Issuu on Google+


Volonté Générale 2013 - n°2

Inhoudsopgave

Hoofdredactioneel

3

Reactie

Over welk spook hebben we het precies? 4 Lars Cornelissen Discussieartikelen ‘Wetenschap en religie’

‘God damn it, an entire generation pumping gas, waiting tables – slaves with white collars. Advertising has us chasing cars and clothes, working jobs we hate so we can buy shit we don't need. We're the middle children of history, man. No purpose or place. We have no Great War. No Great Depression. Our great war is a spiritual war. Our great depression is our lives. We've all been raised on television to believe that one day we'd all be millionaires, and movie gods, and rock stars, but we won't. We're slowly learning that fact. And we're very, very pissed off.’ Fight Club (1999) regie: David Fincher, geschreven door: Jim Uhls, gebaseerd op het gelijknamige werk van Chuck Palahniuk.

Wetenschap en religie: spannend of spanningsvol? Theo van de Kerkhof

7

Religie en wetenschap – twee ‘geloven’ op één kussen Yurre Wieken

9

Geen conflict tussen geloof en wetenschap Jeroen de Ridder

13

Artikelen

Wat doet Europa met haar nieuwe bevoegdheden? Vincent Hurkens

17

Cultureel project Europa? Nisha Aslan, Esther van Leijsen, Ruud van der Lugt & Tim Riswick

21


Volonté Générale 2013 - n°2

Depressie bij migranten Roos van der Zwan

26

Politieke passie anno nu Anouk Keune

30

Onderwijsintensivering Sander Weijers

33

Op de automatische piloot als het kan, kritisch alert zijn als het moet. Interview met Jan Bransen

35

Volonté Générale is een tijdschrift voor jonge intellectuelen waarin debat centraal staat. Het doel van dit tijdschrift is de wereld te analyseren en mensen aan het denken te zetten over maatschappij, (wereld)politiek, filosofie, economie, kunst en universiteit. Colofon Hoofd- en eindredactie Martijn van den Boom Gaard Kets Jan Maas Roos van der Zwan

Columns & recensies

Intrinsieke motivatie Jacob van Hoof

41

Nihilisme: een definitie van ontwrichting Ruud van den Beuken

44

Uw dagelijkse politiek-economische analyses Niels Blom

47

Vreemdelingenbeleid Joep Willemsen

49

Medewerkers aan dit nummer Nisha Aslan, Ruud van den Beuken, Niels Blom, Lars Cornelissen, Jacob van Hoof, Vincent Hurkens, Theo van de Kerkhof, Anouk Keune, Esther van Leijsen, Ruud van der Lugt, Jeroen de Ridder, Tim Riswick, Sander Weijers, Yurre Wieken en Joep Willemsen. Contactgegevens email: vlntgnrl@gmail.com internet: www.volontegenerale.nl Aanmelden abonnement Voor gratis digitale toezending kunt u zich via het bovengenoemde emailadres aanmelden. Aanleveren stukken Uitsluitend per email onder vermelding van contactgegevens en een korte persoonsbeschrijving. De hoofdredactie houdt zich het recht voor zonder opgaaf van reden stukken te weigeren. Sluitingsdatum volgende uitgave: 31 juli 2013. Copyright © Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd op welke manier dan ook voor commerciële doeleinden, vraag hiervoor eerst toestemming van de hoofdredactie en de auteur(s).


Volonté Générale 2013 - n°2

Hoofdredactioneel In de vorige editie van dit blad schreven wij in het Hoofdredactioneel: ‘Het jaar is pas een kleine drie maanden oud, maar het belooft nu al opzienbarend te worden’, doelend op de wisseling van de wacht in zowel de Nederlandse monarchie als de katholieke kerk. In deze zin zou ‘opzienbarend’ wellicht nog positief geladen kunnen zijn. Echter, het lopende jaar is inmiddels ook in minder positieve opzichten opzienbarend te noemen. Het CBS maakte onlangs bekend dat de werkloosheid in Nederland wederom is gestegen tot maar liefst 8,2 procent van de beroepsbevolking in april. Onder jongeren is deze stijging zelfs nog sterker. Om het plaatje voor u als lezer nog donkerder te kleuren: de werkloosheid onder hoogopgeleide jongeren is het afgelopen jaar verdubbeld! Dit zijn alarmerende cijfers. Vooralsnog lijkt het paarse kabinet niet bij machte om deze tendens te keren. ‘De economie op gang helpen’ en ‘banen creëren’ stonden blijkbaar niet op het kaartspel van Wouter Bos. Morbide genoeg heeft deze situatie ook voordelen: er zijn genoeg grote en belangrijke problemen waarover gediscussieerd moet worden. Bovendien betekent de hoge werkloosheid dat er steeds meer hoogopgeleide jongeren zijn, die meer tijd kunnen vrijmaken om zich in debatten te verdiepen en zich te informeren over de nieuwste ideeën om ons uit deze crisis te helpen. Met andere woorden: men heeft extra tijd om deze nieuwste editie van Volonté Générale te lezen. En dat komt goed uit, want deze editie is het meer dan waard om gelezen te worden. Er komen twee artikelen voorbij over Europa: Vincent Hurkens bespreekt de bevoegdheden van Brussel en een denktank van de Honours Academy geeft een pleidooi voor de invoering van een Europe Day. Daarnaast onderzoekt Roos van der Zwan de relatie tussen integratie en depressie bij migranten, Sander Wijers analyseert de intensivering van het onderwijs en Anouk Keune, trainee voor de Provincie Gelderland, beschrijft hoe zij deze positie heeft bemachtigd.   In het discussieartikel zal een oude kwestie op moderne wijze worden herzien: de vraag of wetenschap en religieuze beleving compatibel zijn. Na een inleiding van Theo van de Kerkhof zullen Yurre Wieken en Jeroen de Ridder de ‘strijd’ aan gaan. Voor het interview is de redactie op bezoek geweest bij Jan Bransen. Hij breekt een lans voor de terugkeer van gezonde verstand in het dagelijks leven, in de maatschappij en vooral in de wetenschap. Ten slotte wordt het tijdschrift ook deze keer weer gecomplementeerd door scherpe columns, recensies en een indrukwekkende reactie op een artikel uit het vorige nummer van dit blad. Dit alles maakt ons als redactie wederom trots en stemt ons – ondanks alle hierboven genoemde cijfers – hoopvol. Blijf kritisch, blijf denken, blijf schrijven. Ga het debat aan, herzie uw eigen positie en onderneem actie. En geniet van dit nummer van Volonté Générale. Martijn van den Boom Gaard Kets Jan Maas Roos van der Zwan 3


Volonté Générale 2013 - n°2

In het vorige nummer verdedigde Thomas Roode de stelling dat het spook van het communisme weer door Europa waart. Bij het zoeken naar een uitweg uit de huidige economische en politieke crises zou het communisme logische en wenselijke oplossingen bieden. In deze reactie zal Lars Cornelissen proberen aan te tonen dat Roodes geopperde oplossing in feite geen communisme, maar socialisme is. Tevens laat hij zijn kritische licht schijnen over de voorstellen die wel uit communistische hoek komen.

Over welk spook hebben we het precies? Lars Cornelissen In een uitstekend leesbaar artikel in de vorige editie van Volonté Générale geeft Thomas Roode aan dat hedendaagse economische en politieke crises de terugkeer van het communisme rechtvaardigen.1 Hij stelt dat de machtsrelatie tussen de economie en de politiek in voorbije jaren is verschoven, waardoor politieke besluitvorming afhankelijk is geworden is van de grillen van grote bedrijven en marktgiganten. Zijn analyse van het politieke landschap beslaat twee gebieden: macht en ethiek. Op het gebied van macht zijn bedrijven te invloedrijk geworden, zonder dat hun handelen democratisch gecontroleerd wordt. Integendeel zelfs: bedrijven hebben onevenredig veel invloed in politieke affaires – invloed die enkel en alleen bij burgers zou moeten liggen.2 Dan de ethiek. Roode stelt dat bedrijven niet moreel handelen omdat ze op winst gericht zijn en niet op het publieke goed. Bedrijven bevuilen menig ecosysteem en worden hierbij geen strobreed in de weg gelegd. Zulk winstbejag identificeert Roode als één van voornaamste oorzaken van de economische crisis die haar intrede deed in 2008.3 Om de relatie tussen politiek en economie weer op het rechte pad te krijgen is volgens Roode een radicale omwenteling nodig. Hij ziet de nationalisering van sleutelsectoren van de economie (te weten: banken en grote multinationals) als enige oplossing. En dit, aldus Roode, brengt ons terug bij het communisme.4

Nuancering: communisme of socialisme?

Ik heb twee bijdragen te leveren aan dit debat: een nuancering van Roodes oplossing en een vervolgstap aangaande het communisme. Ik sluit mij grotendeels aan bij Roodes analyse van de politieke realiteit. Wereldwijd is ‘De Markt’ een immense machtsfactor geworden. De Markt, wier onzichtbare hand in het neoliberale sprookje geacht wordt de beste samenleving voor iedereen te garanderen, is in werkelijkheid een graaimachine gebleken waar moreel besef ver te zoeken is en waar politiek (welke dan ook) geen grip op weet te krijgen. Banken die om dreigen te vallen door wanbeleid en roofkapitalisme worden gered met miljardeninjecties betaald door niemand minder dan de burger. Om twee                                                                                                            

T. Roode, ‘De terugkeer van het communisme’, Volonté Générale n°1 (2013) 19-23, beschikbaar via: http://www.volontegenerale.nl/post/44550309165/volonte-generale2013-1 (geraadpleegd op 28 april 2013). 2 Roode, ‘De terugkeer van het communisme’, 21. 3 Ibidem, 21-22. 4 Ibidem, 22-23. 1

4


Volonté Générale 2013 - n°2

hedendaagse communisten te parafraseren: neoliberalisme heeft geleid tot socialisme voor de banken en kapitalisme voor het volk.5 Niettemin moet Roodes conclusie worden genuanceerd. Wat Roode voorstelt (nationalisering van sleutelsectoren van de economie) is niet communisme, maar socialisme. Dit onderscheid is van immens belang voor iedereen die zich communist noemt, daar het socialisme historisch gezien heeft geleid tot totalitaire verschrikkingen en horrorregimes. Laten we niet vergeten dat ‘nazi’ de linguïstische afkorting is van ‘nationaal socialisme’. Laten we evenmin vergeten dat de Sovjet-Unie een socialistisch regime was, geen communistisch regime. Socialisme is het gezamenlijke eigendom over de productiefactoren (arbeid, grondstoffen, de natuur, et cetera). Communisme is veeleer een ‘perfecte toestand’ waarin überhaupt geen eigendom bestaat (althans, niet over de productiefactoren). Evenmin is er een staat, een religie of zijn er meerdere klassen. Het Sovjet-socialisme was aanvankelijk door Lenin en de zijnen bedoeld als een overgangsstadium – een zeer tijdelijk regime waarbij de staat al gauw ‘weg zou kwijnen’ om spoedig het ware communisme in te luiden. Laten we tevens even stil staan bij het voorstel dat Roode doet: nationalisering van sleutelsectoren van de economie. Idealiter betekent dit dat banken, de NS, Philips en Shell collectief eigendom zouden worden van het Nederlandse volk, dat daarmee in staat wordt gesteld om de gedragingen van deze bedrijven te sturen en er op toe te zien dat zij handelen in naam van het algemeen goed. Dit klinkt mooi, maar de vraag is of nationalisering daadwerkelijk dit gevolg heeft. Praktisch zou het waarschijnlijk uitmonden in een situatie waarbij de Nederlandse staat de eigenaar wordt van deze sectoren: enorme bedrijven in de handen van Samsom en Rutte. Het laat zich raden dat dit niet per se een goede oplossing is. Hoewel nationalisering soms uitzonderlijk goed werkt (en het tegendeel soms uitzonderlijk slecht – zie de debacles omtrent de NS en ProRail), is er geen garantie dat genationaliseerde banken niet volkomen instorten. Tevens is iedere grote filosoof het erover eens dat macht hoe dan ook corrumpeert. Hoewel dit een autoriteitsargument eerste klas is, was het niet voor niets dat de Russische Revolutie uitmondde in een zeventig jaren voortdurende catastrofe en dat de Franse Revolutie resulteerde in jakobijnse terreur. Kortom, Roodes oplossing krijgt onterecht de naam ‘communisme’ toegewezen. Ik vraag mij af of zijn oplossing wel zo vruchtbaar is als die lijkt. Nationalisering is als ideaal interessant, maar kan in de praktijk evengoed uitmonden in falende economieën of in tirannie.

Vervolgstap: welk spook waart er nu eigenlijk rond?

Roode stelt dat het spook van het communisme weer door Europa waart. Los van de hierboven als foutief gekarakteriseerde stelling dat communisme nationalisering inhoudt, is het toch interessant om te kijken of deze opmerking merites heeft. Er zijn immers enkele communistische auteurs bezig het communisme weer terug op de politiek-filosofische                                                                                                             C. Douzinas en S. Žižek, ‘Introduction: The Idea of Communism’, in: C. Douzinas en S. Žižek ed., The Idea of Communism (Londen en New York 2010) vii. 5

5


Volonté Générale 2013 - n°2

kaart te krijgen. De vraag ‘waart er weer een communistisch spook rond door Europa?’ is dus relevant én interessant om te stellen. Waart het communistische spook weer door Europa? Niet echt. Een handjevol extreemlinks georiënteerde auteurs klampt zich momenteel vast aan het communisme, volhoudend dat de strijd nog niet gestreden is. De auteurs in kwestie zijn (me hierbij beperkend tot de bekendste namen) onder andere Slavoj Žižek, Alain Badiou, Michael Hardt en Antonio Negri. In de politieke filosofie is meermaals de overwinning van liberale democratie over de communistische en socialistische alternatieven uitgeroepen. Er heerst een algemene overtuiging onder politiek filosofen en politicologen dat liberale democratie permanent is. Communisme, daarentegen, is door de totalitaire tragedies van de twintigste eeuw in volledige diskrediet gebracht. Daarom zijn hedendaagse communisten enkel bezig om het begrip ‘communisme’ nieuw leven in te blazen en dat vergt nagenoeg al hun kracht. Helaas zorgt dit ervoor dat zij niet in staat zijn om met concrete plannen te komen, of om een beeld te schetsen van een communisme dat de ‘totalitaire les’ geleerd heeft. De politieke realiteit is er één waar het (neo-)liberale systeem hoogtij viert. Praktisch gezien heeft dit systeem voor schrijnende ongelijkheid, politieke uitsluiting en groteske machtsverhoudingen gezorgd (uit het laatste bestaat uiteraard ook Roodes klacht tegen het huidige politieke klimaat). Economische en daaruit volgende politieke crises laten een kaal en dor politiek en economisch landschap in hun kielzog achter. De groeiende onvrede hierover kan zonder al te veel moeite een ‘spook’ genoemd worden. In alle Europese landen groeien populistische partijen tot grote hoogten, nazistische partijen steken her en der de kop op, graaibankiers en topmanbonussen worden overal met minachting beschimpt; sacre bleu, zelfs in Frankrijk is voor het eerst sinds 1995 weer een socialist tot president gekozen. Spoken alom, hier in Europa. Dat men echter beweert dat het communistische spook er één van is, rust op een verkeerd begrip van wat communisme is. Het feit dat nationalisering tegenwoordig wordt begrepen als communistische politiek is daar een bewijs voor. Dat communisme breed genomen gelijk wordt geacht aan totalitaire ellende is een tweede.

Conclusie

Roode heeft een punt. Zijn aanklacht tegen de hedendaagse ontwrichtte machtsbalans is meer dan terecht. Zijn oplossing slaat echter de plank mis: het geopperde voorstel (nationalisering) is noch datgene wat hij het noemt (communisme), noch echt een verstandige koers. Ook de oplossing die geboden wordt door de mensen die zich wél nog altijd aan het communisme committeren laat vooralsnog te wensen over. Waart er een spook door Europa? Wellicht. Welk spook is dat? Welnu, dat zal de tijd uitwijzen. Communistisch lijkt het in ieder geval niet te zijn.  Lars Cornelissen (1990) is onderzoeksmasterstudent Politieke Filosofie aan de Radboud Universiteit te Nijmegen en tevens actief als politiek-filosofisch blogger op de website Futures of Democracy.

6


Volonté Générale 2013 - n°2

Wetenschap en religie: spannend of spanningsvol? Theo van de Kerkhof Isaac Newton, Albert Einstein, Immanuel Kant. Al deze grote wetenschappers waren gelovig. De gezaghebbende natuurkundige en astronoom Georges Lemaître, grondlegger van de big bang-theorie, was een rooms-katholiek priester. Of neem, meer recent, de Nederlandse nanotechnoloog Cees Dekker: topwetenschapper én overtuigd christen. Je zou dus kunnen zeggen: ‘Hoezo, religie en wetenschap gaan niet samen?’ De praktijk bewijst dat het kan. Maar daartegenover staat natuurlijk een andere praktijk die wel degelijk op een problematische verhouding wijst: creationisten die tegen alle wetenschappelijke rationaliteit in geloven dat de wereld 4000 jaar geleden in zes dagen tijd geschapen is, tegelijk met alle verschillende diersoorten (weg evolutietheorie). Om nog maar te zwijgen van de wetenschappers die door de kerk zijn gedwarsboomd, of regelrecht vervolgd. Een verwijzing naar de praktijk levert gelijk spel op: de stand 1-1. Een andere veel bepleitte benadering van de verhouding geloof en wetenschap is die waarbij de twee vechtersbazen netjes uit elkaar worden gehouden. Beide bestrijken een ander levensdomein, zo wordt gesteld. De een gaat over feiten, de ander over waarden. De een telt en meet, de ander duidt. Beide kunnen daarom principieel niet met elkaar in conflict komen. Geloof en wetenschap is zoiets als kunst en wetenschap; of spel, sport, feest en wetenschap. Kun je wetenschapper zijn en carnaval vieren? Natuurlijk kan dat, zolang het paard van buurvrouw Jansen maar in de gang blijft staan en de wetenschapper niet in beschonken toestand zijn studeerkamer of laboratorium betreedt. De visie van de gescheiden kendomeinen staat bekend als het NOMA-beginsel: Non-Overlapping Magisteria. Ieder heeft zijn eigen gebied waarop men gezagsvol kan spreken. Het gezag van de één kan niet in conflict komen met dat van de ander, zoals de dirigent niet in conflict kan komen de voetbaltrainer. Ze zijn allebei deskundig op hun eigen terrein. Maar toch, hoe elegant ook, het NOMA-beginsel lijkt een noodoplossing, een uitvluchttactiek. Het is alsof twee broers met radicaal verschillende politieke opvatting besluiten om voortaan de lieve vrede te bewaren en elkaar niet langer te bestrijden. Op verjaardagfeestjes wisselen ze slechts beleefdheden uit en risicovolle onderwerpen worden gemeden. Laten we daarom de kwestie op scherp stellen en de volgende vraag op werpen: spreken de gelovige en de wetenschapper uiteindelijk niet over één en dezelfde werkelijkheid? En maken beiden niet aanspraak op een juist begrip en juiste uitleg van die ene werkelijkheid? Wat betekent dit? Als beiden menen zinvol over de werkelijkheid te spreken, hebben beide dan ook niet de plicht om naar elkaars overwegingen te luisteren? Dan wordt het spannend, want de vraag is nu niet meer te ontwijken: is zo’n confrontatie vruchtbaar? Vullen beide kendomeinen elkaar aan? Kunnen beide hun eigen competentiebereik aan elkaar scherpen? Of zal de

7


Volonté Générale 2013 - n°2

confrontatie duidelijk maken dat het ene domein het andere van zijn troon stoot? Dat de één de ander uitsluit? In de bijdragen van Yurre Wieken en Jeroen de Ridder worden deze posities betrokken. Is de wetenschap de overwinning op een achterhaald religieus wereldbeeld dat sinds de Verlichting niet langer redelijk verdedigbaar is? Of bieden beide benaderingen van de ene werkelijkheid een eigen perspectief en hebben we die twee perspectieven hard nodig (en hebben wetenschap en religie elkaar hard nodig) om evenwichtig in het leven te staan? Aan u, geachte lezer, het oordeel.  Theo van de Kerkhof (1958) is theoloog en journalist.

8


Volonté Générale 2013 - n°2

Religie en wetenschap – twee ‘geloven’ op één kussen Yurre Wieken De afgelopen 150 jaar heeft religie steeds meer terrein verloren op de wetenschap. Door de ontdekking van fossielen, genen, celdeling en mutaties is er weinig ademruimte voor het zesdaagse scheppingsverhaal. Desalniettemin blijft de religieuze scheppingsleer – en religie in het algemeen – een hardnekkig fenomeen. Nog steeds woeden er discussies over wat ‘juist’ is: moeten schoolkinderen bijvoorbeeld de evolutieleer of het scheppingsverhaal leren bij het vak biologie? Volgens de NOMA-doctrine (Non Overlapping Magisteria) beslaan religie en wetenschap verschillende filosofische terreinen, waardoor de discussie ertussen zinloos is. Simpel gezegd houdt wetenschap zich bezig met het ‘hoe’ en religie met het ‘waarom’. Dit legitimeert ook de positie van religieuze wetenschappers, onder wie NOMA niet geheel verrassend erg populair is. NOMA is een mooie diplomatieke uitvinding, maar alleen al de kernprincipes van de meeste religies zijn een doodsteek voor de doctrine. Religie houdt zich namelijk voor een belangrijk deel bezig met het ‘magisterium’ van de wetenschap. Door haar scheppingsverhaal, evenals het geponeerde bestaan van een god (toch geen onbelangrijk onderdeel van de meeste religies), doet religie empirische claims. En met empirische claims bevind je je direct op wetenschappelijk terrein. NOMA is dus onhoudbaar. Hier valt tegenin te brengen dat sommige religies geen godsgeloof of scheppingsverhaal kennen, het boeddhisme bijvoorbeeld. Los van het feit dat er om deze reden discussie bestaat of boeddhisme inderdaad wel een religie is (en geen levensfilosofie) is dit überhaupt geen sterk argument. NOMA is immers bedacht in het christelijke Westen en wordt ook voornamelijk daar als argument ingezet. Het christendom heeft uiteraard wel degelijk een godsgeloof en scheppingsverhaal. Daarnaast is toetsbaarheid één van de basisprincipes van de wetenschap. Dit is het bekende falsificatieprincipe van Karl Popper: om wetenschappelijk te zijn, moet een bewering falsifieerbaar zijn. Je moet het tegendeel kunnen bewijzen, anders kun je immers nooit controleren of iets waar is. Het bestaan van God is niet te falsifiëren, want je kunt niet bewijzen dat God níet bestaat, net zoals je niet kunt bewijzen dat Krishna, Ra, Huitzilipochtli, de paashaas en Optimus Prime niet bestaan. You can’t prove a negative. Het Vliegende Spaghettimonster is door satirische atheïsten bedacht om het belang van het falsificatieprincipe aan te tonen. De redenering die zogenaamde ‘pastafarians’ gebruiken om hun ‘geloof’ in het Spaghettimonster te legitimeren is immers exact hetzelfde als die van christenen, moslims, joden en andere gelovigen voor hun god: je kunt niet bewijzen dat hij niet bestaat! De liefhebber kan er The Gospel of the Flying Spaghetti Monster van Bobby Henderson op nalezen. Gelovigen zullen meestal niet serieus op deze vergelijking ingaan en hem wegwuiven als beledigend, maar kunnen niet uitleggen waarom geloof in God verschilt van geloof in het Spaghettimonster. Ja, het Spaghettimonster is

9


Volonté Générale 2013 - n°2

belachelijk, maar dat vinden niet-gelovigen ook van God. Dat er toevallig veel meer mensen in God geloven is natuurlijk ook geen argument. De waarheid bepaal je niet door middel van consensus. Anders is de wereld vroeger écht plat geweest. Om deze reden is het pluriformiteitsargument in het onderwijs ook niet steekhoudend. In diverse Amerikaanse scholen wordt de scheppingsleer samen met de evolutieleer onderwezen, alsof beiden zich op gelijke voet bevinden en ‘wedijverende theorieën’ zijn. Om te beginnen, de term ‘theorie’ wordt door creationisten misbruikt om te suggereren dat evolutie slechts een soort vaag vermoeden van wetenschappers is, waar ook alternatieven voor zijn. Dit is echter een misvatting. Darwins theorie poneert niet het bestaan van evolutie, maar het bestaan van natuurlijke selectie. Evolutie is reeds feitelijk geconstateerd. Het fossielenbestand laat tot in detail zien hoe soorten ontstaan en zich ontwikkelen. Ik zal de lezer niet vervelen met de ingewikkelde Griekse en Latijnse namen van de diverse prehistorische wezens die glashelder de overgang van bijvoorbeeld vissen naar de eerste amfibieën laten zien. Creationisten beweren dat het fossielenbestand vol gaten zit, maar dit is gewoonweg niet waar. Het fossielenbestand is inderdaad incompleet, maar er worden regelmatig nieuwe missing links gevonden. Ook op kortere termijn valt evolutie direct waar te nemen, bijvoorbeeld in de vorm van bacteriën die immuun worden voor antibiotica. Sommige creationisten proberen dit af te vangen met het onderscheid tussen micro-evolutie (kleine evolutionaire aanpassingen binnen een soort) en macro-evolutie (evolutie van de ene naar de andere soort). Micro-evolutie kan, want God heeft Zijn schepping wel opgewassen tegen de veranderende elementen. Macro-evolutie niet. Echter, deze creatieve doch duidelijk wanhopige kunstgreep gaat voorbij aan het feit dat macro-evolutie niets meer is dan de som van microevolutie. Hier schieten creationisten dus niets mee op. Het bestaan van evolutie an sich is dus reeds feitelijk aangetoond. Dan kun je nog discussiëren over het mechanisme waarlangs evolutie plaatsvindt. Darwin stelt natuurlijke selectie voor. Dit is de algemeen aangenomen evolutietheorie: door genetische processen ontstaan tijdens het voortplantingsproces in iedere generatie willekeurige mutaties. Mutaties die nuttig zijn voor het overleven van een organisme (bijvoorbeeld sterkere kaken of een effectievere camouflage) winnen het van nutteloze of schadelijke mutaties, omdat organismen met nuttige mutaties zich succesvoller voortplanten. Er bestaan ook andere theorieën: lamarckisme bijvoorbeeld stelt dat niet alleen willekeurige mutaties tijdens het bevruchtingsproces, maar ook tijdens het leven aangeleerde of verkregen eigenschappen genetisch kunnen worden doorgegeven. Intelligent Design (ID), de creationistische invulling hiervan, lijkt op het eerste gezicht een redelijk religieus alternatief voor de diverse andere invullingen van evolutie. ID erkent het voorkomen van evolutie, maar poneert een ander mechanisme: God stuurt de evolutie bewust aan. Een nog mildere variant van ID erkent zelfs natuurlijke selectie, maar beweert dat God de eerste cellen heeft gecreëerd waar al het leven uit is ontstaan

10


Volonté Générale 2013 - n°2

en verder een passieve toeschouwer is in de dagelijkse praktijk van het leven op aarde. Allemaal leuk en aardig, maar ook ID kan niet op tegen het falsificatieprincipe. ‘Intelligent ontwerp’ veronderstelt immers nog steeds het bestaan van een ontwerper, waarvan het tegendeel niet bewezen kan worden. Dus is religie weer terug bij af. Kortweg gezegd heeft NOMA dus half gelijk, wetenschap en religie houden zich inderdaad bezig met verschillende zaken. Dit betekent echter niet dat zij prima samen kunnen gaan, maar juist het tegenovergestelde. Zolang religie uitgaat van empirische claims die niet toetsbaar zijn is het niet te rijmen met wetenschap in welke vorm dan ook. In het gunstigste geval zou het bestaan van God een hypothese genoemd kunnen worden, maar zelfs dan zou deze wetenschappelijk gezien gebrekkig onderbouwd zijn. Betekent dit dat een gelovige geen wetenschapper kan zijn en dat een wetenschapper niet in God kan geloven? Dat het niet kán is uitgesloten – het komt voor, dus het is mogelijk. De vraag is natuurlijk of het wenselijk is. Mits de wetenschapper werk en privé gescheiden kan houden hoeft het geen probleem te zijn. Wat je gelooft is een privézaak en zolang een wetenschapper bij het uitoefenen van zijn vak volgens wetenschappelijke principes handelt is er geen probleem. Mogelijke fricties tussen geloof en wetenschap zullen zich sowieso beperken tot de natuurwetenschappen, aangezien de empirische claims van religie zich hoofdzakelijk op natuurwetenschappelijk vlak bevinden. Waar het leven op aarde vandaan komt en of er hogere machten bestaan is voor een talenstudie bijvoorbeeld niet zo relevant. Mogen de ethische waarden van religie dan wel invloed hebben op de wijze waarop wetenschap bedreven wordt? Kritische theoretici, bijvoorbeeld feministen en marxisten, laten zich ook leiden door normatieve principes en worden door meer positivistisch ingestelde wetenschappers bekritiseerd wegens hun assumpties over de onderdrukking van vrouwen en lagere sociale klassen. Dit raakt aan een bredere discussie over de rol van waarden in de wetenschap die eigenlijk een apart artikel waard is. Ik persoonlijk vind wetenschap méér dan alleen maar kennis-om-de-kennis. Wetenschap ten dienste van het verbeteren van de maatschappij verdient ook een plaats, al zal niet iedereen het eens zijn over wat een ‘verbetering’ is. Zodoende mag een sociale wetenschapper best uitgaan van religieus geïnspireerde normatieve principes, net zoals een kritische theoreticus dit ook doet. Zolang de bewijsvoering maar voldoet aan wetenschappelijke vereisten als toetsbaarheid. Om een extreem tegenvoorbeeld te gebruiken: bij het bestuderen van internationale betrekkingen is ‘God bewoog de regering om dit besluit te nemen’ uiteraard een onzinnige hypothese. Dan heb je niets te zoeken in de wetenschap. ‘De regering nam dit besluit op religieuze gronden’ kan natuurlijk weer wel, want het bestaan van religie is aan te tonen, evenals mogelijke invloeden die het heeft op het denken en handelen van mensen. Waar het uiteindelijk op neerkomt is secularisme: mits religie en wetenschap van elkaar gescheiden blijven wat onderzoeksmethodologie betreft kunnen wetenschappers best gelovig zijn en vice versa. Iemands

11


Volonté Générale 2013 - n°2

persoonlijke levensovertuiging zegt immers niets over zijn wetenschappelijke integriteit. Wel moet er geen misverstand over bestaan dat die overtuiging zelf geen plaats heeft in het wetenschappelijke discours.  Yurre Wieken (1990) is student Politicologie en lid van het Atheïstisch Verbond

12


Volonté Générale 2013 - n°2

Geen conflict tussen geloof en wetenschap Jeroen de Ridder ‘Christenwetenschappers, ik gun jullie de vrijheid om wat anders te gaan doen,’ zo konden we onlangs lezen in de Volkskrant. 1 Misschien een ingezonden briefje van een fanatieke atheïst die last heeft van een moeizame verhouding met zijn christelijke opvoeding? Nee, deze woorden bleken uit de pen te zijn gevloeid van de chef van de wetenschapsredactie, Maarten Keulemans. Hij reageerde op een manifest waarin 27 christelijke hoogleraren hun steun betuigden aan de Maastrichtse hoogleraar Onno van Schayck. Van Schayck was onder vuur komen te liggen omdat hij in een filmpje op internet had gezegd dat hij 25 jaar geleden een been enkele centimeters had zien groeien, nadat daarom gebeden was in een kerkdienst.2 Begrijpelijkerwijs duidde hij deze gebeurtenis als een wonder. Dat schoot enkele journalisten en wetenschappers in het verkeerde keelgat. Van Schayck, die leiding gaf aan een groot en succesvol onderzoeksinstituut en wiens wetenschappelijk werk volgens alle gebruikelijke criteria uitstekend is, zou een kwakzalvende benenbidder zijn die ‘lak heeft aan de wetenschap’.3 Wie niet beter wist, zou haast gaan denken dat Van Schayck een wetenschappelijke doodzonde had begaan. Een soort Stapeltje. (Je kunt desgewenst de details eenvoudig vinden door even ‘Onno van Schayck’ te googlen.) Deze hele affaire liet weer eens zien dat sommige mensen er diep van overtuigd zijn dat er een inherent conflict bestaat tussen wetenschap en religieus geloof. Ik zal hier betogen dat dit idee een misvatting is, die eerder voortkomt uit antireligieuze ideologie dan uit een nuchtere beschouwing van de werkelijke relatie tussen geloof en wetenschap. Twee korte punten vooraf. Als eerste dit: wil er sprake kunnen zijn van een conflict tussen geloof en wetenschap, dan moeten die twee op de een of andere manier botsen. Dat is niet zo vanzelfsprekend als het lijkt. Wetenschap gaat over feiten: hoe de werkelijkheid in elkaar zit. Voor veel mensen heeft geloof daar niet zo veel mee te maken. Geloof draait om waarden en zingeving. Om wat het goede leven is en wat het leven de moeite waard maakt. Wil er sprake kunnen zijn van een conflict, dan moet je geloof zo interpreteren dat het ook iets zegt over hoe de werkelijkheid in elkaar zit.4                                                                                                            

M. Keulemans, ‘Christenwetenschappers, ik gun jullie de vrijheid iets anders te gaan doen’ (13 maart 2013) beschikbaar via: http://www.volkskrant.nl/vk/nl/ 2672/Wetenschap-Gezondheid/article/detail/3408509/2013/03/13/ Christenwetenschappers-ik-gun-jullie-de-vrijheid-iets-anders-te-gaan-doen.dhtml (te geraadpleegd op 15 mei 2013). 2 Hier na te kijken: Geloof en wetenschap. ForumC, ‘Waarom is er ziekte als God er is?’ (z.d.), beschikbaar via: http://www.geloofenwetenschap.nl/index.php/videoaudio/ item/320-waarom-is-er-ziekte-als-god-er-is?.html (geraadpleegd op 15 mei 2013). 3 Keulemans, ‘Christenwetenschappers’. 4 Zie voor een verdediging van het idee dat geloof en wetenschap ‘niet overlappende magisteria’ zijn: S.J. Gould, Rocks of Ages: Science and Religion in the Fullness of Life (New York 1997). De godsdienstfilosoof D.Z. Philips heeft dit idee het meest systematisch uitgewerkt, zie bijvoorbeeld: Faith After Foundationalism (Boulder CO 1995). 1

13


Volonté Générale 2013 - n°2

Tweede punt: het is een laat negentiende-eeuws verzinsel dat je in de geschiedenis een voortdurende strijd ziet tussen geloof en wetenschap. De Griekse filosofie heeft de wetenschap ook behoorlijk dwarsgezeten; de christelijke Middeleeuwse cultuur heeft niet alleen universiteiten voortgebracht maar ook het zaad gezaaid voor de moderne wetenschap; in het conflict tussen Galileo en de kerk speelden hoofdzakelijk nietwetenschappelijke factoren; en onder Darwins vroegste aanhangers waren ook tal van gelovigen – om maar eens een paar klassiekers te noemen. Het werk van gerenommeerde historici als Ronald Numbers, John Hedley Brooke, James Hannam en anderen laat zien dat de historische feiten geen steun bieden aan de conflictthese.5 Wat zou het conflict tussen geloof en wetenschap dan precies moeten inhouden? Volledigheid is hier onhaalbaar, maar ik stip drie onderwerpen aan die je vaak tegenkomt als voorbeelden: evolutie, wonderen en hersenwetenschap. Darwins evolutietheorie laat zien hoe mensen en alle andere levende wezens op aarde uit elkaar zijn ontstaan via een geleidelijk proces van miljoenen jaren, waarin toevallige mutaties en natuurlijke selectie de hoofdrol spelen. Ziehier het conflict: gelovigen denken dat een bovennatuurlijke schepper een jaar of 6000 geleden mensen, dieren en planten allemaal apart op aarde heeft geplant, nadat hij eerst de rest van het universum had gemaakt. Zo simpel is het niet. Er zijn inderdaad wel gelovigen die het Bijbelboek Genesis letterlijk interpreteren en die hun interpretatie zelfs met wetenschappelijk onderzoek proberen te staven (vooral in Amerika is dit creationisme prominent aanwezig), maar onder ontwikkelde gelovigen is dit uitzonderlijk. De meesten van hen zien geen probleem in het idee dat mensen langzaam geëvolueerd zijn uit andere diersoorten. Ze houden het erop dat God dit hele proces achter de schermen leidde of begeleidde.6 Meer dan een eeuw geleden zei Abraham Kuyper al: ‘Had het dus God belieft niet zelf soorten te scheppen, maar soort uit soort te doen opkomen, doordat Hij de voorafgaande soort op de productie van de hoger volgende had aangelegd, de Schepping zou er even wonderbaar om zijn.’7 Maar misschien is een God achter de schermen van evolutie ook onacceptabel. Mutaties zijn immers toevallig en daar kan dus geen God aan te pas komen. Hier komt het erop aan precies te zijn over wat we bedoelen met het woord ‘toevallig’. In de biologie betekent het niet meer of minder dan dat er geen relatie is tussen mutaties en de                                                                                                            

J.H. Brooke, Science and religion. Some historical perspectives (Cambridge 1991); D. Lindberg en R.L. Numbers (ed.), When science and christianity meet (Chicago 2003); R.L. Numbers, Galileo goes to jail and other myths about science and religion (Cambridge, MA 2009); J. Hannam, God’s philosophers. How the medieval world laid the foundations of modern science (Londen 2010). 6 Zo bijvoorbeeld: F. Collins, The language of God. A scientist presents evidence for belief (New York 2006); R. Fransen, Gevormd uit sterrenstof. Schepping, ontwerp en evolutie (Vaassen 2009); T. Smedes, God en Darwin (Amsterdam 2009). Voor discussie, zie: W.A. Dembski & M. Ruse (ed.), Debating Design (Cambridge 2004); R. Pennock (ed.), Intelligent Design Creationism and Its Critics (Cambridge, MA 2001). 7 A. Kuyper, Evolutie. Rede bij de overdracht van het rectoraat aan de Vrije Universiteit op 20 October 1899 gehouden (Amsterdam 1899) 42. 5

14


Volonté Générale 2013 - n°2

overlevingskansen van het organisme. Mutaties kijken niet vooruit: er is geen fysiek mechanisme dat vooraf uitzoekt wat goed zou zijn voor het organisme en dat dan probeert voor elkaar te krijgen.8 Als dit is wat ‘toevallig’ betekent, dan is er echter geen probleem met denken dat God toch op de een of andere manier evolutie in door hem gewenste banen leidt. Hij doet dat dan blijkbaar niet via opzichtig micromanagement, want biologen kunnen er geen patroon in ontdekken, maar het zou best kunnen dat hij het proces wel op hoofdlijnen bestuurt.9 Wonderen dan. Heeft wetenschap niet aangetoond dat wonderen onmogelijk zijn? Natuurwetten gelden toch onverbiddelijk en bieden geen ruimte aan uitzonderingen? Lopen over water, opstaan uit de dood, aangroeiende benen en andere rariteiten waar gelovigen het over hebben kunnen dus helemaal niet. Wie daar toch in gelooft, moet wel botsen met wetenschap. Ongetwijfeld overdrijven sommige gelovigen wel wat op dit punt. Ze zien overal wonderen en lijken over God te denken als een vrolijke tovenaar die wonderen uitdeelt zoals Sinterklaas cadeaus. Zo’n opvatting is inderdaad moeilijk te verenigen met een wetenschappelijke kijk op de wereld. Dat betekent echter nog niet dat iemand die wetenschap serieus neemt wel moet geloven dat wonderen absoluut onmogelijk zijn. Je kunt als gelovige denken dat natuurwetten beschrijven hoe de wereld normaliter werkt, dat wil zeggen zo lang God niets bijzonders doet. Omdat wonderen zo uitzonderlijk zijn, is het verleidelijk om te denken dat de natuurwetten geen uitzonderingen toelaten. Maar voor wie gelooft dat God de schepper is van het hele universum inclusief de natuurwetten, ligt het voor de hand om ook te geloven dat God prima in staat is om soms speciaal in te grijpen.10 Neurowetenschap heeft de laatste decennia een hoge vlucht genomen. De breinboeken vliegen je om de oren. Je zou als volgt kunnen redeneren: al dat hersenonderzoek laat zien dat menselijk bewustzijn uiteindelijk niet meer is dan een bijproduct van onze hersenen. Geen geest zonder hersenen. Het religieuze idee van een ziel die overleeft nadat wij dood gaan is dus absurd.11 Ook deze redenering is veel te kort door de bocht. De nuchtere waarheid is dat we, ondanks al het hersenonderzoek en in weerwil van de retorische spin waarmee het omgeven is, nog altijd geen idee hebben van hoe een enorme collectie van neuronen bewustzijn, subjectiviteit, een ‘ik’ en allerlei andere elementen van ons geestelijke leven voort zouden kunnen brengen. Er zijn theorieën en hypothesen, maar ze zijn stuk voor stuk onzeker en problematisch. Het filosofische lichaam-geest probleem                                                                                                            

E. Sober, ‘Evolution without naturalism’, in: J. Kvanvig, Oxford studies in philosophy of religion 3 (2011) 187–221. 9 Zie voor meer discussie: A. Plantinga, Where the conflict really lies (Oxford 2012) 3–63. 10 Meer hierover in: Plantinga, Conflict, 65–125 en T. McGrew en L. McGrew, ‘The Argument from Miracles’, in: W.L. Craig and J.P. Moreland (ed.), The Blackwell Companion to Natural Theology (New York 2009) 593–662 11 Aldus bijvoorbeeld: D. Swaab, Wij zijn ons brein (Amsterdam 2010) en V. Lamme, De vrije wil bestaat niet (Amsterdam 2011). 8

15


Volonté Générale 2013 - n°2

blijft vooralsnog een ongekraakte code.12 Daarom is het voorbarig om te stellen dat het idee van een immateriële ziel, die los van het lichaam kan bestaan, absurd is.13 Afgezien daarvan is het nog maar de vraag of religie zielen nodig heeft. In de christelijke traditie, die ik zelf nu eenmaal het beste ken, behelst het leven na de dood niet dat zielen in de hemel rondzweven, maar dat er een nieuwe aarde komt waarop mensen met een nieuw lichaam eeuwig leven. Zelfs als hersenwetenschap aannemelijk zou maken dat onze ‘ziel’ helemaal voortkomt uit onze hersenen, hoeft dat dus nog geen conflict op te leveren met religie.14 Tot slot: je zou kunnen denken dat de tot nu toe besproken concrete onderwerpen de kern niet raken. Het conflict tussen wetenschap en religie zit misschien op een algemener niveau: tussen een religieus en wetenschappelijk ‘wereldbeeld’, of tussen een religieuze en wetenschappelijke ‘houding’. Ook dat geloof ik niet. Sterker nog, een religieus wereldbeeld kan juist een kader bieden waarin de mogelijkheid van wetenschap begrijpelijk is en wetenschap ook een bepaalde zin heeft. Gedacht vanuit de christelijke traditie maakt het bestaan van God het begrijpelijk dat er een geordend universum is waarin intelligente en verantwoordelijke wezens zoals wijzelf leven. Dit is dan niet bedoeld als een soort superwetenschappelijke verklaring voor de mogelijkheid van wetenschap, maar het laat wel zien hoe geloof en wetenschap samen in een breder wereldbeeld passen. De conclusie is kort en goed: er is geen conflict tussen geloof en wetenschap als zodanig. Wel is er een conflict tussen geloof en wetenschap die vermengd wordt met extra atheïstische aannames. Maar dat kan niemand verbazen. Dr.ir. Jeroen de Ridder (1978) is NWO Veni onderzoeker en universitair docent wijsbegeerte aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Samen met een aantal collega's geeft hij leiding aan het Abraham Kuyper Center for Science and Religion aan de VU, dat regelmatig lezingen en debatten over wetenschap en de grote vragen organiseert.

                                                                                                           

D. Chalmers, The conscious mind. In search of a fundamental theory (Oxford 1996); C. McGinn, The mysterious flame. Conscious minds in a material world (New York 1999); T. Nagel, Mind and cosmos. Why the materialist neo-Darwinian conception of nature of is almost certainly false (New York 2012). 13 Voor recente pleidooien voor de ‘zielhypothese’ die rekening houden met hersenwetenschap, zie: M.C. Baker en C. Goetz, The soul hyopthesis. Investigations into the existence of the soul (Londen 2011) en R. Swinburne, Mind, brain, and free will (Oxford 2013) 14 Christenen die verdedigen dat de mens geen immateriële ziel heeft, zijn onder anderen: P. van Inwagen, Material beings (Ithaca, NY 1995); H. Hudson, A materialist metaphysics of the human person (Ithaca, NY 2001); T. Merricks, Objects and persons (New York 2003); K. Corcoran, Rethinking human nature. A Christian materialist alternative to the soul (Grand Rapids, MI 2006). 12

16


Volonté Générale 2013 - n°2

Wat doet Europa met haar nieuwe bevoegdheden? Vincent Hurkens Europa staat er slecht voor. Vijf jaar na het uitbreken van de financiële crisis is er nog steeds geen definitief economisch herstel in zicht. Alle politieke energie is de afgelopen jaren in economisch crisismanagement gestoken. Met weinig succes, want ook al is de ondergang van de euro voorlopig afgewend, de werkloosheid en armoede zijn onaanvaardbaar hoog en stijgende. Bovendien komt Europa door het permanente crisismanagement nauwelijks toe aan het formuleren van effectieve oplossingen voor de grote uitdagingen van de toekomst: grondstoffenschaarste, vergrijzing, concurrentie met opkomende economieën en klimaatverandering. Het continent verliest aan welvaart, stabiliteit en invloed in wereld. Het is dan ook begrijpelijk en terecht dat het ongenoegen van mensen over de situatie in Europa steeds luider wordt. Dit ongenoegen over de abstractie ‘Europa’ richt zich in het Nederlandse publieke debat meestal op het proces van Europese integratie. Opiniemakers en politici overschreeuwen elkaar om te bewijzen dat zij de Nederlandse soevereiniteit het beste verdedigen tegen toenemende bemoeienis van de Europese Unie (EU). Het burgerinitiatief van ‘Burgerforum EU’ dat dankzij steun van meer dan 50.000 handtekeningen op de agenda van de Tweede Kamer kwam, is daar een voorbeeld van. De petitie beklaagt zich over de 'sluipende overdracht van bevoegdheden aan de EU' en vond steun bij veel Nederlandse eurokritische politici.1 De lidstaten hebben op een aantal terreinen inderdaad belangrijke nieuwe bevoegdheden naar het Europese niveau verplaatst om de grote financiële en economische problemen in een aantal eurolanden het hoofd te kunnen bieden en een nieuwe crisis te voorkomen. Gezien de slechte economische situatie in Europa kan deze aanpak niet als succesvol worden beschouwd. Maar is dat falen veroorzaakt door het feit dat de problemen naar het Europees niveau werden getild? Of ligt het aan de inhoud van de politieke besluiten die werden genomen? Het is de hoogste tijd dat we de Europese besluitvormers gaan beoordelen op hun inhoudelijke politieke keuzes, in plaats van ons blind te staren op de scheidslijn tussen nationale en Europese zeggenschap.

Nieuwe bevoegdheden, nieuwe politieke keuzes Laat ik de belangrijkste gevallen van de afgelopen jaren langslopen waarin zeggenschap van het nationale naar het Europese niveau werd overgedragen. Welke politieke keuzes werden gemaakt? Ten eerste werd het Europees toezicht op de begrotingen van EU-lidstaten verstevigd door een herziening van het stabiliteits- en groeipact. De Europese                                                                                                            

1 Deze petitie is beschikbaar via: https://www.burgerforum-eu.nl/ (geraadpleegd op 29 mei 2013).

17


Volonté Générale 2013 - n°2

Commissie kreeg meer grip op de naleving van begrotingsdiscipline en het afbouwen van staatsschulden. Voor deze inperking van nationale beleidsvrijheid bestaat een goede reden. Een euroland dat zijn eigen schulden niet meer kan financieren, vormt een gevaar voor de stabiliteit van het sterk verweven financiële systeem van alle eurolanden.2 Toch zorgt het aangescherpte stabiliteitspact voor veel onvrede in Nederland. Niet zozeer onvrede over het stellen van perk en paal aan het gesjoemel en onhoudbare uitgavenpatroon van Griekenland, maar over het feit dat Nederland zelf midden in een recessie steeds harder moet bezuinigen om aan het pact te voldoen. Het hervormde stabiliteitspact concentreert zich te sterk op het inperken van overheidsuitgaven op de korte termijn en biedt te weinig ruimte voor publieke investeringen, die belangrijk zijn om de economie op langere termijn te versterken. Hoewel het pact voorziet in flexibiliteit om minder te bezuinigen in uitzonderlijke gevallen, wordt die flexibiliteit pas te laat en te weinig gebruikt door Eurocommissaris Rehn. Deze tekortkomingen van het stabiliteitspact zijn niet het resultaat van toegenomen zeggenschap van de EU over begrotingsbeleid, maar van de aard van de gemaakte afspraken. De belangrijkste politieke spelers die het begrotingstoezicht ontwierpen en uitvoerden – het Duits-Franse tandem ‘Merkozy’, Eurocommissaris Olli Rehn, Commissie-president Barroso en de meerderheid van het Europees Parlement – deelden de politiek-ideologische overtuiging dat strikte begrotingsdiscipline goed is voor de economie. De conservatieve en liberale dominantie van de Europese instituties heeft een politieke invulling gegeven aan de begrotingsafspraken die heel anders had kunnen zijn als progressieve en linkse politici de hoofdrol hadden gespeeld.3 Naast het begrotingstoezicht kreeg de EU ook meer zeggenschap over het bredere economische beleid van lidstaten door de aanpak van zogenaamde ‘macro-economische onevenwichtigheden’. Onder andere de huizenmarkt, belastingpolitiek, arbeidsmarkt en de financiële sector zijn daardoor onderwerp geworden van Europese besluitvorming. Ook die machtsoverdracht is onontkoombaar om europroblemen in de toekomst te voorkomen. Anders dan in het geval van Griekenland, waren de problemen in Ierland, Spanje, Cyprus niet zozeer het resultaat van te hoge publieke uitgaven, maar van een instabiele financiële sector, huizenbubbels of een verslechterde concurrentiepositie. Maar ook de aanpak van deze problemen is een zaak van inhoudelijke politieke keuzes. Zo sturen de Europese Commissie en de Raad van Ministers er op aan om het minimumloon in Frankrijk en Slovenië te verlagen om die landen concurrender te maken ten opzichte van met name Duitsland. Duitsland werd door diezelfde Commissie en Raad echter niet aangesproken op zijn beleid van excessieve loonmatiging                                                                                                            

2 S. Verhelst, The Reform of European Economic Governance: Towards a Sustainable Monetary Union? (Gent 2011). 3 In de cruciale fase van de Europese crisisaanpak behoorden 23 van de 27 Eurocommissarissen, 22 van de 27 regeringsleiders en 409 van de 754 Europarlementariërs tot de Europese Volkspartij (EVP), Europese conservatieven (ECR) of de Alliantie van Liberalen en Democraten (ALDE).

18


Volonté Générale 2013 - n°2

en het ontbreken van een minimumloon. 4 Deze eenzijdige en sociaal onwenselijke race to the bottom is een politieke keuze waarvoor een alternatief bestaat. Bijvoorbeeld door meer nadruk te leggen op andere factoren die de concurrentiepositie van landen bepalen, zoals de efficiëntie van het gebruik van kostbare grondstoffen of het opleidingsniveau van de beroepsbevolking. Ook hier is de politieke invulling van de versterkte bevoegdheden van de EU cruciaal. Een derde voorbeeld van machtsoverdracht die euroscepsis heeft aangewakkerd is de optuiging van de Europese noodfondsen om leningen te verstrekken aan de noodlijdende eurolanden. Drie jaar na de eerste lening aan Griekenland kunnen we vaststellen dat de trage en twijfelende aanpak in het verlenen van steun de onzekerheid over de kredietwaardigheid van andere eurolanden niet heeft kunnen wegnemen. Bij de problemen in Ierland, Portugal, Spanje en Cyprus moest er eveneens financiële steun aan te pas komen. De politieke keuze voor een groter noodfonds, de invoering van euro-obligaties of een grotere rol van de Europese Centrale Bank hadden het vertrouwen van de markten in de euro vergroot en verdere besmetting van de Griekse problemen mogelijkerwijs kunnen voorkomen. De keiharde bezuinigingen die noodlijdende landen kregen opgelegd in ruil voor leningen hebben weinig oog voor sociale rechtvaardigheid. Bovendien zijn ze gebaseerd op onrealistische economische prognoses, die keer op keer moeten worden bijgesteld.5 Politici met een andere overtuiging hadden de herstelplannen voor de noodlijdende eurolanden fundamenteel anders kunnen vormgeven. Tenslotte heeft recentelijk een vierde overdracht van bevoegdheden plaatsgevonden met het besluit tot het vormen van een Europese bankenunie. Giftige leningen in het bezit van Spaanse of Cypriotische banken bleken net zo goed een risico te zijn voor Nederland of Duitsland, als voor Spanje en Cyprus zelf. Alleen Europees toezicht kan voorkomen dat de overige eurolanden bij moeten springen op het moment dat slap nationaal toezicht faalt. Ook bij deze overdracht van bevoegdheden heeft de angst voor ‘soevereiniteitsverlies’ alle aandacht opgeëist in het Nederlandse publieke debat.6 Daardoor was er nauwelijks aandacht voor belangrijke keuzes die moesten worden gemaakt in het ontwerp van de bankenunie. Bijvoorbeeld de kwestie hoe het bankentoezicht door de onafhankelijke Europese Centrale Bank onder goede democratische controle komt te staan. En hoe voorkomen wordt dat het bankentoezicht geen definitieve wig drijft in de Europese Unie tussen lidstaten die wel en niet lid worden van de bankenunie.                                                                                                            

4 Landen-specifieke aanbevelingen Europese Commissie 2012, beschikbaar via: http://ec.europa.eu/europe2020/making-it-happen/country-specificrecommendations/index_en.htm (geraadpleegd op 29 mei 2013). 5 J. A. Frankel & J. Schreger, Over-optimistic Official Forecasts and Fiscal Rules in the Eurozone (Boston 2013). 6 Verslag Tweede Kamer debat Europese Raad 5 juli 2012, beschikbaar via: http://www.trouw.nl/tr/nl/4500/Politiek/article/detail/3282150/2012/07/05/DebatEU-top-Rutte-belooft-Kamer-inspraak-bij-bankensteun.dhtml (geraadpleegd op 29 mei 2013).

19


Volonté Générale 2013 - n°2

Kritiek op instituties of op politici? Dat er meer besluitvorming op Europees niveau plaatsvindt, is onontkoombaar door de verwevenheid van de EU-lidstaten en de eurolanden in het bijzonder. De obsessie met het verdedigen van nationale zeggenschap in het Nederlandse Europa-debat maskeert een veel belangrijkere vraag: wat wordt er precies in Europa besloten en door wie? Een teleurgestelde kiezer die de Nederlandse regering na vier jaar falend beleid zat is, zal niet beginnen over de verdeling van bevoegdheden tussen de nationale overheid en lagere overheden. Hij zal de politieke partijen, die volgens hem de verkeerde keuzes hebben gemaakt, afstraffen. Op dezelfde manier zou het goed zijn als critici van de Europese politiek hun pijlen richten op diegenen die aan het stuur zitten van de Europese instituties in plaats van de schuld te schuiven naar de instituties zelf. Voordat mensen de Europese politiek op gelijke manier kunnen afrekenen op falend beleid zoals in de nationale politiek, zijn democratische hervormingen van de Europese Unie nodig. Het is ondoenlijk voor mensen om grip te krijgen op de Europese politiek als 27 ministers van regeringsleiders achter gesloten deuren, met 27 verschillende wensen nationale parlementen in het achterhoofd, de belangrijkste besluiten nemen. Belangrijke besluiten zoals een redding pakket voor Griekenland, de mate van flexibiliteit in de naleving van begrotingsnormen of de richting van economische hervormingen in probleemlanden, moeten onder controle komen te staan van direct gekozen volksvertegenwoordigers in het Europees Parlement. Eurocommissarissen moeten individueel weggestuurd kunnen worden op het moment dat een meerderheid van Europarlementariërs het vertrouwen in hun opzegt. Op die manier worden zij duidelijk gebonden aan de politieke wil van een democratische meerderheid. Ook de media zullen meer inzicht moeten verschaffen in de politieke keuzes die besluitvormers in de EU nemen, zodat mensen zien wie en wat er precies schuilgaat achter een ‘Brussels besluit’. De verkiezingen voor het Europees Parlement in mei 2014 zijn de eerstvolgende gelegenheid om voor de Nederlandse kiezer om een oordeel over de crisispolitiek te vellen. Maar dan moet de verkiezingscampagne over iets anders gaan dan over meer of minder Europa zoals dat in 2009 het geval was. Het moet gaan over een inhoudelijke visie op de belangrijkste politieke keuzes die in Europa aan besluitvormers voorliggen. Het moet gaan over de vraag welke politieke koers de Europese Unie moet varen. Niet over bevoegdheden, maar over wat we met die bevoegdheden gaan doen.  Vincent Hurkens (1984) studeerde politicologie in Nijmegen en Berlijn en is werkzaam in het Europees Parlement.

20


Volonté Générale 2013 - n°2

Cultureel project Europa? Nisha Aslan, Esther van Leijsen, Ruud van der Lugt & Tim Riswick Ongeveer een jaar geleden werd een twaalftal studenten geselecteerd voor deelname aan de denktank European Culture, in het kader van het honoursprogramma Reflections on Science van de Nijmeegse Radboud Universiteit. Het gemêleerde gezelschap bestond uit zeven Nederlandse en vijf Hongaarse studenten, met studieachtergronden variërend van Moleculaire Levenswetenschappen tot Geschiedenis en van Informatietot Literatuurwetenschap. De aftrap van het onderzoeksproject vond plaats in Nijmegen tijdens de zomer van 2012 toen de denktankgenoten elkaar voor het eerst leerden kennen. De Hongaarse Europarlementariër György Schöpflin initieerde tijdens deze week het project door op onderhoudende wijze zijn visie op het bijzonder complexe en veelzijdige thema ‘Europese cultuur’ uiteen te zetten. Zodoende bood hij de leden van de groep het noodzakelijke houvast voor hun eigen verkenning van het onderwerp. In dit artikel een verslag van het pas afgeronde onderzoeksproject, met onder meer aandacht voor solidariteit en invented traditions.

Culturele crisis Hoe kan het begrip ‘cultuur’ gedefinieerd worden? Wat bedoelen we eigenlijk met Europa? Bestaat er zoiets als ‘een Europese cultuur’? En, zo ja, waar bestaat die dan uit? In het beginstadium van het project werd onze denktank geconfronteerd met deze en aanverwante complexe vragen. Doorslaggevend voor de koers van het onderzoek werd uiteindelijk het betoog van György Schöpflin, die een nadrukkelijke relatie legde tussen enerzijds de huidige economische en politieke problemen waar Europa (de Europese Unie) op dit moment mee te kampen heeft en anderzijds wat Europa’s ‘culturele crisis’ genoemd zou kunnen worden. Deze crisis manifesteert zich volgens hem onder meer in een op vooroordelen gefundeerd Euroscepticisme, alsmede een algeheel gebrek aan solidariteit tussen de lidstaten van de Unie. De oorspronkelijke raison d'être van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) was uitdrukkelijk politiek en economisch van aard: het zodanig vervlechten van de Europese economieën dat de kans op het ontstaan van nieuwe gewapende conflicten geminimaliseerd zou worden. Mede dankzij de recente ontwikkelingen is de EU uitgegroeid tot een omvangrijke economische en politieke actor op wereldschaal.1 Met dit in het achterhoofd ontwikkelde zich binnen de denktank vervolgens interesse voor de vraag in hoeverre de Europese Unie inmiddels eveneens als een soort ‘sociaal-cultureel’ (beleids)project kan worden beschouwd. De mythe wil namelijk dat Jean Monnet op een zeker moment stelde dat hij cultuur een centralere positie zou hebben gegeven als hij de kans had gekregen het begin van het ‘project Europa’                                                                                                             1

J. Hermans, Uitgerekend Europa. Geschiedenis van de Europese integratie (Amsterdam 2000).

21


Volonté Générale 2013 - n°2

over te doen.2 Heeft deze gedachte ertoe geleid dat de eerdere marginale rol van cultuur wordt ‘gecompenseerd’ in de huidige beleidsactiviteiten van de EU? En zo ja, op welke wijze gebeurt dat? Welke initiatieven onderneemt de EU bijvoorbeeld als het gaat om domeinen als onderwijs, taal en de kunsten? En liggen hier wellicht gemiste kansen om iets van de verloren Europese solidariteit in ere te herstellen?

Culturele institutionalisering De volgende opgave bestond uit het vinden van een geschikt begrippenkader dat voldoende toegankelijk moest zijn voor ieder lid van de denktank, gegeven hun verschillende achtergronden. Tegelijkertijd moest de focus inclusief genoeg zijn om een breed scala aan onderwerpen in de analyse op te kunnen nemen. Zo was er vanuit de groep interesse voor een variëteit aan subthema’s, waaronder othering (hoe definieert de EU zich als culturele entiteit vis-à-vis landen of continenten?), Europees kunstbeleid, maar bijvoorbeeld ook de rol vertolkt door Europese symbolen. Op basis van deze criteria is er uiteindelijk voor gekozen om gebruik te maken van een conceptueel kader ontwikkeld door de Finse geograaf Anssi Paasi. Hij onderscheidt een viertal institutionaliseringfasen (of dimensies) binnen het ‘wordingsproces’ van administratieve territoriale entiteiten. In de eerste plaats richt hij zich op regio’s. Maar ook de ontwikkeling van institutionele territoria die zich op een hoger schaalniveau begeven, waaronder de EU, kunnen met Paasi’s begrippenkader geduid worden. Allereerst is er de ontwikkeling van de territoriale vorm, waarmee de grenzen van de entiteit in kwestie vastgesteld worden. De tweede dimensie bestaat uit de totstandkoming van regionale instituties en hun beleidsactiviteiten. De derde fase is de ontwikkeling van een geheel aan symbolen, waaronder bijvoorbeeld ook de naam van de regio valt. In de laatste fase worden de activiteiten uit de eerdere drie fasen herhaald en gereproduceerd, om zo tot een ‘verankerde’ regio te komen, die zowel door insiders als outsiders erkend wordt.3 Binnen de door onze denktank uitgevoerde analyse is vervolgens, waar relevant, specifiek op zoek gegaan naar de culturele dimensies van het Europese institutionaliseringproces. Als het gaat om het territorialiseringssproces van de EU zien we dat de Europese toetredingscriteria op de eerste plaats een economisch en politiek karakter hebben. Op basis hiervan kunnen we stellen dat de EU zich nog steeds vooral als een politiek en economische entiteit beschouwt, zonder dat er sprake lijkt te zijn van een duidelijke cultureel proces van othering.4 De EU als verenigd in culturele verscheidenheid. Toch kan met name het feit dat                                                                                                            

M. Sassatelli, ‘The European Cities of Culture. Europeanization and cultural policy’, European Societies 10 (2008) 225-245. 3 A. Paasi, ‘Deconstructing regions: Notes on the scales of spatial life’, Environment and Planning A 23 (1991) 239-256. 4 Criteria voor toetreding bij de EU, zoals beschreven door de Europese Commissie, beschikbaar via: http://ec.europa.eu/enlargement/policy/glossary/terms/accessioncriteria_en.htm (geraadpleegd op 11 april 2013). 2

22


Volonté Générale 2013 - n°2

Turkije nog altijd geen lidstaat is, en dat op korte termijn ook niet zal worden, gezien worden als een sterke aanwijzing dat cultuur wel degelijk een criterium van betekenis is. Er lijkt dan ook een grens te zijn aan de hoeveelheid culturele diversiteit die door de EU als acceptabel wordt beschouwd.5 Een grens die voorlopig tussen Bulgarije en Turkije ligt. De rol van cultuur binnen het ‘wordingstraject’ van de EU komt nadrukkelijker naar voren wanneer we een blik werpen op de tweede dimensie van het institutionaliseringproces: de ontwikkeling van een institutioneel kader en de verschillende beleidsinitiatieven die daarmee gepaard gaan. Het ondersteunen van Europese stedenbanden, de aanwijzing van een Europese hoofdstad van cultuur en de uitreiking van Europese prijzen voor onder meer muziek, architectuur en literatuur zijn enkele voorbeelden van activiteiten die erop wijzen dat cultuur binnen deze fase inmiddels een centrale plaats heeft verworven. Nog veel meer middelen, ongeveer zeven miljard euro in de periode 2007-2013, worden echter besteed aan educatieve activiteiten. Wellicht is het bekendste beleidsinitiatief in dit verband ERASMUS, een in 1987 opgestart uitwisselingsprogramma voor universitaire studenten. Opgemerkt moet worden dat de EU sterk beperkt is in wat het op cultureel gebied kan bewerkstelligen. Cultuur, en als afgeleide hiervan, onderwijs, blijft toch vooral het domein van de individuele lidstaten. Voortdurend wordt in beleids- en visiedocumenten dan ook de boodschap benadrukt die al in het Verdrag van Rome (1957), te lezen viel: ‘The Union shall contribute to the development of quality education by encouraging cooperation between Member States and, if necessary, by supporting and supplementing their action, while fully respecting the responsibility of the Member States for the content of teaching and the organisation of education systems and their cultural and linguistic diversity.’

De derde fase van het institutionaliseringproces bestaat uit de ontwikkeling van het geheel aan ‘regionale’ symbolen. Deze zijn bedoeld om te dienen als een gedeeld ‘ervaringskader’, als de uitdrukking van gemeenschappelijke verwachtingen en tradities. De Europese Unie hanteert een viertal officiële symbolen, in de vorm van het Europese volkslied, de vlag, het Europese motto (United in Diversity) en Europa Dag (Europe Day), die samen de Europese eenheid, solidariteit, samenwerking en harmonie onder de Europese burgers moeten representeren.6 Ten slotte is er de voortzetting en reproductie van de hierboven kort beschreven fasen, waarbij het uiteindelijke doel is de regio als het ware te verankeren in het ‘sociale bewustzijn’ van haar inwoners. Op basis van een grootschalige enquête, in 2007 gehouden onder een                                                                                                            

S. Akçomak. ‘Opinion: Differences between the EU and Turkey greatly exaggerated’ (2008). Beschikbaar via: http://www.merit.unu.edu/archive/docs/hl/200610_200610_akcomak. pdf (geraadpleegd op 11 april 2013). 6 J. Fornäs, Signifying Europe (Bristol 2012) 76-85. 5

23


Volonté Générale 2013 - n°2

representatieve selectie van inwoners van de EU, blijkt dat de EU inmiddels als een belangrijke culturele actor wordt beschouwd. Burgers van de verschillende lidstaten hechten een groot belang aan bijvoorbeeld uitwisselingsprojecten met een cultureel karakter en erkennen de EU als een partij die hierbij een belangrijke faciliterende rol zou moeten spelen. Anderzijds stellen zij ook dat Europa te divers is om te kunnen spreken van het bestaan van een duidelijk te identificeren ‘Europese cultuur’.7 Het mag dan ook weinig verrassend zijn dat de initiatieven die meer expliciet gericht zijn op het creëren van een common sense of belonging, nog geregeld op scepsis en kritiek rekenen, niet in de laatste plaats om hun ‘artificiële’ karakter. Het lijkt er dan ook op dat de EU, als sociaal-cultureel project, nog altijd op zoek is naar de juiste balans tussen de toch enigszins gevoelige en controversiële notie van ‘eenheid’ enerzijds, en het op zichzelf enigszins holle concept van ‘diversiteit’ anderzijds. Exemplarisch is dat de Duitse president Joachim Gauck recentelijk voorstelde Engels tot de gedeelde taal van de EU te maken om zo een groter gemeenschapsgevoel te ontwikkelen, maar daarbij ook uitdrukkelijk aangaf dat deze ambitie niet zou hoeven te botsen met het streven van de EU om ook de Europese taalvariëteit verder te stimuleren.8

Europe Day Vanwege de variëteit aan onderzoeksinteresses zoals die binnen de denktank te vinden was, is ervoor gekozen de nadruk binnen deze beschrijvende analyse wat meer op verkenning en breedte dan detail en diepte te leggen. Helaas was het hierdoor niet mogelijk om aandacht te besteden aan de geschiedenis van alle dimensies van het Europese culturele institutionaliseringsproces. Om het onderzoek toch ook van een wat meer concreet karakter te voorzien, is er gezocht naar een aanbeveling voor hoe het culturele beleid van de EU mogelijkerwijs verbeterd kan worden. Hierbij is uiteindelijk gekozen om Europe Day als case-study onder de loep te nemen. Deze dag is op dit moment een relatief onbekend Europees symbool, dat in het teken staat van het vieren van vrede en eenheid binnen de EU. In essentie is ons voorstel om deze invented tradition een veel explicietere culturele dimensie te geven dan nu het geval is. Hierbij dient, in lijn met het huidige culturele institutionaliseringsproces, de Europese culturele diversiteit volledig gerespecteerd te worden, maar wordt tevens een aantal gemene delers niet over het hoofd gezien. In praktijk behelst ons voorstel dat er op Europe Day verschillende evenementen georganiseerd worden in een groot aantal Europese steden, evenementen die het motto van de EU weerspiegelen: Europa als United in Diversity. De activiteiten zouden daarom ook een reflectie moeten zijn van datgene wat Europese lidstaten op cultureel gebied gemeen hebben, en wat ze van elkaar onderscheidt. Daarbij zouden de activiteiten niet                                                                                                            

European Commission, ‘European Cultural Values’, Special Eurobarometer 278 (Brussels 2007). 8 K. Connolly, ‘German president: make English the language of the EU’, The Guardian (22 februari 2013), beschikbaar via: http://www.guardian.co.uk/world/2013/feb/22/germanpresident-pleads-britain-stay-eu (geraadpleegd op 11 april 2013). 7

24


Volonté Générale 2013 - n°2

enkel aantrekkelijk en toegankelijk moeten zijn voor Europese burgers van alle leeftijden en achtergronden, maar ook voor niet-Europeanen. Een eerste concrete suggestie omvat de organisatie van een beurs in deelnemende steden, met bijvoorbeeld een open markt waarin alle landen hun nationale keuken presenteren, en waarbij concerten en andere culturele shows worden georganiseerd. Andere initiatieven kunnen lokale en nationale sporten centraal stellen, als een soort immaterieel cultureel erfgoed en een manier om mensen met elkaar te verbinden. Ook zou informatievoorziening een belangrijke rol moeten spelen, door bijvoorbeeld debatten te organiseren over de toekomst van de EU en door musea die elementen van Europese geschiedenis en cultuur vertonen gratis (of tegen gereduceerd tarief) toegankelijk te maken. Universiteiten en kerken kunnen een bijdrage leveren door lezingen te organiseren. Ten slotte zou, om het belang van culturele diversiteit tot uitdrukking te brengen, een internationale wedstrijd plaats kunnen vinden, in de vorm van een soort ‘Culturele Olympische Spelen’ of wellicht door een soort ‘Spel zonder Grenzen’ nieuw leven in te blazen. Concluderend zijn wij als denktank van mening dat initiatieven als Europe Day tot op heden onbenutte kansen bieden een groter wederzijds cultureel bewustzijn en begrip te creëren tussen de inwoners van de verschillende Europese lidstaten. Dit kan beschouwd worden als een essentiële stap in het incrementele proces gericht op het oplossen van de huidige ‘culturele crisis’, die onder meer gekenmerkt wordt door vooroordelen en een gebrek aan solidariteit. Uiteraard is ook Europe Day niet meer dan een invented tradition, een weldoordacht product van het Europese beleidsapparatus. Toch heeft de geschiedenis uitgewezen dat ook tekentafeltradities, mits zij de tijd krijgen om zich te ontwikkelen en gemeengoed te worden, wel degelijk een positief verschil kunnen maken als het gaat om het creëren van wederzijds vertrouwen en solidariteit. En waarom zou dark horse Europe Day niet deze rol voor Europa op zich kunnen nemen?  De auteurs van dit artikel zijn allen lid van de denktank European Culture, welke onderdeel is van het Raboud Honours Academy programma Reflections on Science. Nisha Aslan (1987) volgt de master Conflicts, Territories & Identities. Esther van Leijsen (1989) volgt de onderzoeksmaster Cognitive Neuroscience. Ruud van der Lugt (1988) volgt de master Urban & Cultural Geography. Tim Riswick (1989) volgt de onderzoeksmaster Historische Wetenschappen.

25


Volonté Générale 2013 - n°2

Depressie bij migranten Roos van der Zwan In de media is het meeste nieuws over migranten negatief en gericht op het gebrek aan integratie of de hoge criminaliteitscijfers onder jonge Marokkanen. De belevingswereld van de migranten zelf komt helaas minder vaak aan bod. Wat doet het met deze ‘Turkse en Marokkaanse Nederlanders’ – de nieuwste term voor allochtonen – om in Nederland te wonen? Volgens de psycholoog John W. Berry kunnen er culturele en psychologische veranderingen plaatsvinden als verschillende culturen met elkaar in contact komen, ook wel acculturatie genoemd.1 Dat migranten in Nederland tussen twee culturen leven en hoe lastig dat kan zijn, is bekend. De gevolgen van het aanpassen aan een nieuwe samenleving zijn daarentegen onderbelicht. De eerste generatie moest zich aanpassen in een vreemd land, de tweede generatie moet een balans zien te vinden tussen de cultuur van het land van hun ouders en de cultuur van het land waar ze zijn geboren. Bij sommigen gaat dat goed, bij anderen wat minder. Problemen als gevolg van het leven tussen twee culturen kunnen zich op verschillende manieren uiten. Een voorbeeld is via externaliserende problemen, zoals criminaliteit of gedragsproblemen. De hoge criminaliteitscijfers onder jongeren van de tweede generatie zijn welbekend. Internaliserende problemen zijn er echter ook, zoals depressie en schizofrenie. Het blijkt dat Turkse en Marokkaanse Nederlanders vaker last hebben van psychische problemen dan autochtone Nederlanders. Marian Driessen concludeert dat ruim dertig procent van de Turkse en Marokkaanse Nederlanders een minder goede geestelijke gezondheid heeft.2 Onder autochtone Nederlanders ligt dit percentage rond de dertien procent. Dit grote verschil tussen de twee bevolkingsgroepen wijst op reële problematiek. Niet alleen in Nederland komt dit voor, ook andere Europese landen hebben migrantengroepen die vaker last hebben van psychische klachten dan de autochtone bevolking.

Verklaringen

Migranten hebben over het algemeen een slechter psychisch welzijn, waarom dat het geval is, blijft echter onduidelijk. Er zijn enkele factoren bekend die de verschillen in het geestelijk welzijn gedeeltelijk verklaren. Mensen met een slechtere sociaal-economische status, bijvoorbeeld een lage opleiding, hebben vaker psychische klachten dan mensen met een betere sociaal-economische status. Gezien het lage opleidingsniveau van migranten en de vaak slechtere positie op de arbeidsmarkt, valt het op basis van de bovengenoemde relatie te verwachten dat zij meer                                                                                                             J.W. Berry, ‘Immigration, acculturation, and adaption’, Applied Psychology: An International Review 46 (1997) 5-68. 2 M. Driessen, Geestelijke ongezondheid in Nederland in kaart gebracht. Een beschrijving van MHI-5 in de gezondheidsmodule van het permanent onderzoek leefsituatie (Den Haag 2011) beschikbaar via: http://www.cbs.nl/NR/rdonlyres/EF66D80A-C019-4EF0-8D134A54999C37EE/0/2011geestelijkeongezondheidinNederlandinkaartgebrachtart.pdf (geraadpleegd 22 mei 2013). 1

26


Volonté Générale 2013 - n°2

psychische klachten ervaren. Zelfs als er met dergelijke factoren rekening wordt gehouden, blijven er verschillen bestaan tussen allochtone en autochtone groepen. Als gevolg van migratie zullen migranten en hun kinderen in meer of mindere mate vasthouden aan de culturele waarden, normen en gebruiken van de herkomstgroep. Ook zullen ze in meer of mindere mate participeren in de ontvangende samenleving en de culturele waarden, normen en gebruiken hiervan overnemen. Volgens Berry bestaan er vier strategieën van acculturatie. 3 Ten eerste kan men kan kiezen – of gedwongen worden te kiezen – voor assimilatie. Er is dan weinig tot geen identificatie met de cultuur van het land van herkomst en veel identificatie en participatie in de ontvangende samenleving. De tweede strategie is integratie, in Nederland ook wel ‘integratie met behoud van eigen identiteit’ genoemd. Er is dan zowel identificatie met de eigen cultuur en land van herkomst als met de ontvangende samenleving en bijbehorende cultuur. Als men zich vooral identificeert met de eigen etnische groep en niet met de ontvangende samenleving, de derde strategie, wordt dat separatie genoemd. Tot slot is men gemarginaliseerd als er geen identificatie is met beide culturen en samenlevingen. Het is onduidelijk of acculturatie daadwerkelijk een verband heeft met psychische klachten, zoals depressies. Tevens is het onduidelijk welke strategie dan een positieve of negatieve invloed heeft. Berry zelf stelt dat integratie de beste strategie is voor het psychisch welzijn. Integratie met behoud van eigen identiteit was in de jaren 1990 populair beleid in Nederland, maar wordt nu niet meer als wenselijk gezien. De laatste jaren ligt de nadruk op participatie en lijkt er te worden gestreefd naar assimilatie. 4 Dat integratie met behoud van eigen identiteit de beste strategie is, is daarnaast niet duidelijk bewezen. Het balanceren tussen twee culturen kan stressvol zijn. Wel zijn onderzoekers het erover eens dat marginalisatie de slechtste strategie is voor het psychisch welzijn.

Sociale en culturele integratie

Specifieke aspecten van integratie hangen samen met de verschillende acculturatiestrategieën en kunnen wellicht samenhangen met psychische klachten. Sociale integratie is het contact met leden van de eigen etnische groep en contact met autochtonen. Culturele integratie heeft betrekking op identificatie met de eigen etnische herkomst en met Nederland, taalbeheersing en leven volgens de islam. Sociale integratie is een belangrijke beschermende factor tegen depressie. Vriendschap en het hebben van een sociaal netwerk zorgt voor een goede psychische gezondheid. Goede contacten kunnen emotionele steun bieden, mocht dat nodig zijn. Migranten hebben uiteraard vaak een netwerk bestaande uit zowel allochtonen als autochtonen.                                                                                                            

J. W. Berry, ‘Acculturation: Living successfully in two cultures’, International Journal of Intercultural Relations 29 (2005) 697-712. 4Integratienota ‘Integratie, binding en burgerschap’ Ministerie van Binnenlandse Zaken (Den Haag 2011) beschikbaar via: http://www.rijksoverheid.nl/documenten-enpublicaties/notas/2011/06/16/integratienota.html (geraadpleegd 22 mei 2013). 3

27


Volonté Générale 2013 - n°2

In het verleden werden de Nederlandse en Canadese samenlevingen gezien als het prototype van de multiculturele samenleving waarin ruimte was voor ‘integratie met behoud van eigen identiteit’.5 In het huidige integratiebeleid wordt een sterkere nadruk gelegd op het actief participeren van nieuwkomers in de maatschappij en wordt er in meer dwingende termen gesproken over (culturele) aanpassing aan de Nederlandse samenleving. 6 Het is daarom niet vanzelfsprekend dat ‘integratie met behoud van eigen identiteit’ – en daarmee het zowel het onderhouden van contacten met de eigen etnische groep als met autochtone Nederlanders – de beste acculturatiestrategie is. Die strategie werkt alleen als er ook vanuit de ontvangende samenleving genoeg steun voor is. Het kan daarnaast leiden tot verschillende verwachtingen van de migranten over hoe zich te gedragen. Familie en vrienden verwachten een bepaald gedrag, op school of werk wordt weer ander gedrag verwacht. Als deze verwachtingen tegenstrijdig zijn, kan dat leiden tot stress en depressieklachten. Culturele integratie wordt door Dagevos gedefinieerd als: ‘de mate waarin de cultuur van een allochtone groep “afwijkt” van die van de ontvangende samenleving, dan wel de mate van “culturele aanpassing” van een allochtone groep aan de cultuur van de ontvangende samenleving.’7 Etnische identificatie en het naleven van religieuze normen worden gezien als belangrijke indicatoren van culturele integratie en mogelijk van invloed op depressieklachten. Etnische identificatie kan wederom zorgen voor zowel een beter psychisch welzijn als voor een slechter welzijn. Gegeven dat het Nederlands integratiebeleid zich het laatste decennium steeds verder van het multiculturalisme heeft verwijderd en steeds meer nadruk legt op (gedwongen) culturele aanpassing, is het de vraag of (nu nog steeds) juist een sterke culturele gerichtheid op de eigen groep bescherming biedt tegen depressieklachten. Het is aannemelijk dat – net zoals bij het zowel onderhouden van sociale contacten met leden van de etnische herkomstgroep als met autochtone Nederlanders – juist bij migranten die zich zowel met de herkomstgroep identificeren als met de ontvangende samenleving psychische problemen ontstaan als gevolg van het balanceren tussen twee culturen. Religie zou juist wel moeten beschermen tegen depressieklachten. Hoewel er vooral onderzoek is gedaan naar de positieve effecten van christelijke religies op depressieklachten, is het aannemelijk dat ook de islam beschermend werkt. Net als sociale contacten, kan een religie zorgen voor emotionele steun.                                                                                                            

H. Entzinger, ‘The rise and fall of multiculturalism: The case of the Netherlands’, in: C. Joppke & E. Morawska ed., Toward assimilation and citizenship (Basingstoke 2003) 59-86. 6 Integratienota 2007-2011. Zorg dat je erbij hoort! Ministerie VROM/WWI (Den Haag z.d.) beschikbaar via http://www.rijksoverheid.nl/documenten-enpublicaties/brochures/2007/11/01/integratienota-2007-2011-zorg-dat-je-erbij-hoort.html (geraadpleegd op 25 mei 2013); M. Coenders e.a., ‘More Than Two Decades of Changing Ethnic Attitudes in the Netherlands’ Journal of Social Issues 64 (2008) 269-285. 7 J. Dagevos, Perspectief op integratie. Over de sociaal-culturele en structurele integratie van etnische minderheden in Nederland. WWR Werkdocumenten W 121 (Den Haag 2001) 20, beschikbaar via: http://www.wrr.nl/fileadmin/nl/publicaties/DVD_WRR_publicaties_19722004/W121_Perspectief_op_integratie.pdf (geraadpleegd op 22 mei 2013). 5

28


Volonté Générale 2013 - n°2

Onderzoeksresultaten

In het kader van het disciplinaire honoursprogramma, deed ik onderzoek naar de relatie tussen depressieklachten en de sociale en culture integratie van migranten. Hoewel migranten een grote rol spelen in onze samenleving en regelmatig in de media worden bediscussieerd, is er weinig (kwantitatieve) onderzoeksdata van en over die migranten zelf. In de NELLS (Nederlandse Levensloop Studie) is een grote groep Turkse en Marokkaanse Nederlanders geïnterviewd over een verscheidenheid aan onderwerpen.8 Deze unieke data in combinatie met het schaarse onderzoek naar psychische klachten onder migranten, bood een interessante opening voor een nieuwe studie. Het onderzoek heeft tot enkele interessante resultaten geleid. Ten eerste blijken Turkse en Marokkaanse Nederlanders inderdaad meer last te hebben van depressieklachten dan autochtone Nederlanders. Dit is zowel het geval bij de eerste als de tweede generatie. Wordt er rekening gehouden met de bekende determinanten van depressie en structurele kenmerken van de mate van integratie – geslacht, leeftijd, opleidingsniveau en arbeidsmarktpositie – dan verandert het beeld. Marokkaanse Nederlanders van de tweede generatie verschillen niet langer in de mate van depressieklachten van autochtone Nederlanders. Een opvallende bevinding, omdat Marokkaanse Nederlanders van de eerste generatie en Turkse Nederlanders van zowel de eerste als de tweede generatie nog wel meer depressieklachten ervaren dan de autochtone Nederlanders. Ook tussen deze groepen en de autochtone Nederlanders zijn de verschillen in depressieklachten echter een stuk kleiner geworden. Tussen de Turkse en Marokkaanse Nederlanders en tussen de tweede generaties zijn er geen substantiële verschillen in depressieklachten. Wel blijkt dat contact met autochtone Nederlanders depressieklachten vermindert. Diepgaande contacten met zowel autochtone Nederlanders als met leden van de eigen etnische groep verminderen depressieklachten eveneens. Sociale integratie (vooral gericht op autochtone Nederlanders) lijkt daarmee positief te werken voor het psychisch welzijn. Tegen de verwachting in, lijkt religie geen invloed te hebben op depressieklachten. Turkse en Marokkaanse Nederlanders die zich sterker identificeren met Nederland rapporteren minder depressieklachten. Maar ook migranten die meer nadruk leggen op hun eigen etnische identiteit hebben minder last van depressieklachten dan migranten die hier minder de nadruk op leggen. Het lijkt daarmee noch een extra beschermende werking te bieden, noch nadelig te zijn indien men zich zowel (sterk) met Nederland als (sterk) met de etnische groep identificeert. Er zijn dus geen aanwijzingen dat het balanceren tussen twee culturen risico verhogend werkt voor depressieklachten.  Roos van der Zwan (1990) is socioloog en deed onder begeleiding van dr. Jochem Tolsma onderzoek naar de relatie tussen integratie en depressie bij migranten in het kader van het disciplinaire honoursprogramma aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

                                                                                                           

P. M. de Graaf e.a., ‘Design and content of the NEtherlands Longitudinal Lifecourse Study (NELLS).’ Research report. (Tilburg & Nijmegen 2010). 8

29


Volonté Générale 2013 - n°2

Politieke passie anno nu Anouk Keune Alweer bijna zeven jaar geleden stapte ik vol goede moed een Nijmeegse collegezaal binnen voor mijn eerste college oudheid. Van de crisis was nog geen sprake; zelfs een historicus vond toch zeker binnen een half jaar wel een (leuke) baan. Maar de banken vielen, het vertrouwen nam af, de bezuinigingen namen toe en de banen verdampten. Ach, dat zou wel overwaaien. Toch? Tijdens mijn studie leek de arbeidsmarkt nog ver weg. Solliciteren, daar was ik nog niet klaar voor. Eerlijk gezegd maakte ik me ook geen zorgen. Die baan, die kwam er wel en ik wilde de jaren voor die baan vullen met een studie die mij vermaakte, inspireerde en verder liet kijken dan de wereld die ik kende. Mijn keuze voor Geschiedenis was snel gemaakt, maar wat biedt die studie met oog op de toekomst? Deze vraag zou mij de daaropvolgende zes jaar achtervolgen. De vier jaren van mijn bachelor vulde ik met vakken van Geschiedenis, Engelse letterkunde, Amerikanistiek en een educatieve minor. Ik was voor een jaar bestuurslid, nam plaats in verschillende (feest)commissies en werkte als vrijwilliger bij RTV Arnhem. Van enige vorm van richting was nog geen sprake. Ik deed wat ik leuk vond en dat moest genoeg zijn. Ik koos voor een brede master en werd een ‘van-alleseen-beetje-kunner’. Na de eerste master kwam een tweede master: een gerichte master met een duidelijke focus. Het had 5 jaar geduurd, maar eindelijk wist ik wat ik waar mijn hart lag. Politiek was mijn passie en de master Politiek & Parlement gaf kleur aan mijn politieke droom.

En dan een baan… Half november wees een vriendin me op een traineeship bij de Provincie Gelderland. Ze zochten tien flexibele, creatieve, resultaatgerichte generalisten. Mijn mondhoeken krulden op, want ik had in de voorgaande jaren ontzettend mijn best gedaan een generalist te worden. Ik wist van zo veel, zo weinig. Hoewel de eerste woorden voor mijn scriptie nog niet op papier stonden, besloot ik te solliciteren. Het was in ieder geval een goede sollicitatietraining en wie weet zou ik er nog iets van opsteken. Nooit geschoten… toch? Zo schreef ik, nog vol enthousiasme en met mijn politieke droom in mijn achterhoofd, mijn eerste - echte sollicitatiebrief. Een eerlijke brief vol passie en ambitie en eerlijk gezegd dacht ik dat het daar bij zou blijven. Mijn verbazing was dan ook groot toen ik werd uitgenodigd voor de eerste ronde. Wat moest ik aan? Waar moest ik het over hebben? Wat doet de Provincie eigenlijk? Ik had slechts enkele dagen om mij met deze vragen bezig te houden, want binnen een week stond ik op de trappen van het Huis der Provincie in Arnhem voor drie speeddates. Na drie vluchtige gesprekken met drie voor mij nog altijd onbekende gezichten - die mij trouwens niet beplakten met onaardige rode of prijzende groene stickers - en het invullen van een vragenlijst over mijn ambities, dromen en persoonlijkheid, verliet ik na ongeveer een uur het gebouw. Die middag volgde het e-assessment. Ik en 49 anderen

30


Volonté Générale 2013 - n°2

werden uitgenodigd om deze gevarieerde vragenlijst eerlijk in te vullen. ‘Er bestaan geen foute antwoorden.’ Tientallen gewetensvragen schoten over mijn beeldscherm. Leid of volg ik liever? Vind ik sporten ontspannend, leuk of doe ik het omdat het moet? Liever in het middelpunt of toch meer een muurbloempje? Liegen kon niet, want ik wist niet waar ‘zij’ precies naar zochten en dus vulde ik maar eerlijk de vragenlijst in. In dit geval duurde eerlijkheid niet zo lang. Binnen enkele dagen kreeg ik bericht. Ik werd uitgenodigd voor de laatste ronde: een gesprek en een presentatie over mijn passie en ambitie bij de Provincie. De zenuwen sloegen toe. Dagen twijfelde ik met welke passie ik de selectiecommissie het meest zou overtuigen. Was politiek als passie niet teveel een open deur? Zal ik liegen en vol gedrevenheid vertellen over hoe ik mijzelf kan verliezen in een goed boek? Koken, is dat geen cliché? Of zal ik gewoon eerlijk vertellen dat sneeuw mij gelukkig maakt? Diep geconcentreerd werkte ik uren aan mijn prezi (alle hippe snufjes helpen) over mijn voorliefde voor politiek. En zo presenteerde ik ‘hen’ op een koude winterochtend om kwart over acht, zwetend voor een openhaard al wiebelend op mijn hoge hakken met knikkende knieën, mijn passie. Dat het hierop volgende gesprek met twee HR managers het zwaarst woog, hoorde ik vijf minuten na aanvang van het gesprek. Er was geen weg meer terug! Daar zat ik dan, vol overgave mezelf te zijn. En ook ik kreeg eindelijk een ‘stickertje’. Ik was volgens de MBTI persoonlijkheidstest de geheimzinnige code ENFJ. “Je mag thuis opzoeken wat dat betekent”. Was een ENFJ’tje zijn goed, of goed genoeg? Eén e-assessment, één presentatie over mijn passie, één gesprek en tien dagen later was in trainee bij de Provincie Gelderland. Ik had geschoten en het was raak!

Recept voor succes? Nu, enkele maanden later, denk ik zo af en toe nog even terug aan vrijdagavond 14 december ongeveer 21.20 uur. Mijn telefoon ging en ik schrok. Een Arnhems nummer, zou dat de Provincie zijn? Ik was zo blij, maar ook oprecht verrast. De weken na dit telefoontje stelde verschillende mensen, maar ook ikzelf, de vraag: waarom en hoe? Op de vraag ‘waarom ik?’ kan ik tot op de dag van vandaag geen volledig en helder antwoord geven. Wat ik wel weet, is dat ik pas binnen de groep trainees en dat ik houd van mij werk bij de Provincie. Dit traineeship is voor mij niet enkel een eerste baan, maar mijn eerste droombaan. Hoe ik en niet die 940 anderen deze baan heb gekregen? In ieder geval niet, in tegenstelling tot mijn collega werkzaam als trainee bij de Toekomst van Brabant,1 door eindeloos intelligentietestjes te doen; ik heb geen diagrammenreeks gezien. Ook heb ik niet gepoogd de ondoorgrondeljike geest van de HRM-er te doorgronden. Ik ben enkel die enthousiaste, bevlogen, betrokken historica gebleven. Ik heb in geen enkel antwoord over mijzelf                                                                                                            

R. Lauret, ‘Politieke theorie? Loket 4’, Volonté Générale n°1 (2013) 24-26, beschikbaar via: http://www.volontegenerale.nl/post/44550309165/volonte-generale-2013-1 (geraadpleegd op 27 mei 2013). 1

31


Volonté Générale 2013 - n°2

gelogen en heb geen seconde getwijfeld of ik juist zou zijn voor deze baan; ik wilde deze baan zo graag! Daarnaast kan ik met volle overtuiging zeggen dat mijn keuze voor de opleiding Geschiedenis de juiste keuze is geweest. De vaardigheden die ik gedurende mijn, aan focus ontbrekende, studietijd heb opgedaan helpen mij dagelijks in mijn werk. Voor de mensen die benieuwd zijn naar mijn IQ; ook de Gelderse trainees hebben nadat ze waren aangenomen als onderdeel van hun assessment een IQ-testje gedaan. Mijn IQ is niet hoger dan WO gemiddeld. Ik blink niet uit in het maken van cijferreekjes en heb geen uitzonderlijk ruimtelijk inzicht. Daarnaast heb ik nog nooit een boek met de theorieën achter deze weinig inspirerende opgaven opengeslagen. Elke baan kent een andere selectie, elke selectiecommissie stelt andere eisen en binnen elk traineeship zoekt men naar specifieke eigenschappen. De één plakt stickers, de ander tekent vinkjes achter een naam en weer een ander geeft je een vierletterige code mee. Wat werkt voor de één, mislukt faliekant bij een ander. Maar niet geschoten is altijd mis. Geloof in elk geval bij ieder schot dat je lost dat je kunt raken. Als jij het al niet gelooft, waarom zouden ‘zij’ dat dan wel doen…  Anouk Keune (1988) is historica en is als trainee werkzaam bij de Provincie Gelderland.

32


Volonté Générale 2013 - n°2

Onderwijsintensivering Sander Weijers Al enkele jaren moet volgens menig politicus de kwaliteit van het hoger onderwijs in Nederland omhoog. Terwijl de economische crisis door raast en tal van bezuinigingen worden doorgevoerd in het hoger onderwijs, besloot voormalig staatssecretaris van onderwijs Halbe Zijlstra dat het maar eens afgelopen moet zijn met de, volgens hem heersende, zesjescultuur. De Nederlandse studenten moeten weer excelleren. In 2011 werd dan ook besloten dat alle bachelor studies, ter bevordering van de kwaliteit, een minimaal aantal contacturen moeten hebben. In de praktijk zou dit vooral betrekking hebben op de alfa en gamma wetenschappen, de bèta’s hadden al ruimschoots genoeg contacturen per week. Vanaf het studiejaar 2012-2013 is dit idee op de Radboud Universiteit tot uitvoering gebracht, waardoor de hedendaagse bachelor student minimaal vijftien contacturen per week heeft. Dat er wordt gestreefd naar een hogere kwaliteit van het onderwijs zal niemand tegen staan, het is alleen de vraag of onderwijsintensivering hier daadwerkelijk aan bij draagt. Het aanbieden van meer contacturen lijkt op het eerste gezicht de kwaliteit van het hoger onderwijs in de bachelor fase te verbeteren. Docenten hebben de ruimte om dieper in te gaan op de leerstof, kunnen meer tijd steken in het beantwoorden van vragen van studenten en hebben de mogelijkheid om discussies aan te gaan. Studenten krijgen meer colleges en dus meer leerstof aangeboden, waardoor er simpel gezegd meer kennis wordt overgedragen. Dat het voor de student zwaarder wordt om een vak bij te houden, doet niet af aan het feit dat de kwaliteit van het onderwijs op papier door deze maatregel zou moeten worden verbeterd. Het instellen van een minimaal aantal contacturen doet al snel denken aan de gevreesde ‘ophok uren’, maar de meeste hoorcolleges zijn doorgaans niet verplicht. Het bij wonen van hoorcolleges behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de student. Hoe gemakkelijk verzonnen ook, in eerste instantie lijkt het erop dat deze maatregel de kwaliteit van het hoger onderwijs zou moeten verbeteren. Dit neemt echter niet weg, dat er nog eens kritisch kan worden nagedacht over de werkelijke effectiviteit van meer contacturen. Waar deze maatregel ten eerste te kort schiet, is de gedachte dat studenten tijdens college de hele tijd hun volledige aandacht voor het lesmateriaal hebben. Het aanbieden van meer colleges voor een geslaagde bevordering van de kwaliteit van het onderwijs hangt voor een deel af van de participatie van studenten tijdens deze colleges. Een onderwijsinstelling kan nog zoveel colleges aanbieden met de assumptie dat studenten deze zullen bij wonen, maar dat betekent niet dat studenten de hele tijd zullen opletten, zeker met het oog op de concentratie spanningsboog van de hedendaagse student. Deze stelling heeft natuurlijk ook betrekking op de tijden voor de onderwijsintensivering. Het is echter de vraag of bijvoorbeeld het verhogen van het aantal colleges van twee naar drie per week of het langer laten doorgaan van colleges zinvol is. Het gebruik van laptops en Iphones is tegenwoordig ontzettend groot, wat het voor veel studenten moeilijk maakt om zich niet te laten af leiden. 33


Volonté Générale 2013 - n°2

Het heeft niet alleen weinig zin om meer contacturen aan te bieden, wanneer studenten tijdens deze contacturen hun aandacht er maar moeilijk bij kunnen houden, ook is het niet ondenkelijk dat het voor docenten lastig is om deze uren in te vullen. Hoewel docenten meer ruimte hebben om dieper in te gaan op de stof, pakt dit in de praktijk vaak anders uit. De meeste vakken zijn niet afgestemd op het gestegen aantal contacturen. Zodoende heeft de docent meestal nog niet de tijd gehad om het vak hierop aan te passen, waardoor nieuwe uren simpelweg worden gevuld met het vertonen van youtube filmpjes. Niet dat youtube filmpjes per definitie niet leerzaam zijn, maar het is onnodig om studenten hiervoor in de collegezaal te houden. Dit lijkt alleen op de korte termijn een probleem te zijn, want als docenten eenmaal gewend zijn aan de uren die ze erbij krijgen voor het geven van college, kunnen ze deze naar eigen inzicht met extra leerstof invullen. Docenten kunnen bepaalde thema’s binnen vakken beter uitlichten, waardoor de studenten uiteindelijk een breder pakket aan kennis krijgen aangeboden. Een hogere mate van kennisoverdracht kan gepaard gaan met de na te streven verhoging van de kwaliteit van het onderwijs. Of dit daadwerkelijk opgaat, is de vraag. Goede docenten hebben hun vakken waarschijnlijk al zo ingericht dat alle belangrijke vraagstukken, thema’s en auteurs er al in verwerkt zijn. Wanneer alle vooraanstaande teksten of onderzoeken worden behandeld binnen een vak, is het dan nog wenselijk om verder uit te breiden naar andere, wellicht kwalitatief mindere teksten? Studenten zien dan mogelijkerwijs door de bomen het bos niet meer, wat niet altijd handig is voor het streven naar hoge resultaten. Is het volgens deze veronderstelling nog raadzaam om te kiezen voor het verhogen van het aantal contacturen ter bevordering voor de kwaliteit van het onderwijs? Het lijkt erop dat de onderwijsintensivering te snel is doorgevoerd, waardoor studenten en met name docenten hier maar halfslachtig op hebben kunnen anticiperen. Van studenten wordt verwacht beter te presteren door de aangeboden uren, maar is dit in de praktijk realiseerbaar als veel studenten nu al moeite hebben om de volle aandacht te houden bij hoorcolleges? Van docenten wordt verwacht dat ze hun kennis beter kunnen overbrengen, maar is dit in de praktijk noodzakelijk als de extra ruimte kan worden ingevuld met weinig boeiende teksten of YouTube-filmpjes die de meeste studenten ook thuis kunnen kijken? Het verhogen van de kwaliteit van het hoger onderwijs is iets wat iedereen wil, want het leidt tot gemotiveerde en kritische studenten die de wetenschap een stukje verder kunnen brengen. Het is naïef om te denken dat dit kan worden bereikt door het instellen van een minimaal aantal contacturen voor studies. Het wordt tijd dat universiteiten en beleidsmakers een structureel plan bedenken voor kwalitatief hoog onderwijs, in plaats van het te snel invoeren van weinig zinvolle maatregelen.  Sander Weijers (1990) is student Sociologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

34


Volonté Générale 2013 - n°2

Op de automatische piloot als het kan, kritisch alert zijn als het moet.

Interview met Jan Bransen Jan Bransen (1958) is filosoof en sinds 2002 hoogleraar Filosofie en geschiedenis van opvoeding, vorming en onderwijs aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Van 1985 tot 2002 was hij werkzaam aan de Universiteit Utrecht en van 2000 tot en met 2003 was hij als bijzonder hoogleraar in de Wijsgerige antropologie in de grondslagen van het humanisme verbonden aan de Universiteit Leiden. Volonté Générale sprak met hem over zijn kijk op filosofie en zijn nieuwe boek Laat je niets wijsmaken (Zoetermeer: Klement, 2013). Sinds 2002 bent u hoogleraar Filosofie van de Gedragswetenschappen in Nijmegen. Wat betekent filosoferen voor u? Huidige faculteiten Filosofie zijn vaak in zichzelf gekeerd: ze zijn meestal vrij geïsoleerd van andere vakgebieden en sterk gericht op hun eigen filosofische problematiek. Beroepsfilosofen gaan met elkaar op de hoogste verdieping van een universiteit, afgesloten van de buitenwereld, met elkaar in gesprek over (abstracte) begrippen om op die manier de filosofie naar een hoger plan te tillen. Ik betwijfel echter of dat de juiste plek is voor filosofie. In de lijn van Wittgenstein stel ik dat begrippen geen abstracte objecten, maar patronen van omgang tussen mensen zijn. Filosofen kunnen de abstracte vorm van zo’n omgangspatroon isoleren van de context waarin het begrip functioneert, maar dan wordt het begrip van ‘gewoon’ begrip, van het begrijpen van het begrip, vervreemd. Om te kunnen filosoferen en begrippen te begrijpen, is het noodzakelijk om in gesprek te gaan met wetenschappers die menselijk gedrag bestuderen. Een voorbeeld is het begrip koffiekopje. Een filosoof zou zich af kunnen vragen, KOFFIEKOPJE, wat is dat voor een begrip? Het is ook van belang om te kijken naar de context en het gesprek waarin het begrip wordt gebruikt. Wetenschap is niet het achterhalen wat dat kopje nu echt is, maar hoe wij omgaan met dat kopje. Daarnaast is het interessant om aan de hand van het begrip KOPJE te kijken hoe wij met elkaar omgaan. Wij denken immers dat er een bepaald type benadering (een wetenschappelijke) van het kopje is, dat een apart soort status heeft. In de praktijk betekent dit het volgende: ik geef het vak philosophy of statistics. De statistiek staat bol van de begrippen: normaalverdeling, standaarddeviatie, et cetera. Dat zijn begrippen die studenten leren te gebruiken en vervolgens daadwerkelijk gebruiken. Ik wil snappen wat een begrip als standaarddeviatie doet met de data en hoe een onderzoeker met die data omgaat. U pleit voor meer gezond verstand zowel buiten als binnen de wetenschap. Kunt u uitleggen wat u onder gezond verstand verstaat? Tegenwoordig gebruik ik een zin die niet in mijn boek staat, maar die eigenlijk heel goed is. Gezond verstand is: op de automatische piloot als 35


Volonté Générale 2013 - n°2

het kan en kritisch alert zijn als het moet. Dat is heel kort, maar het werkt altijd en overal. ‘Op de automatische piloot’ is onnadenkend instemmen met hetgeen dat stilzwijgend vanzelfsprekend is. Als jij ’s ochtends je boterham moet smeren, kun je dat op de automatische piloot. Als je leert autorijden, dan gaat het in het begin niet op de automatische piloot, maar na verloop van tijd kan dat wel. Die automatische piloot kan altijd vastlopen. Dan is het van uiterst groot belang dat je terug kunt schakelen. Dan moet je, wat ik wel in mijn boek noem, een onderzoekende houding innemen. Op het moment van vastlopen, of het moment dat je vermoedt dat je vastloopt of dat iemand verteld dat je vastloopt, moet je jezelf uit die automatische piloot tillen en het vastlopen kritisch reflecteren. Waarom loop ik vast? Waarom zegt iemand dat ik vastloop? Waarom zit ik niet meer in the flow? Het vermogen om te reflecteren is wat gezond verstand is. Wat is op dit moment het probleem met het gezond verstand? Het gezond verstand is op de achtergrond geraakt. Het cruciale onderdeel van gezond verstand is het vermogen om uit de automatische piloot te stappen en een onderzoekende houding aan te nemen. Een deel van het probleem is dat we die onderzoekende houding in een arbeidsverdelingsproces aan ‘de wetenschap’ hebben uitbesteed. Een universiteit is de plek waar mensen de hele dag een onderzoekende houding aannemen. Daar gaat het mis, want hun onderzoekende houding verandert in een automatische piloot. In de plaats van een echte onderzoekende houding aan te nemen, beginnen zij een vraag en antwoord spelletje. In een laboratorium kan gemeten worden hoe warm een stof is of in CERN kunnen de allerkleinste deeltjes gevonden worden. Omdat de wetenschapper bepaalde apparatuur tot zijn beschikking heeft die ontzettend veel geld gekost heeft, moet die machine de hele dag draaiende worden gehouden. Er moet de hele dag nieuwe input zijn. Vragen worden gevormd naar de mal van de machine en de methodologie. En of het vragen zijn waar de samenleving wat mee kan, doet er niet toe. Het zijn vragen die door de wetenschap, de methodologie en de setup van een laboratorium gegenereerd worden. Die manier van wetenschap bedrijven is verworden tot een automatische piloot. De onderzoekende houding, de eigenlijke kern van de wetenschap, is naar de achtergrond verdrongen. De wetenschap is verworden tot een soort kennisfabriek. Wij maken antwoorden en we verzinnen zelf ook de vragen erbij, want we hebben hier nu eenmaal dat antwoord zo klaar staan. Is dit probleem alleen van toepassing op de wetenschap? Er zijn mensen die in het dagelijkse leven vastlopen. Omdat we dat maatschappelijk verdeeld hebben, switchen mensen die in het dagelijks leven vastlopen niet van hun vastgelopen automatische piloot naar de onderzoekende houding, maar naar de vragende houding: ‘Help! Ik weet het niet meer!’ Men belt dan de helpdesk of raadpleegt direct een ‘expert’. Je kan natuurlijk zelf gaan dokteren, op internet gaan zoeken en jezelf

36


Volonté Générale 2013 - n°2

afvragen: wat zou verstandig zijn? Maar dat is dan ook het wiel opnieuw gaan uitvinden en een inspanning voor niets. Hij, de expert, weet wel hoe het moet, dus ik kan die onderzoekend houding ook overslaan. Bovendien, als ik moet gaan onderzoeken hoe dat moet, vind ik het misschien niet, terwijl de deskundige het al weet. Dus in plaats van dat ik een onderzoekende houding ga aannemen, ga ik alleen maar een vragende houding aannemen. In de vragende houding draait het om ‘geef mij de antwoorden’, en als reactie daarop komt er een antwoordenfabriek op gang. Daardoor verdwijnt aan zowel de kant van het probleem als de ‘expert’ de onderzoekende houding. Steeds meer kinderen hebben ADHD. Dat betekent dat er kinderen in de klas zijn die niet stil kunnen zitten. De klassen zijn niet per se groter geworden, maar de interactie is heel anders geworden. Er zijn allemaal noodzakelijk geachte groeicurven waar een kind aan moet voldoen: ze moeten dit kunnen als ze naar groep 3 gaan en ze moeten dat kunnen als ze naar groep vier gaan. Dat zijn allemaal dingen die geleerd moeten worden en dan is er een kind met ADHD dat daar onhandig tussendoor stuitert. Dit is een probleem. Vanuit een onderzoekende houding, vraag ik me af: wat is nu eigenlijk het probleem? Kan de juf hem niet aan? Is hij te druk? Het stellen van dit soort vragen, gebeurt veel te weinig. Er komt meestal simpelweg een ‘deskundige langs’ die een antwoord heeft op de hulpvraag. Hulpvragen in het algemeen hebben een vorm gekregen die past bij het vocabulaire van de wetenschappen die het antwoord moeten leveren. Nu kan het zijn dat de wetenschap al mijn vragen kan beantwoorden en glashelder kan uitleggen wat er mis is. Maar een bevestiging of het probleem dat door de wetenschap gesignaleerd was, ook het probleem van de persoon/personen in kwestie was, wordt vaak overgeslagen. Waar komt die heiligverklaring van de ‘deskundige’ vandaan? Men redeneert vaak dat het slim is om de vragende houding aan te nemen, omdat al zoveel mensen voor mij in dezelfde val getrapt zijn. Er zijn zelfs mensen die nooit in een specifieke val getrapt zijn, maar onderzoeken hoe anderen in die val getrapt zijn. Er is een belangrijk verschil tussen mening en kennis. Je kunt iets toevallig vinden of je kunt iets weten. Als je iets weet, dan kun je het onderbouwen en kun je het verantwoorden. Als er een tegenstelling is tussen iemand die ergens kennis van heeft en iemand die iets vindt, dan beschouwen we sinds de oude Grieken dat degene die het weet, meer zeggingskracht heeft. Kennis is beter dan illusie. Kennis is beter dan mening. Het wordt interessant als iemand zegt dat hij iets weet dat gaat over hoe mensen met elkaar omgaan. Door te claimen dat je kennis hebt van menselijk sociaal gedrag zet je jezelf als onderzoeker buiten dat spel. Je verandert de dynamiek van dat spel door te stellen dat je er kennis over hebt. Als je een (natuurwetenschappelijk) model, waarin door middel van experimenten gezocht wordt naar oorzaak-gevolg relaties, gaat plakken op hoe mensen met elkaar omgaan, dan legitimeer je een kennispositie die niet meer is gebaseerd op kennis, maar op het gezag van de

37


Volonté Générale 2013 - n°2

‘deskundige’. De deskundigheid is ogenschijnlijk op kennis gebaseerd, maar is in feite een interventie in onze interactie. Het doorzien van die rol van de deskundige is van groot belang. Ik beweer dat gedragswetenschap als wetenschap intern inconsistent is. Wetenschap heeft een taal, procedures, meetinstrumenten enzovoorts. De set die de gedragswetenschap nodig heeft om een wetenschap te zijn, is inconsistent. Menselijke interactie wordt niet gereguleerd aan de hand van oorzaak-gevolg relaties, maar aan de hand van normatieve relaties van instellingen, afkeuringen, bevoegdheden geven en verplichtingen op je nemen. Dat kun je niet onderzoeken door te gaan kijken of je co-variaties vindt en de co-variatie te vervangen door causaliteit. Dan doe je als onderzoeker een interventie in het spel. Daarnaast zijn kennisclaims altijd talig: iedere kennisvorm moet in de vorm van taal uitgedrukt worden. De hoop van de natuurwetenschap is dat die taal volledig transparant is, zodat iedere kennisclaim niet gedragen wordt door de taal waarin die geformuleerd wordt, maar alleen in de taal gerepresenteerd wordt en verankerd is in de wereld die echt is. Menselijke interactie is talige interactie. Dus als je als gedragswetenschapper kennisclaims wil verankeren in de werkelijkheid, dan veranker je hem in de taal, in de wijze waarop wij met elkaar omgaan. Je grijpt als deskundige in de taalgemeenschap in en verandert die taalgemeenschap. Ik denk dat er zelfdeceptie zit in het beeld dat de gedragswetenschappen van zichzelf hebben. Hoe ziet de ‘ideale wereld’, gebaseerd op uw kritiek, eruit? Idealiter betekent mens zijn ploeteren. De ideale situatie is niet dat je de hele dag op het strand ligt, de ideale situatie is een situatie waarin we op de automatische piloot kunnen als het kan en de onderzoekende houding aannemen als het moet. Het verschil met nu is dat we, als we een onderzoekende houding aannemen, snappen wat we aan het doen zijn. In de huidige wetenschap wordt vaak gedacht dat we een probleem hebben, omdat we nog niet alles weten. Wetenschappers zijn hard op zoek naar ‘alles’. Dat is het probleem: wetenschappers proberen alles te weten te komen door met empirisch verkregen data theorieën op te stellen. Dat er in het formuleren van theorieën veel onbegrip schuilgaat, wordt vaak vergeten. In plaats van alles te weten te komen, is het volgens mij beter om een onderzoekende houding aan te nemen en op die manier proberen te begrijpen waarom je niet alles kúnt weten. Wat is de plek voor de ‘deskundige’ in deze ideale, onderzoekende samenleving? Er is zeker een plaats voor deskundigen in de ideale samenleving. Het is helemaal niet erg om bij een deskundige uit te komen, als je een probleem hebt. De weg naar een deskundige is een weg die je alleen met gezond verstand kunt overbruggen en dat geldt ook voor de weg van de deskundige terug naar het gewone leven. Jij bent waarschijnlijk als deskundige thuis in je eigen keukenkastje. Als ik iets moet zoeken, en jij zegt ‘ga maar halen in de keuken’, dan is het handig dat ik de vertaalslag van je deskundigheid en weer terug kan maken. Dus als er deelgebiedjes zijn waarop deskundigheid bestaat, dan is het prima als die er zijn. Echter,

38


Volonté Générale 2013 - n°2

een samenleving met alleen maar, of te veel deskundigheid lost niets op. Als de één ergens deskundig in is, dan zijn de anderen dat niet. Dus hoe meer deskundigen je maakt, hoe meer leken er zijn: deskundigheid creëert leken. Maar dat gezond verstand, is iets dat zich bij iedereen ontwikkelt, of zijn er ook mensen die het niet hebben? Gezond verstand hebben bestaat uit drie onderdelen: het vermogen op de automatische piloot te gaan als het kan, het vermogen om te switchen naar de onderzoekende houding als het nodig is en te weten wanneer het nodig is om die onderzoekende houding aan te nemen. Voor mensen die geen gezond verstand hebben, is iedere dag een grote chaos. Als baby krijg je al enorm veel patronen aangeleerd. Om de onderzoekende houding aan te kunnen nemen, heb je het vermogen nodig om aan jezelf vragen te kunnen stellen. En het is van belang dat je zelf dat antwoord op deze vraag niet hebt maar wel moet geven. Je hebt een ontwikkeling nodig om de vraag die je aan jezelf stelt, te kunnen beantwoorden. Als je die vraag niet serieus neemt, dan vind je geen antwoord, maar blijf je rondzingen. Als je echter in beweging komt, als je leert denken en die onderzoekende houding aanneemt, dan kun je groeien naar een antwoord op de vraag die je jezelf stelt. Dat groeiproces is een belangrijk onderdeel van gezond verstand. De roep om meer gezond verstand en minder experts kan ook populistisch worden uitgelegd. Eeuwenlang werd slavernij vanuit common sense goed gepraat. Hoe ziet u dit gevaar? Mijn oproep kan inderdaad uitgelegd worden als: ‘Doe de onderzoekende houding weg. Al die kritische intellectuele nadenkers, doe maar niet. Doe alleen maar de automatische piloot.’ Dat is een risico. Ik noem het ‘het risico van het populisme’. Echter, dan vergeet je de belangrijke scheiding die ook maatschappelijk van belang is: ‘automatische piloot als het kan, kritische reflectie als het nodig is.’ Dat tweede gedeelte hoort er bij en iedereen weet dat. Ieder mens heeft kritische alertheid in zich. Populisten moeten hierop gewezen worden. Het is de truc om ze in de kritische houding te laten schieten door ze te wijzen op een paradox in hun denken. Als populisme betekent ‘alleen maar automatische piloot’, dan heeft het niets met gezond verstand te maken. Echter, als het betekent dat leken zelf kunnen zorgen voor hun eigen kritische distantie, dan is het niet zo erg. Zorg dat kritische reflectie mogelijk is op het moment dat deze nodig is. Op sommige momenten duurt het even voordat zich die noodzaak manifesteert. Je kunt op de automatische piloot ergens in denken te gaan, maar eigenlijk in een andere situatie zitten en dan toch reageren als zijnde in de situatie waarin je denkt dat je zit. Een voorbeeld, toen ik in een studentenflat woonde was er bij ons in de buurt een chinees en daarnaast een café. Een meisje dat bij mij in huis woonde wilde een keer nasi halen, maar liep per ongeluk het café binnen en had dat niet in de gaten. Ze bestelde nasi, maar de barman zei: ‘Dat hebben we niet.’ ‘Oh, is het op? Doe dan maar bami’, reageerde ze. De wereld

39


Volonté Générale 2013 - n°2

probeert je wakker te schudden, jij blijft echter volhouden en vult aan vanuit de situatie waarin jij denkt te zitten. Als iemand zegt ‘nasi hebben we niet’, is het ook de bedoeling dat je jezelf direct corrigeert. Dat gebeurt ook, ook al duurt het soms even. U treedt zelf als filosoof op in het publieke debat onder de naam ‘Een avondje uit denken met Jan Bransen’. Zit hier een diepere gedachte achter, vindt u dat u als filosoof naar buiten moet treden? Ja en nee. Om met het laatste te beginnen, ik houd niet van publieke intellectuelen die vaak zo tevreden zijn met zichzelf als publiek figuur. Drie jaar geleden riep ik in mijn boek Word zelf filosoof op tot meer filosofie in het publieke debat. Hiermee bedoelde ik niet ‘meer beroepsfilosofen op televisie’, maar dat degenen die op televisie zijn hun eigen filosoof op tijd wakker moeten hebben. Op het goede moment naar de kritische houding. Aan de andere kant, een van de dingen die ik altijd heb beweerd is: ‘Als iets goed is voor een discipline, voor een vak, voor een wetenschap, dan is het ook maatschappelijk goed.’ Hier op de universiteit werp ik een kritisch oog op alle onderzoeken die hier gedaan worden en probeer ik studenten kritisch te laten kijken naar hun discipline. Dat is belangrijk voor het vakgebied en de houding van de (aankomende) wetenschappers. Waarom zou ik dit niet doortrekken naar de maatschappij? Als ik dat zou doen bij Albert Heijn en bij de klanten die in die winkels op de automatische piloot bezig zijn, is dat ook belangrijk. Ik probeer gezond verstand aan te wakkeren op allerlei plekken. Het is niet zo dat het hier op de universiteit meer of minder waardevol is. Voordeel is dat ik hier meer toekomstige generaties bereik. 

40


Volonté Générale 2013 - n°2

Intrinsieke motivatie Jacob van Hoof Deze column is erbij ingeschoten. Want ik heb het druk, stervensdruk. Sinds een paar maanden heb ik een vaste grote-mensen-baan bij een groot en commercieel bedrijf (ik voel de aandacht nu al verslappen, maar blijft u nog even een pagina of wat bij me) en leef daardoor alleen nog vrij en bewust in de weekenden, welke zijn gereserveerd voor mijn vrienden, familie en vertaal- en schrijfopdrachten zoals deze. Doordeweeks slaap en sta ik op, sla de dure koffie (ik kan ‘m nu betalen) achterover, stap op de fiets en trap mezelf wakker naar mijn werk. Daar ga ik op in 40 uur kantoorwerk (léuk en hip kantoorwerk, het moet gezegd), ben ik een radartje van een enorm geheel dat samen met vele collega’s de grote spoel der commerciële dienstverlening mede draaiende houdt, ik de tijd daarvoor nuttig wegtik en ondertussen een (voor mijn doen riant) salaris aan verdien. De clichés blijken waar: we verschansen ons dagelijks achter onze bureaus, positioneren onze neuzen in een hoek van negentig graden achter onze schermen en blijven zo acht uur bijna roerloos (ik glimlachte toen ik ze, onlangs observerend vanuit de pauzeruimte, zo zag) zitten, we grinniken om flauwe kantoorgein en we roeren met een plastic staafje in de al evenzo naar plastic smakende koffie als we op woensdagen bij een taartpunt met marsepeinen bedrijfslogo de week gedwee in tweeën zagen. Het klinkt weinig opwindend en dat is het tot op zekere hoogte ook. Toch heb ik het er enorm naar mijn zin omdat juist die collega’s om me heen een diverse groep van fijne mensen vormen en het werk me daarnaast niet geestelijk vermoeit. Zo slaat de lieve vaderfiguur een arm om me heen als ik bedrukt voor me uitstaar omdat mijn meisje (dat mijn meisje niet is) op haar antwoord laat wachten, verbaast de een me met biografische kennis over Anna Enquist (wist u dat ze eigenlijk Christa Broer heette?) en de ander omdat zijn grove gevoel voor humor onverwacht maar perféct op de mijne aansluit. Ik voel me in deze baan bovenal als mens evenwaardig aan de rest die hem mede uitvoeren en dat is wel eens anders geweest. Alleen daarom al heb ik er goed aan gedaan mijn vroegere baan op te zeggen om op zoek te gaan naar een (werk)bestemming waar ik energie en geluk uit put in plaats van dat het me dat kóst. Zodra je beseft dat de jas die je zo goed en kwaad als het kan probeert te dragen je nooit helemaal zal gaan passen moet je ‘m vroeg of laat, of toch ten minste eens, aan de kapstok hangen. Als je werk plots je beroep blijkt, maar eigenlijk je karakter en wezen en het tot volle wasdom komen van persoonlijk succes en geluk in de weg ligt, moet je even pas op de plaats durven maken om tot bezinning te komen. Ik ben nou eenmaal een dichter, een denker en een dromer, en iemand die zo nu en dan even bedrukt voor zich uit moet staren. En nee, mijn vorige baan, het paste me niet, al was ik er toch voor ‘opgeleid’. In het Volkskrant Magazine dat daags na de eerste deadline van deze column verscheen (snelle dromers zijn er niet) las ik toevallig een stuk over de zoektocht van jonge academici naar banen van (hun) niveau.

41


Volonté Générale 2013 - n°2

Een letterlijk citaat uit het artikel luidde: ‘De huidige generatie afgestudeerden groeide in de jaren nul op met het the sky is the limitgevoel, waar de vragen “Wat wil ik?” en “Wat past bij mij?” centraal stonden’. Hoewel ik wist dat dit op mij sloeg, moet ik eerlijk bekennen dat toen ik dit las ik me aanvankelijk maar deels in dit profiel kon herkennen. Toch, hoe langer ik deze uitspraak op me liet inwerken, hoe meer de mantel van herkenning mij ging passen. Ja, ik ben een jonge academicus, maar in wezen ook weer niet. Daarnaast groeide ik niet alleen op in de jaren nul, maar vooral in de jaren negentig. Dat komt omdat ik een beetje langer heb gedaan over mijn studie die de grens der decennia overschreed, mede door het feit dat ik de studietijd beschouwde als een periode van persoonlijke ontwikkeling dat de studie alleen ontsteeg en dus ook als zodanig inrichtte. Als ik op deze periode terugblik merk ik dat ik vooral in deze laatste jaren veel over de wereld en mijzelf daarin heb ontdekt, ik ons beide op z’n tijd nog steeds in een staat van verwondering beleef wat me dan weer doet beseffen dat het proces van vorming nog immer voortduurt. Nee, ik ben de laatste die durft te beweren dat ik ‘volledigwassen’ ben. Maar, hoor ik bij een generatie? Ben ik één van een groep gelijkende personen die zich in met elkaar kan vereenzelvigen? Anderen zullen het vast zo zien, maar ik weet het zo net nog niet. Wél weet ik dat ik mijn studie heb gekozen puur vanuit het oogpunt van wie ik ben (of op dat moment wás natuurlijk) en niet van wie of wat ik worden wou. Misschien heeft het citaat dus wel gelijk en ben ik daarin wel degelijk een kind van die generatie. Maar of dit voor de huidige generatie nog geldt? Kiezen aanstaande universitair studenten heden ten dage dan wél hun studie vanuit het oogpunt of er werk is in de sector waarbinnen ze later hun baan of bestemming gaan zoeken? Het lijkt me een gecompliceerde maar interessante vraag, en in ieder geval een van alle tijden. Want, doen ze dat überhaupt? En zo ja, doen ze dat nu nog steeds? Zijn wij in onze studiekeuze eigenlijk wel dicht bij onszelf gebleven of gingen we daaraan voorbij? Laat men zich nu leiden door een juist een extrinsieke in plaats van een intrinsieke motivatie, door het nu, of door het later? In die afweging ligt mijns inziens het significante verschil tussen de essentie van een beroepsopleiding en een wetenschappelijke studie of in ieder geval hoe iemand dat benaderen kan. Ik zal u aan de hand van de volgende anekdote vertellen waarom. De vrouw die later mijn toekomstige baas zou worden vroeg me tijdens het sollicitatiegesprek indringend waarom ik überhaupt op deze functie had gereageerd. Ik was toch immers universitair opgeleid en deze baan eiste minimaal MBO-denkniveau. Haar volgende zin ‘...en bovendien blijkt uit je CV dat je docent bent,’ onderbrak ik meteen brutaal en niet zonder risico: ‘Nee, dat bén ik niet. Het is een baan, een logische volgende stap na mijn studie. Maar nee, ik bén het niet.’ Ze onderzocht mijn motivatie en oprechtheid daarin verder: ‘Maar je hebt Éngels gestudeerd, wil je niet liever iets met die opleiding doen?’ Weer voelde ik een soort weerstand en vooral tegen haar gebruik van de term ‘opleiding’. Ik deelde met haar een theorie die beantwoordt aan de vele en gewichtige ethische vragen welke ik hierboven ook al als een spervuur op u afvuurde. ‘Ik begrijp uw vraag,’ begon ik, ‘maar ik zal u eens wat

42


Volonté Générale 2013 - n°2

vertellen. Ik heb mijn studie gekozen, niet omdat ik onderwijzer wilde worden, maar omdat ik slechts van de taal, het land en cultuur hield. Ik wilde dieper de taal en cultuur induiken, niet met het eerste doel een diploma te halen, maar te doen wat ik het liefste wilde, wat ik het leukste vond. Nu blijk ik na vele jaren taalwetenschappelijk geschoold en kan ik deze studie of kwaliteit op welke manier dan ook toepassen, zoals ík dat wil en in een omgeving die ik zélf daarvoor uitkies. Mits me het gegund wordt, uiteraard.’ Ik keek haar strak aan. ‘Al is het lesgeven als persoon goed voor me geweest en was het van bijna therapeutische waarde wat betreft mijn persoonlijke ontwikkeling, mijn communicatieve en organisatorische vaardigheden, ik ben er al doende achter gekomen dat ik het niet bén en ook nooit meer zal worden. En voor die wetenschap had ik net zo goed Sanskriet kunnen gaan studeren. Ik geloof, terugkijkend, dat een universitaire studie voorál van waarde is als je het benadert als (zelf)ontplooiing en daarom is het ook iets waar je je hele leven mee door kunt blijven gaan. Je verdiept je immers in een wetenschap en niet in een vakgebied. Mijn mastertitel, mocht u dat nog afschrikken, is daarom ook geen kwalificatie van vaardigheid of ambacht, maar mijns inziens meer een bewijs van ontwikkeling en wetenschap.’ Of u het met bovenstaande eens bent of niet, en of het geldt voor uw eigen studie, voor mijzelf past deze benadering volledig. Feit is ook dat ik mijn gesprekspartner vanaf toen nooit meer met ‘u’ heb hoeven aanspreken. Kort na het gesprek werd ik de kapstok gewezen waaraan ik mijn jas kon ophangen, mocht ik plaatsnemen in de huiskamer en werd ik warm welkom geheten in de familie. En daar zit ik dan met mijn titel: zielstevreden en op mijn plaats.  Jacob van Hoof (1981) is schrijver en dichter die publiceert onder het pseudoniem 'Djeekop'.

43


Volonté Générale 2013 - n°2

Nihilisme: een definitie van ontwrichting Ruud van den Beuken In matige gezondheid, maar onder het achteraf bezien zo verleidelijke gesternte van mijn jeugd, mocht ik mij als zeventienjarige aspirant-anglist laven aan het alfawetenschappelijke doopvont dat, belichaamd en begeesterd door een schier oneindige reeks gastdocenten, als de verplichte ‘Cultuurhistorische canon’ door het facultaire leven ging. Dit studium generale blijkt inmiddels uit het curriculum geschrapt te zijn: de huidige generatie Letterenstudenten ontloopt daarmee haar filosofische ontgroening en hoeft voorts haar melktanden niet al tijdens de tweede of derde collegeweek te breken op het voorwoord en de eerste paragrafen van Jenseits von Gut und Böse (1886). Dat gebrek aan zuivere tucht is waarschijnlijk voor velen een welkom pardon, doch voor een enkeling – een jonge boogschutter, bijvoorbeeld – vrij spijtig. Nietzsche zou hem of haar namelijk kunnen influisteren dat ‘wir guten Europäer und freien, sehr freien Geister’1 nog altijd over ‘die ganze Noth des Geistes und die ganze Spannung seines Bogens’2 beschikken; hij of zij zou die opwinding willen beleven en daar misschien zelfs richting aan kunnen geven. Met Het Europese nihilisme: Friedrich Nietzsche over een dreiging die niemand schijnt te deren (2012) biedt Paul van Tongeren, hoogleraar wijsgerige ethiek en zeer recentelijk ontvanger van de Socratesbeker, in dezen een welkome handreiking die bovenal recht doet aan Nietzsches beeldspraak: Van Tongeren laat zien hoe ver de pijl van het nihilisme een kleine honderddertig jaar later al dan niet reikt om daarmee onze ogenschijnlijk weinig catastrofale beleving van Nietzsches gedachtegoed te verklaren. Alvorens doel te kunnen treffen dient de boog natuurlijk stapsgewijs te worden gespannen. Van Tongeren bouwt zijn betoog dan ook zorgvuldig op door allereerst de iconoclast zelf aan het woord te laten: de twintig bladzijden die op de inleiding volgen beslaan een reeks relevante primaire teksten, waarbij vooral de prominentie van Nietzsches nalatenschap in het oog springt. Van Tongeren schetst aansluitend een algemene ontstaansgeschiedenis van het nihlismebegrip in de Europese filosofie en zet deze contextualisering vervolgens in om een loepzuivere, welhaast scholastieke ontleding van Nietzsches gebruik van verschillende in elkaar grijpende en gedeeltelijk overlappende termen als pessimisme en decadentie (inclusief bijbehorende kwalificaties als actief versus passief nihilisme) uit te voeren. De nauwgezette definities die Van Tongeren uiteindelijk in een kruistabel weet te vatten getuigen van een bewonderenswaardig, zo niet verdacht overtuigend staaltje close reading: is Nietzsche, de zelfbenoemde anti-systematicus par excellence, dan toch voor één filologisch gat te vangen? Zoals Van Tongeren echter aan de hand van verschillende nagelaten opzetten aantoont, kan een dergelijke poging tot terminologische transparantie afdoende rechtvaardiging ontlenen aan de wetenschap dat Nietzsche zelf herhaaldelijke pogingen ondernam om                                                                                                            

F. Nietzsche, Jenseits von Gut und Böse (1886), in: Idem, Kritische Gesamtausgabe VI.2 (G. Colli en M. Montinar ed.) (Berlijn 1968) 5. 2 Nietzsche, Jenseits von Gut und Böse, 5. 1

44


Volonté Générale 2013 - n°2

enige structuur in zijn begrippenkader aan te brengen. De kruistabel waarin vereeuwiging en vernietiging enerzijds en overvloed en armoede anderzijds tegen elkaar worden afgezet geldt dus als een geoorloofde abstractie – en dat biedt, wat mij betreft, de mogelijkheid tot amusante gedachte-experimenten. Van Tongeren gebruikt begrijpelijkerwijs Nietzsches eigen voorbeelden ter illustratie van de verschillende kwadranten, maar het zou mijns inziens ook denkbaar zijn om – bijvoorbeeld – Ezra Pound, Gerard Reve, Jacques Derrida en Kurt Cobain alle vier als nihilisten van deze compleet tegengestelde orden te karakteriseren. (Ik twijfel evenwel nog over de plek van John Ewbank: in hoeverre bedrijft hij ‘grote politiek’ dan wel ‘platonisme voor het volk’?) Van Tongerens slothoofdstuk wordt voorafgegaan door een beschouwing op de receptiegeschiedenis van Nietzsches problematisering van het nihilistische vraagstuk. Hoewel deze uiteenzetting absoluut niet minder interessant is dan Van Tongerens eerdere besprekingen, bekruipt mij – Nietzsches waarschuwing over het staren in afgronden indachtig – hier toch een zekere academische hoogtevrees: de waarde lezer van deze recensie wordt, indien ik over dit hoofdstuk zou uitweiden, geconfronteerd met mijn lekenoordeel over Paul van Tongerens samenvatting van Wolfgang Müller-Lauters kritiek op Martin Heideggers interpretatie van Friedrich Nietzsches denken. De lagen stapelen zich op. Een plotselinge onderbreking van het leesproces brengt al snel een Inception-effect teweeg: ik schrik wakker uit de reeks denkkaders die ik me beangstigend gemakkelijk heb aangemeten. Wie leest wie? Van Tongeren weet op elk niveau een dergelijke strakke opbouw te bewerkstelligen en juist daardoor kan hij de pijl in het laatste hoofdstuk succesvol – want gespleten, meervoudig – afschieten en vermijdt hij de gemakzuchtige conclusies waar de meeste aanwendingen van Nietzscheaans gedachtegoed in zwelgen. Hoewel Van Tongeren in een eerder hoofdstuk suggereert dat wij ‘nog steeds slechts aan de vooravond staan van de gebeurtenis die Nietzsche meende te voorzien’,3 oppert hij uiteindelijk de mogelijkheid dat wij reeds jenseits von die fataliteit leven en komt hij tot de ‘paradoxale conclusie dat wie het nihilisme nog als een bedreiging ziet, zelf nog niet diep genoeg in het nihilisme verzeild is geraakt, en dat wie het wel radicaal realiseert, het niet meer als een dreiging kan waarnemen: wie werkelijk nihilist is, is het nihilisme voorbij.’4 De goede verstaander is evenwel een verscheurd wezen, want de werkelijke ‘tragedie bestaat erin dat de denker het strijdperk wordt waarop de “waarheidsdrift” het gevecht aangaat met haar eigen vooronderstelling, namelijk het leven en de leugens of illusies die dat leven nodig heeft’. 5 Van Tongeren vervolmaakt het daaruit voortvloeiende experiment in de dubbeltitel waarmee hij afsluit: zijn zelfreflexieve ‘Epiloog: voorwoord’ kan nooit meer zijn dan een aanzet, een voorschot op onbepaaldheid.                                                                                                            

P. van Tongeren, Het Europese nihilisme. Friedrich Nietzsche over een dreiging die niemand schijnt te deren (Nijmegen 2012) 136. 4 Van Tongeren, Het Europese nihilisme, 190. 5 Ibidem, 198. 3

45


Volonté Générale 2013 - n°2

Voor Van Tongeren is de vraag die Nietzsche zichzelf in Die fröhliche Wissenschaft (1882/1887) stelt – ‘[i]n hoeverre kun je de waarheid incorporeren?’–6 onontkoombaar; men zou, door bovenal het lijfelijke en kwetsbare van die poging te erkennen, zich dan ook af kunnen vragen in hoeverre een mens zichzelf bewust kan ontwrichten. De Nietzscheaanse vivisectie die Van Tongeren bespreekt impliceert nog een zekere cynische empirie,7 maar het onderliggende zelfontwrichtingsbegrip – het letterlijke schrijnen, het mechanisch-biologische besef dat je geestelijke ledematen uit de kom zijn getrokken – moet elke vorm van teleologische verantwoording schuldig blijven. Welnu, een echte nihilist haalt daar de schouders voor op.  | P. van Tongeren, Het Europese nihilisme. Friedrich Nietzsche over een dreiging die niemand schijnt te deren (Nijmegen Uitgeverij Vantilt, 2012). Paperback € 19,95. ISBN 9789460040986. Ruud van den Beuken (1988) is sinds februari 2012 als promovendus aan de afdeling Engelse Taal & Cultuur van de Radboud Universiteit verbonden, alwaar hij avant-gardistisch toneelwerk uit de Ierse jaren 1930 onder de loep legt. Naast zijn academische werkzaamheden is Ruud van den Beuken als dichter actief.

                                                                                                            6 7

F. Nietzsche in: Van Tongeren, Het Europese nihilisme, 198. Van Tongeren, Het Europese nihilisme, 184.

46


Volonté Générale 2013 - n°2

Uw dagelijkse politiek-economische analyses Niels Blom Bij het werken op de computer dwaalt menig mens regelmatig af naar websites als Facebook of 9gag. Anderen struinen www.nu.nl of vergelijkbare nieuwswebsites af. Dit soort websites staat echter niet bekend vanwege het verschaffen van gedegen achtergrondinformatie of diepzinnige analyses; de korte nieuwsberichten geven slechts een kort overzicht van hedendaagse gebeurtenissen. Wie wil weten waarom iets heeft plaatsgevonden of wat de impact is van de gebeurtenis op regionaal, nationaal of globaal niveau, kan beter andere websites raadplegen. Een voorbeeld van een dergelijke website is Project Syndicate.1 De berichten van Project Syndicate worden aan de hand van twee thema’s georganiseerd: the Economists’ Club en Mind, Matter and Politics. Deze differentiatie geeft al aan dat economische onderwerpen prominent aanwezig zijn. De helft van de startpagina is gereserveerd voor commentaren en analysen van economische vraagstukken, de andere helft voor ‘de rest’: mind, matter and politics. Indien je geïnteresseerd bent in economische ontwikkelingen, en voornamelijk in commentaren op deze ontwikkelingen, is Project Syndicate dan ook een interessante aanvulling op het dagelijkse nieuws. Er worden ongeveer een à twee artikelen per dag over economische kwesties geplaatst. Dit is beduidend minder dan het aantal artikelen dat bijvoorbeeld The Economist over dit onderwerp publiceert. Daardoor zal Project Syndicate niet zozeer als primaire informatievoorziening gebruikt worden, maar zullen de artikelen van de website eerder als aanvulling op andere bronnen fungeren. Als je meer wilt weten over een bepaald onderwerp waarover je hebt gelezen in bijvoorbeeld the Economist, kan je overwegen te kijken op Project Syndicate. Ongeveer hetzelfde geldt voor het thema Mind, Matter and Politics. Er worden dagelijks circa één à twee artikelen geplaatst; beduidend minder dan op de site van The New York Times of Time. Deze sites zijn dan ook primair gericht op nieuws - de analyses, commentaren en opinies zijn veelal secundair. Project Syndicate biedt uitkomst, want deze website biedt diepgaande analysen. Echter, doordat er maar één of twee artikelen per dag op de website gepubliceerd worden, zal het zeker geen website zijn die je dagelijks bezoekt. Het is voldoende de site eens per week te bezoeken. De site is uniek door het grote aantal bekende personen dat artikelen schrijft. Zo schrijft bijvoorbeeld de huidige secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Ban Ki-Moon, regelmatig artikelen voor Project Syndicate. Ook zijn voorganger Kofi Annan, oud-premier van GrootBrittanië Tony Blair, Microsoft oprichter Bill Gates en aartsbisschop Desmond Tutu geven via dit medium hun mening over hedendaagse problematiek. Helaas schrijven deze bekende mensen niet vaker dan eens per paar maanden een artikel. Verder bestaat de vaste redactie uit professoren van Princeton, Berkeley en Stanford, experts, (oud-)politici                                                                                                             1Beschikbaar

via: www.project-syndicate.org (geraadpleegd op 6 mei 2013).

47


Volonté Générale 2013 - n°2

en activisten, wat zorgt voor een gevarieerd leesaanbod. Naast de artikelen is van alle auteurs achtergrondinformatie beschikbaar, waardoor het makkelijk en duidelijk is wat de achtergrond van de auteur en dus van het artikel is. Deze persoonlijke informatie is niet of nauwelijks voorhanden bij andere informatiebronnen als The Economist of The New York Times. Al deze schrijvers geven via Project Syndicate toegankelijke en scherpe inzichten in belangrijke kwesties die onze toekomst bepalen.2 Hiermee is de website een uniek platform voor het vergaren van inzichten van experts op hun gebied en invloedrijke personen in deze wereld. Samenvattend kan worden gesteld dat Project Syndicate een mooi medium is om te zien hoe invloedrijke personen de wereld analyseren. De prominente rol voor economische vraagstukken is een voordeel wanneer deze je interesse hebben, maar ook voor geïnteresseerden in bijvoorbeeld wereldpolitiek zijn er voldoende artikelen te vinden. De invloed die de auteurs hebben, maakt het lezen van hun visie bijzonder interessant. Zoals Joseph E. Stiglitz, Nobelprijswinnaar in de economie verklaarde: ‘If Project Syndicate did not exist we would have to invent it.’3  | Project Syndicate. A World of Ideas, http://www.project-syndicate.org/ Niels Blom (1991) volgt de researchmaster Social and Cultural Science aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

                                                                                                           

J. E. Stiglitz in: ‘Top World News Sites 2012 Project Syndicate’, Real Clear World (16 december 2012) beschikbaar via: http://www.realclearworld.com/lists/top_world_news_ sites_2012/project_syndicate.html (geraadpleegd op 6 mei 2013). 3 Ibidem. 2

48


Volonté Générale 2013 - n°2

Vreemdelingenbeleid Joep Willemsen De laatste weken waren er hevige discussies over ons vreemdelingenbeleid. Dit begon met het strafbaar stellen van illegaliteit en ging vervolgens ook over vluchtelingen die al jaren in detentiecentra zitten. Het lijflied van de PvdA, De Internationale, steekt schril af tegen het beleid dat de socialisten mede voorstaan. Het is symboolpolitiek, het strafbaar stellen van illegaliteit. Illegaal betekent immers al dat iets niet mag, maar de illegaal krijgt straks ook nog een boete. Direct rijst de vraag waar de herinnering van betaling naar toegestuurd moet worden. De maatregel verkapt echter grove fouten die gemaakt worden in het vreemdelingenbeleid, procedures die eindeloos duren en de onzekerheid waarin vluchtelingen en vreemdelingen zitten. De strafbaarstelling is geen visie op een falend beleid, maar wordt gebracht alsof met deze maatregel problemen worden opgelost. Ondertussen kijken we de ander kant op bij de oorlog in Syrië, kijken we de ander kant op bij de aidsproblematiek en kijken we de andere kant op bij armoede in Afrika. Volledige gebieden in de wereld worden vergeten, of bewust genegeerd, en de ontwikkelingshulp is ernstig versoberd. Wij zijn gelukkig. Wij hebben het goed in dit land. Vluchtelingen en vreemdelingen komen hier naartoe om ook dat geluk te vinden. Ze willen weg uit de verdrukking of uit de economische malaise ontsnappen, voor een betere toekomst in het ‘prachtige’ Nederland. Het is de trend van de geschiedenis. Wanneer je niet in je levensonderhoud kan voorzien dan vertrek je naar plekken waar dit wel kan. Vanzelfsprekend is het niet mogelijk om de volledige Derde Wereld naar Nederland te laten immigreren en dienen er op dat gebied regels te zijn, maar ‘de ander’ dient op een humanere manier behandeld te worden. Sommige vluchtelingen zitten zelfs langer in detentie dan de gemiddelde verkrachter. Het enige dat zij misdaan hebben was hopen op een beter leven, op geluk. Een onmenselijke behandeling van mensen die uit erbarmelijke situaties komen. Die benadering is wellicht een laatste stuiptrekking van het kleingeestige calvinistische gedachtegoed: geluk is niet voor dit leven. Daarnaast maken we in het vreemdelingenbeleid een macaber onderscheid tussen kansarme en kansrijke vreemdelingen. Hiermee creëert ons beleid eigenlijk het onderscheid tussen waardevolle mensen en minderwaardige mensen. Het is een beeld van de mens waar ik mij niet mee kan verenigen. Vanuit de basis van het socialistische gedachtengoed alsook het liberalistische is dit ook niet te verdedigen. Waar klinken de leuzen van broederschap en gelijkheid door in deze standpunten? En wanneer is iemand van waarde voor een land? Ik hoop dat Nederland een land wordt waar ikzelf ook naar toe zou willen vluchten. Waar vluchtelingen een arm om de schouder krijgen in plaats van tralies voor hun neus, waar vreemdelingen als gasten ontvangen worden, waar schendingen van mensenrechten aangekaart worden en waar de grondhouding is dat een nieuwkomer iets toevoegt

49


Volonté Générale 2013 - n°2

aan je samenleving in plaats van een probleem vormt. Dan ben je pas een land.  Joep Willemsen (1985) is parlementair historicus.

50



Volonté Générale 2013-2