__MAIN_TEXT__
feature-image

Page 1

Bart Lodewijks & Jan Kempenaers Kerselare tekeningen en foto's (deel 1)

Roma


Bart Lodewijks & Jan Kempenaers Kerselare tekeningen en foto's (deel 1) In memoriam Juliaan Lampens (1926-2019)

Roma Publications


7 november 2019 Juliaan Lampens is dood. Ik vernam het zojuist uit de krant en ben er stil van. Afgelopen voorjaar begon ik aan een serie tekeningen op zijn bekendste gebouw, de bedevaartkapel in Kerselare. Ik wilde de tekeningen aan hem laten zien als ze af zouden zijn, samen met de foto’s die Jan Kempenaers er maakt. Wij werkten toe naar de eerste zondag van april 2020, de dag van de Hoogmis.* Nu de grootmeester er niet meer is, krijgt het project een andere lading. In het laatste contact dat ik met hem had, gaf hij zijn goedkeuring. ‘Mooie impressie’, liet hij weten bij monde van zijn zoon Dieter. De tekst was uiteraard niet bedoeld als een in memoriam, maar is dat vanochtend in het schijnsel van zijn dood wel geworden.

* Sinds 1913 vindt op de eerste zondag van april het wielerevenement de Ronde van Vlaanderen plaats, oftewel de Hoogmis. De Edelareberg, waar de kapel zich bevindt, werd 35 keer opgenomen in het parcours, maar aan de kapel werd nooit aandacht geschonken. Het is de wens van Juliaan Lampens en de ambitie van het kunstproject dat er op zondag 5 april 2020 tijdens de Hoogmis live luchtopnames van de kapel worden uitgezonden over de hele wereld.

5


In den beginne Er was een krijtwand in Eke In 1961 brandde de bedevaartskapel van het gehucht Kerselare volledig uit. Slechts het laatgotische Mariabeeldje kon gered worden. Uit de as herrees een nieuwe kapel, naar ontwerp van de Vlaamse architect en brutalist* Juliaan Lampens. Het gebouw is opgetrokken uit ruw zichtbeton en werd vanaf dag één bekritiseerd, omdat het slecht zou aansluiten bij de omgeving. Ik val er als een blok voor. Hoewel de kapel voor de eeuwigheid gebouwd werd, is zij aan betonrot onderhevig en wordt zelfs over afbraak gesproken. Ik bezoek de 92-jarige Lampens en vraag of ik met schoolbordkrijt op de kapel mag tekenen. Hij doet uit de doeken dat hij de kapel met schoolbordkrijt uittekende op een krijtwand in zijn studio in Eke, voordat ze van 1963 tot 1966 gebouwd werd. De krijttekeningen die ik op de kapel wil aanbrengen, luiden een herbezinning in, een terugkeer naar de uitgewiste ideeën die ontstonden op de muur in Eke. Samen met fotograaf Jan Kempenaers zal ik, verspreid over de seizoenen, een artistiek perspectief scheppen waarin de kapel haar plek in de tijd opnieuw opeist. Wij willen het gebouw voor afbraak behoeden, zonder dat er ook maar één steen verlegd hoeft te worden.

* Brutalisme: een stroming in de architectuur die is ontstaan vanuit het modernisme (jaren vijftig tot en met de jaren zeventig van de vorige eeuw). De term ‘brutalisme’ is afgeleid van het Franse béton brut, ‘ruw beton’. Het bedevaartsoord van Onze-Lieve-Vrouw van Kerselare in Edelare (Oudenaarde, België) bevindt zich op de Edelareberg, aan de gelijknamige straat in Kerselare, de gewestweg N8, van Oudenaarde naar Geraardsbergen in de Vlaamse Ardennen.

9


10 juli 2017 Geachte heer Lampens, Dank u wel dat u Jan Kempenaers en mij zo vriendelijk ontvangen heeft in uw appartement op die warme avond in juni. Dat u heil ziet in het bekrijten van uw masterpiece stemt ons bijzonder vreugdevol. Ik hoop snel een begin te maken met tekenen en Jan kan ook niet langer wachten met fotograferen. Het komende jaar zullen we u op de hoogte houden van de gang van zaken. Maar eerst moet het kerkbestuur overtuigd worden van de zin van onze poĂŤtische daad, en wat te denken van Onroerend Erfgoed, die in voorname zaken graag het laatste woord heeft. Uw zegen telt echter het zwaarst en dat zou door de andere partijen alleen maar onderstreept hoeven worden.

19


Grand old lady op krukken Hoe een olijke reus achteloos een steentje wegtrapte en daarmee een aardverschuiving teweegbracht. 1 mei 2019 De eerste krijtlijn breng ik aan op het Mariabeeld dat op een sokkel bij de ingang van het bedevaartsterrein staat. Hoewel het voorjaar voor de deur staat, is het nog koud. Mijn handen warm ik onder mijn jas, die gevuld is met dons. Ik voel me van god en alleman verlaten. Het tekenen schiet niet op, mopper ik in mezelf. In de kapel koeren enkele duiven. Het is hun domein, knus en gezellig bij elkaar. Het zijn lollige beestjes met hun wandelgangetjes, ze knipogen naar me, ze voelen mijn eenzaamheid meteen. ‘Je tekent een mooie witte stola voor Onze Lieve Vrouw’, klinkt opeens een krakende stem achter mij. De woorden komen uit de mond van Godelieve, een dame op leeftijd die een plastic regenkap op haar hoofd draagt die versierd is met een bloemenmotief. Het hoofddeksel wordt op z’n plaats gehouden door een net iets te strak gespannen elastieken koord, dat tegen haar adamsappel drukt. Ze ondervindt er kennelijk geen hinder van, want ze praat onvermoeibaar door. Ik moet weten hoezeer haar leven vervlochten is met de geschiedenis van de kapel: ‘Vanaf de heuvels hebben mijn moeder en ik de oude kapel zien branden. Er stegen vlammen op uit het middenschip. Ik was een klein meisje, het moet ergens begin jaren zestig geweest zijn... Mijn moeder geloofde dat er een heilzame ader onder de kapel zat die haar verloste van haar gewrichtspijn. Als we de kapel bezochten, dan liep ze even zonder krukken op het gras. (...) Maar aan alle voorspoed komt een eind. Ik zag als eerste de brandende toren vallen en weende de hele dag.’ Woorden van treurnis vallen mij ten deel. ‘Ik ken alleen de nieuwe kapel’, zeg ik en wijs naar het betonnen gebouw, dat ondersteund wordt door een tiental oerlelijke gele staanders. ‘Een grand old lady op krukken’, laat ik me ontvallen. ‘Grand old lady? Het gebouw is tien jaar jonger dan ik’, zegt ze gespeeld beledigd. Het is alsof ze het over een mens heeft.

25


Ik heb me ontfermd over dit bedevaartsoord, dat in 1966 vlak onder de top van de Edelareberg werd gebouwd, op luttele meters van de plek waar de afgebrande kapel vroeger stond. Vier seizoenen lang mag ik de gevel met krijt betekenen, een onderneming die ik niet zomaar in mijn schoot geworpen kreeg. Maar daarover dadelijk meer. Er waait een gure, noordoostelijke wind. Ik trek mijn kraag hoger op en stamp met mijn voeten op de grond om het warm te krijgen. Hoe krijg ik grip op dit modernistische gebouw van geharnast beton? Een klein deel van het betonvlechtwerk heeft zijn weg naar buiten gevonden, verder ligt de kapel er ongenaakbaar bij. Hoeveel stormen heeft het gebouw al doorstaan? Het is veel minder beschadigd dan boze tongen beweren; mensen praten elkaar maar na. In al zijn zwaarwichtigheid heeft het gebouw ook iets ludieks, valt mij op, of zit hem dat in de ligging? De top van de Edelareberg lijkt met een pink omhoog gewipt, alsof een olijke reus in vervlogen jaren achteloos een steentje wegtrapte en daarmee een aardverschuiving teweegbracht. Sindsdien is de bergtop open blijven staan als een gapende mond, een holte die bescherming biedt aan parochianen, bedevaartgangers en architectuurliefhebbers, en aan gewone mensen zoals ik en Godelieve, die naast me staat. Er is een reuzenpui in de bergopening geplaatst, een glazen lens, waardoor weer en wind geen vat hebben op de diensten die in het gebouw gehouden worden. Een eruptie van beton, staal en glas. Hulde aan de architect, denk ik bij mezelf. Vanochtend liet de zon de schaduwen van de bomen op de kapelvloer dansen. Alles leek peis en vree. Toen ik enige afstand van het gebouw nam, flonkerde de lage zon in het glas, alsof er knipogen uitgedeeld werden, wat mijn hart sneller deed kloppen. Ook al wist ik dat de oogwenken zinsbegoochelingen waren, het wekte een gevoel op – het is bijna te kinderachtig voor woorden – dat ik iets in werking moest zetten wat het gebouw ten goede zou komen. Door de jaren heen heeft het mij aan religieuze inspiratie ontbroken, al kan ik niet beweren dat gebedsruimtes me helemaal koud laten. Misschien was het de gewijde grond die op me inwerkte.

27


‘Het is een gedrocht’, flapt Godelieve eruit. ‘Nou nou’, zeg ik, ‘er bestaan duizenden kapellen die op elkaar lijken, maar er is er maar één zoals deze. Je mag trots zijn op dit gebouw.’ ‘Het is de parochianen in de maag gesplitst, maar we hebben ermee leren leven,’ zucht ze, ‘en de jonge generatie weet niet beter.’ Ik zwijg. ‘De gele staanders zijn ons een doorn in het oog’, zegt ze plotseling. ‘Dan heb ik goed nieuws voor u’, zeg ik, opgelucht dat we elkaar ergens in vinden. ‘Onderzoek heeft uitgewezen dat de staanders niet meer nodig zijn. Gisteren heeft de gemeenteraad van Oudenaarde besloten dat die metalen ondingen weg mogen, er blijkt niets mis te zijn met de stabiliteit van de kapel. Vanochtend las ik in de krant dat de stutten per opbod worden verkocht.’ Er valt een stilte. ‘Niet meer nodig?’, herhaalt ze mijn woorden ongelovig, ‘dat is toch vreemd... De voorzienigheid Gods moet daar een hand in gehad hebben.’ Verbaasd kijk ik haar aan. ‘Gisteren was de vooravond van het bedevaartseizoen, traditioneel worden vandaag pas de wonderen verricht’, zegt ze. Getweeën kijken we naar de kapel, die zo stoïcijns in het landschap staat. Ze spreekt nu zacht, alsof ze op haar woorden moet passen, haar stem hapert een beetje: ‘De staanders zijn dus níet méér nodig.’ Ze laat de klemtoon nadrukkelijk op ‘níet méér’ vallen, waardoor het lijkt alsof er een mirakel heeft plaatsgevonden en de kapel uit zichzelf genezen is. Ik buig naar haar toe en wil zeggen: ‘De gebeden van je moeder zijn verhoord’, maar slik mijn woorden in. Maar het was niet nodig om mijn mond te houden, want ze maakt mijn gedachten af. ‘Ook na de brand bleef deze plek een positieve uitwerking op moeder hebben.’ Ze zoekt naar adem. ‘Als ik hier ben, dan gedenk ik moeder. Ik zie haar voorzichtig stappen op het gras tussen de madeliefjes, er liepen allemaal smalle paadjes toen. Zonder krukken veranderde ze in een soort koorddanser op zoek naar evenwicht, alsof er draden gespannen waren tussen de perkskes. Ze hoopte altijd dat haar gewrichtspijn vanzelf verdween en de krukken niet meer nodig waren.’

28


‘Ontmoeten is ontdoen van alle moeten en mogen in volle overgave’ Plechtig neem ik plaats aan het voeteneind van Lampens’ bed 7 april 2017 De oude Lampens is 92 jaar, bedlegerig, maar hij oogt springlevend. Plechtig neem ik plaats aan het voeteneind van zijn bed, een beetje op mijn hoede omdat ik niet weet wat er komen gaat. Samen met fotograaf Jan Kempenaers ben ik naar het verzorgingstehuis de Lichtervelde in Eke gereden, waar de oude meester met zijn vrouw woont. Jan fotografeerde de voorbijgaande jaren een deel van het oeuvre van de architect en beschikt over veel informatie. ‘De kapel van Kerselare is het meesterwerk van Lampens,’ benadrukt hij in de auto, ‘maar de woning die Lampens voor de familie Vandenhaute gemaakt heeft, liegt er ook niet om. Als we niet op de kapel mogen tekenen, dan kunnen we altijd nog bij Vandenhaute aankloppen, het zijn prima mensen.’ ‘Vandenhaute, dat is toch de eigenaar van de Ronde van Vlaanderen?’ vraag ik me hardop af. ‘Ja, dat klopt’, mompelt Jan. Hij vindt het raar dat er een eigenaar bestaat voor zoiets alomvattends als de Ronde. De kamer in het verzorgingstehuis is klein, maar aan alles merk je dat er verlichte mensen wonen. Er liggen opengeslagen boeken en op een kast staat een verstofte maquette, waarin ik de kapel meen te herkennen. We zijn uitgenodigd naar aanleiding van een brief die ik twee weken geleden aan Lampens schreef.

37


Beste heer Lampens, zo begint de brief. Fotograaf Jan Kempenaers en ik hebben een bijzondere belangstelling voor uw architectonisch meesterwerk O.L. Vrouw van Kerselare. Toen ik de kapel voor de eerste keer zag, was het alsof er iets gebeurde tussen mij en het gebouw. Al jarenlang maak ik lineaire krijttekeningen op muren, huizen, kerken en fabrieken in steden over de hele wereld. Ik heb heel wat gebouwen van dichtbij gezien, maar toen ik voor de kapel stond, sloeg mijn hart een paar slagen over. Het is een ongepolijste diamant, een bezield en non-conformistisch gebouw waar een roep om krijttekeningen uit opklinkt. Kort door de bocht vraag ik toestemming om krijttekeningen te mogen maken op de kapel en haar te fotograferen. Het zijn relatief eenvoudige ingrepen die ik voor ogen heb, maar wat wij ermee tot uitdrukking willen brengen, behelst meer dan een tekening die door hemelwater weggespoeld wordt. Het is een ode aan de kapel, haar omgeving en uw gedachtegoed. Vanzelfsprekend bent u de eerste die wij op de hoogte stellen van dit plan en we zouden u graag willen ontmoeten. Zonder uw goedkeuring zullen wij niet beginnen aan deze klus, waar we een jaar voor willen uittrekken.

47


Lampens richt zich ietwat schuin op uit zijn bed en zegt: ‘De reden dat ik u bij mij laat komen, is dat u werkt met krijt.’ Zijn zoon Dieter schuift behoedzaam een extra kussen onder het hoofd van zijn vader en vraagt of we zin hebben in koffie. ‘U schreef dat u al twintig jaar met krijt abstracte tekeningen maakt op gebouwen en op een dag voor de kapel van Kerselare stond. Laat mij raden: u zag een soort leibord, mag ik dat zo zeggen?’ ‘Toen ik voor de kapel stond, kon ik alleen maar aan krijttekeningen denken, maar een leibord is het gebouw allerminst’, zeg ik impulsief en naar waarheid. Ik schrik van mijn assertiviteit; ik sta hier niet voor een jury die ik moet zien te overtuigen, maar het klinkt wel zo. Zoekend naar de juiste toon ga ik verder: ‘Beton en krijt, de eeuwigheid en de vergankelijkheid, twee grootheden die onverenigbaar zijn, maar ook niet zonder elkaar kunnen. Toen ik voor de kapel stond, voelde ik mij uitgedaagd om een akkoord te slaan tussen die twee. De kapel is een ongepolijste diamant, een non-conformistisch gebouw’, lepel ik op uit de brief die ik aan hem schreef. ‘Het is een schelpvormige refuge, een bewijs dat Vlaanderen ooit op de zeebodem lag...’ voeg ik er spontaan aan toe. Ik verslik me bijna in de superlatieven en begin te stamelen. Er verschijnt een glimlach op het gezicht van de oude man, waardoor ik opeens zeg: ‘Ik zag dat de kapel aan betonrot lijdt.’ ‘Waarom begon je nou meteen over betonrot?’ vraagt Jan als we later weer in de auto zitten op weg naar huis. ‘Het is toch gewoon zo? De kapotte delen vind ik best mooi, ik zie het niet als schandvlekken.’ ‘Wist je dan niet dat het renovatie- en het afbraakbedrag momenteel ongeveer even hoog zijn? Het onderwerp ligt supergevoelig.’ ‘Het ontsnapte uit mijn mond...’ ‘Voor hetzelfde geld wordt de kapel afgebroken. Er gaan stemmen op in de gemeenschap om het gebouw met de grond gelijk te maken...’ De glimlach op het gezicht van Lampens verstrakt bij het woord ‘betonrot’. Er valt een ijzingwekkende stilte in de kamer, alleen het koffiezetapparaat pruttelt onverstoorbaar door. ‘Ik zou een poging willen wagen het gebouw met krijttekeningen te beschermen tegen de tand des tijds, zonder dat er ook maar één steen verlegd hoeft te worden’, doorbreek ik het zwijgen. Ook al zo’n zin die uit de brief komt, alsof ik elk woord weeg. Het is een gewaagde zin, 51


omdat er pretenties in doorklinken die ik maar moet zien waar te maken. Onze kennismaking is nog pril. ‘Ik richt mij tot u omdat u heer en meester bent over de kapel’, zeg ik met ingehouden adem. Hij heft zijn arm omhoog ten teken dat hij niet de baas is. ‘U bent de grondlegger?’, verbeter ik mezelf. ‘Het bisdom is de baas, het zal wat zijn als ik zeggenschap over al mijn gebouwen heb. De kapel is uit mijn geest ontsproten, dat is correct, daar moeten we het mee doen’, zegt hij, ‘en daarom moeten wij elkaar ontmoeten’, voegt hij er met zijn breekbare stem raadselachtig aan toe. Ik schuif mijn stoel dichterbij, zodat ik hem beter kan verstaan. ‘In vroeger jaren vertrouwde ik mijn ideeën toe aan de krijtwand in mijn studio in Eke’, praat hij verder. Met stomheid geslagen kijk ik hem aan, tekende hij ook met krijt, dat had ik in de verste verte niet verwacht. Een krijttekenaar? Ik kan het rijmen met de man zoals hij daar ligt: observerend, luisterend, niet bepaald een wildeman, zoals de term ‘brutalisme’ me aanvankelijk deed vermoeden. In zijn stem klinkt respect voor taal, hij stapelt woorden als waren het bouwstenen, muren waar je dwars doorheen loopt, maar die er wel degelijk zijn. Zijn innerlijke wereld is veel zachter dan beton. In zijn arbeidzame leven ging hij de wereld te lijf met gewapend beton, omdat zijn gedachten anders niet zichtbaar zouden zijn. Zal het dat zijn? Aspecten die ook in mijn werk gelden, komen bovendrijven. De kapel is opgebouwd uit krijt en taal, zacht en plooibaar, bijeengehouden door beton en staal. Taal en staal, slechts de letter ‘s’ staat daar als scherprechter tussen. Het aan het oog onttrokken vlechtwerk houdt de boel bijeen. Dat geldt ook voor gedachtenconstructies, die kun je ook niet zien, maar houden toch de boel bijeen. ‘Daarna wiste ik de schetsen weer uit met een bordklopper, maar pas nadat ze gestalte hadden gekregen in mijn hoofd’, vervolgt hij onverstoorbaar. Ik zucht diep bij zoveel herkenning. ‘Alle tekeningen die aan de basis liggen van de kapel, heb ik uitgewist.’ ‘Je hebt er een aantal op papier bewaard, papa’, herinnert Dieter zijn vader. ‘Potloodtekeningen’, zegt hij alsof het een diskwalificatie betreft. Vast een van zijn principes die hem in het verleden de rug recht deed houden, want om van poëzie te leven moet je streng zijn. ‘Ik hield ervan om mijn gebouwen uit 53


te tekenen in krijt, om erin te vegen totdat niemand er meer iets uit kon opmaken, behalve ik. Tot stof zult gij wederkeren, haha’, lacht hij deemoedig. ‘Ik ben geen gelovig mens, maar spreuken intrigeren me. Voor de buitenwacht behoren de krijtschetsen tot het verloren archief. Het verloren gewaande archief’, valt hij zichzelf in de rede, ‘want niets gaat werkelijk verloren.’ Nieuwsgierig kijkt hij me aan. ‘Het goede nieuws is dat ik heer en meester over mijn archief gebleven ben.’

55


Langzaamaan dringt tot mij door dat hij een handreiking aan mij geeft, niet letterlijk, maar overdrachtelijk. De enige plek waar ik eigenlijk wil tekenen is namelijk in het hoofd, een plek waar niemand kan komen. Volgens mij denkt hij er ook zo over en is de kapel een ultieme poging om in het hoofd van mensen te komen. De kapel tilt de top van de Edelareberg een beetje omhoog, alsof er een schedel wordt gelicht, de ruimte die vrijkomt biedt gelegenheid voor contemplatie. ‘Met andere woorden, de krijttekeningen die u wilt aanbrengen op de kapel, luiden een herbezinning in, een terugkeer naar mijn uitgewiste ideeën die ontstonden op de krijtwand in de studio in Eke, waar ik de kapel met schoolbordkrijt uittekende’, zegt hij in één adem. Mij overvalt hetzelfde gevoel als toen ik de kapel voor het eerst zag. Weer is er sprake van een ontmoeting, een lotsverbondenheid, maar nu tussen een oude dinausaurus en een jonge hond, we schelen ongeveer een halve eeuw. Ik ben overvallen door zijn krijtverleden; de radertjes in mijn hoofd draaien zich een slag in de rondte om alles een plek te geven. Het idee om mijn eigen gedachten in beton te gieten, flitst vrijelijk door me heen. Jan zit onbewogen op zijn stoel. Wat gaat er in zijn hoofd om? Ik zie dat Dieter naar me kijkt, vriendelijk en genereus. ‘Ik heb uw oeuvre uitgeplozen, maar trof er geen sporen van krijt’, zeg ik voorzichtig. ‘Het is een onbekend deel van mij, alleen intimi zijn ervan op de hoogte’, zegt hij op vertrouwelijke toon. ‘Dieter, pak die fles nog eens uit de kast’, richt hij zich tot zijn zoon. Het is whisky, een drank met een geschiedenis van veldslagen en vredesakkoorden. Net zo woelig dient Onze-Lieve-Vrouw van Kerselare zich op dit moment aan, in deze kamer waar zoveel rust heerst, en dat alles nog voordat ik slag of stoot geleverd heb. ‘Toen vader de prijs won en de kapel mocht bouwen, had hij er meteen een hoop vijanden bij’, zegt Dieter. ‘We doen er nu luchtig over, maar er barstte toch een hevige polemiek los, ook tussen naaste collega’s en u, hè papa...’ Er vallen namen van betrokkenen die voor of tegen de bouw van de kapel waren. Jan en ik laten ons nog eens inschenken, uit loyaliteit aan de familie, en we toasten op het feit dat Lampens de prijs gewonnen heeft en niet een ander, alsof de uitslag zojuist bekendgemaakt is. De 59


vermeende betonrot komt niet echt ter sprake. ‘Het is te wijten aan een onderaannemer, die te veel water door de specie mengde als ik afwezig was.’ Meer wil Lampens er niet over kwijt. Om het beton te gieten is een half Ardeens bos omgekapt: elke plank werd slechts één keer gebruikt, waardoor de afdrukken van het houtrelief eindeloos variëren. ‘Het verschil in nervenstructuur zie je niet direct, maar je voelt dat er meer is dan je ziet.’ Bij het afscheid nemen drukt Lampens ons op het hart dat het kerkbestuur overtuigd moet worden van onze poëtische daad. ‘Zonder hun instemming krijg je niets voor elkaar’, zegt hij en wenst ons zo nadrukkelijk alle geluk van de wereld dat ik bijna bang ben om het verpleegtehuis te verlaten. Bang dat we zoveel geluk nodig zullen hebben. Eén zin blijft me het meest bij. Hij sprak hem langzaam uit, plechtig, er schuilde een soort eenzaamheid in, een verlangen naar overgave, alsof er op de muur een spreuk opdoemde. Een zin die hij wellicht als jonge architect geschreven had en die een halve eeuw later niets aan geldigheid heeft ingeboet. Hij zei: ‘Ontmoeten is ontdoen van alle moeten en mogen in volle overgave.’

60


Wij zijn ook arm Gesprek met het kerkbestuur 17 april 2018 Het kerkbestuur is gevestigd aan de Grote Markt in Oudenaarde, tegenover de Walburgakerk, een plompe stapeling van drie kerken ineen, een machtscentrum dat uittorent boven de omringende heuvels. Naast mij zitten Jan en Dieter. Tegenover ons zitten zeven notabelen van de stad en de deken, het kerkbestuur in wiens handen de lotsbestemming van het krijtproject ligt. ‘Tien jaar geleden zat ik in deze kamer tegenover uw voorganger deken Peerenboom’, wend ik me tot de nieuwe deken. ‘Ik kreeg toen toestemming om een deel van de Walburgakerk te betekenen. Dat was in het kader van Versus V, een kunstmanifestatie die in 2009 in uw stad plaatsvond. Ik beweerde dat het krijt door regen van de kerk zou spoelen. Dat het er nu nog steeds op zit, bewijst het tegendeel.’ Tot hier heb ik voorbereid wat ik wilde zeggen en constateer dat het geestige aspect van mijn introductie de aanwezigen volledig ontgaat. Zelfs Jans gezicht blijft in een serieuze plooi. Dieter kruipt iets weg in zijn stoel. Opeens herinner ik me dat deken Peerenboom en ik niet echt een gesprek hadden. ‘Hij leidde mij naar deze kamer en liet mij lang wachten’, haast ik me te zeggen. Tot mijn verbazing krijg ik nu wel bijval van het gezelschap, er klinkt instemmend gemurmel. ‘Toen Peerenboom eindelijk binnenkwam, zette hij twee Westvleterens* op tafel en daarmee leek de zaak beklonken.’ ‘U heeft mijn voorganger prima begrepen,’ zegt de deken, ‘maar Kerselare is een ander verhaal. Wat wilt u precies van ons?’ Ik vertel over de ontmoeting met Lampens en dat we zijn zegen kregen, maar dat we tevens het uitdrukkelijke advies kregen om met het kerkbestuur rond de tafel te gaan zitten. ‘De heer Lampens bouwde uiteraard voor de eeuwigheid’, vertel * Westvleteren is een vermaard trappistenbier dat gebrouwen wordt door de monniken van de Sint-Sixtusabdij van Westvleteren (WestVlaanderen). De productie is beperkt tot ze genoeg opbrengt voor het levensonderhoud van de monniken.

71


ik verder, ‘maar de tekeningen die aan de basis van de kapel liggen, zijn grotendeels verdwenen, letterlijk uitgewist. Het betrof krijttekeningen’, zeg ik, alsof er een geheim onthuld wordt. De kerkleden reageren niet. Misschien doe ik er beter aan om het kort te houden. Uit de stapel A4’tjes op tafel maak ik op dat er nog meer geagendeerd staat voor vanavond. ‘Lampens beschouwt zijn krijttekeningen als “het verloren gewaande archief”’, ga ik haastig verder. ‘Ze zijn niet echt verloren, want ze zitten opgeslagen in zijn hoofd. Door de kapel te voorzien van krijttekeningen hoop ik het verloren archief weer tot leven te wekken, in elk geval te bekrachtigen hoezeer vergankelijkheid en eeuwigheid met elkaar verstrengeld zijn.’ De deken fronst zorgelijk zijn wenkbrauwen bij het woord ‘verstrengeld’. Om geen gaten in mijn relaas te laten vallen vervolg ik: ‘De kapel beschouw ik als een belangrijk bemiddelaar tussen de eeuwigheid en het vergankelijke.’ Ik haal even adem en bedenk dat ik nu wel voor een jury sta die overtuigd moet worden. Hoe anders was dat aan het bed van Lampens. ‘De toekomst van de kapel roept vragen op die in het huidige tijdsgewricht niet eenduidig te beantwoorden zijn.’ Wat klinkt dat amechtig. ‘Een artistiek denkkader kan andere verdwijn- en vluchtlijnen aanbrengen voor een mogelijk antwoord’, ga ik verder. ‘Krijtlijnen kunnen een toekomstperspectief scheppen zonder dat er ook maar iets herbouwd, verbouwd of verplaatst hoeft te worden.’ Ik zwijg, ik heb mijn zegje gedaan en vrees dat alles wat ik eraan toevoeg, afbreuk doet aan mijn woorden. ‘U moet weten dat wij uiterst welwillend staan tegenover goede ideeen, maar dat we een arme club zijn met een zeer beperkt budget’, zegt de deken. ‘Maar dan kunnen wij elkaar de hand geven’, roep ik uit. ‘Wij’, ik wijs naar mijzelf, naar Jan en naar Dieter, ‘wij zijn ook arm.’ De bestuursleden staren ons aan en ik zie in mijn ooghoeken Jan en Dieter rechtop in hun stoel zitten. Het is alsof opeens iedereen rond de tafel elkaars gelijke is, er vindt een zekere verbroedering plaats, opluchting ook, althans in mijn beleving. De deken neemt opnieuw het woord: ‘Ik sta achter uw idee en apprecieer het dat u Lampens als eerste benaderde. Wat mij betreft mag u de kapel vier seizoenen lang betekenen met krijt, 72


tenminste als u de garantie biedt dat het ons niets kost en dat er geen sporen nablijven zoals op de Walburgakerk.’ Hij kijkt de kring bestuursleden rond, die allen instemmend knikken, en vervolgt rustig: ‘Maar alvorens u aan de slag gaat, heeft u wel officiële toestemming nodig van Onroerend Erfgoed. De kapel geniet een beschermde status.’ ‘Wij zijn ook arm, waar haalde je die vandaan?’, gniffelt Jan als we buiten staan. ‘Onroerend Erfgoed, dat lijkt me een hele hobbel’, zeg ik. ‘Ik denk dat ze er wel oor naar hebben’, stelt Dieter ons gerust. Gedrieën steken we het plein over. ‘Klopt het dat je vader ook een woning gemaakt heeft voor Vandenhaute, de eigenaar van de Ronde van Vlaanderen?’ herinner ik me het gesprek tussen Jan en mij in de auto onderweg naar Lichtervelde. ‘Ja, voor de ouders van Wouter, hoezo?’ ‘Het lijkt me mooi als er tijdens de Ronde helikopterbeelden worden uitgezonden van een bekrijte kapel. Stel dat je vader de tv aanknipt op het moment dat de coureurs de Edelareberg beklimmen. Het zou toch een prachtig eerbetoon zijn.

73


Onze Lieve Vrouw Onkunde op het gebied van devotie 1 mei 2019 De bomen staan nog niet in het blad, waardoor het zicht weids is. Jan en ik verkeren in licht euforische stemming, omdat Onroerend Erfgoed, geheel tegen onze verwachting in, het dossier ‘krijtekeningen op de kapel van Kerselare’ unaniem goedgekeurd heeft. Niets lijkt ons meer in de weg te staan, al blijven we arm. Op het betegelde pad dat naar de kapel leidt, ligt een geknakte boom en de grasmat is bezaaid met takken. Met opgezette kragen tegen de wind begeven we ons op de kleine ommegang, een kronkelig wandelpad rondom de kapel dat voorzien is van zogenaamde bas-reliëfs in kunstrotsen. Ze stellen de zeven weeën van de heilige maagd voor, lees ik op een plaquette. Eens te meer word ik geconfronteerd met mijn gebrekkige kennis van devotie. ‘Het lijkt me beter om niet meteen de kapel te lijf te gaan met krijt, maar te beginnen met omtrekkende bewegingen,’ zegt Jan, ‘misschien levert enige aarzeling meer inzicht op dan meteen in actie te schieten.’ Hij heeft dit nog maar net gezegd of mijn oog valt op het granieten beeldje van de beschermvrouw bij de ingang van het terrein. Het lijkt mij volkomen vanzelfsprekend om dit beeld als eerste van krijtlijnen te voorzien. Daaraan kan ik beter vandaag dan morgen beginnen, nu het zicht op de kapel nog open is. Het is eigenlijk nog te koud om te tekenen, maar over een paar weken zit alles in het blad. ‘We zullen straf krijgen als je op het Mariabeeld tekent’, zegt Jan. ‘Ontheiliging van de icoon, daar komt geheid gedonder van.’ Dikke kans dat het zowel mijn eerste als mijn laatste tekening wordt hier, denk ik bij mezelf. We hebben van alle partijen toestemming om op de kapel te tekenen, van de eromheen gelegen beelden moeten we afblijven, althans er zijn geen afspraken over gemaakt; we zijn gewoonweg vergeten om de heilige Maria bij het project te betrekken, foeter ik in mezelf. ‘Aan haar kunnen we niets vragen, Jan.’ ‘Misschien moet je je gewoon op je gebruikelijke wijze tot haar richten’, moedigt hij me aan. De hele middag voorzie ik de heilige Maria van krijtlijnen, terwijl Jan met zijn fotocamera de omgeving uitkamt. Naast me 117


vervolgt Godelieve: ‘Hopelijk geeft de stola ook nog een beetje warmte in deze koude nachten. Ik heb eens goed rondgekeken en de gele stutten geteld, het zijn er precies veertien. Het is zo onwaarschijnlijk wat je zojuist vertelde. Zullen ze echt niet meer nodig zijn?’, vraagt ze. Ik grijns schaapachtig en herinner mij een sterk verhaal over een mirakel. ‘Kent u het verhaal over een volledig verlamde man die met rolstoel en al ondergedompeld werd in het heilige water van Lourdes?’ vraag ik. Ze haalt haar schouders op, niet wetend wat ze daarop moet zeggen. ‘Toen hij weer boven water kwam, was hij nog steeds verlamd, maar de rolstoel had nieuwe bandjes.’ ‘Dat is toepasselijk’, zegt ze, ‘dan dienen al die gebeden ergens voor.’ De avond valt, mijn vingers zijn stram van het tekenen, maar zolang ik een krijtje kan vasthouden is er niets aan de hand. Jan is in geen velden of wegen te bekennen en Godelieve is allang naar huis. De tekening op het Mariabeeld is zo goed als af. Op de granieten sokkel heb ik een klein vierkantje getekend, bij wijze van signatuur. Uiteraard is er geen woord gewisseld tussen de versteende beschermvrouw en mij. ‘Het is méér dan symbolisch dat het ontstaan van de kapel uit krijtlijnen en mijn poging door middel van krijtlijnen de kapel te behouden elkaar vinden in een omhelzing’, spreek ik tot mezelf. Misschien vangt ze er iets van op, Maria, God zal het weten. Ontmoeten is ontdoen van alle moeten en mogen in volle overgave, je kan toch wel zeggen dat ik daaraan gehoor gegeven heb. Ik neem de krijtdoos onder mijn arm en daal de Edelareberg af, op zoek naar Jan.

118


Bart Lodewijks & Jan Kempenaers Kerselare tekeningen en foto's (deel 1) Tekeningen en tekst Bart Lodewijks Foto’s Jan Kempenaers Redactie Danielle van Zuijlen Eindredactie Lucy Klaassen Ontwerp Roger Willems & Dongyoung Lee Uitgever Roma Publications, Amsterdam Dit project is een initiatief van Bart Lodewijks en Jan Kempenaers en is mede mogelijk gemaakt met steun van de stad Oudenaarde, de Kerkfabriek van de O.L.V. Geboortekerk Pamele en de familie Lampens. Speciale dank aan Juliaan Lampens en Dieter Lampens. ROMA 378a © Bart Lodewijk, Jan Kempenaers, Roma Publications, 2019

130


Roma 378a

Profile for Roma Publications

Bart Lodewijks & Jan Kempenaers - Kerselare tekeningen en foto's (deel 1)  

Kerselare tekeningen en foto's (deel 1) door Bart Lodewijks en Jan Kempenaers. In memoriam Juliaan Lampens (1926-2019)

Bart Lodewijks & Jan Kempenaers - Kerselare tekeningen en foto's (deel 1)  

Kerselare tekeningen en foto's (deel 1) door Bart Lodewijks en Jan Kempenaers. In memoriam Juliaan Lampens (1926-2019)

Advertisement