Page 1

Driemaandelijks: juni - juli - aug 2015

ruimte VA K B L A D VA N D E V L A A M S E V E R E N I G I N G V O O R R U I M T E E N P L A N N I N G

school maken

26


De Vlaamse Vereniging voor Ruimte en Planning (VRP) werkt aan een breed draagvlak voor kwaliteit en duurzaamheid in de stedenbouw en de ruimtelijke ordening. In haar werking en communicatie mikt de VRP op planologen en stedenbouwkundigen, alsmede op iedereen die met ruimte en stedenbouw bezig is. Met studiedagen, vorming, panelgesprekken, de ­publicatie van het praktijkblad Ruimte, een website en een facebookgroep voedt de vereniging het debat over theorie en praktijk in het vakgebied. Lid worden van de VRP kost € 115 (studenten € 65). Ruimte is in het lidmaatschap inbegrepen. Meer info, ook over abonnementen, op www.vrp.be. Met reacties, suggesties en voorstellen om te adverteren kan u terecht op het VRP-secretariaat, Damplein 27, 2060 Antwerpen. 03 201 59 00. secretariaat@vrp.be.

© Reporters

Ruimte is het blad van de Vlaamse Vereniging voor Ruimte en Planning (VRP). Het tijdschrift besteedt aandacht aan theorie en beleid, maar vooral aan goede praktijkvoorbeelden in binnenen buitenland. Ruimte heeft ook oog voor de ruimtelijke aspecten van aanverwante sectoren (economie, mobiliteit, vastgoed, recht, architectuur, toerisme, natuur, landbouw, publiek domein, landschapsarchitectuur, woonbeleid...). Het tijdschrift verschijnt driemaandelijks.

2|


4

Thuis in de stad

6

De Kleine Ruimte

School maken 10 #

EDITORIAAL

School maken KOEN R A E Y M A EK ER S

12 #

VIER ZOEKERS IN EEN LANDSCHAP

Vier zoekers in een stedenbouwkundig landschap een groepsgesprek M A RC M A RT ENS / KOEN R A E Y M A EK ER S

38 #

VLAAMS BOUWMEESTER

Brussel studentenstad Studentenhuisvesting als motor voor Brusselse stadsvernieuwing

66 #

RINGLAND

Ringland - het plan PE T E R V E R ME U L E N

A N N EL IE S AUGUST Y NS

72 # 42 

# 21STE EEUW CAMPUS

De campus van de 21ste eeuw

STRUCTUURVISIE GENT

Mensen maken de stad Een nieuw ruimtelijk structuurplan voor Gent SIMON VER LEDENS / LISE HULLEBROECK / ELS DEPU Y DT

JET HOU WER S / WIES SA NDER S

23 #

DIPLOMA’S

Welk diploma heeft een omgevingsambtenaar nodig? W O L F G A N G VA N D E V Y V E R E

26 

# EUROPESE ARBEIDSMARKT

Op weg naar een Europese arbeidsmarkt voor ruimtelijk planners JOR IS SCHEER S

28 #

CAMPUS

Knooppunten van relaties Schoolgebouwen in Vlaanderen doorgelicht

78 #

KERNVERSTERKING

Versterk de dorpskern, begin bij het bestuur PEGGY TOT TÉ

M A RC M A RTENS

82 # 54 #

RUIMTE VLAANDEREN

Scholen van Morgen Een inhaalbeweging van 165 (ver)bouwdossiers

KERNVERSTERKING

Gecoro’s en kernversterking Het begin van een ronde van Vlaanderen? T IM V E K EM A NS / EMIEL CR AU W EL S / MA ARTEN HOR EMANS

BERT FOUCART

Campus revisited Voorbij het opgewaardeerde bedrijfs- of universiteitsterrein LUUK BOELENS

32 #

48 

# KNOOPPUNTEN VAN RELATIES

DRIE EIKEN

Drie Eiken Op zoek naar ontwikkelingsperspectieven voor de suburbane universiteitscampus S E P P M AT Y N

58 #

INTEGRAALPLANNEN

Integraalplannen GO! Een overkoepelende kijk op scholenbouw in het gemeenschapsonderwijs E DW IN DE CE U K E L A IR E

62 #

BREDE SCHOLEN

Wanneer wordt een school ‘breed’? De moeizame weg naar multifunctionele schoolgebouwen JA NINE MEIJER

84

Ken uw Klassiekers #2

86

Recensies

|3


Thuis in de stad Halle – Nederhem Een kleine stad met grote ambities De site Nederhem, een brownfield van ongeveer 15 hectare in het Vlaams-Brabantse Halle, ligt ingeklemd tussen het spoor en het kanaal: restgronden, verspreide parkeerterreinen en een desolate industriële vlakte, die door de Zenne wordt doorkruist. Net als in Vilvoorde, voelt men ook hier de hete adem van Brussel. Halle dient bijgevolg constructief om te gaan met de expansiedruk van de hoofdstad én te zorgen voor het behoud van een eigen identiteit. Het eerste project voor de herontwikkeling van Nederhem dateert al van 2002, ten tijde van de eerste oproep voor stadsvernieuwing. De jury vond het ingediende projectvoorstel te mager, maar kende wel een conceptsubsidie toe. De Smet Vermeulen Architecten ontwikkelde een visie en een weldoordacht ontwerp voor een masterplan voor het gebied. Het nieuwe stadsdeel zou niet langer een geïsoleerde enclave zijn: een aaneenschakeling van groen, publieke ruimte en water moest de verschillende onderdelen van het project verbinden en het gebied ruimtelijk inbedden in zijn bredere omgeving. Op die manier is het project een evenwichtsoefening geworden tussen de creatie van een nieuw stadsdeel, met aansluiting bij het historisch stadscentrum, en de tegemoetkoming aan actuele noden zoals een pendelparking en kantoor- en bedrijfsruimte. In 2006 werd Halle een subsidie van twee miljoen euro toegekend voor het stadsvernieuwingsproject. De Nederhem-site beoogt een ontwikkeling met minstens 400 woningen, gemeenschapsvoorzieningen (zwembad, evenementenhal), parkeerinfrastructuur, publieke ruimte, KMO-ontwikkeling en natuurherstel. Vandaag wordt de eerste bouwfase met een 70 bescheiden woongelegenheden opgeleverd, met 24 stadsvilla's, 37 appartementen en negen eengezinswoningen. Kleinere steden die ambitieuze projecten willen realiseren, worden regelmatig geconfronteerd met de vaststelling dat ze boven hun gewicht boksen. In tegenstelling tot grotere steden kunnen ze nauwelijks terugvallen op geroutineerde stedenbouwkundigen of een autonoom gemeentebedrijf. Halle heeft daarom van bij het begin een projectmanager aangesteld die verantwoordelijk is voor de uitvoering van het stadsvernieuwingsproject.

© Niels Donckers © Niels Donckers


deKleineRuimte Wooncongres 8 juni 2015, Gent Onder de titel ‘Te koop: heilige huisjes’ bood het voorjaarscongres van de VRP een kritische blik op het Vlaams ruimtelijke woonmodel (versnipperd bouwen, suburbaan wonen, verkavelen…). Op het einde van de plenaire ochtend gingen vertegenwoordigers van de Vlaamse Huisvestingsmaatschappijen, de immobiliën- en de vastgoedsector met elkaar in debat over de rol van de overheid en de markt. Na de middag gingen deelnemers in diverse workshops dieper in op enkele sub-thema’s.

6

Foto's Julien De Wilde © Reporters


MANIFEST MOBILITE IT

PROJECTOPROE P ANB

OPROE P VOOR INZE NDINGE N

© Reporters

ZOME RKOOPJES BIJ RUIMTE

Het mooie aan Ruimte is dat het nooit gedateerd raakt. Met het verstrijken der jaren wordt dit tijdschrift een waardevol tijdsdocument, dankzij de informatieve waarde van de diepgravende themadossiers. Weggooien is dus geen optie. Integendeel... Tot en met vrijdag 31 juli 2015 kunt u genieten van uitzonderlijke kortingen op de eerste vijf jaargangen van uw favoriete tijdschrift. De nummers 1 tot en met 20 gaan de deur uit voor € 10 per stuk i.p.v. € 25. Een jaargang (of vier afzonderlijke losse nummers) kost € 35 i.p.v. € 80. Als u de jaargangen 1-5 integraal aanschaft (20 nummers), betaalt u € 150 i.p.v. € 400. Let wel: dit is exclusief portkosten. U kunt uw bestelling ook zelf afhalen op de VRP. In dat geval graag vooraf een mailtje naar info@vrp.be. Geldig zolang de voorraad strekt! BESTELLEN? www.vrp.be

Op 21 mei 2015 lanceerde de VRP het Manifest Mobiliteit, een wetenschappelijk onderbouwde aanpak voor het mobiliteitsprobleem in Vlaanderen. Het Manifest werd meteen opgepikt door diverse media (o.a. Radio 1, VTMnieuws). Rond de Vlaamse mobiliteitsproblematiek hangt, om het zacht uit te drukken, een ­zekere sense of urgency. De VRP hoopt met het Manifest het maatschappelijk debat te voeden. Het document werd opgemaakt met de medewerking van topexperts inzake mobiliteit en ruimtelijke ordening en bestaat uit twaalf aanbevelingen die samen een coherente strategie vormen waarmee in Vlaanderen mobiliteitsvraagstukken kunnen worden aangepakt. Het Manifest past in het kader van de VRP Labs, waar experts reflecteren over cruciale ruimtelijke thema’s. In het najaar wordt het document verder uitgewerkt.

Het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) zet zich in voor het behoud en het versterken van de natuur in Vlaanderen. Via een project­oproep wil het ANB individuen, privaatrechtelijke en publiekrechtelijke rechtspersonen de kans bieden om een bijdrage te leveren aan de bebossing van Vlaanderen. Dit doet het Agentschap door de aankoop van te bebossen gronden financieel te ondersteunen. Minister Schauvliege trekt hiervoor € 500.000 uit. De subsidie bedraagt zestig procent van de aankoopprijs met een maximumsubsidie van € 2,5/m². Enkel nog te verwerven gronden komen in aanmerking. Het project moet uiterlijk op 1 september ingediend worden bij het ANB. www.natuurenbos.be/ projectoproep-bebossing

VRP -AFSTUDE E RPRIJS 2015 DE ADLINE: 20 S E P TE MB E R

Ook in 2015 reikt de VRP de jaarlijkse Afstudeerprijs uit. Dit gebeurt traditiegetrouw op de Werelddag van de Stedenbouw, die dit jaar plaatsvindt op 27 november in Kortrijk. Met de Afstudeerprijs wil de VRP innovatieve en creatieve eindwerken in de kijker zetten en de makers ervan de mogelijkheid bieden hun werk te tonen aan de vakwereld. Alle Masterstudenten die dit jaar afstuderen op een scriptie over een ruimtelijk of stedenbouwkundig onderwerp, kunnen zich ­kandidaat stellen. De prijs bestaat uit € 1.200 aan reischeques, de publicatie van een artikel in Ruimte en een jaar lang gratis lidmaatschap van de VRP. Inzendingen dienen volledig digitaal bezorgd te worden uiterlijk zondag 20 ­september. Info www.vrp.be (kalender)

Meer info www.vrp.be/nl/manifest-mobiliteit/ 7


© UGent

School

10 |


maken

SCHOOL MAKEN > EDITORIAAL

Van de eerste juf tot de laatste promotor – voor de meesten onder ons vormt het educatietraject een cruciale etappe in ons leven. Voor steeds meer mensen komt er trouwens nooit een einde aan dat traject. We leven om te leren. Het hoeft geen betoog dat de omgeving waarin onze (zelf)vorming zich afspeelt een impact heeft op de mensen die we uiteindelijk worden. Wie draagt er geen blijvende herinnering mee aan de allereerste klasgang, of aan de valven en de cafetaria die het dagelijkse ritme van ons studentenleven mee bepaalden? Ruimte wil in dit nummer school maken – in meer dan één betekenis. We buigen ons in dit themadossier over de verschillende dimensies van educatie, waarbij we zowel de mentale als fysieke ruimte van het wijzer worden verkennen.

We starten het verhaal met de opleidingen stedenbouw en ruimtelijke planning. Voor Vier zoekers in een stedenbouwkundig landschap nodigden we de tenoren van de stedenbouwkundige opleidingen in Vlaanderen uit voor een tafelgesprek. Het werd een gedachtewisseling over de diverse signaturen in het opleidingsaanbod, wetenschappelijkheid, onderzoek en de (on)zin van diploma’s en studiepunten. Hun gesprek wordt aangevuld met een schets van de Europese beroepscontext (Op weg naar een Europese arbeidsmarkt voor ruimtelijk planners) en een reflectie op de hamvraag: Welk diploma heeft een om-

In Knooppunten van relaties verbreden we de blik en onderzoeken we de maatschappelijke rol die schoolgebouwen in ons leven (kunnen) vervullen. In Scholen van Morgen en Integraalplannen GO! brengen respectievelijk het departement Ruimte Vlaanderen en het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap een update van hun plannen omtrent scholenbouw en –beheer. Afronden doen we met een vraagteken: Wanneer wordt een school breed? Hoe komt het dat het nieuwe concept van de 21ste-eeuwse ‘brede’, multifunctionele school zo moeilijk voet aan de grond krijgt in Vlaanderen?

gevingsambtenaar nodig?

Ruimte ging ook op zoek naar de fysieke plekken waar kennis wordt gekoesterd: de campus. Campus revisited traceert de roots en potenties van het concept, Drie Eiken buigt zich over de ruimtelijke analyse van een concrete site in het Antwerpse Wilrijk. Wat de link is tussen de toekomstige huisvesting voor campusgebruikers en Brusselse stadsontwikkeling, ontdekt u in Brussel Studentenstad, terwijl Campus van de 21ste eeuw radicaal richting toekomst blikt en een model ontwerpt voor een leerplek waar de digitale en fysieke werelden in elkaar overvloeien.

We hopen dat u met dit themadossier een scherper zicht krijgt op ons ‘vormend’ landschap. Dat zicht was overigens erg vaag gebleven zonder de coaching van kernredacteurs Luuk Boelens en Marc Martens. Waarvoor onze welgemeende dank. Er rest ons enkel nog u een stress- en examenvrije zomer toe te wensen!

Koen Raeymaekers

| 11


Op 27 april 2015 kreeg stedenbouwkundige en gastdocent aan de VUB Marc Martens een aantal tenoren uit de academische wereld rond de tafel voor een groepsgesprek. Een eerste onderwerp was het sterk gewijzigde landschap van steden足bouwkundige opleidingen in Vlaanderen. Maar er kwamen ook andere topics ter sprake, zoals de vraag binnen welk soort wetenschap stedenbouw en ruimtelijke planning zich profileren. Hoe verhoudt wetenschappelijk onderzoek zich tot de praktijk? En wat voor diploma zou een omgevingsambtenaar vandaag moeten hebben? Een fragmentarisch oorgetuigenverslag van een geanimeerd gesprek.

4 zoekers

12 |

in een stedenbouwkundig landschap


SCHOOL MAKEN >

4 ZOEKERS IN EEN LANDSCHAP

Een groepsgesprek DE DEELNEMERS: Michael Ryckewaert: docent faculteit Wetenschappen en Bio-ingenieurswetenschappen, Vrije Universiteit Brussel Tom Coppens: hoofddocent faculteit Ontwerpwetenschappen, UAntwerpen Luuk Boelens: hoogleraar faculteit Ingenieurswetenschappen en Architectuur / Directeur AMRP, UGent Jan Schreurs: hoofddocent faculteit Ingenieurswetenschappen en faculteit Architectuur, KU Leuven

V.l.n.r. Luuk Boelens, Michael Ryckewaert, Jan Schreurs, Tom Coppens. Fotos: Koen Raeymaekers

INTERVIEW [ MARC MARTENS ] 

TEKST [ KOEN RAEYMAEKERS ]

Een divers opleidingslandschap M A R C M A R T E N S | Jullie zijn met z’n vieren zo goed als representatief voor heel Vlaanderen, want ondertussen is iedereen wel ergens binnengekanteld. Laten we een rondje maken: wat bieden jullie aan?

|  De master stedenbouw en ruimtelijke planning is vanuit de Erasmushogeschool ge­ïntegreerd in de VUB. Onze opleiding is in hoofdzaak georganiseerd om werkstudenten te accommoderen, met avonduren en zaterdagvoormiddagen. Dit is ook de enige opleiding die niet aansluit bij de ingenieurs- of de ontwerpwetenschappen maar aansluiting zoekt bij de stads- en sociale geografie. De partner binnen de VUB die de inbedding in de universiteit mee heeft voorbereid was de onderzoeksgroep Cosmopolis, de groep rond Eric Corijn, die een sterke traditie van stads- en metropolitaan onderzoek in en over Brussel heeft uitgebouwd. De grootstedelijke context geeft een duidelijke kleuring aan ons onderwijs. Dat komt onder meer tot uiting in de ontwerpstudio’s, waarin minstens één Brusselse case aan bod komt. Die inbedding ging ook gepaard met een academiseringsproces, waardoor het docentencorps nu vooral bestaat uit mensen met een academisch parcours en een doctoraat. Daardoor is Cosmopolis aangevuld met een poot stedenbouwonderzoek en is de onderzoeksgroep verveld tot een centrum voor stadsonderzoek, met vijf professoren en Eric Corijn als emeritus. MICHAEL RYCKEWAERT [ VUB] 

Toch blijven verschillende praktijkplanners ook het onderwijs verzorgen. Doordat we de enige avondopleiding zijn, bedienen we ook de Vlaamse markt van stedenbouwkundigen. Maar er stromen ook steeds meer Brusselaars en studenten uit andere VUB-richtingen in. We verwachten dat dat in de toekomst nog gaat toenemen. T O M C O P P E N S [ U A ]   |  Aan de Universiteit Antwerpen zijn wij ook een van de ‘inkantelende’ opleidingen. Dit was vroeger een opleiding van de Artesishogeschool. Sinds 2013 maken we deel uit van de UA, in een nieuwe faculteit ontwerpwetenschappen, waar we samenzitten met productontwikkeling, architectuur, interieurarchitectuur, monumentenzorg, conservatie en restauratie. Met de integratie werd gevraagd ons curriculum te ‘academiseren’. Die herziening werd sterk geïnspireerd door de Antwerpse stadsontwikkeling. Vele docenten zijn ex-medewerkers van AG Stadsplanning of van de Stad Antwerpen. En dat is ook in ons programma doorvertaald. Waar vroeger het accent op de regionale planning en structuurplanning lag, ligt het vandaag meer op stadsontwikkeling: enerzijds de conceptontwikkeling voor stadsontwikkeling, anderzijds de procesmatige kant (procesmanagement, projectmanagement van stadsprojecten). Dat uit zich in de studio, waar we proberen tot strategische stadsontwikkelingsprojecten te komen, en waar we niet alleen om een ontwerp maar ook een uitvoeringsstrategie vragen.

| 13


22 |


© Reporters

SCHOOL MAKEN > DIPLOMA'S

diploma

WELK

HEEFT EEN

omgevingsambtenaar NODIG

W O L F G A N G VA N D E V Y V E R E   [   J U R I S T / R U I M T E L I J K P L A N N E R   ]

Op 25 april 2014 werd het decreet over de omgevingsvergunning door de Vlaamse Regering bekrachtigd en afgekondigd. Het werd in het Staatsblad gepubliceerd op 23 oktober 2014. De inwerkingtreding ervan moet geregeld worden bij uitvoerings­ besluit. De Vlaamse Regering keurde het besluit op de omgevingsvergunning principieel goed op 24 april 2015, om het voor te leggen aan de Raad van State.

V

oor vergunningsaanvragen die op gemeentelijk niveau behandeld worden speelt de gemeentelijke omgevingsambtenaar een belangrijke rol. Hij of zij verklaart aanvragen volledig en ontvankelijk, en onderzoekt ze inhoudelijk om vervolgens het schepencollege te adviseren over de uitspraak over de aanvraag.

A of B Het decreet belast de Vlaamse Regering ermee om enerzijds aanstellingsvoorwaarden voor de gemeentelijke omgevingsambtenaren te bepalen, en anderzijds kwaliteitseisen te formuleren die gelden voor de dienst (als geheel) die de aanvragen voor omgevingsvergunningen behandelt. In de meest recente versie van het ontwerp van uitvoeringsbesluit luidt het dat, om aangewezen

| 23


Enter: de GSA

24 |

te kunnen worden als gemeentelijk omgevingsambtenaar, men houder moet zijn van een diploma dat toegang geeft tot niveau A of B, en moet beschikken over een relevante aantoonbare beroepservaring van minstens twee jaar. Een overgangsregeling vult nog aan dat wie het vergunningenbeleid ruimtelijke ordening of milieu als hoofdtaak heeft op datum van de inwerkingtreding van het uitvoeringsbesluit, en beschikt over een diploma dat toegang geeft tot niveau B, zonder meer kan aangewezen worden. De kwaliteitseisen die voor de dienst als geheel gelden zijn kennis van ruimtelijke ordening en milieu, aantoonbaar door opleiding of ervaring. Wat te denken van deze aanstellingsvoorwaarden voor de omgevingsambtenaren? In de wetgeving en reglementering over milieu zijn tot nu toe nooit specifieke taken in het vergunningenbeleid toegewezen aan een specifieke gemeentelijke ambtenaar, noch zijn er aanstellingsvoorwaarden vastgelegd voor ambtenaren die beslissingen over milieuvergunningen voorbereid(d)en voor het college van burgemeester en schepenen. Tegelijk is het wel zo dat heel veel gemeenten al twintig jaar of langer een ­m ilieuambtenaar in dienst hebben, en dat voor die ambtenaren specifieke vormings- of bijscholingsprogramma’s werden en worden georganiseerd.

In 1999 werd in het Decreet ruimtelijke ordening de figuur van de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar ingevoerd (hierna: GSA). Die kreeg specifieke taken in het vergunningenbeleid toegewezen. De aanstellingsvoorwaarden voor de GSA werden bij uitvoeringsbesluit vastgelegd. De Vlaamse Regering bepaalde dat GSA’s in gemeenten met 20.000 of meer inwoners een diploma niveau A (thans master) en een diploma ruimtelijke ordening moesten hebben. In gemeenten onder de 20.000 inwoners mocht dat een diploma niveau B (thans bachelor) en een diploma ruimtelijke ordening zijn. De differentiatie was ingegeven door de financiële draagkracht van gemeenten en door de gemiddelde diplomaniveaus in een courante personeelsformatie van de gemeenten. Maar er werd dus voor alle GSA’s een diploma ruimtelijke ordening geëist. Er werd wel in een ruime overgangsregeling voorzien voor ambtenaren die al actief waren in het gemeentelijk vergunningenbeleid of ruimtelijk beleid. De administratie organiseerde een specifiek vormingsprogramma met bijhorende test: wie voor die test slaagde kon ook als GSA worden aangesteld. Veel van de lesgevers waren ook in het reguliere onderwijs ruimtelijke ordening actief. De opleiding werd slechts tweemaal ingericht, waardoor ze geen permanente concurrentie betekende voor de reguliere opleidingen ruimtelijke ordening. Ze inspireerde integendeel een aantal opleidingsinstellingen om in hun curricula meer rekening te houden met de specifieke vormingsbehoeften van GSA’s. In meer dan de helft van de 308 Vlaamse gemeenten werden GSA’s aangesteld op basis van de betrokken overgangsregeling. Door het samenspel van een duidelijke opleidingseis en een ruime overgangsregeling voor zittende ambtenaren kon de omslag in de praktijk naar personeel met vakspecifieke vorming op een geleidelijke manier gemaakt worden. Vanaf september 2004 werd de Bachelor/Master-hervorming in het Vlaamse onderwijs doorgevoerd. Alle opleidingen ruimtelijke ordening werden daarbij masteropleidingen, terwijl de meeste van die opleidingen tot vóór die hervorming niet leidden tot een diploma niveau A. Daarmee verhoogde de facto het vereiste diplomaniveau voor nieuw inkomende (jonge) ambtenaren in gemeenten onder de 20.000 inwoners, ook al veranderde het besluit met de aanstellingsvoorwaarden niet. Onder meer om die reden stond de regeling met de aanstellingsvoorwaarden voor GSA’s bij herhaling ter discussie. De aanstellingsvoorwaarden waren te zwaar voor kleine gemeenten,


SCHOOL MAKEN > DIPLOMA'S

luidde het. Een andere kritiek was dat de opleidingen niet voldoende afgestemd waren op de functie. Er werd dan geopperd om provinciale bestuursscholen een programma op maat te laten inrichten, vergelijkbaar met het hoger vermelde Korte Termijn Opleiding-programma. Rekening houdend met de diversiteit van gemeenten en met de verschillen in feitelijke takenpakketten van de GSA’s (soms louter vergunningenbeleid, vaak echter ook een reeks andere taken in het ruimtelijke ordeningsbeleid), pleitten sommigen ervoor helemaal geen aanstellingsvoorwaarden meer vast te leggen en gemeenten zelf te laten inschatten wat het vereiste niveau en de vereiste vorming is. Hoe dan ook, de aanstellingsvoorwaarden werden in de voorbije vijftien jaar niet bijgesteld.

EEN VERLAGING VAN HET DIPLOMANIVEAU STROOKT NIET MET DE AMBITIE OM DE BESTUURSKRACHT VAN LOKALE BESTUREN TE VERHOGEN.

Volgt het onderwijs? Lagere diplomavereisten Met de invoering van de omgevingsambtenaar was het te verwachten dat de Vlaamse Regering geen cumulatie van diploma’s van een ruimtelijke ordeningsopleiding en een milieu-opleiding zou eisen. Het is ook nog maar de vraag hoeveel witte raven Vlaanderen op dat vlak vandaag al telt. Het is wel al een stuk minder logisch dat het vereiste diplomaniveau daalt ten opzichte van dat van de GSA. Het valt op dat in de memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet op de omgevingsvergunning er nog van uitgegaan werd dat een masterniveau noodzakelijk was. Waarom kan naast de ruime overgangsregeling, die een oplossing biedt voor de zittende ambtenaren, de lat niet voldoende hoog gelegd worden voor de toekomst? Een verlaging van het diplomaniveau strookt niet met de ambitie om de bestuurskracht van lokale besturen te verhogen. Het past ook niet in de tendens tot meer intergemeentelijke samenwerking. De regelgeving in verband met de omgevingsambtenaar laat toe dat een gemeente een beroep doet op personeel van een (al dan niet specifiek daarvoor opgericht) intergemeentelijk samenwerkingsverband. Dat laatste maakt het natuurlijk een stuk makkelijker (en financieel haalbaarder) om een hoger en specifiek opgeleide ambtenaar in dienst te hebben. Het zou dan ook goed zijn om de eis in verband met het opleidingsniveau tijdig te evalueren en ernaar te streven dat niveau in de toekomst op te trekken.

Wat dan met de vakspecifieke eisen? Wie vanuit de onderwijswereld of de vakwereld een diploma ruimtelijke ordening bepleit als aanstellingsvoorwaarde voor gemeentelijke omgevingsambtenaren, zal gecounterd worden met het argument dat de functie evenveel met milieuaspecten te maken heeft als met ruimtelijke-ordeningsaspecten. We kunnen alleen vaststellen dat de onderwijswereld tot hiertoe weinig voorbereid is op een evolutie die in de wetgeving en reglementering is ingezet, namelijk een evolutie naar omgevingsrecht. Gelet op de tijd en de middelen die nodig zijn om een nieuwe opleiding uit te werken en geaccrediteerd te krijgen, komt er op korte termijn allicht geen op zichzelf staande opleiding die vorming inzake ruimtelijke ordening en milieubeheer integreert. Om te helpen garanderen dat het korps van gemeentelijke omgevingsambtenaren de nodige kennis en vaardigheden heeft voor een goede dienstverlening, rest er dus op het eerste gezicht en voor de korte termijn maar één aanpak: bijscholingsprogramma’s en permanente vorming. De opleidingsinstellingen die ruimtelijke ordenings- en milieuopleidingen aanbieden, moeten onderzoeken welke pakketten ze kunnen maken vanuit de bestaande curricula. De (Vlaamse) overheid van haar kant kan dan bekijken welke vorming ze (financieel) ondersteunt en welke ze eventueel verplicht maakt. Op die manier ontstaat een win-winsituatie voor alle betrokken partijen. De auteur schreef deze bijdrage in eigen naam

| 25


Campus REVISITED

28 |

University College and its founders, Oxford University, 1735. Š Reporters


SCHOOL MAKEN > CAMPUS

Voorbij het opgewaardeerde bedrijfs- of universiteitsterrein Wat begon als een middeleeuwse intellectuele commune, groeide doorheen de eeuwen uit tot een economisch cruciale kweekserre voor research en innovatie. Luuk Boelens gaat op zoek naar de wortels van het campusconcept en eindigt bij de vraag: wat voor omgeving hebben we vandaag nodig om Academia en de bedrijfswereld tot een grensverleggende synergie te laten komen? (KR) LUUK BOELENS  [ HOOGLERAAR UGENT ]

D

e campus heeft een lange geschiedenis. Andrea ­Deplazes (2007) situeert het ontstaan ergens rond de late 12de eeuw, bij de geboorte van de universiteiten van Oxford en Cambridge. Rond de 16de eeuw waren deze uitgegroeid tot een soort ‘collegiale orde’ (the College) waar docenten

Google campus, Silicon Valley, foto Ole Spata, © Reporters

en studenten samen werkten, studeerden en leefden. Centrale elementen waren de kapel (the Chapel), de eetzaal (the Hall), de bibliotheek (the Library) en accommodaties voor staf en leerlingen. Dat was met name het geval in de universiteit van Cambridge, die ontstond na een dispuut van enkele Oxford-academici met het bestuur van de stad over de academische vrijheden. Het dispuut liep zo hoog op dat de afvalligen besloten zich ongeveer tachtig mijl ten noordoosten van hun alma mater te hervestigen

in Cambridge. Daar ontwikkelde zich een alternatieve coöperatieve universiteit met zelfstandige colleges. En dat had ook ruimtelijk gevolgen. Anders dan bij het reguliere kloosterconcept, werden de colleges nu niet gesitueerd in één groot gebouw rond een binnenhof, maar losjes in aparte eenheden geplaatst in een goed onderhouden park langs de rivier Cam. De eerste colleges die in de 17de eeuw in de Verenigde Staten werden opgericht (zoals bijvoorbeeld het beroemde Harvard in het gelijknamige Cambridge Massachusetts) volgden dat toen al ontwikkelde concept uit het moederland. En juist in deze vrijgevochten kolonie van Engeland kwam de campus verder tot ontplooiing. Het academisch dorp dat Thomas Jefferson bijvoorbeeld in Charlottesville (de latere University of Virginia) bouwde, volgde het coöperatieve schema van The Colleges, maar werd in het dagelijks taalgebruik gewoon als ‘open plaats’ (Camp of Campus) aangeduid. In de late 19de eeuw werd dit concept verder verfijnd door Frederic Law Olmsted in zijn City Beautiful-model voor de Stanford University. Een dichtere, maar nog steeds zeer groene outline werd ontwikkeld na de Tweede Wereldoorlog voor het MITT, wederom nabij Boston, maar nu met lossere individuele expressies van grote architecten die afzonderlijk na elkaar binnen dat globale groene concept bouwden, zoals de faculteiten van

| 29


Wie de Antwerpse universiteitscampus ‘Drie Eiken’ in Wilrijk voor het eerst bezoekt, doet er verstandig aan een plattegrond van het gebied mee te nemen. Een gebrek aan oriëntatiepunten, zichtbaarheid en hiërarchie tussen de verschillende landschapselementen maken dat je moeilijk een totaalbeeld krijgt van de site. Dat gebrek aan leesbaarheid is symptomatisch voor de ruimtelijke problematiek waarmee deze campus vandaag kampt. ‘Drie Eiken’ is in dat opzicht overigens geen alleenstaand geval. Sepp Matyn nam in zijn masterproef, met deze plek als vertrekpunt, het ruimtelijke fenomeen van de naoorlogse, suburbane campus onder de loep. (KR) 32 |

1


SCHOOL MAKEN > DRIE EIKEN

Op zoek naar ontwikkelingsperspectieven voor de suburbane universiteitscampus S E P P M AT Y N   [   I R . A R C H I T E C T , S T E D E N B O U W K U N D I G E   ]

Tussen realiteit en droombeeld… De gebouwen van Campus ‘Drie Eiken’ lijken zonder veel visie te zijn rondgestrooid in een vlekkerig allegaartje van verwaarloosde groene ruimten, die allengs worden weggevreten door parkings, ogenschijnlijk willekeurige verhardingen en spontaan ontstane paden. Nergens krijg je als bezoeker notie van een duidelijke toegang tot het grondgebied van de Universiteit Antwerpen (UA). Op sommige plaatsen lijkt de universiteit zich tussen de bestaande buitenwijken gewrongen te hebben, terwijl ze er even verderop weer genereus ruimte voor schijnt te scheppen. Pogingen om de organisatie van de campus te duiden door een overmaat aan interne bewegwijzering, geven veeleer blijk van organisatorische wanhoop dan dat ze orde scheppen. De Wilrijkse UA-campus illustreert daarmee een trend die zich de voorbije decennia steeds duidelijker heeft afgetekend in het Vlaamse – en bij uitbreiding (West-)Europese – universiteitslandschap; een trend die ook blijkt uit de discrepantie tussen de weinig aantrekkelijke realiteit op menige universiteitscampus en het romantische beeld dat de term ‘campus’ desondanks nog vaak oproept. Realiteit en ideaalbeeld vinden nochtans allebei hun

oorsprong in de archetypische Noord-Amerikaanse universiteitscampus, die in ruimtelijk opzicht vooral gekenmerkt wordt door zijn landelijke inplanting en zijn coherente, parkachtige vormgeving met groene open ruimten en vrijstaande gebouwen.

De campusgedachte Het campustype kreeg vorm vanaf de 17de eeuw, toen Engelse kolonisten zich langs de oostkust van het Noord-Amerikaanse continent begonnen te vestigen. Ze richtten er scholen op die aanvankelijk sterk geïnspireerd waren op de colleges uit hun thuisland. Als gevolg van praktische beperkingen (weinig financiële middelen, de noodzaak tot het gebruik van lokale materialen, lange reistijden, etc.) en onder invloed van de puriteinse geloofsleer, kregen de koloniale colleges echter snel eigen, typische karaktertrekken. Waar de Engelse colleges zowel vormelijk als functioneel gesloten gemeenschappen waren, die ondanks hun typisch centrale, stedelijke ligging, enkel de noodzakelijke logistieke banden met het omliggende stadsweefsel onderhielden, hadden hun Noord-Amerikaanse tegenhangers een open, meer

| 33

2 1   Universiteit Antwerpen, Campus ‘Drie Eiken’

[Foto: LV] 

2   Campus Harvard University (Cambridge, MA) Foto: Fili


6

5. DE CAMPUS E N DE B E DRIJFSWE RE LD

De vroegste relaties tussen de academische wereld en de bedrijfswereld dateren van de tweede helft van de 19de eeuw; de eerste kruisbestuivingen op ruimtelijk vlak van het midden van de 20ste eeuw. Beide kwamen tot stand in de VS. Het feit dat de meerderheid van de Amerikaanse universiteiten, in tegenstelling tot hun Europese tegenhangers, zelf financiële werkingsmiddelen moet genereren, was daar niet vreemd aan. In Europa werd samenwerking tussen universiteiten en bedrijven pas algemeen gangbaar vanaf de tweede helft van de jaren ’80, toen het concept van universitaire spin-offbedrijven zijn opmars begon te maken. De mate waarin de samenwerking tussen de bedrijfswereld en de academische wereld aanleiding geeft tot de zichtbare aanwezigheid van bedrijven op de campus, is de belangrijkste parameter voor dit thema.

Ontwikkelingsperspectieven voor Campus ‘Drie Eiken’

36 |

De enige concrete ruimtelijke visie die er tot op heden bestaat voor Campus ‘Drie Eiken’, ligt besloten in het wedstrijdontwerp waarmee het architectenbureau Storme, Van Ranst & Van Grimbergen (vandaag SVR-Architects) in 1972 de opdracht binnenhaalde voor de bouw ervan. Dat ontwerp introduceerde een X-vormig ruimtelijk concept, waarin de combinatie van gebouwde structuur en infrastructuur de hoofdrol speelde. De campus werd opgespannen tussen twee assen die elkaar kruisten op een centraal ‘forum’. Rond het forum bevonden zich de centrale diensten en de meest representatieve gebouwen van de universiteit. De twee assen werden ontworpen als overdekte

7

wandelstraten, die de verschillende universiteitsgebouwen met elkaar verbonden. Daarnaast zouden ze ook fungeren als functionele overgangszones of buffers tussen de parkings langsheen de perimeter van het campusdomein en de autovrije open ruimten die ten noorden en ten zuiden van het forum werden gesitueerd. Voor de landschappelijke vormgeving werd landschapsarchitect Jacques Wirtz aangezocht. Een substantieel deel van de campusgebouwen was op dat moment echter al gerealiseerd. Het feit dat het landschapsontwerp en het masterplan voor de campus los van elkaar tot stand kwamen, werd bovendien uitvergroot door Wirtz’ streven om de brutalistische universiteitsgebouwen, die hij beschouwde als ‘landschappelijke wonden’, te verhullen door middel van intensieve begroeiing. Wat betreft de relatie tussen de campus en de stad, de campusvoorzieningen en de mobiliteit op en rond de site, weerspiegelt het ontwerp uit 1972 vooral de toenmalige tijdsgeest. Het campusprogramma was monofunctionalistisch – een eng onderwijsprogramma met een minimum aan ondersteunende functies – en de organisatie van de site was ontegensprekelijk geënt op het gebruik van de auto als voornaamste vervoersmiddel. Nog voor het einde van de jaren ’70 werd duidelijk dat de groei van de Vlaamse universiteiten, de UA incluis, nooit zo’n hoge vlucht zou nemen als een decennium eerder was voorspeld. Het masterplan voor Campus ‘Drie Eiken’ uit 1972 zou uiteindelijk slechts gedeeltelijk gerealiseerd worden. In de decennia die volgden, groeide het gebouwenbestand op de campus weliswaar gestaag aan, maar hoewel SVR-Architects intussen schijnbaar de positie van huisarchitect hadden verworven en de meerderheid van de nieuwe gebouwen tekenden, verdween de oorspronkelijke ruimtelijke visie letterlijk uit beeld zonder dat er sprake was van een alternatief. De intuïtieve vaststellingen omtrent het historisch gegroeide


SCHOOL MAKEN > DRIE EIKEN 8

6  Campus Drie Eiken - bestaande toestand 7  Campus Drie Eiken - ontwikkelingsperspectieven 8  Campus Drie Eiken - rendering forum

gebrek aan leesbaarheid op Campus ‘Drie Eiken’ kunnen met behulp van de thematische benadering uit de voorgaande paragraaf eenduidig benoemd worden. Na analyse blijkt vooral de discrepantie tussen de verschillende campusstructuren problematisch: de aanwezige infrastructuur biedt te weinig houvast voor de gebouwenstructuur, terwijl de verwilderde landschapsstructuur ieder mogelijk herkenningspunt aan het zicht onttrekt. Ook het feit dat de bereikbaarheid, de toegankelijkheid en de interne organisatie van de campus hoofdzakelijk in het teken staan van gemotoriseerd verkeer, vormt een belangrijk knelpunt. Tot slot valt de keuze voor een monofunctionalistisch, afhankelijk systeem van campusvoorzieningen niet te rijmen met de zwakke interactie die er vandaag bestaat tussen Campus ‘Drie Eiken’ en zijn stedelijke context. Een duurzame en realistische remediëringsstrategie tracht in de eerste plaats aanwezige sterktes en kansen als hef boom te gebruiken om de bestaande problemen op te lossen. De huidige gebouwde en landschappelijke structuur hebben – ondanks hun onderlinge discrepantie – intrinsieke kwaliteiten die een degelijke basis vormen voor een duurzame toekomstvisie. Het verdient de voorkeur om die kwaliteiten op elkaar af te stemmen (bijvoorbeeld door materialisatie van de latent aanwezige as uit het oorspronkelijke masterplan, die betekenisvolle plekken/pleinen verbindt en toegang verleent tot de aanpalende gebouwen), veeleer dan fundamenteel nieuwe structuren in te voeren. Wat de relatie met de stad betreft – enerzijds de lokale districtskern van Wilrijk, anderzijds de Antwerpse kernstad – is er wel een fundamentele omslag nodig. Hetzelfde geldt voor de campusvoorzieningen en de mobiliteit op en rond de campus. De belangrijkste aandachtspunten zijn:

het wegwerken/verzachten van de ruimtelijke barrières (lees: wegen) die de site intern verdelen en/of haar scheiden van het aangrenzende stadsweefsel; ■ aanknoping zoeken bij lokaal- en grootstedelijke structuren (zoals het Zuiderpark), die de positie van de campus als pool binnen het (groot)stedelijk netwerk bestendigen; ■ de bereikbaarheid en de toegankelijkheid van de campus op een logische, heldere manier vormgeven, vertrekkend van het STOP-principe1; ■ het aanbod en het gebruik van de campusvoorzieningen afstemmen op het aanbod en de noden binnen de invloedssfeer van de campus; complementariteit is op dit vlak te verkiezen boven autonomie. De som van deze ingrepen leidt idealiter tot een duurzame totaalaanpak die alle betrokken actoren en belangen kan verenigen doordat hij meer ruimtelijke kwaliteit genereert dan ooit met individuele ingrepen kan worden bewerkstelligd. ■

Ambitie Hoewel de voorgestelde ontwerpmethodiek beslist nog vatbaar is voor verbetering en verfijning, mogen de voordelen en de mogelijkheden ervan reeds blijken uit de illustratieve case van Campus ‘Drie Eiken’. Maar zelfs al zijn die mogelijkheden eindeloos, enkel wanneer de ambities van de universiteitsbesturen ver genoeg reiken, is echte verandering mogelijk.

1 Ordeningsprincipe met prioriteit voor 1: Stappers, 2: Trappers, 3: Openbaar vervoer, 4: Personenvervoer

Dit artikel is een beknopte samenvatting van de masterproef “Campus ‘Drie Eiken’, een thematisch onderzoek naar ruimtelijke ontwikkelingsperspectieven voor de naoorlogse suburbane campus”, die in 2013 succesvol verdedigd werd aan de Artesis Hogeschool Antwerpen.

| 37


Om de nood aan betaalbare, kwaliteitsvolle studentenhuisvesting in Brussel in een breder perspectief te plaatsen, schreven het Team Vlaams Bouwmeester en Br(ik – de servicedesk voor studenten in Brussel – een studieopdracht uit, die werd toegewezen aan URA architecten en Rebelgroup. Hen werd gevraagd de mogelijke winsten (maatschappelijk, ruimtelijk, economisch…) te onderzoeken die gegenereerd kunnen worden met de realisatie van innovatieve studentenhuisvesting in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

38 |

© Reporters


SCHOOL MAKEN > VLAAMS BOUWMEESTER

studentenstad Studentenhuisvesting als motor voor Brusselse stadsvernieuwing ANNELIES AUGUSTYNS  [ TEAM VLAAMS BOUWMEESTER ]

M

et meer dan 85.000 studenten is Brussel de grootste studentenstad van het land. Deze aanwezigheid is echter niet als dusdanig te voelen. Het hoger onderwijs is verspreid over meer dan 50 instellingen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Naast de campussen heeft de stad geen uitgesproken studentenbuurten. Onderzoek bij universiteitsstudenten1 wees uit dat slechts 60 procent van hen effectief in Brussel woont, en dat het grootste deel van die groep zich op de klassieke huurmarkt begeeft om – al dan niet samen met anderen – een gezinswoning of appartement te betrekken. Een

wat twijfels over de toekomst van deze studentenblokken. Zullen deze studentenwoningen wel betaalbaar zijn? Wie bekommert zich om het beheer ervan? Zijn de geplande projecten goed gelegen voor studenten? Onderzoek1 wees uit dat de student van nu op zoek is naar een woning met meer gemeenschappelijke leefruimte: een gedeelde keuken, ontspanningsruimten… Is het opdelen van gebouwen in kleine units dan wel een goede zaak? Het voorzien van nieuwe studentenhuisvesting moet verder gaan dan het invullen van een behoefte. Het is een opportuniteit om ‘stad te maken’, wijken te activeren, publieke ruimte te creëren, collectief wonen en programmatorische vermenging te promoten. Op 10 februari 2015 werd op initiatief van URA en Rebelgroup in het Atelier Bouwmeester een debat georganiseerd. Verschillende actoren waren vertegenwoordigd: de Vlaamse en Brusselse overheden, ontwikkelaars, de Vlaamse en Brusselse Bouwmeesters en de studenten zelf. Er werd nagedacht over de uitdagingen en ambities voor toekomstige studentenhuisvesting in Brussel. Een kort verslag.

Studentenhuisvesting als motor voor wijkontwikkeling Foto: Tim Van de Velde

significant deel van de studenten geeft aan niet op kamers te wonen vanwege de kostprijs. Bij vele Vlaamse studenten leeft ook nog steeds een soort pleinvrees om in Brussel te komen wonen. Buitenlandse studenten vestigen zich dan weer gemakkelijker in de grootstad. Vandaag wordt de nood aan studentenkamers in Brussel geschat op 9.000. Tegen 2020 zullen er nog eens 10.000 extra studenten bij komen. Momenteel bouwen private ontwikkelaars her en der in Brussel een kleine duizend studentenflats. Er leven echter heel 1 ADT/ATO, Blik op het Studentenleven in Brussel: Stedelijke Praktijken en Omgang met de Stad, Tussentijds Verslag, juli 2014

Studentenhuisvesting lijkt op het eerste gezicht geen ‘natuurlijk’ bestanddeel van de stad te vormen. Het is veeleer een specifieke vorm van tijdelijk, kleinschalig en gemeenschappelijk wonen. Vele studenten geven de voorkeur aan gedeelde woningen ingebed in een stedelijke context boven aparte woonenclaves op de Brusselse campussen. Hierdoor komt de huurmarkt voor gezinswoningen onder druk te staan. Anderzijds zien we hoe in veel wijkontwikkelingsprojecten in Brussel wordt ingezet op een aanbod van woningen met voorzieningen, zoals kinderopvang op het gelijkvloers. In bepaalde wijken kunnen studentenwoningen een beter alternatief zijn dan traditionele woningen. Studenten kunnen immers als hefboom fungeren voor wijkcontracten of andere stadsvernieuwingsprojecten: door een aantal commerciële, culturele, sportieve functies te integreren kan een rijker stadsleven ontstaan.

| 39


De

campus

J E T H O U W E R S   [  D O C E N T O N D E R Z O E K E R P E D A G O G I E K H O G E S C H O O L R O T T E R D A M  ] W I E S S A N D E R S   [  S T E D E L I J K O N D E R Z O E K E R U R B A N U N L I M I T E D R O T T E R D A M  ]

42 |


SCHOOL MAKEN > 21STE EEUW CAMPUS

van de 21ste eeuw De internettechnologie heeft ertoe geleid dat de manier waarop wij communiceren, leren en werken de laatste decennia fundamenteel veranderd is. We zijn niet langer gebonden aan plaats of tijd om informatie te delen of te becommentariëren. En dit stelt andere eisen aan het onderwijs. In verschillende internationale onderzoeksprojecten1 wordt gezocht naar een antwoord op de vraag hoe ‘de school van de 21ste eeuw’ jongeren wat kan leren. Met andere woorden: hoe moeten de 21steeeuwse competenties2 en ICT geïmplementeerd worden in het huidige onderwijs? Beleidsmakers, bestuurders en docenten in het brede onderwijsveld lijken nog altijd niet te begrijpen dat veel studenten de aansluiting met ICT dreigen te missen. In dit artikel wordt ingegaan op het leren van morgen3, de rol die onderwijs hierbij zou moeten spelen en DE DIGITALISERING wat de ruimtelijke implicaties hiervan kunnen zijn. VAN DE SAMENLEVING

IS EEN FEIT, MAAR HET ONDERWIJS SPEELT HIER NOG ALTIJD VEEL TE WEINIG OP IN.

ICT voor een 8- en een 88-jarige Zoals mensen van 88 ooit hebben leren schrijven en rekenen met griffel en lei, zo zijn kinderen van acht opgegroeid met een tablet. Maar ook mensen die geboren zijn vóór 1992 hebben zich in de loop der jaren digitale vaardigheden eigen gemaakt: e-mailen, online bankieren, reisjes boeken, skypen met de kinde-

1 Er zijn hiervoor diverse onderzoeken uitgevoerd door de Europese Unie, Unesco, OECD, OESO. ATCS (Assessment and Teaching of 21st century skills), Assessment and Teaching of 21st century skills (ATCS), EnGauge, National Educational Technology Standards (NETS/ISTE) en Partnership for 21st century skills (P21) 2 Voogt, J. & Pareja Roblin, N. (2010). 21st Century Skills. Discussienota. Verkregen op 26 februari, 2013, van https:// docs.google.com/viewer?url=http%3A%2F%2Fonderzoek. kennisnet.nl%2Fattachments%2F2189289%2F21_st_ Century_Skills_discussie_paperNL__def.pdf 3 Houwers, J. & Veltman-van Vugt, F. (2014) Leren voor Morgen; De 21st eeuw Campus. Tijdschift OnderwijsInnovatie p32- 36. Verkregen op, 15 januari 2015, via http://www.ou.nl/web/onderzoek/tijdschrift-onderwijsinnovatie#

ren of kleinkinderen, en zelfs het gebruik van sociale media4. De digitalisering van de samenleving is een feit, maar het onderwijs speelt hier nog altijd veel te weinig op in. Men gaat er bijna als vanzelfsprekend van uit dat alle jongeren over digitale vaardigheden beschikken, maar recent internationaal onderzoek zet daar toch vraagtekens bij (Meelissen, 2015)5. Digitaal geletterde jongeren zullen straks een voorsprong hebben op de arbeidsmarkt en het is nog maar de vraag of het onderwijs zich daar voldoende bewust van is. Er zijn verschillende ‘niveaus’ van ICT-vaardigheden. Boswinkel en Schram (2011) maken een onderscheid tussen informatievaar4 Social media is een veelgebruikte term, waarmee een verzamelnaam aangeduid wordt voor alle internettoepassingen waarmee het mogelijk is online informatie met elkaar te delen, te produceren, publiceren en te becommentariëren. Onder media wordt verstaan; televisie kijken, computeren, internet, social mediatoepassingen met verschillende apparaten zoals televisie, Ipad, IMac, computer en tablet 5 Martina Meelissen (Universiteit Twente) is verantwoordelijk voor de Nederlandse poot van de ‘International Computer and Information Literacy Study’ (ICILS); een groot internationaal onderzoek naar de digitale geletterdheid van leerlingen uit 20 landen.

| 43


0

4

3

1 2

0

FOYER

Hier worden het waarom van de leeromgeving en de daaraan ten grondslag liggende uitgangspunten van ‘leren voor morgen’ toegelicht. De opleiding plaatst hier de essentie van het opleidingsprofiel, zodat het hoe en waarom van de 21ste-eeuwse campus duidelijk wordt. Dit draagt bij aan het managen van verwachtingen (waartoe wordt opgeleid, wat mag een lerende verwachten en wat wordt van de lerende verwacht).

1

ORIËNTATIE

Het doel is verkennen van de (gefilmde) beroepspraktijk en de professionals die er werken. Hier worden authentieke beroepsvraagstukken gepresenteerd die ertoe bijdragen dat een realistisch beeld ontstaat van de actuele beroepspraktijk in een lerende samenleving. Het verduidelijkt de kansen die er liggen en de competenties die vereist worden.

5

5

VRAAG EN AANBOD LEERCONTEXTEN

In dit onderdeel oriënteren studenten zich op reeds ontwikkeld aanbod (door docent-ontwerpers en beroepspraktijk), waarbij authentiek leren, breed leren, transdisciplinair leren, onderzoekend leren, samenwerkend leren en het stimuleren van probleemoplossend vermogen in innovatieve contexten het aanbod kenmerken. Studenten worden uitgedaagd om in cocreatie met medestudenten en/of de beroepspraktijk ook zelf aanbod te ontwikkelen of een leercontext te kiezen / te ontwerpen in de feitelijke beroepspraktijk. 46

De geboden leercontexten kunnen op verschillende manieren vorm krijgen. Het sturende principe voor het ontwerp is steeds voorbereiden op ‘leren voor morgen’ en verwerving van 21ste eeuwse competenties.

5.1

51

SITUATION ROOM

Hier wordt ingespeeld op actuele maatschappelijke vraagstukken, waarbij studenten ideeën aandragen voor mogelijke oplossingen (dan wel actief bijdragen aan probleemoplossing) die vragen om een vakoverstijgende aanpak.

2

3

UITDAGING

Hier worden verschillende scenario’s belicht om een persoonlijk leertraject vorm te geven. Het bieden van uitdagingen staat in het ontwerp centraal, waarbij de proactiviteit van de student wordt bevorderd, wat moet leiden tot (mede-) eigenaarschap en eigen regie over het leerproces. Cursorisch de trajecten doorlopen blijft ook een mogelijkheid.

5.2

5 2 WEBINARS, WEBCASTS EN WEBCONFERENCES Ter bevordering en verdieping van het leren kunnen interactieve lezingen, webinars en webconferences met opdrachten digitaal aangeboden worden. Studenten worden uitgedaagd om dit soort materiaal ook zelf te ontwerpen. Deze kunnen bijvoorbeeld via een nominatiesysteem worden geplaatst op het podium.

VERBINDING

De 21ste-eeuwse competenties, met daarin integraal verwerkt de beroepscompetenties en de eraan ten grondslag liggende kennis, vaardigheden, houdingen, waarden en ethiek, vormen de schil rond het gehele ontwerp. In de 21ste-eeuwse Campus is gekozen voor het KSAVE model (Binkley et al., 2010), omdat in dit profiel iedere competentie wordt geëxpliciteerd in randvoorwaardelijke kennis, houding, vaardigheden, waarden en ethiek, die bij de toepassing van de competenties wordt verwacht. Zo wordt de beroepsspecifieke inkleuring hier goed aan gekoppeld en ontstaat een integraal competentieprofiel.

5.3

53

SERIOUS GAMING

Op verschillende plaatsen worden verrassende puzzels, games, filmpjes met kijkopdrachten etc. geplaatst die studenten met elkaar kunnen oplossen.

4.

KLEUR BEKENNEN

Hier maakt de student een keuze voor een (voorlopig) persoonlijk plan van aanpak (‘work in progress’) inclusief de (persoonlijke) leerdoelen en de op te leveren ‘proeve van kunnen’. De student kan hierbij putten uit een aanbod van leercontexten (5). Het plan van aanpak wordt onderworpen aan een kritische zelf-, peerreflectie en docentmonitoring. Dit proces blijft zich herhalen gedurende de gehele opleiding en heeft de kenmerken van een PDCA 1-cyclus. 1 Plan / Do / Check / Act

5.4

5 4 FACE-TO -FACE BIJEENKOMSTEN Aanbod van responsiecolleges, vaardigheidstrainingen, simulaties etc. wordt hier geplaatst. Afhankelijk van het scenario en plan van aanpak dat door de student is gekozen, kan de student hier gebruik van maken.

IDEALITER ZOU DE CAMPUS GEBOUWD MOETEN WORDEN ALS DIGITALE LEEROMGEVING, MET ZOWEL EEN DIGITALE ALS EEN FYSIEKE COMPONENT.


SCHOOL MAKEN > 21STE EEUW CAMPUS

SOCIAL MEDIA COURT PODIUM

ICT EHBO

CHILL ROOM

PRIKBORD

Best practices kunnen hier door nominaties in de spotlight gezet worden

Ondersteuning technische problemen in de campus.

Via social media kanalen die hier worden ontsloten, kunnen nieuwe ontmoetingen, verbindingen en kennisen informatieuitwisseling plaatsvinden d.m.v. blogs, twitter, TED’s etc.

Via het prikbord worden relevante aankondigingen geplaatst over congressen, publicaties en beroeps- of domeinspecifieke informatie.

9

?! 6 6

TOETSING

Een diversiteit aan formatieve en summatieve toetsen is beschikbaar voor studenten. De toetsen zijn afgestemd op een competentieprofiel, waarin 21ste-eeuwse en beroepscompetenties integraal zijn verwerkt.

7 7

FEEDBACK

Feedback wordt gezien als een belangrijk sturingsmiddel voor de leerontwikkeling. Studenten kunnen hier (digitaal) feedback geven en vragen.

8 8

MONITORING EN REFLECTIE

De techniek maakt het mogelijk de student met behulp van Learning Analytics (http:// innovatie.kennisnet.nl/ learninganalytics/) te volgen en de leerontwikkelingen van een student te monitoren. Op deze manier kan een docent gericht feedback geven op de voortgang van individuele studenten en op de effectiviteit van leeractiviteiten.

9

COMMUNITY OF PRACTICE

Een leerwerkgemeenschap van studenten waarin zij samen leren en werken aan opleidingsgerichte thema’s die voor hen relevant zijn. De studenten zijn zelf eigenaar van de agenda en dragen zelf procesverantwoordelijkheid. Zij kunnen hierbij de keuze maken om anderen (docenten, professionals) uit te nodigen om te participeren in deze leerwerkgemeenschap.

| 47


Schoolgebouwen in Vlaanderen doorgelicht

Knooppunten van

© Reporters

relaties 48 |

Wie het over ‘scholing’ heeft, zal vroeg of laat in het gesprek ook belanden bij de fysieke ruimte waar die scholing gestalte krijgt: het schoolgebouw. Vermits de school een cruciale rol speelt in de dagelijkse routine van kinderen en jongeren, zou je zo denken dat deze plek, als vormingsruimte, ook een weerspiegeling dient te zijn van de prioriteiten die in onze samenleving van kracht zijn. Maar is dat wel zo? Hoe is het vandaag met de schoolsites in Vlaanderen gesteld? Wat is hun maatschappelijke betekenis? Kunnen zij functioneren zoals het een 21ste-eeuwse kennishub past? (KR)


SCHOOL MAKEN > KNOOPPUNTEN VAN REL ATIES

Marc Martens ging op het departement Onderwijs zijn licht opsteken bij drie mensen die het kunnen weten…

Geert Leemans is beleidsmedewerker scholenbouw bij het departement Onderwijs.

Als ambtenaar bij het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs (AGIOn) lag deze socioloog aan de basis van de Schoolgebouwenmonitor. Hij promoveerde onlangs op het proefschrift ‘Bouwen voor school en samenleving, een sociologisch geïnspireerde evaluatie van het scholenbouwbeleid in Vlaanderen, 2004-2014’. Hannah Bohez is ingenieur-architect. Ze werkt bij AGIOn op de afdeling ‘kennis en advisering’, die zich buigt over schoolinfrastructuur. Carl Koninckx is bio-ingenieur. Hij werkt op het departement Onderwijs aan het capaciteitsprobleem waarmee veel scholen vandaag kampen. Wat oorspronkelijk begon als een klassiek interview over schoolgebouwen, ontspon zich gaandeweg tot een discussie die zich niet meer in een vraag-antwoord stramien liet passen. U leest hier de neerslag van dit vierstemmige gesprek, met de randbemerking dat de geïnterviewde experten elk in eigen naam spraken.

M A R C M A R T E N S   [  B U R E A U V O O R A R C H I T E C T U U R & P L A N N I N G  ]

Een ideologisch discours In de 19de eeuw was er een sterk ideologisch discours rond schoolgebouwen. De verschillende levensbeschouwingen vonden hun uitdrukking in de vorm van de schoolgebouwen: neogotische katholieke scholen, liberale scholen in art-nouveau-stijl, modernistische staatsscholen… De school speelde een essentiële rol in maatschappelijke disciplinering. Deze ideologische onderbouwing vervaagde geleidelijk. In het schoolgebouwenbeleid van eind vorige eeuw zag men de school hoofdzakelijk als een technisch hulpmiddel: ‘muren rond een activiteit’. Beleidsverantwoordelijken hadden weinig of geen voeling met stedenbouw of architectuur. Het discours was overwegend economisch en juridisch. Deze onderstroom bestaat vandaag nog steeds, maar er groeit een sterk tegendiscours, gedragen door pedagogen, sociologen, architecten en stedenbouwkundigen. Zij stellen dat het gebouw een sterke relatie heeft met het pedagogisch project, met de wijk, met de stad, met de samenleving.

en weinig ruimte laten voor nieuwe woonvormen, voor jong en creatief ondernemerschap, voor diensten. Een groep ambtenaren heeft dit thema geagendeerd in een advies voor het nieuwe Beleidsplan Ruimte Vlaanderen. In de eerste plaats moet gestreefd worden naar iedereens welbevinden.

Blinde vlek in de stadsvernieuwing Het suburbane wonen heeft de kaart van Vlaanderen grondig vertekend. Het verklaart de terechte aandacht van planners voor wonen. Maar denken ze wel voldoende aan het onmisbare complement, de basisvoorzieningen? Het laatste decennium zijn onze steden grondig vernieuwd. Oude spooremplacementen, leegstaande kantoren en klinieken, afgedankte scholen maakten plaats voor spraakmakende stadsvernieuwingsprojecten. Vandaag stellen we echter vast dat deze projecten vooral een eenzijdig woningaanbod leveren

| 49 Sint-Jan-Berchmanscollege, Brussel © Reporters

­ asisvoorzieningen zoals scholen, groen en zorg moeten aanwezig B zijn in de onmiddellijke omgeving van de woning. En in tweede instantie moeten deze voorzieningen ook levensloopbestendig zijn. Je moet je hele leven in je buurt kunnen blijven wonen: jonge ouders moeten een kinderdagverblijf of basisschool in


Scholen

54 |

Eerstesteenlegging Houthalen-Helchteren


SCHOOL MAKEN > RUIMTE VLAANDEREN

Een inhaalbeweging van 165 (ver)bouwdossiers

van Morgen B E R T F O U C A R T   [  P R O C E S C O Ö R D I N AT O R V E R G U N N I N G E N B E L E I D E N V I P - C E L | G E W E S T E L I J K S T E D E N B O U W K U N D I G A M B T E N A A R |

Om de achterstand inzake schoolinfrastructuur en de lange wachtlijsten weg te werken, ging de Vlaamse overheid in 2010 van start met het project Scholen van Morgen, een publiek-private samenwerking tussen AGIOn1, investeringsmaatschappij PMV, AG Real Estate en BNP Paribas Fortis ter waarde van 1,5 miljard euro, die op zes jaar tijd 165 nieuwbouw- of renovatieprojecten wil realiseren (goed voor 200 schoolgebouwen en 625.000 vierkante meter gebouwoppervlakte). De vennootschap staat in voor het ontwerp (Design), de bouw (Build), de financiering (Finance) en het onderhoud (Maintenance) van de schoolgebouwen. Gedurende 30 jaar krijgt de DBFM-vennootschap een beschikbaarheidsvergoeding uitbetaald, waarna ze de infrastructuur overdraagt aan de inrichtende macht van de school. 1 Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs

Voor de totstandkoming van alle 165 dossiers werkte de bouwheer nauw samen met het Team Vlaams Bouwmeester en het departement Ruimte Vlaanderen. Gezien de grote investeringswaarde en het strategische karakter ervan, werden alle dossiers begeleid door de cel Vlaamse strategische investeringsprojecten (cel VIP) binnen het departement Ruimte Vlaanderen. Voor elk project werd destijds een wedstrijd georganiseerd. Van de 164 dossiers op Vlaams grondgebied zijn er intussen 161 vergund - slechts enkele daarvan werden nadien aangevochten bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Vanuit de cel VIP wordt positief gereageerd op het ontwerpproces. Omdat de meest relevante actoren al in een zeer vroeg stadium bij dit proces betrokken werden, leidde dat ook tot gunstige resultaten. Op 16 april 2015 was de status van het programma als volgt:

161 stedenbouwkundige vergunningen ontvangen (98 %) 132 projecten toegewezen aan aannemer (80 %) ■ 79 projecten bouw aangevat (48 %) ■ twee projecten opgeleverd en in onderhoud Tijdens het ontwerpproces werden er weliswaar heel wat discussies gevoerd met de inrichtende macht van de scholen, maar vanuit een constructieve houding en met respect voor ieders expertise is steeds gezocht naar een consensus met alle betrokken actoren. Het streefdoel daarbij bleef een kwalitatieve architecturale en ■ ■

stedenbouwkundige invulling. Fundamentele discussies leidden soms tot bijkomende renovaties of tot nieuwbouwprojecten die in de beginfase niet voorzien waren. De gelijktijdige benadering van een aantal probleemsituaties op de site is uitgemond in een aantal win-win situaties. Vanuit de nauwe samenwerking met zowel de afgevaardigd bouwheer als het Team Vlaams Bouwmeester, willen we graag beide partijen aan het woord laten.

AG Real Estate: ‘Op kruissnelheid na moeilijke start.’ Enkele jaren geleden hadden velen nog de grootste twijfels over Scholen van Morgen. Het klopt ook wel dat er lange tijd onduidelijkheid was. Zo bleek het dossier technisch, juridisch en financieel complexer dan verwacht en voor een dergelijk grootschalig project kan men natuurlijk niet over één nacht ijs gaan. Maar intussen horen we Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits zeggen ‘dat de Scholen van Morgen als paddenstoelen uit de grond schieten’ en dat ‘Scholen van Morgen momenteel op kruissnelheid zit’. En gelijk heeft ze, want momenteel zijn 79 van de 165 projecten in bouwfase of zelfs al opgeleverd. Hoewel er vertraging was in de aanloop, verloopt de ontwerp- en bouwfase dus blijkbaar bijzonder snel en efficiënt.

| 55


Š Reporters

Integraalplannen

58 |


SCHOOL MAKEN > INTEGRAALPLANNEN

Een overkoepelende kijk op scholenbouw in het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap E D W I N D E C E U K E L A I R E   [  C O Ö R D I N AT O R I N T E G R A A L P L A N N E N , O N D E R W I J S V A N D E V L A A M S E G E M E E N S C H A P, A F D E L I N G B E L E I D E N S T R AT E G I E  ]

Met 821 domeinen en 3.409 gebouwen heeft het GO!, het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap, een uitgebreid en divers patrimonium. Maar de middelen voor scholenbouw zijn beperkt en de investeringen van de overheid zijn jarenlang sterk achtergebleven.

A

ls een van de grootste vastgoedeigenaars in Vlaanderen en Brussel heeft het GO! veel ervaring met de opmaak van masterplannen en zelfs beeldkwaliteitsplannen. In veel dossiers bleek de samenhang met andere domeinen evenwel niet evident. Een innovatief masterplan voor een bepaald schooldomein kan voor een ander schooldomein in de onmiddellijke omgeving voor minder positieve resultaten zorgen. Als een nieuwe sporthal van zeer hoge architecturale kwaliteit op wandelafstand van een andere sporthal ligt, of gerealiseerd is zonder samenwerking met potentiële lokale partners, is dat een gemiste kans om interessante synergieën op gang te brengen. Bovendien wijst het op een verspilling van middelen die al beperkt zijn. Scholenbouw vraagt daarom een overkoepelende aanpak. Zoals op vele andere beleidsdomeinen, spelen ook in het onderwijs de demografische ontwikkelingen een cruciale rol bij het bepalen van strategische keuzes. Demografen voorspellen dat de bevolking in sommige regio’s van Vlaanderen de komende jaren met zowat 20 procent zal dalen, terwijl in andere regio’s een stijging van meer dan tien procent wordt verwacht. Dit heeft uiteraard ook een grote impact op zowel de bestaande als de nieuw op te richten schoolinfrastructuur. In steden als Antwerpen en Brussel, waar volop wordt ingezet op de capaciteitsproblematiek in het basisonderwijs, komt nu ook de tsunami van het secundair onderwijs in zicht. Schoolgebouwen moeten die flexibiliteit mogelijk maken. Scholen die nu gebouwd worden voor basisonderwijs zullen binnen tien jaar misschien voor secundair onderwijs worden gebruikt.

1

1

Campus ABK Anderlecht, ontwerpend onderzoek

2 3

Naar een onderbouwde meerjarenplanning Het is algemeen bekend: de noden in de scholenbouw zijn hoog. Maar hoe kan je deze noden objectiveren en op een deskundige manier prioriteiten stellen? Een van de grootste uitdagingen

Hier komt een 2 +3 Campus Etterbeek: uitwerking scenario Hier komt een presentatietitel

| 59


‘breed’ Wanneer wordt een school

Vlaams minister Hilde Crevits wil dat scholen zo ontworpen worden dat ze niet alleen voor onderwijs maar ook voor andere doeleinden kunnen dienen. In de praktijk komt daar helaas niet veel van terecht. Hooguit is hier en daar de sporthal van een school ook voor de buurtvereniging toegankelijk, terwijl voorbeelden uit het buitenland bewijzen dat er veel meer mogelijk moet zijn. ‘Pas als de minister alleen nog gebouwen subsidieert die ook multifunctioneel kunnen worden gebruikt, zal er werkelijk iets veranderen.’

62 |


SCHOOL MAKEN > BREDE SCHOLEN

DE VLAAMSE TRADITIE OM IN SCHOLEN ALLES ACHTER EEN GESLOTEN EN BEVEILIGDE POORT TE LATEN PLAATSVINDEN IS HARDNEKKIG. [  A NNE MALLIET, TEAM VL A AMS BOUWMEESTER  ]

De moeizame weg naar multifunctionele schoolgebouwen DOOR JANINE MEIJER

V

laanderen heeft dringend meer scholen nodig. In korte tijd moeten er 200 nieuwe of gerenoveerde schoolgebouwen bijkomen om het tekort aan plaatsen in het onderwijs op te vangen. Goed voor 625.000 vierkante meter gebouwoppervlakte. De publiek-private organisatie Scholen van Morgen (zie elders in dit nummer) is verantwoordelijk voor de inhaalbeweging op het vlak van scholenbouw. Geen eenvoudige taak, want waar ga je de scholen bouwen? Vrije publieke ruimten zijn schaars in Vlaanderen. Als er een geschikte plek wordt gevonden, zijn er veel kapers op de kust die ook plannen met dezelfde bouwgrond hebben. Een logische oplossing is om de verschillende partijen rond de tafel te zetten en te kijken hoe je één gebouw multifunctioneel kan gebruiken. Je gaat dan op een verantwoorde en duurzame manier om met ruimte, bouwmaterialen en financiële middelen. Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits zet dan ook fors in op de ruimtelijke invulling van wat ‘brede scholen’ wordt genoemd. In februari verspreidde haar kabinet een persbericht: ‘In de toekomst is het van belang dat de schoolinfrastructuur

buiten de schooluren ook voor andere doeleinden kan worden gebruikt. Ook op het vlak van opleidingsinfrastructuur willen we de samenwerking aanmoedigen. Scholen hebben een belangrijke functie als kloppend hart voor de hele buurt.’ Scholen van Morgen kreeg – intussen al twee of drie legislaturen geleden – van de bevoegde minister de uitdrukkelijke opdracht om van de nieuwe scholen ‘brede scholen’ te maken die multifunctioneel kunnen worden gebruikt. Dat lijkt te lukken, want de Schoolgebouwenmonitor 2013 (zie elders in dit nummer) die begin dit jaar in het Vlaams Parlement werd voorgesteld, laat veelbelovende cijfers zien. In ruim 62 procent van de vestigingsplaatsen wordt de infrastructuur van scholen ook buitenschools gebruikt. Dat is een stijging met drie procent in vergelijking met 2008. Maar wanneer kan je spreken van een ‘brede school’ die een multifunctioneel doel dient? Bij Scholen van Morgen hebben ze moeite om een antwoord op deze vraag te formuleren. Een vaak gebruikte definitie luidt: ‘Elk gebruik dat buiten het standaardschoolprogramma valt. Dit zowel tijdens als na de schooluren,

School/woonproject Brasschaat © abvplusarchitecten

| 63


66 |


# RINGLAND

het plan

© Paulien Verlackt

Mei 2014: de Ringland-wave

Tussen de dag dat ruimtelijk planner Peter Vermeulen op een bierkaartje zijn scenario voor de overkapping van de Antwerpse Ring tekende en het moment waarop hij tweemaal voor een afgeladen Roma-theater de resultaten van de volledig via crowdfunding gefinancierde haalbaarheidsstudies voor Ringland presenteerde, liggen er welgeteld tweeënhalf jaren. Een periode waarin de droom van een enkele expert-planner uitgroeide tot een bottom-up burgerbeweging die door media en politici vandaag als ‘incontournable’ wordt bestempeld. Ringland heeft op die korte tijd Vlaamse geschiedenis geschreven — al was het maar door zijn consequent integrerende aanpak van stedenbouwkundige, infrastructuurgebonden en welzijnsvraagstukken. Ruimte vond het tijd voor een stand-van-zaken en polste Vermeulen ook omtrent toekomstige agendapunten. (KR)

Juni 2014: eerste editie van het Ringlandfestival

P E T E R V E R M E U L E N   [   S T R A M I E N C V B A    ]

2012-2013: de voorgeschiedenis

Uit de Ban van de Ring

In juli 2012 publiceerde de stad Antwerpen een ’overkappingsonderzoek’. Dat toonde duidelijk aan dat het overkappen van de Antwerpse Ring de leefbaarheid voor de stadsbewoners in de aanpalende wijken sterk zou verbeteren. De studie becijferde bovendien dat de vastgoedinkomsten op de vrijgekomen gronden zo’n 10 tot 20 procent van de investering zouden kunnen helpen terugverdienen. Aan het eind van de studie drong de stad er bij de Vlaamse regering op aan om het ‘Masterplan 2020’ grondig te herzien, in functie van meer leef baarheid (maar op dat vlak gebeurde er niets). Daarop volgde de ontnuchterende vaststelling dat de complexiteit van de Ring, met zijn talrijke, kort op elkaar volgende op- en afritten, overkappen over grote afstanden onmogelijk maakte. De Europese tunnelrichtlijnen staan dat namelijk niet toe. De stad pleitte daarom voor ‘verder onderzoek naar de vereenvoudiging van de verkeersafwikkeling op de Ring’.

Dat vond ik een uitdaging en samen met Stramien publiceerden we drie maanden later onder de titel ‘Uit de Ban van de Ring’ een antwoord op die vraag. Het ‘concept op een bierkaartje’ stelde een systeem van gescheiden tunnels voor, met het doorgaand (zwaar) verkeer in de buitenste tunnels en het stedelijk bestemmingsverkeer in de binnenste. Een ‘Nieuwe Singel’ bovenop het dak van die tunnels moest vlotte uitwisselingen mogelijk maken. Respectievelijk drie en vijf compacte op- en afrittencomplexen zouden alle weefbewegingen voldoende ver uit elkaar moeten kunnen halen om het verkeer weer vlot te trekken (Ruimte 16, december 2012). Een tekenfilmpje, verspreid via het internet, dat het concept begrijpelijk maakte voor een groot publiek, werd met veel enthousiasme onthaald. Het was de zoveelste aflevering in de Oosterweelsaga, met de Lange Wapper — onder impuls van stRaten-generaal en Ademloos in 2009 overtuigend weggestemd in een referendum — en tal van ‘alternatieve tracés’ voor een nieuwe Scheldekruising. Hoe het hele dossier sindsdien verder evolueerde leest u hier.

 Mei 2014: de vlagplanting van Ringland. © Paulien Verlackt

April 2015: voorstelling van de studies rond Ringland in de Roma schouwburg

| 67


IN RINGLAND LIGT DE KLEMTOON OP DE GEÏNTEGREERDE AANPAK VAN MOBILITEIT, LEEFBAARHEID EN STADSONTWIKKELING.

Met Ringland naar de verkiezingen van 2014

68 |

Terwijl het Valentijnsakkoord van de Vlaamse regering de definitieve keuze voor het BAM-tracé vastlegt, lanceert de pas opgerichte vzw Ringgenootschap de website www.ringland.be. Het concept ‘Uit de Ban van de Ring’ gaat voortaan verder onder de naam Ringland, de klemtoon ligt op de geïntegreerde aanpak van mobiliteit, leef baarheid en stadsontwikkeling. De groep bepleit prioriteit voor Ringland ten opzichte van een eventuele bijkomende Scheldekruising, die wordt gezien als het sluitstuk van het hele verhaal. Via Facebook, met meer dan 20.000 volgers, verspreidt het verhaal zich door de hele stad. Naast de sociale media, de publiekscampagne, met een dagelijkse vlagplantactie, een ‘Ringland-wave’ de dag voor de verkiezingen en een festival enkele weken daarna, is vooral de inhoudelijke uitdieping van het concept cruciaal. Op een colloquium in deSingel, op 21 maart 2014, houden vier gerenommeerde professoren de verder uitgewerkte Ringland-voorstellen tegen het licht. Professor emeritus Jef Van den Broeck herinnert aan de Internationale Stedenbouwkundige Wedstrijd van 1910. Die zocht een nieuwe invulling voor de Brialmontomwalling, de vesting rond Antwerpen, waarvan de militaire rol definitief was uitgespeeld. De toenmalige stadsbouwmeester van Parijs, Henry Prost, won de wedstrijd met een geïntegreerd ontwerp met veel groen, doorkruist door stedelijke lanen, nieuwe woonwijken en tal van bijkomende voorzieningen. Maar het ontwerp raakte nooit uitgevoerd. Na de Tweede Wereldoorlog wijzigde de benadering totaal, het rationele Duitse infrastructuurdenken nam de overhand. De Antwerpse Kleine Ring, die uiteindelijk in 1969 werd ingehuldigd, is ontworpen door ingenieurs uit Los Angeles en is een toonbeeld van de nieuwe visie. Maar Van den Broeck pleit ervoor om in de 21ste eeuw opnieuw op zoek te gaan naar een ’geïntegreerde aanpak’ en de benadering uit vorige eeuw achterwege te laten. Ringland is er voor hem een voorbeeld van. Professor Bruno De Borger becommentarieert het mobiliteits­ aspect en stelt dat het er niet om gaat steeds meer capaciteit te voorzien, maar deze integendeel onder controle te houden. Hij pleit voor een combinatie van gedoseerde capaciteit, met aansturing van het verkeer door een systeem van rekeningrijden. Van daaruit moet volgens hem werk gemaakt worden van een betere modal split. Professor Hans Bruyninckx, hoofd van het Europees Klimaat-

Simulatie: knooppunt Rivierenhof, voor en na de overkapping © OMGEVING

agentschap, weegt Ringland af tegen de aanbevelingen die Europa naar steden toe formuleert met het oog op de klimaatdoelstellingen 2050. Hij stelt dat alleen dit soort structurele ingrepen er op termijn kunnen toe bijdragen om die ambities waar te maken. Professor André Loeckx ten slotte, voorzitter van het Regieteam Vlaams Stedenbeleid, gaat dieper in op alle projecten rond de Antwerpse Ring die in het verleden in dat kader al gesubsidieerd werden. Hij stelt vast dat het, ondanks sterke ontwerpen, in feite allemaal probleemplekken blijven. Nieuw-Zurenborg bijvoorbeeld ligt stil en niemand durft nog voor te stellen om in de voormalige jeugdherberg vlakbij de Mastvest een kindercrèche onder te brengen. Omgekeerd stelt hij dat al die sites – mét overkapping – stuk voor stuk toplocaties zouden zijn. Hij legt er ook de nadruk op dat, omwille van het sociale karakter van de aanpalende buurten, de overkapping voor de noordelijke helft van de Ring nog veel belangrijker is dan voor de zuidelijke helft. Het Ringland-voorjaar is geslaagd. In Park Spoor Noord verzamelen op 4 mei zo’n 15.000 overtuigde ‘overkappers’ (in een organisatie van stRaten-generaal en Ademloos). Een dag later loopt het storm in de theaterzaal De Roma, waar zo’n 1.500 mensen het hele Ringland-verhaal met veel belangstelling volgen. Een memorandum aan alle politieke partijen bezorgt Ringland ook een prominente plek in de verkiezingscampagne. In Antwerpen ontluikt stilaan een droom.

Post-electorale ontnuchtering Maar als de Vlaamse regering in september aantreedt, is de ontnuchtering groot. Onder het motto ‘Vertrouwen, Verbinden, Vooruitgaan’ formuleert het regeerakkoord een soort dubbelbesluit: de regering houdt enerzijds vast aan het beslist beleid, met de Oosterweelverbinding op het BAM-tracé vlakbij de stad, anderzijds stelt ze ook een eigen overkappingsonderzoek in het vooruitzicht. Ringland is sceptisch en stelt dat ‘vertrouwen’ op afzonderlijke procedures (GRUP-Oosterweel, MER A102/R11bis en Overkappingsonderzoek) weinig kans op slagen maakt, terwijl het ‘verbinden’ van de verschillende studies en het bijeenbrengen van alle partners en stakeholders allicht meer kans maakt om het project te laten ‘vooruitgaan’. En dat laatste is wat uiteindelijk iedereen wil.


# RINGLAND

Ringland beslist daarop om het overkappingsonderzoek van de regering niet af te wachten, maar zelf bijkomende onafhankelijke studies op te zetten om alle vragen die rond het concept gesteld worden, verder uit te diepen en er hopelijk een antwoord op te vinden. Dat kan natuurlijk niet zonder middelen. Om die bijeen te krijgen, wordt een crowdfunding-campagne opgezet onder het motto: ‘Wees een van de 5.000’ (die 20 euro schenken). Die campagne gaat samen met een ‘ronde van de districten’. Negen weken na elkaar verzamelen Ringland-vrijwilligers in de verschillende districten van de stad om er het ‘tiende district’ te promoten en meer informatie te verspreiden over wat Ringland voor de hele stad zou kunnen betekenen. Op minder dan drie maanden wordt de kaap van de 100.000 euro gerond. De studies kunnen opstarten.

Nieuwe studies en een groeiend enthousiasme ‘Incontournable’ - het is maar één van de krantenkoppen uit de periode rond de bekendmaking van de nieuwe Ringland-studies eind april 2015. De gok draait alvast goed uit, dit keer loopt De Roma namelijk twee avonden na elkaar helemaal vol, terwijl nog eens meer dan 600 mensen de hele avond volgen via livestreaming. Voor Ringland zelf overtreffen de resultaten alleszins de verwachtingen. Stuk voor stuk tillen de studies en voorstellen het Ringland-concept naar een hoger niveau. Hier een bondig overzicht van de voornaamste resultaten, maar ook van vragen die nog resten, stof genoeg voor nog nieuwe studies, werk voor het najaar. 1 . DE EUROPE S E TUNNE LRICHTLIJNE N E N HET ONT WE RP VAN E E N STADS L ANDSCHAP (OMG E VING).

Studiebureau Omgeving zet het hele tunnelverhaal correct in de maat, met de juiste hoogtes en rijwegbreedtes, bochtstralen en hellingsgraden, vluchtstroken en evacuatiewegen. Ook de gepaste snelheidsregimes worden vastgelegd, 90 km/u voor de doorgaande tunnels (DRW), 70 km/u voor de stedelijke (SRW) en 50 km/u voor de Nieuwe Singel er bovenop. Maar nog belangrijker

is de consequente toepassing van de Europese tunnelrichtlijnen, met de opeenvolgende toevoeging van rijstroken aan de opritten en de uitvoeging ervan verderop aan de afritten, want het aantal rijvakken in een tunnel mag niet wijzigen. Het systeem wordt robuust gemaakt en krijgt enkele cruciale toevoegingen. In plaats van vijf op- en afritten van en naar de Stedelijke Ringweg (SRW), worden er acht ingetekend, de 10-secondenregel laat dit toe. Dat maakt dat meer verkeer van de bovengrondse Nieuwe Singel ook in de tunnels terecht kan, de barrièrewerking bovengronds vermindert er gevoelig door. Ook de drie verkeerswisselaars (Spaghetti-Zuid, E19 en E34/E313) gaan mee ondergronds. Het Ringland-concept komt daardoor nog beter tot zijn recht. Bovendien gaat ook de Nieuwe Singel op twee cruciale trajecten mee de tunnels in. Een eerste traject loopt van de Grotesteenweg tot Berchem-station, het natuurgebied Wolvenberg en het Brilschanspark transformeren daardoor in één beweging tot één groot samenhangend groengebied, ook de doorsteek onder de spoorwegbrug is er ineens mee opgelost. Een tweede traject, tussen de Plantin-Moretuslei en het Sportpaleis, maakt dat het Rivierenhof echt kan doorlopen tot tegen het dichtbevolkte Oud-Borgerhout, de wijk met het grootste groentekort in de hele stad. De oude droom van ‘Borgerhoudt van mensen’ (‘Ringpark de Knoop’, dat in 2005 als eerste de idee van een ‘gedeeltelijke overkapping’ lanceerde) komt daarmee een stuk dichterbij. Ontwerpend onderzoek, met een soort stedelijke acupunctuur als nieuwe voorkanten van wijken die zich vandaag nog van de Ring afkeren en sterke nieuwe concentraties rond de stations, blijft nog vrij algemeen, maar concretiseert toch de mogelijkheden inzake stadsontwikkeling. Voorstellen voor stedelijke parken, sportvelden, volkstuintjes, waterpartijen of turborotondes in het groen, gaan uit van het ‘dwarsdenken’ dat nodig is om voor elke aanpalende wijk de gepaste invulling te zoeken. Dat gaat samen met een lineaire benadering waarin niet alleen de ecologische structuur en de waterhuishouding thuishoren, maar waarin ook ruimte is voor historische elementen die verwijzen naar de voormalige vesten en de Brialmont-omwalling. Een echte heuvel, als meest publieke plek met een prachtig uitzicht over de stad en het hele ‘tiende district’, doet dan weer alleen maar verder dromen (kijk maar naar het mooie ‘schuifsysteem’ op de Ringland-website).

| 69


 Capaciteiten per segment - huidige toestand © Vectris

Capaciteiten per segement - maximum © Vectris

Antwerpen 2012: vervuiling fijn stof - bestaande toestand © VITO

 Wonen / werken / parken © IDEA-Consult

tekenen een soort diamant, niet toevallig is het centrale deel van de Ring het drukst. De Stedelijke Ringweg-configuratie past hier perfect bij. Aan de Kennedytunnel valt dan weer het verschil in file-uren aan weerszijden van de Schelde op. Dat is te verklaren door het links invoegen net voor de tunnel op Linkeroever en door de hellingen die het zwaar verkeer vertragen. Het is dus niet zozeer een kwestie van een tekort aan capaciteit, maar van een foute verkeersorganisatie of een ontoereikend infrastructuurontwerp. Om de leefbaarheidsproblemen in Burcht en Zwijndrecht op te lossen, zal dat dus eerst moet worden aangepakt. Vectris wil aannemen dat het tunnelontwerp van Omgeving een robuust systeem oplevert, maar stelt daarbij de pertinente vraag: ‘is dit niet van het goede te veel?’ Als extra capaciteit het wegennetwerk ontlast is dat prima, als het echter meer autoverkeer aantrekt naar de stad, is dat nefast. Daarom legt Vectris ook de klemtoon op multimodaliteit. Investeren in openbaar vervoer, ten gronde gebruik maken van de (elektrische) fiets in het voor- en natransport is noodzakelijk, als het Masterplan 2020 de eigen doelstellingen wil waarmaken. Alleen zo kan de stadsregio Antwerpen mobiel blijven. 2 . DE VE RKE E RS PROB LE ME N A ANPAKKE N WA AR ZE ZIJN: OP DE RING ZE LF ( VEC TRIS)

70 |

Op basis van alle beschikbare studiemateriaal, zowel van het Vlaams Verkeerscentrum als van de Stad Antwerpen zelf, analyseerde studiebureau Vectris de mobiliteitsproblematiek in en om Antwerpen nog eens ten gronde. En wat blijkt? De hele Oosterweelverbinding biedt in feite geen structurele oplossingen, maar zal de situatie hooguit stabiliseren. En de belangrijkste knelpunten op de Ring zelf, tussen de E34/E313 en de E19 enerzijds en aan de Kennedytunnel anderzijds, blijven gewoon bestaan. Vectris toont daarentegen aan dat het Ringland-verkeersconcept perfect in overeenstemming is met de voornaamste verplaatsingspatronen. Meer dan de helft van het zwaar verkeer is doorgaand, daarvoor volstaan de drie uitwisselingspunten met de stad op de Doorgaande Ringweg. Het bestemmingsverkeer verloopt dan weer kriskras in de hele regio, de herkomst-bestemmingpatronen

3 . HA ALBA AR E N B ETA ALBA AR , DANK ZIJ VASTG OE D E N DE STADS BON US (IDE A- CO NSU LT )

Deze studie analyseert de mogelijkheden om de verwachte aangroei van de Antwerpse bevolking op te vangen in het tiende district, op Ringland. Zelfs met voorzichtige aannames, er vanuit gaande dat de ontwikkeling de markt niet mag ontwrichten, levert dat mooie cijfers op. Zo is tot 20 procent van de gemaakte kosten te recupereren. Er is meer dan genoeg ruimte voor 15.000 (sociale) woningen, 50 procent van de verwachte kantoorontwikkeling en tal van bijkomende voorzieningen, gaande van scholen, crèches, bedrijvigheid of retail, tot zelfs een voetbalstadion (voor Antwerp United). Maar deze inkomsten zijn natuurlijk maar eenmalig. In die zin is het hele concept van rekeningrijden veel crucialer. De studie vertrekt opnieuw van erg voorzichtige cijfers. Een stadsbonus van twee euro voor personenwagens, vier euro voor


# RINGLAND

Scenario Oosterweel Noord © VITO

Scenario Ringland © VITO

bestelwagens en tien euro voor zwaar vervoer, brengt voldoende op om het hele concept op 30 jaar terug te betalen (onkosten voor onderhoud inbegrepen). Die bonus klinkt op het eerste zicht misschien niet echt sympathiek, maar is wel effectief. Eerst en vooral is twee euro een peulschil in vergelijking met de economische kost veroorzaakt door het huidige fileleed. Automobilisten doen er dus ruimschoots hun voordeel bij. Tegelijk dragen ze als ‘vervuilers’ bij aan de oplossing van de problemen inzake leefbaarheid, in de stad juist veroorzaakt door het verkeer op de Ring. Ten slotte is een systeem van rekeningrijden onontbeerlijk om het verkeer effectief te kunnen sturen, zoals in Stockholm of Londen afdoend is bewezen. 4 . INNOVATIE INZ AKE LUCHTZU IVE RING: NOODZ A AK VO O R DE VO LKSGE ZO NDHE ID ( VITO 1 E N G E NE E S HE RE N UG E NT, KULEU VE N , UHAS S E LT )

Tal van door de actiegroep Ademloos geconsulteerde medische specialisten hebben de afgelopen jaren aangetoond dat slechte luchtkwaliteit en geluidsoverlast nefast zijn voor de volksgezondheid. Daarom alleen al is de overkapping een absolute noodzaak. VITO heeft daartoe haarfijn de verdeling berekend van de vervuilde lucht over de vijf grote tunnelmonden. Dat blijft een probleem, maar het is tenminste aan te pakken (in de huidige situatie is dat onmogelijk). Suggesties om alle afritten zodanig vorm te geven dat er ruimte ontstaat voor filterinstallaties, aangedreven door natuurlijke luchtstromen, zijn alvast veelbelovend. De uitdaging blijft wel om via innovatie uit te zoeken welke bestaande industriële systemen ook op deze schaal toepasbaar zijn. Het zal veel Antwerpenaren die dicht bij de Ring wonen elk jaar alvast een soort ‘dertiende maand’ opleveren, omdat ze daardoor langer zullen leven. Betere lucht zorgt ook voor betere longontwikkeling bij kinderen, de overkapping zal op termijn miljarden besparen in de gezondheidszorg. Argumenten om het project niet te realiseren omwille van de hoge kostprijs zijn in die optiek dus totaal naast de kwestie. 1 Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek

Scenario Ringland, met filters © VITO

Wat nu? Samenwerking is het devies In het kader van de MER-studie A102/R11bis kreeg Ringland de vraag te onderzoeken of het concept compatibel is met de Oosterweelverbinding. Maar dat is natuurlijk niet het geval. Een systeem van gescheiden tunnels kan niet zomaar overgaan in een gemengd systeem, een geïntegreerd ontwerp is onontbeerlijk. Hetzelfde geldt op het vlak van procedures: ook die zijn niet los van elkaar te zien, maar kunnen alleen tot het beste resultaat leiden als ze op elkaar afgestemd worden. Het Masterplan, dat zoals aangetoond dringend aan herziening toe is, vraagt ook een aangepaste organisatiestructuur. Mogelijk kan het nieuwe decreet complexe projecten soelaas bieden, het Franse voorbeeld van de ‘Communauté Urbaine’ of de succesvolle samenwerking in de Gentse Kanaalzone de afgelopen 20 jaar, zijn alvast inspirerende voorbeelden.

Een nieuwe intendant voor Antwerpen De intendant die de Vlaamse regering wil aanstellen krijgt alvast een boeiende opdracht. Op voorwaarde natuurlijk dat de tijd en de ruimte gecreëerd worden om dit complexe project effectief met alle stakeholders en op een geïntegreerde manier aan te pakken. Toen wijlen Eric Antonis intendant werd van het project ‘Antwerpen ’93 - Culturele Hoofdstad van Europa’, lag ook al een waslijst met voorstellen voor het cultuurjaar op tafel, bijeengebracht vanuit de toen erg traditionele en vastgeroeste culturele sector. Maar er stak geen lijn in, er sprak geen verhaal uit. Antonis heeft er de bezem doorgehaald, met het bekende schitterende resultaat. Twintig jaar later is Antwerpen opnieuw aan dat soort revolutie toe, ditmaal op vlak van mobiliteit en stadsontwikkeling. De kaarten liggen alvast op tafel.

| 71


Mensen MAKEN DE HOE KAN DE STAD EEN ANTWOORD BIEDEN OP MAATSCHAPPELIJKE VERANDERINGEN EN UITDAGINGEN?

AL 25% T H C O K VER RESIDENTIE GRAVENSTEEN

EN E j i j B E H EE? D I R E T E B

• 40 Ruime penthouses & lofts • Trendy wonen in hartje Gent • Groot comfort op toplocatie GEN VAN MOR ET GENT H R E V O K MEE afwerking DE•NHigh-level OR.GENT O V E T IM U W.R buitenzwembad Exclusief W•W • Individuele parkeerplaatsen 72•| Smaakvolle zonneterrassen

AL 25% T VERKOCH

#RUIMTEVO

ORGENT

RESIDENTIE GRAVENSTEEN Campagnebeeld Ruimte voor Gent © Stad Gent


stad

# STRUCTUURVISIE

GENT

Hoe willen we wonen, werken, ontspannen, ons verplaatsen in de stad van 2030? Om de ruimtelijke opties voor de toekomst vast te leggen maakt de Stad Gent een nieuw ruimtelijk structuurplan of structuurvisie op. Daarbij staat niet alleen de ruimte maar ook de mens, of ruimtegebruiker, centraal. Daarom koos de Stad Gent ervoor om dit inhoudelijke traject van bij het begin te ondersteunen met enerzijds een strategische milieubeoordeling en anderzijds een breed maatschappelijk debat met alle Gentenaars. Betrokkenheid creëren bij zowel specialisten als moeilijker bereikbare doelgroepen is daarbij een continue evenwichtsoefening.

Een nieuw Ruimtelijk Structuurplan voor Gent S I M O N V E R L E D E N S , L I S E H U L L E B R O E C K , E L S D E P U Y D T   [   S TA D G E N T   ]

De stad van de toekomst Het huidige Ruimtelijk Structuurplan Gent (RSG) dateert al van 2003. Hoewel de ruimtelijke visie uit het bestaande RSG nog vrij actueel is, vraagt een aantal aspecten toch om verduidelijking of vernieuwde inzichten. Ruimte voor Gent – Structuurvisie 2030 moet een antwoord bieden op een aantal maatschappelijke veranderingen en uitdagingen waar de stad van de toekomst voor staat. De titel van dit stuk is ontleend aan het boek Mensen maken de stad – bouwstenen voor een sociaalecologische toekomst, omdat het de vinger op de wonde legt: ‘Onze steden staan voor een immense uitdaging. De stadsbevolking neemt fors toe, en nog nooit woonden er zoveel groepen mensen met een verschillende achtergrond. De kloof tussen arm en rijk neemt elk jaar toe, en ook de ecologische voetafdruk van de stad is groter dan de planeet kan dragen. Dit leidt tot dé vraag van de 21ste eeuw: hoe kan de stad tegelijkertijd groeien en meer solidair en ecologisch worden?’ Al deze uitdagingen vertalen zich in een nood aan meer ruimte en, vooral, in een ander ruimtegebruik. De gezondheid en het welzijn van de Gentenaars zijn mede afhankelijk van een goede ruimtelijke ordening. Het aantal inwoners van Gent neemt toe en de prognoses tonen aan dat dit ook in de toekomst zo zal zijn (zie grafiek). Gent verjongt, vergrijst en verkleurt. Daardoor komt

de woningmarkt in de stad onder druk te staan. Wil Gent een leef bare stad blijven, dan zal het die demografische veranderingen op een verstandige manier moeten opvangen. Meer mensen betekent ook dat er meer tewerkstellingsplaatsen nodig zijn. Een verdere doordachte en gediversifieerde groei van de economie moet mogelijk zijn, rekening houdend met nieuwe economische trends en tendensen, maar ook met duurzaamheid. De uitputting van fossiele brandstoffen en de klimaatverandering zijn mondiale thema’s waarvoor ook antwoorden op lokale schaal vereist zijn. Tegen 2050 wil Gent klimaatneutraal zijn en dat heeft natuurlijk ook zijn weerslag op het mobiliteitsvraagstuk. Hoe Gent leef baar én bereikbaar houden? Vandaag zijn vervoerssystemen onvoldoende aangepast aan de ruimtelijke organisatie, en omgekeerd. Een selectieve bereikbaarheid garanderen, met werk, woonst en voorzieningen op korte afstand van elkaar, vergt eveneens de nodige ruimte.

| 73


Versterk de Het is van cruciaal belang dat ook kleinere gemeenten en steden zich kunnen inschakelen in een krachtdadig beleid dat streeft naar kernversterking, leefbare landbouw, natuurontwikkeling en duurzame mobiliteit. Daarom organiseerde de VRP in samenwerking met de Gemeentelijke Commissie Ruimtelijke Ordening (Gecoro) van Herentals op 6 mei 2015 een event over kernversterking. Met praktijkvoorbeelden uit Herentals, Nijlen, Dessel en Gooik kregen de ruim 150 deelnemers een breed scala aan tips en tricks om in hun gemeente mee aan de slag te gaan.

Voorbeeld van een rijke schakering van historische dorpsopbouw. © Blauwdruk Stedenbouw

78 |

Een van de sprekers was stedenbouwkundige Peggy Totté, die op basis van een concrete case – een analyse van de dorpskern van Dessel – toelichtte wat Vlaanderen nodig heeft om tot een kwalitatieve kernversterking te komen. Volgende bijdrage schetst de grote lijnen van haar betoog. (KR)


dorpskern

# KERNVERSTERKING

begin bij het bestuur

PEGGY TOTTÉ  [ BLAUWDRUK STEDENBOUW ]

Aandacht voor kleinere steden en dorpen

Waar is het landschap heen?

Hoewel de focus de voorbije jaren vooral lag op stadsvernieuwing in de centrumsteden, is ook het pleidooi voor de kernversterking van de kleinere steden en dorpen steeds luider gaan klinken. Sinds het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen twijfelt geen planoloog nog aan het nut of de wenselijkheid van kernversterking. Zelfs de projectontwikkelaars en bouwbedrijven hebben de boodschap begrepen. Ze hebben een groot deel van hun werkterrein verlegd van de lintbebouwing en verkavelingen aan de randen van steden 1

1 De dorpskern vandaag: concurrentie van appartementen. © Blauwdruk Stedenbouw

en dorpen naar de stadscentra en de dorpskernen. Dat heeft geleid tot de befaamde ‘appartementisering’ van onze centra. En nu staan we daar met onze mond vol tanden. Jarenlang hebben we gemeentebesturen aangemoedigd om te gaan verdichten, maar nu blijkt ook deze ruimtelijke evolutie een negatieve impact op onze ruimte te hebben. Gemeentebesturen ervaren een sterke druk op de beschikbare ruimte van de dorps- en stadscentra, en tegelijk een afkalving van de kernkwaliteiten van hun stad of gemeente. Ondertussen zijn de gemeenten ontvoogd door de hogere overheden, en krijgen ze dus nog maar beperkt advies of bijsturing. Gemeentebesturen zijn immers de trotse bezitters van een goedgekeurd ruimtelijk structuurplan, een vergunningenregister, een register onbebouwde percelen …, maar toch voelen ze zich machteloos en onwetend. Waar is nu die woonkwaliteit in hun dorp?

Wonen in een dorp stond vroeger gelijk aan wonen in het landschap. Vandaag zijn dorpskernen meer dan ooit vervreemd van het oorspronkelijke landschap. Bosfragmenten zijn schaars geworden en nog slechts versnipperd aanwezig op private percelen, de beek wordt binnen de dorpskern verwaarloosd en verborgen tussen achterkanten van percelen, zichten naar het grotere landschap slibben toe, paden vanuit de dorpskern naar het landschap zijn moeilijk traceerbaar. Zelfs de woningen richten zich met hun achtergevel naar het landschap. Deze ‘afkeer’ van het landschap weerspiegelt zich ook op toeristisch-recreatief vlak. Gemeenten worden vaak gepromoot als een groen lappendeken van bossen, weiden en akkers, beken en vijvers – maar in de praktijk valt dat tegen. En wanneer het marktplein wordt aangeprezen als een lust voor het oog, werkt datzelfde plein gevuld met auto's en een verloren monument, weinig overtuigend. Kortom, de dorpskern is een deel van zijn (landschappelijke) identiteit verloren en mist potentiële inkomsten, bij gebrek aan toeristen en recreanten. Bij het nastreven van een leefbaar autonoom dorp zou dit bescheiden toerisme immers kunnen bijdragen aan het in stand houden van een gezond voorzieningenniveau. In functie van een kwalitatieve versterking van een dorpskern, gaan we in een eerste laag onderzoeken welke landschappelijke elementen in de dorpskern in ere hersteld kunnen worden. Hierbij zal wellicht niet elke beek of ieder bosje gered worden. In een tweede laag trachten we het netwerk van verbindingen dwars door het dorp en met het landschap zo stevig mogelijk te verankeren in de bebouwde structuur. Dit leidt tot de introductie van nieuwe paden doorheen bouwblokken, tussen verkavelingen, langsheen beken … die ervoor zorgen dat zowel bewoners als bezoekers snel de weg van het dorp naar het landschap (en omgekeerd) vinden. Tot slot gaat de aandacht naar een herinrichting van het openbaar domein, waarin landschappelijk waardevolle dreven plaats hebben gemaakt voor brede geasfalteerde wegen.

GEMEENTEN WORDEN VAAK GEPROMOOT ALS EEN GROEN LAPPENDEKEN VAN BOSSEN, WEIDEN EN AKKERS, BEKEN EN VIJVERS — MAAR IN DE PRAKTIJK VALT DAT TEGEN. | 79


Günth

C KEN UW KLASSIEKERS Ebenezer Howard Bernardo Secchi

Horst Richard Muth

Charles Waldheim

Hoe is het tegenwoordig gesteld met de historische bagage van de gemiddelde ruimtelijk planner of architect? Bestaat er zoiets als een ‘pantheon van de stedenbouw’? Ruimte vroeg zijn redactieleden welke denkers of werkers op hen een blijvende indruk hebben gemaakt en dus zeker niet verloren mogen gaan in de mist der tijden. ‘Ken uw klassiekers’: nummer twee in de rij is in de eerste plaats een socioloog.

Christopher Wren

Dirk Sijmons

Public spaces, as sites of spontaneous social interaction, are the communicative devices of our society.

Manuel Castells Oliván

[ 1942 ]

Manuel Castells’ naam wordt vooral geassocieerd met zijn onderzoek naar de laat20ste-eeuwse informatiemaatschappij, communicatiestromen en globalisering. Van het twintigtal boeken dat hij publiceerde, maakten vooral The Informational City (1989) en zijn magnum opus, de trilogie The Information Age: Economy, Society and Culture (1996, herwerkt in 2000) wereldwijd een blijvende indruk. De marxistische rebel met uitgesproken mei ’68 roots is ondertussen een éminence grise geworden die niet meer weg te denken is uit het wereldlijstje van meest geciteerde sociologie- en planningspecialisten.

84 |

Castells groeide op in La Mancha en studeerde rechten en economie in Barcelona. Wegens zijn rol in het studentenverzet tegen het Franco-regime, moest hij op 20-jarige leeftijd naar Frankrijk uitwijken. Zijn universitaire carrière begon in het woelige Parijs van eind jaren ’60, waar hij een doctoraat in de sociologie behaalde. Via de universiteiten van Montreal, Madrid en Barcelona, kwam Castells in de University of California, Berkeley, terecht, waar hij tot 2003 sociologie en stads- en regionale planning doceerde. Vandaag bekleedt hij nog een leerstoel (‘communicatietechnologie en maatschappij’) aan de University of Southern California (USC) en is hij Director of Research in de sociologie aan de universiteit van Cambridge (UK). Zijn laatste werk Networks of Outrage and Hope: Social Movements in the Internet Age (2012, herwerkt 2014) is in zeven talen vertaald. De prijzen, eredoctoraten en fellowships die Castells tijdens zijn carrière wereldwijd toebedeeld kreeg, zijn ondertussen niet meer te overzien.

De ‘space of place’ en de ‘space of flows’ De concepten die vandaag onlosmakelijk met Castells, naam verbonden zijn, zijn de ‘space of place’ en de ‘space of flows’. De space of flows: de ruimte die onafhankelijk bestaat naast de reguliere geografische ruimte. In zijn structuur en ontwikkeling wordt de space of flows gedicteerd door andere dan ruimtelijke motieven, maar die hebben wel degelijk ruimtelijke gevolgen. De space of place: de ruimte van territoria, geografie en gronden en daarmee het traditionele speelveld van ruimtelijke ordening. In toenemende mate wordt deze gedicteerd door de krachten in de space of flows, die losstaan van de geografie. De space of place is het geografische domein van landschap, steden en architectuur, de space of flows daarentegen wordt gedicteerd door stromen, tijd en snelheden. Informatie, geld, goederen en mensen bewegen rond de wereld binnen hun eigen

G


KEN UW KLASSIEKERS

her Vogt

Jane Jacobs

Georges-Eugène Haussmann

#2

William Alonso

Peter Calthorpe

Le Corbusier

“In this crisis, some people are trying to go back and other people are trying to discover what the future could be. What doesn’t work anymore is the present, for anyone. That’s why it’s Aftermath Time.”

wetmatigheden, drijfveren en regels. Een grote Europese luchthaven, bij voorbeeld, wordt veel meer georganiseerd rond en gedicteerd door de mondiale stromen dan door de lokale geografie. Die laatste wordt echter sterk bepaald door die mondiale stromen en kan er eventueel een sterke weerstand tegen bieden. Getuige de gespannen overlastdiscussies omtrent het expanderende Brussels Airport, die regelmatig de kop opsteken. In de planning van netwerken zoeken we zowel naar effectieve relaties tussen lokale kwaliteiten over de gehele wereld als naar relaties tussen mondiale stromen en lokale krachten. (met dank aan www.urbanunlimited.nl)

Het Net en het Zelf In The Information Age stelt Castells dat ‘onze samenlevingen in groeiende mate gestructureerd worden rond de bipolaire tegen-

stelling van het “Net” en het “Zelf”, waarbij het “Net” verwijst naar de netwerkorganisaties die de verticaal geïntegreerde hiërarchieën als dominante vorm van sociale organisatie beginnen te vervangen, terwijl het “Zelf” staat voor de praktijken die het individu hanteert om zijn sociale identiteit en betekenis in een continu veranderend cultureel landschap te bevestigen.’

Publieke ruimte als uitdrukking van de samenleving Ook het belang dat Castells toebedeelt aan de publieke ruimte als ‘key connector of human experience’ maakt van hem een boeiende figuur voor stedenbouwkundigen. ‘Publieke ruimten, de plekken waar spontane sociale interactie plaatsgrijpt, zijn de communicatievehikels van onze samenleving.’ Ze worden allicht ook belangrijke arena’s waar de maatschappelijke spanningen die ontstaan zijn door de globale crisis – waarrond Castells overigens de analyserende denktank Aftermath Network oprichtte – zullen worden uitgevochten.

| 85


partners

Volgende partners ondersteunen de VRP. Voor meer informatie over het partnerschap kan u terecht op secretariaat@vrp.be.

AG Vespa Generaal Lemanstraat 55 2018 Antwerpen T 03 259 28 10 | F 03 259 28 11 info@Vespa.Antwerpen.be www.agvespa.be

Buur De Hoorn Sluisstraat 79 3000 Leuven T 016/89 85 50 | F 016/89 85 49 buur@buur.be | www.buur.be

Antea Group Roderveldlaan 1 | 2600 Antwerpen T 03/221 55 00 | F 03/221 55 01 info.be@anteagroup.com www.anteagroup.be

GEOSTED stedenbouw Riemsterweg 117 3742 Bilzen T. +3289515343 F. +3289515344

Geosted Riemsterweg 117 | 3742 Bilzen T 089/51 53 43 | 089/51 53 44 info@geosted.be

Confocus Sint-Truidersteenweg 576A 3500 Hasselt | T 011 75 41 02 info@confocus.be | www.confocus.be

Stad Kortrijk Grote Markt 54 8500 Kortrijk T 1777 / F 056/27 70 09 info@kortrijk.be / www.kortrijk.be

Intercommunale Leiedal President Kennedypark 10 8500 Kortrijk | 056 24 16 16 info@leiedal.be | www.leiedal.be

Gemeentelijk havenbedrijf Antwerpen Havenhuis Entrepotkaai 1 | 2000 Antwerpen T 03/ 205 23 77 | F 03/ 205 23 29 info@haven.antwerpen.be www.havenvanantwerpen.com

Omgeving Uitbreidingstraat 390 2600 Berchem – Antwerpen T 03/448 22 72 | F 03/440 13 93 info@omgeving.be | www.omgeving.be

Stad Gent T 09/210 10 10 | F 09/210 10 20 gentinfo@gent.be | www.gent.be

BRUT Kiekenmarkt 33 | 1000 Brussel 02 450 99 00 info@brut-web.be | www.brut-web.be

groep Van Roey Sint Lenaartsesteenweg 7 2310 Rijkevorsel T 03/340 17 11 info@vanroey.pro www.vanroey.pro

De Lijn Motstraat 20 | 2800 Mechelen www.delijn.be | 015 40 87 11

Havenbedrijf Gent John Kennedylaan 32 Haven 3000 A | 9042 Gent T 09/251 05 50 | F 09/251 54 06 info@havengent.be www.havengent.be

Blauwdruk Stedenbouw Karel De Preterlei 204 B-2140 Antwerpen tel +32 (0) 3 344 93 20 www.blauwdrukstedenbouw.be

Antwerp Management School Het Brantijser Sint-Jacobsmarkt 9-13 2000 Antwerpen 03 265 49 89 info@antwerpmanagementschool.be www.antwerpmanagementschool.be

Stadsontwikkeling Antwerpen Bezoekadres: Francis Wellesplein 1 | 2018 Antwerpen Postadres: Grote Markt 1 | 2000 Antwerpen T 03/221 13 33 info@stad.antwerpen.be www.antwerpen.be

Stramien Broederminstraat 52 | 2018 Antwerpen T 03/248 54 02 | F 03/248 77 80 info@stramien.be | www.stramien.be

MINT nv Hendrik Consciencestraat 1B 2800 Mechelen T 015/56 04 20 | F 015/56 04 29 mint@mintnv.be – www.mintnv.be

stad Genk Stadsplein 1 | 3600 Genk T 089 65 36 00 | F 089 65 34 70 info@genk.be | www.genk.be

Common Ground Cogels Osylei 19 2600 Berchem (Zurenborg) 03/235.00.00 info@common-ground.eu www.common-ground.eu

d+a consult Meiboom 26 | 1500 Halle T 02 363 89 10 | F 02 363 89 11 info@daconsult.be | www.daconsult.be

die Keure Kleine Pathoekeweg 3 8000 Brugge | T 050 / 47 12 72 info@diekeure.be | www.diekeure.be

90 |

matexi nv Franklin Rooseveltlaan 180 8790 Waregem | T 056 62 74 00 info@matexi.be | www.matexi.be

Gentse Kanaalzone Projectbureau Gentse Kanaalzone PAC Zuid | Woodrow Wilsonplein 2 9000 Gent | T 09 267 78 02 info@gentsekanaalzone.be www.gentsekanaalzone.be


sponsors

De werking van de VRP en de publicatie van Ruimte zijn mogelijk dankzij volgende hoofdsponsors:

volgend nummer [   F OT O : R E P O R T E R S

Driemaandelijks: maart - april - mei 2013

ruimte VA K B L A D VA N D E V L A A M S E V E R E N I G I N G V O O R R U I M T E E N P L A N N I N G

[ F OTO : R E P O R T E R S , D A N N Y G Y S ]

mobiliteit

27 verschijnt in september 2015

RU I MT E > jaargang 7 | nummer 26 | juni - juli - augustus 2015 | verschijnt vier keer per jaar  n V R P - B E S T U U R > Jan Baelus | Liesl Vanautgaerden| Carl Dejonghe | Oswald Devisch | Steven Ducatteeuw | Kristien Lefeber | Nancy Meijsmans | Philip Moyersoen | Ann Pisman | Stephan Reniers | Peggy Totté | Sylvie Van Damme| Elke Vanempten | Peter Vermeulen | Joris Voets  n H O O F D R E DAC T E U R RU I MT E > Koen Raeymaekers  n E I N D R E DAC T I E > Piet Piryns | Koen Raeymaekers  n K E R N R E DAC T I E 'S C H O O L M A K E N' Luuk Boelens | Marc Martens | n R E DAC T I E R A A D > Luuk Boelens | Linda Boudry | Tom Coppens | Oswald Devisch | Katia De Bock| Bernard Hubeau | Peter Renard | Peggy Totté | Maarten Van Acker | Sylvie Van Damme | Maria Leus | Marc Martens | Jan Van Alsenoy | Guy Vloebergh | Elisabeth Wouters  n V E R A N T WO O R D E L I J K E U I TG E V E R > Sylvie Van Damme | Damplein 27 | 2060 Antwerpen  n R E DAC T I E A D R E S > VRP-secretariaat | Damplein 27 | 2060 Antwerpen | 03 201 59 00 | secretariaat@vrp.be  n VO R M G E V I N G > lu'cifer n D RU K > drukkerij Bulckens  n A B O N N E M E N T > Ruimte is in het VRP-lidmaatschap inbegrepen. Een los nummer kost € 25 | meer info op www.vrp.be

R U I M T E W O R D T G E D RU K T O P 1 0 0 % G E R E C YC L E E R D PA P I E R

| 91


“Dat men in buurland Nederland verder staat op het vlak van multifunctionaliteit van schoolgebouwen en het uitwerken van de ‘brede school’ is misschien eenvoudig te verklaren. Niet alleen nieuwe, maar ook bestaande scholen kunnen er extra subsidies aanvragen om ruimten toegankelijk te maken voor een breed publiek of ruimten met die doelstelling bij te bouwen. Om scholen en schoolbesturen ook in Vlaanderen zo ver te krijgen dat ze echt werk maken van een ‘brede school’ die zijn gebouwen multifunctioneel laat renderen, zal er geld op tafel moeten komen. Daarom zou de overheid een duidelijke incentive moeten inbouwen. Pas als de minister alleen nog gebouwen subsidieert die ook multifunctioneel kunnen worden gebruikt, zal er werkelijk iets veranderen.”

verso (Janine Meijer, p. 65)

92 |

Ruimte#26  

Van de eerste juf tot de laatste promotor – voor de meesten onder ons vormt het educatietraject een cruciale etappe in ons leven. Voor steed...

Ruimte#26  

Van de eerste juf tot de laatste promotor – voor de meesten onder ons vormt het educatietraject een cruciale etappe in ons leven. Voor steed...

Advertisement