Page 1

jaargang 7 nummer 17 april 2011

april 2011

‘Ik wil nog elke dag een betere docent worden’ ‘IK HOUD VAN HARD WERKEN’ ‘WE ZIJN GEWOON EEN TEAM VAN SCHOOLLEIDERS’

stichting 3 carmelcollege


In dit nummer

‘Ik wil nog elke dag een betere docent worden’ Hoe kunnen scholen de vergrijzing verzilveren?

‘IK HOUD VAN HARD WERKEN’ Vaklui gezocht? Het praktijkonderwijs heeft ze!

4

14

DE KRACHT VAN HET NETWERK Carmel: kennisalliantie, netwerkorganisatie

‘WE ZIJN GEWOON EEN TEAM VAN SCHOOLLEIDERS’

10

18

vaste rubrieken

Stichting Carmelcollege omvat 12 instellingen voor

Standpunt van een schoolleider....................... 3

we een breed onderwijs­aanbod in een kleinschalige en veilige

Column Romain Rijk....................................................... 7

bijzonder voortgezet onderwijs. Op ruim 50 locaties verzorgen omgeving. Zo begeleiden we onze leerlingen. Elke dag opnieuw.

Belpanel.................................................................................... 8

Onderstaande - voornamelijk brede - scholengemeenschappen

mijn passie.............................................................................. 9

Almelo, Pius X College, St.-Canisius ◗ Deventer, Etty Hillesum

Hoe ging het verder met......................................... 12 nieuws. ................................................................................... 13

zijn aan de Carmel verbonden: Lyceum ◗ Eindhoven, Augustinianum ◗ Emmen, Carmelcollege Emmen ◗ Enschede, Bonhoeffer College ◗ Gouda, Carmel­college Gouda ◗ Groenlo, KSG Marianum ◗ Haren, Maartenscollege,

nieuws (vervolg)................................................................. 16

International School Groningen ◗ Hengelo, Sg. De Grundel,

De Buitenwacht.............................................................. 17

Sg. Twickel ◗ Oldenzaal, Twents Carmel College ◗ Oss,

Column Jos Baack.......................................................... 21 quickscan. ........................................................................... 22

2

Het Hooghuis ◗ Raalte, Carmel College Salland


april 2011

(Stand)punt van een schoolleider Mensen maken de school. Daar wil ik iets over zeggen. Met vooraf de opmerking dat ik meer heb met vertrekpunten dan met standpunten. Standpunten, standbeelden, het klinkt allemaal wat statisch. Ik houd van beweging en heb meer met goed gekozen vertrekpunten die bijdragen aan een plezierige tocht. Mijn vertrekpunt als schoolleider is dan: zorg voor frisse wind in de school! Zorg voor een klimaat waar leren de normaalste zaak van de wereld is, voor leerlingen én voor medewerkers. Zorg voor leermomenten bij het contact met ouders, opleidingen en bedrijven. Zet de deuren en ramen open. Want vaak zijn schoolgebouwen niet

echt aantrekkelijk. Veel grijs, hier en daar wat rommelig, niet altijd even verzorgd en fris. En dan ook nog die kenmerkende geur. In mijn inmiddels lange beleving is dat altijd al zo geweest. Dus: ga erop uit, hoor en zie hoe anderen het doen en verleg grenzen. Hoe moeilijk is het niet voor ieder van ons iets goeds te maken van vraagstukken en dilemma’s die we steeds weer tegenkomen? Hoe ingewikkeld kan het zijn voor jong of oud om zich in beweging te zetten om te leren? Aan het onderwijs de taak voor passende bagage te zorgen, zodat leerlingen leren hun weg te vinden in een steeds veranderende wereld. Goede kennis van het vak behoort tot de standaarduitrusting. Maar alleen daarmee redden onze leerlingen het niet. Adequaat kunnen handelen in nieuwe situaties is moeilijker. Een succes maken van uitdagingen in steeds weer andere omstandigheden vraagt om de juiste attitude. Onze leerlingen moeten ook dat van ons leren. Leren op basis van ervaring keuzes te maken en bij te sturen. Hoe kunnen we dat met ons onderwijs stimuleren? Wat kunnen we bijdragen?

Onze scholen zijn de aangewezen plek om dat te oefenen. Het is goed te constateren dat we dat binnen de Carmelscholen gelukkig heel goed en veel doen! We zorgen met succes voor uitwisselingen onder medewerkers en voor interessante leermomenten voor onze leerlingen. Er zijn veel mogelijkheden om dat uit te breiden met ouders en andere stakeholders. Zorgen voor afwisseling in het onderwijs, voor nieuwe omgevingen en nieuwe ontmoetingen, regelmatig ‘Tapetenwechsel’ in en buiten de school, dát houdt de boel fris en aantrekkelijk! Frisse wind in het onderwijs, net zo broodnodig als lucht voor het leven! Laten we de ramen en deuren nog vaker open zetten! ◗ Thomas Zipper Rector Maartenscollege Haren

‘Zorg voor frisse wind!’

standpunt 3


Hoe kunnen scholen de vergrijzing verzilveren?

‘Ik wil nog elke dag een betere docent worden’ Langer doorwerken: ook in het onderwijs is er geen ontkomen aan. Maar hoe blijf je als docent tot op hoge leeftijd gezond en gemotiveerd aan het werk? Over die vraag gaat het deelproject “Carmel ontmoet… 50+-docenten” van Goed Werknemerschap verdient Goed Werkgeverschap. Projectdeelnemers en andere

Wie doet straks het werk op school? Het is geen overbodige vraag. In het onderwijs slaat de vergrijzing veel harder toe dan gemiddeld. Het aandeel vijftigplussers in het voortgezet onderwijs bedraagt 43 procent, tegen 25 procent op de arbeidsmarkt als geheel (SBO, 2010). Ruim vier op de tien docenten zitten dus in de laatste fase van hun arbeidsloopbaan. Maar de sector kan ze nog lang niet allemaal missen, want zo groot is de nieuwe instroom niet. Langer doorwerken is een oplossing die voor de hand ligt. De nieuwe vroegpensioenregelingen voor het onderwijs stimuleren dat ook. Vroeger waren docenten een dief van hun eigen portemonnee als ze langer door­werkten. In de nieuwe regelingen geldt: hoe langer je doorwerkt, hoe hoger het pensioen. Maar willen vijftigplussers dat wel? Hoe kun je goed omgaan met zo’n veranderd toekomstperspectief?

Inspiratie Vanwege deze vragen zijn vijftigplussers een belangrijke doelgroep binnen “Goed Werknemerschap verdient Goed Werkgeverschap”, het project waarin de Stichting Carmelcollege onderzoekt hoe werken in het onderwijs aantrekkelijker kan worden. “GWGW” is een gezamenlijke zoektocht van werknemers en hun werkgever naar volwassen arbeidsverhoudingen. In de zomer van 2010 tekenden een stuk of twintig oudere docenten van allerlei Carmelscholen in op een bijzonder deelproject: in groepsverband gingen zij op zoek naar hun persoonlijke inspiratiebronnen. ‘We hebben voor die persoonlijke invalshoek gekozen’, vertelt projectleider Hetty Minnes, ‘omdat de spirituele

4

50-plus

senioren vertellen over hun ervaringen. dimensie voor docenten heel zwaar weegt. Dat blijkt uit interviews en enquêtes van het Titus Brandsma Instituut onder bijna vierhonderd Carmeldocenten. Docentschap is voor onze docenten geen rol maar een identiteit, het raakt aan wie ze zijn. Als je met hernieuwde motivatie je werk wilt doen – bijvoorbeeld omdat je langer blijft doorwerken – moet je dus terug naar de bron. Wat was en is mijn inspiratie? En vandaaruit: wat wil ik in deze laatste fase van mijn loopbaan nog bereiken om straks tevreden met pensioen te kunnen gaan?’

Fit blijven

Twee projectdeelnemers zitten op een rustige vrijdagmiddag aan de leestafel op het landgoed Ehzerwold in Almen. Rob van de Walle (55, Carmelcollege Emmen) en Carlo Giugie (59, Etty Hillesum Lyceum Deventer, locatie De Keurkamp) hebben net hun tweede tweedaagse achter de rug. Het was intensief, maar de moeite waard. ‘Ik had eigenlijk nooit zo nagedacht hoe ik mijzelf op school zag in die laatste periode van mijn loopbaan’, zegt Rob. ‘In het onderwijs ga je eigenlijk altijd in één streep door. Maar in de vorige tweedaagse ben ik me gaan afvragen: wat wil ik zelf? Hoe word ik de regisseur van mijn eigen keuzes? Dat is belangrijk, want daardoor kun je je werk beter doen. Ik ben me gaan realiseren hoe belangrijk het is om lichamelijk en geestelijk fit te blijven. Ik ben weer gaan sporten, ik neem meer rustmomenten, ik kan de waan van de dag beter laten voor wat die is. En ditmaal heb ik me voorgenomen: ik ga vaker met collega’s iets concreets opzetten. In het onderwijs werk je toch vrij individueel en tijdens deze dagen heb ik weer gemerkt hoe leuk het is om dingen samen te doen.’


april 2011

Carlo Giugie was al langer bezig zelf invulling te geven aan zijn baan. ‘Ik wil mijn laatste werkzame jaren relaxed doorbrengen door zinvolle dingen te doen die ik leuk vind’, zegt hij. Met dat doel heeft hij in de loop der tijd een aantal lesuren kunnen verruilen voor niet-lesgevende taken, zoals het decanaat. Verder is hij altijd in voor interessante activiteiten buiten school, zoals vakgerichte conferenties en activiteiten op het gebied van loopbaanoriëntatie en -begeleiding. GWGW past ook in dat rijtje. ‘Dit project gaat niet alleen over onszelf, het is ook een leuke manier om mee te denken over hoe onze werkgever beter met oudere werknemers zou kunnen omgaan.’

Voldoende tussenuren De deelnemers aan de tweedaagse hebben hiervoor allerlei suggesties gedaan. Een deel is uiterst praktisch: met enkele maatregelen op school houden oudere docenten het werk gemakkelijker vol. Een rustige computerwerkplek bijvoorbeeld, en voldoende tussenuren, minder surveillance­ taken of een vast lokaal. Maar nog belangrijker is dat oudere docenten zich door de schoolleiding gehoord en gezien voelen. Dat blijkt nu niet altijd het geval en dat is een van de redenen dat de projectdeel­nemers graag zien dat voor leeftijds­ bewust personeelsbeleid meer op stichtingsniveau wordt geregeld. De vraag is of dat past in de keuzes die Carmel maakt in de balans tussen centrale en decentrale verantwoordelijkheden.

‘Hoe word ik de regisseur van mijn eigen keuzes?’

Rob van de Walle

5


Hoe dan ook is de boodschap: schoolleiders, erken de kwaliteiten en behoeften van oudere docenten, vertelt Elly Reinders van Expertis Onderwijsadviseurs, het bureau dat in opdracht van Carmel het programma voor de vijftigplussers samenstelt en organiseert. ‘Vijftigplussers zijn allesbehalve grijs en uitgeblust. Dat bleek wel in deze tweedaagse. Het was heel waardevol dat docenten in een mooie, inspirerende omgeving bezig konden zijn met het ontdekken van de waarde die het werk ook op deze leeftijd nog voor hen heeft en de waarde die zij juist op deze leeftijd nog voor de school kunnen hebben.’ Scholen zouden de vergrijzing moeten verzilveren, vinden ook Giugie en Van de Walle. Giugie: ‘De werkgever zou meer van ons kunnen leren; andersom hebben wij zelf ook een verantwoordelijkheid. Het zou goed zijn

‘Vijftigplussers zijn allesbehalve grijs en uitgeblust.’

Carlo Giugie

6

als we van beide kanten leren het gesprek te voeren. Dan neemt ook het wederzijdse vertrouwen toe.’ Van de Walle hoopt dat daarmee ook duidelijker wordt dat de meeste oudere docenten echt niet bezig zijn hun tijd uit te zitten. ‘Ik wil nog elke dag een betere docent worden. Het gaat niet om volhouden totdat je de eindstreep bereikt. Zo kijk je toch ook niet tegen een huwelijk aan? Ik wil dat mijn werk op school een toegevoegde waarde heeft. Voor mezelf en voor de leerlingen.

Ook volgend schooljaar draait het programma “Carmel ontmoet… 50+-docenten”. Meer informatie en aanmelding op www.carmel.nl > projecten > goed werkgeverschap > deelprojecten. ◗

TOEKOMST


april 2011

Bert Koek (70), Docent klassieke talen Pius X College, Rijssen, 10 lesuren ‘Ik was nog maar nauwelijks gepensioneerd - voorheen werkte ik op De Grundel - of de telefoon rinkelde. Het Pius X College: er was met spoed een docent klassieke talen nodig en ze konden niemand vinden. Kon ik helpen? Ik heb ja gezegd, met dien verstande dat ik nooit een jongere collega in de weg wil staan. Ik heb gezegd: als die zich aandient, maak ik plaats. Maar inmiddels is dat alweer jaren geleden en werk ik nog altijd met plezier. Het is goed voor mij, het houdt me fris en ik vind het een voorrecht dat ik zo heerlijk met mijn vak bezig kan zijn. Wat meespeelt, is dat ik het Pius X een leuke en goede school vind. Docenten werken hier als team en dat werkt aanstekelijk. Ook al geef ik niet zoveel uren, ik voel me helemaal bij de school betrokken. Dat moet ook, vind ik; onder­wijs is meer dan alleen lesgeven. Een van mijn opdrachten was het gym­nasium beter te profileren. Daar heb ik mijn best voor gedaan en het is goed gelukt. Het is nu meer een integraal onderdeel van de school. Natuurlijk speelt mijn leeftijd op school een rol. In de ogen van de leerlingen ben ik zo langzamerhand een opa. Dat geeft een zeker respect, ik heb wat meer armslag. En collega’s laten me voorgaan op de trap... Ik denk wel eens: maak ik het niet te gek? Moet ik niet ophouden? Financieel levert het weinig op, dat is wel jammer. Maar het geeft me zo’n plezier. En anderen zeggen: als je het goed doet en je vindt het leuk, waarom zou je dan vertrekken?’ ◗

‘Het werken ervaar ik als pure ontspanning’ Ria Vermeulen (66), Docent Carmelcollege Gouda (handel en andere vakken), locatie De Meander, 11 lesuren ‘Voor mij was het pensioen niet meer dan het tekenen van een papiertje. Ik wilde graag blijven werken en vond het geweldig dat het mocht. Elk voorjaar vraag ik of ik alsjeblieft weer een tijdelijke benoeming kan krijgen. Ik houd zoveel van die kinderen. Onze leerlingen hebben het thuis vaak moeilijk. Ik vind het ontzettend fijn om ze de kans te geven toch een stapje verder te komen in het leven. Het voordeel van meer ervaring is dat je steeds beter leert begrijpen hoe de kinderen in het leven staan. De dagen waarop ik werk, zijn ijkpunten in mijn week. Het werken ervaar ik als pure ontspanning. Omdat ik niet aaneengesloten les heb, is het heel relaxed. Ik heb nooit haast, ik hoef niet meteen naar een andere les te rennen. Ook scheelt het dat mijn taken heel afwisselend zijn. Wel vind ik het jammer dat ik vanwege mijn tijdelijke benoeming niet mag meedoen met de functiemix. Het is alsof er toch een latje ligt bij 65. Maar iedereen wil toch blijven groeien? Zolang ik gezond ben, wil ik er graag voor gaan. Anderen begrijpen dat niet altijd. “Ben jij nog steeds op die school?” vragen ze dan. Alsof het niet kan of mag. Het zegt misschien iets over hoe zij werken ervaren. Ik leg zo’n opmerking maar naast me neer. Ik vind dit werk super!’ ◗

COLUMN

‘Werken houdt me fris’

Bapo Enkele weken geleden stelde Ton Elias (VVD) Kamer­vragen over de stijgende kosten van de bapo. Of de werkgevers dit probleem niet hadden voorzien en dat ze er in het arbeidsvoorwaardenoverleg toch zelf voor verantwoordelijk waren. Dat er, als dit waar was, toch wel weinig geld overbleef voor instroom van jonge enthousiaste leraren. De antwoorden van de staatssecretaris waren voorspelbaar. Sociale partners zijn zelf verantwoordelijk voor dit soort afspraken en natuurlijk is er geen directe relatie tussen de kosten van de bapo en de instroom van jonge leraren, noch tussen leeftijd en de mate van enthousiasme waarmee iemand zijn werk doet. Gelukkig maar. Ik was blij met de politieke aandacht voor het bapo-probleem, maar veel helderheid hebben de vragen en de antwoorden niet opgeleverd, vermoed ik. Ik zal het probleem in de Carmelcontext wat concretiseren. Aan de inkomstenkant komt er op stichtings­niveau voor bapo ruim 3 miljoen euro binnen, de uitgaven bedragen ruim 10 miljoen. Een verschil van 7 miljoen! Natuurlijk roepen werkgevers al heel lang dat de regeling onbetaalbaar is, maar de vakcentrales houden al jaren onverkort vast aan dit verworven recht. Ik gun echt iedereen het allerbeste, maar dat zo onevenredig veel personeelsgeld naar een senioren­regeling gaat is niet eerlijk en niet langer te verkopen. Ik ben groot voorstander van een verlof- en werkdruk­regeling die meer mogelijkheden biedt om arbeidsinzet en verlof af te stemmen op de privésituatie. Een systeem met eigen regelmogelijkheden draagt bij aan verlaging van ervaren werkdruk, dat weten we al heel lang. Een individueel keuzemodel met een persoonlijk budget, onafhankelijk van leeftijd, draagt bij aan ons aller geluk en de betaalbaarheid op lange termijn. ◗ ROMAIN RIJK Voorzitter College van Bestuur Stichting Carmelcollege

7


Belpanel Je leert voor het leven, niet voor de school. De oude Romeinen schreven het. Wij zeggen het nog steeds na. Misschien wel meer dan voorheen, omdat kennis dagelijks toeneemt en inzichten even snel veranderen. De vraag is dan gerechtvaardigd of we wel het goede leren. En of we dat wel op de juiste manier leren. We laten onze ervaringsdeskundigen uit het belpanel aan het woord. Aan de hand van de stevige stelling:

Meer dan de helft van wat je leert op school heb je later niet nodig! Kimberly Gijsbers, leerling 4 vmbo-t, Het Hooghuis (locatie Heesch):

Jelle Bakker, leerling 5 vwo, Carmelcollege Gouda (locatie Antoniuscollege):

‘Eens. Voor de taalvakken moet je bijvoorbeeld veel woordjes leren. Een week na de toets ken je ze al niet meer. Je kunt ze beter in de lessen wat vaker gebruiken. Ook vind ik vakken als geschiedenis onzin, je hebt er in je toekomst weinig aan. Het nadeel is verder dat je alle vakken moet volgen, terwijl ze niet allemaal nodig zijn voor je vervolgopleiding. Ik begrijp dat je vakken een tijdje moet volgen, zodat je een beeld krijgt van wat je leuk vindt. Maar je zou ermee moeten kunnen stoppen als je ze niet nodig hebt. Soms leer je in praktijk bovendien meer en sneller dan in de theorie.’ ◗

‘Ik ben het er niet mee eens. Veel details zijn inderdaad overbodig, maar je doet veel basiskennis op over vakken en over de samenleving. Je leert methodes en hoe je dingen moet benaderen. Volgens mij heb je alles wat je leert wel een keer nodig in je leven. Al blijven er vanzelfsprekend dingen waarvan je echt niet weet wat je ermee moet. Dat heb ik bij de exacte vakken. En bij de passé simple bij Frans. Maar de meer maatschappelijke vakken sluiten voor mij wel aan. Ik denk aan maatschappijleer, geschiedenis, economie, literatuur, Nederlands. Je voorkeuren hangen overigens af van je profiel en je vervolgstudie. Dat moet je ook bedenken.’ ◗

Gerrit Barneveld, ouder (Sg. De Grundel, Hengelo):

Ilse Aalbers, ouder (Maartenscollege/ International School Groningen, haren):

‘Welke helft beheers je wel? Kennis van de toekomst kun je op geen enkele school leren. Voldoende kunnen lezen, schrijven en rekenen is belangrijk. Het leren van iets nieuws en je kunnen aanpassen aan nieuwe omstandigheden leer je op school, hoewel de concurrentie van nieuwe media groot is. Als je leert waar je goed in bent en je interesse voor een vakgebied is gewekt, zul je je weg in de maatschappij wel vinden. Kennis veroudert, beroepen verouderen ook. Je moet bij de tijd blijven, regelmatig bijscholen is nodig. Soms moet je gewoon iets heel anders gaan doen wat beter bij je past of waar meer vraag naar is.’ ◗

‘Mijn eerste reactie was een dikke glimlach. Mijn kinderen zullen onmiddellijk instemmen met deze stelling. En zelf heb ik indertijd ook zo gedacht. Toch ben ik het er niet mee eens. Ik geloof dat dingen die je niet nodig hebt, wel zinvol kunnen zijn. De onderwijsvorm kan daarbij een rol spelen. Op de International School met het Middle Years Programme is het anders. Minder stampen, meer combineren. De rol van de docent is eveneens belangrijk. Als die leerlingen kan boeien en motiveren, verliest de stelling aan betekenis. Afgezien daarvan: de bagage van een brede algemene ontwikkeling vind ik iedere dag prettig. Al zeg je dat misschien pas als je terugkijkt.’ ◗

8


MIJN PASSIE

april 2011

Twents Carmel College, Oldenzaal Malki Somi (53), conciërge ‘Kijk, daar komt alweer een leerling. “Malki, heb je een stoffer en blik?” “Malki, mijn fiets is weg!” De hele dag door heb ik leerlingen bij mijn kantoor. Ik zou het niet anders willen. Ik geniet van het omgaan met jonge mensen. Het is interessant dat er op deze school allerlei onderwijsniveaus zijn, van vmbo-b tot vwo. Daardoor zijn de leerlingen ook heel verschillend. In Syrië was ik leerkracht aan een basisschool en later coördinator op een middelbare school. Dat ik in Nederland niet kan lesgeven, vind ik jammer. Maar het is begrijpelijk: in het basisonderwijs moet je perfect Nederlands spreken en dat lukt niet meer als je de taal op latere leeftijd nog moet leren. Een bevoegdheid voor het voortgezet onderwijs zit er ook niet meer in. Maar met deze baan ben ik heel blij. Van al mijn collega’s – we zijn met zeven conciërges – heb ik misschien wel het meest met leerlingen te maken. Van veel leerlingen ken ik de naam. Ik ben verantwoordelijk voor het corvee en het surveilleren, daardoor heb ik leuk contact. Leerlingen vertellen van alles. Net kwam er nog een jongen langs. Of ik zijn schilderij had gezien. Waarom had hij een 7,8 en een ander een 8,3? Hij had er 15 uur aan gewerkt! Maak je niet boos, heb ik gezegd, het is allebei afgerond een 8… Ik werk nu dertien jaar op deze school. Sinds 2007 zitten we in dit nieuwe gebouw. De examenklassen hebben nog een beetje heimwee, maar de jongere leerlingen weten niet anders. Wat ik ervan vind? Het is mooi, met veel glas. Niet alles is even gemakkelijk schoon te houden, maar dat heb je overal. Er is zelfs een lift, en een modern camerasysteem. Als een leerling iets ontkent, spoel ik gewoon de beelden terug: kijk, jij bent het…! Haha. Het mooiste aan dit werk is de vrijheid. Er zitten wel vaste taken in mijn dag: ’s ochtends tweemaal controleren bij de fietsen, dan e-mail controleren op opdrachten, tweemaal corvee begeleiden, ’s middags een laatste ronde lopen. Maar toch is geen dag hetzelfde. Als het aan mij ligt, blijf ik hier tot aan mijn pensioen!’ ◗

‘Ik geniet van het omgaan met jonge mensen.’

9


Carmel: kennisalliantie, netwerkorganisatie

De kracht van het netwerk De Stichting Carmelcollege kent verschillende netwerken. Ze delen kennis en wisselen ervaringen uit rond specifieke thema’s. Zoals kwaliteitszorg, passend onderwijs en de Tweede Fase. Dat laatste netwerk lichten we uit, om te peilen wat er omgaat en wat de waarde ervan is. ‘Soms is het bijna een lotgenotengroep’, schertst Jan Benneker van het Bonhoeffer College in Enschede. Bennekers opmerking roept vragen op. Lotgenotengroep? Hij denkt even na. ‘De praktijk van de Tweede Fase kan behoorlijk surrealistisch zijn. Dat je je echt afvraagt: ‘Dit kan toch niet waar zijn?’ Dan is het prettig collega’s te spreken, om te horen of zij jouw probleem herkennen. En zo ja, wat zij eraan doen. Dat inspireert, biedt soms oplossingen.’

‘Door het netwerk heb ik ingangen in alle scholen.’

10

Zijn collega Nicky Konings van Sg. Marianum in Groenlo heeft soortgelijke ervaringen. ‘Ik vind het waardevol te horen hoe andere scholen met ontwikkelingen of problemen omgaan’, legt hij uit. Dat leidt niet tot pasklare, meteen toepasbare ideeën, voegt hij hieraan toe: ‘Elke school is anders, fungeert in een eigen omgeving en heeft eigen tradities. Maar als je ziet en hoort hoe

netwerk


april 2011

anderen het doen, werkt dat als een spiegel. Dan ga je nadenken en dat levert inderdaad wel eens nieuwe inzichten op.’

Dat kan een idee voor anderen zijn.’ Benneker: ‘Het is halen en brengen. Ik volg een managementopleiding, moet dus ook onderzoek doen. Door het netwerk heb ik ingangen in alle scholen.’

Grote behoefte Aan zulke inzichten bestaat soms grote behoefte, weet Thomas Zipper, rector van het Maartenscollege in Haren en namens het Convent van Schoolleiders lid van het netwerk. Hij grijpt terug op zijn eigen ervaringen als adjunct-directeur aan het Twents Carmelcollege in Oldenzaal. ‘Toen de Tweede Fase in 1999 begon, waren we allemaal onthand. Ineens ging het over profielen, profielwerkstukken, het Programma van Toetsing en Afsluiting. Allemaal compleet nieuw.’ Een deel van de oplossing lag in het bijeenbrengen van teamleiders en docenten van een aantal Carmelscholen. ‘Twee dingen waren belangrijk. Ten eerste: we werkten samen, vonden samen oplossingen, leerden dezelfde taal spreken. En ten tweede: we leerden van en met elkaar. Iedereen wist dat hij of zij niet alleen stond, dat anderen met dezelfde problemen worstelden.’ ‘Als teamleider kun je je ervaringen lang niet altijd delen binnen de school. Alleen al daarom is het prettig met collega’s te praten’, weet Sylvia Goossens, adviseur bij het bestuursbureau. In die hoedanigheid organiseert en faciliteert ze het netwerk. Vóór ze daar kwam te werken, was ze zelf teamleider Tweede Fase. ‘Daardoor kan ik meedenken en doorvragen. We zorgen ervoor dat de onderwerpen die in het netwerk aan de orde komen, zoveel mogelijk door teamleiders zelf worden aangedragen en voorbereid. Het is denken vanaf de werkvloer. Om een voorbeeld te noemen: in onze bijeenkomst op 31 maart hebben we gesproken over de vraag hoe we de scholing van docenten, de ontwikkeling van het curriculum en de samenwerking met het hoger onderwijs kunnen combineren.’

Carmelachtergrond De beide teamleiders voelen zich gesterkt door de gedeelde Carmelachtergrond. Konings verwijst naar een ander, Achterhoeks netwerk van teamleiders: ‘Ook zinvol, maar heel anders. Binnen Carmel zitten we meer op één lijn. Ondanks verschillen is er een bepaalde eenheid. Die voel je.’ En Benneker: ‘Hier komt Carmel tot zijn recht, je hebt iets aan elkaar.’ Sylvia Goossens noemt dat ‘de meerwaarde van Carmel.’ En niet alleen hier, benadrukt ze: ‘We hebben meer netwerken. Ze bieden allemaal een veilige omgeving, waar deelnemers kunnen terugvallen op de kennis en ervaring van anderen. Het is de luxe van Carmel: ik spreek ook teamleiders die niet zo’n grote stichting achter zich hebben. Dat maakt echt een groot verschil.’ Thomas Zipper gaat een stap verder: ‘Het is altijd goed om als school naar buiten te gaan. Toen de netwerkdag bij ons werd gehouden, zijn we bij de Gasunie geweest. Dan zie je overeenkomsten tussen zo’n groot bedrijf en een school. We moeten vaker naar buiten. Het onderwijs ís de maatschappij, dus laten we meedoen en meepraten. Dan komt ook de trots weer terug.’ In de woorden van Konings: ‘In het onderwijs moeten we het hebben van de mensen met goede ideeën, niet van de ideologieën. Daarom stimuleert zo’n netwerk. Je steekt veel op, je spiegelt, je wordt enthousiast. Dat hebben we nodig.’ ◗

Problemen en knelpunten Het blijft nodig. Bijna twaalf jaar later kent de Tweede Fase nog altijd problemen en knelpunten. Benneker noemt de wetgeving en de ‘redelijk strikte’ scheiding tussen onder- en bovenbouw. ‘Die maakt de doorstroming voor sommige leerlingen echt lastig. Ze moeten opeens op een heel andere manier leren. Door het netwerk kom je er gemakkelijker toe om een collega te bellen die je erover hebt horen praten.’ Hij vindt Konings aan zijn zijde. ‘Het is kleinschalig. Je leert elkaar snel kennen, dat verlaagt drempels. Je deelt bovendien best practices. Zo hebben wij goede ervaringen met ons toetsrooster, dat het hele jaar doorloopt.

11


Hoe ging het verder met…

Loopbaanbeleid Versnelde mogelijkheden tot doorgroei van docenten. Stimulering van blijvende ontwikkeling, perspectief voor loopbaan en salariëring. Dat is de essentie van het loopbaanbeleid van de Stichting Carmelcollege. ‘We liggen op schema’, weet Jeroen Janssen, adviseur P&O van het bestuursbureau in Hengelo.

Het loopbaanbeleid heeft ook een duidelijke technische kant. Dan gaat het over de profielen voor de LC- en LD-functies. Over de voorwaarden waaraan leerkrachten moeten voldoen om te kunnen doorstromen. En over de functiemix, de procentuele verdeling van LB’ers, LC’ers en LD’ers waaraan elke school in 2014 moet voldoen. We laten ze rusten, hier gaat het om de grote lijn. De stand van zaken. ‘Alles gaat naar wens’, meldt Janssen. Het is een eufemisme, want de Stichting Carmelcollege loopt landelijk voorop. ‘Vanwege dat carrièreperspectief hebben wij de LC-functie beschikbaar gemaakt voor iedere LB’er. We hebben ook gezorgd voor passende opleidingstrajecten. Elke docent kan doorgroeien naar een LC-functie.’

Niet iedereen voelt daarvoor. Want wie LC’er wordt, neemt extra taken en verantwoordelijkheden op zich. ‘Sommigen zien er daarom vanaf. Anderen, vooral jongere leraren, willen liever eerst meer ervaring opdoen. Dat kan, want het recht op doorstroming blijft bestaan.’ Daarnaast zijn salarisschalen ingekort, waardoor docenten sneller kunnen groeien in inkomen. Het College van Bestuur heeft ook, en voor zover bekend als enige in Nederland, de schalen van leidinggevenden en OOP’ers aangepast. Het klinkt als een klok. Her en der blijkt het veel problematischer om te voldoen aan de eisen van de functiemix. ‘Wij hebben die gekoppeld aan de ontwikkeling van onze eigen mensen. Dat heeft goed uitgepakt. De VO-raad heeft ons daarom gevraagd andere scholen bij te staan. Als ‘ambassadeur functiemix’ ben ik daarbij zelf ook betrokken’, aldus Janssen.

In de scholen Het loopbaanbeleid heeft in de scholen wel eens de wenkbrauwen doen fronsen. ‘Vanwege de opleidingen. Als een LB-docent het traject naar LC wil doorlopen, drukt dat behoorlijk op het opleidingsbudget van een school’, legt Arie van Ommeren, rector van het Bonhoeffer College in Enschede, uit. ‘Overigens willen niet alle docenten een LC-functie. Het vraagt een behoorlijke scholing én je krijgt er taken bij.’ Ook zijn school voldoet aan de functiemixgetallen van 1 oktober a.s. Maar dreigt niet het gevaar van een topzware organisatie? ‘Daar geloof ik niet in. LC’ers en LD’ers krijgen er hele verantwoordelijke taken bij. En dat is goed, er is nog zó veel te doen. Denk aan vergroting van de samenhang tussen vakken, de aansluiting onderbouwbovenbouw, de zorgstructuren. Topzwaar wordt het nog lang niet.’ ◗

12


april 2011

Nieuws Carmelcollege Emmen: Centrum voor hockeytalent

Centrale Directie Carmelinstelling Twickel/De Grundel

In navolging van een voetbal- en handbaltalentcentrum start Carmelcollege Emmen bij het begin van het volgend schooljaar in samenwerking met het district Noord van de Nederlandse hockeybond ook een hockeytalentcentrum.

Per 1 maart 2011 heeft Gerard Kleinsmann zijn professionele loopbaan bij Carmel Hengelo beëindigd. Als voorzitter van de centrale directie van scholengemeenschappen Twickel en De Grundel heeft hij flinke stappen gezet in de doorontwikkeling van het voortgezet onderwijs in Hengelo, Borne en Delden. Veel van zijn aandacht ging de afgelopen jaren uit naar de ontwikkeling van de nieuwe organisatiestructuur waarbij de vijf locaties van sg. Twickel en de vier locaties van sg. De Grundel verder gaan als vier scholen: Lyceum De Grundel, Twickelcollege, vmbo Carmel Hengelo en De Arcade. Andere mijlpalen op Kleinsmanns conto zijn de ontwikkeling van het vmbo binnen de instelling en meer aandacht voor planvorming.

Met de komst van het talentcentrum biedt Carmelcollege Emmen ook aan talentvolle hockey(st)ers de faciliteiten en gelegenheid om nog beter in deze sport te worden. Binnen schooltijd krijgen ze vier tot zes uur per week extra trainingstijd aangeboden en bovendien krijgen de leerlingen dezelfde begeleiding als LOOT-leerlingen. Als ze inderdaad doorgroeien tot LOOT-leerling komen daar de (vrijstellings)faciliteiten bij. ◗

Vierde Carmelrun Op 23 en 24 juni a.s. vindt de Carmelrun weer plaats. Medewerkers van het bestuursbureau leggen, lopend en fietsend, non-stop een afstand van ongeveer 180 kilometer af. De Run start vanaf het bestuursbureau in Hengelo en maakt een grote lus door Twente. Onderweg doen zij Carmel College Salland en Sg. Twickel aan. Op 24 juni is de finish in Hengelo.

Vanaf 1 maart heeft Henri Hammink het stokje van Kleinsmann overgenomen als voorzitter van de centrale directie. Hammink behaalde in 1978 zijn doctoraaldiploma Nederlandse Taal- en Letterkunde aan de RUG en in 2009 zijn Masters of Management in Education aan de TiasNimbas Business School te Tilburg. Hij was van 1978 tot 2009 werkzaam aan locatie De Thij van het Twents Carmel College in Oldenzaal waar hij achtereenvolgens de functie van leraar Nederlands, conrector en locatiedirecteur vervulde. Sinds augustus 2009 was Hammink al lid van de centrale directie van Carmelinstelling Twickel/De Grundel. ◗

Met de Carmelrun zamelen de deelnemers geld in voor een goed doel. Dit jaar staat de Carmelrun in het teken van Kenia. Karel van der Velden, controller van de Carmel, gaat in de zomervakantie een aantal weken vrijwilligerswerk doen in een Keniaans kindertehuis. Daarnaast hebben Carmel College Salland en Sg. Twickel banden met Kenia. De opbrengst van de Run is bestemd voor deze drie goede doelen in Kenia. Voor meer informatie en voor het doen van een donatie zie: www.carmel.nl/carmelrun. ◗

13


Vaklui gezocht? Het praktijkonderwijs heeft ze!

‘Ik houd van hard werken’

“Gouden handen” zijn in veel branches gewild en trouwe medewerkers ook. Leerlingen van het praktijkonderwijs scoren hoog op deze punten. Carmel Magazine liep mee op het Carmel College Salland, locatie praktijkonderwijs in Raalte. ‘Als ik een dag gewerkt heb, wil ik dat ’s avonds wel voelen.’ ‘Tegels leg je sneller dan deze klinkers. Tegels vind ik het fijnst. Als zo’n stuk helemaal strak ligt, dat is mooi.’ Wesley (17) wordt zo goed als zeker stratenmaker. Hij is net begonnen aan zijn tweede stage bij een bedrijf in sierbestrating en riolering. Tussendoor heeft hij nog een stage autotechniek gedaan. Het was leuk, maar er zat meer leeswerk bij en daarbij speelde zijn dyslexie hem parten. Stratenmaken heeft dat nadeel niet. En bij dit stagebedrijf werd hij al tijdens zijn eerste stage gewaardeerd. ‘Je hoort wel eens verhalen dat stratenmakers apart volk zijn. Maar de mensen hier gaan met respect met elkaar om. Ook met mij. Het is echt een fijn bedrijf. En ik ben sterk, ik houd van werken.’ Werk, werk, werk. Het praktijkonderwijs in Raalte is eigenlijk één lang loopbaantraject. Aan de hand van een individueel ontwikkelingsplan - een vrij nieuw fenomeen - verkennen de 120 leerlingen stap voor stap hun mogelijkheden. Hun eerste stages lopen ze nog binnen school, maar zodra het kan, verschuift het accent naar stages in het arbeidstrainingscentrum (een met Europees geld opgezet bedrijf waarvan de school initiatiefnemer is) en stages van een of twee dagen buiten school. In leerjaar vijf volgen de plaatsingsstages, gericht op doorstroming naar een baan of naar werk in combinatie met een vervolgopleiding.

Goede werkhouding Iris, Romy, Chalien en Nadieh zijn zover nog niet. Zij zitten in het derde jaar en gaan vanmiddag de schooltuin in. ‘De meiden met de schone handen en de groene vingers’, grapt docent groen Theo Rouhof gemoedelijk. De gezichten betrekken: moeten ze wieden en snoeien?! Nee toch… Als het viertal eenmaal met hark en snoei-

14

schaar in de weer is, zegt Rouhof: ‘Hovenier zullen deze meiden nooit worden. Vuile handen, daar houden ze niet van. Maar dat geeft niet. Mij gaat het erom dat ze desondanks nu met een goede werkhouding aan de slag gaan.’ Gedurende de hele opleiding wordt daaraan gewerkt. “Factoren die werkgeschiktheid bevorderen” heten ze in het teamplan: houding, sociale vaardigheden, redzaamheid. Groeten als je binnenkomt, op tijd zijn, voor jezelf opkomen, conflicten oplossen, gedisciplineerd zijn en niet teveel kletsen tijdens het werk. ‘Onze leerlingen moeten het echt leren. Maar omdát we er gericht aandacht aan besteden, léren ze het ook. We krijgen geregeld complimenten van werkgevers’, zegt stage­ begeleider Andreas Mars tevreden. Debbie (17) bijvoorbeeld kreeg een pluim van de bewoners van het verzorgingshuis waar zij eten rondbracht, koffie zette en bedden opmaakte. ‘Zij vonden dat ik heel goed met oudere mensen kon omgaan. Dat klopt wel, want ik heb met mevrouw Slats (leerlingbegeleider, red.) een kwaliteitenspel gedaan en daar kwam uit dat ik zorgzaam en behulpzaam ben. Een andere mogelijkheid was een dierenpension. Ook daar heb ik stage gelopen. Toch wil ik in mijn volgende stage weer naar het verzorgings­huis. Als het kan, bij activiteitenbegeleiding.’

Geen jobhoppers ‘Onze leerlingen worden doorgaans trouwe werknemers’, zegt mentor en (stage)docent Paul Horenberg. ‘Op inzicht scoren ze minder. Maar weten ze wat er van ze wordt verwacht en voelen ze zich geaccepteerd, dan heb je heel goede medewerkers aan ze. Vaak zijn het geen jobhoppers die steeds iets anders willen. Ze hechten zich aan een bedrijf.’


april 2011

Het zijn ook echte doeners. Er zitten leerlingen met gouden handen bij, die zo goed zijn in hun vak dat ze de school vertegenwoordigen bij vakwedstrijden, bijvoorbeeld in de horeca. ‘Van boeken lezen word ik moe. Maar als mijn moeder me vraagt iets te maken, geen probleem’, bevestigt Wesley. ‘Ik houd van hard werken. Als ik een dag gewerkt heb, wil ik dat ’s avonds wel voelen.’ Desondanks moet het team van het praktijkonderwijs alles uit de kast halen om iedere leerling goed geplaatst te krijgen. Er is concurrentie van vmbo- en mbo-leerlingen. Vergeleken met hen hebben de leerlingen in het praktijkonderwijs nu eenmaal beperkingen. ‘Maar wélke beperkingen, dat loopt erg uiteen, evenals het niveau’, verklaart intern begeleider en leerlingbegeleider Mariëlle Slats. ‘Sommige leerlingen gaan straks naar het ROC, anderen gaan vanuit een Wajong-uitkering werken en een enkeling gaat naar de sociale werkvoorziening. Voor ons is het de kunst om voor iedere leerling een plaats te vinden waar diens specifieke beperking minder van belang is.’

doener(s)

Certificaten en diploma’s Om zich op de arbeidsmarkt beter te kunnen presenteren, stellen alle leerlingen tegenwoordig een portfolio samen. Steeds vaker zitten daar ook branchecertificaten in, zoals een heftruckrijbewijs of een lasdiploma. De leerlingen kunnen deze erkende praktijkdiploma’s onder schooltijd halen. Dat geldt ook voor diverse assistentopleidingen van het ROC (niveau 1). Het praktijkonderwijs werkt hiertoe samen met de branches en diverse ROC’s. Soms schoppen leerlingen het tot mboniveau 2, vertelt Andreas Mars, die voor de school de externe contacten coördineert. ‘Het is mooi om te zien hoe gemotiveerd leerlingen zijn, hoeveel moeite ze steken in zo’n certificaat of diploma. Daar doe je het voor’, zegt Paul Horenberg. Ook Debbie wil naar het ROC, ‘als het lukt tenminste’. Wesley niet, die zoekt zijn voldoening in het werk. ‘Pas reed ik met mijn vader op de weg van Zwolle naar Kampen. Zeg ik: “Kijk, onder dat viaduct, dat is werk van mij. Ziet er goed uit, hè?” Mijn vader reed bijna van de weg af, zo trots was-ie!’ ◗

‘Als ik een dag gewerkt heb, wil ik dat ’s avonds wel voelen.’ 15


P.S. Harde werkers Wesley (17) is bijna klaar met school. Hij kan niet wachten tot hij aan de slag kan. De trend is echter anders: ook jongeren in het praktijkonderwijs leren langer door. Daardoor komen ze hoger gekwalificeerd op de arbeidsmarkt en dat vergroot hun kansen. Een aantal erkende certificaten kunnen leerlingen al in het praktijkonderwijs halen. Maar de jaarlijkse uitstroommonitor liet dit voorjaar zien dat ook steeds meer leerlingen van het praktijkonderwijs doorstromen naar niveau 1 én 2 van het mbo. Al 30 procent gaat verder in een dagopleiding; nog eens 15 procent leert verder naast het werk (De volgende trede, Landelijk Werkverband Praktijkonderwijs, 2011). Het team van Carmel College Salland, locatie praktijkonderwijs, juicht het van harte toe (p.14).

‘Het is mooi om te zien hoe gemotiveerd leerlingen zijn, hoeveel moeite ze steken in zo’n certificaat of diploma. Daar doe je het voor.’ (mentor en stagedocent Paul Horenberg)

Stichting Carmelcollege Drienerparkweg 16 Postbus 864 7550 AW Hengelo (074) 245 55 55 info@carmel.nl 2 www.carmel.nl

stichting carmelcollege

Carmel Magazine april 2011  

Carmel Magazine april 2011