__MAIN_TEXT__
feature-image

Page 1

Bart Lodewijks & Jan Kempenaers Kerselare tekeningen en foto's (deel 2)

Roma


Bart Lodewijks & Jan Kempenaers Kerselare tekeningen en foto's (deel 2) In memoriam Juliaan Lampens (1926-2019)

Roma Publications


2


3


Ik moet gisteren en morgen uitschakelen omwille van vandaag. Ik moet vandaag inschakelen omwille van gisteren en morgen. 12-12 1976. Handgeschreven spreuk van Lampens


Op zoek naar woorden Het overlijden van Lampens laat Jan en mij niet onberoerd. Gisteren reed ik naar het gemeentehuis van Nazareth om onze namen in het rouwregister te zetten. Ik arriveerde in het laatste uur dat het register nog getekend kon worden. ‘Wij sluiten de gelederen’, sms ik naar Jan en pak de pen die naast het condoleanceregister ligt. Ik ben bij het uiteinde van een levenslijn aangeland, een die diepe groeven heeft nagelaten in de Vlaamse architectuur. De pen houd ik boven het boek, trek er lijnen mee in de lucht, maar in plaats van te tekenen ben ik op zoek naar woorden. In de gedenkruimte heerst volledige stilte, op het zacht ruisen van de centrale verwarming na, de ademhaling van het gebouw. Op de rouwkaart staat een handgeschreven spreuk van Lampens: Ik moet gisteren en morgen uitschakelen omwille van vandaag. Ik moet vandaag inschakelen omwille van gisteren en morgen. 12-12 1976. Ik herinner me een andere uitspraak van hem. ‘Ontmoeten is ontdoen van alle moeten en mogen in volle overgave.’ Ik vind de juiste woorden en begin te schrijven: ‘De kapel en de krijtlijnen brachten ons bij elkaar. Uw uitspraak over ontmoeten zal ik altijd bij me houden, evenals uw spreuk over het hier en het nu op de rouwkaart. Bedankt Juliaan, rust zacht.’ Op de terugweg naar huis herinner ik me dat de spreuk over ontmoeten oorspronkelijk gebaseerd is op het samenbrengen van glas en beton. ‘Ik bracht glas en beton bijeen’, zei hij ruim een jaar geleden in het verzorgingshuis in Eke en hij richtte zich trots op vanuit zijn bed. Ik had meteen door dat het over de enorme glazen pui aan de voorzijde van de kapel ging. ‘Tot halverwege de jaren zestig konden zulke grote oppervlakken glas niet met beton gerijmd worden. Zodra er een grote glasruit gekaderd werd door beton, dus zonder tussenkomst van een zacht materiaal, brak het glas bij de eerste de beste belasting. Er is een minimale afstand nodig om de materialen in samenspraak te brengen. 9


In de betonnen sponning spaarde ik een kleine ruimte uit, schiep een soort tussenwereld, waardoor glas en beton ademruimte kregen, konden uitzetten en krimpen, elkaar in volle overgave konden ontmoeten zonder de ander stuk te maken.’

10


Expresweg Betonbanen zijn het grootste kunstwerk van Vlaanderen. De enige tekens van leven op het bedevaartsterrein zijn de ruisende bomen en het verkeer dat over de betonbaan tussen Oudenaarde en Geraardsbergen pendelt. In de jaren dertig is Vlaanderen volgesmeten met betonbanen. De grijze platen absorberen nauwelijks de wrijving van de autobanden; het keiharde oppervlak is immuun voor alles wat leeft en beweegt. Als omgevallen grafzerken liggen ze in het landschap, de een na de ander. De punten waar de platen elkaar raken, of net niet raken, zijn dichtgesmeerd met teer. Een minimale tussenwereld is nodig om twee partijen naast elkaar te laten leven, zonder de ander stuk te maken. Op het platteland is de zwarte, op drop lijkende substantie allang verdwenen door weer en wind, of simpelweg eruit gereden door tractoren. Als er een voertuig overheen rijdt, wordt de lucht een microseconde geplet, woedende vuisten ballen zich samen, kedoekedoek, kedoekedoek, een gregoriaans mannenkoor klinkt op uit de tussenwereld, maar dan kort en krachtig als zweepslagen. Het lawaai heeft geen naam, het dringt vrijelijk en anoniem door tot in de verste uithoeken van het land. Het wegennet is tegen het wisselvallige klimaat bestand, onderhoud hoeft niet gepleegd te worden. Leg een betonplaat in een weide en het ligt duizend jaar later nog op precies dezelfde plek. De betonbanen, in het dialect ook wel macadams genoemd, zigzaggen voor eeuwig door verkavelingswijken en industrieterreinen en langs boerenerven, en volgen de loop van oude beken. Over de betonnen supergeleider dendert dagelijks de hele forenzengemeenschap; er is geen land ter wereld met zoveel pendelverkeer op zo’n kleine oppervlakte als Vlaanderen. Er is ook geen land ter wereld dat zijn wegennet zo consequent uitlicht. Het is hartverwarmend dat na zonsondergang honderdduizenden straatlantarens hun schijnsel op de wegen laten vallen. Onder het oranje lantaarnlicht oogt het wegdek fluweelzacht, alsof de 17


hardheid van de aardbodem verdreven is. De betonbanen zijn het grootste kunstwerk dat Vlaanderen heeft voortgebracht.

18


Kedoekedoek, Kedoekedoek ‘Hoor het land eens mooi zingen.’ Dat moet Lampens als architect in spe gedacht hebben. Kedoekedoek, kedoekedoek, daarmee begint de dag, de vroege ochtendspits, en soms vang je deze oerkreet ook midden in de nacht op. ‘Hoor het land eens mooi zingen.’ Dat moet Lampens als architect in spe gedacht hebben. Het was op een dag in 1935, zo stel ik me voor. Le Corbusier en Mies van der Rohe maakten hun opmars, maar of hun activiteiten doordrongen tot Oost-Vlaanderen is de vraag. In elk geval waren de ouwe rotten hem vóór in het verticaal plaatsen van betonnen oppervlakken. Er werd een nieuwe wereldorde opgebouwd uit beton, het brutalisme raakte wijdverbreid. Eind jaren vijftig werd Brasilia in moordend tempo uit de grond gestampt, in São Paulo verscheen het Edifício Copan, een 37 verdiepingen hoog betonnen appartementsgebouw in de vorm van een golf. De ideeën van Oscar Niemeyer, de Smithsons, Louis Kahn, om er maar enkelen te noemen, vulden de vakbladen. Lampens nam stilzwijgend kennis van de tomeloze bewijsdrang van zijn buitenlandse collega’s en bleef thuis, bij zijn kroost. Het moet het kedoekedoek, kedoekedoek zijn geweest, het gezang van de expreswegen waar zijn hart sneller van ging kloppen, het vertrouwde geluid dat hem ’s avonds deed woelen in bed en bij het krieken van de dag wekte. Het Vlaamse pendelverkeer overstemde het brutalisme van Le Corbusier, Niemeyer en Mies van der Rohe, de grootheden vormden een koor op de achtergrond, dat moet de realiteit zijn geweest waar Lampens in opgroeide. Lampens zelf was bescheiden en trok niet de wereld in, het ontbrak hem aan middelen en sowieso was het een heel andere tijd. Het moeten welhaast de betonbanen zijn geweest die zijn praktijk als architect tot wasdom brachten, ondersteund door, het klinkt bijna pervers, plaatjes uit de vakbladen.

23


Rechtlegging De hernieuwde N60 zou dwars door de pas gebouwde woning in Eke lopen. Kort nadat hij zijn woning in Eke (1960) voltooid had, ontving hij een bericht van de provincie over de rechtlegging van de expresweg tussen Gent en de grens met Frankrijk. De hernieuwde N60 zou dwars door de woning lopen. Toen hij me dit vertelde gniffelde hij: ‘Probeer het je voor te stellen: al dat verkeer dat we over de vloer zouden krijgen.’ Je zou denken dat het hem verontrustte, maar daar was geen sprake van, een enorme geestdrift maakte zich van hem meester. Hij wilde niets liever dat de rechtlegging doorging. De fouten die hij als jonge architect had gemaakt, zouden dan tenietgedaan worden. Hij zou onteigend worden en met dat geld elders een nieuw huis bouwen. Natuurlijk zou hij zo’n kans met beide handen aangrijpen. Het beton van de geofferde woning mochten ze van hem verpulveren en als wegdek gebruiken. Maar de provincie veranderde haar plannen en de woning bleef gespaard. Zo slecht was die woning overigens niet, maar Lampens kon beter. Een drietal jaren later diende zich een herkansing aan waar hij niet van had durven dromen. De opdracht om de kapel van Kerselare te ontwerpen kwam precies op tijd.

29


Versteende wachters Tekenen op de zeven kunstrotsen van de kleine ommegang. Om de week trekken Jan en ik naar het bedevaartsoord om er te tekenen en te fotograferen. Soms verliezen we elkaar uit het oog en waan ik me alleen op het terrein. De kapel geeft haar geheimen niet zomaar prijs. Zo heeft het gebouw een buiten- en een binnendak, gescheiden door een loze ruimte van ongeveer ĂŠĂŠn meter hoog. Tot nog toe ontging me de verborgen wereld onder de kap. Wat mij niet ontging is dat het volledige dakoppervlak zichtbaar is als je aan de achterkant van het gebouw staat. Ik denk aan Lampens, die er niet meer is. Uit eerbied voor zijn overlijden teken ik op de zeven kunstrotsen en de kapellen van de lange ommegang. Ik laat de betonnen nalatenschap van de meester voor even ongemoeid. Je zou bijna geloven in een soort herrijzenis, dat er sinds zijn heengaan een onzichtbare verbinding tussen de kapel en zijn schepper tot stand is gekomen. Daar ga je niet tussenin staan. Er is niets brutalistisch aan de ommegang, de zeven neprotsen staan haaks op het vooruitgangsdenken. Desondanks speel ik het klaar om erop te tekenen en me er goed bij te voelen. De rotsen spreken zich uit tegen het bewierroken van de kapel, ze stellen haar heiligverklaring op de proef, en daar valt iets voor te zeggen. Het kan toch niet zo zijn dat alles wat Lampens heeft gedaan, vanzelfsprekend goed is? Andersom gebeurt eigenlijk precies hetzelfde: de kapel maakt de kunstrotsen belachelijk. Niets is onfeilbaar, ik niet, Jan niet, Lampens niet, de omwonenden niet. We bestaan bij de gratie van verschillen, grote verschillen als je kijkt naar de robuuste kapel, de omliggende fermettes en de kitscherige rotsen, de versteende wachters van het bedevaartsoord.

37


Godelieve verschijnt weer ten tonele ‘De bouw van de kapel had heel wat voeten in de aarde, maar ze stond er toch snel. Zo snel kan het ook gaan met het weghalen van de staanders.’ Na maandenlange afwezigheid verschijnt Godelieve weer ten tonele, de dame die mij op mijn allereerste dag op het bedevaartsterrein aansprak over de gele staanders die de kapel voor instorting zouden behoeden. Toen zei ik dat de kapel een grand old lady op krukken was, naar aanleiding van haar verhaal over haar moeder, die haar krukken daar even kon wegleggen. ‘De gele staanders zullen echt weggehaald worden, het gaat echt gebeuren, hoor’, benadrukt ze. ‘Het zal mij verbazen’, reageer ik droog. Ik probeer het me voor te stellen, maar het lukt niet. De staanders horen bij het gebouw, ik ben ze mooi gaan vinden. ‘De bouw van de kapel had heel wat voeten in de aarde, maar ze stond er toch snel. Zo snel kan het ook gaan met het weghalen van de stutten. Ze staan er overigens voor de show, ze raken het plafond niet eens’, beweert ze stellig. ‘Maar hoe gaat het met uw krijtproject?’ verandert ze plotsklaps het onderwerp. ‘Er is zo weinig zichtbaar en er wordt niets over bekendgemaakt.’ ‘Omwonenden en kerkgangers zijn via het parochieblad Kerk & Leven op de hoogte gesteld, heb je die informatie niet gekregen?’ vraag ik. Ze schudt haar hoofd. ‘Voor wie het ontgaan is, wordt ons doen en laten toegelicht op het mededelingenbord dat bij de ingang van het terrein staat’, haast ik me te zeggen. ‘Ik bedoel de tekeningen, niet de aankondigingen,’ onderbreekt ze me ongeduldig, ‘ik had verwacht dat ondertussen de hele kapel ondergekalkt zou zijn.’

47


Regen, weer en wind als enige tegenspelers Het gebouw telt zoveel lijnen en vlakken, het is één groot geometrisch speelveld. Het gebouw telt zoveel lijnen en vlakken, het is één groot geometrisch speelveld. Je moet van goeden huize zijn om er iets aan toe te voegen. Daar komt bij dat ik op het bedevaartsterrein carte blanche heb gekregen, anders dan in de volksbuurten, waar de ene bewoner toestemming verleent, terwijl de andere juist gekant is tegen het tekenen en elke meter bevochten moet worden. Zolang er weerstand wordt geboden, krijg ik makkelijk grip op een situatie, ik word er assertiever van. Maar hier in Kerselare ben ik in een situatie beland waarin alle sociale weerstand overwonnen lijkt. Het kerkbestuur, Onroerend Erfgoed, de stad Oudenaarde en de familie Lampens leggen me geen strobreed meer in de weg. Godelieve is vooral ongeduldig, ik voel me aangemoedigd door haar, al schudt ze haar hoofd. Het is een artistiek project geworden waarin regen, weer en wind de enig overgebleven tegenspelers zijn.


Vierkante foto’s Door de zwart-witfoto’s van Jan kijk ik op een heel andere manier naar de omgeving dan wanneer ik op mijn dooie akkertje opereer. Door de zwart-witfoto’s van Jan kijk ik op een heel andere manier naar de omgeving dan wanneer ik op mijn dooie akkertje opereer. Foto’s kaderen de wereld en begrenzen haar, maar de zoeklens opent een weids zicht. Thuis, als ik de geprinte foto’s door mijn vingers laat gaan, zie ik plekken die aan mijn aandacht ontsnapten. In de verte hoorde ik wel een ezel balken, maar ik ging niet op de klaagzang af. In mijn ooghoeken zag ik wel dat er dure auto’s het terrein op reden, maar ik bleef gefocust op de tekening alsof ik eraan vastgebonden zat. Jan ging er wel op af. In zijn vierkante zoeker ontvouwt hij de omgeving, alsof hij een prop papier gladstrijkt. Ik zou alle gefotografeerde plekken wel willen betekenen, maar zie ervan af, het zijn er te veel. Het project is in de tijd begrensd, net als het leven. Als Jan naast me komt staan wanneer ik op de kunstrotsen aan het tekenen ben, volgt steevast de opmerking: ‘Ik zou er niets meer bij tekenen.’ Aanvankelijk verdenk ik hem ervan dat hij de kou als excuus aanwendt; hij is dunner gekleed dan ik. Uit solidariteit houd ik op met tekenen en denk bij mezelf: hij heeft misschien gelijk en wat is er tegen een pauze? Achteraf moet ik bekennen dat hij consequent in het belang van de tekening redeneert, de kou moedig trotseert en helemaal niet naar huis wil. Hij knipt de touwtjes door waarmee ik vastzit aan de tekeningen, waardoor ik niet blijf hangen op één plek en ons werk zich uitzaait over de hele Edelareberg.

59


64


65


Een lessenaarsdak, waarom ga ik daar niet achter zitten? Het dak vertoont gelijkenis met het leibord in Eke waar Lampens de eerste schets van de kapel aan toevertrouwde. Voor de zoveelste keer loop ik naar de N8 om het bedevaartsterrein van een afstand te overzien. Het kruis op de kapel is van een ontwapenende eenvoud, dun en rank, als twee grijze potloodstrepen die zich tegen de hemel aftekenen. De horizontale arm wordt in evenwicht gehouden met een dunne staalkabel, die is vastgemaakt aan de top van het kruis. De kapel hangt aan een kabel, verbeeld ik me, en is eigenlijk zo licht als een veertje. Ik herinner me een schetsontwerp van de kapel waarin Lampens met een pennenveeg het kruis heeft aangegeven. In die nonchalante veeg schuilt misschien wel het hele brein achter de kapel, de kunstenaar Lampens, of beter gezegd de dichter die hij was. Het schuin aflopende dak, een zogenaamd lessenaarsdak, is afgedekt met een laag teer, zwart als leisteen. Een lessenaarsdak, waarom ga ik daar niet achter zitten? Opeens weet ik het zeker: om aan de zwaarte van zijn nalatenschap te ontkomen moet ik lichtheid betrachten. Een tekening drukt niet op de aarde zoals beton, ze is gewichtloos, of tenminste van een ander soortelijk gewicht dan de kapel. Een onzichtbare hand leidt mij naar boven. Het dak vertoont gelijkenis met het leibord in Eke waar Lampens de eerste schets van de kapel aan toevertrouwde. Maar voordat ik het dak op klim om er te gaan tekenen, gebeurt er iets van een heel andere orde.

67


De kapel komt op eigen benen te staan De gele staanders, die het dak al meer dan acht jaar nodeloos ondersteunen, worden weggetakeld. De kapel komt op eigen benen te staan. De gele staanders, die het dak al meer dan acht jaar ondersteunen, zijn per opbod verkocht. Twee geavanceerde hoogwerkers van schoringswerken uit Meulebeke, een kleine gemeente in West-Vlaanderen, takelen de obstakels weg alsof het speelgoed uit vervlogen tijden is. ‘Net meccano’, mompelt Godelieve. Ze is speciaal naar Kerselare afgereisd om het wegtakelen van de staanders bij te wonen. ‘Conservatieve partijen in de gemeenteraad hebben acht jaar geleden stampij gemaakt om niets. De kapel zou zogenaamd op instorten staan en afgebroken moeten worden. In allerijl werden er toen staanders geplaatst. Een slimme vogel had gelukkig de tegenwoordigheid van geest om ervoor te zorgen dat de staanders het plafond net niet raakten, en daardoor zouden eventuele verzakkingen meetbaar worden. In acht jaar tijd vond er geen millimeter verzakking plaats. Het is pure volksverlakkerij,’ moppert ze, ‘conservatieve krachten haten de kapel, ze zouden er liever macadam van maken.’


Het heilige moeten Hoewel ik weet dat er autowijdingen in de kapel plaatsvinden, dringt nu pas tot mij door dat de vloer van de kapel eigenlijk een betonbaan is. Er zit veel kracht in deze dame, haar naam alleen al: Godelieve. Door God bemind. Ze kijkt me vorsend aan en vervolgt met een hogere stem: ‘Lampens was een gewiekste vogel, hij was doortrapt zonder gemeen te zijn. U vertelde mij dat de eerste schetsen van de kapel tot stand kwamen op een leibord in zijn studio, dat hij met een krijttekening de commissie aan zijn zijde kreeg, maar mij kwam een heel ander verhaal ter ore. Er waren twee voorstellen. Het voorstel dat goedgekeurd werd door het bisdom, was een conventioneel ontwerp met torentjes, zoals men dat graag ziet. Toen Lampens had gewonnen en het contract goed en wel was ondertekend, heeft hij een tweede voorstel naar voren geschoven. Zo had hij het in zijn hoofd zitten.’ Ze wijst naar de kapel, die langzaam haar volle glorie terugkrijgt. ‘Er is iets bedisseld destijds, onder tafel geregeld zoals wij dat zeggen. Hoe hij het klaargespeeld heeft weet ik niet, maar dat het bisdom erin geluisd is, lijkt me evident.’ Over de doden niets dan goeds, maar Lampens was natuurlijk een speciale vogel, bedenk ik als ik weer alleen ben. Bekend is dat hij niet kerkelijk was. Slechts één keer liet hij zich in met religieuze zaken, in naam van het sacraal brutalisme, en hengelde daarmee zijn grootste opdracht binnen. Twee voorstellen kwamen eraan te pas. Zou het waar zijn? Op de rouwkaart staat: Ik moet gisteren en morgen uitschakelen omwille van vandaag. Ik moet vandaag inschakelen omwille van gisteren en morgen. Het werkwoord ‘moeten’ speelt hier net zo’n belangrijke rol als in de spreuk over ‘ontmoeten’. Niets is meer waard dan het heilige moeten, het heilige vuur. Hij bundelde al zijn krachten in het hier en het nu, in het verleden en in de toekomst, hij moest en zou die kapel bouwen, goedschiks of kwaadschiks.

77


Ik wacht totdat de laatste staander is weggetakeld. De werklui uit Meulebeke heffen het glas en de chauffeur van de vrachtwagen weet te vertellen dat er gelukkig weer auto’s onder de luifel van de kapel kunnen rijden. Verbaasd kijk ik hem aan. Hij zegt: ‘Jaarlijks vinden hier autowijdingen plaats, dat wist u toch wel?’ Hoewel ik het wist, dringt nu pas tot mij door dat de vloer van de kapel een betonbaan is. Ik denk aan de rechtlegging van de expresweg, de woning in Eke die uiteindelijk niet gesloopt werd en de stemming die dit in huize Lampens teweegbracht. Het was vervolgens Lampens zelf die iets recht te zetten had. In Kerselare zag hij zijn kans schoon en bouwde een kapel met een betonbaan; hoe kan het ook anders...

78


Bart Lodewijks & Jan Kempenaers Kerselare tekeningen en foto's (deel 2) Tekeningen en tekst Bart Lodewijks Foto’s Jan Kempenaers Redactie Danielle van Zuijlen Eindredactie Lucy Klaassen Ontwerp Roger Willems & Dongyoung Lee Uitgever Roma Publications, Amsterdam Dit project is een initiatief van Bart Lodewijks en Jan Kempenaers en is mede mogelijk gemaakt met steun van de stad Oudenaarde, de Kerkfabriek van de O.L.V. Geboortekerk Pamele en de familie Lampens. Speciale dank aan Juliaan Lampens en Dieter Lampens. ROMA 378b © Bart Lodewijk, Jan Kempenaers, Roma Publications, 2020

92


Roma 378b

Profile for Roma Publications

Bart Lodewijks & Jan Kempenaers - Kerselare tekeningen en foto's (deel 2)  

Kerselare tekeningen en foto's (deel 2) door Bart Lodewijks en Jan Kempenaers. In memoriam Juliaan Lampens (1926-2019)

Bart Lodewijks & Jan Kempenaers - Kerselare tekeningen en foto's (deel 2)  

Kerselare tekeningen en foto's (deel 2) door Bart Lodewijks en Jan Kempenaers. In memoriam Juliaan Lampens (1926-2019)

Advertisement