Issuu on Google+

Inhoudsopgave

Inleiding – We moeten weer gaan spelen  7 1 Geluk  11 Vladimir Nabokov – Geheugen, spreek 2 Studiebollen zonder vrienden  17 W.F. Hermans – De elektriseermachine van Wimhurst 3 Tegenstrijdige gevoelens  23 Nelleke Zandwijk – Pierenland 4 John Bowlby en John Coetzee  29 J.M. Coetzee – Scènes uit de provincie 5 Het kind in ons  35 Tomas Lieske – Alles kantelt 6 Wreedheid tegen dieren  41 Gerard Reve – Werther Nieland 7 In het kruis getast  47 Olivier Ka & Alfred – Waarom Pierre dood moest 8 De kracht van een gedachte-experiment  53 Emma Donoghue – Kamer 9 Onstuitbare groei  59 Jona Oberski – Kinderjaren Guus Luijters – In Memoriam

Inhoudsopgave

5


10 De ouder in ons  65 Karl Ove Knausgård – Vader 11 Groeivrees  71 J.D. Salinger – De vanger in het graan 12 Een krankzinnige ervaring  75 Orhan Pamuk – Het nieuwe leven 13 Ontluikend zelfbesef  81 Michael Ondaatje – De kattentafel 14 Antigone: broer, zus en de spanning van hun relatie (met Willem Rodenhuis)  87 Sofokles – Antigone 15 Psychologie is mensenkennis – literatuur is daarvoor een onuitputtelijke bron  101 Oorspronkelijke publicaties  113 Literatuur  115


Inleiding WE MOETEN WEER GAAN SPELEN De spelende mens. Homo Ludens. Onze beroemde geschiedkundige Johan Huizinga vertelde met deze term dat er spel moet zijn om tot cultuur te komen. Spel gaat ook aan wetenschap vooraf, maar daarvoor is tegenwoordig nauwelijks ruimte. Wetenschap is een serieuze zaak. Voor psychologie en psychiatrie dreigt hierdoor de dood in de pot. In serieuze wetenschap wordt gewerkt met gestandaardiseerde begrippen. Ook om psychische problemen aan te duiden; begrippen als autisme, ADHD, depressie en schizofrenie, die nauwkeurig zijn omschreven in classificatiesystemen als DSM. Wanneer je steeds in deze termen nadenkt over menselijke problemen, loop je het risico te gaan geloven dat zij werkelijk bestaan. Maar dat is allerminst het geval. Al deze begrippen zijn niet meer dan benaderingen van een complexe werkelijkheid. Benaderingen die de werkelijkheid versimpelen, domweg omdat wij niet in staat zijn al die complexiteit tegelijkertijd in ons hoofd te houden. Psychologie en psychiatrie dreigen hierdoor een steeds meer naar binnen gekeerde, benauwde kijk op mensen te krijgen. Het is tijd om de ramen open te zetten, zodat frisse lucht kan binnenstromen. Wat mij betreft zijn het de ramen naar literatuur en theater. In dit boek laat ik zien dat die een bron zijn van mensenkennis. Mensenkennis, psychologie dus, die speels wordt gebracht en lang niet altijd waar is in wetenschappelijke zin. Maar als wetenschapper moet je de vrijheid nemen alles te mogen denken, moet je spelen met begrippen om op ideeën te komen. Ideeën die je vervolgens streng toetst op hun waarheidsgehalte. Het was deze boodschap die ik vertolkte bij mijn afscheid in 2009 als hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie. Toen Else de Haan mij vroeg om na mijn afscheid een column te verzorgen voor het tijdschrift Kind en Adolescent Praktijk, zag ik daarin een mooie kans om deze ideeën in de praktijk te brengen. De column kreeg de titel PsyInleiding

7


chobellettrie – een psychologie van de kindertijd door literatuur geïnspireerd. Coachend redacteur Constance Dolman deed hier en daar nog wat polijstwerk, maar wist mij vooral aan te moedigen. Deze teksten vormden de basis voor dit boek. Hoofdstuk 14, over de Griekse tragedie Antigone, schreef ik samen met Willem Rodenhuis. In het laatste hoofdstuk sta ik uitgebreid stil bij de betekenis van literatuur voor de psychologie. In elk hoofdstuk maak ik gebruik van een boek. Maar deze bundel is geen verzameling boekbesprekingen. Het gekozen boek vertelt iets over kinderen of adolescenten dat verrijkend is voor de psychologie. Grote schrijvers hebben woorden voor zaken die de meeste van ons slechts vaag kunnen aanduiden. De hoofdstukken in dit boek laten zich los van elkaar lezen. Het is niet nodig om het literaire werk te kennen dat als bron van inspiratie heeft gediend. Maar ik hoop natuurlijk dat lezing van mijn stuk nieuwsgierig maakt naar het werk zelf. En ik hoop vooral dat je zult ervaren dat je kennis van kinderen en adolescenten erdoor wordt verrijkt. Frits Boer

8

Tussen de regels


Hoofdstuk 4

John Bowlby en John Coetzee J.M. COETZEE – SCÈNES UIT DE PROVINCIE Wanneer grote schrijvers als Nabokov en Coetzee over hun jeugd schrijven, mag je er op voorhand vanuit gaan dat dit waardevol materiaal voor een literair geïnspireerde kinderpsychologie oplevert. Misschien omdat juist zij niet anders kunnen dan schrijven wat er geschreven moet worden, zonder rekening te houden met conventies of gevoeligheden. Bij Coetzee levert dat een onbarmhartig portret op van een zoon die zijn moeder straft omdat hij het niet verdraagt dat zij zo belangrijk voor hem is. Nadat ik dit hoofdstuk had geschreven, maakte literatuur­wetenschapper/­filmkundige Annie van den Oever mij attent op de korte toespraak die Coetzee hield bij het aanvaarden van de Nobelprijs in 2003. Zijn vrouw Dorothy, vertelt hij, had hem eraan herinnerd hoe trots zijn moeder geweest zou zijn. Even twijfelt Coetzee, om dan te vervolgen: ‘Oh, wat zou mijn moeder trots zijn geweest! Mijn zoon, de Nobelprijswinnaar. En voor wie doen we hoe dan ook de dingen die tot Nobelprijzen leiden anders dan voor onze moeders? “Mama, mama, ik heb de prijs gewonnen!” “Dat is geweldig, lieve jongen. Eet gauw je worteltjes voor ze koud worden.” Waarom moeten onze moeders negenennegentig zijn en al lang in hun graf liggen voor we naar huis kunnen rennen met de prijs die alle narigheid die we ze bezorgd hebben goed kan maken?’ Wanneer John, elf jaar, ’s ochtends met een bleek gezicht uit bed komt, snotterend en met een verstopte neus, weet zijn moeder al hoe laat het is. Hij is ziek en moet thuisblijven. Snierend zegt haar man dat John zeker weer last heeft van zijn ‘schoolziekte’, maar moeder is ervan overtuigd dat John zich niet aanstelt en echt te ziek is om naar school te gaan. Johns ouders zijn er de mensen niet naar om snel een psycholoog of psychiater te raadplegen. Als ze dit wel zouden doen, Hoofdstuk 4 | John Bowlby en John Coetzee

29


zou die waarschijnlijk van ‘schoolweigering’ spreken. Dat woord heeft de plaats ingenomen van de vroegere term ‘schoolfobie’, die suggereerde dat kinderen die moeite hebben naar school te gaan, dat doen omdat ze bang zijn voor school. Soms is dat zo, maar vaak is het probleem juist dat kinderen bang zijn hun huis te verlaten, dat zij last hebben van separatieangst. Kinder- en jeugdpsychotherapeuten kunnen moeiteloos andere namen invullen voor John, want er zijn veel kinderen met lichamelijke klachten op schooldagen die moeilijk medisch te verklaren zijn, maar die er wel toe leiden dat zij vaak school verzuimen. Soms is dat goed te begrijpen, bijvoorbeeld wanneer psychologisch onderzoek laat zien dat een kind steeds boven zijn macht moet presteren. Of wanneer een kind gepest wordt door klasgenoten, dan wel het mikpunt is van de spot van een cynische leerkracht. Maar bij veel Johns is hier geen sprake van en lijkt de oorzaak inderdaad gezocht te moeten worden in separatieangst. Hoe komt een kind daaraan? De ontwikkelaar van de gehechtheidstheorie, John Bowlby, suggereert dat gezinsinteracties deze angst in de hand werken en beschrijft een viertal patronen (Bowlby, 1973). Patroon A is dat van de chronisch angstige ouder die zijn kind thuishoudt als gezelschap, patroon B is dat van het kind dat bang is dat zijn ouder iets vreselijks zal overkomen en daarom thuis moet zijn om dit te voorkomen, patroon C is dat van het kind dat meent dat hij buiten de deur gevaar loopt en patroon D dat van de ouder die deze vrees koestert voor zijn kind. Bowlby beschrijft hoe het kind in patroon A zich gevangen voelt in de relatie met zijn moeder en citeert daarbij een kind dat zegt verstrikt te zitten als in het web van een spin. Hoe is dat voor John? Daar valt wel iets over te zeggen. Ofschoon hij er als kind niet over kon of wilde spreken, heeft hij, de ZuidAfrikaanse schrijver J.M. Coetzee, dat als volwassene alsnog gedaan in zijn boek Scènes uit de provincie. Over zijn lichamelijke klachten vertelt hij: ‘Hij is gezond, levendig en energiek, en toch lijkt hij altijd verkouden. ’s Morgens bij het wakker worden heeft hij een dichtgesnoerde keel en rode ogen, hij niest onbedaarlijk en zijn lichaamstemperatuur rijst en daalt. “Ik ben ziek”, zegt hij schor tegen zijn moeder. Ze legt de rug 30

Tussen de regels


[Title will be auto-generated]