Bart Lodewijks - Noordereiland Tekeningen 3 (NL)

Page 1

B ar t Lodew ijk s Noorde re iland te k e ning e n 3

N e derlands

De p le itb ez org e r

1


N oordereiland -tekeningen B art Lodew ijk s , 20 20 -20 21

2


Tot vorige we ek waren er alle en nog k rijt tekeningen te z ien op de we s tk ant van het eiland . In e en poging het hele eiland onder handen te nemen brac ht ik enkele tekeningen in het midden van de M aas k ade aan, onder andere op het s c hip van B ert. M aar B ert voer met z ijn hele hebb en en houden naar S c hie dam . D e le ge plek liet ik voor wat het was en ik ging mijn geluk b eproeven in het uiters te oos ten. Daar glorie ert, hoog en droog b oven het eiland verheven, e en foeilelijk appartementenc omplex : de K oopvaardijhof. E r wonen maar liefs t driehonderdtac htig mens en. M ijn tekeningen werden niet welkom geheten, z e moe s ten we g . Toen werd ik door e en verlic ht s tel uitgenodigd op de b ovens te verdieping .

1



3


4


5


De p le itb ez org e r

6


H et is laagtij en het vers c hil tus s en eb en v loe d is ruim anderhalve meter. Ik heb e en emmer en e en hoge druk reiniger gekoc ht om de k rijt tekeningen die ik e en we ek gele den op de K oopvaardijhof aanbrac ht, er we er van af te s puiten. D e K oopvaardijhof is e en s oc iale woningb ouw proje c t uit 19 8 2 dat uit de M aas oprijs t, e en hemeltergende s tapeling van tien verdiepingen glas en b eton. O mdat er in de w ijde omtrek ge en k raan te b e s peuren valt waar de hoge druk reiniger op aange s loten k an worden, haal ik het water uit de K onings haven. M ijn s c hoonmaak ac tie v indt plaats op verz oek van de vereniging van eigenaren. Lenie, e en ros s ige v rouw van in de z e s tig die erg b e gaan is met de s taat van het geb ouw, he ef t haar b ek lag ge daan. Z ij en haar man wonen aan de andere k ant van de muur waar ik op getekend heb . Z e he ef t uitz ic ht op de binnentuin van het c omplex , e en gaz on z o groot als e en voetbalveld waar

banken en s pe eltoe s tellen s taan. D e ac ht meter hoge, aan de buitenluc ht openge s telde doorgang die de binnentuin van het woonc omplex met de k ade verbindt, is e en toc htgat, maar het is er droog . E en b etere loc atie voor e en k rijt tekening heb ik op het eiland niet gevonden. Ik was er bijna in ge s laagd om e en permanente k rijt tekening na te laten. T ijdens het tekenen k noopte ik z o nu en dan e en praatje aan met de b ewoners . Ik s tond op e en ladder en s prak vanuit de hoogte, wat ik onpret tig v ind want ik k ijk niet graag op mens en ne er. A ls Lenie langs liep of met haar man op het balkon z at, z ag z e mij k rijten. ‘Ik b en jullie nieuwe buurman’, grapte ik , maar de humor ontging haar. ‘Niemand he ef t erom gev raagd, dus horen jouw k rijt tekeningen hier niet thuis ’, z ei z e . Ik tekende op drie meter hoogte, z odat niemand het k rijt kon uit ve gen. Z e vergele ek mijn werk met e en 7


8


9


v luc htig getekende, obs c ene fallus die in ver v logen jaren met e en z warte v ilts tif t brutaal op de gevel van het geb ouw was aangebrac ht door e en anoniem pers oon. Volgens haar is het allemaal é én pot nat en moet het geb ouw gev rijwaard blijven van gek lie der. In de hoop dat z e z ic h als nog met mijn tekening z ou verz oenen s telde ik me z o b e gripvol mogelijk op. O p de linker- en re c hterhoek van het geb ouw brac ht ik nog twe e grote tekeningen aan. E en drietal gepens ione erde havenarb eiders herkende er dwars doors ne den van s c hepen in, maar het waren geabs trahe erde s finx en die over mij waak ten. Z o hield ik het geb ouw in mijn gre ep en konden de b ewoners mij leren kennen. D e mannen wonen in de K oopvaardijhof en z e verz amelen z ic h me erdere keren per dag voor de ingang om met elk aar te keuvelen. O ngev raagd b e c ommentarie erden z e mijn werk . H et z ijn z ac htmoe dige

mopperkonten die weten wat werken is , maar ge en poot me er z ullen uits teken. E en van hen he et S jaak en mis t e en b e en. Hij s troopte z ijn broek s pijp op en liet me z ijn prothe s e z ien. ‘H e ef t ie aan z ic hz elf te danken, hoor. Hij he ef t diab ete s en was te eigenw ijs om naar de dok ter te gaan. Dat k rijg je er nou van’, reage erde z ijn maat P iet niet b epaald empathis c h. Hun ge ouwehoer en het eindeloz e gerelative er hadden e en b emoe digend eff e c t op mij. Daarom b e gon ik aan e en v ierde grote tekening , op e en w itge s c hilderde wand die de toc htige doorgang in e en voetgangers - en e en fiets ers z one verde elt. O mdat w it te k rijtlijnen nauwelijk s z ic htbaar z ijn op e en w it te ondergrond, gebruik te ik oranje k rijt, e en k leur die ook in de haven wordt gebruik t. Ik was amper e en uur s trepen aan het trek ken toen de voorz it ter van de vereniging van eigenaren er rigoureus e en einde aan maak te . A lle tekeningen 10


11


12


die ik op het geb ouw had aangebrac ht, ook de over mij wakende s finx en, dienden met onmiddellijke ingang verw ijderd te worden. E r is ve el water voor nodig om de tekeningen we g te s poelen. O nder het toez iend oog van de voormalige havenarb eiders takel ik bij w ijz e van ex erc itie emmertje voor emmertje uit de M aas omhoog . Ik heb de voorz it ter b eloofd dat ik net z olang water blijf takelen totdat de riv ier le e g is en het laats te k rijtpuntje van het geb ouw verdwenen is . Vooral de oranje tekening is hardnek k ig . H oe harder ik poets , de s te dieper k ruipt het pigment in de ondergrond . Nu Lenie niet me er re c hts tre ek s tot mij s pre ek t, maar v ia de voorz it ter, is haar s tem in mijn hoofd tere c htgekomen. Z e is alomte genwoordig , maar ik s la er ge en ac ht op. Ik trek me ook niets aan van wat de mopperkonten uitk ramen. H et is

allemaal lollig b e doeld . ‘H ebb en z e je dit op de k uns tac ademie gele erd? ’, v raagt P iet hoofds c huddend . A ls Lenie pas s e ert s lingeren z e hun lompe opmerk ingen evengoe d naar háár hoofd . ‘Je b ent e en dic tator’, bromt S jaak te gen haar. Z ijn voormalige c olle ga’s k ijken haar na . Ik s nap b e s t dat de ijver waarme e ik tekende en de welw illendheid die ik met de verw ijdering er van aan de dag le g , hoon en s pot opwek ken. M aar dat ook Lenie het moet ontgelden, s temt tot nadenken. D e mannen doen lelijk te gen ons alleb ei, terw ijl w ij het b eiden goe d voorhebb en met het geb ouw. Hun lompheid drijf t Lenie en mij naar elk aar toe . In e en v laag van loy aliteit ge ef ik haar e en k nipoog en z e g z onder s pot of ironie: ‘D oor mijn poets ac tie z al het geb ouw mooier worden dan ooit tevoren.’ Z e b e ent door z onder iets terug te z e ggen. Tekeningen we gpoets en is net z oiets als water naar de z e e dragen, maar ik b en er 13


niet mis noe gd over. Dat ik met k rijt werk , he ef t mij gehard . D e re gen s poelde de afgelopen jaren z ove el tekeningen we g dat de verliez en niet me er tellen. M aar dat ik de tekening bij de ingang van de K oopvaardijhof moet verw ijderen, we e gt z waar. D iep in mijn hart w il ik e en tekening op het eiland nalaten die z ic htbaar blijf t en het z onder mij k an s tellen. D e lelijke en toc htige doorgang van de K oopvaardijhof z ou z o’n tekening op vols trek t natuurlijke w ijz e b e s c hermen, als of het geb ouw er voor ontworpen is . A an de andere k ant van het eiland, op het elek tric iteits huis je naas t de jeu-de -b oule s baan, heb ik ook e en tekening gemaak t waar de re gen niet bij k an, maar daar woekert dan we er e en k limop. D e tekening is enkel z ic htbaar vanuit de te genovergele gen appartementen, maar z al langz amerhand verdw ijnen ac hter het dic hte gebladerte . Lenie s taat w ijdb e ens op de k ade en praat druk te gen

e en tengere v rouw met e en C hihuahua in haar armen. D e hondenb ez its ter s c hudt ongelov ig haar hoofd . S pre ek t Lenie over het we er of over het miniatuurhondje? E r is amper e en wolk je aan de luc ht en het hondje is de braafheid z elve . O p het moment dat Lenie mij gewaarwordt, ke ert z e mij haar rug toe . H e ef t z e het over mij? M et e en le ge emmer b e ge ef ik mij voor de z ove els te ke er naar de riv ier. Ik heb de tekeningen v rijwel gehe el van de muren ge s poeld, z onder er iets bij te voelen. D e ogen van de C hihuahua-v rouw priemen in mijn rug . H et is e en priv ile ge om eigenhandig e en tekening te verw ijderen, moe dig ik mez elf aan. Ik b en de we erman die op b evel e en wolk doet breken, ik laat het niet over aan de onvoors pelbare natuur. In de K onings haven is de golfs lag k almer en voors pelbaarder dan in de druk b evaren Nieuwe M aas , die langs de andere k ant van 14


de K oopvaardijhof s troomt. A ls ik de emmer vanaf de k ade re c ht in het water w il laten z ak ken, is het touw dat ik aan het hengs el heb gek noopt, net e en armlengte te kort. H et rafelige uiteinde houd ik in mijn re c hterhand en met mijn andere hand omk lem ik e en s talen buis van de ladder die in de k ademuur verankerd z it. S tap voor s tap daal ik af naar het wateropper v lak en verdw ijn langz aam ac hter de k ademuur. Lenie en de C hihuahua-v rouw k unnen mij nu niet me er z ien. Ik z et mijn voeten s c hrap op de onders te s port, die b e dek t is met glad w ier. E en we eïge, z ilte geur k ruipt in mijn neus en e en golf lauw M aas water maak t mijn s c hoenen nat. B ehoe dz aam laat ik de emmer z ak ken. Hij tolt als e en papieren s c he epje s tuurloos met de s troom me e, tot het koord s trak s taat en het water over de rand naar binnen guts t. H et is e en hele k lus om de emmer niet te laten z inken en hem z onder gemors op de k ade te k rijgen. O m

daarin te s lagen kom ik eigenlijk handen tekort. Ik k lem mijn arm met de emmer om de s talen s porten van de trap, terw ijl ik het touw s tev ig vas thoud . M et mijn v rijgekomen hand grijp ik naar e en hoger gele gen s port. O ndertus s en z w iept de emmer ver vaarlijk te gen de k ademuur en te gen mijn nat te s c hoenen. K rampac htig hijs ik de k lots ende emmer e en tiental de c imeters omhoog . Ik haal diep adem en s laag erin om de emmer met mijn ge s trek te arm z onder al te ve el gek noei b oven mijn hoofd op de k ade te z et ten. D it pruts werk z al ongetw ijfeld op de lac hs pieren werken van Lenie en de hondenb ez its ter, denk ik , maar als ik met mijn hoofd b oven de k ade vers c hijn, z ijn de twe e v rouwen verdwenen. E en magere man op le ef tijd k ijk t mij met gefrons te wenk brauwen aan. ‘H et is s c handalig dat je die prac htige k rijt tekeningen we ghaalt. H et waren z ulke mooie tekeningen, maar nu huilen z e ’, z e gt hij als 15


ik naas t hem s ta . H et met k rijt vermengde s poelwater he ef t op de muren e en ragfijn, w it tranendal nagelaten. ‘Ik moet z e van de voorz it ter we ghalen’, z e g ik vol plic hts b e s ef. Ik droog de tranen later wel, w il ik z e ggen, maar k rijg de woorden niet over mijn lippen. Ik voel me b e s c haamd dat ik de autoriteiten hun z in gaf. W ant w ie maak t nou de diens t uit als het over k rijt tekeningen gaat, ik toc h z eker? ‘H et gek apit tel van de vereniging irrite ert me mateloos ’, vertrouw t hij me met e en erns tige glimlac h toe . Hij k ie s t z ijn woorden z orgv uldig , als of z e op s c hrif t s taan, z e getuigen van re s pe c t voor taal en e erbie d voor s c hoonheid . Ik ga wat dic hter bij hem s taan. Hij is groter, ouder en allic ht ook w ijz er dan ik . O ndank s al dez e vers c hillen delen we iets . M aar wat pre c ie s? Z ou het de liefde voor taal z ijn? W ie is dez e pleitb ez orger die uit het niets opdoemt? Ik w il het hem v ragen, maar s lik mijn woorden in. H et is te v roe g voor

c onc rete v ragen, de b etovering van het moment z ou verbroken worden. Z ijn werk z ame leven ligt waars c hijnlijk ac hter hem en ernaar hengelen z ou hem in verle genheid k unnen brengen. H et is aardig dat hij uit z ic hz elf naar mij toe is gekomen en z ic h z o waarderend over mijn werk uits pre ek t. E endrac htig s taren we naar de M aas en z w ijgen. D e over v loe d aan water waarme e de tekeningen we gge s poeld k unnen worden, jaagt mij s c hrik aan. D e motivatie om nog me er water uit de M aas te s c heppen v loeit uit mijn lijf, als of de man mij wak ker he ef t ge s c hud en mij op mijn eigenlijke taak w ijs t. O nder ge en b e ding mag ik me dewerk ing verlenen aan het verw ijderen van k rijt tekeningen, en al helemaal niet aan autoriteiten, daar rus t vanaf he den e en verb od op. Ik voel me op e en z ac htaardige manier ge c orrige erd, maar de s te harder komt de b oods c hap aan. Ik k ijk opz ij naar mijn me de s tander, die over het 16


17


18


deinende water tuurt. W at gaat er allemaal om in z ijn hoofd, denk t hij hetz elfde als ik ? ‘ W at doet u eigenlijk voor de kos t? ’ flap ik er ope ens uit. ‘Ik b en in rus te ’, z e gt hij na even nadenken. E r trek t e en nog diepere frons over z ijn gez ic ht dan z ojuis t. ‘M ijn naam is Le endert, maar noem mij maar Le en.’ B oven ons k rijs t e en me euw, e en k lodder drek valt pre c ie s in de emmer. ‘Dat is welgemik t ’, roept hij naar de vogel. ‘Ik heb ve el me euwen getekend, al z ijn het eigenlijk allemaal albatros s en. Ik k an erg goe d albatros s en tekenen’, z e gt hij. Ik reik hem de hand en z e g lac hend: ‘N oem mij maar B art, ik teken ook graag .’ ‘B art, dat is e en mooie naam . Ik heb me erdere k rijt tekeningen van jou op het eiland z ien vers c hijnen, z e k wamen haas t uit de luc ht vallen’, z e gt hij met e en sy mpathieke grijns .

19


20


21


de b ovens te verdieping – de ve s tingbrug ne ergelaten. In jullie woning b elandde ik in H et he ef t mij buitengewoon e en luw te die ik nog niet kende ve el goe d ge daan om op het eiland, niet omdat ik u te ontmoeten op die mij ope ens tus s en v ier muren z onovergoten dag in juni. b evond die re gen en w ind H et A ntwerps e H oofd, de buiten de deur houden, maar z ogenoemde oos telijke k ant door de vele b oeken in de van het eiland, dat v rijwel woning . Ik z e e g let terlijk ne er gehe el wordt ingenomen als e en pers oon die na e en door de K oopvaardijhof – het lange reis thuis komt. M ijn ogen appartementenc omplex waarin s treken over de s c hrijvers die u en uw v rouw B ep wonen en sy s tematis c h jullie wandk as t dat landelijk te b oek s taat als v ullen. L aat ik e erlijk z ijn: ik e en van de lelijk s te geb ouwen was niet alle en dank baar voor van de s tad – liet ik lange tijd jullie generos iteit, ik k wam ongemoeid, niet vanwe ge de ook bijtanken en mijn wonden afs c hrik wek kende werk ing lik ken. O p s traat was het die de kolos op mij uitoefende, helemaal mis ge gaan. maar omdat ik mijn handen In de v roe ge z omer trok vol had aan de we s tk ant van ik de s toute s c hoenen aan het eiland . Vergeleken met de en b e gon z onder vooraf we s tk ant – woningb ouw uit de v roe ge jaren v ijf tig , opgetrok ken toe s temming te v ragen aan uit bak s te en die niet hoger reik t e en tekening op de gevel dan drie verdiepingen – oogt de van de K oopvaardijhof. A an w ie had ik toe s temming K oopvaardijhof als e en ve s ting . k unnen v ragen? A an de U hebt – eigenlijk moet ik jullie vereniging van eigenaren, z e ggen, want het was B ep die aan de b ewoners? Dat had mij later uitnodigde voor de gek und, de vereniging z etelt lunc h in jullie appartement op B e s te Le endert,

22


in het geb ouw en b ewoners liep ik te gen het lijf. M aar ik voelde e en weigering om aan w ie dan ook toe s temming te v ragen. D e tekeningen die ik op de we s tk ant van het eiland had gemaak t, oefenden e en s tuwende k rac ht op mij uit. Ik werd oos twaarts ge dreven en de vanz elfs prekendheid om overal op te tekenen reis de met mij me e . H et gevolg was natuurlijk dat de b ewoners mij aans praken toen ik e enmaal op de K oopvaardijhof aan het werk was . Dat geb eurde in het gehe el niet laatdunkend, e erder v rolijk en kolderiek . Ik le erde S jaak met de houten poot kennen en het k uns tminnende k raaienv rouw tje, e en bijnaam die z e te danken he ef t aan haar vogelac htige manier van lopen en haar over v loe dig gebruik van z wart oogpotlood . Z e vertelde dat k uns t b elangrijk is en dat je goe d voor jez elf moet z orgen. Ik b eaamde dat, maar ruimte om iets v riendelijk s terug te z e ggen k re e g ik niet. Z e s prak uits luitend over z ic hz elf en

vertelde tus s en neus en lippen door dat z e haar man niet had verwaarloos d . H aar pleidooi voor z org en aandac ht s loe g op mij over. D e e d ik niet hetz elfde, z org dragen, maar dan voor e en geb ouw of mis s c hien z elfs voor het hele eiland? G emotive erd k rijt te ik voort. A llengs vers c henen er me er tekeningen op de K oopvaardijhof dan ik oors pronkelijk voor ogen had . E n toen vers c he en Lenie, de buur v rouw van de tekening . D oor haar toe doen k wam mijn z org voor het geb ouw in e en ander lic ht te s taan. Jullie z ullen allic ht denken: hij valt met de deur in huis en s truikelt over z ijn woorden. D e re den van dit s c hrijven is e envoudig . Ik w il jullie b e danken voor het warme onthaal en het goe de ge s prek dat we aan de keukentafel voerden. Terw ijl ik me onz e uitgebreide lunc h voor de ge e s t haal, b e denk ik dat ik jullie nog ve el me er w il vertellen.

23


24


25


26


A an we ers z ijden bie dt het appartement van B ep en Le en z ic ht op R ot terdam . H et is laat in de middag en de tafel waar we aan z it ten werpt e en langgerek te s c haduw op het tapijt. Voor de twe e de ke er kom ik bij hen over de v loer, ik voel me er al bijna k ind aan huis . ‘D e tekeningen op de b e gane grond huilen nog s te e ds ’, z e gt Le en, verw ijz end naar de puntje s k rijt die ik moe dw illig ac hterliet. ‘Ik s poel nooit me er e en eigen c reatie we g ’, z e g ik s tellig . Le en k nik t ins temmend . ‘M et de oranje z we em moeten Lenie en de voorz it ter maar z ien te leven. Ik heb haar gez e gd dat het k leur vers c hil alle en z ic htbaar is als iemand het per s e w il z ien, of er door haar op gewez en wordt ’, z e g ik . ‘Z e is toe getre den tot het b ewoners plat form en de k rijt tekeningen bie den e en uitgelez en k ans om e en punt te maken waar ie dere en het waars c hijnlijk over e ens is ’, s pre ek t Le en uit. ‘D oor de opmerk ing “Je b ent e en

dic tator” k re e g ik e en z wak voor haar, als of ik haar in b e s c herming moe s t nemen’, ge ef ik als re den op dat ik niet te gen haar b en uitgevaren. ‘H et is e en b e s t mens ,’ b eve s tigt Le en, ‘maar z e werk t wel op mijn z enuwen. Ik heb me er moeite met de voorz it ter, die z ic h niet in jouw werk w ilde verdiepen.’ ‘H et pijnlijke aan de k we s tie is dat mijn ve elb elovende permanente k rijt tekening het he ef t moeten ontgelden en dat ik we er met le ge handen s ta .’ M ijn verlie s inc as s erend ne em ik e en ferme s lok van de the e, die geluk k ig niet al te he et is . ‘Je b ent e en mens entemmer,’ z e gt B ep, ‘w is t je dat? Je hebt met je ac tie ge en v ijanden gemaak t en dat v ind ik k nap.’ Z e s c henk t thee bij. ‘ W il je een s troopwafel of een s tuk je gereformeerde c ake? ’ vervolgt Leen. ‘De c ake is van een v riendin van B ep, een taartenbak s ter, of mag ik dat z o niet z eggen, B ep? ’ Hij k ijk t haar vertwijfeld aan, onz eker of het woord ‘ taartenbak s ter’ 27


rec ht doet aan de v riends c hap. ‘Doe mij maar een gereformeerd plak je, net als B ep’, z eg ik . Terw ijl Le en aan e en s troopwafel k nabb elt en naar alternatieven z oek t voor het woord ‘ taartenbak s ter’, valt mijn oog op e en grote z wart-w it foto, die naas t de b oekenk as t te gen de muur s taat. H et is e en portret van iemand die ik me en te kennen, maar niet dire c t thuis k an brengen. W aarom is de foto z o levens groot afge druk t? D e afgeb e elde b ev indt z ic h als gelijke onder ons . D e prac htkop en de doordringende ogen herken ik van de ac hterflap van e en b ekend b oek . H et moet welhaas t e en foto van e en s c hrijver z ijn, maar w ie is het? E en s c hrijver uit ver v logen tijden... Z ou Le en ook s c hrijver z ijn, e en s c hrijver in rus te ...? In de b oekenk as t s taat e en halfle ge literfle s blauw z warte ‘galnoten s c hools c hrijfink t ’ met e en verge eld etiket, waarop in arc haïs c h s c hrif t de merk naam K lutman & C o s taat. H et is e en prac htig monument voor het

s c hrijvers c hap. E igenlijk ken ik Le en en B ep nog maar net. Z e z ijn al bijna e en halve e euw s amen en s inds elf jaar genieten z e van e en weids uitz ic ht over de M aas . Le en wors telt z o nu en dan met niet nader thuis te brengen pijnen, z ijn gez ic ht verk rampt dan en hij lijk t plots ouder dan het eiland z elf. E n B ep? Z ij is e en s tuk jonger. O veral in de k amer b ev inden z ic h b oeken en op tafel liggen uitgek nipte tek s t fragmenten van haar hand . Volgens mij s c hrijf t z e brieven. A f en toe valt er e en s tilte, net als of er e en pagina van e en b oek omge s lagen wordt. Ik adem, luis ter en denk na . D e opmerk ingen die het gepens ione erde gez els c hap bij de ingang over mij uitw ierp, konden ook wel afkoms tig z ijn uit het tijdperk van K lutman & C o. D e woorden van de voormalige havenarb eiders waren re c ht voor z ’n raap, allic ht gevormd door hun omgang met s taal, olie en water, maar s c huilt er juis t in 28


die elementaire materialen ge en rijk taalgebruik ? D e dwaz e ge dac hte dat ie dere en op het N oordereiland b e gif tigd is met rijke taal en b oeken z ou k unnen s c hrijven, komt bij me op, maar ik verwerp dez e ge dac hte mete en we er, terw ijl ik naar Le en luis ter. S c huin k ijk ik naar de fle s ink t en s tel mez elf de v raag w ie z e half le e g ge s c hreven he ef t. Le en? H oe is het mogelijk dat ik in het appartement tere c ht b en gekomen van de me e s t toe gene gen en lief tallige mens en van het eiland? Z e z ijn z o z orgz aam en lief voor elk aar. E en twe e de dwaz e ge dac hte b ek ruipt me: z ou het niet mooi z ijn om op e en van de muren in dez e woonk amer e en tekening te maken? B ep en Le en lijken mij mens en die z oiets wel weten te waarderen. M aar k an ik het op de man af v ragen? In al die jaren dat ik k rijt tekeningen maak , is de mogelijk heid van e en binnentekening e en las tig v raags tuk gewe e s t, e en horde

die ik z elf opwerp en met ve el oms lac htigheid ne em . B uiten op s traat b ek rijt ik alle s wat los en vas t z it, maar e enmaal bij iemand binnengekomen, ne em ik alle b ele efdheids vormen in ac ht, ik ne em s lok je s koff ie of the e en hou intus s en mijn werkdrif t in toom . Ik ne em e en hap c ake . ‘Hij is niet te vet en niet te z oet en er z it ge en gereforme erde s maak aan’, me en ik , voor z over ik daar vers tand van heb . R adeloos k ijk ik de k amer rond . Ik moet er nu toc h iets over z e ggen... over mijn b ewe e gre den, hoe het e c ht z it... de tekening die ik voor ogen heb ... N aas t het grote raam dat uitz ic ht verle ent op de Nieuwe M aas , is e en s tuk muur waar v rijelijk op gek rijt k an worden. M ijn blik wordt opnieuw naar de z wart-w it foto getrok ken. P lots s c hiet me te binnen w ie de geportret te erde is : het raads el is op gelos t. W e z ijn nu met z ’n v ieren. ‘ W e verkeren in het gez els c hap van G erard R eve ’, z e g ik als ik mijn mond le e gge geten heb . 29


‘ Toevallig reis de ik drie weken gele den naar het graf van G erard R eve in M ac helen aan de Leie, niet ver van waar ik woon. O p het graf s taat U heb ik lief. Te gen mijn gewoonte in nam ik e en foto van de plek ’, z e g ik . Ik s ta op, haal het fototoe s tel uit mijn tas en laat B ep en Le en de foto z ien. ‘Ik heb G erard goe d gekend ’, z e gt Le en en er vers c hijnt e en emotionele trek rond z ijn mond . ‘ W e c orre s ponde erden enkele jaren, ik adore erde hem en b ez oc ht hem e en paar ke er, ook in M ac helen aan de Leie . Ik ken het graf. H et is de v raag of de omgang met hem mij goe d ge daan he ef t, want ik b en er z iek door geworden. D e fle s galnotenink t is je waars c hijnlijk niet ontgaan. G erard doopte z ijn k roontje s pen in de galnotenink t en ik verz amelde de fle s s en. Ik b ez it er e en hele c olle c tie van. Ik b elde alle bas is s c holen op met de v raag of z e nog galnotenink t hadden.’ Hij s taat op en rommelt in e en lade op z oek naar iets

wat waars c hijnlijk met dez e moeilijke periode te maken he ef t. ‘Hier, k roontje s pennen, die verz amelde ik toen ook , ik heb er tientallen gros s en van, w il je e en doos je? ’ Ver volgens le gt hij met lic ht trillende handen de rouw k aart van de vermaarde s c hrijver op tafel. Ik word getroff en door het ge dic ht dat erop s taat: Daar is in de wereld niets , mijn God, dan de ruimten om ons , dan de zingende oceanen, dan de zonnen en ’t gegons der z wermen in den avond laat, daar is niets dan wat hol gepraat en mijn verlangen dat vecht naar U. Richard Minne, ‘Drieluik - III’ H et is avond als ik het appartement van B ep en Le en verlaat. B ij Lenie brandt nog lic ht en ik duik diep we g in mijn jas om niet door haar op gemerk t te worden. Ik w il niet nog e en ke er op e en 30


reprimande worden getrak te erd en we derom in verwarring raken. M aar indire c t heb ik het c ontac t met Le en en B ep wel aan haar te danken, b e denk ik . B ep he ef t me e en pak je toe ge s topt, e en c adeautje waar z o te voelen e en dun, buigz aam b oek of e en s c hools c hrif t in z it. Ik mag het pas uitpak ken als ik thuis kom . B ij het afs c heid vertelde ik terloops dat ik ook op muren binnens k amers teken. Ik hoopte dat z e z ouden z e ggen: ‘Je mag bij ons binnen komen tekenen als je dat w ilt ’, maar voor z o’n grote ge dac hte s prong gaf ik waars c hijnlijk te weinig aanleiding . Ik was naar het balkon gelopen, met de b e doeling om op de man af te v ragen of ik daar, uit de w ind, op de b ovens te verdieping van het geb ouw, op het hoogs te punt van het N oordereiland, gev rijwaard van re gen en w ind, e en blijvend k rijtwerk moc ht aanbrengen. Ik was het aan mijn s tand verplic ht, maar net als bij onz e e ers te ontmoeting

op de k ade werd ik geplaagd door de ge dac hte iets doms te v ragen, waardoor aan ons geluk k ige s amenz ijn e en v roe gtijdig einde z ou k unnen komen. In plaats van de v raag aan hen te s tellen, ric ht ik hem tot mijz elf, terw ijl ik me naar huis b e ge ef. W aarom w il ik e en permanente k rijt tekening op het eiland ac hterlaten? K enmerkend voor mijn tekeningen is immers dat z e niets blijvends veranderen aan het f y s ieke uiterlijk van e en plek , z e re genen altijd we g . D e enige plek waar van ik w il dat de tekeningen er onuitw is baar z ijn, is in de hoofden van de mens en. W ilde ik dat er e en einde k wam aan mijn inmiddels 21 jaar durende, doorlopende k rijt tekening? W at b ez ielt mij om tekeningen die vergankelijk z ijn, te w illen b ehoe den voor we er en w ind? B e gint de teloorgang van s c hoonheid op me te we gen? N ooit e erder had ik daar las t van. Ik k an 31


harts toc htelijk verk w is ten en mijn k ruit vers c hieten. M aar toen ik bij B ep en Le en was , om pre c ie s te z ijn toen ik die vermale dijde G erard R eve re c ht in de ogen ke ek – e en b eminnelijk mens s c hijnt hij nooit gewe e s t te z ijn, hij s tond daar godz ijdank niet in levenden lijve – raak te ik er van doordrongen dat alle s wat k wets baar is , en dus ook mijn werk , b e s c herming nodig he ef t. Z onder woorden droe g R eve mij op: ‘B e s te B art, er moeten toc h e en paar tekeningen van jou op dez e aardk luit rus ten alvorens we overs poeld worden... om te b e ginnen in dez e k amer, de woning van mijn dierbare Le endert.’

32


33


34


35


36


37


E e n te k s t van B e p

D e el van het hoofds tuk ‘G ene e s heren en magiërs ’, uit De pijn zingen – werk in uit voering , B ep van M uilekom

38


E n dan, op e en dag , in dez elfde z omer dat de magiër b ewe ging in de pijn prob e ert te k rijgen, komt k uns tenaar B art Lode w ijk s ons k leine leven binnenvallen. W e komen terug van ons dagelijk s rondje langs de riv ier als we e en man hoog op e en ladder z ien s taan in de w inde rige onderdoorgang van onz e flat. Hij he ef t e en gele metalen waterpas van e en meter lang in z ijn hand en tekent met s c hoolk rijt re c hte en diagonale lijnen op de muur. Voor ik het we et, s pre ek t Le en de man aan. Hij is natuurlijk geïntrige erd door de waterpas . Z ijn eigen ex em plaar van hout s lingert altijd wel ergens rond in onz e woning . D e k rijtman k lautert mete en naar b ene den, energiek . Ik b en op mijn hoe de . D e pijn jaagt Le en op, nu we er ne emt hij informatie he el s le c ht op, dan we er is hij ontremd . G e s prek ken verlopen onvoors pelbaar. M ijn b ehoef te aan orde is groot. B art blijk t e en opmerke lijk innemend wez en te z ijn

die onz e aandac ht vangt. Hij woont in G ent en is aan het werk op ons eiland, de s trook land midden in de M aas die het noorden en z uiden van de s tad met elk aar verbindt. In opdrac ht van de S tic hting Dragende M uur maak t hij, ter gele genheid van het honderdv ijf tigjarig b e s taan van het N oordereiland, k rijt tekeningen op alle s wat z ic h daartoe maar enigs z ins le ent. H et ge s prek waaiert uit en montert Le en en mij erg op. O nz e flat ligt aan de kops e k ant van het eiland en is in e en NRC -artikel over R ot terdams e arc hite c tuur uitgeroepen tot e en van de lelijk s te geb ouwen van de s tad . M ooi lelijk , dat wel. S oc ialewoningb ouw, praktis c h en pretentieloos; elk s poor van s c hoonheid ontbre ek t. W ij wonen op de tiende verdieping en hebb en e en indruk wek kend uitz ic ht, z owel over de M aas als – aan de ac hterk ant – over de s tad met haar bruggen en haar woud aan torens . E en adelaars ne s t is het, daterend uit 19 81, 39


toen e en weids panorama nog niet was voorb ehouden aan de elite . D e flat was lang populair bij s c hippers; die generatie s terf t nu s nel uit. D e huurflats worden na hun dood grif verkoc ht, e en mengelmoe s aan nieuwe b ewoners ne emt hun plaats in. E r is in de vereniging van eige naren verz et gerez en te gen de k rijt tekening . D e voorz it ter w il dat het k uns twerk wordt verw ijderd . Le en w indt z ic h op over de kortz ic htigheid van de man en k ijk t naar hem uit. Hij w il hem erop aans preken. Ik mail het B art. Ik heb inmiddels op het web gelez en dat de reac tie s onderde el vormen van z ijn werk . ‘H et werk b e s taat uit k rijt, uit vertrouwen, uit we ers tand . Z onder we ers tand z ou ik dit niet doen. Telkens opnieuw in de problemen raken om er we er uit te komen.’ E en onts nappings k uns te naar dus , e en z wer veling die gewapend met e en k rijtje en e en lat over de hele wereld

lijnen trek t. E en lijn is de korts te verbinding tus s en twe e punten, z e gt hij, te vergelijken met e en voets tap. Ik hoor mijn moe ders s tem, die het woord ‘lijntrek ker’ in de mond nam als je lanterfant te, je ont trok aan de af was of ander nut tig werk . H et is ook de naam voor e en k ne c ht die de s c hepen voort trok in oude tijden. O p de plek van onz e flat s tond ooit e en s prook je s ac htig geb ouw met torentje s , waarin e en re derij was geve s tigd die de ve erdiens t onderhield tus s en R ot terdam en A ntwerpen, B rus s el en G ent. In mijn dromen b ewoon ik er e en etage . Ik k an de plat te grond van het geb ouw uit tekenen. H et he ef t e en k rakende ijz eren toe gangs poort, telt drie verdiepingen, is op mij na onb ewoond . H et is er altijd donker, de houten v loeren z ijn b e dek t met e en dik ke laag s tof, maar ik b en eraan gewend . E en huis als e en huid, e en b e s c hermlaag tus s en binnen en buiten. In ge dac hten z ie ik B art e en s c hip voort trek ken van ons eiland naar G ent. 40


H et eiland he ef t altijd e en intens e en indringende rol ge s pe eld in mijn nac htelijke verb e elding . Ik doe b ood s c happen in e en ouderwets k ruideniers w inkeltje dat allang niet me er b e s taat. D e s tugge eigenaar draagt e en b eige s tofjas . Ik droom ook over de we s tpunt van het eiland . Vandaar vertrek t e en s c hip naar E ngelland, e en fantas ierijk . A f en toe maak ik de overs te ek . Ik dwaal door de denk b e eldige, v re emde s tad, ook daar b en ik altijd alle en, maar ik we et er de we g , ken de s traten en de s te gen. Ik k an de e enz aamheid aan. In mijn dromen oefen ik voor wat komen gaat. In werke lijk heid komen Le en en ik al jaren ons eiland bijna niet af. Ik lijd er niet onder. D e ontmoetingen met mens en vormen e en onderde el van het werk van B art. Hij doet er op trans parante en poëtis c he w ijz e vers lag van, z onder de blufpraat die s c hrijvers over k uns t kenmerk t. G e en s poor van de

geheimpraat van F rans e filo s ofen, al verw ijs t z ijn taal naar wat er niet s taat. D e e envoud van de lijn, de ons c huld van e en s c hoolk rijtje, het werk mans tenue, z ijn b e s c heidenheid, z ijn het de vermommingen van e en c onc eptue el k uns tenaar en kos mopoliet? O f huis t in hem e en ouderwets e romantic us , F rie dric hs wandelaar b oven de nevelen, uitk ijkend over hemel en aarde, op de rug gez ien. ‘ Tekenen met k rijt is e en s trijd te gen e s thetiek ,’ s c hrijf t B art, ‘ik wantrouw s c hoonheid, maar v ind haar overal.’ T ijdens onz e dagelijk s e wande ling rond het eiland z ien Le en en ik nu s te e ds s poren van B arts aanwez igheid die we e erder niet hebb en op gemerk t. D iagonalen en ge ometris c he vormen op hoeken van huiz en, utilitaire geb ouw tje s , s ommige al grotende els uitgew is t door de re gen, andere op plek ken die alle en vanaf de riv ier goe d te z ien z ijn, z oals e en lijn op e en k ademuur. D e tekening in de 41


laadbak van e en binnenvaarts c hip verdw ijnt uit het z ic ht als de s c hipper het eiland verruilt voor e en andere ligplaats . Ik houd van de riv ier die me met mijn B rabants e geb oorte grond verbindt. Van e en dorp aan de riv ier b en ik verhuis d naar e en dorp in de riv ier, maar het groots te delijke water roept, anders dan de landelijke oevers , ook onb ehagen op. Ik mijd het om al te dic ht langs de k ade rand te lopen. Ik vermoe d de aanwez igheid van levens ge vaarlijke waterge e s ten, roerloos te gen de flanken van e en s c hip ge druk t, die je met e en haak onder water k unnen trek ken als je toevallig voorbijkomt. Je voelt hun aanwez igheid, het is als of je naar de diepte wordt gez ogen. O ude k inderangs ten. H ers ens c huim . Ik z ing de s c hrik we g met de taal van Jan E lburg: Zoals matrozen zingen ... / maar matrozen zingen niet: / zij spugen in de zee, / zij kennen de achterkanten van steden / en de voorkant van de koude wind; / matrozen zingen niet.

B e elden k unnen niet op te gen de werkelijk heid, maar poëz ie maak t die wel draaglijk . B art wordt ge dwongen de muur van onz e flat te reinigen. Vaag z ijn er nog uitgelopen w it te v lek ken te z ien. ‘A ls of het k uns twerk huilt,’ z e gt Le en. Ik b eric ht het B art en s tuur hem e en filmpje van e en diep z e ewez en, e en doorz ic htige oc topus . Vermoe delijk doet hij me denken aan z o’n c reatuur, doors c hijnend en geheimz innig . B art is nu gere geld op het eiland te v inden en he ef t z ic hz elf min of me er bij ons uitge nodigd . Hij he ef t in korte tijd ons vertrouwen gewonnen, ons ontwapend . W e praten v rijuit en onb ekommerd . W e weten inmiddels dat het e en en ander op getekend k an worden, maar ook dat niets van wat we z e ggen te gen ons z al worden gebruik t. W e hebb en gelez en dat B art s oms ook binnens huis tekent. Z ou hij niet ook iets bij ons w illen maken, oppert 42


Le en. Dat k un je hem e c ht niet v ragen, waars c huw ik . W anne er B art ons b ez oek t, le gt hij ons met enige s c hroom voor wat we er van z ouden v inden als hij e en muurtekening z ou maken in ons huis . Le en werpt me e en triom fantelijke blik toe . W e voelen ons vere erd . W e geven B art de v rije hand . A l s nel na ons jawoord s taat hij in de k amer, peilt kort mijn mening over e en oranje c irkelvorm . Ik z ie mete en z ijn tekeningen in het k inderdagverblijf B ambino in M olenb e ek voor me, k leurige k rijt v lak ken. O pko mende en ondergaande z onnen volgens de peuters . ‘D ic htre gels z onder tek s t ’, noemde B art z elf de lange horiz ontale lijnen met uitge s paard w it. Te lez en als e en wolkenluc ht, e en k inders pel dat ik nog wel e ens b e oefen. Voorbijdrijvende vormen, ope enhopingen van waterdamp, vol b etekenis . Tot voor e en paar jaar s tond ik ook gere geld ’s nac hts voor het raam te k ijken naar de s terrenhemel en het glins terende water, waarop

e en enkel s c hip voorbijgle e d, prevelde dan e en geb e d, maar ik b en s inds te lang vers tomd . B art he ef t e en plek gekoz en, tekent in de luc ht en plak t de vorm geroutine erd af met tape . H et voelt als of hij z ic h de ruimte al helemaal he ef t toe ge ëigend . O nz e muur blijk t hard en we erbars tig te z ijn, er z it ge en b ehanglaag onder. B art druk t het pigment de muur in, het v raagt k rac ht. D e balkondeur gaat open voor fris s e luc ht. A f en toe s topt hij even om iets te eten of te drinken. Hij oogt verw ilderd, e en b ez we et voorhoofd, verwarde haren. A f wez ig ook , als of het werk niet is ge s topt, maar doorgaat in z ijn hoofd . ‘K uns t is t s c hön, mac ht ab er v iel A rb eit ’, s c hiet mij te binnen. E en uits praak abus ie velijk toe ge s c hreven aan K arl Valentin, variétéartie s t, volk s z anger, anarc his tis c h en abs urdis tis c h komiek . Vaak in é én adem genoemd met B us ter K eaton en S amuel B e c ket t. Hij 43


morrelde aan de taal, de c ons true erde de grammatic a, lang voordat dit mode werd onder filos ofen. Z ijn leptos ome lic haams b ouw roept z owel lac hlus t als ontroering op. ‘Ic h bin mager, welc he P ein / M ager w ie ein S uppenb ein’ (uit de monoloog ‘Ic h bin ein armer magerer M ann’ ). Hij werd geplaagd door angs ten, verliet hoogs t z elden z ijn woonplaats en s tierf e en tragis c he dood . R oodharig van geb oorte, hoe k an het anders . E en hongerk uns tenaar, het pers onage uit het gelijk namige verhaal van K afk a, die z ijn lic haam gebruik t als middel en niet k an ophouden met vas ten, omdat hij het voe ds el dat hem s maak t niet k an v inden. ‘A ls ik dat gevonden had, geloof mij, ik z ou ge en druk te gemaak t hebb en en mij hebb en volge propt net als u en ie dere en’ (vertaling Nini B runt). H et is het leven z elf dat hem niet s maak t. N atuurlijk herken ik er Le en in. W anne er ik denk aan onz e e ers te ontmoeting , v ijfenve ertig

jaar gele den in het neuros ens anatorium waar we b eiden z ijn op genomen, z ie ik e en oranje haardos vol w ilde k rullen, als de pruik van e en c low n, e en ble ek gez ic ht met s c herpe gelaats lijnen. Hij trek keb ek t. H et af w ijkende b oeit. Ik b ek ijk opnieuw filmpje s van Valentin op YouTub e, z oals e en hilaris c he s c ène van e en c iters peler die maar niet k an s toppen met s pelen. H et s tuk dat hij s pe elt k limt op naar e en hoogtepunt, maar de ontlading ontbre ek t, het einde wordt uitge s teld, z owel de muz ik ant als de toehoorders z ijn gevangen in e en loop. H et wac hten is op het verlos s ende s lotak koord . E en s pre ek s talme e s ter duik t op, wek t het publiek op tot applaus in de hoop de s peler hierme e tot b e daren te brengen. Verge efs . Dan gaan de gordijnen dic ht. A ls z e we er opengaan, komt Valentin voor de dag als e en s tokoude man met e en baard, nog s te e ds tok kelend op de c iter. 44


‘Jullie moeten mij wel op tijd afremmen, want anders vers c hijnt het hele z onne s tels el in jullie woning ’, mailt B art. E r is inmiddels e en halve c irkel te z ien op onz e muur, van v loer tot plafond, op z ijn bre e ds t anderhalve meter; de tekening is z o goe d als af. B art he ef t er e en dag op gewerk t. W e z ijn inmiddels z o vertrouwd met elk aars aanwez igheid dat we er het z w ijgen toe k unnen doen. B art z woe gt op de muur. Ik z it aan de grote tafel, k nip plaatje s uit k ranten en tijd s c hrif ten en de c ore er enve loppen en briefpapier voor mijn dagelijk s e c orre s pondentie met s c hrijver K athy M athy s . H et ritmis c he geluid van het k rijt dat we ers tand ontmoet, de woe s te ve gen met de plak s tif t, de s c haar die door het papier s nijdt; het he ef t e en k almerend eff e c t. Intus s en le e s t Le en ons voor uit het werk van G erard R eve, waarbij hij z ic hz elf vaak onderbre ek t om z ic h er van te verz ekeren dat z ijn verteltoon nog wel in orde is en de talloz e

liefde s s c ène s met jongetje s ons niet te ve el worden. E r wordt gere geld ge gniff eld . W e lijken wel k leuters in e en k las je . B art vergelijk t z ijn tekenen met e en k inders pel. Ie dere en b e gint met k rijt, tekent op de s toep, en als je bij de buurman op de s toep gaat tekenen, lok je e en reac tie uit. H et is anders e en erns tig s pel, dat hem naar angs taanjagende plek ken voert. Tekenen is z ijn identiteit, s c hrijf t hij, hij is é én met z ijn werk , z oals e en muz iek ins trument en het geluid dat erdoor wordt voortgebrac ht. D e c irkel is niet volmaak t rond, maar z we emt naar e en ovaal. E en ei, z e gt Le en. O verdag vers preidt het k rijt e en z ac ht oranje gloe d, in de avond wordt het door de we ers pie geling in het raam e en volle c irkel die e en dialoog aangaat met de maan. H et werk verbindt binnen met buiten, het komt de k amer binnenvallen. ‘ W aar gaat het he en? ’ v raagt e en v riendin die ik e en foto s tuur. ‘ W at moet het worden? ’ v raagt e en ander. 45


Ik heb er ge en antwoord op. D e tekening is aan de andere punt van het eiland b e gonnen, maar z e maak t de el uit van de ene grote tekening die B art maak t in de wereld . Hij reis t van e en buurtje in V laanderen naar de favela’s van R io de Janeiro, van D iepenheim naar de v iaduc ten van C alc ut ta waar de k as teloz en huiz en. Hij de elde hun eten en drinken, werd er erg z iek van, maar ble ef doortekenen. Hij w ilde het hart van de s tad raken, maar C alc ut ta k roop in hem, z o z e gt hij ac hteraf. ‘H et is toc h eigenlijk gek kenwerk ’, c onc lude ert Le en als we de vers lagen van B art lez en en de foto’s b e s tuderen. Ik denk aan Dante s afdaling in de hel. Z ijn lijnen worden uitgew is t door het we er en de tijd, vaak nog voor hij de plek he ef t verlaten. Z e vergaan tot s tof, maar wat gewe e s t is , blijf t. Hun b e s taan k an niet me er onge daan worden gemaak t. A lle haren op ons hoofd z ijn geteld .

K rijt is vergankelijk en k wets baar materiaal. D e tekening we ers pie gelt onz e broos heid, onz e gebrokenheid van het laats te jaar. E r hebb en z ic h ric heltje s van s tof gevormd op de muur. Je z ou z e er z o af k unnen blaz en. Ik w il de teke ning b ewaren. ‘K rijt verlie s t z ijn k rac ht als je het vas tz et,’ s c hrijf t B art, ‘e en k rijt tekening is gemaak t om te vergaan. F ix atie verw ijs t naar e en gevangenz etting , als je het fix e ert, bre ek je met de ons c huld .’ Ik volg z ijn ge dac hte gang , maar tijdens z ijn af wez igheid b etrap ik mez elf erop dat de b ehoef te groeit om de tekening te b e s c hermen. E r z it lic ht en leven in, ons c huld moet b ehoe d . Nog als Ei te leven ... K ras send aan de schaal ... dic ht te E mily D ic k ins on (‘L aten we gis teren s pelen’, 18 6 3). Le en as s oc ie ert de tekening met het N e derlands e s lagenlands c hap en laat me foto’s z ien van lange, evenw ijdige perc elen, ge s c heiden door s loten of wallen. O ok hij v re e s t 46


de verdw ijning van de ric heltje s . W e le ggen het B art voor v ia de mail. D ie blijk t z elf al tot de c onc lus ie te z ijn gekomen dat fix eren de b e s te keuz e is . Ik b e s ef dat mijn verlangen voortkomt uit mijn verz et te gen de vergankelijk heid . S inds Le en c ontac t he ef t gez oc ht met het E x pertis e c entrum E uthanas ie, prob e er ik het proc e s te vertragen. H et huis moet e ers t worden geruimd, er moet nog e en te s tament worden gemaak t, er komt e en z omer aan met hoop op verb etering , ik heb gehoord van e en nieuwe b ehandeling ... E en v riendin v raagt hoe lang ik het nog vol denk te houden. Z ij geloof t dat de dood mak kelijker te dragen is dan het leven. Ik antwoord dat elke dag er e en is . Ik z ou Le en ook w illen fix eren. Ik b en e en lijntrek ker. H et was de b e doeling dat het proje c t Noordereiland z ou worden b ek roond met e en permanent k uns twerk . D e vereniging van eigenaren he ef t ge en toe s temming verle end

om de tekening aan te brengen in de onderdoorgang . F latb e woners hebb en er met z ulke v urige ijver op toe gez ien dat elk s poortje, elke z we em van het werk is uitgew is t, dat het nu voorgoe d geprent s taat in ie ders geheugen. E en dominant af wez ig k uns twerk . B art k an tev re den z ijn. Z ijn dieps te verlangen, e en tekening te maken in andermans hoofd, is in ver v ulling ge gaan. H oe k an e en ons c huldige k rijtlijn z o’n agre s s ieve reac tie oproepen? A line is a line is a line is de titel van e en van de doc umentaire s die filmmaker G riet Te c k over het werk van B art he ef t gemaak t. H et is e en e c ho van e en vers van G ertrude S tein, ‘R os e is a ros e is a ros e ’. O p het eiland hangt e en gevelornament met de vertaling van dez e dic htre gel in ne onlet ters , e en e erb etoon aan de overle den k uns tenaar B en A dmiraal. D e ex c entrieke S tein de e d verre gaande taalex perimenten, wat 47


ve el van haar b oeken onle e s baar maak t, maar haar literatuuropvat ting b oeit. N et als K arl Valentin laat z e b eteke nis s en ex ploderen, al mis t z e z ijn k inderlijke s pe els heid . H et woord ‘roos ’ is z o vaak door dic hters gebruik t dat de roos haar identiteit he ef t verloren, ‘ros e has los t its ros ene s s ’. O m het wez en te er varen van de dingen, de mens en, het hele huidige he den, heb je volgens S tein niets aan verhalen met e en b e gin, e en midden en e en eind . Iemands k arak ter kom je niet op het s poor door anekdote s of dialogen, je moet k ijken en luis teren naar hoe hij iets z e gt, in welk ritme, naar de herhalingen die e en patroon verraden. D e lez er moet z ic h we er b ew us t worden van wat z ic h in het web van de taal s c huilhoudt. Ik b ek ijk wat trailers en korte doc umentaire s van G riet. H aar films z ijn intens en vers tild . Z e gaan over mens en in k wets bare oms tandighe den, over

e en broer met autis me, dementerenden, v rouwelijke ge de tine erden. Z e torpe de ert de b e elden die we hebb en als we die b enamingen horen, laat de mens z ien die we onder onz e voors tellingen en vooroordelen hebb en b e dolven. H aar films c onc luderen niet, b evat ten ge en voic e -over, ge en plot, al z ijn de b e elden met z org en niet w illekeurig gekoz en. H et is de traagheid van de c amera die dw ingt tot c onc entratie, tot waarnemen wat er is , waar we aan voorbijgaan. Terw ijl w ij om de keukentafel koff ie drinken, b ewe e gt G riet z ic h geruis loos door onz e woning . Ik prob e er me voor te s tellen wat z e z iet, in ons , wat w ij laten z ien van ons . W elke b e elden ne emt z e me e, welke z al z e s ele c teren en waarom? In ge dac hten noem ik G riet e en ‘k ijk meis je ’, de traditio nele b enaming voor e en v rouw die z ic h aangetrok ken voelt tot het religieuz e leven en e en tijd me ele ef t in e en k loos ter. A ls het haar s maak t, volgt e en 48


jarenlang inw ijdings proc e s van pos tulaat en nov ic iaat dat uiteindelijk tot intre de leidt. E r z ijn k ijk meis je s die ouder z ijn dan v ijf tig , z oals de dertiende -e euws e M e c hthild von M agdeburg , e en my s tic a die G od z ag in alle dingen en alle dingen in G od . H et werk van G riet ademt e en monas tieke s piritualiteit, B art is e en z werfmonnik . B eiden z ijn radic ale en toe gew ijde k uns tenaars die c onventie s doorbreken en e en tipje oplic hten van de s luier die over de werkelijk heid ligt. D e dingen als voor het e ers t z ien roept z owel verwondering als ver v re emding op. A ls k ind had ik voor de e ers te ke er z o’n fas c inerende er varing , waar ik al e erder over s c hre ef: ‘A ndere moe ders hebb en e en naaimandje, de mijne he ef t e en gere e ds c haps k is t. E entje met verdiepingen en tal van vak je s . O ndank s de wanorde die er he ers t, weten mijn moe der en ik de we g . W e z ijn op onz e hoe de voor de verraderlijke was hand die b ez aaid is met naalden. D it

geheimz innig univers um b eto vert mij. Tot het moment komt dat de vertrouwde voorwerpen z ic h niet me er laten kennen. Ik z ie z e als voor het e ers t. Ik ric ht mijn blik op mijn moe der. O ok z ij verandert in e en v re emde . Ik word e en v re emde voor mez elf.’ Ik s tuur mijn v riendin z us ter Lieve e en link naar trailers van G riet en s c hrijf over het lic ht dat B art en G riet op ons b e s taan werpen. Lieve we et dat we leven in de s c haduw van de dood . Z ij reage ert: ‘... vers tillend, ja ... diep gaand, s prekend tot van binnen... W onder dat jullie die twe e mens en over de v loer hebb en – of z al ik z e ggen: genade, z o k link t het als ik het le e s en ik denk dat het e c ht waar is .’ ‘B art is z ogenaamd e en c onc eptue el k uns tenaar, maar hij is iets he el anders ’, z e gt M arc el, e en waak z aam man met e en s c herp oog . Hij is op verz oek van B art in huis om de tekening te fix eren. Hij he ef t z ijn werk grotende els z w ijgend 49


en ge c onc entre erd ge daan in e en trans parante tent die hij met z org he ef t opgetrok ken in onz e k amer. E en c el, gemaak t van plas tic en gele tape . In die b e s lotenheid ontwaren we e en b ewe gende s c haduw, die door G riet met de c amera wordt gevolgd . H et is pre c is iewerk . D e k wets bare k rijtric heltje s worden voorz ien van e en hard laagje . Z e vers tenen niet, onder hun s c hild blijf t het k wets bare, z ac hte k rijts tof gevangen, het k an elk moment we er worden b ev rijd . H et werk he ef t na de b ehandeling aan tex tuur verloren, maar he ef t e en intens ere k leur gek re gen. A an de onderk ant z it e en onre gelmatigheid, de c irkel neigt naar e en pe er. B art overwe e gt e en minus c ule ingre ep, maar aarz elt. E en af w ijk ing in de vorm s c huurt, z e gt hij, imperfe c tie s trek ken het oog aan. Ik heb binnenpret. H et z al moeilijk worden om dit k rijtwerk níet te z ien, of het nu de vorm he ef t van e en z on of van e en

gloeilamp. H et w is s elende lic ht ve s tigt er de aandac ht op, z oals het water van de riv ier dat naar en van de z e e s troomt mij s te e ds we er verleidt tot k ijken en me eb ewe gen. D e oranje lijnen op de muur z ijn gloeidraden vol op ge s lagen energie . Ik denk aan A c hille s de K hotins k y, de R us s is c he uit v inder, die op het N oordereiland, hier om de hoek , de e ers te N e derlands e gloeilam penfabriek opric ht te . Ik wandel dagelijk s langs de plaquet te die herinnert aan z ijn avontuurlijke b e s taan. ‘D e draad is het b e s te middel van ver voer voor ele c tric iteit ’, luidt het ops c hrif t. A ls marine off ic ier voorz ag D e K hotins k y het le ger van z oek lic hten ter ops poring van de v ijand en z ou het vaderland z ijn ont v luc ht nadat hij in 18 81 werd verdac ht van e en s amenz wering te gen ts aar A lex ander II. T ijdens de lunc h z it ten we met v ijf pers onen aan onz e te k leine keukentafel, als e en s oort gez in. 50


B art vertelt over de k uns te naar Loek G rootjans , die het Z e euws e lic ht in e en fle s vangt en de laats te levens adem van z ijn vader in e en z akdoek . Ik b en geïntrige erd door dez e poging om het leven op z ijn s taart te trappen, de oneindig heid aan te raken. H et verdriet van G riet om haar gepijnigde broer, van w ie z e ge en afs c heid he ef t k unnen nemen, re s o ne ert met de geladenheid van Le en. L ater op de dag z al ons ge s prek met de arts plaats v inden. O p de avond van vertrek s taan B art en G riet b ene den op de punt van het eiland om in de s c hemering de laats te opnamen te maken. H et is grijs we er en er hangt e en s erene s fe er. Ik s ta b oven op het balkon, k ijk op de geb ogen hoofden van Le en en B art, die elk aar bijna raken. Ik we et wat Le en vertelt. G riet le gt het water vas t. Ik maak foto’s . Z odra het donker is , bars t er e en s pek takel los aan de ac hterk ant van de woning . D e

gloe dnieuwe Z almhaventoren he ef t e en hoogte van 215 meter b ereik t en dat wordt gev ierd met e en flits ende lic hts how. D e toren verandert s te e ds van k leur en vanaf de mas t worden er felle bundels las ers tralen over de s tad gez w iept. Ik denk aan A c hille s , die eind ne gentiende e euw in e en roeib ootje met op geladen ac c u’s de M aas op voer om lic ht te brengen aan de overk ant. Nu baadt de s tad ’s nac hts in e en z e e van lic ht. Le en en ik ver velen ons al na twe e minuten en gaan naar b e d . Ik heb het he el erg koud . M ijn hart hamert erop los , ik kom niet in s laap. Ik w il het geb onk niet voelen en draai van mijn linker- naar mijn re c hterz ij. ‘H et leven is e en lic ht flits tus s en twe e e euw ighe den duis ternis ’, s c hre ef V ladimir N ab okov. O p e en andere plek vergele ek hij het leven én de dood met e en s c hit terende z ons op gang . W e gaan terug naar waar we vandaan komen. D e z on gaat op en de z on gaat onder en elk moment is er iets nieuws onder 51


de z on. O ns huis is b etekend, b e s c hermd door e en k rijtlaag , van dez elfde s tof als de s c haal van e en ei. N e em je ooit afs c heid? H oe z et je e en punt ac hter e en oneindige lijn? H et werk is nooit af, het leven nooit voltooid . H et is he el s til in huis .

52


53


E e n brief van Le e nde r t

54


R ot terdam 26/27 ok tob er 20 21 Lieve B art en G riet, Ik s c hrijf dit aan jullie b eiden, maar laat het aan B art over om te b e oordelen of de brief is door te z enden (te kopiëren) aan jou, G riet, omdat je mogelijk moet worden ontz ien. Ik heb ge en z ic ht op wat komen gaat, maar voel de b ehoef te, voor het geval ik kom te verdw ijnen, nog iets te z e ggen over onz e gez amenlijke k rijtperiode . Iets s c hrijven, dat is e en tijd gele den, want ik prak tis e er al vele jaren de ont trek k ing . “ O p het laats t hoorde de man nergens me er bij, had z ic hz elf los ge dac ht van ie dere en. Dat kon je mis s c hien niet aan hem z ien, maar dat was wel z o.” (E en c itaat van e en b oek b e s prek ing van S uic ide van É douard Levé, in NR C 2 2-10 -’ 21). E n: “ Dat je je onge s c hik t voelde voor de wereld verbaas de je niet,

wel verbaas de het je dat de wereld e en wez en had k unnen voortbrengen dat z ic h daar niet thuis voelde .” H et lijk t over mij te k unnen gaan. M is s c hien s c haf ik het b oek (je) aan, telt immers s le c hts 10 0 bladz ijden. (B ep he ef t het re e ds bij D onner gehaald .) Niet dat ik de ont trek k ing plez ant v ind; de jarenlang volgehouden ac hteruitgang (pijn en depre s s ie) is de oorz aak . Ik heb niets aan de me demens en, en z ij niets aan mij. Daarbij ontne emt het gangbaar geworden iemeelverkeer mij alle lus t papier, pen, envelop en pos tz e gel nog bije en te z amelen. “ Ik k an je hands c hrif t niet lez en”, is nu de ve el gehoorde k lac ht. W as onz e k rijtperiode e en geluk , e en ongeluk , of e en mengeling van b eide . W e e s gerus t: het was voore ers t z e genrijk twe e mens en van w ie je mete en b ent gaan houden (ge e s telijk ) over wat langere tijd 55


te mogen ontmoeten. Ik was het door de ont trek k ing niet me er z o gewend, en min of me er verle erd . E n dan het k rijtwerk z elf. Ik kom het dagelijk s – hoe k an het anders – vanuit vers c hillende ric htingen te gen, en het vers c haf t mij dan dez elfde opvering als de hippende mus s en hier op de balus trade .

vers tonden, en dat er troos t was . D e magiër z ou z e ggen: D ie k rijtk uns tenaar brengt ve el b ewe ging tewe e g . Niet gek worden is de opdrac ht. Ve el lieve groeten en wens en van Le endert K ool

E en ongeluk was het in enige mate . D e k rijtperiode v iel s amen met e en van de moeilijk s te epis oden van mijn leven. B evond ik mij ge durende de e ers te ontmoetingen in e en nevel, z oals M arc el in z ijn tent, tijdens de latere dagen verke erde ik in e en dic hte mis t. G od we et dat ik mijn b e s t de e d k alm te blijven en mij in te houden. T ijdens het tafelen op donderdag 14 ok tob er, te gen de nadering van het ge s prek dat B ep en ik z ouden gaan voeren met de arts , over euthanas ie, verloor ik het b ew us tz ijn. E c hter, ik koe s ter de ge dac hte dat G riet en ik elk aar 56


57


E piloog

58


O p het eiland groeit e en b oom die ouder lijk t dan het eiland z elf. R ond z ijn wortels vormt z ic h e en gele k rans van bladeren, het is inmiddels herfs t, het jaarlijk s e afs ter ven is b e gonnen. Ik houd halt bij de e euweling en s trijk met mijn hand over de k noe s tige s c hors . D e s tam vertoont bruine v lek ken waar donker voc ht uit loopt, als of de b oom huilt. D e bas t onder de v lek ken rot we g en s terf t af. Niemand k an er iets aan doen. K as tanjeb omen z ijn met uits ter ven b e dreigd . H et b e s te adv ie s in het geval van z ieke k as tanjeb omen is z e met rus t te laten. A ls ik aans talten maak om huis waarts te keren, doet z ic h iets moois voor. H et duis ter is al ingetre den en er s te ek t e en z ac hte brie s op. Ik hoor e en z ac hte plof. Voor mijn voeten b elandt de e ers te k as tanje van het jaar. Ik raap hem op en z ie k leine s c heurtje s in z ijn glanz ende omhuls el. B a r t L od e w ijk s 59


60


N oordereiland -tekeningen B art Lodew ijk s , 20 20 -20 21

H et proje c t is uitgevoerd in opdrac ht van M urals Inc . / S tic hting Dragende M uur. M et s pe c iale dank aan M arle en van W ijngaarden

Tek s t en tekeningen: B art Lodew ijk s F otografie: Jan K empenaers (oms lag , pp. 4 -5 , 20 -21, 24 -25 , 26 , 33 -37), B art Lodew ijk s (pp. 3, 6 , 8 , 9, 11, 12, 17, 18), G riet Te c k (films tills op p. 5 3), B ep van M uilekom (p. 6 0) R e dac tie: Danielle van Z uijlen E indre dac tie: Lucy K laas s en O ntwerp: R oger W illems , R oma P ublic ations , A ms terdam F ix atie k rijt tekeningen: M arc el Daelmans

M e de mogelijk gemaak t door: M ondriaan F onds , B KO R – C B K R ot terdam, P rins B ernhard C ultuurfonds , Van O mmeren-de Voogd S tic hting , S tic hting E lis e M athilde F onds , S tic hting B evordering van Volk s k rac ht

61