VU Geschenk 2021 'Campusroman' van Maxim Februari

Page 1



Maxim Februari

Campusroman

VU University Press Amsterdam 2021


De aanstelling van de Vrije Schrijver aan de VU wordt mede mogelijk gemaakt door VUvereniging en de Faculteit der Geesteswetenschappen. © 2021 Maxim Februari All rights reserved. No part of this book may be reproduced, stored in a retrieval system, or transmitted, in any form or by any means, electronic, mechanical, photocopying, recording, or otherwise, without the prior written consent of the publisher.

VU University Press De Boelelaan 1105, 1081 HV Amsterdam www.vuuniversitypress.com Omslagontwerp: Mijke Wondergem Vormgeving binnenwerk: Sjoukje Rienks ISBN 978 90 8659 850 2 NUR 323


Deel I Een toonbeeld van redelijkheid


1 Het verzoek van de universiteit of hij de Snowlezing wilde houden, de C.P. Snowlezing, arriveerde tegelijk met het bericht dat zijn ouders van de begraafplaats waren verdwenen. Nee! Nee! Nee! Zoiets moet je echt veel gedetailleerder beschrijven. Je kunt wel denken dat dit soort autobiografische verhalen ongelooflijk spannend is, zolang je er zelf middenin zit, maar elk verhaal, hoe echtgebeurd ook, hoe schrijnend ook, heeft baat bij literaire behandeling en zintuigelijke details, zegt Stephen King in zijn boek Over leven en schrijven, en hij kan het weten. Goed dan; toen hij halverwege de middag in zijn keuken stond om een kop koffie voor zichzelf te maken, werd Boris eerst gebeld door zijn jongere broer Godefroi, die advocaat was bij Paets, Krekel & Kim in Den Haag. Godefroi klonk verontwaardigd, nog veel verontwaardigder dan hij doorgaans klonk, en na een lange en warrige introductie over juridische bezwaren en rechthebbenden zei hij opeens plompverloren dat hun dode ouders zoek waren. ‘Zoek’, zei Boris, die zijn aandacht er tot dan toe nog niet helemaal bij had gehad. Godefroi belde wel vaker vol opwinding over een wereldgebeurtenis die niet tot Boris wilde doordringen; het gesprek gaf zelden aanleiding zich er alsnog in te verdiepen. Maar nu, dit bericht, deze mededeling had potentie. 6


‘Zoek?’ zei Boris dus, als uitnodiging om iets meer te vertellen. En Godefroi, iets kalmer nu, legde uit dat hun zusje Dottie kennelijk een betere bestemming had gevonden voor hun ouders dan de Duindammer Algemene Begraafplaats. Om acht uur in de ochtend had ze hen uit hun graf onder de bomen laten vissen door grafdelversbedrijf Van de Wetering. ‘Waar zijn ze nu dan?’ vroeg Boris. ‘Dat is in deze fase nog niet geheel duidelijk’, zei Godefroi. Vrijwel direct na dit toch wel curieuze gesprek belde decaan Raket om te informeren of Boris tijd had, zin had, kortom, of hij er een gat in zag de prestigieuze C.P. Snowlezing te komen houden over literatuur en wetenschap. Er was een bedrag aan verbonden, en hier aarzelde decaan Raket even, want hij had eerlijk gezegd geen flauw idee, maar er was dus een bedrag aan de lezing verbonden. Tussen de twee opmerkelijke telefoongesprekken door had Boris precies anderhalve minuut de tijd gehad om na te denken. De koffie was erbij ingeschoten; tijdens het gesprek met Godefroi had Boris het nieuwe espressoapparaat een paar keer peinzend aan en uit gezet, waarop het schermpje iedere keer weer beleefd ‘at your service’ en ‘goodbye’ had gezegd. En daarna, nadat hij zijn broertje plechtig had beloofd hun lieve vader en moeder onverwijld met alle mogelijke middelen op te sporen – ze uit hun holen te roken, zei hij, in een poging grappig te zijn – was hij langzaam naar de grote inloopkast bij zijn slaapkamer gelopen om er verwezen naar zijn verzameling koffers te staren. 7


Wat deed je als oudste zoon, in zo’n geval? Dode ouders opsporen, ja, logisch, maar hoe? Hij probeerde een handelingsperspectief te vinden, en bij gebrek aan handelingsperspectief zei hij eerst maar eens ‘God!’ Toen dat niet hielp, zei hij ‘Jezus!’ En toen belde, zoals gezegd, decaan Raket. ‘Een lezing?’ mopperde Boris terwijl hij zijn zwarte weekendtas van de bovenste plank trok. ‘Over drie weken? Daar kom je wel een beetje laat mee.’ Hij kon zich de ruwe toon permitteren: ze kenden elkaar altijd al, Skip Raket en hij, ze hadden samen gestudeerd. ‘Het hoeft niet iets ingewikkelds te zijn, Boris. In godsnaam, het is de universiteit, mijn medewerkers zijn barbaren.’ ‘Ik weet het’, zei Boris. ‘Maar zelfs in geval van barbaren is drie weken bar weinig.’ Hij gooide de weekendtas op het bed en draaide zich om naar de badkamer om een tandenborstel te pakken. Ja, ja, zei decaan Raket geïrriteerd, terugvallend in hun oude verhoudingen. Het was inderdaad kort dag. Maar, kom op, Boris, het was te doen. ‘Dostojevski heeft De gokker in zesentwintig dagen geschreven. Multatuli schreef de Max Havelaar in een maand.’ En toen Boris zuchtte. ‘David Bowie maakte Life on Mars in één middag.’ Skip Raket wist die dingen. Hij wist ze en hij vergat ze niet meer. Al in hun studententijd propte hij zich vol handboeken en die kwamen er dan tijdens een tentamen volmaakt gaaf en onaangeroerd weer uit; geen gedachte was tijdens de reis door zijn smetteloze brein aan de tekst toegevoegd, geen woord er8


uit verwijderd, het was een wonder. En bij gratie van dit wonder, dit imponerende gebrek aan originaliteit en denkkracht, was Skip Raket al op zijn negenentwintigste tot hoogleraar benoemd, terwijl Boris toen net zijn eerste gedichten publiceerde in het facultaire tijdschrift De Lier. Nu was Skip een belangrijk man en Boris was schrijver. ‘Je hebt vast nog wel iets ouds liggen’, zei Skip geïrriteerd. Boris grijnsde. De decaan had alle schrijvers in Nederland natuurlijk al gebeld over de prestigieuze C.P. Snowlezing, maar die hadden allemaal wel wat beters te doen. En dus kwam de decaan ten einde raad op Boris’ deur kloppen, omdat hij wist dat de beroemde schrijver om aandacht verlegen zat. Beroemd en moedeloos. Briljant en afgebrand – als je hem deze kleine zelfverheerlijking zou willen toestaan. ‘Je bent uiteraard de eerste die we vragen, Boris’, riep Skip door de telefoon. ‘We willen jou. Niet de eerste de beste. Ik zou eerlijk gezegd geen ander weten.’ Toe maar, zweeg Boris. Hij schudde zijn hoofd beleefd heen en weer, en toen ook nog een keer op en neer, alsof decaan Raket dat zou kunnen zien. Met een zwaai gooide hij zijn scheerapparaat in zijn tas, en daarna keek hij een paar seconden peinzend naar zijn shirts. Je wist niet wat je aan moest trekken op weg naar een leeg graf. Je wist niet wat je moest zeggen of doen. Decaan Raket begon verveeld te raken. ‘Het wordt natuurlijk geweldig, dat weet je zelf ook wel.’ Goed dan. Om ervan af te zijn. Hij zou wel wat verzinnen, dacht Boris, terwijl hij de weekendtas dicht ritste en ermee 9


naar de keuken liep. Hij zette de espressomachine weer aan. ‘At your service’ zei het lampje, en terwijl de koffie werd gebrouwen, liep Boris naar de hal om zijn jas te halen. Terug in de keuken pakte hij zijn autosleutels uit het bakje, dronk zijn koffie op en was klaar om op pad te gaan. ‘Prima’, zei Skip, nu opeens weer zakelijk. ‘En dan zou het fijn zijn, en nogmaals, Boris, ik wil je niet pushen, maar het zou ons erg goed uitkomen als je ons snel een titel zou kunnen geven.’ ‘Hoe snel?’ ‘Nou, liefst vandaag, het is natuurlijk niet zoals we het graag zien, maar ja, soms lopen de dingen nu eenmaal zo. Je hebt niet toevallig al een titel in je hoofd?’

10


2 Geachte aanwezigen, noteerde Boris in gedachten. Hij reed in de schemering door de stad. De lichten floepten aan en de spits werd drukker. Hij zette doelgericht koers naar het centrum; hij had haast, want hij had nog veel te doen. Geachte aanwezigen, ik las aan het begin van dit jaar het commentaar op de sidra van de week van Anthony Fratello, de rabbijn van Tempel Shaarei Shalom in Boynton Beach, Florida. De tekst draait om de beenderen van onze voorvaderen. De rabbijn citeert een cowboylied. Dat gaat zo: ‘O bury me not on the lone prairie, where the wild coyotes will howl over me.’ Oftewel: ‘Begraaf me niet op de eenzame prairie, waar de prairiewolven om me zullen huilen.’ Het zal u niet verbazen dat de rabbijn hierbij een romantisch filmbeeld voor ogen krijgt. Het vaste tafereel uit de oude western waarin de eenzame cowboy naast een uitdovend kampvuur zit te zingen. De klaagzang sterft zachtjes weg, terwijl de zon ondergaat. Maar als je er goed over nadenkt, zegt rabbijn Fratello, is dit in feite een gezang vol angst en eenzaamheid. ‘Een lied dat spreekt over de vrees van de cowboy om zijn dagen te eindigen op een vreemde plek waar niemand hem kent, niemand om hem geeft en niemand eraan zal denken zijn graf te verzorgen.’ De cowboy, hoe stoer hij ook lijkt, is bang in die wildernis te worden vergeten door iedereen die hij ooit heeft liefgehad. 11


Ik weet niet waarom ik bij deze tekst bleef hangen. Ik geloof vanwege de prairiewolven. Mij overviel plotseling het mateloze, wilde verlangen na mijn dood op een eenzame prairie achter te blijven met wolven om mijn graf. Voor ik het commentaar las van de rabbijn uit Florida, had ik me mijn eigen dood nog nooit zo echt, nog nooit zo beeldend voorgesteld. Ik had er hooguit een praktisch idee bij gehad, iets met regelingen, notarissen en nalatenschappen. Nu realiseerde ik me voor het eerst hoe belangrijk het voor me is dat ik straks door iedereen zal worden vergeten. Hoe belangrijk, of hoe onbelangrijk, het is maar net hoe je het formuleert. Eigenlijk kwam het nieuwe inzicht hierop neer: ik had nog nooit toegegeven hoe overbodig ik mezelf vind. Nietigheid, ja, daar denk ik wel geregeld over na. ’s Morgens als ik wakker word, kijk ik vanuit mijn bed steevast naar de dakgoot van mijn huis; op de hoek zit een soort gargouille, een waterspuwer, een houten versiering in de vorm van een gestileerde kop die moet suggereren dat het water door de bek van de duivel naar beneden stroomt. Wat trouwens niet echt zo is: het is een nepgargouille. En altijd als ik naar dat aandoenlijke houtsnijwerk kijk, wil ik het huis met die dakgoot zo graag bezitten, ik wil het hebben, en vooral ook wil ik het voor altijd houden: het is een haast erotisch gevoel van bezitterigheid. Maar zulk bezit is onmogelijk, dat besef ik iedere keer opnieuw. Over twintig jaar, dertig jaar ben ik dood; over honderd jaar ligt een 22e-eeuwer in dit bed en staart begerig naar de waterspuwer, zonder te weten dat ik hier eerder al net zo hon12


gerig en begerig heb gelegen. Niets kan ik bezitten, voor altijd bezitten, het huis bezit mij, gedachteloos, en gooit me straks gedachteloos weg, spuwt me uit en laat me weggorgelen door de waterput in de stoeprand. De rabbijn uit Florida weet dit natuurlijk ook, hoe onbeduidend we zijn, maar deze keer heeft hij kennelijk besloten het er niet over te hebben. Niet over de dood, niet over de tijdelijkheid, maar over de cultuur van de levenden. Hij bezweert ons de beenderen van onze voorvaderen door de wereld met ons mee te dragen. Zijn tekst is eigenlijk een commentaar op Genesis. Via de eenzame cowboy en zijn graf komt de rabbijn op het Bijbelse verhaal van Jozef, die stierf toen hij honderdtien jaar oud was. Zijn lichaam werd gebalsemd en in Egypte in een sarcofaag gelegd. Geen prairiewolven om zijn graf dus, maar toch ook geen ideale rustplaats. Op zijn sterfbed had Jozef erop gehamerd dat hij na zijn dood niet in Egypte wilde blijven: mochten de Israëlieten ooit uit het land vertrekken, dan moesten ze zijn beenderen met zich meenemen. Ze beloofden het – en ze deden het. Toen de uittocht uit Egypte begon, plukte Mozes de dode Jozef uit zijn sarcofaag en nam hem mee op reis. Daarna verliezen we de dode een tijdje uit het oog, zegt de rabbijn, maar dan, in het Bijbelboek Jozua, worden de beenderen definitief in Sjechem begraven. De cowboy is thuis.

13


Enfin. Sommige mensen vinden zo’n verhaal over gezeul met een lijk een beetje griezelig of zelfs weerzinwekkend, zegt rabbijn Fratello. ‘We zouden er nooit over denken de beenderen van onze voorouders mee te nemen, terwijl we van plek naar plek trekken’, zegt hij – hij kent duidelijk mijn zuster Dottie niet. Maar de rabbijn beveelt ons dan ook niet letterlijk aan met beenderen te gaan zeulen. De les die hij uit Genesis trekt is metaforisch bedoeld: we moeten eer bewijzen aan de rituele voorwerpen, de boeken, de romans, de ernstige gedachten die tot de erfenis van onze voorouders behoren. We zijn wie we zijn en we doen wat we doen, omdat we de beenderen van onze voorouders in ons ronddragen. Hun denken en schrijven. Hun pracht en heiligheid. Dit las ik allemaal en ik was tot mijn eigen verbazing geroerd. Hoewel ik vervuld ben van de menselijke onbeduidendheid, nam ik de woorden van de rabbijn serieus. En hoewel ik niet religieus ben, vatte ik zijn aanbeveling op als een religieuze plicht. Dat wil zeggen, de plicht om wat zinloos is tóch te doen. Ik bleef er maar over nadenken, over deze plicht tot zinloze eerbiediging. En op een avond aan het eind van die maand wendde ik me tot de beenderen in mijn boekenkast. Tot de romans die daar staan en die ik van plaats naar plaats met me meesleep. In de roman Donker Woud van Nicole Krauss vond ik precies wat ik zocht. Als ik wilde weten waarom we die erfenis meezeulen, de ideeën, de boeken van onze cultuur, dan zei Nicole Krauss iets belangrijks over het ondoorgrondelijke, het 14


onkenbare. En over de religie als een manier om het ondoorgrondelijke mee op sleeptouw te nemen. Een manier om ‘ermee te leven’. Dat beviel me enorm, dat ermee leven. Ze begon ook over Descartes. Iedereen, let maar eens op, iedereen begint tegenwoordig over Descartes: in deze rampzalige tijden moet de mens zich verhouden tot het klimaat, tot het kapitalisme en tot Descartes, de denker die aan het begin staat van al onze overige problemen. Sinds Descartes, zegt Krauss, verwaarlozen we het onkenbare en zijn we in de ban geraakt van de ‘tegenovergestelde praktijk’, ons vermogen tot weten, het geloof dat kennis concreet is en altijd bereikt wordt via de vermogens van het intellect, dat we tot iets heiligs hebben verklaard. Die dag liet ik de vermogens van het intellect voor wat ze waren en ik onthield uit de roman van Krauss dat je met het ondoorgrondelijke kunt leren leven, met de literatuur, de beenderen van de voorouders, de hele cultuur die we met ons meeslepen. En toen ik de volgende ochtend een tijd lang in bed naar mijn eigen houten waterspuwer lag te staren, bedacht ik dat de opdracht om de beenderen van de mensheid rond te dragen des te heiliger is omdat het volgens mijn eigen overtuiging volledig zinloos is, aangezien we door de dood uiteindelijk allemaal op de eenzame prairie worden achtergelaten. Beste aanwezigen, ik weet dit soort dingen niet omdat ik erover heb gelezen of ervoor heb gestudeerd. Ik weet het omdat ik zelf in het verleden ook ooit om de dood heb gehuild als een prairiewolf.’ 15


3 Boris parkeerde zijn auto direct naast het Grand Hotel Monteverdi aan de voet van het park. Hij had zijn vriendin Laila al meer dan tien berichten gestuurd, maar na een eerste blijk van haast en ergernis antwoordde ze niet meer, en ook nu hij opnieuw op zijn telefoon keek, had ze hem nog steeds geen fatsoenlijk antwoord gegeven. Ze had het druk, dat begreep hij ook wel. Laila was souschef gebak in het Grand Hotel Monteverdi en rechterhand van high-teadeskundige Ravi Moreau. In de wereld van het gebak werd ze beschouwd als een aanstormend talent; als ze chef patisserie zou worden, wat over niet al te lange tijd viel te verwachten, zou ze de eerste vrouw zijn op deze benijdenswaardige positie in een van de luxe hotels in de stad. Boris onderschatte het niet, hij bewonderde haar, aanbad haar, vergaf haar en nu wilde hij graag dat ze antwoordde. Laila, die een doortastende jonge vrouw was, had al vrij snel in het begin van hun romance uitgelegd dat het voor het welslagen van de liefde essentieel was om bij gelegenheid aan onthouding te doen. Kuisheid, zei ze, was een blijk van toewijding en overgave. En ze had meteen een kleine metalen kooi tevoorschijn gehaald, die hij onzichtbaar onder zijn kleren kon dragen en waarop een sleutel paste die zij in haar bezit zou houden. 16


De kuisheid, begreep Boris, zou voornamelijk van zijn kant moeten komen en dat had hem juist geleken. Zeker gezien de slechtheid van de mannelijke natuur, waarover Laila hem had bijgepraat. En toen ze de sleutel een paar maal had gebruikt om het slot open en dicht te doen, bleek het gebruik van de kooi ook een experiment dat hem in staat stelde die slechtheid in zichzelf te onderzoeken, zodat hun liefde ervan profiteerde en tegelijk daarmee ook het inzicht in zijn eigen laagheid en verdorvenheid. Tot zover was alles in orde. Maar vanmiddag, toen hij zijn tas inpakte om op reis te gaan en met zijn zusje over begraafplaatsen te gaan praten, had hij bedacht dat het plezieriger zou zijn, ontspannener, om dat in volledige vrijheid te doen. Daarom had hij Laila een bericht gestuurd. ‘Heb je de sleutel bij je?’ ‘Ik heb nu geen tijd voor je’, schreef ze. En toen hij nog eens aandrong, zo deemoedig mogelijk om haar niet te ergeren, reageerde ze niet meer. Hij herhaalde de vraag een paar maal extra nederig – en ze zweeg. Nu was hij naar het hotel gereden, in de hoop dat ze er was, dat ze de sleutel aan een touwtje om haar nek had hangen en dat ze hem in een leegstaande hotelkamer, in een zijzaaltje van het restaurant desnoods, uit zijn precaire situatie zou kunnen verlossen. Het was beter zich die scène nu nog niet al te levendig voor te stellen, dacht hij. Hij probeerde aan bergbeekjes te denken, aan brede, kalme rivieren, en vanuit de draaideur van het Grand Hotel zwom hij de hal binnen; de lobby oogde als de 17


mysterieuze diepzee, in de glanzende ruimte met de glazen trap zweefden de gasten rond als kwallen. Zo onopvallend mogelijk, om in deze omgeving niet overdreven flets af te steken, dreef hij op de golven van Einaudi de brede gang in naar het restaurant. Er was veel deemoed voor nodig om in het leven iets van een ander gedaan te krijgen en dan lukte dat meestal nog steeds niet. Boris hield zijn hoofd alvast een beetje schuin en trok zijn wenkbrauwen op, zodat hij er nu uitzag als een bedelend zeehondje, voordat hij naast de deur van het flonkerende restaurant links een donker steegje in schoof en de hoek omsloeg naar de helverlichte en wit betegelde ruimte van de gebakafdeling. Laila stond gebogen over een stalen operatietafel met citroentaartjes erop; ze zag hem kennelijk vanuit haar ooghoek. ‘Ga zitten’, zei ze, ‘en verroer je niet.’ Boris had geleerd dat onthouding een manier was om de dood uit te stellen. Je kon jezelf stil zetten. Je leven inhouden alsof het je adem was. Dat was ook precies wat hij de daarop volgende tien minuten deed: hij zat op zijn stoel en onthield zich van alles wat hij wilde. Stel je niet aan, denk aan Dottie, mompelde hij wanneer hij een seconde lang dacht dat hij de controle over de situatie dreigde te verliezen. En dan stippelde hij alvast het gesprek uit met zijn zusje Dottie, die weliswaar haar telefoon niet opnam, maar misschien wel de deur zou opendoen als hij eenmaal – deemoedig – op de stoep stond.

18


Laila klopte aandachtig een sabayon. Boris zat op zijn stoel. Te midden van rondrennende keukenhulpjes en obers had dit zo gemakkelijk nog uren kunnen duren – Laila inspecteerde het glazuur, Boris zat op een stoel – als zijn telefoon niet was gegaan. Patricia Flambé Scharenguivel. Het was zonneklaar dat de mensheid geen moeite had Boris op alle mogelijke locaties te bereiken, terwijl het Boris zelf niet lukte wie dan ook waar dan ook te bereiken. A sitting duck, schamperde hij in gedachten tegen zichzelf. Niet veel meer dan a sitting duck was hij. De anderen richtten hun geweren een voor een op zijn irrelevante gestalte. ‘Wat een prachtige titel!’ riep professor Patricia Flambé Scharenguivel, die belde namens de organisatie van de C.P. Snowlezing en nog even inhoudelijk wilde afstemmen. ‘O, echt, ik was meteen verkocht toen ik die titel hoorde. Over leven en schrijven. Dat wordt een prachtig verhaal.’ De stem van Patricia klonk luid boven al het keukengeluid uit en de klank ervan moest wel tot Laila doordringen. Die was zelf al die minuten over haar operatietafel gebogen geweest en had niets anders gezegd dan ‘theelepel’ en ‘marasquin’. Maar nu, op het moment dat Patricia’s geluid door de keuken begon te golven, zag Boris hoe Laila haar wenkbrauwen fronste en zich langzaam oprichtte. ‘Ik zal je mijn nieuwste artikel sturen, Boris’, riep Patricia. ‘Dat kun je gebruiken. Het gaat over life writing en de structuren van de zich diversifiërende macht: ik heb aangetoond dat de verschuiving van een structuralistisch verhaal waarin ka19


pitaal wordt opgevat als het structureren van sociale relaties op relatief homologe manieren…’ Ze schreeuwde intussen zo hard dat iedereen in de keuken haar wel letterlijk moest kunnen volgen. Laila keek Boris strak aan en begon achteruit naar de deur te lopen. ‘… naar een visie op hegemonie waarin machtsverhoudingen onderhevig zijn aan herhaling, convergentie en herarticulatie…’ In de deuropening gaf Laila met een beweging van haar hoofd te kennen dat hij mee moest komen en Boris liep gewillig achter haar aan het donkere steegje in. Patricia Flambé Scharenguivel praatte intussen onvermoeibaar door, en terwijl Boris als gehypnotiseerd aan Laila gehoorzaamde, realiseerde hij zich tegelijk dat hij de woorden al eerder had gehoord. ‘… de kwestie van tijdelijkheid heeft ondergebracht in het denken van structuur en een verschuiving heeft gemarkeerd van een vorm van althusseriaanse theorie die structurele totaliteiten als theoretische objecten beschouwt…’ Had Patricia dit zelf bedacht, of citeerde ze iemand? Boris had er graag dieper op willen ingaan, maar opeens deed Laila de deur van een voorraadkamer open en ze dirigeerde hem met een nieuwe beweging van haar hoofd naar binnen. ‘… naar een theorie waarin de inzichten in de contingente mogelijkheid van structuur een hernieuwde opvatting van hegemonie inluiden als verbonden met de contingente locaties en strategieën van de herarticulatie van macht.’

20


Hier viel professor Patricia Flambé Scharenguivel onverwacht stil en nu moest Boris iets zeggen. ‘Ja’, zei hij. Laila draaide de deur achter zich in het slot, stak een hand diep in haar koksjas en kwam voor de dag met een roze lint aan het eind waarvan, toen het lint helemaal tevoorschijn was gekomen, een kleine sleutel bleek te bungelen. ‘Ja’, zei hij. ‘Dank je, Patricia. Heel bruikbaar. Ik zal ernaar kijken.’ Ergens in de diepe lagen van zijn bewustzijn lag een woord te wachten dat hij niet kon vinden. Hij keek naar Laila en hij hield van haar en hij was doodsbang voor haar. ‘Fijn dat we even hebben kunnen praten, Boris, ik zal je mijn werk sturen’, zei Patricia. ‘En als je nog een paar van deze lezingen geeft’, bulderde ze nu amicaal, ‘krijg je misschien nog wel eens een eredoctoraat.’

21


4 ‘Luister’, zei Boris in gedachten tegen de zaal. Tijdens zijn bezoek aan Laila in het hotel was het donker geworden. Bevrijd reed hij door de nacht naar het zuiden, naar Duindam, waar hij in een hotel zou overnachten, opdat hij ’s ochtends bijtijds op de begraafplaats zou zijn. ‘Luister goed, geachte aanwezigen, dit is het verhaal van de filosoof Jeremy Bentham, die stierf op 6 juni in het jaar 1832. Hij was 84 jaar oud en had een welbesteed leven achter de rug. Bij zijn dood liet Bentham per testament zorgvuldige instructies aan zijn vrienden na om zijn hoofd te mummificeren in de stijl van de Maori en het vervolgens vast te schroeven op zijn skelet. Zijn beenderen dienden daartoe uit zijn lichaam te worden gepeuterd en te worden aangekleed in Benthams eigen kleren. Het resultaat moest worden gepositioneerd in een houding die aangaf dat de filosoof in gedachten was. En zo geschiedde. Het was geen bevlieging. Bentham liep al tientallen jaren voor zijn dood rond met het plan zich te laten mummificeren. Hij was zelfs zo enthousiast over dit idee dat hij zijn toekomstige glazen ogen in zijn zak had zitten. Het visioen van de utilitaristische filosoof was dat zijn ­‘auto-icoon’ door zijn nabestaanden in de toekomst gezellig naar buiten kon worden gereden voor vergaderingen of feesten of wat dan ook. Dan had de mensheid er nog wat aan. 22


Ik vertel u dit verhaal niet zomaar. Het merkwaardige feit doet zich voor dat mijn eigen carrière aan de universiteit eindigde op de dag waarop ik mijn studenten vertelde over het lijk van Bentham dat, door tijd en insecten aangevreten, te zien was in het University College in Londen. Ik vertelde dat de man, met zijn eigen kleren aan, in een kast stond met een glazen ruit, waarachter je hem kon gaan bekijken. Ik had grote verwachtingen van het college dat ik die dag gaf. Via Bentham wilde ik met de studenten in gesprek over de diepte en breedte van het leven. Bentham was in feite maar een flat character, zei ik, een eendimensionale figuur. Hij reduceerde de mens tot een nutsfunctie en die nutsfunctie tot een simpele berekening van sensaties. Pijn en plezier. Veel meer was er volgens hem over het bestaan niet te zeggen en dat was alles welbeschouwd een verdraaid armetierig mensbeeld. Ik had echt gehoopt dat de studenten dat zouden inzien en dat ze ertegen zouden protesteren. Ik wilde me als docent laven aan de fontein van de jeugd. Op 9 juni 1832, drie dagen na zijn dood, werden de overblijfselen van Jeremy Bentham in kleine kring bestudeerd. De uitnodiging voor de bezichtiging is bewaard gebleven. ‘Sir, het was de oprechte wens van wijlen Jeremy Bentham dat zijn lichaam zou worden gebruikt voor een toelichting op de structuur en functies van het menselijk gestel. In overeenstemming met deze wens zal dr. Southwood Smith, boven het lichaam, een lezing houden over het nut van der-

23


gelijke kennis voor de gemeenschap. De lezing wordt gegeven in de Webb-Street School of Anatomy and Medicine, Webb-Street, Borough, morgen, om drie uur, waarbij om de eer van uw aanwezigheid, en die van twee vrienden die u misschien willen vergezellen, wordt verzocht.’

Na de happening zette Thomas Southwood Smith zich aan het ontleden zelf. Hij plaatste het hoofd van Bentham onder een luchtpomp met wat zwavelzuur en zoog de vloeistoffen weg. Eerst de hersens eruit natuurlijk. En na dat alles de mond dichtnaaien, watten in zijn neus om de vorm te behouden, en voilà. Het probleem was alleen dat Southwood Smith niet erg bedreven was in dit proces. Het gemummificeerde gezicht van Bentham was zo ontstellend lelijk dat besloten werd het toch maar niet op zijn skelet te schroeven. De Franse kunstenaar Jacques Talrich maakte in plaats daarvan een wassen hoofd. Het gemummificeerde hoofd van Bentham werd later tussen zijn voeten tentoongesteld. Wat ik hierover precies aan de studenten heb verteld, die dag, ben ik vergeten. Maar ik zal hebben uitgelegd dat dit allemaal gebeurde vanuit de nuchtere gedachte dat we op aarde zijn om het maatschappelijk nut te maximaliseren. Ook in onze tijd draagt Benthams mummie nog bij aan de wetenschap, aan onderzoek naar oud DNA bijvoorbeeld, en hij is vertegenwoordiger van de moderne verwachting dat de wetenschap ons onsterfelijk zal maken. 24


Daartegenover zal ik John Stuart Mill hebben geplaatst, de romantische liberaal, leerling van Bentham, die zijn leermeester verweet niets van het leven te hebben begrepen. Nooit praat Bentham over principes, geweten of zelfrespect, moppert Stuart Mill. Niets weet hij van poëzie. En anderen vallen hem bij. C.B. Roylance Kent schrijft in zijn boek The English Radicals dat Bentham blind was voor de vele kanten van de menselijke natuur; de bekrompenheid van zijn intellectuele visie, in combinatie met zijn dogmatisme, was uitermate ergerniswekkend. ‘Omdat hij slechts een deel van het te onderzoeken veld zag, zag hij dat ene deel met een indringende blik. Maar van alles buiten de samengetrokken cirkel van zijn visie was hij absoluut onwetend.’ Historici schrijven dat Bentham weliswaar een vooruitstrevend denker was, die opkwam voor de rechten van vrouwen en homoseksuelen, maar dat zijn werk zich verder grotendeels richtte tegen verandering, onzekerheid en onvoorspelbaarheid. Recente onderzoekers suggereren dat hij een afwijking had op het autismespectrum. Dat vertelde ik allemaal, omdat ik met ze wilde praten over de diepere dimensies van de menselijke natuur. Maar de studenten wilden niet praten over diepere dimensies. En al helemaal niet over het lijk van een filosoof in een kast. Ze wilden geen opleiding, ze wilden een diploma. Wat ging ik vragen bij het tentamen? vroegen ze. Geef ons een powerpoint met tien stromingen en wetsartikelen die we moeten kennen, zeiden ze na afloop van het 25


college. Er was een delegatie naar mijn werkkamer gekomen om over mijn onderwijs te klagen. Twee jonge mannen en een jonge vrouw die me kwamen vertellen dat ik niet zulke vreemde verhalen moest vertellen. Niet dat ze onaardig waren, de studenten. Ze waren beleefd en vriendelijk, maar beslist. Ik moest meer op het nut gericht lesgeven, anders zouden ze hun punten niet halen. Geef ons tien stromingen, zeiden ze, dat doen de anderen ook. Daarna verliet ik de universiteit. Ik werd niet ontslagen, geloof ik, maar ik ging wel weg. Jaren later kwam ik de jonge vrouw nog eens tegen, op straat, waar ze me aansprak en haar excuses aanbood voor haar gedrag van destijds. Ze was mijn college over Jeremy Bentham gaandeweg gaan waarderen, zei ze. Ik had natuurlijk groot gelijk gehad met mijn pogingen ze iets bij te brengen over principes en geweten, dat snapte ze nu ook wel. Bovendien, de zomer ervoor was ze met vrienden op een regenachtige dag in Londen geweest en toen ze van lamlendigheid niet meer wisten wat ze moesten doen, was haar opeens iets te binnen geschoten. ‘Ik weet dat het lijk van de filosoof Bentham hier vlakbij in een kast staat…’ In februari 2020 heeft een team van technici en conservatoren Benthams lichaam verplaatst naar het Student Centre van het University College. Nadat er lang met hem is rond gehannest, wordt hij daar nu onder museale condities tentoongesteld. Dus daar staat het ontsmette en opnieuw opgezette skelet van de filosoof, met zijn hekel aan poëzie en verandering,

26


het gekrompen hoofd stinkend naar natte kranten en oude hond, als toonbeeld van redelijkheid. Op de website van de universiteit legt professor Anthony Smith uit dat Bentham sinds zijn verhuizing naar het studentencentrum een prominente plek heeft in een ruimte die is gewijd aan het samenbrengen van studenten van alle achtergronden en disciplines. Een ruimte waar ze ideeën kunnen uitwisselen en de wereldwijde uitdagingen van onze tijd bespreken. Wat is een betere manier om Benthams nalatenschap te eren? ‘Hij zal ons blijven herinneren aan alle UCL-waarden die vandaag de dag nog net zo waar zijn als in 1826.’ Geachte aanwezigen, een ijsbeer ruikt rottend vlees op vijfendertig kilometer afstand. Dit land – deze cultuur van ons – is zo klein dat je het rottend vlees van je voorvaderen altijd wel ergens in je nabijheid kunt ruiken. Laten we het begraven.’

27


5 Boris zat de volgende ochtend tot zijn eigen verbazing bij zijn zusje Dottie op de bank. Hij had niet gedacht dat ze thuis zou zijn, of dat ze open zou doen. Maar hij belde aan, ze deed open, leek niet ontstemd hem te zien en loodste hem door de hal van haar nieuwbouwhuis naar de opgeruimde kamer, waarin haar echtgenoot net op het punt stond naar kantoor te vertrekken. Het ritueel leek door zijn aanwezigheid op geen enkele manier te worden verstoord. Dottie zwaaide haar man weliswaar niet in de deuropening na met haar stofdoek, zo innig was een moderne eenentwintigste-eeuwse relatie nu ook weer niet, maar ze maakte een afspraak voor het tijdstip waarop ze ’s avonds samen zouden eten; en toen nog een heleboel afspraken die ze beiden hoognodig in hun telefoons moesten vastleggen. Man de deur uit, Dottie naar haar werkkamer, naar de keuken, telefoontje naar haar secretaresse. ‘Dottie’, zei Boris, toen hij eindelijk op de beige bank met een kopje koffie tegenover haar zat. ‘Boris’, zei ze. ‘Ik ben vanochtend eerst even langs de begraafplaats gegaan. Een tijdje gefascineerd in de lege graven van onze ouders gestaard.’ Ze gaf geen krimp. 28


‘Eigenlijk leek ik wel een beetje op de beteuterde volgelingen rond het lege graf van Christus. “Waarom weent gij, vrouw?” “Omdat zij mijn Here weggenomen hebben en ik weet niet waar zij Hem neergelegd hebben.” Bijbelse visioenen. Ik had eerlijk gezegd verwacht dat er een engel zou komen opdagen.’ Hij maakte er een heel theater van, omdat hij altijd bloednerveus werd van zijn zuster. Zenuwachtig van haar superieure onaangedaanheid en flegma, haar onvatbaarheid voor principes en poëzie. ‘Wat kom je doen?’ vroeg ze, en het was een echte vraag. Ze was daadwerkelijk benieuwd waarom hij langskwam. Ze zou niet weten wat hij op de begraafplaats te zoeken had, of in haar kamer, op de bank, terwijl zij allang aan het werk had moeten zijn. Ze had een afspraak voor hem moeten verschuiven, een klant moeten verzetten, maar dat had ze graag voor hem over, hij was haar broer. Alleen: wat kwam hij doen? En Boris begreep op zijn beurt niet waarom ze hem niet meteen in geuren en kleuren vertelde wat er aan de hand was. Hij had nog steeds geen flauw idee. De dag ervoor had hij Godefroi als eerste gevraagd waarom die de begraafplaats niet had gebeld om te vragen hoe het zat. Maar natuurlijk had Godefroi de begraafplaats gebeld! En de grafdelver! En de gemeente! Alleen mocht niemand informatie geven, vanwege de AVG. Godefroi had het voor zijn broer uitgespeld: de Algemene Verordening Gegevensbescherming. Om privacyredenen

29


mocht niemand aan de kinderen vertellen waar hun ouders waren gebleven. Boris wist niet goed waar hij moest beginnen en stelde nu de vraag waarover hij zich klaarblijkelijk het meest opwond. ‘Waarom heb je niet even met Godefroi en mij overlegd voordat je lijken ging opgraven?’ ‘Waarom?’ zei Dottie verbaasd. ‘O, nee, nee, ik hoefde niet met jullie te overleggen. Ik ben rechthebbende. Het was niet nodig jullie ermee lastig te vallen.’ In deze zonnige kamer leek het heel redelijk, je kon het recht, het alleenrecht hebben op de beenderen van je voorvaderen. Boris had er niets tegen in te brengen en verviel tot gepeins. Zeg nu zelf, hoe belangrijk was de hele kwestie nou eigenlijk? Die paar botten. Een of twee verlaten schedels. Wat zou het? Maar aan de andere kant, zoals Shakespeare zou zeggen, die schedel bevatte eens een tong en kon zingen. En die botten waren niet met zo veel zorg en liefde omringd geweest om er nu mee te gaan rotzooien. ‘Tot welk een lage bestemming moeten wij keren, Horatio’, dacht Boris. Dottie zei verder niets, nu de juridische kwestie tot tevredenheid was opgelost, en dus stelde Boris de volgende vraag. ‘Waarom heb je ze überhaupt weggehaald?’ ‘Ze lagen daar niet goed. Het heeft me daar nooit bevallen.’ Logisch. ‘Oké’, zei hij. ‘Goed. Prima. Mooi. Eén detail nog. Waar zijn ze gebleven?’

30


‘O’, zei Dottie. Ze keek naar buiten, alsof ze met haar gedachten al lang weer ergens anders was. ‘Weet je dat niet?’ Ze pakte haar telefoon van het tafeltje naast haar om een bericht te bekijken. ‘Ze zijn naar Portugal.’ Ook dit leek volmaakt redelijk. Dottie beantwoordde het bericht en legde de telefoon toen weer weg. ‘Ik heb ze laten begraven op een plek waar ze het gelukkigst zijn geweest. Dat had ik ze trouwens ook aangeraden. Alleen wilden ze dat niet, want ze vonden dat ze in de buurt moesten blijven van ons. Van jullie. Maar geef toe, jullie gaan toch nooit.’ Nu was het Boris die zijn telefoon pakte. Afwezig keek hij naar de berichten. Een liefdevol bericht van zijn vriendin Laila, of alles goed ging bij zijn zusje. Een verzoek van Patricia Flambé Scharenguivel, voorzitter van de organisatie van de C.P. Snowlezing, om een korte inhoudsopgave van zijn lezing, zodat die nog kon worden meegestuurd met het persbericht. En meteen toen hij die laatste vraag tot zich liet doordringen, snapte hij dat het met de lezing niets zou worden. Hoe kon zo’n universiteit ook verwachten van een schrijver dat hij tijd had? Tijd om te schrijven, terwijl zijn aandacht volop werd opgeëist door het leven? Hij staarde naar het bericht van Patricia en hij zag voor zich hoe verschrikkelijk boos ze zou zijn als hij liet weten dat hij bij nader inzien toch geen lezing zou geven. Nou was dit inderdaad schandelijk en hij wilde de universiteit best iets over de literatuur vertellen. Maar het was nu eenmaal zo dat er van een korte inhoudsopgave voor een persbericht niets kon ko31


men, omdat hij op reis moest naar Portugal, om er zijn plicht te doen en eer te bewijzen aan de beenderen van zijn voorouders, aan de cultuur en de literatuur en aan het heilige, dat je niet kunt doorgronden en waarmee je in al je menselijke onbeduidendheid zult moeten leven.

32


Deel II Abraham Kuyperlezing

33


Lezing Iemand, ik weet niet meer wie, vertelde me over een roman van de Engelse literatuurwetenschapper David Lodge – Small World – waarin professor Morris Zapp een alles onthullende lezing geeft over conceptueel pluralisme en striptease. Die lezing valt niet bij iedereen even goed. ‘Toen hij ging zitten, klonk hier en daar onbestendig applaus.’ Dus vertelde ik op mijn beurt over de roman Perlmanns Schweigen van de Zwitserse filosoof Pascal Mercier, waarin professor Philip Perlmann geen flauw idee heeft waarover zijn lezing voor een internationaal congres van taalkundigen moet gaan. Ten einde raad steelt hij de notities van zijn Russische collega Vasili Leskov. Als Leskov vervolgens zelf opduikt bij het congres, zit er voor Perlmann niets anders op dan de man te vermoorden. Daarop bedachten we samen dat de roman On Beauty van Zadie Smith eindigt met een lezing over Rembrandt waarmee hoogleraar kunstgeschiedenis Howard Belsey zijn carrière moet redden. Zodra Belsey op het podium staat, merkt hij dat hij de tekst van zijn lezing in de auto heeft laten liggen. In de roman Pnin van Nabokov raakt Timofey Pnin, hoogleraar Russisch, op weg naar zijn lezing hopeloos verdwaald. En in de roman Lucky Jim van Kingsley Amis is Jim Dixon zo bang voor het universitaire publiek en voor zichzelf dat hij 34


zich voorafgaande aan de lezing bedrinkt, met als gevolg dat hij eerst zijn baas, professor Welch, begint na te bauwen en vervolgens de rector van de universiteit; waarna het publiek losbreekt in gejoel. Uiteraard wordt het hierna alleen nog maar erger.

Nuchter Het is, wil ik maar zeggen, een godswonder dat ik hier überhaupt sta en dat ik nuchter ben. Vooral dat laatste treft vandaag wel heel gelukkig, want ik ga een lezing geven over ware kennis, dat paradepaardje van de academische wereld, en daar heb ik al mijn intellectuele capaciteiten bij nodig. Ik moet me helemaal schrap zetten als ik bedenk dat de onfortuinlijke sprekers die ik zojuist noemde – Zapp, Perlmann, Pnin – ondanks al hun onzekerheden toch wel echte wetenschappelijk onderzoekers waren, met een deftige aanstelling en een eerbiedwaardige publicatielijst – terwijl ik, wie ben ik? Een literair essayist, wat zou die nou helemaal van ware kennis weten? Je kunt je ook afvragen wat schrijvers überhaupt aan een universiteit te zoeken hebben. Ja, ze kunnen een campus novel schrijven. Een sleutelroman over plagiaat, seksuele intimidatie en machtswellust. Of een karakterschets van al die archetypische hoogleraren van middelbare leeftijd die zich het leven ooit avontuurlijker hadden voorgesteld dan het bijwonen van bestuursvergaderingen aan de De Boelelaan.

35


Alleen is dat niet de bedoeling. Dat is niet de reden waarom universiteiten literaire schrijvers in huis halen en ze door de kantines en de collegezalen laten dwalen. Maar waarom dan wel? Wat denken die universiteiten er eigenlijk mee op te schieten? U kunt zich voorstellen hoe intimiderend het is hier op het podium te staan en geen flauw idee te hebben wat ik moet doen of zeggen.

Is wetenschap echt? Universiteiten contracteren schrijvers omdat die niets weten. Niet althans op de manier waarop wetenschappers iets weten. Dat heeft een hoge amusementswaarde. Maar het is ook theoretisch interessant. Want dat niets weten – of alles weten, wat op hetzelfde neerkomt – is een filosofische kwestie, een wetenschapstheoretische kwestie. Met hun generalistische, holistische benadering van de werkelijkheid staan de schrijvers model voor al die moderne mensen die grip proberen te krijgen op de ongeordende werkelijkheid die ze dagelijks om zich heen zien, de problemen die ze ondervinden, de verandering van het klimaat, de sociale ongelijkheid, de crises en pandemieën. Al deze problemen leiden onder het algemene publiek niet alleen tot politieke, maar ook tot epistemologische onrust. Wat is echt? Wat is waar? Wat gebeurt er in het land, in de wereld, en hoe kunnen we degenen vertrouwen die ons erover vertellen? Het zijn geen onbeduidende vragen; en de onmogelijkheid om het met elkaar eens te worden over een antwoord 36


– over wat het betekent om te zeggen dat iets ‘waar’ is – tast op het moment de basis van het samenleven aan. Op mijn scherm komt een foto binnen van een buitenlands kerkgenootschap: op het kerkgebouw hangt een vlag met de huidige geloofsbelijdenis van de weldenkenden. Je vindt dezelfde tekst ook terug op wereldse T-shirts, protestborden en koffiemokken. ‘In dit huis geloven we dat black lives matter, dat vrouwenrechten mensenrechten zijn, dat geen mens illegaal is en dat wetenschap echt is.’ Maar wat betekent dat: We believe that science is real? Het tegenovergestelde standpunt, de bewering van sociaal activisten dat wetenschap niet echt is, klinkt weliswaar onvriendelijker en bedreigender, maar beide beweringen zijn vergelijkbare posities in een dispuut over de waarheid. Het gebekvecht erover is een filosofisch gevecht, een wetenschapstheoretisch en zelfs een kentheoretisch gevecht over de vraag hoe je erachter komt wat echt is en wat niet. Dit gevecht is serieus en fundamenteel. Je lost het niet op met wederzijdse verkettering: er is een gezamenlijke heroriëntatie nodig op de vragen wat echt en waar is en wie je kunt vertrouwen met het onderzoek ernaar.

Onrust door diversiteit De universiteit kan zich uitspreken voor diversiteit en brede democratie en dat doet ze ook: het zijn de thema’s van dit Abraham Kuyperjaar aan de Vrije Universiteit. Maar de universiteit moet zich tegelijk goed realiseren dat diversiteit leidt 37


tot een toenemend wantrouwen in de kennisproductie en dat brede democratie aan een universiteit leidt tot filosofische onrust. Alle stemmen aan het woord laten mondt uit in wetenschapskritiek, in het aanklagen van monoculturen en in het herschrijven van de geschiedenis. Als je een vlag ophangt om aan te geven dat black lives matter en dat vrouwen ook mensen zijn, moet je je realiseren dat je vervolgens niet langer wegkomt met de simpele uitsmijter dat wetenschap ‘echt’ is. En dit is allemaal geen reden om van diversiteit en democratie af te zien, god nee, bewaar me, integendeel, maar je haalt je er wel de noodzaak mee op de hals een nieuw perspectief op kennis te vinden. Over deze lastige complicatie van diversiteit gaat de lezing van de Vrije Schrijver aan de VU. De Vrije Schrijver heeft zijn ziel en zaligheid gelukkig niet geïnvesteerd in ware kennis: kan hem het wat schelen als die niet blijkt te bestaan.

Weet je wat waarheid is? De schrijver komt de academie binnen als een soort hofnar. Hij, zij, wordt alleen maar uitgenodigd voor feesten en partijen, de opening van het jaar, de dies, VIP-bijeenkomsten met deze en gene. Misschien is een officiële gastschrijver een uitzondering, want die heeft tenminste nog een tijdelijke rol in het curriculum. Maar verder heeft een schrijver aan een universiteit weinig te zeggen.

38


‘Kunst is altijd een applicatie die op iets draait’, zegt een musicus die ik spreek over de relatie tussen kunst en wetenschap. ‘Je verwijst altijd naar iets daarbuiten.’ Ik ben zelf geneigd dat ‘iets daarbuiten’ het leven te noemen. ‘But you know what truth is? It’s that little baby you’re holding, and it’s that man you fought with This morning, the same one you’re going to make love with tonight. That’s truth, that’s love’ zingt Charlene. (O god, gaan we zo beginnen, denkt de toehoorder nu.)

Agnotologie Naast kennisproductie is er aan de universiteiten ook de productie van non-kennis. De wetenschapshistoricus Robert Proctor heeft daarvoor ooit de term agnotologie gemunt. Agnotologie is de studie van de onwetendheid, of liever gezegd, de studie naar het doelbewust creëren van onwetendheid. Zo deed Proctor uitgebreid onderzoek naar de sigarettenindustrie, die onder het motto ‘doubt is our product’ doelbewust non-kennis heeft verspreid over de gezondheidseffecten van roken. Enorme marketingbudgets zijn vrijgemaakt om ervoor te zorgen dat consumenten de verkeerde kant op zouden denken. ‘Onwetendheid is macht’, zegt Proctor. ‘Onwetendheid is niet louter het nog-niet-gewetene, het is eveneens een poli-

39


tieke truc.’ En na het onrustige presidentschap van Donald Trump weten we dat uit ervaring. Daarbij moeten we ons realiseren dat de onwetendheid niet alleen op ons af komt vanuit de sigaretten- en frisdrankenlobby en de klimaat- en pandemieontkenners in de politiek: ook de wetenschap zelf creëert blinde vlekken. Met Londa Schiebinger stelde Proctor in 2008 een bundel samen over alle kennis die we mislopen: Agnotology: The Making and Unmaking of Ignorance. Wat weten we niet, en waarom weten we het niet? Welke belangen en welk machtsstreven gaan schuil achter het niet-weten? Waarom gaat een cultuur bewust niet op zoek naar antwoorden op vragen die spelen aan de randen van de wetenschap? De flaptekst van het boek somt een paar van zulke vergeten onderzoeksgebieden op. Niet alleen in de geesteswetenschappen en de sociale wetenschappen, ook in de levenswetenschappen en natuurwetenschappen. ‘Individuele hoofdstukken behandelen voorbeelden op het gebied van wereldwijde klimaatverandering, militaire geheimhouding, het vrouwelijk orgasme, milieuontkenning, Native American paleontologie, theoretische archeologie, raciale onwetendheid en meer. Het doel van dit boek is beter te begrijpen hoe en waarom verschillende vormen van weten niet zijn ontstaan, of zijn verdwenen, of onzichtbaar zijn geraakt.’

Is wetenschap echt? Je zou kunnen zeggen dat agnotologie de onechtheid ontmaskert van de grenzen tussen weten en 40


niet-weten. Traditionele vragen naar de productie van kennis worden aangevuld met vragen naar de productie van tapijten om kennis onder te schuiven.

Vrouwen Over vrouwen, bijvoorbeeld, is van oudsher, bewust of onbewust, veel onwetendheid gecreëerd. Londa Schiebinger, die de bundel Agnotology met Robert Proctor samenstelde, doet als wetenschapshistoricus vooral onderzoek naar kennis die je mist als je vrouwen over het hoofd ziet. Zodra je beseft hoeveel kennis je misloopt, moet je niet alleen zorgen dat vrouwen doordringen tot het wetenschapsbedrijf, je moet ook de wetenschappelijke vraagstellingen verbreden, de onderzoeksmethodes uitbreiden, de doelen opnieuw formuleren. Haal genderbias uit algoritmes. Haal genderbias uit dataverzamelingen waarmee je kunstmatige intelligentie traint. Doe niet alleen medisch wetenschappelijk onderzoek naar hartinfarcten bij mannen, test medicijnen niet alleen uit op mannen, ontwerp auto’s en machines niet alleen met mannelijke proefpersonen, doe economisch onderzoek niet alleen naar traditioneel mannelijke arbeid buitenshuis, richt historisch onderzoek niet alleen op grote mannen, denk bij schrijvers en intellectuelen niet alleen aan mannen. Ook niet alleen aan vrouwen, overigens, vervang de ene kortzichtigheid niet door de andere, richt je op lege plekken die erom vragen ingevuld te worden. Oogkleppen die moeten worden afgelegd. 41


Misleiding Voilà, je wijst als agnotoloog vooroordelen aan, je onthult de neoliberale oriëntatie van het wetenschapsbedrijf, je zet je spotlicht op commerciële partijen die wetenschappelijk onderzoek financieren, je ontmaskert oude machthebbers en elites, legt culturele en sociale wanverhoudingen bloot in de samenleving, je doorziet politieke belangen die vraagstellingen sturen en prioriteren, je ontwerpt een nieuwe wereldkaart. Nuttig werk. Kun je nauwelijks tegen zijn. Omdat ik mijn oude exemplaar in het hevige gewoel van mijn leven ben kwijtgeraakt, ga ik op zoek naar een nieuw exemplaar van de bundel Agnotology van Proctor en Schiebinger; ik zie dat ik er in het gunstigste geval tweeënhalve maand op moet wachten. Wel is er een ander boek beschikbaar onder de titel Agnotology, geschreven door ene Pixie Seymour. Op zoek naar Pixie Seymour dan maar. Het is een interessante zoektocht. Ik lees dat Pixie Seymour een impassioned woman is. ‘Pixie is een gepassioneerde vrouw die het als haar levensmissie ziet anderen in staat te stellen een natuurlijk, gezond leven te leiden. Als ze niet aan het marketen is, aan het coachen, onderzoeken of schrijven over natuurlijke gezondheid en genezing, is ze in haar steeds groter wordende helende kruidentuin of beoefent ze yoga.’ Het boek van Pixie Seymour heet voluit Agnotology in Vaccines: in lijn met Robert Proctors ontmaskering van de sigarettenindustrie wijst ze erin op de belangen die de farmaceuti42


sche industrie heeft bij het vaccineren. De officiële berichten over vaccinatiebeleid zijn daarom niet te vertrouwen, schrijft ze in de aanbiedingstekst; we worden voorgelogen. En dat is precies wat agnotology betekent, legt ze uit: ‘Cultureel veroorzaakte onwetendheid door de publicatie van onnauwkeurige of misleidende wetenschappelijke gegevens.’ De voorstanders van vaccinatie bieden misleidende informatie, the honest truth wordt genegeerd. Ik kom niet in de verleiding het boek te bestellen, maar ik lees de omschrijvingen ervan met belangstelling. En het wordt op het punt van wetenschap en misleiding pas echt interessant als ik beland op de website van boekhandel Bol.com. Daar is het boek van Seymour namelijk ook te koop, maar met een waarschuwing erbij. ‘We erkennen dat dit boek controversieel is’, schrijft de boekhandel. ‘Bol.com verkoopt miljoenen boeken en daarbij vinden we het van groot belang om zorgvuldig met de vrijheid van meningsuiting om te gaan. Maar mogelijke misleiding via boeken willen we voorkomen. Daarom hebben we gespecialiseerde partijen en experts gevraagd om ons te helpen vast te stellen of dit boek misleidend is. Na beoordeling hebben we besloten dat we het wel blijven verkopen, maar ter voorlichting een label toevoegen met informatie van instantie RIVM over dit onderwerp.’ Meteen daaronder een vrij nietszeggende tekst van het RIVM. ‘Vaccineren is een veelbesproken onderwerp en er is veel tegenstrijdige informatie in omloop. Maar hoe zit het nu echt? Sommige onjuiste informatie zien we vaak langskomen. 43


De voor- en nadelen over vaccineren en antwoord op veel gestelde vragen vind je op de site van RIVM.’ Tja. Hoe zit het nu echt? De experts hebben de handschoen niet opgepakt die hun met de term ‘agnotologie’ is toegeworpen. Ze gooien het gezag van het RIVM in de strijd en dat staat in zo’n boek als dat van Pixie Seymour nu juist ter discussie. Zelfs als je, zoals ik, graag blindvaart op het RIVM, is dat een te mager antwoord. Ik wil best het gezag aanvaarden van een rijksinstituut boven dat van een gepassioneerde vrouw met een kruidentuin. Maar met haar bewering dat de farmaceutische industrie belangen heeft – en wie zal dat ontkennen? – en dat we door de officiële instanties worden misleid, zwengelt Seymour een discussie aan die de officiële instanties niet kunnen platslaan door te claimen dat we – welles, nietes – eigenlijk door haar worden misleid. Zodra je als wetenschapper eenmaal aan het ontmaskeren bent geslagen, zodra je beweert dat er krachten aan het werk zijn die niet willen dat we iets weten, zodra je uitlegt dat veel wetenschappelijk onderzoek biased is, reik je zelf de zorgen en verdenkingen aan die vervolgens worden overgenomen door de samenleving. Het draait hier niet om het oude onderscheid tussen vaststaande feiten en betwistbare meningen, maar om het tot stand komen van de waarheid. En een boek als Agnotology in Vaccines is niet noodzakelijkerwijs het product van een misplaatst ongeloof in feiten, en ook niet vanzelfsprekend een 44


product van de zogenaamde post truth-samenleving, het boek gaat een gesprek aan over de vraag wie nu eigenlijk wie aan het misleiden is. Wie met the honest truth te vertrouwen is en wie niet. Pixie Seymour heeft gewoon te veel Proctor en Schiebinger gelezen.

Buitenstaanders Ooit, lang geleden, hoorde ik in het televisieprogramma Rondom Tien een woonwagenbewoonster verontwaardigd uitroepen: ‘Ze promoveren op ons!’ Het programma had een criminoloog uitgenodigd om te vertellen dat woonwagenbewoners relatief vaak betrokken zijn bij de hasjhandel. Ook had het woonwagenbewoners uitgenodigd om te vertellen dat zijzelf niet betrokken waren bij de hasjhandel. Het resultaat was een vrij onvruchtbare conversatie. De criminoloog herhaalde dat hij de conclusie over de woonwagenbewoners toch wel degelijk had getrokken bij het doorlezen van politierapporten en gerechtelijke dossiers. De woonwagenbewoners herhaalden dat ze toch echt zelf het beste wisten of ze wel of niet in drugs handelden. De criminoloog hield vol: ‘Ik heb onderzoek gedaan.’ De woonwagenbewoners riepen wanhopig: ‘Ze promoveren op ons!’ De passage heeft indruk op me gemaakt. Ik heb er vaker over geschreven en denk er met grote regelmaat aan. Allereerst wanneer het gaat over het gebruik van statistieken in de straf45


rechtelijke opsporing: in zo’n discussie kan het helpen om het perspectief van de individuele woonwagenbewoners in te nemen. Maar ook hier, nu, in deze context van diversiteit aan universiteiten, is het verhaal relevant. Het helpt je te realiseren dat sommige groepen lange tijd alleen als object vertegenwoordigd zijn geweest in de wetenschap, als voorwerp van onderzoek, en niet als wetenschappelijk onderzoeker zelf. ‘Ze promoveren op ons!’ Langzaam zijn de groepen waarop werd gepromoveerd zelf de universiteit binnengekomen – de vrouwen voorop – en ze uiten de klacht intern. Ze wijzen op de blinde vlekken en de vooroordelen, de vertekening van de geschiedenis en de wereldkaart. Dat heb je in de astronomie misschien niet, dat het object van je onderzoek binnenstapt, terugpraat en bezwaar maakt, maar in veel andere wetenschappen gebeurt het in de moderne tijd wel. Op het moment dat mensen als groep worden bestudeerd én daarnaast zelf studeren zijn ze object en subject tegelijk. Dat geeft een bijzonder perspectief. Hier heb je de relatie te pakken tussen wetenschapskritiek en diversiteit. Zodra de diversiteit de universiteit binnenkomt, komen andere perspectieven binnen. ‘Ik heb onderzoek gedaan’ is dan niet langer een afdoende reactie op klachten over de kloof tussen wetenschappelijke uitspraken en aanspraken op kennis van buiten. Want wat betekent het dat je onderzoek hebt gedaan? Hoe nauwkeurig was de vraagstelling en wat betekenen de uitkomsten? In welke gevallen heb je daar wel of niet iets aan? 46


Pixie Seymour is een buitenstaander die vooralsnog buiten de poorten van de universiteit in gesprek gaat met de wetenschappelijke kennis. Omdat die kennis over haar gaat, althans, over het leven van haar en haar kinderen. Ze heeft vier kinderen, lees ik in de aankondiging van haar boek. Nadat ze een paar jaar geleden las over de samenstelling van vaccins, realiseerde ze zich dat haar jongste kind op school zou worden blootgesteld aan een haar onwelkome vaccinatie. ‘It’s personal for Pixie.’

Sofisme Is er überhaupt ooit een ‘truth’-samenleving geweest? Als schrijver ben ik de buitenstaander bij uitstek; ik moet het hebben van de kennis die anderen me toestoppen. En nu geeft een van mijn buren me een boek cadeau over de Grieken, de bundel Plato en de sofisten: Een spiegel voor onze tijd, samengesteld door Emma Cohen de Lara. In ons eigen onzekere tijdsgewricht is het niet altijd duidelijk of media en politici de feiten weergeven of juist verhullen, zegt het boek. Maar dat is niets nieuws. Zulke bange vragen over waarheid en retoriek werden al prominent door Plato gesteld. De vraag wie nu eigenlijk wie misleidt is van meet af aan een centrale vraag in het denken geweest. De vraag stuiterde in ieder geval heen en weer tussen filosofen en sofisten. In zijn bijdrage aan de bundel, ‘Filosofen tegen redenaars’, schrijft classicus Bas van Bommel dat je in de actuele discussie over nepnieuws en desinformatie twee posities kunt in47


nemen. Aan de ene kant kun je ernaar streven ware kennis af te bakenen van onware kennis door van overheidswege aan waarheidsbewaking te gaan doen: met taskforces en rapid alert systems stel je dan vast hoe het zit. Dit is de theoretische benadering van filosofen als Plato: je gaat ervan uit dat je de waarheid op methodische wijze kunt vastleggen met criteria en gedragsnormen. Aan de andere kant kun je ook denken dat het vastleggen van de waarheid buiten het domein van natuurwetenschappen per definitie onmogelijk is; en dat je de onzekerheid moet erkennen als een ‘onvervreemdbaar bestanddeel van de menselijke conditie’. Dat is de praktische houding van de Griekse sofisten. Deze twee benaderingen kunnen uiteraard naast elkaar bestaan en elkaar aanvullen – ook in het nadenken over waarheid in de wetenschap zelf. Als je wilt onderzoeken of commerciële en ideologische belangen het universitaire onderzoek sturen, zelfs het natuurwetenschappelijke onderzoek, moet je feiten vaststellen langs methodische weg. Maar daarnaast zullen buitenstaanders retorisch wijs moeten worden en beslissen welke onderzoekers een betrouwbaar beeld geven van alle betrokken belangen en wat dat beeld vervolgens betekent voor hun eigen oordelen en keuzes. Wat gebeurt er in de wereld? En hoe kunnen we degenen vertrouwen die ons erover vertellen? Daarbij gaat het niet alleen om feiten, zoals de theoretische benadering graag stelt, het gaat er wel degelijk ook om wie ze 48


benoemt en aanwijst als object van onderzoek. Onderzochte groepen hebben nu eenmaal een ander perspectief op bias dan onderzoekers. Dat is – zie Proctor en Schiebinger – een inhoudelijk punt.

Niet gelezen Ooit, lang geleden, ik was promovendus aan een Nederlandse universiteit, beving me de angst alleen maar pseudolicht te werpen op non-problemen, om met Amis’ held Jim Dixon te spreken. Ik werkte hard, maar hoe harder ik werkte, hoe genadelozer ik een tunnel dreigde in te schieten waaruit ik nooit meer zou kunnen ontsnappen. Nadat ik lang over mijn rol als onderzoeker had nagedacht, besloot ik een Bibliografie van Niet Gelezen Boeken te maken. Het moest een overzicht worden van alle informatie die ik wel en passant had waargenomen, maar waarvan ik besloten had die niet mee te slepen naar mijn tunnel. De wereld vanuit mijn ooghoek. Toen ik uiteindelijk de Bibliografie van Niet Gelezen Boeken in mijn proefschrift publiceerde, moest iedereen erom lachen. Heel grappig. Maar zelf had ik de overtuiging een wetenschappelijke doorbraak te hebben geforceerd. Niet alleen melden welke literatuur je hebt gelezen, maar ook uit welke stapel je hebt gekozen, rekenschap geven van the known unknowns: het leek me wel het minste dat je kon doen om te laten zien hoe je je verhoudt tot de schrikbarende hoeveelheid kennis waarvan je niets weet – en tot de oceaan die dat alles

49


omspoelt en waarvan wij allemaal niets weten. Het ging me om de epistemologische relevantie van het menu, zei ik toen. Nu ik ouder ben, weet ik pas hoe je zoiets intellectuele allure moet geven. Ik had moeten verwijzen naar het boek van een ander, bijvoorbeeld naar Hoe te praten over boeken die je niet hebt gelezen van Pierre Bayard, hoogleraar letterkunde aan de Sorbonne, ook al had hij het boek toen nog niet geschreven. Bayard noemt niet-lezen een serieuze activiteit, een vaardigheid die moet worden aangeleerd door studenten: ze moeten tegenover de veelheid une vue d’ensemble ontwikkelen, een gevoel voor de globale samenhang tussen de boeken. Dit is wat universiteiten hopen op te steken van de schrijver: een feeling voor het geheel.

Filosofische bewaking Intussen zijn wetenschappelijk onderzoekers druk bezig tools te ontwikkelen om ons te beschermen tegen desinformatie. FactRank, een online tool die is ontwikkeld in samenwerking met de Leidse universiteit, spoort automatisch checkbare uitspraken op in Kamerdebatten of tweets van politici. Het programma wijst zinnen aan die ‘feitelijk en relevant’ zijn, dat wil zeggen, die een feit bevatten en relevant zijn voor een grote groep mensen. Factcheckers kunnen dan nagaan of het feit klopt. In een vakblad voor informatieprofessionals lees ik over een tool die nog een stap verder gaat. Factchecking is niet voldoende als je misinformatie en fake news wilt debunken: je 50


moet ook de argumenten verifiëren. En daarom werken onderzoekers van de Universiteit van Amsterdam samen met de Make Media Great Working Group aan de ontwikkeling van een tool waarmee mensen buiten de academische wereld misbruik van retorica kunnen herkennen. Mensen in staat stellen kritisch te denken: dat is het praktische doel van de ontwerpers. ‘Uiteindelijk zal het information pollution shield dat MMGA en het KRINO-team aan het ontwikkelen zijn, mensen een systematische, filosofische bewaking bieden, die vooral nuttig kan zijn voor hun online nieuwsconsumptie en oriëntatie bij de verkiezingen, maar eveneens voor alle informatieve aspecten van het moderne leven.’ De ontwerpers waarschuwen dat de trend naar een infocalyps moet worden omgebogen.

Infocalyps Jawel, de infocalyps dreigt. In vergelijking met de burgers uit de Griekse Oudheid heeft de moderne burger toegang tot een onoverzienbare hoeveelheid informatie. Lees je een beetje om het begrip agnotologie heen, dan zie je dat een teveel aan informatie regelmatig wordt genoemd als oorzaak voor het ontstaan van non-kennis. ‘Hoewel sommige slimme mensen profiteren van al die informatie die nu met een muisklik onder handbereik is, zijn er velen die worden misleid en die een misplaatst gevoel van deskundigheid ontwikkelen’, zegt sociaal-psycholoog David 51


Dunning van Cornell University. ‘Ik ben niet bang dat we het vermogen verliezen om zelf een standpunt in te nemen, maar dat het te gemakkelijk wordt om dat te doen.’ Wetenschappelijk onderzoekers komen daarom niet alleen met tools om argumenten te ordenen: soms pleiten ze verrassend genoeg voor meer onwetendheid. Minder informatie, aangezien meer informatie de onzekerheid alleen maar vergroot. En niet alleen minder informatie – sommigen pleiten ook voor minder kennis. Ooit heb ik als columnist, in mijn eentje achter mijn scherm, in het wilde weg een onderzoekje hiernaar gedaan. Naar al die wetenschappers die non-kennis bepleiten. Methodologen die wijzen op het belang van blinddoeken, blind testen, sluiers van onwetendheid. Antropologen die hoog opgeven van geheimhouding in samenlevingen, omdat je de belangrijke ervaring van het niet-weten overhoop haalt, zodra je verborgen waarheden boven water tovert. Filosofen die wijzen op je recht om onkundig te blijven van kennis over je gezondheidsprognoses en je kans een misdadiger te worden, nu de wetenschap op basis van alle beschikbare informatie steeds meer over je leven kan vertellen. Het recht om dingen niet te weten. Het recht te worden vergeten.

Minder kennis, en minder kritiek? Science is real: het credo op T-shirts en kerkvlaggen is niet heel zinvol. Het betekent helemaal niets. Het is alleen bedoeld om

52


discussie uit de weg te gaan en tegenstanders hun plaats te wijzen. In feite is de epistemologische onrust rondom de echtheid van wetenschap en kennis al tweeënhalfduizend jaar oud en nu is de dreiging van de infocalyps daar nog bij gekomen. Hoe moeten we ons een weg banen door alle informatie en hoe worden we het eens over de vraagstellingen en het ontwerp van de methodes? De omgang met informatie en kennis is als onderwerp spannender dan ooit. In 2004 schreef Bruno Latour een interessant essay over wetenschapsinterne kritiek en kritiek van buiten: Why Has Critique Run out of Steam? Hij keek terug op zijn eigen rol als pionier van de social critique, een benadering die onwetendheid en ‘wetendheid’ als een uitkomst ziet van politieke en culturele processen. Zoals ik het hierboven formuleerde: je onthult de neoliberale oriëntatie van het wetenschapsbedrijf, je zet je spotlicht op commerciële partijen die wetenschappelijk onderzoek financieren, je ontmaskert oude machthebbers en elites, legt culturele en sociale wanverhoudingen bloot in de samenleving, je doorziet politieke belangen die vraagstellingen sturen en prioriteren, je ontwerpt een nieuwe wereldkaart. In het essay uit 2004 betuigde Latour min of meer spijt van al dat ontmaskeren van belangen. De social critique lijkt verdraaid veel op complottheorie, schreef hij. Mensen gaan niet ijveriger naar een sociaal rechtvaardige maatschappij streven als je ze aanmoedigt belangen op te sporen in onderzoek en onderwijs. In plaats daarvan worden ze alleen maar bevestigd in hun overtuiging dat ze voor de gek worden gehouden. Ex53


tremisten gebruiken de ontmaskering van belangen om wetenschappelijk bewijs te torpederen en de hele aanpak van de sociale kritiek komt als een boemerang bij de kennisinstituten terug. Zojuist hebben we al een mild voorbeeld gezien van het mechanisme dat Latour beschrijft. Pixie Seymour is met haar boek Agnotology in Vaccines een onmiddellijke erfgename van Proctor-en-Schiebingers boek Agnotology – en de boekhandel aarzelt haar boek te verkopen. Blijkbaar levert zulke kritiek als die van Proctor en Schiebinger niet vanzelfsprekend nuttige resultaten op, niet alleen falsificatie en verbetering van theorieën, maar ook het gevoel dat iedereen de boel belazert, onzekerheid, wantrouwen en segregatie. Moeten we kritiek in het vervolg dan maar achterwege laten, omdat de aanvankelijk nuttige aanpak is omgeslagen en huidige vormen van activisme een karikatuur zijn van de oude wetenschapskritiek? Geen informatie meer verzamelen over de sigarettenindustrie en de farmaceutische industrie? Niet meer met een aanwijsstok laten zien waar de etnische vooroordelen zitten in dataverzamelingen? Minder kritiek en minder kennis, omdat al die kritiek en kennis in handen komen van nieuwe spelers die ze niet kunnen hanteren? Of, erger nog, van actiegroepen die ze prima kunnen hanteren en die op hun beurt weer hun eigen machtsspel spelen? Het zijn belangrijke vragen voor een universiteit die een diversiteit aan perspectieven herbergt en dus een veelvoud aan kritieken. Je kunt van staatswege met taskforces aan waar54


heidsbewaking gaan doen, maar je ontkomt niet aan de onderliggende vragen. Willen we meer of minder informatie en kennis? Waarom weten we niet wat we niet weten en wel wat we wel weten? En zouden we voor ons individuele en collectieve leven niet liever willen dat we niet wisten wat we wel weten?

Extradisciplinariteit De schrijver krijgt gelukkig de leukste studenten op bezoek. Alle studenten die ik tegenwoordig spreek, aan de VU of ergens anders, richten zich niet voor niets tot de essayist in mij. Ze missen iets. Ze hebben het gevoel dat ze in een tunnel worden gejaagd. En omdat ze meer willen zien, een vue d’ensemble willen ontwikkelen, omdat ze meer willen leren dan hun studie hun te bieden heeft, gaan ze een cursus creatief schrijven volgen. Of ze sturen een brief. Vragen of we samen koffie kunnen drinken en of ik ze dan alles, alles, over het leven wil vertellen. De medewerkers missen net zo goed iets. De projectificering van hun onderzoek, de outputfinanciering, de eisen van validatie, de bedrijfsmatigheid, de kapitalistische oriëntatie van het wetenschapsbedrijf, de commerciële belangen die hun onderzoek sturen: ze hebben het gevoel dat er iets goed mis is. Dat gevoel hebben ze al langer, maar gooi er een paar grote systeemcrises tegenaan, de crisis van de planeet, en opeens gonst door de heilige hallen van de wetenschap de bood-

55


schap dat een grotere greep nodig is, dat opnieuw verbinding moet worden gezocht met het leven. Ooit, lang geleden, had ik zoals gezegd ook zulke zorgen. Ik was nog geen dertig en gefascineerd door de boeken die ik niet had gelezen. Om verbinding te houden met het volle leven, en voor mijn persoonlijke ontwikkeling, bezocht ik een literair congres in de tropen. Om precies te zijn, ik vloog naar de Cariben, landde op Curaçao, bezocht een paar lezingen, werd uitgenodigd voor het diner en, o, het tropische maanlicht en, ach, het gefonkel van de cocktails in de glazen. Ik stond op een terras dat uitkeek over de oceaan. En alles straalde. Binnen in de kamer stonden de deelnemers van het congres. De dag zat erop. Het programma was braaf afgewikkeld, daarna had iedereen gedoucht, schone kleren aangetrokken en nu hingen de letterkundigen voorzichtig om elkaar heen. Ik staarde naar het water, dat een uur geleden nog blauw was geweest, zo blauw als de vlam van zwavel, zou Hans Christian Andersen zeggen, en dat nu geheimzinnig zwart lag te deinen in het licht van de maan. Het was een stereotiep negentiende-eeuws natuurbeeld dat me in zijn zinnelijke romantiek altijd zal bijblijven. Nou goed, in deze setting raakte ik in gesprek met een socioloog. Ik weet niet meer hoe we erop kwamen, de socioloog en ik, maar hij vertelde me dat hij zich bezighield met het begrip ‘extradisciplinariteit’. Al decennia zochten wetenschappers hun heil in interdisciplinariteit zodra ze vast dreigden te lopen in de tunnel van hun eigen discipline, zei hij. Maar 56


begripsmatig ging aan dat alles natuurlijk extradisciplinariteit vooraf. De wereld zoals ze is voordat we haar benaderen vanuit de afzonderlijke disciplines. De zinderende avond daar aan de verre rand van ons koninkrijk is om veel verschillende redenen levensbepalend voor me geweest. De socioloog speelde slechts een minimale bijrol, maar in de word cloud van het congres, op de Kodachrome-foto van het nachtelijke eiland is het woord extradisciplinariteit nog steeds duidelijk zichtbaar.

Het laatste woord Waar had ik het ook alweer over? O ja iemand vertelde me dus over een roman van de Engelse literatuurwetenschapper David Lodge. Zijn personage professor Morris Zapp geeft een lezing over structuralisme en striptease tijdens een congres aan de University of Rummidge. Hier geen terras dat grenst aan de oceaan, geen fonkelende glazen en kleurige cocktails, de roman heet niet voor niets Small World. Wel rookt Morris Zapp een sigaar tijdens zijn presentatie. Dat herinnert ons eraan dat de roman is gepubliceerd in 1984, in het verre verleden dus, toen sprekers nog sigaren rookten. Zapp oreert uitgebreid; de voorzitter van de sessie, Rupert Sutcliffe, zit tegenover het publiek, zijn mondhoeken zakken steeds verder naar beneden naarmate het verhaal vordert. Meerdere bezoekers verlaten voortijdig de zaal. Zapp vertelt over zijn oude ambitie om een definitieve interpretatie te geven van Jane Austens werk. Hij had een uit57


puttend commentaar willen schrijven, vanuit iedere mogelijke invalshoek – historisch, biografisch, retorisch, freudiaans, jungiaans, marxistisch, existentialistisch, christelijk, allegorisch, fenomenologisch – multidisciplinair zou je kunnen zeggen. Interdisciplinair. Kortom, Zapp droomde de droom van iedere onderzoeker: zo’n monsterlijk dik handboek schrijven dat anderen teleurgesteld afdruipen en stoppen met schrijven. Het laatste woord over Austen is gezegd. Niets meer aan toe te voegen. Maar het pakt anders uit voor Zapp. Het project is natuurlijk mislukt, zegt hij. ‘Het was niet zozeer utopisch als wel zelfvernietigend.’ Het bleek namelijk onmogelijk de betekenis van Austens werk definitief vast te pinnen – omdat je betekenis onmogelijk definitief kúnt vastpinnen. Het heeft te maken met de aard van taal. ‘Taal is een code. Maar elke decodering is opnieuw een codering.’ Al lezende kun je nooit tot de kern komen, want er is geen oorsprong, geen kern; wanneer je tekst gaat analyseren houd je uiteindelijk niets over. Hier dient de vergelijking met striptease zich aan: lezen als narratieve ontkleding. Je kunt sluiers weghalen, maar dan dient een nieuwe sluier zich aan. Je kunt denken het laatste woord over Jane Austen te hebben gesproken, maar dan dient zich een nieuw laatste woord aan. Professor Swallow, teleurgesteld in Zapps sceptische standpunt, merkt na afloop van de lezing op dat het weinig zin heeft erover in discussie te gaan. Inderdaad, beaamt Zapp vrolijk. ‘Als je met zin de hoop bedoelt om uit te komen bij een zekere waarheid. Maar wanneer heb je die ooit ontdekt in een 58


vraag-en-antwoordsessie?’ De zin van de lezing bestaat erin het instituut van de wetenschap overeind te houden, en nu ze die taak naar behoren hebben volbracht, is het de hoogste tijd naar de borrel te gaan. Als in de campusroman wetenschap iets niet is, dan is het wel ‘real’. Kunnen we degenen vertrouwen die ons over de wereld vertellen? Nou, niet dus, als we de campusroman moeten geloven. Het genre lijkt ook niet bedoeld om het vertrouwen in het wetenschappelijk bedrijf te vergroten; integendeel, je kunt het op zijn best opvatten als een vermakelijke, destructieve vorm van critique. De literaire schrijver is een pestkop die de wetenschappers al hun zelftwijfel schaterlachend in het gezicht gooit. Professor Perlmann, professor Belsey, doctor Dixon: ze lopen om begrijpelijke redenen vast in hun lezing, ze verslikken zich in het format. Ze zijn zo zenuwachtig op het podium, achter hun katheder, omdat ze tegelijk te weinig en te veel weten. Ze zijn bang voor zichzelf en de zaal omdat kennis macht is, en omdat die macht zich tegen hen kan keren en in hun handen kan ontploffen als een handgranaat. Als universitair onderzoeker zijn ze kwetsbaar, aangezien ze een rol spelen in een werkelijkheid die gevormd wordt door belangen – al was het alleen maar hun eigenbelang, hun kans op promotie, hun bescherming tegen ontslag.

59


Nee, dan de romanwerkelijkheid. Als romanpersonages behoren de wetenschappers tot een romanuniversum dat doortrokken is van de waarde van het geheim. En deze romanwerkelijkheid, dit ongrijpbare product van de literatuur, is meer ‘waar’ dan de beschreven werkelijkheid van de campus. Oké, laat dat een cliché zijn, deze tegenstelling tussen het platte wetenschappelijk bedrijf en de mysterieuze literaire kunst, maar dat is nu eenmaal wat de campusroman is: een clichématig en satirisch genre. Tegelijk schuilt er iets wezenlijks in. Niet iets waars misschien, maar wel iets belangrijks. Iets echts. Een feeling voor het geheel. Zet een literaire schrijver op een universitaire campus op een podium, laat hem een lezing houden en je zult zien dat de ongrijpbaarheid ervan, het feit dat de schrijver geen flauw idee heeft wat hij moet zeggen of doen, op de een of andere manier heel precies de eenentwintigste eeuwse epistemologische onrust weergeeft; de behoefte grip te krijgen op het geheel en dienstbaar te worden aan het leven.

60


Dank en verantwoording Dank aan de studenten voor hun ijver, talent en inspanning. Dank aan professor Jacqueline Bel voor de plezierige collegialiteit in tijden van corona. Dank aan Channa voor de tekst over rabbijn Anthony Fratello. In de passages over Bruno Latour en Agnotology van Proctor en Schiebinger zijn een paar zinnen en gedachten hergebruikt die ik eerder opschreef in columns voor NRC Handelsblad. Waarschijnlijk geldt dat voor enkele andere gedachten ook. De uitnodiging voor de lezing van Thomas Southwood Smith en de ontleding van Jeremy Bentham is te vinden in: Ruth Richardson en Brian Hurwitz. ‘Jeremy Bentham’s Self Image: An Exemplary Bequest For Dissection’, British Medical Journal (Clinical Research Edition), vol. 295, no. 6591, 1987, pp. 195-198. JSTOR, www.jstor.org/stable/29527686 Het bericht over de tool FactRank van de Make Media Great Working Group las ik in: ‘Argumentchecking AI tegen fake news en desinformatie’, IP vakblad voor informatieprofessionals, 28 december 2020, https://informatieprofessional.nl/2020/12/­ argumentchecking-ai-tegen-fake-news-en-desinformatie/

61


Maxim Februari was van mei 2020 tot en met april 2021 Vrije Schrijver van de Vrije Universiteit Amsterdam. In die hoedanigheid schreef hij voor de VU, de VU Faculteit der Geesteswetenschappen en de VUvereniging dit essay. Vóór Campusroman verschenen als VU-geschenk: • • • • • • • • • • • • •

Abdelkader Benali, De soefi (2007, verhaal) Marcel Möring, Een lange weg (2008, essay) Christine Otten, Een echt verhaal (2009, verhaal) Renate Dorrestein, Pas goed op jezelf (2010, verhaal) Ronald Giphart, De wake (2011, verhaal) Kristien Hemmerechts, Uitgespuwd (2013, verhaal) P.F. Thomése, De werkelijkheidsverbeteraar (2014, ­lezingen) Joost de Vries, Geometrie (2015, verhaal) Niña Weijers, Hoe het licht binnenvalt (2016, essay en drie columns) Ernest van der Kwast, Jouw toekomst is mijn toekomst (2017, vier portretten van vluchtelingen) Bas Heijne, Vrijheid, gelijkheid, broederschap (2018, ­essay) Annelies Verbeke, De taal van de wereld (2019, essay) Arnon Grunberg, Blinde gehoorzaamheid (2020, essay) Amsterdam, juni 2021

62