Page 1

WE5TERHEER


Jaargang III, No. 1-2

Januari-Februari 1954

WE5TERHEEH Orgaan van de ARCHAEOLOGISCHE WERKGEMEENSCHAP VOOR WESTELIJK NEDERLAND Hoofdredacteur: H. J. VERHAGEN, Morskade 12, Leiden. Secretaris der A.W.W.N.: C. ROODENBURG, van Eedenstraat 9, Haarlem. Contributie ad ƒ 5,— te storten op girorekening 577808, ten name van de Penningmeester der A.W.W.N, te HAARLEM.

BIJ HET BEGIN VAN DE DERDE JAARGANG Een kort woord vooraf moge de nieuwe gedaante van ons tijdschrift bij U inleiden. „Westerheem" verschijnt voortaan in gedrukte vorm; een uit noodzaak geboren maatregel, die echter in vele opzichten ongetwijfeld een verbetering zal blijken te zijn. Een kleine wijziging in het formaat was helaas niet te vermijden; overeenkomstig veler wens werd, niettegenstaande de gestegen vervaardigingskosten van ons blad, het gebruik van een omslag en daarmede het vertrouwde uiterlijk van „Westerheem" gehandhaafd. Wat de inhoud aangaat stellen wij ons voor, met Uw aller medewerking ook dit jaar wederom een reeks gevarieerde artikelen te publiceren, waarin vele interessante problemen op archaeologisch gebied zullen worden aangesneden. Aan U vragen wij: helpt ons de snippers vinden en verzamelen, waaruit eens een beter en duidelijker boek onzer oudste geschiedenis kan worden samengesteld. Laat geen enkele snipper verloren gaan; ook de kleinste is onmisbaar; bergt hem op in „Westerheem". Opdat nieuw licht de oude dingen beschijne! Zo gaat dus thans onze nieuwe spade de grond in; mogen de resultaten aan Uwe verwachtingen beantwoorden!

H. J. C.


DE LEGENDE VAN DE SPANJAARDSBERG TE SANTPOORT EN DE OORSPRONG VAN DE NAAM DRIEHUIS door

H. J. CALKOEN (Velsen) In 1946 overleed de heer J. S. VISSER, bekend amateurarchaeoloog te Santpoort. De nagelaten bescheiden, artikelen en aantekeningen van deze enthousiaste pionier werden mij welwillend ter beschikking gesteld. Daarin zijn gegevens vervat, die m.i. zeker voor nadere publicatie in aanmerking komen. Nu en dan hoop ik daarover iets te laten horen in dit tijdschrift. De legende van de Spanjaardsberg (in de volksmond: Spanjerberg), een ongeveer drie meter hoge zandheuvel aan de Cremerlaan (zie kaartje, pi. I, boven), werd door de heer VISSER opgetekend uit de mond van een bejaard Santpoorter. Het aardige, vrij romantische verhaal speelt tijdens het beleg van Haarlem. Het is te lang en niet genoeg ter zake dienend, om het hier in zijn geheel te vermelden. Maar bewoners van naburige huizen: Endelgeest (het latere huis te Spijck), het huis te Wissen, het huis te Velsen en zijdelings ook Brederode, spelen er een rol in. De booswicht heult met de Spanjaarden, de held wordt gedood en de heldin pleegt zelfmoord door vergif, echter niet dan na een vervloeking te hebben uitgesproken over de aanstichter van al dit kwaad. Niet alleen zal hij binnen een jaar door wrekershand sterven, maar de door haar in een naburige heuvel begraven schat zal hij nooit in handen krijgen. Want bij elke steek gronds die hij zal laten uitgraven, zal de zware, eikenhouten kist met kostbaarheden evenveel dieper wegzakken in de bodem. Sindsdien, zegt het verhaal, is er veel in die heuvel gegraven, maar het is nog aan niemand gelukt de schat boven te brengen. Het komt mij voor, dat het laatste deel van de legende, handelend over de onvindbare schat, er de oudste kern van uitmaakt, waaromheen dan pas later het verhaal uit de Spaanse tijd zal zijn gevlochten. Het „graaf zo diep als je wilt, maar je komt er nooit!" is te beschouwen als één van die oerverhalen, legenden en sprookjes, die teruggaan tot in de verste tijden. Reeds lang zijn deze door psychologen herkend als primitieve, maar tevens voor iedereen verstaanbare wijzen, om algemeen-menselijke en zelfs cosmische begrippen te „vertalen" en hen op die manier over te brengen van geslacht op geslacht. Maar naast dit figuurlijk graven naar onze schat — wat


wij allen doen — is er in de bedoelde heuvel aan de Cremerlaan ook letterlijk gegraven (zie elders in dit nummer). Wij hebben gegronde hoop, dat deze merkwaardige plek in de naaste toekomst nog beter zal worden onderzocht. Niet om ,,de schat" te vinden, maar om wat meer klaarheid te brengen in de verschillende bewonings- en overstuivingsphasen uit de eeuwen vóór èn na het begin onzer jaartelling. Ook de mogelijkheid dat hier in de Germaanse tijd (of later) een begraafplaats heeft gelegen, is niet uitgesloten. In verband met het bovenstaande is het zeker merkwaardig, dat zich juist aan dit heuveltje die oude legende heeft verbonden. Ook hier kan het wel zijn, dat het vinden van „losse voorwerpen, die kennelijk niet van een gangbare vorm zijn", aanleiding heeft gegeven tot een „verklarende" volksoverlevering (DE BOONE, 1953). Tekenend is ook, dat men nu nog in Santpoort weet, hoe zelfs in de 19de eeuw de bevolking een zekere vrees koesterde voor deze plek, waar men des nachts liever niet langs ging. Voor ons is van belang, dat er in de legende wordt gesproken over onderaardse gangen, die de oude huizen verbonden. Deze gaan vooral uit van het centraal gelegen, middeleeuwse huis te Wissen; één gang zou van daar noordwaarts gelopen hebben, ,,in de richting van Driehuis". De heer VISSER vertelt in een aantekening, dat hij gezien heeft, hoe een erkend wichelroedeloper verscheidene onderaardse gangen zonder aarzeling aanwees. Door zulke gangen zou het huis te Wissen verbonden zijn geweest met het huis te Spijck en het huis te Velzen; dit laatste weer met Brederode; zij komen alle voor in het genoemde 17de-eeuwse verhaal. De mij bekende feiten — afgezien van elders te beschrijven vondsten in de Spanjaardsberg — zijn de volgende: Een aannemer van grondwerken, die veel en diep heeft gegraven, ook tussen de bewuste huizen, verklaarde nimmer iets van gangen ontdekt te hebben, hoewel hij de verhalen daarover kende. Zelf constateerde ik op drie plaatsen (zie kaartje: X X ) , gelegen ongeveer op de rechte verbindingslijn tussen de huizen Velsen en Wissen, het opgraven van middeleeuwse moppen (afmetingen: 30 X 14 X 8,5 cm) met kalksporen, wat op zichzelf natuurlijk nog geen bewijs is voor het bestaan van onderaardse gangen. Van het huis te Spijck bestaat nog de cirkelronde gracht; vóór de laatste oorlog lag als stoepsteen bij de boerderij op de plaats van het huis te Wissen (toen „Auspiciïs et Telis" geheten) een middeleeuwse grafzerk van hardsteen, waarop nog. f lauw een liggende figuur en sporen van een randschrift zichtbaar waren. Volksverhalen plaatsen hier een nonnenconvent, meermalen belaagd door de Brederode's. Op het terrein van het huis te Velsen vond in 1949 een kleine proef-


graving plaats onder leiding van de heer J. G. N. RENAUD .•(C.ALKOEN, 1952) ...Thans doet een zandzuiger hier de laatste fundamentresten vrijwel geheel verdwijnen* : Tijdens de zeer interessante lezing, 'door de heer C. A. J. VON FRIJTAG DRABBE, Directeur van de Topografische Dienst te Delft, in 1953 gehouden voor onze werkgroep „Rijnstreek", toonde deze mij een naar luchtfoto's vervaardigd kaartje van het hier besproken terrein. Opvallend was daarop een drietal rechthoekige gebouwsporen van thans verdwenen huizen. Eén was het huis te Velsen, een ander het huis te Wissen en op ongeveer 500 m ten Noorden van dit laatste had nog een huis gelegen (zie kaartje). Van dit laatste weten wij, dat op die plaats, vlak ten Zuiden van de tegenwoordige P. C. Hooftlaan in Driehuis, kort na de laatste oorlog, bij graafwerk ter verkrijging van bollengrond, middeleeuwse fundamenten werden blootgelegd. De zaak werd echter geheim gehouden en de vondst kwam mij pas een half jaar later ter ore, toen de bloembollen daar al lustig groeiden, wat nader onderzoek onmogelijk maakte. - Maar de ligging van dit nog naamloze huis, in verband met de vermeende onderaardse gang, die van te Wissen noordwaarts liep, geeft te denken. Op de bekende kaart uit ,,het Zegepralent Kennemerlant" van 1723, staat het terrein ten Noorden van dit onbekende huis aangegeven als „KleinDriehuis". Mede hierom zou ik de veronderstelling willen opperen, dat oorspronkelijk de naam Driehuis zijn ontstaan heeft te danken aan de drie middeleeuwse huizen op de luchtfoto zichtbaar, te weten: Velsen, te Wissen en een derde, waarvan wij de naam nog niet kennen. Literatuur BOONE, W. J. DE (1953). Oudheidkunde en Folklore in Noord-Holland. Westerheem II, pp. 87-90. CALKOEN, H. J. (1952). Proef graving naar overblijfselen van de 1 Middeleeuwse Burcht te Velsen. — Westerheem I, pp. 77-79.


EEN PRAEHISTORISCHE WOONPLAATS AAN DE CREMERLAAN TE SANTPOORT (GEM. VELSEN) door

W. J. DE BOONE (Amersfoort) Zoals reeds eerder op deze plaats werd medegedeeld is in de Paasvacantie van 1953, onder leiding van B. J. WlELAND LOS, een oriënterend archaeologisch onderzoek verricht aan de Cremerlaan te Santpoort (kadastraal Gem. Velsen, Sectie F, nr. 5507). In afwachting van een uitvoeriger verslag over de resultaten van deze proefgraving, waarbij ik zelf enige dagen aanwezig kon zijn, leek het mij gewenst alvast iets naar voren te brengen vande gedachten, waartoe het aardewerkmateriaal mij heeft gebracht. Wanneer in het onderstaande getracht wordt bepaalde, zij het betrekkelijk kleine, fragmenten aardewerk (pi. II en III) in verband te brengen met hetgeen bekend is uit verderaf gelegen gebieden, besef ik volkomen mij op glibberig terrein te begeven, en ben ik zelf het eerst overtuigd van de aanvechtbaarheid der stellingen en de zwakte der tot nu toe aangevoerde argumenten. Toch meen ik dat het noodzakelijk is, de zaken zo scherp mogelijk te stellen, al was het alleen maar om anderen gelegenheid te geven het één te verwerpen en het ander steviger te funderen. Het zal niet meer nodig zijn, de lezers van „Westerheem" te wijzen op de hoge ouderdom van de menselijke bewoning in het gebied om Velsen. Uit verschillende publicaties blijkt wel duidelijk, dat men aan moet nemen dat dit gebied in elk geval reeds in de overgang Bronstijd-IJzertijd bewoond is geweest (CALKOEN, 1953d, 1953e). Mijns inziens zullen de perioden van bewoning in de Cremerlaan een niet onaanzienlijk gedeelte van de Ijzertijd gaan opvullen. Zeker niet onbelangrijk is in dit verband de omstandigheid, dat ook de naam „Velsen" blijkt te behoren tot de vóór-Romeinse taal, zoals binnenkort door M. GlJSSELING in dit tijdschrift nader zal worden uiteengezet. Van niet gering belang is ook, dat men in de Cremerlaan te maken heeft met de overblijfselen van een nederzetting en niet van een grafveld, zodat het mogelijk is, dat men bepaald aardewerk — maar steeds in scherven — in grotere hoeveelheid aantreft dan in de gelijktijdige grafvelden. Intussen schijnt het, dat VON FRIJTAG DRABBE, bij het bestuderen van luchtfoto's, in de onmiddellijke omgeving van onze vindplaats bepaalde aanwijzingen heeft gevonden, die (CALKOEN, 1953C),


volgens hem duiden op een grafveld 1 ). Dit is des te merkwaardiger, omdat de conclusies op grond van de luchtfoto's volkomen onafhankelijk waren van het oudheidkundig bodemonderzoek. Wanneer men inderdaad dit grafveld mocht vinden, zou dat buitengewoon belangrijk zijn, omdat wij — afgezien van het dubieuze graf aan de Doodweg te Driehuis-Velsen (CALKOEN, 1953b) — in Holland eigenlijk geen graven kennen uit de vóór-Christelijke Ijzertijd. • De plek waar de resten van de thans onderzochte nederzetting zijn gevonden, heet in de volksmond de „Spanjaardsberg" (zie ook elders in dit nummer). Evenals bij zovele archaeologische vindplaatsen is ook hier weer sprake van een verborgen schat. Dat deze plek vroeger min of meer gemeden werd, vindt misschien zijn oorzaak in het rijengrafveld uit latere, maar onbekende tijd, dat boven in de duinheuvel gevonden is, en dat zich kenmerkt door OostWest georiënteerde graven van niet al te grote lengte, zonder bijgaven, maar met een vulling van helder wit zand. De Spanjaardsberg zelf ligt als een hoger zandeiland tussen twee lager gelegen stroken, waarvan die in het Zuiden de naam draagt van Schipbroek(en), blijkbaar — hoewel hierover ook verklarende verhalen bestaan — een verbastering van Schie-broek, als hoedanig de naam op oudere kaarten pleegt voor te komen. In de lage strook aan de noordzijde liggen de resten van het oude „Huis te Velsen" (kaartje pi. I, boven). Terwijl zo in grove trekken een schets is gegeven van de ligging der vindplaats, volgt hier dan, eveneens in grote lijnen, wat wij weten of vermoeden over de contacten van de oude bewoners met de buitenwereld. Hierbij houde men in het oog, zoals ook reeds vroeger, werd uiteengezet (DE BOONE, 1953, p. 41), dat wij alleen uit de Romeinse tijd en in elk geval niet eerder, beschikken over schriftelijke berichten. De mededelingen uit de tijd omstreeks Christus' geboorte zijn bovendien lastig te verklaren, al kunnen ze ons in zoverre nog wel een houvast geven, dat namen die én in ons gebied én zuidelijker worden genoemd, een verbinding met dit Zuiden betekenen, hetzij dat de invloed van Noord naar Zuid, of omgekeerd van Zuid naar Noord heeft gelopen. Dat in Romeinse tijd de Spanjaardsberg bewoond is geweest, bewijzen de enkele Romeinse scherven, die waarschijnlijk in de bovenste lagen van deze heuvel zijn gevonden en gedateerd worden in de Iste en Ilde eeuw na Chr. Jammer genoeg werd tijdens de proefgraving, die slechts enkele dagen duurde, geen Romeins gevonden, zodat men moet wachten op een grotere opgraving, wil men absolute zeker1

) Mondelinge mededeling. 6


heid hebben over de ligging in het profiel. Hetzelfde geldt ook voor de enkele scherven van geoord inheems aardewerk uit de eerste eeuw of eeuwen na Chr., dat gewoonlijk FriesBataafs wordt genoemd. Deze scherven zijn weliswaar uit de profielput afkomstig, maar werden door de heer CALKOEN gered uit de handen van enkele jongens, die op een vrije Zaterdagmiddag zelf op onderzoek waren uitgetogen! Terwijl op verschillende plaatsen in Holland zo langzamerhand nu vondsten bekend worden uit de Romeinse tijd, gekenmerkt door Romeinse importceramiek en inheems aardewerk uit dezelfde tijd, tonen de dieper gelegen lagen in de Spanjaardsberg een geheel ander beeld. Hier komen verschillende vormen te voorschijn, die niet of nauwelijks bekend waren uit het duingebied en op grond waarvan ik wilde trachten, deze onaanzienlijke plek te Santpoort in archaeologische tijd te verbinden met gebieden op grotere afstand. Allereerst zou ik de aandacht willen vestigen op een randscherf van vrij hard baksel met een merkwaardig geknikt profiel (pi. III, 5), waarvan echter geen zeer grote fragmenten gevonden werden, zodat het verloop van het profiel onder de buikknik onzeker is. Toch lijkt mij de mogelijkheid groot, dat wij deze vorm in verband moeten brengen met de Marnecultuur en dat ze in hoofdzaak gelijk is aan de vormen van dit type, gevonden te Wychen (MODDERMAN, 1953). Aangezien men verwante, althans overeenkomstige vormen ook uit Schouwen schijnt te kennen, alsmede uit La Panne (RAHIR, 1928, 1930), zou men hier een zuidelijke invloed willen veronderstellen, waarschijnlijk over zee. Het zal interessant zijn te zien, of dergelijke randen ook nog noordelijker dan het IJ opduiken, en in welke tijd men deze vorm in onze streken heeft te dateren. In elk geval mag men er niet de latere zg. ,,Chaukische" vormen uit de Ilde en Illde eeuw na Chr. mee verwarren. Het ligt voor de hand te veronderstellen, dat de invloeden langs de kust van Nederland niet altijd alleen uit het Zuiden zijn gekomen. Zo weten wij, dat ook in de Illde eeuw na Chr: de Friezen hebben getracht hun gebied uit te breiden in omgekeerde richting, nl. van Noord naar Zuid. Archaeologisch zou men eventueel in Vlaanderen materiaal moeten kunnen vinden, dat op enigerlei wijze samenhangt met vormen uit dit Noorden. Ondertussen is hiervan archaeologisch nog zo goed als niets gebleken. Trouwens, betrekkelijk veel volksverhuizingen, verplaatsingen enz. blijven in de vondsten ongrijpbaar, ook al beschrijven de schriftelijke bronnen een dergelijke gebeurtenis uitvoerig; dit moet ons waarschuwen voor een overschatten van de archaeologie, met name, indien er gĂŠĂŠn vondsten bekend zijn, voor het door haar vaak


gebruikte „argumentum ex silentio". Totaal anders moet het in ieder geval zijn, wanneer de vondsten wél een verband suggereren en de schriftelijke bronnen óf zwijgen óf in het geheel niet bestaan. Iets dergelijks lijkt mij het geval in Santpoort met enkele scherven, die onmiskenbaar verwantschap vertonen met het zg. Friese geometrische aardewerk, voorzover het tenminste de makelij en het profiel aangaat (pi. III, 6). De bijbehorende typische geometrische versieringen zijn op dit zelfde soort vrij harde aardewerk in Santpoort nog niet gevonden, doch wél een zeer verwante decoratie op een scherf van iets andere factuur (pi. II, 1). Noch uit Schouwen, noch uit Walcheren is mij dit materiaal bekend, zodat wij voorlopig Santpoort als het meest zuidelijke punt van het verspreidingsgebied zullen moeten beschouwen. Terwijl zodoende Zuid en Noord recht is wedervaren, vraagt men zich af, of ook het Oosten niet zijn invloed zal hebben gehad op de bewoners van het oude Santpoort. Natuurlijk kan men zich er gemakkelijk af maken door te wijzen op de enkele stukken Romeinse import, in de loop van de tijd aan de oppervlakte gevonden, maar het zou mij niet in het minst verwonderen, wanneer ook bleek, dat in de eeuwen daarvóór de invloed langs de Rijn goed merkbaar is geweest. Niet alleen in de aanvoer van basaltlava voor molenstenen en in de fabricatie (CALKOEN, 1953a) of import van een ijzeren LaTène-mesje, eveneens afkomstig van deze plaats (pi. II, 8), maar ook in het aardewerk. Zo zijn er enkele kleine fragmenten van een scherf met zg. Kalenderbergversiering (pi. II, 2 en 3), die buitengewoon sterk doet denken aan de decoratie op een stuk vaatwerk uit Noordoost-Duitsland. Deze techniek is echter verspreid over een vrij uitgestrekt gebied. Verder moet genoemd worden een vrij harde scherf met een voor Nederland wel bijzondere, diep ingestoken versiering met lijnen en punten (pi. II, 1), een versiering, die veel lijkt op de decoratie op ceramiek uit de eeuwen vóór en na Chr. in Oost-Hannover en zelfs op vormen die gedateerd worden omstreeks de IVde eeuw vóór Chr. in het Oostelijke Havelland; in elk geval lijkt mij deze vorm van versiering niet zijn directe parallellen te hebben in ons eigen Friese gebied. Tenslotte kwamen uit de onderste lagen van de Spanjaardsberg ook nog enkele, eveneens vrij harde stukjes te voorschijn van een schaal met aan de binnenzijde een dekselrand (pi. III, 7), een vorm die waarschijnlijk parallellen heeft in de Rijnstreek. Na het Zuiden, Noorden en Oosten... het Westen, de scheidende en verbindende zee. Theoretisch is de mogelijkheid niet uitgesloten, dat ook de verbindingen met Albion van invloed zullen zijn geweest op de eenvoudige nederzetting in Santpoort: men kent zodanige verbindingen im8


PLAAT I

DR1EHUIS

SANTPOORT -H-85OM

H


PLAAT H


PLAAT-II


PLAAT SCHAAL

tl.

|:25000

AGEERYAEUKLEIN

.

14- c M

8c M


mers in vaatwerk en metaalvorm uit de Bronstijd. W a n n e e r er zelfs tot aan de kust van Noord-Duitsland, te Gahlstorf, Kr. Verden bij Bremen, een Iers importstuk uit de V i l d e eeuw vóór Chr. gevonden wordt, dat zeker niet rechtstreeks, maar veeleer langs de kust moet zijn getransporteerd, waarom zou dan ook niet aan onze Westkust in later eeuwen deze verbinding hebben bestaan? Desnoods zou men de merkwaardige scherf, waarvan boven sprake was en die in verbinding werd gebracht met streken over de Elbe, ook kunnen parallelliseren met Engelse vondsten uit dezelfde tijd. Zolang het slechts één enkele scherf betreft, zal men er evenwel goed aan doen, hier voorlopig nog de nodige vraagtekens te plaatsen. Z o kan men besluiten met vast te stellen, dat Santpoort reeds geruime tijd vóór de komst van de Romeinen een bewoning heeft gekend, die beurtelings of tegelijkertijd in contact heeft gestaan met gebieden in alle windstreken. In het uitvoerige verslag over de proefgraving hoop ik op een en ander nader terug te komen. Literatuur BOONE, W. J. (1953). De bevolking van Westelijk Nederland in de Romeinse tijd. — Westerheem II, pp. 41-45. CALKOEN, H. J. (1953a). Ijzervondst uit de eerste eeuw te Santpoort. — Westerheem II, pp. 2-4. , (1953b). Een Germaans(?) graf te Driehuis-Velsen. — Westerheem II, pp. 5-6. , (1953c). Opgraving te Santpoort. — Westerheem II, p. 47. , (1953d). Vondsten uit de late Bronstijd - Vroege Ijzertijd te Driehuis-Velsen. — Westerheem II, pp. 54-59. , (1953e). Avonturen van een Amateur-archaeoloog. — De Speelwagen VIII (3), pp. 81-86. MODDERMAN, P. J. R. (1953). Opgravingen in de gemeente Wychen (Gelderland).—Berichten Rijksd. Oudheidk. Bodemonderz. IV (1) pp. 5-7. RAHIR, E. (1928). L'Age du Fer a La Panne. — Bull.Soc. d'Anthr. Brux. , (1930). La Panne, Fabrication de Poteries. — Buil. Soc. R. Beige d'Anthr.


EEN RIJNARM BIJ VELSËN? door

J. K. DE COCK (Den Haag) In verband met de vele Romeinse vondsten bij Velsen en de mening van BEELAERTS VAN BLOKLAND (1943), dat Velsen identiek zou zijn met het Castellum Flevum, lijkt het mij wel interessant om eens na te gaan, of er bij Velsen een Rijnarm heeft gestroomd. Door GüRAY (1952) is in de vroegere Wijkermeer en het IJ een oude geul gekarteerd, door hem aangeduid als het Oer-IJ, welke geul reeds tijdens het begin van de grote veenvorming (1800 v. Chr.) bestond. DE Roo (1953) wijst erop, dat de oude strandwallen van Spaarnwoude, Schoten, Uitgeest en Limmen verband houden met deze geul en sterk doen denken aan de Rijnmonding bij Katwijk. Het Oer-IJ verdwijnt als een brede geul onder Amsterdam, waar hij tengevolge van de bebouwing niet verder nagespoord kon worden, maar nog zeker niet zijn einde vond. Zien wij bovengenoemde twee dingen in verband met het feit, dat de Vecht vroeger het Amstel-Angstel stelsel tot benedenloop had (BENNEMA, 1951), dan lijkt het alsof we hier een Rijnarm voor ons hebben. De derde strandwal, die gedeeltelijk onder de nieuwe duinen verborgen ligt, heeft deze Rijnarm echter afgesloten (DE Roo). Het water verzoette en de stroomrichting werd omgekeerd. Een aardig voorbeeld uit veel later tijd, dat het water hier zoet was, is dat de graaf van Holland het recht had op de zalm- en steurvisserij in de Krommenie (Oorkondenboek Holland en Zeeland, Suppl. no. 309.47.1295). Na de Romeinse tijd is de Rijnarm bij Katwijk afgesloten én in de vorige eeuwen zagen we dit met de Brielsche Maas gebeuren. Successievelijk werden blijkbaar in de loop der tijden de Rijnarmen van het Noorden naar het Zuiden versperd. Hoe is dit mogelijk? Een sterk stromende rivier kan toch zo maar niet verzanden! Wij moeten hierbij aannemen, dat er iets veranderde in de waterverdeling hogerop. Een rivierdelta heeft meestal de vorm van een cirkelsegment met het middelpunt als hoogste plaats. In Nederland werd dit segment in het Noorden echter afgesloten door een eindmorene, waarvan we de resten nog vinden op Texel, Wieringen, Gaasterland, Urk en het Land van Vollenhove (BROUWER, 1950). We veronderstellen nu dat er vier Rijnarmen geweest zijn en kunnen ons de oude toestand dan voorstellen als op het kaartje op pi. I (onder). De Fries-Drentse riviertjes hadden twee uitmondingen, de 10


Boorne (later de Middelzee) en de Marne bij Bolsward (omstreeks 900 Mardunga genoemd (Oork. H. Z., 1.9.59). Restanten van deze rivier kunnen we zien in de Noorder Ee bij Hommerts en de Ee bij Sloten. Deze rivier wordt ook bedoeld met de Zudermuda uit de oude Friese wetten, langs welk water de graaf uit Brunswijk voer om in Westergo te Franeker gehuldigd te worden). Door het hoger •worden van de zee werd echter het zuidwestelijk deel van de delta opgeruimd. De zuidelijke takken kregen hierdoor een kortere loop en dus meer verval. Het gevolg was, dat deze takken meer water trokken ten koste van de andere. Het eerst werd de IJsel uitgeschakeld. Wat overbleef was de voortzetting van de Oude IJsel. Daarna ging onze Rijnarm (bij Velsén) ten gronde en vervolgens in historische tijd de Rijn bij Katwijk. In de Romeinse tijd was de Waal bezig zich te verrijken ten koste van de Rijn (HETTEMA, 1938). Drusus heeft hier echter een stokje voor gestoken. Hij reguleerde de rivieren zodanig, dat de Rijn weer meer water kreeg en vermoedelijk ook de IJsel weer begon te stromen. Vóór de Romeinse tijd had het water van de beide Vechten en de IJsel waarschijnlijk een uitweg via West-Friesland. Dit laatste gebied moeten we opvatten als het komgebied van een grote doorbraak van de duinen bij de Zijpe. De oude strandwal ten Noorden van St Pancras is bij deze doorbraak opgeruimd. Genoemde strandwal, die loopt van St Pancras naar Uitgeest, vertoont een flauwe kromming. Traceren we deze door, dan komen we uit in Texel. De strandwal was dus opgehangen tussen twee vaste punten: Texel en de Rijndelta bij Heemskerk. Door het langzaam dichtslibben van de kom van WestFriesland moest het water een andere uitweg zoeken en vond deze door verbinding met het Friese rivierenstelsel, via het Flie. Dit zal ongeveer vlak vóór de Romeinse tijd gebeurd zijn. Hiermede in verband zullen ook staan de verhalen over de drijvende veeneilanden met hele bomen erop. Het Flie had vermoedelijk ook geen oeverwallen; er is tenminste niets van bewaard gebleven. Het land ten Oosten van Texel en ten Zuiden van Vlieland is nog lange tijd een veenlandschap geweest (DE VRIES, 1946). Wij komen derhalve tot de conclusie, dat er bij Velsen inderdaad een Rijnarm gestroomd heeft, doch niet meer in de Romeinse tijd. De naam van deze van de zee afgesloten Rijnarm kennen we niet vóór de Romeinse tijd. De naam in de Middeleeuwen was IJ, want nog heden ten dage staat op de topografische kaart de grens tussen Castricum-Heemskerk en Limmen-Uitgeest als Dye vermeld. Een verband Velsen-Flevum is hieruit niet te vinden. 11


(Maar waar staat, dat Flevum aan het VlieMag? En taalkundig zou men kunnen zeggen: Velsen = Flevum.)' W e l komt nu duidelijk de strategische ligging van Velsen en ook van Castricum tot uiting. Z e ligtjen daar, waar de duinweg naar het Noorden gemakkelijk afgesloten kon worden. De Romeinse vestingen liggen niet op regelmatige afstanden, doch op strategische punten, zoals Vechten bij de splitsing van Rijn en Vecht en de toegang tot de hoge zandgronden van de Utrechtse heuvelrug, en Utrecht bij de overgang van de Rijn, die toegang gaf tot de weg naar het Noorden langs de Vecht. Doch hierover misschien een volgende keer. Literatuur Jhr M. A. (1943). De ligging van Baduhenna en Castellum Flevum. — Tijdschr. Ned. Aardr. Gen. BENNEMA, |. (1953). Het zuidelijk Vechtplassengebied. — Boor en Spade iV. BROUWER, A. (1950). De glacigene landschapstypen in Nederland. — Tijdschr. Kon. Ned. Aardr. Gen. BURCK, P. DU (1949). Bodemkartering van Geestmerambacht. — Boor en Spade III. GÜRAY, A. R. (1952). De bodemgesteldheid van de IJpolders. — Boor en Spade V. HETTEMA Jr, H. (1938). De Nederlandsche wateren en plaatsen in de Romeinse tijd. — 's-Gravenhage. Roo, H. C. DE (1953). De bodemgesteldheid van Noord-Kennemerland. — 's-Gravenhage. VRIES, V. DE (1946). Historische geografie van de Westpunt van Vlieland. — Tijdschr. Kon. Ned. Aardr. Gen. BEELAERTS VAN BLOKLAND,

EEN POTJE VAN INHEEMS AARDEWERK UIT DE OMGEVING VAN STOMPWIJK (Z.H.) door

TH. G. APPELBOOM (Rijksmus. v. Oudh. Leiden) Tijdens werkzaamheden, onder toezicht van de Provinciale Waterstaat in Zuid-Holland, uitgevoerd in de Geer- en Klein Blankaartpolder ten Oosten van Stompwijk, kwam in begin November 1953 een aarden potje te voorschijn. Dit voorwerp, dat door vorm en decoratie zeker de aandacht verdient, werd ons bekend door de toewijding van de heer S. JAOER, bouwkundige te Voorburg. Deze bewaarde het stuk niet alleen voor vernietiging, doch was ook in staat ons belangrijke ge12


gevens te verschaffen betreffende de juiste vindplaats en de vondstomstandigheden. Bovendien werden door hem waarnemingen gedaan aangaande de stratigrafie. De juiste vindplaats is gelegen in de nabijheid van de „Grenspaal" (Stafkrt 441, uitg. 1920, sch. 1/25000) (pi. IV). De vondsthorizon lag op een hoogte van ongeveer 4,25 m beneden N.A.P., of 3,65 m beneden Rijnlands boezempeil; hierboven bevond zich een laag veen, ter dikte van circa 1,60 m. *) Het potje zelf mist slechts een enkel scherfje uit de rand, doch is overigens geheel gaaf. Het is van - zoals men dit doorgaans noemt - dikwandig inheems aardewerk, gesmoord, grijs-crême aan de buitenzijde, donkergrijs op de breuk. Het profiel (pi. IV, onder) vertoont een hoge, tamelijk scherpe schouder en een iets naar buiten kragend randje. In tegenstelling tot de flauwe vorm, waardoor in de regel het inheemse vaatwerk wordt gekenmerkt, mogen we die van het onderhavige stuk goed geprononceerd noemen. Wat het type betreft, doet dit potje ons even denken aan een late, verflauwde Hallstatt-urn; met deze associatie wil echter verder niets gezegd zijn. De buik, vanaf de voet tot aan de schouder, is voorzien van een decoratie, bestaande uit onregelmatig door elkaar lopende, brede lijnen, die niet in het vaatwerk zijn ingekrast, doch ingedrukt. Lijn voor lijn maakt sterk de indruk met behulp van een zeer smal houtje, dat onder de bewerking met het vaatoppervlak werd medegebogen, te zijn aangebracht, toen de klei nog nat was. Overigens is het oppervlak glad. De totale hoogte van het stuk bedraagt 8 cm, de diameter van de opening meet 14]^ cm. Dat het potje, zoals gezegd, ongeveer 1,60 m onder het veen werd aangetroffen, geeft ons geen aanwijzing omtrent de ouderdom; het is namelijk in het geheel niet noodzakelijk dat het veen, na de plaatsing van het potje, zich hierboven heeft gevormd. Juist het vinden van een gaaf voorwerp plaatst ons voor verschillende mogelijkheden. Het is niet uitgesloten, dat wij hier te .doen hebben met een in het veen ingegraven graf of met een voorraadkuil van een woning. Naar'de heer JAGER ons mededeelde, werd enkele dagen tevoren nog een dergelijk, doch groter exemplaar gevonden, maar dit was, door onkunde der niet belangstellende arbeiders, zoek geraakt. Soortgelijk vaatwerk als het bovenbeschreven potje is in het verleden reeds verscheidene malen door opgravingen of anderszins bekend geworden. Persoonlijk vond ik scherven van dit aardewerk met lijnmotief op het strand te Vrouwenpolder op Walcheren, temidden van allerlei Romeinse ceramiek. VAN DER FEEN (1953) gebruikt voor dergelijk aarde1

) Schrijven van de heer S. JAGER aan het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden, dd. 11 November 1953. 13


werk de naam „vroeg inheems''; Ook bij de opgravingen te Arentsburg bij Voorburg zijn fragmenten van soortgelijk vaatwerk te voorschijn gekomen (HOLWERDA, 1923, p. 137, afb. 100, bovenste rij links). Alle bekende vindplaatsen van dit aardewerk op te sommen, zou ons in dit vondstbericht te ver voeren. Een tijdsbepaling tussen de eerste eeuw vóór Chr. en de eerste eeuw na Chr. lijkt ons aannemelijk (zie ook VAN DER FEEN, 1953). Literatuur FEEN, P. J. VAN DER (1953). Geschiedenis van de bewoning van Walcheren tot 1250, in: De bodemkartering van Walcheren. — Versl. Landbouwk. Onderz., No. 58.4, pp. 147-160. HOLWERDA, J. H. (1923). Arentsburg, een Romeins Militair Vlootstation bij Voorburg. — Leiden.

BOEKBESPREKING F. E. FARWERCK, Het teken van dood en herleving en het raadsel van het Angelsaksische runenkistje. (Uitg. Thule, Beethovenstraat 11, Hilversum. 103 blz., prijs geb. ƒ 6,65.) Schr. heeft een diepgaande studie gemaakt van de oude Noordeuropese symboliek. Uit archaeologische vondsten, mythologie en oude volksgebruiken werd door hem veel feitenmateriaal verzameld en het mocht hem gelukken, met behulp daarvan de man-rune uit te leggen als een oud inwijdingsteken van dood. en herleving uit de heidense tijd, dat tot ver in de Middeleeuwen in velerlei zinnebeeldige vormen is blijven voortbestaan en zelfs thans nog in volksgebruiken voorkomt. Bij de wijdingsritus werd een speer gebruikt, waarmede het teken in overoude tijden werd aangebracht. De slang wordt vaak in combinatie met dit teken aangetroffen. De geometrische man-rune ontwikkelde zich vervolgens tot de later veel voorkomende driespuit, het drieblad en de lelie. Met de zo verkregen kennis omtrent de betekenis van de oude zinnebeelden geeft Schr. nu een verklaring van de, op het rechter zijvlak van het omstreeks 800 vervaardigde zg: „Angelsaksische runenkistje" voorkomende symbolische voorstelling met randschrift, wat tot dusver nog niet op bevredigende wijze mogelijk was. Het geheel blijkt nu bij nader onderzoek verschillende scènes van een oud Noordeuropees inwijdingsritueel uit te beelden, waarbij het teken van dood en herleving een rol speelt. Tevens geeft Schr. een nieuwe vertaling van het randschrift, dat gedeeltelijk uit geheime tekens bestaat. Daar het kistje in Christelijke tijd is ontstaan, is het. afgebeelde voor niet-ingewijden op versluierde wijze weergegeven, zodat slechts ingewijden, die meestal tot een bouwhut behoorden, de betekenis ervan begrepen. Door deze zienswijze is het probleem van de voorstelling in een nieuw licht geplaatst. Deze in boekdruk verschenen studie is goed gedocumenteerd en werd toegelicht met 119 afbeeldingen buiten de tekst op kunstdrukpapier. Een uitvoerige literatuuropgave is mede opgenomen. C. R.

14


UIT DE TIJDSCHRIFTEN A. E. VAN GIFFEN, Onderzoek van drie Bronstijdgrafheuvels bij Grootebroek. (Gem. Grootebroek, Noord-Holland). (Verbeterde en vermeerderde overdruk uit: „West-Friesland's Oud en Nieuw" XX, 1953.) Tot niet zeer lang geleden behoorde Noord-Holland tot de streken die — archaeologisch gesproken — ternauwernood verkend waren; langzamerhand wordt dit echter anders. Terwijl door Schr. in 1942 enkele grafheuvels zijn onderzocht te Zwaagdijk, gem. Wervershoof (Verslag in „West-Friesland's Oud en Nieuw" XV11, 1944), werd in 1949 andermaal door hem een onderzoek gedaan, waarvan de resultaten in het hier aangekondigd rapport zijn neergelegd. Te Grootebroek heeft men te maken met drie heuvels op oud akkerland, waarvan er twee elk bestaan uit drie subtumuli, alle met ringsloot. De hoofdgraven zijn brandskeletgraven zonder grafgiften. Datering moet dan ook worden gebaseerd op het type van grafaanleg; men heeft te denken aan de periode tussen ca 1Ö00 en 75Ó vóór Chr. Deze bepaling wordt gesteund door het onderzoek van Prof. HL DE VRIES, naar de radioactiviteit van koolstof uit een monster houtskool, afkomstig uit het primaire graf van heuvel I, op grond waarvan men tot een datering komt van ongeveer 1100—800 vóór Chr. Het stuifmeelkorrelonderzoek door H. Tj. WATERBOLK maakt het eveneens waarschijnlijk dat de aanleg terecht in de Bronstijd wordt gedateerd. Het geologisch en micropalaeontologisch onderzoek door J. H. VAN VOORTHUYSEN en C. O. VAN REGTEREN ALTENA leidde tot de conclusie, dat de bewoners zich hebben gevestigd op in de Bronstijd drooggevallen wadformaties. Het is hier uiteraard niet de plaats om op alle bijzonderheden, van deze onderzoekingen nader in te gaan. Buitengewoon jammer is het, dat ook hier weer, evenals in Wervershoof, nauwelijks sprake was van begeleidende archaeologische vondsten; des te verheugender zijn de ons hier geboden gegevens, resultaat van teamwork van eminente geleerden. d. B.

VERENIGINGS-MEDEDELINGEN • VAN DE WERKGROEPEN In de Werkgroep „Den Haag & Omstreken" hield op 18 December 1953 IR T. EDELMAN een voordracht over „Geografische sporen van vroege bewoningen van Den Haag", en sprak de heer G. H. VAN DER. GRIENT over „Een en ander over de latere geschiedenis van Den Haag". Voor de Werkgroep. „Kennemerland" sprak op 22 December 1953 de heer J. G. N.RENAUD over het onderwerp „Middeleeuws Aardewerk", waarbij Spr. toelichting gaf op voorwerpen uit de collectie van de heer en mevrouw DE RAAF, in wier huis de Werkgroep gastvrijheid genoot. Op 21 Januari jl. sprak voor deze Werkgroep wederom een wetenschappelijk .medewerker van de R.O.B., nl. Dr P. J. R. MODDERMAN, over het onderwerp: „Grafheuvelonderzoek in Midden-Nederland". De lezing werd toegelicht met vele lichtbeelden, grotendeels in kleuren. Onze algem. voorzitter, de heer H. J. CALKOEN, sprak op 29 Januari jl. voor de Werkgroep „Gooi en Eemland" over „Vaison-la-Romaine", een Romeinse en Middeleeuwse stad in Zuid-Frankrijk, ook wel genoemd „het Franse Pompei".

15


Op Maandag 22 Maart zal de heer W. GLASBERGEN voor de Werkgroep "„Amsterdam & Omstreken" een lezing houden over „Dodenbestel. en Grafritueel in de Bronstijd in Nederland". Deze lezing zal plaats vinden om 8 uur 's avonds, in het Allard Pierson Museum, Sarphatistraat hk Roeterstraat. (Tramlijnen 5, 7 en 10). WESTERHEEM-FONDS Bijdragen in dit fonds, waarvan de gelden zijn bestemd voor uitbreiding en verbetering van ons blad, kunnen worden gestort op giro-nr. 591170, t.n.v. Mevrouw E. T. VERHAGEN-PETTINGA, te Leiden. Verantwoording: A. S. te Schoorl f 5,—; J. A. T. B. te Domburg ƒ 3,—; P. v. R. te Amsterdam ƒ 2,—; J. J. V. te Aerdenhout ƒ 10,—.

SAMENWERKING STUDIEGROEP VOOR WEST-FRIESLAND Op 19 December 1953 werd te Purmerend opgericht een „Studiegroep voor West-Friesland", die zich zal bewegen op het terrein van folklore, dialecten, heemkunde, archaeologie, geschiedenis, kunst en andere typische cultuuruitingen van het Westfriese gebied. Men wil op wetenschappelijke wijze gegevens en materiaal verzamelen over de Westfriese cultuur, hiervoor rneer belangstelling wekken en daardoor tevens trachten op alle terreinen de algemene cultuurvervlakking tegen te gaan. Het werkgebied van de Studiegroep omvat NoordHolland benoorden het Noordzeekanaal, benevens de eilanden Marken, Texel, Vlieland en Wieringen. Aan de A.W.W.N, is verzoent, haar medewerking te willen verlenen bij de bestudering van archaeologische vraagstukken in West-Friesland. Het correspondentie-adres van de Studiegroep is gevestigd bij de heer P. S. A. KIKKERT, huize 't Torentje, Middenweg 121 te Midden-Beemster. Medewerkers zijn welkom.

INHOUD Voorwoord , CALKOEN, H. J., De legende van de Spanjaardsberg en de oorsprong van de naam Driehuis BOONE, W. J. DE, Een praehistorische woonplaats aan de Cremerlaan (gem. Velsen) . . . . . . . . COCK, J. K. DE, Een Rijnarm bij Velsen? APPELBOOM, T H . G., Een potje van inheems aardewerk uit de omgeving van Stompwijk (Z,H.) Boekbespreking Uit de tijdschriften Verenigings-mededelingen

blz. 1 2 5 10 12 14 15 15

Inzending van copy en mededelingen Nogmaals dringt de redacteur aan op tijdige inlevering van mededelingen en copy voor het volgende nummer. Deze dienen uiterlijk op 1 APRIL 1954 op het adres der redactie: Morskade 12 te Leiden, te zijn ontvangen. Voor het derde nummer van deze jaargang is de sluitingsdatum voor het inzenden van copy: 1 MEI 1954. Men wordt verzocht van deze datums goede nota te nemen. 16


WE5TERHEEH


INHOUD Voorwoord

blz. 17

F. E., Archaeologische overblijfselen in de omgeving van Baarn CALKOEN, H. J., Iets over het Kalenderberg-ornament en het daarmede versierde aardewerk DEELEN, D. VAN, Bij een oude nederzetting te Castricum RAAF, H. K. DE, Archaeologisch „visserslatijn" MODDERMAN, P. J. R., Een onderzoek nabij de tunnelput te Velsen Vondstberichten Boekbespreking . Verenigings-mededelingen FARWERCK,

18 22 26 29 31 31 32 32

Inzending van copy en mededelingen In verband met de datum van verschijnen van dit nummer, is de termijn voor het inzenden van copy en mededelingen voor het eerstvolgende nummer van deze jaargang verlengd tot 15 MEI. De sluitingsdatum voor de inlevering van bijdragen voor het vierde nummer is: 1 JULI.


Jaargang III, No. 3-4

Maart-Aprll 1954

WE5TERHEER Orgaan van de ARCHAEOLOGISCHE WERKGEMEENSCHAP VOOR WESTELIJK NEDERLAND Hoofdredacteur: H. J. VERHAGEN, Morskade 12, Leiden. Secretaris der A.W.W.N.: C. ROODENBURG, van Eedenstraat 9, Haarlem. Contributie ad ƒ 5,— te storten op girorekening 577808, ten name van de Penningmeester der A.W.W.N, te HAARLEM.

EEN SCHERF IS GEEN STEEN Zuiver wetenschappelijk onderzoek kan „onmenselijk" zijn. Immers, de onderzoeker streeft naar de grootst mogelijke objectiviteit en tracht daarbij zichzelf, zoveel hij vermag, uit te schakelen. Dit geldt ook voor de archaeoloog, maar zijn •wetenschap heeft vóór alles betrekking op de mens en een scherf is geen steen! De vraag naar de mens is hier primair. Hoe leefde en stierf hij in oude tijden, wat dacht en gevoelde hij, geloofde hij, presteerde hij? Wat dreef hem weg van de oorspronkelijke woonplaats en waaróm was dit alles zo? Is het voor de archaeoloog mogelijk, hiervan iets terug te vinden? Kan hij verband aantonen tussen de mens van toen en nu? Zonder de paden ener valse romantiek te betreden, willen ook de artikelen in dit tijdschrift de opmerkzame lezer steeds weer confronteren met die mysterieuze, meestal ongenoemde achtergrond: „de mens".

.

- H. I. C.

17


ARCHEOLOGISCHE OVERBLIJFSELEN IN DE OMGEVING VAN BAARN door

F. E. FARWERCK (Hilversum) Enige leden van de Werkgroep „Gooi- en Eemland" hebben in de zomer van 1953 een paar speurtochten ondernomen in de omgeving van Baarn en de bossen van de Lage Vuurse, om na te gaan, wat er op het ogenblik nog teruggevonden kan worden van hetgeen in het verleden over grafheuvels e.d. s werd bericht. Evenals overal in het Gooi en omgeving hebben ook hier verschillende grafrovers hun lusten botgevierd, maar daarnaast hebben beginnelingen op het gebied van wetenschappelijk onderzoek, gevolgd door meer deskundigen, opgravingen gedaan en over de resultaten daarvan zijn in enkele krantenberichten, alsmede in het boek van Prof. J. A. DE RlJK, „Wandelingen door Gooi en Eemland", en in dat van T. PLUIM, „Uit de geschiedenis van Baarn", een aantal gegevens te vinden. Maar deze aanwijzingen zijn meestal vrij gebrekkig en bovendien heeft herhaalde ontbossing en nieuwe beplanting het moeilijk gemaakt om de beschreven plaatsen terug te vinden. Nog belwadrlijkèr Wordt het, wanneer de terreinen in akkerland zijn veranderd of als de oude wegen verlegd zijn, zodat men aan de oude aanwijzingen niet veel meer heeft. Het onderzoek werd echter buitengewoon vergemakkelijkt, doordat één der leden, de heer JOH. HEPP uit Baarn, de omgeving reeds terdege had vé'rkend en, gesteund door zijn ervaringen, gelukte het dan ook verschillende archaeologisch belangrijke plaatsen te lokaliseren en op de stafkaart vast te leggen. De eerste teruggevonden grafheuvels liggen in de onmiddellijke omgeving van het Baarnse spoorravijn. Zij werden onder auspiciën van Prof. Dr A. E. VAN GlFFEN in 1926 door BARON VAN HEERDT, te Baarn, opgegraven (PLUIM, 1927, 1932). De eerste heuvel is vrij laag en was vroeger reeds bij het omspitten van de grond bijna vernield. Er werd dan ook niets van betekenis gevonden, maar blijkbaar waren er toch voldoende gegevens om hem in het Bronzen tijdperk te dateren. De tweede, die iets meer het bos in ligt, zou uit het Stenen tijdperk zijn. Men vond daarin een „prachtige klokbeker", die echter, volgens het bericht, door een hond in stukken gegooid werd, toen hij stond te drogen (PLUIM, 1927). Deze ging dus voor ons verloren, maar datzelfde geldt eveneens voor de andere aan het daglicht gebrachte vondsten. Zij zijn in

18.


particuliere verzamelingen terecht gekomen en sindsdien is er niets meer van bekend. ., Een ander grafheuvelterrein moet aan de Hilversumseweg, tegenover het bekende „Zouthuisjè", gelegen hebben. Hier zou een drietal grafheuvels zijn geweest, waaronder de ,,mooiste van Baarn". Deze zijn in 1928 onder toezicht van Prof. VAN GiFFEN ontgraven (PLUIM, 1927, 1932). Zij dateerden uit de Bronstijd, maar er zijn ook latere bijzettingen van grafurnen in gevonden. Het terrein, waar de grafheuvels gelegen zouden hebben, is echter vergraven, zodat er geen spoor meer van te vinden is. Volgens een mededeling van PLUIM (1927, 1932) zou er een aantal grafheuvels gelegen zijn bij een kruispunt van de zg. Hessenweg en de weg van de Lage Vuurse naar de Soestdijkerstraatweg. Deze Hessenweg staat, op de tegenwoordige kaarten als Berkenweg vermeld en waar deze de weg kruist, die van de niet meer bestaande tol op de Soestdijkerstraatweg naar de Lage Vuurse leidt, jbevindt zich inderdaad nog een zestal heuveltjes, die de beschreven grafheuvels kunnen zijn. Hun ligging, ook ten opzichte van elkaar, komt tenminste precies overeen met PLUIM'S beschrijving. In 1893 waren daar bij het spitten drie geraamten en een bronzen bijl voor de dag gekomen. De arbeider, die daar werkzaam was, vond in de borst van één der geraamten .een bronzen lanspunt, die hij natuurlijk kapot sloeg...!! J. C. BARON D'AULNIS DE BOUROUILL, gemeente—archivaris van Baarn, heeft toen daar in de buurt verder laten graven, vond echter alleen een laag keien, wat houtskool, drie geraamten en een. urn (PLUIM, 1910). Maar vroeger, omstreeks 1840, had Dr W. MOLL, de vroegere predikant van de Lage Vuurse en bekend kerkhistoricus, hier veel gegraven en „veel gevondjen". In het park van het kasteel Drakesteyn bevinden zich eveneens verschillende graf heuvels. Deze zijn in 1926 en 1927 ontgraven, waarbij zij „zeer merkwaardige" vondsten opleverden. Het enige positieve bericht, dat hierover tot ons is gekomen, zegt, dat er om een der lijkheuvels een walletje van keistenen stond en dat aan de oostzijde twee grote, zware stenen rechtop stonden, aangevuld met grint en kleinere stenen, benevens enig zand; hieromheen liep een zuiver cirkelvormig, zwart grondspoor, blijkbaar afkomstig van een houten palissadering, en rondom deze heining was een brede strook grond met stenen geplaveid. In de heuvel vond men een bijl van dioriet en een vuursténen mes (PLUIM, 1932). Vlak bij de Lage Vuurse heeft een molen gestaan en ook daarbij zouden grafheuvels te vinden zijn. Door inlichtingen, die de zoon van de vroegere molenaar verstrekte, konden wij de oude molenheuvel terug vinden, die thans midden in een bos ligt en zelf ook bebost is. Van graf heuvels was echter


geen spoor meer te vinden, maar hier kan de dichte begroeiing van de omgeving een rol spelen; er zijn namelijk verschillende gedeelten, waar wij niet in door konden dringen. Onze zegsman had echter in zijn jeugd gezien, hoe bij het rooien van een, op één der grafheuvels staande, zware eik een grote urn te voorschijn kwam. In 1918 schreef T. PLUIM, de latere archivaris van Baarn, dat hem gewezen werd -„een soort huneschans, bij een meertje, midden in het Vuurse bos". Dr L. J. F. JANSSEN, toenmaals directeur van het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden, had reeds in 1853 deze omwalling bezocht, maar zij was voor hem een raadsel. In de Baarnse Crt (Februari 1919) vertelt J. W. KNOPPERS Kzn, hoe in zijn jeugdtijd, omstreeks 1860, in deze plassen ,,enige ronde eilandjes tamelijk hoog boven het water uitstaken''. Hij fantaseert, dat er hutten van kolenbranders hadden gestaan, die omstreeks 800 hier houtskool gewonnen zouden hebben. Misschien deed hij dit aan de hand van houtskoolvondsten. Op het ogenblik bevindt zich daar een plas, het Pluismeer, met aan één zijde een dubbele wal met een vrij diepe greppel ertussen en aan de beide buitenzijden nog een greppel. Een aanduiding van wat het geweest kan zijn, is tot heden niet gevonden. - Ongeveer in dezelfde buurt zou, volgens KNOPPERS in genoemd artikel, een tumulus gelegen hebben. „In de maneschijn der herinnering zie ik de heuvel duidelijk liggen, dicht bij de Hessenweg, links of rechts in een hoek der heide, evenver van het landgoed Pijnenburg als van het domein Soestdijk; misschien 300 schreden van beide, 't Zag er zó uit: in het midden een ronde plek, misschien vier voet hoger dan de heide, en rijk begroeid met struikheide en stravellen. Op enige afstand rondom was een ronde inzinking, waaruit nog twee dammen naar het midden leidden. Eén dam wees naar het bos van Pijnenburg; de andere, rechthoekig daarop, naar het bos van Drakesteyn. Van de beide andere dammen herinner ik mij totaal niets". PLUIM vermeldt in het zelfde jaar (1919) iets dergelijks: „Niet ver van daar (nl. van de grafheuvels dicht bij de Vuurse zelf) mocht ik op aanwijzing van Jhr Mr DE BRAAUW, van Buitenzorg, dezer dagen een prachtexemplaar koepelgraf ontdekken, zestig schreden in omtrek en tien schreden van de voet af omgeven door een brede, thans droge gracht. De vier toegangen liggen volgens het kompas op de vier windstreken. De heuvel is met een dikke laag humus bedekt en bestaat zelf uit zand en grint. De bomen op de heuvel en in de gracht zijn omstreeks 250 jaar oud." Er is géén grafheuvel gevonden, die aan één der beide beschrijvingen precies voldoet. Daarentegen is wèl een soortgelijke grafheuvel gevonden bij het Roskammerspoor, waarvan het volgende gezegd kan 20


worden:. De heuvel heeft een .doorsnede van ca 15 meter en is ongeveer 2 meter hoog. Op een afstand van ca 8 meter loopt er een greppel omheen, die ongeveer \\Z2 meter breed is. De vier toegangswegen, dammen door de greppel, zijn precies op het kruis aangebracht, maar niet op de vier windstreken georiënteerd. Het terrein is begroeid met 30 a 40 jaar oude dennebomen. Naar ons door een boswachter werd medegedeeld, heet deze grafheuvel in de volksmond ,.Koningsgraf" of ,-,Zeven Koningsgraven"; misschien staat deze laatste naam in verband met de ligging, nl. op het terrein van de vroegere hoeve ,,De Zeven Linden". Volgens verdere mededelingen van de boswachter zouden om de heuvel heen zeven koningen begraven zijn, maar de hierbij gegeven uitlegging wees erop, dat men de dammen in de greppel voor graven aanziet. Een misschien ook oude plaats is de even ten Westen van de 1e Amalialaan, in het Koninklijke Domein-bos liggende „Paardenkuil". Het is een vallei, die aan de éne zijde begrensd' wordt door een rij natuurlijke heuvels en aan de andere zijde door een blijkbaar kunstmatige wal. Het is niet onmogelijk, dat deze kuil op één lijn gesteld moet worden met tal van soortgelijke kuilen, zoals de verschillende Moordkuilen, Wolfskamers, Solse Gat, Balloërkuil enz. Er is alle reden om aan te nemen, dat in deze kuilen eertijds een ritus van dood- en herleving werd voltrokken, waardoor de ingewijden tot volgelingen werden van de oorspronkelijk in de eerste plaats als Dodengod — en daarmede Onderwerelds- en Inwijdingsgod - - optredende W o d a n (VAN DER ZUYLEN, 1953).^Het paard, als dodenpaard, speelde hierbij een zekere rol. Het is hier niet de plaats om daar nader op in te gaan, maar de ontdekkingen der laatste jaren zijn een gerede aanleiding om deze kuilen met de oude inwijdingsriten in verband te brengen. Literatuur T. (1910). Iets over de Lage Vuurse. — Baarnse Crt, 22-IX. (1918). Oude vondst aan de Vuurse. — Baarnse Crt, 29-1V. (1919). Grafheuvels aan de Vuurse. — Baarnse Crt,. 3-11. (1927). Baarnse grafheuvels. — De Eembode, 20-IX. (1932).' Uit de geschiedenis van Baarn. — Hilversum. ZUYLEN, B. j . VAN DER (1953). Noord-Europese Mysteriën en Inwijdingen- in de Oudheid. — Hilversum, Uitg. Thule. PLUIM,

VONDSTBERICHT . Ons lid de heer S. C. H. LEENHEER- vond, tijdens nasppringen in riolerjngssleuven, in zijn. woonplaats Rijnsburg op een diepte van 1.20 m een aantal scherven van Karolingisch aardewerk^ alsmede lemen vloeren en' een brandhaard'. Wellicht heeft men hief te doen met sporen van een — in het Westen van • Nederland tot dusver zeldzame —- woonstede uit- de Karolingische tijd (plm. 800—900 n, Chr.), waartoe dan de reeds vroeger aldaar gevonden en onderzochte Kar. begraafplaats kan hebben behoord.

21


IETS OVER HET KALENDERBERG-ORNAMENT ' EN HET DAARMEDE VERSIERDE AARDEWERK ;!

'

•-:

:

''. ''

'

d o o r -V

-'

--

H. J. CALKOEN ••'

:

:

(Velsen)

Naast reeds bekende vondsten in de oostelijke delen van oris land is het mf de laatste tijd meermalen voorgekomen, dat ook in westelijk Nederland aardewerk is ontdekt met een eigenaardige versiering, die soms min of meer, soms zelfs sterk doet denken aan wat men noemt: „Kalenderbergdecoratie" (o.a. DÈ BOONE, 1954). In verband hiermede kan het zijn nut hebben, over deze versieringswijze iets naders te vertellen. Deze materie, die eenvoudig schijnt, blijkt echter bij nadere bestudering nogal ingewikkeld, reden waarom de hier volgende beschouwing meer globaal en zeker niet volledig zal zijn. Ter illustratie geeft plaat V een overzicht van een aantal vondsten op dit gebied, die alle uit het Westen van ons land afkomstig zijn. Enige hiervan werden al eerder in dit tijdschrift besproken en afgebeeld. Aanstonds hierover meer. De naam „Kalenderberg" is ontleend aan de eerste vindplaats van dit materiaal in Neder-Oostenrijk en daar, in de Donaustreek, schijnt men de bakermat van deze versieringswijze te moeten zoeken. Toch is, wat het ontstaan en de latere verspreiding betreft, nog niet alles geheel duidelijk. De navolgende beschouwing is ontleend aan hetgeen verschillende schrijvers over dit onderwerp zeggen. • Bij het met Kalenderberg-ornament versierde aardewerk zijn de emmervormige of buikige potten en urnen, evenals de schalen, op zeer opvallende wijze bewerkt, nl. door het aanbrengen van rijen vingertopindrukken in de nog natte klei. Deze rijen, meestal drie of vier naast elkaar, groeperen zich daarbij óf tot min of meer rechthoekige velden, öf zij lopen in verschillende richtingen óp elkaar uit. Soms ook vormen zij een soort rozetten, die dan weer door rechte rijen indrukken zijn omgeven. Tussen deze rijen deuken, die ook wel samengesteld blijken uit twee "indrukken naast en over elkaar (van twee vingertoppen tezamen?) en waarbij ook de nagelafdruk soms zichtbaar is, blijven hoge, enigszins getande randen als een sterk relief staan. Aan de binnenzijde van de potwand vertoont zich wel eens hetzelfde patroon in zwakkere mate, alsof de decorateur gelijktijdig aan de buitenzijde heeft gedrukt en aan de binnenkant heeft gesteund. Vooral in de late Hallstatt-periode, plm. 600—500 v. Chr., heeft men deze versieringswijze toegepast. Nu is hèt merk22


waardige :— en ik meen, dat', dit nog niét afdoende is verklaard n— dat dit ornament zich in betrekkelijk korte tijd gaat verspreiden over'een enorm groot gebied e n . . .."dat wij het aantreffen bij allerlei,- overigens zeer uiteenlopendeculturen. Het is dus niet de speciale versieringswij ze van een bepaald volk of van een stam, maar men zou het a.h..w. een „internationaal" procédé kunnen noemen, dat op meerdere plaatsen ongeveer gelijktijdig ingang vindt. Het zet zich ook nog voort in latere eeuwen, bv. in ,dz vroege La Tène-periode en mogelijk nog wel later, al of niet in verflauwde vorm-. Eigenaardig is ook, dat niet steeds een direct verband valt aan te wijzen met het ontstaansgebied aan de Donau; dat het bv. ontbreekt in het aangrenzende Bohemen, om verderop in Zuid-Duitsland weer te verschijnen. Men zou kunnen vermoeden, dat deze wijze van ornamenteren, die eigenlijk zo voor de hand ligt (iets wat noopt tot grote voorzichtigheid bij de bestudering ervan), gelijktijdig op meer dan één plaats is ontstaan, toen ,,de tijden daar rijp voor waren". Dit verschijnsel zien wij meer optreden, bv. in historische tijd bij het eerste ontstaan van Gothische vormen in de Romaanse wereld. Maar dit vermoeden klopt weer slecht met het feit, dat verschillende motieven, bv. de typische rozetten, volkomen identiek zijn aan Rijn, Donau en Weichsel, ondanks ;de omstandigheid, dat tussen deze gebieden grote hiaten schijnen te liggen. Hierdoor moet men wel tot de conclusie komen, dat er toch een samenhang bestaat en men zoekt, deze in een oudere, algemene achtergrond: de z.g. Lausitz-cultuur, zo genoemd naar een streek op de grens van Bohemen en Silezië (KERSTEN, 1948). , .'' Kalenderberg-versiering treffen wij aan in Beieren, in het Duitse Middelgebergte, in het gebied van Eifel tot Elbe, in Oost-Pruisen, langs Midden- en Beneden-Rijn tot aan de Noordzeekust, met uitlopers in Westfalen (Overijssel, Drenthe, Groningen), verder langs de Maas in België en in ons Limburg en Brabant; ook via het land van Trier tot in Noord-Frankrijk: de Marne-streek (Champagne). Men kan zeggen, dat het op deze wijze versierde aardewerk een typisch verschijnsel uitmaakt van de Urnenveldencultuur, die zich als een grote stroming, aanvangend ± 1000 v. Chr., van Bohemen en Silezië (Lausitz), Moravië en Hongarije uit, voornamelijk in noordwestelijke richting bewoog (KERSTEN, O.C). Het moet een geweldige en langdurige invasie zijn geweest, waartoe de stoot werd gegeven door een volk, dat zich later als de Illyriërs zou vestigen in Dalmatië, in de kustgebieden langs de Adriatische Zee. Bij dit gestadig opdringen naar het N.W. werden de oorspronkelijke bewoners uit de late Bronstijd of vernietigd, èf geassimileerd, dan wel opgeschoven. De gevolgen hiervan deden zich tot zelfs ver 23


in ons land gevoelen. Allerlei gewoonten en zeden veranderden hierbij; zo werd van nu af de gewoonte algemeen om de doden te verbranden en hun as bij te zetten in urnen, overdekt •door een laag heuveltje, Waaromheen een kringgreppel. Weliswaar komen verschillende elementen van dit dodenbestel reeds vroeger voor (GLASBERGEN, 1954), maar de combinatie ervan en vooral het voorkomen in grote complexen („kringgrep-urnen v e 1 d e n") is het nieuwe verschijnsel. De deskundigen1 nemen aan, dat het constateren van Kalenderberg-versiering wijst op invloeden uit het Oosten, nl. uit de Rijnstreek of verder. De hier genoemde oorspronkelijke Urnenveldencultuur geldt daarbij als niet-Germaans (KERSTEN, 1948; DE LAET & MARiëN, 1950). Later wordt dit eenvoudige beeld echter gecompliceerd door hét toenemen van Keltische en vooral Germaanse invloeden en dan schijnt de Kalenderberg-versiering ook buiten de urnenvelden op te treden. Nu ligt het voor de hand, dat genoemde ornamentiek zijn einde zal vinden in minder karakteristieke vormen, als een flauwe herinnering aan wat vooraf ging. Maar tevens en vooral dienen wij in het oog te houden, wat reeds boven werd gezegd: dat een versieringswijze als deze zich typisch eigent voor klei-aardewerk en dus ook, telkens weer, betrekkelijk onafhankelijk van zijn voorlopers opnieuw kan zijn ontstaan. Men behoeft een nog niet gedroogde pot maar aan te vatten en een soortgelijk ornament treedt op! Dit zou m.n. kunnen gelden voor alle verflauwde vormen van aan Kalenderberg-decoratie herinnerende versiering. De fragmenten, afgebeeld op plaat V, moeten dus met enige voorzichtigheid worden bekeken. De scherf G, van een grote, vrij zacht gebakken „Fries-Bataafse" voorraadpot, is afkomstig uit een nederzetting onder „Schonenberg" te DriehuisVelsen. Deze woonplaats is door een randfragment van een Romeinse wrijfschaal met verticale rand (volgens dr BRUNSTING waarschijnlijk Augusteïsch) gedateerd in de eerste helft der eerste eeuw, maar moet, gezien een oudere scherf van gesmoord en versierd inheems aardewerk, al vóór Chr. hebben bestaan (datering van Prof. VAN GIFFEN). Eigenaardig is hier de meloenachtige ribbelversiering, die weer door vingertopindrukken is ontstaan. De kleur is zachtgeel tot grijs. Het fragment F werd gevonden in een Germaanse nederzetting te Haarlemmerliede (DE RAAF, 1953). Scherf H, van vrij glad, hardgebakken materiaal, werd opgeraapt aan de afsluitdijk van het IJsselmeer (westelijk deel). De kleur hiervan is rossigbrüin. Fragment E komt uit een, waarschijnlijk vóór-Romeinse, nederzetting op de grens tussen Voorschoten én Leiden (VERHAGEN, 1953), terwijl D afkomstig is van een vindplaats te Monster (EMMENS & VERHAGEN, 1953). De beschrijving van dit laatste stuk verwijst naar vondsten van dergelijk 24


PLAAT ~3L


PLAATML .


PLAAT 3 M


materiaal uit de Ijzertijd in La Panne, Z . W . België (zie ook RAHIR,. 1930). De scherven A, B en C tenslotte zijn alle gevonden in de Spanjaardsbergte Santpoort-Velsen (DE BOONE,] 1954). C vertoont dubbele vingertopafdrukken en B is merkwaardig, omdat hier het bovengenoemde, typische rozet verschijnt, waarop binnenkort de heer DE BOONE in dit tijdschrift hoopt terug te komen, in zijn rapport over de proefgraving 1953 aan de Cremerlaan. , • • Een viertal afbeeldingen onderaan plaat V kan een idee geven, hoe enkele potten en schalen, waarop deze versiering voorkomt, er uit zien. De pot van fig. 1 is gevonden in het grafveld de Hamert bij Venlo (BYVANCK, 1947). De pot met deksel op fig. 2 is uit Duitsland afkomstig (Karolina,, Kr. Schwetz). Ook de afdekschaal is hier op de besproken wijze versierd (KERSTEN, 1948). Het stuk van fig. 3 is weer uit ons land afkomstig en wordt door HOLWERDA (1925) afgebeeld in gezelschap van „Fries-Bataafse" potten, terwijl het voorwerp van fig. 4 te voorschijn kwam in België, in het grafveld van Lommel-Kattenbosch, Belgisch Limburg (DE LAET & MARlëN, 1950). Vermoedelijk zal, bij voortgezet onderzoek, het aantal vondsten van dusdanig versierd aardewerk, met name in het Westen van ons land, zich uitbreiden. De eigenaardige versiering, die op zovele plaatsen in Europa plotseling opduikt, of geleidelijk aan wordt overgenomen, blijft voor ons iets geheimzinnigs houden. Maar juist dit mysterieuze element is het, dat niet zal nalaten ons, amateurs, te stimuleren. Literatuur W. J. DE (1954). Een praehistorische woonplaats aan de Cremerlaan te Santpoort (Gem. Velsen). —Westerheem III (1-2), pp. 5-9. • . BYVANCK, A. W. (1947). De Voorgeschiedenis van Nederland. — Leiden, BrilL EMMENS, J. & H. J. VERHAGEN (1953). Inheemse scherven op „De Romein" te Monster (Z.H.). - Westerheem II (9-10), pp. 113-118. GLASBERGEN, W. (1954). Barrow Excavations in the Eight Beatitudes. — diss. Groningen, Wolters. HOLWERDA, J. H. (1925). Nederland's Vroegste Geschiedenis. — Amsterdam, van Looy. KERSTEN, W. (1948). Die niederrheinische Grabhügelkultur. — Bonner Jahrbücher CXLVIII. LAET, S. J. DE & M. E. MARiëN (1950). La nécropole de LommelKattenbosch. — Antiquité Classique XIX. RAAF, H. K. DE (1953). Amateuristische notities. — Westerheem III (9-10), pp. 109-113. .• . • RAHIR, E. (1930). La Panne, fabrication de poteries. — Buil. Soc. R. Beige Anthr. VERHAGEN; H. J. (1953). Een vöór-Romeinse nederzetting te Leiden.— Westerheem II (1-2), pp. 14-16. BOONE,-

25


BIJ DE OUDE NEDERZETTING TE CASTRICUM ' •i

f

..

'

.

'•• .

.

3

door' •

• • •> '. D. V A N D E E L E N r ' * (Bkkum)

'

3

d

'

-.

r- •

•'

Gaarne ,wil ik voor de ;lezers van „Westerheem" een overzicht geven van • de aardewerkfragnjenten en andere voorwerpen, welke?.in 1950 in een nederzetting in de duinen bij Castricum zijn gevonden. •; y • ^ •

Zoals zó. dikwijls, werden ook deze scherven bij toeval ontdekt. Aan de duinkant, eigenlijk in Bakkum, had ik eens een zwart vuurstenen krabbertje (pi. VIII, 1) gevonden en daar ik hoopte nog meer van dergelijke stukjes bewerkte vuursteen te vinden, waren we de laatste jaren overal, waar maar. diep gespit werd of waar graafwerk van betekenis werd uitgevoerd, aanwezig en zochten we alles nauwlettend af. Zo kwamen we in 1950 terecht in een duinterrein in de buurt van de provinciale boerderij „De Brabantsche landbouw". Het terrein is hier vrij vlak en tot in de 19de eeuw moet daar door heen een beekje (afwatering) gelopen hebben, dat op oude kaarten nog voorkomt onder de naam „Hoep". Deze beek zal lange tijd bruikbaar drinkwater geleverd hebben en we kunnen wel aannemen dat, zo lang die beek daar geweest is; de mensen graag in de buurt ervan hun tenten hebben opgeslagen. Wanneer de beek daar is ontstaan, is mij niet bekend-.; , r . In deze vlakte, (vanouds „De Wildernis" genaamd, was reeds een dragline aan het werk geweest, die een geul had gemaakt tot ca. 1,50 m diep. Voor het bouwen van een secundair pompstation was- bovendien een groot vierkant gat gemaakt tot een diepte van • bijna vier meter. Een toevallige omstandigheid was wel, dat de in N-Z-richting lopende geul voor de bronputten, zoals later bleek, in de lengte door een oude nederzetting was gegraven. Daarbij kwam nóg, dat op de plaats waar de oudste scherven lagen, juist de bouwput voor het pompstation gegraven werd. Hierin troffen we, op 3 m diepte, scherven aan die door de deskundigen van het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden en van de Rijksdienst te Amersfoort werden gedateerd in de Vroege Ijzertijd; In de oude woonlaag, die soms wel tot 20 cm dik was, vonden we naast enkele wandfragmenten, ook een sierlijk oortje van een pot (pi. VIII, 4). Het baksel bestaat uit klei, met sehelpengruis verschraald. Verder vonden we een speelschijfje (pi. VIII, 3) van hetzelfde materiaal, alsmede een bodemstuk (voetje) van een heel klein potje. Een eigenaardig stukje leem, dat er uit ziet als een stuk huttenleem (pi. VIII, 5), bleek een fragment te zijn van een dik rooster, waar26


schijnlijk om voedsel op te bakken. Sporen van palen, ter plaatse te onderscheiden door duidelijk zichtbare verkleuringen van de grond en in cirkelvorm gerangschikt, konden door deskundigen helaas niet meer worden vastgesteld, daar ze na hun ontdekking reeds spoedig bij de werkzaamheden verloren gingen. In de onmiddellijke nabijheid werden nog enkele woonlagen aangetroffen van jongere datum, waarin \ye scherven vonden uit de 9de tot de 13de eeuw. Van importaardewerk werden nog gedetermineerd een fragment van-een bandvormig oortje uit de 10-12de eeuw, alsmede bodemscherven met aangeknepen standring. Bijzondere vermelding verdient een randschrift met ooraanzet en radstempelversiering op de rand, daterend uit de 9de eeuw (pl.VIII, 6). In de bovenste woonlaag, die momenteel soms tot meer dan een meter beneden het maaiveld ligt, worden veel scherven van kogelpotten gevonden (bv. pi. VIII, 7; datering R.O.B.: 12de eeuw)". Een stuk basaltlava, aan één kant zwart beroet en tot 2 cm dik, is vermoedelijk een fragment van een stookplaat maar kon niet nader worden gedetermineerd. In de buurt van enkele askuilen vonden we nog veel stukken huttenleem, waarin nog duidelijk de afdrukken van het gebruikte rijshout te zien zijn. In elke woonlaag werden voorts beenderen, kiezen enz. aangetroffen. Zoals reeds gezegd, werden in de gegraven geul verschillende bronnen geslagen, 's Avonds, wanneer we de uitvoering van de werkzaamheden niet konden storen, was het voor ons altijd een aangename bezigheid, om het boorsel eens na te pluizen. Hierin vonden we soms stukjes hout of oók wel thans niet meer voorkomende schelpen, die vanuit de diepte omhoog waren gehaald. Zo vonden we ook een paar stukken been die, naar men ons vertelde, van 37 m diepte opgeboord waren. Bijzonder geïnteresseerd waren we echter; -toen we bij een bron, tussen wat schelpjes enz., een paar- stukjes primitief bewerkte vuursteen aantroffen. Het op pi. VIII, 2 afgebeelde voorwerpje is blijkbaar als een soort zaagje gebruikt. Het is een enigszins plat, gekloofd stukje zwarte vuursteen,. met drie tandjes eraan. De heer APPELBOOM, van het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden, zegt hierover het volgende: „De voorwerpen dragen onmiskenbare sporen van menselijke bewerking, doch geven geen enkel aanknopingspunt voor enigerlei datering of plaatsing in een bepaaldé.'cultu'ür.r" De gehele nederzetting, waaruit hierboven enige vondsten werden beschreven, moet zich uitgestrekt hebben over een gebied van meer dan 500 m lengte. In „Oudheden en gestichten van Kennemerland" van 1721 kunnen we lezen dat Kastrikum, een oud" en edel dorp, al 27


bekend was in het jaar 1083. Als we een blik op de kaart van 1735 slaan, dan kunnen we zien, wat Kastrikum in die tijd was. In 1514 moet de Kerk een 250-tal communicanten hebben gehad, huizende bij 58 haardsteden. Wat zal het dorp dan geweest zijn in.het jaar 1083? En wanneer we dan nóg eens 1200 jaar verder in de geschiedenis terughollen, komen we terecht bij de buurtschap, waarvan enkele povere resten hierboven" zijn beschreven. Veel fantasie is niet nodig, om ons een voorstelling te maken van de oude nederzetting van vóór onze jaartelling, die we nu graag het oudste Castricum willen noemen. Die voorstelling gaat levendig worden als we kijken naar de stukken leem, eens de bouwstof waarvan de muren der hutten waren opgetrokken. En als we zien naar de beenderen en de wervels van vissen, of naar de resten van het vaatwerk. Terloops kijken we ook naar het stukje haardplaat en het kokertje as (uit een vuurkuil verzameld) en naar het speelschijfje. Het is dan, als zien we de kleine buurtschap weer voor ons. Wel moet men tot de conclusie komen, dat het heel arme mensen zijn geweest, die daar op die afgelegen plek in het duin hebben gewoond. Maar het speelschijfje doet ons óók denken aan uren van tevredenheid.

ARCHAEOLOGISCH „VISSERSLATIJN". door

Mr H. K. DE RAAF (Heemstede) Het was de heer K. DEKKER, met zijn grote kennis van het gebied van de Oude Rijn, die ons in deze streek enige „plekken met perspectief" had aangewezen. Daar aangekomen, stroopten wij onze mouwen dan ook op en togen, met spade en riek gewapend, aan de arbeid. Het hieronder beschreven toneel speelt zich af aan de kant van een tamelijk eenzame landweg. — Men houde het ons ten goede, dat wij de juiste ligging voorlopig niet onthullen, teneinde een „goldrush" naar dit archaeologische „Klondyke" te voorkomen. •— Bedoelde weg wordt aan weerszijden begrensd door een gewone poldersloot, waarvan de vette kleibo'dèm door het heldere, met fraaie.waterplanten gestoffeerde water nog juist te zien is. Tussen schrijver en zijn gade, in horizontaal en faciaal contact met Moeder Aarde uitgestrekt op de sterk afhellende berm langs de waterkant, het aangezicht op één oor land- en hemelwaarts gericht en zich met 28


de hand vastklampend aan een in de berm geslagen ,,geitepaal", met de rechterarm tot aan de oksel bungelend in het ijskoude water (November!) en onder water energiek pulkend in de vette klei, ontspint zich het volgende gesprek: Zij: „Heb jij al iets? Ik geloof, dat ik een stuk terrasigillata te pakken heb." Hij: ,,}a, ik voel de rand van een Romeinse wrijfschaal; je weet wel, met die eigenaardige tuit, maar ik kan hem er niet uit krijgen! Hij zit verdraaid vast in de klei; het valt niet mee, hem er met je vingers uit te peuteren." Zij: ,,Is dat alles? Ik heb hier iets beters, een bodem van een sigillata-kom met het stempel „ O F PRIMI", Is dat niet de tijd van Claudius?" (pi. VII, 5). Hij: ,,Ik geloof van wel, maar ik begrijp niet, hoe in deze inheemse nederzetting Romeins materiaal van zo vroege datum is terecht gekomen." Nadat op genoemde wijze honderden rand- en bodemscherven van Fries-Bataafs aardewerk boven water zijn gebracht, waaronder kartelrandige exemplaren, en ook vele fragmenten van Romeinse origine zijn opgediept, komen enkele stukken van waarschijnlijk Saksische urnen het beeld, dat v/ij ons van de ouderdom van deze inheemse nederzetting hadden gevormd, verstoren (plaat V I ) . Weliswaar ontbreken daarbij de eigenlijke knobbels, die kenmerkend zijn voor de z.g. bulturn, en is hier meer sprake van verticale, langgerekte ribbels, doch het Saksische karakter van dit aardewerk lijkt ons boven alle twijfel verheven. Deze vondst zou dan wel interessant zijn. Immers, op de zuidelijke oever van de Oude Rijn en vrij ver verwijderd van de Rijnmond, was "dit soort aardewerk tot dusver nog niet gevonden. Hebben mogelijk de „Angelsaksische" veroveraars van Brittannië, hetzij permanent, hetzij op doortocht naar Albion, ook in de Rijnstreek vertoefd? Nóg een probleem:, Hoe komen deze urnen uit de 5de eeuw of later, terecht in dezelfde laag, als waarin eerste eeuws terra-sigillata van Primus werd aangetroffen? 1) Hoe is het verder mogelijk, dat deze inheemse nederzetting zó diep (ongeveer \Yi meter) verscholen ligt ónder het niveau van de weg en het maaiveld van het aangrenzende weiland, waar een luchtfoto duidelijk de aanwezigheid van een oude woonplaats verraadt? Dit alles zijn vragen, welke in de studeerkamer nader moeten worden overdacht en opgelost, na de bewerking van het gevonden materiaal. i) Plaat VII toont twee fragmenten terra-sigillata, van hard materiaal en glanzend uiterlijk (wijzend op herkomst uit La Graufes'enque). Fig. 6: Kom Dragendorff 30, van. Qf uit omgeving varTMasclus (vorm van het blad!); 'tijd: Claudius-Nero (45-65). Fig. 7: Kom Drag. 37, hond (vgl. OswALD, Figure types etc., nr 2039o)-als uit Lezoux; 8-bladige rozet mogelijk tijd Albinus; tijd: NeroVespasianus? (60-75)?. (Voorl. determ. VERHAGEN) Stempel OF PRIMI dateert uit tijd van Nero-Vespasianus (55-70). 29-


Terwijl wij een en ander bepeinzen, komen steeds meer scherven boven water, doch nu ook brokken huttenleem (wandbekleding met afdrukken van takkenvlechtwerk), een hazelnoot, de bodem van een Romeins zalfflesje en een verguld bronzen, Romeinse fibula of mantelspeld. Verder een uit been (schouderblad) vervaardigd spatelvormig voorwerp (pi. VIII, 4), dat aan de brede zijde een kunstmatig aangebrachte snijkant vertoont. Een plamuurmes, om de huttenleem glad te strijken over de vlechtwanden? Mogelijk een soort schaaf of schraapmes, misschien gebruikt om oneffenheden van het inheemse aardewerk bij te werken?1) Inmiddels zijn enige voetgangers, die naar onze smaak te veel belangstelling aan de dag leggen voor onze vreemde manipulaties in de sloot, op een dwaalspoor gebracht door ons, met veel verve voorgedragen doch gefantaseerd verhaal, dat wij bezig zijn onze trouwring, verleden jaar bij een picnic verloren, op te vissen. Tot ons geluk wordt dit ongeloofwaardig verhaal geslikt en verwijderen zij zich bescheiden, na ons hun leedwezen over het verlies betuigd te hebben! Ondertussen zijn onze rechterarmen door de intense koude zo rood als een kreeft geworden en overdekt met schrammen door de scherpe stoppels van het pas gemaaide bermgras. Bovendien hebben wij, in het vuur van het gevecht, dat oplaait telkens wanneer een diep onder water gelegen brok „met perspectief" dreigt af te glijden naar het midden van de sloot, bij onze vertwijfelde pogingen om het ding nog juist te redden, de wet der kapjllaire opstijging volkomen uit het oog verloren, ten gevolge waarvan wij tot op ons hemd nat zijn geworden. Wij besluiten dan ook, mede daar het reeds donkert, onze nederzetting na deze geslaagde werkmiddag voorlopig aan haar lot over te laten. Toen wij enige weken later op het lumineuze idee kwamen, ons onderzoek met de „heinhaak" (een soort Triton's drietand onder een hoek van 60° aan een lange stok bevestigd, en door de boeren gebruikt bij het schoonmaken van de sloten) voort te zetten, werd onze collectie nog aanzienlijk uitgebreid. Er konden echter geen bijzonder spectaculaire dingen meer aan worden toegevoegd. Overigens kunnen wij het werken met genoemd apparaat aan een ieder aanbevelen, die prijs stelt op een slanke lijn! Al met al menen wij er de voorkeur aan te moeten geven, om met de verdere exploratie van deze" vindplaats te wachten, totdat het zomerseizoen een werken in badpak zal veroorloven!

i) GIFFEN, A. E. VAN (1936—'40). Een systematisch onderzoek in een der Tuinster wierden te Leens. — Jaarverslagen van de Vereeniging voor Terpenonderzoek XX-XXIV. 30


EEN ONDERZOEK NABIJ DE TUNNELPUT TE VELSEN In de tunnelput bij Velsen bestaat een ongekend gunstige'gelegenheid om de wordingsgeschiedenis van westelijk Nederland Uitvoerig te bestuderen. Ook de archaeologie is in dit onderzoek betrokken. In de bovenste 1.5 m van het profiel zijn ,nl. scherven van Romeins en middeleeuws aardewerk aangetroffen. Zij liggen in een verspoeld milieu, zodat de vraag naar de herkomst van deze scherven is gesteld. Ter beantwoording daarvan heeft de R.O.B, een onderzoek gedaan waarbij tevens aandacht is besteed aan de bekende Romeinse vondsten uit de tankgracht. Het resultaat van de bestudering van de profielen en de archaeologica is, dat het gehele terrein tot ruim 1 km ten zuiden van het Noordzeekanaal verspoeld is. De scherven liggen alle in een milieu dat door de natuur bepaald is. De Romeinse scherven vinden wij over een vrij groot gebied verspreid. Het is zeer waarschijnlijk, dat van de woonplaats, waar deze oorspronkelijk'zijn weggeworpen, niets meer is terug te vinden. Het onderzoek zal nog worden voortgezet. Dr P. J. R. MODDERMAN OPGRAVINGEN EN VONDSTBERICHTEN. Bij graafwerk terl "0. van de Hoofdstraat te Santpoort is een 1 m. dik muurfundament gevonden. Het ligt op ± 1.60 m. onder het huidige straatniveau. De baksteen van deze muur meet 23 x 12 x 5 cm, de kleur wisselt af van rood naar geel. Vlak binnen dit fundament, aan de oostzijde, lag op. 1.50 m. diepte een menselijk geraamte, met het hoofd naar het Westen. Scherven zijn niet gevonden, wel veel stukken daklei. Vermoedelijk hebben wij hier te doen met een deel van de westmuur van de St Patrickskapel, welke aldaar in 1399 door Jan., van Brederode, na een 'pelgrimstocht riaar Ierland, is gesticht. Op. een' kaart van 1623 komt deze kapel nog voor, zodat hij waarschijnlijk niet, zoals men aanneemt, aan het eind van de 16e eeuw is verwoest. H. J. C. f.

Te Amersfoort werd, op het terrein, waar een nieuw ziekenhuis is geprojecteerd, een tweetal grafheuvels onderzocht door Dr P. J. R. MODDERMAN (R.O.B., Amersfoort). In de heuvels waren meerdere perioden te onderscheiden. Ons lid de heer S. M. VAN OMMEREN, arts te Eist, attendeerde de R.O.B, op een grote hoeveelheid scherven uit de laatste eeuwen vóór Chr. Zij kwamen te voorschijn bij graafwerk voor huizenbouw. Mogelijk heeft men te doen met afval van een pottenbakkerij. Op het Muiderslot'werd een onderzoek ingesteld naar de „Toltoren". De bouwgeschiedenis van het huidige kasteel is zeer veel duidelijker geworden. De aanleg als geheel dateert inderdaad uit de dagen van Floris V. Het opgaande muurwerk moet gedurende de 14e eeuw geheel vernieuwd zijn. Het onderzoek stond onder leiding van de heer J. G. N. RENAUD (R.O.B., Amersfoort). Te Zwaagdijk (N.H.) hebben opnieuw opgravingen van grafheuvels plaatsgevonden. De onderzoekingen' gingen uit van het BiologischArchaeologisch Instituut te Groningen onder directie van Prof. Dr A. E. VAN GIFFEN, en stonden mede onder leiding van de heer J. D. VAN DER WAALS.

'

.

31


BOEKBESPREKING J. A. HuiSMAN, De Hei-namen in Nederland. Rede uitgesproken bij de officiële aanvaarding van het hoogleraarsambt aan de Rijksuniversiteit te Utrecht op 19 Oct. 1953. (Uitg. J. B. Wolters, Groningen, 18 blz., ƒ 1.25.) Spreker maakte een studie van het voorkomen van de naam „hel" en samenstellingen daarmee, zoals heideur, heipoort, hellegat, helput, heibeek, helvoorde, helpolder, heleind, helhoék enz., benamingen van stukken land, boerderijen, buurtschappen, poelen enz. De meeste hel-namen blijken aan de noordzee van een nabijgelegen bewoond centrum voor te komen. Hieraan ligt een Germaanse voorstelling, ten grondslag; immers de Germanen localiseerden het dodenrijk in het Noorden, hetgeen blijkt uit de literaire en historische bronnen evenals uit het archaeologisch materiaal. De hel-namen moeten zijn ontstaan in een tijd, waarin de traditie van de Noordelijke onderwereld, de heiwagen e.d. nog. leefde. Zij behoeven evenwel niet zo pud te zijn als deze traditie zelf, die al in de vroegste oudheid bestond. Veel hel-namen zullen eerst in de Middeleeuwen zijn gevormd, toen de noordelijke ligging van het dodenrijk nog een levende voorstelling was. Toch blijken er zeer oude hel-namen te bestaan. Als tegenhangers ontstonden in Christelijke tijd de paradijzen, hemels, hemelrijken en vagevuren. Veel moet echter nog meer systematisch onderzocht en in kaart gebracht worden, mede door de verdere resultaten van archaeologisch onderzoek en moderne bodemkartering. C. R.

VERENIGINGS-MEDEDELINGEN VAN DE WERKGROEPEN Voor de Werkgroep „Gooi en Eemland" sprak op 5 Maart 1954 de heer F. E. FARWERCK uit Hilversum, over het onderwerp „Atlantis". Genoemde spreker hield over hetzelfde onderwerp een lezing voor de Werkgroep „Kennemerland" op 17 Maart . Dr W. GLASBERGEN hield op 22 Maart voor de Werkgroep „Amsterdam & Omstreken" een lezing over „Dodenbestel en grafritueel in de Bronstijd in Nederland". VAN DE PENNINGMEESTER . De leden, die hun contributie 1954 nog niet overmaakten, worden tot 15 Mei1 a.s. daartoe alsnog in de gelegenheid gesteld. Na die datum zal over de verschuldigde gelden (ƒ 5,— voor het lidmaatschap der A.W.W.N, en ƒ 1,— voor de Werkgroep) worden beschikt onder verhoging van ƒ 0,50 voor incassokosten. WESTERHEEM-FONDS Bijdragen in dit fonds, waarvan de gelden zijn bestemd voor incidentele uitbreiding van ons blad, alsmede ter bestrijding van de (hoge) kosten van eventueel noodzakelijke cliché's, kunnen worden gestort op giro-nr 591170, t.n.v. Mevrouw E. T. VERHAGEN-PETTINGA, te Leiden. Verantwoording: A. P. v. W. te 's-Gravenhage ƒ 3,—; P. v. D. te IJmuiden-Oost ƒ 10,—.

32


N.Y. MOUTON & Co. - DEN HAAG Z. O. BUITENSINGEL 150 UITGEVERIJ

ANTIQUARIAAT

ZO JUIST IS VERSCHENEN:

In onze regelmatig verschijnende catalogi zijn ook vele boeken over archaeologie en praehistorie opgenomen.

Die Anfange des Eigentums bei den Naturvölkern und die Entstehung des Privateigentums door W. NIPPOLD

ONZE LAATSTE CATALOGI: Books on Eastern Europc, Nr. 3

Een boek, dat voor iedere historicus van belang is.

Books on Asia, Nr. 2 Bücher über Bodenkunde, Biologie, Geologie usw., Nr. 1

VIII, 94 blz. Gebonden ƒ 12.—

Al onze catalogi zjjn op aanvraag gratis verkrijgbaar.

Fa. BURGERSDIJK & NIERMANS NIEUWSTEEG 1, LEIDEN

• Boekhandel - Antiquariaat - Veilingen O. a. gespecialiseerd op het gebied van topographie, toponymie, folklore, dialecten, vaderlandse geschiedenis. Groot magazijn prenten en kaarten van Nederlandse steden, dorpen, polders e.d. Vraagt onze regelmatig verschijnende catalogi. Zendt ons Uw desiderata.


WESTERHEEH


Jaargang III, No. '5-6

Mei-Juni 1954

WE5TERHEER Orgaan van de ARCHAEOLOGISCHE WERKGEMEENSCHAP VOOR WESTELIJK NEDERLAND Hoofdredacteur: H. J. VERHAGEN, Morskade 12, Leiden. Secretaris der A.W.W.N.: C. ROODENBURG, van Eedenstraat 9, Haarlem. Contributie ad ƒ 5,— te storten op girorekening 577808, ten name van de Penningmeester der A.W.W.N, te HAARLEM.

EEN AANSPORING Het is met vreugde, dat wij onze leden, begunstigers en vrienden kunnen mededelen, dat het P r i n s B e r n h a r d f o n d s aan de „Archaeologische Werkgemeenschap voor Westelijk Nederland" een subsidie heeft verleend van ƒ 1000.—. Gaarne willen wij op deze plaats onze warme dank uitspreken jegens allen, die hebben medegewerkt tot het verkrijgen van deze stimulerende bijdrage, en wel in de eerste plaats het Bestuur van het genoemde fonds zelf! Als gevolg van deze subsidie, welke tevens een erkenning inhoudt van de waarde van het werk door de A.W.W.N, verricht, zullen voorlopig finantiële moeilijkheden kunnen worden overbrugd. Breder armslag wordt thans mogelijk en zeker zal dit ook aan „Westerheem" ten goede komen. Maar dit alles wil niet zeggen, dat wij er nu al zijn, integendeel! Méér dan ooit is het nodig, onze vereniging b 1 ij v e n d sterk te maken door voortdurende groei van het ledental. Daarom, lezer: werft leden en helpt ons op deze wijze, om het vele werk, dat ons te wachten staat, zo goed mogelijk te verrichten! Het Hoofdbestuur van de A.W.W.N. 33


OP ZOEK NAAR EEN CASTELLUM door

H. J. CALKOEN (Velsen) Reeds meerdere malen werd :in „Westerheem" iets medegedeeld over vondsten van Romeinse archaeologica, die na de oorlog op een terrein ten Zuiden van het oude dorp Velsen werden gedaan (CALKOEN, 1952a, 1952b, 1952c, 1953). De hoeveelheid fragmenten van grof- en fijnwandig aardewerk was zó groot, dat het vermoeden als'zou hier een castellum gelegen hebben, wel gerechtvaardigd scheen. Hoezeer de wens de vader van de gedachte kan zijn, bleek ook hier weer eens, bij het bestuderen van vele luchtfoto's, gemaakt boven Velsen en omgeving. Op een vooroorlogs exemplaar, geraadpleegd naar aanleiding van deze vondsten, werd een donkere rechthoek met inliggend gebouw-r spoor ontdekt (pi. IX, kaartje boven), zich aftekenend in het weiland ten Oosten van de Rijksstraatweg. Ofschoon de directeur van de Topografische Dienst te Delft, de heer C. A. J. VON FRIJTAG DRABBE, die ons bij het onderzoek zijn zeer gewaardeerde hulp verleende, omtrent de aard van dit „gebouw met wal" niets naders kon zeggen, wekte deze foto bij ons de hoop, dat nu ten leste de plaats van het vermoede castellum zou zijn gevonden. Echter, de opgraving, die de R.O.B, onder leiding van Dr P. J. R. MODDERMAN in de week van 22-27 Maart jl. ter plaatse ondernam, heeft onze gespannen verwachtingen de bodem ingeslagen. In de brede sleuf, die juist buiten het terrein van de gedempte tankgracht kon worden gegraven, vielen slechts zeer flauwe sporen te ontdekken. Blijkbaar is hier het land al eerder afgegraven. Maar ook elke aanwijzing van een gracht ontbrak en . . . . Romeinse scherven kwamen niet tevoorschijn. Wat hier dus ook vroeger gestaan mag hebben: géén castellum! Toch schenen de vormen van de grondsporen en ook de ligging ervan veelbelovend. Immers hier, op de hoge zandoever van het vroegere W ijkermeer (uitloper van het IJ), zou een eventueel steunpunt van de veldheer Corbulo op zijn expeditie tegen de Chaukische zeerovers (47 n. Chr.), zoals Prof. Dr. A. E. VAN GIFFEN dit indertijd vermoedde, wel zeer op-zijn plaats geweest zijn. Verreweg het grootste deel van de dateerbare Romeinse vondsten, dicht bij deze plek gedaan, blijkt thuis te horen in het tijdvak van keizer Claudius (41-54 n. Chr.), zoals wij weten door de determinaties-van Dr H. BRUNSTING (CALKOEN, 1952b) en Dr W. GLASBERGEN (CALKOEN, 1952C). Dat hier bij Velsen, zoals sommige schrijvers vermoeden, (o.a. BEELAERTS VAN BLOKLAND, 1943), het 34


Castellum Flevum zou hebben gelegen, lijkt op grond van bovengenoemde vondsten onwaarschijnlijk. Het desbetreffende verhaal van Tacitus (Ann. IV, 72) speelt zich af in 28 n. Chr. Eveneens is op de luchtfoto's te zien, hoe het Wijkermeer vroeger op vele plaatsen buiten zijn oevers is getreden en daarbij zelfs diep is doorgedrongen in de oude strandwal, waarop Velsen is gelegen. Deze erosie-verschijnselen zijn, volgens de heer VON FRIJTAO DRABBE, waarschijnlijk omstreeks de 9e eeuw begonnen en meerdere overstromingen, o.a. ten Noorden en ten Zuiden van de Spanjaardsberg (DE BOONE, 1954), maakten van dit hooggelegen terrein een soort schiereiland. In verband hiermee wordt de plaats waar de vondsten uit de eeuwen vóór en na Chr. zijn gedaan, meer begrijpelijk, alsook de strategische ligging van de middeleeuwse huizen Velsen en Brederode (CALKOEN, 1954). Op één en ander hopen wij later terug te komen (zie kaartje, pi. IX). Maar — en hierop doelde ook het korte verslag van Dr MODDERMAN, over de onderzoekingen bij de tunnelput, in het vorig nummer van „Westerheem" — door het opdringende IJ-water is enorm veel grond verspoeld en ongetwijfeld zijn vele van de Romeinse vondsten uit deze verspoelde lagen afkomstig. De opgraving van' de R.O.B, had als eerste doel, vast te stellen, waar de Romeinse scherven vandaan kwamen. Tot nog toe is dit doel niet bereikt. Er blijft nog een kleine kans, dat het toekomstig profiel van de Noordzeekanaal-tunnel, die juist door dit terrein is geprojecteerd, wat naders aan het licht zal brengen. Na het beëindigen van dit voorlopig onderzoek door de Rijksdienst, werd schrijver door Dr MODDERMAN in de gelegenheid gesteld, om met medewerking van drie jeugdige A.W.W.N.-leden één der gemaakte putten nog wat dieper uit te graven. De uitkomsten hiervan zijn afgebeeld op pi. IX. Het bleek, dat onze put (kaartje boven, A), gelegen even ten Oosten van de voormalige tankgracht, juist een vroeger dijkje^ doorsneed, dat in oude tijden moet zijn opgeworpen langs de oever van het Wijkermeer. Dit dijkje menen wij terug te vinden op een kaart uit 1723, waarop het gestippeld staat aangegeven (dus toen reeds in onbruik was), met de vermelding „Kaetje". Deze waterkering zou dan gelegen hebben net binnen een door de R.O.B, gekarteerde zandrug, waarin wij mogelijk een vroegere meeroever voor ons hebben. Het onderaan op pi. IX afgebeelde profiel laat in de zuidwand van de put deze kade zien, waar hij zich iri het gele zand als een donkergrijze massa aftekent. Hij schijnt opgeworpen te zijn boven een bruin laagje rietveen en de meetbare hoogte bedraagt 60 cm. De kruin ligt thans een halve meter onder het maaiveld, dat zich hier ongeveer op 35


N.A.P. bevindt. Aan de meerzijde vonden wij in de dijkvoet bewerkt en goed geconserveerd hout, dat afkomstig scheen van een beschoeiïng met paaltjes. In de dijkkern lagen talrijke, soms zwart verkleurde en gebroken beenderen van dieren. De heer P. Ji VAN DER FEEN te Amsterdam, was zo vriendelijk, deze voor ons te determineren. Hij 'constateerde de aanwezigheid van: varken, paard, geit en korthoornig rund (Bos taurus longifrons Owen); volgens hem hebben wij hier te doen met overblijfselen van huisdieren uit de vroege Middeleeuwen. Behalve deze botten en, enkele stukken basaltlava (van maalstenen?), werden veel aardewerk-fragmenten aangetroffen, hoofdzakelijk middeleeuws, sommige echter Romeins, w.o. enkele stukjes terra-sigillata. Daar de vroege scherven vaak boven de latere werden gevonden, is het duidelijk, dat zij ujt de omgeving zijn meegekomen. In Verband hiermee valt te denken aan sporen van oude bewoning, op de luchtfoto's zichtbaar in het weiland ten Noorden van „Beeckestein" (pi. IX, kaartje boven). De heer J. G. N. RENAUD te Amersfoort determineerde voor ons de middeleeuwse scherven; waarvoor wij hem zeer erkentelijk zijn. Zijn conclusie luidt: de tuit van een pot, inwendig rood, uitwendig dofloodgrijs,. met vier rijen rolstempelversiering, uit de 8e eeuw, evenals het scherf je met radstemp'elornament (pi. IX, A en B). Typisch is de constructie van deze tuit, die van binnen uit in de pot is vastgedrukt en van buiten recht is afgesneden. Verder Pingsdorf-materiaal, — w.o. een rossig-grijze rand met ooraanzet (pi. IX, C) — dat moeilijk nauwkeurig is te dateren: 850 — ± 12e eeuw. Voorts randfragmenten van grof, inheems goed, sterk gemagerd, grijs, zwart en rood van kleur: wellicht lOe-lle eeuw (pi. IX, D). „Het materiaal komt niet boven 1200 uit" 1 ). In de dijkkruin werd een muntje aangetroffen van 1,4 cm in doorsnede. Het verkeerde in zeer slechte toestand. Wij zijn Dr H. ENNO VAN GELDER te Den Haag dankbaar, dat hij het voor ons wilde bekijken. Hij schrijft: „Naar onze mening wijst het algemeen aspect, vooral de hoge parelrand langs de buitenzijde, erop, dat het een Karolingisch zilverstuk is uit het einde van de 8e eeuw". In verband hiermee zou ik willen veronderstellen, dat ons dijkje omtrent 1200, of mogelijk nog iets vroeger, is opgeworpen. Na de Middeleeuwen is het eerst ondergestoven en daarna overstroomd, waardoor het geleidelijk aan het oog werd onttrokken, al was er in het begin van de 18e eeuw nog wel iets van bekend. 1 ) Op meerdere plaatsen rondom Velsen breekt de bewoning omstreeks 1200 plotseling af. 36


De reeds genoemde zandrug, die, eigenaardig genoeg, zeif weer gefundeerd blijkt op verspoélde lagen, vertoonde bij snijding met de tankgracht een fraai profiel ter breedte van 14 a 15 meter. Aan de meerzijde ervan zagen wij de gele zandkern wegduiken onder een overstromingsgebied van grijsachtig zand, dooraderd (om niet te zeggen: gemarmerd) met vele, veenachtige stroomlijntjes. Het geheel wekte de indruk alsof herhaalde grotere en kleinere overstromingen zijn afgewisseld door enkele flinke overstuivingen. Dit gecompliceerde profiel is ten slotte overdekt door een kleilaag van 30 a 45 cm dikte. Na de oorlog is het terrein vrij sterk geëgaliseerd. In de genoemde overstromingslagen bevinden zich zowel Romeinse als Middeleeuwse scherven, broederlijk vereend. De laatste beginnen in de 8e eeuw en lopen door tot zeker in de 15e eeuw, waarbij zij dus afwijken van de vondsten in het dijkje. Het blijft opmerkelijk, dat in de eerste jaren na de oorlog, op een vrij beperkte plaats, de Romeinse scherven verre in de meerderheid waren, zelfs zó, dat een middeleeuws fragment een hoge uitzondering vormde, terwijl bij de jongste opgraving juist die middeleeuwse vondsten sterk naar voren traden. Dit, en ook het feit, dat oorspronkelijk hier zovele fijnere Romeinse dingen, als: stukjes glas, brons, fragmenten van lampjes enz., werden aangetroffen (CALKOEN, 1952b), wekt bij ons het vermoeden, dat de bron van herkomst toch niet zo ver uit de buurt kan gelegen hebben. Of hiervan ooit nog iets zal worden teruggevonden, is een andere vraag. Hoe dit ook zij, het graafwerk in de vochtige grond, onder bittere koude verricht, is toch niet te vergeefs geweest. Immers, de uitkomsten hebben ons weer iets beter doen begrijpen, wat zich in de.-loop der eeuwen heeft afgespeeld in dit veelgeplaagde deel van Kennemerland. Literatuur Jhr. M. A. (1943). De ligging van Baduhenna en Castellum Flevum. — Tijdschr. Ned. Aardr. Gen. BOONEJ W. J. DE (1954). Een praehistorische woonplaats aan de Cremerlaan te Santpoort (gem. Velsen). — Westerheem III (1-2), pp. 5-9. CALKOEN, H. J. (1952a). Een urgent geval te Velsen. — Westerheem I (1-2), pp. 11-12. , (1952b). De Romeinen te Velsen. — Westerheem I (7-8), pp. 84-88. ; (1952c). Determinatie van Romeinse archaeologica uit Velsen. — Westerheem I (9-10), p. 122. , (1953>. Vondstbericht. — Westerheem II- (5-6), pp. 63-64. , (1954). De legende van de Spanjaardsberg te Santpoort en de oorsprong van de naam Driehuis. — Westerheem III (1-2), pp. 2-4. MODDERMAN, P. J. R. (1954). Een onderzoek nabij de tunnelput te Velsen. — Westerheem III (3-4), p. 31.

BEELAERTS VAN BLOKLAND,

37


EEN VINDPLAATS VAN MESOLITHISCHE WERKTUIGEN OP DE GOOISE HEIDE1) door

TH. G. APPELBOOM (Leiden) Geruime tijd heeft men gemeend, dat het Gooi voor het eerst bewoond is geworden door het zg. ,.Bekervolk", dat hier, tegen het einde van het Neolithicum, zijn grafmonumenten achterliet. Ontdekkingen, welke in de laatste jaren werden gedaan, wettigen echter de bewering, dat deze landstreek reeds veel vroeger door praehistorische mensen is bewoond geweest. Toevallige vondsten van kleine, zg. microlithische voorwerpen, gedaan op bepaalde plaatsen bij Hilversum (RUST, 1943) en Laren, hebben onze inzichten betreffende de oudste bewoning van het Gooi belangrijk verdiept. Op grond van deze vondsten kunnen wij nu met grote zekerheid zeggen, dat het Gooi reeds in het Mesolithicum (Middensteentijd) werd bewoond. De bodemgesteldheid alhier in aanmerking genomen, moet het zelfs niet uitgesloten worden geacht, dat reeds de jong-palaeolithische mens hier eens vertoefde. Cultuurresten, die dit zouden moeten aantonen, zijn echter tot nu toe niet gevonden. Het Gooi is in de eerste plaats ontstaan als deel van het deltagebied van de grote rivieren. Het in deze delta opgebouwde lagenpakket wordt door ons aangeduid met de naam Fluviatiel Dilivium. Gedurende deze periode zijn allerlei steensoorten uit het Zuiden aangevoerd. Vooral was dit het geval met gesteenten uit het gebied van de Ardennen. Later, gedurende de Ijstijd, is het Gooi voor een groot gedeelte door het landijs bedekt geworden. Bij het wegsmelten hiervan bleven vele noordelijke gesteenten achter. In deze beide diluviale perioden zijn in het Gooi vele soorten vuursteen afgezet, voor de voorhistorische mens het materiaal bij uitnemendheid tot het vervaardigen van werktuigen. Zo was de mens in deze streek dus niet gedwongen, de benodigde vuursteen van elders mede te nemen. Wij vinden hier werktuigen, die waarschijnlijk zowel van noordelijke als van zuidelijke vuursteen zijn vervaardigd. Vele kleurnuances zijn erin te onderscheiden, met wit en zwart als uitersten. Of, van het hier gevonden materiaal, de kleur van Dr A. BOHMERS, conservator aan het Biologisch-Archaeologisch Instituut te Groningen, was zo vriendelijk, dit artikeltje door te lezen, waarvoor ik hem gaarne mijn erkentelijkheid betuig. Van •enkele aantekeningen van zijn hand werd dankbaar gebruik gemaakt. 38


de steen een indicatie geeft ter bepaling van enigerlei speciale cultuur, is moeilijk te zeggen. Waarschijnlijk nam men van het rijkelijk ter beschikking staande materiaal datgene, wat men nodig had en verwerkte dit dan tot de gewenste werktuigen. , 1 Hen der tot nu toe bekendste vindplaatsen van stenen werktuigen bevindt zich tussen Bussum en Hilversum, in de omgeving van de zg. Aardjesberg. Dit is een vele hectaren grote heuvel, waarvan de hoogte volgens de stafkaart 21 m boven A.P. bedraagt. Wij hebben hier te doen met een zeer belangrijke grondmorene, neergelegd tijdens een der Glaciaalperioden. Reeds van ouds zijn hoogten door de voorhistorische mens als woonplaatsen uitgezocht en de hier besproken vindplaats maakt daarop geen uitzondering. Strategisch bezien vormt deze plek een uitkijkpost bij uitnemendheid. Rondom kan men vele kilometers ver het omringende land overzien en de vroegere bewoners konden zo eventuele aanvallers al zeer spoedig signaleren. Aan de oppervlakte van het zeer dikke keileempakket komen allerlei cultuurresten voor. De oudste daarvan zijn wellicht de zoeven genoemde zg. microlithen. Verder vinden wij hier vuurstenen werktuigen uit Neolithicum en Bronstijd, scherven van aardewerk uit Ijzertijd en vroege Middeleeuwen. Zonder twijfel hebben we dus te doen met een belangrijke plaats van oude en herhaaldelijk weerkerende bewoning. Beschrijving van de voorwerpen (platen X, XI en XII). Wat betreft de gevonden microlithen, volgt hierna een beschrijving van de stukken, die ik hier in de jaren 1938— 1942 heb kunnen verzamelen. Daarbij dient te worden bedacht, dat zij niet in een ongestoorde laag zijn gevonden. Dit gebied is nl. tijdens de oorlogen 1914—'18 en 1940—'45 gebruikt als militair oefenterrein; de oppervlakte is dermate omgewoeld, dat er bijna geen stuk maagdelijke grond meer is aan te wijzen. De hieronder beschreven voorwerpen zijn bovendien alle aan de oppervlakte gevonden. In dit geval kan dus slechts de typologie ons helpen bij de toeschrijving van deze voorwerpen aan een bepaalde cultuur. 1. Zeer fraai mesje van lichtgrijze, roodgevlamde vuursteen. De achterzijde is geheel vlak. De snijkanten vertonen gebruiksretouche. Lengte 3,1 cm, breede 1,4 cm. 8 2. Mesje van crème-kleurige vuursteen. Linkerkant: gepatineerd vuursteenoppervlak. De rechtersnede vertoont zeer fijne retouche over de gehele lengte. Achterzijde geheel vlak. Lengte 3,2 cm, breedte 1,0 cm. 3. Mesje van lichtgrijze vuursteen. Rechterkant: verweerde vuursteenkorst. Achterzijde onderaan met Bulbe de Percussion. Ge39


bruiksretouche langs de snede. Lengte 2,8 cm, breedte 1,0 cm. 4. Mesfragment van trapezoïdale vorm, vervaardigd van crème vuursteen. tlnige gebruiksretouche langs de snijkanten. Achterzijde geheel vlak. Lengte' 1,7 cm, breedte 1,4 cm. 5. Klein mesje van roodbruine vuursteen. Dé beide snijkanten vertonen onregelmatige retouche. Boven- en onderkant voorzien van grove retouche. Achterzijde geheel vlak. Lengte 1,7 cm, breedte 1,5 cm. 6. Rondom langs de randen geretourcheerde, holle schraper van crème vuursteen. Lengte 2,5 cm, breedte 2,3 cm. 7. Zeer dun mesfragment van crème vuursteen. De gebogen onderrand vertoont zeer fijne steilretouche. Gebruiksretouche langs de snijkant. Lengte 2,0 cm, breedte 2,3 cm. 8. Mesfragment van oker-kleurige vuursteen. Achterzijde geheel vlak. Driehoekig op doorsnede. Lengte 1,8 cm, breedte 1,2 cm. 9. Mesje van crème vuursteen. Langs de rechter snijkant voorzien van steilretouche. Achterzijde vlak, met aan de onderkant een Bulbe de Percussion. Lengte 2,4 cm, breedte 1,4 cm. 10. Mesfragment van witte, oranje-gevlamde vuursteen. Rechterkant: ruwe vuursteenschors. Snede voorzien van gebruiksretouche. Achterzijde vlak. Lengte 2,4 cm, breedte 1,4 cm. 11. Krabber, vervaardigd van crème vuursteen. Het oppervlak gedeeltelijk bedekt met verweringskorst. Tamelijk grove retouche langs de rand. Grootste lengte 2,7 cm, grootste breedte 2,3 cm. 12. Mesje van crème vuursteen. Rechterzijde met verweringskorst. Langs de gehele snede voorzien van tamelijk grove retouche. Achterzijde met Bulbe de Percussion (in het midden). Lengte 3,1 cm, breedte 1,7 cm. 13. Over het gehele oppervlak zorgvuldig behouwen voorwerp van grijze vuursteen. Üvaalvormig op doorsnede. Lengte 3,0 cm, breedte 2,0 cm. 14. Mesfragmentje met Bulbe de Percussion aan de achterzijde. Aan de bovenkant twee onder een hoek op elkaar staande vlakjes. (Microburijn?, deze heeft echter steeds een steil geretoucheerd kerf je, dat hier ontbreekt). Lengte 2,5 cm. 15. Klein mesfragment van bruine vuursteen, waarvan aan de linkerkant gedeelten zijn geretoucheerd. Lengte 2,0 cm, breedte 1,4 cm. 16. Klein mesfragment van bruine vuursteen. Langs de linkerkant geretoucheerd. Achterzijde met Bulbe da Percussion. Lengte 1,4 cm, breedte 1,1 cm. 17. Mesje van doorschijnende grijze vuursteen. Langs de rechterkant voorzien van gebruiksretouche. Lengte 2,5 cm, breedte 1,0 cm. 18. Fraai geretoucheerde krabber van grijze vuursteen. Gedeeltelijk bedekt met verweringskorst. Grootste lengte 1,8 cm. 19. Trapezoïdale spits van witte vuursteen. Aan de uiteinden voorzien van steilretouche. Achterzijde geheel vlak. Lengte 1,8 cm, breedte 1,2 cm. 20. Soortgelijke spits als nr. 19, doch van bruine vuursteen. Ook" langs de randen voorzien van retouche. Lengte 1,7 cm, breedte 1,0 cm. 21. Transversale pijlspits van zwarte-vuursteen. Langs de linker- en rechterkant voorzien van steilretouche. Achterzijde vlak. Lengte 2,0 cm, breedte 1,9 cm.

40


22. Plat-ronde krabber van crème, ondoorzichtige vuursteen. Brede steilretouche langs het grootste gedeelte van de rand. Grootste doorsnede 1,9 cm. 23. Kleine hoge krabber van crème vuursteen. Zeer steil geretoucheerd. Lengte 1,9 cm, breedte 1,4 cm. 24. Kleine krabber van crème vuursteen. Slordige retouche langs de rand. Lengte 1,6 cm. 25. Hoge krabber van,donkergrijze vuursteen. Langs de wanden zorgvulaig geretoucheerd. Zeer grote retouchehoek. Grootste lengte 2,3 cm. 26. Steilgeretoucheerde krabber van donkergrijze vuursteen. Achterzijde met Bulbe de Percussion. Lengte 2,1 cm. 27. Groot mes van okergele vuursteen. Achterzijde met Bulbe de Percussion. Langs de snede zorgvuldig geretoucheerd. Lengte 4,2 cm, breedte 2,2 cm. 28. Gedeeltelijk geretoucheerde krabber van donkergrijze vuursteen. Zeer grote retouchehoek. Grootste lengte 2,1 cm, grootste breedte 1,8 cm. Bij het beschouwen van de voorwerpen valt op, dat wij hier in zekere zin met een mengsel van verschillende culturen te doen hebben. Werktuigen die wij tot het Mesolithicum kunnen rekenen, zijn de nummers 19, 20 en 23 (zeer typische Tardenoisien artefacten), alsmede de nummers 14, 22 en 24. Beslist later daarentegen is het stuk nummer 13, dat vele kenmerken van een neolithisch artefact vertoont, zoals de over het gehele oppervlak zorgvuldig aangebrachte retouche. Eveneens tot een latere cultuur zou ik willen rekenen de nummers 6, 11 en 21. De eerste twee nummers door de wijze, waarop de grove vlakretouche is aangebracht. Nummer 21 is een latere variant van de in het Mesolithicum veelvuldig voorkomende trapezoïdale spitsen. Van deze grootte en van dit type komen zij vooral voor in het Neolithicum. Van nog iets groter formaat dan ons stuk, zijn zij in deze periode vooral in gebruik bij het Hunebeddenvolk. Verder zijn er enkele stukken, die nog kenmerken van een vroegere cultuur vertonen. De krabber nummer 25 is van een type, dat wij vooral kennen van de vindplaatsen Donkerbroek en Prandinge in Friesland, waar men voorwerpen behorende tot de jong-palaeolithische cultuur ontdekte; evenwel komen dergelijke stukken ook nog in het Mesolithicum voor. Wij hebben hier dus te doen met een stuk dat, zo al niet vroeger, dan toch zeker vroeg-mesolithisch genoemd kan worden. Verder het stuk nummer 27, dat door zijn grootte en wijze van bewerking wel een unicum voor het midden van ons land genoemd kan worden. De nummers 26 en 28 passen, wat de bewerking aangaat, bij deze beide stukken. Het zal duidelijk zijn dat, zonder zorgvuldige opgraving ter plaatse of in de omgeving, geen helder beeld is te geven 41


van de hier geconstateerde culturen. Mogen wij de aanwezigheid van een vroegere dan mesolithische bewoning alhier niet uitgesloten achten — enkele stukken uit deze collectie zouden in die richting kunnen wijzen —, een bewoning van het Gooi in het Mesolithicum is door de vondst van voor die periode typische voorwerpen aangetoond. W a a r de dichtstbijzijnde vindplaats van mesolithisch materiaal is gelegen te Soestduinen (APPELBOOM, 1950), wordt het Gooi door de bovenbeschreven vondsten tevens gekarakteriseerd als de meest: westelijke der tot dusver in Nederland aangetroffen vindplaatsen van mesolithische cultuur. Aan de hoofdweg van Hilversum naar Loosdrecht vond ik in een aldaar aanwezig klein stuifzand nog enkele vuursteen-artefacten. Een voor enige cultuur typische vorm bezitten deze werktuigen helaas niet, zodat wij hier moeten volstaan met een korte beschrijving (plaat X I I ) . 29. Lange spaan van bloedkleurige vuursteen. Achterzijde vertoont een Bulbe de Percussion en slaggolven. Lengte 5 cm, breedte 1,5 cm. 30. Mesvormig fragment van oranjerode vuursteen. Langs de linkerkant enige fijne gebruiksretouche. Achterzijde met Bulbe de Percussion. Lengte 3,0 cm, breedte 2,7 cm. In het jaar 1938 werden door mij op de „Lange Heul", tussen Bussum en Hilversum de voorwerpen nummers 31, 32 en 33 gevonden (plaat XII). Zij lagen op het .terrein, dat in hetzelfde jaar wetenschappelijk was onderzocht en waar, onder de resten van een laat-Saksisch boerenhuis, een grafheuvel met klokbeker was ontdekt (RUST, 1939, 1942). De afgebeelde voorwerpen hebben ongetwijfeld alle drie deel uitgemaakt van één enkel stuk vuursteen. De bewerking dezer stukken wijst dan ook sterk op vervaardiging door één persoon. Wellicht hebben wij hier te doen met werktuigjes, door het „Bekervolk" gebruikt; zij zouden dan in het laatNeolithicum te dateren zijn. 31. Fraaie krabber van grijze vuursteen. Langs de rechterkant zorgvuldige retouche. Lengte 3,6 cm, breedte 1,6 cm. 32. Fragment van niet nader te determineren, ruw bewerkt, doch ten dele fijn bewerkt, voorwerp van grijze vuursteen. Lengte 2,1 cm, breedte 1,6 cm. 33. Kleine nucleus van grijze vuursteen, met secundaire bewerking. Grootste lengte 2,4 cm. Literatuur APPELBOOM, TH. G. (1950). Een en ander over de oudste bewoning van de provincie Utrecht. — Jaarb. „Oud-Utrecht", pp. 39-45. RUST, W. J. (1939). Vroeg-middeleeuwse nederzetting op de Gooische Heide. — Heemschut (April). 42


RUST, W. j . " ( 1942). Het Gooi in de Vroege Middeleeuwen. — Meded. Mus. Gooi en Omstr., p. 27. , (1943). De Gooische Dorpen. — Amsterdam (Heemschut-serie). Ter algemene oriëntatie: BEYERINCK, W. (1932). De ligging der Steentijd-resten in MiddenDrente. — Tijdschr. Aardr. Genootsch., 2e serie, XLIX, pp. 394-413. BoHMERS, A. (1947). Jong-Palaeolithicum en Vroeg-Mesolithicum, in: Een kwart eeuw Oudheidkundig Bodemonderzoek, pp. 129-201. — Meppel. BRUIJN, A. (1953). Vuursteenbewerking in de Oudheid. — Berichten R.O.B. IV (1), pp. 1-5. BURSCH, F. C. (1939). Die vorneolithische Kuituren in den Niederlanden. <— Geol. en Mijnb., pp. 17-35. POPPINO, H. J. (1933). Een en ander over de Palaeolithische Kuituren aan het riviertje „de Kuinder". — De Levende Natuur (September). RAHIR, E. (1920). Evolution de 1'industrie tardenoisienne en Belgique. — Buil. Soc. d'Anthrop. Brux. XXV, p. 62. , (1912). L'habitat ardenoisien des Grottes de Remouchamps, Chaleux et Montaigne. — Bruxelles. SCHWABEDISSEN, H. (1944). Die mittlere Steinzeit im westlichen Nord-' deutschland. — Neumünster.

TENTOONSTELLING „HUIS TE VELSEN" In de Rijks-H.B.S. te Velsen was van 20-26 Mei 1954 een kleine tentoonstelling ingericht, waar de jongste vondsten betreffende het middeleeuws Huis te Velsen werden getoond. Deze zijn door A.W.W.N.-leden bijeen gebracht, gedurende de werkzaamheden, welke verricht werden op de plaats van de oude burcht. Daar wordt nl. door een zandzuiger het terrein geschikt gemaakt voor bloembollenteelt, waarbij van de vroegere toestand vrijwel niets behouden blijft. De tentoonstelling omvatte kaarten, foto's naar prenten, bakstenen, vloertegels, dakpannen, beenderen en vele fragmenten van middeleeuws aardewerk en glas, alles chronologisch gerangschikt. Interessant is hierbij, dat uit het gevonden aardewerk en de hoeveelheid hiervan, alsmede uit het formaat der bakstenen, enige conclusies te trekken vallen aangaande, de afwisselende perioden van welstand en verval van het Huis te Velsen. Enkele laat-Karolingische vondsten gaan vooraf; dan volgen die van het oudste huis, vermoedelijk een vierkante woontoren, van ± 1200—1320, restauratie ± 1350. Daarna het vernieuwde huis tot ± 1450 (15e eeuwse vondsten zijn zeer schaars). Brandsporen zijn aanwezig. Vermoedelijk heeft daarna het huis in puin gelegen tot 1668, wanneer er een hofstede-lustplaats van wordt gemaakt, met opname van oude bouwfragmenten. De bloeitijd schijnt wel de 14e eeuw te zijn geweest. De tentoonstelling trok grote belangstelling van leraren en leerlingen der genoemde R.H.B.S. H. J. CALKOEN.

43


OVER DE MOGELIJKE ACHTERGROND VAN DE HAARLEMSE „KROKJESDAGEN" door

E. SMEDES (Haarlem) Alvorens tot mijn eigenlijk onderwerp te komen is het gewenst, iets in het midden te brengen over het verschil in methode van twee typen van wetenschappelijke onderzoekers, nl. het s p e c i a l i s t e n t y p e en het s y n o p t i s c h t y p e . In het Eranosjahrbuch 1947 zegt Prof. Dr F. DESSAUER hierover het volgende: Beide typen zijn op elkander aangewezen en kunnen elkander niet missen. Het specialistentype beperkt zijn werkzaamheid bewust tot een klein veld van onderzoek en let er streng op deze grens niet te overschrijden. Het synoptisch type is er op gericht wijde gebieden van onderzoek te overzien en op deze wijze het werk van specialisten aan te vullen door het te plaatsen binnen een veel wijdere horizon. De specialist werkt met de microscoop en de synopticus met de stereoscoop. De specialist is de mijnwerker, die op een begrensd gebied zijn materiaal verzamelt en de synopticus maakt gebruik van" tef materiaal van vele specialisten. Het denken van een specialist loopt langs bepaalde, vastgelegde rails, terwijl de synopticus een vrije zwerver is met het motto: ,,je prends mon bien oü je 1e trouve". De synopticus helpt de specialisten door hun het werk van andere specialisten toegankelijk te maken en door zijn samenschouwende combinatiegave kan hij hun nieuwe gebieden van onderzoek openen en hun aandacht vestigen op onderdelen, die zij tot dusver verwaarloosd hadden. Nu is in Nederland het misverstand algemeen, dat alleen het specialistentype wetenschappelijk werk kan verrichten en men ziet niet dat het synoptisch type dezelfde methoden gebruikt, evenwel op een andere, samenschouwende manier. Hij speculeert evenmin als de specialist, omdat hij immers gebonden is aan de reële resultaten van diens werk, maar hij neemt kennis van de resultaten van vele specialisten en kan daarom nieuwe gebieden van onderzoek openen. De synopticus is het intuïtieve type waarvan de psycholoog C. G. JUNG zegt, dat het wel ploegt en zaait en egt, maar het oogsten aan anderen overlaat, omdat het alweer naar een ander terrein vertrokken is om opnieuw te gaan ploegen. Dat wil zeggen, dat de specialisten kunnen profiteren van het werk van een synopticus, die op een gegeven ogenblik moet zeggen: hier moet ik halt houden, want hier houdt mijn bevoegdheid op en die 2,0 zijn plaats willig afstaat aan de specialist. Men zal in de loop van het navolgend onderzoek deze methode tegenkomen. 44


PLAAT

1OCM


PLAATX

10

11

WARE GROOTTE


PLAATXL


PLAAT3H


De vader van FREDERIK VAN EEDEN schreef in zijn „Onkruid" (Kennemerland, 1886, p. 143): „Nog in de vorige euw deden de Haarlemse w e v e r s op sommige dagen in het jaar wandeltochten en wel op de Krokjes- en Hartjesdagen. Hun doel waren de Blauwe T r a p p e n 1 ) , zeer hoge en steile duinen, gelegen achter het tegenwoordige Meer en Berg, niet ver van Santpoort". TER Gouw zegt in zijn „De Volksvermaken" (1871) op blz. 148: „Kort na hun kermis plachten de Haarlemmers weleer hun Krokjesdagen te vieren. Het was nog in het begin dezer eeuw onder de w e v e r s en andere lieden uit de minder vermogende burgerstand in gebruik op twee of drie achtereenvolgende Zondagen een wandeling te gaan maken over Bloemendaal naar S a n t p o o r t en V e l s e n (ik spatieer. S.). Die Zondagen heetten Krokjesdagen en men meent, dat die naam en het gebruik beide ook al heel oud moeten zijn 2 ). Sedert het begin der 19e eeuw raakte de Krokjesdag in verval en tegenwoordig (1871) kennen de meeste Haarlemmers zelfs de naam niet meer." Het valt ons in het voorgaande op, dat hier telkens de Wevers worden genoemd. Tevens zij de lezer er aan herinnerd, hoe in de levensbeschrijving van Bonifacius wordt verteld, dat hij drie jaar te V e l s e n predikte, omdat daar een c e n t r u m v a n d e h e i d e n s e g o d s d i e n s t bestond. Ik meen in het navolgende tussen deze beide feiten een verband te kunnen leggen. Het ligt voor de hand, dat wij nu eerst gebruik gaan maken van wat de gespecialiseerde philologen te berde gebracht hebben in zake de betekenis van het woord „krok". Het middelned. wrdb. van VERWIJS en VERDAM verklaart krok als afval van graan, dat men aan kuikens en duiven voert. Het Leidse wrdb. geeft ook: het fijne afval van hooi. In Noord-Holland is hooikrok het stof en vuilnis der hooizolders. Verder: kroksneeuw = fijne korrelige sneeuw met hagel vermengd. Behalve een afleiding van kraken is er ook een van kreuken, wat ons eventueel in de buurt van de wevers brengt. VAN MANDER, in zijn boek over de schilderkunst, geeft ons deze betekenis. BoEKENOOGEN's „De Zaanse volkstaal" brengt ons weer bij hooikrok. Geen van deze afleidingen brengt ons veel verder. De populaire afleiding van TER GOUW, als zou men met een kruikjesdag te maken hebben, omdat men dan veel bier dronk, had ik verworpen, omdat in de tijd toen koffie 1) Thans het Brederodeduin, waar een sanatorium is gevestigd. 2) Hij veronderstelt, dat deze tochten een overblijfsel moeten zijn van vroegere bedevaarten naar het graf van St Engelmundus te Velsen. Men ging, zo meent hij, dan uit de Engelmundusbeek drinken, wat in die tijd voor even gezond werd gehouden als een slok uit de Willebrordusput te Heiloo.

45


dn thee in deze streken nog niet doorgedrongen waren, bier de algemene volksdrank was en men dus wel elke Zondag een kruikjesdag zou kunnen noemen. Toch ligt m.i. de oplossing. O p deze weg werd ik geholpen door het lezen van CARL WOEBCKEN, „Das Land der Friesen und seine Geschichte" (1932). Hij vermeldt daarin nl. (p. 295) de „Krockhooget", de Krokheuvels, die op het eiland Sylt ligg*en ten N . W . van het dorp Kampen. Het zijn zes hoge g r a f h e u v e l s uit het begin van het bronzen tijdperk. Het etymologisch wrdb. van FRANCK zegt: kruik, ags. crüce of crocca, croce. GRIMM, Deutsches Wörterbuch geeft: Krug, mhd. kruoc, ahd. cruoc, cröc = amphora und u r n a. In verband hiermede meen ik te mogen concluderen, dat de oorspronkelijke betekenis van krokjesdag zal zijn geweest: g r a f u r n d a g . Dit voert ons naar een centrum van verering van een Moeder Aarde in Velsen-Santpoort, de godin, die haar kinderen na hun dood weer opnam in haar schoot 1 ). Nu weten wij uit de Egyptische geschiedenis, dat circa 2000 v. Chr. het lijk van Osiris symbolisch begraven werd op de halfcirkelvormige vlakte van Abydos en dat door de eeuwen heen de Egyptenaren, die het konden betalen, hun lijk lieten bijzetten in deze vlakte, om maar dicht bij Osiris te zijn en met hem deel te hebben aan zijn onsterfelijkheid. Dit brengt ons op het onderwerp der d o o d w e g e n rondom Velsen-Santpoort. Ik kom hier op terug. Maar waarom gaan juist d e w e v e r s elk jaar dat dodenfeest vieren? Een soort Allerzielen? Waarschijnlijk niet. W e hebben hier mogelijk met een gildefeest te maken. FRIEDRICH KAUFFMANN zegt in zijn „Deutsche Altertumskunde" (deel I, p. 452 en 453), over de bruiloftsdans waarbij het jonge echtpaar officieel in de dorpsgemeente opgenomen werd, dat deze plaats vond op de Tï of de brink, bij de dorpslinde of op een g r a f h e u v e l , waar men samenkwam om te beraadslagen. Ook heeft hij het over de feestgelagen, waar de mannen samen kwamen. Deze feestgelagen heetten g i l d e en vonden, evenals bruiloften, plaats op g r a f h e u v e l s . Hiervan uitgaande mogen we misschien de Haarlemse Krokjesdagen zien als een overblijfsel van een gildefeest der wevers. ' •'' ''-' ' Waarom juist wevers? Zouden zij elk jaar een nieuw kleed naar de godin gebracht hebben? Ik herinner er in dit verband aan, dat de oorspronkelijke betekenis van gilde niets met economie te maken had, maar religieus van aard was. Het is mij, binnen het bestek van dit korte artikel, helaas niet mogelijk, de argumenten aan te voeren, welke mij tot de veronderstelling van deze figuur hebben geleid. De lezer houde deze te goed tot een volgende keer.

46


DE VRIES zegt daarover in zijn ,,Altgerm»nische Religionsgeschichte" (I): „In den Gildefeiern haben sich merkwürdige Reste des Opfermahles erhalten, aus derien namentlich die religiöse Verbundenheit hervorgeht, die durch das gemein-. same Trinken und Essen zwischen den Teilnehmern hergestellt wird. lm altenglischen bedeutet deofulgild im allgemeinen den Dienst der Abgötter; hier erfassen wir den sakralen Charakter dieser Institution. Althochdeutsch Geit ist die Lestung, die man tut, also im Kulte dasjenige, das man den Götterri darbringt: das Opfer. Deshalb ist für die Dëutschen die Übersetzung von Idolatria: Heidangelt (cursivering v. d. Red.) 1). Das Wort Gilde wird aber verwendet für das Opfer und für die daran beteiligtien Personen, in spaterer Zeit also die Gesellschaft und die von ihr veranstaltete Feier". Uit veel later tijd weten we uit de „Heimskringla", de geschiedenis der Oud-Noorse koningen, dat op het gildefeest de beker rondging. Men maakte eerst boven de beker het Hamerteken (de hamer van Thor had toen dezelfde betekenis als later voor de Christenen het kruis; men droeg bv. kleine zilveren hamertjes om de hals) en daarna werden drie religieuze dronken uitgebracht, waardoor men zowel onderling verbonden was als met de goden zelf. De eerste dronk op Odin „op de overwinning en de heerschappij van de koning", de tweede op Njord en de derde op Freyr ,,op een goed oogstjaar en de vrede". Deze zelfde magische verbondenheid door het gezamenlijk drinken vinden we in een passage van het leven van St Willibrord, een passage, die in dit verband meestal over het hoofd gezien wordt. Hij laat de paarden van zich en zijn metgezellen grazen op het land van een Friese boer, zonder hem eerst vergunning te vragen. De boer komt woedend aangelopen, neemt dat niet en verbiedt het. Om zijn toorn tot bedaren te brengen biedt Willibrord hem een beker wijn aan, maar dit gebaar had een angel in zijn staart, want hij voegt er aan toe: „ . . . en laten we dan drinken ter ere van de Heer Christus". Willibrord tracht hier de boer met het Christendom te verbinden, want hij weet zeer wel, dat, wanneer de boer deze beker gedronken heeft, hij niet meer terug kan; hij zal dan immers magisch verbonden zijn met de Heer Christus. De Fries trapt er echter niet in en weigert met nieuwe woede deze beker aan te nemen, want hij is toch reeds magisch verbonden door de dronk met zijn eigen goden! Een laatste overblijfsel vinden we nog in de 18e eeuw, wanneer .een werfsergeant een recruut wilde lijmen. Eerst wanneer JAN

1) Wat de datering betreft is het duidelijk, dat de termen deofulgild (= duivelsgild) en Heidangelt (= afgodendienst) opgetekend zijn resp. in de tijd van de bekering der Angelsaksen, en die der Saksen tijdens Karel de Grote. De religieuze gilde is natuurlijk veel ouder. 47


deze de aangeboden dronk aanvaard had, was hij op leven en dood verbonden met het regiment 1 ). De economische gilden in de Middeleeuwen blijven deze religieuze basis trouw. Niet alleen verzorgen zij de dienst van hun heilige in de kerk, maar in hun statuten vinden we telkens weer als hun plicht opgenoemd: het op bepaalde tijden bijeen komen om gemeenschappelijk te drinken. CONCLUSIE. W e zijn hier dus mogelijk op het spoor gekomen van een religieus gildefeest der Haarlemse wevers, gehouden in Velsen-Santpoort, waar zij hun verbondenheid met de godin Moeder Aarde en met de Inferi, de onderaardse goden, beleven. Het is niet onmogelijk, dat de Haarlemse en de Amsterdamse Hartjesdag ook met deze veronderstelde godin te Velsen-Santpoort te maken heeft. Ik hoop hierop later terug te komen. Hier moet het werk van de synopticus eindigen en kan dat van specialisten aanvangen, nl. h e t t r a c e r e n e n k a r teren van de loop der verschillende d o o d w e g e n , die r o n d o m Santpoort nog h u n s p o r e n n a g e l a t e n h e b b e n . Ik h o o p , dat v e r s c h i l l e n d e leden van onze vereniging zich geroepen zullen voelen gezamenlijk, en wel met de hulp van oude b o s w a c h t e r s e n d e r g e l ij k e special i s t e n , d i t i n t e r e s s a n t e w e r k t e d o e n . Veel uitstel kan deze zaak niet lijden, want men gaat ter plaatse nietrvve wegen aanleggen. W e mogen veronderstellen, dat de lijken van degenen, die dicht bij Moeder Aarde begraven wilden worden, langs deze doodwegen vervoerd werden. Na kartering van deze wegen zullen we waarschijnlijk kunnen vaststellen, dat ze naar één centrum convergeren, nl. Santpoort, waarvan de traditionele afleidinq wel gelijk kon hebben: Sancta Porta, de Heilige Poort. Waarom heilig? 2 ) Ik !) Het samen eten van politici en zakenlieden en vooral het toasten is nog een zwakke herinnering aan deze gJldedronken. ) In de Nomina Geografica Neerlandica wordt Santpoort verklaard als ontstaan uit Sancta Porta. Een verklaring voor het bevreemdende feit, dat een plaats zó ver vóór de Rijnlimes een latijnse naam draagt, ontbreekt. VERWIJS schreef dan ook reeds in het Middelnd!. wrdb., dat daar niets heiligs te vinden was. behalve dan een kleine kapel, gewijd aan St Patricius, zodat „De Zandpoort", zoals de bewoners de plaats noemen, de enig juiste verklaring kan zijn. En inderdaad, wanneer we de geologische kaart bekijken, zien we dat Santpoort juist ligt op een vrij smalle zandstrook tussen het IJ en een zandig moerasveen, waardoor het dus een begaanbare strook vormt tussen twee onbegaanbare gebieden. Buitendien vinden we in Kent een dorp Sandgate en aan de Franse kust een Sangatte (al kon dit óók wel een verfransing zijn van het Vlaamse „zandgat").

2

48


meen de verklaring te moeten zoeken in het feit, dat deze heilige poort toegang verleende tot d e I n t e r i, d e g o d e n v a n d e o n d e r w e r e l d 1 ) . In allen gevalle staat het vast, dat hier een belangrijk centrum van de heidense cultus moet zijn geweest. Immers, het jonge Christendom bouwde zijn kerken bij voorkeur op de plaats van heidense religieuze centra. Welnu, de kerk te Velsen behoort tot de eerst gestichte en Bonifacius predikte hier niet zonder reden gedurende verscheidene jaren. Maar hoe tracht men dan de latijnse naam Sancta Porta ie verklaren? De vroegere Rijksarchivaris te Haarlem, C. J. GONNET, schreef in de „Bijdragen voor de geschiedenis van het Bisdom Haarlem" (1884): „Nergens (waren de bedevaartplaatsen) zo talrijk als in Kennemerland. Een buurtschap even boven Haarlem noemde men Sancta Porta, de heilige poort, waardoor men het land van belofte als het ware voor de vrome zielen binnenging. Op betrekkelijk korte afstand van elkaar lagen hier Egmond met de St Adalbertsput, Heiloo met de St Willibrordusput, waar genezing van koorts, van verlamming en oogziekte was te vinden, Onze Lieve Vrouw Ter Node of Runxputte onder Heiloo, waarvan het water een geneesmiddel was tegen veeziekte en even boven Alkmaar het dorp Bergen, befaamd door het wonder van het goddelijk bloed". Deze verklaring is m.i. niet aannemelijk, omdat de „poort" ongeveer 20 km vóór de genoemde heiligdommen ligt. 2) Tacitus verhaalt ons, dat Germanicus op zijn tocht naar de Ëemsmond tot zijn vader Drusus bad. Ik waag het te vermoeden, dat hij dit in Santpoort deed. Zulks mede in verband met mijn hypothese, dat de Romeinen niet via de Vecht naar het Noorden voeren, maar de Rijn afzakten tot in de buurt van Leiden en daarna via plassen, geulen en meren naar de Vliemond. Deze scheepvaartweg zou dan dus langs Santpoort gevoerd kunnen hebben. Argumenten voor deze hypothese hoop ik te gelegener tijd op deze plaats mede te delen.

OPGRAVINGS-BER1CHTEN In samenwerking met de Studiecommissie Benedenrivieren van de Rijkswaterstaat werd een proefgraving verricht in 'de Maasdijk, 4 km ten Westen van Maassluis. Het onderzoek is nog niet voltooid. (Uit: „Opgravingsnieuws" der R.O.B.) Op het landgoed de Treek bij Leusden zijn einde Maart twee grafheuvels onderzocht. Eén der tumuli bevatte als centrale bijzetting van de tweede periode een deverelachtige urn. De andere heuvel is omgeven geweest door een enkelvoudige palissade. De grafheuvels zijn gerestaureerd. (Uit: „Opgravingsnieuws" der R.O.B.) 49.


EEN OUD VONDSTBERICHT H. J. DE DoMPiERRE DE CHAUFEPié, in: Buil. Ned. Oudh. Bond II (1901), pp. 128-129.

Een Romeinsche gouden ring bij Velsen gevonden. — Het is eene zeldzaamheid wanneer men in ons land gouden Romeinsche ringen met gesneden steenen vindt, te meer is dit merkwaardig als de vondst plaats heeft in een provincie waar weinig Romeinsche oudheden worden aangetroffen. Nabij Velsen toch is in den loop van 1899 gevonden een gouden ring met cornalijn; wij doen den ring en voorstelling op den steen hieronder afbeelden. (Naar eene teekening van den heer Bijtel, amanuensis aan het Oudheidkundig Museum te Leiden.) De vindplaats is in de nabijheid van de boerenhoeve Auspiciis et telis, op een land dat de Nolle heet, het voorwerp werd op een diepte van ongeveer 75 c.M. opgegraven; door den handel kwam het in het Koninklijk Penningkabinet. De ring is ongetwijfeld oud en wel van laat Romeinschen oorsprong; er is in gevat een cornalijn ter grootte van 15 bij 12 m.M. Op dezen steen is gegraveerd de heldhaftige strijd van Bellerophon met den Chimaera. Men weet dat Bellerophon strijden moest met dit monster, op hem afgezonden door Sthenoboë's vader, den koning Iobates. Gelukkig dat Bellerophon den Pegasus kon bestijgen; gezeten op dit gevleugelde ros overwon hij het uit deelen van een leeuw, een geit en een slang bestaande monster. Dit motief komt o.a. op vazen veel voor, zoo b.v. Roscher Myth. Lexicon s.v. Bellerophon sp. 763, verder op gesneden steenen o.a. een zeer mooie lichte cornalijn van het Penningkabinet en bij Imhoof Blumer «Tier und Pflanzbilder auf Münzen und Gemmen« pi. XXVI 18-19. 't Is merkwaardig dat het niet de eerste maal is dat in den omtrek van Velsen oudheden worden gevonden. In 1866 werden door het Universiteits Penningkabinet te Leiden aangekocht een vijftal nabootsingen van Byzantijnsche munten die men vermeld vindt in van der Chijs' boekje over genoemd kabinet p. 53 en in zijn Munten der Frankische en DuitschNederlandsche vorsten op plaat XXII. Deze stukken werden gevonden bij het graven van het kanaal naar IJmuiden, in de nabijheid van Velsen. P. O. VAN DER CHIJS, in: Het Munt- en Penningkabinet der Leidsche Hoogeschool in 1867, p. 53. Aan het einde dezer Af deeling moeten wij nog vermelden de fraaije verzameling van niet minder dan zeventien stuks gouden munten, zoo Frankische nabootsingen (een derselve 50


wijst duidelijk op het munthuis van T r i e r ) der munten van Justinus en Justinianus, als Frankische munten der 6de en 7de eeuwen, die ten jare 1866 gevonden zijn in de nabijheid van Velzen, bij het graven van het kanaal, dat langs den kortsten weg van Amsterdam naar de Noordzee voert, en den naam draagt van K a n a a l v a n H o l l a n d o p z ij n s m a l s t . Deze stukken zijn alle beschreven en afgebeeld in het werk: De Munten der Frankische, en Duitsch-Nederlandsche vorsten, door P. 0. van der Chijs. Haarlem 1866, 4°. pi. XXII en XXIII. W . J. de Boone

BOEKBESPREKING W. GLASBERGEN, Barrow Excavations in the Eight Beatitudes. The Bronze Age cemetery between Toterfout & Halve Mijl, North Brabant. 1 The Excavations •— II The Implications. — Groningen 1954, diss. (De beide delen verschijnen ook afzonderlijk in de verhandelingen en mededelingen van het Biol. Arch. Instituut te Groningen, n.1. in Palaeohistoria Vol. II en Vol. III) „Acht Zaligheden" is de wel wat schijnheilige naam voor het land ten Z.W. van Eindhoven, waar acht dorpjes bijeen liggen wier namen eindigen op -sel: Knegsel, Reusel etc. Daar, in de Gemeente Veldhoven, liggen de gehuchten Toterfout en Halve Mijl, en tussen die twee een veertigtal grafheuvels dat, ten dele door ontginning bedreigd, systematisch werd onderzocht onder leiding van Prof. VAN GIFFEN in de jaren 1948 t.e.m. 1951. GLASBERGEN had daarbij op het veld de leiding, en dit onderzoek leverde hem de stof tot zijn dissertatie. Had hij zich beperkt tot het eerste deel, dan was zijn werk al belangrijk genoeg geweest voor de Nederlandse Oudheidkunde. Niet alleen door de verworven kennis van een samenhangende en structureel zeer rijke groep van bronstijd-grafheuvels, maar ook door de standaard van onderzoek en publicatie. Het onderzoek: minitieus, en met inschakeling van de hulpwetenschappen van deze tijd, als pollenanalyse, grondonderzoek, osteologisch onderzoek en O* analyse. De publicatie: uitmuntend in exacte formulering en beknopte volledigheid en met eigenhandig tekenwerk dat verheugt door helderheid, nauwkeurigheid en verzorging. Het is evenwel vooral het tweede deel — „The Implications" — dat een uitvoeriger bespreking hier ten volle rechtvaardigt. De tumuli van de Toterfout-Halve Mijl groep bleken bijzonder rijk aan paalkranseri rond de voet van de heuvel geweest te zijn; sporen hiervan werden in alle verscheidenheid en ordes van grootte aangetroffen. Dit werd in deel II aanleiding tot het opstellen van een typologische klassificatie, waarbij negen soorten van paalkransen onderscheiden worden naar het aantal der door palen bezette cirkels en de onder' linge afstand van die palen tot elkaar. Type 1 en 2 stammen nog uit de late Steentijd: enkelvoudige enggestelde paalkransen die stonden in ringslootvormige standsporen, en die slechts in zoverre verschillen dat de sporen van type 1 midden onder de heuvel, die van type 2 aan de voet van de heuvel worden aangetroffen. GLASBERGEN veronderstelt (stelling V) dat de paalkrans type 1 slechts gestaan heeft na een voorlopige begraving, en vóór het opwerpen van de heuvel weer verwijderd werd; — met die heuvel als zodanig dus niets

51


uitstaande had. (Een gang van zaken die voor zijn type 9 in één geval wel als bewezen mag gelden. M.i. is er reden om zijn verondeistelling tot type 2 uit te breiden. Hierdoor zou echter het ondeischeid tussen beide types, dat een samenhang met de heuvel vooronderstelt, vervallen.) Deze eerste typen zijn van belang als begin punt van de reeks die zich vooral in vroege en midden Bronstijd ontwikkelde: de typen 3 t.e.m. 9, lopende van enkelvoudige wijdgestelde paalkransen tot vier- en meervoudige enggestelde kransen en kringvormige staketsels (het bewuste type 9). Aan ieder dezer typen nu wijdt GLASBERGEN een uitvoerige bespreking en een verspreidingskaart, waarbij korte beschrijvingen worden gegeven van al de tot het type behorende heuvels tot Juli 1952 toe in Nederland ontgraven — hieronder verscheidene die nog niet eerder gepubliceerd werden. Het resultaat is dan ook een indrukwekkend compendium waarin de essentiële gegevens •— imet afbeeldingen der belangrijkste heuvels en vondsten — van 179 Nederlandse paalkransheuvels uit de Bronstijd verzameld en besproken zijn. Westelijk Nederland leverde slechts een bescheiden bijdrage tot dit getal: van type 3 (enkelvoudig wijdgesteld) groef BURSCH er een op bij Soesterberg en REMOUCHAMPS bij Laren, terwijl type 5 (enkelvoudig enggesteld) door VAN GIFFEN eenmaal in Zwaagdijk-Wervershoof werd aangetroffen. GLASBERGEN besluit dit deel van zijn werk met een bespreking van tegenhangers van de Nederlandse paalkransmonumenten in het buitenland. Duidelijk is dat deze verschijnselen hun origine in de Neolithische culturen moeten hebben — waar en wanneer blijkt vooralsnog een open vraag te moeten blijven. Tot de oplossing van een volgend probleem dat GLASBERGEN in deel II aan de orde stelt, dat der z.g. „continentale Deverel-urnen" levert het Westen van ons land een belangrijke bijdrage. Ook nu werden „DevereP'-urnen uit Toterfout-Halve Mijl een aanleiding tot hernieuwde studie van een oud probleem, en dankzij een goede probleemstelling en het opstellen van een catalogus van het gros van het Nederlandse en Belgische materiaal, met tekeningen en verspreidingskaart, is de uitkomst verrassend. Enkele punten volgen hier. De naam „DevereP'-urnen voor deze groep is misleidend; met de Engelse Deverel-Rimbury-cultuur (Montelius V, ca. 800 v. Chr.) hebben zij niets te maken. (Dit in tegenstelling tot de in Engeland iot dusverre geldende opvatting, als zou de Engelse Deverel-cultuur via de Nederlandse aan urnenveld-invloeden te danken zijn.) In plaats van „DevereP'-urnen stelt GLASBERGEN twee namen voor: de „Hilversum"- en de „Drakenstein"-urnen, aldus naar de vindplaats der bekendste voorbeelden genoemd. De Hilversum-klasse blijkt zeer direct samen te hangen met de „overhanging rim urns" der Engelse Midden Bronstijd (Montelius 111). Een Hilversum-urn bij Toterfout bleek als primaire bijzetting in een ringslootheuvel eveneens tot de vroege Midden Bronstijd (Montelius III) te behoren. De Hilversumurnen — zij komen slechts voor bij Hilversum, Amersfoort, Wijchen, in de Campina en als een losse scherf bij den Haag en bij Lisse — wijzen op een binnenkomen van Engelse „overhanging rim urn"-mensen in ons land in de Midden Bronstijd (Montelius III). Déze mensen — en niet de zoveel later uit het Z.O. komende urnenveld-mensen — brachten, hier het eerst de gewoonte van het begraven van crematieresten in urnen. Hun nakomelingen ontwikkelden in een iets wijdere omgeving gedurende de latere Bronstijd (Montelius IV) uit het Hilversum-type het Drakenstein-type, dat zijn de urnen die in de eerste plaats met de Engelse Deverel-urnen verward zijn. Wanneer tenslotte de Urnenvelden ten onzent hun intrede doen op het laatst van de Bronstijd (Montelius V) komen ook deze Drakenstein-urnen niet meer

52:


voor. Dat men in Engeland niet doof is voor deze nieuwe visie blijkt wel uit het artikel dat Prof. HAWKES met GLASBERGEN publiceerde

(Archeologie 1953, pp. 434-438) waarin ook de consequenties voor Engeland van dit beeld onderzocht worden. Intussen is hier voor de A.W.W.N, .een taak weggelegd: het opsporen van meer scherven van het Hilversum-type in het uiterste Westen, zoals die van den Haag en Lisse, die de komst overzee hunner makers zo fraai illustreren! Voor het einde van het werk treffen we nog een hoofdstuk over het grafritueel, waarin aan de hand van een structureel zeer rijke Heuvel — Toterfout-Halve Mijl no. 8 — voorzover thans mogelijk een beeld wordt ontworpen van de diverse elkaar opvolgende gebeurtenissen bij het dodenbestel. (En hierbij, terloops, weer een catalogus met tekeningen, dit keer van de tot dusverre in Nederland ontdekte zg. „dodenhuisjes" in Bronstijd graf heuvels.) Dan tot slot een hoofdstuk waar de resultaten nog eenmaal duidelijk worden gereleveerd, en waar de geschiedenis van de „Acht Zaligheden" in vogelvlucht tot op de drempel der /vliddeleeuwen gevolgd wordt. Dat het uiterlijk van dit boek een even verzorgd en foutloos aspect toont als de inhoud is een feit waarvoor de Uitgever — de firma Wolters — alle lof toekomt. Moge het boek velen de aansporing zijn die het mij is. J. D. v. d. W.

VERENIGINGS-MEDEDELINGEN VAN HET HOOFDBESTUUR Tot het Hoofdbestuur is toegetreden de heer Dr W. J. DE BOONE, te Amersfoort, oud-secretaris van de Werkgroep „Amsterdam & Omstreken" en lid van de Redactie van „Westerheem". De heer DE BOONE promoveerde op 2 Juli jl. te Groningen tot doctor in de letteren en wijsbegeerte op een proefschrift, getiteld: „De Franken van hun eerste optreden tot de dood van Childerik". Met het behalen van zijn academische graad wenst het Hoofdbestuur zijn mede-lid, de heer DE BOONE, op deze plaats nogmaals van harte geluk. DE A.W.W.N. IN DE AETHER Onze Voorzitter, de. heer H. J. CALKOEN, zal op Vrijdag 16 Juli a.s., des avonds om half acht, over de zender Hilversum I (programma der V.P.R.O.) een r a d i o - v o o r d r a c h t

over de A.W.W.N. h o u -

den. Hoewel de heer CALKOEN zich. uiteraard zal richten tot nietleden, menen wij onze leden dit ttricht niet te mogen onthouden, daar zich niet spoedig weer een gelegenheid zal voordoen, waarbij alle. leden der A.W.W.N. zich gezamenlijk en op zo confortabele wijze onder het gehoor van hun Voorzitter zullen kunnen scharen! De gehele A.W.W.N.-familie notere dus en stemme af op Vrijdagavond 16 Juli, om 19.30 u., op Hilversum I (V.P.R.O.). VAN DE WERKGROEPEN Voor de werkgroep „Kennemerland" werd op 2 Juni jl. door Dr H. BRUNSTINO een lezing gehouden, getiteld: „Tijdsbepaling in de Archaeologie".

53


OPROEP „KRANTENKNIPSEL-DIENST" Op alle lezers wordt een dringend beroep gedaan om alle k r a n t e n b e r i c h t e n , welke betrekking hebben op archaeologische vondsten en onderzoekingen in Nederland, uit te knippen en, met vermelding van de naam van het periodiek en de datum van verschijnen, op te zenden aan het adres der redactie: Morskade 12, Leiden. Hier ligt een nieuw terrein van activiteit braak, óók voor hen die niet in de gelegenheid zijn, op andere wijzen actief aan het werk van onze vereniging deel te nemen. Een eigen k r a n t e n k n i p s e l el i e n s t van de A.W.W.N, opent de mogelijkheid tot intensivering en uitbreiding van onze arbeid, nl. door: het publiceren in „Westerheem" van korte samenvattingen betreffende de voornaamste der recente oudheidkundige gebeurtenissen in Westelijk Nederland; het aanleggen van een centraal a r c h i e f betreffende vondsten, onderzoekingen en beschouwingen, waaruit geput zal kunnen worden bij het samenstellen van overzichten van vondsten in bepaalde streken of uit bepaalde perioden; het schenken van de nodige aandacht aan archaeologische objecten, zoals deze door krantenberichten ter algemene kennis komen. Hierdoor kan de conserverende arbeid van onze Werkgemeenschap zeer worden bevorderd, speciaal door de activiteit onzer plaatselijke leden; het voeren van „gerichte" p r o p a g a n d a , door deze te versterken op dié plaatsen, waar, door oudheidkundige vondsten en onderzoekingen, de aandacht en de belangstelling in breder kring is gewekt. Deze interesse wakker te houden en te verdiepen is een der meest belangrijke opgaven, die onze vereniging zich stelt. Helpt dus a l l e n mede, zendt ieder oudheidkundig bericht uit courant of tijdschrift onverwijld naar de redactie en U draagt bij tot vergroting van het effect èn het ledental der A.W.W.N. VAN DE HOOFDREDACTEUR In verschillende nummers van de eerste jaargang van „Westerheem" heb ik van de gelegenheid, die mij bij het samenstellen en de vervaardiging van dit blad werd geboden, gebruik gemaakt om in het voorwoord de leden der A.W.W.N, op te wekken, niet alleen hun steentje bij te dragen tot „het vullen" van een tijdschrift, welks bestaan door velen hunner zo zeer op prijs werd gesteld, maar vooral ook hun eigen vondsten en onderzoekingen daarin te publiceren, zulks tot heil van de wetenschap en ter informatie en stimulatie van hun mede-leden. Sindsdien is het een goede gewoonte geworden, dat op die plaats de voorzitter der A.W.W.N. zich tot ons allen richt met woorden van aansporing en van bezinning op onze studie. Van harte hopen wij, dat deze traditie nog lang mag worden voortgezet; wij zouden de bezielende leiding en stuwende geestdrift van de heer CALKOEN niet willen en niet kunnen missen. Dringende redenen om mij opnieuw in een voorwoord tot U te richten met een oproep om copy, zijn er gelukkig niet meer. De copyportefeuille laat soms zelfs enige keuze toe met betrekking tot lengte en onderwerp der te plaatsen artikelen. Daarvoor ben ik natuurlijk dankbaar, maar helemaal tevreden ben ik nog niet. Gaarne zou ik zien, dat de voorraad enige malen groter was, evenals de variatie der artikelen naar plaats en onderwerp. Dat klinkt misschien onhartelijk, maar wilt U wel bedenken, dat Uw hoofdredacteur bij zijn desbetreffende werkzaamheden, evenmin als de heer CALKOEN, die steeds onze fraaie illustraties vervaardigt, op elk willekeurig ogenblik

54


tijd en gelegenheid heeft, ofti de ingezonden Copy te verzorgen, reep. de afbeeldingen te maken? Wanneer de copy en de af te beelden voorwerpen echter voldoende lang van te voren en in ruimere mate door hen worden ontvangen, dan kan dit werk rustig en zonder overhaasting gebeuren en behoeft de samenstelling van elk nummer de redactie niet telkenmale weer hoofdpijn te bezorgen. De voorraad copy moet dus groter worden, en dat kdn! Nog zijn er vele leden, van wie bekend is, dat zij iets belangrijks vonden, of interessante voorwerpen en andere gegevens bezitten. Opmerkzame A.W.W.N.leden lazen over vondsten hunner mede-leden in de krant! Maar „Westerheem", hun eigen archaeologisch blad, met zijn unieke afbeeldings-mogelijkheden — beter dan welke krant ook —, zwijgt erover, kreeg nl. zelfs niet eens een klein vondstberichtje! Waar blijft dan het belang van ons blad — dat énig is in zijn soort! —, wanneer daarin slechts een enkele vondst wordt gepubliceerd? Juist in „Westerheem" dient elke vondst — hoe klein ook — en elk amateuristisch onderzoek gevonden te kunnen worden. Laat bovendien niet langer een kleine groep werkers alléén voor de inhoud en samenstelling van ons blad moeten zorgen (of moet ik zeggen: „opdraaien"?). U bent misschien bang, dat Uw artikel niet meteen in het volgend nummer wordt opgenomen?! Zoudt U deze kleine inconveniënt echter niet beter kunnen dragen, dan de redactie en haar weinige geregelde medewerkers, zonder Uw hulp, de veel zwaarder lasten van het instandhouden van Uw blad? De A.W.W.N. heeft een subsidie gekregen, en dat niet zonder goede gronden. Daar is eerst iets voor gepresteerd! Laat het niet zó behoeven te zijn, dat U Uzelf te eniger tijd het verwijt moet maken: WIJ —• de A.W.W.N. — hebben de subsidie gekregen, maar ZIJ — enkele anderen — hebben deze verdiend! Met belangstelling zie ik Uw copy tegemoet. H. J. VERHAGEN

GEOLOGlSCHE-ARCHAEOLOGlSCHE WERKWEEK Deze traditionele werkweek, die thans voor de 5e maal door één der Votkshogescholen, in samenwerking met de Ned. Geologische Vereniging, wordt gehouden, zal ditmaal plaats vinden in de Volkshogeschool „Geerlingshof" te Valkenburg (L). Excursies, die de belangstelling der archaeologische deelnemers zullen genieten, zijn o.a. die naar de vuursteenwerkplaatsen te Rijckholt en Sint Geertruid, Romeinse opgravingen te Heerlen, Romeinse villa in Kaalheide en bezoeken aan diverse musea. Een busexcursie (kosten f 10,— p.p.) brengt de cursisten naar de Ardennen of naar uitermate belangrijke archaeol. en geol.-palaeontol. verzamelingen te Brussel. Door deskundigen worden op 5 avonden lezingen gehouden over geol. en archaeol. onderwerpen. De weekcursus begint op Zaterdag 7 Augustus, 13.30 uur en eindigt op Zaterdag 14 Aug., des namiddags. De kosten bedragen f 25,— per persoon. Opgave vóór 1 Augustus aan de Volkshogeschool. Nadere inlichtingen ook te verkrijgen bij G. D. VAN MELZEN, van Beresteijnstraat. 20 te Vught, of bij het Secretariaat der A.W.W.N., van Eedenstraat 9, Haarlem.

55


KADASTERKAARTEN IN NEDERLAND THANS GEMAKKELIJKER TE RAADPLEGEN De Afdeling Naamkunde van de. Centrale Commissie voor Onderzoek van het Nederlandse Volkseigen der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen deelt het volgende mede: Op de op 29 December 1953 gehouden bespreking van de Commissie voor Naamkunde met medewerkers en vertegenwoordigers van regionale en locale organisaties 1 ), werd er o.m. op gewezen, dat het in Nederland zeer moeilijk is, inzage te verkrijgen van het kadastraal materiaal, dat voor een onderzoek van veel belang kan zijn. Bovendien zijn voor het raadplegen hiervan leges verscnuldigd. Gevraagd werd, of het Naamkundebureau het verkrijgen van faciliteiten niet centraal kon regelen. Voor ontheffing van leges en voor het raadplegen van het kadastrale materiaal bleek te toestemming van de Minister van Financiën vereist. Deze toestemming is inmiddels verleend en hiervan kunnen medewerkers en verenigingen, die zich op naamkundig gebied bewegen, gebruik maken, op vertoon van een door de Secretaris der Commissie voor Naamkunde af te geven m a c h t i g i n g . Hiermede kan inzage worden verkregen van de kadastrale minuutplans en andere kaartbescheiden, aanwezig aan de bureaux van de landmeetkundige dienst van het kadaster, en voorts van de registers van overschrijving en andere kadastrale gegevens, aanwezig aan de hypotheekkantoren. De raadpleging mag uitsluitend ten doel hebben, het verzamelen van gegevens op naamkundig gebied, ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek, en kan geschieden op een tijd en plaats, door de noofden van bureau van de landmeetkundige dienst en door de nypotheekbewaarders te bepalen. Bovendien voor zover de te raadplegen bescheiden niet voor 's Rijks dienst benodigd zijn. Voor het laten vervaardigen van f o t o c o p i e ë n van kadastrale minuutplans en andere kaarten tegen het daarvoor geldende tarief, moeten de aanvragen door de Secretaris van de Commissie voor Naamkunde schriftelijk worden ingediend bij de hypotheekbewaarder van het kantoor, waar de kaarten zich bevinden. Zij dienen o.m. te behelzen de omschrijving van het plan (met aanduiding van gemeente, sectie en bladnummer), waarvan copie wordt verlangd, de aard van de copie (positief of negatief), de schaal, waarop deze moet worden vervaardigd en het aantal copieën dat van ieder plan moet worden gemaakt. Negatieven, op halve grootte, kosten ongeveer ƒ 2,—. Bij het verzoek aan de Secretaris van de Commissie voor Naamkunde (Nieuwe Hoogstraat 17, Amsterdam-C.) om toezending van bepaalde kaarten, dienen belanghebbenden dus met deze punten rekening te houden. (w.g.) J. FEKKES, assistent.

Aan deze bespreking werd namens de A.W.W.N. deelgenomen door onze Secretaris, de heer C. ROODENBURO.

56


INHOUD Een aansporing blz. CALKOEN, H. J., Op zoek naar een castellum APPELBOOM, T H . G., Een vindplaats van mesolithische werktuigen op de Qooise heide Tentoonstelling „Huis te Velsen" SMEDES, E., Over de mogelijke achtergrond van de Haarlemse „Krokjesdagen" Opgravings-berichten Een oud vondstbericht Boekbespreking Verenigings-mededelingen Geologische-archaeologische werkweek Kadasterkaarten in Nederland

33 34 38 43 44 49 50 51 53 55 56

Inzending van copy en mededelingen In verband met de zomervacantie zal het volgend nummer niet vóór 15 September a.s. verschijnen. Artikelen, ontvangen na 15 Augustus, kunnen niet meer worden geplaatst; mededelingen en korte berichten moeten uiterlijk 1 September bij de Redactie zijn.

N. V. MOUTON & Co. - DEN HAAG Z. O. BUITENSINGEL 150 UITGEVERIJ

ANTIQUARIAAT

ZO JUIST IS VERSCHENEN:

In onze regelmatig verschijnende catalogi zijn ook vele boeken over archaeologie en praehistorie

Die Anfange des Eigentums bei den Naturvölkem und die Entstehung des Privateigentums door W. NIPPOLD Een boek, dat voor iedere historicus van belang is. VIII, 94 blz. Gebonden ƒ 12.—

nnffpnnmpn

ONZE LAATSTE CATALOGI: Books on Eastern Europe, Nr. 3 »

»

»

»

j Nr. 4

Books on Asia, Nr. 2 Bücher über Bodenkunde, Biologie, Geologie usw., Nr. 1 Al onze catalogi zyn op aanvraag gratis verkrijgbaar.


WE5TERHEER


Jaargang Ili, No. 7-8

Jult-Aiigustiis 1954

WE5TESHEER Orgaan van de ARCHAEOLOGISCHE WERKGEMEENSCHAP VOOR WESTELIJK NEDERLAND Hoofdredacteur: H. J. VERHAGEN, Morskade 12, Leiden. Secretaris der A.W.W.N.: C. ROODENBURG, van Eedenstraat 9, Haarlem. Contributie ad ƒ 5,— te storten op girorekening 577808, ten name van de Penningmeester der A.W.W.N, te HAARLEM.

ARCHAEOLOGIE EN GESCHIEDENIS „De geschreven geschiedenis bevat een heel brokkelig en onvolledig verslag van wat de mensheid gedurende de laatste vijfduizend jaar in de verschillende delen der wereld gepresteerd heeft. De periode waarvan wij een overzicht hebben, is op zijn hoogst een honderdste gedeelte van de tijd waarin de mens een actieve rol heeft gespeeld op het ondermaanse. Het ons geboden beeld is ronduit chaotisch; het is moeilijk om daarin enig uniform patroon of vaste richtlijn te ontdekken. De archaeologie bestrijkt een periode, die honderd keer langer is. In dit vergrote studieterrein worden inderdaad algemene lijnen zichtbaar, opeenvolgende veranderingen die zich in één hoofdrichting bewegen en op te herkennen resultaten uitlopen. De praehistorie kan het voortbestaan van de mens gadeslaan, zijn verbeteringen in kunstmatige uitrusting, zijn aanpassing aan de omgeving en omgekeerd. De archaeologie kan hetzelfde proces nagaan in historische tijden, ook in de streken, waar de dageraad der geschreven geschiedenis nog niet is aangebroken. Zonder enige methodische verandering kan deze wetenschap tot op de huidige dag de uitlopers opzoeken van ketens, die reeds in de praehistorie werden gesignaleerd." V. GORDON CH1LDE in: „Van vuursteen tot Wereldrijk"

57


HET DOCUMENTEREN VAN OUDHEDEN door

Dr P. J. R. MODDERMAN (Conservator R.O.B. Amersfoort) Weet U, wat deze titel eigenlijk zeggen wil? Wat is documenteren van oudheden? Onder oudheden wordt hier alles verstaan, wat bekend staat als oudheidkundige voorwerpen èn vindplaatsen. Het documenteren betekent, dat men van deze oudheden een document maakt. Wij gaan dus zien, hoe wij onze oudheden tot document kunnen verheffen. Oudheden zijn nl. uit zichzelf geen document, zoals vredestractaten, koopacten of testamenten. ', Stel U voor, dat U bij Uw omzwerving rond Driepolderdorp een mooie vindplaats hebt ontdekt uit de Romeinse tijd. De scherven hebt U mee naar huis genomen. Ze liggen keurig schoongemaakt in een doos bij elkaar. U gaat natuurlijk nog eens kijken in het veld, of er wat te vinden is. Er komt dus weer wat bij in die doos. Een ander maal komt er nog zo'n vindplaats bij en zo hoopt het materiaal zich allengs op. De verzameling groeit. Weet U nu na 5 jaar nog 100 % zeker, waar al die scherven vandaan zijn gekomen? Heeft moeder de vrouw ze niet eens laten zien aan deze of gene, toen U niet thuis was? Is toen alles weer netjes in het goede doosje beland? Ik had ook kunnen vragen: hebt U Uw vondsten gedocumenteerd? Documenteren begint met de aanschaf van een goede kaart. Bij voorkeur één van de Topografische Dienst, Afd. Kaartverkoop, Westvest 9 te Delft, schaal 1 : 25000. Deze is voor westelijk Nederland vrijwel geheel in de nieuwe na-oorlogse uitgave te krijgen 1). En dan is er nog een stevig schrift, een tekenpennetje en een potje Oost-Indische inkt nodig. U gaat nu iedere vindplaats een nummer of ander kenteken geven. Dat nummer zet U met het tekenpennetje en de O.I. inkt op elk voorwerp, dat van de bewuste vindplaats afkomstig is. In het schrift wordt achter het nummer opgeschreven wat U er mee bedoelt en waar het terrein van Uw vondsten ligt. U kunt daarbij de gemeente noemen, de kadastrale sectie en het perceelsnummer. Een overtrekje van een deel van de stafkaart erbij sluit iedere verwarring uit. Dan is van belang hoe het is gevonden, wanneer en ook wie bij de 1) Eén blad van de gekleurde kaart 1 : 25.000 kost onopgeplakt ƒ 58


Vondst aanwezig zijn geweest. U maakt dus één procesverbaal op van Uw vondst. Vanzelfsprekend zult U Uw vindplaats ook op de kaart intekenen. Z o n topografische kaart heeft men voorzien van een netwerk van lijnen, die precies 1 km uit elkaar liggen. Iedere lijn is voorzien van een bepaald getal. Dit is een systeem, dat voor het hele land geldt. Ergens ten Z.W. van ons land bevindt zich het nulpunt van dit lijnenstelsel, dat officieel coördinaten-systeem heet. Van dit nulpunt pal naar het oosten gaande is op een lijn iedere km aangegeven met 1 te beginnen. Hetzelfde heeft men gedaan voor een lijn, die van het nulpunt pal naar het noorden is getrokken; deze begint echter met 301 te tellen. Met dit lijnenstelsel nu kan men van ieder punt in Nederland bepalen hoeveel km's het ligt ten oosten en ten noorden van het nulpunt. Zo geven de zes cijfers 155.463 aan; dat de Lange Jan in Amersfoort 155 km ten oosten en 163 (463 — 300) km ten noorden van het nulpunt staat. 155.463 zijn de coördinaten van de Amersfoortse toren. Maar ook binnen deze vakken van 1 km2 kan men een willekeurig gekozen punt nog nader bepalen. Het is immers een tref, als onze vindplaats net op het snijpunt van twee km-lijnen ligt. Binnen een km-vak bepalen we eerst de afstand van het onderhavige punt tot aan de eerste km-lijn ten westen daarvan en vervolgens tot de eerste km-lijn ten zuiden. Denk daarbij wel aan de schaal. Bij een 1 : 25000 kaart is 4 cm gelijk aan 1 km. Iedere cm van Uw liniaal is dus in werkelijkheid 250 m; iedere mm is 25 m. Er bestaan heel handige zgn. plaatsaanwijzers, waarmee men deze laatste plaatsbepaling in een ommezien gedaan krijgt. Zij zijn een uitgave van Bureau Mavors te Arnhem, prijs ƒ 0.30, gironummer 75555. Op deze wijze kan men met tien cijfers ieder punt in Nederland tot op 10 m nauwkeurig vastleggen. Zo zijn de coördinaten van het Paleis op de Dam in Amsterdam 121.36 : 487.27. Dit gebouw staat dus 121,36 km ten O. van het nulpunt en 187,27 km ten N. daarvan. Gewoonlijk vermeldt men bij deze coördinaten nog het nummer van het kaartblad van de topografische kaart. Voor het Paleis is dat 25 G van de bladen 1 : 25000 en 25 Oost voor de kaart 1 : 50000. Zo hebt U dus Uw vindplaats nauwkeurig vastgelegd. Tenslotte kunt U nog een omschrijving van de vondsten geven, zodat uiteindelijk aan Uw oudheden het praedicaat ,,document" kan worden gegeven. Er is evenwel nog één stap, die U kunt doen om de waarde van Uw vondsten het aanzien te geven, dat U er toch van 59


verlangt. Het heeft nl. weinig zin om al dit werk te doen, als er geen grotere bekendheid aan wordt gegeven. De archaeologische wetenschap wordt door Uw naspeuringen eerst dan pas gediend, als ook anderen van Uw materiaal kennis kunnen nemen. Tot wie moet U zich nu wenden om deze laatste stap op de weg van het documenteren van oud: heden te doen. De Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek te Amersfoort heeft onder zich een documentatie-archief. Alle gegevens, de oudheidkunde van ons vaderland betreffende, moeten daarin worden opgenomen. Ook Uw vondsten horen daarbij'! Het documentatie-archief van de R.O.B, heeft als eerste doel om alle oudheidkundige vindplaatsen in Nederland te verzamelen. Zowel oude, alsook nieuwe gegevens bevinden zich daarin. U zult wel begrijpen, dat dit een enorme taak is, waarbij de hulp van alle belangstellenden in de vaderlandse archaeologie hoog nodig is. Uiteindelijk staat bij al dit werk voor ogen een oudheidkundige kaart van Nederland. Hoe deze zal worden uitgevoerd, is nog niet bekend. Het is echter vooreerst zaak om alle feiten te verzamelen, die verkrijgbaar zijn. Nogmaals: ook Uw vondsten horen daarbij. Hier ligt hèt contactpunt tussen de amateur en de beroepsman. De oudheidkundige kaart van Nederland is een zaak, die de werkzaamheid vereist van iedere archaeoloog in den lande. Er moge in dit verband nog op worden gewezen, dat Nederland in dit opzicht een belangrijke achterstand heeft in te halen, o.a. op een land als Denemarken.

KROKJESDAG, OORSPRONKELIJK EEN WEVERSGILDE-FEEST ? door

IR F. DE FRÉMERY (Hilversum) In „Westerheem" van Mei-Juni 1954 oppert E. SMEDES de mogelijkheid, dat de Krokjesdag die vroeger in Haarlem gevierd werd, een herinnering zou zijn aan een oud weversgilde-feest, waarbij de wevers trokken naar een voormalig heidens heiligdom in de duinen. Dat dit een feest juist voor wevers moest zijn, meent hij daaruit te kunnen verklaren, dat mogelijkerwijze de wevers elk jaar een nieuw kleed aan de Godin van het heiligdom gingen aanbieden. Ik. geloof, dat de veronderstelling van de heer SMEDES 60


een nog hechtere grondslag gegeven kan worden als we nader ingaan op de oude betekenis van het weven. De oorsprong van het feest ziet de heer SMEDES in de tijd, dat de gilden nog niet tot zuivere vakverenigingen met vrijwel uitsluitend industriÍel-economische betekenis waren geworden, maar toen de gilden nog hun oorspronkelijke cultische karakter bezaten. In die tijd was het weven ook niet enkel een techniek, maar werd in het weven een cultische handeling gezien. In de oudheid, evenals thans nog bij primitieve volken, werden spinnen, weven en knopen als handelingen met cultische betekenis beleefd. Wij hebben daarvan nog iets in ons spraakgebruik overgehouden: de familieband, de levensdraad, betrekkingen aanknopen, de ontknoping van een situatie, het verweven raken van levens enz. In de germaanse kunst vinden we overal de knoop en het gedraaide koord, een motief dat in het intreccio (vlechtwerk) der Longobarden zijn hoogtepunt bereikt. De Nornen spinnen bij de Urdas-bron de levensdraad der nieuwgeborenen (Edda, Helgakvida). GOETHE, die zoveel aan de oude alchemie, waarin veel heidens goed bewaard werd, ontleende, laat de Erdgeist in de Studierzimmer-scène I van Faust I zeggen:. 501

In Lebensfluten, im Tatensturm Wall ich auf und ab Webe hin und her! Geburt und Grab Ein ewiges Meer Ein wechselnd Weben Ein glĂźhend Leben So schaff ich am sausenden Webstuhl der Zeit 509 Und wirke der Gottheit lebendiges Kleid. De oerbeelden der schepselen waren opgenomen in de sluier der Natuur die door Persephone, de dochter van Demeter, geweven en geborduurd werd. Deze enkele opgesomde punten mogen voldoende zijn om aan te tonen, dat het alleszins in de gedachtenwereld van de vroege bewoners van ons land gelegen kan hebben, dat een weversbond een jaarlijkse tocht naar het heiligdom van de Godin der vruchtbaarheid zou ondernemen. Het feit, dat het weven en knopen werkelijk een cultische betekenis had. moge aan enkele afbeeldingen (pi. XIV) nog nader worden toegelicht. Fig. 1. Intreccis uit een Comaciner kerk te Rome. Deze panelen werden door de Longobarden op prominente plaat61


sen, zoals de zijkanten van het altaar, de ambon, de koorafsluitingen enz., aangebracht. Vaak ook is het weefsel of knoopwerk gecombineerd met andere symbolen. Fig. 2. Schots kruis van Kerkapoal, dat aan de niet afgebeelde zijde Christelijke voorstellingen draagt, vertoont hier links een knoop. In het midden een hert dat door honden wordt opgejaagd, omringd door een krans van driespuiten. Deze zijn het symbool van herleving (zie FARWERCK, Het teken van Dood en Herleving enz., Hilversum 1954) en de voorstelling sluit nauw aan bij hetgeen ik over de betekenis van het hert schreef in „Westerheem", Nov.-Dec. 1953. Alles op dit kruis heeft dus een cultische betekenis en het is derhalve onaannemelijk, dat de knoop alleen maar ornament is. Fig. 3. Kapiteel van de kathedraal van S* Lizier (Ariège), uit de Xllde eeuw, geheel overdekt met een vlechtwerk of weefsel. De kapitelen der oude romaanse kerken zijn meestal rijk versierd met vaak moeilijk te begrijpen, maar steeds zinvolle, voorstellingen. Zodat ook in dit kader aan het vlechtwerk of weefsel een cultische betekenis toegekend mag worden. (Vgl. ook 1 Kon. 7.) Fig. 4. Gedenksteen van Momfreth (Schotland) met op de zijkanten knoopwerk.

VUURSTEEN-ARTEFACTEN UIT SOESTDUINEN door

H. J. CALKOEN (Velsen) Vele jaren geleden raapte ik in de zandverstuivingen van Soestduinen (Utr.) een vijftigtal vuursteentjes op, die, omdat ik er verder geen weg mee wist, rustig in een doosje bewaard bleven. De vindplaats is een heuvelachtig stuifterrein, gelegen tussen de spoorlijnen Amersfoort-Utrecht en Soest-Utrecht. Het artikel over dergelijke vuursteentjes in het vorige nummer van „Westerheem", van de hand van TH. G. APPELBOOM te Leiden, bracht mij deze vroegere vondst in herinnering. Ik stuurde de schrijver mijn steentjes op en dank zij zijn gewaardeerde determinatie, kan ik er thans onze lezers iets naders over mededelen. Het blijkt, dat wij, behalve met een vijftal artefacten, hier te doen hebben met bij de vervaardiging van vuurstenen werktuigen verkregen afval en ruwe spanen. Zeer zeker dus mensenwerk, maar voor een typologische studie verder niet 62


bruikbaar. De beschrijving van de vijf genoemde artefacten (pi. XIII, fig. 2, 3, 4, 5 en 6) volgt hieronder: 2. Fraaie, van een grijze vuursteenspaan vervaardigde krabber. Zorgvuldige retouche-rand langs één zijde. Achterkant voorzien van een „bulbe de percussion". Waarschijnlijk mesolithisch. Lengte 3,3 cm, breedte 2,0 cm. 3. Regelmatig gevormde messp'aan van geelbruine vuursteen, met sporen van gebruiksretouche langs één der sneden. Lengte 3,2 cm, breedte 1,6 cm. •' 4. Messpaantje van grijsbruine vuursteen, voorzien van gebruiksretouche. Lengte 3,5 cm, breedte 1,4 cm. 5. Microlithisch spitsje, langs de brede rug voorzien van steilretouche. Typisch mesolithisch, microlithisch artefact. Lengte 2,1 cm, breedte 1,0 cm. 6. Zeer fraaie, bewerkte spits van driehoekige vorm, vervaardigd van doorschijnende, crème vuursteen. De basis, zowel als de linker opstaande zijde zijn voorzien van fraaie steil-retouche. De snede vertoont sporen van gebruik. Typisch Tardenoisien-artefact. Lengte 2,5 cm, breedte 1,1 cm. Volgens de heer APPELBOOM vormen deze werktuigjes een welkome aanvulling op onze kennis betreffende de steentijdcultuur in Soestduinen. In 1950 deed hij een publicatie daarover verschijnen. Ook daarin komt hij tot de conclusie, dat de vondsten te Soestduinen in hoofdzaak zijn toe te schrijven aan een mesolithische bevolking, hoewel èr ook enkele oudere stukken bij zijn, die hij epi-palaeolithisch noemt. Verder maakt hij melding van een vuursteen-werkplaats eri meent hij, dat, krachtens het-ontbreken van ruwe stukken vuursteen, aanvoer van dit materiaal van elders moet worden aangenomen. Ter oriëntatie van de lezer zij nog het volgende vermeld. In het Mesolithicum (Midden Steentijd) —- dat tussen 8000 en 7000 v. Chr. aanving en tussen 3000 en 2000 v. Chr. eindigde — worden verschillende cultuurperioden onderscheiden. In ons land hebben wij alleen te maken met de belangrijkste daarvan, het Tardenoisien, te verdelen in vier onderafdelingen. Het Mesolithicum was een vrij warm tijdvak, dat gekenmerkt werd door de geleidelijke ontwikkeling van het bos, dat de plaats innam van een parklandschap (met vnl. open berkenbossen en dennen), waarmede de Oude Steentijd eindigde. In de tweede helft van het Mesolithicum — met een zomertemperatuur, die gemiddeld 2—3° hoger lag dan thans — ontstond aan de kust door overstromingen een groot waddengebied, dat zich tot aan de diluviale gronden uitstrekte en, na 5000 v. Chr., langzaam weer van de zee werd afgesloten door een schoorwal (de „oude duinen"). Terwijl in deze beschutte kustvlakte de „oude zeeklei" wordt afgezet en hierop, na volledige afsluiting, tenslotte het ,,oppervlakteveen" wordt gevormd, ontstaan tengevolge van de voortduren63


de stijging van het grondwaterpeil in de diluviale streken moerassen, zodat daar, naast bossen van verschillende; samenstelling en dichtheid, alle stadia te vinden zijn in de ontwikkeling van de open plas tot het elzen- en berkenbroekbos. Welke mens bewoonde nu dit landschap en waar kwam hij vandaan? Door het terugtrekken van het landijs in N.-Europa ontstond daar aanvankelijk een boomloze vegetatie (steppe), tijdens warmere phasen begroeid met verspreide boomgroepen. Hier leefde de jong-palaeolithische mens, als rendierjager met zijn jachtwild mee trekkende van zomer- naar winterkwartier en omgekeerd. Reeds kwamen mensen voor, die een „rustiger" levenswijze, gebonden aan een beperkter plaats, hebben geleid. Wanneer het klimaat nu milder wordt, verdwijnen de rendieren met het ijs mee naar het Noorden, achtervolgd door een deel hunner jagers, terwijl een ander deel der bevolking hier blijft en overgaat tot een andere levenswijze. Met. de steppe verdwijnt ook de steppenfauna; het bos bevat een geheel andere dierenwereld, die weer een wijziging brengt in de jachtmethoden. De mens past zich aan deze nieuwe situatie aan; hij gaat nu ook visserij bedrijven, en voedt zich ten dele met de vruchten van het bos. Zijn omgeving en levenswijze worden door Prof. Dr. fi. T. WATERBOLK (1954), op grond van de nieuwste onderzoekingen, als volgt beschreven: ,, . . . het milieu van de mesolithische mens (was) in de eerste plaats gekenmerkt door een overweldigende bosrijkdom. Open plaatsen werden alleen gevormd door venen en veentjes, wier aantal en grootte voortdurend toenam, doch deze waren stellig weinig toegankelijk en niet zeer waardevol als jachtterrein. Het lichte eiken-berkenbos der dekzanden (zandipe ruggen - Red.) vormde het eigenlijke bewoonbare terrein. Het werd doorsneden door paden en vertoonde wellicht alleen wat open plekken van geringe omvang daar waar de mens huisde of nog niet lang geleden was vertrokken..." „ . . . w i j (mogen) veronderstellen, dat jacht, visserij en het verzamelen van wat de natuur verder aan eetbaars bood, de middelen van bestaan vormden van de mesolithische bevolking." Het zal, na het voorafgaande, niemand verwonderen, dat deze mens uit het Tardenoisien, tengevolge van de ingrijpende veranderingen in zijn levensomstandigheden, genoodzaakt was zich van andere werktuigen te bedienen dan voorheen. Zijn vuursteenindustrie produceert nu vooral kleine werktuigjes, zg. microlithen, zoals hierboven enkele werden beschreven. Het overgrote deel behoort tot het Tardenoisien III en dateert dus uit de tijd na 5000 v. Chr.

64

.

. :. •

-"r^rm


PLAAT XIII VOOR.UQPIQ VERSPUEIDINGSJ KAARTJE VAM v/UURSThENJ PIJLSPITSEN IN W.NEDERLAND

WARE GROOTTE


PLAAT XIV


Literatuur.' APPELBOOM, TH. G. (1950). Een en ander over de oudste bewoning van de provincie Utrecht. — Jaarb. „Oud-Utrecht", pp. 39-45. , (1954). Een vindplaats van rnesolithische werktuigen op de Gooise Heide. — Westerheem 111 (5-6), pp. 38-43. WATERBOLK, H. T. (1954). De praehistorische mens en zijn milieu. — (diss. Groningen) Van Gorcum, Assen.

VUURSTENEN PIJLSPITSEN UIT WESTELIJK NEDERLAND door TH. G. APPELBOOM (Leiden) In „Nederland's Vroegste Geschiedenis", p. 60, vestigt HOLWERDA de aandacht op de stenen pijlspitsen, die veelvuldig voorkomen op de Veluwe. Sprekend over het volk der „koepelgrafheuvels" en in verband met het Stroeërzand en het Kootwijkerzand, zegt hij het volgende: , , . . . , merkwaardig is vooral de rijkdom aan vuursteenen pijlspitsen daar vandaan,, welke men eveneens gaarne aan deze bevolking zou willen toeschrijven. Hetzelfde is ook het geval met de meer westelijk gelegen stuifzanden, het Wekeromsche, het Kreelsche en het Roekelsche Zand in de buurt van Ede." Er wordt hier dan vooral gedacht aan de aan twee zijden geretoucheerde pijlspitsen, al of niet met voetje en/of weerhaakjes. Van dit type is in genoemde plaatsen inderdaad een groot aantal gevonden. Wat de tijdsbepaling betreft, moet een toeschrijving aan het late Neolithicum en de vroege Bronstijd zeer waarschijnlijk worden geacht. Bij wetenschappelijke opgravingen immers, zijn er in vele gevallen dergelijke pijlspitsen te voorschijn gekomen, in het bijzonder bij het onderzoek van aeneolithische grafheuvels (ringsloot- en palenkransheuvels). Het belang van toevallig gevonden pijlspitsen is gelegen in de omstandigheid, dat wij hierdoor kennis kunnen nemen van de ligging van de voor die tijd gunstige jachtterreinen (en woonplaatsen?) en de uitgestrektheid hiervan. In de loop der tijden zijn ook in Westelijk Nederland enkele pijlspitsen van genoemd type tevoorschijn gekomen. Enige bij wetenschappelijk onderzoek, andere door toevallig vinden aan de oppervlakte, of bij graafwerk. Doel van dit artikeltje is, deze stukken samen te vatten en de er op betrekking hebbende literatuur te noemen. Tevens kunnen wij hier bespreken een 65


recente aanwinst van het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden. Bij dit overzicht kan van volledigheid geen sprake zijn. Zonder twijfel zullen er nog stukken zijn, die zich in particulier bezit bevinden of die deel uitmaken van een, ons onbekende, plaatselijke of gemeentelijke collectie; deze zijn tot dusver aan onze aandacht ontsnapt. x ) Het hier volgende moet dan ook beschouwd worden als een voorlopige lijst. I.

Katwijk-Binnen. Collectie R.M.v.O. Leiden, Inv. Nr. J.S. : (Oct. 1854). Pijlspits van grijs-crème, gepatineerde vuursteen, met voetje en twee weerhaakjes, gevonden in 1854 door de Heer J. ITERSON te Leiden, te Katwijk-Binnen tussen schelpzand en schelpen. Eén der weerhaakjes is afgebroken. Lengte 3 cm; breedte 1,9 cm. Lit.: PLEYTE, W., Nederlandsche Oudheden enz. (Leiden 1877-1902), Platen: Zuid-Holland, pi. X, afb. 10. HOLWERDA, J. H., Catalogus van het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden. Afdeling Praehistorie en Nederlandsche Oudheden (Leiden 1908), Nr. B. I. 316 (p. 27).

II.

Katwijk. Coll. R.M.v.O. Leiden, Inv. Nr. h.1951.5.1. Pijlspits van melkwitte, halfdoorschijnende vuursteen, voorzien van lange brede voet en twee weerhaakjes, (pi. XIII, fig. 1). Aan beide zijden, over het gehele oppervlak geretoucheerd. Dit stuk werd, naar mededeling van de vinder, ongeveer 25 jaar geleden gevonden bij duinafgraving. Lengte 2,6 cm; breedte 2,6 cm; breedte voet 1,3 cm. Dit stuk is, op grond van de brede voet, een belangwekkende vondst, aangezien het een type vertegenwoordigt, dat vooral in Z.O.-Engeland wordt aangetroffen. 2 ) Wellicht hebben wij hier te doen met één dier zeldzame contactpunten tussen Engeland en Westelijk Nederland, die ons bekend zijn uit het late Neolithicum en de Bronstijd.

III. Hillegom. Coll. R.M.v.O. Leiden, Inv. Nr. h.1930.7.19. Dit stuk is oorspronkelijk afkomstig uit de collectie van Mevrouw BARONESSE VAN HARDENBROEK te Haarlem en door laatstgenoemde aan het museum geschonken. OPPENHEIM zegt hierover het volgende: „Een silex-pijlpunt zonder weerga, van zeer fijnen arbeid; heibruin glasachtig steen". Lit: OPPENHEIM, R., Zwerftochten door Oer-Nederland II. — De Levende Natuur XXXII (1927), afl. 3 (Juli), p. 76, afb. 10. 1) Voor mededelingen hieromtrent houd ik mij aanbevolen. 2) EVANS, JOHN, Les Ages de la Pierre, instruments, armes et ornaments de la Grande Bretagne (Paris 1878), p. 373 e.v. MORTIMER, |. R., Forty Years researches in British and Saxon Burial Mounds of East Yorkshire (London 1905). 66


IV. Schevcningen. Coll. Groningen. Uit deze plaats wordt door Prof. Dr A. E.-VAN GIFFEN een pijlspits vermeld, doch niet afgebeeld. Hij zegt naar aanleiding van dit voorwerp: „Geheel past in dit verband ook de fraaie, gebaarde vuursteenen pijlpunt met schachtdoorn Nr. 10, een artefactje kunstig gemaakt en volkomen overeenstemmend met een dergelijk, zoo mogelijk nog fraaier specimen, hetwelk gevonden is in een duinpan bij Scheveningen, onmiddellijk ten zuiden van het uitwateringskanaal." Lit.: GIFFEN, A. E. VAN, Naschrift over de Prae-en Protohistorische Hillegomsche Duinvondsten (bij: R. OPPENHEIM, Zwerf-, tochten door Oer-Nederland II). — De Levende Natuur XXXII (1927), afl. 3 (Juli), pp. 78-83. V. Andijk. Coll. van de heer F. DE BOER, Hoofd der School voor Ger. L.O. te Andijk-Oost. ,,Gebaarde, vaalgrijze, vuurstenen pijlpunt met schachtdoorn van W.-Europeesch (Bretonsch) type uit de ouderen bronstijd". Lit.: GIFFEN, A. E. VAN, Graf heuvels te Zwaagdijk, gem. Wervershoof (N.H.). (Aanhangsel: Vuurstenen Sikkels). — WestFriesland's Oud en Nieuw XVII (1944), p. 188, voetnoot 1. VI-VIII. Hilversum. Coll. R.M.v.O., Inv. Nr. g.1928/2.16-18. Tijdens de opgravingen, ondernomen in 1926, in de zg. Zeven Bergjes (tussen Hilversum en Laren, ten Z.Z.O. van het St. Janskerkhof), werd een drietal pijlspitsen ontdekt. Ze werden aangetroffen in de graf kuil van heuvel 10, tezamen met een koperen dolkje en de restanten van een houten doosje. In dit geval stelt het koperen dolkje ons in staat, een enigszins nauwkeurige tijdsbepaling vast te stellen. Eigenaardig is, dat hier verschillende typen naast elkaar vertegenwoordigd zijn. REMOUCHAMPS zegt hierover: „De eene (a) heeft een rond uitgeholden basis, zonder voetje in het midden, de andere (b) vertoont ook ronde uitholling, waardoor puntige weerhaken worden gevormd, doch waarbij het grootste gedeelte van de basis wordt ingenomen door een voetje ter bevestiging van den pijlschacht, terwijl de derde meer recht behouwen vormen vertoont met vlakken basis, en rechte hoekige weerhaken; het voetje is afgebroken. We vinden hier dus bij elkaar drie verschillende vormen van pijlpunten, gelijk ze in de stuifzanden van de Veluwe b.v. zoo veelvuldig worden aangetroffen, een bewijs dat men dus geen pogingen behoeft te doen in zulke vormvariatie tijdsverschil te ontdekken". Lit.: REMOUCHAMPS, A. E., Grafheuvelonderzoekingen. — Oudheidk. Meded. R.M.v.O. (N.R.) 1X1 (1928), p. 71, afb. 35 (5a, b en c). 67


IX. Vechten. (Fectio) (prov. Utr.). Coll. R.M.v.O. Leiden, Inv. Nr. V.F. 866. . Bij de onderzoekingen in de romeinse legerplaats te Vechten, werd een pijlspits met voetje en weerhaakjes ontdekt. In tegenstelling tot de mening van HOLWERDA, die dit stuk heel laat wil dateren, zou ik ook dit artefact willen plaatsen in dezelfde tijd, welke geldt voor alle voorgaande nummers. Lengte 2 cm; breedte 1,7 cm. Lil: HOLWERDA, J. H., Catalogus enz. (als nr. I), Nr. D. VI. 152 (p. 168). .X-XI. Soestduinen. Coll. Archaeol. Instit. Utrecht. In het stuifzand bij Soestduinen werd door mij een tweetal, fraai over het gehele oppervlak geretoucheerde pijlspitsen gevonden, beide voorzien van een voetje en twee weerhaakjes. Lit.: APPELBOOM, TH. G., Een en ander over de oudste bewoning van de provincie Utrecht. — Jaarb. „Oud-Utrecht" 1950, pp. 39-45, afb. nr. 26-27. Samenvattend komen wij nu tot het volgende overzicht: Vindplaats

Katwijk Andijk Scheveningen Hillegom Hilversum Vechten Soestduinen Totaal

Aantal pijlspitsen met voetje en twee weerhaakjes 2 1 1 1 2 1 2 10

Aantal pijlspitsen met gebogen basis en twee weerhaakjes

1

1

Op typologische gronden wordt in het algemeen aangenomen, dat de pijlspitsen met twee weerhaakjes en een voetje als de laatste in gebruik geweest zijnde vorm van stenen pijlspitsen mag worden beschouwd. Waar Westelijk Nederland eersf| in het late Neolithicum bewoond werd — zoals verscheidene dateerbare vondsten ons leren — mag in het sterk overheersen van de vorm mét het voetje in dit gebied (zie tabel) opnieuw een krachtig argument voor deze stelling worden gezien. 68


MUNTVONDST TE BLOEMENDAAL door

H. J. CALKOEN (Velsen) Door bemiddeling van ons lid de heer J. P. HANDGRAAF te Santpoort, ontvingen wij een goed geconserveerde Romeinse munt van brons, die vele jaren geleden door zijn knecht te Bloemendaal bij graafwerk moet zijn gevonden. Helaas is de juiste plaats en ook de diepte waarop de vondst werd gedaan, niet meer bekend. De munt (pi. XIII, 7) is geslagen onder de regering vankeizer Maximianus (286-305); het randschrift om de keizerbuste luidt: „Maximianus - Nob. - Caes." Aan de keerzijde lezen wij, rondom een staande figuur (gehelmde athleet, krijgsman?): „Genio - Populi - Romani". Maximianus, van nederige afkomst, doch een bekwaam en doortastend officier, werd in 286 door Diocletianus tot medekeizer gekozen. Zijn voornaamste taak was, de zeer moeilijke toestand in het afvallige Gallië tot een voor de Romeinen bevredigende oplossing te brengen. Hierin slaagde hij, terwijl ook zijn optreden in ons land (aan de monden van de Rijn) in de jaren 287-288 succes had, zodat de daar aanwezige Franken zich onderwierpen. Onder zijn regering vond, tussen 288 en 290, de afval van Britannië plaats. Dr W. J. DE BOONE, wien ik raadpleegde in verband met deze muntvondst, spreekt van „een zeldzaam mooi bewijs voor de aanwezigheid van bewoning" in dit deel van Kennemerland. Toch verheelt hij niet, „dat er een jaar of.wat geleden te Amsterdam nogal wat bronzen munten van Maximianus — van onbekende herkomst — te koop werden aangeboden. In Lisse zou men destijds munten uit dezelfde tijd hebben gevonden, maar deze zijn zoekgeraakt." Des te meer valt het te betreuren, dat van onze munt de juiste vindplaats te Bloemendaal niet nader omschreven kan worden. Ondanks deze onzekerheid hebben wij gemeend, toch een plaatsje voor deze merkwaardige munt in ons tijdschrift te moeten afstaan.

69


HET WERK VAN DE GELDERSE ARCHAEOLOĂ&#x2013;ISCHE STICHTING^) door ' G. ELZINGA (Arnhem) Gaarne voldoe ik aan het verzoek van de Voorzitter van de A.W.W.N., de Heer H. J. CALKOEN, het een en ander over de Gelderse Archaeologische Stichting (hierna G.A.S.) mede te delen. Immers, het op de hoogte zijn van de werkzaamheden van aan elkaar verwante instellingen, kan slechts de waardering voor de door hen verrichte arbeid doen toenemen. â&#x20AC;&#x17E;Gelderse Archaeologische Stichting" is de in 1949 veranderde naam van de Stichting tot Bescherming van Praehistorische Cultuurmonurnenten in Gelderland, waarvan op 11 Januari 1930 de acte tot oprichting werd gepasseerd, dank zij een initiatief van de toenmalige Provinciale Gelderse Archaeologische Commissie. Deze laatste Commissie bestaat reeds sedert 1902, maar heet thans Monumentencommissie der Provincie Gelderland. De Stichting geniet van dit lichaam een jaarlijkse subsidie. Deze naamsveranderingen waren noodzakelijk geworden, omdat de arbeidsvelden te zeer uiteenlagen en de oude naam van de Stichting een zeer begrensde taak veronderstelde. Uit de huidige naam komt beter naar voren op welke terreinen beide instellingen zich bewegen. Over het algemeen bemoeit de G.A.S. zich in het bijzonder met de verschijnselen van de praehistorie en de vroege geschiedenis,tot ongeveer het jaar 1000, dus met objecten waarover normaliter geen geschreven geschiedenis bestaat of bekend is. De taken die de G.A.S. zich heeft gesteld kunnen als volgt worden omsch'reyen: a) het inventariseren van alle oudheidkundig belangrijke terreinen in Gelderland en van reeds gevonden mobilia; b) het beschermen en instandhouden van zulke terreinen; c) het steun verlenen aan of opdracht geven tot opgravingen; d) het verzamelen van oudheidkundige voorwerpen uit geheel Gelderland en het te bestemder plaatse onderbrengen daarvan. Teneinde deze taken zo goed mogelijk uit te voeren heeft de Stichting een Dagelijks en een Algemeen Bestuur. Het Dagelijks Bestuur heeft een Werkcommissie ingesteld, die beiast is met de inventarisatiewerkzaamheden. De leden van Bestuur en Werkcommissie wonen door geheel Gelderland verspreid maar de zetel van de Stichting is Arnhem. De Stichting zoekt sedert haar oprichting steeds samenwerking met Rijk en Provincie, wat o.m. tot resultaat heeft dat door deze Overheden enkele bestuursleden worden benoemd. In Bestuur en Werkcommissie hebben, naast amateurs, ook vakarchaeologen zitting. De inventarisatie is van den beginne af in uitvoering. De 2e wereldoorlog bracht een noodzakelijke onderbreking maar daarna is het werk met kracht ter hand genomen. Alle gegevens worden door middel van vastgestelde symbolen aangetekend op de ongekleurde kaart.1) Het ligt in onze bedoeling-, van tijd tot tijd onze lezers te doen kennismaken met een der verenigingen in Nederland, die zich, evenals de A.W.W.N. uitsluitend, of althans overwegend bezig houden met de bestudering der Nederlandse Oudheidkunde. Het is ons een genoegen, deze rij te mogen openen met een artikel van de heer 'G. ELZINGA, secretaris van de Werkcommissie der Gelderse Axchaeologische Stichting. - Bed. 70


bladen schaal 1 :25000 van de Topografische Dienst. Voor deze inventarisatie-arbeid geniet de Stichting een subsidie van de Provincie. Vooral de Veluwe behoort momenteel tot de best verkende gebieden van Gelderland. Een grote stoot hiertoe gaf de uitbreiding van het Nederlandse leger dat het aantal oefenterreinen belangrijk deed toenemen met gevaar voor vernieling van vuursteenwerkplaatsen, grafheuvels e.d. Dank zij onze verkenningen konden aan de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek te Amersfoort in 1952 zodanige gegevens worden verstrekt, dat onmiddellijk met de opgraving van de belangrijkste objecten kon worden begonnen. Ook vóór de oorlog gaven de verkenningen meermalen aanleiding tot opgravingen. De inventarisatie van de mobilia geschiedt in de eerste plaats om het verspreidingsgebied van praehistorische voorwerpen te leren kennen. Daarnaast vergemakkelijkt het bestaan van een dergelijke inventaris de eventuele uitgave van publicaties, samenvattingen e.d. Deze arbeid zal nog vele jaren vergen en moest tot nu toe op bescheiden schaal gebeuren. Het nut ervan is bovendien gebleken, toen na de oorlog lijsten konden worden samengesteld van door het oorlogsgeweld verloren gegane archaeologica uit plaatselijke oudheidkamers en verzamelingen (o.a. Renkum, (de „Doorwerth"), Tiel, Velp, Winterswijk en Zutphen). Voor de bescherming en instandhouding van in archaeologisch opzicht belangrijke terreinen werkt de G.A.S. ten nauwste samen met de eigenaars en gebruikers van deze terreinen. Zij bemiddelt dikwijls tussen de officiële instanties en de directe belanghebbenden. Vooral wat betreft de bovengenoemde militaire oefenterreinen zijn successen geboekt. Samen met militaire autoriteiten, ambtenaren van de R.O.B, en leden van de Studiekring voor de Veluwe, hebben bestuursleden der G.A.S. zitting in een door de Minister van Oorlog ingestelde Commissie inzake het gebruik van Militaire Terreinen. Bescherming van verschillende belangrijke objecten is thans door gezamenlijk overleg verkregen. Ook met de Planologische Dienst der Provincie Gelderland staat de G.A.S. in nauw contact. Hierboven heb ik reeds vermeld dat onze verkenningen aanleiding hebben gegeven tot opgravingen. Deze kunnen onder auspiciën van de G.A.S. plaats hebben daar de Stichting behoort tot de z.g. Erkende Locale Instellingen, waarbij zij de gehele Provincie als ressort heeft. Voor dergelijke onderzoekingen is altijd de hulp ingeroepen van de officieel tot opgraven bevoegd verklaarde instanties. Voor de oorlog is veel samengewerkt met het Biologisch-Archaeologisch Instituut te Groningen. Na de oorlog bovendien met de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek te Amersfoort 2). Van de opgravingen op verzoek van de Stichting verricht, zijn de belangrijkste van vóór de oorlog o.m. die van de Ringkampsbulte te Aalten, grafheuvels bij Ede en Bennekom, Frankische grafvelden bij Putten, Ermelo en Beekbergen en een onderzoek naar de vindplaats van een menselijke schedel op de Sterrenberg te Arnhem 3). 2) Jaarverslagen van de Gelderse Archaeologisehe Stichting. — Sedert 1932 in: Bijdr. en Meded. van de Ver. „Gelre" XXXV e.v., Arnhem. 3) Publicaties hierover o.a.: EDELMAN, C. IH. en W. A. J. OOSTING, Geologisch-bodemkundige onderzoekingen etc. op de Sterrenberg bij Arnhem. — Bijdr. en Meded. Ver. „Gelre" XXXVIII, p. 15. GlFFEN A. E. VAN, Tumuli-opgravingen in Gelderland. — Bijdr. en Me'ded. Ver. „Gelre" XL, p. 3. . Jaarverslagen van de G.A.S. in Bijdr. en Meded. Ver. „Gelre".

71


Na de oorlog zijn ö.a. Opgravingen gedaan iri grafheuvels bij Schaarsbergen, Drie en Bennekom, terwijl in het Deelerwoud een onderzoek is ingesteld naar een yroegmiddeleeuwse ijzersmelterij 4). De reeds gememoreerde opgravingen op de militaire oefenterreinen zijn zeer belangrijk gebleken. Een groot aahtal grafheuvels bij Elspeet, Ermelo en Speulde werd onderzocht, waarbij waardevolle resultaten werden bereikt 5 ). De voorwerpen, waarover de G.A.S. de beschikking krijgt, hetzij door opgravingen, door schenking of door aankoop, worden alle ondergebracht in het Gemeentemuseum Arnhem en wel in een speciale afdeling daarvan; het Historisch Museum voor Gelderland. In dit museum zal een overzicht worden gegeven van de bewoningsgeschiedenis van Gelderland sedert de vroegst bekende tijden. Dit jaar wordt voor deze afdeling een nieuwe vleugel aan het Gemeentemuseum gebouwd. Om meer bekendheid te geven aan het doel en de werkwijze van de Stichting is onlangs door de Werkcommissie een plaat uitgegeven, waarop naast de afbeeldingen van in Geldefland gevonden voorwerpen uit de verschillende perioden een opsomming wordt gegeven van alles wat voor archaeologen belangrijk is. Dg tekst en de uitvoering van deze plaat zijn zo gekozen dat hij voor iedereen begrijpelijk is. De plaat wordt momenteel op grote schaal in Gelderland verspreid en dient speciaal om in werkketen, schaftlokalen e.d. van arbeiders ïe worden opgehangen. Daarnaast is een brochure 6) vervaardigd die een en ander nader toelicht, terwijl vondstmeTdingskaarten door vinders van voorwerpen portvrij verzonden kunnen worden aan het centrale meldingsadres: het Gemeentemuseum Arnhem. Platen, brochures en meldingskaarten worden gratis verstrekt. Het resultaat moet nog worden afgewacht daar de actie pas is begonnen. Allerwegen wordt echter grote medewerking bij de verspreiding ondervonden. Er zijn reeds meldingen binnengekomen. De verschillende werkzaamheden van de G.A.S. mogen met deze regels voldoende zijn belicht. Graag wil ik eindigen met een beroep te doen op de vele amateur-archaeologen uit Westelijk Nederland, die Gelderse oudheden bezitten (wie heeft in zijn vacantie niet eens naar artefacten op de Veluwe gezocht?) en deze ter kennis van de Werkcommissie van de G.A.S. te brengen en zo mogelijk ter beschikking te stellen. Onze documentatie-arbeid wordt hierdoor vervolledigd. 4)

Bijdr. en Meded. Ver. „Gelre" LI (1951) is geheel gewijd aan na de de oorlog in Gelderland verrichte opgravingen. 0) Het verslag van deze opgravingen van de hand. van. Dr P. J. R. MODDERMAN zal in 1954 worden gepubliceerd in „Berichten" van de B.O.B., Amersfoort. 0) „Oudheidkundige vondsten, hun betekenis en hun bestemming". Brochure, in 1953 uitgegeven door de Werkcomm. van de G.A.S.

„TERUGKEER TOT HET VERBORGEN VERLEDEN" Onder deze titel wordt door de vereniging Volksuniversiteit Amsterdam een cursus gegeven in de Nederlandse Oudheidkunde. Docent is de heer J. G. N. RENAUD, conservator van de R.O.B. Deze cursus wordt gehouden op 6 achtereenvolgende Woensdagavonden, aanvang 17 November, om 8.15 uur, in de Gem. Universiteit, Oudemanhuispoort. Kosten: f 3,30, f 4,80 of f 6,30 (naar keuze en draagkracht). Kaarten en nadere inlichtingen verkrijgbaar bij het Secretariaat der V.U., Keizersgracht 708, Amsterdam. 72


INHOUD Archaeoiogie en Geschiedenis blz. MODDERMAN, P. J. R., Het documenteren van oudheden . . • . . FRéMERY, F. DE, Krokjesdag, oorspronkelijk een weVersgildefeest? CALKOEN, H. J., Vuursteen-artefacten uit Soestduinen . . . . APPELBOOM, T H . G., Vuurstenen pijlspitsen uit Westelijk Nederland CALKOEN. H. J., Muntvondst te Bloemendaal ELZINGA, G., Het werk van de Gelderse Archaeologische Stichting

57 58 60 62 65 69 70

Inzending van copy en mededelingen Het ligt in de bedoeling van de redactie, het volgend nummer eind October te doen verschijnen. Men wordt dringend verzocht ervoor te zorgen, dat artikelen en korte mededelingen uiterlijk 15 October bij de Redactie zijn.

N. V. MOUTON & Co. - DEN HAAG Z. O. BUITENSINGEL 150 UITGEVERIJ

ANTIQUARIAAT

ZO JUIST IS VERSCHENEN:

In onze regelmatig verschijnende catalogi zijn ook vele boeken over archaeoiogie en praehistorie opgenomen.

Die Anfange des Eigentums bei den Naturvölkern und die Entstehung des Privateigentums door W. NIPPOLD Een boek, dat voor iedere historicus van belang is. VIII, 94 blz. Gebonden ƒ 12.—

ONZE LAATSTE CATALOGI: Books on Eastern Europe, Nr. 3 »»

J>

»

j i ^ i . r a

Books on Asia, Nr. 2 Bücher über Bodenkunde, Biologie, Geologie usw., Nr. 1 Al onze catalogi zijn op aanvraag gratis verkrijgbaar.


WE5TERHEER


Jaargang III, No. 9-10

September-October 1954

WE5TERHEER Orgaan van de ARCHAEOLOGISCHE WERKGEMEENSCHAP VOOR WESTELIJK NEDERLAND Hoofdredacteur: H. J. VERHAGEN, Morskade 12, Leiden. Secretaris der A.W.W.N.: C. ROODENBURG, van Eedenstraat 9, Haarlem. Contributie ad ƒ 5,— te storten op girorekening 577808, ten name van de Penningmeester der A.W.W.N. te HAARLEM.

DE ARCHAEOLOOG Diep zit hij weggedoken in zijn put: Zijn speurend kijken tast de lagen af. Hij voelt en proeft, hij ondergaat de aarde Die eenmaal in het stralend zonlicht lag. Verstild spreekt hier de strijd om het bestaan: Gebruikt gereedschap, wapenen en aarden potten. Maar hier heeft eens een dierbaar huis gestaan: Daar is de as van warme vuren en de botten Van rund en paard, van schaap en herdershond, De trouwe vrienden, die nu rustig slapen In zachte, toegewijde grond. Geduldig past hij alle scherven aan elkander. Zijn peinzend oog ziet, wat nog niemand heeft aanschouwd. Dan, als hij 't leven langzaam weer heeft opgebouwd, Hervindt hij slechts.... zichzelve, in den ander.

73


DE WIKINGEN IN KENNEMERLAND door

DR JAN DE VRIES (Oostburg) Koning Olaf, die later.als de nationale heilige van Noorwegen vereerd zou worden, heeft in zijn jonge jaren een wikingtocht in de Westelijke wateren ondernomen. Als een knaap van ongeveer veertien jaar is hij met een zekere Thorkel, zoon van de Deense edelman Strütharald, xiaar Engeland gegaan; daar hebben beide samen met de Deense koning Svein Tjuguskegg de Engelsen in verschillende gevechten bestreden, een aanval op Londen gedaan, Oxford gebrandschat — gevechten, die zo gunstig verliepen, dat de Engelse koning Ethelred moest vluchten. Naar de chronologie der IJslandse overlevering, die voor de jeugd van Olaf zeer onzeker is, zou deze tocht in de zomer van 1009 hebben plaats gehad. Dat stemt ook met de tijdsbepaling der Engelse bronnen ten aanzien van de gebeurtenissen in Engeland overeen. Wij zouden van Olafs optreden in deze jaren niets weten, indien zijn hofdichter Sigvat Thordharson deze wikingtocht in zijn gedicht Vikingavïsur d.w.z. „Wikingtochtstrofen" niet bezongen had. Aan de juistheid der daarin vermelde feiten behoeven wij niet te twijfelen, omdat hij een tijdgenoot van Olaf was en aan diens hof zeker niet in een gedicht feiten zou hebben behandeld, die geheel uit de lucht gegrepen waren. Eerst spreekt Sigvat van een tocht in de Oostzee en noemt dan als vierde wapenfeit een strijd bij Sudhrvik in Denemarken; deze plaatsnaam verklaart men als Söndervig op Pelworm, een der Noordfriese eilanden. De vijfde strijd heeft plaats gehad voor de Kinnlimasïdha, de zesde in Südhvirki, het huidige Southwark bij Londen. Het vijfde gevecht moet dus wel ergens aan de Fries-Hollandse kust hebben plaatsgehad, daar deze streek op de weg lag, die Olaf van Denemarken naar Engeland gevolgd moet hebben. De strofe, waarin Sigvat dit gevecht beschrijft, luidt: Vïg vannt, hlenna hneigir, hjölmum grimt et fimta — tholdu hlyr fyr hari hrïdh Kinnlimasïdhu thas vihd rausn at raesis reidh herr ofan skeidhum, enn ï gögn at gunni gekk hilmis lidh rekkum. In letterlijke vertaling: Gij, roverbedwinger, hebt de vijfde 74


helmvernielende strijd gewonnen — de stevens verduurden voor het hoge Kinnlimastrand een storm - toen het leger vol overmoed van boven af naar de schepen van de vorst reed, maar het gevolg des konings ging de krijgers ten strijde tegemoet. Terwijl de skalden de heldendaden der door hen bezongen vorsten gewoonlijk in zeer algemene termen beschrijven, geeft deze strofe een werkelijk aanschouwelijk beeld van wat er is gebeurd. De vloot van Olaf, door een storm belopen, houdt op de kust aan; deze wordt als hoog beschreven; het landvolk komt op het bericht van de komst der wikingen gewapend naar het strand en bindt de strijd aan. Van het resultaat is uit de strofe op te maken, dat het ijlings saamgeraapte legertje der kustbewoners moest afdeinzen. Het schijnt bovendien zeker, dat met dit hoge strand onze duinenkust bedoeld is en dan is het vanzelfsprekend, dat de naam Kinnlimasidha een weergave is van „Kennemerland". Immers het woord sidha betekent „strand" en Kinnlima is een lichte verbastering van „Kennemer", wellicht onder invloed van het Oudnoorse woord limr, dat „lid" (vooral van de ledematen), ook „deel, onderdeel" betekent. Indien de aanval van Olaf slechts een gevolg zou zijn geweest van de noodzaak, de storm aan onze kust te ontwijken, dan behoeft men nauwelijks te denken aan een daaraan verbonden plundertocht diep het land in. Wanneer echter een wikingvloot ergens landt en de tegenstand der bevolking wordt gebroken, ligt het achterland open en naarmate de kans op buit groter blijkt, trekken de Noormannen verder het land in. Nu is het wellicht niet zonder betekenis, dat de Egmondse annalen óp het jaar 1009 vermelden: ,,De Noormannen steken de stad Tiel in brand" en op het volgende jaar: ,,De Noormannen verbranden Utrecht, na velen gedood te hebben." Het was in deze jaren dus roerig aan onze kust; anderzijds was de tijd lang voorbij, dat de Wikingvloten om de kusten der Noordzee zwermden. Ik zou daarom geneigd zijn, aan te nemen, dat de Deense wiking Thorkel, de eigenlijke leider der expeditie, eenmaal aan onze kust geland en aangemoedigd door een aanvankelijk succes, het gewaagd heeft, dieper het land in te stoten. De bevolking, die sinds lang geen Noormannen behoefde te vrezen, werd volkomen verrast; de kustverdediging was blijkbaar geheel verwaarloosd; zo kon het de wikingen gelukken eerst de Maas in te lopen en Tiel te plunderen, om het jaar daarop, waarschijnlijk langs de Oude Rijn, nog eens een aanval op Utrecht te ondernemen. Dit is natuurlijk slechts een veronderstelling. Zeker schijnt mij, dat de expeditie, waaraan de jonge Olaf meedeed, niet alleen een voorbijgaande landing zal zijn geweest; men wist 75


zich later de naam der landstreek nog best te herinneren en zal er dus wel enige tijd in rondgezworven hebben. De moeilijkheid van een aanval aan onze duinenkust bleef in de traditie klaarblijkelijk goed bewaard; de steile duinenrand, de daarvan afstormende aanvallers â&#x20AC;&#x201D; men voelt de gevaarlijke positie, waarin de wikingen verkeerden. Opmerkelijk is, dat zelfs de naam van het geplunderde gebied zo goed bewaard bleef. Behoorde hij wellicht tot het geografische beeld, dat men zich in Noorwegen van onze kust maakte? De door de storm belopen vloot: dat doet denken aan een toeval, dat de wikingen hier deed landen. Zeker, het kan waar zijn, dat Thorkel de bedoeling had van Denemarken rechtstreeks naar Engeland over te steken, om zich daar bij het leger van Svein te voegen. Maar dat sluit niet uit, dat hij na de gedwongen landing zich snel zal hebben georiĂŤnteerd en de aangeboden kans zal hebben overwogen. Ik heb er in mijn boek ,,De Wikingen in de Lage Landen bij de Zee" op gewezen, dat de Noormannentochten een opmerkelijke doelbewustheid vertonen: men weet, waar wat te plunderen valt en men weet de wegen, die daarheen leiden. Een modern veldheer met stafkaarten voorzien, beweegt zich nauwelijks met groter zekerheid door het terrein, dan de wikingaanvoerder dat deed, die van de Vlaamse kust dwars door Brabant en Limburg naar Keulen en Bonn doorstootte. Zeker had een Deense aanvoerder als Thorkel een meer dan globale kennis van ons land; Utrecht als bisschopsstad, Tiel als destijds belangrijkste handelsstad, zomede de toegangswegen, die daarheen leidden, daarvan had hij natuurlijk voldoende kennis. Zovele malen waren Deense vloten naar Engeland overgestoken, dat de Fries-Hollandse kust voor hem weinig geheimen behoefde te hebben. In de tijd van koning Svein zijn de wikingtochten uitgegroeid tot grootscheepse ondernemingen, die politieke doelen nastreefden; het einde was immers de verovering van Engeland, die door Sveins zoon, Knoet de Grote, voltooid werd. Had men argwaan, dat de Engelse koning hulp uit onze gewesten zou kunnen verwachten? Het ware overigens niet vreemd, dat de naam van Kennemerland in Denemarken een bekende klank had. Reeds in het' midden der 9de eeuw hadden Deense wikingen onze kusten tot doelpunt van hun plunderingen gemaakt, maar het was een kroonpretendent als Rorik zelfs gelukt hier een pied a terre te verwerven, doordat de zwakke Frankische koning Lotharius zich gedrongen zag, hem een aanzienlijk deel van de Rijnmonden met en benevens Dorestad in leen af te staan. Als wij bedenken, dat de Betuwe en Kennemerland zeker tot het verleende gebied behoorden, dan krijgen wij een indruk van de macht, die hem hier geschonken werd. De monden 76


van onze grote rivieren in handen vart êen Deense vorst, die enerzijds slechts wacht op een gelegenheid de Deense kroon te verwerven, die anderzijds nog alle eigenschappen van de op buit beluste wiking vertoont! Rorik heeft hier jaren lang gezeten en dus alle gelegenheid gehad zich op de hoogte te stellen van de militaire en economische betekenis dezer gewesten. De wikingen waren dan wel echte piraten, goede zakenlieden waren zij niet minder. De Fulda-annalen vertellen van het graafschap en de goederen, die de Noorman Rorik, getrouwe dienaar der Frankische koningen(!) in Kennemerland had bezeten. De vermelding van Kinnlimasidha in Sigvats gedicht is de laatste maal, dat dit gewest in de annalen van de wikingtijd genoemd wordt. Een tijdruimte van anderhalve eeuw scheidt Olaf van Rorik. Wat heeft onze kuststrook in deze periode aan invallen beleefd, die geen kroniekschrijver vond, om te boek te stellen? Het is waar, de kust was gevaarlijk en werd door de wikingvloten liefst vermeden, maar Rijn- en Maasmond waren de invalspoorten tot een gebied, dat zich reeds vroeg door handel en scheepvaart tot grote welvaart wist te ontwikkelen. Wanneer de hofkring van koning Olaf in het lied van Sigvat de naam Kinnlimasidha hoorde, dan was het toch wel niet het romantische ,,Tamatave" uit VAN NlJLENs gedicht, maar dan wekte het wellicht een weerklank in het hart van mannen, die in hun jeugd de zeeën om Noorwegen meermalen hadden doorploegd.

HET STREEKPLAN EN DE ARCHAEOLOGIE door

H. J. CALKOEN (Velsen) • Nu door industrialisatie, bebouwing, wegenaanleg, ruilverkaveling enz. de archaeologica, die zich thans nog in de bodem van het westen van ons land bevinden, meer en meer met vernietiging worden bedreigd, mag het een verblijdend verschijnsel worden genoemd, dat men ook van hogerhand aan deze materie niet alleen aandacht wil schenken, maar vooral, dat men daarin tevens de kennis der, plaatselijk vaak goed georiënteerde, amateurs weet te betrekken. Zo kreeg schrijver dezes onlangs bezoek van Mejuffrouw IR E. F. VAN DEN BAN, vroeger hoofdingenieur van de Provinciale Waterstaat van Noord-Holland en van de Provinciale Planologische Dienst aldaar, thans hoofdingenieur bij de 77


Dienst der Zuiderzeewerken. Zij werkt echter nog mede aan het Noordhollands Streekplan Zuid-Kennemerland, om aan de hand van kaarten vast te stellen, waar zich plaatsen en objecten bevinden, die de aandacht verdienen bij eventuele verwerkelijking van dit streekplan. De bedoeling is, dat deze objecten, met korte beschrijving van de bekende of vermoede bijzonderheden, worden vermeld in een bijlage, behorende bij de Nota van Toelichting op het Streekplan. Dat een dergelijke bijdrage van grote betekenis kan zijn voor de oudheidkunde, behoeft geen betoog. Mejuffrouw IR VAN DEN BAN stelde daarbij in het licht, dat het streekplan en zijn verwezenlijking uit den aard der zaak voortgang moeten hebben, maar dat dit niet weg neemt, dat enige bekendheid met de historisch belangrijke plekken zal kunnen leiden tot een samenwerking met de archaeologen en tot een voorzichtiger werkwijze, waardoor vele oudheidkundige bodemsporen kunnen worden gered. Genoemde bijlage, alsook enige kaarten van het bewuste terrein, mochten wij inmiddels ontvangen. Het bovenstaande zij op deze plaats met erkentelijkheid vermeld.

EEN FRANKISCH GRAFVELD BIJ OCKENBURG door

H. E. PEETERS JR ('s-Gravenhage) Hoe ik door de eerste, voor mij belangrijke vondst in contact kwam met de R.O.B., wil ik U gaarne een andere keer vertellen, maar wat uit die vondst voortvloeide, meen ik U thans niet te mogen onthouden. Mijn eerste vondst deed ik, toen op „Ockenhove" — een terrein, dat slechts een honderdtal meters ten Westen van de plaats ligt, waar HOLWERDA1) indertijd zijn opgraving verrichtte — uitgebreide zandafgravingen werden uitgevoerd. Het zand werd gebruikt voor stratenaanleg in de nieuwe wijk „Morgenstond", de uitbreiding in het Zuiden van Den Haag, waar ik later vele „Bataafse" scherven zou vinden. Het begon al, toen de dragline een put maakte, waarbij talrijke Romeinse scherven van allerlei soort tevoorschijn kwamen, die mij een voortzetting toeschenen van de door HOLWERDA ontgraven „absoluut inheemse nederzetting met i) 78

HOLWERDA, J. H. (1938). Een Bataafs Dorp op Ockenburg bij • Den Haag. — Oudh. Meded. Rijksm. v. Oüdh., N.R. XIX, pp. 11-60; pi. I-VIT.


bijna uitsluitend Romeinse voorwerpen". Hoe verder de dragline naar het Westen groef, des te later werden de scherven. Totdat ik tijdens één van mijn speurtochten in een enigszins uitgestoven, kort te voren gereedgekomen talud een aantal scherven en beenderresten vond, die mij aan het denken brachten en die later Frankisch bleken te zijn. Ik controleerde deze plek regelmatig en kreeg zo een collectie scherven bijeen, die saamgevoegd een aardig potje, een zg. ,,knikpot" (pi. XVI, 3), opleverden, waarvan de inhoud -— de zorgvuldig ter plaatse verzamelde gecalcineerde botjes — duidelijk een crematie bleek te zijn. Hierna werd door de R.O.B, een oriënterend onderzoek ingesteld, doch in verband met de terreinmoeilijkheden werd voorlopig niet tot actie overgegaan. Het bedoelde terrein is nogal uitgestrekt en de vondsten, tot dat ogenblik gedaan, gaven nog geen duidelijk beeld van de omvang, die mogelijke opgravingen konden aannemen. Daarna ging een aantal jaren voorbij, zonder dat er iets nieuws viel waar te nemen. Totdat ik in Juni van dit jaar, juist van vacantie teruggekomen, mijn regelmatige contröletocht over het terrein hield en daarbij ontdekte, dat inmiddels opnieuw enige grondroeringen hadden plaatsgevonden. Het bedoelde terrein was nl. overgegaan in handen van het waterleidingbedrijf ,,Westland", ten behoeve van welk bedrijf een spreng werd gegraven, waarin enige bronnen werden geboord. Deze spreng loopt van Z.W. naar N.O., eindigt enkele tientallen meters van de opgraving van HOLWERDA, en doorsnijdt een dijkje, vermoedelijk daterend uit de 17e—18e eeuw, aan welks voet ik mijn eerste vondst deed. Dit dijkje zal waarschijnlijk in de toekomst nog enige geheimen prijs geven, omdat het tot dusver de daaronder gelegen grond beschermde. Aan beide zijden van het dijkje hebben na 1800 talrijke grondroeringen plaats gevonden, o.a. aanplantingen van bos enz., waardoor een groot gedeelte van dit vermoede grafveld is vernield, getuige de vrij talrijke restjes van crematie's, welke ik in de loop van enige jaren daar verzamelde. De grond, die de recente doorsnijding van dit dijkje opleverde, werd toevalligerwijze niet weggevoerd, maar op de dijk gedeponeerd. Bij een nauwkeurig onderzoek van deze (zand-)grönd, die mijn aandacht trok door opvallende verkleuringen, constateerde ik aan de hand van een vrij groot aantal scherven, dat ook nu weer verschillende crematie's waren vernield. Zo vond ik o.a. de bodem van een pot van roodachtig, op dat van een gewone bloempot gelijkend, aardewerk, waarin 79


zich nog een groot gedeelte bevond van een crematie-rest, bestaande uit stevig saamgekitte botjes, houtskool en as. Toen ik deze bodem en andere scherven vergeleek, bleek mij dat dit de resten waren van een pot, die vrij hoog van model geweest moet zijn en voorzien was van een merkwaardige radstempelversiering, die door de heer CALKOEN nog apart is getekend. Ik vraag mij af, of aan deze versiering nog enige betekenis is te hechten, bv. in verband met de typologie. Het mocht mij gelukken, het model van deze pot (pi. XV, 2) vrij aardig te reconstrueren. Bij een nader onderzoek, dat ik instelde nadat het flink had gewaaid en veel zand was verstoven, vond ik tot mijn verrassing een geheel gave pot, welke met de rand juist boven het zand uit stak en die, naar later bleek, ook een crematie bevatte. Deze pot, die door ruimtegebrek helaas niet kon worden afgebeeld, is beige-grijs van kleur en voorzien van een lijnversiering. Hij gelijkt op de pot op pi. XV, 1, maar is iets gedrukter van vorm en iets kleiner. Tussen de as en botjes vond ik een bronzen voorwerp, dat, schoongemaakt, de rest van een fibula of mantelspeld bleek te zijn (pi. XVII, 1), welke door de heer VAN BUCHEM werd herkend als een bekend Romeins type, daterend tussen 200 en 250 n. Chr. en herhaaldelijk gevonden in Romeinse limes-castella in Duitsland. Uit dit type heeft zich later de kruisboog-fibula ontwikkeld (4e eeuw). De heer VAN BUCHEM was enigszins verbaasd, dat deze fibula gevonden was in een veel latere Frankische urn! Verder vond ik in deze pot een op kiezel gelijkend klompje wit glas, dat uit elkaar viel en toen sterk deed denken aan bergkristal (pi. XVII, 2). Nadat ik vervolgens de directeur van het waterleidingbedrijf van een en ander, op de hoogte had gesteld en van hem toestemming had verkregen mijn onderzoek voort te zetten, had ik het geluk nog een tweetal potten, eveneens gevuld met crematie's, te mogen bergen. Ook in deze gevallen behoefde practisch geen graafwerk te worden verricht, daar de potten zich bevonden in een onafgewerkt talud, waarbij het gevaar bestond, dat ook deze bij verdere werkzaamheden zouden worden vernield. De beide laatstgenoemde potten zĂźn donkergrijs van kleur en afgebeeld op pi. XV, 1 en pi. XVI, 4. Als losse vondsten kan ik nog vermelden enige stukjes ijzer, waarvan ik de herkomst niet kan verklaren (pi. XVII, 3), stukjes brons (resties van fibulae?) (pi. XVII, 4), terwijl een bronzen plaatje (pi. XVII, 5) mogelijk een munt kan zijn geweest. Verder een vrij groot aantal kralen of resten van kralen, waarvan ik U toon op pi. XVII, B: roodbruin glas (versmolten kraal?); C: gele kraal met vrij grote doorsnede; D: kraal van korrelig rood glas; E: kraal van grijs-wit glas; F: versmol80


ten kraal van blauw glas; G: wit glazen kraal; H: kraal, vervaardigd uit groen en grijs glas; I: kraal van donkerblauw glas; J: kraal van groen glas; L: kraal van donkergroen glas. Tot slot vermeld ik een voorwerpje van donkerblauw glas (pi. XVII, A), dat een zegelsteentje zou kunnen zijn, maar waarvan ik de ingegraveerde voorstelling met geen mogelijkheid kan determineren. Rest mij nog te vermelden, dat al de bovengenoemde vondsten gedaan werden op een oppervlakte van slechts enige vierkante meters. Ik meen daarin een aanwijzing te mogen zien, dat dit terrein ons nog veel zal kunnen vertellen over een der interessantste perioden van onze vroege geschiedenis.

NIEUWS OVER EEN OUDE MUNTVONDST TE BLOEMENDAAL door

DR W. J. DE BOONE (Amersfoort) Door de heren TH. G. APPELBOOM en B. J. WIELAND LOS werd mijn aandacht gevestigd op een berichtje in de pers van ettelijke jaren geleden, betreffende een niet-alledaagse vondst: n.1. van een laat-Romeinse gouden munt te Bloemendaal. Reeds bij enkele vroegere gelegenheden in dit tijdschrift is er op gewezen, dat dergelijke berichten vaak zó vaag zijn gesteld, dat men niet precies weet wat men er mee moet aanvangen. Des te groter is de voldoening wanneer men een iets uitgebreider bericht vindt. • Blijkbaar de eerste vermelding van de vondst is te vinden in een artikel in het dagblad „De Maasbode" van 7 Juni 1929, ondertekend door Dr W. M. A. VAN DE WIJNPËRSSE en getiteld „Belangrijke muntvondst te Bloemendaal". Bijgevoegd was een afdruk van een foto, die, opnieuw nagetekend, dit artikel illustreert (pi. XVIII, 1). Het bericht luidde: „Korten tijd geleden is te Bloemendaal aan het begin van den zeeweg, vóór den watertoren, de hierbij afgebeelde munt gevonden, die hier voor de eerste maal wordt gepubliceerd en belangrijk genoeg is om met een toelichting te worden voorzien." Óp de voorkant ziet men het portret van ëen jong vorst, Valentinianus II, met het randschrift: D(ominus) N(ostCr) VALENTINI ANUS P(ius)' F(elix) AUG(ustus). Op de achterzijde ziet men twee zittende gestalten met een nimbus om het hoofd en tussen hen in en boven hen een gevleugelde gestalte met als randschrift: VICTOR IA AUGG ( = Augustorum), 81


in het middenveld staan de letters LD en in de afsnede onderaan COM. Het muntstuk was van goud, maten noch gewicht worden opgegeven. Voorstelling, randschrift en verdere letters zijn door de berichtgever verkeerd ,,verklaard", maar de afbeelding van vóór- en achterkant is zó duidelijk leesbaar, dat men direct het stuk kan herkennen: het is de munt die bij COHEN beschreven wordt als Valentinianus II no. 37 (deel VIII, p. 143). Terwijl in het randschrift aan de voorzijde na de naam van de keizer slechts de letters P.F.AUG staan, suggereert VAN DE WijNPERSSE dat het opschrift luidt: Pontifex Augustus, een zekere onjuiste uitleg van deze afkortingen. Zij moeten veeleer gelezen worden zoals boven reeds aangegeven, de vertaling zou dan ongeveer luiden: „Onze Heer Valentinianus, de Vrome, de Gelukkige, Keizer". Bovendien meende VAN DE WijNPERSSE in de voorstelling op de revers de Heilige Drieëenheid te herkennen — de voorstelling doet daar inderdaad wel enigszins aan denken — maar het omschrift Victoria Augustorum maakt toch wel overduidelijk dat hier twee keizers, waarschijnlijk Gratianus (375— 383) en Valentinianus II (375—392) zijn bedoeld met tussen hen in de gepersonifieerde overwinning. Blijkbaar werd de munt dus geslagen tussen 375 en 383. Terwijl verder de eerste berichtgever, doorgaande op de eenmaal ingeslagen verkeerde weg, de letters op het middenveld schuchter wilde verklaren als „Laus Deo" d.w.z. „Gode zij lof", weten wij, dat met deze letters de muntplaats Lugdunum = Lyon wordt aangeduid, zodat de Bloemèndaalse munt in het hartje van het tegenwoordige Frankrijk is geslagen. Verder vermoedde men, dat met de letters COM de muntplaats was bedoeld en stelde men voor deze letters te lezen als een afkorting voor Commagene. Ook dit blijkt niet juist: hoewel er oók andere mogelijkheden zijn, schijnt — op zwaardere goudstukken van Valentinianus II — COM de afkorting te zijn voor Comes sacrarum larqit'onum, een hoog keizerlijk ambtenaar belast met de organ'satie van schenkingen e.d. (ELMER, 1933, p. 24). Door de voor een groot deel verkeerde interpretatie zijn de verdere beschouwingen van VAN DE WijNPERSSE hier verder niet ter zake doende, maar in elk geval blijkt, dat de publicatie van een bericht en een foto, waarin zakelijk wordt medegedeeld wat men ziet en eventueel daarnaast hoe men dat interpreteert, zijn waarde blijft behouden ook al is die interpretatie onjuist. Zonder het artikel van VAN DE WijNPERSSE zouden wij waarschijnlijk verder niets weten over deze vondst. Dit moge een aansporing zijn voor hen die in onzekere zaken liever afzien van elke publicatie, terwijl het publiceren van materiaal als zodanig al van grote betekenis is. 82


PLAAT


PLMTSZH


PLAATXZCL


Intussen heeft dit eerste bericht in de pers weerklank gevonden want op 10 Juni 1929 en 20 Juni 1929 verschenen, eveneens in „De Maasbode", bijdragen resp. van de heren C. SCHOLTEN uit Amsterdam en J. W. VAN WINDEN uit Gorinchem, die rectificaties gaven op de uitleg van een en ander. Het is zeer te betreuren voor ons, die nog andere vragen stellen dan de muntkundigen, dat in het vondstbericht met geen woord melding wordt gemaakt op welke diepte, in wat voor een laag en in gezelschap van welke andere resten deze merkwaardige vondst is gedaan; zelfs moet men rekening houden met de mogelijkheid dat de munt met aangevoerd materiaal in Bloemendaal is gekomen, ofschoon juist dan wel zou zijn meegedeeld dat de munt in aangevoerd grind of zand werd gevonden. Het is bekend, dat in dezelfde gemeente al vaker Romeinse munten zijn gevonden, maar meestal verdwijnen de gegevens met de munten zelf. Zó vermeldt P. HOEKSTRA in zijn dissertatie ook dergelijke munten, maar blijkbaar heeft ook hij geen kans gezien voor zijn verder uitvoerig gedocumenteerd werk nadere gegevens op te sporen, misschien ook was het gerucht van de in dit opstel opnieuw gesignaleerde gouden munt ook tot hem doorgedrongen. De heer H. J. CALKOEN tekende en beschreef kortgeleden in dit tijdschrift eveneens een Romeinse munt, ditmaal van brons, uit het begin van de 4e eeuw, die ook in Bloemendaal heet te zijn gevonden, zonder dat men zelfs de vindplaats kon aanwijzen. Daar de mogelijkheid bestaat dat de gouden Valentinianus II, die naar de afbeelding te oordelen uitstekend bewaard •was, niet al te lang na de uitgifte in de grond is terechtgekomen, kan het zijn nut hebben, zeer in het kort te schetsen, wat wij weten omtrent de toestanden in onze landen in het derde kwart van de vierde eeuw. Het is merkwaardig dat vooral in de vierde eeuw na Chr. het aantal los gevonden gouden munten talrijk wordt, zó talrijk dat men wel gedwongen wordt aan te nemen, dat deze niet allemaal bij toeval zijn verloren gegaan. Merkwaardig is verder, dat dergelijke vondsten vooral in dié streken worden gedaan, waar, zoals men dit uit schriftelijke bron weet, oorlogen zijn uitgevochten. Zo heeft men sterk de neiging om soortgelijke vondsten ook in een gebied, waar men géén schriftelijke inlichtingen over heeft, op dezelfde manier te verklaren als voorwerpen van waarde, die bij naderend gevaar in de grond zijn gestopt en niet meer door de eigenaar zijn gelicht. Op deze wijze zou men de vondst van de gouden Valentinianus II in Bloemendaal kunnen zien als een kleine aanduiding, dat die streek tijdens of na Valentinianus II niet verschoond 83


is gebleven van de algemene onrust, die in deze tijd heeft geheerst aan de Rijn en de Noordzeeoevers. Na de dood van keizer Julianus II, door wie de Romeinse invloed in onze landen weer aanzienlijk werd versterkt, zijn de bewoners van het land ten Noorden van de Romeinse grens weer opnieuw in beweging gekomen en is het land ten Zuiden van de rivieren gebrandschat en geplunderd. De opvolger van Julianus II, Valentinianus I (364—375), is pas na enkele jaren de toestand weer geheel meester geworden en deze keizer heeft getracht door een zeer sterke linie van forten en kleinere versterkingen de macht van het Romeinse Rijk aan de Rijn voor enige tijd te verzekeren. Dit herstel is niet van lange duur geweest, want hoewel de vrede aan de Rijn na 370 onder de regering van Valentinianus I en ook onder diens opvolger Gratianus (375—383) niet meer ernstig gestoord schijnt te zijn, veranderde dit plotseling na de moord op Gratianus en de opstand van Magnus Maximus, die zich opwierp als keizer (383—388). Onder diens bestuur blijken én Franken én Saksen weer de Romeinse grenzen aan te vallen, d.w.z. de gehele Rijngrens, het gebied daarvóór en daarachter is weer in beweging, juist zoals na de dood van Julianus II. Het lijkt mij niet onmogelijk, dat onze Bloemendaalse vondst in verband staat met deze onrust omstreeks en na 383. Vergelijkbare vondsten vindt men bij mijn weten echter verder niet in Holland, wél in Friesland, Drente en Gelderland. In elk geval betekent een muntvondst uit hét laatste kwart van de vierde eeuw, dat wij omstreeks die tijd toch te rekenen hebben met bewoning van het gebied van Bloemendaal, hoewel wij nog steeds niet met zekerheid weten, wat de kenmerkende eigenschappen zijn van de materiële nalatenschap van deze bevolking. Daarom vooral is het zo jammer dat het vondstbericht geen melding maakt van nadere vondstomstandigheden. Wij mogen echter de eerste berichtgever uit de grond van 'ons hart dankbaar zijn, dat hij de gegevens van de munt zelf voor ons heeft bewaard op een zo voortreffelijke wijze. Buitengewoon erkentelijk zijn wij tenslotte de directie van het dagblad „De Maasbode" te Rotterdam, tot wie wij ons richtten met de vraag in welk nummer van dat blad het artikel van C. SCHOLTEN was verschenen. Wij ontvingen met het prompte antwoord copie van alle drie hierboven genoemde artikels, waardoor we in staat werden gesteld deze vergeten vondst, nu als het ware opnieuw opgegraven uit de leggers van ,,De Maasbode", ook opnieuw bekend te maken 1 ). 1

)

84

Indien het een van onze lezers bekend mocht zijn, waar de bewuste munt zich op het ogenblik bevindt, zou de redactie van „Westerheem" dankbaar zijn voor een inlichting- daaromtrent.


Literatuur BOONE, W. J. DE (1954). De Franken van hun eerste optreden tot de dood van Childerik. — Diss. Groningen; Laporte & Dosse, Amsterdam. CALKOEN, H. J. (1954). Muntvondst te Bloemendaal. — Westerheem 111 (7-8), p. 69 en pi. XIII, 7. COHEN, H. (1930). Description historique des monnaies etc, réimpression conforme a 1'edition 1880-1892. ELMER, G. (1933). Verzeichnis der römischen Reichspragungen. HOEKSTRA, P. (1947). Bloemendaal, proeve ener streekgeschiedenis. — Diss. Amsterdam; Wormerveer.

DE BETEKENIS VAN HET WOORD „KROFT" OF „KROCHT" door

MR A. C. CRENA DE IONGH (Amsterdam) Op vrij veel plaatsen in N.-Holland vindt men het woord kroftjkrocht als veldnaam of als tweede lid van toponiemen. Kroft moet de oudste vorm zijn, later met de bekende overgang ft > cht tot krocht geworden. BOEKENOOGEN (1897, p. 520 é.v.) vermeldt er een hele reeks van, reeds vanaf de 13de eeuw (o.a. passim in een ,,Staat van landrechten van Assendelft, Velserambacht en Wijkerambacht", geschreven ± 1340), alle gelegen in of bij de duinreep. Het Woordenboek der Ned. Taal onderscheidt dit woord krocht met de betekenis „Hooge zandgrond, of een op hoogen zandgrond aangelegde akker; in 't bijzonder toegepast op akkers in dé duinen" (W.N.T. 8, 299) van een ander woord krocht met de bet. „verborgen, meestal onderaardsche ruimte" en „crypt onder een kerk" — thans in min of meer verheven taal nog wel in gebruik —, dat teruggaat op het middellatijnse crupta. Het eerste woord, stellig identiek met het oudengelse cro/f: ,,a small inclosed field" (BOSWORTH and TOLLER, 1898—1921), zou dan zijn „van onbekenden oorsprong" (W.N.T.). SCHöNFELD (1949) ziet er een parallel in met het ook in plaatsnamen voorkomende donk, dat met donker in verband moet staan, derhalve primair „laag gelegen plaats", moet betekenen en dan ook als eigennaam van moerassen bekend is, maar dat in het gebied der grote rivieren nog voorkomt voor een hogere plek zand in het lagere veen (BEEKMAN, 1941, 116). Er is dan dus maar één woord krocht zowel ter aanduiding van een hoger gelegen als van een lager gelegen plaats. En inderdaad is De Krochten onder Teteringen laag weiland (SCHÖNFELD, t.a.p.). In het algemeen is de 85


betekenis voor zover het dè veldnamen betreft — die behalve in N.-Holland ook hier en daar in Utrecht, Z.-Holland en N.-Brabant voorkomen — wel „bouwland dat ten opzichte van zijn omgeving hoger gelegen is". Het element zandgrond behoeft daarbij niet essentieel te zijn, blijkens enkele hier volgende citaten uit oudere taal, toen het gebruik nog niet tot appellativa beperkt was, nl. HOOFT, Ned. Hist. 217, „Al 't vlak om Leeuwaarde, Franeker, Dokkom, Bolswaart, lagh meest overstroomt; en weenigh kroften, die uitkeeken", waar blijkbaar de terpen bedoeld zijn en BERKHEY, Nat. Hist. IX, 10, „Veenen, waar men dagelijks turf uitveent en het weinige vee op krochten of tusschen velden graast, die nog niet ingestoken zijn, waarop vrij goed hooi groeit", waar de betekenis moet zijn: reep niet afgegraven veen temidden der dalgronden. Voor zover krocht in straatnamen voorkomt kan zowel aan een oude veldnaam als aan de bet. „onderaardse ruimte" gedacht worden (vgl. de Haarlemse straatnaam Verwulft). Bij de Krocht in Zandvoort is wel de eerste betekenis de juiste, blijkens een in het Middeln. Wdb. III, 2113 geciteerde mededeling uit de Informacië (1514): ,,(Si) en hebben binnen Sandvoort geen lant dan twee krochten, die groot zijn omtrent 3 mergen". Tenslotte heeft zich uit de bet. „onderaardse ruimte" nog die van „achterbuurt, groep donkere straten en stegen" ontwikkeld (in de naam van bepaalde buurten, o.a. in Wormerveer en Zaandijk (BOEKENOOGEN, t.a.p.). Literatuur BEEKMAN, A. A. (1941). Middelnederlandsch

Woordenboek

door

E. VERWIJS en J. VERDAM, XI. Aanvullingen en Verbeteringen etc.

door —. ,— Nijhoff, 's-Gravenhage. BERKHEY, J. LE FRANCQ VAN (1769—1811). Natuurlyke historie van Holland I-IX. — Amsterdam. BOEKENOOGEN, G. J. (1897). De Zaansche volkstaal. Bijdrage tot de kennis van den woordenschat in Noord-Holland. — Leiden. BOSWORTH, Jos. and T. NORTHCOTE TOLLER (1898-1921). An Anglo-

Saxon Dictionary. — Oxford. HOOFT, P. C. Neederlandsche Histoorien. SCHÖNFELD, A. (1949). Veldnamen in Nederland. — Meded. Kon. Akad. v. Wetensch., afd. Letterk., N.R. XII, 1. VERWIJS, E. en J. VERDAM (1885-1941). Middelnederlandsch Woordenboek. — Nijhoff, 's-Gravenhage. WOORDENBOEK der Nederlandsche Taal, bewerkt door M. DE VRIES, L. A. TE WINKEL e.a., 1864-heden.


RECENTE VONDST VAN EEN VUURSTENEN SIKKEL TE ENKHUIZEN (N.H.) door

W. F. G. WIESE . (Hoorn). Op 16 September 1954 vond de heer A. VIJN een vuurstenen sikkel op het bedrijf van de Firma Sluis en Groot te Enkhuizen. De sikkel werd gevonden in een warenhuis (zie situatieschets op pi. XVIII) op een plaats, die kan worden aangeduid met de kaartindices 147.30 : 523.52. De grond in het warenhuis (een soort uitgestrekte broeikas) is een vrij lichte humushoudende klei, met een dikte van ongeveer 45 cm, daaronder volkomen ongeroerd wadzand, ongeveer 60 cm dik, rustend op zware dichte zeeklei. Hoewel de sikkel door de grondbewerking naar boven is gekomen, mag op grond van het bodemprofiel aangenomen worden, dat hij in de bouwvoor heeft gelegen. Deze sikkel (pi. XVIII, 2) is gemaakt van een lichtgrijzegele vuursteen en is practisch onbeschadigd. Het licht maanvormig gebogen voorwerp is 12,9 cm lang, de breedte bedraagt 3,4 cm. De oppervlakte vertoont zowel de opvallend hoge glans, als de doffere plekken aan de zijde van het handvat en komt dan ook nauwkeurig overeen met de door Prof. Dr A. E. VAN GIFFEN beschreven vuurstenen sikkels, die reeds eerder in West-Friesland werden gevonden („West-Friesland's Oud en Nieuw", bundel 17 (1944), p. 175 e.v.). De ouderdom kan, naar analogie van vorige vondsten, worden geschat op het laat-Neolithicum of de oudere Bronstijd. Dit mooie exemplaar werd door de heer A. VlJN welwillend afgestaan aan het Westfries Museum te Hoorn, 1 )

HOE OUD IS DE NAAM „VELSEN" ? Enige tijd geleden zegde de heer M. GYSSEL1NG te Gent, aan onze redactie een korte bijdrage toe over de vermoedelijke afleiding van de naam „Velsen". Deze kwestie zal iedereen interesseren, die weet dat de vóór-Romeinse bewoningssporen in de omgeving van Velsen bijna met de dag toenemen. Door*) De Conservator van het Westfries Museum, de heer T. R. MULDER, verleende aan de Redactie welwillend toestemming, ter vervaardiging van een afbeelding het bovenbeschreven voorwerp enige dagen uit het Museum te lenen, waarvoor zij hem gaarne haar erkentelijkheid betuigt. 87


dat de uitgebreidheid van de problemen die de naam stelt, meer tijd vergt dan oorspronkelijk werd gedacht, heeft intussen de heer GYSSELING tot onze spijt — maar tevens tot onze vreugde, omdat het artikel daardoor des te belangwekkender belooft te worden — aan de redactie nog om enig uitstel verzocht. In afwachting van zijn gecompleteerde studie werd ons toegestaan, het volgende korte resumé op te nemen: „Zoveel is nochtans zeker, dat de naam Velsen een praehistorische nederzettingsnaam is, afgeleid van een praehistorische waternaam. Blijkens Velsereburg, Velserburg in de XI—Xllde eeuw, moet in de vroege Middeleeuwen ter plaatse een burg gestaan hebben, ofwel een Romeinse burgruïne." Hieruit blijkt in ieder geval, dat de oudheid van de naam Velsen zeer aanzienlijk is en terug gaat tot een eind in de vóór-Romeinse tijd, een conclusie die volkomen overeenstemt bv. met de vondsten van de Cremerlaan, hoewel men natuurlijk niet deze twee plekken met elkaar mag gaan verwarren. Het zou de moeite lonen na te gaan in welke gevallen nog meer een overeenstemming is te constateren tussen archaeologische en naamkundige gegevens, omdat hierdoor tevens de voortdurende, onafgebroken bewoning zeer waarschijnlijk wordt. Wij zijn zeer dankbaar met deze voorlopige mededeling van de heer GYSSELING en sporen onze leden aan vooral ook te blijven letten op speciale benamingen van plaatsen, waar men vondsten doet, ook wanneer deze vondsten niet zo oud zijn als in het onderhavige geval.

W. J. DE BOONE

FUNDERING VAN TUFSTEEN IN DE GROENE KERK GEVONDEN Onder deze kop lazen wij in de Nieuwe Leidsche Courant van 5 November jl. het bericht, dat men bij de restauratie van de Groene Kerk te Oegstgeest, in het interieur op de hoek van het noordertransept en het koor, op oude tufstenen fundamenten is gestuit, waarvan kan worden aangenomen, dat het de fundamenten zijn van de vorige kerk, die hier heeft gestaan. Volgens de geschiedenis betreffende het Groene Kerkje heeft ter plaatse eerst een houten kerk gestaan, die reeds ongeveer in het jaar 740 gesticht werd. Daarna verrees vóór het jaar 1000 hier een stenen kerk, op welker fundamenten, naar men met zekerheid weet, de tegenwoordige kerk werd gebouwd. De R.O.B, te Amersfoort zal een nader onderzoek instellen.

88


BOEKBESPREKING DE NEDERLANDSE MUSEA „De Nederlandse Musea", 2e druk, 1954 (in opdracht van het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen uitgegeven door het Staatsdrukkerij- en Uitgeverijbedrijf. Prijs ƒ 2,50.) De verschijning van de tweede uitgave van een beknopt overzicht van alle voor het publiek opengestelde verzamelingen in Nederland is te belangrijk om alleen maar te volstaan met de aankondiging. Daar de eerste uitgave van dit voor elke museumbezoeker buitengewoon nuttige boekje reeds lang verouderd was, doordat vooral in de ellende van de laatste oorlog verschillende verzamelingen zijn vernietigd of uiteengevallen, heeft men al lange tijd naar deze nieuwe bewerkingreikhalzend uitgezien. Kort en bondig en zeer overzichtelijk is de inhoud; na een alfabetische lijst van de plaatsen waar zich een verzameling bevindt, treft men een indeling aan van musea naar de eigennamen in de titels, zodat men, indien men slechts één van beide weet, moeilijk mis kan tasten. Na een inleiding waarin verder wordt uiteengezet hoe de beschrijving van de verschillende collecties werd ingericht, en een lijst van litteratuurafkortingen die verder in de tekst worden gebruikt, vindt men eerst de beschrijving van de afzonderlijke musea en daarna die van de particuliere verzamelingen. Van de musea wordt opgegeven het juiste adres met eventueel telefoonnummer, de eigenaar en directie, de belangrijkste litteratuur voorzover aanwezig, een korte geschiedenis van museum, van verzameling en van gebouw en — wat op het eerste gezicht het belangrijkste lijkt — een beknopte beschrijving van de inhoud. Hierna volgen' opgaven over de bibliotheek, gidsen en catalogi en overige publicaties, terwijl tenslotte de bezoektijden en toegangstijden zijn opgegeven, met een overzicht hoeveel bezoekers het museum per jaar trekt en of men al of niet door een deskundige rondgeleid kan worden. Achterin zijn bovendien nog drie bladwijzers opgenomen: één groepering der verzamelingen naar hun inhoud, één groepering naar het jaar van oprichting en één lijst van de namen der directeuren, beheerders enz. van de beschreven collecties. Zoals men ziet kan men in dit 388 bladzijden tellende boekje van handig formaat de eerste, direct nodige gegevens alle bijeen vinden. Bij deze lof moet echter, jammer genoeg, ook gewezen worden op enkele drukfouten. Op een andere wijze kan men het immers moeilijk verklaren, wanneer men onder het hoofd Archaeologie bij voorbeeld het Veluws Museum Nairac te Barneveld niet ziet opgenomen, evenals de verzameling van Alphen aan de Rijn, een collectie die meer op het eigen werkgebied van de A.W.W.N. ligt. Dergelijke omissies in de index zijn daarom zo te betreuren, omdat de inhoudsbeschrijvingen zowel van het Museum Nairac als van de Oudheidkamer Alphen aan de Rijn gelukkig wel degelijk laten uitkomen dat een belangrijk deel van deze collecties bestaat uit archaeologica. Merkwaardig genoeg heeft men het Barnevelds Museum in de index wèl opgenomen onder het hoofd Praehistorie. Men vraagt zich af of de samenstellers misschien een onderscheid hebben willen maken tussen Archaeologie en Praehistorie; het is dan echter niet duidelijk geworden welk onderscheid zij wilden maken. Een tweede bezwaar is van geheel andere aard en men kan daar de samenstellers van dit met feiten volgepropte boekje moeilijk een verwijt van maken. Het blijkt namelijk niet mogelijk te zijn bij raadpleging van deze gids te weten-te-komen of zich inderdaad in een bepaalde verzameling niet één enkel archaeologisch stuk bevindt. Dit

89


viel mij in het oog bij de beschrijving van de collectie in het Stedelijk Museum te Alkmaar, omdat daar toch sinds jaar en dag o.a. schervenvondsten uit deze plaats zelf worden bewaard van zg. inheems aardewerk en ook een gestempeld bodemstuk van latere terra sigillata. Ook in Bergen wordt op ons gebied wel weinig, maar toch iets zeer interessants bewaard, namelijk de grote barnstenen kralen afkomstig uit de buurt van Velsen-IJmuiden, een vondst die reeds in „Westerheem" werd beschreven en waarvan men inmiddels de andere helft op het spoor schijnt te zijn. Hetzelfde geldt ook voor de collectie in Beverwijk en stellig nog voor vele andere musea. Beter dan critiek uit te oefenen lijkt het mij echter, dat wij zelf langzamerhand trachten alle archaeologica uit de verzamelingen in onze vier provincies, voorzover die niet beschreven zijn, globaal of in bijzonderheden te beschrijven al naar hun belangrijkheid. Intussen blijkt op het ogenblik reeds, op grond van de gegevens van deze pasverschenen nieuwe gids, dat in het Westen het aantal verzamelingen waarin archaeologica e.d. worden bewaard, vrij aanzienlijk is (waarbij men echter in het oog moet houden, dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen inheemse en uitheemse, meestal Griekse of Romeinse, maar ook wel van elders afkomstige, oudheden). Volgens de inhoudsbeschrijving (niet in alle gevallen volgens de index) worden archaeologica namelijk bewaard in de volgende plaatsen: Alkmaar (met o.a. de late vondsten van het kasteel van Egmond), Alphen aan de Rijn, Amersfoort - Museum Flehite, Amsterdam Allard Pierson Museum (waar onze Amsterdamse afdeling al zoveel gastvrijheid heeft ondervonden), Amsterdam - Museum voor Anthropologie (belangrijk voor vergelijking met totaal andere gebieden), Egmond - Museum van de Abdij (met vondsten uit de directe omgeving en enkele zeer fraaie voorwerpen van elders), Goes, 's-Gravenhage - Gemeentemuseum, 's-Gravenhage - Koninklijk Kabinet van Munten en Penningen (waarin een unieke verzameling munten wordt bewaard), 's-Gravenhage - Rijksmuseum Meermanno-Westreenianum (met enkele voorwerpen uit ons land, volgens de catalogus afkomstig uit Rijswijk en van het strand bij Katwijk), Hilversum - Museum voor het Gooi (met een zeer interessante archaeologische afdeling), Hoorn - Westfries Museum, Katwijk - Oudheidkamer, Leiden Rijksmuseum van Oudheden (sinds jaar en dag het onvolprezen centrum van alle oudheidkundige belangstelling in ons Westen), Middelburg - Museum van het Zeeuws Genootschap (waarin veel zeer belangrijk materiaal uit Schouwen en Walcheren), Naaldwijk, Rhenen (met talrijke vondsten van het Frankische grafveld, dat daar enige jaren geleden is gevonden), Rijswijk, Schagen, Utrecht - Archaeologische verzameling van het Provinciaal Utrechts Genootschap, Utrecht - Centraal Museum (waar in de kelder het gerestaureerde schip wordt bewaard, dat vermoedelijk dateert uit de 2e of 3e eeuw na Chr.), Wijk bij Duurstede en ten slotte het ons allen zo bekende Spaarnwoude. Een aanzienlijke lijst, vooral als men weet, dat naast deze officieel geregistreerde verzamelingen nog talrijke particuliere collecties bestaan die niet voor het publiek zijn opengesteld en in het museumboekje dus niet werden opgenomen. Misschien is. hier ook voor de A.W.W.N. een taak weggelegd om over alle verzamelingen waarin zich archaeologica bevinden •— ook al betreft het slechts enkele stuks — een kort berichtje op te stellen en een lijst aan te leggen van alle hiervoor in aanmerking komende niet-openbare verzamelingen. W. J. DE BO.ONE.

90


UIT DE TIJDSCHRIFTEN G. APPELBOOM, Een Celt uit de Bronstijd, gevonden te Monster (Z.H.). (Mededelingen v. d. Dienst v. Schone Kunsten der gem: 's-Gravenhage IX (1954), no. 3-4, pp. 80-82, met foto.) ; In deze publicatie wordt een recente vondst uit de late Bronstijd (aanwinst van het Gemeentemuseum van 's-Qravenhage) besproken, nl. een Celt of kokerbijl, gevonden bij de Watertoren te Monster, op een diepte van ongeveer 30 cm. Voor de nauwkeurige beschrijving van deze zg. gefacétteerde Celt verwijzen we naar genoemde publicatie. Het voorwerp is typisch voor de N.W.-Europese cultuurgroepen en kan gedateerd worden in de periode Montelius V, dus ongeveer 850—650 v. Chr. Ongetwijfeld is het een importstuk en, waar een vrijwel identiek stuk bekend is uit Züllichau (Brandenburg), terwijl verwante voorwerpen te Minden en Neuhaldenslaben zijn gevonden, getuigt de hier besproken bijl wellicht van handelsbetrekkingen tussen Westelijk Nederland en Oost-Duitsland in het eerste kwart van het eerste millennium vóór Chr. . . . " ••...-..' TH.

G.

-

-

H. j . ' V .

Un aigle en bronze de Fectio. (In: Bulletin van de vereniging tot bevordering der kennis van de antieke beschaving, jrg. XXVII (1952), pp. 13-14, met één afbeelding.) Aanleiding tot dit opstel was de toevallige vondst van een kleine bronzen adelaar, ongeveer vier cm hoog, op een terrein ten zuidwesten van het Romeinse legerkamp te Fectio-Vechten (prov. Utrecht). De stijl van het stuk kan slechts zeer algemeen in de eerste eeuwen van onze jaartelling worden gedateerd. De mogelijkheid blijkt niet uitgesloten, dat men hier te doen heeft met de resten van een militair veldteken. Wanneer men aan mocht nemen, dat de adelaar oorspronkelijk door een krans was omgeven, zou men er zelfs het speciale teken van de praétoriaanse troepen in kunnen herkennen. Een andere mogelijkheid is, dat de kleine adelaar gediend heeft als versiering boven op een helm, zoals men dat kent bij een vondst in Wurtemberg. Ook overweegt de schrijver o.a. de mogelijkheid, dat de bronzen vogel iets uit te staan zou hebben met de godsdienst, hetzij dat wij hem moeten zien als een votieffiguur, hetzij dat de adelaar deel heeft uitgemaakt van een staf of een zetel van Juppiter. Prof. VAN HOORN blijft echter de eerste mogelijkheid zien als de meest waarschijnlijke. Een goede foto, waarop de adelaar van terzijde werd opgenomen, is bij dit korte, duidelijke artikel gevoegd, terwijl verschillende vergelijkbare vondsten uit het buitenland worden aangehaald. Niet blijkt, in welke verzameling zich dit interessante kleine stuk bevindt. W. J. d. B. VAN HOORN,

Prof. Dr A. E. VAN GIFFEN en J. D. VAN DER WAALS, Opgraving bij het Oudekerksplein. (In: Amstelodamum (orgaan van het Genootschap Amstelodamum) XLI (1954), September-nr., pp. 97-99.) In een voorlopig verslag wordt melding gemaakt van enkele resultaten van een oudheidkundig bodemonderzoek tussen Oudekerksplein 91


en Warmoesstraat te Amsterdam, verricht door het Instituut voor Prae- en Protohistorie aldaar. In één der opgravingsputten bereikte men, na ruim 4 meter door latere ophogingslagen gegraven te hebben, het oorspronkelijke, natuurlijke opperylak, dat bestond uit een kleilaag, rustende op veen. Ir L. J. PONS ziet hierin een natuurlijke oeverwal, zoals te verwachten langs waterstromen in een veengebied. Hieruit blijkt, dat de huidige loop van de Amstel (Binnen Amstel, Rokin, Damrak) naar het IJ geen kunstmatige bedding is, maar de natuurlijke loop van een water, dat hier lang vóór de menselijke vestiging reeds bestond. Boven deze oeverwal werd de binnenvoet van een dijk aangetroffen, alsmede de sloot, welke daarlangs heeft gelopen. Dichter bij de Warmoesstraat werd (in een andere put) de kern van het dijklichaam getroffen. De oudste scherfjes (van grijs gesmoord aardewerk) werden direct op het oorspronkelijke kleioppervlak gevonden, maar konden nog niet definitief gedateerd worden. De oudste beter dateerbare scherven waren wellicht iets jonger en stammen uit de 13e eeuw. Door deze onderzoekingen wordt het wel waarschijnlijk gemaakt, dat onze hoofdstad in de 13e eeuw is ontstaan aan de monding van een aldaar stromende, hoogstens enkele eeuwen te voren bedijkte, rivier. Opgravingen op andere punten in de oude stadskern zullen wellicht worden afgewacht, alvorens een definitief, afsluitend verslag het licht zal zien. H. J. V.

VERENIGINGS-MEDEDELINGEN VAN HET BESTUUR De voortdurende groei van onze Werkgemeenschap, zowel in ledental alsook op het gebied van algemene activiteit, maken een gestage versterking en uitbouw van de interne organisatie noodzakelijk. Vrijwel alle werkzaamheden op dit gebied komen voor rekening van onze secretaris-penningmeester, de „man achter de schermen", aan wien de A.W.W.N. dan ook steeds veel dank verschuldigd is. Wij herinneren onze leden er aan, dat de heer C. ROODENBURG in Januari 1953 bereid werd gevonden, naast zijn penningmeesterschap — en zijn vele activiteiten in andere verenigingen —, ook nog de taak van onze scheidende toenmalige secretaris over te nemen. Teneinde hem in zijn veel omvattende taak — die hij met nimmer aflatend enthousiasme vervult — enige verlichting te geven, heeft het bestuur gemeend, de functie van 2e secretaris te moeten instellen. Het bestuur is Mejuffrouw W. H. VAN DER LAAN, Beelslaan 18 te Haarlem, zeer dankbaar, dat zij zich bereid verklaard heeft, deze functie op zich te nemen en wenst haar in deze veel succes en voldoening. VAN HET SECRETARIAAT De Secretaris vestigt er nadrukkelijk de aandacht op, dat zij, die per 31 December a.s. wensen te bedanken voor de A.W.W.N., dit uitsluitend kunnen doen door middel van een aangetekend schrijven aan het secretariaat, vóór 1 December e.k. Op de leden, wier bericht van bedanken na die datum binnenkomt, of die dit langs andere weg doen, rust onverminderd de plicht tot het voldoen van de contributie over het jaar 1955. Bij weigering deiverschuldigde gelden zal het Bestuur de betrokkenen in gebreke stellen en de maatregelen treffen, welke haar ten dienste staan. Dus bij eventueel bedanken: vóór 1 December per aangetekend schrijven!

92


INHOUD De Archaeoloog blz. 73 VRIES, JAN DE, De Wikingen in Kennemerland 74 CALKOEN, H. J., Het streekplan en de Archaeologie . . . 77 PEETERS JR, H. E., Een Frankisch grafveld bij Ockenburg 78 BOONE, W. J. DE, Nieuws over een oude Muntvondst te Bloemendaal 81 CRENA DE IONOH, A. C, De betekenis van het woord „Kroft" of „Krocht" 85 WIESE, W. F. G., Recente vondst van een vuurstenen sikkel te Enkhuizen 87 Hoe oud is de naam „Velsen"? 87 Boekbespreking 89 Uit de tijdschriften . 91 Verenigings-mededelingen 92

Antiquariaat Mouton & Co. N.V. Z.O. BUITENSINGEL 150b — Telefoon 723308

DEN HAAG

De volgende catalogi zijn op aanvraag gratis verkrijgbaar: Books on Eastern Europe Nrs. 1—5. Books on Asia. Nrs. 1—4. IN VOORBEREIDING: Books on Eastern Europe Nr. 6 bevattende ± 1200 titels Oost-Europese letterkunde en philologie. INKOOP van boeken en tijdschriften series op het gebied van Oost Europa, Azië en Afrika.


WE5TERHEEH


Jaargang III, No. 11-12

November-December 1954

WE5TERHEEH Orgaan van de ARCHAEOLOGISCHE WERKGEMEENSCHAP VOOR WESTELIJK NEDERLAND Hoofdredacteur: H. J. VERHAGEN, Morskade 12, Leiden. Secretaris der A.W.W.N.: C. ROODENBURG, van Eedenstraat 9, Haarlem. Contributie ad ƒ 5,— te storten op girorekening 577808, ten name van de Penningmeester der A.W.W.N, te HAARLEM.

WAAR ZIJN DE ARCHAEOLOGICA UIT BAARN? Naar aanleiding van het artikel van de heer F. E. FARWERCK, „Archaeologische overblijfselen in de omgeving van Baarn" („Westerheem" III (1954), 3-4, pp. 18-21) zou ik gaarne enkele dingen willen opmerken. De „prachtige klokbeker" uit heuvel II (opgegraven in 1926 door BARON VAN HEERDT, onder auspiciën van Prof. Dr A. E. VAN GIFFEN) is niet, zoals gezegd werd, verloren geraakt. Momenteel maakt dit stuk, na gerestaureerd te zijn, deel uit van de archaeologische collectie van het „Provinciaal Utrechts Genootschap van Kunsten en Wetenschappen" in het Centraal Museum te Utrecht. Met de andere, indertijd gevonden, voorwerpen is dit eveneens het geval. Over de opgravingen in 1926 en 1927, ondernomen in het park van het kasteel Drakensteyn, is van de hand van Prof. Dr A. E. VAN GIFFEN een verslag verschenen in: „Die Bauart der Einzelgraber" (Mannus-Bibliothek No. 44-45, Leipzig 1930), 1. Teil: Textband, pp. 61-62 en 2. Teil: Tafelband, Abb. 46-50 (Tafel 51-55). De daar gevonden voorwerpen bevinden zich eveneens te Utrecht. Men vergelijke hiervoor: Dr G. VAN HOORN, „Gids door de Verzameling Nederlandse en Romeinse Oudheden van het Provinciaal Utrechts Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in het Centraal Museum te Utrecht" (Utrecht 1936), p. 9 en afb. 4. TH. G. APPELBOOM 93


ARCHAEOLOGISCHE INVENTARISATIE IN WEST-FRIESLAND door W. F. G. WIESE (Hoorn) Bij de inventarisatie van archaeologica in West-Friesland bleek, dat daar buiten de in het vorig nummer gepubliceerde vuurstenen sikkel, nog de volgende niet eerder geregistreerde voorwerpen werden gevonden: 1. Een doorboorde stenen hamer. (pi. XXI, 1) Deze hamer werd ongeveer in 1946 gevonden tijdens het ploegen van een akker aan de Boekeiweg, vlak bij de Weere, gem. Hoogwoud (kaartindices ong. 126.25:526.50). Het enigszins schuitvormig gebogen voorwerp heeft een mooie, iets conische doorboring, waarvan de doorsnede ongeveer 1,8 â&#x20AC;&#x201D; 2,0 cm bedraagt. Het donkergrijze werktuig, dat waarschijnlijk vervaardigd is van dioriet, heeft een lengte van 10,3 cm; de grootste breedte bedraagt 4 cm en de: hoogte 3,7 â&#x20AC;&#x201D;4,0 cm. De hamer is eigendom van de Heer A. DONKER, West-Frisia B 28, Pade Hoogwoud.*) 2. Een vuurstenen sikkel, (pi. XXI, 3) Door de Heer H. BLOM te Andijk werd in Augustus 1954 een vuurstenen sikkel gevonden tijdens het aardappelrooien op een akker te Andijk (de Mosseltuin), ten Zuiden van de Oude Wal en vlak ten Oosten van de Hoeksloot (kad. Andijk, Sectie E, 3e blad nr. 1131; kaartindices 143.40: 527.60). Nader bodemkundig onderzoek van de vindplaats zal alsnog dienen te geschieden. De sikkel is gemaakt van een lichtgrijze vuursteen, behoort tot het rechte type en is goed geconserveerd. De 'lengte bedraagt 12,0 cm en de grootste breedte 3,3 cm. Eigenaar is de Heer H. BLOM, Klein Gouw 48 te Andijk.1) 3.

Een vuurstenen speerpunt, (pi. XXI, 2) In de zomer van 1950 werd door de Heer C. KlEFT te Andijk 1 ), bij het schoffelen van de akker, een vuurstenen speerpunt gevonden op een perceel ten Zuiden van de Klein Gouw . (kad. Andijk, Sectie E, 3e blad nr 1181; kaartindices 142.55 : 527.75). Ook hier had de vondst plaats tijdens de normale grondbewerking en heeft de speerpunt dus zeer waarschijnlijk gewoon in de bouwvoor gelegen. (Het voorwerp is vervaardigd van donkergrijze vuursteen Voor het tijdelijk afstaan van de in hun bezit zijnde archaeologica, ten behoeve van de vervaardiging der afbeeldingen, is de Redactie de resp. eigenaars ten zeerste erkentelijk. 94


met crème partijen. Aan de voet van de speerpunt bevindt zich nog een deel van de verweringskorst; men krijgt de indruk, dat de vervaardiger hier zijn werkzaamheden voortijdig heeft gestaakt. Eén der vlakke zijden is ook nog niet gereed, nl. nog te dik, wat genoemde indruk versterkt. Het is niet ondenkbaar, dat de inhomogeniteit van het materiaal (kleine holten, insluitsels) voor de maker aanleiding is geweest, zijn arbeid op te geven. Dat het voorwerp in zijn huidige vorm gebruikt zou zijn, lijkt niet waarschijnlijk, want aan de voltooide vlakke kant van het stuk — op de tekening afgebeeld — blijkt, dat de vervaardiger zijn vak wel verstond. Mocht bovenvermelde indruk inderdaad juist zijn, dan zou daaruit kunnen volgen, dat vuurstenen werktuigen ter plaatse gemaakt werden. — Red. V.) 4. Een zeer fraaie, grote, gebogen vuurstenen sikkel, eveneens nabij Andijk gevonden, kon wegens plaatsgebrek niet meer in dit nummer worden afgebeeld, weshalve ook de beschrijving en overige bijzonderheden in het volgend nummer zullen worden gepubliceerd.

EEN KAROLINGISCHE POT UIT VELSEN door

H. J. CALKOEN (Velsen) Bij de voortgezette werkzaamheden aan de tunnelput ten Oosten van de Rijksweg bij Velsen, snijden de draglines op een diepte van gemiddeld 1 meter onder de grasmat (die hier op ± N.A.P. ligt) door een oud bewoningsniveau, waaruit vele middeleeuwse scherven en dierenbeenderen tevoorschijn komen. Naast enkele, hier nog zeldzame, Merovingische fragmenten uit de 7e en 8e eeuw — waarover later meer (zie ook ,,Westerheem" III, pp. 34-3.7, pi. IX) en waarbij het vermelding verdient dat de oudste kerk van het nabije Velsen omstreeks het jaar 700 moet zijn gesticht — worden ook vondsten gedaan uit de 9e en 10e eeuw. Een fraai voorbeeld van een Karolingische pot uit die tijd, alhier gevonden, is afgebeeld op pi. XXII, 3. De heren MODDERiMAN en RENAUD, conservatoren van de R.O.B, te Amersfoort, die zo vriendelijk waren dit exemplaar te determineren, wijzen daarbij op overeenkomst met dergelijke potten uit Dorestad, welke stad vermoedelijk aan het einde der 9e eeuw ten onder ging. Het is een importstuk, hardgebakken en tamelijk dunwandig (3-6 mm). De kleur is rossig grijsbruin, aan de binnen95


zijde meer grijs-geel, op de breuk zacht bruinrood-oranje. De klei is gemengd met fijn wit steengruis. De rand is scherp geprofileerd en de bodem is enigszins bol afgesneden. De scherven van dit voorwerp, die thans berusten in de Kennemer Oudheidkamer te Beverwijk, werden daar gebracht door de heer C. WOKKE te IJmuiden-Oost, door wiens voortdurend en scherp opletten bij allerlei grondwerken in de gemeente Velsen reeds eerder oudheidkundige vondsten konden worden geborgen. Een voorbeeld, dat navolging verdient!

EEN HOUTEN HANDBOOG, GEVONDEN TE WASSENAAR door

TH. G. APPELBOOM (Leiden) Eén der belangrijkste wapenen, waarover de mens sedert onheugelijke tijden de beschikking heeft gehad, schijnt wel de handboog te zijn geweest. De pijlspitsen •— pijl en boog gaan immers steeds samen •— die veelvuldig in palaeolithische cultuurlagen worden aangetroffen, maken het gebruik vanv de handboog, reeds in die vroege tijden, meer dan aannemelijk. Uit het Jong-Palaeolithicum, m.n. uit het Solutréen, zijn de prachtigste pijlspitsen, ooit in praehistorische tijdperken vervaardigd, tot ons gekomen. Deze pijlspitsen, evenals die uit Aurignacien en Magdalenien, doen ons de handboog kennen als een der veelvuldigst voorkomende wapenen. Jammer is het evenwel, dat deze bogen zelf niet in natura bewaard zijn gebleven. Echter, onder de vele rotstekeningen, die de jong-palaeolithische mens ons heeft nagelaten, zijn er verscheidene aan te wijzen, waarop mensenfiguren bewapend met handboqen, of afzonderlijke handbogen zijn voorgesteld (vgl. KüHN, 1953). Uit de jongere tijdperken — Neolithicum en later — zijn zowel uit Europa (Zwitserland, Denemarken en Zweden), als uit de landen der Oudheid (Egypte, Voor-Azië, Griekenland etc.) vele goed gevormde pijlspitsen tot ons gekomen; in vele gevallen echter ook goed bewaarde exemplaren van handbogen of fragmenten hiervan. Vooral in Egypte zijn fraaie stukken bewaard gebleven, o.a. in het graf van Tutanch-Amon ( ± 1375—1358 v. Chr.), terwijl men ook op de schilderingen in sommige graven (bv. op een sierkist uit het graf van Tut-anch-Amon) het gebruik van handbogen kan bestuderen, soms ook de fabricage (WiLKlNSON, 1878; CARTER <S MACE, 1923). Uit Voor-Azië kennen wij vooral reliëfs uit 96


de tijd van koning Assurbanipal II (668—626 v. Chr.), waarop dé koning boogschietend is voorgesteld (EBERT, 1925). In Europa zijn, als gevolg van de slecht conserverende werking van klimaat en bodem, maar weinig bogen bewaard gebleven. Bij de opgravingen, die sedert de vorige eeuw in de Zwitserse paalwoningen ondernomen zijn, is een aantal bogen en fragmenten daarvan te voorschijn gekomen (ADLER, 1915). Deze waren doorgaans enkelvoudig, d.w.z. zij waren uit één stuk hout vervaardigd; de gemiddelde lengte bedroeg 1,50 a 1,80 meter. De voorwerpen waren sterk verbogen, meestal tegengesteld aan de oorspronkelijke buiging; het materiaal was taxishout. Ook uit Denemarken kennen wij enkele exemplaren (CLARK, 1952), terwijl Zweden rotstekeningen met voorstellingen van mensen met bogen opleverde. Op grond van deze vondsten kan wel gezegd worden, dat de oudste handboog enkelvoudig was; de latere typen zijn echter veelal samengesteld, d.w.z. uit meerdere delen samengevoegd. In Nederland zijn momenteel drie handbogen uit praehistorische tijd bekend: één hiervan berust in het Oudheidkundig Museum te Assen, een andere in de collectie van de heer W. A-. VAN DER WAL te Heemstede (VAN DER WAL, 1952) 1), terwijl het derde exemplaar zich bevindt in de collectie van Nederlandse Oudheden van het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden (HOLWERDA, 1908). Over laatstgenoemde boog wil ik hier enkele nadere gegevens het licht doen zien. Houten handboog in het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden; inventaris merk: S.v.D. (Juni 1856); geschonken in J 856 door JHR N. J. STEENGRACHT VAN DUIVENVOORDE te Voorschoten. Beschrijving: Deze handboog, welke bijna in zijn geheel bewaard is gebleven, werd vervaardigd uit assenhout. De lengte bedraagt thans nog 150 cm, breedte en dikte in het midden resp. 3 cm, breedte en dikte aan het uiteinde resp. 1,8 cm en 1,3 cm. Het ene uiteinde ontbreekt, het andere is aan de buitenzijde versierd met een ingesneden bandje, gevormd door evenwijdig aan de lengterichting van de boog verlopende zigzag-lijntjes (pi. XIX, 3). Verder van het einde bevindt zich de ingesneden gleuf voor het vastmaken van de pees. De boog is aan de buitenkant glad-bol bewerkt, aan de binnenzijde meer vlak bijgesneden, waarbij echter — door hun grotere hardheid — de kwasten buiten het oppervlak kwamen uit te steken. De oorspronkelijke lengte van het stuk zal ongeveer 1,75 a 1,80 meter hebben bedragen. Een mesolithische ouderdom voor deze boog is m.i. uitgesloten te achten. 97


Deze boog werd gevonden in de zanderijen toebehorende aan JHR STEENGRACHT VAN DuiVENVOORDE, gelegen onder Wassenaar aan de oostzijde van de straatweg naar 's-Gravenhage, niet ver van de koepel van Bakkershage. Het voorwerp lag ongeveer 4 Ned. el (meter) onder het duinzand, boven op een aldaar ongeveer 1,2 Ned. el dikke veenlaag. Volgens verkregen mededeling waren, ongeveer op dezelfde plek, ook enige beenderfragmenten gevonden, terwijl, eveneens op de bodem van het veen, beenderen werden aangetroffen, die toebehoorden aan een herkauwend dier, nl. een rund. Een nader onderzoek naar aard en herkomst van de eerstgenoemde beenderen, in October 1856 door W. VROLIK te Amsterdam verricht, leverde de volgende — hier in het kort weergegeven — resultaten op: „Fragmenten van eenen zeer zwaren mannenschedel. Uit het fragment van de bovenkaak is het duidelijk dat het een reeds bejaarden man was, de tandkassen zijn zeer nauw. Voorts zijn aanwezig het bovenste uiteinde van een opperarmbeen en een fragment van een schouderblad." Helaas zijn deze beenderen thans niet meer in het Museum aanwezig. Het wil mij voorkomen, dat boog en beenderen bij elkaar behoren. Wij zouden ons kunnen voorstellen, dat een „bejaarde" jager in een veen zakte en erin verstikte; dat zijn lichaam naar de bodem zonk, maar dat de houten (dus lichtere) boog aan de oppervlakte bleef drijven. Later, na wellicht eerst volledig door plantengroei te zijn verland, werd het veen door duinzand overdekt, dat op deze wijze een beschermende laag vormde. Om echter, alleen op grond van deze niet meer te controleren reconstructie, met deze gegevens tot een tijdsbepaling te komen, acht ik niet mogelijk. HOLWERDA (1908) heeft het stuk in Germaanse óf latere tijd geplaatst, blijkbaar zonder een vroegere datering, die immers eveneens gewettigd was, te overwegen. Toch is het juist een vroegere dan de dbor HOLWERDA gegeven datering, die mij hier inderdaad meer aannemelijk voorkomt. Wanneer wij de tekening, ingesneden op het éne uiteinde van de boog, goed beschouwen, dan doet deze ons denken aan de bekende steen uit een neolithisch steengraf, gevonden te Göhlitzsch, Kr. Merseburg ( EBERT, 1925). Op deze steen (pi. XIX, 1) zien wij, naast een afbeelding van een boog en een pijlkoker gevuld met pijlen, een aantal groepen zig-zag-lijnen, overeenkomende met die, welke onze boog vertoont (pi. XIX, 3). Verre van direct te willen beweren dat de boog, op grond van deze gelijkenis der versieringswijzen, dus beslist in het Neolithicum is te dateren, zou ik deze mogelijkheid toch geenszins uitgesloten willen achten. Weliswaar kunnen de bodemkundige vondstomstandigheden ons in deze geen argumenten meer verschaffen — een palynolo98


gisch onderzoek van het veen ter plaatse zou van grote betekenis voor een mogelijke datering geweest kunnen zijn —, maar het type van de boog en de vorm der decoratie wijzen m.i. toch wel in die richting. Indien echter te eniger tijd aan deze boog een ouderdomsbepaling zou worden verricht met behulp van de zo waardevolle — en inzonderheid voor een voorwerp als het onderhavige uitermate geschikte — C 14 -methode, zal ongetwijfeld: een juiste datering kunnen worden vastgesteld. L it e r a t u ut B. (1915). Die Bogen der Schweizer Pfahlbauer. — Anz. f. Schweiz. Altertumsk., N.F. XVII (3. Heft), pp. 177-191. CARTER, H. en A. C. MACE (1923). The. Tomb of Tut-ankh-Amen. Vol. 1 — London. (da. ook vertaald in Nederlands en Duits.) CLARK, J. G. D. (1952). Prehistorie Europe. — London. EBERT, M. (1925). Reallexikon der Vorgeschichte. Band 2. — Berlin. HOLWERDA, J. H. (1908). Catalogus Rijks Museum van Oudheden, Prehistorische Afdeling. — Leiden. KÜHN, H. (1953). Auf den Spuren des Eiszeitmenschen. — Wiesbaden. WAL, W. A. VAN DER (1952). Interessante Archaeologica. — Westerheem I (7-8), pp. 74-77, pi. I. (Over de boog uit Noordwijkerhout verscheen eveneens een korte mededeling in: Berichten v. d. Rijksd. v.h. Oudheidk. Bodemonderz., III (1952), 2, p. 43, fig. 10.) WILKINSON, J. (1878). The ancient Egyptians. Vol. I. — London. ADLER,

GERMAANS SPEL OF . . . DEKSEL ? door

H. J. CALKOEN (Velsen) Het eigenaardige voorwerp" van grijsachtige gebakken klei, afgebeeld op plaat XXII, 1, kwam tevoorschijn bij de steil afgegraven kant van de terp Felsum, ten W . van Spannum (gem. Hennaarderadeel, Fr.). Mijn aandacht werd erop gevestigd door vriendelijke bemiddeling van drs H. HALBERTSMA, conservator bij de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek te Amersfoort. Hij ook verschafte mij de afdruk van een door de heer G. J. DE VRIES vervaardigde tekening, waarnaar bijgaande afbeelding is gemaakt. Het voorwerp zelf bevindt zich in de Oudheidkamer te Sneek; het wordt gedateerd in de eerst of tweede, hoogstens derde eeuw n. Chr. De heer HALBERTSMA, getroffen door de typische versiering met gleuven en ingedrukte kuiltjes, vermoedde aanvankelijk, dat wij hier mogelijk te doen zouden hebben met een soort Germaans spel, naar analogie van het bekende Romeinse spel met speelschijfjes, zoals dit beschreven is in „Westerheem" II, 99


pp. 122-123. Dit spel zou dan gespeeld kunnen zijn met kleine speelschijfjes die verschoven werden, misschien ook met klei-, knikkers, die in de terpen steeds zeer talrijk zijn. De uit aardewerk • gesneden Germaanse speelschijfjes, zoals die ook in Velsen meermalen gevonden werden („Westerheem" I, pp. 29-30) zijn met hun gemiddelde doorsnede van drie centimeter voor dit doel te groot. Zij doen eerder denken aan een soort damschijven. Nu bestaat echter ook nog een andere mogelijkheid, waarop dr H. BRUNSTING, conservator van het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden, mij wees en waarmede ook de heer HALBERTSMA zeer wel accoord kan gaan. In genoemd museum bevinden zich nl. in de Fries-Bataafse afdeling drie voorwerpen van gebakken klei, die in vele opzichten overeenstemmen met de hierboven besproken vondst uit Friesland. Twee daarvan vertonen in het midden een platte, knopvormige verdikking, bij het derde exemplaar schijnt deze knop afgebroken te zijn. Deze knoppen, waarvan één aan weerszijden een indeuking vertoont, maken het wel zeer waarschijnlijk, dat wij hier met deksels van potten te doen hebben. Het ontbreken van de knop bij het voorwerp uit Felsum, schijnt het minder geschikt te maken als deksel. Dit bezwaar vervalt echter, indien wij het beschouwen als afdekking, afsluiting van een aarden pot.. En dan krijgt het kruisvormig gleufpatroon zelfs betekenis: Het is met twee vingertoppen in de natte klei gegroefd, waarbij door een speels drukje aan begin en eind vanzelf de kuiltjes ontstaan. Ter verdere versiering zijn dan. met fijn gevoel voor dé juiste plaatsing, nog een vijftal deukjes toegevoegd. De Leidse voorwerpen vertonen respectievelijk één enkele gleuf, een kruisgleuf en een samengestelde kruisgleuf met drie groeven, waarbij de middelste in het verlengde ligt van het gat in de knop. Knoploze deksels komen ook reeds vroeger voor, o.a. bij urnenvelden-aardewerk uit de eeuwen vóór Chr.; wij treffen ze bv. aan bij met „Kerbschnitt" versierde potten, die in het Zuiden van ons land wijzen op invloed uit het Rijnland. Nu is het mij al meermalen opgevallen, dat bij het „FriesBataafse" aardewerk uit de eerste eeuw na Chr., zoals dit gevonden wordt in de diepere lagen van de Friese terpen en ook in Kennemerland, tamelijk veelvuldig potten voorkomen met twee, tegenoverstaande, kleine oortjes. Deze zitten dan vlak onder de naar buiten gebogen rand, zijn uitwendig afgerond-hoekig en aan de binnenzijde rond van vorm. Zij zijn te klein en vermoedelijk ook te zwak, om de pot, vooral in gevulde toestand, eraan op te tillen. Zij kunnen echter zeer wel hebben gediend ter bevestiging van een afsluiting, een deksel. Een riempje, touw of wilgenteen rondom de pot door deze oortjes gestoken en daaraan twee naast elkaar liggende, 100


PLAATXIX


PLAAT2S1


PLAAT23I


U

:

14-CM


•of loodrecht óp elkaar staande bandjes bevestigd over het deksel heen, rustend in de gleuven, zou een goede, doelmatige afsluiting van de pot kunnen Opleveren, waarbij de groeven dan verschuiven zouden voorkomen (pi. XXII, 2). Bij de deksels in Leiden kunnen deze bandjes aan weerszijden om de knop hebben heengelopen, om vervolgens af te buigen door de gleuf of gleuven naar de rand. Ook is het niet ondenkbaar, dat hier eenvoudig — en dan liefst van twee overstaande zijden — een slag om de knop werd gelegd. Deze wat nuchtere opvatting van het bewuste voorwerp, is misschien niet zo aardig als die van een Germaans spel. Zij verdient echter daarnaast ongetwijfeld overweging, temeer daar op deze wijze de „versiering" logisch zou zijn verklaard.

TWEE RONDE STEENBIJLEN UIT HET GOOI EN EEN POGING TOT TYPOLOGISCHE DATERING door

S. POS (Hilversum)'

en

H. J. VERHAGEN (Leiden)

Min of meer bij toeval ontdekte één van ons (P.) het bestaan van twee ronde steenbijlen, die in de laatste jaren in het Gooi tevoorschijn waren gekomen. Naast het geven van een beschrijving willen wij — daarvoor aangewezen op buitenlandse (m.n. Zweedse) bronnen — trachten, deze bijlen met behulp van de typologische methode te dateren. De hier te bespreken bijlen zijn n i e t vervaardigd van vuursteen en hun dwarsdoorsnede is met meer of minder grote benadering rond. Waar wij in de Nederlandse archaeologische literatuur voor deze soort bijlen geen specifieke naam konden vinden, duiden wij ze hier, ter onderscheiding van de ..vuursteenbijl" en tevens in aansluiting aan elders gebruikte benamingen, aan met de term „ronde steenbijl" (Du. Walzen-

beil, Zwe. Trindyx). Enige tijd geleden kwam één onzer (P.) in het bezit van een stenen bijl, waarbij evenwel nadere gegevens omtrent vondstomstandigheden ontbraken. Daar dit de waarde van het stuk verminderde, werd besloten naar deze gegevens een onderzoek in te stellen. Enig speurwerk leidde naar de heer STROOSNIJDER, wonende te Naarden! Deze vertelde, de bijl in het voorjaar van 1953 gevonden te hebben bij het stobbenrooien van een perceel eikenhakhout, gelegen ten Westen van de Lage Naarderweg, nabij de grens Huizen-Blaricum. 101


Het betreft hier een zeer zware bijl (pi. XX, 2), vervaar-, digd van een fijn zwart-geaderd, grijzig gesteente met gelaagde textuur, dat door de heer P. C. ZWAAN (Geol. Inst, Leiden) werd gedetermineerd als: hoornblendegneis tot -schist 1 ). De totale lengte van het stuk bedraagt 20,5 cm, de grootste breedte 7,5, cm 2 ) en de dikte 6 cm. De snede is 4 cm lang. De bijl is slechts ten dele geslepen. Het ongesiepen oppervlak is fijn-bobbelig; mogelijk, dat de maker van het werktuig de ruwe vorm vervaardigde door bekloppen van het oorspronkelijke stuk steen door middel van - een puntige stenen beitel. Deze veronderstelling steunt op een passage bij ABERQ3). Het slijpen van de bijl bleef in hoofdzaak beperkt tot het voorste éénderde gedeelte (bij de snede), het in afnemende mate geslepen middengedeelte vormt de overgang tot het ongesiepen derde deel bij de top. De zijkanten zijn slechts zéér zwak geslepen. De grootste breedte van het stuk ligt iets uit het midden, aan de zijde van de snede. Deze laatste is veel smaller dan de grootste breedte van de bijl (nl. 4 cm tegen 7,5 cm), maar eindigt toch tamelijk hoekig tegen de zijkanten. Typologisch moet dus gesproken worden van ,,smalsnedig". Het stuk vormt echter reeds een overgang van de ovaalsnedige bijl zonder ,,snedehoeken" (='duidelijke hoeken, op de grens tussen snede en zijkanten) naar de ,°,megalieth-snedige" O

(s. ABERG4)) of breedsnedige bijl, met zeer brede snede en sterk ontwikkelde snedehoeken; welk type in het Noorden samenhangt met wat bij ons de „hunebeddencultuur" (aanvang ca. 2000 v. Chr.) wordt genoemd. B ) De dwarsdoorsnede van de bijl heeft de vorm van een rechthoek, waarvan de zijden enigszins gewelfd zijn. Een dergelijke doorsnede wijst op noordelijke invloed. Immers, bij de geslepen vuurstenen bijl — invloed van de vuursteenbijl op de ronde steenbijl is, vooral in de latere tijd, herhaaldelijk te 1 2 3

)

) )

4

)

5

)

102

Gaarne betuigen wij onze dank aan de heer P. C. ZWAAN, voor de petrografische determinatie van de beide bijlen. Op de tekening staat abusievelijk 7 cm vermeld. ABERG, N. (1912). Studier öfver den yngre stenaldern i Norden och Vast-europa. —- Norrköping. ABERG, N. (1913). Kalmar lans stenalder. :— Meddel. fr. Kalmar lans fornminnesför. VII. Het toenemen van de breedte.der bijlsneden hangt wellicht samen met een verandering in het. gebruik. De „ovaalsnedige" bijl is zeer geschikt om diepe wonden toe te brengen; het is een jachtwapen. Dit type deugt echter niet Om er hout mee te bewerken; hiertoe ontstond de- „breedsnedige" bijl, waarmede men bomen kon kappen enz. Weerspiegelt zich hierin misschien de ontwikkeling van jagersvolk tot een bevolking met veeteelt en landbouw, welke irï verband hiermede bossen moest rooien?


constateren — zien we tijdens het midden-Neolithicum in de, tot' die tijd overal gelijkelijk ontwikkelde, vorm een scheiding optreden tussen het zg. Westeuropese type, dat duntoppig blijft en een elliptische doorsnede behoudt, en het zg. Noordelijke type, dat diktoppig wordt en een meer rechthoekige doorsnede krijgt. De hierboven beschreven bijl vertoont dus zeker nog niet de kenmerken, die gelijktijdig optreden met de Megalieth( = hunebedden-) cultuur en zal misschien in het laatste deel van het midden-Neolithicum, wellicht nog vóór 2000 v. Chr., gedateerd kunnen worden. Een tweede bijl, van veel kleiner formaat, ontdekte P. in het Goois Museum, waar hij door de vinder was afgegeven. De waarnemend directeur van het Museum, de heer Drs. VAN VELZEN, kon het adres van de vinder mededelen, en was tevens zo vriendelijk, de bijl voor nader onderzoek en ter vervaardiging van een afbeelding (pi. XX, 1) tijdelijk af te staan. Voor deze bereidwilligheid betuigen wij de heer VAN VELZEN op deze plaats gaarne onze erkentelijkheid. De bijl werd, in October 1951, bij graafwerkzaamheden gevonden door de heer VAN RHEENEN, gemeente-gasfitter te Hilversum. Hij trof het werktuig aan in een zandlaag, ongeveer 70 cm onder de oppervlakte, in de tuin van een villa, gelegen aan de Soestdijkerstraatweg, hoek Sophialaan. Hij had „het ding" maar meegenomen, omdat het zo'n eigenaardige vorm had. Thuis kwam het voorwerp terecht in een aanrechtkastje — dit lijkt wel de geijkte plaats voor deze soort voorwerpen — totdat het moeder-de-vrouw begon te vervelen en zij haar echtgenoot verzocht, het maar eens op te ruimen. Het materiaal, waaruit de bijl bestaat, is ditmaal grijze kwartsiet (det. P. C. ZWAAN), aan de buitenzijde, wellicht door verwering, bruin gekleurd. De lengte bedraagt 16,7 cm, de grootste breedte 4,5 cm en de dikte is 3,8 cm. De thans helaas vrij ernstig beschadigde snede is recht en heeft een lengte van 1,8 cm; het is echter de vraag, of de bijl bij de vervaardiging wel een rechte snede heeft medegekregen. De dwarsdoorsnede is rond bij het topgedeelte en ovaal bij het snedegedeelte. Het oppervlak van de bijl is ook hier weer bobbelig en bij het beschouwen daarvan dringt zich opnieuw de vraag naar voren, die reeds bij de eerstbesproken bijl in verband hiermee werd gesteld. Want vooral het maken van de prachtig gevormde, spitse top moet toch wel een techniek vereist hebben, die uit de ruwe steen langzaam, maar nagenoeg feilloos, een door de maker gedachte vorm deed tevoorschijn komen. Het voorwerp is slechts zeer ten dele geslepen, nl. aan het snedegedeelte — doch zonder plat vlak, zoals op afb. — en enigszins aan boven- en onderkant. In tegenstelling tot de vorige, bezit deze bijl kenmerken, die 103


hem tot een vroeg type stempelen. Vooreerst de spitse top, waardoor bij ronde steenbijlen, evenals bij vuursteenbijlen, de vroegste phase in hun ontwikkeling. wordt gekarakteriseerd. Daarnaast de rond-ovale doorsnede en een grootste breedte welke nog dicht bij het midden ligt, beide vroege kenmerken, die we dan ook — evenals de spitse top — bij de ovaalsnedige bijlen tegenkomen.. Houden we rekening met de beschadiging van de snede, dan zou deze bijl inderdaad-nog tot het ovaalsnedige type, uit het begin van het Neolithicum, behoord kunnen, hebben. Waar echter de grootste breedte niet precies in het midden, maar 1,5 cm opzij daarvan aan de kant van de snede ligt, terwijl van deze snede thans niet meer met zekerheid te zeggen valt, of zij eertijds werkelijk een vloeiend gebogen vorm heeft gehad, moeten wij rekening houden met de mogelijkheid, dat ons voorwerp eventueel een nog vroeg smalsnedig exemplaar, en dus van iets later datum, zou kunnen zijn. Op grond van de genoemde vormeigenschappen kan deze bijl dus typologisch worden geplaatst bij de ovaalsnedige, of bij de vroege smalsnedige bijlen, en is hij als zodanig te dateren in het vroege Neolithicum. Hier een jaartal te noemen is, meer nog dan bij de eerstbesproken bijl, uiterst moeilijk, vooral ook omdat de absolute datering der verscheidene cultuurtijdperken bij diverse auteurs tamelijk grote verschillen vertoont. Wil men beslist een datum, dan zou, evenwel met de grootst mogelijke reserve, ongeveer 2500 v. Chr. kunnen worden genoemd.

EEN ONAFGEBROKEN BEWONING VAN DE KUSTSTREEK, VANAF VOOR-ROMEINSE TIJD TOT HEDEN? door IR T. EDELMAN ('s-Gravenhage) In zijn bijdrage in ,.Westerheem" III, no 9-10, onder de titel: „Hoe oud is de naam Velsen?", schrijft Dr W. J. DE BoONE o.m.: „Het zou de moeite lonen, na te gaan in welke gevallen nog meer een overeenstemming is te constateren tussen archaeologische en naamkundige gegevens, omdat hierdoor tevens de voortdurende, onafgebroken bewoning zeer waarschijnlijk wordt." Ik meen, dat het probleem hier wel zeer simplistisch wordt voorgesteld. Ten aanzien van de toponymen gaat het er om, 104


het bewijs' te leveren, dat bepaalde, thans nog bestaande of althans uit middeleeuwse oorkonden tot ons gekomen, aardrijkskundige namen zijn gegeven in het vóór-historische tijdperk. Het leveren van dit bewijs zal buitengewoon moeilijk zijn, omdat •— men zou welhaast kunnen zeggen: per definitie — het vóór-historische tijdperk dat tijdperk is, waaruit géén schriftelijke overlevering tot ons is gekomen, en waaruit dus ook geen namen schriftelijk zijn overgeleverd. En hoe kan een naam anders dan schriftelijk tot ons gekomen zijn, althans bewijsbaar? Het leveren van bovenbedoeld bewijs schijnt dus een onmogelijkheid. Zo somber dient men de zaak echter nu óók weer niet te zien. „Vóór-historisch" betekent voor ons land practisch: vóórRomeins. Nu hebben de Romeinen in onze streken militaire nederzettingen gevestigd en zij hebben deze nederzettingen ook namen gegeven. Veelal waren dit zuiver Romeinse namen, zoals Praetorium Agrippinae, Forum Hadriani, Castra Herculis e.d. Het is echter mogelijk — en waarschijnlijk —, dat enkele dezer vestigingen door de Romeinen zijn aangeduid met een reeds vóór hun komst in deze landen bestaan hebbende naam. Deze naam zal dan verlatijnst zijn, mogelijk slechts door toevoeging van een latijnse uitgang. Zoals bv. de naam van de rivier de Rijn — zeker geen oorspronkelijk latijns woord —, welke verlatijnst werd tot: Remis. Indien dergelijke namen in de Romeinse geschriften zijn overgeleverd, is men in bepaalde gevallen misschien in staat, te bewijzen of aannemelijk te maken, dat de naam ter plaatse reeds gangbaar was vóór de komst der Romeinen in ons land. Indien de naam in de Romeinse geschriften echter ontbreekt, kan het bewijs nimmer geleverd worden. Om het denkbeeld van Dr DE BOONE te verwezenlijken, zal men dus alle namen uit ons land, welke door de Romeinse schrijvers worden genoemd, aan een onderzoek moeten onderwerpen. Blijken hier namen onder te zijn, welke een latinisering van een inheemse naam zouden kunnen zijn, dan moet men trachten een dergelijke naam te identificeren met een thans nog bestaande naam. Als voorbeeld noem ik de naam Lugdunum (abl. Lugduno), welke voorkomt op de Peutinger kaart. Dit schijnt toch wel een latinisering te zijn van een inheemse naam, waarin het woord „duin" voorkomt. Afgaande op de klank is men sterk geneigd de naam te vereenzelvigen met die van Loosduinen, waar — op Ockenburg — een Romeinse vestiging is opgegraven. Dit kan echter slechts juist zijn — althans volgens de Peutinger kaart — indien het vlootstation Arentsburg te Voorburg identiek is met Praetorium Agrippinae. Indien evenwel onomstotelijk kan worden bewezen, dat Forum Hadriani identiek is met Arentsburg, kan Loosduinen niet 105


identiek zijn met Lugdunum. Tenzij de Peutinger kaart onjuist is. Een geheel andere mogelijkheid is nog, dat ons Lugdunum een migratienaam is. Lyon in Frankrijk heette bij de Romeinen nl. óók Lugdunum.'Stel, dat een legerafdeling uit Lyon overgeplaatst werd naar Nederland en gelegerd werd aan de kust, dan kan haar nieuwe legerplaats wederom Lugdunum zijn genoemd; echter, „ter onderscheiding van het eigenlijke Lugdunum (Lyon), nu aangeduid met de naam: Lugdunum Batavorum. Het is dan mogelijk, dat de naam Loosduinen een latere verbastering is van de zuiver Romeinse naam Lugdunum. In dat geval is dus Loosduinen geen oorspronkelijk inheemse naam, welke reeds bestond vóór de komst der Romeinen. Een ander geval is Fectio, dat een latinisering van Vechten schijnt te zijn. Gezien het bestaan van een Overijsselse Vecht — buiten Romeins gebied gelegen! — schijnt het aannemelijk, dat Vechten terug gaat op de rivier de Vecht, welke naam dan inderdaad vóór-Romeins moet zijn. Vechten ligt thans echter beslist niet aan de rivier de Vecht, terwijl het uiterst moeilijk is om waarschijnlijk te maken, dat de Vecht eertijds ter plaatse heeft gestroomd. Overigens blijkt de naam Fectio niet op de Peutinger kaart voor te komen; de betrokken vestiging heet daar: Fletion(e). Aan beide voorbeelden ziet men duidelijk, welke moeilijkheden en grote onzekerheden aan de bewijsvoering verbonden zijn. Indien men toch maar eens één enkel geval in het Westen van ons land kon opsporen, waarbij geen twijfel meer mogelijk was! Ik hoop, dat de heer GYSSELING ons in het geval Velsen een dergelijk onaantastbaar bewijs zal kunnen leveren. Eén vaststaand geval is voldoende om de thans nog volkomen hypothetische veronderstelling omtrent een continue bewoning van de duinstropk, vanaf vóór-Romeinse tijd tot op heden, tot een aannemelijke en bewezen theorie te verheffen. Moge voor deze theorie gelden: „Van Velsen begint de victorie"! Naschrift van de redactie. In het bovenstaande wordt nog eens ten overvloede gewezen op de moeilijkheid van het allen overtuigend bewijs der naamkundige gegevens. De plaatsnaamkunde op zichzelf komt slechts tot bepaalde aanwijzingen. Zij heeft niet altijd een naamsvorm uit de Romeinse tijd nodig, om aannemelijk te maken dat een bepaalde naam minstens tot die tijd terug gaat, omdat men vaak kan redeneren per analogie. In het geval Velsen kennen wij de vorm uit de Romeinse tijd bijvoorbeeld ook niet. Maar wanneer onafhankelijk van elkaar 106


én de toponymie én de archaeologie tot de conclusie komen, dat respectievelijk de naam en de woonplaats laat ons zeggen „praehistorisch" zijn, dan geven de beide takken van wetenschap elkander steun. Het spreekt wel vanzelf dat de bewijskracht groeit evenredig met het aantal van dergelijke gevallen. Men heeft op dit gebied echter voorlopig niet te spreken van bewijzen, maar slechts van aanwijzingen. Zeer belangrijk is de mogelijkheid van verhuizen van plaatsnamen, waarop Ir EDELMAN hierboven ook wijst. Het is misschien de moeite waard, hier eens uitvoeriger op terug te komen. Beslist gevaarlijk is het afleiden van plaatsnamen op de klank af. Hier zijn de voorgaande eeuwen bijzonder sterk in geweest: het meest kluchtige voorbeeld blijft in onze streken de Canninefates - Konijnenvatters. Een grote reserve is hier wel op zijn plaats. Altijd is het van groot belang, de oudste historische naam van een bepaalde plaats té achterhalen, zoals bijvoorbeeld bij Vechten, dat op een inscriptiesteen uit de He eeuw Fection(e) heet (BYVANCK, EXC. Rom. II, no. 297). Het moge duidelijk zijn, dat de redactie zich minder voorstelt van een onaantastbaar bewijs in één enkel geval, dan van een complex verschijnselen, die samen een redelijke aanwijzing geven voor de continue bewoning in het Hollandse duingebied of in een deel daarvan.

UIT DE TIJDSCHRIFTEN W. HüBENER, Keramik und Kamrae in Dorestad. (In: Germania, jrg. XXXI (1953), pp. 177-189.) Een van de allerbelangrijkste punten in West-Nederland is en blijft Dorestad, de vestiging die van grote invloed is geweest bij de handel van de Rijn naar het Noorden: Haitabu in Sleeswijk en Birka nog verder in het Noorden. De behandeling in deze studie van het materiaal is té uitvoerig om hier in het kort weer te geven, de belangstellenden worden naar het artikel zelf verwezen. De conclusies, waartoe schrijver komt voor wat betreft de vermoedelijke tijd van bewoning in Dorestad, komen hierop neer, dat men twee verschillende perioden mag aannemen: de eerste van ongeveer het einde der 7e eeuw tot omstreeks 725, de tweede van ongeveer 760 tot iets later dan 850. Het merkwaardige is, dat de eerste periode archaeologisch veel moeilijker is te constateren dan de tweede. W. J. D. B. C. SAUERMILCH, Keramikfunde bei Holzminden.

(In: Die Kunde (Mitteilungen des Niedersachsischen Landesvereins für Urgeschichte) N.F. 5 (1954), Heft 1/2, pp. 21-27.) Juist zoals lange tijd Noord-Holland een lege plek is gebleven op de archaeologische vondstkaart van de vóór-Romeinse periode, zo is 107


ook het gebied aan de Boven-Weser, tussen Hameln en Godelheim, tot voor kort een niet intensief bewerkt gebied geweest. Op zichzelf zou dit nog geen reden zijn om over dit kleine voorlopige bericht mededeling te doen, ware het niet, dat bij het bewerken van het materiaal van de Cremerlaan te Santpoort (N.H.) parallellen naar voren kwamen uit een vondstprovincie in het Oosten en dat in dit bericht van SAUERMILCH weer andere scherven worden afgebeeld, die opmerkelijke gelijkenis vertonen met die uit Santpoort. Het betreft hier fragmenten van aardewerk met vingerindrukken bovenop de platte kant van de rand. In tegenstelling tot de vrij" hard gebakken fragmenten uit de Cremerlaan wordt echter van het Weser-aardewerk gezegd, dat het niet al te hard gebakken is, vaak met grof kapotgeslagen kwarts gemagerd werd en op de breuk zwart was. Ook hier worden, zonder nadere bepaling, de vondsten gedateerd in de vóórChristelijke Ijzertijd. Een waarschijnlijk bij deze resten behorend graf, waarin een typische Harpstedt-urn met verbrande beenderen, maar ook een zeer dunwandig, goedbewerkt kleiner stuk aardewerk, wordt jammer genoeg niet afgebeeld. W. J. D. B.

VERENIGINGS-MEDEDELINGEN VAN DE PENNINGMEESTER Aan de leden wordt dringend verzocht, hun contributie over 1955 zo spoedig mogelijk te voldoen door storting of overschrijving op girorek. nr. 577808, t.n.v. de Penningmeester der A.W.W.N, te Haarlem. Doordat vooral in het begin van het jaar vele uitgaven zijn re doen, zal eerder dan voorheen worden overgegaan tot inning per kwitantie; na 1 April a.s. zal dan ook over de verschuldigde gelden (ƒ5,— voor het lidmaatschap der A.W.W.N, en ƒ 1 , — voor de Werkgroep) worden beschikt onder verhoging van ƒ 0,50 voor incassokosten. VAN DE WERKGROEPEN Op 1 October 1954 werd door de heer F. E. FARWERCK voor de Werkgroep „Gooi en Eemland" een lezing met lichtbeelden, gehouden over „Noord Europese Mummies". Voor dezelfde Werkgroep hield op 9 November 1954 de heer J. G. N. RENAUD, conservator R.O.B., een lezing met lichtbeelden, getiteld: „Vrouwe Archaeologica in de Rechterstoel" (de geloofwaardigheid van oude kronieken getoetst aan de resultaten van opgravingen). De heer Dr W. C. BRAAT, conservator Rijksm. v. Oudh. Leiden, sprak op 12 November voor de Werkgroep „Kennemerland" over het onderwerp „De Vikingen in Zeeland", een en ander toegelichtmet projectie. Voor de Werkgroep „Gooi en Eemland" hield op 10 November de heer Prof. Dr G. VAN HOORN een lezing met lichtbeelden over „Het dier in de antieke kunst". Op 21 December waren het de leden van de Werkgroep „Kennemerland", die in de gelegenheid werden gesteld, de lezing van de heer J. G. N. RENAUD, „Vrouwe Archaeologica in de Rechterstoel", te beluisteren.

108


WESTERHEEM is bestemd voor de publicatie van: * * * * * *

de resultaten van alle soorten arbeid op het gebied van de westnederlandse oudheidkunde, verricht door de leden der A.W.W.N.; bijdragen van vakarcheologen, welke kunnen dienen tot voorlichting van hen die als amateur de oudheidkunde willen beoefenen; literatuurbesprekingen; mededelingen van het hoofdbestuur der A.W.W.N. aan de leden; nieuws uit en over de werkgroepen der A.W.W.N.; alle verdere soorten nieuws op het gebied van de nederlandse oudheidkunde, die voor de leden van belang kunnen zijn.

Westerheem verschijnt in het algemeen zesmaal per jaar op onregelmatige tijdstippen, in afleveringen van wisselende omvang. Het tijdschrift is te verkrijgen door abonnement a ƒ7.50, te voldoen op girorek. 577808, t.n.v. de penningmeester der A.W.W.N. te Haarlem. Leden der A.W.W.N. ontvangen het tijdschrift gratis.

AANWIJZINGEN VOOR MEDEWERKERS Het adves der redactie luidt: Plesmanlaan 93, Amsterdam-W. De inzender ontvangt gratis 10 eemplaren van het nummer, waarin zijn bijdrage werd opgenomen. Meer exemplaren zqn te verkrijgen tegen kostende prijs, het verlangde aantal hiervan moet op het manuscript worden vermeld. De kopij dient bij voorkeur in goed machinesehrift (desnoods in duideljjk handschrift) te worden geschreven op éénzijdig te gebruiken, doorlopend genummerde kwarto-vellen, waarbij links een kolom van 1/3 van de papierbreedte blanco worde gelaten. Literatuur-verwijzingen in de tekst bleven beperkt tot de auteursnaam en het jaartal van publicatie, eventueel met toevoeging van de bedoelde pagina of afbeelding. De literatuurlijst aan het eind van het artikel moet alle in de tekst genoemde publicaties bevatten, alfabetisch gerangschikt naar de auteursnamen en op de volgende wyze: (complete werken:) Filipse, J. (1957). Bataafse tempels. — Zuidhof, Venlo. (tijdschr.-art.:) Kraan, P. (1914). Oude urnen. — Westerheem XX, pp. 56-64. Eventuele voetnoten geve men op een afzonderlijk vel papier. Alle aanwijzingen, niet tot de tekst behorende, o.a. voor de plaatsing der figuren, schrijve men in potlood. Afbeelding van tekeningen, foto's en voorwerpen is mogelijk. Tekeningen dienen met O.I.-inkt te zijn aangebracht op wit papier en b\j voorkeur geschikt te zijn voor ljjncliché. Bijschriften niet op de tekening, maar op een afzonderlijk papier bijvoegen. Van foto's zijn alleen wit-glanzende afdrukken te gebruiken; men plege vooraf overleg met de redactie inzake de keuze uit het foto-materiaal en de formaten der afdrukken. Af te beelden voorwerpen zende men, nadat het artikel ter plaatsing is aangenomen, tezamen met een afschrift van het manuscript benevens de nodige toelichtingen voor het tekenwerk, aan de Heer H. J. Calkoen. Driehuizerkerkweg 36, Velsen. De artikelen dienen voltooid te zijn; de redactie zal niet dan bij uitzondering aan de vormgeving ervan kunnen medewerken. Auteurs die de drukproef zelf wensen te corrigeren, dienen dit op het manuscript te vermelden. Inzake de hosten van overdrukken vrage men inlichtingen bij de redactie.

Profile for AWN Magazine/Westerheem

1954  

1954