__MAIN_TEXT__
feature-image

Page 1

We r k s c h r i f t F Correctiesleutel

4


Reken Maar! 4 Auteurs: Leen Bresseleers Ann Kellen Marieke Saelens Rein Trogh Corrector: Kristof Sas

= meerdere oplossingen mogelijk

Bij sommige oefeningen is meer dan één correcte oplossing mogelijk, of kun je op verschillende manieren tot de juiste oplossing komen. Bij dat soort oefeningen zie je dit icoontje staan en wordt er meestal een mogelijke oplossing en/of oplossingsweg gegeven. Dat geldt ook voor schattingen en tussenstappen bij hoofdrekenen. Als leerlingen dan een afwijkend antwoord hebben, kunnen ze dat het best even laten controleren.

Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en vele mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden. Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën. Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken. In België beschermt de auteurswet de rechten van die mensen. Wanneer u van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneemt u hun dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers u beschermde teksten niet zonder schriftelijke toestemming te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen. Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vindt u op www.reprobel.be. Ook voor het digitale lesmateriaal gelden deze voorwaarden. De licentie die toegang verleent tot dat materiaal is persoonlijk. Bij vermoeden van misbruik kan die gedeactiveerd worden. © Uitgeverij VAN IN, Wommelgem, 2019 De uitgever heeft ernaar gestreefd de relevante auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Wie desondanks meent zekere rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht zich tot de uitgever te wenden. Coverontwerp: Banananas Covertekening: Frieda Van Raevels Lay-outconcept: Michelangela, Utrecht Vormgeving en opmaak: PPMP Prepress Tekeningen: Jan Lieffering Tekeningen bollobo’s: Frieda Van Raevels Eerste druk 2019 978-90-306-8307-0 ISBN 978-90-306-8306-3 D/2019/0078/30 D/2019/0078/32 569945/01 Art. 569944/01 NUR 192


BLOK 11


BLOK 11

INSTAPLES

Kleur hier de schatten die je van Kassim op de kar moet laden. Gooide je een oneven aantal ogen met de dobbelsteen? Kleur dan een voetstap in.

1

Stel een staafdiagram samen met de gegevens uit de tabel. seizoen

Buit per seizoen

buit in goudstukken

winter (W)

150

lente (L)

200

zomer (Z)

300

herfst (H)

250

300 200 100

W

2

Noteer de som of het verschil.

41 000 − 9 000 =  32 000

23 000 + 5 108 =  28 108

70 000 − 400 =  69 600

Z

H

Noteer het product of het quotiënt.

52 000 + 16 000 =  68 000

4

3

L

60 × 700 =  42 000 72 000 : 90 = 

800

4 000 × 3 =  12 000

30 000 : 600 = 

65 002 + 1 500 =  66 502

86 000 − 13 000 =  73 000

48 000 : 4 000 = 

50

5 × 1 200 =  6 000 12


4

Bereken het gemiddelde.

Bewerking: • 23  + 42 + 31 = 96 96 •  : 3 = 32 Antwoord: Deze rovers zijn gemiddeld 32 jaar oud.

5

6

Noteer de som.

Noteer het verschil.

8,9

7,4 − 1,3 = 

6,1

9,01 + 0,4 = 

9,41

8 − 0,05 = 

7,95

9,15

2,9 − 2 = 

0,9

5,3 + 3,6 = 

7 + 2,15 = 

6,006 + 0,82 =  6,826 6,2 + 3,08 = 

7

4,5 + 3,9 = 

9,28

8,4

5,6

9 − 3,4 = 

7,78 − 0,003 =  7,777

Reken uit met de zakrekenmachine. • het product van 235 en 235: 

55 225

• het verschil van 85 111 en 7 777:

77 334

• het quotiënt van 43 776 en 96: 

456

• de som van 19 398 en 34 845:

8

3,55

6,7 − 3,15 = 

54 243

Noteer de passende maateenheid. Kies uit: kilogram (kg) of gram (g).

≈1

kg

≈1

g

≈ 0,5

kg

≈ 150

g

≈ 100

kg 5


LES 121 1

Getallen met Romeinse cijfers ≤ XII lezen en noteren

Schrijf de juiste waarde bij elk symbool.

I =

2

V

1

X

5

=

10

=

Zo lees en schrijf je getallen in Romeinse cijfers. Vul de afspraken aan. • Cijfersymbolen van gelijke waarde of symbolen die van groot naar klein staan, moet je optellen

, van links naar rechts.

• Er staan nooit meer dan

3

dezelfde symbolen na elkaar.

• Staat er een symbool met een kleinere waarde voor een symbool met een grotere waarde, aftrekken

dan moet je de kleinste waarde

3

van de grootste.

Hoeveel jaar worden deze kinderen? • Hebben alle symbolen dezelfde waarde of staan ze van groot naar klein? Kleur de kroon dan groen en tel op. • Staan de symbolen van klein naar groot? Kleur de kroon dan rood en trek af. a

10 + 1 =

11

5 − 1 =

jaar

4

jaar

5 + 2 =

7

b

=

4

6

3

jaar

=

8

jaar

=

9

Noteer de getallen van 1 tot 12 in Romeinse cijfers. 1=

I

5=

V

  9=

IX

2=

II

6=

VI

10 =

X

3=

III

7=

VII

11 =

XI

4=

IV

8=

VIII

12 =

XII

Een symbool voor nul hebben wij niet!

jaar

jaar


BLOK 11

5

Noteer de namen van de maanden die bij deze getallen horen. XII december

VI juni

V mei

II februari

I

6

januari

X oktober

Kleur stiekem een getal en lees het voor aan je buur. Je buur luistert aandachtig en kleurt het getal dat hij hoort. Vergelijk. Hebben jullie allebei hetzelfde getal gekleurd? Prima! Wissel van rol tot alle getallen gekleurd zijn.

7

IX

XII

VII

IV

VIII

II

III

V

XI

I

VI

X

Hoeveel ogen hebben deze kinderen gegooid met de dobbelstenen? Noteer het totaal met Romeinse cijfers. b

a =

VI

X

=

IV

=

XII

=

V

=  

=

IX  

7


8

9

Tel op of trek af. Noteer de uitkomst met Romeinse cijfers. a III + VII =

X

IX − II =

VII

I+X=

XI

XII − III =

IX

IV + II =

VI

X−V=

V

VI + VI =

XII

XI − IV =

VII

b

Rangschik deze getallen zoals gevraagd. IV − XII − I

VII − IX − III III

10

8

<

VII

<

IX

I

<

IV

<

V − IX − X X

XII

>

Noteer het getal dat je juf of meester dicteert met Romeinse cijfers.

VII

IX

IV

XII

II

X

IX

>

V


BLOK 11

LES 122 1

Tabellen en grafieken aflezen en samenstellen

8

Maak de tabel en het staafdiagram volledig. Vul daarna de zinnen aan.

stemmen

achtbaan

350

wildwaterbaan

450

draaimolen

250

piratenboot

400

reuzenrad

150

kinderboerderij

300

500 400 300 200 100 0

a w cht ild ba w at an er dr baa n aa im o pi ra len te nb re oot u ki nd zen r er bo ad er de rij

attractie

stemmen

Voorkeur bezoekers pretpark ‘De Mijlpaal’

attracties

Volgens deze enquête: de wildwaterbaan

a • is 

• stemmen 250 bezoekers voor  • kiezen

150

de populairste attractie. de draaimolen

bezoekers voor het reuzenrad. het reuzenrad

b • is 

.

de minst populaire attractie.

• stemmen 450 bezoekers voor de  wildwaterbaan • kiezen

400

.

bezoekers voor de piratenboot.

c Hoeveel bezoekers hebben in totaal gestemd? 1  900 bezoekers

2

Waar of niet waar? Kruis aan. waar

niet waar

Je kunt in de tabel en in het staafdiagram het precieze aantal stemmers aflezen. De piratenboot wordt meer gekozen dan de achtbaan. De kinderboerderij wordt dubbel zoveel gekozen als het reuzenrad. De wildwaterbaan wordt precies evenveel keer gekozen als de kinderboerderij en de draaimolen samen. De achtbaan wordt door zowat 50 personen minder gekozen dan de piratenboot. 9


3

Hoeveel jarigen zijn er in elk seizoen? Verzamel de gegevens in de kruistabel. Stel ze dan voor in een staafdiagram. Vul daarna de zinnen aan. winter (W)

lente (L)

zomer (Z)

herfst (H)

jongens meisjes Jarigen per seizoen in onze klas

Legenda  jongens  meisjes W

L

Z

dan

• In de winter zijn er meer • In de

H jarig.

zijn de minste kinderen van onze klas jarig.

• In de lente zijn er

kinderen van onze klas jarig.

• In de zomer zijn er

meisjes dan jongens jarig.

• In de herfst en de winter samen zijn er

kinderen jarig.

Hoe lukte het in jullie klas om deze informatie te verzamelen? Kruis aan wat klopt. De juf/meester heeft geholpen.

Iemand nam de leiding: . Iedereen riep door elkaar.

10

Wat een rommeltje!

Het lukte vlot!


BLOK 11

4

Maak de tabel en de lijngrafiek volledig. Beantwoord dan de vragen. M

D

W

D

V

Z

Z

temperatuur 18 °C overdag

16 °C

21 °C

23 °C

24 °C

25 °C

27 °C

temperatuur 11 °C ’s nachts

10 °C

13 °C

14 °C

14 °C

15 °C

11 °C

Temperatuur in Ukkel in de week van 25 tot 31 mei

30 °C 20 °C 10 °C

M D W D V Z Z

Legenda   overdag   ’s nachts

a • ‘Van maandag tot zondag werd het elke dag enkele graden warmer.’

Is dat waar of niet waar? niet waar

• Hoeveel graden was het op donderdag? 23 °C • Op welke dag was het het koudst? Hoeveel graden was het toen?

Op  dinsdag was het 16 °C.

• Wat is het temperatuurverschil tussen woensdag en zaterdag?

25  °C − 21 °C = 4 °C

• Wat is het temperatuurverschil tussen de warmste en de koudste dag?

27  °C − 16 °C = 11 °C

• Wat was deze week de gemiddelde temperatuur? 18 •   + 16 + 21 + 23 + 24 + 25 + 27 = 154 •  154 : 7 = 22 b Klaar? Vraag een blad met thermometers aan je juf of meester. Lees de temperatuur ’s nachts af en vul de tabel en de grafiek aan.

11


LES 123 1

22

Het gemiddelde berekenen

Even opfrissen. Vul aan. Om het gemiddelde van een reeks getallen te berekenen: • tel je eerst

alle

• deel je de

som

het

aantal

getallen samen; daarna door getallen.

Het gemiddelde ligt altijd tussen het kleinste en het grootste getal.

2

Vul de tabel aan. Bereken het gemiddelde. Meet de lengte van alle leden van jullie groepje in centimeter. Bereken dan de gemiddelde lengte. Dat doe je cijferend. Rond het resultaat af tot op 1 centimeter. naam

lengte (in cm)

Bewerking: • 

• 

Antwoord: In ons groepje is de gemiddelde lengte

12

centimeter.


BLOK 11

3

Lees de gegevens af van het staafdiagram en bereken het gemiddelde.

afstand in km

Juf Ariana is een fervente wielrenster. Hieronder zie je hoeveel kilometer ze deze week elke dag heeft gefietst. Bereken het gemiddelde aantal kilometer per dag. Dat doe je ‘uit het hoofd’. 80 70 60 50 40 30 20 10 0

ma

di

wo

do

vr

za

zo

dagen van de week



Bewerking: • 30 + 50 + 25 + 40 + 65 + 70 = 280 • 280 : 7 = 40 40

Antwoord: Juf Ariana rijdt gemiddeld

Lees de aantallen af van de lijngrafiek en bereken het gemiddelde. De vierdeklassers van basisschool ‘De Groeiboom’ houden van lezen. In de lijngrafiek zie je hoeveel boeken ze dit schooljaar per maand hebben gelezen. Bereken het gemiddelde aantal boeken per schoolmaand met de zakrekenmachine. Rond in je antwoord het resultaat af tot op een geheel. aantal gelezen boeken

4

kilometer per dag.

80 70 60 50 40 30 20 10 0

S

O

N

D

J

F

M

A

M

schoolmaanden

J 

Bewerking: • 32 + 68 + 58 + 56 + 20 + 36 + 42 + 24 + 40 + 18 = 394 • 394 : 10 = 39,4 Antwoord: Deze vierdeklassers lezen gemiddeld

39

boeken per schoolmaand.

13


5

Vul de tabel aan. Bereken het gemiddelde en beantwoord de vragen. Noteer hoeveel minuten je elke dag van deze week naar televisie hebt gekeken. (Je mag de hulp van je ouders inschakelen.) Bereken dan het gemiddelde aantal kijkminuten per dag met de zakrekenmachine. Rond het resultaat in je antwoord af tot op een geheel. dag

kijktijd in min.

maandag

min.

dinsdag

min.

woensdag

min.

donderdag

min.

vrijdag

min.

zaterdag

min.

zondag

min.

Bewerking: •   •  Antwoord: Ik heb deze week gemiddeld

minuten per dag naar televisie gekeken.

• Vergelijk jouw gemiddelde met dat van je klasgenoten. Wat valt je op?





• Vind je van jezelf dat je veel televisie kijkt? Waarom (niet)?

6



Hoeveel leerlingen waren er gemiddeld aanwezig deze week? Reken uit. In de klas van Jasper zitten er 23 leerlingen. Deze week waren er heel wat ziek. Bereken het gemiddelde aantal aanwezigen ‘uit het hoofd’. Bewerking: • 21  + 19 + 18 + 15 + 17 = 90 90 •  : 5 = 18 Antwoord: Deze week waren er gemiddeld leerlingen aanwezig per schooldag.

14

18


BLOK 11

LES 124 1

Hoofdrekenen: kommagetallen tot op 0,001 optellen en aftrekken

16

Tel handig op. Wissel termen van plaats of schakel (als dat nodig is). Kleur de termen die je handig kunt optellen eerst groen. 1,96 + 2,09 + 1,04 = 1,96 + 1,04 + 2,09 = 12,24 +(3,4 + 3,6)= 12,24 +

7

3

+ 2,09 = 5,09

= 19,24

5,65 +(2,85 + 0,15)= 5,65 + 3 = 8,65 23,01 + 7 + 10,99 = 23,01 + 10,99 + 7 = 34 + 7 = 41 4,4 + 5,6 + 0,26 = 10 + 0,26 = 10,26

  veggieburger

2

  cheeseburger

  kipvingers

Trek handig af. Wissel de aftrekkers van plaats (als dat nodig is). Kleur de termen waarmee je een rond getal kunt vormen groen. 0,62 − 0,25 − 0,12 = 0,62 − 0,12 − 0,25 = 0,50 − 0,25 = 0,25 − 0,15 = 0,05 0,88 − 0,68 − 0,15 = 0,20  − 1,34 − 1,20 = 6 − 1,20 = 4,80 7,34 − 1,20 − 1,34 = 7,34  6,9 − 2,009 − 2,9 = 6,9  − 2,9 − 2,009 = 4 − 2,009 = 1,991

  frietjes

3

  slaatje

  kroketjes

Vul de ontbrekende termen aan. a 2,06 +

6

4,85 + 5,32 + 22,10 + 3,26

3,50

+ 0,84 = 8,90 1,15

= 11,32

+ 3,50 = 29,10

+ 5 + 0,74 = 9

  ketchup

b 28,95 −

4

− 8,95 = 16

11,25 − 0,5 − 1,25 = 9,5 8,07 − 3,50 − 3,6 − 0,9 −

  mayonaise

0,07 1,6

= 4,50

= 1,1

  mosterd

15


4

Reken uit. Noteer de som of het verschil. • Maak de kommagetallen gelijk van rang door ze na de komma aan te vullen met nullen. • Je mag de stapjes noteren, als je dat handig vindt. 5,27 + 0,49 =

5,76

6,24 + 2,68 =

8,92

2,44 + 7,003 = 9,443 11

3,58 + 7,42 =

8,05 − 2,9 =

5,15

10 − 2,70 =

7,30

6,3 − 3,004 = 3,296 5,9 − 3,05 =

  water

5

2,85

  fruitsap

  frisdrank

  ijsje

  appel

Alles door elkaar! Tel op of trek af. 0,125 + 0,125 = 0,250 1 − 0,63 =

0,37

4,17 + 2,95 =

7,12

300,6 − 200,2 = 100,4 9,256 + 13 = 22,256 7,655 − 1,35 = 6,305 8,58 − 6,9 =

1,68

0,55 + 0,6 =

1,15

  donut 16


BLOK 11

6

Lees en los op. a De leerlingen van het vierde leerjaar gaan op fietstocht. Na 11,8 kilometer pauzeren ze een eerste keer. 10,4 kilometer later volgt een tweede pauze. Hoeveel kilometer hebben ze gefietst wanneer ze 6,2 kilometer later weer op school aankomen? Bewerking: 11,8 + 10,4 + 6,2 = 11,8 + 6,2 + 10,4 = 18 + 10,4 = 28,4 Antwoord:  Ze hebben dan 28,4 kilometer gefietst. b Mama is gaan joggen. De kilometerteller op haar telefoon geeft 12,755 kilometer aan. 2,4 kilometer daarvan heeft ze gewandeld. Hoeveel kilometer legde mama al joggend af? Bewerking: 12,755 − 2,4 = 10,355

Antwoord:  Mama legde al joggend 10,355 kilometer af. c 0,231 kilogram kabeljauw, 0,195 kilogram tomaten en 269 gram zalm: hoeveel kilogram vis kocht oma in totaal voor een heerlijk vispannetje? Bewerking: 0,231 + 0,269 = 0,500  Antwoord:  Oma kocht in totaal 0,500 kilogram vis.

  stiften

7

  strandbal

  sleutelhanger

Vul de ontbrekende getallen aan. a

b 0,6

+ 2,4

3

10

− 2,6

+ 1,07 4,16

+ 0,09

4,07

+ 0,9 5,06

7,4 – 1,05

5,55

− 0,8

6,35

– 1,1 + 1,6

6,66

4,45

− 0,006

4,444 17


LES 125 1

Eenvoudige vragen over snelheid oplossen

Hoe snel gaan ze? Geef elk bolletje de passende kleur. 15 km/uur

200 km/uur

90 km/uur

4 km/uur

1 uur = 60 minuten

18

10 km/uur


BLOK 11

2

Eerst samen. Bereken de tijd, de afstand of de snelheid in km/uur. a Een luchtballon haalt een gemiddelde snelheid van 25 km/uur. Hoelang duurt het voor die ballon 75 kilometer ver is?

b Oma maakt een fietstocht van 4 uur. Ze rijdt elektrisch en haalt gemiddeld 20 km/uur. Welke afstand legt ze af? Ze legt 80 kilometer af.

Dat  duurt 3 uur. ×3 afstand

 25 km

tijd



×4  75 km

1 uur



3 uur

afstand

 20 km

tijd



 80 km

1 uur



×3

×4

c De hogesnelheidstrein haalt een gemiddelde snelheid van 500 km/uur. Hoe ver rijdt die trein in een halfuur? In een halfuur rijdt de trein 250 kilometer.

d Clown Inpetto fietst op zijn eenwieler met 5 km/uur. Hoelang fietst hij over 500 meter? Daar fietst hij 6 minuten over.

:2 afstand

tijd

 500 km 

: 10  250 km

1 uur

 30 min.

(= 60 min. )

4 uur

:2

afstand

tijd



5 km

m) (= 5000  

1 uur

(= 60 min. )

 500 m

 6 min.

: 10

e Papa fietste 10 minuten over een afstand van 3 kilometer. Wat is zijn gemiddelde snelheid per uur? Zijn gemiddelde snelheid is 18 km/uur. ×6 3 km

afstand



tijd

 10 min.

 18 km  60 min. (=  1 uur ) ×6 19


3

Nu jij! Lees en los op. a Karma skiet van een berg naar beneden met 60 km/uur. Hoelang doet ze over 2 kilometer? Daar doet ze 2 minuten over.  : 30 afstand

tijd

 60 km 



1 uur

(= 60 min. )

2 km

 2 min.

: 30 b Nitta rolschaatst 20 minuten met een gemiddelde snelheid van 9 km/uur. Welke afstand legt ze af? Ze legt 3 kilometer af. :3 afstand

tijd



9 km



1 uur



3 km

 20 min.

(= 60 min. ) :3

c Een landschildpad heeft een gemiddelde snelheid van 400 m/uur. Hoelang doet ze over 1 200 meter? Daar doet ze 3 uur over. 

d Daan rijdt naar school met de scooter. Hij doet een kwartier over 8 kilometer. Wat is zijn gemiddelde snelheid? Zijn  gemiddelde snelheid is 32 km/uur.

×3 afstand

tijd

400 m

1 200 m

1 uur

3 uur

×3 20

×4 afstand

tijd

8 km

15 min.

32 km  60 min. (=  1 uur ) ×4


BLOK 11

e De parachutesprong van Mo duurt 6 minuten. Hij daalt met een gemiddelde snelheid van 180 km/uur. Op welke hoogte is hij uit het vliegtuig gesprongen? Op een hoogte van 18 kilometer. : 10 180 km

afstand

tijd

f



18 km

1 uur

6 min.

(= 60 min. )

: 10 Mama trainde 3 uur voor de marathon. Ze liep gemiddeld 9 km/uur. Welke afstand liep mama? Mama liep 27 kilometer.  ×3 afstand

9 km

27 km

tijd

1 uur

3 uur

×3

4

Lukt dit ook? Lees en los op. a Opa fietst 16 km/uur. Hoelang doet hij over een afstand van 12 kilometer? Daarover doet hij 45 minuten. :4 afstand

tijd

16 km 1 uur (= 60  min.) :4

b Een struisvogel legt 30 kilometer af in 25 minuten. Wat is zijn gemiddelde snelheid? Zijn  gemiddelde snelheid is 72 km/uur.

×3

:5

4 km

12 km

15 min.

45 min.

×3

× 12

afstand

30 km

6 km

tijd

25 min.

5 min.

:5

72 km 60 min. (= 1 uur ) × 12

21


LES 126 1

10, 11, 13, 14

Herhalen: hoofdrekenen Alle bewerkingen met natuurlijke getallen

Verdien samen zo veel mogelijk speelkaarten. • Werk per twee. • Trek een speelkaart en los de opgave op die erbij hoort. • Vergelijk (en verbeter) jullie uitkomst. • Controleer met de correctiesleutel. Is je oplossing juist? Dan mag je de speelkaart houden. • Trek een nieuwe kaart. Trek je een joker? Dan mag je van elke bewerking één opgave naar keuze uitrekenen met de zakrekenmachine.

Reken uit. Noteer de som.  1 57 000 + 18 000 =  2

3 467 + 298 =

 3

8 999 + 66 000 =

 4 285 + 499 + 615 =  5

696 + 247 =

 6

15 875 + 66 =

 7 464 + 175 + 325 =

22

Reken uit. Noteer het verschil.

75 000

 1

2 030 − 85 =

1 945

3 765

 2

3 416 − 35 − 216 =

3 165

74 999

 3

10 000 − 71 =

9 929

1 399

 4

62 000 − 440 =

61 560

943

 5

38 000 − 5 500 =

32 500

15 941

 6

100 000 − 3 100 =

96 900

964

 7

4 185 − 999 =

3 186 4 550

 8

7 620 + 43 000 =

50 620

 8 6 200 − 450 − 1 200 =

 9

8 000 + 76 000 =

84 000

 9

91 000 − 105 =

10

595 + 328 =

923

10

7 020 − 41 =

90 895 6 979


BLOK 11

Reken uit. Noteer het product.

Reken uit. Noteer het quotiënt.

 1

5 × 445 =

2 225

 1

63 000 : 700 =

 2

30 × 220 =

6 600

 2

30 042 : 3 =

 3

80 × 700 =

56 000

 3

855 : 9 =

 4

25 × 84 =

2 100

 4

100 000 : 8 =

12 500

 5

5 671 × 10 =

56 710

 5

49 000 : 100 =

490

 6

9 × 390 =

3 510

 6

1 530 : 3 =

510

17 000

 7

2 300 : 25 =

92

 7 17 × 4 × 250 =

90 10 014 95

 8

600 × 15 =

9 000

 8

25 000 : 4 =

6 250

 9

150 × 99 =

14 850

 9

7 400 : 50 =

148

10

3 × 806 =

2 418

10

4 995 : 5 =

999

23


2

Bescherm je speelkaarten tegen de jokers. Als er in totaal acht jokers getrokken worden, ben je al je speelkaarten kwijt. Tenzij je vóór die tijd de boer, dame en heer ‘inhuurde’ om je kaarten te beschermen. Je huurt ons in door bij elk van ons (minstens) één vraagstuk correct op te lossen. • Ik betaal elke maand 300 zilverlingen aan de koning. 3 600

Dat zijn

zilverlingen op één jaar.

In ruil daarvoor mag ik mijn oogst houden.

• Op mijn boerderij houd ik kippen, ganzen, fazanten en kalkoenen.

Dat zijn 392 stuks pluimvee in totaal. Ik heb er van elke soort evenveel.

Dat zijn er

98

van elk.

• Volgende week organiseer ik een groot bal.

Daarop nodig ik 698 jonkvrouwen uit en 597 ridders.

Dat zijn samen

1 295

gasten.

• Mijn drie dochters en ik hebben elk 7 dienstbodes.

Die moeten elke dag elk 25 klusjes uitvoeren.

Dat zijn in totaal

700

klusjes op een dag.

• Alle boeren samen betalen me dit jaar 84 000 zilverlingen.

Daarvan besteed ik er 5 500 aan herstellingen aan mijn kasteel.

Ik houd 78 500 zilverlingen over.

• Ik breng een bezoek aan mijn broer Arthur, 750 kilometer verderop.   Te paard leg ik gemiddeld 50 kilometer per dag af.

24

Ik ben ongeveer

15

dagen onderweg.


BLOK 11

LES 127 1

25

Gewicht meten met ton, kg en g

Wat een gigant. Lees en kleur alle gewichtsmaten blauw. Het grootste dier op aarde is de blauwe vinvis. Hij wordt wel 33 meter lang en kan meer dan 150 ton wegen. De tong van een blauwe vinvis is zo groot als een olifant en weegt ongeveer 2 000 kilogram of 2 ton. Ondanks zijn grote gewicht haalt een blauwe vinvis snelheden tot 50 kilometer per uur. Om zijn honger te stillen, eet hij zo’n 3,5 ton plankton per dag. Jagen is makkelijk: de vinvis duikt naar 500 meter diepte met zijn bek wijd open. Met één duik vangt hij zo’n 1 000 kilogram plankton.

2

Een maat bestaat uit een maatgetal en een maateenheid.

Vul de ‘identiteitskaarten’ aan. Op verkeersborden wordt ‘ton’ afgekort.

ton referentiemaat: 

een kleine personenwagen



kg voluit: 

kilogram

g voluit: 

referentiemaat: 

een pak suiker

gram referentiemaat:



twee paperclips

25


3

Reken de maten om in de tabel. ton

4

100 kg

10 kg

kg

100 g

10 g

g

1

0

0

0

0

0

0

1

1

0

0

0

0

0

0

1

1 kg = 0,001 ton

Vul de passende maateenheid in.

• Een praline weegt zowat 10

g

b • Een tomaat weegt zowat 150

g

• An koopt een pakje kaas van 200 • Mijn babybroertje weegt 3 150

g

g

.

• Een nijlpaard kan tot 1,8 ton wegen.

.

• Mama kookt een halve kg spaghetti.

• 1 ton is evenveel als 1 000 kg . .

.

• Een braadkip weegt ongeveer 1 kg .

• Een schoolbus weegt zowat 15 ton . • Een ijsbeer weegt ongeveer 500 kg . • De koning stuurde me een tele gram . 

Zet om. Gebruik de tabel, als je dat handig vindt. ton

a

26

1 g = 0,001 kg 1 ton = 1 000 kg

a • Een auto weegt ongeveer 1 ton .

5

1 kg = 1 000 g

100 kg

10 kg

kg

100 g

10 g

g

Schrijf zachtjes met potlood. Gom dan uit. Zo kun je de tabel telkens opnieuw gebruiken.

3,5 ton =

3 500

kg

1,4 kg =

1 400

g

6 ton =

6 000

kg

3,05 ton =

3 050

kg

2,700 kg =

2 700

g

1,01 ton =

1 010

kg

0,005 kg =

5

g

0,15 ton =

150

kg

0,05 kg =

50

g


BLOK 11

b

6

600 kg =

0,600

ton

3 750 g =

3,750

kg

2 060 kg =

2,060

ton

2

ton

500 g =

0,500

kg

1 300 kg =

1,300

ton

2 000 kg =

1 025 g =

1,025

kg

10 kg =

0,010

ton

7g=

0,007

kg

Rangschik de gewichten zoals gevraagd. Zet eerst om naar een gelijke maateenheid, als je dat handig vindt. a 150 kg

2 ton 125 kg

990 g

3 775 kg

780 kg

(= 150 kg )

(= 2 125 kg )

(= 0,99 kg )

(= 3 775 kg )

(= 780 kg )

> 2 ton 125 kg >

780 kg

1,2 ton

735 kg

3 kg 100 g

(= 1 200 kg )

(= 735 kg )

3 775 kg

>

150 kg

>

990 g

b

3 kg 100 g

7

<

320,5 kg

(= <

3,1 kg ) 0,5 ton

<

320,5 kg

0,5 ton

(= 320,5 kg )

(= 500 kg )

735 kg

<

1,2 ton

Reken uit. a Op het bordje in de lift staat: ‘maximaal 20 personen’. Een volwassene weegt gemiddeld 70 kg. Welk gewicht kan de lift dragen? (Zeg het in ton.) Bewerking: 20  × 70 = 1 400

1 400 kg = 1,4 ton

Antwoord: De  lift kan 1,4 ton dragen.

b De directeur kocht 2,2 ton zand voor de nieuwe zandbak. Ze moet het zand zelf afhalen. Met haar aanhangwagen mag ze 500 kg vervoeren. Hoeveel keer moet ze rijden? Bewerking: 2 200 : 500 = 4 rest 200 Antwoord: Ze  moet 5 keer rijden. 27


LES 128 1

21

De beste manier van rekenen kiezen

Hoofdrekenen of cijferen? Jij beslist! Reken uit. • Kleur het vakje voor elke opgave blauw (hoofdrekenen) of groen (cijferen). • Reken uit op het ruitjespapier. Noteer de uitkomst naast elke opgave.   61 075 − 52 349 = 8  726   4 200 : 5 = 840   5 395 + 1 565 + 2 005 = 8 965   600 × 40 = 24 000   81 858 : 6 = 13  643

2

Hoofdrekenen of rekenen met de zakrekenmachine? Jij beslist! Reken uit. • Kleur het vakje voor elke opgave blauw (hoofdrekenen) of geel (ZRM). • Reken de opgaven die je niet op de ZRM maakt uit op het ruitjespapier. Noteer de uitkomst naast elke opgave.   20 350 + 4 650 = 25 000   41 656 : 4 = 10 414   847 × 36 = 30 492   45 000 − 4 150 = 40 850   182 × 50 = 9  100

28


BLOK 11

3

Reken uit en kraak de code. Kies zelf hoe je elke opgave wilt oplossen: uit het hoofd of cijferend. Klaar? Zoek een klasgenoot die ook klaar is. Controleer elkaars oplossingen. Dat mag met de ZRM. Verbeter de foutjes die je vindt. 12 856 : 8 =

1 607

96 045 − 37 152 = 58 893

24 × 199 =

4 776

218 × 85 = 18 530

1 396 − 256 =

1 140

6 503 + 1 437 =

7 940

a

80

2 400 : 30 =

3 252 + 1 075 + 925 = c

3 992 : 4 =

b

5 252 998

d

5 672 − 4 998 =

3 690

208 × 25 =

Kleur dan alle oplossingen en vind zo het beroep van deze man. 3 690

R

1 607

19 841

A

64 I

7 456

Z

18 530

O

1 140

P

75 B

80 R

5 200

E

12 488

S

674 E

4 125

K

5 252

N

7 940

T

50 020

L

739 D

4 776

A

11 239

T

58 893

O

618 V

24 334

R

Zijn beroep is radiopresentator

5 200

51 406 − 38 918 = 12 488

674

A

64

3 521 + 6 941 + 777 = 11 239

5 625 + 18 709 = 24 334 246 × 15 =

1 600 : 25 =

202 G

Niet voldoende ruimte? Vraag dan een extra kladblaadje!

998 D

. 29


4

Zou jij schatten of het precies uitrekenen? Kruis aan. schatten Simon organiseert een spaghettifeest. Hij rekent 150 gram pasta per persoon en verwacht 25 à 30 personen. Hoeveel pasta heeft hij nodig? Hasnae koopt een cadeautje voor 16,50 euro en een verjaardagkaart voor 2,95 euro. Komt ze toe met 20 euro? Cas neemt deel aan een zwemwedstrijd. Hij zwemt 1 500 meter. Hoeveel baantjes van 25 meter moet hij dan zwemmen?

5

Lees en los op. Kies zelf hoe je dat doet. a Onze volleybalclub speelt de bekerfinale op verplaatsing. Er willen 560 supporters mee. Hoeveel bussen moet de club bestellen? Ik kies voor:   schatten 

 hoofdrekenen 

 cijferen 

 ZRM

Bewerking: 560 : 52 = 10 rest 40 Antwoord:  De club moet 11 bussen bestellen. b Mama betaalt de zeeklassen van de drieling. Kostprijs per leerling: 125 euro. Hoeveel euro moet mama overschrijven op de schoolrekening? Ik kies voor:   schatten 

 hoofdrekenen 

 cijferen 

 ZRM

 cijferen 

 ZRM

Bewerking: 3 × 125 = 375 Antwoord:  Mama moet 375 euro overschrijven. c In de opera zijn 25 rijen van 38 plaatsen. De zaal is zowat voor de helft gevuld. Hoeveel toeschouwers zijn er bij benadering? Ik kies voor:   schatten 

 hoofdrekenen 

Bewerking: 25 × (38 : 2) ≈ 25 × 20 ≈ 2 000 : 4 = 500 Antwoord:  Bij benadering zijn er 500 toeschouwers.

30

rekenen


BLOK 11

LES 129 1

47

Experimenteren met licht en schaduw

Op onderzoek! Doe wat gevraagd wordt en kleur je bevindingen.

Plaats het popje (of je lijmstift) op de voetstappen. • Laat de schaduw rechts van het popje vallen. → Daarvoor houd je de lichtbron 

rechts van  

boven

  het popje.

rechts van  

boven

  het popje.

links van

rechts van  

boven

  het popje.

laag

hoog

.

laag

hoog

.

links van

• Laat de schaduw links van het popje vallen. → Daarvoor houd je de lichtbron 

links van

• Laat de schaduw onder het popje vallen. → Daarvoor houd je de lichtbron  • Maak de schaduw zo kort mogelijk. → Daarvoor houd je de lichtbron  • Maak de schaduw zo lang mogelijk. → Daarvoor houd je de lichtbron 

31


2

Bestudeer de schaduw. Kleur dan de lamp die brandt geel. a

b

c Teken de lamp hier zelf!

3

Jozefien wil in de schaduw zitten. Waar lukt dat? Zet een kruisje onder die stoelen.

32


BLOK 11

4

Is de schaduw juist of fout getekend? Kruis aan. a

b

  juist     fout

5

  juist     fout

Wanneer werden deze foto’s gemaakt? Kleur het juiste vakje. Denk eraan! De zon komt op in het oosten

.

’s Middags staat ze hoog in het zuiden

.

De zon gaat onder in het westen

.

a

b

N W

N

O

W

Z

’s morgens

’s middags

Z

’s avonds

c

O Z

’s morgens

’s middags

’s morgens d

N W

O

’s avonds

’s middags

’s avonds

’s middags

’s avonds

N W

O Z

’s morgens

33


LES 130 â&#x20AC;&#x201C; HERHALING

Wat heb ik geleerd in blok 11?

Getallenkennis Ik kan:

les nr.

getallen tot XII in Romeinse cijfers lezen en noteren.

121

informatie in een staafdiagram of lijngrafiek aflezen of voorstellen.

122

Bewerkingen Ik kan:

les nr.

1 8

2

rekenwijzer herhaling nr. nr.

het gemiddelde van een reeks getallen berekenen.

123

22

3

hoofdrekenen: kommagetallen optellen en aftrekken.

124

16

4

hoofdrekenen: natuurlijke getallen optellen en aftrekken.

126

10, 11

5

hoofdrekenen: natuurlijke getallen vermenigvuldigen en delen.

126

13, 14

6

eenvoudige vraagstukken oplossen.

124, 126

de beste manier van rekenen kiezen.

128

Meten en metend rekenen Ik kan:

les nr.

7 21

8

rekenwijzer herhaling nr. nr.

eenvoudige vragen over snelheid in km/uur oplossen.

125

een passende maat voor gewicht invullen.

127

25

10a

eenvoudige herleidingen uitvoeren.

127

25

10b

Meetkunde Ik kan:

les nr.

9

rekenwijzer herhaling nr. nr.

aan de hand van een schaduw bepalen waar een lichtbron zich bevindt.

129

47

11a

het dagdeel bepalen aan de hand van de schaduwen die de zon maakt.

129

47

11b

Ik kan verdragen wanneer ons groepje tegenslag heeft bij een spel. Ik werk netjes en nauwkeurig wanneer ik diagrammen en grafieken teken. Ik vind het fijn om tijdens de rekenlessen nieuwe dingen te leren.

34

rekenwijzer herhaling nr. nr.


1

Van Romeinse cijfers naar Arabische cijfers en omgekeerd a Met welk rugnummer spelen deze voetballers? Noteer het met Arabische cijfers.

2

=

12

=

=

9

=

8

b Noteer deze getallen met Romeinse cijfers.

2

  1=

I

  5=

V

7=

VII

3=

III

10 =

X

11 =

XI

4=

IV

6=

VI

Vul aan wat ontbreekt. a Vul de gegevens in de tabel aan. Teken de ontbrekende staven in het diagram. Vul dan de zinnen aan.

water

fruitsap

melk

4A

7

9

4

4B

8

6

5

Drankverbruik 7 mei (4A en 4B)

10 8 6 4

Legenda  4A  4B

2 0

W

F

M

• 7 kinderen uit klas 4A dronken vandaag water • Er werden in totaal

15

• De leerlingen van

fruitsapjes gedronken. water

• In 4B werd vooral 4B

.

gedronken.

dronken meer melk dan de leerlingen van 4A

. 35


b Vul de gegevens in de tabel aan. Teken de ontbrekende stippen in de grafiek en verbind ze. Vul dan de zinnen aan. maandag

dinsdag

50

150

woensdag donderdag 300

200

vrijdag

zaterdag

zondag

250

350

450

Bezoekers schoolwebsite deze week (afgerond) 500 400 300 200 100 0

M D W D V Z Z

• Op woensdag waren er dubbel zoveel bezoekers als op dinsdag

.

• Op vrijdag zijn er 200 bezoekers minder dan op zondag

.

maandag

• Op 

3

zijn er de minste bezoekers, namelijk 50

Lees de gegevens af en bereken het gemiddelde. a

b

Drankverbruik tijdens het vierdaagse zomerfestival 600 500 400 300 200 100 0

Legenda aantal drankjes

do

vr

za

zo

Bewerking:

36

.

Gemiddelde temperatuur deze schoolweek ma

15 °C

di

19 °C

wo

21 °C

do

17 °C

vr

23 °C

+ 250 + 400 + 550 = 1 400 • 200 

Bewerking:

• 1  400 : 4 = 350

• 15  + 19 + 21 + 17 + 23 = 95

Antwoord:

• 95 ; 5 = 19

Er werden gemiddeld 350 drankjes per

Antwoord:

dag verbruikt.

Het was deze week gemiddeld

19

°C.


4

Bereken de som of het verschil. Soms lukt het handig. 4,9 + 1,6 =

6,5

3,2 + 1,18 =

4,38

2,75 + 0,15 =

2,90

3,12 + 8,2 + 0,8 = 12,12 9,1 − 6,8 =

2,3

10 − 0,34 =

9,66

8,05 − 1,005 = 7,045 7,6 − 2,45 − 1,6 =

5

3,55

Bereken de som of het verschil. Soms lukt het handig. a

43 750 + 13 050 = 2 370 + 1 320 = 51 799 + 42 000 = 4 598 + 75 = 8 150 + 3 200 + 850 =

56 800 3 690 93 799 4 673 12 200

b

56 000 − 22 000 = 6 740 − 1 270 =

34 000 5 470

87 810 − 810 − 6 300 =

80 700

36 002 − 452 =

35 550

72 000 − 38 000 =

34 000

37


6

Bereken het product of het quotiënt. Soms lukt het handig. a

7

6 315

50 × 900 =

45 000

8 000 : 25 =

320

7 × 399 =

2 793

30 000 : 4 =

7 500

16 × 4 × 25 =

1 600

9 135 : 7 =

1 305

30 × 150 =

4 500

70 000 : 100 =

b 54 000 : 900 =

Lees en los op. a Vandaag krijgt papa zijn loon (€ 1 905) én zijn vakantiegeld (€ 1 125). Hoeveel euro komt er op zijn rekening? Bewerking: 1  905 + 1 125 = 3 030 Antwoord: En komt 3 030 euro op zijn rekening.

38

60

3 × 2 105 =

700


b Het vierde leerjaar van basisschool ‘Het Anker’ gaat op zeeklassen. De 50 leerlingen van 4A en 4B betalen elk 120 euro. Hoeveel euro is dat samen? Bewerking: 50 × 120 = 12 000 : 2 = 6 000 Antwoord: Dat  is samen 6 000 euro.

c Selma heeft 25 euro gespaard. Daarmee koopt ze een leesboek van 11 euro en een strip van 5,99 euro. Hoeveel euro houdt ze over? Bewerking: 25 − 11 − 5,99 = 14 − 5,99 = (14 − 6) + 0,01 = 8,01 Antwoord: Ze  houdt 8,01 euro over.

8

Reken uit. Kies en kruis aan hoe je dat doet. Je mag elke oplossingswijze maar twee keer gebruiken. hoofdrekenen 51 105 + 25 500 =

76 605

27 × 1 539 =

41 553

55 872 : 36 =

1 552

80 601 − 41 360 = 32 820 : 4 = 48 561 − 9 874 =

cijferen

ZRM

39 241 8 205 38 687

39


9

Lees en los op. a Een tractor rijdt gemiddeld 30 km/uur.

b Mama rijdt 120 km/uur op de snelweg.

Welke afstand legt hij af in 2 uur?

Hoelang doet ze over 30 kilometer?

In  2 uur legt hij 60 km af.

Daar doet ze 15 minuten over. 

×2

afstand

30 km

60 km

tijd

1 uur

2 uur

120 km

afstand tijd

:4



30 km

1 uur

15 min.

(= 60 min. )

×2

:4

c Amir fietst naar school. Hij doet een kwartier over 4 kilometer. Wat is zijn gemiddelde snelheid per uur? Zijn gemiddelde snelheid is 16 km/uur. ×4 4 km

afstand

16 km  60 min.

15 min.

tijd

(= 1 uur ) ×4

10

De gewichtsmaten a Hoeveel weegt het ongeveer? Vul de passende maateenheid in. Kies uit: ton, kilogram (kg) of gram (g).

40

≈ 2,5

ton

≈ 250

g

≈ 0,25

kg

≈ 100

g

≈ 0,75

ton

≈ 3,420

kg


b Zet om. Gebruik de tabel, als je dat handig vindt. ton 5

5 000 g = 3 ton = 3 000

100 kg

10 kg

kg kg

3

0

0

1,5 kg = 1 500 g 4 300 kg = 4,3

ton

11

10 g

g

5

0

0

0

5

0

0

0

6

0

0

4

3

0

0 0

68 kg = 0,068 ton 250

100 g

1

60 g = 0,060 kg

0,25 ton =

kg

kg

0

0

6

8

0

2

5

0

Licht en schaduw. Kleur wat gevraagd wordt. a Kijk naar de schaduw en kleur de lamp die brandt geel.

b Wanneer werden deze foto’s gemaakt? Kleur het juiste vakje. N W

O Z

N W

O Z

’s morgens

’s middags

’s avonds

’s morgens

’s middags

’s avonds 41


1

Beantwoord de vragen. Zoek het antwoord in het lessenrooster. MAANDAG

DINSDAG

WOENSDAG

DONDERDAG

VRIJDAG

8:25

wiskunde

wereldoriëntatie

godsdienst/ zedenleer

wiskunde

wiskunde

9:15

taal

godsdienst/ zedenleer

wereldoriëntatie

taal

taal

10:20

zwemmen

wiskunde

wiskunde

lichamelijke opvoeding

wereldoriëntatie

11:10

zwemmen

taal

taal

taal (spelling)

wiskunde

muzische vorming

wereldoriëntatie

muzische vorming

muzische vorming

10:05

12:00 13:30 wereldoriëntatie

lichamelijke opvoeding

14:20 wereldoriëntatie contract/schrift

• Hoelang duurt de zwemles? 1 uur en 40 minuten • Hoeveel minuten wiskunde krijgen de leerlingen in totaal? 300 minuten • Hoeveel uur is dat? 5 uur • Hoeveel minuten taal krijgen ze (spelling niet meegerekend)? 250 minuten • Hoeveel uur is dat? 4 uur en 10 minuten • Hoeveel minuten pauze hebben ze op hele schooldagen? 105 minuten • Om hoe laat eindigt de schooldag, denk je? Waarom? 15:10, omdat elk lesuur 50 minuten telt, dus het laatste wellicht ook.

42


2

Lees en los op. a •  Op straat voetballen 15 kinderen. Hoe oud zijn ze gemiddeld? Ziya Nasr Kamiel Hannah Vladimir

11 jaar 8 jaar 10 jaar 6 jaar 10 jaar

Robbe Sanae Mil Amine Stan

Pjotr Martha Simon Roos  Cas

10 jaar 9 jaar 9 jaar 11 jaar 12 jaar

8 jaar 7 jaar 8 jaar 7 jaar 9 jaar

Bewerking: •  11 + 8 + 10 + 6 + 10 + 10 + 9 + 9 + 11 + 12 + 8 + 7 + 8 + 7 + 9 = 135 •  135 : 15 = 9

Antwoord: Ze zijn gemiddeld 9 jaar oud. •

Kamiel, Ziya en Stan gaan naar huis. Hoe oud zijn de kinderen die dan nog overblijven gemiddeld? Bewerking: • 135 − 10 − 11 − 12 = 102 • 102 : 12 = 8,5

Antwoord: De kinderen die dan nog overblijven zijn gemiddeld 8,5 jaar oud. b • De gemiddelde leeftijd van dit gezin is 20 jaar. Hoe oud is Finn?

mama 39 jaar

moeke 37 jaar

Ada 14 jaar

Ferre 12 jaar

Jeanne 11 jaar

Finn ?

Bewerking: • 6 × 20 = 120

• 120 − 39 − 37 − 14 − 12 − 11 = 7

Antwoord: Finn  is 7 jaar. • Hoe oud zijn ze gemiddeld over precies één jaar? Bewerking: • 40 + 38 + 15 + 13 + 12 + 8 = 126

• 126 : 6 = 21 precies één jaar zijn ze gemiddeld 21 jaar. Antwoord: Over  43


3

Los het ‘kruisgetalraadsel’ op. 1 4 6

2

2

5

4

8

1

8

3

0 5

2

6

10 1 12 7 14 5 8

0

5

0

8

2

9

11 4

5 0

3

2 15 4

0 16 8

0

9

17 5

Horizontaal

Verticaal

1

10 000 : 40 =

1

een kwart van 964

3

een kwart van 1 400

2

(8 × 70) + (7 × 4) =

4

2×3×8=

3

(900 : 3) + (4 × 4) =

5

(3 × 4) + 9 =

8

een kwart van 96

6

de helft van het drievoud van 120

9

(50 × 10) + (100 : 50)

7

(2 × 300) + (100 : 4) =

10 het honderdvoud van 10

11 de helft van een kwart van 320 13 1 624 : 8 = 14 44 000 : 800 = 15 820 : 205 = 16 91 minder dan 900 17 1 van 1 van 250 10 5

44

13 2

5

1 7

0

3

12 2 minder dan 190 × 4


BLOK 12

NR.

TITEL

SECONDEN

SCORE

1

Ken je me nog?

sec.

sec.

2

Ik lach me een breuk

sec.

sec.

3

Netjes op een rij

sec.

sec.

4

Uit het hoofd, niet uit het hart

sec.

sec.

5

Onder elkaar

sec.

sec.

6

Tik Tak

sec.

sec.

7

Een knap figuur

sec.

sec.

8

Op en om

sec.

sec.

TOTAAL

sec.


BLOK 12 1

INSTAPLES

Kommagetallen a Noteer de kommagetallen.

b Rangschik zoals gevraagd.

8E + 2t + 5h = 8,25

18,249  9,842  18,492

1H + 4T + 5E + 9t = 145,9

9,842

7E + 6d = 7,006

542,16  542,61  246,15

9T + 3h = 90,03

2

542,61 > 542,16 > 246,15

Breuken a Vergelijk en vul in: > of <.

3

b Maak gelijknamig.

3 7

>

2 7

6 en 1 = 3. en 1. 10 5 5. 5.

1 5

<

1 4

1 en 3 = 2. en 3. 4 8 8. 8.

5 6

>

5 8

2 en 3 = 8. en 9. 3 4 12 . . 12

Vul de getallenassen aan. 1

7. 8.

5. 8.

6 8

57,6

0,887

4

0,888

Reken uit. 19 235 + 70 = 19 305

8 × 9 000 = 72 000

21 000 : 300 = 70 53 000 − 230 = 52 770

8,1 + 0,35 = 8,45

16,5 − 4,2 = 12,3 46

< 18,249 < 18,492

4 8

3 8

57,7

0,889

2 8

0

57,9

57,8

0,89

1. 8.

0,891

58

0,892

58,1


5

Los cijferend op. Vergeet de schatting niet. 458,9 + 83,627 = 500 + 100 = 600

≈

+

6

23,65 × 7 = ¡

1

1

1

4

5

8,

9

0

0

8

3,

6

2

7

4

2,

5

2

7

5

56 − 9,67 =

20 × 7 = 140

≈

2 ×

3,

¡

6

60 − 10 = 50

≈

5 7

1

6

5,

5

3

5

4

2

¡

4

15

9 10

10

5

6,

0

0

9,

6

7

6,

3

3

4

Hoelang duurt het avondfeestje van de bollobo’s? Stel de cijferklokjes in en reken uit.

11

12

1

11 2

10

8 6

2 3

9 8

4 7

1

10 3

9

12

5

4 7

20 35

6

5

22 17 21:00

+ 25 min.

22:00 + 1 uur

+ 17 min.

tijdsduur: 1 uur en 42 minuten

7

Bestudeer deze figuren en los op. D B

A  

C  

F

E  

Driehoek benoemen? Kijk naar de hoeken en de zijden.

•  Zet een kruisje in alle vierhoeken. • Teken de diagonalen in het trapezium. • Duid alle rechte hoeken aan met een L.

• Noteer de volledige naam van figuur D: rechthoekige gelijkbenige driehoek

8

Kleur en bereken wat gevraagd wordt. a de omtrek van figuur A 2 × (3 cm + 2 cm) = 10 cm

b de oppervlakte van figuur C 3  cm × 2 cm = 6 cm2

47


LES 133 1

Oefenen met natuurlijke getallen en kommagetallen Afronden

2, 4, 5

Noteer de getallen die je juf of meester dicteert.

5 310

2

D

H

T

E

5

4

3

6

1

5TD + 4D + 3H + 6T + 1E

= 54 361

9

0

8

0

0

9TD + 8H

= 90 800

3

4

3

5

6

3 TD + 4 D + 3 H + 5 T + 6 E

= 34 356

5

0

1

0

5 D+ 0 H+ 1 T+ 0 E

= 5 010

1

1

1

9

2

elfduizend honderdtweeënnegentig = 11 192

8

3

0

3

1

drieëntachtigduizend eenendertig = 83 031

Noteer de waarde van de onderstreepte cijfers op twee manieren. 66 357

42 589

3H of 300

4TD of 40 000

73 127

14 589

20

5H of

60 813 3E of

500

8D of

Rangschik de getallen zoals gevraagd.

25 476

<

52 476

<

52 674

<

75 675

46 616  46  681  4  861  46  168 46 681

>

46 616

>

46 168

3

38 709

25 476  75  675  52  476  52  674

48

98 889

TD

2T of

4

40 207

Noteer de cijfers in de tabel. Schrijf de getallen voluit of vul de splitsing aan. HD

3

62 411

>

4 861

8 000


BLOK 12

5

Vul de getallenassen aan. 77 700

78 700

79 700

9 520

30 288

6

30 290

9 515

30 292

30 294

81 700

9 510

82 700

9 505

30 296

83 700

9 500

30 298

9 495

9 490

30 300

Rond de getallen af zoals gevraagd. tot op een T

7

80 700

tot op een H

tot op een D

tot op een TD

84 259 ≈ 84 260

18 439 ≈ 18 400

15 690 ≈ 16 000

62 998 ≈ 60 000

72 381 ≈ 72 380

  9 873 ≈

46 527 ≈ 47 000

93 150 ≈ 90 000

9 900

Noteer de cijfers in de tabel. Schrijf de kommagetallen voluit of vul de splitsing aan. H

9

8

T

E

t

h

d

5

8

7

3

4

5T + 8E + 7t + 3h + 4d

= 58,734

9

0

1

0

1

9H + 9T + 1t + 1d

= 990,101

1

5

2

3

1 T+ 5 E+ 2 t+ 3 h

= 15,23

0

2

0

7

8 H + 0 T + 2 E + 0 t + 7 h = 802,07

0

2

0

8

208 duizendsten

= 0,208

5

0

3

6

5 eenheden 36 duizendsten

= 5,036 49


8

Noteer de waarde van de onderstreepte cijfers op twee manieren. 1,263

29,825 2T of

6h of 0,06 0,89 8t of

9

37,224

20

2h of

78,905 0,8

5d of

4,999

0,005

4E of

0,65  0,640  0,6

0,350 > 0,305 > 0,035

< 0,640 <

0,65

9,909  99,09  9,990

43,811 > 43,81 > 4,381

9,909 < 9,990 < 99,09

Vul de getallenassen aan.

3,002

3,001

85,57

50

0,6

43,81  4,381  43,811

6,7

11

4

Rangschik de kommagetallen zoals gevraagd. 0,350  0,035  0,305

10

0,02

6,9

6,8

3

2,999

85,58

7

2,998

7,1

2,997

85,6

85,59

7,2

2,996

85,61

2,995

85,62

7,3

7,4

2,994

85,63

Rond de kommagetallen af tot op een eenheid. 14,759 ≈

15

2,875 ≈

3

190,507 ≈

191

  0,32 ≈

0

61,61 ≈

62

  9,499 ≈

9

85,64


BLOK 12

LES 134 1

3, 15

Oefenen met breuken

Los op. a Neem een breuk, zoals gevraagd. Ik heb 1 van de cirkel gekleurd. 2

Kleur 3 . 4

Kleur 2 . 3

b Teken een boogje boven 4 van dit lijnstuk. 5 15 cm : 5 = 3 cm

c

3 Kleur . 4

4 × 3 cm = 12 cm

20 : 4 = 5

2 Kleur . 7

14 : 7 = 2

3 × 5 = 15

2 × 2 = 4

3 van 20 zonnen = 15 zonnen 4

2 van 14 druppels = 4 druppels 7

d Reken uit. 4 van 2 000 → 2 000 : 5 = 5

400

en 4 ×

400

= 1 600

6 van 3 600 → 3 600 : 9 = 9

400

en 6 ×

400

= 2 400 51


2

Zet de breuken om naar een gemengd getal of omgekeerd. a

8 = 1 geheel en 3. = 1 en 3. 5. 5. 5

b 1 en 2 = 5. 3 3.

9 = 2 gehelen en 1. = 2 en 1. 4 4. 4.

3

Maak de breuken gelijkwaardig. Vul de teller of noemer aan. a

3=6 4 8.

b

c

6 =3 10 5.

d 12 = 3. 20 5

20 = 4 25 5.

10 = 2. 15 3

20 = 1 40 2

18 = 9 = 1 en 4 10 5 5

18 = 9 20 10

12 = 4 15 5

25 = 5 = 2 en 1 10 2 2

15 = 3 20 4

Zet de breuken in de juiste volgorde. a

1  8

1  1 5 10

b

3  7

1 < 1 < 1 10 8 5

6

3  8

c

3 2

3 > 3 > 3 2 7 8

5  9

2  9

8 9

2 < 5 < 8 9 9 9

Maak de breuken eerst gelijknamig. Vul dan in: <, = of >. 2 < 6 4 8

a

52

Teken pijlen, als je dat handig vindt.

Schrijf de breuken zo eenvoudig mogelijk. Deel teller en noemer door eenzelfde getal. Controleer! Is dit de eenvoudigste breuk? Of kun je teller en noemer nog eens delen door eenzelfde getal?

5

1 = 5. 6 30 3 = 15 . 4 20

2=6 5 15 .

4

3 en 1 = 7. 2 2.

6 10

3 > 5 5 10

5 15

1 < 2 3 5

3 4

b 9 12

6 15

3 > 1 8 4

2 8

3 > 2 4 3

8 12

1 = 4 3 12

1 3


BLOK 12

7

Vul de breuken aan of noteer ze op de juiste plaats. a

3. 4.

0

6. 4.

1

2

9. 4.

22 20

11 10

. 11 4.

3

b Maak deze breuken eerst gelijknamig. 9 5

18 10

0

8

3 2 3 10

15 10

3 10 1 2

4 5

4 5

8 10

1 2 3 2

22 1 20

5 10 9 5

Reken uit. • Vergeet niet de som of het verschil nog te vereenvoudigen als dat kan. • Is de som groter dan 1 geheel? Zet ze dan om naar een geheel of een gemengd getal. a

9

2 + 5 =7 8 8 8 3 + 1 =4=2 6 6 6 3 5 + 3 = 8 =1 8 8 8 3 + 2 = 5 = 1 en 1 4 4 4 4

b

3 − 1 =2 5 5 5 7 − 3 =4=1 8 8 8 2 1− 3 =7−3 =4 7 7 7 7 8 − 2 = 6 =3 10 10 10 5

Breuken en kommagetallen: zet om zoals gevraagd. a Zet de kommagetallen om naar een breuk. Schrijf die breuk dan zo eenvoudig mogelijk.   0,3 = 3 10 0,25 = 25 = 1 100 4

5 = 1 1 000 200   0,2 = 2 = 1 10 5 0,005 =

b Zet de breuken om naar een kommagetal.

E

t

h

15 = 0,15 100

0

1

5

23 = 0,023 1 000

0

0

2

0

8

0

6

4 = 8 = 0,8 5 10 13 = 65 = 0,65 20 100

T

d

3

5 53


LES 135 1

10-14, 16

Hoofdrekenen: alle bewerkingen met natuurlijke getallen Optellen en aftrekken met kommagetallen

Even opwarmen. Reken uit. a 100 000 − 980 = 99 020 50 × 240 = 12 000 24 000 : 300 = 80 5 273 − 56 = 5 217

2

6,4 + 0,8 = 7,2

Soms lukt het handig!

7,35 − 4,9 = 2,45 9 + 0,206 = 9,206 4 − 0,04 = 3,96

875 + 47 = 922

2,6 + 1,01 = 3,61

23 400 : 5 = 4 680

7,2 − 1,8 = 5,4

Zin in een extraatje? Los op. 900 : 3 × 4 = 1 200 450 + (10 000 : 200) = 500

54

b

(4 900 + 100) : 2 = 2 500 2 450 × 0 : 367 = 0

(260 + 140) × 5 = 2 000

7 200 − (350 + 650) = 6 200

10 000 − (50 × 80) = 6 000

5 800 + 1 200 − 3 000 = 4 000


BLOK 12

3

Aan de slag! Los op. Voor elke correct opgeloste reeks mag je de pretmeter één graad hoger zetten. 9 × 238 = 2 142 5 298 + 56 = 5 354 938 − 250 − 38 = 650 8,3 + 0,9 = 9,2

4,8 − 0,02 = 4,78

10 − 5,25 = 4,75

1,75 + 0,5 = 2,25

3 + 6,013 = 9,013

30 702 − 82 = 30 620 50 × 7 × 40 = 14 000

6,2 − 4,9 = 1,3 70 × 600 = 42 000 21 000 − 39 = 20 961 7 500 : 5 = 1 500

3,6 + 1,8 = 5,4

19 000 : 4 = 4 750

5 418 + 544 = 5 962 240 × 50 = 12 000 678 + 15 + 285 = 978

8,5 − 0,005 = 8,495

25 − 0,02 = 24,98

6,1 + 3,9 = 10

7,07 + 0,013 = 7,083

4,4 − 0,7 = 3,7

Vraag eventueel nog een extra kladblaadje aan je juf of meester. 55


4

Lees en los op. Voor elk correct opgelost vraagstuk mag je de pretmeter twee graden hoger zetten. a Vannacht was het aan zee 19,9 °C. Gisterenmiddag was het 5,5 graden warmer. Hoeveel graden Celsius was het dan gisterenmiddag?

+ 5,5 = (20 + 5,5) − 0,1 = 25,5 − 0,1 = 25,4 Bewerking: 19,9  Antwoord: Gisterenmiddag was het dan 25,4 °C.

b In het verdeelcentrum worden 1 480 zomerse postkaartjes eerlijk verdeeld over 5 postbodes. Hoeveel kaartjes moet elke postbode bezorgen?

: 5 = (1500 : 5) − (20 : 5) = 300 − 4 = 296 Bewerking: 1480  Antwoord: Elke postbode moet 296 kaartjes bezorgen.

c Mira heeft 7,35 euro in haar portemonnee. Daarmee koopt ze een vlieger voor 4,65 euro en een ijsje voor 1,35 euro. Hoeveel euro houdt ze over?

− 4,65 − 1,35 = 7,35 − 1,35 − 4,65 = 6 − 4,65 = 1,35 Bewerking: 7,35  Antwoord: Ze houdt 1,35 euro over.

d Filip is natuurgids aan zee. Vorige zomer hield hij 214 gidsbeurten voor telkens 15 personen. Hoeveel personen heeft Filip rondgeleid?

× 15 = 2 140 + 1 070 = 3 210 Bewerking: 214  Antwoord: Filip heeft 3 210 personen rondgeleid. 56


BLOK 12

LES 136 1

17a, 18a, 19a, 20a

Cijferen: alle bewerkingen met natuurlijke getallen

Reken cijferend uit. Denk aan de schatting. 19 575 + 24 368 = 43 943 ≈

52 049 − 48 736 = 3 313

20 000 + 24 000 = 44 000

¡

≈

2 675 × 23 = 61 525 ≈

2

52 000 − 49 000 = 3 000

¡

151 : 6 = (tot op 0,01) q 25,16 r 0,04

2 700 × 20 = 54 000

¡

180 : 6 = 30

≈

¡

Vul de ontbrekende cijfers of getallen aan.

7

11

8

1

5

2.

6

6.

4

2

3.

5

1.

0

3

1

1

7. 1

+

2

8

0

6

9

3.

9.

7.

4.

5.

6

7

8

1

4

+

×

1

1

1

1.

4

9

7

2.

1

8

0.

8

4

3

3.

0

5.

6

9.

2.

1.

8. 4

3

6

8

7

2

3

57


3

Los de opgaven cijferend op en probeer zo de marathon (42 km) uit te lopen. Boven elke reeks staat hoeveel kilometer elke juiste oplossing oplevert. Hoe meer kilometer, hoe moeilijker de opgaven. 2 kilometer 32 908 + 5 471 = 38 379 18 679 − 12 706 = 5 973 2 145 × 4 = 8 580 7 733 : 3 = q 2 577 r 2 61 568 − 14 231 = 47 337 86 746 : 4 = q 21 686 r 2

3 kilometer 26 744 + 9 256 = 36 000 92 730 − 35 401 = 57 329 64 271 + 8 565 = 72 836 4 065 × 23 = 93 495 23 792 : 8 = q 2 974 r 0 716 × 58 = 41 528

4 kilometer 100 000 − 38 962 = 61 038 32 865 × 3 = 98 595 54 789 + 15 281 = 70 070 871 : 9 = q

96,7

r 0,7 (tot op 0,1)

952 : 6 = q 158,66 r 0,04 (tot op 0,01) 2:7=q

58

0,28

r 0,04 (tot op 0,01)


BLOK 12

5 kilometer • Vorig jaar schreven 18 386 mannen en 16 909 vrouwen zich in voor de ‘20 km door Brussel’. In totaal waren er

35 295

deelnemers.

Extra kladpapier nodig? Vraag dan nog een blaadje aan je juf of meester.

• Per deelnemer ging 2 euro van het inschrijvingsgeld naar het goede doel. In totaal werd

70 590

euro weggeschonken.

• Juf Marleen loopt een marathon. De totale afstand bedraagt 42 195 meter. Volgens de loop-app op haar smartphone heeft ze al 35 279 meter gelopen. Ze moet nog

6 916

meter afleggen.

59


LES 137 1

17b, 18b, 19b, 20b-d

Cijferen: alle bewerkingen met kommagetallen

Reken cijferend uit. Denk aan de schatting. 295,752 + 143,68 = 439,432 ≈

300 + 140 = 440

¡

5 719 − 834,27 = 4 884,73 ≈

6 000 − 1 000 = 5 000

¡

46,25 × 23 = 1 063,75 ≈

50 × 20 = 1 000

¡

151,4 : 6 = (tot op 0,01) q 25,23 r 0,02 ≈

60

180 : 6 = 30

¡


BLOK 12

2

Klim tot boven op de klimmuur door te cijferen. Boven elke reeks staat hoeveel klimgrepen elke juiste oplossing oplevert. Hoe meer grepen, hoe moeilijker de opgaven. 2 klimgrepen 143,28 + 352,55 = 495,83 7 × 321,84 = 2 252,88 3 740,27 + 6 165,51 = 9 905,78 129,67 − 48,39 = 81,28 8 946,8 − 3 760,3 = 5 186,5 984,7 : 7 = q 140,6 r 0,5 (tot op 0,1)

3 klimgrepen 20 008,8 + 5 911,24 = 25 920,04 1 364,9 × 68 = 92 813,2 1 678,3 − 549,03 = 1 129,27 39 × 419,58 = 16 363,62 386,45 : 5 = q 77,29 r 0 (tot op 0,01) 102,14 : 8 = q 12,76 r 0,06 (tot op 0,01)

61


4 klimgrepen 100 000 − 98 765,432 = 1234,568

666,666 × 66 = 43 999,956

28 × 0,435 = 12,18

8,36 + 79,48 + 41,567 = 129,407

1 950,4 : 7 = q 278,628 r 0,004 (tot op 0,001) 1,3 : 6 = q 0,216 5 klimgrepen • Anna beklimt de Kilimanjaro (hoogte: 5,896 kilometer). Vandaag bereikt ze kamp Karanga op een hoogte van 3,963 kilometer. Ze moet nog

1,933

kilometer klimmen tot

de top. • Anna laat zich sponsoren om een schooltje in Tanzania te steunen. 75 personen schenken elk een bedrag van 123,45 euro.

Dat levert in totaal

9 258,75

euro steun op.

• Het bedrijf waar Anna werkt, vult dat bedrag aan tot 10 000 euro.

62

Het bedrijf legt

741,25

euro bij.

r 0,004 (tot op 0,001)


BLOK 12

LES 138 1

23-27

Oefenen met lengte, inhoud, gewicht, omtrek en ­oppervlakte

Vul de juiste maateenheid in.

inhoud ≈ 3,5 l

Werkschrift

F

oppervlakte ≈ 3 m2

4

dit werkschrift is van:

vanin.be 07-0

ISBN 978-90-306-83 569945

2

omtrek ≈ 1 m

gewicht ≈ 0,45 ton

hoogte ≈ 2,5 cm

inhoud ≈ 5 ml

lengte ≈ 3 dm

oppervlakte ≈ 2 cm2

Zet om en vul het juiste maatgetal aan. Gebruik de herleidingstabel van het kopieerblad, als je dat nodig vindt. → Dat is

7,5

m.

Yassin woont op 400 meter van het voetbalveld.

→ Dat is

0,4

km.

Jef tekent een lijnstuk van 135 millimeter.

→ Dat is

13,5

cm.

Hanan won de loopwedstrijd van 1,5 kilometer.

→ Dat is

1 500

m.

→ Dat is

2,5

dl.

Voor de saus heb je 150 milliliter room nodig.

→ Dat is

15

cl.

In een blikje zit 33 centiliter frisdrank.

→ Dat is

0,33

l.

Een wijnfles bevat meestal 7,5 deciliter.

→ Dat is

75

cl.

a Onze trampoline heeft een omtrek van 750 centimeter.

b In een pintje bier zit gewoonlijk 25 centiliter.

63


3

c Papa koopt 2,5 kilogram aardappelen.

→ Dat is

2 500

g.

Een bestelwagen weegt zowat 2,3 ton.

→ Dat is

2 300

kg.

Deze verpakking bevat 75 gram chocolade.

→ Dat is

0,075

kg.

Een mannelijke giraf weegt gemiddeld 1 200 kilogram.

→ Dat is

1,2

ton.

Benoem elke veelhoek en bereken de omtrek. a Dit is een (scherphoekige gelijkzijdige) driehoek

.

Omtrek: 3  × 3 cm = 9 cm

b Dit is een rechthoek

.

Omtrek: 2  × (6 cm + 3 cm) = 18 cm

c Dit is een ruit

.

Omtrek: 4  × 3 cm = 12 cm

d Dit is een trapezium

.

Omtrek: 3  cm + 3 cm + 2 cm + 6 cm = 14 cm

e Dit is een parallellogram

.

Omtrek: 2  × (4 cm + 3 cm) = 14 cm

f Dit is een vierkant Omtrek: 4  × 3 cm = 12 cm

64

.


BLOK 12

4

Bereken de oppervlakte van deze vierhoeken.

A C B

F D E

5

A 5 cm × 2 cm = 10 cm2

D 4 cm × 5 cm = 20 cm2

B 4 cm × 4 cm = 16 cm2

E 8 cm × 3 cm = 24 cm2

C 6 cm × 1 cm = 6 cm2

F 3 cm × 3 cm = 9 cm2

Bereken de totale omtrek en oppervlakte van deze speelplaats. Noteer je berekeningen op het kladpapier. Om de oppervlakte handig te berekenen, verdeel je de figuur in vierkanten en/of rechthoeken.

A

B

C

omtrek: 2 cm + 2 cm + 2 cm + 1 cm + 7 cm + 2 cm + 11 cm + 5 cm = 32 cm oppervlakte: A 2 cm × 2 cm = 4 cm2 B 4 cm × 1 cm = 4 cm2

4 cm2 + 4 cm2 + 22 cm2 = 30 cm2

C 11 cm × 2 cm = 22 cm2

Omtrek = 32 cm Oppervlakte = 30 cm2 65


LES 139 1

Een tijdstip aflezen op de cijferklok en wijzerklok Tijdsduur berekenen

29

Hoe laat is het op de wijzerklokjes? Zeg het met ‘voor of over’. 11

12

1

11 2

10

8 6

6

Het is kwart voor 10

.

Het is 19 voor 6

.

Het is half 11

in  de namiddag

.

in  de voormiddag

.

.

Stel het tijdstip van de wijzerklok in op de cijferklok. a

Het is voormiddag. 11

12

Noteer het uur dat voorbij is. Tel met boogjes hoeveel minuten dat uur al voorbij is.

8

4 5

11 06

Nu tot op de seconde. Noteer hoe laat het is. a Eerst met cijferklokjes.

7 uur 43 min. 19 sec.

12

1 2

10 3

9

6

Het is avond. 11

2

7

b

1

10

66

4 5

Hoe laat is het op de cijferklokjes? Zeg het met ‘voor of over’ en schrijf er het juiste dagdeel bij.

’s  middags

4

8 7

Het is 22 voor 12

.

2 3

5

6

1

9

4 7

12

10 3

8

Het is 26 over 1

3

2

5

Het is 13 over 7

2

11

9

4 7

1

10 3

9

12

13 uur 15 min. 32 sec.

3

9 8

4 7

6

5

22 52


BLOK 12

b Nu met wijzerklokjes. Het is voor de middag. 11

12

1

11 2

10

8 6

3 8

5

4 7

11 uur 2 min. 40 sec.

5

2

9

4 7

Doe het zo: • Welk uur is voorbij? • Hoeveel minuten zijn er voorbij sinds dat uur? • Hoeveel seconden duidt de secondewijzer aan?

1

10 3

9

12

6

5

8 uur 35 min. 26 sec.

Bereken en noteer de tijdsduur. a Met cijferklokjes. Tel nog eens na!

17:00 18

+

min.

21

+

tijdsduur:

39

min.

minuten

9:00

11:00

+ 5 min.

+ 2 uur

+ 17 min.

tijdsduur: 2 uur en 22 minuten b Met wijzerklokjes. Het is overal voor de middag.

11

12

1

11 2

10

8 6

11 2

8

5

4 7

6 45

6

5

7 25

12

1

8 6

1 2 3

9 8

4 7

12

10 3

9

5

4 7

9 25

7:00 + 15 min.

11 2

10 3

9

4 7

1

10 3

9

12

6

5

12 00 10:00

+ 25 min.

tijdsduur: 40 minuten

+ 35 min.

+ 2 uur

tijdsduur: 2 uur en 35 minuten

67


11

12

1

11 2

10

8 6

2 3

9 8

4 7

1

10 3

9

12

4

5

7

8 21

6

5

11 04 9:00

11:00

+ 39 min.

+ 2 uur

+ 4 min.

tijdsduur: 2 uur en 43 minuten

6

Beantwoord de vragen bij de filmprogrammatie. Noteer de stapjes op een kladblaadje, als je dat handig vindt. KIDS FILMKANAAL

7

11:40

Rosie en Moussa

13:20

De wedstrijd

14:15

Lepel

16:00

Tom en Thomas

17:50

Tzatziki

19:15

Marieken

• Hoelang duurt ‘Rosie en Moussa’? 1  uur en 40 minuten • Hoelang duurt ‘De wedstrijd’? 55  minuten • Welke film duurt precies 1 uur en 50 minuten? Tom  en Thomas

Bereken de afstand of de tijd in de verhoudingstabel. a Papa wandelt 20 kilometer met een gemiddelde snelheid van 5 km/uur. Hoelang is hij onderweg?

b Een helikopter vliegt naar zijn bestemming tegen 180 km/uur. Hij landt na 20 minuten. Hoeveel kilometer heeft hij afgelegd?

Papa is 4 uur onderweg. 

Hij heeft 60 kilometer afgelegd.



 ×4

68

:3

afstand

5 km

20 km

afstand

tijd

1 uur

4 uur

tijd

×4

180 km

60 km

1 uur

20 min.

(= 60 min. ) :3


BLOK 12

LES 140 1

Vlakke figuren onderzoeken

32, 34-41

Onderzoek de rechten en noteer wat gevraagd wordt. evenwijdige rechten

e

d

a // b c

a

//

d

loodrecht snijdende rechten

c

b ⊥ c b

f ⊥ g snijdende rechten g

f

2

e

e

a

Teken wat gevraagd wordt en benoem. Teken [KI] ⊥ n door D.

Teken t // o door F.

K

F t

D

o

3

d

n

I

Meet de hoeken en noteer de hoekgrootte.

H

D

A

N

Deze hoek meet Het is een hoek.

90

rechte

W

L

O °.

Deze hoek meet Het is een hoek.

65

E

Deze hoek meet 110 °.

°.

scherpe

Rangschik de hoeken van klein naar groot:

Het is een hoek. HÔL

G

<

DÂN

<

stompe

WÊG 69


4

Onderzoek en benoem deze vierhoeken. a Onderzoek de hoeken. • Zet een ‘L’ in alle rechte hoeken. • Zet in andere gelijke hoeken een boogje in eenzelfde kleur. b Onderzoek de zijden. • Overtrek evenwijdige zijden in eenzelfde kleurtje. • Duid zijden met eenzelfde lengte aan met eenzelfde teken. c Geef elke figuur de best passende naam.

5



parallellogram



ruit



vierkant



trapezium



rechthoek



vierhoek

Teken in elke vierhoek de diagonalen en kruis aan wat past. Dit is een 

vierkant

. Dit is een 

ruit

. Dit is een 

rechthoek

.

De diagonalen: De diagonalen: De diagonalen:   zijn even lang;   zijn even lang;   zijn even lang;   snijden elkaar middendoor;   snijden elkaar middendoor;   snijden elkaar middendoor;   staan loodrecht op elkaar.   staan loodrecht op elkaar.   staan loodrecht op elkaar. 70


BLOK 12

6

Onderzoek de hoeken én de zijden van deze driehoeken. Benoem ze. Kies uit: •  (H) rechthoekige, stomphoekige, rechthoekige •  (Z) gelijkzijdige, gelijkbenige, ongelijkbenige

Dit is een

Dit is een

(H) 

scherphoekige

(H) 

stomphoekige

(Z) 

gelijkzijdige

(Z) 

ongelijkbenige

driehoek.

7

driehoek.

Teken wat gevraagd wordt. • Een cirkel met een straal van 2 cm. → Noem het middelpunt J. • Een cirkel met een diameter van 5 cm. → Noem het middelpunt A.

2 cm

5 cm J

8

A

Teken nu zelf deze vierhoeken. • Een rechthoek met een basis van 6 cm en een hoogte van 4 cm. • Een vierkant met een zijde van 3 cm.

71


LES 141 1

45, 46, 48, 49

Oefenen met kijklijnen, aanzichten, blokkenbouwsels en plattegronden

Teken de kijklijnen en beantwoord de vragen met â&#x20AC;&#x2DC;ja of neeâ&#x20AC;&#x2122;.

jager A

jager B

a Kan jager A de vos zien?

2

nee

b Kan jager B de vos zien?

Kan jager A het konijn zien?

ja

Kan jager B het hert zien?

nee

Kan jager A de vogel zien?

ja

Kan jager B het konijn zien?

nee

Kan jager A jager B zien?

ja

Kan jager B de vogel zien?

Duid met een kijklijn aan tot waar de kat over de kast kan kijken.

a Kleur de muizen die de kat kan zien grijs. b Teken een doos op de kast, zodat de kat enkel nog de verste muis kan zien.

72

ja

ja


BLOK 12

3

Welke camera maakte deze fotoâ&#x20AC;&#x2122;s? Noteer de juiste letter in elk vakje. a

C

A

b

B A

D

D

D

C

A B C

4

B

D

C B

A

Teken het grondplan met hoogtegetallen. Kleur dan ook de aanzichten. a

grondplan 3

2

1

2

2

1

2 vooraanzicht

achteraanzicht

b

zijaanzicht links

zijaanzicht rechts

grondplan

vooraanzicht

zijaanzicht links

3

3

3

3

2

1

2

1

achteraanzicht

zijaanzicht rechts

73


5

Voer de opdrachten bij de plattegrond van de stad Geel uit. Vul eerst de windrichtingen aan bij de windroos. NW 5

N N

W W ZW

NO OO ZO

H

Z

4

3

2

1

A

B

C

D

E

Legenda B station

74

toeristische dienst

openbaar toilet

H

ziekenhuis


BLOK 12

a Noteer de coördinaten van ... • het station

→ ( C , 4 ) of

C4

• de Markt

→ ( C , 3 ) of

C3

• de weg naar Herentals → ( A , 2 ) of

A2

b Noteer wat je in elk vak vindt. • (D, 2) → het openbaar toilet • (A, 3) → de toeristische dienst • (E, 5) → het ziekenhuis

c Waar vind je het? Noteer de juiste (tussen)windrichting. de toeristische dienst → in het westen

6

het ziekenhuis

→ in het noordoosten

de toiletten

→ in het zuidoosten

Kleur de route op de plattegrond. Noteer in welke straat de wandeling eindigt. Ik vertrek op de Markt en neem de Nieuwstraat in oostelijke richting. Dan neem ik de derde straat links. Daar loop ik de eerste straat links in. Ik ben in Eegden

.

Ik kom uit de richting van Turnhout en fiets langs de Dr. Van De Perrestraat naar het zuiden. Ik neem eerst de eerste straat links, dan de tweede straat rechts. Ik ben in Schransdijk

.

Ik sta aan de toiletten en moet naar het station. Wijs jij me de weg?    

75


Oefentoets: natuurlijke getallen en kommagetallen 1 Noteer de getallen die je juf of meester dicteert. 42 019

0,025

60 508

2,73

2 Noteer de waarde van de onderstreepte cijfers op twee manieren. 27 658 5T of

62 428

50

4,187

6TD of 60 000

1t of

0,549 0,1

9d of

0,009

3 Welk getal lees je hier? Noteer het. 8t 7d

5TD 2H 6E 50 206

=

0,807

=

4 Rangschik de getallen zoals gevraagd. 57 501  

50 715   57 510

0,3  

57 510 > 57 501 > 50 715

0,039

0,32

  0,039

0,3

<

<

0,32

5 Vul de getallenassen aan. 69 210

69 110

4,307

69 010

68 910

4,309

4,311

68 810

4,313

68 710

68 610

4,315

4,317

4,319

6 Rond de getallen af zoals gevraagd. tot op een T 17 459 ≈ 17 460

tot op een TD 67 103 ≈ 70 000

tot op een H 38 627 ≈ 38 600

tot op een E   8,299 ≈ 8

tot op een D 84 500 ≈ 85 000

tot op een E

Ik had 76

van de 20 antwoorden goed.

19,701 ≈ 20

Dat vind ik 


Oefentoets: breuken 1 Reken uit. 3 van 3 200 → 3 200 : 8 = 8

400

en 3 ×

400

= 1 200

2 Zet de breuken in de juiste volgorde. 6  7

2  7

5 7

2  8

2 < 5 < 6 7 7 7

2  3

2 5

2 > 2 > 2 3 5 8

3 Maak de breuken eerst gelijknamig. Vul dan in: <, = of >. 4 6

5 > 2 6 3

8 20

15 20

2 < 3 5 4

4 Noteer deze breuken op de juiste plaats bij de getallenas. 1 2

7 5

5 10

14 10 1 2

0

7 5

1

5 Reken uit. Vereenvoudig de uitkomst of zet ze om naar een gemengd getal waar dat kan. 3 + 3 =6=3 8 8 8 4

7 − 3 = 4 =2 10 10 10 5

2 + 5 = 7 = 1 en 1 6 6 6 6

1− 1 = 6−1=5 6 6 6 6

6 Zet om zoals gevraagd. Schrijf breuken zo eenvoudig mogelijk. a Van kommagetal naar breuk:   0,6 = 6 = 3 10 5 0,25 = 25 = 1 100 4

Ik had

b Van breuk naar kommagetal: 12 = 0,012 1 000

E

t

h

d

0

0

1

2

0

7

5

3 = 75 = 0,75 4 100

van de 15 antwoorden goed.

Dat vind ik  77


Oefentoets: hoofdrekenen 1 Reken (handig) uit.

Meer plaats nodig? Vraag dan een extra blaadje aan je juf of meester. a 50 000 − 720 = 49 280

2 490 : 5 = 498

b 2,8 + 6,9 = 9,7

8 002 − 87 = 7 915

5 − 0,105 = 4,895

49 000 : 700 = 70

35 + 79 + 65 = 179

3,75 + 0,75 = 4,50 

6 425 − 298 = 6 127

60 × 700 = 42 000

3 114 + 599 = 3 713

30 × 89 = 2 670

50 × 320 = 16 000

2,8 − 1,02 = 1,78

2 Lees en los op. Opa volgt een streng dieet. Hij woog 98,1 kilogram. Hij is al 2,6 kilogram afgevallen. Hoeveel kilogram weegt opa nu? − 2,6 =    96,1 − 0,6 = 95,5 Bewerking: 98,1  96,1  2  0,6 96 0,1 0,5 Antwoord: Opa  weegt nu 95,5 kilogram. Ik had 78

van de 15 antwoorden goed.

Dat vind ik 


Oefentoets: cijferen met natuurlijke getallen Reken cijferend uit. Meer plaats nodig? Vraag dan een extra blaadje aan je juf of meester. 29 774 + 31 629 = 61 403 ≈

30 000 + 32 000 = 62 000 80 002 − 14 545 = 65 457

≈

80 000 − 15 000 = 65 000 34 × 2 712 = 92 208 30 × 3 000 = 90 000

≈

57 324 : 8 = q 7 165 r 4 56 000 : 8 = 7 000

≈

745 : 3 = q 248,3 r 0,1 (tot op 0,1) 750 : 3 = 250

≈

61 452 − 56 518 = 4 934 ≈

61 000 − 57 000 = 4 000 93 285 : 5 = q 18 657 r 0 95 000 : 5 = 19 000

≈

1 486 × 27 = 40 122 1 000 × 30 = 30 000

≈

36 501 + 17 899 = 54 400 ≈

37 000 + 18 000 = 55 000

5:6=q ≈

0,83

r 0,02 (tot op 0,01) 6:6=1

Ik had

van de 10 antwoorden goed.

Dat vind ik  79


Oefentoets: cijferen met kommagetallen Reken cijferend uit. Meer plaats nodig? Vraag dan een extra blaadje aan je juf of meester. 56,41 + 9,795 = 66,205 56 + 10 = 66

≈

90,4 − 13,86 = 76,54 90 − 14 = 76

≈

39 × 9,45 = 368,55 40 × 10 = 400

≈

807,46 : 6 = q 134,57 r 0,04 840 : 6 = 140

≈ 5,2 : 3 = q

1,7

r 0,1 (tot op 0,1)

6:3=2

≈

60 − 1,854 = 58,146 60 − 2 = 58

≈

99,711 : 5 = q 19,942 r 0,001 100 : 5 = 20

≈

69,69 × 41 = 2 857,29 70 × 40 = 2 800

≈

3 945,2 + 18,96 = 3 964,16 ≈ 7,1 : 4 = q ≈

3 950 + 20 = 3 970 1,77

r 0,02 (tot op 0,01)

8:4=2 Ik had

80

van de 10 antwoorden goed.

Dat vind ik 


Oefentoets: lengte, inhoud, gewicht, omtrek en oppervlakte 1 Vul de juiste maateenheid in. •

Een containerschip vervoert 25 ton zand.

Het schip legt gemiddeld 350

De nieuwste smartphones zijn nog maar zo’n 5 mm dik.

Een laptopscherm heeft een oppervlakte van zowat 6 dm2 .

Dit blikje fruitsap bevat 2

dl

km

per dag af.

sap.

2 Zet om zoals gevraagd. Je mag een herleidingstabel gebruiken. •

In een waterkoker kan 1,5 liter water.

→ Dat is

150

cl.

Deze spijkers zijn 45 millimeter lang.

→ Dat is

4,5

cm.

De bestelwagen is geladen met 0,5 ton kiezels.

→ Dat is

500

kg.

Deze tunnel is 750 meter lang.

→ Dat is

0,750

km.

Oma koopt 50 gram gepelde garnalen.

→ Dat is

0,05

kg.

3 Bereken de omtrek en de oppervlakte van de vierhoeken.

C A

B

Omtrek

Oppervlakte

A

2 × (6 cm + 2 cm) = 16 cm

6 cm × 2 cm = 12 cm2

B

4 × 3 cm = 12 cm

3 cm × 3 cm = 9 cm2

C

2 × (4 cm + 3 cm) = 14 cm

Ik had

van de 15 antwoorden goed.

Dat vind ik 

81


Oefentoets: tijd (tijdstip, tijdsduur, uurtabellen, snelheid) 1 Hoe laat is het? a • Zeg het met ‘voor en over’. 11

12

1

8

Het is 23 over 2

.

3 8

5

6

Het is 6 voor 12

.

27 sec.

17 uur 28 min.

's ochtends

59 sec.

.

2 Bereken en noteer de tijdsduur. 11

12

Het is voor de middag.

1 2

10

8

17:00

6

1 2 3

8

5

4 7

7 51

+ 23 min.

12

9

4 7

11 10

3

9

+ 15 min.

6

5

7 uur 17 min.

.

Het is kwart over 6

‘s avonds

4 7

• Noteer er ook het juiste dagdeel bij.

Het is 18 voor 9

2

9

4 7

1

10 3

9

4

12

11 2

5

6

1

10 3

9 8

12

11 2

10

7

b Tot op de seconde.

tijdsduur: 38 minuten

5

11 09 8:00

+ 9 min.

6

11:00

+ 3 uur

+ 9 min.

tijdsduur: 3 uur en 18 minuten 3 Lees en los op. a

Infoavond studiekeuze 18:45 Inleiding door dr. Vandeputte 19:30 Workshop ouders en leerlingen 21:15 Afronding door CLB De workshop duurt 1 uur en 45 minuten .

b Een drone vliegt 10 minuten met een gemiddelde snelheid van 12 km/uur. Hoeveel kilometer heeft hij in die tijd afgelegd? Hij  heeft in die tijd 2 kilometer afgelegd. :6 12 km

2 km

1 uur (= 60 min. )

10 min.

afstand tijd

:6 Ik had 82

van de 10 antwoorden goed.

Dat vind ik 


Oefentoets: vormleer Voer de opdrachten uit. Teken m ⊥ i door L.

Meet en benoem deze hoek.

m D

i

150 °

L

O Dit is een

Benoem deze driehoek correct.

Dit is een

F stompe

hoek.

Teken en onderzoek de diagonalen.

Kruis aan wat past.

(H) 

scherphoekige

(Z) 

gelijkbenige

driehoek. Teken een cirkel met een straal van 2 cm.

De diagonalen:   staan loodrecht op elkaar;   zijn even lang;   snijden elkaar middendoor. Teken een vierkant met een zijde van 2 cm.

2 cm

Onderzoek en benoem deze vierhoeken.

ruit trapezium

Ik had

• Zet een ‘L’ in alle rechte hoeken. • Zet in andere gelijke hoeken een boogje in eenzelfde kleur. • Overtrek evenwijdige zijden in eenzelfde kleurtje. • Duid zijden met eenzelfde lengte aan met eenzelfde teken.

van de 7 opdrachten helemaal goed.

Dat vind ik  83


Oefentoets: ruimtelijke oriëntatie 1 Teken de kijklijnen en beantwoord de vragen met ‘ja of nee’.

camera →

A

C B

• Kan de camera bandiet A zien? ja

• Kan de camera bandiet C zien? nee

• Kan de camera bandiet B zien? nee

• Kan bandiet C bandiet B zien? nee

2 Teken het grondplan met hoogtegetallen. Kleur dan ook de aanzichten. grondplan 3

3

1

2

1

1

2

1

achteraanzicht

zijaanzicht links

3 Zoek het antwoord op de plattegrond. • Noteer de coördinaten van de 3

tennisclub: ( A , 2 ) of A2 • Welke straat vind je in vak (D, 1)?

2

de Kokstraat

1 A

B

Ik had 84

C

D

• Ik vertrek in de Stationslaan in oostelijke richting. Op het einde van de straat ga ik naar links. Ik neem de eerste straat rechts en tot slot de tweede straat links. Dat is de Havenstraat

van de 10 antwoorden goed.

Dat vind ik 

.

Profile for VAN IN

Reken Maar! 4: werkschrift F - correctiesleutel  

Reken Maar! 4: werkschrift F - correctiesleutel  

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded