Issuu on Google+

P A o S

SOCIOLOGISCH ANTROPOLOGISCH PERIODIEK

SINDS 1970

JAARGANG 45, NUMMER 1, NOVEMBER 2013

ng lossi p o uden jnen n go hiel Zwi gon e E : ring van: Mic - Het be alise iot i g i amer Glebbeek iek - Soc sd k d i n e e t t h rie ver alis den u - O - De stu ek met: A de journ o y g ? espr chin terij g van s wat voor pira uik - In g eloorgan i r e et oth 12 ebr ief ig Br alternat s mediag enen? - D js van 20 B : A on NS gal e de g epri ren - g: Het le zijde van rheid in e Scripti e k e i r a n p htba van d e kee eami taal Digi ulp - Str sistas: D - Zit vruc rapport : n ry rh k lbe lum - Co slachtoffe g - Socia Daft Pun ereld - Ju l e e ction naar levin itaal tale w Reda mn: Dig rksamen ivision een digi D e u in - Col De netw - Van Joy l og i e e j burg schuurt n in ee

Digital


Redactioneel

W

e leven in een digitaliserende samenleving, dat hoef ik u, lezer, waarschijnlijk niet te vertellen. Het is iets wat ons leven al jaren beïnvloedt, vormgeeft, in de greep houdt. Een fenomeen dat ons aan de ene kant erg nieuwsgierig maakt maar wat we aan de andere kant altijd een beetje eng blijven vinden. We staan in de rij als de nieuwste I-phone in de winkels ligt, we wachten allemaal op de dag dat we de google glasses mogen dragen en kijken series niet wanneer deze verschijnen op de Nederlandse televisie maar downloaden deze zodra ze op het internet staan. Wanneer echter blijkt dat de NSA ons via het internet in de gaten houdt en Gmail onze privacy lijkt te schenden deinzen we angstvallig terug. Ik vrees echter dat we deze nadelen maar op de koop toe moeten nemen gezien de digitalisering in onze samenleving niet meer is terug te draaien. Ook de redactie van SoAP ontkomt niet aan de digitalisering en daarom hebben we besloten het blad digitaal uit te breiden. Waar voorheen SoAP slechts vier keer per jaar te lezen was plaatsen wij nu dagelijks interessante artikelen, rubrieken en columns op onze website. De digibeten onder ons hoeven echter niet te vrezen; SoAP zal nog steeds vier keer per jaar in een papieren editie op uw deurmat vallen!

In SoAP: Rubrieken 2

Redactioneel

6

Overheidsdigitalisering: Een gouden oplossing

10

De studentenkamer van: Michiel Zwijnenburg

14

Interview met Mayke Calis over ‘Socialbesitas’

16

In gesprek met: Arie Glebbeek

18

Uitgediept: Het begon in een schuurtje

Columns 3

Digitaal piekeren (Anna Herngreen)

8

Digitaal slachtofferhulp (Hannah Achterbosch)

Veel leesplezier!

Artikelen

Nienke Tebbens Hoofdredacteur

Op de voorpagina: Edward Snowden

Colofon Sociologisch Antropologisch Periodiek Contact: soap.groningen@rug.nl Vakgroep Sociologie t.a.v. ‘SoAP’ Grote Rozenstraat 31 9712 TG Groningen Jaargang 44, nummer 1, november 2012 Drukwerk: Drukwerklab.nl Verzending: Rijksuniversiteit Groningen Lay-out: Kasper Nelissen & Laurens Verhoeff Cover: Laurens Verhoeff SoAP-Logo: Thomas Bos Eindredactie: Nienke Tebbens Oplage : 600

2 SOAP

4

NSA: Big Brother is watching you

9

Streaming: Het legale alternatief voor piraterij?

12

De netwerksamenleving

20

Van Joy Division naar Daft Punk

22

Zit vruchtbaarheid in de genen?

26

De teloorgang van de journalistiek

28

Sociologie in een digitale wereld

30

Juryrapport van de Scriptieprijs van 2012

Redactie Nienke Tebbens

Dieko Bakker

Robin Luiten

Emma Kok

Daan Bloem

Chaim la Roi

Kasper Nelissen

Bram Hogendoorn

Laurens Verhoeff

David Duijst

Djamila Boulil

Thomas Buursma

Marion de Vries

Anna Herngreen

Lisa de Leeuw

Hannah Achterbosch

Jeroen de Boer

Miriam van Voornveld

Jelmer Draaijer

Auke Beeksma

Kijk ook op onze vernieuwde website: www.soapgroningen.nl Of volg ons

@SoAP_Groningen facebook.com/SoAP-Groningen


Digitaal

Piekeren

Anna is één van onze columnisten en schrijft voor zowel de papieren editie van SoAP als onze digitale SoAP. Lees haar ervaringen over het schrijven van haar scriptie op soapgroningen.nl!

E

en aantal weken geleden ging de nieuwe website van de SoAP de lucht in. Niet alleen het uiterlijk, maar ook de inhoud veranderde daarmee. Actuele onderwerpen kunnen nu een plaats krijgen, teksten kunnen ondersteund worden met links naar andere artikelen, je kunt gebruik maken van filmpjes of geluidsfragmenten, je kunt zo kort of lang schrijven als je wilt, etc. En er kan gereageerd worden. Interactie met de lezer! Probeer dat maar eens voor elkaar te krijgen met een papieren blaadje. Met ‘digitaal gaan’ opende zich een wereld aan mogelijkheden. Ook intern werken we al enige jaren digitaal: op de online opslagruimte Google Drive zet iedereen zijn artikel, waarna alle redactieleden kunnen meelezen en commentaar geven. Ongelooflijk praktisch en overzichtelijk, en lange tijd gebruikte ik deze functie dan ook naar hartelust voor mijn eigen (studie)documenten. Want, in tegenstelling tot computers, laptops, USB-sticks, externe harde schijven en geprinte documenten, kunnen ‘clouds’ niet kapot gaan. Bovendien hoef je nooit iets mee te nemen, je kan op elke computer en smartphone inloggen. Sinds de recente ophef over de grootschalige afluisterpraktijken van de VS met hun NSA, waarin Google een grote rol speelt (waarmee de RuG juist nu in zee is gegaan, zoals Emma en Lisa uitleggen in hun artikel), ben ik echter wat terughoudender geworden. Voor mijn scriptie spreek ik een heleboel mensen, en dat is in vertrouwen. Er worden geen wereldschokkende uitspraken gedaan en er zullen heus geen carrières sneuvelen als de opnames en verslagen van deze gesprekken door anderen gehoord of gelezen worden, maar toch. Ik beloof mijn gesprekspartners vertrouwelijk met hun uitspraken om te gaan, dus moet ik zeker weten dat dat ook gebeurt. En om heel eerlijk te zijn heb ik géén idee wat er met hun uitspraken gebeurt als ik ze upload op Dropbox, Drive of zelfs maar naar mijn eigen Gmail verstuur. En dat is best eng. Waar ik me unheimisch bij voel is het idee dat ik geen controle heb. Ik weet dat communicatie gescreend wordt op terroristische praat, dat Google i.v.m. de patriot act onze communicatie aan de NSA moet doorspelen, etc. Maar hoe dit precies werkt en hoe ik me ertegen kan beschermen.. het is mij een raadsel. Vorige week las ik dat een jongen in Limburg de politie aan de deur kreeg door voor een grapje te maken over een bom op Whatsapp.Whatsapp! Een grapje! Hoe werkt dat? Wat gebeurt er dan bij de AIVD en de politie? Lezen ze live mee? Gaan er automatisch alarmbellen af

en wordt er een patrouillewagen op pad gestuurd wanneer ze detecteren dat de term bom drie keer valt? Of gaat dat helemaal niet automatisch en was er een individu die deze situatie als dreigend inschatte? Wat wordt er van je verwacht? Word je nu geacht je netjes te uiten op Whatsapp voor het geval dat de politie meekijkt en je ze voor niets laat uitrukken? Waar moeten we rekening mee houden als we digitaal met onze vrienden communiceren?

Ik beloof mijn gesprekspartners vertrouwelijk met hun uitspraken om te gaan, dus moet ik zeker weten dat dat ook gebeurt. Het probleem is dat het voor een leek als ondergetekende onmogelijk is te begrijpen wat precies naar wie gaat, met welk doel, hoe gedetailleerd, waarom, met welke gevolgen, enzovoort. Met de onduidelijkheid die er nu is, lijk je twee opties te hebben: volledig naakt, voorovergebukt, en met de billen wijd open voor Obama staan onder het mom van veiligheid óf terug naar de steentijd en weer werken met brieven en grote gevulde dossierkasten, onder het mom van privacy. Ik pleit niet per se voor minder controle, want ik weet niet hoeveel controle er is. Waar ik voor pleit is meer transparantie: laat mij zien wat er met mijn informatie en communicatie gebeurt. Wordt mijn mail door een computer gescreend op gevaarlijke woorden? Oké. Worden mijn Google bestanden door medewerkers preventief gelezen? Niet oké. Dan kies ik zelf wel waaraan ik wel en niet meedoe. Ondertussen sla ik mijn gespreksverslagen en -opnames veilig op op mijn externe harde schijf. Als ‘ie nou maar niet kapot valt.

SOAP 3


NSA:

Big Brother is watching you

Emma Kok & Lisa de Leeuw

H

et is de laatste tijd veel in het nieuws geweest: de Amerikaanse NSA. De hele hype heeft een hoog 1984 (George Orwell) en Big Brother-gehalte, maar wat houdt deze organisatie nu daadwerkelijk in? NSA staat voor ‘National Security Agency’ en is dus eigenlijk de Amerikaanse veiligheidsdienst. De Amerikaanse wet (de zogenaamde Patriot Act) schrijft voor dat deze tak van de overheid alle persoonlijke informatie mag opvragen via bedrijven. Deze data wordt opgeslagen in een bepaalde database, waar alleen een specifieke groep mensen bij kan en waar het vijf jaar bewaard blijft. De data mag niet bekeken worden, tenzij er via een speciale rechtbank (FISA) bewezen is dat de informatie bruikbaar is om terroristen of spionnen te onderzoeken. Op dit moment wordt er data verzameld van 9 Amerikaanse bedrijven: Microsoft, Yahoo, Google, Facebook, PalTalk, AOL, Skype, YouTube en Apple. Naast de informatie over internetgebruik heeft de Amerikaanse regering ook informatie over telefoongebruik. Alle mobiele providers zijn gedwongen informatie aan de NSA te geven over telefoongesprekken: wie wanneer gebeld is, hoe lang dit gesprek duurde en soms ook waar de telefoon was toen er een gesprek plaatsvond. Het is dus verboden voor werknemers van de NSA om de data te bekijken wanneer zij hier geen goede (terrorismegerelateerd) reden voor hebben. Maar, zoals zoveel dingen in de wereld, betekent dat iets illegaal is niet dat het niet gebeurt. Afgelopen zomer stapte Edward Snowden als klok-

4 SOAP

kenluider naar buiten met verhalen over de NSA. Uit zijn geheime documenten blijkt dat de NSA sinds 2008 elk jaar duizenden keren privacyregels schendt. Dit zijn schendingen die variëren van typefouten waardoor onbedoeld telefoongesprekken en e-mails zijn onderschept, tot ernstige overtredingen. Daarnaast blijkt dat de speciale rechtbank nog wel eens genegeerd wordt. Zo is er het voorbeeld van een nieuwe methode die niet van tevoren, maar pas na een paar maanden gebruik voor deze rechtbank werd geleid. De rechtbank heeft deze methode ongrondwettelijk verklaard, maar de maanden gebruik die er al opzaten, konden niet meer worden teruggedraaid. Ook zijn er in de afgelopen tien jaar twaalf incidenten geweest waarbij NSA-werknemers hun geliefde bespioneerden wanneer zij dachten dat hij/zij vreemdging. Dit soort incidenten, als je ze door hun frequente voorkomen überhaupt nog wel zo kan noemen, lijken gevaarlijk. Kennelijk is er een groep mensen die, als zij dat wil, veel privé-informatie over jou kan verkrijgen. Jazeker, jij staat ook in deze database. Het gaat hier dan wel over Amerikaanse bedrijven en Amerikaanse wetgeving, maar de bedrijven in kwestie opereren niet alleen in Amerika. Het zijn internationale bedrijven waar wij in Europa ook veel gebruik van maken. Je vertrouwt erop dat jouw Gmail-, Facebook- en Hotmail account alleen voor jóu toegankelijk is, maar dat is dus niet het geval.


Bovendien heb jij sinds kort ook via de RUG te maken met de gevaren van de NSA. De universiteit is namelijk deze zomer overgestapt op Gmail en Google Agenda. Dit is een stuk goedkoper dan het ontwikkelen en bijhouden van eigen software. Het bespaart de universiteit zo’n vier ton per jaar, geld dat hard nodig is in tijden van bezuinigingen op het onderwijs. Maar is dit de prijs die wordt betaald voor onze privacy? Voordat de RUG overging op Gmail en Google Agenda is er aan juristen gevraagd of het een verstandige keuze zou zijn. Het antwoord was duidelijk: niet doen. Uit rapporten van het College bescherming persoonsgegevens (CBP) en het Instituut voor Informatierecht van de Universiteit van Amsterdam (IVIR) blijkt namelijk dat de Amerikaanse overheid hoogstwaarschijnlijk meekijkt. Onze e-mails, documenten en onderzoeksdata zijn dan dus niet veilig op de servers van Google. Daarnaast betreft de USA Patriot Act Amerikanen, maar geen Nederlanders. Dit betekent dat als je geen Amerikaan bent, je je niet kunt beroepen op die grondwet en je in feite dus geen recht hebt op privacy. Google staat er bovendien om bekend niet bang te zijn voor het schenden van de Europese privacyregels. Ten slotte kan de FBI alle gegevens van Googlegebruikers opvragen, zonder tussenkomst van een rechter en zonder dat de gebruiker in kwestie op de hoogte wordt gesteld. Het blijkt dat sinds 2000 er ongeveer 300.000 van dit soort aanvragen zijn gedaan. Google is verplicht deze data te overhandigen als de FBI hiernaar vraagt.

De data die jij met je RUG-account verstuurt en ontvangt ligt nu dus ook in die Amerikaanse database. De bestanden die via de RUG-mail worden uitgewisseld worden dan wel geĂŤncrypteerd (beveiligd met een wachtwoord), maar voor een NSA-medewerker is dit geen groot obstakel. Uit de documenten van Snowden bleek namelijk ook dat de NSA in 2010 een tienjarig programma tegen encryptie maakte waardoor er inzicht kwam in grote hoeveelheiden verzamelde data. In theorie is het mogelijk dat iemand jouw idee voor een scriptie steelt en er vandoor gaat met de eer, omdat er in je mail kan worden gekeken. Bovendien kan het zo zijn dat jij een anoniem databestand e-mailt naar je scriptiebegeleider, voordat deze anoniem gemaakt is. Dan zou, in theorie, de NSA dus ook die persoonlijke informatie kunnen verkrijgen. De enige afweging van de RUG is geweest dat het nieuwe systeem goedkoper is. Maar wat is er belangrijker? Een universiteit is geen commercieel bedrijf en dient veilig om te gaan met vertrouwelijke gegevens. Het risico wat hangt aan Google is te groot. Voor onderzoekers aan de RUG die echt niet willen overstappen komt er dan ook een alternatief wat door de universiteit ontwikkeld is. Hoe dat er gaat uitzien is nog niet bekend, maar waarom kan dit niet gewoon voor iedereen?

Niet alleen de juristen van de RUG, maar ook een aantal faculteiten maakten zich zorgen over de privacygevoeligheid van Gmail. Zo zagen de faculteiten wiskunde en natuurwetenschappen en rechtsgeleerdheid de overstap niet zitten, omdat er zorgen over patenten waren.

SOAP 5


Vanuit het perspectief van één van de ordes van het OMOP-model wordt elke editie het thema van SoAP beschouwd. Deze editie:

Overheidsdigitalisering: Een gouden oplossing?

Bram Hogendoorn

I

n de nieuwe rubriek OMOP heeft SoAP iedere keer aandacht voor één van de vier ordes uit het welbekende OMOP-model. In deze editie komt de overheid aan bod. De afgelopen jaren hebben we gezien dat dienstverlening in alle sectoren van de samenleving steeds verder is gedigitaliseerd. De publieke dienstverlening is niet alleen meegegaan in deze trend, maar heeft vaak voorop gelopen. De verscheidenheid aan redenen daarvoor komt aan bod in dit artikel. Toch is er door beleidsmakers soms onvoldoende rekening gehouden met de negatieve neveneffecten van digitalisering. Zo is er in de media regelmatig aandacht voor identiteitsdiefstal en cyberoorlog. En wat te denken van PRISM, het project van het Amerikaanse National Security Agency? Overheidsdigitalisering speelt ook daarbij een belangrijke rol. In de laatste tien jaar is het belang van de zogeheten digitale economie sterk toegenomen. Het CBS publiceert hier geregeld cijfers over, waarvan de laatste afkomstig uit 2012. Een kleine greep daaruit verraadt het volgende: 4,4 procent van de bedrijven is actief in de ict-sector, tegenover 4,0 procent van de werkende bevolking. 93 procent van de huishoudens heeft een computer, 94 procent beschikt thuis of op een andere plaats over internet. De belangrijkste functies die het internet voor deze huishoudens vervult zijn communicatie, informatieverschaffing en online bankieren. Daarnaast was tweederde van de Nederlandse internetters op een sociaal netwerk actief, tegen 41 procent van de Nederlandse bedrijven. Kortom, de rol van het internet in de samenleving is niet te miskennen. De overheid heeft hier zeker haar steentje aan bijgedragen. In verschillende nota’s van beleidsmakers en opiniestukken van ministers is de ambitie te lezen die de overheid heeft met betrekking tot digitalisering. Zo moet in 2017 de overheid volledig digitaal werken, zowel qua organisatie als in haar dienstverlenende taak. Overigens moet dit met een korreltje zout genomen worden. In een interview met de pers gaf minister Plasterk van Binnenlandse Zaken aan dat sommige handelingen niet kunnen worden gedigitaliseerd, zoals de aanvraag van een paspoort. Bovendien moet er altijd een loket zijn voor digibeten en moet bellen mogelijk zijn.

6 SOAP

Onvermijdelijk

Uit alle verklaringen van bewindspersonen komt een aantal vermeende voordelen naar voren. Ten eerste maakt digitalisering van de publieke dienstverlening zaken gemakkelijker voor burgers. Allerlei formulieren kunnen eenvoudig tegelijkertijd worden aangeleverd, waarbij sommige al deels zijn ingevuld. Extra hulp kan met een druk op knop worden weergegeven. Ten tweede kunnen dingen op afstand worden geregeld. Het is niet nodig voor burgers en overheden om zich te begeven naar een andere plaats, om daar vervolgens zaken af te handelen. Dat kan door digitaal werken allemaal thuis of op kantoor gebeuren. Het bestuur op afstand wordt dus gefaciliteerd. De derde en misschien belangrijkste reden is een toename in de efficiëntie van het openbaar bestuur. Op deze reden ga ik dieper in. Omdat de overheid lijdt aan de ziekte van Baumol (zie kader) nemen de bestuurskosten steeds verder toe, zonder dat daar betere dienstverlening tegenover staat. De burger staat dus voor de keuze om ofwel meer belasting te betalen, ofwel genoegen te nemen met minder diensten. Digitalisering biedt een zeer interessante oplossing voor dit dilemma, die eerder niet voor handen was. Zeker wanneer er grote maatschappelijke druk staat op de overheid om in het eigen vlees te snijden, is digitalisering in zekere zin onvermijdelijk. De politiek-economische crisis gaf de overheid het laatste zetje om van deze mogelijkheid gebruik te maken. De besparingen die dit oplevert blijken trouwens moeilijk op waarde te schatten. Minister Ronald Plasterk van Binnenlandse Zaken geeft namens programmaminister Stef Blok van de Rijksdienst aan dat digitalisering de overheid drie à vierhonderd miljoen euro per jaar kan besparen. Het is interessant om te zien dat er grote consensus bestaat, zowel onder de politieke partijen als onder burgers, om deze bezuinigingen te realiseren.


Wet van Baumol

In de jaren zestig van de vorige eeuw ontwikkelden de arbeidseconomen William Baumol en William Bowen een theorie met betrekking tot loonstijgingen die niet voorspeld worden door de klassieke modellen. De economen namen waar dat in bepaalde sectoren de productiviteit niet stijgt, terwijl de reële lonen wel stijgen. Het gaat dan met name om arbeidsintensieve sectoren, zoals de verpleegkunde, de uitvoerende kunsten en het onderwijs. Als er geen verbetering meer mogelijk is in de rationalisering van arbeid, dan is een toename van de productiviteit vrijwel onmogelijk in zulke sectoren. Toch moeten de lonen stijgen om te voorkomen dat werknemers ander werk zoeken. Dit fenomeen vinden we met name in de quartaire sector, oftewel alle dienstverlening die deels of geheel collectief

Ongewenste gevolgen

Bij menig socioloog zal een alarmbelletje rinkelen wanneer een beleidsvoorstel zo algemeen wordt geaccepteerd. Kleven er dan werkelijk geen nadelen aan digitalisering, of zijn deze zo klein dat de voordelen er ruimschoots tegen opwegen? Een veel gehoord nadeel is dat bepaalde groepen mensen niet beschikken over een internetverbinding. De publieke dienstverlening wordt dan ontzettend bemoeilijkt voor deze groep. Toch lijkt het om een beperkte groep mensen te gaan, zo laten de CBS-cijfers zien. Zelfs van een ongelijke verdeling van internetverbindingen kan dan nauwelijks meer sprake zijn. Bovendien wordt deze groep steeds kleiner en zal deze uit weinig personen bestaan wanneer de digitalisering eenmaal voltooid is. Een ander nadeel dat wel degelijk groot is, is de onveiligheid die kleeft aan digitalisering. Digitale gegevens zijn veel eenvoudiger te stelen dan analoge.

Hiervoor bestaat een aantal redenen. De belangrijkste is dat dit soort gegevens geen standplaats hebben. Inbraak kan dus vanaf vrijwel elke gewenste locatie plaatsvinden. Daarnaast zijn de gegevens veel eenvoudiger dan vroeger te kopiëren en te verspreiden. Een derde reden is dat door het koppelen van databestanden snel allerlei relevante gegevens met elkaar in contact gebracht kunnen worden. Zelfs bij geanonimiseerde gegevens kan dit tot identiteitsdiefstal leiden, door middel van zogeheten statistische onthulling. Het is jammer dat minister Plasterk dit afdoet door te zeggen dat gegevens nooit honderd procent veilig zijn. Natuurlijk kunnen papieren gegevens ook kwijtraken, gestolen worden of beschadigen. Maar de impact op het slachtoffer van digitale diefstal is vele malen groter. Deze onveiligheid wordt versterkt door het gebrek aan cyberkennis bij de overheid. Het is mooi om persoonsgegevens

wordt bekostigd. Veel arbeidsintensieve taken vallen immers onder de verantwoordelijkheid van de overheid. De zorg en het onderwijs behoren hiertoe, het is geen toeval dat deze steeds duurder worden. De beroemde wet van Baumol stelt dan ook dat een steeds groter gedeelte van het BBP via de overheid zal lopen. Vaak wordt er vanuit gegaan dat de overheid dan drie dingen kan doen. Ze kan de belastingen verhogen en een grote quartaire sector creëren, zoals de Scandinavische landen doen. Ze kan bezuinigen oftewel verschralen en daarmee het aanbod verkleinen, de richting die Nederland opgaat. Of ze kan de publieke dienstverlening overlaten aan de markt, zoals privatiseringskampioen Groot-Brittannië heeft gedaan.

te digitaliseren en zo geld te besparen. De aard van de gegevens vraagt echter om goede beveiliging, en dat kost geld. Een goede ontwikkeling is dat er vorig jaar een National Cyber Security Centrum is opgericht met een budget van vier miljoen euro. Toch heerst de vraag of dit volstaat.

Wereldoorlog

Uit het bovenstaande blijkt dat digitalisering van de overheid zeer grote voordelen biedt. Desalniettemin moeten de nadelen niet worden onderschat. We leven in een tijd met minder oorlog en geweld dan ooit te voren. Paradoxaal genoeg moeten we ons wel degelijk wapenen tegen een oorlog. De plaats daarvan is echter niet langer de Nederlandse grens, maar de cyberspace. Misschien kan de regering voor het wegbezuinigde personeel van Defensie toch nog een baan vinden.

SOAP 7


Digitaal

Slachtofferhulp Hannah Achterbosch

H

et begon al met het schrijven van deze column. Ik was nog geen tien minuten aan het werk of Word gaf een foutmelding. Iets met een verlopen licentie, vreemd voor een illegaal gedownloade versie en al helemaal onoplosbaar voor een leek als ik. Nadat ik met behulp van google, dat dan weer wel, het probleem verholpen had, diende het volgende probleem zich aan: het internet. Bij het om de tien seconden refreshen, gaf mijn computer telkens verschillende foutmeldingen. Foutmeldingen die ik niet kon oplossen omdat als ik op “help” klikte, een pop up verscheen die zei: “Kan de service helaas niet openen vanwege problemen met de internetverbinding”. Nadat ik de router drie keer had gereset en een keer knalhard op de grond had gesmeten begon het desbetreffende lampje weer te branden. Helaas wilde mijn google drive niet openen, maar de website van H&M wel. Waarschijnlijk heeft ziggo aandelen bij H&M. Mijn enige conclusie kon zijn, het digitale systeem is een groot complot wat zich net iets te vaak in mijn studerende leven mijn tijd opslokt. Het is niet verbazingwekkend dat menig onderzoek en filosoof laat zien dat het digitale tijdperk onze concepties van tijd en ruimte veranderd heeft. Wel verbazingwekkend is het idee dat we meer tijd zouden hebben, nu alles geautomatiseerd, gerationaliseerd en gedigitaliseerd is. Dat mijn conceptie van tijd veranderd is sinds ik op mijn tiende voor de eerste keer pacmen op de computer speelde is zeker waar, maar niet op de manier waarop vaak geclaimd wordt. Ik heb namelijk veel minder tijd. De eerste categorie problemen die zich door het digitale systeem bij mij aandienden waren ruzies met of ruzies over alles wat digitaal is. Het begon op

8 SOAP

Hannah is één van onze columnisten. Zij volgt op dit moment de master Multiculturalisme in vergelijkend perspectief. in Utrecht.

mijn zestiende met ruzie over wie er achter de computer mocht, dus spendeerde ik uren werk in de kloterige V&D om genoeg geld te verdienen om mijn eigen laptop te kopen. Vervolgens kreeg ik ruzie met het apparaat, moederborden die doorbrandden, routers die door ruwe behandeling van de schoonmaakster niet meer functioneerden en telefoons die elke dag herstelden van een “bijzondere crash”. Het eindigde met digitale ruzies. Mijn onderbuurman die graag LAN-party’s organiseert en nogal fan is van digitale uitsluiting door het systeem naar zijn hand te zetten, stormde woedend naar boven omdat “wij, de bovenburen, met het internet zaten te kloten en of we dat wel even eerst met hem konden overleggen”. Vervolgens stelde hij het internet zo in dat wij, de bovenburen, de gate hadden met het slechte bereik en de downloadsnelheid van een invalidenwagen. De tweede categorie problemen valt onder de beroemde categorie, slachtoffer van het systeem. Dit digitale tijdperk suggereert dat we meer tijd hebben omdat informatiestromen en contacten op een snelle effectieve manier verspreid en onderhouden kunnen worden. Helaas is het een feit dat we nu ineens ook veel meer contacten en informatie te onderhouden hebben, dus relatief niet meer, maar misschien wel minder tijd hebben. Europese CEO’s schijnen niet meer te slapen omdat ze ’s nachts digitaal moeten vergaderen met Chinezen, die helaas een iets ander slaap en waak ritme hebben dan wij Europeanen. Mensen lijden sneller aan burnouts, vooral de iets oudere generatie die nog niet gewend is aan de snelheid van het nieuwe digitale systeem. En vrouwen schijnen enorm te lijden onder de enorme vergelijkende beeldcultuur die is ontstaan door allerlei sociale media. Gebrek aan slaap en de psycholoog pakken ons ongetwijfeld alle tijd weer af, die het digitale systeem ons zogenaamd gegeven had.

De derde, nog meer verwoestende categorie van het digitale tijdperk is de sociale communicatie probleem categorie. We hebben namelijk zoveel manieren om contact op te nemen met mensen dat de juiste manier niet meer bestaat en daar komen dan ook weer problemen van. Mijn moeder vertelde me dat mijn vader vroeger gewoon een briefje door de brievenbus deed om mijn moeder op date te vragen en toen ze een huistelefoon kregen, belde hij haar af en toe. Maar wat doet de digitale generatie? Daar is geen antwoord op. Je kunt namelijk msnen, facebookchatten, twitteren, pingen, smsen, whatsappen, skypen, facetimen, e-mailen, bellen, voicemailberichten inspreken, briefjes door de brievenbus doen en bij iemand thuis langs gaan. Elke manier van communiceren heeft weer haar eigen codes voor verschillende sociale aangelegenheden. Stel je bent boos op iemand. Wat doe je dan? Niet msnen want dat is uit. Niet whatsappen of smsen dat is te oppervlakkig. Niet e-mailen wat dat is te afstandelijk. Niet bellen want dat is te direct. Niet voor iemands door staan want dat is te stalkerig. Niet iets door iemands brievenbus gooien want dat is te multi-interpretabel. Kortom, ik ben een slachtoffer van het systeem. Pas over een paar jaar, als het digitale systeem perfect werkt, er honderden onderzoeken zijn gedaan naar het digitale tijdperk en er handboeken vol zijn geschreven over de sociale regels van het digitale verkeer en er een instituut is van digitaal slachtofferhulp ben ik tevreden. Voor nu ben ik een zeikend onderdeeltje dat af en toe dolgraag aan het systeem zou willen ontsnappen omdat de digitale druk me te veel wordt. Sentimenteel en nostalgisch verlang ik naar de tijd dat jongens nog een briefje door je brievenbus deden en het grootste “moderne” probleem was dat de inkt van je vulpen op was.


Streaming:

Het legale alternatief voor piraterij? David Duijst

I

n het kader van het thema ‘digital’, zal ik de opkomst van Netflix en Spotify bespreken als alternatieven voor de internetpiraterij. In Nederland is een hevige discussie gaande over het illegaal downloaden van films, series, muziek en software. De stichting Brein, de grootste bestrijder van intellectuele eigendomsfraude in Nederland, pleit voor blokkades van bijvoorbeeld Pirate Bay. Volgens de stichting is de schade van internetpiraterij ongeveer 315 miljoen euro per jaar[i]. Er bestaan echter ook andere inzichten. Een rapport van de Europese Commissie[ii] geeft namelijk aan dat internetpiraterij deels een positief effect heeft op de verkoopcijfers in de entertainmentindustrie. Dit effect is enkel gebaseerd op de digitale verkoopcijfers, waardoor er geen uitspraken gedaan kunnen worden over de gehele entertainment industrie. Ondanks dat er onduidelijkheid bestaat over de effecten van internetpiraterij, zijn er verschillende mogelijkheden om de internetpiraterij in te dammen. De oplossing die stichting Brein voorstelt is het verbieden/onmogelijk maken van internetpiraterij. Dit is een nobele missie, maar moeilijk te verwezenlijken. Er worden constant nieuwe methoden ontwikkeld om bestanden uit te wisselen. Een andere oplossing ligt in het verschiet; een legaal alternatief bieden voor de internetpiraterij. Een veelgehoord argument is dat de internetpiraterij bestaat omdat de verkoopstrategieĂŤn van de entertainmentindustrie zijn verouderd. Je moet naar de winkel om een cd, een film, of een album te kopen. Bij piraterij kun je vanuit je eigen huis, direct de content beluisteren/bekijken. Met de opkomst van de digitale verkoop is de entertainment industrie weer aan het opkrabbelen, maar veel mensen vinden de prijzen te hoog om via de legale methode entertainment in huis te halen. De opkomst van Spotify in de muziekindustrie en Netflix in de filmindustrie brengen daarom een welkome verandering op de markt.

van de Nederlanders interesse heeft in een Netflix abonnement. Door deze diensten leeft de entertainmentindustrie weer op. De industrie hoeft niet bang te zijn dat er door deze diensten geen albums of films meer worden verkocht. In het rapport van de Europese Commissie komt naar voren dat de streamingsdiensten nog een positiever effect hebben op de digitale verkoop dan internetpiraterij. Er zijn natuurlijk wel kanttekeningen te plaatsen aan streamingsdiensten als Netflix en Spotify als alternatief voor de internetpiraterij. De invloed van deze diensten als substitutiegoed is zeer afhankelijk van de content die ze aanbieden. Zoals eerder al gesteld is, Netflix kan niet alle films en series aanbieden. Daarnaast zijn niet de meest recente seizoenen van lopende series in hun collectie beschikbaar. Ze bieden wel unieke content aan, aangezien ze ook zelf series produceren. In de Nederlandse variant van Netflix zijn ook Nederlandse films beschikbaar, om aan te sluiten bij het Nederlandse publiek. Ook beschikbaar op de Nederlandse Netflix zijn bijvoorbeeld cabaretshows. De opkomst van de streamingsdiensten kan een uitweg bieden voor de entertainmentindustrie om terug te krabbelen na de opkomst van de internetpiraterij. Deze diensten tonen het veranderende karakter van de samenleving en evolueren mee met de behoeften van de consument. Met de opkomst van Netflix en Spotify zien we dat de consument bereid is om te betalen voor entertainment, zolang er gedacht wordt aan het gebruiksgemak. De internetpiraterij zal er niet door verdwijnen, maar het zorgt er wel voor dat er weer geld in het laatje van de entertainmentindustrie terecht komt. [i] http://www.anti-piracy.nl/schade.php [ii] http://ftp.jrc.es/EURdoc/JRC79605.pdf [iii]http://www.telecompaper.com/nieuws/nederlanders-lopen -mondjesmaat-warm-voor-netflix--960646

Sinds kort is ook in Nederland Netflix beschikbaar, een streamingdienst voor films en series. Voor ca. 8 euro per maand kan je onbeperkt alles kijken wat Netflix je te bieden heeft. Voor een kleine vergoeding kun je alles bekijken wat je hartje begeert. Of voor zover het aanbod van Netflix reikt, aangezien ze niet voor elke film en serie een licentie hebben om deze aan te bieden. Spotify is al langer beschikbaar in Nederland en biedt je de mogelijkheid om gratis muziek te streamen. Als je het echter onbeperkt wilt beluisteren moet je een abonnement nemen. Deze twee diensten functioneren bijna hetzelfde als de internetpiraterij, namelijk dat de consument thuis vanuit de luie stoel toegang krijgt tot de content. De opkomst van deze diensten toont aan dat de consument niet onwelwillend is om te betalen voor films, series en muziek. Onderzoek heeft aangetoond dat circa 10 procent[iii]

SOAP 9


Elke editie gaat onze redactie op zoek naar bijzondere studentenkamers en de bijzondere verhalen erachter. In deze editie is de kamer van Michiel Zwijnenburg aan de beurt.

Nienke Tebbens & Marion de Vries Foto: Marion de Vries

O

p een koude woensdagmiddag reisde SoAP af naar de herewegbuurt om daar een bezoekje te brengen aan Michiel Zwijnenburg. Michiel, voor ouderejaars en docenten een bekend figuur binnen sociologie Groningen, is altijd actief geweest bij Societas. Hij heeft in vele commissies gezeten (zo heeft hij deel uitgemaakt van onze eigen redactie) en in het bestuur. Inmiddels heeft hij net zijn kraakverse bachelorbul mogen ontvangen. Sinds een paar dagen is hij werkzaam bij een recyclebedrijf in Veendam en is hij van plan hier voor onbepaalde tijd te blijven werken om vervolgens een van zijn grote dromen waar te maken, namelijk zijn paspoort vullen en heel veel van de wereld zien. Michiel woont nu ruim een jaar in zijn kamer in de herewegbuurt en voelt zich er al helemaal thuis. De buurt, die wordt gekenmerkt door een hoop katten, oude pandjes en veel groen, doet erg gezellig aan en ondanks de lange fietstocht die we achter de rug hadden begrepen we gelijk waarom Michiel voor dit plekje had gekozen. Het vinden van Michiel’s voordeur is nog wel een hele opgave gezien het studentenhuis beschikt over maar liefst drie (!!) voordeuren. De kans dat je bij een ander huis aanbelt is hierdoor wel weer aanzienlijk kleiner. Enfin, we belden aan en Michiel verscheen in de deuropening, stralend als altijd, gehuld in een mooie gebreide trui en aan zijn voeten een paar echte Grunneger pantoffels. Om bij zijn kamer te komen moesten we één trap op, het keukentje door (vrij netjes voor een studentenhuis) en vervolgens door een gangetje. Het is een groot huis, bestaande uit drie verschillende panden (vandaar de drie voordeuren)

10 SOAP

De stu dent en kamer die tot één studentenhuis zijn samengevoegd. Naast de 13 mensen die er wonen zit er ook een pizzeria in het pand. Een ideale plek dus voor een student om te wonen. Erg hecht is het huis verder niet. Michiel spreekt vooral mensen op zijn eigen verdieping en heel af en toe vindt er een huisavond plaats. Onlangs is er een schoonmaakrooster ingevoerd in het huis, wat uiteraard samenhangt met het geplande bezoek van de SoAP redactie. Na een snelle blik te hebben geworpen op de gemeenschappelijke delen van het huis was het dan eindelijk tijd voor de kamer zelf. En wat voor kamer! Op het moment dat je Michiels kamer binnenstapt weet je niet meer waar je moet kijken. De muur, die vol hangt met posters, knipsels, een gitaar en andere gekke voorwerpen, zijn tafel waar hij een tajine gevuld met theezakjes en een gekke theepot voor ons had klaar gezet, of de vensterbank die vol staat met planten en bowlingkegels. Michiels kamer is een materiële weergave van zijn leven, een grote kom vol herinneringen, voor de Harry Potter lezers onder ons: Michiels kamer is als de hersenpan van Perkamentus. En nee, we overdrijven niet. Het werd ons dan ook meteen duidelijk dat een kort bezoekje er niet inzat. We namen plaats op de rode bank, tegenover de luxe feuteuil, die Michiel’s vrienden ooit op straat vonden, waarin hij zelf ging zitten. Hij liet ons kiezen uit een van de vele theezakjes uit zijn tajine (die door een paar scheuren aan de onderkant niet meer functioneert als tajine) en schonk ons een lekker kopje thee in. Nadat wij een nieuwsgierige blik wierpen op de theepot legde Michiel ons uit dat hij deze zelf beschilderd heeft. De tuit is een palmboom en de rest van de theepot is het eiland. Bovenop de theepot staat “mierikswortel”, wat niets te maakt heeft met de inhoud ervan. De thee smaakt er in elk geval goed uit. Niet wetend waar we moesten beginnen in zijn kamer vroegen we hem naar zijn meest waardevolle voorwerp uit zijn kamer. Een diepe zucht ontsnapte uit


Michiel’s keel en we beseften ons dat niet slechts een aantal voorwerpen, maar de kamer als geheel hem zeer dierbaar is. Waar je in de meeste studentenkamers de Ikea nog bijna kan ruiken, staan in Michiels kamer vrijwel alleen maar unieke voorwerpen. Opvallend is de muur vol krantenknipsels, posters en lijsten met tastbare herinneringen (festivalbandjes, visitekaartjes, entreekaartjes, treintickets, bierviltjes, enzovoorts). Van elk jaar maakt Michiel een herinneringenlijst, een dagboek voor aan de muur zoals hij het zelf noemt. Geduldig vertelt Michiel ons alle mooie verhalen die achter de voorwerpen in zijn kamer schuil gaan. Het eerste voorwerp dat ter sprake komt is de gitaar die achter ons aan de muur hangt. Deze gitaar heeft hij gekregen van een vriendin van zijn moeder en vanaf zijn 15e heeft hij hier de nodige uurtjes op geoefend. Boven de gitaar hangt een bagagedrager. Deze is afkomstig van een oude fiets die hij ooit van zijn opa heeft gekregen. Een schatkaart boven de tv heeft Michiel eens de weg gewezen naar een lekkere vles Wodka, die begraven lag in het stadspark om geconsumeerd te kunnen worden tijdens het bevrijdingsfestival. Boven het bed hangt een grote wereldkaart met een vogelhuisje. De wereldkaart is om bij weg te dromen en het vogelhuisje was een cadeau van een oud huisgenoot. In de kast staat verder een uitgebreide collectie oude platen. Ondanks dat Michiel veel muziek digitaal luistert, is hij naar eigen zeggen verslaafd geraakt aan de oude sfeer die het geluid van de platenspeler met zich mee brengt. Met trots laat hij hij ons zijn nieuwe aankopen zien; platen van Don mcLean en Donavan. Het valt ons op dat er niet veel boeken aanwezig zijn in Michiels kamer. Al vrij snel blijkt dat dit niet duidt op een desinteresse in boeken. Michiel vertelt ons namelijk dat hij de wens heeft om ooit een kamer volledig met boeken en muziekinstrumenten in te richten. De boek wil hij hier niet alleen voor de sier in de kast zetten, maar vooral om te le-

zen. “Boeken die ik later in mijn kast zet wil ik wel gelezen hebben”, aldus Michiel. We vroegen Michiel om boeken die hij graag zou willen aanraden aan de SoAP lezers. Er komen een hoop titels voorbij, waaronder De eeuw van mijn vader door Geert Mak en Erfenissen van de verlichting door René Boomkens. “Die zou ik iedereen aan willen raden om te lezen!” Ook planten ontbreken niet in Michiel’s kamer. Hij heeft er een groot aantal in zijn vensterbank staan. Op de vraag of hoelang hij deze al heeft antwoord Michiel vol trots hij ze al vanaf de lente in leven heeft weten te houden. Met dank aan de buurvrouw, want die geeft ze water als Michiel op vakantie is. Wat nog ontbreekt op zijn kamer is de beker van de liftwedstrijd, die hij dit jaar gewonnen heeft. Zijn grote passie voor het liften komt wel in andere delen van zijn kamer terug, zoals de liftborden met de bestemmingen Frankfurt, Trier en Utrecht. Want hoewel Michiel graag tijd doorbrengt op zijn kamer houdt hij ook erg veel van reizen. De bijzondere kamer van Michiel wordt regelmatig bewonderd door gasten die regelmatig bij Michiel op bezoek komen, ondanks de afstand. Zo had hij onlangs bezoek van zijn vriendin uit Slowakije. Helemaal af is de kamer van Michiel waarschijnlijk nooit. Hij vindt het leuk om een beetje te klussen en komt altijd weer nieuwe dingen tegen voor zijn kamer. Wij vonden het in ieder geval een eer om op bezoek te komen bij Michiel en raden iedereen aan om een uitnodiging van Michiel voor een kopje thee op zijn kamer nooit af te slaan! Heb jij ook een bijzondere kamer of ken je iemand met een kamer die absoluut in de SoAP moet komen? soap.redactie@gmail.com.

SOAP 11


De Netwerksamenleving

Bram Hogendoorn “Het is onmiskenbaar dat mensen in onze huidige netwerken informatiesamenleving mondiger en zelfstandiger zijn dan vroeger. Gecombineerd met de noodzaak om het tekort van de overheid terug te dringen, leidt dit ertoe dat de klassieke verzorgingsstaat langzaam maar zeker verandert in een participatiesamenleving.”

O

m bovenstaand citaat van de nieuwe Koning Willem-Alexander is in de media veel te doen geweest. Namens SoAP zal ik mij echter niet richten op de participatiesamenleving, maar op wat de Koning de netwerk- en informatiesamenleving noemt. Deze term komt steeds vaker naar voren onder zowel gewone burgers als beleidsmakers. Hij dient ter rechtvaardiging van bepaalde beleidsvoorstellen en verdient daarom de nodige aandacht. Wat is de netwerksamenleving en hoe is deze verbonden met de grote hoeveelheid aan informatie? Waarom is deze vorm van samenleven anders dan oudere samenlevingsvormen? En welke kritiek bestaat er jegens het concept? Om deze vragen te kunnen beantwoorden volgt hier een uiteenzetting van het werk van de socioloog Manuel Castells. Het concept netwerksamenleving impliceert dat netwerken iets nieuws zijn in onze samenleving. Dat dit niet het geval is, ligt voor de hand. Netwerken bestaan al eeuwen lang. Het zijn sociale structuren, opgebouwd uit een aantal sociale actoren waartussen dyadische verbindingen bestaan. Oftewel, al sinds mensenheugenis bestaan er netwerken.

12 SOAP

Zij worden echter interessanter naarmate ze groeien, omdat ze meer eigenschappen krijgen. Een triade, het netwerk van drie personen, bezit de eigenschap dat er coalitievorming kan plaatsvinden, vandaar dat sociologen er historisch gezien veel aandacht aan schenken. Bovendien kunnen closure en brokerage ontstaan bij alle netwerken van tenminste drie personen. Dit zijn respectievelijk de fenomenen van relaties met een zelfde derde actor, en het vervullen van een bemiddelende rol tussen andere actoren. Wanneer netwerken nog groter worden, kan hiërarchie ontstaan. Deze hiërarchie is een centraal begrip in het netwerkdenken. Het geeft aan dat er een machtsongelijkheid bestaat tussen actoren binnen een netwerk. Met name binnen de beleidswetenschap heeft dit veel aandacht gekregen. Denk aan de Weberiaanse bureaucratie: een verticaal georganiseerd ambtenarenapparaat, waarin binnen iedere laag verschillende afdelingen hun eigen verantwoordelijkheden uitvoeren en worden gecontroleerd door hun leidinggevende, maar niet direct door de hoogste leidinggevende. Ook veel andere organisaties bezitten deze eigenschappen. We zien dus dat hiërarchie een manier van sturing is die orde kan aanbrengen in een netwerk, of dit nou een formele organisatie is of niet. Daar tegenover staan andere typen verhoudingen, te weten heterarchie en anarchie. Heterarchie wordt, verwarrend genoeg, ook wel netwerkstructuur genoemd. In een heterarchisch netwerk zijn actoren wel met elkaar verbonden, maar zijn de verhoudingen daartussen wisselend. Zij kunnen verticaal zijn of horizontaal. Er zijn coalities die invloedrijk zijn, maar er is geen duidelijke centrale aansturing. Anarchie gaat nog verder dan dit, zoals de politieke stroming ook al


Manuel Castells

Manuel Castells Oliván wordt geboren in 1942, in het Zuidoost-Spaanse plaatsje Hellín. Hij studeert rechten en economie aan de universiteit van Barcelona, ten tijde van het fascistische Franco-regime. Met ouders wier namen doen vermoeden dat zij afkomstig zijn uit het linkse Catalonië en Aragón, en bovendien student zijnde, ligt het voor de hand dat Castells een linkse demonstrant zal worden. Inderdaad wijkt hij op het hoogtepunt van de Francotijd uit naar Parijs, waar hij wordt verbannen wegens het organiseren van pro-communistische demon-

doet vermoeden. De anarchie, ook wel markt genoemd, is een netwerkvorm waarin actoren wel gerelateerd zijn, maar waarbij iedere actor evenveel invloed heeft op de andere actoren. Castells betoogt dat de modus van maatschappelijke organisatie langzaam verschuift van hiërarchie naar heterachie. Om dat te kunnen begrijpen is enige kennis van oudere samenlevingsvormen nodig. De jager-verzamelaarsamenlevingen waren redelijk gelijk en hiërarchie binnen deze netwerken was niet zo sterk. De verschillen die er waren ontstonden niet door de accumulatie van welvaart, maar door het recht van de sterkste. Agrarische samenlevingen daarentegen waren veel verticaler, omdat rijkdom zich kon accumuleren: vlees vergaat snel, planten en edelstenen niet. In de industriële samenleving is dit proces sterk versneld, met kapitaalkrachtigen die de dienst uitmaakten. Volgens Castells zijn we intussen verder gevorderd, vanwege de opkomst van informatie en communicatietechnologie. De ict maakt het mogelijk dat productie niet langer een kwestie van toevoeging van waarde is, maar dat het product zelf grondstof wordt voor een nieuw product. Informatie kan namelijk niet alleen de output zijn van een bedrijf, maar tevens de input voor een nieuw proces. De concurrentiekracht van bedrijven wordt daarom bepaald door hun informatieverwerkingscapaciteit. Denk aan de aandelen van facebook, die vrijwel direct de waarde van informatie weerspiegelen. Tevens kan dit op een steeds grotere schaal plaats vinden. Ict maakt immers dat informatie niet langer is gebonden aan een vaste plaats. Deze plaatseloosheid heeft als gevolg dat allerlei economische activiteiten zich kunnen uitspreiden over de aarde, waarbij steeds verdere specialisatie plaatsvindt en de wederzijdse afhankelijkheid tussen (dochter)bedrijven toeneemt. Een voorbeeld hiervan is de outsourcing van veel Engelstalige klantenservices naar India. Als we van bovenaf kijken, zien we uiteindelijk een geïntegreerd mondiaal netwerk, met sterke specialisatie en afhankelijkheden. Er is sprake van wat Castells networked information noemt: informatie die niet langer in specifieke organisaties gevat is, maar die zich over een netwerk uitspreidt.

straties. Zijn volgende stop is de VS, waar hij zich richt op de sociale invloed van informatietechnologie. Na de val van Franco in 1975 wordt de democratie in Spanje hersteld, onder meer door de verregaande centralisatie ongedaan te maken. Alhoewel het land formeel nog een eenheidsstaat is, zijn veel beleidsbevoegdheden teruggekeerd naar de provincies. Zij kunnen deze in autonomie inrichten en uitvoeren.

Er vindt dus inderdaad een verschuiving plaats van hiërarchie naar heterarchie. Niet langer kan centraal worden aangestuurd, maar coördinatie kan slechts plaatsvinden vanuit zogeheten hubs. Actoren die zeer veel relaties hebben en daarom een belangrijke rol spelen in de verspreiding en het beheer van informatie. Hubs zijn veel veranderlijker dan traditionele gezagsposities, onder meer omdat ze horizontaal aan andere actoren in het netwerk zijn verbonden. Met het toenemende belang van de ict-sector in onze maatschappij, verspreidt de netwerkstructuur zich over de gehele samenleving. Op de ideeën van Castells is veel kritiek gekomen, onder meer door medewerkers van onze eigen vakgroep. Drie punten komen daarbij naar voren. Ten eerste zou de socioloog technologisch deterministisch zijn. Volgens Castells is de ict-sector bepalend voor de ontwikkeling van economieën en samenlevingen. Empirisch gezien valt daar echter veel op af te dingen. Zo is het zeer onwaarschijnlijk dat informatie zo allesbepalend is. Het blijkt namelijk moeilijk om informatie te verkopen op de markt. De informatie is pas waardevol in relatie tot de ontwikkeling of verkoop van een tastbaar product. Ten tweede stelt Castells dat we in een postindustrieel tijdperk leven, waarin het kapitaal niet langer de arbeidersklasse beheerst. Alhoewel we zien dat het huidige systeem mogelijkheden biedt om op te klimmen, is het nog steeds zo dat ongelijkheid over gaat van ouders op kinderen. De hogere sociaaleconomische klassen hebben meer toegang tot goed onderwijs en het old boys network voor een baan. Als laatste blijkt dat veel organisaties nog traditioneel gestructureerd zijn. Er is een duidelijke hiërarchie en alhoewel uitwisseling met andere organisaties toeneemt, vindt de meeste productie plaats in eigen huis. Van heterarchie of een geïntegreerd mondiaal netwerk kan niet worden gesproken. Desondanks blijft de netwerksamenleving een belangrijk begrip in de wetenschap en politiek. Het sluit aan bij een hele reeks van netwerkwoorden, zoals netwerkmarketing, netwerkpleegzorg en het ergste van alle de netwerkborrel. Als het netwerkt, is het hip. Hoeveel we als samenleving opschieten met hip beleid, dat blijft de vraag. SOAP 13


Socialbesitas:

De keerzijde van ons mediagebruik

Nienke Tebbens & Marion de Vries

A

ltijd even facebook-en voor je gaat slapen en meteen je groepswhatsapp open wanneer je wekker is gegaan? Grote kans dat jij last hebt van socialbesitas. Mayke Calis (journalist en historica) en Herm Kisjes (verslavingsdeskundige en therapeut) constateren, op basis van een literatuurstudie en een enquête onder jongeren, ouders en deskundigen, een toename in problematisch social media gebruik onder jongeren. In het boek Socialbesitas dat onlangs verschenen is, schrijven zij over de nadelen en gevaren dat overmatig internet- en social media gebruik met zich mee brengt. SoAP interviewde Mayke Calis over dit fenomeen.

U heeft onlangs het boek ‘socialbesitas’ gepubliceerd. Wat was de aanleiding voor het schrijven van dit boek?

“Vooral de verbazing en verwondering die wij beiden ervoeren in de wereld om ons heen. In de bus, bij vrienden, op straat, overal zie je mensen helemaal opgaan in hun telefoon. Herm Kisjes schreef eerder al twee boeken over jongeren en gameverslaving. Socialbesitas is een boek over problematisch internetgebruik bij jongeren en is een soort gevolg op deze eerdere boeken van Herm Kisjes. Waar gameverslaving voornamelijk veel voorkomt bij jongens, hebben meisjes de overhand bij overmatig social media gebruik. Social media is natuurlijk heel leuk en handig, maar er zitten ook zeker veel 14 SOAP

nadelen aan. Met dit boek willen wij mensen daar bewuster van maken.”

De titel veronderstelt een vergelijking tussen het gebruik van social media en obesitas, overgewicht. Hoe zijn jullie op deze titel gekomen?

“ Eigenijk gaandeweg het onderzoek. Ik vind het zelf ook een heel mooi woord, omdat het precies de lading dekt. Het overmatig sociaal willen zijn, moeten zijn zelfs. Het dwingende, uitduidende kararakter er van wat je ook ziet bij obesitas.”

Wat zijn de symptomen van socialbesitas?

“Officieel mag je nog niet van verslaving spreken omdat het nog niet in het DSM [i] staat, maar het heeft er wel veel kenmerken van. In de nieuwe DSM staat al wel internet en gameverslaving. Een groot deel van deze symptomen komen overeen met het problematisch social media gebruik dat wij socialbesitas noemen. Niet willen maar moeten, ontwenningsverschijnselen, chagerijnig worden als je het niet kan gebruiken en er steeds meer van nodig hebben om je goed te voelen. In het begin is het leuk om een paar likes te krijgen, maar na een tijd heb je steeds meer likes nodig om het zelfde gevoel te krijgen. Wij zagen in ons onderzoek dat een hele hoop jongeren aan deze kenmerken voldoen. Vaak is er ook sprake van een onderliggend probleem. Wanneer kinderen thuis bijvoorbeeld te weinig aandacht krijgen, zijn zij vaak extra gevoelig voor aandacht op sociale media.”


Denkt u dat socialbesitas mogelijk later in het DSM komt?

“Dat zou kunnen, maar het gaat allemaal heel traag. Het vergt heel veel lobbywerk, omdat het DSM internationaal is. Misschien dat het ooit wordt opgenomen als deel van de internet- en gameverslaving.”

Op uw website lezen we dat het boek mensen informeert over “de gevaren van online vraatzucht voor een offline leven”. Wat zijn de voornaamste gevaren van de social media hype?

“Het gaat ten koste van veel andere activiteiten die je kan doen. Ontlezing is een van de problemen die steeds vaker wordt genoemd in de literatuur. Daarnaast slapen jongeren slecht doordat ze hun telefoon ‘s nachts naast hun hoofdkussen hebben liggen. Social media doen ook veel beroep op je korte termijn beloningssysteem; het is even leuk, maar een minuut later ben je het weer vergeten. Het is naar mijn mening ook goed om bezig te zijn met iets dat lang duurt, een langere adem heeft. En als je ergens goed in wilt worden, sport of muziek bijvoorbeeld, moet je daar veel aandacht in steken en dan is het ook niet altijd leuk. Het zorgt verder natuurlijk voor veel afleiding. Als je een stuk aan het schrijven bent en je kijkt één minuut naar een whatsappje, dan kost het je minstens drie minuten om je concentratie weer te vinden. En dan is natuurlijk nog het probleem dat jongeren digitale vrienden belangrijker gaan vinden dan hun echte vrienden van vlees en bloed.”

Waar komt de drang van jongeren vandaan om constant op de hoogte te blijven?

“Je bent op die leeftijd (middelbare school) aan het uitzoeken wie je bent, waar je bij hoort, en dan zijn vrienden gewoon heel belangrijk. Je wilt weten wat ze doen en je wilt dat zij weten wat jij doet. Daarbij is het brein van tieners heel gevoelig. Volwassenen kunnen veel makkelijker denken ‘ik leg nu even mijn telefoon weg en ga weer even aan het werk’, voor jongeren is die keuze moeilijker. Als jongere ben je daarnaast ook nog eens impulsiever en is de drang om korte termijn bevrediging te krijgen groter.”

Ziet u ook goede dingen of voordelen van Social media gebruik?

“Ja absoluut! Social media brengt je snel en makkelijk in contact met iedereen, oude kennissen, collega’s, buitenlandse vrienden. En het is een hele handige informatiebron. Ik ben zelf journalist en zit ook regelmatig op twitter om op de hoogte te blijven. Het ziet er ook mooi uit en je kunt er gewoon heel veel mee. Maar je kunt er niets mee maken, je maakt geen tafel of een kast ofzo, het is gewoon een leuk tijdsverdrijf.”

ook met mijn groepswhatsapps, ik wil dan toch eigenlijk alle berichtjes berichtjes lezen.”

Wie kunnen allemaal een rol spelen bij het tegengaan van socialbesitas? “Om te beginnen moeten ouders hun kinderen durven te begrenzen. Je ziet nu vaak dat ouders geen regels stellen omdat ze de social media niet goed begrijpen, maar het is juist belangrijker dat ze zich er in verdiepen. Mijn eigen dochter van 8 zit bijvoorbeeld op hyves. Ik sta er dan op dat zij niet haar eigen naam op haar profiel heeft staan.

Ik vind ook zeker dat de overheid een grotere rol zou moeten spelen. Privacy schending op het internet is zo veelvoorkomend, maar het lijkt alsof niemand zich er echt druk over maakt. Profielen worden doorverkocht aan adverteerders, chatgesprekken worden bewaard, mobiele apps hebben beschikking tot allerlei informatie, van je contactenlijst tot je locatie. En het is daarbij nog erg vaag wat social media allemaal bewaren en wat er later, als je bijvoorbeeld wil gaan solliciteren, weer boven komt drijven. Ook zou er voorlichting op scholen moeten komen met betrekking tot social media en internet, zodat jongeren bewuster zijn van de gevolgen van social media en rekining houden met hun eigen privacy.”

Hoe denkt u dat de toekomst er uit ziet? Zal het gebruik van social media toenemen? Of juist afnemen?

“Dat vind ik heel lastig in te schatten. Het zou kunnen dat het een trend is. Het is allemaal ook zo vluchtig, het zou mij niet verbazen als de interesse in social media weer verdwijnt en er vraag komt naar iets met meer diepgang. Je ziet nu ook dat facebook gebruik al weer wat aan het afnemen is. Ik heb ook het idee dat er nu meer aandacht is voor de negatieve kanten van social media. Misschien worden er in de toekomst wel privacy regels bepaald van bovenaf, die de social media veranderen.”

Ik denk dat een groot deel van onze lezers zich herkent in de symptomen van socialbesitas. Heeft u tips voor onze lezers om hun socialbesitas te verminderen? “Als je heel dwangmatig dingen op facebook zet, vraag je dan af waarom doe ik dit? Is het alleen omdat het leuk is, of omdat je eigenlijk bevestiging wilt, of omdat je jezelf misschien minder waard vindt en als iemand je leuk vindt op facebook je je dan weer goed voelt? En bedenk je dat er veel meer is dan social media! Je bent nog zo jong en je hersenen zijn nog zo lekker flexibel. Je kunt nog zo veel leren. En je had misschien wel hobby’s, ga daar wat mee doen.” [i] DSM staat voor Diagnostic and Statistical manual of Mental disorders

Heeft u uzelf ook al eens betrapt op het vertonen van socialbesitas symptomen?

“Sinds het boek af is heb ik eigenlijk meer socialbesitas dan ervoor. Ik hou nu een website en twitter bij over socialbesitas en vind het toch wel erg leuk om daar mee bezig te zijn. En

SOAP 15


In gesprek met: Arie Glebbeek

Robin Luiten

D

e arbeidsmarkt; we komen er vroeg of laat allemaal mee in aanraking. Velen van ons sociologen zullen na het afstuderen de arbeidsmarkt betreden, op zoek naar een mooie baan. Maar waarschijnlijk heb je nu naast je studie ook een flexibele bijbaan. De arbeidsmarkt staat ook regelmatig negatief in het nieuws vanwege de oplopende werkloosheid. Reden genoeg om in SoAP even stil te staan bij dit onderwerp. In deze eerste editie van in gesprek met gaat SoAP in gesprek met Arie Glebbeek, hoofddocent aan de vakgroep sociologie. Glebbeek studeerde in 1980 af aan de opleiding sociologie en is sindsdien aan de vakgroep verbonden gebleven. Eerst als onderzoeker en vanaf 1985 als docent arbeidssociologie. De ideale persoon om samen een aantal belangrijke ontwikkelingen op de arbeidsmarkt mee te verkennen. Wanneer we kijken naar de arbeidsmarkt kunnen we niet voorbij gaan aan de huidige economische crisis. De werking van de arbeidsmarkt wordt namelijk beïnvloed door zowel structurele veranderingen als conjuncturele

16 SOAP

schommelingen. Voor het uitbreken van de crisis in 2008 ging het goed met de Nederlandse economie en arbeidsmarkt. De werkloosheid was laag, het vertrouwen was hoog en eerder ingezette economische hervormingen betaalden zich terug. In die periode was er een bepaalde structuur in de verdeling van arbeid over sectoren, geldende spelregels en werkzekerheid. Glebbeek stelt de interessante vraag: “Stel dat we door een enorm stimuleringsbeleid de vraag in de economie weer op het peil van 2008 zouden brengen, zouden we dan dezelfde werkgelegenheid van toen terugkrijgen of zouden er intussen belangrijke verschuivingen zijn opgetreden (tussen beroepen, sectoren en regio’s) die tot knelpunten gaan leiden?” De huidige economische crisis kent een aantal fundamentele verschillen met de laatste grote crisis; de crisis van de jaren ‘80. De huidige crisis wordt vooral veroorzaakt door vraaguitval van consumenten. Het instorten van de kapitaalmarkt en de recessie die erop volgde, heeft er toe geleid dat particulieren hun balans moeten opschonen. Veel gezinnen bezuinigen op kosten en sparen geld om hun kapitaalpositie te versterken. Wanneer veel mensen deze bewegingen maken, zoals nu het geval

is, moet de overheid de tegenbeweging maken om de conjunctuur te dempen. Maar ook bij de overheid gaat de rem er op. Aan de hand van Europese normen bezuinigt en bespaart de overheid er op los. Dit versterkt de conjunctuur en dat leidt tot een hevige vraaguitval, vergelijkbaar met de crisis van de jaren ’30. De crisis van de jaren ’80 ontstond door meer structurele oorzaken. Tijdens deze ‘energiecrisis’ moesten structurele veranderingen in de economie en arbeidsmarkt plaatsvinden. De traditionele bedrijvigheid die vanwege de te hoge loon- en energiekosten te duur was geworden, werd naar elders verplaatst. Dit heeft geleid tot nieuwe bedrijvigheid: de diensteneconomie. De verzorgingsstaat werd ingetoomd en het beheersen van volledige werkgelegenheid werd als beleidsdoelstelling losgelaten. Er werd daarom strenger omgegaan met subsidies en uitkeringen. Men verloor destijds ook het vertrouwen in macro-economische stimuleringsmaatregelen. De stimuleringsmaatregelen die destijds geen doel troffen zouden ons echter nu wel kunnen helpen om de vraag aan te wakkeren. Helaas heeft de Nederlandse overheid deze instrumenten grotendeels overgedragen aan de Europese Unie.


Meer weten over waar Groningse s ociologen op de arbeidsmark t terechtkom en? Onze oud-h oofdredacteu r Ronald Kielm an werkt sa men met Soc ioQuest aan een alumnimon itor. Houd S oA P in de gaten voor meer in fo!

Wat de overheid wel kan doen is de sociale zekerheid anders gaan benutten om de werkeloosheid te bestrijden. De overheid lijkt zich bewust van deze mogelijkheid en ontwikkelt onder andere beleid dat mensen met een lage productiviteit weer aan het werk moet helpen (de aanstaande Participatiewet). Een belangrijke ontwikkeling op de arbeidsmarkt is de opkomst van flexibele arbeidscontracten. Is dit een gevolg van de economische crisis of is het een structurele ontwikkeling? Sinds de jaren ’90 is er al sprake van een toename van flexibel werk. De laatste jaren lijkt deze toename sterker te zijn geworden. Een grote groep mensen is door de crisis onvrijwillig in een flexibele baan terecht gekomen. Werkgevers zijn vanwege de economische situatie terughoudend met het aanhouden van vast personeel en kiezen liever voor flexibele oplossingen. De verhalen over werknemers die hun baan verliezen, en later terug in dienst komen als oproepkracht of zzp’er, zijn je vast niet onbekend. Je kent vast ook wel iemand die afgestudeerd is en nu een onbetaalde stage bij een bedrijf loopt, in de hoop er later een baan aangeboden te krijgen. Naast de angst voor werkloosheid, wat tot aanzienlijk welvaartsverlies leidt, versterkt de onzekerheid van een flexibele baan ook de economische malaise omdat men belangrijke beslissingen, zoals het kopen van een huis, gaat uitstellen. Er lijkt dus een verband te bestaan tussen de huidige conjuncturele situatie en de toename van flexibel werk. De toename van flexibel werk heeft ook een structureel karakter. Een veel gehoord geluid is dat de economie door internationalisering steeds veranderlijker, dynamischer en onzekerder wordt. Werkgevers willen daarom flexibel zijn in hun personele bezetting en werken met flexibele contracten. Wat echter opmerkelijk is, is dat in Nederland relatief steeds minder mensen in het internationale bedrijfsleven werken. Aan de ene kant zijn door productiviteitsstijging en automatisering minder mensen in de internationale productie nodig. Aan de andere kant gaan meer mensen in de binnenlandse dienstverlening werken. De binnenlandse dienstverlening staat echter niet onder druk van concurrentie met de

internationale markten. Daarom rijst de vraag of werkgevers echt behoefte hebben aan meer flexibiliteit, of dat flexibele contracten een handige truc zijn om sociale lasten te ontduiken. Volgens Glebbeek zijn deskundigen het er vaak over eens dat de privatisering van de Ziektewet hier een rol in heeft gespeeld. Werkgevers moeten nu de eerste twee jaar het loon van zieke werknemers doorbetalen. Werkgevers kunnen dit verzekeren, maar hoe dan ook, het kost altijd geld. Hoewel de privatisering van de Ziektewet door het terugdringen van de collectieve uitgaven als een behoorlijk succes wordt gezien, komt men nu ook tot het inzicht dat dit de arbeidsrelatie en de vaste baan behoorlijk heeft belast. Ondanks de crisis zijn er wel veranderingen waarvan we met enige zekerheid kunnen zeggen dat ze van structurele aard zijn. Een merkbare verandering is de krimp van de werkgelegenheid in de financiĂŤle sector. Dat komt niet alleen doordat de lucht eruit is, maar ook doordat veel personeel overbodig wordt vanwege automatisering. Mensen doen tegenwoordig hun bankzaken thuis via internet. Verder zijn bepaalde ambachten zoals de grafische industrie aan het verdwijnen, of worden deze overgenomen door digitale varianten. Daarnaast hebben de winkels in de binnenstad het moeilijk vanwege de opkomst van webshops. Misschien heeft de digitalisering momenteel wel het meest invloed op structurele veranderingen op de arbeidsmarkt. Zelfs in het onderwijs komt de discussie op gang of de digitalisering bepaalde delen zou kunnen overnemen. Wie weet kunnen we binnenkort de opgenomen colleges van Glebbeek via internet volgen (met Glebbeek dan in de WW).

Het risico bestaat dat een steeds groter deel van de mensen hoger opgeleid is dan dat in de economie benut kan worden. Veel studenten kiezen vanwege de crisis om langer door te studeren en stellen hun toetreding op de arbeidsmarkt uit. Ook jongeren met een hoge mate van baanonzekerheid kiezen vaker om weer te gaan studeren. Deze groep zal een keer uitstromen uit het onderwijs. Daarmee zal het gemiddelde opleidingsniveau stijgen; men krijgt als het ware een bubbel van hoog opgeleide studenten. De vraag is of voor al deze mensen een baan op niveau te vinden is. Het risico bestaat De rest leest u op de volgende bladzijde.

SOAP 17


Vervolg in gesprek met: Arie Glebbeek dat een steeds groter deel van de mensen hoger opgeleid is dan dat in de economie benut kan worden. Glebbeek ziet dit somber in. Hij meent dat het enthousiasme over de kenniseconomie aardig aan het bedaren is. Glebbeek wijst op ‘mooie’ banen van academici die door de bezuinigingen op de verzorgingsstaat worden getroffen. Veel hoger opgeleiden die voor de overheid als beleidsmedewerker of onderzoeker werken, zien hun baan op de tocht staan. Deze mensen hoeven echter niet te vrezen dat ze lang werkloos zullen blijven. Ze zullen op den duur lager opgeleiden uit hun functies verdringen. Binnenkort bestaat het personeel van de Albert Heijn grotendeels uit academici. Met een flexibele aanstelling uiteraard. Als sociologiestudent zal het je vast wel eens gevraagd zijn: waar kom je na je studie te werken? Een aantal van jullie zal misschien moeite hebben gehad met het beantwoorden van deze vraag. Want wat zijn de arbeidsmarktperspectieven voor

de afgestudeerde socioloog? Volgens Glebbeek komen alumni in een enorme waaier van beroepen en sectoren terecht. Sociologen komen te werken in het onderwijs, de zorg, commerciele onderzoeks- en adviesbureaus of de (lagere) overheid. Een nauwe relatie tussen opleiding en beroep bestaat niet in ons vakgebied. Dit betekent wel dat wij als sociologen moeten concurreren met alumni uit andere opleidingsrichtingen. Deze concurrentie kunnen sociologen prima aan vindt Glebbeek. Werkgevers kijken niet zo streng naar de specifieke studierichting. Wat zij belangrijk vinden is analytisch vermogen, betrouwbaarheid, oplossingsgerichtheid en motivatie. Deze academische vaardigheden vormen een belangrijk bijproduct van onze opleiding. Sociologen hebben ook het bijzondere vermogen om dingen vanuit verschillende perspectieven te bekijken, en dat lijken werkgevers ook erg te waarderen. Als we de huidige crisis wegdenken, want laten we realistisch blijven, hebben de afgestudeerden van sociologie goede arbeidsmarktperspectieven.

Het begon in een schuurtje

Jeroen de Boer

D

e westkust van de Verenigde Staten, Californië, San Francisco Bay Area, Bay Area voor de locals. Het was hier waar soul zinger Otis Redding in de jaren ‘60 zijn befaamde nummer (Sittin’ On) The Dock of a Bay schreef. Ten hede dagen is de zuidkant van de baai de thuishaven van werelds grootste high-tech concernen, Sillicon Valley. Een gebied ter grote van onze Randstad dat bekend staat om zijn in-

18 SOAP

novatie, universiteiten en hoogopgeleide werknemers. De bakermat van veel prominente bedrijven waaronder Google, Hewlett-Packard, Apple en vele anderen. Wat heeft Silicon Valley zo groot gemaakt? Daar zijn mijn zienswijze wel een paar factoren voor aan te wijzen. Om te beginnen de mogelijkheid tot het werven van degelijk hoogopgeleiden. Alumni van bijvoorbeeld Stanford University kunnen zo aan de slag

bij bedrijven in de buurt die staan te springen om technisch geschoold personeel. In de Bay Area, een gebied ter grote van de randstad, zijn 42 universiteiten en colleges gehuisvest, waaronder Standford University en Berkeley. Aan universiteiten ontbreekt het dan ook niet in de Bay Area. Daarnaast is er een compleet andere cultuur, de mensen zijn er anders ingesteld. In de bay area waren hippies altijd prominent aanwezig en daarmee de cultuur van het delen. Veel werknemers zijn dan


ook nog steeds erg van het delen, bedrijfsgeheimen bestaan veel minder, kennis wordt sneller verspreid en zo wordt de innovatie gesteund. Een nadeel hiervan is dat de loyaliteit aan een bedrijf minder is. De loyaliteit is uberhaupt klein. Veel werknemers beginnen bij een start-up bedrijfje om wat geld bijeen te krijgen om vervolgens zelf het te willen gaan maken met een start-up bedrijf. Het verloop is dan ook groot binnen Sillicon Valley.

Alles wordt eraan gedaan om de werknemers zoveel mogelijk stress uit handen te nemen en de creativiteit te doen bevorderen De managementcultuur in Silicon Valley is anders, minder corporate. De CEO’s dragen geen jasje dasje maar een coltrui. Ze zijn niet gladgeschoren, maar hebben eerder een drie dagen baardje. Voor je personeel moet je goed zorgen is het idee. Uiteraard is het hier niet uitgevonden, deze ideeën zijn al oud.. Sla maar eens een willekeurig managementboek open en er zal staan dat je het personeel als individueel en mens moet behandelen in plaats van een rader in het systeem. Het is hier als het ware succesvol geintroduceerd, of eigenlijk was het altijd al aanwezig met de hippie-cultuur in de Bay Area. Zo zijn alle CEO’s wel een beetje apart, zo liep Steve Jobs bijvoorbeeld de hele dag op blote voeten rond in zijn kantoor. Google is een van de beste werkgevers ter wereld. Voor de werknemers zijn er kappers, slaapstoelen, whiteboards, directe helpdesk services, wandelingen in de baas zijn tijd enz. Alles wordt eraan gedaan om de werknemers zoveel mogelijk stress uit handen te nemen en de creativiteit te doen bevorderen. Laptop kapot? Er wordt linea directa een nieuwe geregeld. De kantine? Een compleet biologische restaurant waar werknemers de meest verse en verantwoorde lunches kunnen samenstellen voor niks. Vervoer naar werk? Je wordt opgehaald van huis met een google bedrijfsbus met wifi, zodat er meteen kan worden gewerkt. Want uiteindelijk is het doel van Google om zoveel mogelijk uit hun werknemers te halen en de arbeidsproductiviteit op te schroeven. Zo nobel is het in die zin dan ook weer niet. Toch zijn er veel bedrijven met visies in Silicon Valley. Zo heeft google het idee om wi-fi weerballonnen te distribueren in ontwikkelingslanden, met als doel om gratis internet aan te kunnen bieden voor beginnende ondernemers. Bill Gates, CEO van microsoft, staat

bekend om zijn grote vermogen en een groot deel daarvan schenkt hij jaarlijks aan goede doelen. In mei van dit jaar heeft hij nog 28 miljard dollar gedoneerd. Deze gedachte heerst in heel Silicon Valley, mensen zijn er aan het werk met het idee de wereld te veranderen. Zij beschouwen zichzelf als het centrum van waaruit dat gebeurt. Waarin sommige bedrijven zonder meer in slagen. Mensen zijn er bereid hard te werken want het leven in de vallei is hard. De huur van een klein appartement kan al gauw tweeduizend dollar bedragen. De concurrentie is moordend en werkdagen van zestien zijn voor de beginnende ondernemers eerder regel dan uitzondering met versleten vingerkootjes als gevolg voor sommige door het vele programmeren dan wel typen.

Mensen zijn er aan het werk met het idee de wereld te veranderden

De kennis, ideeën en de wil zijn aanwezig, het andere wat broodnodig is zijn investeerders, en die zijn er. Want veel start-ups redden het niet tot de beurs, maar enkele lukt het wel en dan valt er grof geld te verdienen, zoals bij Facebook verleden jaar is gebeurd. Dit soort succesverhalen lokt veel ondernemers en investeerders naar Silicon Valley. De cultuur is daar veel meer ingesteld op risico’s durven nemen, failliet is geen doodzonde, wat kenmerkend is voor het algehele denkbeeld in de VS. In Nederland denken we bij een faillissement al gauw dat er sprake is van mismanagement enz. In de Verenigde Staten leeft veel meer het idee dat hard werken en risico’s nodig zullen zijn om succesvol te worden. Je hebt het zelf in de hand, The American Dream. Al met al blijft Silicon Valley het centrum van technologische innovatie. Het is de plek waar bedrijven met grote ideeën onze dagelijkse gang van zaken hebben veranderd. Het is tevens uniek, en er wordt op verschillende plekken getracht eenzelfde iets te kopiëren, zonder succes. De Amerikanen mogen er dan ook trots op zijn.

SOAP 19


Van Joy Division naar Daft punk; Een Digitale Introductie Auke Beeksma

M

uziek is een thema dat weinig terugkomt in SoAP maar wat wel altijd een grote invloed heeft gehad op onze maatschappij. Ontwikkelingen in de muziekwereld worden gekenmerkt door terugkerende patronen die hebben bijgedragen aan de muziek waar wij vandaag de dag naar luisteren. Ondanks de consistentie betreft het belang van muziek wordt de muziekindustrie tegenwoordig bedreigd door het proces van digitalisering. Niet langer staan mensen uren in de rij om een album te kopen maar worden deze met één klik met de muis gedownload op het internet. In het artikel van David op pagina negen wordt ingegaan op mogelijke oplossingen voor de negatieve effecten van digitalisering. Dit artikel wijst u niet op de afbraak die de digitalisering met zich meebrengt, noch draagt het oplossingen aan voor het probleem. Nee, wij zullen u meenemen naar de tijd waarin het kopen van een plaat of album nog wel vanzelfsprekend was. Een tijd waarin artiesten nog waardering kregen van het publiek, niet door middel van het aantal downloads, maar het aantal platen die verkocht werden. Met dit artikel hopen wij het tij een beetje te keren en u warm te maken voor de schoonheden die muziek met zich meebrengt. Want zelfs in een digitaliserende samenleving zou ruimte moeten zijn voor muziek. Aan de hand van het begrip ‘digital’ zullen wij u leiden door de wondere wereld van de muziek. Het is een verrassende rondreis geworden langs zeer uiteenlopende bands die ‘’digital’’ in hun titelsong hebben geadopteerd. Met het begrip in het achterhoofd werden verschillende archieven doorgespit. Een eerste interessant nummer werd gevonden met Digital van Joy Division. Deze post punk group bracht het nummer eind jaren ’ 70 uit. De band kenmerkte zich door rauwe teksten en rare vervormingen in de muziek. Het nummer Digital had deze rare vervormingen zeer zeker ook, maar ook zeer simpele loopjes waardoor het nummer

20 SOAP

niet té zwaar wordt om te luisteren. Daarbij was het tekstueel ook niet al te ingewikkeld. Andere nummers van deze melancholische rockband die zeer de moeite waard zijn om te luisteren zijn Transmission en het uit de Top2000 bekende Love Will Tear Us Apart. Nadat de zanger op 23-jarige leeftijd besloot om het plafond naar beneden te trekken met behulp van een touw om zijn nek, vormden de overige bandleden de fameuze band New Order. Deze band zette de sound van Joy Division door en werd een pionier op het gebied van de elektropop. Ze brachten in 1983 het zeer bekende nummer Blue Monday uit, dat een typisch digitale/elektronische sound had. Het jaar 1983 is overigens ook het bruggetje naar de volgende band met ‘’digital’’ in het repertoire. In 1983 kwam een fameuze Britse band met de single Digital Bitch. Deze zeer verfijnde, gedistingeerde en mondaine band wordt alom gezien als de grondlegger van de heavy metal. De naam van deze band? Black Sabbath natuurlijk! Het nummer gaat over een niet zo leuke jongedame die als een verwend nest het geld van haar vader uitgeeft. Zodoende dus de titel van dit nummer. Nadat frontman Ozzy (je weet wel, van die reallife-soap op MTV) na duiven de kop omdraaien, een vleermuis dood bijten, dronkenschap en strak staan uit de band werd gezet, kwam er een frisse wind door de band. Dit resulteerde in 1983 in het album Born Again, door velen gezien als het laatste échte album van Black Sabbath. Op dit album deed de zanger van Deep Purple, Ian Gillan, de vocalen en van dit album zijn vooral Trashed en Hero To The Zero de bekendere nummers. Maar mocht je het echte werk van Black Sabbath willen horen, dan moet je toch naar begin jaren ’70 gaan met nummers als Paranoid, N.I.B. en Black Sabbath. De volgende band is eigenlijk een soort hybride van Joy Division en Black Sabbath. Deze mix van post-punk en heavy metal komt uit Washington en kenmerkte zich oorspronke-


lijk door post-punk om later over te gaan tot trage heavy metal. Ze zijn niet erg bekend bij het grote publiek maar de kenners weten het zeker: The Mel-

ring van Justin Timberlake; NSYNC. Zij kwamen met een nummer getiteld Digital Get Down. Het nummer is uit de hoogtijdagen van NSYNC, dus rond 2000, en is eigenlijk helemaal niet zo onschuldig voor tienermeisjes. In eerste instantie wordt een lange afstandsliefde beschreven, waarbij de twee geliefden elkaar gelukkig via de computer kunnen zien. Maar daarna wordt het, getuige dit tekstfragment, toch éven iets suggestiever; Baby, baby we can do all that we want We get nasty, nasty We get freaky deaky, uh, uh

hun waar hier over gesproken wordt: Digital Love. Het is een vrolijk up-tempo nummer met een heel catchy deuntje. Dat is ook een reden waardoor het veel gebruikt is in reclame's van MTV en het deuntje veel mensen bekend in de oren zal klinken. Het nummer gaat over iemand die een verliefde droom heeft, maar dan opeens wakker wordt. Hij wil dat gevoel graag weer terug en vraagt zich af waarom dat niet gaat. Het komt van het tweede album, Discovery uit 2001, waar Harder, Better, Faster, Stronger ook een bekend nummer van is. Dit langverwachte album betekende de definitieve doorbraak van de Franse supersterren. Met deze laatste artiest is de beschouwing bijna ten einde. Besluitend concludeer ik dat via het thema ''digital'' verschillende hoeken van de muziek voorzichtig zijn verkend. Diverse stromingen zijn aan bod gekomen en de hoop is altijd dat er voor de lezer van dit stuk enkele verrassende dingen bij zaten. Maar voor muziek geldt natuurlijk altijd; je moet het zelf ervaren. Dus zelf die muziek kopen/downloaden/ live beluisteren en afwachten of het je

vins hebben hun stempel op de muziek zeker kunnen drukken. Zo kunnen zij gezien worden als de grondleggers van de grunge. Soundgarden nam bijvoorbeeld de gitaarstemming over van The Melvins en Nirvana zag deze band als hun grote inspiratiebron. In de nasleep van het succes van Nirvana's Nevermind konden zij ook een groot contract tekenen, maar een legendarische status bleef hen helaas bespaard. Het nummer waar het over gaat is niet zo bijzonder al mankeert er tekstueel niet zo veel aan dit nummer. Het betreft namelijk een grapje van de band. Ze wilden gewoon een stukje ''Pure Digital Silence'', dus is er een minuut helemaal niets te horen! De reden dat ik dit nummer toch meeneem, is omdat ze zeker wel nummers hebben die de moeite waard zijn om te beluisteren. Te denken valt dan aan nummers als Joan of Arc, Leech en Grinding Process. Stuk voor stuk knijterharde Grunge nummers, maar mocht je een beetje open-minded zijn, dan is dit zeker de moeite waard!

En dan te bedenken dat lieve onschuldige meisjes dit liedje vlekkeloos konden meezingen, tja. Zo snel als de band opkwam, zo snel ging deze ook weer onder. Het muzikale legaat wat achtergelaten werd is niet echt van een hoog niveau. Toch moet ik bekennen dat sommige nummers gewoon wel lekker zijn om weer eens een keer te luisteren. Bye bye bye (met die clip waarbij ze als poppen aan touwtjes hingen) en Drive Myself Crazy Thinking Of You verdienen een zeer, maar dan ook zéér lichte aanbeveling.

Van een post-punk band, de grondleggers van de metal en de founding fathers van de grunge nu naar compleet iets anders. Eind jaren '90 kwamen ze op als paddenstoelen uit de grond. Geadoreerd door meisjes, guilty pleasures voor de jongens. De band waarom het gaat is niet de Backstreet Boys, Westlife of Take That. Het is namelijk hun Amerikaanse broertje onder aanvoe-

Digitale liefde is ook het bruggetje naar het volgende illustere duo. Gestart als een punkband, maar groot geworden door eind jaren ´90 de trend te zetten in de housemuziek. Around The World, One More Time en Get Lucky zijn nu al verworden tot moderne klassiekers en het duo kan rekenen op een trouwe schare fans over de hele wereld. De band: Daft Punk. Het nummer van

grijpt. Dat is tenslotte de ware essentie van muziek. Nog een laatste tip ter afsluiting: Digital Lion van James Blake (2013). Echt de moeite waard als je van net wat andere muziek houdt. Ook Limit To Your Love (Cover van Feist, 2011) is zeker een ietwat onvolprezen muzikaal hoogstandje.

SOAP 21


Zit vruchtbaarheid in de genen? Een interview over de toegevoegde waarde van de genetische informatie voor de sociale wetenschappen.

vlnr: Jornt Mandemakers, Nicola Barban, Felix Tropf & Melinda Mills

Chaïm la Roi e vraag of genen ons gedrag bepalen, is van oudsher geen voer voor sociologen. Toch is een groep onderzoekers aan onze vakgroep bezig een antwoord te vinden op juist de bovenstaande vraag. Soap wilde hier meer van weten en interviewde één van de medewerkers aan dit project, postdoc Jornt Mandemakers.

D

om meer te weten te komen over de biologische aspecten van reproductieve keuzes. Het maakt het tevens mogelijk om het sociale beter te begrijpen. Mensen maken keuzes, maar zijn daarbij afhankelijk van de mogelijkheden die ze hebben. Biologie definieert in zekere zin wat die mogelijkheden zijn, met name wat betreft reproductieve keuze. Als je weet wat de mogelijkheden zijn, kun je ook beter iets zeggen over de keuzes die mensen maken.

Wat houdt het project ‘Zit vruchtbaarheid in de genen’ precies in?

Dus je genetische hardware bakent je kansen en mogelijkheden af?

In dit project onderzoeken we de genetische invloeden op ‘reproductieve keuzes’. Daaronder wordt in dit geval verstaan ‘het wel of niet hebben van kinderen en de timing ervan’. Er is op dit moment heel veel bekend over de sociale invloeden op die uitkomsten, terwijl daarentegen weinig bekend is over genetische invloeden. Dit is vreemd, omdat vruchtbaarheid in essentie een biologisch proces is.

Hoe beïnvloeden je genen het wel of niet hebben van kinderen en de timing hiervan? Genetica biedt heel veel mogelijkheden 22 SOAP

Dat is één aspect. Daarnaast is er nog zoiets als gen-omgevingsinteracties. Het zou zo kunnen zijn dat op mensen met genetische variant X het effect van de economische crisis op hun keuze om wel of geen kinderen te nemen, anders is. Sommige mensen zijn bijvoorbeeld erg risicomijdend. Dergelijke uitspraken zijn tot nog toe vrij speculatief, omdat er eigenlijk vrij weinig bekend is over dit interactie-aspect. Het doel van dit project is onder andere om hierover meer te weten te komen.

Hoe is het project opgebouwd?

Het project bestaat uit drie delen. Het

eerste deel is een GWAS (genome wide association study, red.). Daarin doe je een meta-analyse op data uit een heleboel studies in de wereld, die informatie hebben over zowel het genoom van mensen als ook hun reproductieve keuzes. Het menselijk genoom bestaat uit een drie biljoen basisparen, met bizar veel variatie. Daarom kijken we naar kleine informatieve stukjes uit het genoom, de zogenaamde SNPs (single nucleotide polymorphisms, red.). Dit zijn plekken op het genoom die je gebruikt om een deelgebiedje ervan te classificeren. Met die SNPSs proberen we te achterhalen of er plekken op het DNA zijn die samenhangen met reproductieve keuzes. De directe invloeden van genen op gedrag zijn over het algemeen erg klein. Daarnaast voeren we in het eerste onderdeel van het project enorm veel regressies (tot wel 2,5 miljoen!) uit, waardoor de mogelijkheid tot toevalstreffers enorm toeneemt. Voor deze aspecten corrigeren we op meerdere manieren. Ten eerste door een enorm grote studie uit te voeren. Daarnaast hanteren we een extreem laag significantieniveau (5*10^-8). Een derde manier om hiervoor te corrigeren is door significant


bevonden SNPs uit de discovery phase opnieuw te testen in andere onafhankelijk studies. Dit hertesten gebeurt in de zogenaamde replication phase. Het tweede deel van het onderzoek bestaat uit tweelingstudies. Tweelingstudies bieden de mogelijkheid om te bepalen in hoeverre bepaalde uitkomsten genetisch bepaald zijn, door eeneiige en twee-eiige tweelingen te vergelijken. Aan de hand van tweelingstudies bepaal je voor welk gedeelte bepaalde eigenschappen erfelijk zijn, wat veroorzaakt wordt door een gedeelde omgeving (bijvoorbeeld opvoeding door dezelfde ouders, opgroeien in dezelfde buurt, dezelfde school, etc.) en wat het gevolg is van niet-gedeelde omgevingsfactoren (bijvoorbeeld eigenschappen van een partner). Wat je hierbij echter niet te weten kunt komen, is welke genen hiervoor verantwoordelijk zijn. Afhankelijk van de uitkomst is die verdeling anders. Lengte is bijvoorbeeld voor 80% genetisch bepaald, leeftijd waarop vrouwen in de overgang komen 50%, en het kindertal en de timing daarvan tussen de 20% en 40%. Omgevingsfactoren beïnvloeden bovendien het belang van genetische invloeden. Mensen in sommige delen van Afrika, om een heel extreem voorbeeld te noemen, zijn bijvoorbeeld allemaal klein in verband met een tekort aan goed voedsel. De genetische component zou dan 0 zijn. De omgeving bepaalt dus deels in hoeverre die genetische component tot uiting komt.

Als je weet wat de mogelijkheden zijn, kun je ook beter iets zeggen over de keuzes die mensen maken. Het derde deel is het eigenlijke hoofddoel van de studie, namelijk het bekijken van mogelijke interacties tussen genetische dispositie en omgevingsfactoren. Zo bekijken we nu of het zo is dat vrouwen die genetisch gezien meer risico lopen op vruchtbaarheidsproblemen ook vaker kinderloos zijn en hoe dat samenhangt met de levensloop. Een mogelijke genomgeving interactie zou kunnen zijn dat met name vrouwen uit latere geboorte cohorten en hoger opgeleiden vrouwen kwetsbaarder zijn voor genetisch gestuurde vruchtbaarheidsproblematiek, aangezien zij het krijgen van kinderen gemiddeld gezien meer uitstellen tot risico leeftijden (35+)

Wat zijn de eerste bevindingen binnen het project?

Dat is lastig te zeggen. We lijken in de discovery phase iets gevonden te hebben, maar het is nog te vroeg om daar iets over te zeggen. In het verleden is vaak gebleken dat men dacht iets gevonden te hebben, wat uiteindelijk niet gerepliceerd kon worden. We zijn nu bezig met het afronden van de discovery phase. De SNPs die daarin significant lijken te zijn, dat zijn er op de 2,5 miljoen bij wijze van spreken drie, gaan door naar de replicatiefase.

Als de gevonden effecten zo klein zijn, heeft het dan wel zin om biologische invloeden te onderzoeken?

Dat denk ik wel. Ten eerste omdat het interessant is. Ten tweede heeft vruchtbaarheid gewoon een sterke biologische component, die tot dusverre grotendeels is genegeerd in onderzoek. Het is denk ik wel van belang om daar meer van te weten, ook om meer te begrijpen van de omgevingsinvloeden. Je kunt bepaalde keuzes beter begrijpen als je weet hoe biologisch gedrag gestuurd is.

Is er tot dusverre veel bekend over de genetische invloeden op andere uitkomsten?

Onlangs is er een studie gepubliceerd die een SNP heeft gevonden, die samenhangt met opleidingsniveau[i]. Veel onderzoek associeert opleidingsniveau met allerlei sociale uitkomsten, maar de vraag is of dit een causaal effect is. Je kan die genetische informatie gebruiken om te achterhalen of er een causaal effect is, omdat je nu die genen als instrumentele variabelen kunt gebruiken.

Maar opleidingsniveau is een relatief recent fenomeen. Hoe kunnen genetische factoren daar dan aan ten grondslag liggen?

Waarschijnlijk heb je voor opleidingsniveau motivatie en cognitieve capaciteiten nodig. De gevonden SNPs hangen waarschijnlijk samen met de snelheid waarmee mensen denken en doorzettingsvermogen. Dit soort onderzoek is echter een heel nieuw gebied, waarbinnen nog heel veel onduidelijkheid bestaat. De gevonden SNPs verklaren ook maar een paar procent van de variantie, maar ze doen het wel. Heel consistent, omdat de associaties gevonden zijn met behulp van allerlei studies over de hele wereld. Wij (Nicola Barban, Melinda Mills, Jornt Mandemakers; in samenwerking met Harold Snieder[ii]) zijn momenteel bezig om te kijken in hoeverre de SNPs die worden geassocieerd met opleidingsniveau, ook een effect hebben op de leeftijd waarop mensen met kinderen beginnen. Een hoog opleidingsniveau wordt nu namelijk vaak aangevoerd als reden voor het laat krijgen van kinderen, terwijl ik vermoed dat het meer is omdat de keuze om aan kinderen te beginnen, een bepaald carrièreperspectief en een bepaald familieperspectief wordt beïnvloed door derde factoren. Familiefactoren of ook genetische factoren. Samen met Felix Tropf (AIO aan de vakgroep, red.) ben ik momenteel bezig met een paper waarin we dat bekijken in tweelingen. Daarin blijkt dat de samenhang in opleidingsniveau en kindertal en timing van het eerste kind waarschijnlijk zowel genetisch als sociaal ligt in de familie van oorsprong. Er is dus niet echt een causaal effect van opleidingsniveau. Dat vermoeden we althans.

De rest leest u op de volgende bladzijde.

SOAP 23


Zal onderzoek zoals dat van jullie, op termijn ‘traditioneel’ sociologisch onderzoek gaan vervangen?

Het leuke van sociologie is denk ik dat beide soorten onderzoek bestaan. Veel sociologisch onderzoek is heel beschrijvend van aard. Daarop komt dan geregeld de kritiek dat je niks kan zeggen over causaliteit, wat ik vaak loze kritiek vind. De bevindingen zijn vaak op zichzelf interessant genoeg en de zoektocht naar causaliteit is soms een soort onmogelijke kwestie. Maar met genetische informatie is het echter wel mogelijk om er toch iets meer over te kunnen zeggen, of bepaalde theorieën die in het verleden niet toetsbaar waren toch te testen. Dat zijn leuke dingen die nu mogelijk worden.

Genetische informatie die steeds meer beschikbaar en toegankelijk wordt, zal denk ik wel een sterk effect op onze samenleving gaan hebben.

Hoe zie je de toekomst van dergelijk onderzoek voor je?

Men gaat denk ik in toenemende mate voor gedragingen genen vinden. De vraag is wat dit betekent. Je moet vooral niet denken dat mensen geen keuze meer hebben in hoe ze hun leven leiden. Ik denk niet dat het zo deterministisch is. Genetische informatie die steeds meer beschikbaar en toegankelijk wordt, zal denk ik wel een sterk effect op onze samenleving gaan hebben.

Vind je dit een goede ontwikkeling? Je werkt er per slot van rekening zelf aan mee.

Ik denk dat het onontkoombaar is dat dit eraan komt. De vraag is meer hoe je ermee omgaat. Aan de toegenomen beschikbaarheid van genetische informatie zitten wel degelijk haken en ogen en het is moeilijk te voorzien welke kant het opgaat. Met name in de gezondheidszorg zitten er veel nieuwe mogelijkheden aan te komen. Sommige, bijvoorbeeld een test waarmee je kunt voorspellen of een chemokuur bij je gaat aanslaan, zijn onverdeeld positief. Minder positieve kanten zijn testen om te kijken of een embryo bepaalde genetische afwijkingen heeft of niet. Je kunt je afvragen waar dat heen gaat. Alles weten maakt misschien niet gelukkig. [i] Rietveld, C. A., Medland, S. E., Derringer, J., Yang, J., Esko, T., Martin, N. W., ... & McMahon, G. (2013). GWAS of 126,559 Individuals Identifies Genetic Variants Associated with Educational Attainment. Science, 340(6139), 1467-1471. [ii] Hoogleraar genetische epidemiologie, red.

24 SOAP


OP ZOEK NAAR EEN LEERZAME (BIJ)BAAN?

Intraval is een sociaal-wetenschappelijk onderzoeks- en adviesbureau in Groningen. De werkterreinen zijn: • verslaving • leefbaarheid • welzijn • jeugd Intraval heeft regelmatig plaats voor onderzoeksassistenten die op oproepbasis kunnen assisteren bij onderzoekswerkzaamheden. De werkzaamheden bestaan onder andere uit: • respondenten werven • enquêtes afnemen • observaties uitvoeren • data invoeren • interviews uitwerken Tevens zijn er verschillende stagemogelijkheden en werkervaringsplekken voor (bijna) afgestudeerde sociale wetenschappers. Geïnteresseerd? Neem dan contact op met Martin Haaijer.

Sint Jansstraat 2C www.Intraval.nl info@ Intraval.nl 050-3134052 SOAP 25


De teloorgang van de journalistiek De journalistiek in een digitaliserende wereld

Nienke Tebbens Illustratie: Djamila Boulil

L

ange tijd zijn journalisten onmisbaar geweest in onze maatschappij. Ze werden gezien als doorgeefluik, als een soort inlichtingendienst voor belangrijke zaken. Misstanden werden aan de kaak gesteld, onduidelijkheden werden uitgediept. De journalisten vormden de poort naar de waarheid, zij gaven gestalte aan de vrijheid van meningsuiting, een fundament van onze samenleving. Deze tijd lijken we echter al lang achter ons gelaten te hebben. Journalisten zijn aan de kant gezet, ontheven uit hun functie als doorgeefluik en hebben niet langer de status die na een lange geschiedenis van journalistiek zo vanzelfsprekend was geworden. Op dit moment moeten journalisten strijden om hun beroep, strijden om hun eer en strijden voor het publiek. Het zijn andere tijden. De journalistiek wordt bedreigd door een krachtig en onontkoombaar fenomeen dat als onkruid tussen de bloemen door groeit. Een fenomeen dat ons leven is gaan beheersen en ons niet met rust laat. Ik heb het uiteraard over de komst van het internet wat ons in staat stelt om op de hoogte te blijven, van alles en iedereen, waar ook ter wereld. Het is een communicatiemiddel en een informatiebron. Een bron van grote ergernis, maar ook een bron van intelligentie. De digitalisering van de samenleving heeft er in elk geval toe geleid dat niet alleen journalisten in staat zijn om nieuws op een grote schaal te verspreiden, maar ook het publiek, de nieuwsconsumenten, en iedereen die maar iets te melden heeft. Waar de journalist voorheen ingeschakeld werd om verslag te doen van een bijzondere gebeurtenis, wordt dit tegenwoordig met mobiele telefoons vastgelegd en op facebook gezet. Des te beter het nieuws gewaardeerd wordt, door middel van likes, des te groter het publiek wordt dat de boodschap ontvangt. Het lijkt een ontzettend goed idee. In plaats van alleen nieuws te ontvangen dat journalisten jou voorschotelen (zij kennen je niet eens!) krijg jij nu alleen nog nieuws binnen uit je sociale omgeving.

26 SOAP


Dat de journalistieke wereld van deze ontwikkeling op zijn achterste benen gaat staan, komt niet als een verrassing. Journalisten zijn zich uiteraard sterk bewust van de ontwikkelingen en zien hun functie bedreigd worden. Ze weigeren echter vaak om erop te reageren. Kranten moeten hun oplages met soms wel 14% zien dalen om te beseffen dat mensen het nieuws niet langer lezen in de krant, maar op het internet. Malcolm Tucker, een personage uit de Britse serie A thick of it, verwoordde het mooi: “These are hard times for print journalists, I read that on the internet. One day your writing for the papers the next your fucking sleeping under them”. Gil Thelen, journalist en hoogleraar kritisch schrijven aan de universiteit van Zuid Florida, betoogde dat de grootste horde in de ontwikkeling naar online nieuws niet technologisch van aard is , maar cultureel. Het culturele verzet van journalisten van traditionele media heeft volgens hem de ontwikkelingen in de weg gestaan. Maar vandaag de dag kunnen journalisten er niet langer om heen. Er is sprake van een zogeheten ‘deprofessionalisering’ van de journalistiek. Iedereen kan tegenwoordig een journalist zijn, daar heb je niet langer een opleiding journalistiek voor nodig. Een boodschap verspreiden onder een groot publiek vereist geen journalistieke vaardigheden meer. Hoewel dit allemaal mooi klinkt heeft het ook een keerzijde. Want als iedereen berichten kan plaatsen op internet en daarmee ook het nieuws vormgeeft, wie waarborgt dan nog de kwaliteit van het nieuws?

Iedereen kan tegenwoordig een journalist zijn, daar heb je niet langer een opleiding journalistiek voor nodig. Online media die hun eigen ‘content’ maken blijken tegenwoordig zeldzaam. Sites als nu.nl verzamelen alle belangrijke nieuwsberichten zonder ook maar een woord zelf op papier te zetten. De nieuwsberichten zijn erg kort en bevatten alleen het belangrijkste nieuws. Online journalisten leggen alles op de tafel en hopen dat de waarheid uiteindelijk aan het licht komt. Voor een kritische achtergrond hoef je dus niet op de site te kijken. Het wordt ook wel de ‘Miltonian’ benadering genoemd. CNN heeft ingespeeld op deze ontwikkeling en heeft het zogeheten ‘I-report’ opgezet. Met de leus “Share your story, discuss the issues with CNN.com” proberen zij mensen zover te krijgen zelf nieuwsberichten te plaatsen. “At CNN we believe that looking at the news from different angles gives us a deeper understanding of what’s going on.” Hiermee lijkt de CNN te zeggen dat journalisten alleen niet in staat zijn om een volledig beeld te geven van het nieuws en dat zij hierbij hulp nodig hebben van het publiek. CNN lijkt dus toe te geven aan de deprofessionalisering van de journalistiek.

Online journalisten leggen alles op de tafel en hopen dat de waarheid uiteindelijk aan het licht komt. Rob Wijnberg gooide het dit jaar over een hele andere boeg met zijn nieuwe project ‘de Correspondent’. Een groot aantal, bekende, redacteuren zal de website van eigen content voorzien wat vooral meer ‘context’ moet scheppen, aldus Wijnberg op de site van de Correspondent. “Door het nieuws in een breder perspectief of in een ander licht te plaatsen, willen wij het begrip ‘actualiteit’ herdefiniëren: niet om je aandacht te trekken, maar om je inzicht te bieden in hoe de wereld werkt.” Voor 5 euro per maand kan je de artikelen op de website lezen. Hiermee probeert Wijnberg aan te tonen dat journalisten wel degelijk in staat zijn nieuws te produceren. De Correspondent lijkt dus een goed initiatief, dat er voor zou kunnen zorgen dat de journalistiek haar professionaliteit weer een beetje terugwint. Dat het publiek niet alleen op de hoogte is van headlines en “breaking news” maar ook van de bredere context waarin gebeurtenissen plaatsvinden. De kwaliteit van het nieuws zou hierdoor veilig worden gesteld. Ik vrees echter dat zelfs Rob Wijnberg ons dit keer niet uit de brand kan helpen. Mensen zijn nou eenmaal gewend geraakt aan de korte berichten die op het internet circuleren en kijken liever op wikipedia wanneer zij meer over de achtergrond willen weten. We verzamelen hiermee allerlei losse flarden, deeltjes nieuws, waarmee we uiteindelijk zelf willen puzzelen. We willen geen hapklare brokken nieuws die aan ons gepresenteerd worden, maar oneindig zoeken op het internet en vervolgens zelf conclusies trekken. Dat is de samenleving van nu en ik vrees dat de journalistiek het daarmee moet doen.

SOAP 27


Sociologie in een digitale wereld Dieko Bakker

Z

ittend achter een computer, met in tabbladen op de achtergrond Facebook en mijn e-mail open, terwijl het lichtje van mijn telefoon knippert om een nieuw WhatsApp-bericht aan te kondigen is het duidelijk dat communicatie de laatste jaren steeds digitaler is geworden. Iets meer dan drie jaar geleden had nog geen kwart van de Nederlanders een smartphone. Nu loopt al meer dan zestig procent van ons met een iPhone of Android-toestel. Zo’n tien jaar geleden maakte nog maar de helft van de Nederlanders regelmatig gebruik van internet. Nu is dat aandeel opgelopen naar meer dan negentig procent. Onze vrienden spreken we soms meer over WhatsApp of Facebook dan we ze face-to-face zien. Sommige mensen besteden uren en dagen aan online spellen spelen, Facebooken of meepraten op forums of websites als Reddit. Dat is sociale wetenschappers ook opgevallen. Nu een steeds groter deel van ons sociale gedrag zich afspeelt in digitale omgevingen komt er ook steeds meer sociaal-wetenschappelijk onderzoek dat van die digitale omgevingen gebruik maakt. Nieuwe technologieën

28 SOAP

maken soms bestaand onderzoek makkelijker uit te voeren, maken soms nieuwe soorten onderzoek mogelijk en bieden soms hele nieuwe onderzoeksgebieden. Wat is er mogelijk voor sociologen die van de ontwikkeling naar digitale communicatie gebruik willen maken?

Betere data is betere toets

Een van de lastigste dingen in sociologisch onderzoek is het vinden van goede data. Op grote schaal experimenten uitvoeren vraagt veel proefpersonen, veel tijd en veel geld. Op grote schaal informatie uit de echte wereld verzamelen is ook duur en langzaam werk. Gelukkig zijn er onderzoekers die slim gebruik maken van onze digitale communicatie om die dataverzameling makkelijker, grootschaliger en goedkoper te maken.

39 miljoen ketens van retweets

Een onderzoeker met een theorie over de verspreiding van informatie en gedrag door een groep mensen wil als het even kan alle communicatie tussen de mensen in die groep bijhouden, zodat hij precies kan ontdekken wie wie beïnvloedt. Dat is nog wel te doen als het de bedoeling is te onderzoeken hoe één persoon één ander persoon beïnvloedt. Als het onderzoek bedoeld is om uit te vinden hoe een heleboel mensen een groot aantal andere mensen beïnvloeden wordt het verzamelen van data bijna onmogelijk. Wie heeft er tijd en geld om van alle mensen uit een grote groep alle gesprekken? Bij gebrek aan informatie over grote groepen richten onderzoekers en praktijkmensen zich op een klein aantal mensen die verwacht worden bijzonder goed te zijn in het verspreiden van informatie. Niet voor niets vind je met een beetje googelen allerlei artikelen over beroemdheden die betaald worden om gunstig te tweeten over producten of bedrijven. Met de opkomst van Twitter, een sociaal netwerk dat speciaal bedoeld is voor het delen van informatie, is het voor wetenschappers een stuk makkelijker geworden om de verspreiding


van informatie te volgen. Als de paus vanuit het Vaticaan een tweet de wereld in stuurt die wordt geretweet door de bisschop van Den Bosch die op zijn beurt gevolgd en geretweet wordt door een twitterende pastoor uit Boterwijk, NoordBrabant is deze hele keten door sociale wetenschappers te volgen. Dat betekent dat het mogelijk is precies bij te houden hoe een stukje informatie zich verplaatst door een netwerk van mensen die met elkaar verbonden zijn.

Hoe gedragen mensen zich tegenover anderen die ze nooit tegen zullen komen?

de lezers van 9gag zijn alleen verenigd door een liefde voor grappige plaatjes en de mensen die reacties plaatsen onder YouTube-filmpjes lijken alleen een laag IQ met elkaar gemeen te hebben. Niet alleen kom je op het internet zo gewild of ongewild in contact met mensen die je anders nooit van je leven zou ontmoeten, je hebt ook nog eens de kans om zelf te kiezen welke sociale omgeving je je in wilt begeven. Deze sociale vrijheid, de mogelijkheid om op elk gewenst moment nieuwe relaties aan te gaan of oude nagenoeg zonder gevolgen te verbreken, bestond nog nooit op zo’n manier. Hoe mensen met deze nieuwe vrijheden omgaan is een interessante vraag. Hoe gedragen mensen zich tegenover anderen die ze nooit tegen zullen komen? Hoe ontstaat vertrouwen in relaties die op elk moment te verbreken zijn zonder dat de tegenpartij daar sancties tegenover kan stellen?

Bowling alone together

Dat volgen van tweets terwijl ze zich verplaatsen langs een keten van twitteraars is precies wat een aantal Amerikaanse onderzoekers in 2010 gedaan hebben. In een paper met de titel “Identifying ‘Influencers’ on Twitter” volgden ze niet minder dan 39 miljoen ketens van retweets. Dit onderzoek maakte het mogelijk om verwachtingen over ‘invloedrijke individuen’, mensen die bijzonder goed in staat zijn om informatie te verspreiden, te toetsen. De onderzoekers ontdekten dat het, hoewel sommige mensen duidelijk vaker geretweet worden dan anderen, onmogelijk was om ‘superbeïnvloeders” aan te wijzen. Voor marketingstrategen zou dit interessant nieuws moeten zijn. Lady Gaga tienduizend euro betalen om te tweeten over L’Oréal zou het bericht wel eens bij minder mensen voor de ogen kunnen krijgen dan duizend willekeurige twitteraars elk tien euro betalen voor eenzelfde tweet.

Het feit dat onze communicatie langzaam meer naar het digitale verplaatst is heeft ook gevolgen voor de ‘echte wereld’. Het is ondertussen al bijna twintig jaar geleden dat Robert Putnam in zijn boek Bowling Alone schreef over het afnemende sociaal kapitaal van Amerikanen, waarbij hij televisies en computers als schuldigen zag. Volgens Putnam zorgde de nieuwe technologie ervoor dat Amerikanen minder meededen sociale activiteiten en zich minder bezighielden met activisme en maatschappelijk werk. Nu deze nieuwe technologieën juist steeds meer gericht worden op het verzorgen van communicatie en interactie is er een extra reden om nog eens goed naar die conclusie te kijken. Putnam gebruikte het beeld van bowlingclubs die uit elkaar vielen als illustratie van afnemend sociaal kapitaal, tegenwoordig kun je online multiplayer-bowlen. Ook is er de laatste jaren al onderzoek gedaan naar de invloed van bijvoorbeeld online sociale contacten op de geestelijke gezondheid en naar hoe de effecten van digitaal sociaal contact zich verhouden tot die van ‘gewoon’ sociaal contact.

Nieuwe wereld, nieuwe vragen

Conclusie

De nieuwe digitale wereld geeft niet alleen maar mogelijkheden om bestaande theorieën beter te testen. Soms vraagt de nieuwe technologie ook om hele nieuwe theorieën. Het internet wordt wel eens omschreven als een plek waar “mannen mannen zijn, vrouwen ook mannen zijn en kinderen FBI-agenten zijn”. Die quote geeft al aan dat de anonimiteit van communiceren via het internet en andere digitale middelen het lastig maakt je gesprekspartners onder controle te houden. Achter een filter van anonimiteit valt veel van de sociale controle die interacties tussen mensen duurzaam en betrouwbaar maakt weg. Anonimiteit is niet de enige eigenschap van digitale communicatie die vraagt om een nieuwe sociologische theorie. Op het internet kunnen communities spontaan gevormd worden en worden gedeeld door mensen die behalve hun gedeelde lidmaatschap nagenoeg niks met elkaar gemeen hebben. De meeste World of Warcraft-spelers zijn alleen met elkaar verbonden doordat ze zich in dezelfde speelwereld verplaatsen,

De ontwikkelingen van de laatste jaren, waarin steeds meer digitaal gecommuniceerd wordt en sociaal gedrag in een digitale omgeving steeds grootschaliger wordt, zijn voor sociologen dus op twee manieren interessant. Ten eerste kunnen bestaande theorieën door nieuwe technologie nu beter getoetst worden. Ten tweede geven de nieuwe omstandigheden waarin sociaal gedrag plaatsvindt redenen om nieuwe theorieen te ontwikkelen of bestaande aan te passen. Voorlopig lijk het einde van de trend naar meer digitale communicatie nog niet in zicht. Het wordt heel interessant om te zien hoe sociologen in hun onderzoek deze ontwikkeling gaan gebruiken en bestuderen.

SOAP 29


Scriptieprijs 2012 “Wegens omstandigheden is het ons niet gelukt om het juryrapport van de scriptieprijs van 2012 in de vorige editie van SoAP te plaatsen. Daarom kunt u in deze editie ditjuryrapport alsnog lezen.�

JURYRAPPORT De jury voor de scriptieprijs sociologie is na rijp beraad tot het besluit gekomen de Gadourek Prijs voor de Beste Scriptie van het jaar 2012 toe te kennen aan

Marjan Faber voor haar scriptie getiteld Sturen op onderwijskwaliteit Besturen in het primair onderwijs en hun invloed op onderwijskwaliteit

30 SOAP

Marjan Faber


D

e jury heeft de dertien masterscripties uit dit jaar die tenminste het cijfer acht hadden in de beoordeling betrokken. Deze dertien scripties zijn alle door tenminste twee juryleden gelezen. Daaruit resulteerden vier kanshebbers die door alle juryleden zijn gelezen. Daarna heeft de jury uitvoerig beraadslaagd over de relatieve verdiensten en de sterktes en zwaktes van de verschillende scripties. De twee juryleden die niet als begeleider bij één van de kanshebbers waren betrokken gaven in dit proces de doorslag. Aldus is de jury tot het besluit gekomen de scriptieprijs toe te kennen aan Marjan Faber voor haar onderzoek naar de handelwijze van schoolbesturen die met het predicaat ‘zwakke’ of ‘zeer zwakke’ school werden geconfronteerd. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de Inspectie voor het Onderwijs en maakte deel uit van een regiostudie van de inspectie in de drie noordelijke provincies. De resultaten van de scriptie zijn in het eindrapport van deze regiostudie opgenomen en in januari 2013 officieel gepresenteerd. De scriptie is begeleid door dr. Gerry Reezigt vanuit de Onderwijs­inspectie en dr. Arie Glebbeek en dr. Rie Bosman vanuit de vakgroep Sociologie. De jury was onder de indruk van de systematische werkwijze, heldere presentatie en informatieve opbrengst van de scriptie. Daarnaast betreft het een maatschappelijk zeer relevant onderwerp. De probleemstelling van de scriptie luidt: Welke bestuurlijke interventies dragen bij aan het verbeteren van de onderwijskwaliteit op (zeer) zwakke basisscholen? Het is belangrijk dit te weten, omdat een verbetering van onderwijs­kwaliteit geldt als één van de beste middelen om maatschappelijke achterstanden te bestrijden en kinderen vooruit te helpen. Het aantal zwakke basisscholen in de noordelijke provincies is de afgelopen jaren sterk verminderd. Schoolbesturen zijn er dus in geslaagd maatregelen te treffen die scholen beter aan de normen van de onderwijs­ inspectie laten voldoen. Welke maatregelen dat zijn, was tot dusver echter onderbelicht gebleven. Marjan is erop uitgetrokken om hier achter te komen en heeft met vertegenwoordigers van negen besturen gesprekken gevoerd. Zeven van deze besturen hadden in de voorgaande periode hun zwakke scholen verbeterd, twee besturen waren daar niet in geslaagd. Het is duidelijk dat Marjan deze gesprekken op zeer kundige wijze heeft gevoerd, want ze weet een helder beeld te schetsen van wat de bestuurders hebben gedaan of proberen te doen. Aan de scriptie liggen zeer sprekende en informatieve gespreksverslagen ten grondslag, die in de tekst slechts gedeeltelijk zichtbaar zijn, maar een schat aan informatie bevatten over de achtergronden en lotgevallen van de gepleegde interventies. Deze opbrengst is de vrucht van een gedegen inhoudelijke voorbereiding. Marjan had zich van tevoren een beeld gevormd van wat school­ besturen mogelijkerwijs zouden kunnen ondernemen en wist dus waarnaar ze moest vragen en doorvragen. Daartoe had ze zich goed ingelezen in wat over effectieve scholen bekend is. Daarnaast wist ze gebruik te maken van twee in de Socio­logie­master aangereikte zaken: de uitgangspunten van het New Public Management en de methode van Realistic Evaluation.

Uit het onderzoek van Marjan wordt één ding heel duidelijk: in de doeltreffende interventies is de leerkracht centraal gesteld. Daadkrachtige schoolbesturen schromen niet het koninkrijk van het klaslokaal te betreden en de didactische vaardigheden van hun personeelsleden onder een vergrootglas te leggen. Personele consequenties worden daarbij in veel gevallen evenmin geschuwd. Dat mag in meerdere opzichten als een kleine onderwijsrevolutie worden beschouwd. De nog recente praktijk van het opbrengstgerichte toezicht door de Onderwijsinspectie ligt hieraan ongetwijfeld ten grondslag. Het is een interessante vraag in hoeverre ook de nieuwe bestuurlijke organisatie van het basisonderwijs een bijdrage levert. Zelfstandige schoolbesturen staan dichter bij de scholen dan voorheen de overheid om daadwerkelijke controle uit te oefenen en verder van de werkvloer dan de schooldirecteuren om niet in loyaliteits­conflicten te belanden. Het zou kunnen dat aldus een meer effectieve span of control is geschapen. Marjans scriptie kan daarover geen uitsluitsel bieden, maar wat zij heeft gevonden lijkt wel in overeenstemming met de beleidstheorie van het New Public Management. Natuurlijk, het laatste woord over dit alles is nog niet gesproken. Wat zwakke scholen zijn, wordt in hoofdzaak afgemeten aan de scores op de eindtoets basisonderwijs (de Citoscores) en die dekken zeker niet alles wat in het onderwijs van belang is. Voorts blijft het een eindeloze discussie of de correctie voor bezwarende leerlingkenmerken op afdoende wijze is geschied. In Marjans onderzoek zijn de besturen geselecteerd op het criterium dat zij één of meer zwakke scholen onder hun hoede hadden. Deze selectie betekent dat de interventies die zij pleegden niet dezelfde resultaten hoeven te hebben onder meer reguliere omstandigheden. En ten slotte zal moeten blijken wat het nieuwe bestuursmodel op de lange termijn doet met de betrokkenheid en motivatie van de in hun autonomie beknotte leerkrachten. Marjan stelt terecht dat hun visie in vervolgonderzoek ook zou moeten worden meegenomen. Deze beperkingen doen evenwel geen afbreuk aan de kwaliteit waarmee Marjan aan haar opdracht heeft voldaan. Die komt tot uitdrukking in een doeltreffende beleidsscriptie met heldere antwoorden. De jury: M.H. Bosman J. Dijkstra J.J. Mandemakers A.C. Glebbeek (voorzitter) 14 maart 2013.

SOAP 31


Lees SoAP nu ook digitaal op onze vernieuwde website: soapgroningen.nl�


Digital: November editie SoAP