Issuu on Google+


Volonté Générale 2013 - n°3

Inhoudsopgave

Hoofdredactioneel

3

Reactie

Europe Day gaat Europa niet redden Eric van der Vorst

4

Artikelen

Personalized health: the doctor is watching you Brigitte Geurts

‘Ja, ik heb een vaderland: de Franse taal.’ Albert Camus, Dagboek. Een keuze uit zijn dagboekaantekeningen 1935-1951 (Amsterdam 1972) 204.

6

De VVD zou links moeten stemmen Maarten de Vries

10

Radicalisme: Hét fundament voor geweld? Daan Weggemans

14

Het interculturele cabaret en de invloed ervan op interetnische relaties Linda Fernandez Beiro

23

Verplicht op bezoek bij je ouders in China Sanne Albers

29


Volonté Générale 2013 - n°3

Een like geeft nog geen levensgeluk Susanne Geuze

34

Net een spade dieper graven Interview met Elianne Keulemans

38

Columns & recensies

Heimweten Jacob van Hoof

45

De uit zijn voegen barstende publicatiefabriek? Nienke Bos

47

Gekidnapte kinderen en de verscheurde levens van Chinese families Aleid Bisterbosch

50

Privacy Joep Willemsen

52

Volonté Générale is een tijdschrift voor jonge intellectuelen waarin debat centraal staat. Het doel van dit tijdschrift is de wereld te analyseren en mensen aan het denken te zetten over maatschappij, (wereld)politiek, filosofie, economie, kunst en universiteit. Colofon Hoofd- en eindredactie Martijn van den Boom Gaard Kets Jan Maas Roos van der Zwan Medewerkers aan dit nummer Sanne Albers, Aleid Bisterbosch, Nienke Bos, Linda Fernandez Beiro, Brigitte Geurts, Susanne Geuze, Jacob van Hoof, Maarten de Vries, Eric van der Vorst, Daan Weggemans en Joep Willemsen. Contactgegevens email: vlntgnrl@gmail.com internet: www.volontegenerale.nl Aanmelden abonnement Voor gratis digitale toezending kunt u zich via het bovengenoemde emailadres aanmelden. Aanleveren stukken Uitsluitend per email onder vermelding van contactgegevens en een korte persoonsbeschrijving. De hoofdredactie houdt zich het recht voor zonder opgaaf van reden stukken te weigeren. Sluitingsdatum volgende uitgave: 31 oktober 2013. Copyright © Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd op welke manier dan ook voor commerciële doeleinden, vraag hiervoor eerst toestemming van de hoofdredactie en de auteur(s).


Volonté Générale 2013 - n°3

Hoofdredactioneel Voor de meeste mensen zit de vakantie er op. Fris en fruitig of met lood in de schoenen gaat men weer aan het werk. Geen croissant of stokbrood bij het ontbijt, geen musea of zandstranden meer. Ook is er geen sprake meer van getoeter in het verkeer, foto’s maken van de muur die vanuit de ruimte te zien is of je klein voelen tussen de wolkenkrabbers. We zijn terug van weggeweest en dat betekent Hollandse kost. Vaak wordt op vakantie beseft hoe goed we het hebben, maar ook thuis realiseert menigeen zich hoe fijn het is om te mogen reizen en om daarna weer thuis te komen. Na zo’n vakantie worden er volop verhalen verteld over hoe de vakantie was. Wat de mooie, maar natuurlijk ook wat de minder mooie ervaringen zijn geweest. Daarnaast wordt gesproken over hoe anders andere mensen kunnen zijn en wat zij zijn of behoren te zijn. Verwonderd ervaren we hoe het is om in India iedere dag door mensen nagestaard te worden. Of om tijdens een rondreis door China iedere dag met Chinezen, die vaak zelf op vakantie zijn, op de foto te gaan. Na afloop wordt vaak nadruk gelegd op hetgeen dat zo ‘anders’ (mooi of minder mooi) is, want dat is wat je vrienden, familie of collega’s te horen krijgen. Hoe het ‘thuis’ in elkaar zit, is immers vanzelfsprekend. Dit maakt de thuiskomst tot een interessant fenomeen. Vaak wordt om die andersheid gelachen, gewalgd of wordt het simpelweg geaccepteerd. Vragen als: waarom gedragen die anderen zich zo anders? En waarom denk ik dat zij zo anders zijn? En waarom gedraag ik me op mijn manier? Het begrijpen – of eigenlijk het willen begrijpen – van een ‘ander’ en zijn samenleving is van belang om die ander in perspectief te kunnen plaatsen en onszelf beter te begrijpen. Een goed voorbeeld van de vreemdheid van een ‘ander’ dat Nederlanders vaak verachten, is de Chinese wet die mensen verplicht bij hun ouders langs te gaan. Kinderachtig en onuitvoerbaar zijn de woorden die gebruikt worden om de wet te beschrijven. Echter, deze wet toont dat vergrijzing niet alleen een Nederlands probleem is. Sanne Albers plaatst deze ‘absurde’ wet in perspectief en betoogt dat deze wet helemaal niet zo veel van de Nederlandse aanpak van vergrijzing verschilt. Bij de thuiskomst hoort ook het weer aan de slag gaan. Stress op het werk of tijdens de studie neemt na de eerste paar dagen toe. Susanne Geuze heeft een artikel geschreven over hoe je als student in evenwicht kunt blijven en met studie- en sociale druk om kunt gaan. Daarnaast bevat dit nummer een artikel van Brigitte Geurts over de persoonlijke 24-uurs dokter. Daan Weggemans geeft inzichten in terrorisme en terrorismebestrijding en Maarten de Vries heeft een bijdrage geschreven over de hedendaagse betekenis van ‘een land bedrijfsmatig runnen’. Wij hopen dat iedereen een goede vakantie achter de rug heeft en weer veilig en wel thuis is gearriveerd. Zoals gezegd is de thuiskomst een perfect moment om opgedane ervaringen van het andere om te zetten in een frisse beschouwing van het bekende. Dit nummer bevat een aantal artikelen, recensies en columns die daar uitstekend bij van pas kunnen komen. Wij wensen u een prettige herstart en veel lees- en denkplezier.

3


Volonté Générale 2013 - n°3

In het vorige nummer van Volonté Générale pleitten de leden van de denktank European Culture van de Radboud Honours Academy voor het instellen van Europe Day. Door middel van deze feestdag zou de Europese identiteit versterkt kunnen worden. Eric van der Vorst deed onderzoek naar de Europese identiteit en reageert op hun artikel.

Europe Day gaat Europa niet redden Eric van der Vorst In het tweede nummer van Volonté Générale van dit jaar presenteerde de Radboud Honours Academy-denktank European Culture haar resultaat van een jaar lang onderzoek naar het bestaan en de creatie van een Europese cultuur. 1 Een uitgebreide inkadering van het onderzoeksveld en een verregaande theoretisering op basis van ingewikkelde begrippen leidden tot een mager eindresultaat: de herontdekking van Europe Day, een gezellige Europese Koninginnedag vol stereotypen. Ik zie het al voor me: Angela Merkel en Herman van Rompuy in hun gouden troika op bezoek in een of ander Slovaaks dorp, om daar in lederhosen mee te doen aan een typisch Europees potje touwtrekken. Ja, dat zal de eenwording van Europa een hoop goeds opleveren. Het onderzoek van deze groep excellente studenten is niet alleen maar onzin. In het eerste deel van hun artikel tonen de denktank-leden dat zij goed begrijpen wat nu precies het probleem is van de ‘Europese cultuur’: de EU is te veel een politiek-economische entiteit en er is te weinig culturele eenheid. De huidige economische en politieke problemen kunnen wel eens het gevolg zijn van een gebrek aan solidariteit binnen Europa. Duidelijk. Op basis van een conceptueel kader van de Finse geograaf Anssi Paasi wordt helder en uitermate theoretisch beschreven in welke fasen van het institutionaliseringsproces het mis gaat. Jammer genoeg doet de denktank niets met de constatering dat onderwijs, de afgeleide van cultuur, een nationale aangelegenheid blijft. Hierin zag de denktank One Common European History? uit 2011-2012 juist een oplossing.2 Ook wordt er aan het probleem van de linguïstic diversity binnen de EU voorbij gegaan. Moet iedere succesvolle culturele gemeenschap niet één gemeenschappelijke taal hebben? Allemaal gemiste kansen. En, ten slotte, in de oplossing die de denktank uiteindelijk vindt, Europe Day, wordt geen enkele rekening meer gehouden met de constateringen die de denktank in haar onderzoek deed. Ook jammer. Een denktank zou geen denktank zijn wanneer zij geen oplossingen bedenkt voor de uitvoerig geanalyseerde problemen. En daarom is deze denktank met Europe Day op de proppen gekomen. Dit is                                                                                                            

N. Ashlan et al., ‘Cultureel project Europa?’, Volonté Générale n˚2 (2013) 21-25. In 2011 schreef de denktank One Common European History? van de Radboud Honours Academy het artikel ‘Diversity and unity: A new way of teaching European history’. Hierin stelt de denktank voor om in geschiedenislessen op middelbare scholen meer nadruk te leggen op de historische narratieven van andere naties in Europa. Zie: ‘Diversity and unity: A new way of teaching European history’, in: N. ter Berg ed., One European political identity? Reflections on Science 2011 – 2012 (Nijmegen 2012) beschikbaar via: http://www.ru.nl/ publish/pages/656113/ru_honours_eu.pdf (geraadpleegd op 2 september 2013). 1 2

4


Volonté Générale 2013 - n°3

vreemd. In hun eigen artikel merken de denktankleden op dat culturele initiatieven in Europa vaak last hebben van een ‘artificieel karakter’. Vervolgens bedenken zij zelf een cultureel initiatief dat bol staat van de kunstmatigheid. Culturele Olympische Spelen? Gaan we sporten of schilderen? Gaat deze Europe Day het door de denktank benoemde ‘algeheel gebrek aan solidariteit’ in Europa oplossen? Met andere woorden: gaan tentoonstellingen, kookbeurzen en sportdagen ervoor zorgen dat de gemiddelde Nederlander de miljardenleningen aan Griekenland oké vindt? Ik dacht het niet. Gaat subisdie aan immaterieel cultureel erfgoed ervoor zorgen dat Groot-Brittannië ineens de euro begeert? En dan de vooroordelen waarover de denktank spreekt: worden vooroordelen niet juist versterkt door de creatie van een culturele canon voor ieder land? Volgens de denktank zou Europe Day de typische Nederlander en de typische Belg aan de typische Duitser moeten tonen. Ben ik een typische Nederlander? En heeft Nederland überhaupt wel een nationale keuken? Hier vormt zich een probleem dat ook in de theoretische analyse niet besproken wordt: dé Nederlander bestaat net zo min als dé Europeaan. Typisch Nederlandse dingen zoals schaatsen, klompen, windmolens en dijken kent men in Zuid-Limburg niet. En ook lokale of regionale identiteiten, zoals misschien de Zuid-Limburgse, bestaan helemaal niet, of zijn aan het uitsterven. In een globaliserende wereld, waarin grenzen openen, internet bestaat en ‘Europeanen’ over de hele wereld reizen, is er geen ruimte meer voor een ‘Europese cultuur’. Honderd jaar geleden had Europese culturele propaganda via symbolen, volksliederen, feestdagen en andere invented traditions nog succesvol kunnen zijn. Anno 2013 zijn Europeanen simpelweg te slim en te werelds om dit soort opzichtige propaganda te geloven. Zij bepalen hun eigen identiteit en zijn solidair met wie zij willen. In hun eigen artikel geven de denktankleden al aan dat de keuze voor Europe Day als case-study een compromis is. Het onderzoek moest immers nog van een ‘concreet karakter’ voorzien worden. Maar wanneer men na een dergelijk sterk theoretisch onderzoek slechts met een onhaalbaar, duur en bovenal nutteloos plan komt om zoiets als het Spel zonder Grenzen nieuw leven in te blazen, dan had deze concretisering beter weggelaten kunnen worden. De denktank heeft na een jaar onderzoek het probleem wel begrepen, maar de oplossing niet gevonden. Ze hebben misschien íets te lang blindgestaard op institutionaliseringprocessen, wordingstrajecten en belonging, en íets te weinig creativiteit getoond.  Eric van der Vorst (1990) is cultureel historicus en was in het collegejaar 2011-2012 lid van de denktank One Common European History? van de Radboud Honours Academy.

5


Volonté Générale 2013 - n°3

Personalized health: the doctor is watching you Brigitte Geurts Het is het jaar 2084 en de wekker gaat. Ik loop naar de badkamer en begin aan het ochtendritueel: plassen, douchen, tandenpoetsen. Een computerstem leest mijn gewicht en de testresultaten uit mijn urine en adem voor. Ik luister niet. Alles wordt toch al voor me gedaan. Ik hoor de pillen die ik vandaag blijkbaar nodig heb in het bakje vallen en slik ze zonder nadenken door. Het zijn er meer dan gisteren, blijkbaar had ik weer een of ander tekort vandaag. Een tekort aan levenslust allicht, maar ik weet niet of daar pillen voor bestaan. Als ik in de keuken kom en het luik open voor mijn ontbijt zie ik tot mijn ergernis dat de hoeveelheid eten is afgenomen. Blijkbaar ben ik nog steeds te zwaar. In anderhalve hap heb ik het smakeloze, maar ongetwijfeld zeer gezonde ontbijt op. De bel gaat. Er staat een slanke, gespierde man in de deuropening. Hij zegt: ‘Ze hebben besloten dat je deze maand een trainer krijgt, de Dokter vindt dat je meer in beweging moet komen.’ Ik trek mijn sportschoenen aan en volg de man naar buiten. Ik haat sporten, maar de Dokter zal het wel weten. En dan nog, het is niet alsof ik een keus heb… Wetenschappelijke vooruitgang wordt niet altijd als iets positiefs beschouwd. Bij veel mensen leeft een zekere angst voor wat de toekomst zal brengen op dit gebied. Science-gone-bad is een geliefd thema voor boeken en films, maar het zou in sommige gevallen zomaar een realistisch toekomstscenario kunnen zijn. Het gebied van personalized health, waarin diagnose en zorg niet zijn afgesteld op de gemiddelde bevolking maar op het individu in kwestie, ontwikkelt zich op het moment heel snel. Diagnostiek kan hierdoor in een eerder stadium en met hogere betrouwbaarheid plaatsvinden en de behandelingen kunnen beter worden afgestemd. Echter, om een afwijkende waarde accuraat te kunnen detecteren is het noodzakelijk dat er continu data van de persoon in kwestie worden verzameld. Maar willen we wel dat onze gezondheid continu in de gaten wordt gehouden?

Personalized health Vanuit vele wetenschapsdisciplines wordt er gewerkt aan betere diagnostiek en genezing van ziektes. Gezamenlijk streven we naar meer kennis over de werking van het menselijk lichaam, efficiëntere testen en betrouwbaardere resultaten. Echter, verschillen tussen individuen zijn vaak erg groot, waardoor diagnostiek lastig is. Wat ‘normale omstandigheden’ zijn van het lichaam verschilt van persoon tot persoon, en een individu vergelijken met het populatiegemiddelde leidt niet altijd tot de correcte diagnose. De huidige ontwikkelingen op het gebied van medische data-analyse sturen de diagnostiek richting de persoonlijke sfeer. Door voor ieder individu een eigen basislijn op te stellen van waarden die normaal zijn voor deze persoon, kunnen afwijkende waarden sneller en nauwkeuriger worden gevonden. Het idee van een dergelijk persoonlijk gezondheidsspectrum wordt aangeduid met personalized health of personalized medicine. Door technologische ontwikkelingen naar

6


Volonté Générale 2013 - n°3

goedkopere en kleinere meetapparatuur wordt grootschalige toepassing van personalized health een realistisch toekomstbeeld. Een toekomstscenario waarin de badkamerspiegel ’s ochtends laat zien hoe het met je gezondheid staat, is zeker niet onmogelijk.

Huidige stand van zaken Door de komst van genoomsequentietechnieken staat het concept van persoonlijke gezondheidszorg op het punt om realiteit te worden. Het genoom bestaat uit alle erfelijke informatie: het DNA. Door DNAonderzoek kan een erfelijke ziekte of een genetisch bepaalde vergrote kans op het ontwikkelen van een aandoening worden vastgesteld nog voordat een patiënt symptomen vertoont. Een voorbeeld hiervan is een mutatie van het gen BRCA1, dat kan leiden tot verhoogde kans op borsten eierstokkanker. Wanneer een vrouw weet dat ze een gemuteerd BRCA1-gen heeft, kan ze besluiten om preventief haar borsten en/of eierstokken te laten verwijderen en de kans op kanker hierdoor drastisch te verminderen. Ook wordt DNA-onderzoek toegepast bij prenatale diagnostiek, zoals een vruchtwaterpunctie om de foetus te testen op bijvoorbeeld het syndroom van Down. In pre-implantatie genetische diagnostiek voert men het genetisch onderzoek in een eerder stadium uit, door voorafgaand aan terugplaatsing in de baarmoeder een ‘genetisch gezond’ embryo te selecteren. Voor ziekten die geen directe genetische oorzaak hebben is DNAonderzoek niet voldoende, omdat factoren als leeftijd, medicatie, dieet, levensstijl en interactie met de darmflora hiermee niet zijn in te calculeren. Hiervoor moet ook het metaboloom in kaart worden gebracht: de verzameling van metabolieten in een organisme.1 Metabolieten zijn de eind- en tussenproducten van de stofwisseling, en het metaboloom is, net als het genoom, voor ieder mens uniek. De meest toegepaste methode van onderzoek waarbij metabolieten een rol spelen, is bloedonderzoek. Een bekende toepassing van bloedonderzoek is de controle van bloedsuikerspiegel bij diabetici. De patiënt meet hierbij de hoeveelheid glucose (de metaboliet in kwestie) die is opgelost in het bloed. Hiervoor is slechts een prikje in de vinger nodig en de patiënt kan dit gemakkelijk zelf doen. Dit is helaas niet voor alle bloedonderzoeken het geval, want meestal moet men toch naar het ziekenhuis om bloed te laten prikken. De uitslag laat vaak een dag op zich wachten. Bloedprikken is een invasieve onderzoeksmethode, omdat het lichaam wordt binnengedrongen. Hierom, en vanwege het feit dat bloedprikken enige scholing vereist, is bloedonderzoek niet een heel geschikte methode in het kader van personalized health. Continu meten, het liefst thuis door de persoon zelf uit te voeren, is met bloedprikken niet echt praktisch en ook niet prettig. Dit is de reden dat personalized health niet al eerder op grote schaal van de grond is gekomen. Door de ontwikkeling van urineonderzoek en ademanalyse wordt het in kaart brengen van het metaboloom mogelijk op een niet-invasieve,                                                                                                            

E. Holmes, I.D. Wilson, J.K. Nicholson, ‘Metabolic Phenotyping in Health and Disease’, Cell 134 (2008) 714-717. 1

7


Volonté Générale 2013 - n°3

makkelijk toegankelijke en betaalbare manier. Na bloed is urine momenteel de meest gebruikte biovloeistof voor medische doeleinden. De bekendste medische toepassing is de zwangerschapstest, waarbij het hormoon humaan chorion gonadotrofine (HCG) in ochtendurine wordt gemeten. Bij niet zwangere vrouwen of mannen is dit hormoon normaal gesproken niet meetbaar. De zwangerschapstest behoort tot één van de meest betrouwbare zelftesten. Ook kunnen er diverse ziekten worden vastgesteld met urineanalyse, waaronder natuurlijk nierafwijkingen en urineweginfecties, maar ook diabetes mellitus en zelfs leukemie. Een andere bekende toepassing van urineonderzoek is de dopingcontrole in de topsport. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk om door urineonderzoek het illegale gebruik van de stof epo (erytropoëtine) aan te tonen. Er zou dus best toekomst kunnen zijn voor een toilet dat ’s ochtends je urine doormeet (en de resultaten doorstuurt naar het antidopingagentschap). Dit vond het Japanse bedrijf Toto blijkbaar ook, want het produceerde in 2005 al de Intelligence Toilet I, een wc die dagelijks je suikergehalte, hartslag, bloeddruk, lichaamsvet en gewicht meet. In 2009 kwam de Intelligence Toilet II, die naast deze dingen ook de temperatuur van je urine meet (voor het bijhouden van de menstruatiecyclus) en het albumineniveau.2 Oorspronkelijk was dit soort technologie bedoeld voor patiënten met een bepaalde ziekte. Nu is het ook beschikbaar voor gewone mensen, waardoor er sneller gereageerd kan worden op onder andere diabetes en obesitas. In de toekomst kan wellicht ook het testen op drugsgebruik of zwangerschap hieraan worden toegevoegd. Op dit moment kost het toilet nog dusdanig veel dat het niet voor iedereen is weggelegd, maar onmogelijk is het dus zeker niet. Net zoals urine bevat ook adem relevante biochemische informatie, in de vorm van vele vluchtige metabolieten. Dit principe wordt al langer toegepast bij de bekende blaastesten om op alcohol te controleren, maar er zijn veel meer toepassingen van ademonderzoek denkbaar. In één adem zijn namelijk al enkele honderden stoffen te detecteren. Wat ademonderzoek gecompliceerd maakt, is dat er in totaal wel duizenden stoffen gevonden zijn in uitgeademde lucht. De diversiteit van de metabolieten in onze adem is dus ontzettend groot. Het vinden van één enkele algemene biomarker, een stof die gebruikt kan worden als indicator van bijvoorbeeld een ziekte, is dus erg moeilijk. In vergelijking met bloed- en urineonderzoek staat ademanalyse nog maar in de kinderschoenen, maar studies tonen aan dat het zeker mogelijk is om individuele verschillen te onderscheiden in uitgeademde lucht.3 Ook is er bewijs dat ziekten puur op basis van adem te diagnosticeren zijn. Denk                                                                                                             J. Mahoney, ‘Toto's Intelligence Toilet II Smartly Measures the Temperature of Your Pee, Among Other Things’, Gizmodo.com (29 december 2008), beschikbaar via: http://gizmodo.com/5119681/totos-intelligence-toilet-ii-smartly-measures-thetemperature-of-your-pee-among-other-things (geraadpleegd op 13 augustus 2013); ‘Doctor Toilet: A Home Health Measuring Centre’, Today Details. Your Online Diary (2 juli 2012), beschikbaar via: http://www.todaydetails.com/doctor-toilet-a-home-health-measuringcentre/ (geraadpleegd op 13 augustus 2013). 3 P. Martinez-Lozano Sinues, M. Kohler, R. Zenobi, ‘Human Breath Analysis May Support the Existence of Individual Metabolic Phenotypes’, Plos One 8 (2013) e59909, beschikbaar via: http://www.plosone.org/article/info:doi/10.1371/journal.pone.0059909 (geraadpleegd op 13 augutus 2013). 2

8


Volonté Générale 2013 - n°3

hierbij aan diverse bacteriële infecties en zelfs verschillende vormen van kanker.4 Door de snelle ontwikkelingen op dit gebied is het zeker dat we nog veel meer kunnen verwachten. Misschien bestaan er in de toekomst wel tandenborstels die meteen je adem doormeten om te zien of er iets afwijkends in te vinden is. Ook buiten genomisch en metabolomisch onderzoek zijn er manieren waarop personalized health tot uitdrukken kan komen. Zo ontwikkelt het bedrijf Toto een hartslagmonitor die automatisch een melding naar je dokter stuurt bij verontrustende signalen. Het bedrijf onderzoekt ook de mogelijkheden voor een applicatie voor toetsenbord of computer om verlies van cognitieve vermogens bij ouderen vast te stellen.5 Toekomstdroom of nachtmerrie? Medisch gezien is de ontwikkeling van het gebied van personalized health zonder twijfel een stap in de goede richting. Echter, wat we maar al te graag voor het gemak vergeten is dat een dergelijke verzameling van gegevens ook maatschappelijke consequenties zal hebben. Het scenario hierboven geschetst gaat wellicht wel erg ver, maar stapje voor stapje komt die toekomst dichterbij. Het lijkt niet onrealistisch dat zorgverzekeringen hun premies verlagen voor mensen die zich met grotere regelmaat laten onderzoeken en hun dokter nauwgezet op de hoogte houden van hun gezondheidstoestand. Vanaf daar is het ook niet zo’n grote stap om deze premieverschillen dusdanig groot te maken dat er bijna geen andere keus is dan meedoen met het programma van continue onderzoeken. De kritische vraag vanuit de maatschappij ‘Willen we dit eigenlijk wel?’ blijft vaak uit omdat men alleen de positieve kanten ziet. Die oogkleppen afzetten en je bewust zijn van de maatschappelijke gevolgen van nieuwe ontwikkelingen is in mijn ogen een belangrijke taak van de wetenschapper. Hoeveel vrijheid zijn we bereid op te geven voor onze gezondheid? Naar mijn mening moeten we zeker niet stoppen met streven naar efficiëntere diagnostiek en behandeling. Het kunnen volgen van (toekomstige) patiënten is een positieve ontwikkeling voor de medische wereld. Wel is het belangrijk dat we bij iedere stap bewust blijven van de mate van ‘bigbrotherificatie’ die dit met zich meebrengt. Wanneer we pas vragen gaan stellen op het moment dat de technologie zich aandient, zijn we te laat. Door bewust te zijn van de mogelijke maatschappelijke gevolgen van onze ontwikkelingen en hierop proactief te reageren, kunnen we de grens daar trekken waar wij hem ethisch gezien willen en niet daar waar de mogelijkheden van de technologie toevallig ophouden. Alleen zo kunnen we voorkomen dat personalized health van een mooie toekomstdroom uiteindelijk omslaat in een nachtmerrie.  Brigitte Geurts (1989) is promovenda Analytische Chemie aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Haar onderzoek richt zich specifiek op ademanalyse.

                                                                                                           

A.W. Boots, J.J.B.N. van Berkel, J.W. Dallinga, A. Smolinska, E.F. Wouters, F.J. van Schooten, ‘The Versatile Use of Exhaled Volatile Organic Compounds in Human Health and Disease’, Journal of Breath Research 6 (2012) 027108. 5 ‘Doctor Toilet: A Home Health Measuring Centre’. 4

9


Volonté Générale 2013 - n°3

De VVD zou links moeten stemmen Maarten de Vries De VVD wil Nederland ‘bedrijfsmatig’ besturen. Wat de partij echter niet doorheeft, is dat zij zich beroept op een achterhaalde economische visie. Juist de linkse partijen sluiten aan bij de moderne bedrijfswetenschap. Wie Nederland als een bedrijf ziet, zou dan ook links moeten stemmen. Al vijf jaar lang verkeert Nederland in zwaar weer. De ene financiële crisis volgt de andere op. De markt is krakend tot stilstand gekomen. Politiek Den Haag zoekt al jaren naar oplossingen om Nederland uit de crisis te helpen. Elke politieke partij heeft haar eigen oplossingen. In een mediawereld, waarin partijen zich met oneliners en andere kortzichtige reclameleuzen onderscheiden, profileert de VVD zich als ‘zakelijke partij’. De partij lijkt erop gericht om Nederland als een bedrijf te besturen. Dat bedrijf moet efficiënter opereren. Daartoe verzint de partij diverse financiële ‘prikkels’. Zo moet de bijstand bijvoorbeeld lager en korter, zodat de ‘uitkeringstrekkers’ geprikkeld worden om te werken. In zijn toelichting op het gedoogakkoord van 2010 stelde premier Rutte dan ook: ‘We gaan het land teruggeven aan de hardwerkende Nederlander’. Oftewel: Wil je het goed hebben, dan moet je hier zelf voor zorgen. De hardwerkende Nederlander krijgt zo wat hem of haar toebehoort. De overheid is er niet om je handje vast te houden. Je moet juist eigen verantwoordelijkheid tonen. Zo komen we uit de crisis.

Rechtse zakelijkheid

Met deze visie gaat de partij welbeschouwd terug op Frederick Taylor. In 1909 publiceerde hij zijn beroemde werk The Principles of Scientific Management, waarmee hij de grondlegger werd van het ‘wetenschappelijk management’. Hij leefde meer dan een eeuw geleden, ten tijde van de tweede industriële revolutie. Doordat de fabrieken in deze tijd steeds groter werden, ontstonden er organisatorische problemen. Vooral het management vond het erg lastig om goed toezicht te houden op de werknemers. Taylor had werktuigbouwkunde gestudeerd en was erg geïnteresseerd in de efficiëntie van het werkproces. Hij gebruikte de wetenschappelijke methode om de optimale manier te vinden voor de taken in de fabriek. In één onderzoek experimenteerde hij zo lang met het ontwerp van een schop, totdat hij een ontwerp vond waarmee werknemers meerdere uren achter elkaar graafwerkzaamheden konden vervullen. Met zijn onderzoeksmethode inspireerde Taylor enkele decennia aan onderzoek naar verbetering van het werkproces. Tijdens zijn onderzoek zag Taylor dat werknemers precies zo langzaam werkten, dat ze net niet gestraft werden. Hij stelde: ‘Er is nauwelijks een werkman die niet een aanzienlijke hoeveelheid tijd besteed aan het bestuderen van hoe langzaam hij kan werken en nog steeds zijn

10


Volonté Générale 2013 - n°3

werkgever ervan overtuigt dat hij op een goed tempo zit.’1 Taylor wilde een radicale rationalisatie van werk. Hij stelde dat het werk opgesplitst moest worden in vele stukjes werk. Iedereen kreeg zijn eigen stukje werk en van al deze stukjes werk werd het werktempo vastgelegd. Taylor berekende de tijd die nodig was om verschillende elementen van de taak uit te voeren. Zo berekende hij bij werk aan de lopende band hoeveel seconden het duurde om een bepaald schroefje aan te draaien. Hij berekende hoeveel schroefjes een werknemer per dag kon vastdraaien. Werkte deze nu langzamer, dan verdiende hij minder. Werkte hij harder, dan werd de lopende band sneller gezet en ging het loon omhoog. In Taylor’s visie werkt de werknemer voor slechts één reden: om geld te verdienen. De voornaamste oorzaak van het inefficiënt werken, was echter de ‘natuurlijke luiheid’ van de werknemer. De werknemer wil zich namelijk zo weinig mogelijk inspannen. Taylor koppelde productiviteit aan het loon van de werknemer, hierdoor werd deze uitgedaagd om zich in te spannen. Hoe krijgen we dit land uit de crisis en de werkloosheid teruggedrongen? De VVD wil dit doen met Tayloriaanse financiële prikkels. Hierbij hanteren de beleidsmakers een mensbeeld dat wel de homo economicus wordt genoemd. Dit is de rationeel naar eigen belang strevende burger. De beleidsmantra is: keuzevrijheid, eigen verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid. In deze beleidswereld is de homo economicus de persoon die koel en calculerend te werk gaat om optimaal gebruik te maken van de mogelijkheden. Beleidsmaatregelen sluiten aan op deze zelfredzaamheid. Zo wil de VVD de uitkering verkorten zodat de zelfredzaamheid van de homo economicus geprikkeld wordt, waardoor hij beseft dat hij zich beter moet inzetten voor een baan. Hawthorne-studies en Human Resource Management Na enkele decennia van Tayloriaans onderzoek, volgde een nieuw managementparadigma. Taylors uitgangspunten werden namelijk in twijfel getrokken door de zogeheten Hawthorne-studies, vernoemd naar de fabriek waar het onderzoek gedaan werd. In deze fabriek van Western Electric werd een typisch Tayloriaans onderzoek gedaan naar de efficiëntie van het werkproces. Men onderzocht hoe de intensiteit van de verlichting op de werkplaats invloed had op de productiviteit. Wat bleek: deed men de lichten feller, dan ging men harder werken, maar dimden de onderzoekers de lichten, dan ging men ook harder werken! De verlichting bleek niet van belang. Wat was het geval? Na enkele gesprekken met de betrokken werknemers bleek dat zij de belangstelling van de onderzoekers en het betrokken management ervoeren als erg motiverend en stimulerend. De werknemers hadden het gevoel dat zij erg belangrijk werk deden, zelfs zo belangrijk dat er wetenschappelijke interesse naar was. Hun werk deed                                                                                                            

F. W. Taylor, ‘Shop Management’, in: Idem, Scientific Management (New York, Londen 1911) 32-33. 1

11


Volonté Générale 2013 - n°3

ertoe. Het was de emotie, de erkenning die ze kregen, die stimulerend werkte. Deze uitkomsten waren het begin voor het Human Resource Management, een ware revolutie in bedrijfsvoering. Een uitgangspunt van deze bedrijfsvisie stelt dat mensen dus niet noodzakelijkerwijs lui zijn. Werknemers zijn best bereid harder te werken, maar ze moeten een bepaalde motivatie vinden. De werkgevers van tegenwoordig snappen tegelijk dat ze niet alle werknemers aan eigen verantwoordelijkheid moeten overlaten. Zij investeren in hun werknemers, waardoor zij productiever, gemotiveerder en meer tevreden worden. De investering is dan ook snel terugverdiend. Tegenwoordig investeren alle succesvolle bedrijven in ontwikkeling van werknemers. Het is namelijk een illusie dat de werknemer zich volledig rationeel ontwikkelt om hogerop te komen, alleen om meer geld te verdienen. Zo bieden bedrijven trainingen aan, maar wordt er ook gewerkt aan de bedrijfscultuur. Doordat bedrijven in werknemers investeren, zijn werknemers ook bereid om zich goed voor het bedrijf in te zetten. Zo komen ze samen hogerop. Samen vooruit is beter dan stilstand.

Linkse zakelijkheid Willen we Nederland bedrijfsmatig runnen, dan moeten we onthouden dat financiële prikkels niet de juiste manier zijn om dit bedrijf uit de crisis te sturen. Uit psychologisch onderzoek van het menselijk gedrag blijkt dat slechts 20 procent van de mensen fungeert als een homo economicus. De overige 80 procent van de mensheid wordt wel homo psychologicus genoemd. Deze overgrote meerderheid bestaat uit weinig initiatiefrijke personen die keuzes maken door hun intuïtie te volgen, vuistregels te gebruiken of op het oordeel van anderen af te gaan. Moeten beleidsmaatregelen succes hebben, dan dienen deze tevens te focussen op deze groep. Willen we zakelijk zijn, dan moeten we juist investeren in de samenleving. De overheid en haar burgers moeten samen verder komen. De lessen van Human Resource Management leren ons namelijk dat we verder komen wanneer we investeren in de werknemers. Door als overheid op een gelijke manier te investeren in de publieke sector versterken we de samenleving. De overheid dient meer faciliterend op te treden, terwijl goede sociale voorzieningen voorkomen dat mensen buiten de boot vallen. Het wijzen op eigen verantwoordelijkheid is tegenwoordig juist een erg gevaarlijke ‘bedrijfscultuur’. Het benadrukken van de eigen verantwoordelijkheid maakt mensen onzeker in deze tijd. Dit geeft namelijk niet aan waar de publieke verantwoordelijkheid begint, terwijl daar juist zo’n behoefte aan is. Om de woorden van Wouter Bos te gebruiken: Mensen zien en voelen dat ze het in hun eentje niet redden. Hun wordt gevraagd risico’s te nemen en te accepteren dat de wereld steeds minder zekerheden kent. Dat lukt alleen maar als ze ook zeker kunnen zijn dat er een gemeenschappelijke

12


Volonté Générale 2013 - n°3

verantwoordelijkheid is, die niemand aan zijn lot overlaat als het tegenzit.2

De uitgangspunten van zelfredzaamheid en eigen verantwoordelijkheid dienen daarom te worden vervangen. In een goed bedrijf is er ruimte voor gedeelde verantwoordelijkheid. De werkgever mag iets van de werknemer verwachten, maar dit geldt ook in de tegenovergestelde richting.

Van Rutte I naar Rutte II: Er is hoop Het rechtse kabinet Rutte-Verhagen bleek een slechte ‘werkgever’. Zijn rechtse visie is te beperkt, zeker in deze tijd, en dat zagen we terug in de praktijk bij kabinet Rutte I. Deze verlaagde de bijstand, terwijl meer mensen afhankelijk werden van de voedselbank. Sociale werkplaatsen werden gesloten, terwijl arbeidsgehandicapten nergens een andere baan konden vinden. Dit kabinet wilde niet investeren in haar burgers en hun ontwikkeling zelfs tegenwerken. Dit was terug te zien in de plannen voor de ‘langstudeerboete’. Studenten die in zichzelf wilden investeren door bijvoorbeeld een aanvullend bestuursjaar te doen, werden in hun ontwikkeling tegengewerkt. Terwijl het Nederlandse bedrijfsleven aangaf dat er juist een grote vraag is naar deze mensen. Het kabinet Rutte-Ascher lijkt een betere weg te zijn opgeslagen. Het terugdringen van de bijstand lijkt voorlopig gestopt en de langstudeerboete is van de baan. Daarnaast heeft het kabinet afspraken gemaakt met de werkgevers dat zij meer arbeidsgehandicapten in dienst zullen nemen. Als blijkt dat de belofte voor 125.000 extra banen niet wordt waargemaakt, wordt er een quotumregeling geactiveerd die werkgevers wettelijk verplicht plekken te creëren voor mensen met een arbeidsbeperking. Zo zorgen ze ervoor dat niemand tussen wal en schip valt. Linkse partijen zitten op één lijn met verstandige bedrijfsvoering: ze scheppen voorwaarden en een cultuur waarin iedereen mee kan doen. Het Human Resource Management heeft getoond dat deze benadering bij bedrijven erg succesvol is. Willen we dan ook dat ons land werkelijk als bedrijf gerund wordt? Dan hoop ik op dat de volgende CEO van Nederland B.V. van linkse huize is.  Maarten de Vries (1990) is student Scheikunde aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

                                                                                                            2

W. Bos, Dit land kan zoveel beter (5e druk; Amsterdam 2006) 133.

13


Volonté Générale 2013 - n°3

Radicalisme: Hét fundament voor geweld? Daan Weggemans Het aantal onderzoeken naar de oorzaken van terrorisme heeft de afgelopen decennia een grote vlucht genomen. 1 Centraal staat vaak de vraag: waarom wenden bepaalde personen zich tot extremisme en terrorisme? Na de bomaanslagen in Madrid (2004) en London (2005) ontwikkelde ‘radicalisering’ zich snel tot een centraal concept voor diegenen die zich bezig hielden met deze vraag. De wortels zouden te herleiden zijn wanneer we aandacht zouden besteden aan de radicalisering van de daders. De focus kwam steeds vaker te liggen op de factoren waaraan kwetsbare individuen, die zich richting extremisme hebben ontwikkeld, hebben blootgestaan. Met een groot aantal mogelijke verklarende variabelen tot gevolg. Zoals Alex Schmid stelt ‘the more researchers tried to find individual variables […] the more they found’. 2 Eén van de kritieken was echter dat in de praktijk het proces van gewelddadige radicalisering werd gereduceerd tot een religieuze of ideologische aangelegenheid waarbij toenemende religiositeit impliciet een stap richting geweld zou betekenen. Radicalisering binnen beleid werd daarom niet altijd positief ontvangen. Zo stelt Arun Kundnani: The concept of radicalisation has led to the construction of Muslim populations as ‘suspect communities’, civil rights abuses and a damaging failure to understand the nature of the political conflicts governments are involved in.3

                                                                                                           

Zie onder andere: M. Crenshaw, ‘The Causes of Terrorism’, Comparative Politics 13 (1981) 379-399; J. Ross, ‘Structural Causes of Oppositional Political Terrorism: Towards a Causal Model’, Journal of Peace Research 30 (1993) 317-329; B. Hoffman, ‘The Mind of the Terrorist: Perspectives from Social Psychology’. Psychiatric Annals 29 (1999) 337-340; A. Silke, Terrorists, Victims and Society: Psychological Perspectives on Terrorism and its Consequences (West Sussex 2003); M. Sageman, Understanding Terror Networks (Philadelphia 2004); T. Bjørgo, Root Causes of Terrorism. Myths reality and ways forward. (London 2005); F. Moghaddam, ‘The staircase to Terrorism: A Psychological Exploration’, American Psychologist 60 (2005) 161-169; A. Schmid, ‘Root Causes of Terrorism: Some conceptual notes, a set of indicators, a model’, Democracy and Security 1 (2005) 127-136; E. Bakker, ‘Jihadi terrorism in Europe. Their characteristics and the circumstances in which they joined the jihad: an exploratory study’, Netherlands Institute of International Relations Clingendael (Den Haag 2006); E. Newman, ‘Exploring the “Root Causes” of Terrorism’, Studies in Conflict and Terrorism 29 (2006) 749-772; T. Veldhuis en J. Staun, ‘Islamist radicalisation: A root cause model’, Netherlands Institute of International Relations Clingendael (Den Haag 2009); A. Schmid, Radicalisation, De-Radicalisation, Counter-Radicalisation: A Conceptual Discussion and Literature Review, International Centre for Counter-Terrorism- The Hague Expert Paper (Den Haag 2013) beschikbaar via http://www.icct.nl/download/file/ ICCT-Schmid-Radicalisation-De-Radicalisation-Counter-Radicalisation-March-2013_2.pdf (geraadpleegd op 31 augustus 2013). 2 A. Schmid,’The end of Radicalisation?’, International Centre for CounterTerrorism - The Hague (29 juli 2013) beschikbaar via http://icct.nl/publications/icct-commentaries/the-end-ofradicalisation (geraadpleegd op 31 augustus 2013). 3 A. Kundnani,‘Radicalisation: the journey of a concept’, Race & Class 54 (2012) 2-25, aldaar 3. 1

14


Volonté Générale 2013 - n°3

Faiza Patel geeft het voorbeeld van een FBI agent die verklaarde dat ‘he was sent to mosques to find out what the Muslim community was saying and doing rather than to uncover particular criminal or terrorist activity.’4 Ook na de aanslag in het Britse Woolwich van 22 mei 2013, waar een militair om het leven werd gebracht met een machete, verschoof de focus van de discussie al snel richting de radicale ideologie van de daders.5 De voorgestelde maatregelen naar aanleiding van de aanslagen in Boston en Woolwich lijken zich in veel gevallen te richten op het aanpakken van radicale uitingen. Er werd onder andere gepleit voor het verbieden van ‘radicale websites’ en het sluiten van moskeeën die er in het verleden voor zouden hebben gezorgd dat mensen zich tot terrorisme gewend zouden hebben.6 In dit artikel wil ik beargumenteren dat individuen geen terrorist worden door te kijken naar enkele YouTube filmpjes of het bezoeken van radicale websites. Opvattingen dat voornamelijk radicale ideeën en ideologieën het begin vormen van een weg die eindigt in een terroristische daad, zijn in veel gevallen niet het beste startpunt voor het zoeken naar een verklaring voor de kwestie waarom iemand een aanslag heeft gepleegd of in een terroristische organisatie is beland. Er zijn inderdaad personen die ideologisch radicaliseerden alvorens zij in aanraking kwamen met extremisme of terrorisme. Echter, velen ontwikkelden pas in een later stadium – bijvoorbeeld nadat zij zich in een extremistische omgeving bevonden – radicale denkbeelden. Ook zal het grootste deel van de personen met radicale overtuigingen nooit een aanslag plegen. Beleid en onderzoek gericht op het herkennen en voorkomen van terrorisme en extremisme dient daarom ook een bredere focus dan alleen radicalisme te hebben om effectief te kunnen zijn.

Radicalisme en Radicalisering Ondanks dat het onderzoek naar (de-)radicalisering nog jong is, heeft het zich ontwikkeld tot een belangrijke schakel in studies naar oorzaken van extremisme en terrorisme. Toch is radicalisering een controversieel concept. Rik Coolsaet beschreef radicalisering als ‘ill-defined, complex and                                                                                                             4 F. Patel, Rethinking Radicalisation, Brennan Center for Justice (New York 2011) beschikbaar via http://brennan.3cdn.net/f737600b433d98d25e_6pm6beukt.pdf (geraadpleegd op 31 augustus 2013. 5 T. Blair,’The ideology behind Lee Rigby’s murder is profound and dangerous. Why don’t we admit it?: Tony Blair launches a brave assault on Muslim extremism after Woolwich attack’, Daily Mail (2 juni 2013) beschikbaar via: http://www.dailymail.co.uk/debate/article2334560/The-ideology-Lee-Rigbys-murder-profound-dangerous-Why-dont-admit--TonyBlair-launches-brave-assault-Muslim-extremism-Woolwich-attack.html (geraadpleegd op 31 augustus 2013). 6 P. Dominiczak, ‘Woolwich attack: We must tackle hate preaching over the internet, security experts say’, The Telegraph (23 mei 2013) beschikbaar via: http://www.telegraph.co.uk/news/uknews/terrorism-in-the-uk/10075306/Woolwichattack-We-must-tackle-hate-preaching-over-the-internet-security-experts-say.html (geraadpleegd op 31 augustus 2013); ‘Woolwich murder probe: ‘Thousands’ at risk of radicalization, says Theresa May’, BBC News UK (26 mei 2013) beschikbaar via: http://www.bbc.co.uk/news/uk-22671619 (geraadpleegd op 31 augustus 2013); S. Siddiqui en J. Kaleem, ‘Muslims focus on online extremism, radicalization after Boston bombings’, The Huffington Post (6 april 2013) beschikbaar via: http://www.huffingtonpost.com/2013/06/04/muslims-online-extremism-radicalizationboston_n_3380159.html (geraadpleegd op 31 augustus 2013).

15


Volonté Générale 2013 - n°3

controversial’,7 Alex Schmid kon op basis van de vele bestaande definities niet anders concluderen dat radicalisering een ‘problematic concept’ is.8 Onderzoeker en oud CIA officier Marc Sageman verwierp het concept zelfs in zijn geheel: ‘the notion that there is any serious process called 'radicalisation', or indoctrination, is really a mistake.’9 Ook John Horgan stelde in het populaire magazine Rolling Stone: ‘the idea that radicalisation causes terrorism is perhaps the greatest myth alive today in terrorism research.’10 De discussies over de bruikbaarheid van het concept radicalisering hangen deels samen met de diverse invullingen die verschillende onderzoekers en organisaties eraan geven. Zo bestaat er een groot aantal definities van radicalisering. 11 Een belangrijk aspect van radicalisering impliceert een ontwikkeling die uiteindelijk leidt tot het verwerven van bepaalde overtuigingen die terrorisme als middel legitimeren. Voor anderen gaat het om het daadwerkelijk betrokken raken bij terrorisme, of tenminste de wens om daadwerkelijk betrokken te zijn.12 In zijn simpelste vorm verwijst radicalisering naar een proces van radicaler worden. Men ervaart een steeds sterkere verbondenheid tot een politieke of religieuze ideologie die ingaat tegen het (politieke) systeem. Radicalisme is daarmee sterk afhankelijk van een context. Wat in Nederland als radicaal wordt beschouwd, hoeft in andere landen niet zo opgevat te worden. En wat in het verleden een uiting was van radicalisme kan tegenwoordig volledig in lijn zijn met de heersende opvattingen. Bij het proces van radicalisering gaat het daarom om mensen die in een bepaalde periode steeds sterkere ideeën en opvattingen aanhangen die haaks op de huidige sociale of politieke status quo binnen een bepaalde samenleving staan en daar eventueel – door middel van geweld - naar zouden kunnen handelen. Binnen terrorismestudies wordt radicalisering vaak toegepast in relatie tot het idee dat iemand niet van het ene op het andere moment                                                                                                            

R. Coolsaet, Jihadi Terrorism and the Radicalisation Challenge: European and American Experience (Farnham 2011) 240. 8 A. Schmid, ‘Root Causes of Terrorism’, 5. 9 M. Hasan, ‘Woolwich attack: Overreacting to extremism ‘could bring back Al Qaeda’ Ex CIA Officer Warns’, The Huffington Post (28 mei 2013) beschikbaar via via http://www.huffingtonpost.co.uk/2013/05/27/ sageman-interview_n_3342206.html (geraadpleegd op 31 augustus 2013). 10 J. Horgan,’ Everthing you’ve been told about radicalization is wrong’, RollingStone Magazine (31 juli 2013) beschikbaar via http://www.rollingstone.com/politics/news/everything-youvebeen-told-about-radicalization-is-wrong-20130506 (geraadpleegd op 31 augustus 2013). 11 Zie onder andere: Van dawa tot Jihad. Over de diverse dreigingen van de radicale islam tegen de democratische rechtsorde, Nota Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Den Haag 2004); F. Demant e.a., Terruggang en uittreding. Processen van deradicalisering ontleed, Rapport Institute for Migration and Ethnic Studies (Amsterdam 2008); O. Ashour, The DeRadicalisation of Jihadists: Transforming armed Islamist movement (London 2009); J. Horgan en K. Braddock,‘Rehabilitating the Terrorists? Challenges in Assessing the Effectiveness of Deradicalisation Programs’ Terrorism and Political Violence 22 (2010) 267-291;A. Schmid, ‘Glossary and Abbreviations of Terms and Concepts Relating to Terrorism and Counter Terrorism’, in: A. Schmid (ed.), The Routledge Handbook of Terrorism Research (London 2011) 678-79; J. Sinai, ‘Radicalisation into Extremism and Terrorism’, Intelligencer: Journal of U.S. Intelligence Studies 19 (Washington 2012) 21-24, aldaar 21. 12 J. Horgan, ‘The end of radicalization?���, National Consortium for the Study of Terrorism and Responses to Terrorism (25 juni 2012) beschikbaar via: http://www.start.umd.edu/start/ announcements/announcement.asp?id=416 (geraadpleegd op 31 augustus 2013). 7

16


Volonté Générale 2013 - n°3

besluit een aanslag te plegen. Peter Neumann beschreef radicalisering daarom ooit als dat ‘what goes on before the bomb goes off.’13 Voordat – vaak jonge – personen een aanslag plegen, zouden zij een proces hebben doorlopen waarbij het vertrouwen in het systeem afneemt, men zichzelf steeds minder een onderdeel voelt van de samenleving en zich steeds verder terugtrekt in de eigen groep.14 Demant, Slootman, Buijs en Tillie noemen radicalisering een proces van ‘delegitimatie’. Het (politieke) systeem wordt met een bepaalde ideologie door de radicaliserende persoon steeds meer en vaker ter discussie gesteld. De mensen die in hun ogen deel uitmaken van dit systeem worden als minderwaardig en als vijanden beschouwd. In dit proces ontstaat een groeiend verlangen om het systeem te veranderen.15 Het ‘eindstation’ – dat door velen nooit wordt bereikt – van dit proces van radicalisering, is extremisme. Bij extremisme zet het individu het verlangen om het systeem te veranderen om in gewelddadige acties.

Radicalisme is geen voldoende voorwaarde voor toetreding De term radicalisering suggereert dat radicalisme voorafgaat aan een gewelddadige daad. Met andere woorden: dat er een relatie zou bestaan tussen het hebben en verder ontwikkelen van radicale gedachten, en het plegen van extremistische daden. 16 Dit zou een veel te gesimplificeerd beeld geven van de werkelijkheid. Radicalisme in deze vorm veronderstelt een bijna lineaire voortgang waarbij de gedachten gaandeweg radicaler worden en zich ontwikkelen in de richting van een gewelddadig slotakkoord. Er bestaat geen standaardroute die een persoon volgt voor het plegen van een gewelddadige daad. Een persoon ontwikkelt zich tijdens veel verschillende fasen tot extremist of terrorist, waarbij een radicale ideologie afwisselend een grotere of minder grote rol kan spelen. Voorafgaand aan een terroristische daad ontwikkelen zich naast een radicale ideologie veel meer complexere processen. Een slechts algemene observatie van radicale ideologieën of religies bij terroristen is nietszeggend. Want, zoals John Horgan stelt, ‘the overwhelming majority of people who hold radical beliefs do not engage in violence.’17 Daarnaast worden de grenzen van de democratie overschreden wanneer we stellen dat radicale of orthodoxe denkbeelden voornamelijk beschouwd dienen te worden als mogelijke voortekenen van extremisme. Het hebben van opvattingen die niet aansluiten bij een politiek systeem an sich is niet tegen de wet – en zelfs wanneer dit wel het geval is, vormt de mogelijkheid tot het betwisten van heersende idealen een essentieel                                                                                                             13 P. Neumann, ‘Introduction’, in: P. Neumann, J. Stoil en D. Esfandiary ed., Perspectives on radicalisation and political violence: papers from the first International Conference on Radicalisation and Political Violence (London 2008) 4 14 Demant e.a., Teruggang en uittreding, 4-5. 15 Ibidem. 16 Zie bijvoorbeeld: Horgan,’ Everthing you’ve been told about radicalization is wrong’; A. Akbar, Journey into America: the Challenge of Islam (Washington DC 2010); ‘Muslim Americans: No Sign of Growth in Alienation or Support for Extremism’, PewResearch Center (25 juli 2013) beschikbaar via: http://www.people-press.org/2011/08/30/muslim-americans-no-signs-ofgrowth-in-alienation-or-support-for-extremism/ (geraadpleegd op 31 augustus 2013). 17 Ibidem.

17


Volonté Générale 2013 - n°3

onderdeel van de moderne democratie en basis voor vooruitgang.18 Het problematische aspect van deze opvatting van radicalisme in relatie tot gewelddadige radicalisering hangt daarmee vooral samen met de relatie tot radicalisme als legitieme - democratische - uiting. Rik Coolsaet en de European Commissions Expert Group on Radicalisation stelden daarom dat voor de bruikbaarheid van het concept radicalisering binnen veiligheidsstudies er een onderscheid gemaakt dient te worden tussen religieuze orthodoxie en politieke radicalisering. 19 Religieuze orthodoxie hangt samen met het zoeken en streven naar een bepaalde identiteit. Dit betekent niet dat er aan deze vorm van radicalisme geen problemen kleven. Voor overheden kan zij met name problematisch zijn in relatie tot bijvoorbeeld de sociale cohesie binnen een samenleving wanneer deze radicalisering tot afzondering en (zelf-) uitsluiting van bepaalde groepen leidt. 20 Echter moeten deze problemen niet worden benaderd vanuit een contra-terrorismeperspectief. Religieuze orthodoxie kan zich, in de meeste gevallen, tegen bestaande sociale en politieke normen keren en zelfs actief nastreven deze te veranderen maar leidt niet, op zichzelf, tot geweld. Sommige Salafistische groepen keuren het gebruik van geweld af en trachten veranderingen te bereiken via bijvoorbeeld de politiek of het verspreiden van het geloof (dawah) om zo meer steun te vergaren voor hun idealen.21 Radicalisme moet daarom niet gelijkgesteld worden aan extremisme. Een beter startpunt bij een analyse van een proces van radicalisering in de richting van geweld volgt uit andere factoren, zoals de toenemende percepties van onrechtvaardigheid of specifieke sociale processen. Bedreigingen voor de veiligheid hangen samen met een politieke radicalisering die start met een idee of gevoel van onrecht waar sommigen zich, na een proces richting extremisme, in het uiterste geval met geweld tegen willen verzetten.22 Dit onrecht hoeft niet objectief vast zijn te stellen zolang het individu het beschouwd als zijnde ‘echt’. Kenan Malik omschrijft het proces van politieke radicalisering als volgt:                                                                                                            

18 Een idee waar ook John Stuart Mill zich reeds in 1859 ook over uitsprak: J.S. Mill,’On Libery’ (London 1859), in: M. Morgan, Classics of Moral and Political Theory (Indianapolis IN 2011). 19 Coolsaet, Jihadi Terrorism and the Radicalisation Challenge, 261; European Commissions Expert Group on Violent Radicalisation, Radicalisation processes leading to acts of terrorism, Rapport aangeboden aan de Europese Commissie (15 mei 2008) 9, beschikbaar via: http://www.clingendael.nl/sites/default/files/20080500_cscp_report_vries.pdf (geraadpleegd op 31 augustus 2013). 20 Ibidem. 21 Coolsaet, Jihadi Terrorism and the Radicalisation Challenge, 261; European Commissions Expert Group on Violent Radicalisation, Radicalisation processes leading to acts of terrorism, 9; I. Roex, S. Stiphout en J. Tillie, Salafisme in Nederland. Aard, omvang en dreiging, Rapport voor de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding (Amsterdam 2013) bescikbaar via: http://dare.uva.nl/document/350394 (geraadpleegd 31 augustus 2013). 22 Zie onder andere: Coolsaet, Jihadi Terrorism and the Radicalisation Challenge, 261; Transnational Terrorism, Security and the Rule of Law, ‘Concepts of Terrorism. Analysis of the rise, decline, trends and risk’ (Brussel 2008) 18, beschikbaar via: http://www.transnationalterrorism.eu/tekst/publications/ WP3%20Del%205.pdf (geraadpleegd op 31 augustus 2013); Moghaddam, ‘The staircase to Terrorism’.

18


Volonté Générale 2013 - n°3

The real starting point for the making of a homegrown jihadi […] is social disengagement, a sense of estrangement from, resentment of, Western society. It is because they have already rejected mainstream culture, ideas and norms that some Muslims search for an alternative vision of the world. It is not surprising that many jihadis are either converts to Islam, or Muslims who discovered their faith only relatively late. In both cases, disenchantment with what else is on offer has led them to the black and white moral code that is Islamism. It is not, in other words, a question of being ‘groomed’ or ‘indoctrinated’ but of losing faith in mainstream moral frameworks and searching for an alternative.23

Deze aanwezigheid van gevoelens van vernedering en onzekerheid binnen een bepaalde samenleving, of delen van een samenleving, biedt daarmee een voedingsbodem voor politieke radicalisering. Dit blijkt ook uit verschillende bibliografieën van (voormalige) terroristen.24 Tegelijkertijd is het niet zo dat diepe sociale scheidslijnen binnen een samenleving een grotere kans op terrorisme oplevert. Vaker blijkt dat ongenoegen in een bepaalde groep, die zelf het heft in handen nemen in naam van een groter deel van de samenleving, zich onvoldoende van hun plicht bewust zijn of hiertoe niet in staat zijn.25 Het bovenstaande onderscheid tussen religieuze orthodoxie en politieke radicalisering helpt te voorkomen dat elke religieuze of ideologische uiting wordt bestempeld als potentieel gevaar voor de samenleving en orthodoxe religieuze gemeenschappen automatisch onderdeel worden van een proces van securitisering. Wanneer allerlei verschillende religieuze verschijningen en uitingen – van nikab tot baarddracht en Salafistische moskeeën tot gewelddadig extremisme – worden gereduceerd tot indicatoren van radicalisme en potentieel gevaar voor een samenleving, dan verliest het concept radicalisering, tenminste binnen veiligheidsstudies, al zijn verklarende kracht.26

Radicalisme is geen noodzakelijke voorwaarde voor toetreding Naast de grotere politieke sociale en religieuze redenen van extremisten – zoals woede om sociale verhoudingen of buitenlands beleid – bestaan er veel kleinere, verborgen motivaties die een wellicht nog grotere rol hebben gespeeld. Uit de cases waarbij radicalisering uiteindelijk heeft geleid tot geweld blijkt dat hiervoor niet één of een beperkt aantal oorzaken valt te                                                                                                             23 K. Malik, ‘Myths of Radicalisation’, Wordpress Blog Kenan Malik (3 juni 2013) beschikbaar via: http://kenanmalik.wordpress.com/2013/06/02/myths-of-radicalisation/ (geraadpleegd 31 augustus 2013). 24 K. Christmann, Preventing Religious Radicalisation and Violent Extremism. A systematic review of research evidence, Rapport Youth Justice Board (London 2012) 42, beschikbaar via: http://www.justice.gov.uk/ downloads/publications/research-and-analysis/yjb/preventing-violent-extremism-systematicreview.pdf (geraadpleegd op 31 augustus 2013). 25 M. Crenshaw, ‘The causes of terrorism’, in: J. Horgan, en K. Braddock ed., Terrorism Studies (New York 2012) 99-114, aldaar 111. 26 Coolsaet, Jihadi Terrorism and the Radicalisation Challenge, 260.

19


Volonté Générale 2013 - n°3

destilleren. Extremisme en terrorisme zijn altijd de uitkomst van ontwikkelingen op individueel-, groeps- en maatschappelijk niveau. De focus op het hebben of ontwikkelen van een bepaalde radicale ideologie en de aanwezigheid van een gevoel van onrecht moet worden gecomplementeerd met aandacht voor de ontwikkelingen op deze niveaus. Er bestaan altijd een groot aantal verschillende omstandigheden en omgevingen die toetreding tot een extremistische organisatie kunnen faciliteren of tegenhouden. Zo kunnen persoonlijke ervaringen en eigenschappen, sociale relaties – of het gebrek hieraan –, groepsdynamiek en socialisatie binnen een gewelddadige omgeving kunnen een belangrijke rol spelen bij de uiteindelijke radicalisering tot extremist of terrorist.27 Er is steeds meer bewijs dat individuen die deelnemen aan extremistische organisaties niet noodzakelijk radicale beweegredenen hebben voor hun lidmaatschap. Tore Bjørgo deed onderzoek naar jongeren in extreemrechtse organisaties in Denemarken, Noorwegen en Zweden en ontdekte dat zij bij toetreding zelden sterke ideologische motieven hadden voor hun keuze. 28 Jamie Bartlett bevestigt dat dit beperkte ideologische fundament ook onder sommige jihadi’s bestaat: ‘many young home-grown al-Qaeda terrorists are not attracted by religion or ideology alone – often their knowledge of Islamist theology is waferthin and superficial – but also the glamour and excitement that al-Qaeda type groups purports to offer.’29 Het besluit om toe te treden tot extremistische organisatie hangt vaak samen met andere zaken: zo bestaat er bij sommigen de wens van bescherming tegen anderen. Andere mensen sloten zich in het verleden bij deze formaties aan vanwege hun behoefte aan bepaalde vriendschappen, om hun thuissituatie te ontvluchten of vanwege de spanning of status die lidmaatschap met zich mee zou brengen. In andere gevallen biedt een extremistische organisatie zingeving.30 Hierbinnen kan vindt men gelijkgestemden met wie politiek ongenoegen of ervaringen van onrecht gedeeld kan worden. De ideologische component die in dit artikel centraal staat, ontwikkelde zich bij veel jongeren vaak pas later als rationalisering voor hun (mogelijke) daden.

                                                                                                           

27 Zie onder andere: M. Sageman, zie voetnoot 1; P. Nesser,‘Joining jihadi terrorist cells in Europe: Exploring motivational aspects of recruitment and radicalisation’, in: M. Ranstorp ed., Understanding Violent Radicalisation: Terrorist and Jihadist Movements in Europe (London 2010) 108-109; Crenshaw, ‘The causes of terrorism’; Schmid, ‘Root Causes of Terrorism’, 15. 28 T, Bjørgo, Racist and right-wing violence in Scandinavia: patterns, perpetrators and responses (Oslo 1997). 29 Horgan,’ Everthing you’ve been told about radicalization is wrong’; J. Bartlett, J. Birdwell en M. King, The edge of Violence. A radicalization approach to extremism, Publicatie Demos Think Tank (Londen 2010) beschikbaar via: http://www.demos.co.uk/files/Edge_of_Violence__web.pdf?1271346195 (geraadpleegd 31 augustus 2013). 30 Zie bijvoorbeeld: C. McCauley en S. Moskalenko,‘ Individual and Group Mechanisms of Radicalisation’, in S. Canna ed., Protecting the Homeland from International and Domestic Terrorism Threats: Current Multi-Disciplinary Perspectives on Root Causes, the Role of Ideology, and Programs for Counter-radicalisation and Disengagement’ (Baltimore 2011) 89; A. Aly,’ The role of religion in radicalization of violent Islamist extremism’, Extremis Project (8 januari 2013) beschikbaar via: http://extremisproject.org/2013/01/the-role-of-religion-in-radicalisation-to-violent-islamistextremism/ (geraadpleegd op 31 augustus 2013); Schmid, ‘Root Causes of Terrorism’, 28.

20


Volonté Générale 2013 - n°3

De plaats van ideologie in het proces van gewelddadige radicalisering Over de exacte rol van ideologie tijdens gewelddadige radicalisering bestaat veel discussie en er zullen nog veel onderzoeken moeten plaatsvinden voordat alle vragen die hiermee samenhangen kunnen worden beantwoord. Er zal hier kort op een aantal conclusies worden ingegaan. Ten eerste functioneert ideologie bij de radicalisering als een rechtvaardiging voor de stap waarin politiek extremisme daadwerkelijk in geweld wordt omgezet. Morele bezwaren kunnen op deze wijze worden overkomen. Wanneer er geen passende rechtvaardiging bestaat voor het feit dat onschuldige personen het slachtoffer zouden (kunnen) worden van hun daden, ontwikkelen zij volgens Coolsaet zelf een ‘cut-and-paste ideology/religon’.31 Deze geeft hun daden inhoud en betekenis en helpt het individu geloven dat hun beweging of daden juist zijn en legitimeert, of verplicht zelfs, het gebruik van geweld. Daarnaast versterkt een ideologie percepties van een onderscheid tussen de eigen groep en andere groepen. Het verwerpt de status van de ander als zijnde gelijkwaardig. Enerzijds zorgt dit voor een sterkere binding met de eigen groep of de eigen idealen. Een sterk narratief dat bepaalde percepties van maatschappelijk onrecht in een ideologisch kader kan plaatsen (injustice frames), kan voor personen met bepaalde zingevingvragen of sterke gevoelens van onrecht zeer tot de verbeelding spreken. Een ideologie kan op die manier helpen de wereld die als onrechtvaardig wordt beschouwd, te classificeren aan de hand van duidelijke concepten van juist en onjuist en een bepaalde handelingswijze voorschrijven. Voor sommigen kan dit een grote aantrekkende werking hebben richting extremisme en kan voor diegenen, die zich reeds in een extremistische omgeving bevinden, ervoor zorgen dat zij deze niet zullen verlaten. Anderzijds verlaagt ideologie door het wij-zij denken ook de drempel voor het gebruik van geweld tegen leden van de andere groep als gevolg van hun status als zijnde minderwaardig. Op basis van het idee dat de sociale omgevingen van het radicaliserende individu – al dan niet in combinatie met een bepaald gevoel van onrecht – en de ideologie zich pas later ontwikkelt, hebben verschillende auteurs geconcludeerd dat sommigen onder andere omstandigheden zich net zo goed bij een andere extremistische organisatie, een criminele bende of zelfs het leger hadden kunnen aansluiten. Zo stelt Oliver Roy bijvoorbeeld dat diegenen nu die worden gerekruteerd door Al Qaida ‘probably would have joined radical left- (or right) wing groups some 30 years ago.’32 Het BBC programma Panorama berichtte onlangs dat één van de verdachten van de aanslagen in Boston in het bezit zou zijn geweest van extreemrechtse publicaties. Ook zou hij volgens een woordvoerder van de moskee die hij bezocht een ‘gelegenheidsmoslim’ zijn die daarnaast volgens vrienden veel wiet rookte.33 Dit sluit direct aan bij de hierboven                                                                                                            

Coolsaet, Jihadi Terrorism and the Radicalisation Challenge, 261. O. Roy, ‘Al-Qaeda: A True Global Movement’, in: R. Coolsaet (2011) Jihadi Terrorism and the Radicalisation Challenge: European and American Experience (Farnham 2011) 19-26, aldaar 22. 33 H. Anderson, ‘Tamerlan Tsarnaev had right-wing extremist literature’, BBC News Uk (5 augustus 2013) beschikbaar via http://www.bbc.co.uk/news/world-us-canada-23541341 (geraadpleegd op 31 augustus 2013). 31 32

21


Volonté Générale 2013 - n°3

beschreven ideeën over de mogelijke rol van (percepties van) politiek onrecht, ideologieën en sociale contexten bij radicaliseringsprocessen.

Conclusie

Een belangrijke conclusie van Martha Crenshaw over de vraag waarom iemand zich wendt tot terrorisme luidt: ‘many individuals are potential terrorists, but few actually make that commitment.’ 34 De wijze waarop personen zich in het verleden richting extremisme en terrorisme hebben ontwikkeld, zijn zeer divers. De rol van een radicale ideologie, het narratief, binnen dit proces van radicalisering mag hierbij niet worden onderschat. Het is onjuist om te veronderstellen dat radicalisme hét fundament voor terrorisme vormt. Er zijn bijvoorbeeld voldoende voorbeelden van personen waarbij radicale denkbeelden zich pas ontwikkelden nadat zij zich in extremistische omgeving bevonden of van radicalen die nooit geweld zullen gebruiken. Het bewust zijn van dit onderscheid helpt bij het pogen te voorkomen van terroristische aanslagen dat we te maken krijgen met grote aantallen valse positieven: orthodoxe gelovigen die geen terrorist zijn maar wel radicale denkbeelden hebben. Het concept van radicalisering dient daarom losgekoppeld te worden van radicalisme. Het blijft daarmee een proces van groeiende acceptatie van, en mogelijke betrokkenheid bij, geweld als middel tegen het bestaande systeem of specifieke vertegenwoordigers hiervan. Maar binnen deze opvatting moet er aandacht zijn voor de centrale rol die sociale omgevingen en contexten spelen, de politieke motivaties van deze personen en de wijze waarop bepaalde ideologieën desgewenst door de personen in kwestie kunnen worden gemodelleerd.  Daan Weggemans (1986) is onderzoeker bij het Centrum voor Terrorisme en Contraterrorisme (CTC) van de Universiteit Leiden.

                                                                                                            34

Crenshaw, ‘The causes of terrorism’, 111. 22


Volonté Générale 2013 - n°3

Het interculturele cabaret en de invloed ervan op interetnische relaties Linda Fernandez Beiro De afgelopen jaren is de Nederlandse bevolkingssamenstelling sterk veranderd door de komst van verschillende groepen migranten. Het heeft geleid tot een cultureel diverse samenleving, met nieuwe inzichten maar ook nieuwe problemen. Er wordt op verschillende manieren met deze problemen omgegaan: politici polderen erover en cabaretiers maken er grappen over. Terwijl de multiculturele samenleving voor de Nederlandse burgers steeds gewoner werd, kwam er een eerste generatie allochtone cabaretiers op. Het cabaret werd echter niet alleen veranderd door deze cabaretiers, maar ook door autochtone cabaretiers als Hans Teeuwen en Theo Maassen die migranten voor het eerst een rol lieten spelen in hun voorstellingen.1 De opkomst van het interculturele cabaret was een feit. Intercultureel cabaret wordt vaak omschreven als cabaret waarin allochtone cabaretiers een rol spelen. Hierbij wordt echter buiten beschouwing gelaten dat er ook autochtone cabaretiers zijn die de culturele diversiteit als thema voor hun theaterprogramma kiezen en andersom zijn er ook enkele allochtone cabaretiers die dit juist weigeren te doen. Het doel van het interculturele theater is met name om interculturele communicatie te stimuleren en het publiek te laten nadenken over wat er gebeurt in een cultureel diverse samenleving.2 Het intercultureel cabaret kan omschreven worden als een vorm van cabaret waarbij de thematiek van culturele diversiteit wordt gebruikt als onderwerp van het programma, zij het door autochtone of allochtone cabaretiers. De cabaretier Najib Amhali, naar eigen zeggen, de Marokkaan uit de Jordaan, wist vorig jaar als eerste cabaretier het Ziggo Dome in Amsterdam vol te krijgen met zijn show ‘Alles komt goed’. Opvallend was de samenstelling van het publiek: jong en oud, man en vrouw en met verschillende culturele achtergronden. Dit riep de volgende vraag op: als het Najib Amhali lukt al deze mensen bij elkaar te krijgen en samen te laten lachen, welke invloed kan het interculturele cabaret dan hebben op de relaties tussen diverse etnische groepen in onze samenleving?

De invloed van het interculturele cabaret op de wederzijdse beeldvorming Door de toestroom van migranten naar ons land kwamen mensen met verschillende culturele achtergronden samen te leven. Gijsberts en Dagevos lieten in 2004 al zien dat de onderlinge beeldvorming tussen deze groepen niet altijd even positief is. 3 De denkbeelden die verschillende etnische groepen over elkaar hebben zijn vaak gebaseerd op                                                                                                            

T. Niemantsverdriet en P van Wiechen, ‘Cabaretiers over de grenzen van de humor’, Vrij Nederland (21 oktober 2006). 2 M. K. Veenman, Hoe gekleurd wil je het hebben? Over interculturele communicatie en culturele diversiteit in Utrechtse culturele instellingen, Bachelorscriptie Hogeschool Utrecht (2008) 3 M. Gijsberts en J. Dagevos, ‘Concentratie en wederzijdse beeldvorming tussen autochtonen en allochtonen’, Migrantenstudies 20 (2004) 145 – 168. 1

23


Volonté Générale 2013 - n°3

stereotyperingen. Een stereotype is de benadrukking van een bepaald kenmerk van een groep en het toeschrijven van dit kenmerk aan alle leden van die groep. Positieve kenmerken die door autochtone Nederlanders aan leden van etnische minderheidsgroepen worden toegeschreven zijn dat ze gastvrij, beleefd en vriendelijk zijn. Daartegenover staan echter negatievere kenmerken als minder netjes, verdraagzaam, hulpvaardig en eerlijk. Etnische minderheden lijken over het algemeen iets positiever te zijn over de autochtone Nederlanders dan omgekeerd. Positieve eigenschappen die aan autochtonen worden toegeschreven zijn vriendelijk, gezellig, netjes en hulpvaardig. Negatieve eigenschappen zijn dat autochtonen als niet erg gastvrij, minder verdraagzaam en niet zo beleefd worden gezien. Evenals de wederzijdse beeldvorming zijn ook etnische grappen vaak gebaseerd op stereotyperingen. Etnische grappen zijn grappen over etnische groepen en hebben als kenmerk dat ze korter zijn dan andere grappen. Het is vaak genoeg om even de grens over te steken van wat gezegd kan worden en wat niet. Het maken van etnische grappen was tot de jaren 1990 taboe in Nederland.4 Veel cabaretiers durfden lange tijd niet het etnische thema als onderwerp van hun grappen te gebruiken. Een omslag in de taboesfeer over etnische grappen was de opkomst van stand up comedy in Nederland, en met name de oprichting van de Comedytrain.5 De Comedytrain bleek een aantrekkelijke plaats te zijn voor jonge comedians van buitenlandse afkomst. Eric van Sauers, Najib Amhali, Howard Komproe en Roué Verveer zijn voorbeelden hiervan. Deze comedians presenteerden zich graag als leden van een minderheid. Dit gold niet alleen voor de cabaretiers van buitenlandse afkomst, maar ook voor cabaretiers als Hans Teeuwen en Theo Maassen die hun Brabantse accent maar al te graag inzetten. Door middel van etnische grappen probeerden de comedians bestaande vooroordelen te ontkrachten door ze belachelijk te maken.6 De vraag is welke rol deze grappen alswel de opkomst van het intercultureel cabaret kunnen spelen in de wederzijdse beeldvorming tussen verschillende etnische groeperingen in Nederland. Humor zet mensen aan het denken. In het interculturele cabaret wordt dit gedaan door verschillende culturele groepen met elkaar te confronteren. Wat cabaretiers binnen het interculturele cabaret proberen te doen, komt sterk overeen met wat antropologen trachten te bereiken: het bekende onbekend maken en het onbekende bekend. Shadid is van mening dat positieve interculturele communicatie tussen verschillende etnische groepen niet kan ontstaan wanneer de wederzijds beeldvorming voornamelijk gebaseerd is op generalisaties en vooroordelen.7 Om verschillende etnische groepen dichter bij elkaar te brengen is het belangrijk aandacht te besteden aan die wederzijdse beeldvorming, en met name aan de aanwezige vooroordelen en generalisaties.                                                                                                            

M. Meijer, ‘7 september 1990. De eerste Comedynight in het Anthonytheater in Amsterdam. De minderheid aan de macht in de Comedytrain’, in: R. Buikema, en M. Meijer. Cultuur en migratie in Nederland. Kunsten in beweging 1980-2000 (Den Haag 2004). 5 Niemantsverdriet en Van Wiechen, ‘Cabaretiers over de grenzen van de humor’. 6 Meijer, ‘7 september 1990’. 7 W. A. R. Shadid, Beeldvorming: de verborgen dimensie bij interculturele communicatie (Tilburg 1994). 4

24


Volonté Générale 2013 - n°3

Van Heuven laat zien hoe het interculturele cabaret van Najib Amhali omgaat met het heersende wij-zij denken.8 Najib Amhali probeert hier mee om te gaan door culturen met elkaar in botsing te brengen. Volgens van Heuven is het belangrijk op te merken dat de allochtone cabaretier niet alleen een andere culturele achtergrond heeft maar ook een Nederlandse. Er is vaak sprake van meervoudige culturele identificaties. Identificatie kan omschreven worden als een proces van het creëren, onderhouden en breken van relaties. Het is een dynamisch proces. Mensen voelen zich vaak verbonden met meerdere groepen of culturen en dit gevoel van verbondenheid kan in de loop van tijd ook toe- of afnemen.9 Najib Amhali legt in zijn voorstellingen heel bewust de nadruk op zijn meervoudige identificaties: soms beschouwt hij zichzelf als Marokkaan, dan weer als Nederlander en dan weer als ‘besnedelander’. Het ene moment neemt hij de positie van de Nederlander in ten opzichte van allochtonen, het andere moment laat hij Nederlanders zien hoe er door allochtonen over hen gedacht wordt. Een voorbeeld uit Najib Amhali’s meest recente show ‘Alles komt goed’ gaat over het vooroordeel dat Marokkanen iets tegen homoseksuelen zouden hebben. Op de vraag of hij iets tegen homoseksuelen heeft reageert Najib als volgt: ‘ikke niet hè, dat is een vooroordeel […] Ik heb een hele goede vriend, een van mijn beste vrienden, en die kent iemand en die heeft een broer en zijn neef woont naast een homo.’ Door het vooroordeel te ontkennen en tegelijkertijd het vooroordeel weer naar voren te brengen en er een grap over te maken probeert hij te laten zien dat het allemaal niet zo zwart-wit is. Dit leidt ertoe dat er een positieve interculturele communicatie kan ontstaan tussen verschillende etnische groepen. Deze kan niet ontstaan wanneer de wederzijds toegeschreven culturele identiteiten voornamelijk gebaseerd zijn op generalisaties en vooroordelen. Een voordeel van cabaretiers met meervoudige culturele identificaties is hun vermogen om grappen te kunnen maken voor zowel het allochtone als autochtone publiek. Eén van de redenen waarom deze cabaretiers hier toe in staat zijn, is vanwege de verschillen tussen culturen. Humor verschilt van cultuur tot cultuur. Nederlanders vinden soms andere dingen grappig dan Marokkanen. Het kan lastig zijn andermans humor te begrijpen wanneer je te weinig kennis over de ander hebt. Grappen zijn vaak gebaseerd op impliciete verwijzingen naar cultuur die alleen voor leden van die cultuur te begrijpen zijn. Daarnaast is humor ook sterk verbonden aan de grenzen, normen en waarden van een cultuur. 10 Cabaretiers met meervoudige culturele identificaties hebben zowel kennis van de Nederlandse als wel van andere culturen. Zij hebben het gevoel tot meerdere culturen te behoren en kunnen hierdoor                                                                                                             R. van Heuven, ‘“Dat mag je dan weer niet zeggen over Eskimo’s”: Het interculturele cabaret van Najib Amhali’, in: M. Bleeker e.a., Multicultureel drama? (Amsterdam 2005). 9 Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, Identificatie met Nederland, Rapport Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (Amsterdam 2007) beschikbaar via: http://www.wrr.nl/fileadmin/nl/publicaties/PDF-Rapporten/Identificatie_met_ Nederland.pdf (geraadpleegd op 2 september 2013). 10 G. Kuipers, Goede humor, slechte smaak: een sociologie van de mop, proefschrift Universiteit van Amsterdam (2001). 8

25


Volonté Générale 2013 - n°3

treffende grappen maken die door zowel allochtone als autochtone Nederlanders grappig gevonden worden. Een andere positieve invloed die het intercultureel cabaret kan hebben, is de potentie om maatschappelijke spanningen te verminderen. Eén van de drie belangrijkste humortheorieën, the relief theory van Spencer, onderschrijft dit effect van humor. Spencer vergelijkt het maken van een grap met het openen van het ventiel van een stoompijp: de druk wordt er af gehaald. Dit betekent dat een grap sociale gevoelens van spanning en onderdrukking op een positieve manier kan uiten, zodat deze sluimerende gevoelens niet op een negatieve manier tot een uitbarsting komen. 11 Ook de antropologische theorie van Radcliff Brown over joking relationships laat zien dat het belangrijk is via humor spanningen te uiten. Joking relationships zijn relaties waarin het verplicht is grappen te maken met en over elkaar. Brown ziet deze relaties als een manier om spanningen binnen relaties in de hand te houden. Grappen maken ten koste van de ander is in dit geval een manier om negatieve gevoelens niet tot een directe ontploffing te laten komen.12 Hoewel etnische humor en cabaretiers met meervoudige culturele identificaties dus positieve invloeden zouden kunnen hebben op interetnische relaties zijn er ook auteurs die dit in twijfel trekken. Zo zijn Zamudio en Rios van mening dat het interculturele cabaret en de hierbij naar voren komende etnische grappen een uiting zijn van racisme of mensen kunnen aanzetten tot racisme.13 Het lachen om etnische minderheden zou voortdurend gebeuren op basis van negatieve stereotyperingen. Deze stereotyperingen leiden tot othering, een bepaalde manier van praten over anderen waarbij de nadruk wordt gelegd op hun marginaliteit en anders zijn. Een bijkomende tekortkoming van het intercultureel cabaret lijkt te zijn dat alleen cabaretiers met meervoudige culturele achtergronden grappen kunnen maken over allochtonen en autochtonen. Over het algemeen geldt de regel dat iedereen grappen mag maken over zijn eigen groep en ook minderheidsgroepen onder elkaar mogen dit doen. Het wordt echter niet gewaardeerd als er grappen worden gemaakt over groepen met een lagere status. Zo zal een grap over obesitas verteld door een dikke comedian eerder gewaardeerd worden dan dezelfde grap verteld door een dun persoon. Ditzelfde geldt voor etnische grappen. Wanneer autochtone cabaretiers grappen maken over leden van etnische minderheden kunnen deze nog wel eens verkeerd vallen en tot irritaties en frustraties leiden. Een reden hiervoor is het machtsverschil dat tussen de meerderheid en de minderheden in de samenleving bestaan. In Nederland vormt de autochtone bevolking de dominante meerderheid en de allochtone bevolking bestaat uit meerdere etnische minderheidsgroepen. 14 Een                                                                                                            

O. H. Lynch, ‘Humorous Communication: Finding a place for humor in Communication Research’, Communication Theory 12 (2002) 423-445. 12 Kuipers, Goede humor, slechte smaak: een sociologie van de mop. 13 M. M. Zamudio en F. Rios, ‘From Traditional to Liberal Racism: Living Racism in the Everyday’, Sociological Perspectives 49 (2006) 483-501. 14 M. Verkuyten, Identiteit en Diversiteit: De tegenstellingen voorbij (Amsterdam 2010). 11

26


Volonté Générale 2013 - n°3

etnische minderheid kan worden gedefinieerd als een groep die in aantal inferieur is aan de rest van de bevolking, die politiek niet-dominant is en die wordt weergegeven als een etnische categorie.15 Veel interetnische relaties in samenlevingen zijn sterk asymmetrisch met betrekking tot de toegang tot politieke macht en economische hulpbronnen. Dit is ook het geval bij de meerderheidsgroep en de diverse etnische minderheidsgroepen in de Nederlandse samenleving. 16 Zo blijken minderheidsgroepen in Nederland vaak een lagere positie te bekleden op de arbeidsmarkt en op het gebied van huisvestiging dan de autochtone bevolking. Daarnaast is het vaak de dominante groep in de samenleving die de eigen sociaal gangbare opvattingen over hoe je moet zijn, als normaal en vanzelfsprekend vinden. Deze houding kan leiden tot uitsluiting van etnische minderheidsgroepen. Wanneer de nationale identiteit door de dominante autochtone bevolking bepaald wordt, is het voor nieuwkomers lastig om zich betrokken te voelen. Als reactie hierop gaan minderheden zich terug trekken in de eigen groep en grijpen ze terug naar hun oorspronkelijke culturele identiteit en waarden. Dit leidt tot meer houvast, maar tegelijkertijd ook tot een defensieve houding ten opzichte van diegenen die deze identiteit bespotten.17 Deze machtsverschillen binnen het cabaret leiden er toe dat de beeldvorming niet wederzijds veranderd kan worden. De cabaretier Howard Komproe is van mening dat het in de ideale situatie zo zou moeten zijn dat een autochtone cabaretier een grap kan maken over allochtonen, waarbij deze zelf ook om deze grap kunnen lachen.18 In dat geval zouden de verhoudingen compleet zijn en kunnen zowel autochtone als allochtone cabaretiers zwart-wit tegenstellingen op heffen en de wederzijdse beeldvorming beïnvloeden. Tot slot is het nog maar de vraag hoe groot het bereik van het interculturele cabaret is. Ten eerste trekken cabaretiers vooral mensen aan die al interesse hebben in het multiculturele thema of die er in elk geval voor open staan. Het blijkt dat de eerder genoemde positieve invloeden van het interculturele cabaret niet volledig tot hun recht kunnen komen, vanwege de geringe deelname aan cultuurevenementen door allochtone jongeren. Deze geringe deelname kan onder meer verklaard worden door een lager opleidingsniveau en de culturele achtergrond.19 Het culturele aanbod wordt vaak als ‘te wit’ ervaren.20 Op deze manier worden etnische minderheden niet bereikt en zal er dus ook niet veel veranderen in de beeldvorming van etnische minderheden ten opzichte van autochtonen.                                                                                                            

T. H. Eriksen, Ethnicity and Nationalism (New York 2002) 121. Eriksen, Ethnicity and Nationalism 133. 17 Verkuyten, Identiteit en Diversiteit: De tegenstellingen voorbij. 18 H. Komproe, De grens van de grap (Amsterdam 2013). 19 A. van den Broek, J. de Haan en F. Huysman. Cultuurbewonderaars en cultuurbeoefenaars: Trends in cultuurparticipatie en mediagebruik, Rapport Sociaal en Cultureel Planbureau (Den Haag 2009); A. Elffers, C. van der Hoeven en L. Ranshuysen, Gezocht: jonge theaterbezoekers.Onderzoek naar succesvolle methodieken voor jongerenmarketing in de podiumkunsten. (Rotterdam 2004). 20 W. van Iperen, ‘Verschillen in cultuurdeelname tussen allochtone en autochtone jongeren: Een vergelijking op basis van gegevens van het CKV1-Volgproject’, Cultuur + Educatie 6 (2003) 120-149. 15 16

27


Volonté Générale 2013 - n°3

Hoewel het cabaret nu nog te weinig leden van etnische minderheidsgroepen trekt, blijkt dat deze vorm van culturele activiteiten door de laagdrempeligheid wel de meeste potentie heeft om een allochtoon publiek aan te trekken.21 Het interculturele cabaret kan hier een grote rol in spelen. Cabaretiers die zowel de Nederlandse cultuur als een andere cultuur gebruiken in hun voorstellingen hebben de potentie het theater minder ‘wit’ te maken, waardoor allochtonen hier meer gebruik van kunnen maken. In dit geval zouden ook de positieve invloeden van het intercultureel cabaret deze groep kunnen bereiken.  Linda Fernandez Beiro (1991) is cultureel antropoloog en volgt momenteel de master Vraagstukken van beleid en organisatie aan de Universiteit Utrecht.

                                                                                                           

R. Romeijn, Jongeren met een niet-westerse achtergrond: hoe kan een theater ze bereiken? Een kwantitatief doelgroeponderzoek naar het smaakpatroon van jongeren met een niet-westerse achtergrond, Master thesis Universiteit Utrecht (2010). 21

28


Volonté Générale 2013 - n°3

Verplicht op bezoek bij je ouders in China Sanne Albers Een paar maanden geleden was het groot nieuws: een nieuwe wet in China verplicht kinderen om regelmatig bij hun ouders langs te gaan. 1 Wat al snel bekend stond als de filial piety law heet voluit de ‘wet ter bescherming van de rechten van ouderen’ en is eigenlijk een wijziging van een reeds bestaande wet uit 1996. De wet bepaalt dat kinderen op economisch, medisch en emotioneel vlak voor hun ouders moeten zorgen. Krantenartikelen richtten zich vooral op bizarre onderdelen van de wet, zoals artikel 18: Familieleden moeten zorg dragen voor de spirituele behoeften van ouderen. Ze mogen deze niet negeren of hierop afstandelijk reageren. Familieleden die niet samenwonen met de ouderen, moeten frequent op bezoek gaan of ‘de groeten doen’. Werkgevers moeten werknemers de kans geven ouderen te bezoeken.2

Maar er zijn nog veel meer opmerkelijke artikelen, die niet in de internationale pers te vinden zijn. Zo bepaalt artikel 21 van deze wet dat kinderen zich niet mogen bemoeien met zaken als trouwen en scheiden van de ouders en dat een huwelijk de verplichtingen van de familieleden niet verandert. Dit soort wetten doet je al snel fantaseren over een soort website als marktplaats, waarop kinderen hun ouders ten huwelijk aanbieden, om zo de zorg in iemand anders schoenen te schuiven. Er is trouwens wel een uitweg voor de kinderen. Artikel 26 stipuleert dat als de oudere bij volle verstand is en daar zelf volledig mee instemt, er een ander familielid, overig individu of organisatie aangewezen kan worden om de ‘last van de bescherming’ op zich te nemen.

Wel het meest ingewikkelde artikel is nummer 23: Nadat kleinere broers en/of zussen, die verzorgd zijn door hun oudere broers en/of zussen, opgegroeid zijn, en de capaciteit bezitten om de last te dragen, hebben zij verantwoordelijkheden ten opzichte van oudere broers en zussen als zij geen andere mensen hebben om voor ze te zorgen.

  Bovenstaande artikelen komen echter allemaal uit hetzelfde gedeelte van de wet, het tweede hoofdstuk genaamd ‘ondersteuning door familie’.                                                                                                            

Y. Hua, ‘When Filial Piety Is the Law’, The New York Times (7 juli 2013), beschikbaar via: http://www.nytimes.com/2013/07/08/opinion/yu-when-filial-piety-is-the-law.html (geraadpleegd op 30 augustus 2013). 2 ‘Wet van de Volksrepubliek China voor de Bescherming van de Rechten van Ouderen Zhonghua renmin gongheguo laonianren quanyi baozhang fa’, . 1

29


Volonté Générale 2013 - n°3

Daarop volgen nog hoofdstukken over de verplichtingen van de staat, sociale zekerheid, uitkeringen en het creëren van een leefbare omgeving. Deze wetten zijn misschien minder makkelijk om grappen over te maken, maar zeker net zo opvallend in de Chinese context, aangezien een sociaal vangnet na het uiteenvallen van de ‘ijzeren rijstkom’ nog altijd ver te zoeken is.3 De haalbaarheid van de rest van de wet, bijvoorbeeld het beschikbaar stellen van pensioenen door de lokale overheid, is op zijn minst onwaarschijnlijk te noemen.

Implementatie De daadwerkelijke betekenis van de wet wordt pas duidelijk als je naar de implementatie en de institutionele omgeving van China gaat kijken. Want betekent deze wet dat Chinezen echt op het gerechtelijke matje worden geroepen als zij hun ouders links laten liggen? Dit was wel het geval bij de dochter van mevrouw Chu. De 77-jarige moeder uit Wuxi, vlakbij Shanghai, klaagde haar dochter en haar echtgenoot aan. De rechter besloot, slechts een paar uur na de invoering van de wet, dat in het vervolg minimaal een keer per twee maanden een bezoekje moest worden gebracht. De wet bepaalt echter niet wat de straffen zijn voor het overtreden van de wet en hoogstwaarschijnlijk zullen veroordelingen niet vaak voorkomen, maar als ze wel uitgesproken worden, dienen ze vooral als lessen voor de rest van het volk. Daarom wordt deze wet voornamelijk gezien als aanmoediging voor kinderen om beter voor hun ouders te zorgen. Een probleem met veel Chinese wetten is dat ze onduidelijk, onderling tegenstrijdig en ambigu zijn. Voordeel van deze ambiguïteit is dat wetten gebruikt kunnen worden om algemeen aanvaarde ideeën te verwoorden en tegelijkertijd verschillende of zelfs tegenstrijdige doelen te bereiken die geheel afhankelijk zijn van de context.4 Het is dan ook maar de vraag of bepaalde wetten opgesteld worden om daadwerkelijk juridische veranderingen door te voeren, of meer om globale intenties te verwoorden zonder te veel weerstand op te wekken.

Tegenstrijdig beleid De piëteitswet is namelijk niet uitvoerbaar, daar heeft het tegenstrijdige beleid ter promotie van interne migratie wel voor gezorgd. Interne migratie is lastig in China. Alleen in de stad waar je hukou, de registratie van huishoudens, geregistreerd staat kun je profiteren van sociale zekerheid, onderwijs en gezondheidszorg, in zoverre deze bestaan. Het verkrijgen van hukou in een vreemde stad is nagenoeg onmogelijk, zodat permanente verhuizing veel nadelen met zich meebrengt. Toch wonen en werken veel Chinezen op honderden, zo niet duizenden kilometers van hun ouderlijk huis op zoek naar werkgelegenheid. Recente versoepelingen in beleid hebben dit aantal alleen maar verhoogd. Even op bezoek bij je                                                                                                            

H. J. Zhan en R. J. V. Montgomery, ‘Gender And Elder Care In China: The Influence of Filial Piety and Structural Constraints’, Gender & Society 17 (2003) 209–229, aldaar 213. 4 T. Ruskola, ‘Law without Law, or is Chinese Law an Oxymoron’, William & Mary Bill Rights Journal 11 (2002) 665- 669, aldaar 658. 3

30


Volonté Générale 2013 - n°3

ouders, en dus minimaal een week vrij krijgen, is buiten het Chinese nieuwjaar bijna niet mogelijk en daar zal die ene regel in de wet, ‘werkgevers moeten werknemers de kans geven ouderen te bezoeken’, waarschijnlijk geen verandering in brengen.5 Een andere wet die op gespannen voet staat met de piëteitswet is de wet achter de een-kind-politiek. Uiteraard nemen veel jonge mensen het nieuws niet goed op dat de staat er voor heeft gezorgd dat mensen maar een kind mochten hebben, waardoor er maar liefst twee paar ouders en vier paar grootouders zijn die zij financiële, emotionele en medische steun moeten verlenen. Op dit moment zijn er al meer dan 200 miljoen mensen van boven de 60 in China. De vergrijzing in China is niet verlopen als in het westen, door (natuurlijk) dalende geboorte en sterftecijfers als gevolg van industrialisering en modernisering, maar is bijna van de een op de andere dag kunstmatig opgelegd aan het eind van de jaren 1970. Hierdoor is China ook een van de weinige ontwikkelingslanden waar vergrijzing optreedt. In stedelijk China is het percentage ouders met 1 kind op dit moment zo’n 80 procent.6 Een ander gevolg van dit beleid is de problematiek van ouderen wiens enige kind is gestorven, waardoor zij geen enkele vorm van ondersteuning meer hebben. 7 Begin augustus maakte staatspersbureau Xinhua overigens bekend dat een verdere versoepeling van de een-kind-politiek verwacht kan worden. Mogelijk mogen in de nabije toekomst ouders waarvan er slechts één enigst kind is, een tweede kind krijgen, nu geldt deze regel alleen voor ouders die allebei enigst kinderen zijn.8

Confucianisme Wat de piëteitswet extra bijzonder maakt, is dat hij is opgesteld in een land waar cultureel bijna niets zo belangrijk is als respect en zorg voor ouderen. Zorg voor de ouders is diep geworteld in de Confucianistische restanten van de Chinese samenleving. Hierin is xiao, eerbied voor ouders, een belangrijke pijler. Aan de ene kant zijn er daarom Chinezen die menen dat deze wet niet nodig is, aangezien ouderenzorg een vanzelfsprekendheid is. Anderen, die de huidige snelle veranderingen in de samenleving met argusogen bekijken, menen dat het goed is dat deze belangrijke culturele waarden worden vastgelegd in de wet, omdat het anders van kwaad tot erger gaat. Deze eerbied voor ouderen is mogelijk terug te leiden tot prehistorische tijden. De verering van goden, op de manier zoals in bijvoorbeeld het westen gebruikelijk was, direct van aanbidder tot god, verschilt van die in de Chinese cultuur. In China werden goden aanbeden door middel van (voor-)ouderverering, oftewel datgene dat het dichtstbij                                                                                                             K. W. Chan en L. Zhang, ‘The hukou system and rural-urban migration in China: Processes and changes’, The China Quarterly 160 (1999) 818–855; Z. Liu, ‘Institution and inequality: the hukou system in China’, Journal of Comparative Economics 33 (2005) 133–157. 6 H. Zhan, ‘Population Aging and Long-Term Care in China’, Generations 37 (2013) 53–58. 7 Y. Li, ‘A perspective on health care for the elderly who lose their only child in China.’, Scandinavian journal of public health 41 (2013) 550–2. 8 ‘Further relaxation of one-child policy still being mulled: official’, Xinhua.net (2 augustus 2013) beschikbaar via: http://news.xinhuanet.com/english/china/201308/02/c_125110128.htm (geraadpleegd op 30 augustus 2013). 5

31


Volonté Générale 2013 - n°3

hun eigen wereld stond. Het is overigens maar de vraag of de verering zich, buiten die voor overleden (voor-)ouders, vroeger ook al richtte op nog levende ouders. 9 De sociale regels voor de omgang van kinderen met hun ouders is gecodificeerd in de Xiaojing, een Confuciaanse klassieker van omstreeks 400 voor Christus, die een dialoog voorstelt tussen Confucius en zijn leerling Zeng Zi. Xiao bepaalt in dit boek echter meer dan alleen de directe interactie tussen kinderen en ouders. Het vormt de basis van een veel breder spectrum aan sociale regels. Het verheerlijkt deugdzaamheid, vriendelijkheid en bescheidenheid, met als voornaamste doel de ouders te eren. Sociale zekerheid In de meer recente geschiedenis, betekent het opvoeden van kinderen voornamelijk sociale zekerheid van de ouders. Dit betreft vooral het opvoeden van zoons, aangezien dochters later bij hun echtgenoot gaan wonen en de zorg voor de schoonouders op zich nemen. Financieel zorgen ook zoons voor het onderhoud van de ouders. Zelfs tijdens de communistische periode zijn deze verhoudingen nagenoeg intact gebleven. Na de jaren 1970 hebben sociale, economische en culturele hervormingen echter voor veel verandering gezorgd. Het wordt steeds normaler dat dochters de ouderzorg op zich nemen, ook in financiële zin. Maar, zoals hierboven al beschreven, wordt het door urbanisatie, globalisering, een dalend geboortecijfer en toenemende interne migratie ook steeds lastiger voor kinderen om aan de zorgeisen van de ouders te voldoen. Juist in een tijd waarin de bevolking razendsnel vergrijst en kinderen steeds minder de mogelijkheid hebben om voor hun ouders te zorgen, lijkt de Chinese overheid op dit moment niet in staat op korte termijn een goed werkend sociaal vangnet voor ouderen op te zetten. Dat de staat nu in toenemende mate de verantwoordelijkheid voor de zorg voor ouderen eenzijdig bij de families legt, is begrijpelijk, maar ligt ook zeer gevoelig.

Hervormingen in Nederland Maar China is niet het enige land waarin men ouderzorg (gedeeltelijk) uit het takenpakket van de overheid probeert te halen. Ook in Nederland is hier begin 2013 een discussie over ontstaan. Het betrof een plan van staatssecretaris Van Rijn van volksgezondheid voor een hervorming van de algemene wet voor bijzondere ziektekosten (AWBZ), waarbij vooral de financiële vergoeding van huishoudelijke hulp in twijfel wordt getrokken.10 De kinderen en andere naasten zouden dit gat in de zorg voor ouderen vervolgens op moeten vullen. In Nederland zal in de toekomst dus de zorg voor ouders misschien ook meer en meer als                                                                                                             D. Holzman, ‘The place of filial piety in ancient China’, Journal of the American Oriental Society 118 (1998) 185–199. 10 W. van der Bles. ‘Kind draait op voor zorg ouders’, Trouw (11 januari 2013) beschikbaar via: http://www.trouw.nl/tr/nl/4500/Politiek/article/detail/3375537/ 2013/01/11/Kind-draait-op-voor-zorg-ouders.dhtml (geraadpleegd op 30 augustus 2013). 9

32


Volonté Générale 2013 - n°3

familietaak beschouwd gaan worden, onder druk van vergrijzing en stijgende zorgkosten. In een wereld waarin een deel van de landen in hoog tempo vergrijst en traditionele cultuurnormen vervagen, zal de problematiek rondom ouderenzorg in toenemende mate een probleem vormen. Aangezien ouderenzorg in veel van deze landen (gedeeltelijk) als een taak van de overheid wordt gezien, zal de overheid een manier moeten vinden om met deze problematische situatie om te gaan. China kiest er met de piëteitswet heel duidelijk voor om een deel van de verantwoordelijkheid voor ouderenzorg af te wentelen op kinderen, ondanks de problemen die dat naar alle waarschijnlijkheid met zich mee zal brengen. Toch lijkt de Chinese strategie niet uniek te zijn, aangezien de recente hervorming van de AWBZ in Nederland tot eenzelfde soort discussie leidde. Het is interessant om te zien dat niet alleen China, een land dat na het verlaten van het communistische pad nog maar weinig vormen van sociale zekerheid kende, maar ook Nederland, dat wordt gezien als een van de landen met de beste sociale vangnetten wereldwijd, in een tijd van globalisering en vergrijzing gelijke problemen tegenkomt en hier enigszins vergelijkbaar op reageert. De piëteitswet is dus interessant in zowel een globale als nationale context. Wereldwijd kan China als een interessant voorbeeld dienen in vergrijzingsproblematiek, door de schaal en het tempo van het proces. Nationaal gezien schijnt deze wet een nieuw licht op the rule of law in China, de implementatie van ambigue wetten en een veranderende economisch-sociale context.  Sanne Albers (1984) is PhD student aan de TU Delft. Ze werkt aan een ERC-project over landadminstratie in China. Haar onderzoek gaat over de credibility van instituties rondom landregistratie in Chinese bossen.

33


Volonté Générale 2013 - n°3

Een like geeft nog geen levensgeluk Susanne Geuze Een ‘gewoon’ leven is niet meer goed genoeg. De generatie studenten van nu is steeds bezig zichzelf te presenteren naar de buitenwereld. Kijk, dit heb ik gedaan. Kijk, zo goed ben ik bezig. Kijk mij succes hebben. De impliciete boodschap daarvan is dat je een beter mens bent als je het ‘beter’ doet in de maatschappij. Niets is natuurlijk minder waar. Toch? Desondanks ligt de focus steeds meer op wat je doet. En daarbij geldt: hoe meer en hoe spectaculairder, hoe beter.

Stress is taboe Het beeld van de luie student, de ‘langstudeerder’ die jaren leeft op kosten van de maatschappij, is enorm achterhaald. Ja, natuurlijk zitten er een paar ongemotiveerde mensen tussen – die heb je overal. Maar de meeste studenten in het hoger onderwijs zijn gedreven om studiepunten te halen en hun kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. Dat laatste gebeurt trouwens vaak ook door nevenactiviteiten. Een bestuursjaar, commissiewerk, de redactie van het studentenblad of zomaar overal wat kleine taken naast je studie zijn meer regel dan uitzondering. Soms komt daar nog een baantje bij. Als je ervan uitgaat dat een voltijdsstudie 40 uur per week kost en daarbij nog tussen de 10 en 20 uur aan ‘nuttige’ bezigheden – betaald of onbetaald – bij telt, zit je zo aan een bijna 60urige werkweek. Hoezo luie student? Niet gek dus dat steeds meer studenten kampen met studiestress. Toch zijn de gezondheidsproblemen die daar meer dan eens het gevolg van zijn een taboe in de jongerenwereld. Bijna iedereen heeft in meer of mindere mate wel last van studiestress (gehad), maar er wordt weinig over gesproken. Centraal in de sociale media staan immers de prestaties, de wapenfeiten, de taken die met succes zijn volbracht. Maar een like geeft nog geen levensgeluk. Dat blijkt dan ook wanneer studenten die tijdenlang op hun tenen hebben gelopen, het op een gegeven moment niet meer trekken. Overspannenheid en depressiviteit komen meer voor dan zichtbaar is. Die vicieuze cirkel kan worden doorbroken als studenten meer mindful zouden leven.

Externe druk Alsof het hierboven geschetste studentenleven nog niet intensief genoeg is, doet de overheid ook een duit in het zakje. Of eigenlijk uit het zakje. Het achterhaalde beeld van luie student wordt naar voren gehaald als argument om aan te geven ‘dat het allemaal wel wat minder kan’. Het studierendement moet omhoog en daarom krijgen bachelorstudenten verplicht extra uren college per week. Daarnaast is er in het huidige financieringssysteem geen ruimte meer om te falen. Wie uitvalt omdat de studie niet aan de verwachting voldoet of wie om wat voor reden dan ook een jaar vertraging oploopt, wordt daarvoor afgestraft en moet de uitloop

34


Volonté Générale 2013 - n°3

zelf betalen. Voor een vierjarige opleiding krijg je vier jaar studiefinanciering en geen cent meer.1 Nu zou dat niet zo’n probleem zijn wanneer jongeren, voordat ze beginnen aan hun studie, de tijd nemen om uit te zoeken wie ze zijn en wat ze willen in het leven, bijvoorbeeld tijdens een jaartje (of twee) op reis of werk. Maar op enkele durfallen na stroomt de massa middelbare scholieren na de examens gelijk door naar een hogeschool of universiteit. Meer dan eens wordt een studie gekozen bij gebrek aan alternatieven. Dan is het niet raar dat de uitval in het eerste jaar groot is. En ben je eenmaal aan het studeren, dan kom je allerlei problemen tegen: fysiek, mentaal, met familie of vrienden. Het is dus niet gek om half jaar uit te lopen. Die ruimte zou er moeten zijn. Wat het verder lastig maakt om anno 2013 als student je hoofd helder te houden, is de toenemende werkloosheid onder jongeren. Bijna elke student ziet het om zich heen: veel net afgestudeerden hebben grote moeite om een baan te vinden. Velen proberen hun huur te betalen uit een callcenter-baantje of verhuizen noodgedwongen terug naar het huis van hun ouders. Daarnaast verzanden ze in moedeloosheid na tientallen – zo niet honderden – afwijzingen op sollicitaties. De huidige jeugdwerkloosheid heeft tot gevolg dat ‘gewoon je best doen’, zonder daarbij hoge toppen te bereiken, vaak niet meer genoeg is. Je valt dan simpelweg niet op in de massa; voor jou tien anderen. Dat verhoogt de druk om almaar te presteren, te proberen boven iedereen uit te stijgen – alsmede de verleiding om aan jezelf, aan je échte behoeften, voorbij te gaan.

Aandachtig worden Studenten leren dus niet om af te bakenen: ‘zo is het genoeg’. Dat terwijl het erg belangrijk is dat je als twintiger inziet dat je een waardig mens bent, zélfs al heb je geen wereldveranderende prestaties op je naam staan. I am enough, ook als je niet altijd op je tenen loopt. Wat daartoe zou helpen, is als jongeren tijdens hun opleiding wordt geleerd om wat meer mindful te zijn. Wat is mindfulness? Om maar gelijk een misverstand uit de weg te ruimen: mindful zijn betekent niet lekker op een kussentje zitten dromen en rustig worden. Mindfulness, ofwel aandachtig zijn, is een activiteit. Het doel is dan ook niet ‘je goed gaan voelen’ of ‘zen worden’, maar: aandachtig zijn. Dat je je dan – soms – inderdaad beter gaat voelen, is mooi meegenomen, maar het staat niet centraal. Het concept mindfulness is afkomstig uit het boeddhistische gedachtegoed en wordt de afgelopen jaren in toenemende mate gebruikt als therapeutische techniek in het Westen. De zogenaamde aandachttraining blijkt namelijk zeer effectief te zijn voor mensen die veel piekeren, en werkt voorts ook goed tegen depressies en burn-out. Juist daarom kan mindfulness een hulpmiddel zijn voor mensen die kampen met studiestress.

                                                                                                           

Het leenstelsel, dat de overheid voornemens is in te voeren vanaf collegejaar 2014-2015, is hier niet in acht genomen omdat de geschetste problemen gevolg zijn van het huidige beleid. 1

35


Volonté Générale 2013 - n°3

Doen en zijn Hoe werkt mindfulness precies? Je kunt beginnen bij het erkennen van de dominante positie van het brein. Ons brein kan maar één ding: denken. In de denk-cultuur waarin wij leven is alles zo gericht op het nadenken, dat ons brein zichzelf een riante positie heeft aangemeten. Sterker nog, het heeft ons ervan overtuigd dat nadenken de énige manier is om succes te hebben – succes dat overigens door datzelfde brein als cruciaal voor levensgeluk wordt beschouwd. Nu is het wel degelijk zo dat we door na te denken veel kunnen bereiken. In ons werk hebben we veel baat bij sterke cognitieve vermogens en het is onze intelligentie die voor een groot deel bepaalt waar we terecht komen in het leven. Het is echter een misvatting dat denken de enige manier is om door het leven te gaan, en eveneens een onjuiste overtuiging dat we, door maar veel te denken en daarnaar te handelen, vanzelfsprekend ook gelukkig zullen zijn. Hieruit kun je de les trekken dat er een onderscheid bestaat tussen jezelf en je brein. Je bént niet je denken, al willen je gedachten je dat doen geloven. Hoezo preken voor eigen parochie? Om het verschil te leren zien, kun je je ‘verstand’ een naam geven. Je weet wel, dat stemmetje dat je vertelt dat een 7 beter zou zijn dan de 6 die je daadwerkelijk voor je tentamen haalde. Het stemmetje dat jou verwijten maakt als je iets doet dat ‘niet goed’ is, het stemmetje dat je er keer op keer van overtuigt dat je het anders, beter had kunnen doen. Laat nu net dat terroriserende stemmetje de grootste belemmering voor je geluksgevoel zijn. Daarom is het belangrijk dat je dat stemmetje herkent en dat gaat het makkelijkste door hem steeds te benoemen als hij zich laat horen.2 Je zou je stemmetje bijvoorbeeld Sjaak kunnen noemen. Sjaak is een gewiekst persoontje. Hij weet het altijd beter en heeft overal een oordeel over. Het is Sjaak die je vertelt dat je een stuk taart te veel neemt en hij zal je er ook keer op keer op wijzen dat je een luie donder bent als je even stil zit. Het gekke is dat Sjaak eigenlijk het beste met je voor heeft, maar het probleem is dat zijn oplossing altijd is om iets te gaan doen. Bij mindfulness gaat het juist om het leren zijn. Mindfulness gaat ervan uit dat je geest twee basis-standen heeft: de doe-stand en de zijn-stand. Je staat eigenlijk altijd automatisch afgesteld op de doe-stand. Dat betekent dat je steeds een verschil constateert tussen je huidige en gewenste toestand – je wilt iets veranderen aan jezelf. Je gaat dan analyseren, beoordelen, evalueren, oplossen, plannen, toetsen en meer van die dingen, allemaal om te zorgen dat je huidige toestand – en daarmee de ontevredenheid – verdwijnt. Zoals gezegd is de doe-stand erg nuttig bij praktische zaken, zoals op je werk. Het probleem is dat we ‘m ook gebruiken bij emotionele problemen, terwijl de doe-stand hier juist contraproductief werkt.3                                                                                                            

Dit idee komt van psycholoog drs. Gijs Jansen. Jansen geeft trainingen volgens de zogenaamde Acceptance and Commitment Therapy (ACT), waarin mindfulness een belangrijke rol speelt, en is daarnaast verbonden aan de Radboud Universiteit. Zie voor meer informatie http://www.denkwatjewilt.nl (geraadpleegd 22 augustus 2013). 3 Zie voor meer informatie hierover: Ger Schurink, Mindfulness: een praktische training in het omgaan met gevoelens en gedachten (2009). 2

36


Volonté Générale 2013 - n°3

Het alternatief is de zijn-stand. Hier gaat het om toelaten, accepteren, begrijpen en aandacht. Mindfulness beoefenen draait feitelijk om steeds actief terugschakelen naar de zijn-stand. Doordat je dit vaak oefent, wordt het een gewoonte en als je leert om bewust te schakelen tussen de standen ben je niet langer slaaf van je eigen gedachten – van Sjaak. Dat creëert meer vrijheid.

De vijf hindernissen Zo gezegd, zo gedaan, lijkt het wellicht, maar dat valt in de praktijk vaak tegen. Elke eerste hap van je maaltijd ‘bewust’ nemen klinkt ontzettend simpel, maar voor je het weet heb je je bord leeg voordat je je de oefening herinnert. En ook als je gaat mediteren, kom je een hoop tegen. De boeddhistische traditie gaat uit van vijf hoofd-‘hindernissen’, vijf vormen van moeilijkheid die je tegen kunt komen tijdens het mediteren (en eigenlijk overal in je leven). Deze hindernissen zijn verlangen, afkeer, twijfel, onrust en slaperigheid.4 Tien minuten stil zitten met je aandacht bij jezelf – gedachten, gevoelens, ademhaling – zonder dat je iets wilt wegduwen of veranderen kost dus aardig wat inspanning. We zijn immers zo gewend om onprettige gevoelens te negeren of weg te stoppen. Mindfulness kan je leren met die gevoelens om te gaan door ze te accepteren; ze zijn er immers toch. Een bekende stelregel is dat ‘lijden = pijn x verzet’. Ofwel: door je te verzetten maak je het voor jezelf alleen maar erger. De pijn is er toch wel. Waarom dan niet leren die er gewoon te laten zijn?

Mindful studeren Hoe kan mindfulness nu bijdragen aan een minder stressvol leven voor studenten? Is het niet makkelijker om gewoon in het weekend de stress weg te feesten? Wellicht. Toch is het niet voor niets dat steeds meer studenten in de knoop raken tijdens hun studie of vlak daarna.5 Juist in drukke periodes, waarin de weken elkaar in hoog tempo opvolgen en er weinig ruimte lijkt om te ademen, is het cruciaal om te leren dat je best even stil mag staan. Of eigenlijk: stil moet staan. Maandenlang op turbotempo rennen is uitputtend, dat houdt geen mens vol. De momenten waarop je ‘écht geen tijd hebt’ zijn juist de momenten dat je wel zo’n adempauze kunt gebruiken. Dan kunnen mindfulnessoefeningen helpen om uit je hoofd, uit de doe-modus en meer ‘in je lichaam’ en bij je gevoel te komen.6 Zodat je af en toe even met beide benen op de grond kunt komen en je weer realiseert: een gewoon leven is wel degelijk goed genoeg.  Susanne Geuze (1991) volgt een master Politieke Geschiedenis, werkt als student-assistent bij het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis en is blogger en schrijfster in spé.

                                                                                                           

Zie voor meer informatie over de vijf hindernissen: Frits Koster, Basisprincipes Vipassanameditatie: mindfulness als weg naar bevrijdend inzicht (2008). 5 Kijktips: VPRO Thema De BV ik (Uitzending Gemist), 3Doc 3 januari 2013 (Uitzending Gemist), 3Doc 19 november 2011 (Uitzending Gemist). 6 Kijk voor korte, toegankelijke mindfulness-oefeningen in mp3-formaat op: http://www.mbcttrainingen.nl/audiobestanden.html (geraadpleegd 22 augustus 2013). 4

37


Volonté Générale 2013 - n°3

Net een spade dieper graven

Interview met Elianne Keulemans Elianne Keulemans (1959) is theologe en sinds 2010 hoofd van het Soeterbeeck Programma aan de Radboud Universiteit Nijmegen. De rode draad in haar leven wordt gevormd door vragen over de relatie tussen religie, filosofie, ethiek, levensbeschouwing en maatschappij. Keulemans nam het initiatief voor het project Heilig, een samenwerking van het Soeterbeeck Programma met Trouw, IKON en NieuwWij waarin de vraag 'Wat is ons heilig?' centraal stond. Volonté Générale interviewde haar over haar activiteiten en de relatie tussen wetenschap, levensbeschouwing en maatschappij. Centraal in uw werk staat de relatie tussen theologie, wetenschap en de samenleving. Is dit een interesse die u al van jongs af aan had? Vanwege mijn katholieke opvoeding was ik als tiener al geïnteresseerd in kwesties van geloof en samenleving. Mijn keuze voor de studie Theologie van het Maatschappelijk Handelen werd dan ook deels ingegeven vanuit persoonlijke interesse. Echter, gedurende mijn studie in Nijmegen werd mijn interesse niet alleen academischer, maar veranderde ook van aard: ik was niet meer zozeer bezig met mijn eigen geloof, maar veel meer met de kwesties die in de grote religies spelen. Daarnaast raakte ik steeds meer geboeid door de verhouding tussen religie en moraal. En toen was u midden in de jaren 1980 afgestudeerd Theologe. De banenmarkt was ook in die tijd niet rooskleurig, dus het zal niet gemakkelijk zijn geweest om een baan te vinden? Dat klopt, toen na een heel kort baantje bleek dat ik daar helemaal niet uit de verf kon komen, heb ik me laten omscholen bij een van de grote omscholingsprojecten die in die tijd georganiseerd werden voor werk in de computerwereld. In een half jaar durende stoomcursus ben ik met allerlei andere academici omgeschoold tot programmeur en systeemontwerper en ik heb vervolgens vijf jaar lang als programmeur gewerkt. Dat was in de tijd dat de pc’s beschikbaar kwamen voor particulier gebruik. Ik ben vijf jaar gedetacheerd geweest vanuit een Arnhems bedrijf en heb ik het hele land doorgereisd naar allerlei bedrijven en allerlei gekke projecten. Ik ben bij Volvo in dienst geweest, heb de hondenbelasting van de gemeente Arnhem geautomatiseerd en heb bij een producent van tapijttegels gewerkt. In die tijd heb ik niet bijzonder veel vaardigheden geleerd die me nu nog van pas komen. Er gebeurt in de ICT zo gigantisch veel, dat mijn kennis van 20 jaar geleden niet meer actueel is. Wat ik wel prettig vind, is dat ik begrijp hoe programma’s ongeveer in elkaar steken. Hoewel ik het zelf niet meer zou kunnen, heb ik wel een idee van wat er in zo’n programma gebeurt. Ik heb die kennis nog wel, maar tegelijkertijd zit ik net zo te klungelen met deze pc hier als mijn andere collega’s hoor!

38


Volonté Générale 2013 - n°3

U heeft uw carrière in de computerbranche op een gegeven moment achter u gelaten, en u heeft een baan gevonden die beter aansloot op uw studierichting. Ja, ik was blij dat ik van het programmeerwerk af was. Gelukkig kon ik aan de slag als adjunct-secretaris van de Nederlandse Missieraad in ‘s Hertogenbosch. Dat was een koepelorganisatie van katholieke organisaties die met ontwikkelingssamenwerking bezig zijn. Er werden gemeenschappelijke activiteiten voorbereid, gemeenschappelijk beleid, en daar heb ik een aantal jaren met heel veel plezier gewerkt. Ik was heel erg geïnteresseerd in kwesties rond ontwikkelingssamenwerking, mede vanuit de ervaringen die ik in Chili had opgedaan. De interactie tussen ontwikkeling, maatschappij en religie interesseerde mij ontzettend. Mogen wij daaruit afleiden dat u zichzelf beschouwt als gelovige? Ik noem mezelf katholiek. Ik ben opgevoed in de katholieke traditie en voel me daar ook in thuis, maar hoewel ik me geëngageerd voel met deze traditie, ben ik bijvoorbeeld geen kerkganger. Mijn religiositeit heeft in de loop der jaren op verschillende manieren vorm gekregen. De tijden zijn natuurlijk ook veranderd. Ik ben indertijd theologie gaan studeren vanuit een opvoeding met grote kerkelijke verbondenheid. In de loop der tijd heb ik in zekere zin afstand genomen – ik ben geen kerkganger meer - terwijl ik ook verbonden bleef met de traditie. Ik vind het wel een gemis dat opvattingen individueler zijn geworden en dat ik moeilijk een vorm vind om gestalte te geven aan de verbondenheid met de katholieke traditie. Na een uitstapje bij de afdeling Levensbeschouwing van het Brabants Steunpunt Jeugdwelzijn bent u aan het werk gegaan voor de voorloper van het Soeterbeeck Programma, de Thomas More Academie. Ik kon aan de slag als programmamaker en dat vond ik geweldig. Het was heel goed om een tijdje van de universiteit te zijn weggeweest, maar het was ook heel fijn om er terug te komen. Met het Soeterbeeck Programma willen we wetenschappelijke, maatschappelijke en levensbeschouwelijke zaken met elkaar in verbinding te brengen. We proberen een breed publiek te laten zien wat die relevantie is van denken vanuit een levensbeschouwelijk en filosofisch, ethisch kader. Dat hebben we, dat heb ik, in de loop der jaren geprobeerd en dat doen we nu nog steeds. Ik vind het tot op de dag van vandaag fantastisch werk. Is dit streven om de relevantie van filosofisch denken aan een breed publiek kenbaar te maken vooral uw eigen streven of is dat ook iets dat het Soeterbeeck Programma in het algemeen als doelstelling ziet? Het is inderdaad de missie van het Soeterbeeck Programma om voor een breed publiek dit type activiteiten te organiseren. Ik denk dat je met die invalshoeken van filosofie en levensbeschouwing vaak net een spade dieper graaft of nieuwe perspectieven inbrengt die in het maatschappelijk debat of in het wetenschappelijk debat naar de achtergrond geraken. Waar het gaat om wetenschappelijke vragen is het belangrijk ook de vraag te stellen naar de betekenis en de ethische implicaties van het onderzoek. Wat heeft het onderzoek bijvoorbeeld te maken met de

39


Volonté Générale 2013 - n°3

betekenis die mensen aan hun leven geven? Verandert dat door jouw onderzoek? Dat type vragen vind ik van groot belang. Het is dan ook waardevol dat deze universiteit een organisatie in het leven heeft geroepen die dit soort vragen aan de orde stelt en deelt met een breed publiek van studenten, wetenschappers en andere geïnteresseerden. Deze universiteit is de enige die heel uitdrukkelijk een programma heeft met deze invalshoek: filosofie, ethiek, levensbeschouwing. Andere universiteiten hebben wel programma’s die het contact met een breder publiek zoeken, maar geen programma dat de relatie tussen wetenschap en maatschappij wil bekijken vanuit dat perspectief van filosofie en levensbeschouwing. Daarin toont zich de bijzondere identiteit van de Radboud Universiteit. Het Soeterbeeck Programma probeert een breed publiek aan te spreken, maar tegelijkertijd valt op dat de bèta- en gammawetenschappen wat buiten het programma lijken te vallen. Is het lastig om die wetenschapsvelden bij het programma te betrekken? We willen dat wel doen. Het Soeterbeeck Programma is gesitueerd binnen de faculteit filosofie, theologie en religiewetenschappen. In ons werk verhouden wij ons tot alles wat binnen die faculteit gebeurt. Maar dat wil niet zeggen dat we niet graag ook over de grens van de faculteit heenkijken of dat wij interdisciplinair werken niet belangrijk vinden. Ik vind het zelf heel erg belangrijk om juist verbindingen te zoeken met het onderzoek dat binnen andere faculteiten plaatsvindt. Inhoudelijk is dat ook mogelijk. We hebben bijvoorbeeld binnenkort een activiteit waarin we samen met Heino Falke – als astroloog verbonden aan de Radboud Universiteit – het gesprek aangaan over de vraag ‘de grootheid van het heelal, wat betekent dat voor de plaats die mensen voor zichzelf zien? Wat betekent dat voor mensbeeld, wereldbeeld, als je werkelijk tot je door laat dringen in wat voor een enorme kosmische constellatie wij ons bevinden?’ Dit soort vragen naar betekenis kun je bij allerlei wetenschappen stellen. Er is allerlei bètaonderzoek dat verschrikkelijk interessant is en gevolgen heeft voor hoe wij naar de wereld kijken. Het programma is dus niet beperkt tot onderzoek dat binnen de faculteit FTR gebeurt: zo’n blikrichting heeft betekenis voor veel breder onderzoek en maatschappelijke kwesties. In het organiseren van de activiteiten van uw programma zit een spanningsveld tussen actuele onderwerpen en het vooruit plannen om een gestructureerd programma te kunnen ontwikkelen. De organisatie moet ver van tevoren worden gedaan, maar de thema’s moeten actueel zijn om een groter publiek aan te spreken. Hoe gaat het Soeterbeeck Programma met deze spanningsveld om? Voor een deel werken we inderdaad vooruit. Dan gaat het bijvoorbeeld om grote internationale sprekers die we naar Nijmegen halen. Daar ben je vaak al een jaar van tevoren mee bezig. Het andere uiterste vormen de actualiteitencolleges die we organiseren. Dat is echt naar aanleiding van wat er op dat moment gebeurt. En dat zijn vaak programma’s die we in drie à vier dagen bedenken en uitvoeren. Denk bijvoorbeeld aan de

40


Volonté Générale 2013 - n°3

lunchcolleges die we organiseren. Die gaan over de actualiteit van de dag: de opstanden in Syrië en Egypte, of de economische crisis, of de nieuwe paus. Dat zijn thema’s waarvan we op maandag bedenken dat we er een actualiteitencollege aan willen wijden, en dat hebben we op donderdag dan al georganiseerd. Dan moet je als een haas een spreker gaan vinden binnen de universiteit die daar iets over kan vertellen, je moet de discussie inhoudelijk voorbereiden, de praktische kanten van zo’n bijeenkomst regelen, en er moeten onmiddellijk publiciteitsteksten geschreven worden. Dat is voor onze communicatiemedewerker een hele opgave. Die moet razendsnel zowel een flyer laten ontwerpen als facebooken, twitteren enzovoorts en dan heb je binnen drie dagen toch vaak zo’n honderd tot honderdtwintig mensen bij elkaar. Maar dat zijn de activiteiten op de hele korte termijn. De meeste programma’s en activiteiten worden in een maand of drie à vier voorbereid. En de grote sprekers een jaar van tevoren. We werken aan de hand van een jaarplan. Dus nu zijn we al aan het bedenken wat we in 2014 gaan doen. Daar kunnen we al behoorlijk wat van vastleggen, maar tegelijkertijd houden we ook altijd een flinke ruimte open om gaande dit jaar te kunnen inspelen op wat maatschappelijk actueel is of wat er in de wetenschap speelt. Dat er bijvoorbeeld boeken verschijnen van wetenschappers verbonden aan de RU, waarvan wij denken: ‘het zou heel mooi zijn als deze in een wat groter verband besproken worden’. Dus we proberen tegelijkertijd planmatig te werken en ruimte te houden om te improviseren en dan ook nog eens een keer rekening te houden met dat we de verschillende doelgroepen voldoende bereiken. Studenten, medewerkers, mensen van buiten de universiteit. We willen een evenwicht in programma’s die meer de wetenschappelijke kant op gaan en die meer de maatschappelijke kant op gaan. We willen een evenwicht tussen de levensbeschouwelijke kant en de filosofische kant. We zijn een goed op elkaar ingespeeld team dat heel snel kan schakelen en handelen, en zo krijgen we het vaak voor elkaar om in de periodes dat er college wordt gegeven, twee à drie keer per week een activiteit te organiseren. U geeft aan een breed publiek te willen bedienen van studenten, wetenschappers en mensen van buiten de universiteit. In de lezing die Martha Nussbaum voor uw programma gaf, stelde zij dat het van groot belang is om niet alleen studenten, maar ook leerlingen van basis- en middelbare scholen filosofisch te onderwijzen. Ook in de media duiken er regelmatig soortgelijke betogen op. Heeft u plannen en mogelijkheden om vanuit het Soeterbeeck Programma scholieren bekend te maken met, en te interesseren voor wetenschappelijk-filosofisch nadenken over de maatschappij? Wij nodigen middelbare scholieren wel uit voor onze programma’s, maar wij maken geen programma’s speciaal voor middelbare scholieren. Dat heeft simpelweg te maken met onze missie, die bepaalt dat wij ons richten op studenten, medewerkers en het algemeen hoger opgeleide publiek, en dus niet op scholen en scholieren. Ik steun van harte het pleidooi van Nussbaum, maar ik denk niet dat het op onze weg ligt.

41


Volonté Générale 2013 - n°3

En hoe passen de kunsten, zoals dans, muziek, theater en beeldende kunst binnen de missie van het Soeterbeeck Programma? Wij verwerken met grote regelmaat kunstuitingen in ons programma. Dat gebeurt soms door de kunst als uitgangspunt te kiezen voor reflectie, zoals in onze filmdebatten. Films zijn heel vaak een hele vruchtbare aanleiding om te praten over maatschappelijke, filosofische vragen of vragen rond betekenis. Onze ervaring is dat wanneer je kunst als uitgangspunt neemt, mensen op de een of andere manier losser of vrijer zijn om te denken. Het nodigt mensen uit om buiten kaders te treden en op een andere manier aan te kijken tegen de vragen waarmee ze worden geconfronteerd. De discussies naar aanleiding van films zijn anders van aard. Ze zijn ‘losser’ dan wanneer er een lezing wordt georganiseerd: mensen krijgen hele nieuwe associaties die veel verder af liggen dan strikte redeneringen. En wat we belangrijk vinden, is dat wanneer we in programma’s een bepaald thema aan de orde stellen, dat daar bijvoorbeeld een video, een schilderij of muziek bij wordt gebruikt, want die verwerken en verrijken op hun eigen manier zo’n thema. Die ervaring zet op een andere manier aan tot denken. Daarnaast werken we samen met museum het Valkhof. Gemiddeld twee keer per jaar organiseren we in het museum, naar aanleiding van een expositie die daar plaatsvindt, een klein symposium waarin we een filosofische verdieping geven aan het thema dat in die expositie aan de orde wordt gesteld. En dat werkt heel erg goed. Zo hebben we een aantal samenwerkingsverbanden in de stad. We werken samen met museum het Valkhof, de Wintertuin, het Boekenfeest en dat is wederzijds heel prettig. Wij vinden het heel fijn om een plek te hebben binnen de activiteiten die deze organisaties laten plaatsvinden. Dat geldt overigens ook omgekeerd: die organisaties vinden het mooi om in hun programma extra filosofie, extra verdieping aan te brengen. Het zijn hele vruchtbare samenwerkingen. Dat is inderdaad de ene kant van uw programma, maar anderzijds heeft uw programma ook een wetenschappelijke kant. Hoe verleidt u wetenschappers om zich te mengen in maatschappelijke debatten? Ik vind het heel erg belangrijk dat dat gebeurt: dat wetenschappers zich bereid verklaren om ten eerste hun kennis naar buiten te brengen en om ten tweede te duiden en mee te discussiëren. Het is wel precair, want het is lang niet zo dat alle wetenschappers dat ook graag doen. Soms ook omdat zij vinden dat dat niet hoort bij hun taken. Dat heeft met taakopvatting te maken. Sommige wetenschappers zeggen: wij zijn alleen bezig met feiten, en meningen hoef je van mij niet te verwachten. Ik heb gelukkig wel het idee dat er onder wetenschappers juist meer interesse ontstaan is om zich te mengen in het debat. Officiële beleidslijnen laten nu ook zien dat dat gewenst is, dat wetenschappers hun kennis delen en naar buiten brengen. Maar hoe ver wetenschappers moeten gaan met opiniëren, discussiëren, daar kun je moeilijk normen voor opleggen. Ik ben blij met de ontwikkeling dat steeds meer wetenschappers daartoe bereid zijn.

42


Volonté Générale 2013 - n°3

Het is natuurlijk goed dat er vanuit de universiteit enerzijds mensen zijn die heel gortdroog op een rijtje kunnen zetten wat de stand van zaken is, wat er vanuit de wetenschap over een bepaald thema gezegd kan worden. En het is anderzijds goed dat er mensen zijn die discussie aangaan, die uitdagen. En het is goed dat er mensen zijn zoals Jan Bransen, die laagdrempelig mensen proberen uit te dagen om zelf na te denken en te filosoferen, en dat dan ook ter plekke prikkelen en oefenen. En dat mag heel lollig zijn. Hoe beter dit spectrum bestreken wordt, hoe beter het is. Zojuist spraken we al over het plannen van grote namen binnen uw programma. Hoe krijgt u die mensen eigenlijk naar Nijmegen? Dat gaat eigenlijk op verschillende manieren. Vaak benaderen we zo iemand zelf rechtstreeks. Soms gaat het bijvoorbeeld via een uitgever. We hebben bijvoorbeeld goede banden met de uitgever van Peter Sloterdijk. En die uitgever weet dan wanneer Sloterdijk in Nederland is voor de presentatie van een nieuw boek. En dan krijgen wij gelegenheid om hem een van die dagen te vragen hier te gast te zijn.  Soms is het ook zo dat we met een paar universiteiten samen een uitnodiging sturen om een buitenlandse spreker naar Nederland te halen. Ongetwijfeld zullen goede honoraria hierin ook een rol spelen? Dat is echt heel verschillend. De ene spreker vraagt geen honorarium, een ander vraagt een paar honderd euro, weer een ander wil veel meer. Er zijnsprekers waarvan wij zeggen: zij willen wel komen, maar we gaan er niet op in want we kunnen en willen geen hele hoge honoraria betalen. Je moet vaak ook nog eens vliegreizen en verblijfkosten betalen. Dus uiteindelijk is het beperkt. U werkt inmiddels al lange tijd voor het Soeterbeeck Programma, kunt u aangeven wat volgens u de belangrijkste ontwikkelingen zijn die het programma afgelopen tijd heeft doorgemaakt? Tot een jaar of zes geleden organiseerden we lezingenreeksen in ongeveer acht of negen verschillende plaatsen in Nederland. Die lezingenreeksen boden we dan aan in Nijmegen uiteraard, maar ook in Zwolle, Utrecht, ‘s Hertogenbosch, Heerlen. De sprekers gingen als een soort van reizend theater – zo noemden sommigen van hen het wel eens - door het land. Het was een grote stap om te zeggen ‘daar houden we mee op’. Het is natuurlijk jammer om zo’n netwerk te verliezen. Aan de andere kant zijn we ons sindsdien uitsluitend op Nijmegen gaan richten en dat is een heel positieve ontwikkeling geweest omdat we daarmee ook veel meer ons werk hebben kunnen concentreren op deze universiteit. We hebben daarmee de universiteit beter zichtbaar gemaakt en ons zelf meer bekendheid gegeven op de campus. Een andere belangrijke ontwikkeling is natuurlijk het culturele aspect van het programma dat we meer vorm hebben gegeven en waar we net al over spraken. Verder zijn er wel geleidelijke verschuivingen geweest van allerlei aard, waarbij een van de belangrijke dingen is dat we meer en meer in staat zijn om studenten te bereiken. Tenslotte is het belangrijk dat we steeds meer in staat zijn om

43


Volonté Générale 2013 - n°3

de maatschappelijk en wetenschappelijke actualiteit aan de orde te stellen en te duiden. U bereikt inderdaad steeds meer studenten in het publiek, maar er worden nauwelijks studenten als sprekers gevraagd. Is dat niet iets waar misschien meer aandacht voor zou kunnen zijn vanuit het Soeterbeeck Programma? Ter gelegenheid van het 90-jarig bestaan van de Radboud Universiteit is er een hele grote TEDx-conferentie met als centraal thema ‘vertrouwen’ georganiseerd. Ik was een van de mensen die inhoudelijk verantwoordelijk waren voor het ontwikkelen van het programma. Wij hebben in het programma vier studentsprekers gehad en die waren geweldig. Heel inspirerend. Die hebben hun korte TEDtalks opvallend enthousiast en kundig neergezet. Dat was indrukwekkend en het zette mij aan het denken. We hebben het intern besproken. Je zou op die manier kunnen proberen om studenten vaker een bijdrage te laten leveren aan het programma. Ik weet niet of we een student een hoofdlezing zouden laten houden, maar er zijn vaak programma’s waar allerlei mensen een bijdrage leveren. Studenten zouden daar ook een rol kunnen spelen. 

44


Volonté Générale 2013 - n°3

Heimweten Jacob van Hoof Geheel tegen mijn principes in koop ik op het station voor de absolute hoofdprijs een flesje cola. Het is de caloriearme variant van het merk dat de consument in haar reclamecampagne op het hart drukt deze vooral te delen met een specifiek persoon. Ik kies de naam er dan ook speciaal voor uit: het is die van mijn broer. Het is vast geen toeval dat juist dit flesje met zijn naam prominent vooraan in het schap pronkt zodat ik het wel móet pakken. Ik heb hem al een tijdje niet meer gezien. Terwijl ik, op mezelf aangewezen, gulzig slokken van mijn gekoelde cola neem schaam ik me bij de gedachte dat deze vorm van massacommercie ervoor moet zorgen dat ik weer eens aan hem denk. Mijn broer (in wezen mijn halfbroertje) is zó’n enige in zijn soort dat de pre- en suffix van dat woord tussen haakjes eigenlijk niks aan de feitelijke definitie van de familiare band met hem toevoegen. Hij is mijn enige volwaardige broer, punt. We delen welgeteld drie dingen: onze moeder, een roerige jeugd en reislust. Ons hele gezin snuift van dat soort avontuur dat ons wezen onrustig maakt als we er lang niet aan toegeven. Omdat de huidige vriendin van mijn broer uit de Elzas komt en de relatie een serieuze is, pendelt hij al jaren op en neer tussen Nederland en Frankrijk en weet de rest van het gezin dat hij zich daar straks aan de voet van de Vogezen zal vestigen om zélf een gezin te stichten. Die gedachte zet ons en onze keuzes in een historische en geografische context. Onze moeder zei me laatst dat bij haar langzaam het vreemde besef begon te dagen dat (een deel van) haar kleinkinderen straks helemaal geen Nederlands als moedertaal zal spreken en zij een grootmoeder zullen hebben die in Les Pays-Bas woont die ‘streaupwafèls’ in het bovenste keukenkastje heeft verstopt. Nóg vreemder is het (inmiddels door mij gedeelde) besef dat er over een tijd een tak van onze familie zal bestaan dat in een ander systeem opgroeit en zich naar andere nationale en culturele waarden en normen zal vormen. Voor mijn moeder moet het inderdaad een raar idee zijn dat deze ene keuze van haar middelste zoon, die ze samen met haar andere twee kinderen als alleenstaande moeder van hot naar her (maar binnen de grenzen van ons koninkrijk) heeft gezeuld, bepaalt dat hij straks in de geschiedenis opgenomen wordt als de stamvader van een familie die in een andere Europese grond kiemt en ontspruit en aldaar haar heim zal weten. Want wat wisten we nog van onze voorvader die vanuit Duitsland naar Suriname toogde en daar als eerste blanke een zwarte slavin trouwde? Niet veel, maar wél dat hij bestond en dat die keuze in zijn leven ons bestaanslot bepaalde (net als de grootvader die de boot terugnam overigens), en dat dat de reden is dat ik nu hier zit en dit schrijf, en in deze taal bovendien. Het is niet dat ik zo aan mijn land en nationale identiteit hecht (ik ben tenslotte een reiziger – ik zei het net hierboven), maar als ik mijn gedachten laat gaan over de betreden levenspaden van mijn familie uit het verleden, en nu dus die van mijn broer, laat de gedachte aan die van mij me niet onberoerd. Natuurlijk is mijn geboortegrond geografisch voor

45


Volonté Générale 2013 - n°3

mij bepaald, maar ik besef me daarbij ook dat ik als vanzelfsprekend binnen dit land mijn ‘heim’ aan het zoeken ben. Sinds ik uit huis ben, blijkt enkel het gemak van de geografische vertrouwdheid vermengd met het verstrijken van de tijd te hebben bepaald voor hoe lang en hoe diep ik ergens aardde en wie en wat daarbij mijn pad kruiste. Het gebeurde allemaal terwijl ik mijmerde over de vraag waar ik, los van mijn familie, thuishoorde. Slechts weloverwogen keuzes voor studie en werk bepaalden tot voor kort de exacte locaties waar ik dat deed. Na een doelbewust uitstapje terug naar mijn geboortestad aan de andere kant van het land ben ik er inmiddels achter dat ik niet daar, maar hier mijn heim weet – binnen de innige vertrouwdheid (welk het verstrijken van de studietijd het tot die mate heeft laten worden) van mijn kring van vrienden, deze stad en haar omgeving, en dat het land waarin die plek toevallig ligt een willekeurige is en niet voor of door mij gekozen is of hoeft te zijn. Mijn reislust wordt nog slechts gevoed door een verlangen naar spannende, mooie, nog onontdekte oorden (diezelfde vrienden weten welke plek ik in het bijzonder bedoel) als naar een muze, zoals ik zou doen naar een vrouw, met opgetogenheid en opwinding. Misschien geef ik er ooit een jaartje aan toe – zoals David Bowie en Cees Nooteboom ooit deden (nu weten jullie het ook) –, om vervolgens te ontdekken hoe snel het weer vervlogen zal zijn, naar wellicht een volgend oord, of weer terug naar (t)huis. Maar wordt die muze en passant ooit dan tóch mijn vrouw, dan blijk ik op die plek te zijn gebleven, en de liefde tijd en grond te hebben gegeven. Mijn moeders reislust bracht haar zo onlangs naar Parijs, met als doel een maand lang als inwoner van die stad te leven en zo te ontdekken. Haar enige reisgenoot, de eenzaamheid, maakte haar na een week al horendol: ze moest en zou haar belevenissen delen met vrienden en familie. Er kwamen enkelen van hen langs op bezoek, anderen werden la bas op de hoogte gehouden. Heimwee had ze niet, toch wierp ze fervent lijntjes uit naar thuis, met daaraan de plaatjes die ze aan de kade schoot. Zo, hengelend naar haar heim, deelde ze met ons een flesje cola terwijl ze er zelf met volle teugen van genoot. Ik weet niet wat de kennismaking met het nieuwe land van haar zoon (ze heeft het niet als zodanig benoemd) haar heeft gebracht, maar ik weet dat ze de foto’s en herinneringen nu thuis weer in haar eigen taal ondertitelt. Want naast ons heim zijn we daarop nou eenmaal aangewezen.  Jacob van Hoof (1981) is schrijver en dichter die publiceert onder het pseudoniem 'Djeekop'.

46


Volonté Générale 2013 - n°3

De uit zijn voegen barstende publicatiefabriek? Nienke Bos Langer dan een jaar is wetenschapsfraude in het algemeen, en Diederik Stapels fraude specifiek, een trending topic. Het heeft een nieuw debat aangewakkerd over hoe de universiteit eruit zou moeten zien en welke plaats wetenschappers hier innemen.1 Ruud Abma, cultuurpsycholoog, is in zijn boek De Publicatiefabriek van meet af aan helder: het gaat niet om Diederik Stapel als persoon of symbool, maar om Stapel als symptoom:2 een symptoom van een problematische, academische cultuur. Abma ziet Stapel als het symptoom van ‘een uit zijn voegen barstende publicatiefabriek.’3 De eerste drie hoofdstukken van het boek gaan voornamelijk over de aard van Stapels fraude, de rapporten van de onderzoekscommissies en ‘slodderwetenschap’ in het algemeen. Vervolgens zet Abma de wetenschappelijke carrière van Stapel uiteen. Deze begon aan de Universiteit van Amsterdam (1993-1999), had een vervolg aan de Rijksuniversiteit Groningen (2000-2006) en eindigde aan de Universiteit van Tilburg (2006-2011). In hoofdstuk 7 en 8 analyseert Abma twee grote problemen van de (sociale) wetenschap die de rode draad vormen in zijn boek: de publicatiedrang en de beoefening van experimentele sociale psychologie. De negatieve consequentie van de Science Citation Index is dat wetenschappers kunnen worden afgerekend op het aantal publicaties, iets dat vaak gebeurt. 4 Door het toepassen van businessmodellen op de wetenschap ontstaat het beeld dat kwantiteit er meer toe doet dan kwaliteit. Een factor die daarnaast een rol speelt in de (sociale) psychologie is de onherhaalbaarheid van het experiment. Misbruik hiervan brengt niet alleen eigen onderzoek maar ook de geloofwaardigheid van (sociale) psychologie in het algemeen in diskrediet. Het negende hoofdstuk gaat over voorstellen die gedaan zijn om wetenschapsfraude te voorkomen. De essentie van de voorstellen is dat er minder geschreven moet worden en meer gelezen.5 Kortom: meer tijd en meer zorgvuldigheid. In het laatste, tiende hoofdstuk komt Ruud Abma met zijn eigen algemene conclusies en aanbevelingen. Abma stelt twee remedies voor: het aandringen op minder publiceren door universitaire autoriteiten en een kritische houding van wetenschappers ten opzichte van elkaar. Hierbij gaan de wetenschappers weer naar hun eigen normen leven en niet naar die van een businessmodel. Hoewel veel gegevens die Abma gebruikt in De Publicatiefabriek al bekend zijn, leest zijn reconstructie van de feiten als een goed                                                                                                            

Zie bijvoorbeeld ook: W. Sanderse & E. van der Zweerde red. Denkruimte (Nijmegen 2012). 2 R. Abma, De Publicatiefabriek. Over de betekenis van de affaire-Stapel (Nijmegen 2013) 7. 3 Ibidem, 8. 4 Ibidem, 112-113. 5 Ibidem, 150. 1

47


Volonté Générale 2013 - n°3

gecomponeerd muziekstuk. Door de samenstelling van informatie uit verschillende bronnen geeft hij de lezer een goed beeld van de persoon Diederik Stapel, zijn carrière en zijn onderzoek. Enkel om deze reden is dit boek een must voor studenten en wetenschappers. Het boek biedt hen inzicht in de persoon Stapel, maar ook in de keuzes die hij heeft gemaakt. De goede reconstructie van de feiten en van de persoonlijkheid van Stapel is een van de zaken die ik het meest heb gewaardeerd aan het boek. Toen ik hoorde dat er een boek was geschreven over de affaireStapel was ik bang dat het een van de vele pogingen zou zijn om hem weg te zetten als een monster, waardoor de discussie over verantwoordelijkheid onnodig is en de universitaire gemeenschap geen blaam treft. Niets is gemakkelijker dan Stapel wegzetten als een demon. Gelukkig heeft Abma zich hierdoor niet laten verleiden. Integendeel, hij ziet hem als een symptoom van een problematische universitaire cultuur, ontspoord door een businessmodel waarin premies worden gezet op het veelvuldig publiceren. Een gerelateerd gegeven wat niet vaak zo scherp wordt weergegeven, is de gespletenheid waar Stapel zelf mee te maken had.6 Hij wist heel goed waar hij mee bezig was, maar zei tegelijkertijd ook dat het systeem waarin hij werkte niet deugde. Hoewel hij het niet eens was met de spelregels van de wetenschap, speelde hij het spel wel mee. Temeer omdat hij cursussen in wetenschapsethiek gaf, geeft dit te denken. Abma bouwt zijn verhaal langzaam op en doet dit op een overtuigende manier. De twee grote oorzaken die hij in hoofdstuk 7 en 8 aan de orde stelt, de mogelijke problematiek van experimenten en de publicatiecultuur, vormen een rode draad door alle voorgaande hoofdstukken en komen dus niet uit de lucht vallen. De twee oplossingen die Abma hiervoor geeft zijn echter niet beide overtuigend. Ondersteund door de gedachte dat goede wetenschap tijd nodig heeft, stelt Abma een maximum aantal publicaties voor.7 Hoewel zijn suggestie tot een quotum aan publicaties aantrekkelijk lijkt, leidt het in praktijk tot de onwenselijke situatie dat Nederlandse wetenschappers in het internationale wetenschappelijke systeem achter blijven op hun buitenlandse collega’s. Bovendien worden wetenschappers die veel willen publiceren op deze manier benadeeld. Hoewel het zo is dat een wetenschappelijke doorbraak tot stand komt door geduldig puzzelen en niet door salami-slicing wetenschap waarin kwantiteit belangrijker is dan kwaliteit, kan concurrentie er ook voor zorgen dat mooie dingen tot stand komen. Zonder te willen doorschieten in het bedrijfsmatig plannen van wetenschappelijke doorbraken en hiermee in het andere uiterste te vervallen, lijkt een quotum geen haalbaar alternatief. Abma’s oproep tot een kritische houding en het leven naar eigen, wetenschappelijke normen is daarentegen iets wat voorzichtig                                                                                                            

Abma, De Publicatiefabriek, 110. Er zijn verschillende initiatieven die draagvlak willen creëren voor ‘langzame’ wetenschap, zoals http://slow-science.org/ (geraadpleegd op 1 september 2013). 6 7

48


Volonté Générale 2013 - n°3

aangemoedigd moet worden.8 Wel moet worden gekeken naar de manier waarop dit wordt gerealiseerd, omdat het vervallen in subjectivisme bij het leven naar ‘eigen’ normen op de loer ligt. Maar laten we door Abma’s overtuigende analyse over de problematische wetenschappelijke cultuur niet vergeten dat fraude begint bij de wetenschapper en niet bij het systeem. De scheidslijn tussen goede en slechte wetenschap is soms flinterdun, zoals Abma ook erkent. 9 De omstandigheden waarin wetenschappers verkeren zijn niet altijd optimaal, maar mijns inziens is een problematische wetenschappelijke cultuur slechts een noodzakelijke en geen voldoende voorwaarde voor wetenschapsfraude. Dit moet mensen er echter niet van weerhouden dit boek te lezen: het leest als een trein en het is bijzonder waardevol voor iedereen die geïnteresseerd is in wetenschap.  | R. Abma, De publicatiefabriek. Over de betekenis van de affaire-Stapel (Vantilt Uitgeverij Nijmegen 2013). ISBN 9789460041242. Paperback € 18,95. Nienke Bos (1991) volgt de master Comparative and European Politics aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Eerder behaalde zij een bachelor Filosofie en zat zij in de denktank European Politics van de Radboud Honours Academy.

                                                                                                           

Men zou kunnen denken aan een variatie op de categorische imperatief, waarin wetenschap niet alleen als middel gezien moet worden, maar ook als doel op zichzelf, zoals geformuleerd in: I. Kant, Groundwork of the Metaphisics of Morals (1785), vertaald en bewerkt door M. Gregor en J. Timmermann (Cambridge 2011). 9 Abma, De Publicatiefabriek, 40. 8

49


Volonté Générale 2013 - n°3

Gekidnapte kinderen en de verscheurde levens van Chinese families Aleid Bisterbosch De documentaire Living With Dead Hearts beschrijft de hopeloze zoektocht van ouders naar hun ontvoerde kinderen in China.1 Ontvoering van kinderen en kinderhandel in China zijn in de afgelopen jaren enorm toegenomen. Er zijn geen betrouwbare statistieken, maar in de documentaire wordt het hoge aantal van 70.000 ontvoeringen per jaar genoemd. De ouders van ontvoerde kinderen zijn vaak ongeschoold, leven in arme gebieden in het binnenland en zijn machteloos. De documentairemakers, echtgenoten Charlie Custer en Leia Li, beschrijven drie verschillende verhalen van ouders die achterblijven met schuldgevoelens en verdriet. Ook onderzoeken de makers wat er gebeurt nadat kinderen ontvoerd zijn. Vaak leggen de kinderen een lange reis af. Ze gaan van handelaar naar handelaar; op de zwarte markt zijn ‘verse weesjes’ waardevol koopwaar. De jongere kinderen zijn geschikt voor adoptie. Oudere kinderen komen terecht in werkkampen, zoals steengroeven, of krijgen een leven op straat, waar ze worden opgenomen in zogenaamde bedelaarsbendes. Meisjes komen dikwijls terecht in de prostitutie. In de documentaire volgen we de families van Liu Jingjun, een jongetje van slechts twee jaar dat weggegrist is uit een steeg, Lei Xiaoxiao, een meisje van twaalf dat nooit op school is aangekomen en Yuan Xueyu, een jongen van vijftien jaar die is verdwenen vanaf een bouwplaats. In alle gevallen zijn de ouders radeloos en wanhopig. Het feit dat Chinese koppels maar één kind mogen hebben maakt het extra schrijnend. Het verhaal van Wang Qingshun laat het probleem vanuit een andere invalshoek zien. Hij, inmiddels dertig jaar, is zelf op vijfjarige leeftijd ontvoerd en vervolgens geadopteerd. Zijn nieuwe adoptieouders wilden graag een zoon en hebben daarom op illegale wijze Wang gekocht. Opvallend aan zijn verhaal is dat omstanders, buren en klasgenoten, destijds wisten van de ontvoering, maar niet aan de bel trokken. De huidige zoektocht van Wang naar zijn biologische ouders is tot nu toe zonder resultaat. Uit alle voorbeelden blijkt dat de politie ernstig faalt in het aanpakken en opsporen van de kinderen. Doordat de politie over het algemeen vrij weinig onderneemt, neemt de wanhoop van ouders sterk toe. In een treffend voorbeeld telefoneert een vader tevergeefs met instanties om te vragen of ze het onderzoek willen voortzetten. Hij wordt van het kastje naar de muur gestuurd en concludeert uiteindelijk: ‘In their eyes and in their hearts, the loss of my child is less significant than a sunflower seed.’ Later in de documentaire komt een andere vader aan het woord: ‘We still lack a strong rule of law in this society. If the rule of law was stronger, this sort of thing couldn’t happen.’                                                                                                             De documentaire Living With Dead Hearts (China 2013) is door de productiemaatschappij Songhua Productions beschikbaar gemaakt op het internet: http://vimeo.com/70711924 (geraadpleegd op 15 augustus 2013). 1

50


Volonté Générale 2013 - n°3

De documentairemakers noemen corruptie, onverschilligheid en het onvermogen van de autoriteiten om iets te doen, als redenen voor het falen van de politie. Er zijn geen netwerken op het gebied van kinderontvoeringen tussen lokale autoriteiten en overheden. In vergelijking met Nederland, wordt er in China nauwelijks aandacht gegeven aan individuele gevallen. In Nederland kan bijvoorbeeld Amber Alert vrijwel direct worden ingeschakeld bij vermissing van een kind. Een positiever geluid komt van ouders die elkaar opzoeken en samenwerken in hun zoektocht naar de kinderen. Hieruit spreekt hoop. Ze maken gebruik van sociale media, lokale tv- en radiostations en flyeren op straat. Zo is er de website baobeihuijia ‘baby kom thuis’ waarop foto’s staan van vermiste kinderen.2 Ook plaatst men op deze website foto’s van kinderbedelaars die op straat leven, in de hoop dat ouders zo zoon of dochter herkennen en terugvinden. Het is de vraag in hoeverre de een-kind-politiek een rol speelt in de toename van kinderontvoeringen. Zijn kinderen door schaarste meer waard? Het maakt het extra onverdraaglijk voor de ouders. Ze mochten slechts één kind en dat raken ze kwijt. De verbeelding van het leed van de ouders wordt versterkt door melancholische muziek en visuele weergaves. Het begin van de documentaire toont een verlaten driewieler met daaromheen een drukke weg met auto’s en heel veel voorbijgangers die gewoon passeren. Het lijkt weer een verwijzing naar de onverschilligheid en het niets doen van omstanders. In de Chinese cultuur is de familieband heel hecht, bekenden en vrienden kunnen rekenen op onvoorwaardelijke steun. Voor onbekenden daarentegen, zullen Chinezen zich minder inspannen. Het is te hopen dat het gemeenschappelijke gevoel voor verantwoordelijkheid nog zal groeien in de harde Chinese samenleving. Sommige beelden uit de documentaire heb ik met verbijstering bekeken. De trieste levensverhalen in de documentaire hebben veel indruk gemaakt. De film is echter niet op alle momenten even boeiend. Sommige scenes zijn vrij langdradig, zoals de beelden waarin ouders op straat flyers uitdelen. Maar dit geeft wel de realiteit weer, en dat is ook de bedoeling van de makers. De essentie is om bewustzijn te creëren en aandacht te vragen voor kinderhandel en het oplopende aantal zaken dat hoogstwaarschijnlijk niet zal worden opgelost. Omdat de documentaire pas recentelijk verschenen is, is het moeilijk te zeggen of zij hier in zullen slagen.  | Living with Dead Hearts (China 2013; Songhua Productions) regie: Charles Custer en Leia Li, genre: documentaire. Aleid Bisterbosch (1989) studeert Chinastudies aan de Universiteit Leiden en heeft enige tijd in China gewoond en gestudeerd.

                                                                                                            2

Beschikbaar via: http://www.baobeihuijia.com/ (geraadpleegd op 15 augustus).

51


Volonté Générale 2013 - n°3

Privacy Joep Willemsen Edward Snowden legde een enorm afluisterschandaal bloot. Het internet – de vrijplaats voor onafhankelijkheid, vrije nieuwsgaring en in sommige landen inmiddels een grondrecht – wordt volledig afgetapt. In de Arabische wereld was het internet de katalysator achter de revoluties en in China worden hele delen van het internet afgeschermd. Het internet is de moderne bedreiging van de macht en een wapen voor vrijheid. In dezelfde periode dat Snowden in Rusland voor een jaar politiek asiel heeft gekregen en er hevige diplomatieke ruzie is tussen Rusland en de Verenigde Staten, is er een terroristische dreiging vanuit Jemen. De geheime agentschappen onderschepten een boodschap van Al Qaida. Uit het gesprek of mailcontact kwam een behoorlijke dreiging naar voren die zorgde voor een terugtrekking van ambassadepersoneel uit heel Jemen en uit een groot deel van de Arabische wereld. Wellicht zijn tientallen levens gered door de onderschepping van de boodschap. Enkele weken geleden deed de politie een inval bij de man van journaliste Michelle Catalano in de Verenigde Staten. De politie vroeg of hij terrorist was en bommen maakte van snelkookpannen. Volledig verbouwereerd ontkende de man vanzelfsprekend. Het bleek dat de man in kwestie op ‘snelkookpan’ en ‘rugzak’ had gegoogled na de aanslagen in Boston. Wellicht een keerzijde van hetzelfde beleid dat pretendeert mensenlevens te beschermen. Wanneer immers dezelfde onderschepping bij de Boston Bombers was uitgevoerd, waren er wellicht mensenlevens gered: een dilemma. Het is een oude discussie: geef je vrijheid op voor privacy of geef je privacy op voor vrijheid. Benjamin Franklin heeft gezegd: ‘Wie bereid is vrijheid voor zijn veiligheid op te geven, zal beide verliezen.’1 Het is een uitspraak die mij in deze discussies altijd bezighoudt. En waar ik het volledig mee eens ben. Het internet is het pamflet van de huidige tijd. Naast ontzettend veel onzin, porno en filmpjes van katten, is het ook een baken van informatie en een vrijplaats van meningen. Nu kranten en traditionele media veelal in bezit zijn van grote beleggers, is het internet het laatste stukje waar echte onafhankelijkheid en diversiteit gegarandeerd kan worden. Het is een krachtig medium dat de maatschappij kan democratiseren en de publieke opinie sneller kan beïnvloeden dan ooit te voren. Hele schandalen worden eenvoudig blootgelegd en de politiek is transparanter geworden door de komst van social media. Het verspreiden van informatie is daarmee praktisch gratis. In veel strakke regimes controleren ze het internet op meningen. In China kom je vast te zitten na een verkeerde tweet (Sina Weibo is de Chinese variant) en Iran heeft ook een broertje dood aan politieke discussies. Waar in verschillende regimes internet vooral gecontroleerd wordt op politiek dreigingen en meningen, wordt in de westerse wereld het internet vooral gecontroleerd op criminaliteit en terrorisme. Wanneer journalisten op dezelfde manier in de gaten gehouden werden als iedere                                                                                                             1

B.Franklin, Historical Review of Pennsylvania (1759).

52


Volonté Générale 2013 - n°3

internetgebruiker, dan zou het land te klein zijn. Nu waait de verontwaardiging redelijk snel over, maar anders was de vergelijking met Nazi Duitsland snel gemaakt. Ondanks dat ik veel waarde hecht aan mijn veiligheid, hecht ik een grotere waarde aan mijn vrijheid. Met alle afgetapte informatie kunnen dwarsverbanden gelegd worden. Je kunt daardoor crimineel worden als je het niet bent. Daarnaast beperkt de sterke controle mensen in hun meningsuiting, het werpt een belemmering op als je niet zeker meer weet dat je anoniem bent. De vrije expressie is juist de kracht van het internet, die moet je groots houden. Het internet moet een vrij toegankelijk en niet gecontroleerd medium blijven, omdat het de mens ruimte geeft voor ontwikkeling. Het aftappen van informatie op de schaal die nu bekend is geworden moet daarom een schending worden van de rechten van de mens. Tot die tijd blijf ik de NSA bellen als ik een back-up nodig heb.  Joep Willemsen (1985) is parlementair historicus.

53



Volonté Générale 2013-3