__MAIN_TEXT__
feature-image

Page 1

Reken We r k s c h r i f t C Correctiesleutel

aar! 4


Reken Maar! 4 Auteurs: Leen Bresseleers Ann Kellen Marieke Saelens Rein Trogh Corrector: Kristof Sas

= meerdere oplossingen mogelijk

Bij sommige oefeningen is meer dan één correcte oplossing mogelijk, of kun je op verschillende manieren tot de juiste oplossing komen. Bij dat soort oefeningen zie je dit icoontje staan en wordt er meestal een mogelijke oplossing en/of oplossingsweg gegeven. Als leerlingen dan een afwijkend antwoord hebben, kunnen ze dat het best even laten controleren.

Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en vele mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden. ­Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën. Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De ­vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken. In België beschermt de auteurswet de rechten van die mensen. Wanneer u van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming ­kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneemt u hun dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers u beschermde teksten niet zonder schriftelijke toestemming te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet ­bepaalde uitzonderingen. Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vindt u op www.reprobel.be. Ook voor het digitale lesmateriaal gelden deze voorwaarden. De licentie die toegang verleent tot dat materiaal is persoonlijk. Bij vermoeden van misbruik kan die gedeactiveerd worden. © Uitgeverij VAN IN, Wommelgem, 2018 De uitgever heeft ernaar gestreefd de relevante auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Wie desondanks meent zekere rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht zich tot de uitgever te wenden. Coverontwerp: Banananas Covertekening: Frieda Van Raevels Lay-outconcept: Michelangela, Utrecht Vormgeving en opmaak: PPMP Prepress Tekeningen: Jan Lieffering Tekeningen bollobo’s: Frieda Van Raevels Eerste druk 2018 978-90-306-8159-5 ISBN 978-90-306-8158-8 D/2018/0078/4 D/2018/0078/10 568889/01 Art. 568888/01 NUR 192


BLOK 5


BLOK 5 1

INSTAPLES

Zoek het patroon en zet het voort. a

2

b

210

230

250

270

290

310

330

c

536

532

528

524

520

516

512

Reken uit. 7 200 + 1 400 = 8 600

80 − 8 =

2 500 + 6 050 = 8 550

800 − 80 =

3 300 + 570 = 3 870

3

4

360 : 6 =

60

720

550 : 10 =

55

600 : 100 =

6

8 000 − 800 = 7 200

7 800 − 500 = 7 300

50 − 5 =

5 400 − 1 300 = 4 100

500 − 50 =

8 690 − 4 020 = 4 670

72

45

720 : 8 =

90

450

400 : 5 =

50

810 : 9 =

90

5 000 − 500 = 4 500

Maak de breuken gelijkwaardig. Vul de teller of de noemer aan. 2= 1 8 4.

5 = 25 6 30 .

10 = 2 15 3.

12 = 3. 20 5

3 = 9. 8 24

1= 5 2 10 .

Overtrek, meet en bereken de omtrek. 5 cm

3 cm

4

3 cm

3 cm

3 cm

5 cm

5 cm Omtrek: 5  cm + 3 cm + 5 cm + 3 cm = 16 cm

7 cm Omtrek: 3  cm + 5 cm + 7 cm + 3 cm = 18 cm






5

Hoe laat is het? Noteer het. a

12

11

1

11 2

10

8 6

2

8

Het is  kwart over 9

6



8

4 7

Het is  1 voor 12 .

3

5

6

2

9

4 7



1

10 3

5

12

11 2

8

Het is  24 voor 11 .

1

9

4 7

12

10 3

5



11

9

4 7

1

10 3

9

12

6

5

Het is  23 over 4 .



.

b

11 over 7

24 over 2

  ’s ochtends   ’s avonds

  in de namiddag   ’s nachts

3 over 8

kwart over 8

  ’s morgens   ’s avonds

  ’s morgens   ’s avonds Tel verder naar het volgende uur!

6

10 voor 7

22 voor 10

kwart voor 12

50 + ? = volgende 60 uur?

38 + ? = volgende 60 uur?

45 + ? = volgende 60 uur?

Reken cijferend uit. Denk aan de schatting! 931 : 5 =

258 : 3 =

1 000 : 5 = 200

≈

− −

9. 5

3.

4

3

4

0

¡

5.

1. 1.

8.

6.

r=1

3

1

3

0

240 : 3 = 80

≈

2

5

2

4

¡

3

8 8

1

8

1

8

6

r=0

0

1

5


LES 49 1

7, 44

Patronen ontdekken en voortzetten

Vorm hier een woord met de letters die je verdiend hebt.

Wat zit er in het cadeautje?

2

E

B

Ontdek het patroon en zet het voort. Werk nauwkeurig! a

Opgave juist? Letter B verdiend. b

Opgave juist? Letter R verdiend. 6

Z

R

A

’ S


BLOK 5

3

Zoek het lijnpatroon en zet het voort. Start bij de stip. a

2↑

2→

2↑

2→

1↑

1→

5↓

1→

1↑

1→

Opgave juist? Letter A verdiend.

b

2↓

1→

2↓

1→

1↓

1→

2↑

1→

2↑

1→

Opgave juist? Letter S verdiend.

4

Teken nu zelf een patroon en zet het voort.

7


5

Zoek de getalpatronen en vul ze verder aan. a

2 500

2 750

3 000

3Â 250

3 500

3 750

4 000

754

748

742

736

730

724

718

12

24

36

48

60

72

84

989

878

767

656

545

434

323

2

4

8

16

32

64

128

Opgave juist? Letter E verdiend. b

27

37

35

45

43

53

51

0

7

1

8

2

9

3

84

86

96

98

108

110

120

0

200

150

350

300

250

450

300

270

265

235

230

200

195

Opgave juist? Letter Z verdiend.

6

Bedenk zelf een getallenpatroon. Bedenk zelf de eerste zes getallen. Laat je buur het patroon voortzetten. Controleer dan samen of het klopt!

7

Teken volgens de aanwijzingen van je buur. Zet dan zelf het patroon voort. Haal elk een strookje met het patroon bij je juf of meester.

8


BLOK 5

LES 50 1

10c, 11c

Hoofdrekenen: handig optellen en aftrekken tot 10 000

Reken snel uit. a 6 000 − 1 000 = 5 000

8 300 − 2 100 = 6 200

b 3 574 + 1 215 = 4 789

4 000 − 300 = 3 700

5 800 + 400 = 6 200

1 014 + 3 985 = 4 999

7 008 + 1 002 = 8 010

8 760 − 4 050 = 4 710

8 654 − 4 222 = 4 432

5 400 + 350 = 5 750

5 809 + 4 000 = 9 809

6 800 − 5 900 = 900 2 300 + 1 700 = 4 000

2

8 400 − 4 000 = 4 400

10 000 − 3 500 = 6 500

160

5 100 − 300 = 4 800

6 800 + 1 002 = 7 802

9 520 − 7 310 = 2 210

3 300 + 5 500 = 8 800

4 300 − 800 = 3 500

4 390 − 2 500 = 1 890

7 900 + 2 030 = 9 930

2 580 + 3 400 = 5 980

8 450 − 1 270 = 7 180

+ 8 650 = 8 810

Splits en reken uit. a

4 550 + 270 =  4 750  + 70 = 4 820 4 750 200 70

4 800 50 20

3 426 + 5 800 =  8 426  + 800 = 9 226 8 426  5 000  800 9 026 600 200 6 842 + 305 =  6 842  + 300 +5 = 7 142 + 5 = 7 147 300  5 7 042 200 100 b 9 361 − 4 005 =  5 361  − 5 = 5 356 5 361 4 000  5

5 360 1  4

7 107 − 2 300 =  5 107  − 300 = 4 807 5 107  2 000  300 5 007 100 200 3 524 − 460 =  3 124  − 60 = 3 064 3 124 400 60

3 104 20 40

9


3

Reken uit. De tips helpen je op weg! a

4 540 + 3 397 = (4 540 + 3 400) − 3 = 7 940 − 3 = 7 937

Rond de term die dicht bij een H of een D ligt af tot een rond getal. Tel op en trek het teveel er weer af.

3 469 + 499 = (3 469 + 500) − 1 = 3 969 − 1 = 3 968 1 998 + 6 054 = (2000 + 6 054) − 2 = 8 054 − 2 = 8 052

b

7 750 − 6 998 = (7 750 − 7 000) + 2 = 750 + 2 = 752

Rond de aftrekker af naar een rond getal. Trek af en tel het teveel er weer bij.

6 845 − 497 = (6 845 − 500) + 3 = 6 345 + 3 = 6 348 8 622 − 2 399 = (8 622 − 2 400) + 1 = 6 222 + 1 = 6 223

4

Tel handig op. Wissel termen van plaats of schakel (als dat nodig is). Kleur eerst de termen die na het optellen een rond getal geven. 4 200 + 2 800 + 2 500 = 7 000 + 2 500 = 9 500 3 700 + 1 500 + 2 300 = 3 700 + 2 300 + 1 500 = 6 000 + 1 500 = 7 500 5 200 + 1 400 + 2 600 = 5 200 + (1 400 + 2 600) = 5 200 + 4 000 = 9 200

10

Tel eerst de termen op die samen een rond getal vormen. Tel daar dan de andere term nog bij.


BLOK 5

5

Trek handig af. Wissel de aftrekkers van plaats (als dat nodig is). Kleur eerst de termen die na het aftrekken een rond getal geven. 8 600 − 4 600 − 1 400 = 4 000 − 1 400 = 2 600

Trek eerst de term af die een rond getal geeft. Trek daar dan de andere term nog af. Bij aftrekken mag je niet schakelen!

4 500 − 700 − 1 500 = 4 500 − 1 500 − 700 = 3 000 − 700 = 2 300 7 300 − 2 900 − 3 300 = 7 300 − 3 300 − 2 900 = 4 000 − 2 900 = 1 100

6

Nu door elkaar. Los op. 2 800 + 2 300 + 3 200 = 2 800 + 3 200 + 2 300 = 6 000 + 2 300 = 8 300 6 500 − 1 400 − 1 500 = 6 500 − 1 500 − 1 400 = 5 000 − 1 400 = 3 600 1 700 + 2 100 + 4 900 = 1 700 + (2 100 + 4 900) = 1 700 + 7 000 = 8 700

7

Noteer de bewerking en los op. Je mag de stapjes noteren, als je dat handig vindt. De som van 5 820 en 2 999 is ...

5 820 + 2 999 = 8 819

Het verschil van 9 570 en 6 998 is ...

9 570 − 6 998 = 2 572

Trek 1 400 en 2 300 af van 8 300. Je krijgt ...

8 300 − 1 400 − 2 300 = 4 600

De termen zijn 760, 180 en 240. De som is ...

760 + 180 + 240 = 1 180

11


LES 51 1

2

10c, 11c

Hoofdrekenen: handig optellen en aftrekken tot 10 000

Los snel op. a 21 + 7 =

28

60 + 32 =

92

54 + 12 =

66

b 35 +

37

62 − 4 =

58

49 − 40 =

9

69 − 37 =

32

83

58 + 5 =

63

11 + 50 =

61

18 + 58 =

76

92 −

93 − 9 =

84

97 − 20 =

77

42 − 25 =

17

47

45 + 6 =

51

10 + 68 =

78

37 + 44 =

81

81 −

89 − 3 =

86

70 + 30 = 100

91 − 66 =

25

19

= 72

− 17 = 66 78

= 14

+ 24 = 71 48

= 33

+ 59 = 78

Tel op of trek af. Maak eerst een rond getal. a

496 + 75 =

496

=

500

+

4

+

71

+

71

=

571

Maak eerst een rond getal. Wat er overblijft, tel je daar nog bij.

6 996 + 508 = 6 996 + 4 + 504 = 7 000 + 504 = 7 504 4 195 + 37 = 4 195 + 5 + 32 = 4 200 + 32 = 4 232

Maak eerst een rond getal. Wat er overblijft, trek je daar nog van af.

b

702 − 47 =

702

2

45

=

700

45

=

655

3 005 − 66 = 3 005 − 5 − 61 = 3 000 − 61 = 2 939 8 403 − 109 = 8 403 − 3 − 106 = 8 400 − 106 = 8 294

12


BLOK 5

3

Tel op. De tips helpen je op weg! a Wat je er bij de ene term bijtelt, trek je van de andere term af! Zo blijft de som gelijk.

b

4

1 553 + 438 ↓ ↓ − 3 + 3

= 1 550 + 441

5 604 + 1 268 ↓ ↓ − 4 + 4

= 5 600 + 1 272

2 015 + 2 585 ↓ ↓ − 15 + 15

= 2 000 + 2 600

= 1 991

596 + 4 285 ↓ ↓ + 4 − 4

= 600 + 4 281

1 798 + 2 184 ↓ ↓ + 2 − 2

= 1 800 + 2 182

7 392 + 1 029 ↓ ↓ + 8 − 8

= 7 400 + 1 021

= 4 881

= 3 982

= 8 421

Wat je van de ene term aftrekt, tel je bij de andere term bij! Zo blijft de som gelijk.

= 6 872

= 4 600

Trek af. De tips helpen je op weg! a

3 896 − 456 ↓ ↓ + 4 + 4

= 3 900 − 460

1 497 − 327 ↓ ↓ + 3 + 3

= 1 500 − 330

9 278 − 5 058 ↓ ↓ + 22 + 22

= 9 300 − 5 080

= 3 440

Wat je er bij de ene term bijtelt, tel je er ook bij de andere term bij. Zo blijft het verschil gelijk.

= 1 170

= 4 220

13


Wat je van de ene term aftrekt, trek je ook van de andere term af. Zo blijft het verschil gelijk.

5

b

8 102 − 57 ↓ ↓ − 2 − 2

= 8 100 − 55

6 804 − 754 ↓ ↓ − 4 − 4

= 6 800 − 750

7 106 − 3 086 ↓ ↓ − 6 − 6

= 7 100 − 3 080

= 8 045

= 6 050

= 4 020

Nu alles door elkaar. Reken handig uit. Ga in de tekstballonnen van les 50 en 51 op zoek naar de tip die jij wilt gebruiken. Geef het rondje voor elke opgave dezelfde kleur als de tekstballon van de tip: blauw, groen, geel, roze of oranje. 400 + 5 857 + 3 600 = 9 857

7 252 − 1 024 = 6 228

6 457 − 399 = 6 058

3 785 + 399 = 4 184

5 611 + 414 = 6 025

6 004 − 58 = 5 946

798 + 225 = 1 023

2 084 + 96 = 2 180

8 428 − 1 028 = 7 400

9 850 − 360 − 2 250 = 7 240

Noteer de stapjes op het kladblaadje, als je dat handig vindt.

14


BLOK 5

LES 52 1

3e, f, h

Breuken vergelijken en gelijknamig maken

Vergelijk deze stambreuken. Vul <, = of > in. 1

a

1 2 1 4

1  <   1 9 5

b 1  <   1 7 2

1  >   1 4 10

1  <   1 9 6

1  >   1 3 4

1  <   1 5 3

1 8

Stambreuken? 1  <   1 4 2

De breuk met de noemer is het grootst.

1  >   1 2 8

2

kleinste

Vergelijk deze breuken met eenzelfde teller. Vul <, = of > in. 1

a

1 3 1 6

3  >   3 8 10

b

2   <  2 12 7

4  >   4 5 6

5  <   5 8 2

6  >   6 7 9

7  >   7 5 9

1 9 5  >   5 6 9 2  >   2 3 9

3

Dezelfde teller? kleinste

De breuk met de noemer is het grootst.

Vergelijk deze breuken met eenzelfde noemer. Vul <, = of > in. 1 1 5 1 10 3  >   1 5 5 2  <   6 10 10

a

5  <   7 8 8

b 2  <   4 5 5

10   >   3 4 4

8  <   9 9 9

1  <   5 6 6

2  <   6 7 7

Dezelfde noemer? De breuk met de

grootste

teller is het grootst. 15


4

Nu alles door elkaar. Vul <, = of > in of vul aan wat onder de vlekken kan staan. a

5

6  >   6 7 10

b 1  >   1 2 5

c

5  <  5 8 .

1  <   1 5 3

3  <   4 4 4

 <  2 4 4

2  <   9 8 8

6  >   2 9 9

6  >  6 10 .

4  >   4 3 5

5  <   5 7 3

2  <  7

8   >  7 10 10

1  >   1 4 8

3  <  3 5 .

.

 >  5 7

Kleur de vissen in elk aquarium zoals gevraagd. • de vis met de grootste breuk • de vis met de kleinste breuk

1 9 1 5

6

2 5

1 6

1 5

2 5

2 7

4 5

2 3

7 5

2 9

Zet deze breuken in de juiste volgorde. a

16

1 3

1    1    1 3 7 5

b

3    3    3 8 6 5

c

5    5    5    5 6 4 10 7

1 < 1 < 1 7 5 3

3 > 3 > 3 5 6 8

5 < 5 < 5 < 5 10 7 6 4

6    2    9 8 8 8

1    1    1 8 2 9

9    1    4    6 9 9 9 9

9 > 6 > 2 8 8 8

1 < 1 < 1 9 8 2

9 > 6 > 4 > 1 9 9 9 9

4    4    4 5 8 10

5    3    7 5 5 5

4 > 4 > 4 5 8 10

3 < 5 < 7 5 5 5


BLOK 5

7

Schrijf in elke vis een breuk. Kleur de vissen dan zoals gevraagd. • de vis met de grootste breuk • de vis met de kleinste breuk enkel breuken met noemer 9

enkel stambreuken

.

.

.

.

.

.

enkel breuken met teller 3

.

.

.

.

.

. . .

.

. .

.

8

.

.

.

.

.

.

Maak deze breuken eerst gelijknamig. Vul dan in: <, = of >. a

2 3

:2 :2

4  >   1 6 3 3  >   6 4 12 2  <   8 5 10 1  =   4 2 8

b 16 20

3 12

×4 ×4 ×3 ×3

5  <   3 8 4 4  >   3 5 20 3   <  2 10 5 1  <   5 4 12

Gelijknamige breuken zijn breuken met :3 :3 :2 :2 :4 :4

×2 ×2 ×2 ×2

dezelfde noemer

2 4

.

4 5 1 2 6 8

c

4 10 15 12

4 10

Nu alles door elkaar!

4 6 15 20

d

15 10 3 4 21 12

×2 ×2 ×3 ×3 ×2 ×2 ×5 ×5

×5 ×5 :2 :2 ×3 ×3

2  <   1 5 2 5  >   2 4 3 2  >   1 3 2 3  >   2 4 5 3  >   4 2 5 6  =   3 8 4 7  >   2 4 3 5   <  3 14 7

×5 ×5 ×4 ×4 ×3 ×3 ×4 ×4

×2 ×2

×4 ×4 ×2 ×2

5 10 8 12 3 6 8 20 8 10

8 12 6 14 17


LES 53 1

26

De omtrek van vlakke figuren (handig) berekenen

Overtrek en bereken de omtrek. Noteer eerst de best passende naam bij elke figuur. b

a

Dit is een driehoek



2

c

Dit is een .



Dit is een

trapezium

.



veelhoek of vijfhoek

Omtrek:

Omtrek:

Omtrek:

4  cm + 4 cm + 4 cm

1  cm + 5 cm + 4 cm + 4 cm

4  cm + 3 cm + 3 cm + 4 cm

=  12 cm

=  14 cm

+  3 cm = 17 cm

Bereken de omtrek. Doe het handig!

.

Vergeet de maateenheid niet!

Duid gelijke zijden aan met eenzelfde teken. a

Dit is een vierkant 

.

Omtrek: 4  × 3 cm = 12 cm

Dit is een ruit 

.

Omtrek: 4  × 2 cm = 8 cm

b

Dit is een rechthoek 

.

Omtrek: 2 × (6 cm + 2 cm) = 2 × 8 cm = 16 cm 18

Dit is een parallellogram 

.

Omtrek: 2 × (5 cm + 3 cm) = 2 × 8 cm = 16 cm


BLOK 5

3

Nu jij! Benoem elke figuur en bereken de omtrek. Dat klopt! Maar soms kan het handiger!

Ik neem de som van alle zijden. Zo lukt het altijd.

a

Dit is een ruit 

.

Omtrek: 4  × 3 cm = 12 cm (of  3 cm + 3 cm + 3 cm + 3 cm = 12 cm)

b

Dit is een trapezium 

.

Omtrek: 3  cm + 3 cm + 7 cm + 5 cm = 18 cm 

c

Dit is een parallellogram 

.

Omtrek: 2  × ( 3 cm + 5 cm) = 2 × 8 cm = 16 cm (of  3 cm + 5 cm + 3 cm + 5 cm = 16 cm)

d

Dit is een rechthoek 

.

Omtrek: 2  × (6 cm + 3 cm) = 2 × 9 cm = 18 cm (of  6 cm + 3 cm + 6 cm + 3 cm = 18 cm)

e

Dit is een vierkant 

.

Omtrek: 4  × 2 cm = 8 cm (of  2 cm + 2 cm + 2 cm + 2 cm = 8 cm)

f

figuur Dit is een vlakke 

.

Omtrek: 21  cm  19


4

Kijk naar de tekening en beantwoord de vragen. a

b

Mijn vlieger heeft een omtrek van 3 meter. Hoe lang is elke zijde?

De omtrek van onze speelplaats is 250 m. Hoe lang is de korte zijde?

75 m Elke zijde is

5

75

De korte zijde is

cm lang.

50

m lang.

Feest in het zwembad! Reken uit. Voor de opening van het vernieuwde zwembad wil de badjuf een vlaggenlijn om het zwembad hangen. De vlaggenlijnen zijn 3 meter lang. Er moet dus om de 3 meter een paal komen. Een paal kost 9 euro, een vlaggenlijn 8 euro. Kruis op de tekening aan waar de palen ongeveer moeten komen. 14 palen

• Hoeveel palen zijn er nodig? • Hoeveel euro kosten die palen in totaal? • Hoeveel vlaggenlijnen moet de badjuf bestellen?

126

14 lijnen

• Hoeveel euro kosten die vlaggenlijnen in totaal?

112

• Wat is de totaalprijs van deze feestversiering?

238

6m

3m 9m

3m

20


BLOK 5

LES 54 1

Hoofdrekenen: getallen tot 10 000 delen

14b-d

Los op. a

2 000 : 1 000 =

2

b 2 700 : 9 =

300

c

4 840 : 10 =

484 900

6 300 : 10 =

630

4 000 : 8 =

500

6 300 : 7 =

8 500 : 100 =

85

5 600 : 7 =

800

1 000 : 1 000 =

0 : 1 000 =

0

3 200 : 4 =

800

6 400 : 8 =

800

4 300 : 10 =

430

2 400 : 8 =

300

3 000 : 6 =

500

7 000 : 100 =

70

3 200 : 4 =

800

5 200 : 100 =

9 000 : 10 =

900

1 800 : 6 =

300

1 800 : 2 =

900

10

2 700 : 3 =

900

6 600 : 10 =

660

10 000 : 1 000 =

1

52

Denk aan de deeltafels!

2

Reken uit. Noteer de tussenstapjes en het quotiënt. a 8 020 : 4 8 000  20 3 000 : 2

= (8 000 : 4) + (20 : 4) = 2 000 + 5 = 2 005

Splits het deeltal in getallen die je handig kunt delen door de deler.

= (2 000 : 2) + (1 000 : 2)

2 000  1 000 = 1 000 + 500 = 1 500 2 718 : 3 2 700  18 6 360 : 6 6 000  360 9 100 : 7 7 000  2 100

= (2 700 : 3) + (18 : 3) = 900 + 6 = 906 = ( 6 000 : 6) + (360 : 6) = 1 000 + 60 = 1 060 = (7 000 : 7) + (2 100 : 7) = 1 000 + 300 = 1 300 21


b 4 160 : 4 4 000  160 5 700 : 3 3 000  2 700 1 632 : 8 1 600  32 6 042 : 6 6 000  42 8 432 : 8

= (4 000 : 4) + (160 : 4) = 1 000 + 40 = 1 040 Als je splitst, gaat het vlot.

= (3 000 : 3) + (2 700 : 3) = 1 000 + 900 = 1 900 = (1 600 : 8) + (32 : 8) = 200 + 4 = 204 = (6 000 : 6) + (42 : 6) = 1 000 + 7 = 1 007 = (8 000 : 8) + (400 : 8) + (32 : 8)

8 000 400 32 = 1 000 + 50 + 4 =1 054

3

Dat lukt ook korter! Reken uit. a 1 845 : 9 1 800  45 8 100 : 3 6 000  2 100 6 180 : 3 6 000  180 9 000 : 4 8 000  1 000 6 036 : 6 6 000  36

22

= 200 + 5 = 205 = 2 000 + 700 = 2 700 = 2 000 + 60 = 2 060 = 2 000 + 250 = 2 250 = 1 000 + 6 = 1 006

b 5 040 : 5 5 000  40 3 096 : 3 3 000 90 6 4 236 : 6 4 200  36 9 240 : 3 9 000  240 9 600 : 8 8 000  1 600

= 1 000 + 8 = 1 008 = 1 000 + 30 + 2 = 1 032 = 700 + 6 = 706 = 3 000 + 80 = 3 080 = 1 000 + 200 = 1 200


BLOK 5

4

Juist of fout? Duid aan. Deze leerlingen deden het zonder tussenstapjes. Controleer de uitkomst met de omgekeerde bewerking. Kleur dan het vakje met ‘JUIST’ of ‘FOUT’. b

a 5 250 : 5 = 1 500

Omgekeerde bewerking:

Omgekeerde bewerking:

 5 × 1 500 = 5 000 + 2 500

 6 × 1 300 = 6 000 + 1 800

1  000  500 = 7 500

1 000  300 = 7 800



 JUIST

5

7 800 : 6 = 1 300

FOUT

JUIST

FOUT

Lees en los op. a In de chocoladefabriek worden 5 680 pralines in ‘proefdoosjes’ verpakt. Zo’n proefdoosje bevat 8 verschillende pralines. Hoeveel doosjes kunnen ze vullen?

Bewerking: 5  680 : 8 = 700 + 10 = 710 5 600  80 Antwoord: Ze  kunnen 710 doosjes vullen. b Vier lottospelers kruisten elk 5 juiste getallen aan. De winst van 3 652 euro wordt eerlijk onder de spelers verdeeld. Hoeveel euro krijgen ze elk?

Bewerking: 3  652 : 4 = 900 + 10 + 3 = 913 3 600 40 12 Antwoord: Ze  krijgen elk 913 euro. 23


LES 55 1

De wijzerklok en de cijferklok lezen tot op 1 minuut over en voor het uur

29c-e

Hoe laat is het op de wijzerklokjes? Noteer het. a

11

12

1

11 2

10

8 6

8



11

12

11 2

10

8 6



2

Het is 17  voor 9 .



.

4 7

Het is 4 voor 8

6

5

3 8

5

4 7

2

9

4 7

8

1

10 3

9

12



2 3

5

Het is 23  voor 12 .

1

9

4 6

12

10 3

7



1

11 2

8

5

Het is 9  over 3 .

c

6

1

9

4 7

12

10 3

5

Het is 12 over 10

11

2

9

4 7

b

1

10 3

9

12

6

5

Het is 18 over 4 .



.

Hoe laat is het op de cijferklokjes? Noteer er ook het juiste dagdeel bij. Kies uit: ’s morgens, in de voormiddag, ’s middags, in de namiddag, ’s avonds, ’s nachts. b

a Het is 7 over 8

Het is kwart over 2

Het is 9  voor 2

Het is half  7

’s avonds

’s nachts

in  de namiddag

’s  morgens



.



.

c Het is kwart voor 1

Het is 23  over 11

’s nachts

in  de voormiddag



24

.



.



.



.


BLOK 5

3

Samen of alleen? Jij beslist! Noteer het juiste tijdstip. a

12

11

1

11 2

10

8 6

Het is 28 voor 6

6

.

2

8



6

2 3

9 8

4

5

7

Het is 8 voor 10 .

1

10

4 7

12

11

3

5

Het is 14 over 12



1

9

4 7

12

10 3

8

5

11

2

9

4 7

b

1

10 3

9

12



5

6

Het is 28 over 1 .



.

Noteer er het juiste dagdeel bij.

Het is 19 over 5

Het is 6 voor 10

Het is 19 voor 10

Het is 3 over 4

in de namiddag

in de voormiddag

’s avonds

’s  nachts



4

.



.



.



.

Stel het tijdstip van de wijzerklok in op de cijferklok. Noteer het uur dat voorbij is. Tel met boogjes hoeveel minuten dat uur al voorbij is.

a

11

12

1

10

Het is nacht. 12

10

8

4 7

6

5

2 57

8

4

5

7

6

5

Het is namiddag.

Het is ochtend.

12

1

11 2

10 3

3

10 06

11

9

2

20 32

1 2

1

9

4 6

12

10 3

9

7

11

11 2

8

b

Het is voormiddag.

Het is avond.

8

4 7

6

5

15 21

1 2

10 3

9

12

3

9 8

4 7

6

5

8 44 25


5

Nu helemaal alleen! Verdien een ster voor elke juiste oplossing. a Noteer het juiste tijdstip onder elk klokje.

11

12

1

11 2

10

8 6

2 3

9 8

4 7

1

10 3

9

12

5

4 7

Het is 29  voor 7

.

6

5

Het is 27  over 2

.

Noteer er het juiste dagdeel bij.

Het is 13  voor 11

Het is 17  over 4

â&#x20AC;&#x2122;s  avonds

.

Het is 2 voor 9

in  de namiddag

.

â&#x20AC;&#x2122;s  morgens

.

b Stel het tijdstip van de wijzerklok in op de cijferklok. Het is middag.

Het is avond. 11

12

1

11 2

10

8

Het is voormiddag. 11

12

8

4 7

6

5

11 53

26

4 7

6

5

Het is ochtend.

Het is namiddag.

12

1

11 2

10 3

9

8

5

12 04

11 2

3

19 22

1

10

6

2

9

4 7

1

10 3

9

12

8

4 7

6

5

7 11

1 2

10 3

9

12

3

9 8

4 7

6

5

14 55


BLOK 5

LES 56

Cijferend delen tot 10 000

20a

Aan de slag!

1

• • • • •

Maak de schatting. Teken de deelstaart en schik deeltal en deler er netjes in. Cijfer. Verwoord de stapjes in je hoofd. Bepaal het quotiënt en de rest. Vergelijk de uitkomst met je schatting.

Even opfrissen! Maak eerst de schatting. Reken dan uit. 854 : 4 = 800 : 4 = 200

≈

8. 8

5.

0

5

400 : 8 = 50

≈

4.

4

¡

4. 2.

2

331 : 8 =

1.

3.

4

1

2

3

3

2

8

1 4

1

1

1

r=2

1

3

¡

8

r=3

3

2

Delen tot 10 000. Eerst samen. Noteer de schatting en reken uit. a

b

5 635 : 5 = 5 500 : 5 = 1 100

≈

5. 5

6.

0

6

− −

3.

5

r=0 3

1

0

1.

3

5

3

5

2.

7.

6 300 : 7 = 900

≈

5.

5. 1.

1

¡

6 379 : 7 =

6. 6

3. 3

7.

0

7

7.

9. 9.

7 0 −

¡

1.

1.

r=2 9 7 2

0

27


c

4 000 : 4 = 1 000

≈

4 4

0

0

0

5

0

1

8 400 : 3 = 2 800

≈

4

r=0

5

8 6

4

2

4

2

4

1

6

1

6

3

3 8

1

0

r=0 3 3 0 −

0

¡

0 2

0

4

0 0 0

Nu alleen. Reken uit. Vergeet de schatting niet. a

b

6 186 : 3 = 6 000 : 3 = 2 000

≈

6. 6

1.

0

1

− −

8.

¡

0

0.

6.

r=0

1

8

1

8 0

6 6 0

9 494 : 8 =

2.

9 600 : 8 = 1 200

≈

3.

6. 2.

28

8 430 : 3 =

4

0 0

¡

6 1

3

d

4 056 : 4 =

9. 8

4.

1

4

9.

8.

4. 1.

8

1.

8.

r=6

6

9

6

4

¡

5

4

4

8 6

6.


BLOK 5

c

5 400 : 6 = 900

≈

5 5

6 4

7

2

7

2

4

4

d

5 675 : 6 = ¡

3 030 : 4 =

6

5 9

4

5

r=5

3

5

3

0

3 200 : 4 = 800

≈ 3 2

0 8

3

2

3

2

0

5

¡ 4

0 7

5

7

r=2

3

0

2

8 2

Lees en los op door te cijferen. a Een vrachtwagen is geladen met vier dezelfde auto’s. Samen wegen ze 6 152 kilogram.

6 000 : 4 = 1 500

≈

Hoeveel kilogram weegt één auto? − −

6 4

1

2

1

2

0

Antwoord: Eén auto weegt 1 538 kilogram. 

6 152 : 4 =



5

4

2 1

5

3

8

r=0

1

5

1

2

¡

3

2

3

2 0

29


b Leerlingen van basisschool ‘De Dobbelsteen’ verkochten kerstpakketjes. Met de opbrengst krijgen de senioren uit de buurt een kerstfeest. Eén kerstpakket kost 9 euro. De actie bracht 2 574 euro op. Hoeveel pakketjes hebben de leerlingen verkocht?

2 574 : 9 =



2 700 : 9 = 300

≈

2

5

1

8

− Antwoord: De leerlingen hebben 286 pakketjes verkocht.

7 7

7

2

5

4

5

4

4 758 : 6 = 4 800 : 6 = 800

≈

4

7

4

2

− Antwoord: Giovanni heeft vandaag 793 pakjes gemaakt.

5

5

5

5

4

8

1

8 0

Juist? Kleur de tekstballon dan groen. Fout? Kleur de tekstballon dan rood. 5 782 gedeeld door 6 is 963 rest 4.

9 × +

30

6

3 6

5

7

7

8 4

5

7

8

2

1

6

3

9

r=0

1

Controleer met de omgekeerde bewerking.

¡

8 7



5

6

0



Hoeveel pakjes heeft Giovanni vandaag gemaakt?

8

r=0



c In de boomgaard van Giovanni werden vandaag 4 758 appels geplukt en verpakt. Eén pakje kost 2 euro.

9

4 2

7

¡

3


BLOK 5

LES 57 1

46

Kijklijnen ontdekken en aanduiden op een schets of foto

Vul aan en kleur wat past. • (Naam)

zit helemaal verstopt.

De kijklijn wordt niet wordt gedeeltelijk wordt helemaal tegengehouden. zit niet verstopt.

• (Naam)

De kijklijn wordt niet wordt gedeeltelijk wordt helemaal tegengehouden. zit gedeeltelijk verstopt.

• (Naam)

2

De kijklijn wordt niet wordt gedeeltelijk wordt helemaal tegengehouden.

Teken de kijklijnen en beantwoord de vragen met ‘ja’ of ‘nee’.

Feliz Basil Oscar Wies

a Kan Feliz Oscar zien? Kan Wies Basil zien?

nee

Kan Oscar Wies zien?

nee

ja

Kan Feliz Basil zien?

ja

b Teken de bloempjes tussen de haag en het muurtje. • Basil, Wies en Feliz zien het rode bloempje staan. • Enkel Basil ziet het gele bloempje staan. • Wies ziet het blauwe bloempje niet staan, Basil en Feliz wel.

c Duid met een streep aan tot waar de haag gesnoeid moet worden zodat Oscar en Wies elkaar kunnen zien.

31


3

Teken de kijklijnen en beantwoord de vragen.

redder 2

redder 1

Mo

Ella

Kan redder 1 Ella zien? Kan Tobe Ella zien? Kan Ella Mo zien?

4

Tobe

ja

Kan redder 1 Tobe zien?

nee

nee

Kan redder 2 Tobe zien?

ja

ja

Welke redder ziet het meest? redder 2

Teken de kijklijnen en kleur of teken wat gevraagd wordt.

Tuur

a • Kleur de auto’s die Tuur kan zien groen.

• Kleur de auto’s die Tuur niet kan zien rood.

b Teken boeken op de kast, zodat Tuur geen enkele auto meer kan zien. 32


BLOK 5

5

Teken de kijklijnen en kleur wat gevraagd wordt.

a • Kleur de bloemen die de buurman kan zien groen.

• Kleur de bloemen die de buurman niet kan zien rood.

b  Duid met een streep aan tot waar de haag gesnoeid moet worden opdat de buurman alle bloemen kan zien.

6

Teken de kijklijnen en beantwoord de vragen met ‘ja’ of ‘nee’.

Cecile

Zeno Bent Oumou Abdallah M

L

a Kan Zeno Abdallah zien?

ja

Kan Oumou Cecile zien?

nee

Kan Cecile Bent zien?

ja

Kan Cecile Oumou zien?

nee

Kan Bent Zeno zien?

ja

Kan Abdallah Cecile zien?

ja

b

Zeno en Cecile zien Lien niet. Bent ziet Lien wel. → Zet een ‘L’ waar Lien zich verstopt.

Merel kan Abdallah zien. Bent ziet Merel niet. → Zet een ‘M’ waar Merel zich verstopt. 33


LES 58 − HERHALING

Wat heb ik geleerd in blok 5?

Getallenkennis Ik kan:

les nr.

rekenwijzer nr.

herhaling nr.

patronen in een getallenrij ontdekken en voortzetten.

49

7

1

breuken met eenzelfde teller of noemer vergelijken en rangschikken.

52

3h

2

ongelijknamige breuken gelijknamig maken en ze vergelijken.

52

3f-h

3

les nr.

rekenwijzer nr.

herhaling nr.

50, 51

10c, 11c

4, 5

hoofdrekenen: getallen tot 10 000 delen door 10, 100 en 1 000 en zoals de deeltafels.

54

14b-c

6

hoofdrekenen: delen tot 10 000 met splitsen en verdelen.

54

14d

7

cijferen: delen tot 10 000 en vooraf de uitkomst schatten.

56

20a

8

les nr.

rekenwijzer nr.

herhaling nr.

de omtrek van veelhoeken berekenen.

53

26

9

de wijzerklok lezen tot op 1 minuut voor en over het uur.

55

29c

10

de cijferklok lezen tot op 1 minuut voor en over het uur.

55

29d

11

cijferklokjes aan wijzerklokjes koppelen.

55

29e

12

les nr.

rekenwijzer nr.

herhaling nr.

patronen herkennen en voortzetten.

49

44

13

kijklijnen aanduiden op een tekening.

57

46

14

Bewerkingen Ik kan: hoofdrekenen: handig optellen en aftrekken tot 10 000, ook met meerdere termen.

Meten en metend rekenen Ik kan:

Meetkunde Ik kan:

Ik kan en durf hulp vragen als ik die nodig heb. Ik werk rustig en geconcentreerd, zodat ik de anderen niet stoor. Ik kan en durf handige ‘trucjes’ gebruiken om rekenproblemen aan te pakken.

34


1

Zoek de getalpatronen en zet de rijtjes voort. Je mag de sprongen er met een boogje bij schrijven.

2

5 750

5 725

5 700

5 675

5 650

5 625

5 600

3 000

3 500

3 400

3 900

3 800

4 300

4 200

9 680

9 672

9 664

9 656

9 648

9 640

9 632

1 600

800

400

200

100

50

25

510

505

555

550

600

595

645

Breuken vergelijken en rangschikken a Vul in. Kies uit <, = of >. 1  <   1 7 4

5  >   5 3 6

4  <   5 6 6

1  <   1 3 2

3  >   3 5 8

6  >   4 7 7

6  >   4 4 4

2  >   2 3 5

b Zet deze breuken in de juiste volgorde. 2    6    1 5 5 5

3    3    3 5 2 8

4    6    2    8 7 7 7 7

1 < 2 < 6 5 5 5

3 > 3 > 3 2 5 8

2 < 4 < 6 < 8 7 7 7 7

5    5    5 10 20 15

2    3    5 4 4 4

3    3    3    3 6 8 2 4

5 > 5 > 5 10 15 20

2 < 3 < 5 4 4 4

3 > 3 > 3 > 3 2 4 6 8 35


3

Vergelijk nu ook deze ongelijknamige breuken. Vul in. Kies uit <, = of >. 4 6 8 12 6 8 4 6

:2 :2 ×4 ×4 ×2 ×2 ×2 ×2

8   <  5 12 6 2  <   3 3 4 3  >   5 4 8 2  >   1 3 2

×3 ×3

×3 ×3

9 12

2 5 8 20 15 20

3 6

:3 :3 ×4 ×4 ×5 ×5

2  =   4 3 6 6  <  3 15 5 2  >   7 5 20 3  >   2 4 5

:2

2 3

:2

×4 ×4

8 20

Ik breng de twee breuken op dezelfde noemer. Daarna is vergelijken een makkie!

4

Reken uit. Het kan handig! Lees nog eens na hoe dat lukt in les 50 en les 51 of in je Rekenwijzer bij nr. 10c en 11c.

36

5 456 + 1 998 =

7 454

3 604 − 505 =

3 099

7 397 − 417 =

6 980

518 + 1 497 =

2 015

2 427 + 363 =

2 790

8 268 − 3 199 =

5 069

4 105 − 88 =

4 017

5 103 + 267 =

5 370

6 596 + 254 =

6 850

6 295 − 795 =

5 500


5

Reken handig uit. Kleur de termen die na het optellen of aftrekken een rond getal vormen. 2 100 + 5 600 + 1 400 = 2 100 + (5 600 + 1 400) = 2 100 + 7 000 = 9 100 6 020 + 1 290 + 980 = 6 020 + 980 + 1290 = 7 000 + 1 290 = 8 290 4 600 + 1 800 + 2 400 = 4 600 + 2 400 + 1 800 = 7 000 + 1 800 = 8 800 8 200 − 800 − 2 200 = 8 200 − 2 200 − 800 = 6 000 − 800 = 5 200 2 110 − 110 − 1 500 = 2 000 − 1 500 = 500 4 520 − 1 080 − 320 = 4 520 − 320 − 1 080 = 4 200 − 1 080 = 3 120

6

Los vlug op. Noteer het quotiënt. a

3 480 : 10 =

348

b 2 100 : 3 =

700

3 800 : 10 =

380

6 500 : 100 =

65

4 900 : 7 =

700

5 400 : 6 =

900

3 400 : 10 =

340

2 000 : 5 =

400

10 000 : 1 000 =

10 000 : 100 =

100

1 600 : 2 =

800

3 000 : 5 =

600

8 000 : 1 000 =

8

4 200 : 6 =

700

2 800 : 7 =

400

7 000 : 10 =

700

6 300 : 9 =

700

5 100 : 10 =

510

4 000 : 100 =

40

3 200 : 4 =

800

10 000 : 2 = 5 000

1

2 400 : 8 =

300

1 000 : 1 000 =

c

4 600 : 100 =

10

46

37


7

Reken uit. Noteer de tussenstapjes en het quotiënt. Je mag zelf beslissen of je languit werkt, of liever wat korter. 6 027 : 3 = (6 000 : 3) + (27 : 3)

6 000  27

= 2 000 + 9 = 2 009

7 000 : 5 = (5 000 : 5) + (2 000 : 5) 5 000  2 000 = 1 000 + 400 = 1 400

3 228 : 4 = (3 200 : 4) + (28 : 4) 3 200  28

= 800 + 7 = 807

6 180 : 2 = (6 000 : 2) + (180 : 2) 6 000  180 = 3 000 + 90 = 3 090

7 800 : 6 = (6 000 : 6) + (1 800 : 6) 6 000  1 800 = 1 000 + 300 = 1 300

9 540 : 9 = (9 000 : 9) + (540 : 9) 9 000  540 = 1 000 + 60 = 1 060

38

Splits het deeltal in getallen die je handig kunt delen door de deler.


8

Reken uit door te cijferen. Vergeet de schatting niet. a

b

7 427 : 6 = 7 200 : 6 = 1 200

≈

− −

7. 6

4.

1

4

1

2

2.

2.

3.

7.

r=5

2

2

1

8 4

7

4

2

− −

1

2

1

2

2

− −

¡

2

6

2

1

7.

0. 8.

3.

7.

r=1

5

0

4

9 1

3

0

r=3 2 0 2

7

2

4

6 515 : 9 =

6

6 300 : 9 = 700

≈

4

7 1

0

6.

d

5 200 : 4 = 1 300 2

8. 6

5 227 : 4 =

5 4

5. 5

¡

5

c ≈

5 600 : 7 = 800

≈

6.

7. 1.

¡

5 860 : 7 =

6 6

5 3

1

2

1

1

8

¡ 9

5 7

2

3

r=8

3

5

2

7 8

3

39


9

Benoem elke figuur en bereken de omtrek. a

Dit is een rechthoek

.

Omtrek: 2 × (6 cm + 2 cm) = 2 × 8 cm = 16 cm (of 6 cm + 2 cm + 6 cm + 2 cm = 16 cm) b

Dit is een ruit

.

Omtrek: 4 × 3 cm = 12 cm (of 3 cm + 3 cm + 3 cm + 3 cm = 12 cm)

c

Dit is een vierkant

.

Omtrek: 4 × 3 cm = 12 cm (of 3 cm + 3 cm + 3 cm + 3 cm = 12 cm)

d

Dit is een trapezium

.

Omtrek: 3 cm + 3 cm + 7 cm + 5 cm = 18 cm 

10

Hoe laat is het op de wijzerklokjes? Noteer het.

11

12

1

11 2

10

8 6

11

12

8

11

3

9 8 6

Het is 4 over 10 40

.

Het is 26 over 3

1 2 3

9 8

4 6

12

.

10 3

7

6

5

Het is 25 voor 3

11 2

8

5

4 7

9

4 7

3

1

10

2

8

.

12

1

9

5

Het is 7 voor 7

1 2

6

12

10

4 7

.

10

2 3

5

Het is 19 over 7

11

9

4 7

1

10 3

9

12

5

4 7

.

6

5

voor 12 Het is kwart 

.


11

Hoe laat is het op de cijferklokjes? Noteer er ook het juiste dagdeel bij. Kies uit: ’s morgens, in de voormiddag, ’s middags, in de namiddag, ’s avonds, ’s nachts.

Het is 5 voor 6

Het is 8 over 1

’s avonds

.

Het is 22 over 10

’s nachts

.

in de namiddag

.

Het is 21 voor 7

in de voormiddag

.

’s  morgens

.

Stel het tijdstip van de wijzerklok in op de cijferklok. Het is ochtend. 11

12

Het is namiddag.

1

11 2

10

8

4 7

6

12

5

8 05

11 2

8

4 6

5

16 49

12

1 2

10 3

9

7

Het is avond.

1

10 3

9

13

.

Het is kwart over 11

’s avonds

12

Het is 20 voor 3

3

9 8

4 7

6

5

21 31

Patronen ontdekken en voortzetten a Zet dit tegelpatroon voort. Werk nauwkeurig!

41


b Teken het lijnpatroon dat de pijltjes aangeven en zet het voort. Start bij de stip. 2↑

14

1→

1↑

2→

2↑

1→

5↓

1→

Teken de kijklijnen. Beantwoord de vragen en omkring wat gevraagd wordt. a

Kan de fotograaf de vos zien?  ja    nee Kan de fotograaf het konijn zien?  ja    nee Kan de vogel iedereen zien?  ja    nee

b Omkring de zwemmers die de redder kan zien met groen. De zwemmers die de redder niet kan zien, omkring je met rood.

42


1

Kruis aan hoe je deze bewerkingen het makkelijkst kunt uitrekenen. Reken ze dan zo uit op het kladblaadje en noteer de uitkomst. 7 530 − 2 860 = 4  670  cijferen   hoofdrekenen 655 + 870 + 130 = 1 655  cijferen   hoofdrekenen 7 580 − 1 990 = 5 590  cijferen   hoofdrekenen 5 472 : 6 = 912  cijferen   hoofdrekenen

2

Schrijf bij elk getal de juiste letter. Reken dan uit je hoofd. a

b

3 000

c

d

3 500

3 150 = a 3 450 = b 4 460 = g

3 975 = e

4 025 =

f

i

f

g

4 000

h 3 425 = h

e

4 500

j

3 710 =

i

3 525 =

c

3 780 = d

3 880 =

j

b +

i

=

7 160

g − h =

1 035

d + g =

f

j

=

145

b + g =

7 910

i

c

+

j

=

7 405

d − a

=

630

− b =

b +

j

=

8 240 260 7 330 43


3

Kleur de emmers en de gieters. Zet eerst om naar eenzelfde maateenheid, als je dat makkelijker vindt. • Kleur de emmer met de meeste inhoud groen. • Kleur de emmer met de minste inhoud blauw.

150 cl

1 l 5 cl

85 cl

1 l 8 dl

150 cl

105 cl

85 cl

180 cl

• Kleur de gieter met de meeste inhoud groen. • Kleur de gieter met de minste inhoud blauw.

900 ml

2 dl

900 ml

4

1l

200 ml

80 cl

1 000 ml

800 ml

Vul de ontbrekende afmetingen aan. De omtrek van de weide is 120 m.

De omtrek van de speelplaats is 240 m.

50 m

70 m

30 m De omtrek van dit 50-meterbad is 150 m.

De omtrek van de zandbak is 15 m. 6m

25 m

3m

50 m 44

6m


BLOK 6


BLOK 6

1

INSTAPLES

pingping:

pingping:

pingping:

pingping:

pingping:

Voer de opdrachten uit. a Schrijf de breuken zo eenvoudig mogelijk.

2

TOTAAL

b Zet de breuken om naar een gemengd getal.

c Noteer een gelijkwaardige breuk.

8 = 2. 12 3.

5 = 1 en 2. 3 3.

1 = 2. 3 6

4 = 2. 10 5.

23 = 2 en 3. 10 10 .

6= 3 8 4.

6 = 2. 9 3.

11 = 1 en 3. 8 8.

8 = 40 . 10 50

4 = 1. 8 2.

9 = 2 en 1. 4 4.

7 = 21 9 27 .

Reken uit. a

4 × 900 = 3 600 600 × 8 = 4 800 700 × 7 = 4 900 800 × 5 = 4 000 250 × 10 = 2 500 70 × 100 = 7 000 31 × 100 = 3 100 470 × 10 = 4 700

b

7 × 304 = 2  100 + 28 300 4 = 2  128  000 + 1 200 + 30 6 × 1 205 = 6

1 000 200 5 = 7  230  200 + 560 470 × 8 = 3 400 70

=3  760

 000 + 2 000 + 16 1 504 × 4 = 4 1 000 500 4

=6  016 Je mag de tussenstappen noteren, als je dat handig vindt.

46


3

Maak de cijferoefeningen. Vergeet de schatting niet. 659 × 8 = 700 × 8 = 5 600

≈

6

5

¡

5

2

7

7 × 1 000 = 7 000

≈

9

1

8

×

4

7 × 1 406 =

2

×

4

7

4

0

¡

6 7

9

8

4

2

4

2

Aan de slag met inhoudsmaten! Vul in. a Hoeveel kan erin? Vul de passende inhoudsmaat in: liter (l), deciliter (dl) of centiliter (cl).

8

l

25 cl room

soep

1 dl koffie

55

l

benzine

b Zet om. Gebruik de tabel als je dat handig vindt. l

5

dl

cl

5

0

3

0

0

4

0

2

0

50 cl = 5

dl

3 l = 300

0

cl

40 dl = 4

l

200 cl = 2

l

Vul in. a Hoelang werkt Amina? 11

12

1

11 2

10

8 5

1 2 3

9 8

4 6

12

10 3

9

7

b Zoek de ontbrekende term.

  

4 7

6

5

Amina werkt 15 minuten (= een

kwartier

13 + 16 = 29

37 + 23 = 60

8 + 38 = 46

12 + 48 = 60

17 + 21 = 38

24 + 36 = 60

46 + 5 = 51

51 + 9 = 60

24 + 21 = 45

46 + 14 = 60

). 47


LES 61 1

Breuken op een getallenas plaatsen

3g

Noteer elke breuk onder de juiste doos. Vereenvoudig de breuken. Zet ze om naar een gemengd getal als dat kan. 14 6

4 6

3 2

3 9

10 4

Meer dan 0, minder dan 1

14 8

15 12

8 3

Meer dan 1, minder dan 2

4 = 2 6 3 3 = 1 9 3 5 = 1 10 2

2

5 10

Meer dan 2, minder dan 3

bv. 14 = 7 = 2 en 1 6 3 3 10 5 1 = = 2 en  4 2 2 8 2 = 2 en  3 3

3 = 1 en 1 2 2 14 7 = = 1 en 3  8 4 4 15 5 1 = = 1 en  12 4 4

Verbind de breuken met de juiste plaats op de getallenas. a

1 3

3 3

0 b

4 3

7 3

1 1 8

9 3

2

3 8

4 8

3

6 8

8 8

9 8

0 c

3 6

0

48

1 5 6

6 6

1

8 6

13 6

16 6

2

18 6

3


BLOK 6

3

Vul de breuken bij de getallenassen aan. a 0

1. 5.

3. 5.

1. 6.

3. 6.

5. 6.

c 3. 8.

0

4. 8.

1 en 4 5

7. 5.

9. 5.

1 en 1 6

1 en 3 6

7. 6.

9. 6.

1

b 0

1 en 2 5

6. 8.

1

1 en 2 8

1 en 5 8

10 . 8.

13 . 8.

1

2

2 en 2 8 18 . 8.

2

Klaar? Zet dan de breuken groter dan 1 om naar een gemengd getal en noteer ze boven de getallenas.

4

Vul de juiste breuk aan op de stippen. Gebruik je meetlat!

0

1 4

3 4

0

5 4

1

1 3

2 3

3 =1 3

5 3

49


5

Noteer de breuken op de juiste plaats op de getallenas. Maak ze eerst gelijknamig. Daarvoor kun je het kladblaadje naast elke breuk gebruiken. ×3

a

:2

3 6

1 2

5 6

1 2

8 12

9 10

×5

6

9 8

6 5

1

1

9 8

5 4

5 10

3 2 ×2

12 8

3 2

30 40

1 2

×5

13 10

10 8

5 4

×4

1 2

×5

12 10

6 5

×4

:5

1 8

2

×2

16 9 20 10

6 8

30 40

×3

11 6

13 10

:5

×4

0

8 10

9 6

3 2

×2

1 2

4 8

3 2

:2

0 ×4

4 3

1

16 20

8 6

4 3

:2

15 10

3 2

×3

×2

5 6

×5

b

1 2

11 6

:2

0

c

4 6

8 12

×3

×2

1 8

×2

3 2

2

Verdeel de getallenassen nu zelf. Noteer er alle gevraagde breuken bij. a Een getallenas met 0, 1, 2, 2 , 4 en 5 erop. 3 3 3

2 3

0

4 3

1

5 3

2

b Een getallenas met 0, 1, 2, 3 , 4 en 7 erop. 5 10 5

0

50

4 10

3 5

1

7 5

2


BLOK 6

LES 62 1

13

Hoofdrekenen: flexibel vermenigvuldigen

Los snel op. Noteer het product. a 1 000 × 9 = 9 000

4 × 900 = 3 600

50 × 60 = 3 000

56 × 100 = 5 600

0 × 1 000 = 0

40

60 × 8 = 480

10 × 953 = 9 530

10 ×

300 × 0 = 0

5 × 300 = 1 500

2

b 85 ×

90

10 × 340 = 3 400

100

= 8 500

× 50 = 2 000 340

= 3 400

× 70 = 6 300

6 × 1 000 = 6 000

Reken uit. Noteer de tussenuitkomsten en het product. a

3 × 2 504 = 6  000 + 1 500 + 12

2 000 500 4 = 7  512

b

5 × 1 608 = 5  000 + 3 000 + 40

1 000 600 8 = 8  040

 000 + 200 + 140 4 170 × 2 = 8

693 × 7 = 4  200 + 630 + 21

4 000 100 70 = 8  340

600 90 3

 000 + 50 + 15 5 × 1 013 = 5

=4  851

3 304 × 3 = 9  000 + 900 + 12

1 000  10  3 = 5  065

3 000 300 4

=9  912

Werk je liever ‘languit’? Dat kan hier:

3

Zie je het verband? Los op. a 2 × 250 = 500  4 × 250 = 1 000  8 × 250 = 2 000

2 × 505 = 1 010

2 × 1 200 = 2 400

4 × 505 = 2 020

4 × 1 200 = 4 800

8 × 505 = 4 040

8 × 1 200 = 9 600

×2 ×2 51


b 2 × 210 = 420

511 × 4 = 2 044

c

4 × 210 = 840

4 × 2 020 = 8 080

8 × 210 = 1 680

910 × 4 = 3 640

2 × 140 = 280

1 150 × 8 = 9 200

4 × 140 = 560

8 × 1 200 = 9 600

8 × 140 = 1 120

4

325 × 8 = 2 600

Vermenigvuldigen met meerdere factoren. Reken handig uit. a

250 × 2 × 7 = 500 × 7 = 3 500 5 × 618 × 2 = 5 × 2 × 618 = 10 × 618 = 6 180 14 × 4 × 25 = 14 × (4 × 25) = 14 × 100 = 1 400

Wissel de factoren van plaats of schakel, als het zo handiger lukt. Het product blijft gelijk.

b 3 × 40 × 50 = 3 × (40 × 50) = 3 × 2 000 = 6 000 20 × 17 × 5 = 20 × 5 × 17 = 100 × 17 = 1 700 9 × 25 × 4 = 9 × (25 × 4) = 9 × 100 = 900 52


BLOK 6

5

Reken uit. Noteer de stapjes, als je dat handig vindt. 4 × 2 408 = 9 632 1 125 × 8 = 9 000 7 × 4 × 150 = 4 200 8 × 530 = 4 240 2 × 906 × 5 = 9 060

6

Lees en los op. Noteer de bewerking en het antwoord. a In de fabriek worden elke weekdag 250 basketballen gemaakt. Hoeveel ballen zijn dat op vier weken tijd? Bewerking: 4  × 5 × 250 = 4 × 250 × 5 

= 1 000 × 5 = 5 000

Antwoord: Dat  zijn 5 000 ballen op 4 weken. b De directeur van ‘De speelvogel’ koopt drie houten schommels van 872 euro per stuk. Hoeveel euro moet hij betalen? Bewerking: 3  × 872 = 2 400 + 210 + 6 = 2 616 

800 70 2

Antwoord: Hij  moet 2 616 euro betalen. c Uit de speelgoedfabriek vertrekken acht vrachtwagens met elk 1 250 dozen bouwblokken aan boord. Hoeveel dozen zijn dat samen? Bewerking: 8  × 1 250 = 10 000  Antwoord: Dat  zijn samen 10 000 dozen. 53


LES 63 1

Los snel op. × 10

a

× 100

b

10

× 42 = 420

85

850

4

400

502

5 020

95

9 500

10 000

20

2 000

18

360

3 600

61

6 100

100

111

1 110

10

1 000

1 000 × 8 = 8 000

20

200

33

3 300

1 000

2

Hoofdrekenen: handig vermenigvuldigen

13

100 × 98 ×

32

= 3 200

100

= 9 800

× 10 = 180 × 29 = 2 900

100

67 ×

= 6 700

Handig vermenigvuldigen. Reken uit. a Vermenigvuldigen met 5 480 × 5 = 4 800 : 2 = 2  400

260 × 5 =

× 10

:2

2 600

260

260 × 5 = 2 600

5 × 862 =  8 620 : 2 = 4 310 1 300

330 × 5 =  3 300 : 2 = 1 650 5 × 270 =  2 700 : 2 = 1 350

:2

841 × 5 =  8410 : 2 = 4 205

= 1 300 b Vermenigvuldigen met 50

62 × 50 = 6 200 : 2 = 3  100

44 × 50 =

× 100

44

4 400

44 × 50 = 4 400 = 2 200

× 5? eerst × 10 en dan : 2

54

:2

50 × 54 =  5 400 : 2 = 2 700 2 200

:2

88 × 50 =  8 800 : 2 = 4 400 50 × 67 =  6 700 : 2 = 3 350 84 × 50 =  8 400 : 2 = 4 200

× 50? eerst × 100 en dan : 2


BLOK 6

c Vermenigvuldigen met 25 32 × 25 = 3 200 : 4 = 800 

16 × 25 =

× 100

16

:4

1 600

16 × 25 = 1 600

25 × 28 =  2 800 : 4 = 700 24 × 25 =  2 400 : 4 = 600

400

25 × 36 =  3 600 : 4 = 900

:4

48 × 25 =  4 800 : 4 = 1 200

= 400

× 25? eerst × 100 en dan : 4

3

Ook dit kan handig. Reken uit. a

9 × 160 = ( 10

× 160 ) − (

1

× 160 ) =

1 600

160

=

1 440

298 × 4 = (300 × 4) − (2 × 4) = 1 200 − 8 = 1 192 6 × 99 = (6 × 100) − (6 × 1) = 600 − 6 = 594 197 × 3 = (200 × 3) − (3 × 3) = 600 − 9 = 591

Rond af naar een rond getal. Trek het teveel er weer af!

b

15 × 242 = ( 10

× 242 ) + (

5

× 242 ) =

2 420

+

1 210

=

3 630

  15 × 82 = (10 × 82) + (5 × 82) = 820 + 410 = 1 230 15 × 125 = (10 × 125) + (5 × 125) = 1 250 + 625 = 1875 15 × 450 = (10 × 450) + (5 × 450) = 4 500 + 2 250 = 6 750

× 15? eerst × 10 + de helft daarvan

55


4

Dat lukt ook korter. Sla een stapje over. a

30 × 99 = 3 000 −

30

= 2 970

7 × 498 = 3  500 − 14 = 3 486 − 35 = 665 19 × 35 = 700  b

  67 × 15 =

670

+

335

= 1 005

15 × 462 = 4  620 + 2 310 = 6 930    9 × 15 = 90  + 45 =135

5

Nu alles door elkaar! a

6

25 × 16 = 400

b 99 × 35 = 3 465

45 × 19 = 855

5 × 632 = 3 160

15 × 640 = 9 600

48 × 15 = 720

50 × 88 = 4 400

32 × 25 = 800

Reken handig uit. Noteer de bewerking en de uitkomst. Je kunt de stapjes op het ruitjespapier noteren.

56

• Het vijfvoud van 486 is ...

 × 486 = 2 430 → 5

• Het product van 15 en 254 is ...

 × 254 = 3 810 → 15

• Het negenvoud van 180 is ...

 × 180 = 1 620 → 9

• 98 vermenigvuldigd met 54 geeft ...

 × 54 = 5 292 → 98


BLOK 6

LES 64 1

30

Gepast betalen, teruggeven of wisselen De prijs, de winst of het verlies berekenen

Vul het woordenboek aan. Noteer bij elke uitleg de juiste term. Kies uit: de eenheidsprijs, de totale prijs, de inkoopprijs, de verkoopprijs, de winst, het verlies.

de inkoopprijs

De prijs die bv. een winkelier betaalt wanneer hij iets aankoopt bij een groothandelaar. de eenheidsprijs

De prijs per eenheid. Dat kan per stuk of bv. per gewichtseenheid zijn. het verlies

Geld dat je kwijtspeelt door iets goedkoper te verkopen dan wat je er zelf voor betaald hebt. de winst

Geld dat je verdient als je iets duurder verkoopt dan je het gekocht hebt, of iets verkoopt wat je zelf hebt gemaakt. de verkoopprijs

De prijs die je vraagt wanneer je iets aan een ander wilt verkopen. de totale prijs

De prijs van alle eenheden samen: het aantal eenheden maal de eenheidsprijs.

57


2

Bereken wat gevraagd wordt.

WINTERMARKT BASISSCHOOL DE BOOMGAARD

De leerlingen van 4A hebben koekjes gebakken. Een doosje met 6 koekjes kost 3 euro. Er worden 12 doosjes verkocht. De koekjesverkoop brengt €

36

op.

Bewerking: 12 × € 3 = € 36

De leerlingen van 4B hebben kaarsen gemaakt. De oma van Noura koopt 8 kaarsen. Ze betaalt 32 euro. De eenheidsprijs per kaars is €

4

.

Bewerking: € 32 : 8 = € 4

De soepverkoop levert 68 euro op. De prijs per kom soep bedraagt 2 euro. Er werden

34

kommen soep verkocht.

Bewerking: € 68 : € 2 = 34

De aankoopprijs van de soep is 24 euro. De totale verkoopprijs lees je hierboven. De school maakte

58

44

euro winst / verlies

Als de papa van Noura naar huis gaat, heeft hij nog voor 10 euro drankbonnetjes. Oma neemt ze van hem over voor 5 euro. 5

op de soep.

Papa maakt

Bewerking: € 68 − € 24 = € 44

Bewerking: € 10 − € 5 = € 5

euro winst / verlies.


BLOK 6

3

Dit kun je nog. Los op! a Welk bedrag wordt hier afgebeeld?

97 euro 30 cent of

213 euro 7

€ 97 , 30

cent of

€ 213 , 07

b Hoeveel euro krijg je terug? Teken de biljetten en de munten.  

€ 2,75

€ 7,20

€ 146,45

Je betaalt met:

Je betaalt met:

Je betaalt met:

Hoeveel krijg je terug? Teken.

Hoeveel krijg je terug? Teken.

Hoeveel krijg je terug? Teken.

2

12 euro 80 cent of

53 euro 55 cent of

€ 12,80 terug

€ 53 ,55 terug

euro 25 cent of € 2 ,25 terug

c Wissel, zodat er evenveel ligt.

= = 59


4

Lees en los op. a

Dora betaalt 18 euro voor 9 kilogram aardappelen.

Meester Ali bestelt 25 invulboekjes. De eenheidsprijs per boekje bedraagt 4 euro.

Wat is de eenheidsprijs per kilogram?

Wat is de totale prijs?

Bewerking: €  18 : 9 = € 2

Bewerking: 25  × € 4 = € 100

Antwoord: De  eenheidsprijs per kilogram

Antwoord: De  totale prijs is 100 euro.

is  2 euro.



Tim kocht zijn fiets voor 150 euro. 5 jaar later verkoopt hij diezelfde fiets op een rommelmarkt voor 55 euro. Hoeveel euro winst of verlies maakt Tim? Bewerking: €  150 − € 55 = € 95 Antwoord: Tim  maakt 95 euro verlies. 

b

Juf Ada bestelt voor 78 euro pennen aan 2 euro per pen.

Sem koopt de fiets van Tim. Hij knapt hem op en verkoopt hem door voor 90 euro.

Hoeveel pennen bestelt juf Ada?

Hoeveel euro winst of verlies maakt Sem?

Bewerking: €  78 : € 2 = 39

Bewerking: €  90 − € 55 = € 35

Antwoord: Juf  Ada bestelt 39 pennen.

maakt 35 euro winst. Antwoord: Sem 





Marit koopt materiaal voor 25 euro. Daarmee maakt ze 50 schilderijtjes, die ze verkoopt aan 3 euro per stuk.

Jason koopt aardbeien voor 1,50 euro per bakje. Hij verkoopt de bakjes voor 3,50 euro. Zo maakt hij 60 euro winst.

Hoeveel winst maakt Marit in totaal?

Hoeveel bakjes heeft hij verkocht?

Bewerking: 50  × € 3 = € 150

Bewerking: €  3,50 − € 1,50 = € 2



60

€ 150 − € 25 = € 125



€ 60 : € 2 =30

maakt in totaal 125 euro Antwoord: Marit 

Antwoord: Hij  heeft 30 bakjes verkocht.

winst. 




BLOK 6

LES 65 1

15

Gelijknamige breuken optellen en aftrekken

Tel de breuken op. Vul het besluit aan. Kleur wat je doet op het breukenmuurtje. a

b

het geheel = 1

het geheel = 1

1 + 2 = 3. 5 5 5.

3 + 4 = 7. 8 8 8. c

Gelijknamige breuken optellen?

het geheel = 1

tellers

• Tel de 

2

noemer

• Behoud de 

1 + 4 = 5. 6 6 6.

op. .

Dat lukt ook zonder breukenmuurtje. Tel op en controleer. • Kun je de som nog vereenvoudigen? Doen! • Is de som groter dan 1 geheel? Zet ze dan om naar een gemengd getal.

a

d

1 + 4 = 5. 7 7 7.

b

3 + 1 = 4. = 1. 8 8 8. 2.

2 + 2 = 4. = 1 en 1. 3 3 3. 3.

c

1 + 1 =2 3 3 3

7 + 1 = 8 =4 10 10 10 5

4 + 3 = 7 = 1 en 2 5 5 5 5

2 + 3 =5 8 8 8

2 + 4 =6=2 9 9 9 3

7 + 6 = 13 = 1 en 3 10 10 10 10

1 + 8 = 9 10 10 10

6 + 4 = 10 = 5 12 12 12 6

4 + 7 = 11 = 1 en 3 8 8 8 8

5 + 3 = 8. = 4. = 1 en 1. 6 6 6. 3. 3.

e Nu door elkaar!

5 + 7 = 12 = 3 =1 en 1 8 8 8 2 2

4 + 3 = 7   =1 7 7 7

3 + 3 = 6   = 3 =1 en 1 4 4 4 2 2

4 + 2 =6  =3 8 8 8 4

7 + 8 = 15 = 5 =1 en 2 9 9 9 3 3

9 + 16 = 25 = 5 = 1 en 1 20 20 20 4 4 6 + 3 = 9 = 1 en 1 8 8 8 8 61


3

Trek de breuken af. Vul het besluit aan. Kleur en doorstreep wat je doet op het breukenmuurtje. a

b

het geheel = 1

het geheel = 1

5 − 2 = 3. 7 7 7. c

9 − 6 = 3. 10 10 10 . Gelijknamige breuken aftrekken?

het geheel = 1

tellers

• Trek de  • Behoud de 

3 − 2 = 1. 6 6 6.

4

noemer

Dat lukt ook zonder breukenmuurtje. Trek af en controleer. Kun je het verschil nog vereenvoudigen? Doen! a

5 − 4 = 1. 6 6 6.

b

6 − 3 = 3. = 1. 9 9 9. 3.

1 − 2 = 5. − 2. = 3. 5 5. 5. 5.

c

3 − 2 =1 9 9 9

3 − 1 =2=1 4 4 4 2

1− 3 =8−3=5 8 8 8 8

4 − 2 =2 7 7 7

7 − 3 =4=2 6 6 6 3

1− 3 =4−3=1 4 4 4 4

5 − 2 =3 8 8 8

6 − 2 =4=1 8 8 8 2

1− 6 =9−6=3=1 9 9 9 9 3

d Alles door elkaar! 5 − 3 = 2 =1 12 12 12 6 1− 3 =6−3=3=1 6 6 6 6 2 8 − 5 = 3 11 11 11 7 − 3 = 4 =2 10 10 10 5

5

Optellen en aftrekken door elkaar. Schrijf de uitkomst zo eenvoudig mogelijk. a

9 − 2 = 7 12 12 12 3 + 1 = 4 =1 4 4 4

62

6 + 4 = 10 = 2 5 5 5

7 − 4 =3=1 6 6 6 2 1 − 8 = 10 − 8 = 2 = 1 10 10 10 10 5 7 + 4 = 11 12 12 12

b

2 + 3. = 5 6 6. 6 7. − 3 = 4 9 9 9. 1 − 5. = 2 7 7.

af. .


BLOK 6

6

Lees en los op. a

2 van het zwembad is al gevuld. 8 Papa vult nog 4 bij. 8 Welk deel van het zwembad is nu gevuld?

b

nog 2 van op. 6 Welk deel van het broodje blijft over?

Bewerking: 2 + 4 = 6 = 3 8 8 8 4 Het zwembad is nu voor 3. gevuld. 4.

c

Bewerking: 5 − 2 = 3 = 1 6 6 6 2 1 . Er blijft deel van het broodje over. 2.

Sam maakte gisteren 1 van een puzzel. 5 Vandaag heeft hij nog eens 3 gemaakt. 5 Welk deel van de puzzel is nu klaar?

d

Mama schenkt 1 van een volle fles 8 frisdrank in een kan. Even later schenkt ze er nog eens 2 uit de fles bij. 8 Welk deel zit er nu nog in de fles?

Bewerking: 1 + 3 = 4 5 5 5 4. deel van de puzzel is nu klaar. 5.

7

Juf Bianca laat ’s middags 5 van haar 6 broodje over. In de namiddag eet ze daar

Bewerking: 8 − 1 − 2 = 5 8 8 8 8 De fles is nog voor 5. deel gevuld. 8.

‘Schiet’ de breuken in de juiste roos. 1+5 8 8

1+2 4 4

1 4

1+1 4 4

1+1 8 8

7−1 8 8

3 4

1 + 2 12 12

6−2 8 8

2+1 6 6

1 2

63


LES 66 1

Inhoud meteen in l, dl, cl en ml

24

Vul de ‘identiteitskaart’ aan.

ml voluit: (de) milliliter



referentiemaat: 

2

Zet om. l

dl

1

0

1

0

0

1

0

1

3

cl

ml 1 l = 10

dl

1 l = 100

cl

1 dl = 10

cl

1

0

1 cl = 10

ml

1

0

0

1 dl = 100

ml

0

0

0

1 l = 1 000

ml

Vul de passende maateenheid in. Kies uit: l, dl, cl of ml. a In mijn drinkbus kan een halve

l

water.

Na het eten neem ik 1 cl hoestsiroop. Het inktbuisje van een pen bevat 1 ml inkt. In dit brikje zit 2 dl appelsap. Een bellenblazer bevat zowat 5 cl sop. b Een slokje is ongeveer 1 cl . Eén douche verbruikt zowat 50

l

water.

Dit blikje bevat 33 cl limonade. In een kop thee doe ik 2 ml citroensap. Een wijnfles bevat 75 cl wijn. 64


BLOK 6

4

Reken uit. 1 l = 25 cl 4 1 l = 75 cl + 250 ml 15

3 cl 5 ml +

5

cl

5

40

ml

1 dl = 50 ml 2 25 ml + 25 ml = 5 cl

ml = 5 cl

4

5 cl − 5 ml =

1 dl = 6 cl +

ml

55 cl − 35 ml =

51

5

cl

ml

Zet om. Gebruik de tabel, als je dat handig vindt. l

a

dl

cl

3 l = 300 cl

Schrijf zachtjes, met potlood. Gom dan uit. Zo kun je de tabel steeds opnieuw gebruiken.

ml

80 ml =

8

cl

15 cl = 150 ml

2 000 ml =

2

l

2 dl = 200 ml

30 cl =

3

dl

7

l

14

cl

b

5l=

50

dl

70 dl =

8 dl =

80

cl

140 ml =

e

25 cl = 250 ml

ml

4 dl = 400 7 cl = 70

ml

8 l = 800 2 dl = 20 6 l = 6 000

cl cl ml

d

50 dl = 5

l

800 cl = 8

l

300 ml = 3

dl

1 000 ml = 1

l

40 dl = 4

l

cl cl

5 dl = 50

cl

40 ml = 4 6l= 1 000 ml =

c

2

20 ml =

60

dl

1

l

500 ml = 5

dl

20 dl = 2

l

8 l = 800 cl 150 ml =

15

90 cl = 9 2 l = 200

cl

dl cl

65


6

Aan de slag! Voer deze meetopdrachten correct uit. b

a

Speel een spelletje memory. Wie vindt de meeste duo’s? Noteer. Hoeveel milliliter kan erin? Ik schat:

Ik meet:

koffielepel

ml

=

ml

eetlepel

ml

=

ml

dopje lijmstift ≈

ml

=

ml

c

vond

duo’s.

vond

duo’s.

vond

duo’s.

vond

duo’s.

vond

duo’s.

d

Meet deze inhouden af in een bekertje. Vergelijk en rangschik. beker 1

15 ml

beker 2

2 cl

beker 3

1 dl

Vul de druppelteller. Plens één druppel op je bank. Omkring: 1 druppel is meer / minder dan 1 milliliter. Test uit: Hoeveel druppels heb je nodig voor 1 ml? • Ik schat: 1 milliliter ≈

beker 1 < beker 2 < beker 3

66

• Ik meet: 1 milliliter =

druppels. 20

druppels.


BLOK 6

LES 67 1

Cijferen: vermenigvuldigen met een zuiver tiental

19a

Doe je mee? Let goed op en noteer. a

4 × 182 =



b

4 × 200 = 800

≈ D

H

T

E

1

8

2

40 × 182 =



¡

40 × 200 = 8 000

≈ D ×

10

H

T

E

1

8

2

4

0

8

0

4 ×

7

2

8

×

3 ×

7

2

¡

3

10

Als je vermenigvuldigt met een tiental, schuiven alle cijfers een rang naar links. Daarom noteer je een nul bij de eenheden. Dan werk je verder zoals je dat gewend bent.

2

Schat en reken mee. a

b

60 × 87 = 60 × 90 = 5 400

≈

×

5

2

c

8

7

6

0

2

0

¡

70 × 96 = 70 × 100 = 7 000

≈

×

4

6

7

9

6

7

0

2

0

¡

4

325 × 20 = 330 × 20 = 6 600

≈

3 ×

6

5

2

5

2

0

0

0

¡

Dat lukt ook zonder cijferhemdje. 1

67


3

Nu alleen! Reken uit. Vergeet niet te schatten. a

b

30 × 329 = 30 × 300 = 9 000

≈

3 ×

9

8

2

9

3

0

7

0

¡

105 × 90 = 100 × 90 = 9 000

≈

1 ×

2

9

4

0

5

9

0

5

0

¡

4

Denk aan de nul! c

112 × 50 = 100 × 50 = 5 000

≈

1 ×

5

6

d

2

5

0

0

0

1

e

92 × 60 = 90 × 60 = 5 400

≈

×

68

1

¡

5

5

9

2

6

0

2

0

¡

40 × 239 = 40 × 200 = 8 000

≈

2 1

×

9

5

3

9

4

0

6

0

3

¡

1


BLOK 6

4

Lees en los op. Cijfer op het ruitjespapier onderaan. a De leerlingen van ‘Afrit Zuid’ zetten zich in voor Unicef. Ze willen 30 fietsen schenken aan scholen in oorlogsgebied. Die fietsen kosten 179 euro per stuk. Hoeveel euro moeten ze inzamelen? Antwoord: Ze moeten 5 370 euro inzamelen. 

b Het hart van deze wielrenner klopt 156 keer per minuut. Hoeveel keer klopt het dan in 30 minuten? Antwoord: Het klopt dan 4 680 keer in 30 minuten. 

c De familie Mortelmans gaat op fietsvakantie naar Berlijn. Dat is een tocht van zo’n 860 km. Ze fietsen gemiddeld 6 uur per dag, met 15 km/uur. Ze zijn 13 dagen onderweg. Halen ze hun bestemming? Kunnen ze ook een rustdag inlassen?

a



b

30 × 179 =

≈  30 × 200 = 6 000

¡



 ja   ja 

 nee  nee

c

30 × 156 =

≈  30 × 150 = 4 500

¡

 ≈

13 × 90 = 10 × 90 = 900

¡

69


LES 68 1

Even opfrissen. Reken uit. Vergeet de schatting niet. a

60 × 100 = 6 000

1 ×

8

9

4

9

6

0

4

0

5

¡

86 × 90 = 90 × 90 = 8 100

≈

×

2

7

7

8

6

9

0

4

0

¡

5

Schat en reken mee. a

b

27 × 142 = 30 × 100 = 3 000

≈

1

4

2

2

7

9

9

4

2

8

4

0

3

8

3

4

×

+

c

¡

× +

2

5

1

4

1

3

0

0

3

2

5

0

4

5

5

0

200 × 20 = 4 000

≈

×

1 2

+

10 × 300 = 3 000

3

219 × 18 =

2

14 × 325 = ≈

70

b

60 × 149 = ≈

2

Cijferen: vermenigvuldigen met een getal van twee cijfers

19a

2

¡

1

1

9

1

8

1

7

5

2

2

1

9

0

3

9

4

2

¡

7 1


BLOK 6

3

Nu alleen! Los op. Vergeet niet te schatten. a

b

12 × 96 = ≈

10 × 100 = 1 000

× +

1

c

9

6

1

2

1

9

2

9

6

0

1

5

2

¡

437 × 22 = ≈

400 × 20 = 8 000

4

3

7

2

2

8

7

4

1

8

7

4

0

1

9

6

1

4

×

1

+

¡

34 × 276 = ≈

30 × 300 = 9000

2 × +

7

6

3

4

¡

1

1

0

4

2

3

8

2

8

0

1

2

9

3

8

4

d

e

405 × 19 = ≈

400 × 20 = 8 000

4 × +

0

5

1

9

3

6

4

5

4

0

5

0

7

6

9

5

4

¡

62 × 48 = ≈

60 × 50 = 3 000

6

2

4

8

4

9

6

2

4

8

0

2

9

7

6

× +

¡

1

71


4

Lees en los op. Cijfer op het ruitjespapier onderaan. a Ruitenwasser Ronny wast met zijn team alle ramen van een hotel in Brussel. Het gebouw telt 23 verdiepingen met elk 45 ramen. Hoeveel ramen moeten ze in totaal wassen? Antwoord: In  totaal moeten ze 1 035 ramen wassen. 

b Oscar neemt deel aan de Sydney Tower trappenrace. Hij kon 125 vrienden en kennissen overtuigen om elk 25 euro te sponsoren. Hoeveel euro brengt hij bijeen voor het goede doel? Antwoord: Hij brengt 3 125 euro bijeen voor het goede doel. 

c Ook in het Empire State Building in New York wordt een trappenrace gehouden. Die race over 86 verdiepingen brengt de deelnemers 320 m hoog. Elke verdieping telt 18 treden. Hoeveel treden moeten de deelnemers beklimmen? Antwoord: De  deelnemers moeten 1548 treden beklimmen.  a

 ≈

72

b

23 × 45 = 20 × 50 = 1 000

¡



c

125 × 25 =

≈  100 × 30 = 3 000

¡

 ≈

86 × 16 = 90 × 20 = 1 800

¡


BLOK 6

LES 69

29f

Tijdsduur in uren en minuten bepalen

Hebben jullie de voorbeeldopgaven samen opgelost? Dan mag je nu zelfstandig aan de slag! Hoeveel tijd heb je nodig?

1

Ik schat: 

.

Ik meet: 

.

Lees de tijdstippen op de cijferklokjes en bereken en noteer de tijdsduur. a tijdsduur: 37 minuten

tijdsduur: 37 minuten

tijdsduur: 2 uur

tijdsduur: 15 minuten

b Hier spring je over het uur. 11:00 + 10 min.

+ 15 min.

tijdsduur: 25 minuten

20:00 + 24 min.

+ 2 uur

tijdsduur: 2 uur en 24 minuten

0:00 + 9 min.

9:00 + 21 min.

tijdsduur: 30 minuten

+ 53 min.

+ 1 uur

tijdsduur: 1 uur en 53 minuten 73


c 13:00

Hoelang heb ik gewerkt?

15:00

+ 15 min.

+ 2 uur

+ 10 min.

tijdsduur: 2 uur en 25 minuten

Hoelang stond ik in de file? 3:00

9:00

+ 27 min.

+ 6 uur

+ 20 min.

tijdsduur: 6 uur en 47 minuten Hoelang zat ik in de oven?

17:00

18:00

+ 9 min.

+ 1 uur

+ 14 min.

tijdsduur: 1 uur en 23 minuten

2

Met wijzerklokjes lukt het ook! Stel eerst de cijferklokjes in. a

Het is voor de middag. 11

12

1

11 2

10

8

4 7

6

5

7 15

11 2

8

4 7

6

5

7 40

12

1

11 2

10 3

9

tijdsduur: 25 minuten

74

1

10 3

9

12

Het is voor de middag.

8

4 7

6

5

1 08

1 2

10 3

9

12

3

9 8

4 7

6

5

2 00

tijdsduur: 52 minuten


BLOK 6

b

Het is voor de middag. 12

11

1

11 2

10

8 6

11 2

8

5

10 10

6

1

5

+ 50 min.

3 4 7

16 33

5

6

19 00 17:00

+ 2 min.

+ 27 min.

tijdsduur: 52 minuten

c

2

8

5

11:00

1

9

4 6

12

10 3

9

7

11 02

11 2

8

4 7

12

10 3

9

4 7

1

10 3

9

12

Het is na de middag.

+ 2 uur

tijdsduur: 2 uur en 27 minuten

Het is na de middag. 11

12

1

11 2

10

8 6

2 3

9 8

4 7

1

10 3

9

12

4

5

7

6

5

18 18

15 45 16:00 + 15 min.

18:00 + 2 uur

+ 18 min.

tijdsduur: 2 uur en 33 minuten

Het is na de middag. 11

12

1

11 2

10

8 6

3 8

5

4 7

6

5

16 10

12 12 13:00 + 48 min.

2

9

4 7

1

10 3

9

12

16:00 + 3 uur

+ 10 min.

tijdsduur: 3 uur en 58 minuten

75


3

Beantwoord de vragen. Noteer de stapjes op het ruitjespapier, als je dat nodig vindt. Werkrooster Jef (GVBS De Boomgaard)  7:15

Refter schrobben

 9:05

Speelplaats vegen

 9:40

Gymzaal dweilen

10:30

Ochtendpauze

10:50

Bureau directeur vegen

11:10

Vuilnis ophalen

12:30

Middagpauze

13:10

Ramen lappen

15:05

Einde werkdag

a Hoelang duurt de middagpauze? 40 minuten b Hoelang duurt het schrobben van de refter? 1 uur en 50 minuten c Hoelang werkt Jef voor de ochtendpauze? 3 uur en 15 minuten d Welke klus duurt precies 20 minuten? het bureau van de directeur vegen e Welke klus duurt precies 50 minuten? de gymzaal dweilen f Waarmee is Jef 35 minuten bezig? de speelplaats vegen g Hoelang werkt Jef vandaag (pauzes niet meegerekend)? 6 uur en 50 minuten h Welke klus duurt het langst? de ramen lappen

Meer houvast nodig? Vraag dan een kopieerblad aan je juf of meester.

76


LES 70 â&#x2C6;&#x2019; HERHALING

Wat heb ik geleerd in blok 6?

Getallenkennis les nr.

rekenwijzer nr.

herhaling nr.

61

3g

1

les nr.

rekenwijzer nr.

herhaling nr.

gelijknamige breuken optellen en aftrekken.

65

15

2

handig vermenigvuldigen met 2, 4 en 8.

62

13e

3

handig vermenigvuldigen met 5, 50 en 25.

63

13e

4

handig vermenigvuldigen met 9, 15 ...

63

13e

5

handig vermenigvuldigen met meerdere factoren.

62

13e

6

vraagstukjes over vermenigvuldigen oplossen.

62

cijferen: vermenigvuldigen met een zuiver tiental.

67

19a

8

cijferen: vermenigvuldigen met een getal van twee cijfers.

68

19a

9

les nr.

rekenwijzer nr.

herhaling nr.

Ik kan: breuken op een getallenas plaatsen.

Bewerkingen Ik kan:

7

Meten en metend rekenen Ik kan: vraagstukken over prijsberekening, winst en verlies oplossen.

64

10

een passende inhoudsmaat kiezen.

66

24a-b

11

inhoudsmaten naar elkaar omzetten.

66

24c

11

tijdsduur berekenen met cijferklokjes.

69

29f

12

tijdsduur berekenen met wijzerklokjes.

69

29f

12

Ik werk netjes en nauwkeurig. Als het nodig is, werk ik (eerst) met potlood. Bij overleg zeg ik mijn mening en luister ik naar die van anderen. Ik werk fijn samen bij groepsopdrachten. Ik wil graag winnen, maar ik kan ook tegen mijn verlies.

77


1

Breuken op een getallenas plaatsen a Verbind de breuken met de juiste plaats op de getallenas. 3 4

7 4

0

13 4

1

2

16 4

3

4

b Welke breuken zijn aangeduid? Vul ze aan. 3. 5.

0

8. 5.

1

4. 8.

0

7. 8.

1

. 11 5.

2

. 17 5.

3

9. 8.

. 14 8.

2

c Noteer de breuken op de juiste plaats op de getallenas. Maak ze eerst gelijknamig.

Kijk goed op welke noemer je de breuken moet zetten.

:2

3 5

:4

2 5

4 10

8 5

4 10

0

3 5

8 5

16 1 20 10 10

1 4

16 4

:2

0 78

1 2

6 8

1

6 4

3

×2

3 4

6 8

×2

2 8

:4

:2

2 4

1 2

48 20

6 4

18 4

9 2

:2

2

12 5

48 20

:2

2

×2

:4

5 5

10 10

:4

:2

2 8

4 5

16 20

:2

:2

×2

3

4 16 4

9 2


2

Breuken optellen en aftrekken a Kleur of doorstreep de breuken op het breukenmuurtje. Noteer de som of het verschil. het geheel = 1

het geheel = 1

2 + 3 = 5. 6 6 6.

7 − 4 = 3. 8 8 8.

het geheel = 1

het geheel = 1

1 + 8 = 9. = 1 9 9 9.

4 − 1 = 3. 5 5 5.

b Dat lukt ook zonder breukenmuurtje. Tel op en controleer: • Kun je de som of het verschil nog vereenvoudigen? Doen! • Is de som groter dan 1 geheel? Zet ze dan om naar een gemengd getal. 3 + 5 = 8 =4 10 10 10 5

5 − 3 =2=1 6 6 6 3

4 + 4 = 8 = 1 en 1 7 7 7 7

1− 2 =5−2=3 5 5 5 5

7 + 3 = 10 = 2 5 5 5

7 − 4 =3=1 9 9 9 3

2 + 8 = 10 = 5 = 1 en 1 8 8 8 4 4

3

8 − 3 = 5 =1 10 10 10 2

Vermenigvuldigen met 2, 4 of 8. Reken handig uit. 2 × 125 = 250 

2 × 305 = 610  ×2

4 × 125 = 500 

4 × 215 = 860  8 × 475 = 3  800

×2

4 × 2 100 = 8  400

8 × 125 = 1 000

79


4

Vermenigvuldigen met 5, 50 of 25. Reken ook deze opgaven handig uit. 260 × 5 =

2 600

: 2 =1  300

5 × 486 =  4 860 : 2 = 2430 × 5? Eerst × 10 en dan : 2.

550 × 5 =  5 500 : 2 = 2750 43 × 50 =

× 50? Eerst × 100 en dan : 2.

4 300

: 2 =2  150

50 × 61 =  6 100 : 2 = 3 050 38 × 50 =  3 800 : 2 = 1 900

× 25? Eerst × 100 en dan : 4.

44 × 25 =

4 400

: 4 =1  100

25 × 28 =  2 800 : 4 = 700 36 × 25 =  3 600 : 4 = 900

5

Handig vermenigvuldigen met 9, 15 ... Reken uit. Je mag zelf kiezen of je de tussenstapjes kort of lang noteert.

Ik vermenigvuldig met een rond getal. Het teveel trek ik er weer af.

a 9 × 240 = (10  × 240) − (1 × 240) = 2 400 − 240 = 2 160 45 × 99 = (45  × 100) − (45 × 1) = 4 500 − 45 = 4 455 × 7) − (2 × 7) = 4 200 − 14 = 4 186 598 × 7 = (600  2 × 296 = (2  × 300) − (2 × 4) = 600 − 8 = 592

× 15? Ik doe × 10 en tel er de helft van dat product bij.

b 15 × 460 = (10  × 460) + (5 × 460) = 4 600 + 2 300 = 6 900   65 × 15 = (65  × 10) + (65 × 5) = 650 + 325 = 975 15 × 320 = (10  × 320) + (5 × 320) = 3 200 + 1 600 = 4 800   43 × 15 = (43  × 10) + (43 × 5) = 430 + 215 = 645 80


6

Neem de factoren handig samen en reken uit. a 250 × 3 × 4 = 250 × 4 × 3 = 1 000 × 3 = 3 000 4 × 5 × 310 = 20 × 310 = 6 200 48 × 25 × 4 = 48 × (25 × 4) = 48 × 100 = 4 800

7

Lees en los op. Noteer de bewerking en het antwoord. a  19 leerlingen betalen elk 125 euro voor een weekje zeeklassen. Hoeveel euro is dat samen? Bewerking: 19 × 125 = (20 × 125) − (1 × 125)

= 2 500 − 125 = 2 375



Antwoord: Dat is samen 2 375 euro. b  Zes klassen krijgen elk vier dozen met vijfentwintig strips. Hoeveel strips hebben ze samen? Bewerking: 6 × (4 × 25) = 6 × 100 = 600  Antwoord: Ze hebben samen 600 strips

8

Cijferend vermenigvuldigen met een tiental. Reken uit. Vergeet niet eerst te schatten. 40 × 218 =

107 × 80 =

40 × 200 = 8 000

≈

2 ×

8

7

1

8

4

0

2

0

¡

100 × 80 = 8 000

≈

1 3

×

8

5

0

7

8

0

6

0

¡

5

81


50 × 197 = 50 × 200 = 10 000

≈

1 ×

9

286 × 30 =

9

8

9

7

5

0

5

0

¡

300 × 30 = 9 000

≈

2 3

×

4

8

5

6

3

0

8

0

1

2

Cijferend vermenigvuldigen met een getal van twee cijfers. Schat en reken uit. 21 × 381 =

445 × 16 =

20 × 400 = 8 000

≈

3

8

1

2

1

3

8

1

7

6

2

0

8

0

0

1

× +

¡

400 × 20 = 8 000

≈

4 × 1

+

6 × +

0

7

1

3

1

8

2

1

6

0

7

0

7

8

9

1

5

1

6

6

7

0

4

4

5

0

7

1

2

0

3

¡

2

98 × 62 =

600 × 10 = 6 000

≈

4

2

607 × 13 =

82

8

¡

2

¡

100 × 60 = 6 000

≈

9

8

6

2

1

9

6

1

5

8

8

0

4

6

0

7

6

× +

¡


10

Lees de vraagstukjes, noteer de bewerking en het antwoord. Emma gaat naar de bakker en koopt 7 broden. Ze betaalt daarvoor 21 euro.

Chef Krist bestelt 41 kilogram krielaardappelen. Die kosten 3 euro per kilogram.

Wat is de eenheidsprijs per brood?

Wat is de totale prijs van zijn bestelling?

Bewerking: €  21 : 7 = € 3

Bewerking: 41  × € 3 = € 123

Antwoord: De  eenheidsprijs per brood is 3 euro.

Antwoord: De  totale prijs van zijn bestelling



is  123 euro.

Ayla zet dozen pudding die ze vorige maand voor 75 euro inkocht in snelverkoop. Ze brengen nog 50 euro op.

Han koopt voor 18 euro ingrediënten. Daarmee bakt hij een heerlijke taart, die hij verkoopt voor 25 euro.

Hoeveel euro winst of verlies maakt Ayla?

Hoeveel euro winst of verlies maakt Han?

Bewerking: €  75 − € 50 = € 25

Bewerking: €  25 − € 18 = € 7

maakt 25 euro verlies. Antwoord: Ayla 

Antwoord: Han  maakt 7 euro winst.





Het spaghettifeest bracht 810 euro op. Een bord spaghetti kostte 9 euro. Hoeveel borden werden er verkocht? Bewerking: €  810 : € 9 = 90 Antwoord: Er  werden 90 borden verkocht. 

11

Aan de slag met de inhoudsmaten! a Hoeveel kan erin? Vul de passende maateenheid in. Kies uit: liter (l), deciliter (dl), centiliter (cl) of milliliter (ml).

ongeveer 75 cl

zowat 3

l

ongeveer 15 ml

83


ongeveer 2 ml

zowat 25 cl

ongeveer een halve dl

b Zet om. Gebruik de tabel, als je dat handig vindt.

5

500 cl =

dl

1 l = 10

dl

cl

5

0

0

1

0

cl

60 ml = 6 5 dl =

l

l

50

6 cl

15 cl = 150 ml 3 dl = 300

12

ml

ml

0

5

0

1

5

0

3

0

0

Bereken en noteer de tijdsduur. a Met cijferklokjes

tijdsduur: 15 minuten

tijdsduur: 51 minuten

10:00

21:00

+ 29 min.

+ 8 min.

+ 9 min.

tijdsduur: 37 minuten

16:00 + 15 min.

tijdsduur: 2 uur en 9 minuten

18:00 + 2 uur

tijdsduur: 2 uur en 25 minuten 84

+ 2 uur

+ 10 min.


b Met wijzerklokjes

Stel het tijdstip van de wijzerklokjes eerst in op de digitale klokjes. Zo lukt het vast!

Het is voor de middag. 11

12

1

11 2

10

8

2

8

7 15

11

6

1 2

8

7 50

3 8

4

5

6

2

9

4 7

7

15 12

6

tijdsduur: 48 minuten

Het is voor de middag.

Het is na de middag.

1

11 2

10

8 6

2

8

8 40

6

2

8

9 09

6

3 8

5

4 7

13 51

6

5

17 00

9:00

14:00

+ 20 min.

+9

+9

min.

tijdsduur: 29 minuten c

2

9

4 7

1

10 3

5

12

11

9

4 7

1

10 3

5

12

11

9

4 7

1

10 3

9

12

5

16 00

tijdsduur: 35 minuten

12

1

10 3

9

5

12

11

10

4 7

12

11

3

5

6

1

9

4 7

12

10 3

9

Het is na de middag.

+3

min.

tijdsduur: 3

uur en 9

uur

minuten

Het is na de middag. 11

12

1

11 2

10

8 6

2 3

9 8

4 7

1

10 3

9

12

5

4 7

6

5

16 05

12 15 16:00

13:00 + 45 min.

+3 tijdsduur: 3

uur

+5

min.

uur en 50 minuten 85


1

Verbind elk kaartje met de juiste plek op de getallenas. 7−5= 8 8

5+1= 6 6

0

13 + 15 = 16 16

1

2

2+1= 4 4

1− 4 = 8

3

3+7+6= 8 8 8

15 + 15 = 12 12

Reken hier eerst uit, als je dat handig vindt.

2

Hoeveel euro kost elk cadeautje? Noteer het in het prijskaartje. Soms zijn er meerdere oplossingen mogelijk.

€ 70

70

€ 100

€ 30

€ 50

€ 15

€ 210 € 230

€ 125 € 90

86

€ 80

€ 170


3

Noteer de breuken op de juiste plaats bij de getallenassen. Deze breuken zijn verdwaald: 3   7   9   1   1   6   10   8 8 10 5 2 5 4 5 8 Breng jij ze thuis? Let op! Sommige breuken horen op meer dan één as thuis.

1 5

0

0

1 5

5

7 10

1 2 3 8

0

4

9 5

1 8 (  ) 8 1 8 (  ) 8

6 (  ) 4

1 8 8

6 4

1 2

2 10 5

Geef bewerkingen met dezelfde uitkomst dezelfde kleur. 533 + 300 = 833

600 + 300 = 900

150 × 6 = 900

  9 × 84 = 756

716 + 834 = 1 550

200 + 540 = 740

252 × 3 = 756

5 × 132 = 660

397 + 153 = 550

  40 + 510 = 550

4 × 140 = 560

25 × 36 = 900

414 + 486 = 900

730 + 820 = 1 550

60 × 11 = 660

210 × 4 = 840

  660 + 80 = 740

430 + 403 = 833

28 × 30 = 840

  70 × 8 = 560

Spring in de tijd. Vul de tijdlijnen aan. + 1 uur en 5 min.

13 21

14 26

15 31

16 36

17 41

18 46

9 20

10 33

11 46

12 59

14 12

8 33

9 18

+ 1 uur en 13 min.

+ 45 min.

4 48

5 33

7 03

87


Extra kladblaadje nodig? Dat vind je hier.

88

Profile for VAN IN

Reken Maar! 4: werkschrift C - correctiesleutel  

Reken Maar! 4: werkschrift C - correctiesleutel  

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded