Page 1

Driemaandelijks: dec 2015 - jan feb 2016

ruimte VA K B L A D VA N D E V L A A M S E V E R E N I G I N G V O O R R U I M T E E N P L A N N I N G

economie

28


© Reporters

De Vlaamse Vereniging voor Ruimte en Planning (VRP) werkt aan een breed draagvlak voor kwaliteit en duurzaamheid in de stedenbouw en de ruimtelijke ordening. In haar werking en communicatie mikt de VRP op planologen en stedenbouwkundigen, alsmede op iedereen die met ruimte en stedenbouw bezig is. Met studiedagen, vorming, panelgesprekken, de ­publicatie van het praktijkblad Ruimte, een website en een facebookgroep voedt de vereniging het debat over theorie en praktijk in het vakgebied. Lid worden van de VRP kost € 115 (studenten € 65). Ruimte is in het lidmaatschap inbegrepen. Meer info, ook over abonnementen, op www.vrp.be. Met reacties, suggesties en voorstellen om te adverteren kan u terecht op het VRP-kantoor, Damplein 27, 2060 Antwerpen. 03 201 59 00. info@vrp.be. Ruimte is het blad van de Vlaamse Vereniging voor Ruimte en Planning (VRP). Het tijdschrift besteedt aandacht aan theorie en beleid, maar vooral aan goede praktijkvoorbeelden in binnenen buitenland. Ruimte heeft ook oog voor de ruimtelijke aspecten van aanverwante sectoren (economie, mobiliteit, vastgoed, recht, architectuur, toerisme, natuur, landbouw, publiek domein, landschapsarchitectuur, woonbeleid...). Het tijdschrift verschijnt driemaandelijks.

2|


4

Thuis in de stad

6

De Kleine Ruimte

Economie 10 #

EDITORIAAL

It’s the economy, darling! KOEN R A E Y M A EK ER S

12 #

HAVENS EN HINTERLAND

Haven in zicht Een gesprek met Jan Blomme en Bart Vannieuwenhuyse, over havens en hun hinterland KOEN R A E Y M A EK ER S

50 #

RUIMTE VLAANDEREN

Metropolitaan kerngebied Ruggengraat voor een sterke kenniseconomie? W I E T VA N DA E L E / G E O F F R E Y VA N D E R S T R A E T E N / E V E R T M E I J E R S / M I C H I E L VA N M E E T E R E N / KOBE BOUS SAU W / JOR EN SA NSE N / TOM STOR ME / E R I K L O U W / B E N D E R U D D E R / F R A N K W I T L OX

54 #

84

Ken uw Klassiekers #4

86

Recensies

DE HOORN

De Hoorn Creatief leven in de brouwerij M I C H I E L VA N B A L E N

20 #

RETAIL

Eten! Over voedselwinkels en hun bereikbaarheid

60 #

INFORMELE ECONOMIE

JEROEN CA N T / A NN V ER HETSEL

De werkende stad van de toekomst in 10 punten

26 #

HAN VERSCHURE

BRUSSELS BOUWMEESTER

Brussel, productieve stad – par excellence of by default? K R ISTIA AN BOR R ET

32 #

LABO XX_WERK

Labo XX_Werk Ruimte voor productie in de stad

66 #

IEP SITES

IEP sites Ruimtelijke uitdagingen voor een Inclusieve Economische Participatie S I M O N D E N Y S - K E T E L S / N AT H A L I E VA L L E T / M I C H E L L E B Y L E M A N S

A LIX LORQUET / K L A A S MEESTER S / V E VA R O E S E M S

38 

# PAARSE SPROETEN

Kameleons en paarse sproeten Het hergebruik van economische vlekken in het stedelijk weefsel

70 #

ISOCARP

‘Cities save the world – let’s reinvent planning’ Terugblik op het ISOCARPcongres 2015

B R A M TA C K / M A A R T E N G H E Y S E N

GU Y V LOEBERGH / GR IET GEER INCK / A NNET TE KUHK / MA ARTEN WILBER S / ALFR EDO COR BAL AN

44 #

80 #

WERKLOCATIES

Segmentatie van werklocaties Gezond voor ruimte en economie J A C Q U E S VA N D I N T E R E N / B A R T M U S K E N S / GU Y GEUDENS / JA N Z A M A N / INGE PENNINCX

VLAAMS BOUWMEESTER

Pilootprojecten ‘Terug in Omloop’ CA ROLINE NEW TON

|3


Thuis in de stad De UCO-site: G E NT TR E K T D E K A A R T VA N DE SOCIALE ECONOMIE

In 2010 verwierf de Stad Gent de verlaten terreinen en gebouwen van de UCO-site, een zeven hectare groot gebied gelegen tussen een actief bedrijventerrein en de dichtbevolkte 19de-eeuwse Bloemekenswijk. De UCO-textielfabriek was tot 2009 een belangrijke werkgever voor deze aandachtsbuurt. De stad wil de site dan ook graag ingevuld zien met sociale-economiebedrijven. De UCO-site is echter meer dan de gebouwen alleen. Dankzij een conceptsubsidie slaagde het ontwerpbureau BRUT erin een kwalitatief masterplan uit te werken dat niet alleen aandacht had voor socialeeconomieclustering, maar ook voor groenontwikkeling, gemeenschapsvoorzieningen en zachte mobiliteit. De conceptstudie resulteerde in een krachtig ruimtelijk concept en tevens een stevig partnerschap dankzij een doorgedreven participatietraject. Dit geheel werd bij de oproep 2012 door de jury stadsvernieuwing gehonoreerd met een projectsubsidie van 3,5 miljoen euro. De jury had vooral lof voor de expliciete keuze om de sociale economie te ondersteunen en op te waarderen tot een volwaardige en toekomstgerichte economische partner. Met de subsidie kan de stad aan de slag voor de herontwikkeling van de gebouwen en de aanleg van de openbare ruimte met zowel een groene als een blauwe verbinding. Verschillende groene ruimten worden aaneengesloten tot het Bloemekenspark terwijl de waterloop de Lieve, die dwars door de UCOsite stroomt, wordt geherwaardeerd. Het stadsvernieuwingsproject is ondertussen omgedoopt tot ‘Het getouw’. Een van de eerste en opmerkelijke resultaten is de grondige renovatie van het Balenmagazijn. Deze enorme donkere doos, die vroeger dienst deed als opslagplaats voor de katoenbalen, werd naar een ontwerp van het bureau TRANS omgetoverd tot een opmerkelijk modern gebouw, met behoud van het bakstenen karakter en de voorgespannen betonbalken. In het Balenmagazijn worden de gemeenschappelijke functies van het bedrijventerrein voor sociale economie ondergebracht: een algemeen onthaal, een bedrijfskeuken en –restaurant, een vergaderzaal, opleidingslokalen en kantoorruimten. Met andere woorden, een gemeenschappelijk gebouw waar de werknemers elkaar kunnen ontmoeten. Het is bovendien de bedoeling dat deze infrastructuur op termijn ook ter beschikking wordt gesteld van de buurt voor de organisatie van allerlei activiteiten (zie ook het artikel 'IEP' sites, p.66). De foto toont het moderne gebouw dat bovenop het bouwblok werd geplaatst.

© Niels Donckers


deKleineRuimte Werelddag van de Stedenbouw. Sfeerbeeld Op 27 november 2015 organiseerde de VRP de Werelddag van de Stedenbouw. Dit jaar stond het congres in het teken van ruimte en economie met als titel ‘It's the economy, darling’. Ruim 200 deelnemers woonden in de Budafabriek in Kortrijk tal van lezingen, workshops en terreinbezoeken bij die waren ingedeeld in vier subthema's: ‘Ruimtelijke verweving van economie en andere functies’, ‘Duurzame ruimte voor ondernemen’, ‘Retail en ruimte’ en ‘Incubatoren, spillovers & the next economy’.

6

Meer foto's op de Facebookpagina van VRP - Vlaamse Vereniging voor Ruimte en Planning 

Foto's Merlin Meuris (Reporters)


De afwezigen hebben altijd ongelijk. In dit geval de winnaars, want zij staan niet op de foto met: (boven, van links naar rechts) Sylvie Van Damme (voorzitter VRP), Bram Vermeulen (Eurostation/jury Afstudeerprijs), Mieke Gevaert (SoGent/juryvoorzitter) en Peter Cabus (secretaris-generaal Ruimte Vlaanderen). De genomineerden waren er wél bij: (onder, van links naar rechts): Lennert Rasking, Emmanuel Van Oost, Machiel Van Nieuwenhoven en Emma Vanderstraeten.

Ook op de Werelddag van de Stedenbouw werden de winnaars van de VRP-Afstudeerprijs bekendgemaakt: Laura Rijsbosch (VUB) en Michiel Duré (Universiteit Antwerpen). Het werk van Laura behandelt de problematiek van peri-urbane gebieden, waar de open ruimte onder druk staat van de bebouwing en te maken heeft met stedelijke én landelijke functies die er hun plaats opeisen. Zij onderzocht hoe een productief landschap de drager kan zijn van de ontwikkeling van deze gebieden. Michiel Duré formuleert een nieuwe visie voor de zone tussen de Antwerpse Noorderlaan en de spoorbundel Vosseschijn (aan de grens van het zeehavengebied). De masterproef toont hoe de reconversie van het gebied moet gezocht worden in duurzame - hoofdzakelijk economische - ontwikkeling die inspeelt op de nabijheid van het stadscentrum, de watergebonden bedrijvigheid en de bewoners van de wijk Luchtbal. Daarnaast werden ook vijf studenten genomineerd: Emma Vanderstraeten (UGent) en het vierkoppig team Lennert Rasking, Tina Pinxten, Emmanuel Van Oost en Machiel Van Nieuwenhove. MEER INFO OVER DE EINDWERKEN EN HET VOLLEDIGE JURYVERSLAG www.vrp.be

CREMATORIUM HOFHEIDE IN HOLSBEEK WINT PROVINCIALE ARCHITECTUURPRIJS

© Lander Loeckx

VRP-AFSTUDEERPRIJS 2015

De provincie Vlaams-Brabant reikt elke twee jaar de architectuurprijs ‘Patrimonium voor de toekomst’ uit. Dit jaar gaat die onderscheiding naar crematorium Hofheide in Holsbeek. De jury is onder de indruk van de tijdloosheid en de internationale klasse van het gebouw, de doorgedreven landschapsarchitectuur en de monumentale maar tegelijk troostende architectuur. Ze prees de verdiensten van de architecten die erin slaagden het hoogtechnologische gebouw de uitstraling en de waardigheid mee te geven van antieke graftombes. Bouwheer (Intergemeentelijke Samenwerking Hofheide) en architecten (Coussée & Goris i.s.m. het Spaanse RCR-Architecten) ontvangen elk € 3500. Naar aanleiding van de architectuurprijs maakte de provincie Vlaams-Brabant een fraai geïllustreerde publicatie, waarin naast het crematorium nog zeven andere inzendingen aan bod komen. BESTELLEN www.vlaamsbrabant. be/architectuur

GRIJP UW OGENBLIK!

Op 17 en 18 maart organiseert de VRP samen met tal van partners het congres ‘Open ruimte, Open blik’ (zie verder in deze rubriek). Het congres wil de kracht en het belang van open ruimte in de verf zetten. U kunt er niet alleen luisteren naar bijzondere sprekers uit binnen- en buitenland die het thema vanuit onverwachte invalshoeken zullen benaderen, u krijgt er ook de kans om zelf een (vurig) standpunt te verdedigen of een lovenswaardig project in de kijker te zetten. U kiest zelf hoe uw Ogenblik op het podium eruit ziet: een film, beelden, cartoons, stand-upcomedy, muziek, een performance of gewoon een praatje. Alles kan, zolang u ons maar verrast. Stuur tot uiterlijk 8 januari uw voorstel naar openruimte. openblik@gmail.com. Vermeld in maximaal 25 zinnen de inhoud, hoe u het gaat brengen en hoe lang het gaat duren (5 of 10 minuten). Stuur ons ook een voorsmaakje van uw bijdrage (filmfragment, fotomateriaal, tekening … ). Overtuig de jury, die uit alle inzendingen een selectie maakt. MEER INFO www.vrp.be

OPROEP K ANDIDATEN EUROPEAN PLANNING AWARDS 2016

In juni 2016 worden de European Planning Awards uitgereikt. Deze prijs van de European Council of City and Town Planners (ECTPCEU) en het Comité van de Regio’s wil planningsstrategieën, projecten of ontwikkelingen die een opmerkelijke bijdrage leveren aan de kwaliteit van het leven in stedelijke en landelijke regio’s van Europa in de kijker zetten. Ruimtelijk planners en lokale besturen uit de 47 landen van de Raad van Europa kunnen meedoen in drie categorieën: 1) strategische planning, 2) slimme mobiliteit en 3) energie-efficiënte ruimtelijke planning. U kunt uw kandidatuur rechtstreeks indienen bij de ECTP vóór 31 januari 2016 (het inschrijfgeld bedraagt dan € 500) of via de VRP vóór 20 januari 2016 (inschrijfgeld € 250). Bij die laatste manier van kandideren moet uw project eerst onze jury passeren. Als uw inzending niet weerhouden wordt, kunt u nog steeds rechtstreeks via de ECTP gaan. Als uw project wel een fiat krijgt van de VRP-jury, moet u hoe dan ook een officieel inschrijvingsformulier indienen bij de ECTP. MEER INFO www.ectp-ceu.eu | www.vrp.be of Joris.scheers@asro.kuleuven.be

7


It's the economy, darling!


ECONOMIE > EDITORIAAL

Beste lezer, 2015 loopt op zijn einde en Ruimte begeeft zich met het themadossier ‘Economie’ dan ook richting kassa. Benieuwd wat het rekeningbonnetje te vertellen heeft. We konden ons in ieder geval geen gepaster moment voorstellen om de link tussen ruimte en economie onder de loep te nemen dan dit jaarlijkse piekmoment in ons consumptiegedrag.

V

erhalen over ruimteboekhouding, dus? Toch niet, de ambities van dit dossier reiken een stuk verder. We buigen ons over de impact die de permanent veranderende patronen van menselijke bedrijvigheid hebben op onze leefomgeving. Dat wordt uiteraard een breed uitwaaierend verhaal, gaande van de ruimtelijke organisatie van industrie, infrastructuur en logistiek, zoals in het gesprek ‘Haven in zicht’, tot studies over de fysieke bereikbaarheid van onze dagelijkse voeding, zoals in ‘Eten!’ Het waren echter niet enkel de eindejaarsdagen die ons inspireerden tot het maken van een economiedossier. Er heerst ontegensprekelijk een sterke buzz rond dit thema in de wereld van de ruimtelijke planning. Researchers krijgen extra budget toegeschoven voor het uitbreiden van hun onderzoek met een ‘werk’-luik (Labo XX_Werk), om op zoek te gaan naar ideaal­ scenario’s voor het inplanten van werkplekken (De segmentatie van werklocaties) of om de markttroeven van Vlaanderen in kaart te brengen (Het metropolitaan kerngebied), planningscongressen stonden dit jaar volledig in het teken van werk en economie (zie de verslagen van het ISOCARP jubileumcongres Cities save the world en de terugblik op de Werelddag van de Stedenbouw in Kleine Ruimte). Een en ander heeft uiteraard te maken met de groeiende druk op onze ruimte die de verwachte bevolkingsgroei met zich brengt, en met de problematische manier waarop veel van onze bedrijvigheid ruimtelijk georganiseerd is. Om maar één pijnpunt te noemen: het uit elkaar halen van woon- en werkfuncties heeft ons met een gestaag groeiend mobiliteitsprobleem opgezadeld. Hoe krijgen we, in het belang van leefbaarheid, wonen en werken opnieuw op een harmonieuze en duurzame manier georganiseerd binnen onze overwegend stedelijke context? Dat is de hamvraag die in verschillende bijdragen in dit nummer opduikt. In Zuid-WestVlaanderen hebben ze het op dat vlak over Kameleons en paarse sproeten, terwijl in een ander gewest de Brusselse Bouwmeester

zich de vraag stelt of zijn stad binnenkort een productieve hub ‘par excellence of by default’ wordt (Brussel, productieve stad…). Ook de steeds luider wordende roep om een volwaardige stedelijke maakindustrie loopt als een rode draad door dit dossier. Zoals de auteurs van het Team Vlaams Bouwmeester in Pilootprojecten ‘Terug in Omloop’ opmerken, koestert Europa de ambitie om tegen 2020 het belang van deze tanende nijverheid van 15 naar 20 procent van het BBP te brengen. Het sluiten van productiekringlopen, creativiteit en innovatie blijken daarbij een cruciale rol te spelen. Die twee laatste begrippen vormen overigens de hoekstenen van de case study in dit dossier: De Hoorn brengt het inspirerende verhaal van een werkplek in het Leuvense, waar eigenwijze, radicaal vernieuwende jonge ondernemers hun maatschappelijke rol in het stadsleven willen opnemen. Zoals gezegd, wilden we dit ruimtelijk-economische verhaal breed houden. Met bijdragen als De werkende stad van de toekomst in 10 stappen en IEP-sites laat Ruimte de puur monetaire dimensie achter zich en onderzoeken we hoe sociale en culturele waarden een steeds belangrijker rol zullen spelen in het economische landschap van de toekomst. En dat dit landschap er binnen een paar decennia weleens drastisch anders zou kunnen gaan uitzien – daar zijn de meeste auteurs in dit themadossier het roerend over eens. Dank aan de kernredacteurs die ons voor dit themadossier met raad en daad hebben bijgestaan: Griet Geerinck (AG VESPA), Elisabeth Wouters (Port of Antwerp) en Koen Vermoesen (Agentschap Ondernemen). Wij hopen dat het uiteinde van 2015 u nog een paar rijke momenten bezorgt en wensen u alvast een horizon vol bedrijvigheid toe voor 2016! Koen Raeymaekers

| 11


Haven Antwerpen © Reporters

Haven Nadenken over ruimte en economie leidt vroeg of laat onvermijdelijk naar de Vlaamse havens. Hier ligt nog steeds het zwaartepunt van onze industriële bedrijvigheid. Hier komen ook een aantal ruimtelijke hot topics samen: plaatsgebrek, veranderende productiepatronen, reconversiestrategieën, infrastructuurvraagstukken, relaties met de achtergelaten geboortestad… Aan prangende vragen geen gebrek.* * Met dank aan redactieleden Luuk Boelens (UGent), Guy Vloebergh (bureau Omgeving/ISOCARP) en Koen Vermoesen (Agentschap Ondernemen), voor hun hulp bij de voorbereiding van dit gesprek.


in zicht

ECONOMIE > HAVENS EN HINTERLAND

Een gesprek vanop de brug, over havens en hun hinterland KOEN RAEYMAEKERS  [ HOOFDREDACTEUR RUIMTE ]

RUIMTE nodigde twee sleutelfiguren uit voor een – pardon the pun – meanderend tafelgesprek: Jan Blomme, de kersverse gewestelijke havencommissaris, en Bart Vannieuwenhuyse, de architect van het ‘Extended Gateway’ concept en mede-oprichter van supply chain orchestrator TRI-VIZOR nv. Bart Vannieuwenhuyse © Reporters

Heren, kunnen jullie in een paar woorden jullie achtergrond schetsen? En hoe zouden jullie in het kader van het havengebeuren jullie huidige functie en ambities omschrijven?

|  Ik was in het verleden hoofd van de studiedienst van het Antwerpse havenbedrijf. De laatste twee jaren was ik CEO van een dochter van het havenbedrijf: Port of Antwerp International, actief in havenconsulting en participaties in buitenlandse havens en terminals. Sinds augustus ben ik gewestelijk havencommissaris – een wettelijke functie voor het toetsen van de (ontwerp)beslissingen van de diverse Vlaamse havenbesturen aan het havendecreet. Ik geef de havenbedrijven visa voor participaties in andere bedrijven, waar ik ook weer moet toetsen of dat allemaal conform het havendecreet is. Mijn functie behelst ook het detecteren van signalen en trends die van belang kunnen zijn voor andere havens en voor de Vlaamse administratie. Prospectie behoort eveneens tot mijn takenpakket, en het promoten van havensamenwerking. Daar komt uiteraard het ruimtelijk aspect bij kijken, evenals innovatie, IT – zaken die de lokale havengrenzen overschrijden. Tenslotte heeft men mij ook gevraagd grijze zones in de regelgeving op te sporen en in samenspraak met de havenbesturen en stakeholders te kijken of we daar oplossingen voor kunnen vinden. In de toekomst hoop ik een rol te kunnen spelen in het zoeken naar synergieën tussen Vlaamse havens. Vandaag steunt de toegevoegde waarde in havens nog heel sterk op fysieke productieprocessen (lossen, laden, opslaan, eerste verwerking.). Ik wil nagaan hoe we dat verder zouden kunnen opentrekken naar andere domeinen, waar ook waarde rond logistieke processen kan gecreëerd worden. JAN B LO M M E  

|  Destijds heb ik een doctoraat geschreven rond multimodaal transport, en dat zoeken naar de integratie van verschillende modaliteiten is me blijven achtervolgen. Een tiental jaren geleden heb ik samen met Alex Van Breedam een logistieke strategie voor Vlaanderen uitgetekend: Extended Gateway Vlaanderen – een B ART VANNI E U WEN H U YSE  

Jan Blomme © Reporters

concept dat we samen met duizend actoren hebben opgezet, via interviews, workshops, in de verschillende provincies. De havens waren daarbij prominent betrokken partijen. Daar waren uiteraard ook de nodige ruimtelijke componenten aan verbonden. Ik denk maar aan de ‘gedeconcentreerde bundeling’ in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen destijds – dat was één van de hoekstenen. We hebben dat ook vertaald naar de logistiek toe. In 2008 hebben we TRI-VIZOR opgericht als een marktpartij, omdat we de nood zagen aan een neutrale partij die clustert en bundelt. Hoe we stromen gaan bundelen, het clusteren van activiteiten, het poolen van equipment en ook labour force, de deeleconomie… We hadden vastgesteld dat er op dat vlak toch wel verbetering mogelijk is in de logistiek. En die verbetering zit in samenwerking in de keten en tussen ketens. De ‘tri’ in TRI-VIZOR staat voor de drie belangrijke dimensies in de logistiek: cost efficiency, effectiviteit (service aan de klant) en hoe langer hoe meer ook sustainability (hoe ga je op een duurzame manier om met de heersende schaarste op verschillende vlakken – ook van ruimte!). Vandaag proberen we de stem van de ‘verladende partijen’ – de industrie – te vertolken. TRI-VIZOR speelt hoofdzakelijk de rol van coördinator bij het creëren van ‘horizontale partnerships’. We noemen onszelf daarbij supply chain experten. En zo kijken we ook naar havens, als een actieve schakel binnen die supply chain.

Ruimte en productiviteit | 13 In het kader van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen (BRV) is er vaak verwezen naar een gewenste stijging van de ruimteproductiviteit. Hoe moeten we ons zoiets voorstellen in een havencontext?

|  De ruimteproductiviteit is spectaculair gestegen, de laatste honderd jaar. Van de Tweede Wereldoorlog tot het jaar 2000 JAN B LOM M E 


Š Reporters

ETEN


ECONOMIE > RETAIL

Over voedselwinkels en hun bereikbaarheid J E R O E N C A N T   [  O N D E R Z O E K E R A A N H E T D E P A R T E M E N T T R A N S P O R T E N R U I M T E L I J K E E C O N O M I E , U A N T W E R P E N  ] A N N V E R H E T S E L   [  P R O F E S S O R A A N H E T D E P A R T E M E N T T R A N S P O R T E N R U I M T E L I J K E E C O N O M I E , U A N T W E R P E N  ]

Daar zit je dan. Met een kom uitgeschudde cornflakes en een lege melkfles. Wat doe je dan, op een weekendmorgen? Als je in een villawijk in de Voorkempen woont spring je eenvoudigweg in je SUV en je zoeft naar de hypermarkt aan de rijksweg, of naar de 24/7 nachtwinkel in het nabijzijnde dorp. Woon je in het centrum van Gent, dan spring je op je fiets en je trapt twee straten verder, naar het city-supermarktje. Maar die fles melk wordt plots problematisch, wanneer je niet meer goed uit de voeten kunt en je alleen, schuifelend achter je rollator, de straat op moet. Of wanneer je, zonder auto of fiets, in een godvergeten oude arbeiderswijk ergens tussen Antwerpen en Brussel zit.

© Reporters

Geraken we allemaal even makkelijk aan ons dagelijks brood? Want dat is tenslotte toch een van ’s mens basisbehoeften? Ann Verhetsel en Jeroen Cant onderzochten hoe het zit met de bereikbaarheid van ons voedsel, en waar de mogelijke knelpunten en oplossingen zitten. De Vlaamse detailhandel zoals u hem nog niet had bekeken. (KR)

O

p het einde van 2009 trad de EU-dienstenrichtlijn, beter bekend als de Bolkesteinrichtlijn, in voege. De richtlijn betekende een belangrijke ommekeer in het Belgische detailhandelsbeleid. De Europese Unie stelde immers dat er geen economische argumentatie mag worden gebruikt bij het al dan niet verlenen van een detailhandelsvergunning en de concurrentie in de sector dus moet worden overgelaten aan de vrije markt. België werd verplicht de bestaande wetgeving aan te passen omdat die concurrentieverstorend werkte. Toch werden de lidstaten niet helemaal monddood gemaakt: de Bolkesteinrichtlijn stelt expliciet dat sturing van het winkellandschap op basis van ruimtelijke en sociale redenen nog steeds is toegelaten. Nadat de Belgische wetgeving in beperkte mate werd aangepast aan de Europese regelgeving, werd detailhandel sinds kort een Vlaamse bevoegdheid. De winkelnota’s 1 en 2 en het

integraal handelsbeleid, die de basis zullen vormen voor het nieuwe Vlaamse beleid, beloven alvast een meer ruimtelijke en sociale sturing. Naar aanleiding van deze ontwikkelingen werd binnen het Steunpunt Ondernemen en Regionale Economie door het departement Transport en Ruimtelijke Economie van de Universiteit Antwerpen onder meer de bereikbaarheid van voedselwinkels in het Vlaamse Gewest onderzocht. In een traditioneel winkellandschap waren voedselwinkels van oudsher gelegen in of vlakbij de stads-, dorps- en wijkcentra. Binnen dit dichte netwerk van voedselwinkels was er amper een bereikbaarheidsprobleem, maar sinds de jaren 1960 verhuisde de

| 21


Foto Tim Van de Velde

Brussel

26 |

De voorbije twintig jaar zijn de Vlaamse steden veel aantrekkelijker geworden. Er is een grote inspanning geleverd om via stadsvernieuwing de stad te promoten als voorkeurslocatie voor zowel wonen als werken, cultuur en recreatie. Het model van de traditionele Europese gemengde stad was daarbij richtinggevend. Monofunctionaliteit zien we meestal als een erfzonde uit het modernisme, waar we dan de ideologie van de gemengde stad tegenover zetten. Maar hoe gemengd is die gemengde stad eigenlijk?


ECONOMIE > BRUSSELS BOUWMEESTER

productieve stad par excellence of by default?

I

KRISTIAAN BORRET  [ BRUSSELS BOUWMEESTER ]

n tal van grote stadsontwikkelingsprojecten is de bouw van woningen veruit het belangrijkste en soms zelfs het enige programmapunt. We zijn wel wijs genoeg om er ook voorzieningen en kantoren aan toe te voegen, maar het liefst toch winkels, bars en restaurants omdat we willen dat elke nieuwe wijk ‘een bruisend stuk echte stad’ wordt. Elk pakhuis is intussen bij manier van spreken tot lofts verbouwd, elke loods is voor cultuur of recreatie hergebruikt, elk brownfield is een frisse woonwijk geworden. Voor (semi)-industriële bedrijvigheid is in onze stadscentra geen plaats meer. Die is intussen verhuisd naar de rand van de stad, dan wel naar het andere eind van de geglobaliseerde wereld. Daardoor dreigt nu een wanverhouding te ontstaan tussen wonen en werken. Een stad als Brussel, bijvoorbeeld, voorziet veel werkgelegenheid voor hoogopgeleide pendelaars, terwijl er in de stad zelf vooral laagopgeleiden wonen zonder kansen op werk. Deze wanverhouding leidt tot problemen op het vlak van economie, mobiliteit en samenleving. We hebben de afgelopen jaren al te graag geloofd dat stadsvernieuwing tot een meer gemengde stad zou leiden. Maar helaas... Producerende economie, fabricage, onderhouds- en herstellingsactiviteiten,… kortom, blue-collarjobs horen ook bij het stedelijk leven en mogen niet verdwijnen. Onze stad vandaag is geen complete stad. In Brussel staat de kwestie al enige tijd op de stedenbouwkundige agenda. Zo financierde het Brusselse Gewest enkele jaren geleden al verschillende voorbereidende onderzoeken en was er in 2012 de masterclass RE:Work aan de VUB en ULB, waarin door middel van ontwerpend onderzoek hedendaagse oplossingen werden gezocht voor verweving van industrie, groothandel en logistiek in de stad. Het resultaat was nadien in deSingel te zien. In 2014 was er de publicatie Productive BXL door BRAL, Architecture Workroom Brussels en Bond Beter Leefmilieu, met concrete aanbevelingen om Brussel en de Vlaamse Rand als één metropolitaan systeem te beschouwen en er voor werk tot een geïntegreerd ruimtelijk beleid te komen. Ook in de door Ruimte Vlaanderen en het Brusselse Gewest georganiseerde masterclasses en exploratieve studies over de Vlaamse noord­ rand rond Brussel, keert de vraag naar een ruimtelijke visie op werk regelmatig terug. De opvattingen van de Britse architect en stedenbouwkundige Mark Brearley, die meermaals in Brussel

te gast was, werkten daarbij zeker inspirerend. Hij vestigde in Londen de aandacht op een paradoxaal soort gentrificatie: de drastische verdringing van bestaande productieve economie door woningbouw, vanuit de urgentie om aan de demografische boom te voldoen met nieuwe woningen, betaalbaar of niet. ‘The city eats itself’, klaagt Brearley. Het Brusselse Gewest beperkte zich niet tot denkoefeningen, maar voegde de daad bij het woord en voerde een nieuw planningsinstrument in dat de combinatie van woningbouw en producerende bedrijvigheid oplegt. In 2013 is het Gewestelijk Bestemmingsplan (GBP) gewijzigd om tegemoet te komen aan de demografische groei in Brussel. Een van de voornaamste vernieuwingen is het creëren van een nieuw type bestemming, het ‘ondernemingsgebied in een stedelijke omgeving’ (OGSO). Er zijn een zestal OGSO-zones vastgelegd, meestal omvangrijke semi-industriële gebieden langs het kanaal zoals Biestebroeck of Birmingham in Anderlecht, maar ook bijvoorbeeld de mediasite Reyers. In deze doorgaans monofunctionele gebieden, waar wonen voorheen niet was toegestaan, wordt de deur nu opengezet, op voorwaarde dat er functionele vermenging met economische activiteiten wordt nagestreefd. Bij ontwikkelingsprojecten boven 10.000 m² moet minstens 40 procent van de vloeroppervlakte voor huisvesting bestemd zijn, terwijl er voor ‘productieactiviteiten en in ondernemingen geïntegreerde diensten, handelszaken en de groothandel’ een oppervlakte voorzien moet zijn die overeenstemt met minstens 90 procent van de grondinname van het totale project. Men kan dit zien als een innoverende zet van de overheid om nieuwe vormen van verdichting en verweving aan te moedigen. Inspelen op de woningnood en tegelijkertijd de aanwezigheid van producerende ondernemingen in de stad bestendigen. Maar –vanuit Londens perspectief– kan de bestemmingswijziging van niet-woongebieden naar OGSO ook overkomen als de officiële planologische bevestiging van het marktfenomeen in een boomende stad: met de bevolkingsgroei neemt de potentiële grondwaarde toe, waardoor fabriekjes en werkplaatsen plaats moeten maken voor nieuwe woonwijken. De omzetting van monofunctionele zones naar gemengde OGSO-gebieden past binnen de orthodoxie van een meer gemengde stad, maar net zo goed binnen de lobby van de vastgoedspeculatie die er altijd op uit is geweest om de kleuren van gewestplannen te veran-

VOOR (SEMI-) INDUSTRIËLE BEDRIJVIGHEID IS IN ONZE STADSCENTRA GEEN PLAATS MEER.

| 27


Foto Tim Van de Velde

28 |

deren. Vroeger van groen naar rood, nu van paars naar rood! Tal van Vlaamse brownfield-projecten gaan nog verder dan de Brusselse OGSO door voor 100 procent op te waarderen naar stedelijk woongebied en geen enkele drempel in te voeren voor het behoud van semi-industriële bedrijvigheid. De meeste lopende projecten binnen de OGSO’s blinken niet uit op het vlak van ruimtelijke vernieuwing. Een tegenvaller is dat de wetgeving zeer ruim geïnterpreteerd kan worden, zodat de productieactiviteit ook mag slaan op de ‘productie van immateriële goederen’. Anders gezegd: kantoren. Zo wordt de hoofddoelstelling die aan de oorsprong ligt van de OGSO’s natuurlijk volledig onderuitgehaald. Maar ook wie te goeder trouw een gemengd project opzet in een OGSO, zal er maar moeilijk in slagen om bedrijven en woningen goed te mengen. We zijn het simpelweg verleerd hoe we die mix concreet ruimtelijk kunnen uitwerken. In de 19de-eeuwse industriewijken kwam bedrijvigheid en wonen verweven voor. De directeurswoning stond naast de fabriek, de werkplaatsen lagen in het binnengebied van een bouwblok met arbeiderswoningen. De ontwikkeling en de architectuur lagen in één hand, de morfo-typologie van gebouwen en buitenruimten vormde één geheel. Kortom, verwevenheid was geen doelstelling maar een praktijk. Deze 19de-eeuwse praktijk was niet vrij van sociale uitbuiting, menselijke tragedie en ecologische onwetendheid, dus laten we vooral niet romantiseren. Toch valt het te betreuren dat de knowhow om bedrijvigheid vorm te geven als een geïntegreerd onderdeel van een dense, gemengde omgeving verloren is gegaan. Zeker in Brussel hebben ontwikkelaars zich gespecialiseerd: in kantoren, in appartementen, in studentenkamers, in retail, maar nauwelijks in bedrijven. Wie thuis is in de

residentiële markt heeft geen idee hoe hij KMO’s kan aantrekken als klanten voor de bedrijfsruimten die in een OGSO mee opgenomen moeten worden. De kennis over gemengde ontwikkelingsprojecten is beperkt. Dat geldt evenzeer voor ontwerpers. Hoe kan ik rendabel stapelen in een verzamelgebouw? Hoe kan ik de manoeuvreerruimte voor laden en lossen beperken of de geluidsoverlast milderen die permanent draaiende geparkeerde koelwagens veroorzaken? Het is tijd om het huidige hoogtij van het architectuurontwerp ook toe te passen op bedrijven in een stedelijke omgeving. Na jaren van verkenning, komt het er nu op aan in de gebouwde werkelijkheid te demonstreren hoe een kundig ontworpen typologie van gebouwen, weefsel en publieke ruimte er effectief in slaagt dirty bedrijvigheid op een behoorlijke manier onder te brengen in aangename stadswijken. In mijn ogen is een vorm van microzonering niet zonder stedelijke kwaliteit. Als we leren aanvaarden dat aan de andere kant van het parkje bij onze huizen ook bedrijven gevestigd kunnen zijn, zijn we op de goede weg. Juxtapositie in plaats van superpositie is nog geen modernistische zonering als ze beperkt van schaal is. De gemengde stad kan uit niet-gemengde fragmenten samengesteld zijn. In Brussel bestaat nu de kans om die sprong naar de realiteit te maken. Het politieke klimaat is er gunstig, want tewerkstelling van laaggeschoolden is voor het Brussels Gewest een belangrijk beleidspunt. Een job die verloren gaat in Brussel, verdwijnt naar Vlaanderen of Wallonië en telt des te harder mee in de werkloosheidscijfers. Het institutioneel carcan van de Brusselse gewestgrenzen en de gebrekkige relatie met een metropolitaan hinterland noopt tot een beleidsvisie die alle aspecten van stedelijkheid op het eigen grondgebied wil behouden. Naast huisvesting om de bevolkingsgroei op te vangen behoort dus


ECONOMIE > BRUSSELS BOUWMEESTER

Foto Tim Van de Velde

ook tewerkstelling voor laaggeschoolden tot de speerpunten in het ruimtelijke beleid. De gemengde stad revisited op een metropolitane schaal. Dat vraagt soms een moeilijke evenwichtsoefening. De internationale handel in tweedehandswagens bijvoorbeeld is van zo’n schaal dat ze het samenleven van de bewoners in de Heyvaertwijk in Anderlecht ontwricht en daarom heeft de Brusselse regering terecht besloten dat ze moet verhuizen. Ze verhuist evenwel niet naar een of andere bedrijfszone buiten de gewestgrenzen maar naar een watergebonden overslagterrein in de Brusselse haven, waar de komst van de autohandel aangegrepen wordt om duurzame verbindingen voor natuur en fietsers te creëren en tegelijk een kiem van stedelijkheid in te planten, met de horeca die bij de autohandel hoort. Op voorwaarde dat de vrijgekomen ruimte in de Heyvaertwijk vervolgens niet enkel naar huisvesting van de middenklasse maar ook naar nieuwe bedrijvigheid gaat, zal Brussel zichzelf nog niet zo snel opeten als Londen dat doet. De komende jaren zal de herontwikkeling van het kanaal in Brussel een cruciale rol spelen. In het Kanaalplan dat door Alexandre Chemetoff opgesteld werd, is de integratie van bedrijvigheid in de stedelijke omgeving één van de drie centrale doelstellingen. Dit spoort met de politieke beleidsprioriteiten en het is bovendien realistisch omdat veel gronden langs het kanaal (zo’n 300 ha) nog altijd in publiek eigendom blijven. Als de politieke wil er is, kan de bestemming dus gestuurd worden los van de potentiële meerwaarde van de grondprijzen. De Brusselse haven heeft

bijvoorbeeld terreinen ‘op de eerste rij’ die ze absoluut als concessie voor havengebonden bedrijvigheid wil blijven uitbaten. Zoals bij elke stadsvernieuwing blijft gentrificatie een risico, maar in de Brusselse kanaalzone beschikken de overheden over een aanzienlijk grondaandeel waarmee ze het vliegwiel van de herontwikkeling kunnen beïnvloeden. Over welke soort stedelijke productieve economie spreken we in het geval van het Kanaalplan? Ik zie drie categorieën. Ten eerste zijn er de bedrijven die nog altijd langs het kanaal gevestigd zijn, mede dankzij de stadsvernieuwing die hier relatief traag op gang gekomen is. Anders dan in andere steden is het in Brussel dus niet enkel zaak om bedrijvigheid opnieuw naar de stad te halen, maar ook gewoon om te zorgen dat ze kan blijven. Vele van de bedrijven langs het kanaal steunen op lokale tewerkstelling en zijn ook watergebonden. Ze zijn ook te beschouwen als stadseigen. Op dat vlak is er echt een mental shift nodig. De betoncentrales langs het kanaal bevoorraden de permanente va-et-vient van de bouwwerven in de stad. Het sorteren van opgehaald glas of het samenpersen van autowrakken en ander oud ijzer zijn behandelingen van de restproducten die door het stedelijk metabolisme voortgebracht worden. De logistiek van de pakjesdiensten of de huisvuilophaling zijn diensten die ons intense stadsleven draaiende houden. We moeten opnieuw leren dit soort achterkant-activiteiten van de stad als even stedelijk te beschouwen als de consumptieve voorzijde. Ze zijn even stads­ eigen als de bars, shoppingroutes en leuke woonprojecten die

DE KOMENDE JAREN ZAL DE HERONTWIKKELING VAN HET KANAAL IN BRUSSEL EEN CRUCIALE ROL SPELEN.

| 29


Labo Foto Dries Luyten Š Stad Antwerpen

Ruimte voor productie in de stad


XX WERK

ECONOMIE > LABO XX_WERK

Aanvullend op het ontwerpend onderzoek dat vier teams onder de noemer Labo XX voor de stad Antwerpen verrichtten rond verdichting, stadsvernieuwing en functiemenging in de 20ste-eeuwse gordel van Antwerpen1, werken vandaag drie teams aan een deelopdracht: Labo XX_Werk. Dit artikel kwam tot stand in aanloop naar de laatste workshop in het traject van Labo XX_Werk en vormt een eerste synthese van het werk van de drie onderzoeksteams.

A L I X L O R Q U E T   [  B E L E I D S R E D A C T E U R B E D R I J F S TA D S O N T W I K K E L I N G , S TA D A N T W E R P E N  ] K L A A S M E E S T E R S   [  P R O J E C T L E I D E R L A B O X X _ W E R K , A F D E L I N G R U I M T E , B E D R I J F S TA D S O N T W I K K E L I N G , S TA D A N T W E R P E N  ] V E VA R O E S E M S   [  P R O J E C T L E I D E R L A G E W E G H O B O K E N , A F D E L I N G R U I M T E , B E D R I J F S TA D S O N T W I K K E L I N G , S TA D A N T W E R P E N  ]

Werkgelegenheid in de 20ste-eeuwse gordel De stad Antwerpen en de Vlaamse overheid trekken samen aan de kar om productie weer in de stad te brengen. Het departement Ruimte Vlaanderen financiert een derde van het onderzoek en geeft mee sturing en begeleiding aan de opdracht van Labo XX_Werk. Deze opdracht omvat ontwerpend onderzoek naar mogelijkheden en randvoorwaarden om bijkomende (laag­ geschoolde) werkgelegenheid te creëren in de 20ste-eeuwse gordel. Hierbij staan twee onderzoeksvragen centraal: het verweven van werkgelegenheid in het woonweefsel en het verdichten en vernieuwen van industrieterreinen. De stad organiseerde een wedstrijd en selecteerde drie teams om hun eigen invalshoeken verder uit te werken en te toetsen aan de hand van vier cases. Het traject werd bewust kort gehouden: vijf maanden. De stand van zaken van het onderzoek werd maandelijks besproken in workshops. Daarbij werd de discussie opengetrokken naar academici, andere overheden (zoals bijvoorbeeld buurgemeenten) en gelijkaardige projecten. De vierde workshop viel samen met de workshop How to re-work the productive city, die de stad op 19 en 20 oktober 2015 organiseerde in het kader van het vijftigste internationale ISOCARP-congres. Tussen de workshops door gingen de teams gesprekken aan met een veelheid aan deskundigen en ondernemers. De verschillende invalshoeken en strategieën van de bureaus werden duidelijker naarmate het traject vorderde. Team BUUR/ WES/Connect & Transform formuleert strategieën vanuit de ruimere omgeving van het bedrijf als dynamisch samenspel van actoren, factoren en ambitieniveaus. Het team Maat/Idea/Ldr reikt instrumenten en specifieke rollen aan die bedrijven mogelijkheden geven om zich lokaal, in de eigen buurt of in de rand van het stedelijke bedrijventerrein te ontwikkelen. Plusoffice/

ArcK ziet de clustering van grote groepen van kleine ondernemingen binnen het woonweefsel als strategie voor een opstap naar ‘coworking 2.0.’ voor de kleinste KMO.

BUUR/WES/Connect & Transform: de ruimere bedrijfsomgeving als dynamiek 1 Het team BUUR/WES/Connect & Transform gaat voorbij aan enkelvoudige omgevingskarakteristieken en onderscheidt omgevingen die samenhangen in hun diversiteit, dichtheid en nabijheid en daardoor een eigen werking hebben. Centraal hierbij staan de knooppunten langs de transversale tramlijn (de rocade) die BUUR met Futureproofed uitwerkte in het kader van Labo XX. Het team concipieert zo vier patronen in de 20ste-eeuwse gordel van Antwerpen, met telkens een bijbehorende onderzoeksvraag en een case. Aan de hand van gerichte stakeholdersbevragingen ontwierp het team voor elk patroon een procesmodel, dat in combinatie met mogelijke ambitieniveaus tot verschillende resultaten kan leiden. De ‘basisambitie’ omvat het samen her-denken van activiteiten op basis van onmiddellijke opportuniteiten (zoals samenaankoop en delen). De ‘versterkende ambitie’ vraagt om formele samenwerkingsverbanden en gezamenlijke investeringen in bestaande en nieuwe economische activiteiten. De ‘coalitieambitie’ vereist coöperatiestructuren met meerdere stakeholders en is gebaseerd op gedeelde businessmodellen. – Vooreerst is er het patroon met één dominant monofunctioneel programma. Hier is de vraag hoe het dominante programma kleinere initiatieven kan aantrekken. PA R K & R I D E G E B O U W E N

1 Zie hiervoor de publicatie Labo XX : kiezen voor de twintigsteeeuwse gordel van de stad Antwerpen (2014)

| 33


Kameleons en paarse sproeten

1


ECONOMIE > PAARSE SPROETEN

Luchtfoto Deerlijk, Deknudt site.

Het hergebruik van economische vlekken in het stedelijk weefsel B R A M TA C K E N M A A R T E N G H E Y S E N   [   I N T E R C O M M U N A L E L E I E D A L   ]

In Zuid-West-Vlaanderen merken we sinds kort een toename in de omzetting van kleinschalige economische sites naar woonprojectgebieden. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt is die omzetting vaak niet nodig en zelfs niet wenselijk. De intercommunale Leiedal en het Agentschap Ondernemen onderzoeken dit fenomeen en ontwikkelen een reeks instrumenten om het transformatieproces tegen te gaan.

De ruimtelijke context van Zuid-West-Vlaanderen

wikkelingen vinden bijna uitsluitend plaats in industriële zones en op bedrijventerreinen (IDEA, 2014). Deze trendwijziging heeft een aantal oorzaken:

De ruimtelijke ontwikkeling van Zuid-West-Vlaanderen kenmerkt zich door een sterke vermenging van wonen en werken. De economische groei ging er hand in hand met de landbouwontwikkelingen. Zuid-West-Vlaanderen kende geen mijnbouw of staalindustrie, maar wel een kleinschalige maakindustrie gegroeid vanuit de vlasteelt. Dit resulteerde in een sterk gemengde woon-werkomgeving, met veel economische ‘sproeten’ in het stedelijke weefsel – die omwille van hun gemengde functie/ inkleuring tot ‘paarse’ sproeten werden gedoopt. Tot op heden blijft dit gemengde karakter sterk aanwezig. In 2002 was 80 procent van alle economische activiteiten te vinden buiten een bedrijventerrein of kantorenzone (Strategisch Plan Ruimtelijke Economie, 2002).

Ideologie  Industrie was vroeger vaak vervuilend en schadelijk.

Vanuit een in oorsprong modernistisch streven naar gezonde steden, werd de industrie vanuit de stadscentra verplaatst naar gespecialiseerde industriële zones. Deze manier van denken gaf aanleiding tot een discours van ruimtelijke scheiding, specialisatie van ruimte, bestemmingsplannen, en finaal het verdwijnen van industriële activiteiten uit steden en dorpen. In Vlaanderen werd dit denkkader vastgelegd in gewestplannen, de bouw van grote homogene industriële zones en het delocaliseren van economische activiteiten. Het blijft tot op vandaag het dominante discours bij nieuwe economische ontwikkelingen. Winst  De omzetting van verlaten bedrijfssites naar woonpro-

Van werken naar wonen: een paradigmaverschuiving Dit model is sinds kort aan veranderingen onderhevig. Leegstaande bedrijven in het stedelijk weefsel worden niet langer hergebruikt voor economische programma’s maar worden vervangen door woonontwikkelingen. (Nieuwe) economische ont1

jecten is een winstgevende bezigheid zowel voor de eigenaar van de oude site als voor de projectontwikkelaar. Omzettingen, die vaak mogelijk zijn zonder bestemmingswijziging, doen de grondwaarde sterk stijgen. Weg van de minste weerstand  Het starten of uitbreiden van

een economische ontwikkeling in een stedelijke omgeving is een complex gegeven. Een strikte set van regels en wetgeving (brandveiligheid, bodemsanering, isolatie ...) staat haaks op het ‘gemak’ van bouwen op een greenfield. Een bevraging bij 50 ondernemers gaf aan dat er een aanzienlijk prijsverschil bestaat tussen een project in een stedelijke context en in een industriële zone. Oorzaken zijn te vinden in de hogere grondwaarde van de stedelijke locatie, hogere normen en eisen op gebied van (architecturale) kwaliteit van de gebouwen en omgeving, bijkomende maatregelen in termen van goed nabuurschap, renovatiekosten van bestaand patrimonium, efficiëntieverliezen door onregelmatige percelen … (Leiedal, 2014).

1  Deknudt-site: de oorspronkelijke monoliet (l) wordt verdeeld in kleinere eenheden (r)

| 39


Duisburg (D) Š Jacques van Dinteren

Om bedrijven een geschikte van belang bedrijfslocaties te niet alleen om monofunctionele en kantorenparken), maar ook locaties in of buiten de stad. dergelijke opdeling herkenbaar ondernemers. De auteurs van vraag van de Vlaamse overheid werkgebieden zoals ze werd Structuurplan Vlaanderen uit heeft gevonden. Op basis van ze een voorstel voor een

44 |

plek te kunnen bieden, is het segmenteren. Het gaat daarbij locaties (bedrijventerreinen om verspreid voorkomende Als het goed is, is een voor zowel overheden als dit artikel onderzochten op waarom de segmentatie van uitgetekend in het Ruimtelijk 1997 nooit enige weerklank hun bevindingen schetsen nieuwe aanpak. (KR)

gezond voor ruimte en economie

Segmentatie


ECONOMIE > WERKLOCATIES

P R O F. D R . J A C Q U E S VA N D I N T E R E N , I R . B A R T M U S K E N S , I R . G U Y G E U D E N S   [   R O YA L H A S K O N I N G D H V   ] J A N Z A M A N , I N G E P E N N I N C X   [  O N D E R Z O E K E R S B I J R U I M T E V L A A N D E R E N  ]

H

et Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) uit 1997 heeft de basis gelegd voor het huidig beleid betreffende het aanbod en de differentiatie van bedrijventerreinen. Bij de toedeling aan types gemeenten stond het principe van zuinig ruimtegebruik voorop. In 2011 moest echter worden vastgesteld dat ‘slechts een beperkt aantal categorieën van specifieke regionale bedrijventerreinen uit het huidig RSV courant gebruikt worden’. Mogelijke oorzaken hiervoor zijn: ■ beperkte aandacht op provinciaal niveau voor differentiatie in provinciale structuur- en uitvoeringsplannen; ■ het in de praktijk niet te hanteren onderscheid tussen lokale en regionale bedrijven (en dito bedrijventerreinen); ■ de angst bij lokale bestuurders om keuzes te maken waardoor bedrijven zouden kunnen kiezen voor een locatie in een andere gemeente; ■ het gebrek aan regionaal denken bij gemeentebesturen en aan marktkennis bij bovenlokale overheden, waardoor een regionaal gevarieerd aanbod niet tot stand kan komen. In de realiteit is het onderscheid in kwaliteitsniveau, ruimtelijke aanleg en visueel voorkomen van de bedrijventerreinen niet of nauwelijks gerelateerd aan de differentiatie van stedenbouwkundige voorschriften. Wanneer een bedrijf een (nieuwe) locatie zoekt, spelen stedenbouwkundige voorschriften een zeer beperkte rol in het bepalen van de vestigingsplaats. In het bestaande aanbod bedrijventerreinen zijn er daarenboven verschillende die een bestemming hebben gekoppeld aan het KB van 1972 (gebieden voor respectievelijk vervuilende en milieubelastende industrieën, ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen). Het aantal stedenbouwkundige voorschriften gaat in de praktijk nog veel verder dan de categorieën uit het RSV. Bovendien laat de bestemming woongebied steeds verweven en niet-hinderlijke ambachtelijke activiteiten toe. Voor Ruimte Vlaanderen was dit aanleiding om de mogelijkheden te onderzoeken voor een benadering van alle werklocaties in zowel bebouwde (hierna verder te noemen stedelijke) als agrarische gebieden. Daarbij is gekozen voor segmentatie: opdeling aan de

GOED GEPROFILEERDE WERKLOCATIES HEBBEN EEN GUNSTIG EFFECT OP DE WAARDE VAN GROND EN GEBOUWEN. hand van product-marktcombinaties. Segmentatie komt niet alleen de ruimtelijke ordening ten goede maar biedt evenzeer een economische meerwaarde: bedrijven kunnen uit een gevarieerd aanbod de ideale locatie kiezen. Uit onderzoek blijkt bovendien dat goed geprofileerde werklocaties een gunstig effect hebben op de waarde van grond en gebouwen (Beekmans, 2015). Omwille van de afstand waarbinnen bedrijven verhuizen (PBL, 2007) werkt dergelijke segmentatie op regionaal schaalniveau. Een gedifferentieerd aanbod van werklocaties kan bovendien (en in lijn met het Groenboek 2012) bijdragen tot concentratie van werklocaties in stedelijke gebieden, meer verweving, beperking van de automobiliteit en verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Segmentatie betreft niet alleen bedrijven- en kantorenterreinen; zo’n 80 procent van de bedrijven is in verweven gebieden gevestigd (Cabus, 2004, Idea Consult, 2014), zoals woongebieden, stadscentra, steenwegen of het agrarisch gebied. Dat aandeel kan nog toenemen want: ■ steeds meer kantoren hebben een voorkeur voor een gemengde, multifunctionele omgeving, die via verschillende vervoerswijzen te bereiken is; ■ milieutechnische ontwikkelingen maken een sterke(re) verweving van bedrijven met andere functies mogelijk; ■ het aantal zelfstandige professionals, dat bijvoorbeeld thuis werkt of een flexibele werkplek heeft in een stedelijke omgeving, neemt toe. Verweving is zeker niet beperkt tot het stedelijk gebied. Verhoeve en Kerselaers (2013) telden in 2009 gemiddeld 2,3 nietagrarische economische activiteiten per km² agrarisch bestemde zones. Dat kan botsen met de wens om de omgevingskwaliteit van de (soms laag dynamische) open ruimte te behouden. Ook moet worden voorkomen dat agrarische activiteiten zelf in het gedrang komen.

| 45

van werklocaties


Kop van het Kanaal, Roeselare-Haven © Ruimte Vlaanderen

48 |

‘nee’ te verkopen als er veel werkgelegenheid mee gemoeid is. Het specifiek aflijnen van doelgroepen voor bepaalde werklocaties kan dan belemmerend werken. Een dergelijke opstelling van gemeenten is wel erg sterk vanuit de eigen, lokale economie gedacht, terwijl een regionaal kader hier gewenst is omdat de vestiging van een bedrijf ook gunstige effecten heeft voor de buurgemeenten (Van Dinteren, 2010). Een goede voorlichting, regionale samenwerking en afstemming, en (eventueel) coördinatie door hogere overheden zijn noodzakelijk om de segmentatie nu concreet vorm te geven. In het ideale geval zal het nieuwe Beleidsplan Ruimte Vlaanderen een beleidsomslag laten zien en komen we los van de door CIAM IV bepleite functiescheiding waarop de Vlaamse milieuregelgeving zich sterk heeft geënt. De huidige typevoorschriften en de ideologische scheiding van functies moeten grondig worden aangepast aan veranderende omstandigheden, zoals de sterk verminderde impact van veel bedrijfssectoren op de omgeving (lawaai, emissies, veiligheid). Er is bovendien nood aan een mentaliteitswijziging gericht op het samengaan van verschillende activiteiten, zowel in de ruimte als in de tijd. Op dit moment bestaat er echter nog steeds een trend bij een deel van de bedrijven zonder verkeer aantrekkende werking, zonder zware milieubelasting en van een goed aanvaardbare schaal om toch naar een monofunctioneel bedrijventerrein of monofunctionele kantorenlocatie te verhuizen. Ook zijn er overal nog harde overgangen tussen monofunctionele werklocaties enerzijds en anderzijds woonwijken, natuur en landschap. Tegelijkertijd kan worden gesteld dat een groot deel van de bedrijvigheid al is verweven, maar het is zaak dit ook zo te houden. Het ruimtelijke ordening-instrumentarium om zinvolle segmentaties door te voeren mag dan in principe wel voorhanden zijn, zoals in de studie is vastgesteld, maar met het oog op de toekomst zullen toch andere en nieuwe instrumenten moeten

worden ingezet. Enkele voorlopige vaststellingen: ■ Het huidig instrumentarium leent zich goed voor de sturing rondom monofunctionele werklocaties. De complexiteit van verweven werklocaties vraagt evenwel om aanvullend, toegesneden instrumentarium. ■ Daarbij is het gewenst niet alleen te kijken naar het ruimtelijke ordening-instrumentarium, maar ook na te gaan welke combinaties met instrumenten van andere beleidsvelden kunnen worden gemaakt om beleidsdoelstellingen te bereiken. ■ Een stimulerend, op de toekomst gericht instrumentarium moet worden gekenmerkt door flexibiliteit en snelheid. ■ Bij vernieuwende ontwikkelingen is het denkbaar dat in meer of mindere mate los kan worden gekomen van een rigide beleid en dito instrumentarium. In dat geval wordt vooral de vraag relevant of het proces om te komen tot een gebiedsvisie zorgvuldig is doorlopen. Richtinggevende kaders, flexibiliteit en gebiedsmanagement zijn dan relevante termen. Het laatste punt wijst ook in de richting van een duidelijke visie op de verschillende types werklocaties. Die gebiedsvisies en mogelijk ook het gevoerde proces ernaartoe, zouden een bepaald statuut moeten krijgen. Op hogere beleidsniveaus kunnen de lijnen worden uitgezet, maar de uitvoering moet op lokaal niveau plaatsvinden en regionaal worden afgestemd. Aandachtspunten hierbij zijn: ■ de nadruk op herstructurering van bestaand gebied; ■ de mate van verwevenheid in een gebied; ■ de noodzaak van een goed management van werklocaties om het beoogde investeringsniveau vast te kunnen houden (en dat is meer dan het reguliere beheer); ■ de noodzaak van regionale afstemming om het aanbieden van concurrentiële locaties in hetzelfde segment tegen te gaan.


ECONOMIE > WERKLOCATIES

EEN GOED UITGEWERKT 'RUP' LIJKT VANDAAG VOORAL EEN STURINGSINSTRUMENT OM BEPAALDE ONTWIKKELINGEN ONMOGELIJK TE MAKEN.

Mandelvallei met zicht op Unilin Panels (Spano) © Ruimte Vlaanderen

Conclusies De verschuiving van de aandacht naar bestaande bebouwde gebieden heeft gevolgen voor de mogelijkheden om de hier voorgestelde segmentatie toe te passen. Het belang van een segmentatie verandert er niet door, maar het is uiteraard moeilijker een bepaalde product-markcombinatie in de bestaande bebouwde structuur door te voeren, dan in een ‘greenfield’-ontwikkeling. In veel gevallen zal men daarom in eerste instantie dicht in de buurt blijven van een bestaande situatie en in het geval van een gewenste verandering streven naar een organisch verlopend proces (Albertkanaal Antwerpen). Alleen in het geval van een radicale transformatie komen de zaken anders te liggen. Typische voorbeelden zijn grote historische bedrijfslocaties die vrijkomen (Ford Genk, Renault Vilvoorde). Hoe dan ook: een visie op de gewenste ontwikkeling van een werklocatie kan moeilijk tot stand komen als niet tegelijk het totale aanbod aan werklocaties wordt bekeken. Overheden moeten duidelijk maken waar ze bepaalde types van economische activiteiten willen situeren, welke mate van verweving daarbij mogelijk is en welke herstructureringen dat vereist. Belangrijk aandachtspunt blijft de waarde van grond en vastgoed. Speculatie kan ongewenste ontwikkelingen in de hand werken. Lokale overheden kunnen, als ze geen eigenaar zijn van de betreffende grond of gebouwen, weinig directe invloed uitoefenen. Een goed uitgewerkt RUP lijkt vandaag vooral een sturingsinstrument om bepaalde ontwikkelingen onmogelijk te

maken. Vergunningen die kunnen worden ingezet, zoals de milieuvergunning, worden ook restrictief gehanteerd. Omgekeerd is men waarschijnlijk niet streng genoeg bij het toelatingsbeleid voor monofunctionele werklocaties. Dat laatste is nochtans noodzakelijk om segmentatie serieus vorm te geven. Een uitwerking van het segmentatiebeleid voor werklocaties (monofunctioneel, of in sterke of geringe mate verweven) gaat dan ook uit van: ■ duidelijke, strategische beleidsdoelstellingen; ■ een inventarisatie van min of meer homogene deelgebieden (welke types van bedrijvigheid; welke gebiedskenmerken); ■ het beoordelen van die werklocaties: vaststellen wat het huidige segment is dat bediend kan worden en vaststellen of dat met het oog op toekomstige marktontwikkelingen ook het juiste profiel is. (Overaanbod moet worden voorkomen door regionale afstemming); ■ het vaststellen van de ontwikkelingsrichting als er een discrepantie is tussen het huidige en het gewenste profiel; ■ aangeven hoe die herstructurering bereikt kan worden (instrumentarium, financiën, enzovoort); ■ bijzondere aandacht voor de partners in het proces, het collectief leertraject en het maken van bewuste keuzes en beslissingen; ■ het opstellen van een (regionale) langetermijnplanning per segment (product-marktcombinatie) en het loslaten van een uniforme ‘ijzeren voorraad’ op regionale schaal.

LITERATUURVERWIJZINGEN  Beekmans, Jasper (2015), Verouderingsprocessen op bedrijventerreinen. In: Erwin van der Krabben c.s., De markt voor bedrijventerreinen, pag. 57–69. Nijmegen / Den Haag: Radboud Universiteit / Platform31 | Cabus, P. en W. Vanhaverbeke (2004), Eindrapport: Ruimte en Economie in Vlaanderen, Strategisch Plan Ruimtelijke Economie. Gent: Academia Press. | Cabus, P. (2004), Ruimtelijke Ordening en Economie. In: B. Hubeau, W. Vandevyvere, Ruimtelijke ordening en stedenbouw. Brugge. | Cabus, Peter, Eline Horremans (2008), Vestigingsgedrag van bedrijven in Vlaanderen. Een analyse in functie van het ruimtelijk economisch beleid. | Dinteren, Jacques van, (2010), Regionale aanpak bedrijventerreinbeleid. In: Openbaar Bestuur, april, pag. 18–23. | Dinteren, Jacques van, Bart Muskens, Guy Geudens (2015), Segmentatie van werklocaties Vlaanderen. Een conceptuele verkenning. Nijmegen / Mechelen: Royal HaskoningDHV. | Dugernier, M., L. de Nocker, S. Broeckx, D. Bosmans (2014), Analyse van de financiële gevolgen van ruimtelijke beslissingen: kader en beschrijving van enkele situaties. Antea Group / Vito. | Groenboek. Vlaanderen 2050: mensenmaat in een metropool (2012). Brussel: Vlaamse Regering. | Idea Consult (2014), Raming van de behoefte aan bedrijventerreinen in het Vlaams Gewest. | PBL (2007), Verhuizingen van bedrijven en groei van werkgelegenheid. Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving. | Pellenbarg, P.H. (2005), Bedrijfsverplaatsing. In: P.H. Pellenbarg, P.J.M. van Steen, L.J.G. van Wissen (red.), Ruimtelijke aspecten van de bedrijvendynamiek in Nederland. Assen, Van Gorcum, pag. 101-125. | Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (1997; 2011). | Verhoeve, Anna, en Eva Kerselaers (2013), Wat gebeurt er in Vlaanderen met vrijgekomen boerderijen?

| 49


© Reporters

Metropolitaan

50 |

Vlaanderen is klein in omvang, maar groot in zijn ambities. Qua leefbaarheid en economische gezondheid, scoort het gewest op mondiaal niveau meer dan behoorlijk. Het is dan ook de Vlaamse ambitie om op handelsvlak mee te spelen met de ‘big boys’. Maar hoe doe je dat, als kleine garnaal tussen oosterse en westerse mastodonten? Waar halen we de kritische massa die nodig is om als economische speler op wereldschaal ernstig genomen te worden? Het departement Ruimte Vlaanderen liet twee studies uitvoeren, die moeten uitmonden in een visievorming. Met als hamvraag: hoe kunnen we de bevolkingsgroei en de bijhorende stedelijke ontwikkeling zodanig kanaliseren, dat er een economisch performante Vlaamse stedelijke agglomeratie ontstaat? (KR)


ECONOMIE > RUIMTE VLAANDEREN

kerngebied

ruggengraat voor een sterke kenniseconomie?

W I E T VA N D A E L E , G E O F F R E Y VA N D E R S T R A E T E N   [  R U I M T E V L A A N D E R E N , A F D E L I N G J U R I D I S C H E E N B E L E I D S O N T W I K K E L I N G  ] E V E R T M E I J E R S , M I C H I E L VA N M E E T E R E N , K O B E B O U S S A U W , J O R E N S A N S E N , T O M S T O R M E , E R I K L O U W , B E N D E R U D D E R , F R A N K W I T L O X   [   C O N S O R T I U M U G E N T- V U B -T U D E L F T   ]

I

n de gemondialiseerde diensten- en kenniseconomie zijn steden opnieuw belangrijke groeipolen. Waar men tot ver in de jaren ‘80 nog sprak van ‘de stedelijke crisis’, vindt nu in de steden de grootste economische groei plaats. In de steden is meer tewerkstelling en komen de meeste innovaties tot stand. Tot de beginjaren van het nieuwe millennium waren voorspellingen over de ‘death of distance’ legio. Door de opmars van nieuwe communicatietechnologieën zouden afstand en nabijheid geen grote rol meer spelen. Die gedachte is intussen achterhaald: persoonlijke interactie is en blijft voor veel economische activiteiten nog altijd fundamenteel. Al dan niet tijdelijke clustering, een minimale dichtheid en dito voorzieningenniveau blijven belangrijke voorwaarden voor economisch succes. Die vinden we vooral in stedelijke omgevingen. Vanuit ruimtelijk-economisch standpunt zijn grotere agglomeraties altijd ‘beter’: hoe groter de functionele stad, hoe meer kansen er zijn op interessante jobs en hoe groter het aanbod aan gespecialiseerde voorzieningen (opera’s, musea, universiteiten,…). Dat zijn belangrijke randvoorwaarden om de hooggeschoolde, kosmopolitische werknemers aan te trekken waar werkgevers op azen. Grotere steden bieden, behalve een grotere afzetmarkt en een meer gespecialiseerde infrastructuur, ook meer opportuniteiten voor horizontale en verticale samenwerking tussen bedrijven. Niet alle steden hebben dezelfde potenties om zich te ontwikkelen tot tewerkstellingscentra of innovatiepolen. De Vlaamse steden zijn relatief klein, geen enkele Vlaamse stad heeft de ‘kritische massa’ die bijdraagt tot de bloei van metropolen als Londen, Parijs en New York.

stedelijke regio’s over de gewest- en landsgrenzen heen (niet het minst met Brussel), geniet daarom de voorkeur. Het kan zorgen voor de ontwikkeling van levendige stedelijke plekken met een complementair en divers pakket van hoogwaardige voorzieningen en woon- en werkmilieus. Tegelijkertijd biedt de kleinschaligheid van stedelijke kernen mogelijkheden op vlak van levenskwaliteit, door nabijheid van voorzieningen en open ruimte. Het departement Ruimte Vlaanderen liet twee studieopdrachten uitvoeren, ‘Kritische massa’ en ‘Topvoorzieningen’, om te onderzoeken in welke mate de potenties er zijn om in het centrale verstedelijkte deel van Vlaanderen agglomeratievoordelen te organiseren en hoe die benut kunnen worden. Deze regio wordt in de beleidsnota van de minister van Omgeving geïdentificeerd als ‘Metropolitaan Kerngebied’ en omvat onder andere Antwerpen, Brussel, Gent, Leuven en Mechelen. Een groot deel van de toekomstige bevolkingsgroei in Vlaanderen en Brussel komt hier terecht. Het gebied biedt werk aan een groot deel van de Belgen en beschikt over heel wat hoogwaardige voorzieningen. Het kent een hoge dichtheid aan infrastructuren, in het bijzonder voor openbaar vervoer, en heeft met de luchthaven Brussel Nationaal en een aantal HST-stations ook verschillende internationale toegangspoorten. Het is daarom ook wenselijk in de belangrijke knooppunten van openbaar vervoer (‘OV’) in dit gebied een ambitieus ontwikkelingsprogramma te formuleren als ruimtelijke ruggengraat voor een Vlaanderen dat in de wereldeconomie een competitieve regio wil zijn.

De krachten bundelen

Uit eerder onderzoek van McCann en Acs (2011) blijkt dat een volgroeide metropoolregio minimaal anderhalf miljoen inwoners moet hebben, wil ze een rol van betekenis spelen in de mondiale kenniseconomie. Maar een economisch performante agglomeratie moet tegelijk ook voldoende compact zijn, intern en extern goed geconnecteerd, en zo weinig mogelijk afhankelijk van – minder duurzaam – transport over de weg. Als we de inwonersaantallen van de stedelijke regio’s in het Kerngebied samentellen (meer dan vijf miljoen), blijkt dat die minimale kritische massa zeker beschikbaar is. Samen met een goede interne connectiviteit verklaart dit waarom het gebied in internationale vergelijkingen ook goed scoort op vlak van economische prestaties. Kijken we naar het voorzieningenniveau, dan zien we dat Vlaande-

Om een significante positie in te nemen in de wereldeconomie, en bewoners en bedrijven optimale ontplooiingsmogelijkheden te bieden, zullen Vlaamse steden meer agglomeratievoordelen moeten weten te organiseren. Maar hoe? Het lijkt weinig wenselijk om in te zetten op de ontwikkeling van één groot aaneengegroeid stedelijk gebied. Dergelijke omgevingen, zoals de Aziatische of Amerikaanse megasteden, laten namelijk heel wat te wensen over op het vlak van milieu- en woonkwaliteit, congestie en ‘leefbaarheid’. Een gepaste functionele integratie van verschillende nabijgelegen stedelijke regio’s binnen Vlaanderen, maar ook in interactie met

Drempels gehaald, maar de echte top ontbreekt

| 51


De Hoorn

creatief leven in de brouwerij

54 |

In Leuven sloegen in 2006 zeven jonge creatieve ondernemers de handen in elkaar om een werkomgeving te creëren waar kruisbestuiving, innovatie en ondernemerschap centraal moesten staan. Eind 2007 konden ze het gebouw De Hoorn kopen, aan de kop van de Vaartkom. Een beschermd monument, waar in 1926 de allereerste Stella Artois gebrouwd werd en dat meer dan 25 jaar had leeggestaan omdat er geen commerciële interesse was om het te ontwikkelen. De nieuwe eigenaars zagen er echter mogelijkheden voor een mix van kantoren (uitsluitend voor de creatieve economie), evenementenzalen (voornamelijk in de historische brouwzalen) en horeca. De ontwikkeling van De Hoorn werd een succesverhaal, maar het kan nog beter, volgens hun eigen zeggen…


ECONOMIE > DE HOORN

De grote brouwzaal - 'before'

M I C H I E L VA N B A L E N   [   D E H O O R N   ]

Een vrouw slaan en zalven Het bureau 360 architecten koos voor de complexe combinatie van een restauratie van de oorspronkelijke brouwerij ‘Artois’, een casco renovatie van de later bijgebouwde brouwerijen ‘Immo’ en ‘Internationaal’ en een beperkte nieuwbouw met een prachtig uitzicht op de stad. ‘Slaan en zalven’ was het mantra van de architecten: het midden houden tussen poëzie en pragmatiek. Doorheen het gebouw schikt het programma zich naar de bestaande ruimten en machines óf wordt er drastisch ingegrepen. Het monument is geen doel op zich. Verloren gewaande ruimten worden als informele ontmoetingsplek ingericht. Ingrepen in de monumentale historische zalen beperken zich tot het verbeteren van de bruikbaarheid en het articuleren van de bestaande ruimtelijke kwaliteit. De cascostructuren blijven leesbaar, het geheel blijft ruw en industrieel, de aanvullingen of invullingen zijn duidelijk te onderscheiden. Het nieuwe geheel blijkt verrassend bruikbaar. In oktober 2015 won De Hoorn de Leuvense Architectuurprijs (periode 2012-2015). De jury was lyrisch: ‘De ongelofelijke diversiteit aan ruimten en structuren van het gebouw werd honderd jaar geleden geboren uit het specifieke gegeven van een volledig brouwproces dat, begrijpe wie kan, verticaal werd georganiseerd. Dat specifieke amalgaam van kamers, balken, gaten en muren kon alleen in zijn volle veelheid worden benaderd, waarbij elk probleem en elke plek van een specifieke oplossing werd voorzien. En hoe al deze oplossingen in feite ontwerpen zijn, en al deze ontwerpen in feite één zijn, dat is het geheim van De Hoorn. Van haar verschijningsvorm, van haar functioneren, van haar architectuur. Ik zeg “‘haar”, want ja, De Hoorn is een vrouw.’ De Hoorn opende haar deuren eind 2012 en is sindsdien volledig verhuurd. De combinatie van een inspirerende kantooromgeving met evenementenruimten en horeca is een grote troef voor de creatieve economie, zoals ook beschreven wordt in een onderzoek van het bureau Stipo voor het Nederlandse broedplaatsenbeleid (2014): ‘Voor een succesvollere creatieve industrie en meer en betere bedrijven is het van belang om niet alleen naar de huisvesting te kijken, maar ook naar de condities voor interactie en kwaliteit. Een kenmerkend verschil met andere industrieën is de cruciale rol die informele circuits hierbij spelen. De sociale omgeving is in de creatieve industrie meer dan een aangenaam bijproduct, het is dé basis waarin creatieve producten ontstaan, worden geëvalueerd en op de markt worden gebracht. Het succes van de

DOORHEEN HET GEBOUW SCHIKT HET PROGRAMMA ZICH NAAR DE BESTAANDE RUIMTEN EN MACHINES, OFWEL WORDT ER DRASTISCH INGEGREPEN. De grote brouwzaal - 'after'

creatieve industrie valt of staat bij de mate van (vaak informele) interactie en clustering.’ ‘Wie de mechanismen van interactie en kwaliteit binnen de creatieve industrie wil begrijpen moet de waardeketen volgen. Dat is de weg die een (creatief) product aflegt van het bedenken, naar het maken, naar het verspreiden onder het publiek. Het bevorderen van ketensamenwerking kan een belangrijk middel zijn voor groei en een sterkere internationale positie van de creatieve industrie.’

Netwerken in een innovatieve stad Het kantoorgedeelte, dat plaats biedt aan zowat 220 creatieven, werd opgesplitst in klassieke kantoorruimte voor grotere bedrijven en een incubator/dienstencentrum waar vandaag zowat twintig bedrijfjes en starters gehuisvest zijn. Door het delen van onder meer vergaderfaciliteiten, ICT, onthaal en keuken krijgen kleinere bedrijven niet alleen voor weinig geld een volwaardige kantooromgeving maar worden ze ook deel van een interessant netwerk.

| 55


4 5

1 3 2

geval kon het gebouw De Hoorn en zijn geschiedenis ingezet worden voor creatieve economie (1), sociale economie, een tijdelijk buurtpark en horeca (2), de Belgische biercultuur (3) en gebouweigen innovatieve renovatietechnieken (4).

Weerbarstige gebouwen zorgen voor een boeiende stad

58 |

Uit het ontwikkelingstraject van De Hoorn zou men drie belangrijke principes kunnen distilleren die misschien ook interessant kunnen zijn bij de ontwikkeling van een ‘innovatief gebouw’ of om – op grotere schaal – tot een ‘innovatieve stad’ te komen. Er zullen evenwel nog veel juridische en economische barrières geslecht moeten worden om op deze manier aan project- of stadsontwikkeling te doen. 1. De ontwikkelingsstrategie waarbij eindgebruikers zelf een vastgoedproject ontwikkelen kan een volwaardig én noodzakelijk alternatief of aanvulling zijn voor de klassieke commerciële projectontwikkeling in de stad. Omdat de meerwaarde voor de eigenaars het gebruik van het gebouw is in plaats van het rendement, kunnen historische monumenten waar geen commerciële interesse voor bestaat opeens tóch ontwikkeld worden. 2. Ontwikkelaars zouden uitgedaagd of zelfs verplicht moeten worden om aan de slag te gaan met bestaande gebouwen of ruimten, ook als die niet beschermd zijn. Dat zorgt niet alleen voor historische continuïteit en diversiteit in de bebouwing; het verplicht hergebruiken van gebouwen is intrinsiek duurzamer en daagt bouwheren uit tot creatieve oplossingen, die kunnen resulteren in nieuwe vormen van stedelijkheid. De enige reden waarom er nog creatieve economie in de Leuvense Vaartkom aanwezig is, is omdat het gebouw De Hoorn beschermd is en in zijn weerbarstigheid niet geschikt was voor standaard

promotorarchitectuur. Hetzelfde geldt voor de ontwikkeling van het OPEK gebouw naast De Hoorn, waar zeven culturele organisaties samen het voormalige douanedepot verbouwden. Niet toevallig kregen zij de vorige Leuvense architectuurprijs. Evenmin toevallig werden net in deze gebouwen progressieve bouwmethoden, progressieve manieren van samenwerken ontwikkeld. Gewoon omdat het niet anders kon. Het verplicht behoud en hergebruik van weerbarstige gebouwen is in veel gevallen daarom een garantie voor een boeiende stedelijkheid. 3. Een ontwikkelingsproces moet gebaseerd zijn op een sterke visie maar dient ook flexibel te zijn. Daarbij moet niet alleen de mogelijkheid bestaan om van projecten te leren en inzichten gaandeweg bij te sturen, men moet ook actief opportuniteiten van sites onderzoeken via strategisch leegstandsbeheer. Bovendien is het, in relatie tot punt 1, voor bepaalde sites soms interessanter om met de gebruikers te kiezen voor een radicaal ander maar minstens evenwaardig ontwikkelingsprincipe via verschillende opeenvolgende kleine investeringen. In het debat over ‘plaats voor werkgelegenheid in de stad’ is de creatieve economie een veeleer beperkte niche (zo’n vier tot zes procent van de werkgelegenheid in de grotere centrumsteden). Toch heeft ze een belangrijke positie in het debat door de goede ‘match’ met bestaande industriële gebouwen, de nieuwe vormen van werk die er ontwikkeld worden en door het feit dat de creatieve economie meestal kapitaalkrachtiger én minder veeleisend is (milieunormen, ruimtegebruik, logistiek, …) dan de zuivere maak- of secundaire economie. Bovendien zou, vanuit het concept van de innovatieve stad, de creatieve economie ook een lans moeten breken voor die maakindustrie en andere vormen van bedrijvigheid (of zelfs gewoon stedelijkheid), omdat ze hiervan afhankelijk is voor bepaalde productieprocessen of gewoon als bron van inspiratie.


ECONOMIE > DE HOORN 6

1   Meeting room  2   Pop-up park  3   Het Grand Café  4   Meeting room in Silo incubator  5   Dakterras Skybox  6   Het Atrium

IN DE 'DE HOORN' RESIDENCE (FASE 2) ZULLEN CO-HOUSING PRINCIPES GECOMBINEERD WORDEN MET DE TOEGANG VOOR RESIDENTEN TOT DE CO-WORKING RUIMTEN.

De toekomst: De Hoorn fase 2 Het oorspronkelijke ontwerp van De Hoorn voorzag, naast het huidige gerealiseerde complex, ook in een hoogbouwvolume van tien verdiepingen aan de westzijde, met een oppervlakte van 5.500 m². Om financiële redenen werd de ontwikkeling van De Hoorn opgesplitst in twee delen en recent werd de ontwikkeling van de tweede fase, die één geheel zal vormen met fase 1, opgestart. De huidige gebruikers worden actief betrokken bij de ontwikkeling en onder het motto ‘De Hoorn fase 1: goed maar niet goed genoeg’, hopen we het geheel verder uit te bouwen tot een innovatieve, creatieve hub die zich kan meten met internationale voorbeelden. Deze beslissing valt ook samen met de lancering van het Leuven Mindgate project: een internationale campagne om Leuven economisch te profileren rond drie speerpunten

(Gezondheid, High Tech en Creatieve economie)2. Ongeveer de helft van de oppervlakte wordt bestemd als kantoren voor de ‘creatieve economie’. Daarin zal meer plaats zijn voor flexibele co-working formules. We willen eveneens het dienstenaanbod en de kruisbestuiving met de bestaande bedrijven versterken. Belangrijk is ook de aanpassing van de selectiecriteria: die verschuiven van een creatief bedrijf naar een bedrijf dat een meerwaarde vormt in een creatieve waardeketen. In zo’n waardeketen kan er bijvoorbeeld soms nood zijn aan een advocaat met kennis van intellectueel eigendom of een HR-specialist. Afhankelijk van de te definiëren groep van waardeketens zullen deze profielen ook zeer selectief toegelaten worden in fase 2. Daarnaast willen we onze eventlocatie versterken met congresfaciliteiten. De tijd van top-down informatieoverdracht is voorbij. In de nieuwbouw zullen flexibele, karaktervolle break-outrooms geïntegreerd worden die het mogelijk maken om, in combinatie met de historische ruimten van fase 1, volwaardige congressen te organiseren met een unieke uitstraling. Tenslotte hebben we de ambitie om op de drie bovenste verdiepingen van de hoogbouw een nieuwe vorm van korte-termijnhuisvesting te ontwikkelen voor de grote Leuvense gemeenschap van crea-tech expats (door de aanwezigheid van bedrijven zoals Imec, de KU Leuven, Gasthuisberg, …). In deze ‘De Hoorn residence’ zullen bepaalde co-housing principes gecombineerd worden met de toegang voor residenten tot de co-working ruimten. De residentie is daarbij geen losstaand gegeven, maar één van de verschillende werkformules die een meerwaarde moeten bieden voor De Hoorn ‘community’. Het is de ambitie om fase 1+2 operationeel te hebben in september 2018. www.dehoorn.eu

2 www.leuvenmindgate.be

| 59


De werkende

60 |


stad 10 in

VA N DE TO E KO M S T

ECONOMIE > INFORMELE ECONOMIE

punten

H A N V E R S C H U R E   [  P R O F E S S O R E M E R I T U S , D E P A R T E M E N T A S R O , K U L E U V E N  ]

Productie, produceren betekent volgens het boekje het toevoegen van waarde. Dat kan economische waarde zijn, maar ook emotionele, ecologische, maatschappelijke of culturele waarde. De economische waarde stuurt en domineert vandaag onze samenleving. Maar de andere toegevoegde waarden blijken voor de toekomst van onze steden met de dag belangrijker te worden. Met een andere focus op productiviteit in de samenleving wordt de discussie over de toekomstige productieve stad hier in tien argumenten aangescherpt. En tussendoor vindt u een aantal citaten uit publicaties die de moeite waard zijn.

Om te beginnen: een definitie Een productieve stad is een geheel van menselijk streven en handelen dat geconcentreerd is in plaats en tijd, maar ook gebaseerd op ervaringen die over generaties heen werden verrijkt door creativiteit, emoties, ge- of misbruikte grondstoffen, ondernemingsactiviteiten, arbeidsinspanningen, vergaard of vergooid kapitaal, uitwisselingen, de organisatie van ruimten, het bouwen of slopen van gebouwen, enzovoort. En al het voorgaande kan evengoed formeel in kaart zijn gebracht, op een informele manier geïnitieerd, of gedagdroomd.

1 produceren voor kwalitatief leven

2 wij maken de productieve stad

Voor veel ‘professionals’ en beleidsmakers is ‘de productieve stad’ niet meer dan de verzamelde aspecten van een stad die voor productie en inkomsten zorgen. Dat is een erg enge interpretatie, die onze maatschappij herleidt tot een samenspel van producenten en consumenten in een neo-liberale markteconomie. Een productieve stad staat nochtans voor veel meer dan kan worden uitgedrukt in euro’s of dollars, haar som is veel meer dan de berekening van Bruto Nationaal/Stedelijk Product of Per Capita inkomen.

De productieve stad kenmerkt zich enerzijds door de formeel georganiseerde menselijke structuren en artefacten – bedrijven, instituten, markten, gebouwde omgevingen, straten, rivieren, wouden en parken. Anderzijds interageert hij/zij evengoed met min of meer georganiseerde of toevallige medeburgers, via informele, dagelijkse activiteiten. Daar komt een brede waaier van aspiraties en gevoelens (zoals liefde en haat), overtuigingen en attitudes, reële of virtuele communicatie, aan te pas. Al deze interacties – formele en informele – komen samen in het ‘theater van het leven’. Zoals Tine Hens betoogt in haar boek Het klein verzet (EPO, 2015): met name in tijden van economische crisis (vaak veroorzaakt door al te hebzuchtige grootschalige formele economieën) is het de kleine, alternatieve bedrijvigheid van doodgewone mensen die kan leiden tot een nieuwe interpretatie van wat economie zou moeten/kunnen zijn.

New York, 2012: aan het werk in een café in Greenwich Village © Reporters

| 61


Antwerpen, 2015: Buurderij Permeke © TimeCircus

Brussel, 2009: biologische boerenmarkt © Reporters

3

het informele is inherent aan de samenleving Er bestaat een hardnekkige misvatting dat het formele deel van de stad wettelijk acceptabel en dus ‘erkend’ is, terwijl het informele deel – dat op zijn best ‘spontaan’ is – doorgaans als marginaal of zelfs illegaal bestempeld wordt. Het informele deel dient dus zijn legale en formele credits te verdienen als ‘planningsopdracht’. Dit waanidee houdt geen rekening met het complexe gegeven van de menselijke samenleving. Sterker nog: door deze perverse vereenvoudiging wordt het feit ontkend dat vele formele activiteiten tot stand komen in informele arena’s, deals, netwerken, ‘peer groups’, vriendschappen, informele circuits of zelfs kantjeboord illegale overeenkomsten. En laat ons ook niet vergeten dat vele formele activiteiten weliswaar productief zijn, maar tegelijk een vernietigend effect kunnen hebben (bijvoorbeeld op de kwaliteit van de leefomgeving, erfgoed, mensenlevens in een oorlogscontext).

4 de kracht van spontane ideeën Een afdoend middel om met het hierboven geschetste waanidee af te rekenen: kijk naar de dagelijkse praktijk, waar creativiteit evengoed in informele contexten of tijdskaders aan de orde is als in formele. Een voorbeeld: deze tekst is niet noodzakelijk geschreven tijdens kantoortijd, maar kan evengoed tot stand gekomen zijn tijdens een weekend, of zelfs in het midden van een (slapeloze) nacht. Vele ondernemingen in de creatieve sector hebben allang begrepen dat koffiepauzes of losse babbels het creatieve proces kunnen stimuleren en verrijken – soms zelfs meer dan formele vergaderingen. ‘Creativiteit, nieuwe ideeën en innovatie – en daarmee ook groeiende kennis – zijn uit de voegen van labs, studio’s en fabrieken gebarsten en hebben nu de straat en de social media veroverd. Vandaag is het dagelijkse leven productief, is iedereen creatief en kunnen nieuwe ideeën uit om het even welke windstreek komen. In plaats van culturele expressie te beperken tot getalenteerde kunstenaars en expert-professionals, onderzoeken de creatieve economie en cultuur nieuwe ideeën van iedereen. In plaats van de ‘creatieve industrie’ te beperken tot één economische sector en één type productiviteit, breiden ze de idee van creatieve innovatie uit naar alles. In plaats van de groei van kennis te beperken tot rijke landen of markten, gaan ze op zoek in opkomende en ontwikkelingslanden, over heel de wereld.

62 |

VELE ONDERNEMINGEN IN DE CREATIEVE SECTOR HEBBEN ALLANG BEGREPEN DAT KOFFIEPAUZES HET CREATIEVE PROCES KUNNEN STIMULEREN EN VERRIJKEN.

De productieve kracht van creativiteit geldt nu als een globaal fenomeen. Ze vraagt om een systematische en dynamische uiteenzetting. De creatieve economie en cultuur richten zich op de conceptuele, historische, praktische, kritieke en educatieve vraagstukken en implicaties. Ze onderzoeken conceptuele uitdagingen, de kracht en dynamiek van verandering en de vooruitzichten voor de toekomst van creatief werk op een planetaire schaal.’ (Bron: Creative Economy and Culture Challenges,Changes and Futures for the Creative Industries, September 2015, Sage Publications)


ECONOMIE > INFORMELE ECONOMIE

Antwerpen, 2014: vlagplanting Ringland © Paulien Verlackt

Finland, 2011: office-café © Reporters

5 bottom-up

6 sociale economie

Uit wat voorafging kunnen we concluderen dat planning zich niet hoeft te beperken tot formele planningssystemen. Op de een of andere manier is elk individu, elke groep of gemeenschap een potentiële planningsentiteit. Planningsideeën die bottom-up en in een informele context zijn ontstaan liggen vaak aan de basis van later formeel ontwikkelde planningsprogramma’s en projecten (denk bijvoorbeeld aan de meest recente scenario’s voor de Oosterweelverbinding en Ringland). Economische activiteiten die tot doel hebben om veeleer ‘marginale’ of minder productieve modi in onze maatschappij te integreren zorgen ervoor dat deze ook effectief een plaats/ruimte krijgen in de stad. Een aantal van deze economische activiteiten kreeg het – soms denigrerende – label ‘sociale economie’ opgeplakt. Nochtans kunnen verschillende van deze activiteiten als toekomstgericht omschreven worden: zij vormen goede voorbeelden van sociale en solidariteitseconomieën (SSE). Daarenboven wijst het ontstaan van ‘alternatieve’ of ‘experimentele’ systemen zoals Uber, AirBnB, community-gestuurde stadslandbouw, co-housing en crowdfunding eveneens op een informaliteit (in sommige gevallen zelfs als ‘illegaliteit’ gebrandmerkt door een paternalistisch establishment) die na verloop van tijd geïntegreerd wordt in het toekomstige ‘normale’ (maar daarom niet het huidige) type van systemen.

Het is een nogal bizar gegeven dat alternatieve types van economie met een veeleer sociale oriëntatie – vooral degene die niet volledig beantwoorden aan het neoliberale marktmodel – als ‘sociale economie’ bestempeld worden. Daardoor wordt gesuggereerd – of bevestigd? – dat de formele/normale economie niet sociaal zou zijn.

OP EEN OF ANDERE MANIER IS ELK INDIVIDU, ELKE GROEP OF GEMEENSCHAP EEN POTENTIËLE PLANNINGSENTITEIT.

‘Wat organisaties in de sociale economie gemeen hebben en wat hen onderscheidt van conventionele ondernemingen, is het feit dat het nastreven van winst en de verdeling van die winst onder de eigenaars niet hun ultieme betrachting is. In de plaats daarvan streven deze organisaties het bevorderen van de belangen van hun leden en van het algemeen belang na. Een ander gemeenschappelijk kenmerk van organisaties in de sociale economie is de manier waarop hun eigendom gestructureerd is: eigendomsrechten worden eerder aan stakeholders dan aan investeerders toegekend. Bijgevolg hebben deze organisaties nóg iets dat hen verbindt: het democratisch karakter van hun interne besluitvorming en de voorrang van mensen en arbeid boven kapitaal bij het verdelen van de inkomsten. Typisch voor organisaties in de sociale economie is ook de belangrijke rol die vrijwilligers spelen, vooral in de startfase van de onderneming. Die vrijwilligers dragen overigens ook sterk bij tot sociale innovatie. De term ‘sociale economie’ wordt aldus gebruikt om een groep organisaties te definiëren die voornoemde eigenschappen gemeen hebben. Historisch gezien vallen ze uiteen in vier grote categorieën: coöperaties, mutualiteiten, verenigingen en, meer recent, stichtingen. Om het even welke productie van goederen en diensten kan a priori binnen het kader van de sociale economie georganiseerd worden. We vinden ze terug in de landbouw, ambachten, industrie, financiën en distributie en ze zijn actief in uiteenlopende domeinen, zoals gezondheid, cultuur, educatie, recreatie, sociale diensten en internationale samenwerking en ontwikkeling.’ (Defourny en Develtere, 2000)

| 63


S I M O N D E N Y S - K E T E L S , N AT H A L I E VA L L E T E N M I C H E L L E B Y L E M A N S   [   U A N T W E R P E N , FA C U LT E I T O N T W E R P W E T E N S C H A P P E N   ]

ruimtelijke uitdagingen

66 |

Bruggen naar Rabot: SITE-project, volkstuinen


ECONOMIE > IEP SITES

Het aanbod van initiatieven en voorzieningen gericht op een volwaardige economische participatie van sociaal kwetsbare burgers is in Vlaanderen aanzienlijk, maar ruimtelijk en organisatorisch versnipperd. Hierdoor vindt de doelgroep maar moeilijk de weg naar dergelijke voorzieningen. Een onderzoeksteam aan de Universiteit Antwerpen gaat na welke ruimtelijk-strategische oplossingen hiervoor bestaan. S I M O N D E N Y S - K E T E L S , N AT H A L I E VA L L E T E N M I C H E L L E B Y L E M A N S [  U N I V E R S I T E I T A N T W E R P E N , FA C U LT E I T O N T W E R P W E T E N S C H A P P E N  ]

voor een Inclusieve Economische Participatie

H

et aantal sociaal kwetsbare gezinnen in Vlaanderen is de laatste jaren sterk gestegen, een trend die zich sterk doorzet in de nasleep van de economische crisis. Bovendien is het klassieke profiel van sociale kwetsbaarheid en kansarmoede in onze samenleving complexer geworden. Ook goed opgeleide burgers kunnen omwille van ingrijpende medische of familiale redenen (een burn-out of een vechtscheiding bijvoorbeeld) langdurig in een sociaal kwetsbare positie verzeilen. Een belangrijk aandachtspunt bij het zoeken naar duurzame oplossingen is het (terug) versterken van hun economische positie, niet alleen als werknemer op de arbeidsmarkt, maar ook als consument of verbruiker van producten en diensten. Heel wat Vlaamse, provinciale en gemeentelijke initiatieven proberen dit probleem nu al aan te pakken. Hun initiatieven zijn echter ruimtelijk sterk verspreid en nauwelijks op elkaar afgestemd. De sociaal kwetsbare burger, die over het algemeen minder mobiel is en voor wie deze overvloed aan versnipperde informatie moeilijk beheersbaar is, heeft het daardoor moeilijk om deze initiatieven te bereiken. Als hoofd van een multidisciplinair team binnen de onderzoeksgroep Henry van de Velde (UA), zoekt Nathalie Vallet samen met Simon De Nys-Ketels en Michelle Bylemans naar een oplossing voor de hiervoor aangehaalde problematiek. De opzet is het ontwerpen van ruimtelijk-strategische modellen voor zogenaamde IEP-sites of sites voor een (meer) Inclusieve Economische Participatie. Concreet gaat het om locaties in de stad waar publieke en particuliere organisaties die werken rond de economische participatie van sociaal kwetsbare burgers ruimtelijk en organisatorisch worden samengebracht om de krachten te bundelen.

Case-study onderzoek Omdat het concept van IEP-sites nieuw is, bestaan er momenteel nog geen ruimtelijk-strategische modellen. Die moeten dan ook op basis van exploratief onderzoek ontwikkeld worden. Het Henry van de Velde-onderzoeksteam maakte een analyse van een vijfentwintigtal Vlaamse initiatieven die nauw aansluiten

Bruggen naar Rabot: SITE-project, volkstuinen

bij het IEPsite concept, omdat ze op eenzelfde locatie meerdere organisaties en/of activiteiten huisvesten die de economische positie van sociaal kwetsbare burgers op één of andere wijze ondersteunen. In deze initiatieven zijn er naast publieke actoren ook heel wat sociale-economieorganisaties actief. Hoewel deze cases momenteel (nog) niet beantwoorden aan het ondertussen verder uitgewerkte concept van een IEP-site, levert de evaluatie ervan de nodige inspiratie op. In dit artikel staan we stil bij een drietal ruimtelijke aandachtspunten: (i) een flexibel ontwerp (ii) een gedifferentieerd in plaats van een uniform ontwerp en (iii) een open ontwerp. We vertrekken telkens vanuit het initiatief of de case-study die volgens ons het best het desbetreffende aandachtspunt illustreert: de Spiegelfabriek (Herentals), ‘Bruggen naar Rabot’ (Gent) en de UCO-site (Gent).

Spiegelfabriek Herentals: flexibel De oude spiegelfabriek in het centrum van Herentals stond al enkele jaren leeg, toen het OCMW Herentals besliste om de plek om te bouwen tot een ‘sociale campus’, een gebouw waar het opleidings- en tewerkstellingscentrum van het OCMW wordt gecombineerd met een waaier van sociale initiatieven, waaronder een sociaal verhuurkantoor, een kringloop- en budgetwinkel, computerlessen, kook- & gezondheidscursussen en sociale kinderopvang.

| 67


© Reporters

Cities Terugblik op het ISOCARP-congres 2015

70 |

Van 19 tot 23 oktober 2015 vond in Rotterdam en een reeks andere Europese steden het jaarlijkse wereldcongres van ISOCARP (International Society of City and Regional Planners) plaats. Het werd een feestelijke editie: met dit congres vierde ISOCARP namelijk zijn vijftigjarig bestaan. De keuze voor Rotterdam als hoofdlocatie voor het congres was overigens een mooie symbolische geste: daarmee keerde de organisatie terug naar haar Nederlandse wieg. Maar vanuit Rotterdam zwermde het congres via workshops ook uit naar 11 andere steden in Nederland, België en Duitsland. Een passende strategie voor een congres dat als titel ‘Cities save the world’ voerde. Hierna volgen een viertal verslagen van ooggetuigen, uit Rotterdam, Antwerpen, Maastricht en Brussel.


ECONOMIE > ISOCARP

save the world let’s reinvent planning’ Rotterdam

Een jubileumcongres VERSPREID OVER 12 EUROPESE STEDEN G U Y V L O E B E R G H   [  S E N I O R R U I M T E L I J K P L A N N E R O M G E V I N G C V B A , V I C E P R E S I D E N T T R E A S U R E R I S O C A R P  ]

Een internationale vakvereniging die 50 kaarsjes uitblaast, zoiets moet gevierd worden. Een week lang verzamelden meer dan 500 ruimtelijk planners uit 80 verschillende landen op het internationale ISOCARP-congres.

Het opzet was even uitzonderlijk als ambitieus: de eerste twee dagen verspreidden de deelnemers zich over 12 steden in Nederland, België en Duitsland, voor workshops waar ze 12 verschillende planningthema’s onder de loep namen. De thema’s moesten inhoud geven aan het centrale congresgedeelte in de onderzeebootloods in de Rotterdamse haven, waar iedereen vanaf woensdag verzamelde. Het congresthema ‘Cities save the world, let’s reinvent planning’ kreeg met andere woorden een zeer brede, praktijkgerichte en toegankelijke input. General rapporteur Judith Ryser uit Londen overlegde intens met 12 internationale en evenveel lokale workshoprapporteurs om tot heldere en voor ons vakgebied relevante conclusies te komen. De rapporteurs werden bijgestaan door 36 Young Planners, die in deze unieke congresformule ook meermaals het podium kregen. Bij drie van de 12 workshopsteden (Antwerpen, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en Maastricht) was de VRP nauw betrokken. De resultaten van die workshops worden op de volgende pagina’s meer in detail toegelicht. Burgemeester Ahmed Aboutaleb van gaststad

Rotterdam nodigde collega-burgemeesters van de workshopsteden uit om de conclusies te bespreken en samen met de ruimtelijk planners te reflecteren over de toekomst van hun vak. Planning en politiek kunnen immers niet zonder elkaar, betoogde hij. De burgemeesters van Delft, Groningen, Deventer, Eindhoven en Maastricht waren present. De Antwerpse burgemeester Bart De Wever en minister-president Rudi Vervoort van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest waren afwezig, maar het enthousiasme van hun rapporteurs en de resultaten van de workshops van Antwerpen en Brussel maakten veel goed. De voormalige burgemeester van New Delhi, die er ook was, verraste met enkele gewaagde stellingen en moderator Henk Ovink wist de beleidsvoerders te boeien door met hen stil te staan bij de conclusies uit elke workshopstad.

Keynote sprekers De lezingen van Rajni Abbi (India), Maarten Hayer (Nederland) en Yusuf Patel (Zuid-Afrika) konden rekenen op grote belangstelling. Zij hadden het

respectievelijk over de nood aan planning in ontwikkelingslanden, de nood aan nieuwe stedelijke toekomstbeelden en de plaats van planning tussen verschillende machten en krachten.

Prijzen voor Gent en Antwerpen Naar aanleiding van haar vijftigste verjaardag reikte ISOCARP enkele ‘Special Awards’ uit. In de categorie ‘Award of Excellence’ werden drie door de jury geselecteerde laureaten op het congres gepresenteerd: Planning for green eco-districts in the city of Beijing, Luhe City Centre en Ghent Kanaalzone Project. Uiteindelijk ging de erg gegeerde internationale trofee naar het innoverende planningsproject voor de Gentse Kanaalzone. Het project Spoor Noord Antwerpen werd bekroond met de Sam Van Embden Award voor ‘a city with a project’. De jury loofde zowel de coproductie met bewoners als de ontwerpkwaliteit van het plan en van de uitvoering. Voor onze planners en politici is zo’n internationale erkenning natuurlijk een stevige opsteker.

| 71


Antwerpen 

How to rework the ANNETTE KUHK [ KU LEUVEN ]

Alle laureaten van de ISOCARP Awards op het podium in Rotterdam. Helemaal links de winnaars: Hardwin De Wever (projectleider Spoor Noord Antwerpen) en rechts van hem Veerle De Bock (projectleider Gentse Kanaalzone).

G R I E T G E E R I N C K [ A G V E S PA ]

In Antwerpen vond op 19 en 20 oktober een tweedaagse workshop plaats onder de titel, ‘How to rework the productive city’, waarvan we hier de belangrijkste conclusies toelichten.

Publicaties

Aanleiding en context

Op het congres werden drie publicaties voorgesteld.

Het rapport van de Club van Rome over ‘de grenzen aan de groei’ (Meadow et all., 1972) en Daniel Bell’s boek over het ontstaan van de ‘postindustriële maatschappij’ (1973) boden een voorsmaak van wat inmiddels grotendeels is gerealiseerd: in de omgang met het industrieel verleden zijn de milieunormen en voorwaarden voor industriële productie stelselmatig verscherpt, en – kenmerkend voor de postindustriële samenleving – groeide tezelfdertijd het aandeel van de dienstensector in de welvaartscreatie. De facto ontwikkelden zich in stedelijke ruimten en havens twee parallelle werelden. Enerzijds zijn er een aantal nog functionerende industriële sites, naast verlaten productielocaties en te saneren brownfields. Anderzijds zijn er herontwikkelde terreinen voor diensten, kennis en innovatie, naast nieuwe productiesites voor de bedrijven uit de bio-nano-ICT convergentie (2011), maar ook sites voor kleinschalige lokale productie van goederen waarbij ‘made in local’ het primaire verkoopargument is. Twee generaties na Meadow en Bell is er een economische crisis waarbij we op de grenzen van het neoliberaal model stoten (bijvoorbeeld om iedereen te laten deelnemen aan productiviteit in de samenleving). In Antwerpen zien we een sterke discrepantie tussen het hoge aantal werkzoekenden en het kleine jobaanbod in de stad, met tegelijkertijd een hoge vraag naar ruimte voor productiviteit en de nijpende behoefte aan meer ruimte voor groen, huisvesting en publieke functies. In deze context ontstaat een nieuw debat over de prioriteiten voor het creëren van welvaart en de ruimtelijke vertaling daarvan. Wat is de rol van werkplaatsen en productie vandaag? Hoe productief of handvaardig is de hedendaagse stedeling? Waar kunnen locaties voor productie worden ontwikkeld? De vragen winnen aan urgentie vanuit het groeiend besef dat stedelijkheid en productie intrinsiek en noodzakelijk verbonden zijn.

F I F T Y Y E A R S O F K N OW L E D G E C R E A TION AND SHARING brengt de geschiedenis

van ISOCARP op een heldere wijze in beeld. Welke inhoud zetten de 50 wereldcongressen op de kaart? Hoe veranderde ons beroep de voorbije vijf decennia? Hoe werkte ISOCARP mee aan duurzame ruimtelijke ontwikkeling? TE N Y E A R S O F U PAT S geeft een inkijk in

de boeiende resultaten van de ‘Urban Planning Advisory Teams’ die ISOCARP uitzond naar verschillende steden, streken en regio’s in de hele wereld, van Cancun tot Nanjing. Naast ervaren planners worden ook Young Planning Professionals ingeschakeld bij deze kortlopende en intense interventies. Ook volgend jaar zullen er dergelijke internationale planningworkshops plaatsvinden. Alle leden van ISOCARP kunnen zich kandidaat stellen om hieraan deel te nemen. I N T E R N AT I O N A L M A N U A L O F P L A N N I N G P R A C T I C E is een compendium

waarin de lezer een overzicht vindt van 135 planningsystemen in evenveel verschillende landen. Al deze publicaties zijn verkrijgbaar bij ISOCARP via www.isocarp.org.

72 |

|

Next stop: Durban, South Africa! Een uitgebreide plannersdelegatie uit Zuid-Afrika kwam in Rotterdam het volgende ISOCARPcongres voorstellen: dat vindt plaats van 10 tot 16 september 2016 in Durban, KwaZulu-Natal. Meer informatie is te vinden op 2016.isocarp.org.

De ecologische risico’s van de industriële productie zijn inmiddels gekend. Terwijl de kenniseconomie hier doorgaans betere punten behaalt, blijven een aantal sociale drempels vooralsnog bestaan. Welk economisch stelsel en welke productiemodi kunnen welvaart creëren in een diverse samenleving met een verstedelijkte, snel groeiende wereldbevolking? Welke ruimtelijke implicaties hebben economische keuzes, en welke ruimtelijke keuzes kunnen sturend werken voor economische ontwikkeling? Met de thematische focus voor de Antwerpse sessie bij de ISOCARP-conferentie willen we ruimtelijke planners uitdagen om actief en expliciet bij te dragen aan de productieve stad.

Drie thema’s bij het herontwikkelen van de productieve stad Tijdens de voorbereiding van de workshop1 werd al snel duidelijk dat het thema uiteenvalt in diverse subthema’s, zoals ook bleek uit de bijdragen van de internationale auteurs2. Drie 1 Het lokaal organisatiecomité van de Antwerpse workshop : Griet Geerinck en Hardwin de Wever (AG VESPA) / Valerie Van de Velde, Klaas Meesters, Katrijn Apostel, Bart De Greef en Guido Muelenaer (stad Antwerpen) / Tom Coppens en Nathalie Vallet, (UA) / Han Verschure en Annette Kuhk, (KUL) 2 Veertien internationale auteurs hebben via een artikel bijgedragen aan de workshop: Ahmadipour, Zahra, Tehran, Iran; Choo, Li Jie, JTC Corporation, Singapore, SingaporeCusters, Lieve; Dooghe, David, Buro Boris, Antwerp, Belgium; Ferm, Jessica; Jones, Edward, University College London, London, United Kingdom; Gheysen, Maarten Leiedal, Kortrijk, Belgium; Neumayer, Vincent, TINA Vienna Urban Technologies & Strategies, Vienna, Austria; Pajevic, Filipa; Shearmur, Richard G., McGill University, Montréal, Canada; Prochnow, Simone, Uniritter Laureate International Universities, Porto Alegre, Brazil; Qiao, Jing; Geng, Hong, Huazhong University of Science and Technology, Wuhan, China; Quintana Malubay, Haydee Jacklyn, University Of The Philippines, Manila, Philippines; Sergi, Giovanni; Rosasco, Paolo, Genoa University, Genoa, Italy; Dhote, Meenakshi; Lata, Kusum; Singh, Gargi, School of Planning and Architecture, Delhi; India; Sliwa, Marcin, Norwegian University of Science and Technology, Trondheim, Norway; Wiig, Henrik,Norwegian Institute for Urban and Regional Research, Oslo, Norway; Zaman, Jan, Brussels, Belgium. De artikels kan je lezen op www.isocarp.be.


ECONOMIE > ISOCARP

Foto Stef Boey - © ISOCARP

Productive City?

subthema’s, werden in parallelle walkshops (dag 1) en talkshops (dag 2) bediscussieerd. Voor de keynote lezingen van Mark Brearley, Kathy Pain en Han Verschure en een afrondende sessie kwamen alle deelnemers samen. Hier werden de cross-overs tussen de subthema’s uitgelicht.

THEMA

De ontwikkeling van toekomstbestendige, functioneel gemengde steden3

V R A AG   Welke (innovatieve) planningbenaderingen zijn vereist om toekomstbestendige, functioneel gemengde steden te creëren?

Tijdens de walkshop kregen de deelnemers op de zesentwintigste verdieping van de KBCtoren een toelichting bij het initiatief Start it @ kbc4, dat ruimte en ondersteuning biedt voor start-ups in het centrum van Antwerpen. We bezochten ook de creatieve verdiepingen, en zagen starters in actie bij drie korte pitches. Daarop volgde een toelichting door iMinds over het project ‘city of things’5. Tijdens een stadswandeling informeerden we ons over het gebruik van ‘base stations’ en ‘beacons’ en tot slot bezochten we het Kickstart project van Telenet6, dat bij Idealabs een omgeving creëert voor nieuwe teams van ondernemers. Een discussie over de voorwaarden voor ontwikkeling van functioneel gemengde steden rondde de dag af. Bij de talkshop op de tweede dag werd door de studiebureaus van Labo XX_Werk ingezoomd op de 20ste-eeuwse gebieden van Antwerpen, alsook op de diverse cases die de deelnemers in hun papers bespraken (zie elders in dit nummer). 3 Initiatiefnemer: Klaas Meester, Labo XX, Stad Antwerpen; inspiratoren: Evert Bulck, KBC Startup; Ward Verbakel, PLUS; Peter Vanden Abeele, MAAT; Kathleen van de Werf, BUUR; Voorzitter: Maarten van Tuijl, temp.architecten. 4 www.startups.be/content/start-it-kbc 5 www.iminds.be/en/succeed-withdigital-research/city-of-things 6 telenetkickstart.be

CONCLUSIES  In het centrum van Antwerpen

worden door particulier initiatief stimulerende omgevingen gecreëerd voor startende ondernemingen. De motieven van jonge ondernemers om voor deze locaties te kiezen zijn uiteenlopend: terwijl voor sommigen de centrale ligging of de densiteit van voorzieningen een rol spelen, worden anderen veeleer aangetrokken door het specifieke kader dat Telenet of KBC hen biedt. Voor activiteiten die meer ruimte vragen wordt daarentegen ook uitgekeken naar locaties buiten het centrum, onder meer in de gefragmenteerde 20ste-eeuwse gebieden. Labo XX onderzoekt en ontwerpt hiervoor verschillende mogelijkheden voor stadsvernieuwing en verdichting. Zowel de lokale als internationale voorbeelden van (herontworpen) stad en productie laten zien dat planners meer zullen moeten inzetten op coöperatie, mix en verwevenheid dan op concurrerende claims en mono-zonering. Hierbij zijn nieuwe evenwichten nodig tussen top-down en bottom-up, alsook tussen het formele en het informele, bijvoorbeeld om verwevenheid niet automatisch (of uitsluitend) via ‘microzonering’ te willen reguleren. Ook hebben de voorbeelden aangetoond dat er nieuwe evenwichten (en vernieuwde instrumenten) te vinden zijn waarbij stad en productie in elkaars nabijheid synergie ontwikkelen. Bij het herontwikkelen van de productieve stad is een co-creatief proces vereist dat de financiële, politiek-institutionele en juridische, fysiek-ruimtelijke en sociaal-maatschappelijke componenten in hun onderlinge samenhang ter discussie stelt, steeds vertrekkend vanuit het unieke karakter van een plek.

2

De stedelijke uitdagingen voor de haven en de industrie7

THEMA

1

V R A AG   Welke toegevoegde waarde heeft de expansie van het havengebied en bedrijventerreinen, anders dan de economische waarde? Wat betekent dit voor de toekomstige stad en voor de connectiviteit tussen woongebied en bedrijvigheid?

Bij het tweede thema werden drie praktijkvoorbeelden geëxploreerd en bediscussieerd: 1. Een bezoek aan de site Blue Gate Antwerp in het zuidelijke stadsdeel, als voorbeeld van reconversie van een sterk vervuild voormalig havengebied naar een duurzaam bedrijventerrein.8 2. Een busrit door het uitgestrekte Antwerpse havengebied vanaf het stadscentrum, langs de Royersluis en de Zandvlietsluis, met een stop in het natuurreservaat de Kuifeend en een werfbezoek aan de Deurganckdoksluis om via Kallo op Linkeroever terug naar de stad te rijden.9 3. Een toelichting over het Kameleonproject in de regio Kortrijk, dat de mogelijkheden om bedrijven in stedelijke of gemeentelijke kernen te huisvesten wil optimaliseren (zie elders in dit nummer).10 7 Initiatiefnemer: Bart De Greef, Business & Innovation, Stad Antwerpen, inspiratoren: Filip Van Haverbeke, Bram Tack, Intercommunale Leiedal; Kurt Tuerlinckx, Haven van Antwerpen; Voorzitter: Dirk Cleiren, POM Antwerpen. 8 cf. www.bluegateAntwerp.eu 9 www.portofantwerp.be 10 www.Leiedal.be/kameleon

| 73


‘Terug “DULL, INERT CITIES, IT IS TRUE, DO CONTAIN THE SEEDS OF THEIR OWN DESTRUCTION AND LITTLE ELSE. BUT LIVELY, DIVERSE, INTENSE CITIES CONTAIN THE SEEDS OF THEIR OWN REGENERATION, WITH ENERGY ENOUGH TO CARRY OVER FOR PROBLEMS AND NEEDS OUTSIDE THEMSELVES.”

Foto Michiel De Cleene

J A N E J A C O B S [  T H E D E AT H A N D L I F E O F G R E AT A M E R I C A N C I T I E S  ]

80 |


ECONOMIE > VLAAMS BOUWMEESTER

in Omloop’ Pilootprojecten

CAROLINE NEWTON [ TEAM VLAAMS BOUWMEESTER ]

Hoewel we weten dat een stad waar het goed leven is divers, intens en levendig dient te zijn, hebben we toch al te vaak getracht deze ogenschijnlijke chaos te plannen en structureren. Vele van onze steden zijn vandaag dan ook het resultaat van een rigide planning, met een ruimtelijke organisatie waar elke functie zijn plaats heeft en een gezonde mix van activiteiten niet altijd een kans krijgt. Een deel van de activiteiten die bij het menselijk bestaan horen, zoals het maken, is uit de stadskernen geduwd, richting periferie en alleen nog maar bereikbaar met de auto. De connectie tussen de mens en zijn drang om te creëren is steeds meer verloren gegaan.

O

m een antwoord te vinden op de uitdaging die de crisisperiode en bijhorende periode van schaarste en bezuinigingen sinds 2008 stelden, is er nood aan creativiteit en nieuwe initiatieven die hun oorsprong vinden in de intensiteit en diversiteit van het stedelijk leven. Het is deze creativiteit die de nodige (zelf-)regeneratie van de stad aanwakkert en op zoek gaat naar oplossingen voor de problemen waarmee de stedeling geconfronteerd wordt. Het zal uiteindelijk ook deze creativiteit zijn die toelaat om tot betekenisvolle verandering te komen. En die verandering is dringend nodig. Op verschillende plaatsen konden we lezen dat Vlaanderen wil inzetten op een transitie naar een veerkrachtige en duurzame samenleving. De visie 2050 van de Vlaamse regering vormt hierop geen uitzondering, men streeft naar ‘een sociaal, open, veerkrachtig en internationaal Vlaanderen dat welvaart en welzijn creëert op een slimme, innovatieve en duurzame manier en waarin iedereen meetelt’. Inzetten op transitie betekent ook dat de overheid zijn eigen rol moet herdefiniëren om de juiste omstandigheden voor verandering te creëren. Het bijsturen en aanpassen van het bestaande beleid is hierin cruciaal. De pilootprojecten van de Vlaams Bouwmeester vertrekken vanuit het aanvoelen van maatschappelijke trends en noden. Vanuit een ontwerpend onderzoek trachten ze ideeën te formuleren om het beleid bij te sturen en zo bij te dragen aan de gewenste transitie. Meer specifiek wordt in de pilootprojecten ‘Terug in Omloop’ de koppeling gemaakt tussen stedelijke transformaties, economische transitie en geïntegreerde bodemsanering.

Ambities voor het stedelijk Vlaanderen van morgen De ruimtelijke druk in Vlaanderen en de toenemende vraag naar het aansnijden van open ruimte is groot en zal in de toekomst alleen maar groter worden. Nieuwe manieren om de schaarse beschikbare ruimte optimaal in te zetten en innovatie alle kansen te geven staan dan ook hoog op de agenda. De huidige regelgevingen inzake densiteit en bestemming moeten we in vraag durven stellen om ruimte te creëren voor experiment en onverwachte coalities. En dit is waar overheden, op alle schaalniveaus, een belangrijke rol te spelen hebben. Ze zouden zich natuurlijk kunnen beperken tot het faciliteren van nieuwe initiatieven, maar als Vlaanderen klaar wil zijn voor een onzekere toekomst zal het ook over de nodige veerkracht moeten beschikken. Dan is er meer nodig. De pilootprojecten zijn niet enkel een instrument om nieuwe inzichten te verwerven in de wijze waarop ruimtelijk-maatschappelijke uitdagingen kunnen worden aangepakt. Via de concrete realisatie van vijf projecten tonen ze ook hoe ruimte en materialen proactief terug in omloop kunnen worden gebracht. Ze laten zien hoe creativiteit en maakindustrie een plaats kunnen krijgen binnen een stedelijk Vlaanderen. De pilootprojecten geven ons de kans om na te gaan op welke manier we een beweging kunnen inzetten die leidt naar een meer inclusieve stad, een transitie-economie en een geïntegreerde ruimtelijke ontwikkeling. Testen moeten uitwijzen op welke concrete manier drie ambities verzoend kunnen worden: ■ Het realiseren van een evenwichtige ruimtelijke ontwikkeling, met grote aandacht voor productie in de stad.

| 81


Günth

E KEN UW KLASSIEKERS Ebenezer Howard Bernardo Secchi

Horst Richard Muth

Charles Waldheim

Hoe is het tegenwoordig gesteld met de historische bagage van de gemiddelde ruimtelijk planner of architect? Bestaat er zoiets als een ‘pantheon van de stedenbouw’?

Ruimte vroeg aan zijn redactieleden welke denkers of werkers op hen een blijvende indruk hebben gemaakt en dus zeker niet verloren mogen gaan in de mist der tijden. Nummertje vier in deze rubriek is een naam die je enkel als ‘incontournable’ in de geschiedenis van de stedenbouw kan omschrijven …

Christopher Wren

Dirk Sijmons

Cities have the capability of providing something for everybody, only because, and only when, they are created by everybody. [The Death and Life of Great American Cities]

Jane Jacobs [ 1916-2006 ]

Jane Jacobs – meisjesnaam Jane Butzer – werd op 4 mei 1916 geboren in het Amerikaanse mijnwerkersstadje Scranton (Pennsylvania). Ze stamde uit een typisch Joods middenklassegezin: vader was arts, moeder lerares. De jonge Jane was op school niet bepaald de ijverigste leerling. Maar toen het gezin Butzer in de jaren 1930 naar New York verkaste, maakte ze kennis met het studieobject dat haar voor de rest van haar leven zou blijven fascineren: de grootstad.

84 |

Omdat ze geen academische titels had – ze studeerde slechts een blauwe maandag aan Columbia University – duurde het een tijd voor Jane Jacobs (ze was intussen gehuwd met de architect Robert H. Jacobs) in de wereld van stedenbouw en ruimtelijke planning au sérieux werd genomen. Maar die achterstand heeft ze ruimschoots ingehaald met beklijvende publicaties over de stedelijke dynamica, die ook vijftig jaar later nog niets van hun actualiteitswaarde verloren hebben. Dankzij haar boeken – en dan vooral haar bestseller The Death and Life of Great American Cities: the failure of town planning (1961) – blijft Jacobs ook in de 21ste eeuw nog een household name in de wereld van de postmodernistische stedenbouw. Haar kennis verwierf ze grotendeels door zelfstudie en het accuraat observeren van haar eigen biotoop: het naoorlogse Greenwich Village in New York. Toen ze later met haar gezin naar het Canadese Toronto verhuisde om haar dienstplichtige zonen voor de waanzin van de Vietnamoorlog te behoeden, bleef ze van daaruit met haar discours én haar onverzettelijk activisme de stedelijke debatten wereldwijd beïnvloeden.

Look & learn: Jane versus CIAM Jacobs zat in de Verenigde Staten zowat op de eerste rij om de gevolgen van de stedenbouwkundige aanpak van de Congrès Internationaux d’Architecture Moderne (CIAM), met als boegbeeld Le Corbusier, mee te maken. Het ontrafelen van het stedelijk weefsel en het scheiden van de belangrijkste stedelijke functies betekenden de doodsteek voor de vitale, diverse stad. Volgens Jacobs ‘hebben nieuwe ideeën oude gebouwen nodig’ om te floreren. Vanuit diezelfde optiek vond ook Ebenezer Howard’s ‘artificieel-plannende’ tuinwijk-beweging (zie Ken uw klassiekers I) geen genade in haar ogen. Op stedelijk vlak was Jacobs in haar denk- en actiewerk een vurig voorvechtster van diversiteit en gemengd gebruik, van overzichtelijke bouwblokken en behoud van oud patrimonium, van concentratie. Een sterke dynamica op stoep- en straatniveau was volgens haar een van de belangrijkste pijlers van een gezond buurtleven. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat zij als voorzitster van een actiecomité in 1962 de aanleg van de Lower

Georg


KEN UW KLASSIEKERS

her Vogt

#4

William Alonso

ges-Eugène Haussmann

Le Corbusier

Peter Calthorpe Manuel Castells Oliván

Het straatleven in het New Yorkse Greenwich Village in de jaren '60: onuitputtelijke inspiratiebron voor Jacobs' observaties. © Reporters

Manhattan Expressway wist tegen te houden. Wegeninfrastructuur versus oude stadswijken – het was een gekend gevecht in die naoorlogse jaren. Ook in Antwerpen tekenden stadsplanners toen ongegeneerd plannen voor een autosnelweg die de Ring met de Meir zou verbinden, rakelings langsheen het Rubenshuis. Door haar protestacties kreeg Jacobs bij tal van beleidsmensen en planners de naam een ‘moeilijke tante’ te zijn. Maar het leverde haar evengoed een enthousiaste achterban op.

‘Moeilijke tante’, boeiende vertelster Tot welk ‘kamp’ haar lezers ook behoren, haar sterk ervaringsgerichte beschrijvingen van het New Yorkse straatleven in The Death and Life… zijn ook nu nog inspirerende pareltjes. Ter staving, volgend fragment… ‘Under the seeming disorder of the old city, wherever the old city is working successfully, is a marvelous order for maintaining the safety of the streets and the freedom of the city. It is a complex order. Its essence is intricacy of sidewalk use, bringing with it a constant succession of eyes. This order is all composed of movement and change, and although it is life, not art, we may fancifully call it the art form of the city and liken it to the dance — not to a

simple-minded precision dance with everyone kicking up at the same time, twirling in unison and bowing off en masse, but to an intricate ballet in which the individual dancers and ensembles all have distinctive parts which miraculously reinforce each other and compose an orderly whole. The ballet of the good city sidewalk never repeats itself from place to place, and in any one place is always replete with new improvisations.’ Jacobs was naast een overtuigde activiste ook een boeiende vertelster. Haar publicaties – die zich niet beperken tot het domein van ruimtelijke ordening, maar ook economie, cultuur en ethiek in hun verhaal betrekken – zijn dan ook in de eerste plaats echte leesboeken.

Alive and kicking Wie eraan twijfelt of Jacobs’ werken negen jaar na haar dood nog relevant zouden zijn, hoeft er de kranten of stedenbouwkundige fora maar op na te slaan: verhitte discussies over al dan niet aantoonbare ‘gentrificatie’-uitwassen in zichzelf transformerende stadswijken, het belang van een stedelijke mix voor de creatieve kenniseconomie,… het zijn maar een paar van de items die al een halve eeuw geleden door Jacobs werden aangesneden.

| 85


WAAR IS DE RASTERSTAD? O S WA L D D E V I S C H H O O F D D O C E N T FA C U LT E I T A R C H I T E C T U U R & K U N S T , U N I V E R S I T E I T H A S S E LT

Genk is uniek. Dat beweert natuurlijk elke stad, maar het verschil met andere steden is dat Genk worstelt met deze uniciteit. De opkomst van de mijnen in het begin van de vorige eeuw zorgde voor een bevolkingsexplosie en een ongestuurde verstedelijking.

Jens Aerts, Miechel De Paep, Arnout Vandenbossche & Joeri De Bruyn.

Genk, rasterstad Public Space | Mechelen 2015 | 336 blz. | 30 euro

86

|

De auteurs van Genk, rasterstad beschrijven het resultaat van deze evolutie als ‘een onsamenhangende ratjetoe van individuele fragmenten en patronen’. Dé uitdaging ligt volgens hen in het beter op elkaar betrekken van bestaande ruimten, plekken, programma’s en verbanden. Dit vraagt om meer dan stadsvernieuwing. Genk moest op zoek naar een eigen planningsbenadering met eigen strategieën en instrumenten. Die hebben ze gevonden in het concept van de rasterstad. De auteurs benadrukken dat de rasterstad geen stadsmodel is, maar een manier van kijken naar een stad. Het concept komt uit het Witboek Stedenbeleid en wordt daar geschetst als een samenspel van lijnen, knopen en mazen. Lijnen kunnen infrastructuurlijnen zijn, maar ook waterlopen of groene corridors. En mazen kunnen bestaan uit open ruimte of bebouwing. De

figuur van de rasterstad wil de relatieve betekenis van grenzen en invullingen benadrukken, om zo een andere lezing van het territorium mogelijk te maken. Om dit concept handen en voeten te geven, organiseerde Genk de laatste jaren drie stadsdebatten en een reeks ontwerpend onderzoeken. Ondanks al deze initiatieven blijft dezelfde vraag terugkomen: moet de focus nu op het centrum liggen of op de wijken? En dat is goed, want het open beeld van de rasterstad vraagt om een voortdurend zoeken. Het boek maakt een stand van zaken op vanuit drie schaalniveaus: een historische reconstructie op schaal van de volledige stad, een overzicht van recente en geplande projecten, en een reeks gesprekken met Genkenaren. Samen schetsen deze een goed beeld van Genk. Pagina na pagina wordt duidelijk hoe complex de ratjetoe is en hoe groot de uitdagingen voor de stad. Ondertussen illustreren de foto’s en gesprekken de kracht van de diversiteit. In Genk broeit iets, iets kosmopolitisch. Tegelijkertijd lijkt het, op het einde van het boek, alsof alles klopt. Tussen de regels door verschijnt een stedelijke visie, die verdacht veel lijkt op een structuurplan, met structu-

rerende groengebieden, primaire en secundaire verkeersassen, economische clusters, enz. De ratjetoe blijkt plotseling een heldere figuur te vormen. Alsof de zoektocht van de stadsdebatten en de ontwerpend onderzoeken een eenduidige conclusie hebben opgeleverd. Misschien ligt het aan de beschrijvende aanpak van het boek. De kaarten tonen lagen, maar geen relaties. Ze reconstrueren het verstedelijkingsproces van Genk, maar interpreteren de transformaties niet. Ook de teksten blijven beschrijvend. Ze evalueren niet. Want hoe bevorderen de besproken projecten bijvoorbeeld de samenhang tussen de individuele fragmenten en patronen? En hoe bieden ze een antwoord op de economische crisis van Genk? Of op de stagnerende demografische groei? Na het lezen van het boek overheerst dan ook het gevoel dat we kennis gemaakt hebben met de unieke situatie van Genk, maar niet met het concept van de rasterstad. Groeit er in Genk nu een eigen planningsbenadering met eigen strategieën en instrumenten? Een benadering die veeleer op projecten stoelt dan op structuurplannen? Die veeleer uitgaat van initiatieven die bottom-up groeien dan van strategisch geplande projecten? Daar krijgt de lezer geen antwoord op. En dat is jammer, want we lopen stilaan allemaal verloren in de rasterstad.


# RECENSIES

HAVEN EN STAD: RICHTLIJNEN VOOR GOEDE PRAKTIJK GEZOCHT P I E T O P S TA E L E C O N S U L E N T I N F R A S T R U C T U U R E N M I L I E U H AV E N VA N A N T W E R P E N , R U I M T E L I J K P L A N N E R

The AIVP (Association Internationale Villes Ports – International Association of Port Cities) heeft een verdienstelijke poging gedaan om in de uitdagende (ver)houding tussen de stad en haar haven een aantal inspirerende praktijkvoorbeelden toe te lichten. Ruimtelijke planning, economische ontwikkeling, milieu-uitdagingen en projectbeheer passeren de revue.

Het volstaat om eens door het rapport te scrollen om je te laDownloadbaar via ten meenemen naar ambitieuze, www.aivp.org/en/2015/06/30/plan-the-city-with-theport-guide-of-good-practices-2/#more-6228 fascinerende en vooral concreet Of aan te vragen via ddavoult@aivp.org gerealiseerde haven-stadprojecPosted: 30 juni 2015 / Gratis ten over de wereld. Ze zullen de lezer evenwel niet onmiddellijk oplossingen bieden voor de talrijke uitdagingen waarvoor de De online publicatie Plan the city with the havens ook in Vlaanderen staan (mobiliteit, port, die gratis te consulteren/downloaden ruimteproductiviteit, milieu-impact, maatis, lijkt bijzonder aantrekkelijk op basis van schappelijk draagvlak, …). de hoofdstructuur (‘share the use of the water’, ‘showcase port city landmarks and scenery’, Antwerpen – met het MAS en het nieuwe ‘how to conserve biodiversity’, ‘how to make Havenhuis – wordt terecht geprezen om de development projects profitable’) maar de invul- ontwikkeling van architecturale of symboliling ervan is te exemplarisch aan de hand sche elementen op het raakpunt tussen stad van talrijke voorbeelden uit havensteden en haven. Sprekend zijn ook de voorbeelover de wereld (met nadruk op Frankrijk den over (infrastructurele) adaptatie aan en Nederland). de rijzende zeespiegel (New York, Hamburg, Auckland) en projecten als mitigatie Leuk zijn de overvloedige foto’s die de pro- voor geluidsoverlast (Bremerhaven). Ook jecten illustreren maar het is jammer dat de het feit dat er in Antwerpen samen met de auteurs niet tot een set ‘richtlijnen van goede havengemeenschap een duurzaamheidsverpraktijk’ zijn gekomen, die als leidraad zou slag gerealiseerd wordt, krijgt een eervolle kunnen dienen voor beleidsmakers en ande- vermelding. re stakeholders. Dat zou het rapport pas tot een echte referentie hebben gemaakt. De voorbeelden van hoe ontwikkelingspro-

jecten rendabel kunnen worden gemaakt en hoe city-port projecten gestuurd kunnen worden zijn jammer genoeg te weinig uitgewerkt en onderbouwd. De ‘Tall ship races’ zijn natuurlijk belangrijk voor Antwerpen maar het is toch te optimistisch om te stellen dat dit evenement de renovatie van 500 meter kaaimuur (met een kostprijs van circa 10 miljoen euro) initieerde. Niettemin is er nood aan strategieën en ontwikkelingsprojecten om de stad en haven dichter bij elkaar te brengen, zoals recent nog door de haven van Zeebrugge werd gepresenteerd als één van de vier kernelementen voor haar toekomstige ontwikkeling. Deze publicatie biedt een duidelijke structuur voor een omvattende stad-haven strategie en talrijke voorbeelden, maar blijft toch te oppervlakkig. Ze zou erbij winnen als ze niet enkel generieke richtlijnen voor beleidsmakers en ontwikkelaars aangaf maar ook peilde naar de relatie tussen de stad en de ‘nieuwe’ haven(gebieden) die veelal fysiek/geografisch verder uit elkaar liggen maar niettemin steeds weer op zoek zijn naar elkaar (cultuur-economie-leefbaarheidmobiliteit-recreatie-…)

| 87


partners

Volgende partners ondersteunen de VRP. Voor meer informatie over het partnerschap kan u terecht op info@vrp.be.

AG Vespa Generaal Lemanstraat 55 2018 Antwerpen T 03 259 28 10 | F 03 259 28 11 info@Vespa.Antwerpen.be www.agvespa.be

Buur De Hoorn Sluisstraat 79 3000 Leuven T 016/89 85 50 | F 016/89 85 49 buur@buur.be | www.buur.be

Intercommunale Leiedal President Kennedypark 10 8500 Kortrijk | 056 24 16 16 info@leiedal.be | www.leiedal.be

Gemeentelijk havenbedrijf Antwerpen Havenhuis Entrepotkaai 1 | 2000 Antwerpen T 03/ 205 23 77 | F 03/ 205 23 29 info@haven.antwerpen.be www.havenvanantwerpen.com

Omgeving Uitbreidingstraat 390 2600 Berchem – Antwerpen T 03/448 22 72 | F 03/440 13 93 info@omgeving.be | www.omgeving.be

Stad Gent T 09/210 10 10 | F 09/210 10 20 gentinfo@gent.be | www.gent.be

BRUT Kiekenmarkt 33 | 1000 Brussel 02 450 99 00 info@brut-web.be | www.brut-web.be Antea Group Roderveldlaan 1 | 2600 Antwerpen T 03/221 55 00 | F 03/221 55 01 info.be@anteagroup.com www.anteagroup.be

groep Van Roey Sint Lenaartsesteenweg 7 2310 Rijkevorsel T 03/340 17 11 info@vanroey.pro www.vanroey.pro De Lijn Motstraat 20 | 2800 Mechelen www.delijn.be | 015 40 87 11

GEOSTED stedenbouw

Stramien Broederminstraat 52 | 2018 Antwerpen T 03/248 54 02 | F 03/248 77 80 info@stramien.be | www.stramien.be

MINT nv Hendrik Consciencestraat 1B 2800 Mechelen T 015/56 04 20 | F 015/56 04 29 mint@mintnv.be – www.mintnv.be

stad Genk Stadsplein 1 | 3600 Genk T 089 65 36 00 | F 089 65 34 70 info@genk.be | www.genk.be

Common Ground Cogels Osylei 19 2600 Berchem (Zurenborg) 03/235.00.00 info@common-ground.eu www.common-ground.eu

Riemsterweg 117 3742 Bilzen T. +3289515343 F. +3289515344

Geosted Riemsterweg 117 | 3742 Bilzen T 089/51 53 43 | 089/51 53 44 info@geosted.be

Havenbedrijf Gent John Kennedylaan 32 Haven 3000 A | 9042 Gent T 09/251 05 50 | F 09/251 54 06 info@havengent.be www.havengent.be Blauwdruk Stedenbouw Karel De Preterlei 204 B-2140 Antwerpen tel +32 (0) 3 344 93 20 www.blauwdrukstedenbouw.be

matexi nv Franklin Rooseveltlaan 180 8790 Waregem | T 056 62 74 00 info@matexi.be | www.matexi.be

90 |

Stad Kortrijk Grote Markt 54 8500 Kortrijk T 1777 / F 056/27 70 09 info@kortrijk.be / www.kortrijk.be

d+a consult Meiboom 26 | 1500 Halle T 02 363 89 10 | F 02 363 89 11 info@daconsult.be | www.daconsult.be

Antwerp Management School Het Brantijser Sint-Jacobsmarkt 9-13 2000 Antwerpen 03 265 49 89 info@antwerpmanagementschool.be www.antwerpmanagementschool.be

Stadsontwikkeling Antwerpen Bezoekadres: Francis Wellesplein 1 | 2018 Antwerpen Postadres: Grote Markt 1 | 2000 Antwerpen T 03/221 13 33 info@stad.antwerpen.be www.antwerpen.be

die Keure Kleine Pathoekeweg 3 8000 Brugge | T 050 / 47 12 72 info@diekeure.be | www.diekeure.be

Gentse Kanaalzone Projectbureau Gentse Kanaalzone PAC Zuid | Woodrow Wilsonplein 2 9000 Gent | T 09 267 78 02 info@gentsekanaalzone.be www.gentsekanaalzone.be


sponsors

De werking van de VRP en de publicatie van Ruimte zijn mogelijk dankzij volgende hoofdsponsors:

volgend nummer [   F OT O : R E P O R T E R S

Driemaandelijks: maart - april - mei 2016

ruimte VA K B L A D VA N D E V L A A M S E V E R E N I G I N G V O O R R U I M T E E N P L A N N I N G

[ F OTO : R E P O R T E R S , D A N N Y G Y S ]

open ruimte, open blik

29 verschijnt in februari 2016

RU IMTE > jaargang 7 | nummer 28 | december 2015 - februari - maart 2016 | verschijnt vier keer per jaar  n V R P - B E ST U U R > Jan Baelus | Liesl Vanautgaerden| Griet Celen| Oswald Devisch | Steven Ducatteeuw | Kristien Lefeber | Nancy Meijsmans | Philip Moyersoen | Ann Pisman | Stephan Reniers | Peggy Totté | Sylvie Van Damme| Elke Vanempten | Peter Vermeulen | Joris Voets  n HOOFDREDAC TEUR RUIMTE > Koen Raeymaekers  n EINDREDAC TIE > Piet Piryns | Koen Raeymaekers  n KERNREDAC TIE 'ECONOMIE' Griet Geerinck | Elisabeth Wouters | Koen Vermoesen   n REDAC TIER AAD > Luuk Boelens | Linda Boudry | Tom Coppens | Oswald Devisch | Katia De Bock| Bernard Hubeau | Peter Renard | Peggy Totté | Maarten Van Acker | Sylvie Van Damme | Maria Leus | Marc Martens | Jan Van Alsenoy | Guy Vloebergh | Elisabeth Wouters  n VER ANT WOORDELIJKE UITGE VER > Sylvie Van Damme | Damplein 27 | 2060 Antwerpen  n REDAC TIEADRES > VRP-secretariaat | Damplein 27 | 2060 Antwerpen | 03 201 59 00 | info@vrp.be  n VO R M G E V I N G > lu'cifer n D RU K > drukkerij Bulckens  n A B O N N E M E N T > Ruimte is in het VRP-lidmaatschap inbegrepen. Een los nummer kost € 25 | meer info op www.vrp.be

R U I M T E W O R D T G E D RU K T O P 1 0 0 % G E R E C YC L E E R D PA P I E R

| 91


“De betoncentrales langs het kanaal bevoorraden de permanente va-et-vient van de bouwwerven in de stad. Het sorteren van opgehaald glas of het samenpersen van autowrakken en ander oud ijzer zijn behandelingen van de restproducten die door het stedelijk metabolisme voortgebracht worden. De logistiek van de pakjesdiensten of de huisvuilophaling zijn diensten die ons intense stadsleven draaiende houden. We moeten opnieuw leren dit soort achterkant-activiteiten van de stad als even stedelijk te beschouwen als de consumptieve voorzijde. Ze zijn even stadseigen als de bars, shoppingroutes en leuke woonprojecten die we zo graag aanprijzen als stedelijke renaissance.�

verso (Kristiaan Borret, p. 29)

92 |

Profile for Vlaamse Vereniging voor Ruimte en Planning

Ruimte#28  

2015 loopt op zijn einde en Ruimte begeeft zich met het themadossier ‘Economie’ dan ook richting kassa. Benieuwd wat het rekeningbonnetje te...

Ruimte#28  

2015 loopt op zijn einde en Ruimte begeeft zich met het themadossier ‘Economie’ dan ook richting kassa. Benieuwd wat het rekeningbonnetje te...

Advertisement