Het landschap was overwegend kaal en werd voornamelijk beheerd door boeren.’ Periodes van hoogwater maakten echter duidelijk dat de rivier meer ruimte moest krijgen in het agrarische landschap dat tussen de dijken in lag. Tegelijkertijd waren er ontwikkelaars van natuurprojecten die kansen zagen om in deze buffergebieden nieuwe natuur te laten ontstaan. ‘Door natuurlijke processen zoals overstromingen meer de vrije loop te laten, zouden er bijvoorbeeld meer rivierdalen en rivierduinen in het landschap ontstaan’, licht Teunissen toe. Dit nieuwe landschap zou weer leefruimte bieden voor zowel de nieuwe als de al aanwezige plant- en diersoorten. Zodoende maakte de landbouw om praktische redenen steeds meer plaats voor nieuwe natuur. Van eentonig agrarisch landschap veranderde de Ooijpolder daarmee in het idyllische recreatiegebied dat nu zo door de gemeente Nijmegen en haar inwoners wordt gekoesterd.

Zowel de waardering voor de Ooijpolder als de drukte in het gebied kregen met de coronacrisis een aanzienlijke impuls. Teunissen zag het aantal bezoekers dat naar de polder kwam voor rust en ontspanning aanzienlijk stijgen. Hoewel mensen zich dus wel bewust lijken te zijn van de fijne ervaringen die de natuur kan bieden, gaat dat bewustzijn niet altijd gepaard met het meest voorbeeldige gedrag. ‘Er gebeuren soms dingen die in dit gebied eigenlijk niet mogen’, stelt Teunissen. Als voorbeeld noemt hij dat mensen hun honden overal los laten lopen, waardoor bepaalde vogelsoorten in hun rust worden gestoord. Hierdoor hebben bezoekers dus onbedoeld een nadelige invloed op de omgeving die ze zo waardevol vinden. ‘Dat soort problemen had je altijd al, maar dit jaar kwam het veel meer voor’, licht de teamleider toe. Een ander probleem dat met de drukte in het gebied in grotere mate voorkwam, is het afval dat mensen achterlaten. Vooral op de strandjes aan de rand van de Ooijpolder bleef in de zomer regelmatig veel rommel slingeren. Naast dat dit afval de natuur inwaait en een gevaar kan vormen voor bepaalde dieren, ontsiert het ook het landschap. Dit komt de recreatieve waarde van het gebied volgens Teunissen niet ten goede. Hij verzucht: ‘Het hoort natuurlijk niet dat mensen dat afval laten rondslingeren, maar hoe laat je tot mensen doordringen dat ze dat niet moeten doen - zeker wanneer ze stomdronken zijn als ze op dat strandje liggen?’ Staatsbosbeheer probeert het recreanten makkelijk te maken door bij ingangen van het natuurgebied afvalzakjes op te hangen, maar helaas maken niet alle bezoekers hier even trouw gebruik van. De natuur om de hoek Ook op andere plekken in Nederland waren

de natuurgebieden afgelopen voorjaar drukker dan anders. Volgens omgevingspsycholoog De Vries is die belangstelling in normale tijden veel minder aanwezig. ‘Mensen besteden gemiddeld maar een klein deel van hun vrije tijd in bossen en natuurgebieden’, zo stelt hij. Volgens De Vries speelt de afstand die mensen moeten afleggen om bij een natuurgebied te komen daarbij een belangrijke rol. ‘300 à 500 meter lopen, vinden mensen al gauw te ver’, licht de onderzoeker toe. Volgens hem moeten gemeenten zich daarom niet uitsluitend richten op natuurgebieden buiten de stad, maar ook op het op peil houden van natuurplekjes binnen de stedelijke omgeving. ‘Een stukje natuur dat in de eigen woonomgeving ligt, kan veel belangrijker zijn voor iemands mentale gesteldheid dan een bos’, aldus De Vries. Hoewel het gevoel er even tussenuit te zijn sterker kan zijn in de buitengebieden, is het de vraag hoeveel stedelingen hier met regelmaat naartoe gaan. ‘Als mensen maar zes keer per jaar een boswandeling maken, kun je je afvragen in hoeverre dat hun welzijn wezenlijk beïnvloedt’, stelt De Vries. ‘Voor een stedeling is een nabijgelegen stadspark daardoor wellicht waardevoller dan een verder gelegen bos.’

‘Er moet worden gezorgd voor goede verbindingen naar buitengebieden.’ Ook in Nijmegen is de drempel om de Ooijpolder te bezoeken in bepaalde wijken mogelijk hoger dan voor mensen die in het centrum wonen. Naast het onderhouden van stadsparken, zet de gemeente daarom ook in op het groen houden van het straatbeeld. Volgens De Vries kan dergelijke

binnenstedelijke natuur door toenemende woningbouw echter onder druk komen te staan. ‘Dat is een probleem dat naar mijn mening niet altijd voldoende wordt erkend’, betoogt hij. ‘Door stedelijke verdichting kan de toegang tot groen voor sommige inwoners aanzienlijk verminderen.’ Aangezien woningbouw in veel steden onvermijdelijk tot verdichting zal leiden, blijft er volgens De Vries een belangrijke rol weggelegd voor buitengebieden. ‘Alleen moet dan wel worden gezorgd voor goede verbindingen naar die buitengebieden, zodat het voor inwoners gemakkelijk is om daar te komen.’ Ongeacht de toegang tot binnenstedelijk of buitenstedelijk groen, zal het gure weer er de komende tijd voor zorgen dat mensen de natuur nog minder opzoeken. Hoewel de lage temperaturen niet uitnodigen tot urenlange boswandelingen, staat nog steeds vast dat alleen al het uitzicht op natuurgroen een mentale oppepper kan geven. Daarmee is het groen in het straatbeeld de komende tijd wellicht even belangrijk als de uitgestrekte Ooijpolder. Of de belangstelling voor de Ooijpolder ook na de coronacrisis standhoudt? Teunissen is positief: ‘Mensen zijn tijdens de crisis misschien wel meer de waarde gaan inzien van hun omgeving of hebben die zelfs voor het eerst ontdekt.’ De Vries is wat dat betreft pessimistischer: ‘Ik vraag me af of het enthousiasme voor natuuractiviteiten aanhoudt als alles weer normaal is. Als mensen op vakantie kamperen, nemen ze zich vaak voor om na de vakantie ook meer de natuur in te gaan. Toch zie je doorgaans dat er van die ambities een maand later weinig over is.’ De toekomst zal dus moeten uitwijzen of de recente natuurliefhebberij van veel Nijmegenaren eenzelfde lot is beschoren als de meeste nieuwjaarsvoornemens. ANS


KAMERVRAGEN tekst Delphine Broasca en Annike Eskes afbeeldingen Julia Meilink

In Kamervragen gaan twee studenten op ontdekkingstocht in elkaars kamer en speculeren ze over de persoonlijkheid, activiteiten en vreemde trekjes van de bewoner. Kunnen ze uitvinden wat voor persoon er achter de kamer schuilgaat? Deze editie: Armine en Nikky Armine op bezoek bij Nikky Uitgeput van de vele trappen van een flatgebouw in Nijmegen-West arriveert Armine op de bovenste verdieping. Ze trekt vol verwachting de kamerdeur open. Haar gezicht betrekt en teleurgesteld stelt ze: ‘Dit is een lege kamer.’ Armine Ze denkt dat de bewoner nog niet zo lang studeert: ‘Er moet nog wat leven in komen.’ Een beetje onwennig wandelt ze door de kleine kamer en houdt halt bij een houten kastje waarop een oorkonde van Phocas ligt. ‘Dat is een leuke vereniging, die heeft ze goed uitgekozen’, lacht Armine. Naast de oorkonde vindt ze een verpakt geel-blauw sjaaltje. ‘Het Phocassjaaltje’, roept ze enthousiast. ‘Dat krijg je als je net lid bent.’ De recente inschrijving bevestigt voor haar dat de bewoner een eerstejaars is. Ze loopt opgetogen richting het netjes opgemaakte bed in de hoek van de kamer. Daarnaast vindt ze de enige drie boeken in de kamer. Hardop leest ze de titels voor: ‘Why Africa is

Poor, De grote globaliseringsgids, Het bijzondere eiland.’ Volgens Armine blijkt uit die titels dat de bewoner zich bewust is van wat er in de wereld speelt. Los van deze boeken is Armine nog niet veel wijzer geworden over de bewoner. Ze besluit een nieuwe tactiek toe te passen en keert terug naar het kastje. Enthousiast trekt ze de lades open en wordt verrast door de keurig gesorteerde inhoud. Ze vindt een klein en kleurrijk portemonneetje. Terwijl er een paar muntjes uit de overvolle portemonnee op de grond vallen, gaat ze door de pasjes heen op zoek naar meer informatie over de bewoner. ‘Pasjes zeggen namelijk veel over iemand’, verklaart Armine. Ze vindt een pasje van De Friesland Zorgverzekeraar. ‘Dan zal ze wel uit Friesland komen’, besluit ze. De studente graait nog een pasje uit de portemonnee: ‘Ze is lid van Umoja, dan studeert ze dus Culturele Antropologie.’ Dit wordt bekrachtigd wanneer ze op de kast een geordende map met aantekeningen vindt die volstaan met antropologische termen als ‘gender’ en ‘klasse’. Voordat Armine de kamer verlaat, sorteert ze de aantekeningen. ‘Ik moet ze wel weer in dezelfde volgorde leggen’, licht ze toe. ‘Ze lijkt me namelijk net als ik wel een georganiseerd type.’

Nikky op bezoek bij Armine Na een tocht door een typisch rommelige studentengang, reageert Nikky verrast als ze de opgeruimde en knusse kamer van Armine binnenloopt. ‘Wat is het hier netjes en wat ruikt Nikky het lekker’, roept ze. Ze loopt naar het bed waar een zachte roze sprei op ligt en kijkt aandachtig om zich heen: ‘Dit is een heel leuke kamer met leuke plantjes.’ Enthousiast loopt ze naar het nette bureau aan de andere kant van de kamer om de identiteit van de bewoner te achterhalen. Geïnteresseerd bekijkt Nikky de gelabelde witte mappen in een kastje naast het bureau. ‘Golf en optica, sterrenkunde, lineaire algebra’, leest ze bedachtzaam voor. ‘Ik denk dat ze iets als natuurkunde studeert.’ Ze pakt een map uit de kast om deze beter te bestuderen, maar zet hem al snel weer terug nadat ze de moeilijk ogende inhoud heeft gezien. ‘Georganiseerd en slim dus’, concludeert ze vol

bewondering. Wanneer ze zich omdraait, ziet ze aan de muur een bordje met het woord ‘praeses’ hangen. ‘Wat betekent dat ook alweer?’ vraag Nikky zich af. Als ze naar het kastje naast de deur loopt, ziet ze heel wat bestuursfoto’s van studentenzeilvereniging De Loefbijter staan. Ze vermoedt dat ze in de kamer van een voormalige voorzitter staat. Gebukt haalt ze een grote plastic tas van de onderste plank. ‘Een tas met dingen van haar bestuursjaar’, stelt Nikky zodra ze verschillende foto’s en oorkondes uit de tas haalt. Volgens Nikky hangt het leidinggeven dat hieruit blijkt waarschijnlijk samen met haar georganiseerdheid. ‘Of is dat stereotyperend’, vraagt ze zich lachend af. Als ze weer rechtop voor de kast staat, trekt ze een laatje open en kan haar ogen niet geloven. Ze heeft het geheim van de goed georganiseerde kamer ontdekt. ‘Het rommellaatje! Het plekje in huis waar je alles in stopt waarvan je niet weet waar je het moet laten’, roept ze verrast. De kast wordt van onder naar boven geïnspecteerd, waar ze ook nog een reeks speciaalbiertjes vindt op de middelste planken van de kast. ‘Dan is ze ook nog eens gezellig’, stelt Nikky. Ze grinnikt en merkt nog iets op: ‘Ze staan op kleur geordend.’

VRAGENUURTJE Tijd voor de confrontatie: hadden de studenten het bij het juiste eind of sloegen ze de plank compleet mis? Wanneer Armine (22, vierdejaars Natuur- en Sterrenkunde) en Nikky (22, tweedejaars Culturele Antropologie) elkaar via Skype ontmoeten, wachten ze in eerste instantie af tot iemand initiatief neemt om het gesprek te starten. Al snel leidt Nikky het gesprek in: ‘Ik denk dat je m’n naam al hebt gezien in mijn portemonneetje?’ Vanaf dat moment kletsen de meiden elkaar de oren van het hoofd als twee vriendinnen die elkaar in tijden niet meer hebben gezien. Het blijkt dat ze elkaars studie goed hebben geraden. ‘Hoe lang studeer je eigenlijk al?’, wil Armine weten. Dat Nikky tweedejaars is, had ze niet verwacht. Nikky is zichtbaar onder de indruk van Armines studie en vraagt of de combinatie van studeren en een bestuursjaar niet erg zwaar was. ‘Ik

was inderdaad voorzitter bij De Loefbijter, maar ik had toen ook een soort tussenjaar’, legt de natuurkundestudente uit. ‘De drukte viel daardoor wel mee.’ Van het studentenleven gaan de meiden over op het roeien en de twee raken verzeild in een gesprek over watersport. Geïnteresseerd vraagt Armine aan Nikky hoe ze bij de roeivereniging is beland. Erg ambitieus blijkt de reden niet niet te zijn. ‘Een vriendin van mij wilde graag bij Phocas, dus toen dacht ik dat ik ook wel kon gaan’, antwoordt Nikky luchtig. Op haar beurt vraagt de Phocaan aan Armine hoe zij invulling geeft aan haar watersportleven. Armine vertelt opgewekt over haar zeilactiviteiten bij De Loefbijter en geeft aan in haar middelbare schooltijd vaak naar zeilkampen in Friesland is geweest. ‘Ik zag dat jij daar vandaan komt, zeil jij ook?’, vraagt ze. Lachend legt de tweedejaarsstudente uit dat de meeste mensen in Friesland wel zeilen, maar dat zij daarop een uitzondering is: ‘Mijn ouders komen uit Noord-Holland, dus ze hebben mij nooit gedwongen om te gaan zeilen.’ Wanneer Nikky een opmerking maakt over de nette mappen van Armine, herkennen de twee studentes elkaar in hun organisatiedrang en prijzen elkaars opgeruimde kamer. Door hun scherpe oog voor detail waren de sporen van elkaars zoektocht zichtbaar voor beide bewoners. ‘Ik zag gewoon een paar dingetjes die net wat anders lagen’, sluit Nikky af. ANS

35e jaargang Hoofdredactie Jochem Bodewes en Julia Meilink Redactie Sofie Bongers en Naomi Habashy Medewerkers Niek van Ansem, Delphine Broasca, Sanne Breedveld, Annika Eskes, Bavo Oost, Rik Sinnige en Romi Vos Illustraties Ande Cremers, Vera Joosten en Inge Spoelstra Foto’s Julia Meilink, Myrte Nowee en Vincent Veerbeek

ANS ZOEKT MEDEWERKERS! Vind jij het leuk om te schrijven, illustreren, vertalen of fotograferen? Stuur dan een mail naar redactie@ans-online.nl. De koffie staat klaar!

Columnist Jackie de Bree Eindredactie Sjoerd Bakker, Elze Bekkers, Jackie de Bree, Sanne Breedveld, Simone Bregonje, Mara Burgstede, Pim Dankloff, Aan-Age Dijkstra, Noah Kleijne, Thomas Langevoort, Julia Mars, Myrte Nowee, Gian Oerlemans, Inge Spoelstra, Celis Tittse, Floor Toebes, Vincent Veerbeek, en Irene Wilde Ontwerp en lay-out Julia Meilink Logodesign voorpagina Noah Kleijne Dagelijks bestuur Shiba Shohra Fahim (penningmeester), Seber Faraj (secretaris) en Sumaya Jimale (voorzitter) Druk Flevodruk Harlingen BV Uitgave, abonnementen en advertentie-acquisitie Stichting MultiMedia: stichtingmultimedia@gmail.com Redactieadres Heyendaalseweg 141 6525 AJ Nijmegen Tel: 06-36458763 Mail: redactie@ans-online.nl Digitale nieuwsbrief ontvangen? Ga naar ans-online.nl en klik rechts in het menu op ANS-nieuwsbrief om de krant in je e-mail te ontvangen.


Millions discover their favorite reads on issuu every month.

Give your content the digital home it deserves. Get it to any device in seconds.