Issuu on Google+

Jaargang 41, nr. 1, Februari 2010

PERIODIEK

SOAP

Sociologisch Antropologisch Periodiek sinds 1970

VAKGROEP SOCIOLOGIE RIJKSUNIVERSITEIT GRONINGEN

In dit nummer onder meer: Interview: Tinka Veldhuis over radicalisering - De ijzeren greep van het IMF en de Wereldbank - Zelfmoord in West-Friesland


Redactioneel

Een tijd van afwezigheid in een periode die zijn naam tegenwoordig weer eer aan doet; de winter. Vooral in de maanden december en januari is het erg rustig op onze faculteit. Het begint met de kerstvakantie, en doordat er in de weken daarna tentamens en herkansingen zijn laat menig student zijn gezicht een tijdje niet meer op de faculteit zien. De eerste ontmoeting is dan weer in de tentamenhal, waar zal moeten blijken of we ook op academisch gebied nog wat hebben uitgespookt in deze faculteitloze periode. Als dit niet het geval is, mag dit misschien gewijt worden aan het weer van de afgelopen tijd. Het is inmiddels februari, maar de winter laat ons nog steeds niet helemaal met rust. Het is lang geleden dat de winter zo prominent aanwezig was in ons leven. Nederland was ontregeld! In Rusland werden we uitgelachen omdat we niet goed om konden gaan met de grote hoeveelheden sneeuw die we plotseling kregen, en de nieuwsberichten over de pekel die op was bleven binnenstromen. Op zich erg vervelend, maar toch heb ik het idee dat iedereen het ook wel een beetje leuk vond. Zo zag onze stad er een aantal weken sprookjesachtig uit, hadden we een witte kerst, en konden de optimisten onder ons speculeren over een elfstedentocht. Enfin, dit mooie winteravontuur begint nu toch stilaan een einde te krijgen, hoewel het in februari nog goed koud kan worden is de lente alweer in zicht. Het lijkt me tijd om de winter af te sluiten en met een verse SoAP de lente in te gaan!

INHOUD

VAKGROEP

4 Thuis bij... Gea van Wijk 6 College-evaluatie: Sociologische programma’s 7 Computercrisis & afgestudeerden 8 Radicalisering 10 Alice in masterland 11 Column: Muziek 12 Snuffelstage in jeugdgevangenis ‘t Poortje 13 Het universitaire schakelprogramma 32 Achterkant: Lotte Baan

SOCIËTAS

Mart Duitemeijer, hoofdredacteur

Colofon

SoAP (Sociologisch Antropologisch Periodiek) Jaargang 41, nummer 1, februari 2010 Drukwerk: Copyright

Verzending: Rijksuniversiteit Groningen

Redactie: Hannah Achterbosch, Dieko Bakker, Vanessa Codrington, Mart Duitemeijer, Anna Herngreen, Joringel den Hoedt, Sanne Jonker, Ronald Kielman, Marloes Kingma, Madelien Meulenkamp, Jaap Oude Mulders, Annelijn Remmelink, Leoni van Schaick, Lisa Sipma, Edwin Slijkhuis, Eefje van Stralen, Tialda de Vries, Eric Wams, Paulien de Winter, Michiel Zwaan. Lay-out: Mart Duitemeijer

Contact: SoAP_Groningen@hotmail.com

Vakgroep Sociologie t.a.v. ‘SoAP’ Grote Rozenstraat 31 9712 TG Groningen

2

SOAP | FEBRUARI 2010

In dit katern krijgt studievereniging Sociëtas de ruimte om haar nieuws te presenteren. Nieuws van Sociëtas 14 - 15


MAATSCHAPPIJ & POLITIEK

16 Zelfmoord in West-Friesland 18 Integratie als paradox 19 Sociologie in de Media 20 Claude LĂŠvi-Strauss overleden; invloeden van een groot denker 21 Digitalisering van de samenleving 22 DNA bekend

OPINIE

24 Twistpunt: Het bindend studieadvies 26 Reactie: Turkije is een kans, geen bedreiging 27 Column: Kritiek is niet hip, fout gedrag daardoor wel 28 De ijzeren greep van het IMF en de Wereldbank 29 Boekbespreking: Kluun: God is gek 30 Het Baliemanifest 31 Sociologische canon: Gijs Huitsing

OVERIG Redactioneel 2 Colofon 2 Inhoudsopgave 2 Advertentie 23

SOAP | FEBRUARI 2010

3


VAKGROEP

THUIS

BIJ...

GEA

VAN

WIJK

Goed op haar plek bij sociologie

$a snel nog een kaartje gekocht te hebben springen we in de trein naar Sappemeer. Als we aankomen staat er al iemand op ons te wachten. Het is Gea van Wijk die zo vriendelijk is geweest om ons op te halen van het station. We worstelen ons door de sneeuw naar haar auto en glibberen het centrum (één discotheek wel te verstaan) van Sappemeer in. We komen aan in een gezellig buurtje waar de kerstverlichting al volop de donkere avonden verlicht. Een van de buurtbewoners heeft de verlichting zelfs het hele jaar buiten hangen, vertelt Gea ons. Op zich best gezellig, de kerstverlichting heeft helaas wel érg veel kleurtjes. We rijden nog een stukje verder en dan zijn we er al, thuis bij Gea van Wijk.

Leoni van Schaick & Sanne Jonker

Binnen aangekomen wordt ons meteen duidelijk gemaakt dat we haar vooral moeten tutoyeren, ‘anders klinkt het zo gek, mijn dochter is ongeveer even oud als jullie en haar vrienden zeggen ook allemaal jij.’ In de knusse woonkamer van Gea van Wijk valt vooral één ding op: een knalroze muur. Daarnaast wordt de kamer vergezeld door een konijn en een piano die helaas niet meer bespeeld wordt. Gea: ‘Toen mijn dochter op pianoles ging dacht ik, dat ga ik ook doen! Maar dat heb ik toen twee keer gedaan en toen had ik alweer allemaal andere dingen die ik leuk vond. Nu m’n dochter is gestopt speelt niemand er meer op helaas, maar hij staat zo mooi dus ik wil hem eigenlijk ook niet wegdoen.’

Werkzaamheden Gea van wijk is de opvolgster van Bertus Postma en de nieuwe aanwinst voor het secretariaat van onze vakgroep. Op de vraag of ze het ook lastig vindt om een fenomeen als Bertus op te volgen, antwoordt ze als volgt: ‘Dat was soms best wel moeilijk inderdaad, maar vooral in het begin. We hebben namelijk een tijdje samengewerkt en hij heeft mij toen ook ingewerkt. Ik vond het toen soms wel moeilijk als er iemand aan de balie kwam om dan direct erheen te gaan, zo van, ‘nu ga ik!’, omdat Bertus er dan ook gewoon nog zat. Maar hij heeft mij echt alle ruimte gegeven hoor, absoluut. En iedereen kent Bertus natuurlijk ook, maar ik denk gewoon: hij deed het op zijn manier, en ik ga het op mijn manier doen.’ Gea van Wijk heeft vroeger de MAVO gedaan en daarna de opleiding Economisch Administratief Beroepsonderwijs. Vervolgens is ze via cursussen op juridisch

4

SOAP | FEBRUARI 2010

De onbespeelde piano en de knalroze muur.

gebied de advocatenkant opgerold. Ze heeft tien jaar bij een advocatenbureau gewerkt. Toen daar door fusies het werk steeds onpersoonlijker werd, besloot ze echter iets anders te gaan doen, ze ging bij een detachering-/uitzendbureau werken. Daar werd ze uitgezonden naar de RuG in verband met ziekte van een medewerker. ‘Toen ging Bertus weg en hebben ze gevraagd of ik wilde solliciteren. Nou, dat wilde ik wel want het leek me erg leuk’, verteld Gea. ‘Het contact met de studenten leek me namelijk erg leuk. Wat ik daarvoor bij de RuG deed was namelijk soms best saai, ik moest een boek voor pedagogiek doornemen en alle fouten eruit halen. Dan moest ik vaak wachten tot er weer een hoofdstuk beschikbaar was en dat duurde soms best lang. Dus toen deze kans op mijn pad kwam dacht ik: ‘ja, dit ga ik doen!’.

“Iedereen kent Bertus natuurlijk ook, maar ik denk gewoon: hij deed het op zijn manier, en ik ga het op mijn manier doen.”

En dat bleek een goede beslissing, ze heeft het erg naar haar zin bij het secretariaat: ‘De omgang met collega’s is hier heel informeel, over het algemeen is het ‘jij’ en ‘je’ en noemen we elkaar bij de voornaam’. Ook kent ze alle docenten van de vakgroep, ‘al zie je sommigen niet vaak, omdat die simpelweg niet zo vaak op de faculteit rondlopen, maar ik ken ze wel allemaal. Ik heb ook lang niet met iedereen te maken hoor, maar met som-

migen juist wel weer heel veel. Dat zijn bijvoorbeeld mensen als Rudi Wielers, Hilde Steenbergen en de leden van de examencommissie.’ Waar de werkzaamheden op het advocatenbureau vooral bestonden uit veel ‘typmiep-gebeuren’ en stukken uitwerken, zijn de werkzaamheden op de universiteit heel divers. Heel veel wisselende dingen worden er door Gea van Wijk uitgevoerd. Bij het secretariaat horen onder andere het onderwijsbureau, examenbureau, maar ook secretariële ondersteuning van enkele stafleden. Daarnaast bestaat het werk uit vergaderingen notuleren, kopietjes maken, lunches bestellen en natuurlijk studenten die langskomen met vragen. ‘Dat vind ik leuk, de afwisseling.’ Op de vraag of de organisatie ook nog beter zou kunnen antwoordt ze: ‘Er kan natuurlijk altijd wel iets beter, maar ik denk dat het hier over het algemeen best wel goed loopt. Iedereen kan overal wel met zijn of haar problemen terecht. Zowel bij de studieadviseur als bij de opleidingsdirecteur. Ik heb ook het idee dat iedereen die hier werkt wel heel toegankelijk is voor studenten. Als ik soms zie hoe vol het schema van Hilde Steenbergen (studieadviseur – red.) met afspraken zit, dan denk ik wel dat zij heel makkelijk benaderbaar is.’ Vrije tijd Genoeg over haar werk nu, wat doet Gea van Wijk in haar vrije tijd? Als eerste noemt ze lezen, en gezien de grote, gevulde boekenkast in de woonkamer zal ze daar wel niet over liegen. ‘Ik heb laatst een hele dikke pil op aanbevelen van Hilde Steenbergen gekocht, Het


VAKGROEP toen haar dochter geboren werd. ‘Het is een leuke buurt, maar hier zit verder hélemaal niks. Er is een discotheek en een bioscoop. Maar er zit verder niet veel bij. Dat is niet gezellig.’ Haar dochter (19) gaat daarom naar de stad om op stap te gaan. Over de opvallend roze muur willen we wel wat meer weten: Gea van Wijk blijkt alle kleuren van de regenboog al te hebben gehad. Ze wil de muur misschien weer oververven. Helemaal wit. Maar eigenlijk wil ze er dan nog wel weer wat kleur bij. Wit is ook maar zo wit.

Sociologie & SoAP Gea van Wijk vindt het op de faculteit sociologie heel erg leuk. ‘Als De goed gevulde boekenkast en het konijn. ik dat vergelijk met de lot van de familie Meijer. Maar daar begin ik grotere studies zoals psychologie, dan denk ik pas in te lezen als het vakantie is, ik houd er dat het wat gemoedelijker is allemaal. niet zo van om telkens maar een klein stukje Het is een hele kleine opleiding. Ik denk te kunnen lezen.’ Het laatste boek wat ze dat het voor studenten die net beginnen met gelezen heeft is Het Diner van Herman Koch. studeren een veilige haven is. Het is niet zoals ‘Ik heb wat dat betreft niet echt één bepaald bij psychologie dat er in bioscoopzalen collegenre wat eruit springt, ik vind eigenlijk heel ges worden gegeven.’ veel dingen wel leuk, ook tijdschriften lees ik Weet ze ook een beetje wat de sociologieveel.’ En sociologische boeken? ‘Nee, dat studenten moeten leren? Soms moet ze wel lees ik dan eigenlijk weer niet, ik ben toch meer van de romans.’ Wandelen is ook een van de bezigheden in haar vrije tijd. Dat doet ze eens per week met een vriendin. ‘Wandelen, ja het klinkt heel suf, maar met een vriendin is het wel leuk. Niet joggen, dat is niet mijn ding, gewoon stevig wandelen. Daarna gezellig wat wijntjes drinken zodat de calorieën er wel weer aankomen.’ Koken vindt Gea ook leuk. Wordt er met de kerst ook een vijfgangen diner bereid? ‘Nee, de eerste kerstdag ga ik naar de familie van mijn vriend en de tweede kerstdag naar mijn zus.’ Dus dit jaar hoeft Gea van Wijk met de kerst niet uit te pakken in de keuken. Alhoewel ze haar zus best wil helpen. ‘Normaal gezien vind ik het best leuk om te koken. Niet heel chique, maar vooral het Bourgondische koken. Met mijn verjaardag bijvoorbeeld maak ik van alles wat.’ Het huis en Sappemeer Gea van Wijk woont al 19 jaar in hetzelfde huis in Sappemeer. Ze is zelf geboren in Groningen en ook opgegroeid in het noorden. Dat is haar enige binding met haar woonomgeving. Ze is in Sappemeer komen wonen

eens wat kopiëren. Gea: ‘Dan denk ik, leuk voor de studenten, maar niet voor mij. Vooral statistiek, vroeger had ik al heel veel moeite met wiskunde.’ En SoAP? Heeft Gea van Wijk die wel eens gelezen? ‘Ja, die lees ik als die er is. Vind ik leuk.’ Voor in SoAP moeten we ook nog even een foto maken van haar. Ze sputtert echter even wat tegen, want dit vind ze altijd erg. ‘Moet dat nou!’ Om Gea wat gerust te stellen: SoAP is zwart-wit, dus zo erg zullen ze niet worden. Ze gaat wel op de foto, maar met een beetje tegenzin.

“Ik geloof echt dat ik hier op het secretariaat op mijn plek zit.”

Ambities Last but not least: heeft Gea van Wijk nog ambities op carrièregebied in de toekomst? ‘Ik moet heel eerlijk zeggen van niet. Ik werk nu 40 uur en mijn kinderen wonen nog thuis. Ik merk dat dát best druk is. Alhoewel mijn kinderen natuurlijk oud genoeg zijn zodat ze zelf al heel veel kunnen. Maar dan alsnog moeten er veel dingen geregeld worden. Op dit moment heb ik geen ambitieuze carrièreplannen, misschien dat het in de toekomst nog komt.’ Gea werkt hier ook nog maar net. Op het secretariaat valt nog veel te leren maar het bevalt haar hier goed. ‘Ik ben wel van plan hier nog lang te werken, dat hoop ik ook. Ik geloof dat ik hier wel echt op mijn plek zit.’

Gea van Wijk in haar huiskamer. SOAP | FEBRUARI 2010

5


VAKGROEP

COLLEGE-EVALUATIE: SOCIOLOGISCHE

PROGRAMMA’S

De eerste stap richting wetenschappelijk schrijven

$adat vele vakken zijn behandeld, is het in deze SoAP de beurt aan sociologische programma’s om te worden onderworpen aan een college-evaluatie. In dit artikel zal naar voren komen hoe het vak in elkaar steekt. Verder worden de meningen van drie studenten weergegeven om inzicht te verschaffen in de beleving van het vak. Tot slot bespreek ik wat er goed ging en wat beter kan.

Lisa Sipma

Sociologische programma’s is een eerstejaars vak en bestond dit jaar uit 9 colleges waarvan er twee gegeven werden door de coördinatrice; Rita Smaniotto. De andere colleges werden gegeven door verschillende gastsprekers waaronder Henk de Vos, Siegwart Lindenberg en Rudi Wielers. Dat zijn geen onbekende namen in de sociologiewereld, en mevrouw Smaniotto achtte ons ook gelukkig dat we naar deze personen hebben mogen luisteren. Elk college behandelde een ander onderwerp. Zo hebben we geleerd over Karl Marx, Émile Durkheim en Max Weber. Verder werden ook sociologische stromingen besproken, zoals het symbolisch interactionisme en het structureel functionalisme. Bij het vak was ook verplichte literatuur ingesteld. Dit jaar was dat een boek van MartJan de Jong getiteld: Grootmeesters van de sociologie. Daarnaast was er een reader en was het bij de meeste colleges de bedoeling dat er literatuur gezocht werd. Deze literatuur was via internet te verkrijgen en werd aangeboden bij de studentenadministratie.

De eindtoets van sociologische programma’s is geen tentamen maar een eindessay. Het eerste alternatieve tentamen dat de eerstejaars voor hun kiezen krijgen. Om te kunnen oefenen met schrijfvaardigheid moest er daarom wekelijks een deelessay worden geschreven over het dan te behandelen onderwerp. Elk essay moest ingeleverd worden vóór het college over dat onderwerp. Dit maakte het wel lastiger om de essays te schrijven omdat je dan nog niet alles van het onderwerp gehoord had. De essays werden onder meer beoordeeld op structuur, grammatica en wetenschappelijk taalgebruik. Wat een wekelijks terugkerend probleem was, waren de verwijzingen naar de literatuur en de daarbij behorende literatuurlijst volgens de APA-norm. De verwachting dat de studenten die foutloos kennen was helaas te hoog gespannen. De essays werden nagekeken door Jurre van den Berg, Edwin Slijkhuis en Rita Smaniotto. Een van de correctoren laat weten dat het niveau in de essays heel wisselend te noemen is. “Waar studenten vaak tegenaan

6

SOAP | FEBRUARI 2010

lopen is het aanbrengen van structuur in alinea’s via samenhang.”

Om een beter beeld te kunnen krijgen van de werkelijke waardering van het vak, zijn hier de meningen weergegeven van Sasja Cornelisse, Welmoet de Ruijter en Thomas Cramer. Dit zijn eerstejaars studenten die het vak gevolgd hebben. Wat is je algemene indruk van het vak? Thomas: “Je leert goed om essays te schrijven. Het is alleen jammer dat er drie verschillende mensen je werk nakijken, zo krijg je weleens inconsistent commentaar.” Sasja: “Ik vind het een heel interessant vak. Ik vind het alleen wel jammer dat je eerst je essays moet inleveren en dan pas het college erover krijgt. Op die manier kun je niet zoveel met de colleges.” Wat vind je positief aan het vak? Welmoet: “Het is heel interessant dat je verschillende onderwerpen behandelt en daar verschillende gastsprekers bij te horen krijgt. Ik vond het niet erg dat je eerst je essay in moest leveren en dan pas het college krijgt, zo word je gestimuleerd om zelf na te denken. Verder vond ik Rita Smaniotto goed bereikbaar voor studenten en legde ze alles duidelijk uit.” Wat vond je negatief aan het vak? Welmoet: “Soms was het teveel literatuur om voor één essay te lezen. Ook waren in sommige opdrachten twee verschillende onderwerpen verwerkt waardoor het moeilijk was om ze samen te voegen in één antwoord.”

Zoals bij elk vak zijn er dingen die heel goed geregeld zijn, en dingen die beter konden. Bij sociologische programma’s is een positief punt dat er verschillende onderwerpen waren waardoor er voor een ieder wel iets interessants tussen zat. Bij het eindessay mag je je eigen onderwerp kiezen wat ervoor zorgt dat je een tentamen schrijft over je eigen interesses. Verder was het verfrissend om naar verschillende gastsprekers te mogen luisteren. Ook het schrijven van de essays verschafte veel inzicht in schrijfvaardigheid en zorgde voor een eerste stap richting wetenschappelijk schrijven. Iets wat beter kon, was de begeleiding in het schrijven van de essays. Omdat er drie verschillende correctoren waren, kreeg je, zoals al eerder genoemd, soms inconsistent commentaar op je essays. Daarbij ontbrak het nogal eens aan uitgebreid commentaar waardoor het soms gissen was naar wat precies bedoeld werd. Verder was het jammer dat de literatuur niet in één begrijpelijk boek te vatten was. Dit is ergens ook logisch bij een vak dat zoveel verschillende onderwerpen behandelt. Door de verschillende stukken literatuur

is het soms lastig de link tussen de stukken stof te leggen die allen een eigen onderwerp en schrijfstijl behelzen. Zelfs Rudi Wielers en Yme Kuiper, die beiden een gastcollege verzorgden, gaven toe dat ze het boek van MartJan de Jong te complex vinden. Dit vergemakkelijkt de zaken voor de eerstejaars niet.

Om alles even kort samen te vatten: sociologische programma’s was een zeer divers vak. Daarmee doel ik op alle verschillende onderwerpen die zijn behandeld en besproken door verschillende gastsprekers, maar ook over hoe het vak werd ervaren. De meningen van de studenten lopen zeer uiteen. De één vindt het wel fijn om te oefenen met schrijfvaardigheid en de ander zegt liever een normaal leertentamen te krijgen. Het was fijn dat de gastsprekers ieder een ander onderwerp behandelden. Zo konden ze spreken over de onderwerpen die henzelf het meeste boeien waardoor je de passie voor hun vak goed kon merken. Over het algemeen werd het boek ‘Grootmeesters van de sociologie’ als te moeilijk beschouwd. Ook vonden sommige studenten het jammer dat de essays ingeleverd moesten worden voordat ze er een college over kregen. Op die manier is het moeilijker om je aandacht bij de hoorcolleges te houden omdat je de stof al kent. Dit kun je met een korreltje zout nemen want het vak wordt over het algemeen als ‘zeer interessant’ beoordeeld en heeft zo misschien wel het gewenste effect bereikt. Namelijk: het laten proeven van verschillende onderwerpen binnen de sociologie en daarbij hopen dat het smaakt naar meer.

Karl Marx


VAKGROEP

FACULTEITSRAAD

Computerruimte crisis

Iedereen heeft de posters wel gezien die in de faculteit hingen en aandacht vroegen voor een van de meest irritante problemen die studenten heden ten dage ondervinden: het gebrek aan computers op de GMW faculteit. Maar vrees niet langer, er is weer licht aan de horizon!

De posters en klachten van studenten zijn voor de faculteitsraad aanleiding geweest om dit probleem eens grondig te gaan onderzoeken en aan te kaarten bij het faculteitsbestuur. Dit proces is voor de kerstvakantie ingezet en er is nu al resultaat!

Vanaf heden is er een link te vinden op nestor waar je vanuit je luie stoel thuis kan zien welke computers vrij zijn op de faculteit (links op de site, onder het kopje Planning staat PSOnbezet). Je komt dus nooit meer voor niets naar de faculteit, als je natuurlijk hard genoeg fietst. In het sociologie gebouw komt er een stilte/scriptie ruimte. Vanaf de bibliotheek komen er bordjes en plattegronden naar de verschillende computerruimtes

die de faculteit heeft. Zo kun je altijd een geschikte werkplek vinden en zijn alle computerruimtes bij iedereen bekend. Ook komen er stacomputers in de bibliotheek die alleen voor printen gebruikt zullen worden. Het wachten om iets te printen wordt zo minimaal.

Tot slot zal er zeer spoedig een enquĂŞte (is er inmiddels al, zie mail, red.) komen, die door studenten zal worden ingevuld, om de behoeften van de studenten op het gebied van werkplekken vast te stellen. Deze behoeften zullen mee worden genomen in de hoofdvergadering van de faculteitsraad en de mogelijke veranderingen zullen worden besproken.

De faculteitsraad is zeer verheugd met de steun van het faculteitsbestuur om dit probleem grondig aan te pakken. Houd allemaal nestor en je studentenmail in de gaten en vul de enquĂŞte in. Zo kan jouw stem een verschil maken!

AFGESTUDEERDEN Propedeusebullen E. Becker Hoff C.J.A. Geurtzen T.J.C. Openneer N. Stolk J. Wieringa

Bachelorbullen J.P. Dijk V.M. Heijne

Masterbullen

M.P.W.J. Bosman A. Hoitsma D. Macke N. Penninga

Studentleden van de FR 09/10: Madelien Meulenkamp, (sociologie, voorzitter van de studenten), Merle van den Brom (sociologie, voorzitter van de gehele raad), Kim Zunderdorp (sociologie), Frans Donders (pedok), Lisanne Elzes (psychologie), Marieke van Dijk (psychologie), Juan Galeazzi (psychologie), Goda Perlaviciute (psychologie), Madelijne Gorsira (psychologie) SOAP | FEBRUARI 2010

7


VAKGROEP

INTERVIEW: TINKA VELDHUIS

Het verklaren en voorspellen van radicalisering in $ederland

Tinka Veldhuis is promovendus bij de vakgroep sociologie. Zij houdt zich bezig met radicaliserende moslimjongeren. Zij schreef, samen met haar Deense collega Jørgen Staun, de studie Islamist radicalisation : a root cause model, in oktober uitgebracht door het $ederlands Instituut voor Internationale Betrekkingen Clingendael. Dit is voor SoAP reden genoeg om haar te interviewen.

Edwin Slijkhuis & Ronald Kielman

Hoe ben je gevaren in de periode voor je promotie-aanstelling? ‘’Ik ben altijd in het vaarwater van de RuG gebleven. Ik heb sociologie gestudeerd hier in Groningen en de researchmaster (Human Behaviour in Social Contexts) gedaan. Tijdens deze researchmaster heb ik stage gelopen bij Clingendael. Vervolgens ben ik verder gestroomd in het promotietraject. Omdat Clingendael een aantal nieuwe projecten had rond radicalisering, ben ik daar blijven plakken.’’

Je bent dus werkzaam bij het instituut Clingendael, zijn die werkzaamheden verbonden met het onderzoek dat je hier aan de RUG uitvoert? ‘’Allereerst, ik ben niet helemaal 'officieel' verbonden aan het instituut Clingendael. Ik werk soms met Clingendael als een soort freelance projectonderzoeker, maar heb geen officiële aanstelling. Wanneer zij een project hebben over radicalisering of terrorisme, dan kan het zijn dat ik daarbij betrokken word. Wat ik daar tot nu toe heb gedaan, heeft altijd aangesloten op mijn promotietraject. Vorige maand heb ik een studie gepubliceerd waarin we een soort verklaringsmodel hebben ontwikkeld voor radicalisering.’’

Ligt dit verklaringsmodel ook ten grondslag aan je eigen promotie-onderzoek? ‘’Het verklaringsmodel is heel breed. Het is een soort holistisch model (samenhangend geheel, dat niet terug te vinden is in de losse onderdelen), waarbij we een overzicht geven van alle factoren die van belang zouden kunnen zijn bij het verklaren van radicalisering. Een van de factoren is het gevoel van vernedering. Het model is eigenlijk een startpunt voor verder onderzoek naar radicalisering.’’ Waar gaat je promotie-onderzoek over? ‘’Ik doe onderzoek naar radicalisering onder moslimjongeren in Nederland. Daarbij ben ik voornamelijk geïnteresseerd in de rol die collectieve vernedering daarbij speelt. Je ziet vaak dat in filmpjes van terroristen wordt ver-

8

SOAP | FEBRUARI 2010

wezen naar conflicten die in het Midden-Oosten plaatsvinden, zoals het Israëlisch-Palestijns conflict of de oorlog in Irak. Daarbij zeggen ze: ‘’wij moslims worden vernederd door het westen’’. Dit vernederingsgevoel komt ook vaak terug in de literatuur die er bestaat over terrorisme, maar niemand weet eigenlijk wat die vernedering nou precies is. Wat betekent het precies als iemand zegt dat hij zich vernederd voelt, en waar komen die gevoelens vandaan? Wat het extra interessant maakt is natuurlijk dat de meeste radicale moslims in het Westen hier zijn geboren en getogen en zelf dus helemaal niet direct betrokken zijn bij de conflicten die in het Midden-Oosten spelen. Toch voelen ze zich daar blijkbaar zo bij betrokken, dat ze soms bereid zijn tot terrorisme over te gaan in een poging de situatie te veranderen. Het is opmerkelijk dat mensen die in het westen zijn opgegroeid, zoals Mohammed B., die hoog opgeleid en goed geïntegreerd is, radicaliseren en zelfs bereid lijken te zijn hun leven daarvoor te geven. Kan dat wel? Kan iemand wel radicaliseren om iets wat niet direct met zichzelf te maken heeft, maar om iets wat in Palestina gebeurt? Dit zou dan moeten duiden op een soort plaatsvervangend vernederingsgevoel.’’

Hoe ga je dit vernederingsgevoel onderzoeken? ‘’Ik ga dit op twee manieren onderzoeken. Deels word ik bij sociologie begeleid door Siegwart Lindenberg en René Veenstra en deels bij psychologie door Ernestine Gordijn. We hebben eerst een jaar lang experimenteel onderzoek gedaan, waarbij we hebben onderzocht wat die gevoelens van vernedering precies inhouden en hoe mensen daarop reageren. Bovendien hebben we gekeken of mensen in staat zijn gevoelens van vernedering te ervaren als ze niet persoonlijk vernederd worden, maar zien hoe een ander vernederd wordt. Binnenkort gaan we een grootschalig survey-onderzoek uitvoeren onder moslimjongeren in Nederland. Daarbij kijken we of we de mechanismen, die we vonden in het experimentele onderzoek, ook kunnen herkennen in de populatie.’’

Je sprak eerder over Mohammed B., de moordenaar van Theo van Gogh. Zijn het de persoonlijke omstandigheden die een rol spelen bij radicalisering of is het meer de sociale context? ‘’Een van de conclusies uit de gepubliceerde studie is dat het niet voldoende is om naar

maatschappelijke ontwikkelingen te kijken als je een fenomeen als radicalisering of terrorisme wilt verklaren. Je ziet vaak dat in onderzoek terrorisme of radicalisering wordt verklaard door voornamelijk maatschappelijke factoren, zoals moeizame sociale en economische integratie, discriminatie, of het Westerse buitenlandbeleid in het MiddenOosten. Maar daarmee kan je alleen verklaren waardoor er onder een bepaalde groep mensen, bijvoorbeeld onder moslims, frustratie ontstaat. Radicalisering is echter zo specifiek en schaars, slechts een heel klein percentage uit die ‘gefrustreerde’ groep radicaliseert uiteindelijk. Dat betekent dat radicalisering niet enkel verklaard kan worden door maatschappelijke factoren. Wanneer je wilt weten waarom sommige mensen wel, en andere mensen niet radicaliseren dan zal je moeten kijken naar de sociale en persoonlijke omstandigheden. Er bestaan veel processen op sociaal en individueel niveau die radicalisering kunnen veroorzaken. Neem Mohammed B., hij heeft in de gevangenis gezeten en zijn moeder is overleden. Hij geeft zelf aan in brieven dat deze twee periodes heel belangrijk voor hem zijn geweest. Je kan dit trigger-events noemen, deze gebeurtenissen versnellen het radicaliseringsproces bij hem. Maar bij iemand anders kan dit weer heel anders zijn.’’ En hebben externe politieke factoren, zoals de ‘’War on Terror’’ van Bush, directe effecten op het radicaliseringsproces? ‘’Mensen bekijken de wereld om hen heen door een persoonlijke bril. Op welke manier mensen reageren op dit soort politieke factoren en ontwikkelingen is heel erg afhankelijk van met wie ze praten, met wie ze zich identificeren en waar ze hun informatie vandaan halen. Wanneer ze al het nieuws bij de nieuwszender El Jazeera vandaan halen, dan krijgen ze een ander beeld dan wanneer ze nieuws uit de Volkskrant halen. Dit wil niet zeggen dat de één beter is dan de ander, of dat de één meer leidt tot radicalisering dan de


VAKGROEP ander, maar het beeld dat we krijgen is simpelweg anders. Kijk bijvoorbeeld naar de rel rond de Deense cartoons in 2005, waarbij de Profeet Mohammed werd afgebeeld. Dat mag volgens de islam niet, het gaat tegen de regels in. Voor heel veel westerlingen was dit niet meer dan een soort onschuldige manier van meningsuiting of satire. Voor sommige moslims was dit echter een hele gerichte aanval op hun identiteit. Zij reageren anders, simpelweg omdat het een heel ander aspect van hun persoonlijkheid aanspreekt. Voor ons is het persoonlijk niet heel relevant, maar voor hen wel. En of mensen het provocerend vinden, hangt af van iemands identiteit en met wie ze zich identificeren.’’

Het hele radicaliseringproces is dus eigenlijk erg complex, met heel veel factoren die van invloed zijn. ‘’Ja, en omdat het radicaliseringproces zo ingewikkeld is, is het heel interessant, maar het maakt het soms wel lastig te voorspellen wie gaat radicaliseren en wie niet. Wat je dan kan doen is algemene mechanismen gaan onderzoeken, bijvoorbeeld hoe mensen reageren als ze vernederd worden. Uit de literatuur is bekend dat mensen zich niet sociaal gaan gedragen bij uitsluiting. Aan de hand van zo’n onderzoek kan je voorspellingen doen. Wanneer je een groep moslims hebt in Nederland, die niet participeren in de Nederlandse samenleving, dan is de kans groter dat er onvrede en radicalisering ontstaat.’’

“Hoe pik je de jongeren er uit die radicaliseren en hoe laat je de anderen met rust?”

Wat denk je dat de meest opzienbarende misvatting is die binnen de media speelt over radicaliserende mensen? ‘’Ik denk dat een grote misvatting binnen de discussie over radicalisering is, dat radicaliseringprocessen allemaal via eenzelfde soort patroon verlopen. Deze misvatting heerst niet alleen in de media, maar ook binnen wetenschappelijk onderzoek. Velen proberen radicalisering chronologisch weer te geven. Op dat moment krijg je een post hoc discussie, een discussie die tot stand komt na een aanslag, bijvoorbeeld 9-11. Vervolgens gaat men met terugwerkende kracht kijken wat die jongens heeft bezield en welke factoren van invloed zijn geweest op het radicaliseringproces. Dus dan krijg je het volgende: vier van de zes waren economisch achtergesteld, dus economische achterstelling zal wel een oorzaak zijn van terrorisme. Je weet echter niet of dat daadwerkelijk zo is. Deze manier van terugberedeneren lijkt logisch, maar maakt een methodologische fout die ook wel ‘selectie op de afhankelijke variabele’ wordt genoemd. Stel, je wilt onderzoek doen naar het

fenomeen ‘bestsellers schrijven’ en je kijkt alleen maar naar auteurs die bestsellers hebben geschreven. Je komt tot de conclusie dat alle schrijvers appels aten tijdens het schrijven van bestsellers, dan kan je nog niet zeggen dat appels eten tijdens het schrijven er voor zal zorgen dat je een bestseller schrijft. Misschien eten schrijvers die geen bestsellers hebben geschreven, ook appels. Dit is de tendens in het onderzoek naar radicalisering. Het is ook wel logisch, we weten immers niet hoe een radicaliseringproces werkt en dus proberen we het maar zo simplistisch mogelijk te maken. Het probleem is dat je niet aan mensen kan zien wanneer ze gaan radicaliseren. Dan krijgt de politie bijvoorbeeld een lijstje mee waarop aanwijzingen staan om te zien of iemand zou radicaliseren. Zoiets proberen ze dan. Het blijft natuurlijk lastig om die verschillende processen van elkaar te onderscheiden. Kortom, ik denk dat de grootste misvatting is dat het wordt gezien als een simplistisch model, maar het loopt niet volgens gulden regels. Van iemand als Mohammed B. kan je zeggen dat hij daadwerkelijk geradicaliseerd was, maar bij de meeste leden uit de Hofstadgroep (een terroristisch netwerk van radicale islamistische jongeren) ligt dit waarschijnlijk anders. Dit waren jongens die eigenlijk alleen maar in die situatie zaten. Je kan je afvragen of dat soort jongens ideologisch ook daadwerkelijk geradicaliseerd waren, of dat ze simpelweg reageerden op wat ze zagen in de media. Ik heb het hier over een heel bekend sociologisch fenomeen, een soort contagion effect. Je ziet het ook bij gezinsmoorden: er gebeurt een gezinsmoord en vervolgens wordt er door de media ontzettend veel aandacht aan besteed, en dat verspreidt zich dan. Op het moment dat Mohammed B. Theo van Gogh op een brute wijze van het leven berooft, kan dat er alleen al toe leiden dat meer mensen zich radicaal gaan uiten en gaan gedragen. De vraag is echter of mensen ook ideologisch zijn geradicaliseerd en dat kan je heel moeilijk onderscheiden.’’

Dus het is ook een kwestie van de definitie van een geradicaliseerd persoon? Hoe zou je die definitie omschrijven? ‘’Dat hangt er van af wie “die persoon” is. Je hebt meerdere definities van radicalisering die spreken over mensen die extreme verschuiving in meningen doormaken. Daarbij komt steeds meer de bereidheid om ook daadwerkelijk geweld te gebruiken voor een standpunt of om politieke veranderingen teweeg te brengen. Maar wanneer radicaliseert iemand? Is Geert Wilders geradicaliseerd? Dat kan je je afvragen. Ziet hij er geradicaliseerd uit? De meeste mensen denken dan aan een moslim met een lange baard en een lange jurk. Maar zo iemand hoeft niet geradicaliseerd te zijn. Het is heel erg lastig om het van de buitenkant

te zien. Dit is ook het probleem waar de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) tegenaan loopt. Hoe pik je de jongeren er uit die radicaliseren en hoe laat je de anderen met rust? En omdat we het niet kunnen zien, gaan we hele standaard begrippen proberen. Dus als iemand zich verdacht gedraagt of iemand in korte tijd zich steeds meer op zijn religie oriënteert of zich meer orthodox gaat kleden, dan wordt gezegd: ‘oh, hij kan wel aan het radicaliseren zijn’. Maar je weet het niet… .’’

“Wanneer iemand zich steeds meer op zijn religie oriënteert of zich meer orthodox gaat kleden, dan wordt gezegd: ‘oh, hij kan wel aan het radicaliseren zijn’. Maar je weet het niet…’

Zie je dit dan ook terug in het $ederlandse beleid dat wordt gevoerd met betrekking tot radicaliserende moslims? ‘’Er is een tijd geweest dat hele simplistische dingen werden toegepast. Inmiddels komt de gedachte op dat het inderdaad iets is wat heel individueel is. Dan zie je ook dat er maatwerk wordt toegepast. Dan werken er jongerenwerkers in de buurt, die het nauwlettend in de gaten houden. Maar zelfs voor hen is het ontzettend lastig om het onderscheid te maken. Ik denk dat het heel erg belangrijk is dat er een heel groot verschil bestaat tussen mensen die daadwerkelijk ideologisch geradicaliseerd zijn en mensen die er van de buitenkant radicaal uitzien, maar dat eigenlijk niet zijn. Het probleem waar beleidsmakers tegen aanlopen, is dat ze aan de ene kant iemand zo vroeg mogelijk als potentieel radicaal willen herkennen, maar tegelijkertijd zo min mogelijk mensen willen stigmatiseren. Je wilt niet mensen onterecht als potentiële terrorist neerzetten. Doorgaans vinden mensen dat niet prettig en dat kan alleen maar averechts werken.’’ Tot slot ben je voor het eerst docent van het mastervak Radicalisering & Terrorisme. Hoe bevalt het? ‘’Ik vind het echt ontzettend leuk om te doen! Al is het alleen maar omdat ik zo veel moet lezen ter voorbereiding. Want er is zo veel geschreven over terrorisme en er is zo veel te zien. Maar als je zelf college gaat geven daarover, dan zal je al die informatie tot je moeten nemen en op zo’n manier moeten herstructureren, opdat je het begrijpelijk kan overbrengen. En ik merk dat ik makkelijker zes uur kan praten dan twee uur, dus je moet heel selectief zijn met wat je wilt overbrengen. Bovendien is het leuk om voor zo’n collegezaal te staan!‘’

SOAP | FEBRUARI 2010

9


VAKGROEP

MASTERS

BELICHT

Alice in Masterland Deel 1

Michiel Fokke Zwaan

Het is alweer een aantal jaar geleden dat de Bachelor-Master structuur in Nederland is ingevoerd. In het tijdperk voor de ‘BaMa’ was het gebruikelijk om de studie waarmee je begonnen was ook in zijn geheel af te ronden. Tegenwoordig is je eerste studiekeuze minder bepalend voor de Master waar je uiteindelijk op afstudeert. Ondanks het uitgebreide aanbod dat studenten in Masterland kunnen vinden, blijven veel studenten ook nu nog trouw aan de Bachelorstudie. Te trouw vindt minister Plassterk, die studenten wil dwingen tot een bewustere keuze met de invoering van een harde knip – vanaf 2011 mag je niet meer beginnen met je Master voordat alle Bachelorvakken zijn afgerond. Het is verstandig om je al tegen het einde van het tweede jaar te gaan oriënteren op je toekomst, want voor een aantal Masters zul je nog aanvullende vakken of zelfs een hele minor moeten volgen om toegelaten te worden. Hoog tijd om studenten Masterbewust te maken door middel van een overzicht van een aantal mogelijkheden, zowel binnen als buiten de vakgroep Sociologie. Dit gaan we doen in drie delen, waarin telkens drie Masters aan bod zullen komen. In deze SoAP de Masters Beleid & Consultancy, Journalistiek en Human Resource Management. Sociologie: route Beleid & Consultancy

Wat zegt de studiegids? In de beleidscyclus zijn twee momenten belangrijk, namelijk interventie en evaluatie. Tijdens de Masteropleiding Beleid & Consultancy krijg je handvatten aangereikt waarmee je de vragen "Is een beleidsinterventie noodzakelijk?"en ''Zo ja, hoe krijgt de interventie dan het beste vorm?'' kunt beantwoorden. Bij evaluatie gaat het om de vraag in hoeverre beleid dat reeds is ingezet succesvol is geweest. Voor het beantwoorden van beide vragen is meestal onderzoek nodig. Daarom wordt in de Masteropleiding ook aandacht besteed aan de onderzoekscyclus. De Master Beleid & Consultancy leidt op tot beleidsadviseur en beleidsonderzoeker. Wat zegt de Sociologiestudent? Oud OC en faculteitsraadslid Cor Jan van Zwol (25) is na het afronden van het schakelprogramma begonnen met de Master Beleid & Consultancy. Zijn eerste indrukken zijn positief. ‘Ik vind het allemaal erg interessant! Vooral de colleges van Arie Glebbeek motiveren mij, maar ook van het vak Strategische Beleidsanalyse heb ik veel geleerd’. Van

10

SOAP | FEBRUARI 2010

Zwol zou van Zwol niet zijn als hij niet ook wat had aan te merken op het programma. ‘Ik snap niet wat het vak Prosociaal Gedrag toevoegt. Het is net alsof ik voor de tweede keer in de collegebanken van Sociale Welvaart zit.’ Ondanks deze kritische noot blijft van Zwol erg tevreden met zijn keuze: ‘door de brede insteek van de Master kan ik met mijn diploma straks nog alle kanten op’. Het grote voordeel van de Master is volgens van Zwol dat het verder gaat dan de puur theoretische Sociologie waar hij in de Bachelor mee kennis heeft gemaakt. ‘Je leert hier tenminste hoe je de stof moet toepassen’. Juist die praktische insteek maakt de Master zo geschikt voor schakelstudenten denkt van Zwol. Academische vaardigheden, zoals statistiek en wetenschappelijk schrijven, die bij de onderzoeksroute een grotere rol innemen, vormen volgens van Zwol vaak een obstakel voor de schakelaars. Het schakelprogramma zou te kort zijn om je op die vlakken net zo te ontwikkelen als de reguliere student. ‘Niet voor niets kiezen bijna alle schakelaars voor Beleid & Consultancy’, aldus van Zwol. Sociologie doet zichzelf volgens de oprichter van studentenpartij FBF dan ook te kort, als de geruchten dat de Beleidsroute van het Groningse toneel zal verdwijnen op waarheid berusten. Van Zwol heeft daarom nog een boodschap voor de opleidingsdirecteur: ‘Ik weet niet of studenten naar Groningen komen voor beleid, maar volgens mij is dit wel de richting waar uiteindelijk de meeste studenten mee weg willen’. Journalistiek Toelatingseisen: minor Journalistiek Bijzonderheden: Anderhalf jaar durend

Wat zegt de studiegids? De Master Journalistiek in Groningen besteedt veel aandacht aan praktische journalistieke vaardigheden, zowel gekoppeld aan de twee studiepaden dagbladjournalistiek en radio- en televisiejournalistiek als aan crossmediale journalistiek. Door het maken van uiteenlopende opdrachten en het volgen van instructiecolleges oefen je met het denken en werken als journalist. De kern daarvan is het verwerven, selecteren, ordenen en toelichten van nieuws, om het vervolgens aantrekkelijk en toegankelijk te presenteren.

Wat zegt de Sociologiestudent? Jouri Bakker (26) zit op dit moment in de eindfase van zijn Master Beleid & Consultancy, maar heeft daarvoor eerst een Master Journalistiek gevolgd. ‘Een erg leerzaam programma met een uitdagende combinatie tussen theorie en praktijk’, aldus Bakker, die op de richting dagbladjournalis-

tiek is afgestudeerd. Een andere opleiding aan een andere faculteit betekent een andere sfeer. Goed onderwijs mag dan belangrijk zijn, ook de omgeving waarin dat gebeurd kan bijdragen aan de kwaliteit van een opleiding. Zo werd Bakker verrast door de gezonde competitieve sfeer die er ten opzichte van Sociologie studenten veel meer onder Journalistiek studenten heerst. ‘Doordat studenten elkaar proberen te overtreffen word je gestimuleerd om zo origineel mogelijk te zijn’. Een kwalitatieve inhoudelijke vergelijking vind Bakker lastig te maken; ‘juist omdat beide opleidingen zo dicht bij elkaar liggen, maar toch erg verschillend zijn’. Zowel Sociologie als Journalistiek worden gekenmerkt door de begrippen ‘observerende participatie en maatschappelijke betrokkenheid’, maar toch kijken sociologen en journalisten op een hele verschillende manier naar de actualiteit. Waar de Socioloog als wetenschapper vooral geïnteresseerd is in de analyse en de zoektocht naar de waarheid, heeft de Journalist veel meer het doel om het publiek te informeren en/of te amuseren. Hoewel deze twee doelen elkaar kunnen tegenwerken, denkt Bakker dat het juist een voordeel is om kennis te hebben van beide takken van sport. ‘Een interessant wetenschappelijk beleidsstuk geeft mij soms ideeën voor een journalistiek artikel’. En het werkt ook de andere kant op, ‘mijn Sociologische achtergrond maakt het makkelijker om bepaalde trends te ontdekken in de media’. Uiteindelijk waardeert avonturier Bakker, hij verzamelde de data voor zijn Journalistiek scriptie in China, zijn Master Journalistiek hoger dan de Master Beleid en Consultancy. Deze waardering komt volgens Bakker voort uit zijn passie voor de actualiteit en moet daarom niet worden gezien als een objectief kwaliteitsoordeel: ‘bij beide opleidingen zitten deskundige mensen waar ik veel van heb geleerd’.

Human Resource Management Toelatingseis: Inleiding HRM (5EC) en Specialized Course: HRM (10EC) en een voldoende op een taaltoets (Engels). Bijzonderheid: Engelstalig programma

Wat zegt de studiegids? Als je geïnteresseerd bent in personeelsvraagstukken, en die vraagstukken wilt combineren met andere managementgebieden binnen een organisatie, is deze Masteropleiding voor jou geschikt. Bij Human Resource Management (HRM) gaat het namelijk niet alleen om de traditionele terreinen van personeelsmanagement zoals werving, selectie en opleiding. Het gaat ook om de vraag naar arbeid binnen


VAKGROEP de organisatie, dus om taken, rollen en functies zinvol af te stemmen op de bedrijfsstrategie en specifieke omgeving van de organisatie. Een personeelsmanager moet immers kunnen reageren en vooral anticiperen op variaties in zowel de interne als externe omgeving.

Wat zegt de Sociologiestudent? Hanne Visser (23) doet in februari haar laatste tentamens voor de Master HRM. ‘Alles is anders’, aldus Visser die aan het begin moeite had om haar draai te vinden. Als honoursstudente was Visser de laatste jaren gewend geworden aan de luxe om in groepen van vier college te krijgen. ‘Ik moest wel even wennen aan een volgepropte zaal met tachtig studenten, al vind ik het knap hoe ze hier met grote groepen studenten omgaan. Door de groepen op te splitsen in kleinere werkgroepen krijg je toch nog wel redelijk wat persoonlijke aandacht’. Niet alleen de aantallen studenten bleken te verschillen, ook de sfeer onder studenten op het kille Zernike complex was anders dan Visser in de nostalgische oude vertrouwde Hortustuin gewend was. ‘Er is toch minder binding en meer groepjesvorming onder studenten en ik heb toch het gevoel dat er bij Sociologie wat meer discussie tussen de studenten onderling plaatsvindt’. Daarbij was het in het begin ook nog even flink aanpoten voor de oud Sociëtas voorzitster. Studenten met een bachelor Bedrijfskunde bleken over meer basiskennis te bezitten, en hoewel Visser aangeeft het uiteindelijk allemaal redelijk goed te kunnen volgen, begon ze toch met een achterstand. ‘De onbekende termen vlogen mij aan het begin nog wel eens om de oren’. Daarbij kwam Visser naar haar idee in een hoger tempo terecht dan dat zij bij Sociologie gewend was. ‘Bij Sociologie hoor je alles eerst grondig te onderzoeken, terwijl er bij Bedrijfskunde toch vaak sneller een oplossing van je wordt verwacht. De bewijsvoering is vaak meer in de vorm van een betoog en dat gaat een beetje in tegen de manier van onderzoek doen zoals je dat bij Sociologie geleerd wordt’, legt Visser uit. Ze denkt daarbij wel dat de overgang misschien minder groot is voor studenten die de Beleidsroute van de Bachelor Sociologie volgen. Ondanks het feit dat Visser het gevoel heeft dat ze veel geleerd heeft, had ze achteraf misschien toch liever een andere keuze gemaakt. ‘Ik denk dat een iets socialere studie, zoals Arbeids en Organisatie Psychologie of Arbeidssociologie in Utrecht, mij beter had gelegen’.

$og geen keuze kunnen maken? Wist je dat je met een Bachelor Sociologie onder andere ook een Master Economische Geografie of Klinische Psychologie kan volgen? In de volgende SoAP zullen we naast deze Masters nog een aantal populaire keuzes uitlichten.

Anna Herngreen

Muziek

Met de komst van een nieuw bestuur gaan natuurlijk een hoop vernieuwingen gepaard. Er is een nieuwe website, een bestuurslid minder, een inloopspreekuur en zelfs een keurig opgeruimde bunker. Dit is allemaal leuk en aardig, maar de grootste verbetering zit hem dit jaar natuurlijk in het aanstellen van de AcCie. Opeens zijn er vijf mensen die zich helemaal storten op ons vermaak en dat is te merken. In de afgelopen maanden konden we al meedoen aan een klaverjasavond, een kerstdiner, een pitch en putt toernooi, het enige echte Bertus Postmaweekend en natuurlijk het muzikale hoogtepunt van het jaar: de SingStar battle. Het is heerlijk om te genieten van muziek, maar misschien is het ook tijd om ons eens sociologisch in de muziek te gaan verdiepen.

Het zit mij de laatste tijd niet mee qua vervoer. Ik zit regelmatig weken zonder fiets (sleutels kwijt, band lek, ventielen gestolen en af en toe ben ik gewoon mijn hele fiets kwijt) en nu moet ik het door mijn gewoonte om altijd al mijn pasjes kwijt te raken zelfs zonder OV-kaart doen. Een tijd van lange, koude wandelingen door Groningen dus. Gelukkig is daar altijd mijn mp3-speler die deze tochten een stuk draaglijker, en soms zelfs heel erg leuk maakt. Onder begeleiding van een goed nummer is de Nederlandse kou snel vergeten en als ik nu zou moeten kiezen tussen 20 minuten wandelen met een goede tekst en een harde beat in mijn oren of vijf minuutjes fietsen zonder muziek is mijn keuze snel gemaakt. Maar voor echt muziekgenot heb je natuurlijk meer nodig dan oordopjes en een apparaatje; het echte genieten begint pas als je in een volle zaal voor een podium staat te springen. In een volle zaal met een positieve sfeer en een goede show wordt zelfs de slechtste muziek meeslepend en geweldig. Het geluksgevoel dat je krijgt bij een goede live-muziek is door maar weinig te overtreffen, maar toch kan het nog een stapje beter: zelf muziek maken, en dan het liefst samen met anderen. Hoe fout, ongeloofwaardig en cliché sommige musicalscènes ook zijn, er is niets heerlijker dan spontaan met zijn allen in zingen uit te barsten.

Dit is precies wat er gebeurde tijdens de SingStar battle van Sociëtas. Bij dit karaokespel streden vier groepen tegen elkaar in verschillende rondes (medleys, duetten en soms zelfs echte rapcoupletten) om de beste SingStarspelers van de avond te worden. Het leuke is dat je er eigenlijk niet echt voor hoeft te kunnen zingen, als je maar zorgt dat je bin-

COLUMN

nen de balkjes blijft: niet te hoog of te laag zingen en de tonen lang genoeg aanhouden. Zo was het ook nog leuk voor de mensen die niet zo muzikaal onderlegd en aangelegd zijn. Na een hele avond vals in een microfoon hebben te staan schreeuwen ('awful!' zoals het SingStar spel de slechtste spelers probeert te motiveren) en naar de grote talenten in de finaleronde te hebben geluisterd liep ik naar de gang waar een spontaan 'net-alsin-de-film moment' ontstond. Eerstejaars Laurens Verhoeff pakte zijn gitaar en begon te spelen en te zingen. Binnen 10 minuten stond de hele gang vol zingende en klappende sociologen. Alles kwam voorbij, van 'Het is een nacht' tot 'Knockin' on heaven's door'. Heel erg hippie natuurlijk, dat vrolijke zingen samen, maar vooral gewoon heel erg leuk en gezellig.

'Awful!' probeert het SingStar spel de slechtste spelers te motiveren.

Maar voor ons sociologen is muziek niet alleen heel erg leuk, het is vooral erg interessant. In de loop van de geschiedenis is muziek altijd al een belangrijk maatschappelijk verschijnsel geweest – en wat belangrijk is in de maatschappij, is interessant voor de sociologie. Denk hierbij bijvoorbeeld aan Woodstock in 1969; 250.000 mensen meer dan verwacht die drie dagen op elkaar zaten, maar nauwelijks criminaliteit en geweld. Een interessant verschijnsel. Of denk aan jongeren die zich door middel van hun muziek (punk, hiphop, reggae en in een ver verleden zelfs het nu zo brave rock 'n roll) willen afzetten tegen de heersende maatschappij en politiek en zo hun eigen cultuur creëren. Of denk aan slaven in de Verenigde Staten die samen blues maakten om te treuren over hun leven en elkaar zo door het verdriet heen sleepten. Er zijn nog eindeloos veel voorbeelden te bedenken, maar de strekking is duidelijk: muziek is belangrijk voor de sociologie. Zoals Beethoven het al zo mooi zei: 'Muziek is een hogere openbaring dan alle wijsheid en filosofie.'. Tijd misschien voor het introduceren van het vak muzieksociologie in Groningen? In de tussentijd lijkt het me een goed plan om de AcCie aan te sporen dit jaar zoveel mogelijk muziek op het programma te zetten. En iedereen met een instrument: volg Laurens' voorbeeld en neem het mee. High school musical in het Bouman gebouw, maar dan op z'n sociologisch!

SOAP | FEBRUARI 2010

11


VAKGROEP

INGEZONDEN

STUK

Snuffelstage in jeugdgevangenis ’t Poortje

Aan het begin van dit schooljaar ben ik begonnen met de minor ‘Misdaad&Straf’ aan de rechtenfaculteit. Gedurende het eerste semester waren wij verplicht het vak ‘Penologie’ te volgen. Penologie is een empirische wetenschap die zich bezighoudt met het arsenaal aan strafrechtelijke sancties, de effecten van sancties, straftheorieën en de historische ontwikkelingen en veranderingen in ons strafklimaat. In het kader van dit vak waren wij verplicht om gedurende drie dagen een snuffelstage te lopen in een penitentiaire inrichting. Zodoende liep ik, met een aantal medestudenten, eind oktober de hekken van jeugdgevangenis ’t Poortje door in gevangenisdorp Veenhuizen.

Tom Albers

’t Poortje in een notendop ’t Poortje is een gesloten jeugdinrichting waar jongeren opgevangen en behandeld worden die strafrechtelijk vervolgd zijn voor een delict dat ze gepleegd voordat ze de leeftijd van 18 jaar bereikt hebben. De inrichting bestaat uit acht leefgroepen waarvan er momenteel drie leegstaan. Van de vijf leefgroepen is er één meisjesgroep. Op elke groep wonen zo’n 6 tot 10 jongeren die elke dag begeleid worden door twee pedagogische medewerkers. Overdag hebben ze elke dag een ander programma dat bestaat uit school, sport, activiteiten en vrije tijd. Daarnaast hebben ze elke dag verschillende taken die betrekking hebben op huishouden en koken. Ze worden verder opgesloten tussen 21.15 en 07.30 en van 17.00 tot 18.00. Wat betreft contact met de buitenwereld mogen ze een paar dagen in de week bezoek ontvangen en mogen ze een maximum aantal minuten bellen. Brieven mogen ze zoveel sturen als ze willen. Na verloop van tijd mogen ze ook op verlof, dit gaat echter wel in stappen; van een middag begeleid verlof tot een weekend onbegeleid verlof.

Tjalk Een aantal weken voor aanvang van de stage had ik al toestemming moeten geven voor een antecedentenonderzoek en na drie hekken, metaaldetectoren en vier deuren, die alleen de portiers konden openen, kreeg ik het vermoeden dat ik te maken zou krijgen met topcriminelen. Dit bleek echter wel mee te vallen. Na een gesprek met het opperhoofd van de pedagogisch medewerkers, de netwerkcoach en een rondleiding over het terrein, werden we voor de leeuwen gegooid. Eerlijk gezegd vond ik het best spannend toen ik tegen de leefgroep, die de Tjalk heet, opliep, maar na me voorgesteld te hebben aan een aantal jon-

12

SOAP | FEBRUARI 2010

gens en even wat rondgeneusd te hebben, ebde dit wel weg. Na de overdracht tussen de ochtend,- en middagleiding en het luchten werden de jongens ingesloten voor hun dagelijkse rustuurtje. Halverwege het rustuurtje werd er één uitgesloten die ging koken voor de groep. Toen ik hem hielp door de tafel te dekken, kreeg ik op mijn flikker van de pedagogisch medewerker(PM) omdat dat een taak is die één van de bewoners uit moet voeren. Na het rustuur werd er gegeten en er werd opvallend weinig gezegd. Volgens de PM was het echter altijd een rustige groep en werd dit niet veroorzaakt door mijn aanwezigheid. De jongens waren ook erg kortaf tegen mij, als ik wat vroeg, en ze begonnen al helemaal niet uit zichzelf tegen me te praten. De jongens trokken ook in groepjes op en tussen deze groepen werd er ook niet veel gepraat. Toch had ik niet het gevoel dat er spanning in de lucht hing; een aantal waren aan het pokeren en er waren wat jongens aan het gamen; iedereen ging gewoon z’n gang.

“Aan het eind van de avond raakte ik nog in gesprek met één van de jongens, en als ik ooit vast kom te zitten weet ik in ieder geval hoe ik zelf bier kan brouwen en een aansteker maak.”

De sfeer was gewoon relaxed en de omgang met de begeleiders liep ook soepel. Luchten gebeurde in overleg en zo stonden we minimaal één keer per uur buiten te roken. Aan het eind van de avond raakte ik nog in gesprek met één van de jongens, en als ik ooit vast kom te zitten weet ik in ieder geval hoe ik zelf bier kan brouwen en een aansteker maak. Hierna werden de jongeren om 21.15 weer ingesloten en zat mijn eerste dag erop.

Brigantijn De tweede dag draaide ik een ochtenddienst mee op een andere leefgroep, de Brigantijn. De begeleiding van gister had al verteld dat dit een heel andere groep was dan de Tjalk en dit werd mij ook duidelijk nadat alle jongeren wakker waren. Er was veel interactie tussen de jongeren en tussen de jongeren en de begeleiding. Er werd lekker gescholden en geschreeuwd waarbij menig ziekte over tafel vloog. De docenten van de school hadden een studieweek waardoor de bewoners vrij waren. Zodoende waren er een aantal extra activiteiten ingepland. ’s Ochtends werd er een docu-

mentaire gekeken over een Engelse gangster. Halverwege werd echter duidelijk dat deze man homofiel was wat zorgde voor een hoop commotie. Direct drukte één van de jongens de tv uit en iedereen liep weg. Waar had de begeleiding het gore lef vandaan gehaald om godverdomme een documentaire over een faggot te laten zien. Niemand wilde daarna ook verder kijken en tijdens het luchten werd er nagepraat over de documentaire. Dit was best een serieus gesprek en werd besproken of crimineel zijn een keuze was of iets dat veroorzaakt werd door externe omstandigheden. De heersende opinie onder de jongeren was toch dat als ze het echt willen, ze op het rechte pad kunnen blijven. Dat niet iedereen dat van plan was werd ook duidelijk. Er werden opmerkingen gemaakt als: ‘voor 2k per maand ga ik niet werken’ en ‘als ik hier weg ben, ga ik verder waar ik gebleven ben’. Na dit interessante onderhoud ging ik schaken met één van de oudere jongens. Het was een vriendelijke en rustige jongen, die ook interesse had in wat mij zoal bezighield en hoe het ‘buiten’ was. Het was ook mooi om te zien hoe hij één van de andere jongens op z’n plek zette. Deze jongeman was namelijk een keer niet teruggekomen van zijn verlof. Hij was toen naar McDonalds geweest en naar Walibi en hier pochte hij tijdens de lunch nogal over. Hierop maakte de oudere jongen hem duidelijk dat hij niet zo stoer moest doen: “als je graag naar een pretpark wil, kun je daar gewoon verlof voor aanvragen hoor, dan hoef je niet weg te lopen’. Dit vond ik erg mooi om te zien. Na de lunch was er een reptielenshow in de gymzaal waar alle groepen naar toe gingen. Hier werd duidelijk dat hoe ‘stoer’ de jongens ook zijn en eruit zien, de angst voor de grote spinnen, slangen, leguanen en krokodillen kreeg toch de overhand en een aantal zette het op een lopen. Na deze show ging ik van de groep af en hadden ik en mijn medestudenten nog een gesprek met de gedragswetenschapper en de locatiedirecteur. Hierna was mijn dienst ook afgelopen.

Voor mij waren het hele leerzame dagen. Alle deuren, hekken en camera’s zorgden voor een beklemmend gevoel en het lijkt me absoluut geen pretje om er te zitten. Je kunt nergens heen, voor elke deur heb je een sleutel nodig, overal hangen camera’s en er staan twee hekken van vier meter om het terrein. Je wordt dus ontzettend beperkt in je vrijheid en al met al prijs ik me nu meer gelukkig dat ik zonder al deze beperkingen door het leven kan gaan!


HET

VAKGROEP UNIVERSITAIRE SCHAKELPROGRAMMA

Een goede voorbereiding op de master?

Sinds de invoering van het bachelor-master (BaMa) systeem voor het hoger onderwijs in 2001 bestaat het schakelprogramma. Het schakelprogramma is in het leven geroepen om HBO-studenten een kans te geven hun bachelor met een universitaire master te bekronen. Ook geeft het WOstudenten een kans van studierichting te wisselen zonder een nieuwe bachelor te hoeven doen. Het schakelprogramma (bij sommige universiteiten ook wel pre-master genoemd) mag maximaal een jaar duren en is erop gericht het verschil in niveau tussen de vorige opleiding en de master weg te werken. Er zitten echter ook haken en ogen aan het schakelprogramma. Zo is de vraag, zeker bij studenten afkomstig van het HBO, of een schakeljaar wel genoeg is om goed voorbereid de master in te gaan. De problematiek nader bekeken.

Jaap Oude Mulders

Het belangrijkste van een schakelprogramma is natuurlijk dat het de student goed voorbereidt om aan de master te kunnen beginnen. Dat is niet alleen in het belang van de student, maar ook van de universiteit. In tegenstelling tot eerstejaars bachelor studenten krijgt een universiteit namelijk geen geld voor schakelstudenten. Pas bij uitreiking van de masterbul volgt een substantieel geldbedrag. Of het een goede voorbereiding is, hangt uiteraard voor een groot deel af van de student en diens vooropleiding. Zo verschilt het gebruik van Engels en statistiek, twee belangrijke factoren bij veel masters, nogal per HBO-opleiding. Toch kiezen opleidingen ervoor het schakelprogramma algemeen te houden en weinig keuzemogelijkheden toe te kennen. Ook de toelatingseisen voor een schakelstudent zijn natuurlijk van belang. Elke opleiding mag zijn eigen toelatingseisen bepalen. Zo bestaan er zowel opleidingen waar je alleen met gerelateerde bachelors wordt toegelaten als opleidingen die alle studenten toelaten.

De mening van studenten en docenten De toereikendheid van schakelprogramma’s aan de Universiteit van Amsterdam is in 2007 onderzocht door ASVA studentenunie, de centrale belangenbehartiger van studenten aan de Universiteit van Amsterdam en de Hogeschool van Amsterdam, in een studie genaamd ‘Schakelprogramma’s: Brug of kloof tussen bachelor en master?’. In het onderzoek komen een aantal interessante dingen naar voren. Het blijkt dat schakeljaren vooral populair zijn bij HBO-studenten. Ruim drie kwart van de schakelaars blijkt afkomstig uit het HBO. Van de studenten

vindt 70% dat het schakeljaar een gedegen voorbereiding is op de master. Daarentegen denken 41% van de schakelaars met een WObachelor en 24% van de schakelaars met een HBO-bachelor dat ze zonder het schakeljaar de master ook wel kunnen halen. De docenten zijn wat minder positief gesteld over de schakelaars. Zo vinden zij dat alle vaardigheden, op mondelinge vaardigheden na, significant minder goed zijn ontwikkeld bij schakelaars. Vooral theoretische basiskennis en Engels zijn problematische elementen. Daarnaast is de helft van de docenten van mening dat schakelstudenten meer begeleiding nodig hebben dan reguliere studenten. Toch zijn zo’n 60% van de docenten van mening dat een schakeljaar voor de meeste studenten voldoende voorbereiding is op een master. Daar staat tegenover dat 20% van de ondervraagden vindt dat een schakeljaar in geen enkel geval studenten goed voorbereidt. Ook is 10% van de respondenten van mening dat HBO-studenten sowieso niet middels een schakelprogramma toegang moeten krijgen tot een WO-master. De ASVA merkt op dat er grote verscheidenheid zit in de antwoorden van het onderzoek. Dit heeft te maken met de verschillende achtergronden van schakelstudenten. Zij adviseren dan ook om voor schakelstudenten een individueel samengesteld programma te creëren, waar voor elke student de nadruk ergens anders gelegd kan worden.

zitten de schakelaars dit jaar samen met de eerstejaars bij statistiek. Wel hebben de schakelaars beschikking over een docent die hen in de werkcolleges en practica de specifieke hulp geeft waar ze om vragen. Er zijn enkele eisen aan de schakelaars voor ze worden toegelaten tot de master. Een voorlopige toelating volgt bij 45 studiepunten waarbij ten minste de drie statistiekvakken en het schakelwerkstuk succesvol zijn afgrond. Bij 60 punten volgt uiteraard een definitieve toelating. Elk jaar haalt ongeveer 45% van de schakelstudenten 45 punten of meer. Dit percentage ligt iets lager dan eerstejaars, maar die halen veel vaker tussen de 5 en 29 punten. Schakelstudenten kiezen meestal voor de normale master, waarbij een enkeling voor de educatieve master gaat. Schakelstudenten die de research master gaan doen komen bijna niet voor. Onderwijsdirecteur Wielers zegt hierover: “Er zijn twee schakelstudenten geweest die zijn toegelaten tot de research master. Een daarvan is binnen een week afgehaakt. Het is ook wel een erg grote sprong om van een HBO-opleiding naar de research master te gaan, het schakelprogramma is te beperkt om echt goed voor de research master voor te bereiden.” Toch geeft hij aan geen verschil te kunnen zien in de uiteindelijke masterscriptie van voormalige schakelstudenten en studenten die het reguliere traject hebben gevolgd. Het positieve aan schakelaars vindt hij de werkinstelling: “HBO-ers weten van aanpakken. Eerstejaars hebben nog wel eens de neiging te lang over iets na te denken.” Het schakelprogramma is dus wel degelijk een waardevolle toevoeging op het programma dat de universiteit aanbiedt. Het is echter vaak van de individuele student afhankelijk of het schakelprogramma een goede voorbereiding is op de master. Bij sociologie lijkt dat in veel gevallen gelukkig wel zo te zijn.

Schakelprogramma sociologie In de oude onderwijsopzet bood sociologie in Groningen al een mogelijkheid voor HBOstudenten om in 2 jaar hun universitair diploma te halen. Sinds de invoering van het BaMa systeem heeft de faculteit Gedrags- en Maatschappijwetenschappen (GMW) voor elke opleiding een schakelprogramma ontwikkeld. De toelatingseisen verschillen wel van elkaar, maar sociologie heeft altijd studenten met alle bachelors toegelaten. De schakelstudenten van GMW volgden in het begin samen de statistiek vakken, elk jaar weer het grootste struikelblok voor veel schakelaars, maar omdat psychologie uit de samenwerking is gestapt en pedagogiek sinds dit jaar geen schakelprogramma meer aanbiedt, Het rendement van eerstejaars en schakelstudenten in 2008.

SOAP | FEBRUARI 2010

13


Om sociologiestudenten een beter beeld te geven van wat er zich allemaal afspeelt binnen onze studievereniging biedt SoAP Sociëtas hier de ruimte om haar activiteiten toe te lichten. Karlijn de Vries

Inmiddels lijkt het alweer een eeuwigheid geleden. Het moment waarop wij (Karin, HP, Jelger, Anna en ik) als 20e bestuur van Sociëtas werden aangesteld. Onder veel protest, van mijzelf in het bijzonder, werd tijdens de ALV besloten dat Sociëtas een andere weg in moest gaan. De leden vonden dat Sociëtas af moest van het geitenwollen sokken imago en zagen het bestuur liever in pak. Dus zo gebeurde het. Op elf november organiseerde Sociëtas haar eerste constitutieborrel. Met Michiel Z. als pedel, dertig besturen die ons wilden feliciteren en vier bewakers om het gastenboek, de pedel en zijn stok te bewaken kon er niet veel mis gaan. Tenminste, dat dachten we. Maar niets bleek minder waar. Onze bewaarders waren enthousiast, maar door een gebrek aan concentratie en een vrijgevige barman konden zij het VIP bestuur er niet van weerhouden ons gastenboek te stelen. Of zoals twee van de bewaarders zelf in het gastenboek verklaren: ‘Wij hebben dus speciaal voor jullie gepoogd jullie constitutie enigszins soepel te laten verlopen. Doordat deze en gene ons te focking slim af waren, hebben wij heimelijk gefaald… sorry…’ (T.G. & F.G, 2009). Met als gevolg dat wij als bestuur binnenkort een tegenprestatie moeten leveren. Gelukkig slaagden de bewakers er wel in om een tweede braspoging te voorkomen. Met behulp van de oudbestuursleden die aanwezig waren, Eric L. in het bijzonder, waren zij de brassers ditmaal wel te slim af en kon onze voorzitster worden gered.

Het bestuur, strak in pak tijdens de constitutieborrel.

Onze voorzitter slaat ook een balletje bij het pitch-and-put toernooi.

Het was een wild BP-weekend!

14

SOAP | FEBRUARI 2010

De tripcie!


Maar er was meer. De afgelopen maanden heeft de activiteitencommissie verschillende activiteiten georganiseerd. Zo waren er het pitch & putt en de klaverjasavond. Een sing-star battle, het kerstdiner en niet te vergeten het allereerste Bertus Postma weekend. En wat was het een succes! Nog nooit waren de inschrijflijsten zo snel vol, de posters zo mooi en de borrels zo druk bezocht. Ok, eerlijk is eerlijk, dit laatste is tevens te danken (of te wijten?) aan het feit dat onze borrels tegenwoordig houden in de veel kleinere Jut & Jul. Ten tijde dat deze SoAP uitkomt zitten we alweer over de helft van het collegejaar en dus een goed moment om alvast vooruit te kijken. Ook het komende halfjaar staat er weer heel wat moois op het programma. Wat te denken van de dagexcursie naar Oost-Groningen, een quiznight, de liftwedstrijd en niet te vergeten een onvergetelijke nacht en de buitenlandse trip. We hopen dat jullie in net zulke grote getale en met evenveel enthousiasme aanwezig zullen zijn. Wij zullen er in elk geval ons uiterste best voor doen om de komende activiteiten tot een groot succes te maken.

De Accie! Vol trots op de bar!

Namens het Sociëtasbestuur én de activiteitencommissie (zonder wie deze omwenteling nooit mogelijk zou zijn geweest)

Sociologen op hun best tijdens het kerstdiner.

Slechts een kleine selectie uit de “eeuwig-durende-fotosessie” van het BP-weekend! SOAP | FEBRUARI 2010

15


MAATSCHAPPIJ & POLITIEK ZELFMOORD

ONDER JONGEREN

Zit het soms in de West-Friese lucht?

Op maandag 3 augustus dit jaar pleegde een 20-jarige jongen uit het West-Friese dorp Andijk zelfmoord. Hij sprong voor de trein. Dit was de tiende keer sinds 2003 dat een jongere zelfmoord pleegde in WestFriesland. Deze tien zelfmoorden werden voornamelijk gepleegd door jongens rond 17 jaar. In de $oord-Hollandse regio ligt het aantal zelfmoorden en het aantal jongeren dat kampt met psychische problemen boven het landelijke gemiddelde. In dit artikel wil ik proberen antwoord geven op de vraag hoe het komt dat het aantal zelfmoorden onder jongeren in WestFriesland zo hoog is vergeleken met andere regio’s in $ederland. Tevens wil ik kijken in hoeverre de overheid doet aan preventie tegen zowel het hoge zelfmoordcijfer in heel $ederland, als specifiek in WestFriesland.

Eefje van Stralen

West-Friesland West-Friesland is een regio in het noorden van de provincie Noord-Holland en ligt aan het IJsselmeer en het Markermeer. WestFriesland heeft een agrarisch karakter, en bestaat voornamelijk uit lange lintdorpen met enkele steden als centrum functie. Net als vele andere landelijke regio’s in Nederland ziet West-Friesland er op het eerste gezicht vredig uit. Toch ligt het aantal zelfmoorden onder jongeren in deze regio ver boven het landelijke gemiddelde. Ook blijkt uit een onderzoek van de Gemeenschappelijke Gezondheids Dienst dat een op de zes jongeren tussen de 12 en 16 jaar rondloopt met aanhoudende gedachten aan zelfmoord. Verder is uit een jongerenenquête gebleken dat 16 procent van de West-Friese jongeren kampt met psychische problemen, dit is zes procent meer dan het landelijke gemiddelde.

Cultuur Veel onderzoekers zijn bezig met de vraag waarom West-Friesland de koploper is als het gaat om het aantal zelfdodingen onder jongeren in Nederland. Niek Kuijper is preventiemedewerker van de Geestelijke Gezondheids Zorg in West-Friesland en heeft een poging gedaan de golf van zelfdodingen in WestFriesland te verklaren. Volgens Kuijper gaat het om een omgeving waar zelfdoding makkelijker mogelijk is. Al zeker 150 jaar komt zelfdoding in West-Friesland vaker voor dan gemiddeld in Nederland. Een groot deel van de oorzaak wijt hij aan de West-Friese cultuur. In de regio heerst een mentaliteit van keihard werken en de vuile was niet buiten hangen. De West-Friese nuchterheid grenst aan onverschilligheid. De drempel om hulp te zoeken is torenhoog. Geen van de tien jonge-

16

SOAP | FEBRUARI 2010

ren die sinds 2003 zelfmoord hebben gepleegd waren bekend bij het GGZ met hun psychische problemen en suïcidale gedachten, dit is veelzeggend. Verder heeft West-Friesland een lage sociale status. Dit betekent dat er geen multinationals of ICT-bedrijven, geen universiteit of hbo-opleidingen zijn. De bevolking is over het algemeen laagopgeleid. De jongeren die wel studeren keren niet meer terug. De dorpen bestaan uit hechte gemeenschappen van mensen waarvan alle kinderen de zelfde school, voetbal- en jeugdvereniging bezoeken. Door deze grote hechte gemeenschappen zijn vriendengroepen van veel jongeren groot en homogeen. Over het algemeen zijn deze groepen ook erg loyaal en erg actief. Maar door de West-Friese cultuur ligt oppervlakkigheid binnen deze vriendengroepen op de loer. Jongeren binnen deze grote vriendengroepen ervaren groepsdruk en durven vaak niet voor hun eigen mening uit te komen. Ook praten over hun gevoelens is in deze groepen vaak uit ten boze. Tevens kunnen deze vriendengroepen als beklemmend worden ervaren. De jongeren zoeken elkaar niet per se op uit belangstelling of interesses die zij samen delen, maar omdat het nou eenmaal elkaars vrienden zijn. Mensen kunnen, door het niet kunnen praten met vrienden en de groepsdruk, ondanks hun plaats in de groep sociaal geïsoleerd raken. De thema-avond over zelfmoord van BNN liet een duidelijk en type-

rend voorbeeld zien van de West-Friese jeugd en hun vriendengroepen. Filemon Wesselink, de presentator, vraagt enkele West-Friese jongens wat volgens hen de reden is voor de veel voorkomende zelfdodingen in hun omgeving. Een van de weinige jongens, die hier niet onverschillig en lollig op reageert, vertelt de kijkers dat het ligt aan het feit dat mensen niet met elkaar praten. Na de wijze woorden van deze jonge West-Fries ontaardt zijn vriendengroep die er om heen staat in een lachend gezelschap, dat hem vervolgens uitmaakt voor mietje. ‘Dit is zeker precies wat je bedoelt’ merkt Filemon op. Tevens kwam in deze BNN uitzending naar voren dat er in West-Friesland besmettingsgevaar dreigt. Dit wil zeggen dat de West-Friese jeugd imitatiegedrag kan gaan vertonen. Jongeren zijn over het algemeen erg beïnvloedbaar. Wanneer een jongere met psychische problemen in aanraking is geweest met een zelfdoding van iemand in de nabije omgeving, is voor hem de stap kleiner om het zelfde te doen. Dit omdat suïcidaal gedrag als ‘normaal’ kan worden bevonden. Aangezien het aantal zelfmoorden onder jongeren in de regio hoog is, en zo ook het aantal jongeren met psychische problemen kan dit imitatie gedrag een sneeuwbal effect als gevolg hebben, en zorgen voor een nog hoger aantal zelfdodingslachtoffers in de regio. We kunnen dus stellen dat de oorzaak van het hoge zelfmoordcijfer van de jeugd in


MAATSCHAPPIJ & POLITIEK

West-Friesland voor een groot deel ligt aan de cultuur die in de regio heerst. De West-Friese cultuur is een voedingsbodem voor psychische problemen. Het niet praten over zowel gevoelens als ambities zorgt voor psychische problemen die in het ergste geval kunnen leiden tot zelfmoord. Toch vinden velen onderzoekers het te kort door de bocht de oorzaak van het hoge zelfmoord aantal alleen te wijten aan de cultuur. In andere landelijke regio’s zijn er bijvoorbeeld ook nuchtere mensen te vinden die hun vuile was niet buiten hangen. Volgens Kuijper ligt de oorzaak ook voor een deel bij het overmatige alcoholen drugs- gebruik van de West-Friese jeugd.

Alcohol en Drugs West-Friese jongeren drinken gemiddeld op hun twaalfde levensjaar hun eerste biertje. Hiermee staat de regio op de eerste plaats in West-Europa en ligt het alcoholgebruik boven het landelijke gemiddelde in Nederland. Ook drinkt 43% van de jongeren tussen de 12 en 16 jaar geregeld te veel. Tevens is gebleken uit een onderzoek in 2005 dat ruim 18% van de 12 tot 16-jarigen in West-Friesland ooit hasj of heeft gebruikt, 9% geeft aan dat ze dit afgelopen maand nog hebben gedaan. Daarnaast heeft 1,6% van de jongeren in de afgelopen maand harddrugs als XTC en cocaïne gebruikt. Veel mensen denken dat er een samenhang bestaat tussen het overmatige alcohol- en drugs- gebruik van de jongeren en het hoge aantal slachtoffers door zelfdoding in de regio. Het is goed voor te stellen dat het overmatige alcohol- en drugs- gebruik een gevolg kan zijn van de vele psychische problemen onder de jongeren in West-Friesland. De jongeren vluchten in de alcohol en of drugs, omdat ze met niemand over hun problemen of gevoelens kunnen praten. Alcohol en drugs zorgen voor het afnemen van de remmingen van de gebruikers, en kunnen hierdoor zorgen voor niet goed overwogen beslissingen. Kuijper: „Ik ben op pad gegaan en ontmoette

jongeren in dorpen die vier vrienden hadden verloren door zelfmoord. Van zestien jaar. Drugsgebruik hangt ermee samen: als je gebruikt, dan neemt dat je remmingen weg. Je zult onder invloed eerder onder die trein stappen.” Ook zorgt de heersende groepsdruk voor een toename van het alcohol- en drugsgebruik onder de jongeren. ‘Insnuiven’ voor het stappen is voor de West-Friese jeugd geen onbekend begrip, en de jongeren proberen elkaar te overtreffen in hoeveelheid. Het overmatige alcohol- en drugsgebruik in West-Friesland kan worden gezien als het gevolg van de vele psychische problemen onder de jongeren. Deze psychische problemen zijn voor een groot deel veroorzaakt door de gesloten West-Friese cultuur. Verslavingen die teweeg kunnen worden gebracht door het alcohol- en drugs- gebruik zullen tevens de psychische gezondheid niet bevorderen. Nu er mogelijke verklaringen voor het hoge zelfmoordcijfer onder de jongeren in West-Friesland zijn aangedragen, is het de vraag wat de overheid doet aan preventie om nog meer slachtoffers in de regio te kunnen voorkomen.

Preventie Op het gebied van preventie zijn veel mensen van mening dat de zelfmoorden in Nederland door de overheid nog te veel in de doofpot worden gestopt. Waarom wordt er wel heel veel geld uitgetrokken voor de preventie van verkeersdoden in dit land, maar niet voor het hoge aantal zelfmoord doden? Een eyeopener: In 1970 vielen er in Nederland 3200 dodelijke slachtoffers in het verkeer. In 2005 is dit aantal tot een kwart teruggedrongen. In dit zelfde jaar kwamen bijna tweemaal zoveel Nederlanders door zelfdoding om het leven vergeleken met 1970. We spreken hier van ongeveer vier zelfmoorden per dag. Zoveel er de afgelopen jaren is geïnvesteerd in de verkeersveiligheid, zo weinig is er gedaan om het aantal zelfdodingen omlaag te brengen.

Zelfdoding moet door de overheid niet meer worden gezien als een noodlot. Het wordt tijd dat de overheid met een actief beleid komt om zelfdoding te voorkomen en zodoende het aantal slachtoffers omlaag te brengen. Daarentegen zijn de gemeentelijke overheden in West-Friesland wel degelijk wakker geschud na het zoveelste jonge zelfmoordslachtoffer in de regio. De Geestelijke Gezondheids Zorg West-Friesland is onlangs met een actieplan tegen de suïcidegolf gekomen. Dit houdt in dat de komende drie jaar 1200 sleutelfiguren wordt geleerd hoe ze psychische problemen bij jongeren kunnen herkennen. Deze sleutelfiguren bestaan niet alleen uit leraren en buurtwerkers, maar bijvoorbeeld ook uit trainers van sportclubs. Met sleutelfiguren worden mensen bedoeld die dicht bij de jeugd staan. Deze sleutelfiguren moeten ervoor gaan zorgen dat psychische problemen bij jongeren eerder worden gesignaleerd, waardoor er tijdig hulp kan worden gezocht. De GGZ West-Friesland werkt nauw samen met de verslavingszorg. Samen creëren deze instellingen een meldpunt, waar iedereen signalen over jongeren met problemen kan melden. Tevens streven ze naar directe hulp voor de jongeren, en ze willen eindelijk afrekenen met de lange wachtlijsten voor geestelijke zorg. Ook worden er vele voorlichtingen gegeven op scholen zowel over alcohol- en drugs- gebruik als over psychische problemen en zelfmoord. De jeugd leert ook om alert te zijn op de jongeren om hen heen. Om het alcoholprobleem in de regio terug te dringen sluit de horeca vanaf begin januari 2010 al om twaalf uur haar deuren. Zo denken de gemeentes het alcoholgebruik van de jongeren te beperken. Veel mensen zijn sceptisch over deze beslissing. Koninklijke Horeca Nederland ziet het niet gebeuren dat door deze maatregel het alcoholgebruik van de jeugd zal afnemen. Uit een onderzoek van de branchevereniging bleek dat ruim 70 procent van de jongeren net zo veel of zelfs meer zou gaan drinken. De jongeren zullen meer binnen de huiselijke kring gaan drinken, of buiten in andere regio’s tot in de laatste uurtjes uitgaan. Een andere kritische kanttekening die wordt gemaakt is het feit dat men zich zorgen maakt over de verveelde jeugd die om twaalf uur ’s nachts de straat op wordt gezet, hiermee worden de goden verzocht en zullen vechtpartijen en vandalisme geen onlogisch gevolg zijn. De meningen over de maatregelen zijn verdeeld. Het blijft moeilijk de vinger geheel op de zere plek van het probleem te leggen. De tijd zal uitwijzen of de maatregelen positief effect zullen hebben op de psychische gezondheid van de West-Friese jeugd en het alcohol- en drugs- gebruik. Tot die tijd moeten we afwachten en zoals een echte WestFries dat zou zeggen, moeten we "Mooi zitte, en dom koike bloiven" tot de tijd het zal uitwijzen.

SOAP | FEBRUARI 2010

17


MAATSCHAPPIJ & POLITIEK INTEGRATIE

IN DE MEDIA

Integratie als paradox

In de politiek en in de media is er veel aandacht voor integratieproblemen. Dit woord is de verzamelnaam voor de moeilijkheden die voortvloeien uit de komst van immigranten naar $ederland. Voorbeelden die de afgelopen jaren de revu passeerden zijn eerwraak, zwarte scholen en wijken, radicalisering, taalachterstanden en ongeëmancipeerde importbruiden. Deze problemen worden vaak toegeschreven aan cultuurverschillen. In dit artikel wordt onderzocht hoe groot deze problemen in werkelijkheid zijn en waarom cultuur zo vaak als verklaring voor deze problemen wordt gebruikt.

Joringel den Hoedt

Verontrusting in de politiek en in de media Pim Fortuyn zette in 2001 de volgens hem mislukte integratie van minderheden en aanverwante problemen bovenaan de politieke agenda. Sindsdien werd er in de politiek veel gedebatteerd over wat te doen met niet geïntegreerde allochtone Nederlanders. Ook in de intellectuele hoek werd veel over het al dan niet gefaalde integratiebeleid gezegd en geschreven. Paul Scheffer trapte in 2000 af met zijn artikel Het multiculturele drama en hij werd gevolgd door vele anderen. Door de opkomst van Pim Fortuyn en de discussie die ontstond na de publicatie van het artikel van Scheffer ontstond een breed maatschappelijk debat over integratie. Dit debat speelde en speelt zich grotendeels af in de media. In praatprogramma’s op de televisie, op internetfora en in kranten wordt met grote regelmaat hoog oplopende discussie gevoerd over maatschappelijke problemen die met integratie te maken hebben. 9-11 en de moorden op Fortuyn en Theo van Gogh wakkerden bij vlagen een crisisachtige toon aan in deze discussies. De laatste jaren vindt er in de politiek een opmars van integratiekritische partijen plaats. De PVV, de meest kritische, is volgens de peilingen van Maurice de Hond op dit

18

SOAP | FEBRUARI 2010

moment zelfs de grootste partij van Nederland. Andere partijen zoals het CDA de PVDA en de VVD stellen in hun verkiezingsprogramma’s hogere eisen aan de inburgering van immigranten. Bovendien zijn er maatregelen genomen die de integratie moeten bevorderen. Een voorbeeld hiervan is de inburgeringswet uit 2006 waarin onder andere staat dat immigranten een integratie-examen moeten afleggen. Integratie is dus een belangrijk politiek en maatschappelijk onderwerp geworden.

De ernst van de problemen De ernst van integratieproblemen is onderzocht in parlementaire enquête Integratie uit 2002. Het rapport geeft de volgende definitie van integratie: “Een persoon of groep is geïntegreerd in de Nederlandse samenleving wanneer er sprake is van gelijke juridische positie, gelijkwaardige deelname op sociaal-economisch terrein, kennis van de Nederlandse taal en wanneer gangbare waarden, normen en gedragspatronen worden gerespecteerd.” De hoofdconclusie van het rapport is dat de integratie van veel allochtonen geheel of gedeeltelijk is geslaagd. Het grootste deel van de etnische minderheden is geïntegreerd in de Nederlandse samenleving, en ook voelt het grootste deel zich hierin thuis. In de enquête wordt niet ontkend dat er problemen bestaan, maar de ernst en de omvang van deze problemen vallen mee.

De berichtgeving in de media De conclusies van de parlementaire enquête komen niet overeen met de negatieve geluiden die in de discussies in de media en in de debatten in de Tweede Kamer zo vaak naar voren komen. De problemen lijken in de media soms zeer groot te zijn, maar volgens de cijfers vallen de problemen in de realiteit mee. Het verschil tussen de berichtgeving in de media en de cijfers is deels te verklaren doordat er sprake is van een mediahype over integratie. Socioloog Peter Vasterman doet onderzoek naar mediahypes en onderzocht de hype rond de dood van Meindert Tjoelker en zinloos geweld in de jaren ’90. In zijn artikel Zinloos geweld als mediahype komt naar voren dat mensen bij een maatschappelijk problemen een direct verband veronderstellen tussen de hoeveelheid maatschappelijke verontrusting en de ernst en omvang van het probleem. Echter, volgens Vasterman wordt de mate van verontrusting over een maatschappelijk probleem vooral veroorzaakt door de manier waarop het probleem in de media wordt gedefinieerd. Hier liggen meestal

geen objectieve criteria zoals de ernst van het probleem aan ten grondslag. Wel belangrijk is het kader waarin het probleem in de media door gezaghebbende personen wordt geplaatst. Zo werd bijvoorbeeld de dood van Tjoelker in 1997 door politiewoordvoerders bestempeld als zinloos geweld en de vergelijkbare dood van Waseem Rana in 1998 als verkeersruzie. Mede door dit mechanisme ontstond een mediahype en leek het alsof Nederland door een golf van zinloos geweld werd overspoeld, terwijl er in werkelijkheid geen stijging van geweld plaatsvond. De berichtgeving over integratie nu heeft overeenkomsten met berichtgeving over zinloos geweld in de jaren ’90. Zo worden gebeurtenissen soms bestempeld als integratieprobleem, terwijl deze dit in werkelijkheid niet per se hoeven te zijn. Een voorbeeld hiervan is de moord op de decaan van het Haagse Terracollege Hans van Wieren in 2004. In de media werd deze moord in verband gebracht met eerwraak, een onderwerp dat toen erg actueel was. Dat de moord niet per se eerwraak hoefde te zijn kwam in de berichtgeving niet aan bod. Door de berichtgeving leek het alsof de misdaad een gevolg was cultuur en dus van mislukte integratie. Zo wordt op een kunstmatige manier nieuws over integratie gecreëerd, terwijl bepaalde nieuwsgebeurtenissen er in werkelijkheid los van staan.

De problemen lijken in de media soms zeer groot te zijn, maar volgens de cijfers vallen de problemen in de realiteit mee.

Sociale hypochondrie en culturisme Socioloog Willem Schinkel geeft in zijn boek De gedroomde samenleving een verklaring waarom uiteenlopende gebeurtenissen onder de noemer van integratie worden geplaatst. Volgens Schinkel ontbreekt in westerse wereld een duidelijke identiteit. Mensen weten niet goed meer wie ze zijn. Hierdoor ontstaat een verlangen naar een gedroomde samenleving. Dit is een samenleving waarin eenheid is en waarin geen verschillen zoals cultuurverschillen bestaan. Omdat de eenheid van de gedroomde samenleving in de echte wereld ontbreekt gaan mensen zich focussen op zaken die de gedroomde eenheid mogelijk verder kunnen verstoren en bedreigen. Schinkel noemt dit sociale hypochondrie. Eén van de gevolgen van sociale hypochondrie is culturisme. Dit houdt in dat allerlei verschillende verschijnselen zoals criminaliteit, vrouwenemancipatie en schooluitval worden verklaard vanuit cultuurverschillen. Criminaliteit komt dus volgens iemand die


MAATSCHAPPIJ & POLITIEK

leidt aan sociale hypochondrie niet voort uit bijvoorbeeld sociale achterstand of gebrek aan bindingen, maar uit cultuur. Cultuur is namelijk letterlijk erg zichtbaar. We weten niet meer zo goed wat onze samenleving is, maar wat we wél weten is dat allochtonen van buiten komen. Culturisme functioneert op deze manier voor de sociale hypochonder als een middel om een eigen culturele identiteit te creëren. Paradoxaal aan culturisme is dat immigranten aan de ene kant individueel verantwoordelijk worden geacht voor het niet geïntegreerd zijn, terwijl aan de andere kant een niet individuele oorzaak – namelijk cultuur – de oorzaak is voor het niet geïntegreerd zijn. Zo kan zelfs de meest aangepaste immigrant niet volledig integreren, omdat hij altijd het zichtbare stempel van de andere cultuur blijft dragen.

Is het voor de oplossing van het ‘integratie’ probleem niet een idee het integratiebeleid en de bijbehorende terminologie af te schaffen?

Culturisme is niet alleen in de vorm van het benoemen van cultuur als oorzaak voor sociale problemen aanwezig in het integratiedebat, het ligt ook intrinsiek opgesloten in de in het integratiedebat gebruikte terminologie. Dit blijkt volgens Schinkel uit de betekenis van woorden zoals ‘integratie’ en ‘allochtoon’. Deze hebben naast een definiërende functie ook een uitsluitende functie. Iedere keer als iemand als allochtoon bestempeld wordt, wordt hij buiten de gedroomde samenleving geplaatst. Hij blijft volgens de definitie van allochtoon “van elders aangevoerd” en is dus nooit geïntegreerd. Op deze manier creëert het definiëren van mensen in termen van ‘integratie’ en ‘allochtoon’ automatisch een scheiding tussen wel en niet geïntergreerden, autochtonen en allochtonen.

Conclusie Er was in de afgelopen tien jaar veel aandacht voor integratieproblemen, zowel in de politiek als in de media. Deze aandacht is mede te verklaren vanuit de werking van bepaalde mechanismen binnen de media en de gevolgen van sociale hypochondrie. Mogelijk werkt deze aandacht contraproductief. Door culturisme worden problemen zoals criminaliteit niet als zodanig benoemd, maar als cultuurproblemen. Hierdoor blijven werkelijke oorzaken van problemen onderbelicht. Daarnaast maakt de gebruikte terminologie het voor allochtonen moeilijk om zich van hun niet geïntegreerde stempel te ontdoen. Is het voor de oplossing van het ‘integratie’ probleem niet een idee het integratiebeleid en de bijbehorende terminologie af te schaffen?

SOCIOLOGIE

IN DE

MEDIA

Samenlevingscontracten en familiesolidariteit

Tialda de Vries

RC ext (24-11-2009): Het CBS voorspelt dat in 2050 nog maar 69% van de Nederlandse samenwonenden getrouwd is in tegenstelling tot 81% in 2008. Het aantal samenwonende stellen zal wel gelijk blijven. Volgens Jan Latten, hoogleraar demografie aan de Universiteit van Amsterdam, betekent dit niet dat men geen afspraken wil maken. Hij noemt het maken van een samenlevingscontract de ‘hyperindividuele manier waarop we onze relaties tegenwoordig vormgeven’. Wanneer er voor een partner ook daadwerkelijk wat te verliezen valt is het aantrekkelijk om vast te leggen wie wat krijgt als de relatie op de klippen loopt. Het is gebleken dat stellen die niet voor trouwen kiezen, eerder uit elkaar gaan. Samenwonen met een samenlevingscontract lijkt dan wel een mooi alternatief voor trouwen, er is toch een belangrijk verschil. Matthijs Kalmijn, Hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Tilburg, beweert dat de band tussen samenwonenden minder groot is omdat ze zich bewuster zijn van de alternatieven die ze hebben. Mensen zijn alerter, dat kan een gevolg zijn van het in Nederland hoge scheidingsrisico. Als er een samenlevingscontract wordt afgesloten, is het belangrijk om vooruit te kijken en dus meer zaken af te dekken dan vooraf nodig lijkt te zijn, meent mediator Gea van Klompenburg. Door het afsluiten van een contract wanneer het vertrouwen tussen de partners nog aanwezig is, bestaat een grote kans op misvattingen over het contract na de relatiebreuk.

Trouw (28-11-2009): Silvain Ephimenco schrijft dat uit een rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) blijkt dat Nederlanders gelukkiger zijn dan de meeste andere Europeanen. Hoe kan het dan dat de Nederlander zo pessimistisch is over de toekomst? Ephimenco vroeg zich af of de politieke ontevredenheid hier iets mee te maken heeft, want de PVV heeft Nederland in zijn greep. De PVV, ‘de partij der ontevredenen’, is op dit moment virtueel de grootste partij. Die pessimistische gelukkige Nederlanders vrezen voor de toekomst en de PVV denkt die angst en onzekerheid te kunnen uitbannen. Er is alleen niets waar de angst en onzekerheid op gebaseerd kan worden. Ephimenco meent dat wanneer men angst en onzekerheid voor iets voelt (en dat op dat moment geen bedreiging vormt), dat die juist problemen oproepen. Er wordt gevreesd voor een verdwijnende identiteit en dat groepen met etnische of religeuze achtergronden zich afzonderen van de maatschappij.

Trouw (12-11-2009) meldt dat er uit onderzoek van de Netherlands Kinship Panel Study (NKPS) een aantal conclusies getrokken kunnen worden over Nederlandse families. Het NKPS onderzoekt de gegevens van zo’n tienduizend Nederlanders en dertienduizend van hun familieleden. Zij werden in 2002-2004 voor het eerst ondervraagd en nog een tweede keer in 2006-2007. Een populaire hypothese luidt dat leden van een familie ieder voor zich individualistische doelen nastreven. Dit wordt ook wel de los-zand-familie-hypothese genoemd. Volgens Pearl Dykstra, Hoogleraar empirische sociologie aan de Erasmusuniversiteit in Rotterdam en onderzoeksleider van de NKPS, blijkt het ‘los-zand-familie’-beeld niet te kloppen met de werkelijkheid. Nederlandse families zijn juist zorgzaam voor elkaar. Een tweede conclusie van het onderzoek is dat jongeren zich wel solidair opstellen tegenover oudere generaties. Het blijkt dat jongeren hun ouders zorg willen geven, maar dat ouders daar juist niets van willen weten. Iemands jeugd is een belangrijk onderdeel van iemands idee over kinderen hebben of krijgen. Hoe fijner de jeugd is geweest, hoe eerder mensen als volwassenen een gezin stichten. Een andere stimulans om een voorkeur voor familieleven te krijgen is het contact met familieleden buiten het gezin in de jeugdjaren. Het estafetteouderschap, bedacht door hoogleraar Melinda Mills, is een gezinsconstructie waarbij de ouders zich afwisselend met de kinderen bezighouden en er steeds maar één ouder aanwezig is. Die gezinsconstructie gaat niet helemaal op voor de Nederlandse maatschappij, want Nederland is niet zoals Amerika een 24-uurseconomie.

Algemeen Dagblad (21-11-2009): Socioloog Jaco Beverling maakte een studie van het gedrag van verzamelaars. Beverling maakte onderscheid tussen instinctief, dwangmatig en ‘voor het geld’ verzamelen. Verzamelaars voelen zich over het algemeen helemaal ‘vergroeid’ met hun collectie en willen hem niet verkopen. Volgens Beverling geldt ‘hebben is houden’. Er bestaat wel zoiets als dwangmatig verzamelen. Volgens sommige psychoanalytici is verzamelen compensatiegedrag. Beverling is het hier niet mee eens. Dwangmatig verzamelen is geen normale activiteit, maar wordt gezien als een obsessief-compulsieve stoornis die genetisch bepaald is. Een filosofische benadering is dat men verzamelt om eeuwig (ook na de dood) voort te leven in zijn verzameling.

SOAP | FEBRUARI 2010

19


MAATSCHAPPIJ & POLITIEK CLAUDE LÉVI-STRAUSS

OVERLEDEN

Invloeden van een groot denker

"Ik heb een hekel aan reizen en aan ontdekkingsreizigers". Zo begint het bekendste boek van Claude Lévi-Strauss, Het trieste der tropen, een verslag van zijn reis en onderzoek in Brazilië. Dit onderzoek zorgde voor het brede besef dat culturen gelijkwaardig zijn, er bestaat geen hiërarchie tussen culturen. Hoewel Lévi-Strauss bij een breed publiek niet erg bekend is, is hij één van de meest invloedrijke denkers van de vorige eeuw. Hij wordt gezien als de grondlegger van het structuralisme, een belangrijke stroming in de sociale wetenschappen. In de nacht van 31 oktober op 1 november 2009 overleed hij, drie weken voor zijn 101e verjaardag.

Marloes Kingma

Claude Lévi-Strauss werd in 1908 geboren in Brussel, maar verhuisde al snel naar Parijs waar hij in 1928 afstudeerde in filosofie. Aan dezelfde universiteit werd hij docent maar al snel begon de filosofie hem tegen te staan. Hij hield niet van het morele karakter van de wetenschap. Hij raakte geïnteresseerd in de antropologie en in 1935 aanvaardde hij het professorschap op de universiteit van São Paulo, Brazilië. Ook dit beviel hem echter niet en in 1939 besloot hij veldonderzoek te gaan doen in de binnenlanden van Brazilië, met dit onderzoek zette hij zichzelf echt op de kaart in de wetenschappelijke wereld. Lévi-Strauss had echter niet veel tijd voor zijn onderzoek. De tweede wereldoorlog was begonnen en omdat hij Joods was, vluchtte hij naar New York. Hier, en later weer in Frankrijk, zette hij zijn wetenschappelijke carrière voort. Vooral gedurende zijn tijd in New York begon het structuralisme zich te vormen.

Claude Levi-Strauss (1936) in Brazilië.

20

SOAP | FEBRUARI 2010

Structuralisme Het structuralisme wordt gezien als een belangrijke stroming in de sociale wetenschappen waarvan Lévi-Strauss de belangrijkste grondlegger is. Het structuralisme gaat ervan uit dat aan elk sociaal verschijnsel een bepaalde, niet direct waarneembare structuur ten grondslag ligt. De basis van de theorieën van Lévi-Strauss berust op het idee dat het menselijk brein op een gestructureerde manier informatie van buiten combineert zodat de sociale werkelijkheid begrepen kan worden en dat we kunnen leven in deze sociale wereld. Dit betekent niet dat elk mens, elke cultuur op dezelfde manier denkt. Als dit wel zo zou zijn, zou er geen verschil tussen culturen bestaan. Al het denken heeft hetzelfde doel, orde scheppen in de sociale chaos, maar per cultuur verschilt de manier waarop men dit doet. Hierbij spelen mythen in de ogen van Lévi-Strauss een belangrijke rol. De meer primitieve volken gebruiken mythen om de sociale wekelijkheid te kunnen begrijpen. De Westerse volken doen dit allang niet meer, zij denken veel abstracter. De primitieve volken beschikken volgens Lévi-Strauss over het wilde denken. Hij kwam tot deze conclusie op zijn reis door Brazilië. In de volgende paragraaf wordt hier dieper op ingegaan.

Het trieste der tropen Jaren na de start van het veldonderzoek in de binnenlanden van Brazilië brengt LéviStrauss een reisverslag uit: Het trieste der tropen. Officieel is dit boek geen wetenschappelijk werk, maar het wordt vaak wel zo beschouwd. In het boek beschrijft LeviStrauss hoe hij door zijn reis van een filosoof in een antropoloog verandert. Naast het beschrijven van zijn reis zit het boek vol filosofische reflecties en ideeën, waardoor het

een belangrijk werk is geworden voor verschillende academische disciplines. Lévi-Strauss bestudeerde vier verschillende indianenstammen die in de binnenlanden van Brazilië leven, de Caduveo, de Borôro, de Nambikwara en de TupiKawahib. In zijn boek beschrijft hij de levenswijze van deze stammen tot in het detail. Zo beschrijft hij onder andere de tatoeagekunst van de Caduveo. De lichaamsbeschilderingen en tatoeages in deze stam laten zien waar iemand op de sociale ladder staat. Bij sommigen wordt het hele hoofd kaalgeschoren, inclusief de wenkbrauwen en wimpers, om het helemaal te kunnen beschilderen. Ook beschrijft Lévi-Strauss de rituelen van de Borôro, hij heeft met name aandacht voor hun nederzettingspatronen. Deze patronen geven een ordening aan in het sociale leven. Alle hutten staan rondom het mannenhuis, hoe dichter bij het mannenhuis jouw hut staat, hoe belangrijker je bent. Het trieste der tropen zit vol van dit soort beschrijvingen. Lévi-Strauss beschrijft de levenswijze van de stammen echter niet alleen, hij analyseert het, vergelijkt het met Westerse culturen en verbindt er ook conclusies aan. Een belangrijke conclusie die hij trekt is dat deze stammen beschikken over het 'wilde denken', zoals al eerder vermeld: concreet en alledaags denken (hierbij horen ook mythen en het geloven in magie). Ook Westerse culturen beschikken hier nog over, maar het abstracte denken heeft de overhand. Beide manieren van denken zijn er dus op uit om orde te scheppen, om structuren aan te brengen in de sociale wereld. Het abstracte denken doet dat via formules, het wilde denken met behulp van de verschillen en classificaties die het in de natuur zelf ontdekt. Lévi-Strauss trekt de conclusie dat in het wilde denken niet de dingen zelf betekenis hebben, maar de verschillen hebben betekenis. Hij geeft hierbij het voorbeeld van twee stammen. Stam A stelt dat zij tegenover stam B staat als wolven tegenover beren staan. Nu is het niet van belang dat stam A wolven zijn en stam B beren, maar om verhoudingen tussen de stammen, dus tussen de wolven en beren. Lévi-Strauss gaat erg ver in het ontcijferen van het 'wilde denken', hij heeft allerlei ingewikkelde modellen en schema's gemaakt. Daar zal ik nu niet op ingaan, een uitleg van al deze modellen zou de hele SoAP vullen. De belangrijkste conclusie die LéviStrauss trekt is dat de ene cultuur niet beter is dan de andere, ze verschillen alleen substantieel in het denken. Dit besef is dankzij LéviStrauss gaan leven in de Westerse wereld, waar ze voorheen dachten dat de meer primitieve culturen minder ontwikkeld waren dan hun eigen cultuur.


MAATSCHAPPIJ & POLITIEK

YOUTUBE, FACEBOOK, TWITTER & HYVES

Digitalisering van de samenleving

Youtube, Facebook, Twitter, Hyves, je kunt tegenwoordig niet meer om deze sociale netwerken heen. Het biedt mensen een alternatief om contact te hebben met anderen zonder daarbij ook maar één stap uit huis te zetten. Zo kan zonder het privé domein te verlaten toch nog contact gemaakt worden met het publieke domein. Moeten we dit echter beschouwen als een zegen of een vloek?

Vanessa Codrington

Nog minder dan 200 jaar geleden kwam de magische uitvinding van de telefoon ter wereld. Mensen hoefden niet langer meer bij elkaar op bezoek om te communiceren, dit kon namelijk voortaan op afstand. In de afgelopen jaren is er de mogelijkheid bijgekomen om te communiceren via het internet. Zo kun je telefoneren via het internet, maar je kan ook communiceren zonder elkaar daadwerkelijk te zien en/of te horen. Via MSN kun je met elkaar “chatten” oftewel praten en sinds een aantal jaren winnen de sociale netwerken als Hyves en Facebook meer en meer aan populariteit. Op deze sites kun je foto’s plaatsen, een logboek bijhouden, je kunt je lang uit het oog verloren vrienden toevoegen of zelfs nieuwe vrienden maken. Door berichtjes naar elkaar te sturen kun je in contact komen met andere gebruikers. Voor degene die door bepaalde omstandigheden het huis niet meer uit kunnen, maar toch contact willen hebben met de buitenwereld, zijn deze relatief nieuwe sociale netwerken een uitkomst. Ze hoeven zich niet langer eenzaam te voelen, opgesloten in hun privé domein. Internet verbindt mensen met verschillenden achtergronden vanuit de hele wereld met elkaar. Ook de politie heeft heil gezien in het gebruik van de media. Net zoals belangrijk nieuws onder vrienden in een hecht netwerk snel wordt doorgegeven, verspreidt informatie via de sociale media zich razendsnel. Dit had de politie al snel in de gaten en daarom gebruikt zij al jaren de televisie als belangrijk medium om onopgeloste zaken onder de aandacht te brengen met programma’s als Vermist, Spoorloos en Peter R. De Vries Misdaadverslaggever. Aan dit lijstje zijn sinds kort een aantal internetsites gevoegd. Zo is de politie Groningen sinds november 2009 actief op de site Twitter, waar men korte berichten van maximaal 140 tekens kan plaatsen. De regionale politie gebruikt Twitter om criminaliteit te bestrijden en om de communicatie met hun burgers te versterken. De burgers kunnen berichten achterlaten om de politie tips te geven over bepaalde zaken. Zo kunnen ze

vanuit hun eigen huis optreden als ooggetuige. De politie informeert de burgers op Twitter onder andere over aanhoudingen, opgeloste misdaden en gevonden, gestolen fietsen. Dit gebeurt niet alleen in Groningen, in New York wordt het ook gebruikt om bendeleden op te sporen. Er zijn zelfs politiezaken die mede dankzij sociale netwerken als Twitter, Hyves en YouTube zijn opgelost. Een ander positief aspect van deze sites is dat ze veel kenmerken bevatten van sociale netwerken tussen vrienden en kennissen, mede daarom worden ze nu ook gebruikt om mensen sneller in contact te brengen in hun zoektocht naar een baan. Linkedin is een site die haar gebruikers de mogelijkheid biedt om te profiteren van elkaars zakelijke netwerk. Zo kunnen werkgevers vacatures plaatsen en kunnen werkzoekenden in contact komen met werkgevers of gebruikers die hen weer kunnen voorstellen aan werkgevers. Doordat het internet ver reikt, niet alleen nationaal, maar ook internationaal, is de kans groot dat er sneller de juiste baan gevonden wordt. Het is daarom niet verwonderlijk dat deze site de grootste zakelijke website ter wereld is. Het is echter niet alleen maar rozengeur en maneschijn, er zitten wel degelijk negatieve aspecten aan deze sociale netwerken vast. Het internet zorgt voor een makkelijkere toenadering, maar of dit nou altijd handig is, is maar de vraag. In de media is er veel aandacht besteed aan het zogenaamde “cyberpesten” oftewel pesten via internet. Doordat je elkaar op internet niet face-toface ziet, is de drempel om uitspraken te doen die je in “werkelijkheid” niet zou durven kleiner. Doordat dader en slachtoffer niet direct met elkaar in contact staan voelt de dader zich niet geremd en hierdoor wordt de grens van pest uitingen hoger. Mensen

worden gepest door middel van gescheld, bedreigingen, ongewenste afbeeldingen of programma’s te sturen. Het kan ook zo zijn dat er persoonlijke informatie, foto’s of video’s van het slachtoffer bekend worden gemaakt. Het is echter niet alleen zo dat de “cyberpesters” persoonlijke informatie op deze sociale netwerken neerzetten, vaak wordt er door de gebruikers zelf veel persoonlijke informatie verstrekt. Het loopt van persoonlijke foto’s tot telefoonnummers en zelfs adressen die openbaar worden gemaakt op internet zonder dat de gebruiker er erg in heeft dat deze informatie bekend is. Op de sites als Hyves en Twitter kun je bijvoorbeeld aangeven wat er in je planning staat, als je op vakantie gaat, dan kan iedereen die op jouw profiel komt dat zien. Er zijn ook mensen een die weblog bijhouden, zo kunnen mensen zien wanneer en wat je doet. Afgelopen zomer zijn er een aantal diefstallen gepleegd doordat de daders dankzij Hyves en Twitter wisten wanneer en hoe lang het gezin op vakantie zou zijn. Dit gaf de inbrekers aanleiding om het woonadres te achterhalen. Je kunt je hier afvragen waar de privacygrens ligt. Het ziet er naar uit dat de privacy steeds minder wordt, er wordt steeds meer openbaar. Persoonlijke informatie komt steeds meer in de openbaarheid, maar dit geldt echter niet voor de mensen die deze informatie verspreidt. Het lijkt erop alsof de mensen die gebruik maken van de sociale netwerk sites het publieke domein vermijden. Ze trekken zich liever terug in het privé domein om achter de computer contact hebben in plaats van in levenden lijve. Deze sociale netwerken zijn daarom een zegen voor mensen die liever van achter de computer contacten onderhouden, maar een vloek voor contacten in het publiek domein.

SOAP | FEBRUARI 2010

21


MAATSCHAPPIJ & POLITIEK DE

MOGELIJKHEDEN VAN

DNA-ONDERZOEK

‘Is mijn vader eigenlijk wel mijn echte vader? Zijn mijn broers wel echt mijn familie? Grote twijfels en onbeantwoorde vragen over familiebanden laten diepe sporen na in het leven van de mensen. Want leven in het ongewisse, of het nu gaat om oorlogskinderen, adoptiezaken of het vermoeden voortgekomen te zijn uit overspel, veroorzaakt veel verdriet. Caroline Tensen wil in D$A Onbekend mensen helpen om voor eens en altijd een eind te maken aan een leven vol onduidelijkheden en ontkenningen’, aldus de site van de $CRV. Tegenwoordig is het in de mode om D$A testen te laten doen om erachter te komen wie je familie is. Maar hoe steekt dit allemaal in elkaar?

D$A bekend

pas bepaald in 1953 door James D. Watson, Francis Crick, Maurice Wilkins en de u allen bekende Rosalind Franklin. Het verhaal over de ontdekking van de chemische structuur van DNA is een bekend verhaal. Franklin deed namelijk onderzoek naar de structuur van DNA met behulp van röntgendiffractietechniek. Het blijkt dat één van haar opnamen zonder haar medeweten via Wilkins bij Watson en Crick onder ogen gekomen is. Deze gegevens hielpen Watson en Chrick om achter de structuur van DNA te komen. Deze gegevens publiceerden zij in 1953. Voor hun werk ontvingen Watson, Crick en Wilkins in 1962 de Nobelprijs. Wanneer geslachtscellen versmelten, voegen ze hun DNA samen. De eigenschappen van het nieuwe organisme zijn dan ook Paulien de Winter van beide ouders afkomstig. Door DNA tesAls eerste een korte uitleg over wat DNA pre- ten te doen, is het mogelijk te onderzoeken cies is en hoe het werkt. Zoals op wikipedia te wie familie van elkaar is en is te zien wat je vinden is, is DNA (oftewel deoxyribonucleic biogeografische achtergrond is. Op de site acid) een belangrijke drager van erfelijke van incertezza staat een duidelijk overzicht informatie. Het DNA bevindt zich in de cel in van de mogelijke DNA testen, procedure en de vorm van chromosomen. Deze chromoso- kosten. De bekendste DNA test is de vadermen bevatten miljoenen basenparen. Door schapstest. Een vaderschapstest stelt vast of replicatie wordt het DNA in een chromosoom iemand wel of niet de biologische ouder van gekopieerd. Zodoende kan DNA via de voort- een kind is. In tegenstelling tot wat de naam planting doorgegeven worden aan het nage- doet vermoeden, kan deze test ook gebruikt slacht. Op DNA liggen afzonderlijke genen. worden om het moederschap vast te stellen. Het aantal genen dat een organisme heeft kan De normale vaderschapstest wordt uitgevoerd verschillen. Zo hebben planten de meeste met behulp van wangslijm. Er bestaat ook een genen, namelijk 50 duizend. De mens heeft prenatale vaderschapstest. Deze wordt, zoals ongeveer 25 duizend genen. de naam al doet vermoeden, voor de geboorDNA werd ontdekt door Johann Friedrich te van het kind uitgevoerd. Bij deze test wordt Miescher (1844-1895). Hij vond DNA door het chorionvillusmonster of het vruchtwater witte bloedcellen afkomstig van ziekenhuis- geanalyseerd. Deze test is echter niet geheel afval te zuiveren. De chemische structuur van zonder risico’s. DNA bleef echter nog onbekend. Deze werd Andere DNA testen zijn de broer-zus relatie test, de tweelingentest, de grootoudertest en de verwantschapstest. Bij de broer-zus relatie test wordt er gekeken of twee personen dezelfde ouders hebben. Deze test is het nauwkeurigst wanneer het DNA van de vermoedelijke ouders ook beschikbaar is. Uit deze test komt in percentages de waarschijnlijkheid dat beide ouders gemeenschappelijk zijn of dat er één gemeenschappelijke ouder is. De tweelingentest wordt uitgeDe biogeografische afstammingstest zoekt uit waar je voor- voerd om te kijken of een tweeling een of ouders vandaan komen. twee-eiig is. Dit kan

22

SOAP | FEBRUARI 2010

van belang zijn om te weten wanneer er bijvoorbeeld sprake is van een genetische ziekte of onderling doneren. De grootouders test is een test om te kijken of er een genetische relatie is tussen de grootouders en de aanvrager. Deze test wordt bijvoorbeeld uitgevoerd wanneer er sprake is van een erfenis. De verwantschapstest kan gebruikt worden om allerlei onduidelijke familiebanden te onderzoeken.

De mens heeft ongeveer 25 duizend genen.

Een ander soort DNA test is de biogeografische afstammingstest. Met deze test kan achterhaald worden waar je voorouders vandaan komen en waar ze zijn geweest. Deze test kan gedaan worden omdat er een grote genealogishe DNA-databank bestaat die is samengesteld uit verschillende inheemse volken. Binnen de biogeografische afstemmingstest zijn er verschillende testen. De wereldoorsprong afstamming 2.5 test is hier één van. Deze test bepaalt voor welk percentage je DNA profiel uit één van de volgende groepen bestaan: Autochtoon Amerikaans, Oost-Aziatisch, Afrikaans en Europees. Weer een andere test is de Wereldoorsprong EuroDNA 1.0. Deze test zoekt verder uit, wanneer de voorouders voornamelijk Europees zijn, in welke Europese subgroep het DNA bestaat. Deze subgroepen zijn: Noord-Europees, Zuidoost-Europees, Midden-Oosters en ZuidAziatisch. Op de site van incertezza staan ook nog twee DNA testen vermeld waarbij DNA alleen door wordt gegeven door de vrouwen en een test waarbij DNA alleen door wordt gegeven door de man. De mito-origine test is een test die de mitochondriën van het DNA vergelijkt. Dit soort DNA wordt alleen doorgegeven voor vrouwen. Met deze test kan de moederlijke afstamming rechtstreeks vastgesteld worden. Dit mitochondrisch DNA is zowel aanwezig bij de man als bij de vrouw. Alleen geeft de vrouw het door en de man niet. De Y-chromosoom-afstammings test kan alleen bij mannen worden uitgevoerd omdat alleen mannen een Y-chromosoom hebben. Met deze test kan de vaderlijke afstamming achterhaald worden. Vrouwen die de vaderlijke afstamminglijn willen weten, hebben hiervoor DNA nodig van een mannelijk familielid. Natuurlijk hangt er een kostenplaatje aan deze testen. Een gewone vaderschapstest kost iets van rond de tweehonderd euro en een wereldoorsprong test ligt tussen de vierhonderd en zeshonderd. Tegenwoordig is het niet meer moeilijk om je DNA te laten onderzoeken. Maar willen wij wel weten of onze familierelaties echt zijn en van wie wij afstammen?


SOAP | FEBRUARI 2010

23


OPINIE

TWISTPUNT

De haken en ogen van het bindend studieadvies

Het bindend studieadvies heeft de afgelopen tijd veel stof doen opwaaien op de RUG. Van verhitte discussies in de Universiteitsraad (UR) tot verhitte discussie tussen studenten zelf. De meeste studenten keren zich tegen het zogenoemde BSA. De RUG vreest echter voor de hoge kosten van het grote aantal jaren dat studenten studeren vanwege opgelopen vertraging. Maar niet alleen kosten spelen een rol. Ook het niveau en de kwaliteit van het onderwijs op de universiteit staan onder grote druk door de vertraagde studenten. Dit is niet positief voor de rijksuniversiteit zelf, en al helemaal niet voor de hardwerkende studenten die het onderwijs genieten. De vraag is of een BSA de oplossing is voor de problemen waar de universiteiten, maar ook de studenten, mee kampen. Zal een bindend studieadvies studenten stimuleren om harder te werken of zal deze de studenten bij de eerste fout die zij maken afstraffen? Vanwege de complexiteit van dit twistpunt besloten we contact op te nemen met de verschillende partijen van de UR. Voor Lijst Calimero spraken wij Michiel Zwaan die binnen zijn fractie het BSA-dossier behandelt. Van de andere partijen hebben wij hun websites bekeken om ook hun mening te vertegenwoordigen.

Madelien Meulenkamp & Hannah Achterbosch

Een korte inleiding. Begin dit jaar kondigde het College van Bestuur (CvB) van de RUG aan dat een BSA ingevoerd moet worden om de slechte rendementen te verbeteren. Een BSA houdt in dat een student in het eerste jaar een bepaald aantal punten moet halen. Op dit moment lijkt dat veertig EC te worden. Worden die punten niet gehaald, dan mag de student niet langer bij de opleiding ingeschreven staan. De student mag dan de komende jaren zich niet opnieuw inschrijven en moet een andere studie aan de RUG gaan volgen of in een andere stad dezelfde studie opnieuw gaan doen. Dit zou ervoor kunnen zorgen dat er minder uitval is in het eerste jaar wat leidt tot meer gemotiveerde studenten die sneller afstuderen. Maar is de RUG wel klaar voor een BSA? Is ons onderwijs wel zo goed dat het daar in ieder geval niet aan kan liggen als een student faalt? En is een BSA wel de oplossing?

Het CvB haalde verschillende argumenten aan om een BSA in te voeren, zoals de slechte rendementen. Maar de manier

24

SOAP | FEBRUARI 2010

waarop het CvB het BSA heeft doorgedrukt en de medezeggenschap niet betrok, was niet netjes. “De rendementen van de eerstejaars studenten zijn niet alleen erg slecht, de cijfers laten ook zien dat het niet halen van punten ook voor een groot deel aan de slechte motivatie van de studenten ligt”, licht Michiel Zwaan toe. Maar slechte motivatie is volgens hem niet de enige reden. Wat bijvoorbeeld ook mee zou kunnen spelen is dat eerstejaars nog kampen met de veranderingen die het studentenleven met zich meebrengen. Het probleem dat een BSA dan met zich mee zou kunnen brengen is dat het niet alleen de ongemotiveerde studenten zal uitsluiten, maar ook die studenten die door andere omstandigheden hun draai nog niet hebben gevonden. Het is om die reden dat veel mensen een BSA een te harde aanpak vinden voor beginnende studenten.

Is ons onderwijs wel zo goed dat het daar in ieder geval niet aan kan liggen als een student faalt? En is een BSA wel de oplossing?

Het CvB had in eerste instantie twijfelachtige argumenten voor het invoeren van een BSA aangehaald. Het zou opgelegd worden vanuit Den Haag, maar het is nog helemaal niet bewezen dat een BSA ook daadwerkelijk de rendementen verbetert. Andere universiteiten in Nederland werken al met een BSA, zoals de Universiteit van Utrecht. Maar of de rendementen door het BSA omhoog zijn gegaan is niet duidelijk (red.) Maar BSA als middel voor hoog rendement is misschien helemaal niet zo nadelig voor studenten. Het is bijvoorbeeld een extra reden voor eerstejaars studenten om goed na te denken of ze aan de juiste studie beginnen. Daarnaast was de eerdere afspraak van het voorgaande bestuur met de UR om dergelijke plannen niet door te voeren tot 2011 en om eerst de effecten van de intensiveringsmaatregelen af te wachten. Ook die waren ingevoerd om hogere rendementen te behalen, maar of die nu hebben gewerkt weten we niet.

Maar harde aanpak of niet, het is een feit dat vertraagde studenten geld kosten. Meer geld dan studenten die wel binnen afzienbare tijd hun diploma behalen. “Maar het probleem blijft dat het slechte rendement van de studenten een hele grote druk

legt op het niveau en de kwaliteit van het onderwijs”, stelt het fractielid van lijst Calimero. Het grote aantal studenten, mede veroorzaakt door studenten die vakken van het eerste jaar opnieuw moeten doen, zorgt dat het niet haalbaar is onderwijs van hoge kwaliteit te garanderen. Daarnaast worden de financiële tekortkomingen vaak los gezien van de kwaliteitsproblemen in het onderwijs waar de universiteit mee kampt. Maar deze twee factoren hangen sterk samen. De universiteit krijgt geld voor elke afgestudeerde student. Vertraagde studenten doen er langer over om hun diploma te halen en kosten daardoor veel geld. “Geld dat anders naar goed onderwijs had kunnen gaan”, licht Michiel toe. “Kleinschalig en intensief onderwijs en het nakijken van essaytentamens kost meer tijd en dus meer geld.” Daarnaast gaat ook het niveau van het onderwijs omlaag door vertraagde studenten. Er komen steeds meer studenten aan de universiteit studeren. Dit brengt ook een groei van studenten met zich mee die de studie wellicht niet aankunnen, vanwege het afnemen van de kwaliteit van middelbaar onderwijs. Op deze studenten, die wel worden toegelaten worden op de universiteit, wordt daardoor een te grote druk gelegd. Het is onmogelijk om van deze studenten te verwachten dat zij hun diploma zonder studievertraging halen. Een lager niveau hanteren op de universiteit is daardoor niet te vermijden. Kortom, een BSA zou in een vroeg stadium studenten met grote kans op het niet halen van een diploma uit kunnen selecteren. Hierdoor kan de kwaliteit en het niveau van het onderwijs stijgen.

Een BSA zou in een vroeg stadium studenten met grote kans op het niet halen van een diploma uit kunnen selecteren.

Maar dit alles betekent niet dat het BSA al voor volgend jaar kan worden ingevoerd. Michiel is van mening dat de kwaliteit en het niveau van het onderwijs belangrijk is, maar een BSA kan niet direct worden ingevoerd. “De universiteit moet aan bepaalde voorwaarden voldoen, wil zij een BSA invoeren. Voorbeelden hiervan zijn voldoende studieadviseurs en een betere begeleiding in het eerste jaar.” Aan de kwaliteit van het onderwijs mag het niet meer liggen dat studenten minder scoren. Tegen de tijd dat deze SoAP uitkomt zal in de U-raad bekend zijn gemaakt wat het volledige pakket van voorwaarden


OPINIE van lijst Calimero inhoudt (red.).

De SOG (Studentenorganisatie Groningen) is tegen het invoeren van een BSA. De SOG ziet het BSA als een niet-inhoudelijke studieblokkade. Want hiermee wordt de verantwoordelijkheid bij de student gelegd en niet bij de instelling, in dit geval de RUG. De partij vindt dat een BSA slechts ingevoerd kan worden als daar wetenschappelijke en degelijke argumenten voor worden aangedragen . Bovendien zou de nadruk moeten liggen op de intrinsieke en niet de extrinsieke motivatie. Studenten zouden gestimuleerd moeten worden om harder te gaan werken voor hun studie, maar niet door een harde maatregel als een BSA moeten worden afgestraft. De SOG vindt het van groot belang dat de onderwijsinstellingen eerst de opleidingen verbeteren, voordat studenten op deze manier een groot risico lopen niet verder te studeren. De instellingen zouden bijvoorbeeld semesterindelingen moeten veranderen, vrije werkgroepen voor tentamenvoorbereidingen moet organiseren en een duidelijke informatievoorziening moeten hanteren. Daarnaast heeft kleinschalig onderzoek van de faculteit van rechtsgeleerdheid uitgewezen dat het BSA niet de beoogde effecten heeft. De instroom van studenten blijkt bijvoorbeeld nauwelijks beïnvloed door de invoer van een BSA en het kwaliteit van het wetenschappelijk onderwijs wordt niet verbeterd met het invoeren van een BSA.

Maar BSA als middel voor hoog rendement is misschien helemaal niet zo nadelig voor studenten.

De Groninger Studentenbond vindt dat academische vorming met vallen en opstaan komt. Een BSA zou dit niet langer toelaten. In een artikel van de Groninger Studentenbond wordt genoemd dat “academische vorming komt met vallen en opstaan”. Dit is geschreven naar aanleiding van een lezing van ex-rector en ex-collegevoorzitter van de universiteit Leiden, Douwe Breimer. De Groninger Studentenbond is ook van mening dat vallen en opstaan een belangrijke leerweg is als het academische vorming betreft. En mede om deze reden betoogt de Groninger Studentenbond tegen het invoeren van een BSA. “Een BSA zou de mogelijkheid tot vallen en opstaan compleet wegvagen,” (Wagenaar, 2009).

Maar het is de vraag het vallen en opstaan wel compleet wordt weggevaagd. Vallen wordt slechts beperkt door het invoeren van een BSA. Herkansingen bieden bijvoorbeeld na de eerste keer “vallen” de

mogelijkheden tot opstaan. Zeker als het BSA bepaalde voorwaarden met zich meebrengt, zoals toenemende begeleiding bij beginnende studenten. Het is de vraag in hoeverre het BSA het vallen slechts beperkt of onmogelijk maakt. Als er bijvoorbeeld geen mogelijkheid is om tentamens in te zien en daar ook vragen over te stellen is het de vraag of er wel een mogelijkheid is tot opstaan. De vraag is of ons onderwijs, dat van de hele universiteit en van onze faculteit, wel voldoet aan de eis die het BSA met zich meebrengt. Aan het onderwijs mag het dus niet meer liggen en er zal alles gedaan moeten worden om studenten zo goed mogelijk te ondersteunen. Ze moeten nog kunnen vallen in dat eerste jaar, maar ook nog op kunnen staan zonder meteen afgeschreven te worden. $aast de mening van de leden van de UR of het adviserend studentlid van ons Faculteitsbestuur, werden alle studenten opgeroepen hun mening te geven op www.bsagroningen.nl. Bijna driekwart van de 1730 studenten stemde tegen. Dit zou goed kunnen komen omdat heel veel (niet-bestuurlijke) studenten zich er niet echt mee bezig houden. Zij weten er niet alles over en het leeft bij hen minder dan bij de studenten die actief zijn in de medezeggenschapsraad. Misschien moet zoiets ingewikkelds met zoveel haken en ogen niet voorgelegd worden aan studenten die er niets vanaf (kunnen) weten. Er is veel dossierkennis voor nodig. Misschien had dat overgelaten moeten worden aan studenten die daar voor gekozen zijn. Natuurlijk is het wel een signaal, maar het was ook een politiek gekleurd referendum.

Referendum of niet, het BSA komt er. Maar in welke vorm? Uiteindelijk was er weinig aan het invoeren van het BSA te doen. Wat de mening van de medezeggenschap ook was geweest, het CvB had het BSA alsnog wel ingevoerd. Het CvB is nu eenmaal de baas. Alhoewel het CvB bij het besluit weinig luisterde naar medewerkers en studenten luistert het nu wel heel goed om te bepalen welke vorm het zal moeten gaan krijgen. Iedere faculteit, waaronder ook de onze, is begonnen met het opstellen van begeleidingsgroepen die de randvoorwaarden van het BSA te kijken. Zij zullen het faculteitsbestuur adviseren en dit zal door het CvB worden meegenomen.

kent een blokkaderegeling in het eerste jaar: twee van de drie statistiekvakken moeten gehaald worden om door te gaan naar het tweede jaar. Als dit wegvalt is het gevaar dat alleen het halen van die willekeurige veertig punten inhoudelijk niet genoeg is. Je zou dan door kunnen naar het tweede jaar zonder ook maar één statistiekvak gehaald te hebben. Aan de andere kant is het BSA op zichzelf staand al vrij zwaar.

Het probleem dat een BSA dan met zich mee zou kunnen brengen is dat het niet alleen de ongemotiveerde studenten zal uitsluiten, maar ook die studenten die door andere omstandigheden hun draai nog niet hebben gevonden.

Daarnaast haalt Michiel aan dat het eerste jaar representatief moet zijn voor de rest van de Bachelor. Dit zou bij Psychologie dan anders moeten. In het eerste jaar worden daar alleen maar multiple choice-tentamens afgenomen terwijl er later ook essaytentamens komen. Dit is slechts een voorbeeld van vele zaken waar de komende tijd naar gekeken zal moeten worden.

Het besluit tot invoering van het BSA en de manier waarop het doorgevoerd zal worden blijft een ingewikkeld twistpunt. Bijna ieder argument voor het BSA kan er ook tegen gebruikt worden en vice versa. Daarnaast is het nog helemaal niet bewezen dat een BSA ook daadwerkelijk de rendementen verbeterd. Maar zoals het er nu voorstaat met de rendementen kan het niet langer, aldus het CvB. Het BSA komt er dus en als deze SoAP gepubliceerd is zal er druk worden gesproken over alle randvoorwaarden, ook op onze faculteit. Is al ons personeel wel goed genoeg, voldoet ons onderwijs aan de eisen, et cetera. Maar dat het er zal komen is inmiddels al wel zeker.

De SOG ziet het BSA als een niet-inhoudelijke studieblokkade.

Wat zijn de belangrijkste randvoorwaarden waar onze faculteit op zal moeten letten? Het is vooral van belang om naar de bestaande blokkadevakken te kijken. Ook Sociologie

SOAP | FEBRUARI 2010

25


OPINIE

INGEZONDEN

REACTIE

Turkije is een kans, geen bedreiging

Met verbazing heb ik het pleidooi tegen toetreding van Turkije tot de Europese Unie (SoAP, 2009, 3) gelezen. $aast het feit dat u de plank in uw argumentatie zo nu en dan volledig mis slaat, strookt uw ogenschijnlijk pragmatische visie op de EU niet met de lijn van het artikel. In deze brief wil ik graag een aantal misvattingen rechtzetten, om vervolgens mijn eigen standpunt te poneren. In uw artikel zet u Cyprus af tegen Turkije. U bent van mening dat Cyprus wel tot Europa gerekend kan worden en Turkije niet, uit historische overwegingen. Hier zal ik eerst aandacht aan besteden. Vervolgens wil ik een opmerking plaatsen bij het door u aangevoerde argument over de Turkse staatsvorm, om ten slotte een eigen suggestie te doen met betrekking tot de toetreding van Turkije tot de EU. Turkije is een kans, geen bedreiging.

Sander Oostburger

De kwestie Cyprus U vertelt ons in uw artikel dat we slechts in de historie van Cyprus hoeven te duiken om te begrijpen dat dit land, in tegenstelling tot Turkije, overduidelijk tot Europa gerekend kan worden. Goed. In de Middeleeuwen was het eiland lijdend voorwerp van een aanhoudende strijd tussen Arabieren, Byzantijnen, en verschillende fracties hierbinnen. De Venetianen, de Kruisvaarders en ten slotte de Ottomanen bezetten het eiland. In 1925 werd Cyprus, zoas u opmerkt, een kolonie van GrootBritannië. En dat is één van de redenen, zegt u, dat Cyprus een Europees land genoemd kan worden. In dezelfde paragraaf (!) behandelt u de kwestie Marokko. Dit land vroeg in 1987 het EU-lidmaatschap aan, maar werd afgewezen omdat het geen Europees land zou zijn. Op zichzelf een begrijpelijk standpunt, maar in het licht van uw argument een suïcidale misstap. Stond Marokko niet decennia lang onder invloed van de Fransen? Sterker nog, dezelfde Britten die Cyprus als invloedsfeer hadden, erkenden de kolonie als zijnde Frans. Dus als het Aziatisch gesitueerde Cyprus het predikaat Europees dankt aan zijn voormalige Europese overheerser, geldt dit dan niet voor het in Afrika liggende Marokko? De tweedeling van het land heeft al helemaal weinig van doen met de vraag of Cyprus Europees genoemd kan worden. De EU was in 1990 voornamelijk bezig met de ontwikkelingen in de voormalig communistische landen. EU-lidstaat Griekenland zag zijn kans schoon de nog immer voortdurende strijd tussen dezelfde volkeren die zich inmiddels

26

SOAP | FEBRUARI 2010

Turks-cyprioten en Grieks-cyprioten noemen, in haar voordeel te beslechten. Middels een sterk staaltje postmodern-imperialisme dreigde Griekeland de uitbreiding van de EU naar het oosten te vetoën als de kwestie Cyprus bij de EU niet aanhangig gemaakt zou worden. Met begrijpelijke urgentie heeft de EU de Grieks-cypriotische regering erkend en is aan de slag gegaan met Oost-Europa. Beste heer Kielman, voor zover ik de geschiedenis van het eiland kan interpreteren heeft zowel de Aziatische als de Europese wereld regelmatig claim gelegd op Cyprus en woedt de interne strijd nog altijd. Dat u de claim van één van deze partijen – de EU – die ook nog eens volledig arbitrair en op voorspraak van één enkele lidstaat is gedaan, als objectief en éénduidig bestempelt getuigt niet van uw wetenschappelijke achtergrond.

Republiek of Democratie? Vergeef mij mijn strijdbaarheid, maar er is nog een argument in uw artikel dat ik moet weerleggen alvorens mijn eigen standpunt te openbaren, voor zover u dat niet kunt raden. U zegt dat de EU als voorwaarde stelt dat het toetredende land, Turkije, een volwaardige democratie moet zijn. Vervolgens legt u de lezer hoffelijk uit dat het woord in kwestie is afgeleid van Demos Kratein, wat zoiets betekent als; het volk regeert. Ook zou een meerderheid van de Turken tegen toetreding zijn (waar die statistiek vandaan komt is mij een raadsel, maar dat terzijde). U gebruikt een ogenschijnlijke paradox (Turkije zou democratisch moeten zijn om te mogen toetreden, maar als ze democratisch waren zouden ze de toetreding niet willen) als argument. Retorisch sterk, maar het klopt van geen kant. Ten eerste is het geen voorwaarde voor toetreding tot de EU om een volwaardige democratie te moeten zijn. Deze misinterpretatie leek mij in eerste instantie een schoonheidsfoutje, daar in de Criteria van Kopenhagen wordt gesteld dat het toetredende land democratische principes moet respecteren. Maar u legt vervolgens haarfijn uit dat u democratie in deze zeer letterlijk neemt; Demos Kratein. Sinds de glorietijden van Athene komt democratie in de letterlijke vorm nauwelijks meer voor in Europa. Tegenwoordig kiest het volk vertegenwoordigers die de

natie regeren. Het is dus niet zozeer het volk dat regeert; demos kratein, maar het volk heeft invloed op de publiek zaak; res publica. De Republiek Turkije, zoals het officieel heet, voldoet wel degelijk aan het genoemde criterium, zoals het letterlijk in de Criteria van Kopenhagen staat. Daarmee is het, in mijn ogen het ietwat populistische, argument dat de EU naar het Turkse volk moet luisteren dat niet achter toetreding zouden staan, van nul en gener waarde; maar omwille van de ruimte verwijs ik u door naar het essay Federalist No. 10 van James Madison, waarin hij de republiek als beschermheer tegen de grillen van de meerderheid glashelder uiteenzet.

Waarom zou een verstandig mens op een historische tweesprong als deze zichzelf één van de belangrijkste stukjes aarde ontzeggen, als de inwoners van dat stukje aarde toenadering zoeken?

Investeringen betalen zichzelf uit Waarom zou de Europese Unie zich van een kans beroven haar grondbeginselen te honoreren? Aan de wieg van Europese samenwerking stond in 1950 de toenmalige Franse minister van buitenlandse zaken Robert Schuman. Zijn insteek was een vredesgezinde reorganisatie van het na-oorlogse Europa, op basis van economische integratie. Deze twee thema’s, vrede en economie, zouden de pijlers onder de toetreding van Turkije moeten zijn.


OPINIE

In de Verklaring van Laken van 2001 stelt de EU zichzelf de vraag wat haar rol is in de geglobaliseerde wereld. De aanslagen van 11 september hebben aangetoond dat de tegenkrachten die Europa in de jaren ’40 in duisternis hulden nog steeds aanwezig zijn. Regionale conflicten, armoede, en onderontwikkeling zijn ook nu een voedingsbodem voor etnisch nationalisme, religieus fanatisme en terrorisme. De EU ziet zichzelf als “een mogendheid die de verhoudingen in de wereld zodanig wil wijzigen dat ze niet enkel voor de rijke maar ook voor de armste landen voordeel opleveren.” En de investering die Europese landen doen in armere naties betalen zichzelf uit. Waarom is Duitsland na WOII niet opnieuw ten prooi gevallen aan nationalisme, net als na WOI? Waarom is ‘west-Europa’ niet verslonden door de oprukkende communisten? Omdat het altijd heeft geïnvesteerd in haar eigen toekomst. De Fransen zijn, gesteund door Amerika, een economische samenwerking aangegaan met Duitsland. De EU heeft financiële reddingsplannen opgesteld voor geruïneerde voormalig Sovjet-staten. Ook nu Turkije aan de deur klopt moet het potentieel van dit land onderkend worden.

Brug tussen werelden Het mes snijdt aan twee kanten. De relatief jonge beroepsbevolking van Turkije kan na toetreding de vergrijzing in Europa tegengaan. In een recent bevolkingsrapport van de VN is de noodzaak van arbeidsmigratie in de toekomst aan het licht gebracht; waarom zou de EU gewilde, jonge krachten buiten de deur houden? Istanbul danwel Constantinopel is al sinds mensenheugenis een gewilde strategisch gelegen stad. De verovering van de stad door sultan Mehmed II op Constantijn betekende het eind van het Byzantijnse Rijk, sterker, het einde van de Middeleeuwen. Turkije vormde in het verleden en vormt nog altijd een culturele, diplomatische, economische en strategische brug tussen twee werelden. Waarom zou een verstandig mens op een historische tweesprong als deze zichzelf één van de belangrijkste stukjes aarde ontzeggen, als de inwoners van dat stukje aarde toenadering zoeken? Inderdaad, u heeft gelijk, we handelen al heel veel met de Turken. Ik zie echter geen reden om de dure douanaformaliteiten en vertragingen aan de grens te continuëren. En volgens het Centraal Plan Bureau kan de Nederlandse export, in tegenstelling tot wat u beweert, met 20 % groeien na toetreding van Turkije. Tot slot wil ik u een smakelijke maaltijd wensen bij uw kebabzaak aan de Vismarkt. Ik ben blij dat u op kleine schaal de culturele (of moet ik zeggen culinaire) en economische (na toetreding is uw broodje een stuk goedkoper) integratie een warm hart toedraagt.

COLUMN

Kritiek is niet hip, fout gedrag daardoor wel

Hannah Achterbosch

Kritiek geven is niet hip, en kritiek krijgen is al helemaal vervelend. In Nederland heerst de onuitgesproken regel: “Jij geen kritiek op mij, ik geen kritiek op jou”. Wel zo gemakkelijk: als jij niet “zeurt” over de ander kun jij ook doen wat je niet laten kunt en dat is wat we willen. Een vrij land waar iedereen alles mag doen wat niet door de wet verboden is, heerlijk toch? Toch was ik afgelopen vakantie in Italië opgelucht. Ik zat met wat vriendinnen bij een cocktailbar, waar wij een overspelige Italiaan observeerden. Zodra de ene vrouw weg was, kwam de andere er aan. Maar toen gebeurde het: een oudere Italiaanse man stond op en je zag hem denken: “Wat die man doet, kan niet.” Heftige discussies laaiden op. Hoewel ik de inhoud van de ontstane discussie niet perfect kon verstaan, was ik blij dat er nog stoere Italianen bestaan die andere mannen op hun foute gedrag wijzen. Het kan dus, kritiek hebben. Niet leuk voor degene die kritiek krijgt, in dit geval de overspelige Italiaan, maar misschien wel beter voor de mensheid als geheel. We kunnen toch niet zomaar al het foute gedrag toelaten omdat wij dan ook vrijgesteld zijn van kritiek? Als niemand die overspelige Italiaan vertelt dat vreemdgaan fout is, hoe moet hij dat dan weten? Doordat mensen geen kritiek krijgen op hun foute gedrag wordt dat gedrag gestimuleerd, want er is weinig reden om het gedrag niet te vertonen. De Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) wist het in 1998 al: De cultuur van afzijdigheid is een belangrijke oorzaak van fout gedrag. De RMO noemde vooral geweld als een van de uitkomsten van de kritiekloze maatschappij. Zij stelden dat mensen in deze cultuur zich niet “verantwoordelijk voelen voor het ongewenste gedrag van anderen, of dat zij angst hebben om die verantwoordelijkheid op zich te nemen.” De oorzaken van deze cultuur liggen wellicht in de toegenomen anonimiteit en in het grote vertrouwen op zelfcontrole en zelfbeheersing. Maar blijkbaar hebben wij veel minder zelfbeheersing en zelfcontrole dan van ons wordt verwacht en dan we zelf denken. De overspelige Italiaan is daar een voorbeeld van, maar hetzelfde geldt voor de enorme drankconsumptie van studenten, oma’s die voordringen bij de kassa en pizzakoeriers die doorrijden als ze iemand hebben aangereden. Is het raar dat mensen geen onderscheid meer kunnen maken tussen flirten en vreemdgaan, goed en fout, veel en te veel, als er geen mogelijkheid meer is om over gedrag te discussiëren?

Gedrag moet bediscussieerbaar zijn. Niet alleen om fout gedrag van anderen tegen te gaan, maar ook om stil te staan bij ons eigen gedrag. Als er een open discussie plaatsvindt over hoe we ons horen te gedragen en daarbij ook kritisch naar ons eigen gedrag kijken, zal er alleen maar een afname van ongewenst, fout gedrag ontstaan. Want uiteindelijk heeft iedereen last van ongewenst, fout gedrag, dus zou ook iedereen de verantwoordelijkheid moeten nemen er iets aan te doen. Dit betekent niet dat we fout gedrag met harde hand moeten afstraffen en ongeremd kritiek moeten leveren. Iedereen vertoont immers wel eens ongewenst gedrag en zal zich daar in veel gevallen ook bewust van zijn. Het gaat er om dat het foute gedrag benoemd wordt en dat op deze manier gedrag bespreekbaar blijft en aanzet tot nadenken. Het doel van kritiek leveren is dan ook niet straffeloos je eigen irritaties op iemand afschuiven, maar iemand duidelijk maken dat zijn gedrag ongewenst is voor anderen of moreel niet verantwoord is.

'De cultuur van afzijdigheid is een belangrijke oorzaak van fout gedrag.

Daarnaast moet kritiek ook nog geïncasseerd worden. Als er meer discussie plaats moet vinden over gedrag, dan moet ook het eigen gedrag bediscussieerbaar zijn. Dit is een punt waar veel mensen problemen mee hebben. Mensen voelen kritiek op gedrag als beperkend maar beseffen zich niet dat hun gedrag beperkend is voor de ander. Ontzettend jammer, want kritiek is slechts bedoeld om gedrag te verbeteren. Gedrag verbeteren als je niet weet wat je fout doet, kan niet. Het ontwikkelen van gedrag is niet mogelijk als er geen kritiek wordt geleverd. Als wij geen last willen hebben van andermans (ongewenste) gedrag zullen we toch iets aan ons eigen gedrag moeten veranderen. Wij zullen niet alleen kritiek moeten geven, maar vooral ook kritiek van anderen ontvangen en deze serieus nemen. Gedrag van mensen valt niet te verbeteren als er geen kritiek op wordt geleverd en een maatschappij en cultuur kan zich niet verder ontwikkelen in een wereld waar mensen zich afzijdig houden. Het zou toch mooi zijn, als al die Italiaanse vrouwen niet meer bedrogen werden, omdat één man kritiek heeft geleverd op een overspelige Italiaan?

SOAP | FEBRUARI 2010

27


OPINIE

STEUN

VOOR ONTWIKKELINGSLANDEN

De ijzeren greep van het IMF en de Wereldbank

Het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Wereldbank zijn twee instituties die actief zijn bij het ondersteunen van ontwikkelingslanden. Beide instanties zijn in 1944 met de overeenkomst van Bretton Woods opgericht om de wederopbouw van Europa na de tweede wereldoorlog te bevorderen. Het IMF en de Wereldbank zijn nu de twee grootste instituties op het gebied van ontwikkelingssamenwerking en internationale samenwerking. Ontwikkelingslanden kunnen leningen bij hun afsluiten om schulden af te betalen, de infrastructuur te verbeteren of een industrie op te zetten als zij aan een de voorwaarden de Wereldbank en het IMF tegemoet komen, de zogeheten structurele aanpassingsprogramma’s (SAP’s). Die hebben helaas niet de gewenste economische groei opgeleverd, maar het heeft ontwikkelingslanden wel opgezadeld met schuldenlasten die ze zelf niet meer kunnen afbetalen. Hier is veel kritiek op geuit, uit de ontwikkelingslanden maar ook uit het westen. Wat houdt dat beleid nu eigenlijk in en waar gaat het fout?

Eric Wams

Het IMF houdt zich voornamelijk bezig met een drietal zaken: het promoten van monetaire samenwerking en stabiliteit; het stimuleren van economische groei; het wisselkoerssysteem en de werkgelegenheid; en tijdelijke financiële ondersteuning aan landen die tekort komen op hun betalingsbalans. De Wereldbank is het instituut voor ontwikkelingsamenwerking van de Verenigde Naties dat leningen verstrekt aan ontwikkelingslanden en middeninkomenlanden. Deze leningen kunnen voor tal van zaken worden gebruikt, zoals het verbeteren van de infrastructuur of investeringen in landbouw. Dat geld krijgen ze echter niet voor niets. Sinds 1970 heeft de Wereldbank structureringsprogramma’s ingevoerd (later ook bekend als poverty reduction strategy papers (PRSP). Als landen geld lenen moeten ze van de Wereldbank en het IMF structurele aanpassingsprogramma’s (SAP’s) doorvoeren. Dat houdt in feite in dat landen een Neoliberale koers van de Wereldbank (en ook het IMF) moeten volgen. De overheid moet bijvoorbeeld maatregelen nemen tegen corruptie, de grenzen openen voor export, overheidsdiensten privatiseren en bezuinigen op sociale voorzieningen en zich zo min mogelijk mengen in de vrije markt, want alleen zo kan de markt optimaal zijn werk doen. Om de export extra te stimuleren moeten nationale munten devalueren ten opzichte van de dollar. Dat is gunstig voor de exportpositie. Deze

28

SOAP | FEBRUARI 2010

aanpassingen moeten genoeg geld opleveren om de schulden weer af te betalen en te moderniseren, zoals in het westen. Het doel van deze maatregelen was het bevorderen van economische groei, maar de economieën groeiden niet zoals werd verwacht. De ontwikkelingslanden bleven echter wel met de schulden zitten, die ze niet kunnen terugbetalen. Ook bleven ze gebonden aan de hervormingen die zijn doorgevoerd, terwijl deze niet gunstig bleken uit te pakken. Het is echter de vraag wat belangrijk is voor de ontwikkeling van een land. Ontwikkeling is een proces dat traditionele samenlevingen stuwt naar modernisering met als eindpunt een westerse consumptiemaatschappij. Het doel van ontwikkeling is het verhogen van de welvaart en dan vooral de materiële welvaart. Dit is een erg westers beeld van ontwikkeling en dat wordt vaak vergeten, zo ook door de het IMF en de Wereldbank Wat wel zoden aan de dijk zet in ontwikkelingslanden zijn een sterke staat, politieke stabiliteit en een middenklasse. Economische groei en westerse democratie zijn mooie idealen, maar als een land niet bestuurd wordt, heb je daar helemaal niets aan. Aziatische landen als China, Zuid-Korea, Taiwan hebben zich helemaal niet snel ontwikkeld door zich te alleen op economische groei te focussen, maar op gereguleerde groei, het stimuleren en beschermen van de nationale markt. De staat bemoeide zich juist veel met de economie.

Wat wel zoden aan de dijk zet in ontwikkelingslanden zijn een sterke staat, politieke stabiliteit en een middenklasse.

In de meeste Afrikaanse landen, maar ook in landen als Afghanistan is er nog geen goede infrastructuur en politieke stabiliteit om de marktwerking in te voeren. Ook zijn eigendomsrechten in ontwikkelingslanden niet goed of helemaal niet ingevoerd, terwijl een van de belangrijkste voorwaarde voor marktwerking is. Als je investeert in een stuk land wil je niet dat je dat wordt afgepakt. Daarnaast missen de meeste ontwikkelingslanden nog een cruciale factor: de middenklasse. Dat is de klasse die baat heeft bij politieke en economische stabiliteit en eigendomsrechten. Zij zijn immers de bezittende

klasse, kunnen investeren en hebben dus wat te verliezen. De belangrijkste productiesector in ontwikkelingslanden is echter landbouw. Helaas is het lastig concurreren in deze sector aangezien de VS en de EU veel van haar landbouwproducten subsidiëren. Het IMF en de Wereldbank zijn niet de instanties die hier wat aan doen en al zouden ze dat kunnen dan zouden ze dat nog niet doen, want ook daar hebben de EU en de VS de touwtjes in handen. Het is dus niet zo vreemd dat ontwikkelingslanden steeds meer wantrouwen krijgen jegens beide instanties. Gelukkig is China steeds vaker bereid om leningen aan onder andere Afrikaanse landen te verstrekken tegen gunstiger voorwaarden. Deze leningen worden verstrekt ondanks dat ook China, net als de EU en de VS, vooral baat heeft bij de grondstoffen die daar te halen vallen. Er zijn enkele landen die uit de houtgreep van het IMF en de Wereldbank proberen te komen. Bolivia heeft bijvoorbeeld het IMF en de Wereldbank de rug toe gekeerd. Morales beschuldigde de Wereldbank van chantage toen het hem een lening wilde verstrekken als hij privatiseringen zou doorvoeren ten aanzien van natuurlijk bronnen, lees olie, en basisvoorzieningen. Onder het socialistische bewind van Evo Morales voert Bolivia nu haar eigen koers. Bolivia kan haar eigen koers voeren mede omdat zij over eigen energiebronnen beschikt. Afrikaanse en andere onderontwikkelde landen hebben daar vaak geen toegang toe. Zij zullen de komende decennia waarschijnlijk weinig vooruitgang boeken, tenzij het IMF en de Wereldbank de komende jaren radicaal hun koers gaan wijzigen. Maar aangezien de VS en de EU het daar voor het zeggen hebben, heb ik daar voorlopig nog mijn twijfels bij.


BOEKBESPREKING: KLUUN – GOD

IS GEK

OPINIE

Bestaat God nou wel of niet?

Stel jezelf de vraag ‘Bestaat God?’ En zo ja of nee, waarom wel of niet? Als je deze vraag goed of leuk genoeg beantwoordt mag je in Kluun’s nieuwe boek staan: God is Gek.

Annelijn Remmelink

Kluun is actueel en hot. Of je hem nu een sympathieke man vindt of een arrogante klootzak, je kunt niet aan hem ontkomen. Kluun (1964), volledige naam Raymond van de Klundert, verloor zijn vrouw op 36-jarige leeftijd aan kanker. Na de dood van zijn vrouw vertrok hij naar Australië om daar te reizen met zijn dochter. Daar begint hij te schrijven aan zijn eerste autobiografische roman Komt een vrouw bij de dokter. Dit boek werd ontvangen met veel lof maar ook met ontzet. Kluun moest zich in verscheidene praatprogramma’s verdedigen voor zijn deels fictieve verhaal. Wie het boek nog niet kent kan nu het verfilmd is, niet meer ontkomen aan het verhaal. De man die vreemdging terwijl zijn vrouw voor haar leven vocht tegen kanker. Na dit boek schreef Kluun onder andere Help, ik heb mijn vrouw zwanger gemaakt, De weduwnaar en Klunen. De weduwnaar was het vervolg op zijn eerste boek. Verder scheef Kluun onder andere columns voor Red, Algemeen Dagblad, Viva, VT Wonen en deed hij de ochtendshow van Giel Beelen op 3FM. God is Gek is het nieuwste boek van Kluun. De ondertitel van het boek geeft beter weer waar het boek over gaat dan de titel zelf: de dictatuur van het atheïsme. Volgens Kluun zijn er weinig mensen overtuigd atheïst: diegenen die het wel zijn lijken het hardst te prediken dat God niet bestaat. De vraag die gesteld wordt in het boek is: zijn we echt zo atheïstisch als de media doet vermoeden? Het boek is uitgegeven in het kader van de Maand van de Spiritualiteit en bevat veel citaten van bekende personen, zoals we van Kluun gewend zijn. Het boek is een samenvatting van meningen van bepaalde mensen over de vraag of God wel of niet bestaat en waarom ze dit denken. Kluun vat deze meningen samen in zijn eigen woorden en trekt hieruit bepaalde conclusies.

Het geloof is gegijzeld door fundamentalisten en mafketels.

Als we ingaan op de inhoud van het boek kom je verschillende fasen tegen. Kluun ondervraagt verschillende soorten mensen. Als eerst vraagt Kluun aan bekende Nederlanders of die in God geloven. Hier

geeft hij al snel zijn interpretatie over hun meningen. Het is wel duidelijk dat zijn ondertitel hier vandaan komt. Deze Nederlanders zijn de media die zo hard roepen dat God niet bestaat. Jeroen Pauw roept overtuigd ‘God bestaat niet. God is verzonnen’. Max Pam sluit zich hierbij aan en voegt nog het volgende toe: ‘De bewijslast is hier puur aan de atheïsten die beweren dat God bestaat’. Vervolgens vraagt Kluun om de mening van bekende christenen zoals Arie Boomsma en Leo Blokhuis. Opvallend is dat hij hier minder mensen vraagt dan bij de bekende Nederlanders. Van deze bekende Christenen is bekend dat ze gelovig zijn waardoor het niet opzienbarend is dat ze antwoorden dat ze in God geloven en dat dit vertrouwd aanvoelt. Kluun zegt hierna ‘Het geloof is gegijzeld door fundamentalisten en mafketels’. Volgens Richard Dawkins, die ook nog het woord krijgt in dit boek, hebben de atheïsten tegenwoordig de positie die lijkt op die van de van de homo’s vijftig jaar geleden. Volgens hem kunnen we dus verwachten dat de atheïsten over een paar jaar geaccepteerd worden. Is dat dan nog niet zo, vraag ik mij af.

Volgens de Dikke van Dale is God een bovenmenselijk, machtig en aanbiddelijk wezen.

Na deze concludering ondervraagt Kluun een stel wetenschappers. Dit gedeelte zorgt voor wat nieuwe wendingen in het boek en dat is ook nodig. Na het vorige gedeelte zakt het boek een beetje in qua inhoud. Je zou verwachten dat deze wetenschappers unaniem zouden zeggen dat God niet bestaat. Zij concluderen echter dat we niet kunnen bewijzen dat God wel bestaat, maar ook zeker niet dat hij niet bestaat. De wetenschappers kunnen niet simpelweg ja of nee zeggen. Het grappige is dat Kluun hier nauwelijks op in gaat: het lijkt net alsof hij hier geen grappige anekdote weet te bedenken waardoor hij besluit om weer eens een denkbeeldig gesprek te beginnen met geleerden die allang dood zijn zoals Spinoza en Einstein. Het eerste gesprek is nog wel interessant, maar na drie dode geleerden begint het al gauw te vervelen. Uiteindelijk wil hij nog de mening weten van Happinez schrijvers. Dit geeft weinig toegevoegde waarde aan het boek. Er wordt van te voren niet aangegeven wat er van deze mensen verwacht wordt. Dit is verwarrend want van de vorige mensen wist je precies welke richting Kluun op zou gaan. Kluun eindigt zijn verhaal met zichzelf vragen te stellen over het bestaan van God. In

het antwoorden hiervan is hij merkbaar voorzichtiger dan in het verwoorden van de antwoorden van de eerder genoemde ondervraagden. Het lijkt of Kluun zich hier indekt voor mogelijk commentaar. Wederom noemt hij de dood van zijn vrouw als een keerpunt in zijn leven. Ook heeft dit invloed gehad op zijn geloof in God. Hij gelooft niet per se in het bestaan van God maar wel in een ‘bovenmenselijk, machtig en aanbiddelijk wezen’. Zoals het eerdergenoemd in het Van Dale staat. Hierna komen er wat vragen die niet echt inhoud hebben. Dat is jammer want het is toch wel de afsluiting van het boek. Kort samengevat is het boek geschreven in een typische Kluun-stijl. Een tikkeltje grof hier en daar maar hij zegt waar het op staat. Zijn conclusies zijn soms ietwat kort door de bocht maar dat maakt hij goed in schrijfstijl. Het boekje is dun en je bent er zo doorheen, maar toch denk je halverwege het boek wel eens ‘hoelang kan je hier nog op doorgaan?’ Al met al is het boek een leuke tijdbesteding als je religie en Kluun een leuke combinatie vindt. Er zit voor de rest weinig inhoud in dit boek. Wat wel veel terugkomt zijn meningen en dan vooral die van Kluun zelf. Het begint veel sterker dan dat het eindigt en dat is het grote minpunt. De positieve punten aan het boek zijn de heerlijke lompe schrijfstijl van Kluun en de open discussie over religie. Gelovig of niet, dit boek is geschikt voor beide kanten van het verhaal.

SOAP | FEBRUARI 2010

29


OPINIE

HERVORMING

VAN DE ARBEIDSMARKT

Afgelopen 11 november verscheen op de website van de Volkskrant een ingezonden stuk afkomstig van de Baliegroep, een denktank werkgevers- en werknemersorganisaties en vertegenwoordigers van de publieke sector, waarin gepleit werd voor een drastische verandering in de organisatie van de arbeidsmarkt. Ondertekend door onder meer oud-C$V-voorzitter Doekle Terpstra, de voorzitter van de F$V-jongerenorganisatie en de voorzitter van de sociaal-economische raad stelt het manifest dat de veranderende arbeidsmarkt met zijn uitzendkrachten, deeltijdwerkers en zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) de huidige organisatie met collectieve voorzieningen achterhaald maakt. Dit uitgangspunt resulteert in het ideaal van een nieuw sociaal contract “waarin bescherming van mensen gekoppeld is aan investering in mensen” (de Volkskrant, 2009). Helaas blijft het bij mooie woorden en idealen en is het onwaarschijnlijk dat het Baliemanifest inderdaad leidt tot een verbeterde situatie voor werkenden in $ederland.

Dieko Bakker

In de situatie als voorgesteld door de Baliegroep blijft er een algemene overeenkomst waarin afspraken gemaakt worden over budgetten voor scholing en over verzekeringen voor arbeidsongeschiktheid, werkloosheid en dergelijke. De nadruk ligt echter op het individuele contract dat de werknemer afsluit met zijn werkgever, waarin naast afspraken over de duur van de arbeidsovereenkomst en het te verdienen salaris ook duidelijk wordt aangegeven wat de werknemer dient te presteren en hoeveel (financiële) ruimte de werknemer krijgt om zichzelf te ontwikkelen. De werknemer dient er zelf voor te zorgen dat deze ontwikkeling tot stand komt. Belangrijk hierbij is dat deze individuele rechten niet vervallen bij overstap naar een andere arbeidssector. De overheid onderhoudt in de voorgestelde situatie

30

SOAP | FEBRUARI 2010

Het Baliemanifest

Grote woorden, kleine resultaten

een minimumstelsel waarin voor alle werkenden, zonder onderscheid tussen werknemers en zzp’ers, een inkomen boven de armoedegrens gegarandeerd wordt. Voor de vakbonden is een nieuwe rol weggelegd in het coachen van werknemers bij het afsluiten van hun arbeidscontract (de Volkskrant, 2009). De groep stelt deze veranderingen voor als een revolutie in de arbeidsverhoudingen. Het manifest uit dreigende taal aan het adres van hen die geloven in de traditionele CAO. De “institutionele partijen” wordt een simpele keuze voorgelegd; blijven zij “ de verouderde arbeidsverhoudingen als uitgangspunt kiezen en gestaag aan invloed verliezen, of gaan zij de nieuwe verhoudingen juist mede vormgeven” (de Volkskrant, 2009)? Deze grote woorden lijken vooralsnog echter allerminst gerechtvaardigd. Ten eerste zijn de nieuwe arbeidsverhoudingen niet zo revolutionair anders als wordt voorgesteld. De Baliegroep ontketent geen revolutie maar speelt in op een ontwikkeling in de verhouding tussen werkgever en werknemer die al veel langer speelt en die in het manifest zoals gepubliceerd in de Volkskrant ook herkend wordt. Werkgever en werknemer staan steeds minder in traditionele hiërarchische verhoudingen tegenover elkaar en de werkplek is naast een plaats van arbeid ook een plaats van zelfontwikkeling geworden (de Volkskrant, 2009). De voorstellen van de

Baliegroep zijn erop gericht om het bestaande stelsel zodanig om te vormen dat voldaan wordt aan de eisen van de moderne arbeidsmarkt en leggen in regulering vast wat door carriérebewuste werknemers reeds gedaan wordt; een focus op zelfontwikkeling en verzelfstandiging van de werknemer. Ze ontketenen deze veranderende verhoudingen echter niet zelf. De claim die in het artikel gemaakt wordt dat de voorstellen van de Baliegroep een revolutie in arbeidsverhoudingen betekenen is onterecht. Ten tweede is het de vraag of de voorgestelde maatregelen voor de werknemer een verbetering opleveren en daadwerkelijk leiden tot het ideaal van een zelfstandige werknemer. Een aantal van de voorgestelde maatregelen kan ook uit de hoek van de vakbonden op steun rekenen . Betere bescherming voor zelfstandigen en flexwerkers en een effectievere ontwikkeling van de vaardigheden van werknemers zijn noodzakelijkheden waar vakbonden zich ook nu al voor inzetten. Zo kunnen zzp’ers zich sinds begin 2009 bij de FNV verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid en heeft de FNV zich in 2007 al sterk gemaakt voor een collectieve pensioenregeling voor zzp’ers (FNV.nl, 2009). Bij andere vakbonden is de situatie vergelijkbaar. Terecht maakt de FNV zich zorgen over de aanpak van de Baliegroep. FNV-hoofdbestuurder Leo Hartveld stelt: “[het] Balievoorstel haalt solidariteit uit de samenleving” (FNV.nl, 2009). De voorstellen van de Baliegroep leggen onder de noemer zelfstandigheid een grote verantwoordelijkheid bij de werknemer om zijn eigen arbeidsvoorwaarden uit te onderhandelen, een verantwoordelijkheid waar werknemers zonder individuele begeleiding slecht voor zijn toegerust, en eist van werkenden dat zij zich individueel verzekeren tegen onder andere werkloosheid. Als vangnet bestaat slechts nog een ministelsel dat niet veel meer doet dan een val onder de armoedegrens voorkomen. Voor de wenselijkheid en (financiële) haalbaarheid van deze


OPINIE

veranderingen wordt tevens weinig tot geen onderbouwing gegeven. Daarbij is het ook nog eens de vraag of het ideaal van de zelfstandige werknemer die de arbeidsplaats ziet als een groeimogelijkheid, die actief bezig is met het uitbouwen van zijn arbeidspotentieel en daarin gestimuleerd wordt wel een ideaal is dat collectief nagestreefd moet worden. De werkende zal uit vrees achter te blijven bij medearbeiders een constante druk ervaren om zichzelf te verbeteren en werkenden die snel leren en bereid zijn veel van hun eigen tijd in deze ontwikkeling te steken zullen een groot voordeel hebben bij het binnenhalen van schaarse arbeidsplekken. Waar de Baliegroep in hun manifest aangeeft in de huidige situatie bevreesd te zijn voor het lot van de laagopgeleiden is het waarschijnlijk dat het nastreven van het ontwikkelingsideaal de positie van die kwetsbare groep alleen zal verslechteren. Een derde reden om niet te veel te verwachten van het Baliemanifest is de weinige aandacht die het gekregen heeft in de relevante media. Na publicatie in de opinierubriek van de Volkskrant verscheen er elders op de website van de Volkskrant een kort artikel maar het nieuws verspreidde zich niet verder. Op de websites van de Telegraaf en het RC Handelsblad zoeken naar de term “Baliegroep” levert geen enkel resultaat op en ook de CNV vond het manifest geen webruimte waardig.

De idealen zijn mooi maar wanneer ze werkelijkheid worden zal men de Baliegroep geen dank verschuldigd zijn.

Kortom, de idealen achter het manifest zijn prijzenswaardig en worden ook door vakbonden die buiten de Baliegroep staan van harte ondersteund. De manier waarop de Baliegroep deze idealen wil vormgeven is echter ineffectief en wellicht zelfs contraproductief. De revolutionaire verandering in de arbeidsverhoudingen blijkt een langdurig proces en zal bij navolging van het Balievoorstel en de daaruitvolgende omvorming van het bestaande stelsel hoogstens versnellen. Of de voorgestelde maatregelen inderdaad de situatie van werkenden verbeteren en of, waar en wanneer dit inderdaad het geval is, deze maatregelen niet binnen de bestaande organisatie effectief genomen kunnen worden is op zijn minst twijfelachtig. Daarnaast zijn de zelfs de bekende gezichten in de Baliegroep tot nu toe niet genoeg geweest om het voorstel uitgebreid onder de aandacht te brengen. Tenzij er in de achterkamers van Den Haag meer oor naar is dan men denkt sterft het Balie-voorstel een stille dood. De idealen zijn mooi maar wanneer ze werkelijkheid worden zal men de Baliegroep geen dank verschuldigd zijn.

SOCIOLOGISCHE CANON

De Sociologische canon volgens Gijs Huitsing

De Sociologische Canon van een pas afgestudeerde sociologiestudent. Terugkijkend op de zojuist afgeronde studie is voor mij de vraag welke werken zijn blijven hangen als inspirerend, echte eye-openers, of juist heel gewoon erg mooi om te lezen (de volgorde van de selectie is willekeurig). Lindenberg, S.M. (n.d.). Behavioral theories for the social sciences: Role theory versus rational man. Ongepubliceerd manuscript.

Verplichte kost voor elke Groninger sociologiestudent. Aan te raden om aan het begin van elk studiejaar eens door te nemen. De eerste keer begrijp je er weinig van, na een aantal jaren wordt het steeds meer begrijpbaar en zie je dat de opleiding zijn vruchten begint af te werpen. Coleman, J. S. (1990). Foundations of social theory. Cambridge, etc.: Belknap Press of Harvard University Press.

De theoretische bijbel van de Groninger socioloog? Hier geldt ieder geval, zoals met de echte bijbel: je hoeft hem niet in detail gelezen te hebben om de belangrijke boodschap te kennen.

Wasserman, S., & Faust, K. (1994). Social network analysis: Methods and applications. Cambridge: Cambridge University Press. De methodologische bijbel van de Groninger socioloog, die onherroepelijk met SNA in aanraking komt.

Moffitt, T. E. (1993). Adolescence-limited and life-course-persistent antisocial behavior: A developmental taxonomy. Psychological Review, 100, 674-701.

Bijzonder overtuigend artikel over onder andere de vraag waarom de meeste adolescenten tijdens de pubertijd zich deviant gaan gedragen en dat voor de meesten na hun 18e levensjaar dit afwijkende gedrag ook weer verdwijnt.

Salmivalli, C., Lagerspetz, K., Björkqvist, K., Österman, K., & Kaukiainen, A. (1996). Bullying as a group process: Participant roles and their relations to social status within the group. Aggressive Behavior, 22, 1-15.

In al zijn eenvoud een zeer invloedrijke publicatie over de verschillende rollen die kinderen bij groepsprocessen van pesten hebben.

Glebbeek, A.C. (1988). De arbeidsmarktpositie van opleidingen. Ontwikkeling en analyse van een theoretisch model. Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken, 4, 7589.

Eén van de meest geciteerde artikelen van Glebbeek. Een eye-opener, net zoals de gehele collegecyclus van Glebbeek over arbeidssociologie, inclusief de klapper met een selectie van zijn publicaties. Het wordt hoog tijd dat de door hem uitgesproken wens om een leerboek te schrijven eindelijk waarheid wordt! Swift, A. (2004). Would perfect mobility be perfect? European Sociological Review, 20, 1-11.

Zomaar één van de belangwekkende artikelen die gelezen moesten worden voor onderwijssociologie. Teksten waarbij je als lezer vaak dacht: “aah, zo dit dat dus!”.

De Swaan, A. (1989). Zorg en de Staat. Welzijn, onderwijs en gezondheidszorg in Europa en de Verenigde Staten in de nieuwe tijd. Amsterdam: Bert Bakker.

Prachtige historisch-sociologische analyse over de ontwikkeling van de moderne westerse verzorgingstaten. De beschrijving van de industrialisatie en verstedelijking en de daarbij vereiste verbetering van de gezondheidszorg is magnifiek. Tijdens het lezen ruik je de smerigheid van de verloederde negentiende-eeuwse geïndustrialiseerde steden. Mak, G. (1996). Hoe God verdween uit Jorwerd: Een ederlands dorp in de twintigste eeuw. Amsterdam: Atlas.

Niks geen ingewikkelde sociologische analyses, maar het simpele verhaal van een dorp als symbool voor de verandering van de samenleving. Eindelijk ook aandacht voor het platteland! Ook lezenswaardig van Geert Mak zijn ‘Het stadspaleis’ over het Paleis op de Dam in Amsterdam, en ‘De zomer van 1823 - Lopen met van Lennep’ over Nederland in de 19e eeuw, voor de industriële revolutie.

Hermans, W.F (1975). Onder professoren. Amsterdam: De bezige bij.

In de prachtige Hermans-stijl wordt het Groninger universiteitsleven beschreven. Hermans gunt de lezer een intrigerende blik achter de schermen over gekonkel, afgunst en strijd tussen de heren hoogleraren.

SOAP | FEBRUARI 2010

31



SoAP_Februari_2010