Page 1

HET

Register Vakblad van het Register Belastingadviseurs oktober 2016 | nummer 5

De jubelton komt terug! Boekpresentatie Geloofwaardig belasting heffen: Samen leven, samen kiezen, samen dokken Oud-rechter Bernard Bavinck: ‘maak wetten toetsbaar aan de Grondwet’ Dga bevrijd uit door Financiën zelf aangebrachte pensioendividendklem


DE

n n n

Inhoud

Colofon Het Register is een uitgave van Het Register Belastingadviseurs (RB), Brenkmanweg 6 4105 DH Culemborg, telefoon (0345) 54 70 00 Het Register verschijnt zes keer per jaar en vormt een belangrijke informatiebron voor de leden van het Register Belastingadviseurs. Leden en relaties van het RB ontvangen Het Register uit hoofde van hun lidmaatschap/ betrokkenheid bij het RB. Informatie over (het lidmaatschap van) het RB vindt u op www.rb. nl; informatie over het opzeggen van het lid­ maatschap vindt u op www.rb.nl/opzeggen.

Redactieraad Mr. S.F.J.J. (Sylvester) Schenk RB (hoofd­ redacteur) Prof. mr. dr. G.J.M.E. (Guido) de Bont Mr. E.E.J.C. (Eli) Hendriks RB Mr. dr. M.J. (Mascha) Hoogeveen Mr. W.J.M. (Wil) Vennix RB

12

Boekpresentatie Geloofwaardig belasting heffen: Samen leven, samen kiezen, samen dokken

22

Verslag

‘Maak wetten toetsbaar aan de Grondwet’ Interview met mr. C.B. Bavinck

Eindredactie Kamminga Publicaties, Ton Kamminga E-mail: ton@kammingapublicaties.nl

Uitgever Register Belastingadviseurs E-mail: communicatie@rb.nl

n

4

Kort & bondig

n

5

Het kantoor van de toekomst: hoe blijf ik concurrerend?

n

8

De redactie - Hartenkreet Mr. dr. M.J. Hoogeveen

Rubriek Jurisprudentie en Wetgeving Fiscaal up to Date, Eindhoven

Advertenties Saskia van Baal Tel.: (0345) 54 70 00 E-mail: svanbaal@rb.nl Zesde jaargang, oplage 7500

Ir. A.J.J. Willems

Vormgeving Twinmedia BV, Joke Boer

© Register Belastingadviseurs Niets uit deze uitgave mag worden gerepro­ duceerd door middel van boekdruk, fotooffset, fotokopie, microfilm of welke andere methode dan ook, zonder vooraf­ gaande schriftelijke toestemming van het Register Belastingadviseurs. ‘Het Register’ bevat informatie die met de meeste zorgvuldigheid is samengesteld. Het Register Belastingadviseurs en de bij deze uitgave betrokken redactie en medewerkers aanvaarden geen aansprakelijkheid voor mogelijke gevolgen die zouden kunnen voortvloeien uit het gebruik van de in deze uitgave opgenomen informatie. Citeertitel: Het Register 2016/nr.

Btw-vrijstelling (para)medische diensten: we zijn weer terug bij af

n

16

n

21

Jurisprudentie en wetgeving

n

27

Energie- en milieu-investeringsaftrek: let op de voorwaarden!

n

32

Dga bevrijd uit door Financiën zelf aangebrachte n pensioendividendklem

36

Mr. M.D.J. van der Wulp

Fiscale schaamlap Column - Mr. drs. M.P.A. Spanjers

Mr. P.H.J. Furer RB

Drs. D.W. Bakker RB

De jubelton komt terug!

n

42

n

49

Drs. P.A. Schut FFP RB en mr. R.J. Bruggink FFP RB

www.rb.nl/het-register

Het Verenigingsnieuws

oktober 2016 | nummer 5 | Het Register

3


DE

Redactie

Hartenkreet Pas op: u bent begonnen aan een column van iemand die bij de Belastingdienst werkt. En dat in een blad voor belastingadviseurs. En nog van een lid van de redactie ook. Waarom wordt een medewerker van de Belastingdienst een dergelijk podium geboden? Waar is het RB mee bezig? Deze inleiding kan twee reacties tot gevolg hebben. Zo kunt u denken: ‘Ja inderdaad, achterlijk eigenlijk.’ U stuurt massaal klachten in en ik ben al snel redactielid af. Het zou me echter heel erg verbazen als dit scenario werkelijkheid wordt. De leden van het RB staan bekend als positief-kritische adviseurs, met oog voor hun klant en met een eigen mening. Ik verwacht daarom eerder de volgende reactie: ‘Slaat nergens op, die waarschuwing. Het is ook maar een mening.’ U leest glimlachend door en gaat over tot de orde van de dag. Een gezonde insteek, lijkt mij. Toch valt een enkele reactie de andere kant op niet helemaal uit te sluiten. Ik heb namelijk al eens een klacht aan mijn broek gehad: mijn column zou pro Belastingdienst zijn. En ook deze zou als zodanig kunnen worden uitgelegd. Maar dat is hij allerminst; het is eerder een hartenkreet voor uw bestwil. Die hartenkreet luidt: stop met het opzoeken van de grenzen voor de toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten. U zou namelijk anders wel eens van een koude kermis kunnen thuiskomen. Vooropgesteld: als uw klant voldoet aan de voorwaarden: aanvragen, geen enkel probleem mee. De faciliteiten staan in de wet en uw klant heeft er recht op. Grote strik erom en klaar. Mits het wel een bedrijfsopvolging is, en daar wringt dus wat mij betreft de schoen. De randen voor de toepassing van de faciliteiten worden namelijk (te) veel en (te) vaak opgezocht. Een treffend voorbeeld is de bedrijfsopvolgingscarrousel: schenken, terugkopen na vijf jaar en opnieuw na vijf jaar schenken. De verleiding is groot: een rendement van 20 of zelfs 40% is immers niet voor de poes. Maar zeg nu zelf: wat heeft dit nog met een bedrijfsopvolging te maken? Natuurlijk kunnen we discussiëren over de vraag wiens schuld dit is. Vraagt de wetgever er zelf eigenlijk niet om, door zo’n grote worst voor te houden? En is de Belastingdienst ook niet te streng: te gericht op misbruikmogelijkheden en met te weinig oog voor ‘echte’ bedrijfsopvolgingen? Kunnen we ook een boom over opzetten. Maar dat bewaren we voor later; nu richt ik mij tot u, de adviespraktijk. In mijn proefschrift geef ik argumenten om de bedrijfsopvolgingsregeling af te schaffen. Gekeuvel van een wetenschapper, maakt geen schijn van kans. Nee, uit die hoek heeft u niets te vrezen, maar wellicht wel van uw eigen collega’s. Het opzoeken van de grenzen kan er namelijk toe leiden dat de regeling uiteindelijk wordt aangepast of zelfs helemaal afgeschaft. Er zijn genoeg voorbeelden van regelingen die daardoor kopje onder zijn gegaan; denk maar aan de WIR. Gedraagt de praktijk zich daarentegen ‘netjes’, dan zal een poging tot afschaffing politiek op te grote weerstand stuiten. Denk ik. Persoonlijk.  <<< Mr. dr. M.J. (Mascha) Hoogeveen verbonden aan Tilburg University en lid van de redactieraad van Het Register

4

Het Register | oktober 2016 | nummer 5


n n n

Kort & Bondig Kleine leaseauto fors duurder De kleine leaseauto is de afgelopen vijf jaar fors duurder geworden, terwijl de grotere bakken juist goedkoper werden, meldt het CBS. De operationele leaseprijs van auto’s in het A-segment, met onder meer Volkswagen Up, Fiat 500 en Peugeot 107, steeg in die vijf jaar met maar liefst 18,6%. Ook in het B-segment, met onder meer Ford Fiesta en Toyota Yaris, steeg de prijs met 7,1% relatief sterk. In de segmenten C en D, samen goed voor meer dan de helft van de leasemarkt, daalde de leaseprijs daarentegen met respectievelijk 3,7 en 0,1%. Segment E, met auto’s als Audi A6 en BMW 5-serie, noteerde zelfs een daling van 6,1%. Ingedeeld naar type brandstof steeg de leaseprijs van benzinemodellen gemiddeld met 2,8%, terwijl de dieselmodellen gemiddeld 2,7% goedkoper werden. De leaseprijs van de alternatieve brandstoftypen, zoals de elektrische en hybride auto’s, was een fractie hoger dan vijf jaar geleden. n Centraal Bureau voor de Statistiek, 5 augustus 2016

ICT dwingt overheid om sneller te reageren Overheden moeten in een vroeger stadium reageren op ICT-ontwikkelingen in de markt, zoals het internet der dingen, digitale platformen, robots en block-chain technologie. Nu wachten ze te vaak tot er meer duidelijkheid is over de nieuwe technologie of de ontwikkeling ervan in de markt. Op een later moment regels invoeren is echter vaak lastiger en kostbaarder, blijkt uit het onderzoek ‘Marktordening bij nieuwe ICTtoepassingen’ van het Centraal Planbureau. Het optimale moment voor overheidsingrijpen hangt onder meer af van de maatschappelijke kosten die moeten worden gemaakt om het beleid in de toekomst aan te passen. Zo kunnen bij online identificatie de toekomstige kosten van een nieuwe standaard hoog zijn voor consumenten en bedrijven die willen overstappen. Vroegtijdig ingrijpen door de overheid is dan wenselijk om deze kosten te voorkomen. Bij andere ICTtoepassingen, zoals zelfsturende auto’s of Uber, kan de overheid experimenten faciliteren of zelf op lokaal of regionaal niveau experimenteren om de onzekerheid over de technologie te verkleinen. n Centraal Planbureau, 11 augustus 2016

Adviesaanvraag over medezeggenschap pensioen in kleine ondernemingen Staatssecretaris Klijnsma van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de SER om advies gevraagd over de medezeggenschap over pensioenen in kleine ondernemingen. De adviesaanvraag is het gevolg van een amendement van het Kamerlid Ulenbelt (SP) tijdens de behandeling van een aanpassing van de Wet op de ondernemingsraden. Die aanpassing maakt dat de ondernemingsraad nu ook instemmingsrecht heeft bij een voorgenomen wijziging van de pensioenregeling door de werkgever. Omdat ondernemingen met 10 tot 50 werknemers niet verplicht zijn om een ondernemingsraad in te stellen, kan er ook geen sprake zijn van een instemmingsrecht. De vraag is nu hoe bij zulke bedrijven de medezeggenschap kan worden geregeld. n Sociaal-Economische Raad, 16 september 2016

oktober 2016 | nummer 5 | Het Register

5


n n n

Economisch herstel zet door, onzekerheid blijft

Rumoer rond Wet DBA Rond de nog maar net in werking getreden Wet DBA zijn de afgelopen tijd flink wat negatieve geluiden te horen geweest. De eerste voetzoeker kwam van MKB Belangen, dat via een Wob-verzoek gegevens van de Belastingdienst over de afhandeling van modelovereenkomsten wist te bemachtigen. Van de 4481 binnengekomen modelovereenkomsten bleek nog maar de helft te zijn afgehandeld. Daarvan was een kleine 17% goedgekeurd en maar liefst 47% afgekeurd, en werd in nog eens 37% van de gevallen de procedure afgebroken. Niet minder dan 2264 modelovereenkomsten moesten de procedure nog doorlopen, of wachtten op behandeling. De doorlooptijd was gemiddeld elf weken, bijna twee keer zo lang als de zes weken die de Belastingdienst belooft op zijn website. In de media spraken vervolgens VVD-fractievoorzitter Halbe Zijlstra en D66-Kamerlid Steven van Weyenberg onverbloemd hun twijfels uit over de wet en zinspeelden ze op afschaffing ervan. En daarna deed het TROS-tv-programma Radar ook nog een duit in het zakje. Dit schreeuwde natuurlijk om een reactie van staatssecretaris Wiebes van Financiën. En die kwam er dan ook. In een voortgangsbrief over de wet kondigt hij aanvullende acties aan, in de vorm van extra capaciteit bij de Belastingdienst voor het beoordelen van overeenkomsten, een meldpunt en meer toegespitste communicatie. De grootste weerstand ontmoet de Belastingdienst volgens hem niet waar onzekerheid bestaat, maar waar inmiddels juist zekerheid is dat de oude manier van werken nooit binnen de wet heeft gepast. Vaak gaat het om werkrelaties die volgens reeds lang bestaande wettelijke criteria neerkomen op een dienstbetrekking. Geen paniek, zegt Wiebes, goedwillende ondernemers worden echt niet beboet, ook niet na 1 mei 2017. Dan lijkt het wel handig om te weten of hij je nu wel of geen goedwillende ondernemer vindt. n M  KB Belangen, 2 september 2016; ministerie van Financiën, 19 september 2016

6

Het Register | oktober 2016 | nummer 5

Het herstel van onze economie zet door, maar blijft onzeker door onder meer de Brexit, de lage rentes en het ruime monetaire beleid in de EU en de VS. De groei van de Nederlandse economie komt in 2016 en 2017 uit op 1,7% en de werkloosheid op 6,2%. Het overheidstekort daalt naar 1,1% van het bbp in 2016 en 0,7% in 2017. In de periode 2018-2021 zet dit gestage herstel door; de wereldeconomie groeit met gemiddeld 4% per jaar, de Nederlandse met 1,7%. De werkloosheid daalt licht naar 5,5% in 2021 en de overheidsbegroting gaat naar een overschot van 0,9% van het bbp. Dit alles blijkt uit de Macro Economische Verkenning (MEV) die het Centraal Planbureau op Prinsjesdag naar buiten bracht. Daarin dit jaar extra aandacht voor de flexibilisering van de arbeidsmarkt. Daar moet iets mee gebeuren, vindt het CPB, en dat kan het beste in een regeerakkoord. Rapporten zijn er te over, dus luiden de slotwoorden: ‘Geen woorden maar daden, zoals ze in Rotterdam zeggen.’ n C  entraal Planbureau, 20 september 2016

Nederland akkoord met modernisering Europees octrooi Nederland heeft het verdrag over een nieuwe Europese rechtbank voor octrooigeschillen geratificeerd. Hiermee zijn wij het elfde land dat het nieuwe Europese octrooisysteem goedkeurt. De andere landen zijn Frankrijk, Oostenrijk, België, Bulgarije, Denemarken, Luxemburg, Malta, Portugal, Zweden en Finland. De rechtbank gaat van start zodra ook Duitsland en het Verenigd Koninkrijk de afspraken hebben goedgekeurd. De nieuwe rechtbank, het Eengemaakt Octrooigerecht (Unified Patent Court), doet straks uitspraak over inbreuk op of vernietiging van Europese of unitaire octrooien. Deze uitspraken gelden in alle deelnemende landen. Ook in Nederland zal een vestiging van deze rechtbank komen. n Ministerie van Economische Zaken, 14 september 2016


n n n

LinkedIn discussiegroep voor zzp’ers en mkb’ers Het ministerie van Financiën maakt voor het eerst gebruik van een LinkedIn-groep om individuele zzp’ers en mkb’ers te vragen naar hun mening over de financiële dienstverlening. De consultatie hierover is onlangs aangekondigd. Het belangrijkste doel van consultatie en LinkedIn-groep is om informatie te verzamelen over de effectiviteit en gewenste mate van bescherming van kleinzakelijke klanten bij financiële dienstverlening. Waar de bescherming van consumenten in de Wet op het financieel toezicht (Wft) consequent geldt voor alle financiële producten en diensten, verschilt die van kleinzakelijke klanten als zzp’ers en mkb’ers sterk per financieel product en type klant. Kleinzakelijke klanten worden hierdoor onafhankelijk van hun specifieke kennis en deskundigheid per producttype verschillend beschermd. Individuele zzp’ers en mkb’ers zijn uitgenodigd om deel te nemen aan de LinkedIngroep en te reageren op de voorgelegde stellingen. De looptijd van de groep is ten minste tot en met oktober 2016. n Ministerie van Financiën, 9 september 2016

EU liep 160 miljard aan btw mis Een ‘onthutsende’ 160 miljard euro aan btw is in 2014 niet geïnd in de EU. Volgens EU-commissaris Pierre Moscovici is dat verlies onaanvaardbaar. De Fransman heeft de lidstaten opgeroepen om zo snel mogelijk in te stemmen met een fraudebestendig Europees btw-systeem. De Europese Commissie heeft daar in april een pakket voorstellen voor gedaan. Btw-inkomsten gaan verloren door fraude, maar ook door rekenfouten. Nederland haalde in 2014 volgens Brussel 42,7 miljard euro binnen aan btw, 10% minder dan waarop was gerekend. Roemenië is de slechtste leerling van de EU-klas met 37,9% aan niet-geïnde btw, Zweden de beste met een gat van slechts 1,2%.

Ondernemers besteden te veel tijd aan ‘prullen­ bakplannen’ Ondernemers en managers in Nederland zijn te veel tijd kwijt met het maken van plannen die niet worden uitgevoerd en rechtstreeks in de prullenbak belanden. Gemiddeld is een ondernemer/manager 320 uur per jaar – ruim 8 werkweken van 36 uur – kwijt aan het maken van businessplannen. Meer dan de helft van alle gemaakte plannen wordt uiteindelijk niet uitgevoerd: een verlies van ruim vier werkweken. Dit blijkt uit een onderzoek van The Review Group onder 800 ondernemers en managers die werkzaam zijn in verschillende branches bij zowel kleine als grote organisaties. Bijna alle plannen worden geschreven in het derde of vierde kwartaal van het jaar. Opvallend is verder dat slechts een krappe helft van alle plannen wordt gedeeld met het hele bedrijf. Bijna eenderde verlaat de kamers van het management al helemaal niet. De top drie voor het mislukken van plannen bestaat uit tekort aan budget, complexe interne politiek en trage besluitvorming in combinatie met gebrekkige samenwerking.

n Europa-nu.nl, 6 september 2016 n The Review Group, 15 september 2016

Aantal arbeidsongeschiktheids­ uitkeringen gedaald Het aantal arbeidsongeschiktheidsuitkeringen is tussen 2003 en juni 2016 flink gedaald. Werden begin 2003 nog 993.000 uitkeringen verstrekt – het hoogste aantal ooit – eind juni 2016 stond de teller op 810.000, meldt het CBS. Verder is voor het eerst ook het aantal Wajong-uitkeringen gedaald. Eind juni 2016 werden er overigens nog altijd 246.000 verstrekt. Sinds 1 januari 2015 krijgen jongeren alleen bij volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid nog een Wajonguitkering. Gedeeltelijk arbeidsongeschikten vallen sindsdien onder de per die datum ingevoerde Participatiewet.  <<< n Centraal Bureau voor de Statistiek, 7 september 2016

oktober 2016 | nummer 5 | Het Register

7


n n n n

Het kantoor van de toekomst: hoe blijf ik concurrerend? Het is begin oktober. Voor mij stromen 50 RB’ers de zaal binnen. Het is stil. De een pakt zijn tas uit, de ander blijft op zijn gsm staren, de hoofden zijn gebogen. Wat voor cursus gaat dit worden? Is men wel geïnteresseerd in het thema strategische ontwikkeling? Hoe ga ik 50 man boeien? Ik neem me voor de interactie te zoeken, maar weet ook dat ik de helft van de groep niet echt zal bereiken. In deze tweede aflevering over het kantoor van de toekomst zet ik het spotlight op de marktzijde van het werk van de belastingadviseur.

O Ton Willems Ir. A.J.J. Willems is adviseur voor een succesvolle strategische ontwikkeling van accountantsen belastingadvieskantoren

pnieuw aanhalen dat de belastingadviseur meer zou moeten adviseren, beter naar de klant moet luisteren, eigen diensten moet ontwikkelen, het heeft allemaal geen zin. Die verhalen leest u al vijftien jaar. Genoemde cursus en ook dit artikel krijgen dan ook niet de stijl van: u moet dit of u moet dat, omdat de wereld zo snel verandert. Ik kies voor een open, eigen en eerlijk verhaal waar u mee mag doen wat u zelf wilt.

ad hoc aan het werk. Volgens mij zit hij meer op kantoor dan dat hij de klant ziet.’

‘Ik en mijn belastingadviseur’

‘Ook de tarieven zijn stevig. Nu er zoveel online kan, zou je verwachten een soort van online belastingadviseur te kunnen raadplegen. Voor een tientje per maand of zo. Ik hoor van collega-ondernemers dat zij vaak met dezelfde vragen als ik zitten. Dan moeten de antwoorden toch ook online te vinden zijn, of via een app. Zelfs voor buien is er tegenwoordig een app.’

Ik begin met de overpeinzingen van een mkb-directeur die ik mocht interviewen over zijn ervaringen met zijn belastingadviseur.

‘Mijn belastingadviseur? Eigenlijk ken ik hem niet zo goed. Meestal is het de accountant die hier over de vloer komt en die zegt dat hij de fiscale aspecten altijd wel inbrengt. Vind ik een beetje raar: die fiscalist heeft toch ook een eigen vak?’ ‘Contacten over fiscale zaken zijn er eigenlijk niet zo veel. Bij de jaarrekening en bij een grote investering. Als mijn belastingadviseur mijn onderneming beter zou kennen, zou er misschien wel meer in zitten. Er zijn zoveel regeltjes, subsidies, wetten, ik twijfel of ik daar allemaal wel goed gebruik van maak. De fiscalist is nogal reactief en

8

Het Register | oktober 2016 | nummer 5

‘Laatst keek ik nog eens op de website van mijn accountant en belastingadviseur. Het klinkt allemaal zo mooi: helpen in ondernemen, met de beste tips komen, mijn klankbord en vertrouwenspersoon zijn, proactief adviseren. Ik beleef dat niet zo sterk als zij dat roepen.’

‘Toegegeven, vanuit een redelijk luxe situatie is het lastiger ondernemen. Op het moment dat staatssecretaris Wiebes communiceert dat het pensioen in eigen beheer op de schop gaat, ontstaat er als vanzelf werk voor de belastingadviseur. Hoe meer nieuwe wetgeving en regels, des te meer fiscaal werk.’ ‘Ik heb er niet echt verstand van, maar heb wel het gevoel dat de fiscalist het wat te mooi wil


n n n n

doen, te lang in het dossier blijft hangen om er een heel mooie case van te maken. Goed is goed genoeg voor mij. Een geniale oplossing mag dan wel geniaal zijn, maar ook duur en misschien ben ik al geholpen met een ietsje minder advies, dat dan wel rustig en goed uitgelegd wordt.’ ‘De nieuwsbrief van dat kantoor gaat altijd linea recta de prullenbak in. Veel te veel onderwerpen, ik zie door de bomen het bos niet. Waarom communiceert de belastingadviseur niet gewoon welke onderwerpen voor mij belangrijk zijn, wat ze kosten en wat ze mij opleveren?’ ‘Mijn belastingadviseur mag best wat ondernemender worden. Meer interesse tonen voor mijn business, zonder meteen de uren te schrijven. Gewoon meer aandacht. Beter zichtbaar. Hij mag, nee, moet mijn businessplan kennen en daarin fiscaal meedenken. Ook voor mij als mens en mijn gezin. Onze financiële planning en zo. En gewoon, of ik het goed doe of niet.’ ‘Ach, misschien heeft mijn belastingadviseur wel te veel klanten, hij zei eens dat het er een paar honderd zijn. Lijkt me wel erg veel om goed te kunnen servicen. Overstappen naar een ander kantoor zal ik nu nog niet doen. Ze lijken me allemaal hetzelfde. Het is wachten op een partij die het allemaal wat moderner doet, met meer aandacht. En iets goedkoper mag ook wel.’

Concurrerend blijven Concurrerend blijven betekent alert zijn. Alert op initiatieven in en buiten de eigen branche. Als innovatieve bedrijven telkens met nieuwe en waardevolle producten komen, hoe doet u dat dan? Als de klantbehoefte blijkbaar van belang is, hoe brengt u die dan concreet in uw CRM in beeld? Als leiderschap betekent dat focus op essenties belangrijk is, hoe doet u dat dan? Kortom, alert zijn vraagt om een open en nieuwsgierige houding en om een streven het altijd net even anders, beter te doen. Op te vallen in een grijze branche. Belastingadvieskantoren zijn immers ondernemingen. Van ondernemer Elon Musk kunnen we leren. Met Tesla en nu ook de supersnelle verbinding met Hyperloop is hij een visionair. Dichter bij huis zien we robots opkomen, die bij een vraag van de klant uit vele kennisbronnen een snelle keuze kunnen maken. De adviserende fiscale robot (Fisctech) vult de belastingadviseur voortreffelijk aan, omdat hij put uit een database van kennis die de herinnering van de belastingadviseur te boven gaat. Het belastingadvieskantoor dat dit kan bieden, heeft een ijzersterke bestaansreden en geeft zijn klanten een beter beslissingsmodel. Succesvolle nieuwe diensten vullen een behoefte in, misschien zelfs een behoefte waarvan de klant niet eens wist dat hij hem had. Digitalisering en cloud services bieden de fiscaal adviseur nieuwe mogelijkheden.

De vennoot die vol trots vertelt ook dit jaar weer voor 85% declarabel te zijn, is geen ondernemer Nieuwsgierig Concurrerend blijven heeft, naast alertheid, te maken met een nieuwsgierige blik op de markt. Minder dan een op de vijf belastingadvieskantoren meet de tevredenheid van zijn klanten. Daar liggen kansen. Veel CRMsystemen geven geen inzicht in de prioriteiten die klanten met hun onderneming hebben. Hoe kun je dan adviseren? De meeste kantoren ‘gooien hun mkb-klanten op één hoop’. Terwijl een nadere focus op klantsegmenten zoveel kan leren. Een drukkerij wil worden benaderd als drukkerij, niet als algemeen mkb’er. Een A-klant zal meer potentie bieden voor extra en nieuwe dienstverlening dan een D-klant. Het segmenteren van klanten heeft zin, omdat het de blik scherpt op wat daar speelt, wat echt het verschil maakt, wat de thema’s zijn. Dat maakt de adviezen van de fiscalist beter, waardevoller. Concurrerend blijven maakt het kengetal ‘productiviteit’ minder belangrijk. Het is waanzinnig hoezeer productieve uren tellen in de fiscale branche. Dit vormt werkelijk een rem op het analyseren van de markt, het bedenken van nieuwe diensten, het ondernemen. De vennoot die vol trots vertelt ook dit jaar weer voor 85% declarabel te zijn, is geen ondernemer. Omdat hij niet aan ondernemen toekomt en vergeet de kwaliteiten van zijn mensen te benutten en te ontwikkelen. De succesvolle vennoot laat los en richt zich op de enige opdracht die voor hem telt: strategisch ontwikkelen van het kantoor. Meer adviseren begint bij beter luisteren. Je niet als expert opstellen, maar proberen te begrijpen wat de klant nu echt bezighoudt. Doorvragen, verdiepende vragen stellen. Het is ‘killing’ te moeten constateren dat veel kantoren in de ogen van hun klanten niet werkelijk weten wat er speelt en te weinig initiatief tonen om daar achter te komen. Het maakt de relatie tussen belastingadviseur en klant een kille, zakelijke overeenkomst. Waar is de warmte, het plezier in communiceren, het uitwisselen van wat men echt voelt? Value based pricing Een interessante ontwikkeling is de opkomst van value based pricing. De belastingadviseur die de klant beter begrijpt en daarmee betere antwoorden geeft op de klantvraag, zal minder last hebben van kritiek op een te hoge prijs. Immers, de klant heeft meer aan het antwoord, dat precies inhaakt op zijn situatie en de beste oplossing geeft. Het moet heerlijk voelen voor de belastingadviseur om los te komen van het uurtje factuurtje. En zeker van het de branche typerende afboeken, omdat in feite te weinig waarde is geleverd.

oktober 2016 | nummer 5 | Het Register

9


Het kantoor van de toekomst

n n n n

Het succesvolle advieskantoor: een nadere typering Hoe kan het succesvolle belastingadvieskantoor worden getypeerd, als we kijken naar de manier waarop het zich in de markt profileert en hoe het met zijn klanten omgaat? Dan gaat het om de volgende eigenschappen: n het kantoor kiest voor een eigen, passende klantenkring en biedt deze een eigen totaalconcept; n het heeft een opvallend onderscheidende ‘blue ocean werking’ en daarmee een unieke propositie en aanpak van zijn werk. Statements als ‘wij zijn betrouwbaar, persoonlijk en integer’ zijn uit den boze, want worden al door zovelen gebruikt; n het heeft het klantenbestand gesaneerd. Van klanten zonder winstpotentie is afscheid genomen, op elke klant wordt verdiend. De omzetpotentie van klanten wordt indicatief in beeld gebracht; n het geeft sterk relatiemanagement een in de praktijk haalbare vorm, wat blijkt uit een overzienbaar aantal te bedienen klanten per belastingadviseur en het interdisciplinair werken voor klanten, zoals met (zelfsturende) klantenteams; n het heeft gekozen, naast mkb, voor enkele klantsegmenten of niches waarin extra wordt geprofileerd. Hier wordt een platform met extra kennis, producten en services geboden en afgenomen. Klantsegmenten krijgen ieder een eigen, passend bedieningsconcept; n het werkt zeer actief met een CRM-systeem, dat van alle klanten de jaarlijkse beleidspunten en behoeftes inventariseert en hun voortgang monitort. Dit is de doorlopende bron voor advieswerk. Het kantoor mist hierdoor geen advieskans en behaalt een extreem grote ‘share of wallet’ uit de adviespotentie per klant; n het benut de stem van de klant, door de tevredenheid, wensen en verwachtingen te onderzoeken en daar met de eigen dienstverlening krachtig op in te spelen; n het werft klanten vooral via ambassadeurs, dat zijn de klanten die het kantoor een 9 of 10 geven; n het zet marketing strategisch in, met een effectieve mix van traditionele vormen en online tools. Het kantoor wordt als sterk merk beleefd; n het concretiseert zijn missie op veel contactmomenten met de klant, zodat deze werkelijk de waarde ervaart die het kantoor biedt; n het beweegt zich gemakkelijk in sales, wat blijkt uit antihokjesdenken en uit goede resultaten van after sales, cross selling en de verkoop van nieuwe services en diensten; n het weet, bijvoorbeeld middels pilots, de invulling van zijn grote troef als trusted advisor gestaag uit te breiden, in de vorm van proactief en klantgericht gedrag, aanvullende services, producten en diensten die waarde hebben voor de klant en tot nieuwe omzet leiden (de markt vormen in plaats van volgen).

10

Het Register | oktober 2016 | nummer 5

Wat zegt de belastingadviseur? Wat vinden de belastingadviseurs eigenlijk zelf van hun vak en hoe ze de toekomst tegemoet willen treden? Hier een bloemlezing van wat ze mij daarover vertelden.

‘De belastingadviseur trainen in adviesvaardigheden? Gepasseerd station. Het zit veel dieper, in het gedrag, het karakter.’ ‘Wij experimenteren gemakkelijker, zetten een productje in de markt en kijken wat het doet. Dat is leuk, een aantal haalt het niet, maar de goede groeien door. Een ondernemer laat ballonnetjes op.’ ‘Als je in goede producten gaat denken, kom je met veel betere prijzen uit. Marketeer Jos Burgers heeft een naam opgebouwd, en vraagt ‘doodleuk’ 3750 euro voor een presentatie van maximaal 90 minuten.’ ‘Wij zetten vanaf januari onze workflow op z’n kop. Niet het gebruikelijke “gelukkig, daar komt de klant weer met zijn boekhouding”, maar “we bezoeken eerst alle klanten om hun prioriteiten voor 2016 te horen en daar een fiscaal adviesvoorstel in te doen.”’ ‘We verbreden onze basisdienst – het verzorgen van fiscale aangiftes – met waardevolle zaken:


n n n n

Niet de klant, maar de vennoot zit vernieuwing in de weg Veranderingsprocessen blijken vaak lastig te verlopen in belastingadvieskantoren. Vennoten reageren wel spontaan op nieuwe zaken, maar toch ook in zwart of in wit. Het is niets of het is alles. Dit rigoureuze denken staat vernieuwen in de weg. Vennoten verwoorden dit denkpatroon zelf als volgt: n we denken eerst in waarom niet, pas veel later in hoe wel; n als het subjectief is (factureren op waarde) kan het niet; n we vullen zelf in wat de klant zal denken; n we zeggen meer te willen adviseren, maar doen het niet en draaien rond die pot; n we praten over nieuwe competenties, maar werven geen mensen uit andere hoeken; n we communiceren weinig met onze mensen om samen de urgentie van verandering te ervaren.

Een toekomstbestendig belasting­ advieskantoor is wendbaar

ondersteuning (bijvoorbeeld een expertrapport ‘Fiscaliteit: oplossingen voor uw bedrijf’), advies (bijvoorbeeld een adviesgesprek onder de titel ‘Verdere fiscale optimalisatiekansen in uw praktijk) en onderhoud (bijvoorbeeld een jaarlijkse update met de klant: ‘Uw status in fiscale optimalisatie’)’ ‘Waarde toevoegen doe je met werkwoorden: vinden van nieuwe mogelijkheden voor de klant, uitleggen wat fiscale thema’s betekenen, aanbieden van aanvullende diensten, ontdekken van nieuwe kansen.’ ‘Onze top-5 klanten koesteren we wel. Maar waarom nemen we geen afscheid van onze tob-5 klanten?’ ‘Ik zou een commerciële schop onder de kont moeten krijgen. Het initiatief voor werk ligt altijd bij de klant. Ik zet zelf veel te weinig in gang.’ ‘Zonder why kom je niet over bij een klant. Onze passie is pure nieuwsgierigheid naar wat de klant bezighoudt. Dat merkt en waardeert de klant.’

Het belastingadvieskantoor van de toekomst is wendbaar en ondernemend. De behoefte van de klant staat er zeer centraal, het kantoor durft te experimenteren en komt daardoor met regelmaat met nieuwe producten die ertoe doen. Naast de duurdere fiscale advisering bij complexe zaken wordt de klant een relatief goedkope robotvorm van advisering geboden voor veelvoorkomende thema’s. Slimme algoritmes en zoekfuncties nemen veel werk uit handen, ook in de fiscale adviespraktijk. Kantoormarketing heeft het niveau van website en vaktechnische nieuwsbrief overstegen en krijgt een professionele invulling naar vele contactmomenten met de klant en de potentiële klant. Het verdienmodel schuift op van uren maal tarief naar declaratie op basis van waarde, ook al heeft dat enige subjectiviteit in zich. Het kantoor van de toekomst werkt voor het mkb, maar richt zich daarbij vooral op marktsegmenten en niches waarin het echt een verschil weet te maken. De fiscale dienstverlening is niet zozeer breder, maar zit dichter op de klantsituatie. Het succesvolle kantoor benut samenwerking met diverse externe partijen, om de eigen propositie aan klanten te verbreden. De troef van onafhankelijk trusted advisor biedt het belastingadvieskantoor de unieke positie om klanten steeds meer en betere waarde te bieden. Het aantal klanten per fiscalist neemt af, omdat dat de enige manier is om zich werkelijk in de klant te verdiepen en met passende en regelmatige proposities te komen. Een dergelijk kantoor gaat het wel redden in deze almaar competitiever wordende wereld.   <<<

‘Trusted advisor ben je pas echt als je klant wil gaan trouwen en jou als eerste belt om te vragen of dat ok is en waar hij op moet letten.’

oktober 2016 | nummer 5 | Het Register

11


n n n n

Boekpresentatie Geloofwaardig belasting heffen:

Samen leven, samen kiezen, samen dokken Met deze ‘samen-vatting’ hebben we de kern van de boodschap te pakken die Leo Stevens, emeritus hoogleraar fiscale economie, samen met Arjan Lejour, programmaleider belastingen van het Centraal Planbureau, met hun boek Geloofwaardig belasting heffen willen overbrengen aan iedereen die het horen wil of zelfs horen moet. Op 13 september jongstleden vond in perscentrum Nieuwspoort de uitreiking van het eerste exemplaar plaats, door voorzitter Ralph Rijnders van de RB-Jongerencommissie aan Theo Poolen, directeur Kwaliteit, Fiscaliteit en Accountancy bij de Belastingdienst. Verslag: Ton Kamminga | foto’s: Robert Goddyn

T

en overstaan van een select gezelschap, waaronder ook een roedel weetgierige jonkies van de Belastingdienst – iets eerbiediger: tax talents – geeft RB-voorzitter Wil Vennix blijk van zijn waardering voor deze poging om het verkalkte belastingstelsel nieuw leven in te blazen. Die waardering krijgt in de eerste plaats smoel door het feit dat het boek aan alle RB-leden zal worden toegestuurd, wat inmiddels ook is gebeurd. Daarnaast schetst Vennix aan de hand van een drietal thema’s het grote belang voor het Register Belastingadviseurs van waar het bij deze bijeenkomst om gaat. Het eerste is het streven naar betere belastingen: die moeten eerlijk, evenwichtig en geloofwaardig zijn. Inderdaad, precies zoals het boek aangeeft. Het RB is dan wel een belangenvereniging, maar dat staat er niet aan in de weg om tevens bij te dragen aan een beter belastingstelsel. Is de belastingadviseur dan niet gebaat bij zo ingewikkeld mogelijke belastingen? Vennix maakt een vergelijking met de tandarts: die wil toch ook niet zo veel mogelijk gaatjes? Welnu, zegt hij, hetzelfde geldt voor de belastingadviseur. Als tweede noemt hij het jongerenbeleid van het RB, een van de pijlers uit het strategisch plan. Geconstateerd

12

Het Register | oktober 2016 | nummer 5

kan worden dat het RB onder de jonge aankomend fiscalisten niet altijd voldoende bekend is. En dat terwijl het merendeel van hen later in het mkb werkzaam zal zijn, bij uitstek het doelgebied van het RB. Daar moet dus duidelijk meer voor worden geflyerd, bijvoorbeeld voor het RB-jongerencongres van 24 november aanstaande in de Van Nelle Fabriek in Rotterdam. Ten slotte wijst Vennix op de verbindingen met andere partijen in het fiscale veld. Zoals die met de Belastingdienst, die helemaal geen tegenstander hoeft te zijn. Verschil van inzicht zal er altijd zijn, maar dat moet dan in een faire strijd worden uitgevochten. Daarnaast hebben we natuurlijk ook de politiek, de ondernemersorganisaties en diverse maatschappelijke organisaties. Waarmee Vennix maar wil zeggen dat belastingen geen geïsoleerd fenomeen vormen.

Verbinden in plaats van polariseren Natuurlijk is het vervolgens aan Leo Stevens om toe te lichten waarom hij na zijn magnum opus – zijn geheel herziene Handboek Inkomstenbelasting 2001 – nog een keer uitpakt met een visie op ons belastingstelsel. Laten we het er maar op houden dat wetenschappelijke passie, gecombineerd met langjarige ervaring, niet per definitie


n n n n

veroudert. Wat hem toch vooral drijft, is zijn nimmer aflatende behoefte om de jonge garde handvatten te geven om ‘te bouwen en te sleuren’ aan ‘hun’ belastingstelsel. Hij wil dat ze creatief en innovatief zijn, en dat ze beseffen dat de belastingwetenschap een gedragswetenschap is, waarmee hij gezegd wil hebben dat er meer is dan techniek alleen: de techniek staat in dienst van een maatschappelijke visie. En zo komt Stevens tot zijn adagium uit de titel van dit verslag: samen leven, samen kiezen en samen dokken. Een dergelijke opstelling vergt veel overleg. En degenen die dat overleg voeren, dienen de ambitie te hebben om zich in de breedte te ontwikkelen. Hun opdracht is om vooral te verbinden in plaats van te polariseren, ook op politiek niveau, benadrukt hij. Stevens onderscheidt twee benaderingen die nogal eens met elkaar in botsing komen. Aan de ene kant heb je de jurist, die opkomt voor wat recht en rechtvaardig is. En daarnaast is er de econoom, die zich vooral om de doelmatigheid en effectiviteit bekommert. Volgens Stevens moeten die twee elkaar toch ergens vinden; een belastingheffing die louter instrumenteel is en geen rekening houdt met rechtvaardigheidseisen, is foute boel. Natuurlijk moet je belastingheffing dienstbaar maken aan het oplossen van maatschappelijke vraagstukken. Maar daarbij is een zorgvuldige kosten-batenanalyse, ook ten aanzien van de uitvoerbaarheid, zeer op zijn plaats. Ten slotte haalt Stevens enkele kritiekpunten uit zijn boek aan. Bijvoorbeeld dat het huidige stelsel het draagkrachtbeginsel met voeten treedt, met als pregnant voorbeeld het verschil in behandeling van inkomen uit vermogen versus inkomen uit arbeid. En zelfs bij dat inkomen uit arbeid zien we nog enorme verschillen tussen bijvoorbeeld werknemers en zzp’ers en tussen ‘ondernemen’ en ‘beleggen’. Met betrekking tot de vennootschapsbelasting hekelt Stevens de benepenheid van het ‘nationaal afwikkelen’ van deze belasting. In een globaliserende wereld met internationale concurrentie is dat een doodlopende weg. Europa moet daar gezamenlijk in optrekken, net als trouwens ten aanzien van milieuvervuiling; die kent immers ook geen grenzen. Na Stevens geeft zijn coauteur Arjan Lejour nog een interessant inkijkje in de totstandkoming van het boek. Hij roemt de passie van Stevens, hetgeen uiteindelijk ook heeft geleid tot een dikker boek dan aanvankelijk was gepland. Als econoom gaat het hem niet alleen om een gelijke behandeling, maar kijkt hij ook naar wat iets opbrengt. Uitgangspunt is wel geweest dat belastingheffing iets van de samenleving is. En ook dat het allemaal eenvoudiger en transparanter moet worden. Maar er zal altijd een spanningsveld blijven.

Wil Vennix: ‘De tandarts wil toch ook niet zo veel mogelijk gaatjes? Welnu, hetzelfde geldt voor de belastingadviseur’

Leo Stevens tot de ‘jonkies’: ‘Wees creatief en innovatief, en besef dat de belastingwetenschap een gedragswetenschap is’

Dynamisch Met de installatie van een Jongerencommissie heeft het jongerensmaldeel binnen het RB een eigen gezicht gekregen, in fysieke zin in de persoon van voorzitter Ralph Rijnders en diens medecommissieleden. Die jongeren, weet Rijnders uit eigen ervaring, staan voor forse uitdagingen: zie een beginnende carrière, de aan-

Arjan Lejour: ‘Als econoom gaat het mij niet alleen om een gelijke behandeling, maar kijk ik ook naar wat iets opbrengt’

oktober 2016 | nummer 5 | Het Register

13


Geloofwaardig belasting heffen

n n n n

weinig de vraag: waarom? Waarna hij het de hoogste tijd vindt om het eerste exemplaar te overhandigen aan Theo Poolen.

Verplichte kost

Ralph Rijnders overhandigt het eerste exemplaar van het boek ‘Geloofwaardig belasting heffen’ aan Theo Poolen

Poolen, voormalig lid van het managementteam van de Belastingdienst en thans directeur Kwaliteit, Fiscaliteit en Accountancy bij dezelfde dienst, steekt van wal met een lofzang op Stevens: een man van de buitencategorie, zowel qua kennis als in maatschappelijke betrokkenheid en passie. Het boek noemt hij verplichte kost voor jonge fiscalisten; hij zal het ook zeker gaan gebruiken bij de eigen opleidingen van de Belastingdienst. De verdienste van het boek is volgens Poolen dat Stevens niet blijft hangen in het verleden, maar daarentegen juist een frisse blik op de toekomst werpt. En uiteraard is er daarnaast ook de waardevolle doorgifte van kennis en inzicht. Poolen wil de jongeren graag meegeven dat ze net als Stevens bij voorkeur zo lang mogelijk generalist moeten blijven, dus zich niet meteen moeten gaan specialiseren. Voor conceptueel denken is nu eenmaal een brede basis noodzakelijk. En ook hij benadrukt dat het om meer dan alleen techniek gaat: iedere fiscalist moet zich rekenschap geven van zijn verantwoordelijkheid jegens de maatschappij. Tot besluit gaat Poolen ter leering ende vermaeck een stukje terug in de tijd, in dit geval liefst zeshonderd jaar, naar de Sont-tax. Dat was een tol voor passerende schepen in de Sont, de zee-engte tussen Denemarken en Zweden. Die tol was aanvankelijk een vast bedrag, maar in 1567 maakte de Deense koning er een percentage van de waarde van de lading van, waarbij de schippers zelf die waarde mochten bepalen. En om te voorkomen dat ze een veel te lage waarde zouden opgeven, verbond de koning er het recht aan om de lading tegen de opgegeven waarde te mogen kopen. Zo ontstond vanzelf een natuurlijk evenwicht.

Discussie Theo Poolen: ‘Jongeren moeten bij voorkeur zo lang mogelijk generalist blijven; voor conceptueel denken is nu eenmaal een brede basis noodzakelijk’

koop van je eerste huis, het stichten van een gezin en de opvang van de kinderen maar eens in goede banen te leiden. Dynamisch noemt Rijnders dat leven. En dat herinnert hem aan zijn studie, toen hem werd voorgespiegeld hoe dynamisch de fiscaliteit wel niet is, vol veranderingen. Maar zo snel gaan de veranderingen nu ook weer niet, zegt hij. Toen hij in 2008 in het vak begon, waren veel van de huidige knelpunten ook al zichtbaar. Hij noemt het onderscheid tussen werknemer en ondernemer, de IB versus de Vpb en de problematiek van box 3 met zijn vermogensrendementsheffing. En het wordt maar niet opgelost. Gelukkig is daar dan het boek van Stevens en Lejour, dat ons terugvoert naar de fundamenten van ons belastingsysteem. Dat geeft je weer het broodnodige richtinggevoel.Want volgens Rijnders stellen we ons veel te

14

Het Register | oktober 2016 | nummer 5

Onder leiding van dagvoorzitter Peter Furer, hoofd Bureau Vaktechniek van het RB, volgt een discussie met de aanwezigen. Ondanks het feit dat nog niemand het boek heeft gelezen, komen er toch enkele interessante kwesties voorbij. Zoals de zwaar onder vuur liggende ver­ mogensrendementsheffing in box 3. Daarover merkt Stevens op dat hij nog steeds van mening is dat de introductie van die box in 2001 volkomen terecht was. De voordien geldende inkomstenbelasting was immers compleet failliet en over de informatie die we heden ten dage hebben met betrekking tot vermogensinkomsten, konden we destijds nog niet beschikken. Maar ook toen was de vermogensrendementsheffing eigenlijk al bedoeld als platform voor een later in te voeren vermogenswinstbelasting. Vanuit de zaal wordt opgemerkt dat men in andere landen blijkbaar wel in staat is om reële rendementen vast te stellen. Onze staatssecretaris zegt dat het niet mogelijk is, antwoordt Stevens. Maar wel zou hij eventjes een miljoen zzp’ers kunnen beoordelen, voegt hij er meesmuilend aan toe.


n n n n

v.l.n.r.: Wil Vennix, Theo Poolen, Arjan Lejour, Leo Stevens, Ralph Rijnders en Peter Furer

Alles goed en wel, luidt een andere opmerking, maar box 3 had allang moeten worden aangepast en het is een schande dat dat nog steeds niet is gebeurd. Nog een andere spreker kraakt er een noot over: destijds is de grote fout gemaakt om niet vast te leggen wat die 4% rendement in de toekomst moest worden. Dat had gewoon op reële basis moeten worden vastgesteld. Ook de bijbehorende randvoorwaarde dat een wijziging budgetneutraal moet zijn, staat een fatsoenlijke oplossing in de weg. Het moet simpelweg zo zijn: een lager rendement, dan ook lagere opbrengsten. Dan heb je ook een deugdelijk argument. Leefvormneutraliteit Een probleem waar Stevens zich al tijden druk over maakt, is het gebrek aan leefvormneutraliteit: de eenverdiener is stukken slechter af dan de tweeverdiener. En dat komt omdat inkomsten uit arbeid aan het individu worden gekoppeld, terwijl alle andere inkomsten kunnen worden gedeeld. Basis van het probleem is het progressieve tarief, maar dat wordt nog eens uitvergroot door het ontbreken van eerdergenoemde keuzemogelijkheid bij arbeidsinkomen, de afbouw van de aanrechtsubsidie en de capriolen rond de inkomensafhankelijke heffingskortingen. Dit doet een spreekster vol vuur betogen dat de afbouw van de aanrechtsubsidie nooit had mogen gebeuren; de politiek maakt er een potje van, briest ze.

Generatieconflict? Naar aanleiding van het politieke rumoer van de laatste tijd over de koopkracht van ouderen werpt Vennix de vraag op of ouderen daadwerkelijk de klos zijn. Stevens wil dat wel nuanceren: volgens hem hebben babyboomers werkelijk alles mee gehad in hun leven: gratis studeren, goedkope huizen, vaste banen, goed pensioen, noem maar op. Dat vindt Lejour toch wat te algemeen. Zeker, de ouderen zitten er warmpjes bij, maar we gaan bij dat soort constateringen altijd uit van gemiddelden. De spreiding is namelijk groot. En het is nu eenmaal zo, blijkt uit generatieberekeningen, dat bepaalde leeftijdscohorten er beter, en andere juist wat slechter vanaf komen. Laura van Geest, directeur van het Centraal Planbureau, licht toe dat het aandragen van dit soort feitelijke analyses ook in hoge mate de kwaliteit van het debat over belastingen verhoogt. En wat zeggen de jongeren? Die zitten in het spitsuur van het leven en wringen zich in allerlei bochten om alles geregeld te krijgen. En dan valt plotseling een grootouder uit die op de kinderen past. Op dat moment stort het hele kaartenhuis in. Er zal veel meer samen aan oplossingen moeten worden gewerkt. Knelpunt is bijvoorbeeld ook dat het beste inkomen zo’n tien tot vijftien jaar voor pensionering wordt bereikt. Dat is echter niet de periode waarin de hoogste uitgaven vallen. Maar daar moeten we het een andere keer maar over hebben.   <<< oktober 2016 | nummer 5 | Het Register

15


n n n n n

Btw-vrijstelling (para)medische diensten: we zijn weer terug bij af De laatste aanpassing van de btw-vrijstelling voor (para)medische diensten dateert van 1 januari 2013. Sindsdien is de nodige jurisprudentie over deze vrijstelling verschenen. Die is onder te verdelen in twee categorieën: jurisprudentie over de vraag of de verrichte dienst gezondheidskundige verzorging van de mens is en jurisprudentie over de vraag of de aansluiting bij de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) strijd oplevert met het beginsel van de fiscale neutraliteit. De staatssecretaris van Financiën heeft door deze jurisprudentie zijn beleid inzake genoemde vrijstelling (moeten) herzien. Tijd dus voor een update.

R Matthijs van der Wulp Mr. M.D.J. van der Wulp is hoofd Bureau Vaktechniek bij Van Driel Fruijtier btwspecialisten en is als buitenpromovendus verbonden aan Tilburg University

16

ichtlijn 2006/112/EG (de btw-richtlijn) kent een aantal btw-vrijstellingen voor bepaalde activiteiten van algemeen belang. In deze bijdrage gaat het om een van die vrijstellingen: art. 132, lid 1, onderdeel c btw-richtlijn. Op grond van dit artikel is vrijgesteld van btw-heffing: ‘medische verzorging in het kader van de uitoefening van (para)medische beroepen als omschreven door de betrokken lidstaat’. Nederland heeft deze btw-vrijstelling geïmplementeerd in art. 11, lid 1, onderdeel g, 1°, sub a Wet OB 1968. Sinds 1 januari 2013 is btw-vrijgesteld: ‘de gezondheidskundige verzorging van de mens door beoefenaren van een (para)medisch beroep die op een op dit beroep gerichte opleiding hebben voltooid waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Wet BIG, voor zover deze diensten tot het gebied van deskundigheid van dit beroep (BIG-deskundigheidsgebied) behoren en onderdeel vormen van bedoelde opleiding (BIG-opleiding)’. Uit deze bepaling volgt dat (para)medische handelingen door niet-BIG-beroepsbeoefenaren – zoals diensten door een pedagoog – en (para)medische handelingen die buiten het BIG-deskundigheidsgebied en/of de BIG-opleiding van een BIG-beroepsbeoefenaar vallen – zoals acupunctuur door een arts – van deze vrijstelling zijn uitgesloten.1

Het Register | oktober 2016 | nummer 5

Terbeschikkingstelling arbeid? Wil de btw-vrijstelling voor (para)medische diensten van toepassing zijn, dan moet sprake zijn van gezondheidskundige verzorging van de mens. Het is oude jurisprudentie dat het detacheren van (para)medisch personeel niet als zodanig kwalificeert.2 Dit detacheren moet worden onderscheiden van de situatie waarin een belastingplichtige zich rechtstreeks jegens zijn afnemer verbindt om (para)medische werkzaamheden te verrichten, waarbij die belastingplichtige ook voor de inhoud en kwaliteit verantwoordelijk is. Hierbij is niet beslissend hoe de overeenkomst door partijen wordt genoemd – bijvoorbeeld een overeenkomst van opdracht of dienstverleningsovereenkomst – maar wat partijen werkelijk zijn overeengekomen.3 In 2013 liet de staatssecretaris de Tweede Kamer weten dat (een maatschap van) (para)medische beroepsbeoefenaren, zoals verpleegkundigen, anesthesiemedewerkers en operatieassistenten, die onder leiding en toezicht van een opdrachtgever – bijvoorbeeld een arts – werkzaamheden uitvoeren, een ‘uitleendienst’ verrichten die belast is met 21% btw.4 Het argument voor dit ‘omgaan’ was dat deze situatie niet wezenlijk verschilt van het uitlenen van medisch personeel door een uitzendbureau. In een eerder nummer van Het Register heb ik betoogd


n n n n n

dat dit standpunt onjuist is.5 En daarin sta ik niet alleen: zowel Hof Den Haag als de Hoge Raad heeft er korte metten mee gemaakt.6 Naar hun oordeel zijn de werkzaamheden van een maatschap of zzp’er die op eigen naam en voor eigen rekening een overeenkomst van opdracht met een ziekenhuis heeft, te karakteriseren als de gezondheidskundige verzorging van de mens. Dat de maat of zzp’er gehouden is de instructies van (de chirurg of anesthesioloog van) het ziekenhuis op te volgen, dat daar ook de eindverantwoordelijkheid voor de medische behandeling ligt en dat hij zich moet houden aan de gedragsregels van het ziekenhuis, wordt niet van belang geacht. Ook de uitsluiting van aansprakelijkheid voor de verrichte werkzaamheden – behoudens eigen opzet of bewuste roekeloosheid – staat niet aan de kwalificatie van de werkzaamheden als gezondheidskundige verzorging van de mens in de weg. Onder verwijzing naar genoemde arresten van de Hoge Raad heeft de staatssecretaris in een nieuw beleidsbesluit het standpunt ingenomen dat voor de kwalificatie als gezondheidskundige verzorging van de mens niet van belang is of de medische beroepsbeoefenaar bij het verrichten van die diensten onder leiding en toezicht staat van een andere medische beroepsbeoefenaar, die mogelijk ook de eindverantwoordelijkheid draagt. Ook het moeten opvolgen van instructies of het in acht nemen van de geldende regels in bijvoorbeeld een ziekenhuis staat de toepassing van de btw-vrijstelling voor (para)medische diensten niet in de weg.7 Met dit beleid zijn we weer terug bij af.

Solleveld-arrest Over de koppeling van de btw-vrijstelling voor (para)medische diensten met de Wet BIG is veel te doen geweest. De oorzaak hiervan is het Solleveld en Van den Hout-Van Eijnsbergen-arrest van het Europese Hof, kortweg het Solleveld-arrest.8 In dit arrest heeft het Hof duidelijk gemaakt dat het aan de lidstaten is om de (para)medische beroepen te omschrijven in het kader waarvan de gezondheidskundige verzorging van de mens btw-vrijgesteld is. Hierbij hebben de lidstaten een beoordelingsvrijheid. Die vrijheid houdt in dat ze niet alleen de kwalificaties mogen omschrijven die voor de uitoefening van de beroepen zijn vereist, maar ook de specifieke (para)medische werkzaamheden die deel uitmaken van die beroepen. Echter, deze beoordelingsvrijheid wordt begrensd door het beginsel van de fiscale neutraliteit. Op grond van dit beginsel mogen soortgelijke diensten, die met elkaar in concurrentie staan, geen verschillende btw-behandeling krijgen. Om vast te stellen of de gezondheidskundige verzorging van de mens soortgelijk is, moet rekening worden gehouden met de beroepskwalificaties van de zorgverleners. Zijn die kwalificaties niet identiek, dan is slechts sprake van soortgelijke gezondheidskundige verzorging van de mens als deze voor de afnemer een gelijkwaardig kwaliteitsniveau heeft. De uitsluiting van een bepaald beroep of een bepaalde (para)medische handeling van de btw-vrijstelling is naar

Uit het Solleveld-arrest volgt dat de uitsluiting van een bepaald beroep of een bepaalde handeling de ‘fiscaleneutraliteitstoets’ moet doorstaan het oordeel van het Europese Hof slechts in strijd met het beginsel van de fiscale neutraliteit als kan worden aangetoond dat de personen (meervoud!) die dat beroep of die handeling uitvoeren, over beroepskwalificaties beschikken die waarborgen dat de gezondheidskundige verzorging van de mens wat betreft kwaliteitsniveau gelijkwaardig is aan die welke wordt uitgevoerd door personen die op grond van de nationale regeling wel voor de btw-vrijstelling in aanmerking komen. Het is aan de nationale rechter om dit te beoordelen.9

Fiscaleneutraliteitstoets Uit het Solleveld-arrest volgt dat de uitsluiting van een bepaald beroep of een bepaalde handeling de ‘fiscaleneutraliteitstoets’ moet doorstaan. Maar wat houdt deze toets in? Uit genoemd arrest leid ik af dat hij niet zover gaat dat de beroepskwalificaties van de (para)medische beroepsbeoefenaar in kwestie bepalend zijn. De toets vindt plaats op een abstracter niveau: de rechter dient vast te stellen of de (para)medische handeling door beoefenaren van dit specifieke uitgesloten beroep of de uitgesloten (para)medische handeling door de beoefenaren van dit specifieke BIG-beroep, gelet op hun beroepskwalificaties, een gelijkwaardig kwaliteitsniveau heeft als de (para)medische handeling door een BIG-beroepsbeoefenaar die wel is vrijgesteld. Hoewel de Hoge Raad in de Solleveld-zaak nog uitgaat van een toets op beroepsniveau,10 wordt in de lagere Nederlandse jurisprudentie uitgegaan van een toets op beroepsbeoefenaarsniveau. Die striktere toets heeft geleid

oktober 2016 | nummer 5 | Het Register

17


Btw-vrijstelling

n n n n n

In cassatie oordeelt de Hoge Raad dat het hof, gelet op het Solleveldarrest van het Europese Hof, de juiste maatstaf heeft gehanteerd. Ik betwijfel dat

tot een stroom aan (zeer) casuïstische jurisprudentie. In dit artikel belicht ik de twee zaken die voor de staatssecretaris aanleiding zijn geweest om zijn beleid aan te passen: het ‘paranormaaltherapeut-arrest’ van de Hoge Raad en de ‘acupunctuuruitspraak’ van Hof Den Bosch. Paranormaaltherapeut-arrest In het paranormaaltherapeut-arrest gaat het om de beoefenaar van een praktijk in de paranormale geneeskunde, met een afgeronde hbo-opleiding tot paranormaal therapeut.11 Deze therapeut behandelt patiënten met psychische klachten door middel van gesprekstherapieën. Daarnaast behandelt hij patiënten met lichamelijke klachten door middel van magnetiseren, dat wil zeggen, het door handoplegging en strijken energie overdragen om blokkades te voorkomen. In geschil is of het beginsel van de fiscale neutraliteit met zich brengt dat hij in

18

Het Register | oktober 2016 | nummer 5

2004 tot en met 2007 recht heeft op toepassing van de btw-vrijstelling voor (para)medische diensten. Niet in geschil is dat de gesprekstherapieën en het magnetiseren kwalificeren als de gezondheidskundige verzorging van de mens. Hof Den Bosch is van oordeel dat de gesprekstherapieën en het magnetiseren btw-vrijgesteld zijn op grond van de fiscale neutraliteit, omdat de kwaliteit van deze handelingen, gelet op de beroepskwalificaties van de paranormaal therapeut, gelijkwaardig is aan die van soortgelijke handelingen door psychologen, psychiaters of elk ander (para)medisch beroep. Het hof acht hiervoor drie feiten van belang. In de eerste plaats dat de patiënten worden doorverwezen door huis- en kinderartsen en psychologen. Ten tweede de afgeronde hbo-opleiding tot paranormaal therapeut. En in de derde plaats dat circa dertig zorgverzekeraars de behandelingen door de paranormaal therapeut vergoeden. In cassatie oordeelt de Hoge Raad dat het hof, gelet op het Solleveld-arrest van het Europese Hof, de juiste maatstaf heeft gehanteerd. Ik betwijfel dat. Op grond van het Solleveld-arrest had het hof naar mijn mening niet moeten beoordelen of de gesprekstherapieën en het magnetiseren, gelet op de beroepskwalificaties van deze paranormaal therapeut, van een gelijkwaardige kwaliteit was als soortgelijke, btw-vrijgestelde handelingen van een psycholoog,12 psychiater of een andere (BIG-)beroepsbeoefenaar. In plaats daarvan had het bij de beoordeling moeten gaan om de gelijkwaardigheid van de be-


n n n n n

roepskwalificaties van personen met de hbo-opleiding tot paranormaal therapeut. Het is naar mijn mening zeer de vraag of een dergelijke fiscaleneutraliteitstoets tot dezelfde uitkomst had geleid. Bovendien is het voor mij onduidelijk hoe de bevestiging van de toets op beroepsbeoefenaarsniveau in het paranormaaltherapeut-arrest zich verhoudt tot de (verwijzing voor een) fiscaleneutraliteitstoets op beroepsniveau door de Hoge Raad in de zaak Solleveld. Acupunctuurzaak In de acupunctuurzaak gaat het om een arts die in het eerste kwartaal van 2013 (oor)acupunctuurbehandelingen verricht.13 De vraag is of deze behandelingen in de btw-vrijstelling voor (para)medische diensten delen. Dat de acupunctuur kwalificeert als de gezondheidskundige verzorging van de mens en dat deze door een BIG-beroepsbeoefenaar wordt verricht, staat niet ter discussie. De inspecteur meent niettemin dat de btw-vrijstelling toepassing mist, omdat acupunctuur niet behoort tot het BIG-deskundigheidsgebied van een arts en geen onderdeel vormt van de BIG-opleiding tot arts. Hof Den Bosch stelt vast dat op grond van art. 19 Wet BIG ‘het verrichten van handelingen op het gebied van de geneeskunst’ tot het BIG-deskundigheidsgebied van een arts behoort en dat acupunctuur op grond van art. 1, lid 2, onderdeel a Wet BIG als zodanig is aan te merken. Op grond hiervan oordeelt het hof dat acupunctuur tot het BIG-deskundigheidsgebied van een arts behoort. Omdat bij of krachtens de Wet BIG niet is vastgelegd welke handelingen behoren tot de opleiding van een arts, oordeelt het hof dat acupunctuur op grond van de Wet BIG niet is uitgesloten. Vervolgens komt het op basis van de fiscaleneutraliteitstoets tot het oordeel dat de acupunctuurbehandelingen door de arts btw-vrijgesteld zijn, omdat is gewaarborgd dat ze van (minstens) een gelijk niveau zijn als de door artsen verleende diensten die btw-vrijgesteld zijn. Hiervoor acht het hof van belang dat: n de acupunctuurbehandelingen worden verricht door een arts; n de arts de postacademische acupunctuuropleiding van de NAAV heeft voltooid; n de acupunctuurbehandelingen van de arts – afhankelijk van de voorwaarden voor de (aanvullende) zorgverzekering – door 70% van de zorgverzekeraars worden vergoed; n de arts gebonden is aan de gedragsregels van de KNMG inzake niet-reguliere behandelwijzen; n de arts in zijn hoedanigheid van arts is onderworpen aan het medisch tuchtrecht; en n in het kader van de artsenopleiding aan de universiteiten van Groningen en Utrecht een keuzevak in complementaire geneeswijzen kan worden gevolgd. Naar mijn mening gaat het hof in zijn oordeel over het BIG-deskundigheidsgebied te kort door de bocht. De Wet BIG maakt een onderscheid tussen handelingen op het gebied van de geneeskunst en handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg. Uit art. 1 Wet BIG

In de acunpunctuurzaak gaat het hof naar mijn mening te kort door de bocht in zijn oordeel over het BIG-deskundigheidsgebied

en de parlementaire geschiedenis volgt dat aan het begrip ‘handelingen op het gebied van de geneeskunst’ een beperktere betekenis toekomt dan aan het begrip ‘handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg’.14 Het is evident dat acupunctuur een handeling is op het gebied van de individuele gezondheidszorg, maar uit de parlementaire geschiedenis van de Wet BIG leid ik af dat niet-reguliere behandelwijzen, zoals acupunctuur, geen handelingen zijn op het gebied van de geneeskunst.15 Dit betekent dat acupunctuur niet tot het BIGdeskundigheidsgebied van een arts behoort. Aan de vraag of acupunctuur deel uitmaakt van de BIG-opleiding tot arts wordt dan niet meer toegekomen. Ten aanzien van het oordeel over de fiscale neutraliteit ben ik van mening dat het hof ten onrechte toetst of de acupunctuurbehandelingen door deze arts, gelet op zijn beroepskwalificaties, een gelijkwaardig kwaliteitsniveau hebben als de btw-vrijgestelde reguliere behandelingen door een arts. Naar mijn mening had het moeten gaan om acupunctuurbehandelingen door artsen in zijn algemeenheid. Ook de verwijzing naar de gedragsregels van de KNMG als een argument vóór gelijkwaardigheid overtuigt mij niet. Als de inhoud van deze gedragsregels wordt vergeleken met de door het hof gememoreerde inhoud van de informatiefolder van de arts, lijkt deze arts zich weinig van die gedragsregels te hebben aangetrokken. Dat in het kader van de artsenopleiding aan de universiteiten van Groningen en Utrecht een keuzevak in complementaire geneeswijzen kan worden gevolgd, pleit naar mijn mening al evenmin voor toepassing van de btw-vrijstelling. De artsen in opleiding die deze vakken volgen, krijgen slechts informatie over de verschillende niet-reguliere behandelwijzen, zodat ze zich hierover een oordeel kunnen vormen. Van een opleiding in het zelf verrichten van niet-reguliere behandelwijzen, zoals acupunctuur, is geen sprake.

Gelijkwaardigheidskader De staatssecretaris heeft zich door voormelde zaken genoodzaakt gezien om het besluit over de btw-vrijstelling voor (para)medische diensten aan te passen.16 In het nieuwe besluit is aangegeven onder welke voorwaarden een (para)medische handeling door een niet-BIG-beroepsbeoefenaar of een BIG-beroepsbeoefenaar die buiten zijn BIG-deskundigheidsgebied handelt, op grond van het beginsel van de fiscale neutraliteit de btw-vrijstelling mag toepassen. Volgens het nieuwe besluit is

oktober 2016 | nummer 5 | Het Register

19


Btw-vrijstelling

n n n n n

sprake van een gelijkwaardig kwaliteitsniveau als de (para)medische beroepsbeoefenaar aantoont dat hij (minimaal) beschikt over medische of psychosociale basiskennis en: 1. een afgeronde, op zijn beroepsuitoefening gerichte gezondheidskundige hbo-bacheloropleiding (240 ECTS) of, wanneer de Wet BIG voor soortgelijke diensten door BIG-beroepsbeoefenaren een mbo-opleiding eist, een mbo-opleiding; of 2. een afgeronde gezondheidskundige beroepsopleiding, gecombineerd met een andere op zijn beroeps­ uitoefening gerichte aanvullende gezondheidskundige opleiding. Deze combinatie van opleidingen dient eenzelfde kwaliteitsniveau te hebben als de onder 1 bedoelde opleiding; 3. een afgeronde gezondheidskundige beroepsopleiding, gecombineerd met relevante kennis en ervaring op het gebied van zijn beroepsuitoefening. Deze combinatie van opleiding, kennis en ervaring dient eenzelfde kwaliteitsniveau te hebben als de onder 1 bedoelde opleiding.17

plaats van op beroepsniveau. Hierdoor wordt sneller een schending van de fiscale neutraliteit aangenomen dan op grond van het Solleveld-arrest nodig is. De staatssecretaris zet de ‘btw-vrijstellingsdeur’ nog verder open door niet langer de gelijkwaardigheid van de (para)medische handeling te toetsen, maar die gelijkwaardigheid aan te nemen als het opleidingsniveau voldoende is. Naar mijn mening staat dat beleid haaks op het uitgangspunt dat btw-vrijstellingen strikt moeten worden uitgelegd.  <<<

Noten 1

MvT, Kamerstukken II 2011/12, 33 287, nr. 3, p. 13-14.

2 HR 7 december 1994, nr. 29.751, BNB 1995/33. 3 Brief van 1 oktober 2009, nr. DGB/2008/3864 U, V-N 2009/49.26. Vgl. conclusie A-G Wattel van 11 februari 2016, nr. 15/03805, V-N 2016/18.14. 4 Brieven van 4 april 2013, nr. DGB/2013/639 U, V-N 2013/19.24 en 24 mei 2013, nr. DGB/2013/2137, V-N 2013/28.18. Dit standpunt werd door de Belastingdienst overigens al eerder ingenomen. 5 M.D.J. van der Wulp, ‘Btw-heffing zzp’er in de zorg: een fiscale

Mijn bezwaar tegen dit gelijkwaardigheidskader is dat het eenzijdig focust op de (para)medische beroepsopleiding. Wat ondergesneeuwd is, is dat de fiscaleneutraliteitstoets een vergelijking veronderstelt. Pas wanneer duidelijk is met wie je vergelijkt, kan worden beoordeeld of de gezondheidskundige verzorging door degene die buiten de wettelijke btw-vrijstellingsboot valt, gelet op de beroepskwalificaties, van een gelijkwaardig niveau is. In het gelijkwaardigheidskader van de staatssecretaris ontbreekt die vergelijking en wordt gelijkwaardigheid verondersteld als het opleidingsniveau voldoende is. Ik acht dit geen gelukkige keuze. Het gevolg ervan is dat de aansluiting van de btw-vrijstelling voor para(medische) diensten bij die van de Wet BIG er slechts een op papier zal blijken te zijn.

Ten slotte In het nieuwe beleidsbesluit wordt teruggekomen op het standpunt dat (een maatschap van) (para)medische beroepsbeoefenaren die werkzaamheden uitvoeren onder leiding en toezicht van een opdrachtgever – bijvoorbeeld een arts – een btw-belaste ‘uitleendienst’ verrichten. Hierdoor herleeft de oude beleidslijn dat het verlenen van (para)medische diensten op grond van een overeenkomst van opdracht moet worden onderscheiden van detachering van medisch personeel. Dit is slechts anders wanneer de overeenkomst van opdracht in feite een detacheringsovereenkomst is. Voor (para)medische diensten door een niet-BIG-beroepsbeoefenaar of (para)medische diensten door een BIG-beroepsbeoefenaar die buiten zijn BIG-deskundigheidsgebied en/of BIG-opleiding valt, geldt de btw-vrijstelling slechts wanneer sprake is van een schending van het beginsel van de fiscale neutraliteit. Naar mijn mening wordt in de Nederlandse jurisprudentie en het nieuwe beleidsbesluit ten onrechte een fiscaleneutraliteitstoets aangelegd op beroepsbeoefenaarsniveau in

20

Het Register | oktober 2016 | nummer 5

misser’, Het Register 2013, nr. 5, p. 30-33. 6 Hof Den Haag 21 maart 2014, nrs. BK-13/00528 en BK-13/00529, V-N 2014/53.2.4. Vanuit het oogpunt van transparantie zij opgemerkt dat ik bij deze procedure betrokken ben geweest. Voorts HR 13 juni 2014, nr. 12/02960, BNB 2014/188 en HR 13 juni 2014, nr. 13/05580, BNB 2014/189. 7 Besluit van 29 maart 2016, nr. BLKB2016/433M, V-N 2016/22.15, par. 3.1. 8 HvJ EG 27 april 2006, gevoegde zaken C-443/04 en C-444/04, BNB 2006/256, m. nt. Van Hilten. 9 Dit heeft het Europese Hof onlangs bevestigd in zijn beschikking van 14 april 2016, zaak C-555/15 (Bernard Jean Marie Gabarel), ECLI:EU:C:2016:272. 10 HR 15 februari 2008, nr. 39.428, BNB 2008/136, m. nt. Van der Paardt. 11 HR 27 maart 2015, nr. 13/02667, BNB 2015/117, m. nt. Bijl. 12 In de tijdvakken waarop deze procedure betrekking heeft, gold de btw-vrijstelling voor (para)medische diensten ook voor diensten door psychologen als zodanig die geen BIG-beroepsbeoefenaar zijn. Daarnaast was de btw-vrijstelling voor (para)medische diensten door BIG-beroepsbeoefenaren nog niet beperkt tot diensten die deel uitmaken van hun BIG-deskundigheidsgebied en hun BIG-opleiding, zoals sinds 2013 het geval is. 13 Hof Den Bosch 11 september 2015, nr. 14/00971, V-N 2015/65.24.14. 14 MvT, Kamerstukken II 1985/86, 19 522, nr. 3, p. 85. 15 MvT, Kamerstukken II 1985/86, 19 522, nr. 3, p. 86. 16 Aanhangsel Handelingen II 2015/16, 2298. 17 Besluit van 29 maart 2016, nr. BLKB2016/433M, V-N 2016/22.15, par. 4.1.


COL UMN

Fiscale schaamlap Mr. drs. M.P.A. (Michiel) Spanjers Eigenaar van belastingpolitiek bureau Flosvier (michielspanjers@flosvier.nl)

Zouden de voorgestelde maatregelen in de Fiscale vereenvoudigingswet 2017 ons belastingstelsel echt eenvoudiger maken? Leuk dat de fictieve dienstbetrekking voor commissarissen verdwijnt. Voor het wegnemen van belemmeringen bij rentemiddeling mag best het duimpje omhoog. En alle lof voor het vervallen van de dagaangifte in de kolenbelasting. Ik wil er niet badinerend over doen hoor, maar ik kan niet zeggen dat mijn mond van verbazing openviel. Alsof de staatssecretaris van Financiën zich ongemakkelijk voelde, schreef hij op Prinsjesdag ter begeleiding alvast een uitgebreide excuusbrief. Deze moest tevens doorgaan voor een reactie op de internetconsultatie over vereenvoudigingen, maar ook op dat punt voerde eerder verontschuldiging dan ambitie de boventoon. Vereenvoudiging is ‘een van de permanente doelstellingen van dit kabinet’, aldus de bewindsman. Echter, zodra ingrijpende gevolgen opspelen, wordt het vereenvoudigingsballetje doodleuk weggetikt, zo bekende hij enkele regels later al. Vereenvoudiging prediken is een, er ook daadwerkelijk naar handelen is klaarblijkelijk een geheel ander verhaal. Een vraagstukje dat ik maar niet van mijn netvlies krijg: hoeveel houd je over van € 1000 bij een salaris van pak hem beet € 30.000? Een paar jaar geleden een leuke vraag voor groep vier van de basisschool. Inmiddels is dat promotiemateriaal voor wiskundigen geworden, waarbij progressieve tarieven, aflopende kortingen en inkomensafhankelijke regelingen in een matrix tegenover elkaar moeten worden gezet. Bizar. Wie een groot deel van deze complexiteiten allemaal heeft bedacht? Nou, dit kabinet is niet voor alles verantwoordelijk natuurlijk, maar de in heffingskortingen verstopte tariefsverhoging via de inkomensafhankelijkheid valt bijvoorbeeld zeker wel op zijn conto te schrijven. Nu begrijp ik echt wel dat bij een ingewikkelde coalitie, met soms zelfs noodzakelijke gedoogsteun van oppositiepartijen, de fiscaliteit het kind van de rekening kan zijn. In een dergelijke broeierige constellatie is de inkomensafhankelijke algemene heffingskorting ook op het toneel gekomen. Maar goed, als het stof van de blinde paniek eenmaal is neergedaald, kun je toch weer gewoon logisch nadenken? Dan denk je toch bij jezelf: dit was niet zo’n fraaie maatregel, hier ga ik wat aan doen! Helemaal als je met een vereenvoudigingswet op de proppen komt. Zo niet deze staatssecretaris. Hij gaat vrolijk door met moeilijk doen. In het Belastingplan 2017 zit dan ook een voorstel om het afbouwpercentage van de algemene heffingskorting te verlagen van 4,822% naar 4,787%. Even voor de goede orde: hier wordt een tariefsverlaging van 0,035% via de algemene heffingskorting doorgevoerd. Bij de arbeidskorting gebeurt iets soortgelijks. Zolang er serieus voorstellen in fiscale wetgeving belanden om tot drie cijfers achter de komma in een korting te prutsen, is elk voorstel tot vereenvoudiging schaamteloos. Als het om vereenvoudiging gaat, komt de staatssecretaris op mij over als een verstokte roker die in een kamer blauw van de belastingrook voorstellen doet om roken tegen te gaan. Het oogt als cabaret, maar het is toch echt bittere ernst. Het is vooral erg dat een gemiddelde burger het belastingtarief over zijn of haar inkomen niet kent, en er ook niet zomaar achter kan komen. Een belastingtarief! Kom op zeg. Vereenvoudiging is duidelijk niet iets wat vanuit het perspectief van de burger wordt bekeken. In dat licht moeten we de Fiscale vereenvoudigingswet 2017 dus zien. Het is niet bedoeld om echt te vereenvoudigen maar om de toegenomen, en vooral onnodige, complexiteit voor gewone burgers af te dekken. Zoiets noem ik een schaamlap.   <<<

oktober 2016 | nummer 5 | Het Register

21


n n n n n

22

Het Register | oktober 2016 | nummer 5


HET

Interview

n n n n n

Voormalig raadsheer Bernard Bavinck van de Hoge Raad:

‘Maak wetten toetsbaar aan de Grondwet’ De rechter moet de individuele burger soms beschermen tegen de democratische meerderheid of tegen de uitvoerende macht. Verder zou een niet-politiek orgaan wetten moeten kunnen toetsen aan de Grondwet, zegt Bernard Bavinck, die in september afscheid nam als raadsheer bij de Hoge Raad. Door Lex van Almelo en Sylvester Schenk | foto’s: Raphaël Drent

U heeft nog een half jaar gewerkt in het nieuwe gebouw; was dat wennen? ‘Het wende vrij snel. Het is een heel prettig en efficiënt gebouw om in te werken. Alle afdelingen zitten nu in één gebouw.’ Er is een grote zittingszaal met meer dan tweehonderd zitplaatsen, terwijl er zelden een advocaat of een belanghebbende komt opdagen. Waarom zo’n immense zaal? ‘De grote zaal is ook bedoeld voor bijzondere gelegenheden, zoals het afscheid van de vorige procureur-generaal, de installatie van de nieuwe procureur-generaal en mijn afscheidsseminar. En nu we zelf zo’n mooie grote zaal hebben, organiseren wij ook meer, zoals het 100-jarig jubileum van de belastingkamer. Je zou dat wellicht in bijvoorbeeld Diligentia kunnen doen, maar als je een centraal instituut wilt zijn voor rechtsprekend Nederland, moet je dit soort dingen in eigen huis organiseren. Verder hebben wij nog een kleine zaal voor zittingen.’ Nieuw is ook het logo van de Rechtspraak – komt er soms geld voor de rechtspraak bij? ‘Nee, we worden niet rijk bedeeld. Wij werken nu met tien in plaats van twaalf raadsheren, terwijl het aantal zaken niet minder is geworden. Dat vind ik jammer.’

Zo’n overstap ligt toch niet voor de hand voor een adviseur? ‘Ik ben niet de enige ex-adviseur onder de raadsheren. Ik ben wel eerst raadsheer-plaatsvervanger bij een hof geweest. Vroeger heb ik overwogen om rechter te worden. Maar mijn hoogleraar Jan van Soest zei dat je alleen belastingrechters had in het hof en dat je daar niet voor je veertigste werd benoemd. Ik was toen dertig en ben dus de adviespraktijk ingegaan.’ Bestaan er bij de Hoge Raad eigenlijk raadsheer-plaatsvervangers? ‘Nee, wel raadsheren in buitengewone dienst. Dat zijn gepensioneerde raadsheren van de Hoge Raad, die nog tot hun zeventigste kunnen meedoen. Voor mij zit dat er dus niet meer in. Sinds 2008 werkte ik vijftig procent; dat was al een eerste stap naar het pensioen. De Hoge Raad is overigens terughoudend met parttimers, want het is moeilijk om met een bezetting van heel veel raadsheren de eenheid van het recht te bewaken. En de rechtseenheid bewaken is een van onze opdrachten.’ U publiceerde veel voordat u raadsheer werd. Gaat u dat weer doen of misschien zelfs een proefschrift schrijven? ‘Ook dat zit er niet meer in. Er zijn andere dingen in het

Twitteren Op de website van de Hoge Raad bestaat uw CV uit drie regels: adviseur Begheyn en Sneep, adviseur Loyens en Volkmaars, raadsheer in de Hoge Raad. Dat is een vrij rechtlijnige carrière. ‘Nou, de switch van de adviespraktijk naar de rechtspraak is vrij groot.’

‘De Hoge Raad is terughoudend met parttimers, want het is moeilijk om met heel veel raadsheren de eenheid van het recht te bewaken’ oktober 2016 | nummer 5 | Het Register

23


n n n n n

Interview

‘Ik heb ooit een opmerking gemaakt over de hypotheek­ renteaftrek en dat kwam meteen in de krant’

leven. Ik blijf nog voorzitter van de Raad van Beroep, blijf verbonden aan de Stichting Opleiding Belastingadviseurs en geef nog wat colleges aan de VU. Vroeger gaf ik ook nog cursussen, maar daar ben ik voorzichtiger mee geworden. Het voordeel van cursussen geven is dat je voeling houdt met de praktijk. Een nadeel is dat je voorzichtig moet zijn met het bespreken van arresten. Voor publiceren geldt hetzelfde. In Nederland bestaat de dissenting opinion niet en is er dus geen mogelijkheid om openlijk te zeggen dat je het niet met een beslissing eens bent. Ik heb ooit een opmerking gemaakt over de hypotheekrenteaftrek en dat kwam meteen in de krant.’ Leefde u als raadsheer in een glazen huis? ‘Jammer genoeg wel een beetje. Ik had soms bepaalde standpunten over wetsvoorstellen, maar kon daar niets over zeggen. Binnenskamers heb ik wel eens volmondig gezegd dat ik een eerdere uitspraak helemaal fout vond. Maar er zat al een wetswijziging aan te komen en dan zou het weinig zinvol zijn om als Hoge Raad nog om te gaan en te beslissen dat de inmiddels gewijzigde wet anders moet worden uitgelegd. Ik ben toen volledig achter het arrest gaan staan. Nee, dat doet geen pijn. In mijn misschien allerleukste arrest oordeelde de Hoge Raad contrair aan een standpunt dat ik in een vorig leven als adviseur in een artikel had verdedigd. Het was een mooi en consistent arrest.’ U heeft onlangs met uw collega-raadsheren wel een arrest gewezen dat veel publiciteit heeft gekregen, namelijk over de aftrekbaarheid van de werkkamer voor een zzp’er. ‘Daar zijn de media mee aan de haal gegaan. Er spelen een heleboel vragen voordat je in aanmerking komt voor de aftrekbaarheid van de werkkamer en dat lees je niet in alle publicaties terug. Niet iedere zzp’er in een huurhuis komt voor de aftrek in aanmerking. Overigens schrijven de kranten over hele belangrijke arresten vaak

‘Over hele belangrijke arresten schrijven kranten vaak niets, maar wel over een zaak die fiscaal weinig voorstelt, zoals de vraag of een peepshow een toneelvoorstelling is’

24

Het Register | oktober 2016 | nummer 5

niets, maar over een zaak die fiscaal weinig voorstelt – zoals de vraag of een peepshow een toneelvoorstelling is – wel. Het arrest over de werkkamer is overigens ook fiscaal belangrijk.’ In het persbericht van de Rechtspraak stond wel dat je de werkkamer niet zomaar mag aftrekken. ‘In een persbericht kunnen niet alle vragen worden behandeld die spelen bij de aftrekbaarheid van de werkkamer. We hebben ook een tweet verstuurd. Dat Twitter is wel een mooi systeem.’

Omgaan U zei net dat het vanwege een aanstaande wetswijziging weinig zinvol was om nog om te gaan. De Hoge Raad gaat niet zo gemakkelijk om... ‘Rechtszekerheid is belangrijk. Hoe ouder de uitspraak, des te gemakkelijker je omgaat. En een individuele steen veranderen is ook iets anders dan een steen van een gebouw weghalen. Neem de lineaire methode om de voorziening voor een pensioen in eigen beheer te berekenen. De Hoge Raad had die methode lastig kunnen afschaffen, ook al leidde die tot onredelijke uitkomsten, want dat zou zoveel overhoop halen. Dus het is goed dat de wetgever de methode heeft afgeschaft. Als een trein eenmaal op gang is, kun je moeilijk omgaan, ook als de trein de verkeerde kant opgaat. Dus als de Hoge Raad eenmaal een eerste stap heeft gezet, bouwt hij daarop voort, ook al leidt dat voor sommige belastingplichtigen soms tot ongewenste uitkomsten. Zoals bij de arresten over de kasgeld-bv. Een voorganger van mij heeft eens gezegd: iedere verandering is een verslechtering, zelfs als die een verbetering is. Het nadeel van het veranderen is soms groter dan het voordeel van de verbetering. Dat is wel typisch voor het werk van de Hoge Raad.’ Is cassatierechtspraak een rationeel proces of is het: wij vinden iets en zoeken daar een redenering bij? ‘Er zijn een heleboel technieken om op een redelijk rechtvaardig resultaat uit te komen. Bij algemene rechtsvragen ga je eerst uit van de wettekst, de wetsgeschiedenis, eerdere uitspraken, voorspelbaarheid, algemene beginselen, de ratio... En dan moet de uitspraak ook nog redelijk en rechtvaardig zijn. De Hoge Raad maakt steeds meer gebruik van methoden om uitspraken te kunnen bijsturen wanneer je die anders niet aan de leek kunt uitleggen. Denk aan redelijke wetstoepassing en fraus legis.’ Zo is het onredelijk als iemand die bij afkoop van zijn lijfrente minder dan zijn inleg krijgt uitgekeerd, niet alleen een bijtelling ter grootte van die inleg krijgt, maar ook nog eens revisierente moet betalen... ‘Daar ben ik het mee eens. Dan is er kennelijk geen marge in de uitleg van de wet. Je kunt niet voor één geval afwijken, want wetsinterpretatie is algemeen en geldt ook voor de buurman. Maar het is wel lastig dat het voor sommigen onredelijke gevolgen heeft. Zoals ik het ook heel onredelijk vind als iemand met een pensioen-bv na


n n n n n

Mr. C.B. (Bernard) Bavinck 1946 geboren te Rotterdam 1964 hbs-B Melanchton College Rotterdam 1970 doctoraal notariaat, Vrije Universiteit Amsterdam 1971 doctoraal Nederlands recht, Vrije Universiteit Amsterdam 1973 doctoraal belastingrecht, Universiteit van Amsterdam 1973 - 1975 belastingadviseur bij Begheyn en Sneep (nu: Deloitte) 1975 - 1999 belastingadviseur, vennoot en bestuurder Loyens & Volkmaars 2000 - 2016 raadsheer Hoge Raad 2014 - heden voorzitter Raad van Beroep NOB

moet hij geen vijfentwintig pijlen afschieten waarvan er maar twee een scherpe punt hebben. Hij moet wel ervaring hebben en goed weten waartegen hij opkomt. Zo moet je de grens kennen tussen feit en recht en weten of het geschil gaat over een rechtsvraag of over een feitelijke vaststelling die onbegrijpelijk is.’ Als iemand vijfentwintig pijlen afschiet, kunt u toch verkort uitspraak doen? ‘Ja, maar we moeten wel eerst alles lezen. Iedere raadsheer heeft weliswaar een medewerker van hoog niveau, maar ook als die het moet doen, kost het tijd. De goede argumenten moeten niet ondergesneeuwd raken door kansloze verhalen.’

Varen op adviseur

In 2008 zei de Hoge Raad in BNB 2008/156 dat je er vanuit moet gaan dat de belastingplichtige aan zijn – of in dit geval: haar – fiscale verplichtingen wil voldoen wanneer die zich wendt tot een gerenommeerd kantoor als Loyens en Volkmaars en het aangiftebiljet naar dat kantoor laat sturen. Wat betekent dit voor de praktijk? ‘Als je een gerenommeerde belastingadviseur in de arm hebt genomen en zorgvuldig bent, mag je varen op jouw adviseur en bevrijdt jou dat van de meeste zorgen. Dat geldt met name ten aanzien van boetes.’

Moet cassatierechtspraak voorbehouden zijn aan gespecialiseerde advocaten? ‘Dat vind ik niet. Ook een goede fiscalist die het terrein beheerst, kan prima als vertegenwoordiger optreden. Daarvoor heb je niet per se een advocaat nodig. Een RBlid kan heel goed procederen bij de Hoge Raad, maar dan

In het arrest wordt niet alleen de naam van uw kantoor genoemd, maar ook uw naam... ‘Dat vind ik ongelukkig. Er wordt nooit een naam genoemd in een arrest en omdat ik inmiddels raadsheer was, heeft men vermoedelijk maximale openheid willen betrachten. Maar ik vind het een beetje vreemd.’

vestiging in Nederland meteen een aanslag krijgt door verplichte toepassing van een rekenrente van 4 procent. Als de wet geen ruimte laat voor een andere interpretatie, kunnen wij niet een rechtvaardige oplossing afdwingen en zou een Kamerlid dat moeten oppakken.’

oktober 2016 | nummer 5 | Het Register

25


n n n n n

Interview

‘De rechter is buitengewoon belangrijk in de trias en dat moet worden verankerd in de Grondwet’

Als het geen pleitbaar standpunt meer is? ‘Het is een objectieve maatstaf of iets pleitbaar is, maar het gaat ook om de subjectieve beoordeling. Ik zou de proceskostenveroordeling voor de belastingplichtige willen beperken tot schrijnende gevallen. Maar het is moeilijk te omschrijven waar de grens dan precies moet komen te liggen.’

Toetsing Wanneer is een kantoor gerenommeerd? ‘Als je te goeder naam en faam bekend staat. En ja, wanneer is dat? Als je als adviseur onder tuchtrechtspraak valt, ben je al een heel eind.’ De tuchtrechters van het RB en de NOB doen maar ongeveer twintig uitspraken per jaar. ‘Als voorzitter van de Raad van Beroep van de NOB vind ik het boeiend om te zien hoe in een klachtzaak de problemen vaak zijn geëscaleerd.’ Een tuchtklacht is vaak een opstap naar een civiele claim... ‘Dat is zo. Je ziet soms ook wel lastige klanten. Bij de NOB proberen mensen van het bureau het indienen van een tuchtklacht te voorkomen. Eigenlijk zou ook de Belastingdienst klachten moeten indienen wanneer die zich onheus bejegend voelt, maar dat gebeurt niet.’ Zou de tuchtrechter klagers moeten kunnen veroordelen in de proceskosten? ‘Iemand die een klacht indient die nergens op gebaseerd is, jaagt de adviseur op kosten. Ik zou er alleen vóór zijn bij lichtvaardig ingediende klachten. Je wilt als beroepsorganisatie niet overkomen als een closed shop en wilt de drempel om te klagen liefst zo laag mogelijk houden.’ En in de belastingrechtspraak? ‘Daar is een kostenveroordeling van de belastingplichtige wel mogelijk, maar gebeurt het nooit. Je zou erover kunnen denken als professionals hun cliënt in beroep laten gaan, zodat zij uren kunnen draaien. Een kostenveroordeling zou dan voor de cliënt een opstapje zijn om de adviseur aan te spreken en de nota niet te betalen. Vraag is dan wel: wat is lichtvaardig procederen en waar ligt de grens?’

‘Het is een natuurwet dat mensen die ouder worden in snelheid verminderen. De precieze leeftijd is arbitrair, maar een grens moet er zijn’

26

Het Register | oktober 2016 | nummer 5

In 2015 zei u in het Fiscaal Café dat de belastingplichtige de dupe wordt van de machtsverschuiving binnen de trias politica. Wat bedoelde u daarmee? ‘De uitvoerende macht heeft steeds meer macht gekregen. Dan is het erg belangrijk dat de burger voldoende mogelijkheden heeft om tegen beslissingen op te komen. De rechter is buitengewoon belangrijk in de trias en dat moet worden verankerd in de Grondwet, want je weet nooit wat de democratisch verkozen meerderheid over tien jaar beslist. De rechter moet wetgeving ook kunnen toetsen aan de Grondwet, want dat biedt een bescherming voor de minderheid. Je kunt de wet nu wel indirect toetsen aan het EVRM, maar de mogelijkheid van toetsing aan de Grondwet is principieel beter. Je kunt dan als nationale rechter meer een eigen koers varen. Wellicht moet je daarvoor een apart orgaan instellen. Bij de Hoge Raad komt een principiële vraag op in een zaak. Als je een orgaan hebt dat niet anders doet dan constitutioneel toetsen, is dat beter. Dan heb je ook veel sneller een uitspraak.’ De Tweede Kamer is democratisch gekozen, maar de leden van een constitutioneel hof niet. ‘De rechter beschermt de minderheid of het individuele geval, wat de Tweede Kamer niet doet. De minderheid en het individu moeten juist worden beschermd door een niet-politiek orgaan.’ Is de Grondwet niet een ondergeschoven kindje? ‘Ja, juist doordat de rechter wetten niet mag toetsen aan de Grondwet.’ Zou een constitutioneel hof de discriminerende leeftijdsgrens van zeventig jaar voor rechters moeten toetsen aan de Grondwet? ‘Ik vind die grens terecht. Het is een natuurwet dat mensen die ouder worden in snelheid verminderen. De precieze leeftijd is arbitrair, maar een grens moet er zijn. In het vrije beroep ligt de grens vaak op zestig.’ Is het ook een elegante manier om van mensen af te komen? ‘Ja, er moet natuurlijk ook doorstroming zijn. De meeste raadsheren in de Hoge Raad zijn redelijk op leeftijd. Toen ik hier op mijn drieënvijftigste binnenkwam, was ik een van de jongeren. Het is wel erg belangrijk om jongere raadsheren aan te trekken om aansluiting te houden bij de maatschappij.’   <<<


Jurisprudentie en wetgeving Inkomstenbelasting Kosten werkruimte in huurwoning aftrekbaar Normbedragen extra kleding en beddengoed ongeldig ■ Hypotheekrente aftrekbaar als alimentatie ■ Coöperatieleden waren geen ondernemers ■ ■

Dividendbelasting 27 27 27 28

Vennootschapsbelasting Geen MIA van € 600.000 door niet-duurzame investering van € 8000 ■ Renteaftrekbeperking voorgelegd aan Europese Hof ■ Valutaverlies op buitenlandse deelneming aftrekbaar?  ■

28 29 29

Inkomstenbelasting

2016/47 Kosten werkruimte in huurwoning aftrekbaar Een zelfstandig ondernemer kon het volledige bedrag van de kosten van een werkruimte in zijn huurwoning in mindering brengen op zijn winst uit onderneming. Hij moest dan wel een forfaitaire onttrekking wegens privégebruik in aanmerking nemen. Dit heeft de Hoge Raad geoordeeld in een zaak van een zelfstandige in de bouw, die voorbereidende en ondersteunende werkzaamheden verrichtte vanuit een werkkamer in zijn huurwoning. Deze werkkamer besloeg iets meer dan 11% van de woning. De zelfstandige vond dat hij het huurrecht op de woning tot zijn ondernemingsvermogen mocht rekenen, omdat de woning voor meer dan 10% in zijn onderneming werd gebruikt. Rechtbank en Hof Den Haag waren het niet met hem eens, omdat de werkkamer naar verkeersopvatting geen zelfstandig deel van de woning vormde. Volgens de Hoge Raad kon een huurrecht dat (ook) werd gebruikt om de onderneming uit te oefenen, echter wel degelijk ondernemingsvermogen vormen. Een huurrecht was een vermogensrecht en daarmee een goed in de zin van art. 3:1 BW en art. 3.30, lid 1 Wet IB 2001. Door de etikettering als ondernemingsvermogen kon het hele bedrag van de huur dan ook ten laste van de winst worden gebracht. In verband met het privégebruik van de woning moest op grond van art. 3.19, lid 1 Wet IB 2001 nog wel een bedrag aan de winst worden toegevoegd. Deze bijtelling betrof ook de werkkamer. Op grond van art. 3.19, lid 5 Wet IB 2001 moest art. 3.16, lid 1 Wet IB 2001 volgens de Hoge Raad zo worden gelezen dat onder ‘een tot zijn ondernemingsvermogen behorende woning’ ook een tot het ondernemingsvermogen behorend huurrecht van een woning viel. Het huurrecht vormde ondernemingsvermogen, zodat de aftrekbeperking van art. 3.16, lid 1 Wet IB 2001 niet gold. ■  Hoge Raad 12 augustus 2016, nr. 15/01994, ECLI:NL:HR:2016:1899

Prejudiciële vraag aan HR over portfoliodividend

29

Omzetbelasting Btw op onverhuurde parkeerplaatsen bij woningen voor 50% aftrekbaar ■ Hoge btw-tarief voor combikaart parkeren en vervoer naar centrum ■

29 30

Overdrachtsbelasting ■

Woningtarief overdrachtsbelasting voor hospice

30

2016/48 Normbedrag extra kleding en beddengoed ongeldig Een man claimde in zijn aangifte IB 2013 uitgaven voor specifieke zorgkosten voor zijn echtgenote. Dit waren onder andere extra uitgaven voor kleding en beddengoed van € 775. Vervolgens verzocht hij de inspecteur om het bedrag van de extra uitgaven voor kleding en beddengoed met € 1000 te verhogen, maar die weigerde dat. Hof Arnhem-Leeuwarden stelde vast dat de extra aftrek voor uitgaven voor kleding en beddengoed op grond van art. 38 Uitvoeringsregeling IB 2001 (URIB) voor het jaar 2013 was gemaximeerd op € 775. Volgens het hof moest uit de destijds tot stand gekomen wettelijke regeling redelijkerwijs de conclusie worden getrokken dat de wetgever niet de bevoegdheid aan de minister had gegeven – en ook niet had willen geven – om een nadere (absolute) drempel voor de aftrekbaarheid van die uitgaven te bepalen. Blijkbaar had de wetgever niet meer eisen willen stellen aan de normering van de hoogte van de aftrek van die uitgaven dan de in de bestaande vaste rechtspraak gehanteerde algemene gedachte van de extra kosten. Het hof meende dat de ministeriële regelgever met art. 38 URIB buiten de aan hem gedelegeerde bevoegdheid was getreden. Deze regeling was daarom onverbindend voor zover daarin werd bepaald dat nooit meer dan een bedrag van € 775 in aanmerking kon worden genomen. De man moest alsnog in de gelegenheid worden gesteld om aannemelijk te maken dat hij in 2013 extra kosten voor kleding en beddengoed had gemaakt en tot welk bedrag. Het hof wees de zaak daarom terug naar de inspecteur. ■  Hof Arnhem-Leeuwarden 9 augustus 2016, nr. 15/01441, ECLI:NL:GHARL:2016:6354

2016/49 Hypotheekrente aftrekbaar als alimentatie Hof Den Bosch heeft geoordeeld dat de hypotheekrente die een man voor zijn ex-echtgenote betaalde, bij hem als alimentatie aftrekbaar was. Dit was bijzonder, omdat de voormalige echtelieden in het echtscheidingsconvenant waren overeengekomen dat de

oktober 2016 | nummer 5 | Het Register

27


n n n n n

man geen alimentatie was verschuldigd totdat de echtelijke woning was verkocht en geleverd aan een derde. In deze zaak werd op 14 november 2007 de scheiding uitgesproken. In het echtscheidingsconvenant was opgenomen dat de man een partneralimentatie zou betalen met ingang van de dag waarop de voormalige echtelijke woning was verkocht. Verder was afgesproken dat de vrouw deze woning tot de verkoop zou blijven gebruiken. De man betaalde na de scheiding steeds de financieringskosten van de woning en de premie voor de overlijdensrisicoverzekeringen voor hemzelf en zijn ex. In zijn aangifte IB 2009 trok hij de helft van de hypotheekrente af en nam hij de andere helft van de hypotheeklasten in aanmerking als aftrekbare onderhoudsverplichtingen voor zijn ex. De inspecteur weigerde deze alimentatieaftrek. Volgens het hof was de man met zijn ex een onderhoudsverplichting in de zin van art. 6.3, lid 1, onderdeel a Wet IB 2001 overeengekomen. Hij had namelijk, nadat hij de echtelijke woning had verlaten, steeds de kosten van de leningen en verzekeringen voor zijn rekening genomen. Het hof vond het aannemelijk dat beiden – in het kader van hun echtscheiding en vooruitlopend op de verkoop van de woning – hadden bedoeld om de situatie van tijdens het huwelijk te laten voortduren. Die hield in dat de man de kosten en lasten van de woning betaalde. Het hof was het echter wel met de inspecteur eens dat de man op grond van art. 3.101, lid 2 Wet IB 2001 slechts 50% van het eigenwoningforfait kon aftrekken.

Jurisprudentie en wetgeving

co van de twee coöperatieleden werden verricht. Contracten met opdrachtgevers werden op naam van de vereniging gesloten, zodat de kernactiviteiten van de onderneming die eerder door de werkbv werd gedreven, sinds de oprichting van de vereniging werden uitgevoerd uit naam van en voor rekening en risico van die vereniging. De twee mannen waren op grond van de statuten van de coöperatieve vereniging ook niet aansprakelijk voor verbintenissen van de vereniging, zodat ze niet hoefden bij te dragen in de tekorten. Volgens de rechtbank oefenden ze ook niet los van de coöperatieve vereniging een zelfstandig beroep uit. De vereniging was namelijk hun enige opdrachtgever en zij ontvingen geen vergoeding van derden in het kader van ondernemingsactiviteiten. Bovendien was de door hen ontvangen vergoeding een vast bedrag per jaar en niet afhankelijk van de omzet die de coöperatieve vereniging behaalde. De rechtbank kwam tot de slotsom dat de inspecteur voor alle jaren terecht het aan de twee coöperatieleden uitgekeerde bedrag van € 45.000 als fictief loon in aanmerking had genomen. ■  Rechtbank Den Haag 10 juni 2016, nrs. 15/9561, 15/9562, 15/9565 en 15/9566, ECLI:NL:RBD HA:2016:6636/6637/6638/6639

Vennootschapsbelasting

2016/51 Geen MIA van € 600.000 door niet-duurzame investering 2016/50 Coöperatieleden waren geen van € 8000 Een investering van € 8000 in niet-gecertificeerd hout kwam een ondernemers hotel-restaurant duur te staan. In verband met zijn verbouwing ■  Hof Den Bosch 21 april 2016, nr. 14/00886, ECLI:NL:GHSHE:2016:1569

Een in de praktijk veelvoorkomend misverstand is dat een lid van een coöperatie altijd is aan te merken als ondernemer. Dat dit niet vanzelfsprekend is, ondervonden twee mannen die samen evenementen organiseerden. Eerst gebeurde dat via een werk-bv. Tot en met 2009 waren beiden in dienst van hun bv’s, die elk 33% van de aandelen in de werk-bv bezaten en op hun beurt werkzaamheden verrichtten voor de werk-bv, waarvoor ze een management fee ontvingen. Op 27 december 2010 richtten de twee mannen samen met een compagnon een coöperatieve vereniging op. In 2012 trad de compagnon uit en werden zijn stemrechten verdeeld over de twee overgebleven coöperatieleden. Na een boekenonderzoek stelde de inspecteur dat deze twee geen ondernemer waren en daarom geen recht hadden op de zelfstandigenaftrek en MKB-winstvrijstelling. Zij kregen daarom navorderingsaanslagen IB over 2010 tot en met 2013. Rechtbank Den Haag besliste ten aanzien van het jaar 2010 dat de werkzaamheden die de twee in rekening hadden gebracht aan de coöperatieve vereniging, feitelijk waren uitgevoerd door de werk-bv, aangezien de vereniging pas op 27 december 2010 was opgericht. Deze werkzaamheden waren daarom verricht in een fictieve dienstbetrekking tot de werk-bv (art. 4, onderdeel d Wet LB 1964 en art. 2h, lid 1 Uitvoeringsbesluit LB). Ten aanzien van de jaren 2011, 2012 en 2013 stelde de rechtbank voorop dat een coöperatieve vereniging een rechtspersoon was, die op eigen naam en voor eigen rekening en risico rechtshandelingen verrichtte. Het lidmaatschap van zo’n vereniging leidde op zichzelf niet tot ondernemerschap. De rechtbank oordeelde vervolgens dat de activiteiten van de coöperatieve vereniging niet mede rechtstreeks voor rekening en risi-

28

Het Register | oktober 2016 | nummer 5

meldde het hotel voor de milieu-investeringsaftrek (MIA) in 2011 een investering van € 1.040.000 aan Agentschap NL. De investering gold als investering in een ‘nieuw gebouw voor gecertificeerde dienstverlening’ in de zin van onderdeel B 1026 van de Milieulijst 2011. Agentschap NL bracht echter een negatief advies uit, omdat niet uitsluitend duurzaam geproduceerd, gecertificeerd hout was toegepast, zoals was voorgeschreven in genoemd onderdeel. In zijn aangifte Vpb 2011 claimde het hotel toch een MIA van € 600.000, wat vanzelfsprekend werd geweigerd. De Hoge Raad stelde voorop dat de MIA was bedoeld om langs fiscale weg investeringen in bedrijfsmiddelen te bevorderen die van belang waren voor de bescherming van het Nederlandse milieu. In het licht van deze doelstelling moest – bij gebrek aan aanwijzingen in andere richting – de voorwaarde in onderdeel B 1026 dat het aangeschafte hout duurzaam was, zo worden uitgelegd dat al het aangeschafte hout dat werd verwerkt in het gebouw, duurzaam was. Het hotel voldeed niet aan deze voorwaarde, zodat volgens de Hoge Raad voor toekenning van de MIA op grond van een belangenafweging of een redelijke wetstoepassing geen plaats was. De Hoge Raad verwierp ook de stelling van het hotel dat het gelijkheidsbeginsel was geschonden. De Belastingdienst hanteerde een foutmarge van € 500. Door niet te differentiëren naar omvang van de investering werd volgens de Hoge Raad gewaarborgd dat in alle gevallen niet meer dan slechts een gering deel van het investeringsbedrag aan niet-gecertificeerd hout, tegen de bedoeling van de regeling in, deelde in de investeringsfaciliteit. ■  Hoge Raad 8 juli 2016, nr. 15/03816, ECLI:NL:HR:2016:1355


n n n n n

2016/52 Renteaftrekbeperking voorgelegd aan Europees Hof De Hoge Raad heeft een prejudiciële vraag gesteld aan het Europese Hof van Justitie over de renteaftrekbeperking van art. 10a Wet Vpb 1969. De Hoge Raad wil van het Hof weten of de vrijheid van vestiging in de weg staat aan een nationale regeling als de Nederlandse, op grond waarvan een hier gevestigde moedermaatschappij geen aftrek van rente krijgt voor een geldlening die verband houdt met een kapitaalstorting in een dochtermaatschappij in een andere lidstaat, terwijl ze die aftrek wel zou kunnen krijgen als de dochter was opgenomen in een fiscale eenheid voor de Vpb met de moeder. In dat laatste geval is namelijk door de consolidatie geen verband met zo’n kapitaalstorting waar te nemen. Aanleiding voor de prejudiciële vraag waren twee arresten van het Europese Hof in de zaken van Groupe Steria (nr. C-386/14, ECLI:EU:C:2015:524) en het Finanzamt Linz (nr. C-66/14, ECLI:EU:C:2015:661). Door deze arresten twijfelde de Hoge Raad eraan of de ‘per-elementbenadering’ in zijn arresten van 24 juni 2011 (nr. 09/05115, ECLI:NL:HR:2011:BN3537) en 21 september 2012 (nr. 10/05268, ECLI:NL:HR:2012:BT5858) terecht was verworpen. Het Hof had namelijk beslist dat met betrekking tot andere belastingvoordelen dan de overdracht van verliezen binnen een fiscale eenheid, afzonderlijk moest worden beoordeeld of een lidstaat die voordelen kon voorbehouden aan vennootschappen die deel uitmaakten van een fiscale eenheid en die voordelen dus kon uitsluiten in grensoverschrijdende situaties. Het was volgens de Hoge Raad de vraag of de samenhang in de gevolgen van de fiscale eenheid een dwingende reden van algemeen belang was om de ‘per-elementbenadering’ af te wijzen voor alle gevolgen van een fiscale eenheid die voortvloeiden uit het wezen van de consolidatie. De Hoge Raad houdt iedere verdere beslissing aan totdat het Hof uitspraak heeft gedaan. ■  Hoge Raad 8 juli 2016, nr. 15/00194, ECLI:NL:HR:2016:1350

2016/53 Valutaverlies op buitenlandse deelneming aftrekbaar? De Hoge Raad heeft het Europese Hof van Justitie ook om een prejudiciële beslissing gevraagd over de aftrek van valutaverliezen die verband houden met een buitenlandse deelneming. Ook deze zaak had te maken met een verschil in heffing van vennootschapsbelasting doordat het niet mogelijk is een buitenlandse deelneming op te nemen in een fiscale eenheid met de Nederlandse moedermaatschappij. Aangezien Nederland (positieve en negatieve) valutaresultaten die betrekking hebben op vaste inrichtingen, belast met vennootschapsbelasting, is het volgens de Hoge Raad de vraag of negatieve valutaresultaten die betrekking hebben op een buitenlandse deelneming, niet toch in aftrek moeten worden toegelaten als die buitenlandse deelneming deel kon uitmaken van een fiscale eenheid als ze in Nederland was gevestigd. Voor de beantwoording van die vraag moest worden beoordeeld of sprake was van een ongelijke behandeling van objectief vergelijkbare gevallen en zo ja, of deze werd gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang. De Hoge Raad twijfelde eraan of de conclusies die het Europese Hof had geformuleerd in de arresten X Holding BV (nr. C-337/08, ECLI:EU:C:2010:89) en X AB (nr. C-686/13,

ECLI:EU:C:2015:375), onverkort golden. De Hoge Raad houdt iedere verdere beslissing aan totdat het Hof uitspraak heeft gedaan. ■  Hoge Raad 8 juli 2016, nr. 15/00878, ECLI:NL:HR:2016:1351

Dividendbelasting

2016/54 Prejudiciële vraag aan HR over portfoliodividend Sinds 1 januari 2016 kunnen de bestuursrechters in belastingzaken in eerste aanleg en in hoger beroep prejudiciële vragen stellen aan de Hoge Raad. Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft het spits afgebeten; in twee zaken heeft ze de Hoge Raad vragen gesteld over de verschuldigdheid van dividendbelasting door buitenlandse beleggingsinstellingen. Het ene geval betreft een Brits open-end beleggingsfonds en het andere een Duitse UCITS (Undertaking for Collective Investment in Transferable Securities). De rechtbank stapt naar de Hoge Raad naar aanleiding van het grote aantal zaken dat hierover bij haar aanhangig is (1500) en de discussie hierover in de literatuur. Daarin wordt de vraag opgeworpen of een arrest van 10 juli 2015 (nr. 14/03956, ECLI:NL:HR:2015:­ 1777) nog onverkort van toepassing is. Daarin oordeelde de Hoge Raad dat een in het buitenland gevestigd beleggingsfonds alleen daarom al niet vergelijkbaar is met een Nederlandse fiscale beleggingsinstelling omdat het niet in Nederland inhoudingsplichtig is voor de dividendbelasting. Daarna kwamen de arresten van het Europese Hof van Justitie van 17 september 2015 in de (gevoegde) zaken van Miljoen, X en Société Générale (nr. C-10/14, C-14/14 en C-17/14, ECLI:EU:C:2015:608). In die arresten gaf het Hof regels voor de vergelijking tussen binnenlandse en grensoverschrijdende situaties bij een beoordeling van de vraag of sprake is van een hogere (dividend)belastingdruk in grensoverschrijdende situaties en daarmee van een inbreuk op het vrije kapitaalverkeer. Volgens de rechtbank leidde het Miljoen-arrest tot vragen over de vergelijkingsmaatstaf en besloot ze daarom de kwestie voor te leggen aan de Hoge Raad. ■  Rechtbank Zeeland-West-Brabant 1-8-2016, nr. 15/6759 en 12/29, ECLI:NL:RBZWB:2016:4828/4829

Omzetbelasting

2016/55 Btw op onverhuurde parkeerplaatsen bij woningen voor 50% aftrekbaar

Een woningcorporatie had een vastgoedcomplex gerealiseerd met een daaronder gelegen parkeerkelder, die in juni 2011 in gebruik was genomen. De parkeerplaatsen verhuurde ze op basis van afzonderlijke overeenkomsten en tegen een afzonderlijke vergoeding aan diverse gegadigden. Volgens de inspecteur bestond geen recht op aftrek van voorbelasting voor de 28 niet-verhuurde parkeerplaatsen. De corporatie vond op haar beurt dat de verhuur van 13 parkeerplaatsen aan de bewoners van de boven de parkeergarage gelegen appartementen ten onrechte samen met de verhuur

oktober 2016 | nummer 5 | Het Register

29


n n n n n

van de appartementen was aangemerkt als één economische (vrijgestelde) verhuurhandeling. Hof Amsterdam oordeelde over die laatste kwestie dat de verhuur van een appartement en een parkeerplaats moest worden aangemerkt als één economische handeling, zodat de verhuur van de 13 parkeerplaatsen deelde in de vrijstelling voor de verhuur van de appartementen. Zowel de parkeerplaatsen als de appartementen maakten deel uit van één vastgoedcomplex en werden door dezelfde verhuurder (de woningcorporatie) verhuurd aan dezelfde huurders. Het hof verwees hiervoor naar het Morten Henriksen-arrest van het Europese Hof van Justitie van 13 juli 1989 (nr. 173/88). Ten aanzien van de 28 niet-verhuurde parkeerplaatsen week het hof wel af van de uitspraak van Rechtbank Noord-Holland, die had beslist dat 70% van de parkeerplaatsen was bestemd voor belaste verhuur en 30% voor vrijgestelde verhuur, waardoor de naheffingsaanslag voor de integratielevering moest worden verminderd tot € 72.254. Volgens het hof was voor het recht op aftrek van voorbelasting het voorgenomen gebruik van de parkeerplaatsen doorslaggevend. Het baseerde dit op het TETS Haskovo-arrest van het Europese Hof (nr. C-234/11, ECLI:EU:C:2012:644). De corporatie moest bewijzen in hoeverre ze recht had op aftrek. Vervolgens oordeelde het hof dat de corporatie niet aannemelijk had gemaakt dat ze van plan was geweest om alle parkeerplaatsen belast met btw te verhuren. Het gebouw lag aan de rand van de stad, waar volop gratis toegankelijke parkeergelegenheid aanwezig was. Bovendien was pas in 2015 een verhuurcontract gesloten met een ‘externe’ partij. Het hof vond het daarom aannemelijk dat de externe markt voor de 28 parkeerplaatsen, dat wil zeggen een markt buiten de bewoners van de appartementen, toentertijd klein was. Eerder was sprake van een ‘gemengde’ bestemming van de eind 2011 niet-verhuurde parkeerplaatsen, dus deels bestemd voor vrijgestelde verhuur (bij verhuur aan bewoners van de bovengelegen appartementen) en deels bestemd voor belaste verhuur (bij verhuur aan anderen). De corporatie had de parkeerplaatsen ook aan die beide doelgroepen aangeboden. Bij de vaststelling van een daarbij passend mengpercentage kwam het hof in goede justitie uit op een 50/50-verdeling. Het hof verminderde de naheffingsaanslag met 14/28 deel van de eerder door de rechtbank vastgestelde vermindering tot € 72.254, ofwel € 36.127.

ropese Hof van Justitie (nr. C-117/11, ECLI:EU:C:2012:29) moest de gemeente vanaf 2014 btw voldoen over de verkoop van de combikaarten naar het algemene btw-tarief van 21%. De gemeente ging daartegen in beroep. De rechtbank vond dat een combikaart de consument het recht gaf om te parkeren in een van de transferia (de parkeerdienst) en aansluitend tegen een zeer gereduceerd tarief gebruik te maken van het OV binnen de zones van de gemeente (de vervoersdienst). Er konden daarom op zichzelf twee afzonderlijke prestaties worden onderscheiden, waarvoor één vergoeding werd gevraagd. Het parkeren en het OV naar de stad waren volgens de rechtbank niet zo nauw met elkaar verbonden dat deze voor de btw moesten worden beschouwd als één niet te splitsen vervoersdienst. In de transferia kon alleen worden geparkeerd en dit gebeurde feitelijk ook, en vanaf de transferia kon worden gebruikgemaakt van het OV zonder te parkeren. Volgens de rechtbank verrichtte de gemeente een hoofddienst die bestond uit het gelegenheid geven tot parkeren, omdat het de modale consument van een combikaart om het parkeren was te doen. Hij had er immers uitdrukkelijk voor gekozen om met de auto naar Utrecht te gaan in plaats van het hele traject met het OV af te leggen. Het feit dat een consument door te parkeren op het transferium de mogelijkheid kreeg om die dag vrijwel kosteloos onbeperkt gebruik te maken van het OV, zou de hoofdprestatie van het parkeren op deze transferia volgens de rechtbank voor hem aantrekkelijker maken. Ze concludeerde dat voor de modale consument het parkeren de hoofddienst vormde en het OV naar het centrum de bijkomende dienst, die het fiscale lot van de hoofddienst volgde. Dit hield in dat sprake was van één dienst die was belast tegen het algemene btw-tarief.

■  Hof Amsterdam 14 juni 2016, nr. 15/00595, ECLI:NL:GHAMS:2016:3104

Een bv verkreeg op 14 juni 2013 een gebouw waarin een hospice was gevestigd. Ze verhuurde het gebouw aan een stichting die de woonunits verhuurde aan terminaal zieke particulieren. De bv betaalde 6% overdrachtsbelasting en ging vervolgens daartegen in beroep omdat de hospice volgens haar was aan te merken als woning(en) in de zin van art. 14, lid 2 WBR, waarvoor het 2%-tarief gold. Hof Amsterdam oordeelde dat Rechtbank Noord-Holland ten onrechte een arrest van de Hoge Raad van 15 november 2013 (nr. 11/05566, ECLI:NL:HR:2013:1126) had gebruikt voor de uitleg van het begrip woning. Dat arrest had betrekking op een aanslag OZB (gebruikersbelasting) voor een niet-woning (verpleeghuis) en meer in het bijzonder op art. 220e Gemeentewet. Volgens het hof was dit arrest niet bedoeld om duidelijkheid te scheppen voor de overdrachtsbelasting en moest het begrip woning(en) voor de toepassing van art. 14 WBR op zichzelf worden beoordeeld. Het in het arrest en door de rechtbank gehanteerde subjectieve criterium dat voor de bewoners sprake moest zijn van een verblijf van duurzame aard, was volgens het hof niet terug te vinden in de wetsgeschiedenis. De vraag of sprake was van woningen in de zin art. 14 WBR,

2016/56 Hoog btw-tarief voor combikaart parkeren en vervoer naar centrum Een combikaart van de gemeente Utrecht die recht geeft op parkeren op een transferium (P&R-locatie) en gebruik van het openbaar vervoer (OV) naar het centrum, bestaat uit één dienst die is belast tegen het algemene btw-tarief. Dat heeft Rechtbank Gelderland geoordeeld. Bezoekers van een van de vier transferia krijgen bij het inrijden een inrijkaart die ze binnen een uur na ontvangst kunnen inwisselen voor een combikaart. Met een combikaart kunnen maximaal vijf personen de hele dag gebruikmaken van het OV binnen de gemeente Utrecht. De combikaart deed ook dienst als uitrijkaart voor het transferium. Het parkeertarief bij de transferia bedroeg € 4,50 en het tarief van de combikaart € 5 (2014). Per combikaart bracht de vervoerder € 3,29 in rekening aan de gemeente. Naar aanleiding van het Purple Parking-arrest van het Eu-

30

Jurisprudentie en wetgeving

Het Register | oktober 2016 | nummer 5

■  Rechtbank Gelderland 4 augustus 2016, nr. 15/4218, ECLI:NL:RBGEL:2016:4390

Overdrachtsbelasting

2016/57 Woningtarief overdrachts­ belasting voor hospice


n n n n n

naar zijn aard was bestemd voor bewoning. Daarin lag hoogstens de eis besloten dat deze bestemming objectief bezien een duurzaam karakter had. Het hof was het niet met de inspecteur eens dat de hospice moest worden aangemerkt als een verpleeg- of verzorgingsinstelling waarvoor het niet-woningentarief gold. Er werd namelijk geen professionele (thuis- en medische) zorg geboden of verzorgd door of via de verhuurder (de stichting) of de bv. De bewoners moesten zelf de benodigde zorg inkopen en brachten eigen mantelzorgers mee. De dienst van de stichting tegenover de bewoners bestond voornamelijk uit verhuur van woonruimte. Het hof concludeerde dat het woningtarief van toepassing was en stelde de <<< overdrachtsbelasting op 2%.

■ Datum inwerkingtreding

■ Staatsblad

■ Aangenomen EK

■ Eindverslag EK

■ Memorie van Antwoord EK

■ Voorlopig verslag EK

■  Hof Amsterdam 17 maart 2016, nr. 15/00729, ECLI:NL:GHAMS:2016:2522

■ Wetsvoorstel EK

■ Aangenomen TK

■ Eindverslag TK

■ Nota n.a.v. verslag TK

■ Verslag TK

■ Wetsvoorstel +MvT TK

Per 21 september 2016

De stand van zaken

Wetgeving

moest objectief worden getoetst op het moment van de juridische overdracht. Vervolgens oordeelde het hof dat het door de bv verkregen gebouw de kenmerken van een woning had. Zo beschikten de bewoners over een zelf in te richten woonunit, elk met een eigen keuken/ pantry, een bed en kastruimte, hadden ze een (gedeelde) badkamer en bevonden zich in het gebouw een gemeenschappelijke woonkamer met serre, logeerkamers, diverse sanitaire voorzieningen en een keuken. Het hof vond het aannemelijk dat de overige ruimten dienstbaar waren aan bewoning en naar hun aard ook waren bestemd voor bewoning. Verder vond het hof van belang dat de gemeente een woonbestemming aan het gebouw had gegeven. Een duurzaam verblijf van de bewoners in de hospice vond het hof geen onderscheidend criterium. Het ging erom dat het gebouw

BTW-constructie (on)roerende zaken 30 061

Bij KB

Wbm i.v.m. beperking emissies kolencentrales 31 362

Bij KB

Wet vereenvoudiging formeel verkeer Belastingdienst 33 714

Bij KB

Wet aanpassing fiscale eenheid 34 323

Dag na datum Stb

Wet uitwerking Autobrief II 34 391

1-1-2017

Wet uitwisseling inlichtingen over rulings 34 527

1-1-2017

Wet tijdelijk verlaagd tarief laadpalen 34 545

1-1-2017

Belastingplan 2017 34 552

1-1-2017

Overige fiscale maatregelen 2017 34 553

1-1-2017

Fiscale vereenvoudigingwet 2017 34 554

1-1-2017

Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen 34 555

1-1-2017

Wet fiscale maatregelen rijksmonumenten en scholing 34 556

1-1-2017

oktober 2016 | nummer 5 | Het Register

31


n n n n

Energie- en milieuinvesteringsaftrek: let op de voorwaarden! Al sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw stimuleert de overheid het investeren in bedrijfsmiddelen. In 1997 werd de bestaande mogelijkheid van de investeringsaftrek aangevuld met de energie-investeringsaftrek (EIA) en in 1999 met de milieu-investeringsaftrek (MIA). Deze specifieke investeringsaftrekmogelijkheden worden in combinatie met de Vamil – de willekeurige afschrijving van miilieu­bedrijfsmiddelen – gezien als belangrijke fiscale subsidieregelingen. Er gelden echter wel de nodige voorwaarden, waarover niet valt te discussiëren, zo is inmiddels wel gebleken.

W

ant inderdaad, het is met die subsidies zo: voldoe je er niet aan, dan is het einde verhaal. Dat doe ik hierna uitgebreid uit de doeken, mede aan de hand van een aantal recente ontwikkelingen en aandachtspunten. Maar eerst een korte schets van beide regelingen.

Peter Furer Mr. P.H.J. Furer RB is hoofd Bureau Vaktechniek van het RB

32

De energie-investeringsaftrek (EIA) Ondernemers die investeren in energiebesparende bedrijfsmiddelen en duurzame energie, hebben onder voorwaarden recht op de EIA. Deze aftrek komt bovenop de ‘normale’ kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA). De EIA bedraagt in 2016 58% van de investering (aanschaf- en voortbrengingskosten). Daarbij dient te worden voldaan aan de volgende voorwaarden: n de bedrijfsmiddelen zijn niet eerder gebruikt; n het bedrag aan energie-investeringen is minimaal € 2500 per bedrijfsmiddel; n de EIA wordt in 2016 per onderneming berekend over maximaal € 120 miljoen;1 n de minister van Economische Zaken heeft op verzoek door of namens de ondernemer verklaard dat sprake is van een energie-investering; n de ondernemer moet het verzoek voor deze verklaring binnen een termijn van drie maanden doen. De

Het Register | oktober 2016 | nummer 5

start van die termijn is afhankelijk van de vraag of sprake is van een verplichting of van voortbrengingkosten. De driemaandstermijn start: – met betrekking tot verplichtingen: bij het aangaan van de verplichtingen; – met betrekking tot voortbrengingskosten: bij de aanvang van het kalenderkwartaal volgend op dat waarin de kosten zijn gemaakt of, wanneer het bedrijfsmiddel of onderdeel ter zake waarvan de kosten zijn gemaakt in het kalenderkwartaal in gebruik is genomen, bij de ingebruikneming van het bedrijfsmiddel, respectievelijk het onderdeel. n de aanmelding kan uitsluitend digitaal worden gedaan bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) via eHerkenning; n de ondernemer moet bij de aangifte ervoor kiezen om de EIA in aanmerking te nemen. Alle energiezuinige investeringen waarvoor de EIA mogelijk is, staan op de jaarlijkse Energielijst. Die lijst wordt in het algemeen eind december vóór het desbetreffende jaar gepubliceerd en bevat zowel duidelijk omschreven investeringen (specifiek) alsook maatwerkinvesteringen (generiek) die een forse energiebesparing opleveren.


n n n n

De milieu-investeringsaftrek (MIA) Ondernemers die investeren in milieuvriendelijke technieken hebben mogelijk recht op de MIA. Ook die komt bovenop de ‘normale’ KIA. Er gelden drie categorieën. Voor milieu-investeringen die behoren tot categorie I bedraagt de MIA 36%, voor milieu-investeringen in categorie II is dat 27% en voor milieu-investeringen in categorie III 13,5% (cijfers 2016). Voor de MIA gelden exact dezelfde voorwaarden als voor de EIA, met dien verstande dat het hier gaat om milieu- in plaats van energie-investeringen en dat hier geen limiet geldt voor het totale investeringsbedrag. Alle milieu-investeringen waarvoor de MIA kan worden aangevraagd, staan eveneens op een jaarlijkse Milieulijst. En ook deze lijst wordt doorgaans voorafgaand aan het desbetreffende jaar eind december gepubliceerd. De Milieulijst 2016 bevat ongeveer 270 investeringen waarvoor MIA, Vamil of MIA én Vamil kan worden aangevraagd. De Vamil biedt de mogelijkheid om 75% van de investeringskosten willekeurig af te schrijven.

Geen samenloop EIA/MIA EIA en MIA kunnen niet naast elkaar lopen (art. 3.42a, lid 6 Wet IB 2001). Voor de investering in een bepaald bedrijfsmiddel kan dus niet zowel EIA als MIA worden geclaimd. Het kan daarom interessant zijn om de investering op te splitsen in een EIA- en een MIA-deel. Het voordeel van de EIA is immers groter dan dat van de MIA. Let op: het is niet mogelijk om achteraf de melding voor de ene regeling om te zetten in die voor een andere regeling. EIA kan wel samenlopen met de Vamil. Heeft een investering betrekking op een (onderdeel van een) bedrijfsmiddel dat in aanmerking komt voor de Vamil, maar ook voor de EIA? Dan kan van beide regelingen naast elkaar gebruik worden gemaakt, als het onderdeel of bedrijfsmiddel maar voor beide regelingen apart wordt gemeld.

Met terugwerkende kracht toch EIA/MIA? Zoals gezegd moeten de EIA en MIA in de aangifte worden verwerkt. Dat zou betekenen dat een keuze moet worden gemaakt voordat de aanslag onherroepelijk vaststaat. De staatssecretaris van Financiën heeft echter goedgekeurd dat een beroep op ambtshalve vermindering wordt gedaan. De investering dient dan wel tijdig te zijn aangemeld bij RVO.nl en die moet dan een verklaring hebben afgegeven waarin staat dat de investering kan worden aangemerkt als energie-investering, dan wel geen negatief advies hebben gegeven over het aanmerken van de investering als milieu-investering.2

Omschrijving luistert nauw Zowel voor de EIA als de MIA geldt dat de investering moet voldoen aan de omschrijving in de investeringslijst, c.q. milieulijst. Dat dit zeer nauw luistert, bleek onlangs weer. Een bv liet haar hotel-restaurant in de jaren 2010, 2011 en 2012 verbouwen. Daarvoor werd ook een investering gedaan van ruim € 1 miljoen in de keuken en

Het kan interessant zijn om de investering op te splitsen in een EIA- en een MIA-deel. Het voordeel van de EIA is namelijk groter dan dat van de MIA het restaurant. Die investering was ook te vinden in de milieulijst van 2010 en 2011 als investering in een ‘nieuw gebouw voor gecertificeerde dienstverlening’. Van genoemde 1 miljoen euro had de bv echter iets minder dan € 8000 besteed aan niet-gecertificeerd hout. Daardoor voldeed de investering niet exact aan de omschrijving in de milieulijst. Voor de inspecteur voldoende reden om de MIA te weigeren. Zowel Hof Den Haag als de Hoge Raad was het daarmee eens.3 Met een beroep op het gelijkheidsbeginsel probeerde het hotel-restaurant nog te redden wat er te redden viel. Beleid was dat, wanneer bij investeringen voor ten hoogste € 500 aan niet-gecertificeerd hout werd gebruikt, de MIA niet werd geweigerd. Volgens de Hoge Raad leidde dat echter niet tot een rechtens onaanvaardbare ongelijke behandeling van gelijke gevallen, dan wel gelijke behandeling van ongelijke gevallen. Door niet te differentiëren naar omvang van de investering werd gewaarborgd dat in alle gevallen niet meer dan slechts een gering deel van het investeringsbedrag aan niet-gecertificeerd hout tegen de bedoeling van de regeling zou delen in de investeringsfaciliteit. Al met al een wel heel zuur verlopen procedure voor het hotel-restaurant, dat door die ene investering van nog geen € 8000 een MIA misliep van € 350.000!

Aanmeldingstermijn bij RVO.nl Zoals gezegd geldt er een aanmeldingstermijn van drie maanden. Uit de jurisprudentie blijkt dat ook aan die termijn niet valt te tornen.4 Verschil voortbrenging en aanschaf Hoofdregel is dat de verwerving van een bedrijfsmiddel tot stand komt door hetzij het aangaan van verplichtingen ter zake van de aanschaffing, hetzij door het maken van voortbrengingskosten. In geval van verplichtingen moet eenmalig worden gemeld, en wel binnen drie maanden na de datum waarop de verplichting is aangegaan. In geval van voortbrengingskosten moet de melding plaatsvinden binnen drie maanden na de aanvang van het kalenderkwartaal, volgend op dat waarin de kosten zijn gemaakt of, als het desbetreffende bedrijfsmiddel of onderdeel al in het kalenderkwartaal in gebruik is genomen, bij de ingebruikneming van het bedrijfsmiddel, respectievelijk het onderdeel. Het is dus met het oog op de termijn van groot belang om te beoordelen onder welke categorie de investering valt. Is sprake van voortbrengingskosten, maar merkt

oktober 2016 | nummer 5 | Het Register

33


EIA en MIA

n n n n

Het is met het oog op de termijn van groot belang om te beoordelen onder welke categorie de investering valt

men de investering aan als aanschaffing, dan meldt men te vroeg. Is sprake van aanschaffingskosten, maar wordt gewacht met melden omdat men ervan uitgaat dat sprake is van voortbrenging en dus ieder kwartaal moet worden gemeld, dan is men mogelijk deels te laat. In de praktijk blijkt dat men nogal moeite heeft met het maken van dit onderscheid. Aangaan van verplichtingen Van het aangaan van verplichtingen ter zake van de verwerving van een bedrijfsmiddel is sprake als de wederpartij zich heeft verbonden het bedrijfsmiddel voltooid te leveren of op te leveren. Verplichtingen die met deze aanschaf samenhangen, worden daarnaast ook als aangegane verplichtingen en niet als voortbrengingskosten gekwalificeerd. De kostprijs omvat alle kosten die men moet maken om het bedrijfsmiddel bedrijfsklaar te krijgen. Ook bijkomende kosten, zoals op de aankoop vallende belastingen als registratierechten, vallen onder de aanschaffingskosten, evenals kosten van onderhoud en

34

Het Register | oktober 2016 | nummer 5

verbetering die men moet maken om een bedrijfsmiddel in de voor de onderneming gewenste staat te brengen.5 Voortbrengingskosten Van voortbrengingskosten is sprake als de kosten worden gemaakt ter zake van het vervaardigen van bedrijfsmiddelen in eigen bedrijf.6 Daaronder valt ook het doen vervaardigen krachtens een regieopdracht. Zoâ&#x20AC;&#x2122;n opdracht leidt volgens Hof Den Haag tot een contractuele relatie, op grond waarvan het werk geheel voor rekening en risico van de opdrachtgever wordt uitgevoerd. Hij moet de door de uitvoerder bestede bedragen betalen, c.q. de door hem aangegane verplichtingen voor zijn rekening nemen. Daarnaast moet hij de uitvoerder diens beloning betalen volgens de overeengekomen maatstaf. Daarom is geen sprake van een bestelling van een voltooid werk, maar ontstaat er door de regieopdracht een verhouding die de opdrachtgever beschikking geeft over de kennis en ervaring van een uitvoerder die hem zodanige diensten verleent dat die het hem mogelijk maken het werk voor eigen rekening uit te voeren, dat wil zeggen gaandeweg te doen ontstaan. Dus ook bij een regieopdracht is sprake van het maken van voortbrengingskosten naarmate het werk vordert en daarvoor aanwendingen geschieden of bestellingen worden gedaan.7 Bij enkele zaken heeft de Belastingdienst gesteld dat er sprake is van voortbrenging bij een opdracht in delen. De stelling is dan dat de opdrachtgever directie voert over de realisatie van het geheel. Daar-


n n n n

bij kijkt men dan niet of het financiële risico geheel of nagenoeg geheel is afgedekt met opdrachten. Tot de voortbrengingskosten van een zelf vervaardigd goed behoren alle gemaakte kosten die nodig zijn om het bedrijfsmiddel bedrijfsklaar te maken. Het gaat om de integrale kostprijs. Daartoe behoort ook een aandeel in de zogenoemde constante algemene ondernemingskosten.8 Discussie aanschaffings- of voortbrengingskosten Momenteel is de hiervoor beschreven problematiek onderwerp van overleg tussen de Belastingdienst en de Vereniging van Accountants- en Belastingadviesbureaus ‘VLB’ ter zake van de bouw van stallen. Partijen zijn het er vanzelfsprekend over eens dat het in het geval van een ‘sleutelcontract’ gaat om aanschaf. In bepaalde andere situaties is het duidelijk dat het alleen maar om voortbrenging kan gaan. Maar in minder duidelijke situaties is men in de praktijk uitgegaan van een antwoord van de Belastingdienst in 2014 op vragen hierover. Volgens adviseurs is sprake van een opdracht zodra de levering en werkzaamheden vooraf zijn vastgelegd (bepaalbaar). Is dat niet het geval, dan is sprake van voortbrenging. Als ter zake van de onderdelen van een investering afzonderlijke overeenkomsten met afzonderlijke uitvoerders zijn gesloten, is sprake van het aangaan van verplichtingen en gaat iedere keer een nieuwe termijn van drie maanden lopen op de datum waarop die verplichting is aangegaan. Worden evenwel meerdere uitvoerders ingeschakeld en wordt met al die uitvoerders rond hetzelfde moment een opdracht geregeld, dan wordt vervolgens ook één aanvraag gedaan, ervan uitgaande dat sprake is van aanschaffingskosten. De werkzaamheden kunnen vervolgens ‘zonder probleem’ verspreid over langere tijd plaatsvinden. Administratief veel eenvoudiger en minder foutgevoelig. Daarnaast geeft het meer zekerheid voor de boer bij een bouw die gedurende meerdere jaren plaatsvindt en waarvan dus niet bekend is of de investering wel voldoet aan de voorwaarden in de milieulijst van het volgende jaar. Een ondernemer zal eerder afzien van een duurzame investering als zijn fiscale voordeel niet is geborgd. Hij moet immers vóór het aangaan van de verplichtingen bepalen of de meerkosten economisch gerechtvaardigd zijn of niet. De fiscale subsidie is een tegemoetkoming in die meerkosten. Er zal snel van worden afgezien als het volledige voordeel niet is geborgd. De Belastingdienst heeft inmiddels laten weten dat er geen sprake is van een keuzerecht. Partijen zijn hierover nog in overleg, ook met het oog op de keuzes die de afgelopen jaren in de praktijk zijn gemaakt.

gepubliceerd. In dat geval vangt de aanmeldingstermijn aan op 2 februari van dat jaar. Dat betekent dat X de investering uiterlijk moet melden op 1 mei van datzelfde jaar (binnen drie maanden vanaf 2 februari).9 Calculeer tijd in voor aanvraagprocedure! Zorg ervoor dat de klant voldoende tijd incalculeert voor het aanvragen. EIA, MIA en Vamil-aanvragen kunnen uitsluitend elektronisch worden ingediend bij het eLoket van RVO.nl. Een DigiD is niet voldoende. Daarvoor moet men over een eHerkenningsmiddel beschikken. Op de site van eHerkenning zijn verschillende aanbieders te vinden. Houd er rekening mee dat het aanvragen van een eHerkenningsmiddel enkele dagen duurt. EHerkenningsmiddelen zijn persoonlijk. Wil een intermediair een aanvraag indienen voor zijn klanten, dan moet hij zijn eigen eHerkenningsmiddel gebruiken. In het verleden moest hij tevens een scan van de machtiging met de aanvraag meesturen. Tegenwoordig is het voldoende dat hij in de aanvraag verklaart dat hij gerechtigd is tot het indienen van de aanvraag. Een machtiging kan overigens nog wel worden opgevraagd. Mijn advies is dan ook om ervoor te zorgen dat de juiste juridische machtiging aanwezig is. Na verzending van de melding krijgt deze een referentienummer. Dat staat achter de desbetreffende melding bij ‘mijn overzicht’ en in de ontvangstbevestiging die men binnen enkele uren na verzending van de melding per e-mail ontvangt. Met ingang van 1 januari 2013 hoeft voor een samenwerkingsverband, zoals een maatschap of vennootschap, nog maar één melding te worden ingediend. Zie voor meer informatie het eLoket.

Ten slotte Met de EIA en MIA biedt de overheid belangrijke fiscale subsidiemogelijkheden. Maar die subsidie krijgt een ondernemer niet zomaar. Er zijn strikte voorwaarden aan verbonden, waaraan niet valt te tornen.   <<<

Noten 1

Zie art. 3.42, lid 4, onderdeel b, Wet IB 2001 in geval de onderneming in de vorm van een samenwerkingsverband wordt gedreven.

2 Besluit Investeringsaftrek van 17 maart 2014, BLKB2014/106M, NTFR 2014/1028 en V-N 2014/17.8. 3 Hof Den Haag 7 juli 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1988, NTFR 2015/2142 en V-N 2015/45.2.1 en HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1355, NTFR 2016/1855 en V-N 2016/36.6. 4 Zie onder meer HR 6 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1955, NTFR 2009/405 en V-N 2009/8.18 en HR 17 februari 2012, nr. ECLI:NL:HR:2012:BV5458, NTFR 2012, 455 en V-N 2012/14.1.1.

Milieu- of energielijst in de loop van het jaar Wanneer de milieu- of energielijst in de loop van een kalenderjaar met terugwerkende kracht tot en met 1 januari van dat jaar wordt vastgesteld, begint de meldingstermijn te lopen op de dag van de publicatie van de energielijst. Stel dat X op 15 januari investeert in een bedrijfsmiddel en de milieulijst voor dat jaar pas veertien dagen later, op 29 januari, wordt vastgesteld en op 2 februari van dat jaar

5 HR 30 oktober 1963, ECLI:NL:HR:1963:AX7522, BNB 1964/2. 6 HR 20 maart 1957, ECLI:NL:HR:1957:AY1593, BNB 1957/151. 7 Hof Den Haag 12 februari 1960, ECLI:NL:GHSGR:1960:AX8140, BNB 1961/61 en Hof Den Haag 5 mei 1966, ECLI:NL:GHSGR:1966:AX6206, BNB 1967/55. 8 HR 30 september 1964, ECLI:NL:HR:1964:AX7003, BNB 1966/52. 9 Besluit Investeringsaftrek van 17 maart 2014, BLKB2014/106M, punt 7.2, NTFR 2014/1028 en V-N 2014/17.8.

oktober 2016 | nummer 5 | Het Register

35


n n n n n n

Dga bevrijd uit door Financiën zelf aangebrachte pensioendividendklem De door Financiën gecreëerde knelpunten bij de uitvoering van het pensioen in eigen beheer van de dga zouden als sneeuw voor de zon kunnen verdwijnen door opheffing van het fiscale verbod op prijsgeven van pensioen. Dat zou enkel het schrappen van één zin in de Wet op de loonbelasting vergen. Het RB heeft hiervoor gepleit. Het kabinet heeft er echter voor gekozen het pensioen in eigen beheer af te schaffen en met aantrekkelijke afkoopkortingen in de uitverkoop te doen.

D David Bakker Drs. D.W. Bakker RB is zelfstandig werkzaam onder de naam David Bakker Pensioen Consultancy en Opleidingen

e beoogde afschaffing en het bijbehorende overgangsrecht is vervat in een apart en uitgebreid wetsvoorstel – de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen – dat als onderdeel van het pakket Belastingplan 2017 op Prinsjesdag aan de Tweede Kamer is aangeboden. In het voorstel is tevens een aantal maatregelen meegenomen die los staan van de afschaffing van het pensioen in eigen beheer, zoals het vervallen van de 100%-grens en de doorwerkeis bij uitstel van de pensioendatum. Ik laat deze maatregelen buiten beschouwing en beperk me tot de hoofdlijnen van de uitfasering van het pensioen in eigen beheer en de voor de praktijk belangrijke aandachtspunten.

Geen pensioenopbouw in eigen beheer vanaf 1 januari 2017 Door in art. 19a Wet LB 1964 eigenbeheerlichamen als mogelijke pensioenuitvoerder te schrappen, is vanaf 1 januari 2017 geen pensioenopbouw in eigen beheer meer mogelijk. Dga’s kunnen wel tweedepijlerpensioen blijven opbouwen bij een professionele verzekeraar. Pensioen dat ze in die hoedanigheid tot en met 2016 bij een professionele verzekeraar hebben opgebouwd, kunnen ze vanaf 2017 niet meer naar de eigen bv overdragen (daarover verderop meer).

Overgangsrecht in het kort Het overgangsrecht – opgenomen in vier nieuwe artikelen: 38n, 38o, 38p en 38q – voorziet in drie keuzemoge-

36

Het Register | oktober 2016 | nummer 5

lijkheden: de per ultimo 2016 in eigen beheer opgebouwde rechten blijven gehandhaafd of worden in de periode 2017-2019 afgekocht of omgezet in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting (hierna: oudedagsaanspraak). De afkoop- en omzettingsmogelijkheid geldt ook voor ingegane pensioenen. Een afgekocht of omgezet pensioen leidt niet tot een verhoging van de fiscale lijfrenteaftrek om een mogelijk ontstaan pensioentekort te repareren. Met andere woorden, inhaal in de derde pijler is niet mogelijk. Bij de keuze voor het handhaven van de in eigen beheer opgebouwde rechten – die nog kunnen aangroeien ten gevolge van een toegezegde indexatie – blijven de huidige fiscale regels gelden (zie art. 38n, lid 1). In deze situatie blijven de fiscale dividendtoets en het voor deze toets relevante verschil tussen de waarde in het economisch verkeer (wev) en de fiscale balanswaarde bestaan. Voorts

Een afgekocht of omgezet pensioen leidt niet tot een verhoging van de lijfrenteaftrek om een mogelijk ontstaan pensioentekort te repareren


n n n n n n

is van belang dat waardeoverdracht tussen eigenbeheerlichamen mogelijk blijft. Tot 1 januari 2020 heeft de dga nog de mogelijkheid om de rechten alsnog af te kopen of om te zetten in een oudedagsaanspraak. De afkoop of de omzetting vindt plaats tegen de fiscale balanswaarde op het moment van afkoop of omzetting. Om afkoop extra aantrekkelijk te maken, wordt een korting verleend op de te belasten afkoopsom ter grootte van een percentage van de fiscale balanswaarde 2015: 34,5% in 2017, 25% in 2018 en 19,5% in 2019. De regeling geldt alleen als het gehele pensioen wordt afgekocht of omgezet. De afkoop of omzetting wordt bij wetsfictie voorafgegaan door het afstempelen, c.q. prijsgeven van pensioen, en wel van wev tot de fiscale balanswaarde, dit alles zonder sancties (zie art. 38n, lid 2). Deze tweetrapsraket – eerst prijsgeven en vervolgens afkopen of omzetten – is mijns inziens overbodig, maar brengt de heldhaftige bevrijding uit de dividendklem wel beter voor het voetlicht. Men had de afkoopwaarde van de opgebouwde rechten ook direct – zonder poespas – aan de fiscale balanswaarde kunnen gelijkstellen. Als de pensioenopbouw in 2016 meer dan 125% hoger was dan in 2015, kan het boven die 125% uitkomende gedeelte van de pensioenopbouw 2016 niet worden afgekocht of omgezet in een oudedagsaanspraak (art. 38q). Gebeurt dit toch, dan leidt dit tot loonheffing over de wev van dit bovenmatige deel en tot verschuldigdheid van revisierente. Ten slotte kan het voorkomen dat pensioen tegen de hoge commerciële waarde wordt overgedragen aan een bv waarvan de kinderen de aandelen bezitten. Afkoop of omzetting tegen de fiscale waarde leidt dan tot waardestijging van de aandelen, door het vrijvallen van het verschil tussen de commerciële en de fiscale waarde. Volgens de memorie is er in deze situatie sprake van een schenking aan de kinderen. Fiscale balanswaarde De wettekst omschrijft de fiscale balanswaarde als de voor de toepassing van de Wet Vpb 1969 in aanmerking te nemen waarde (zie art. 38n, lid 2). Deze definitie is niet haarscherp. Als een afkoop bijvoorbeeld op 1 januari 2017 plaatsvindt, is wel duidelijk dat het bedrag aan pensioenverplichting per ultimo 2016 in de aangifte Vpb het uitgangspunt vormt. Vindt afkoop of omzetting echter niet plaats op een balansdatum, dan moet een aparte berekening van de ‘fiscale balanswaarde’ plaatsvinden, naar ik aanneem, tegen dezelfde berekeningsgrondslagen die gelden bij een waardering op balansdatum. Overigens biedt de delegatiebepaling de mogelijkheid om hier nadere regels voor te geven (art. 38n, lid 5). Voorts bestaan er voor de waardering van pensioen verschillende waarderingsmethoden, met uiteenlopende uitkomsten. Bovendien kan de fiscale waardering van een pensioenverplichting op de balans van een separate pensioen-bv (extern eigen beheer) hoger zijn dan de waardering van hetzelfde pensioen op de balans van de werkgever-bv (intern eigen beheer). Anders dan de werkgever-bv mag de pensioen-bv immers rekening

De afkoopwaarde van de pensioen­ aanspraak in de loonbelasting hangt af van de uitvoeringswijze en van de waarderingsmethode in de winstsfeer

houden met elementen als indexatie, vooroverlijdensrisico en kostenopslagen. Kortom, de vaststelling van de afkoopwaarde van de pensioenaanspraak in de loonbelasting hangt af van de uitvoeringswijze – intern of extern eigen beheer – en van de gehanteerde waarderingsmethode in de winstsfeer. Dat is best opmerkelijk. Instemming partner en mogelijke schenkingsaspecten De partner van de dga moet schriftelijk instemmen met de afkoop of omzetting van het pensioen (art. 38n, lid 4). Dit is een harde fiscale eis. De partner is de echtgenoot, geregistreerd partner of de partner in de zin van de pensioenovereenkomst. Degene met wie de dga ongehuwd samenwoont, kan in de pensioenovereenkomst als partner (voor het partnerpensioen) zijn aangewezen en kan dus de afkoop of omzetting tegenhouden. Omvat de pensioenovereenkomst alleen ouderdomspensioen, dan is de samenlevingspartner niet als partner aangewe-

oktober 2016 | nummer 5 | Het Register

37


n n n n n n

Binnen een maand na afkoop of omzetting dient de dga via een daartoe bestemd formulier relevante informatie aan de Belastingdienst te leveren

zen en is geen instemming vereist. De echtgenoot/geregistreerd partner moet in die situatie wel akkoord gaan. De instemming van de partner vereist uiteraard de nodige zorgvuldigheid. In de ideale situatie worden de financiële gevolgen duidelijk voor de partner in kaart gebracht en wordt waar nodig compensatie geboden. Maar als voor het bieden van compensatie huwelijkse voorwaarden moeten worden opgesteld of aangepast, wordt het allemaal erg lastig. Blijft compensatie voor het afzien van partnerpensioen achterwege, dan kunnen schenkingsaspecten aanwezig zijn. De kans op een belaste schenking lijkt het hoogst bij afkoop van pensioen en als daarbij tevens sprake is van huwelijkse voorwaarden. Het voordeel, bestaande uit de afkoopsom voor het partnerpensioen (fiscale waarde) plus een waardestijging van de aandelen (het verschil tussen de wev en ge-

38

Het Register | oktober 2016 | nummer 5

Pensioen in eigen beheer

noemde fiscale waarde), vloeit dan geheel naar het privévermogen van de dga. Ook de gewezen partner die ten gevolge van een scheiding recht heeft gekregen op bijzonder partnerpensioen en/of een deel van het ouderdomspensioen – het gaat dus om de situatie waarin de rechten bij scheiding niet zijn afgestort bij een verzekeraar – moet schriftelijk instemmen. Het ligt voor de hand dat hij/zij voor het verlies aan rechten compensatie zal eisen. Dit kan er voor de toepassing van de inkomstenbelasting toe leiden dat sprake is van ‘verrekening van pensioenrechten’, hetgeen leidt tot een persoonsgebonden aftrekpost voor de betaler (art. 6.3, eerste lid, onderdeel d, Wet IB 2001) en belastbaar inkomen voor de ontvanger (art. 3.102, derde lid, onderdeel b, Wet IB 2001). Het achterwege blijven van compensatie kan weer tot een belaste schenking leiden. Informatieplicht Binnen een maand na afkoop of omzetting dient de dga via een daartoe bestemd formulier relevante informatie aan de Belastingdienst te leveren, zoals: de fiscale balanswaarde en wev op het moment van afkoop en de fiscale balanswaarden aan begin en einde van het boekjaar dat in 2015 eindigt. Het informatieformulier dient ook door de (gewezen) partner te worden ondertekend, hetgeen tevens als blijk van instemming geldt. De informatieplicht zal worden vastgelegd in een nog te verschij-


n n n n n n

nen algemene maatregel van bestuur (op grond van de delegatiebepaling van art. 38n, lid 5). Let op! Het niet (tijdig) voldoen aan de informatieplicht betekent dat de wev van de gehele pensioenaanspraak in één keer als loon uit vroegere dienstbetrekking wordt belast en dat revisierente is verschuldigd!

Afkoop en kortingsregeling nader bezien De afkoopwaarde is gelijk aan de fiscale balanswaarde zoals genoemd in art. 38n, lid 3, op het moment van afkoop (art. 38o, lid 2). Bij afkoop in 2017 wordt de te belasten afkoopwaarde verminderd met een korting van 34,5%. Deze korting wordt gemaximeerd op 34,5% van de fiscale pensioenverplichting op de eindbalans van een in 2015 geëindigd boekjaar (art. 38o, lid 1). Op pensioenverplichtingen met een dalend verloop, zoals bij ingegane pensioenen, is deze maximering niet van toepassing. In 2018 en 2019 worden de kortingspercentages verlaagd naar respectievelijk 25 en 19,5%. Vanaf 1 januari 2020 vervalt de afkoopregeling. Voorbeeld 1 Een dga, een alleenstaande man van 50 jaar, laat de bv zijn ouderdomspensioen van € 10.000 met pensioenleeftijd 65 op 1 april 2017 afkopen. De afkoopwaarde per die datum bedraagt € 62.000. De fiscale pensioenverplichting bedroeg op 30 juni 2015 – de eindbalans van het gebroken boekjaar 2014/2015 – € 58.000. De korting op de te belasten afkoopwaarde bedraagt € 20.010 (34,5% x € 58.000). De te belasten afkoopwaarde bedraagt derhalve € 41.990 (€ 62.000 – € 20.010). Voorbeeld 2 De 70-jarige weduwe van een in 2010 overleden dga laat op 1 januari 2017 haar (ingegane) partnerpensioen ter grootte van € 25.000 afkopen. De afkoopwaarde bedraagt € 293.000. Per ultimo 2015 bedroeg de fiscale pensioenverplichting € 301.000. De korting op de te belasten afkoopwaarde bedraagt € 101.085 (34,5% x € 293.000). De te belasten afkoopwaarde bedraagt derhalve € 191.915 (293.000 – € 101.085). De kortingsregeling is gerelateerd aan de balanswaarden van het afkopende eigenbeheerlichaam. Als het pensioen in 2016 van de ene bv naar de afkopende bv is overgedragen, zou volgens een strikt taalkundige uitleg van de voorgestelde wettekst de korting nul bedragen. Immers, in 2015 stond het pensioen niet op de balans van het afkopende eigenbeheerlichaam. Dit lijkt me niet de bedoeling. Het komt soms voor dat de pensioenregeling van een dga door twee bv’s wordt uitgevoerd. Ik ga ervan uit dat de afkoopregeling – en de omzetting in een oudedagsaanspraak – per uitvoerder wordt beoordeeld. Denk in dit verband ook aan de ex-partner van wie de pensioenrechten bij scheiding niet bij een verzekeraar, maar bij een bv van die ex-partner zijn afgestort. In veel gevallen zal afkoop in 2017 de voordeligste optie

zijn, omdat verreweg het grootste gedeelte van de afkoopwaarde, te weten de fiscale balanswaarde 2015, tegen maximaal 34,06% wordt belast. Immers, dankzij de voor 2017 geldende korting van 34,5% wordt slechts 65,5% van de balanswaarde 2015 belast. Bij het toptarief van 52% bedraagt de marginale belastingdruk dan per saldo 52% x 65,5% = 34,06%.

De oudedagsaanspraak nader bezien De oudedagsaanspraak is bij aanvang gelijk aan de fiscale waarde van het omgezette pensioen. De aanspraak wordt jaarlijks verhoogd met de marktrente, die bij ministeriële regeling aan het u-rendement zal worden gelijkgesteld. Deze marktrente geldt ook als rekenrente bij de fiscale waardering van de oudedagsverplichting (art. 10a.18, lid 2 Wet IB 2001). De waarde (in het economisch verkeer) van de oudedagsaanspraak is hiermee gelijk aan de fiscale balanswaarde. De dividendtoets – die ook voor de oudedagsaanspraak blijft gelden – is door het wegvallen van het verschil tussen wev en fiscale balanswaarde aanzienlijk minder beklemmend.

De dga heeft tot de AOW-leeftijd de tijd om de opgerente aanspraak om te zetten in een lijfrente bij een externe uitvoerder

De dga heeft tot de AOW-leeftijd de tijd om de opgerente aanspraak fiscaal geruisloos om te zetten in een lijfrente bij een externe uitvoerder (art. 38p, lid 1). Na een dergelijke afstorting kan de ontstane lijfrente niet meer worden teruggehaald naar de bv. Vindt geen afstorting plaats, dan dient de aanspraak uiterlijk op de AOW-leeftijd in 20 jaar door de bv aan de dga te worden uitgekeerd. Het is mogelijk de uitkeringen maximaal vijf jaar eerder te laten ingaan. In dat geval wordt de minimale uitkeringsduur van 20 jaar verlengd met het aantal jaren dat de uitkeringen eerder ingaan (art. 38p, lid 2). De eerste jaaruitkering wordt vastgesteld door de hoogte van de aanspraak te delen door de uitkeringsduur. Elke volgende jaaruitkering is gelijk aan de resterende aanspraak – na uitkering en oprenting – gedeeld door de resterende uitkeringsduur. Dit betekent dat de uitkeringen jaarlijks toenemen met het oprentingspercentage. De oprenting wordt dan feitelijk gebruikt voor indexatie van de uitkering. Voorbeeld 3 Een dga van 57 jaar zet op 1 januari 2017 zijn pensioen, met een fiscale balanswaarde van € 365.720, om in een oudedagsaanspraak. Na tien jaar oprenting met 0,9% is de aanspraak aangegroeid tot € 400.000. Omdat de

oktober 2016 | nummer 5 | Het Register

39


Pensioen in eigen beheer

n n n n n n

AOW-leeftijd van 67 is bereikt, gaat de uitkering met een duur van 20 jaar in. De eerste jaaruitkering, die in haar geheel aan het begin van het jaar wordt uitgekeerd, bedraagt € 20.000 (€ 400.000/20 jaar). Als het oprentingspercentage gelijk blijft aan 0,9%, ziet het verloop van de uitkeringen en de waardeontwikkeling van de aanspraak er als volgt uit: jaar

beginstand

uitkering

oprenting

eindstand

20.000

3.420

383.420

1

400.000

2

383.420

20.180

3.269

366.509

3

366.509

20.362

3.115

349.263

4

349.263

20.545

2.958

331.676

5

331.676

20.730

2.799

313.745

6

313.745

20.916

2.635

295.464

7

295.464

21.105

2.469

276.829

8

276.829

21.295

2.300

257.834

9

257.834

21.486

2.127

238.475

10

238.475

21.680

1.951

218.747

11

218.747

21.875

1.772

198.644

12

198.644

22.072

1.589

178.162

13

178.162

22.270

1.403

157.294

14

157.294

22.471

1.213

136.037

15

136.037

22.673

1.020

114.385

16

114.385

22.877

824

92.331

17

92.331

23.083

623

69.872

18

69.872

23.291

419

47.000

19

47.000

23.500

212

23.712

20

23.712

23.712

-

-

Vindt de omzetting van het pensioen plaats na de AOWleeftijd, dan moet de uitkering direct ingaan en wordt de minimale uitkeringsduur van 20 jaar verkort met het aantal jaren dat de uitkeringen later ingaan. Het kan hier bijvoorbeeld gaan om de omzetting van een ingegaan pensioen.

Als de dga overlijdt voordat de uitkeringen zijn ingegaan, kunnen de erfgenamen hun deel van de aanspraak afstorten en omzetten in een lijfrente

40

Het Register | oktober 2016 | nummer 5

Voorbeeld 4 Een dga van 77 jaar ontvangt jaarlijks van zijn bv een ouderdomspensioen ter grootte van € 23.950. De fiscale balanswaarde bedraagt € 178.162. De bv lijdt verlies en de dga zet zijn pensioen om in een uitkering uit hoofde van een oudedagsaanspraak. De uitkeringsduur is 8 jaar en de eerste uitkering bedraagt € 22.270 (€ 178.162/8 jaar). Als het oprentingspercentage gelijk blijft aan 0,9%, ziet het verloop van de uitkeringen en de waardeontwikkeling van de aanspraak er als volgt uit: jaar

beginstand

uitkering

oprenting

eindstand

1

178.162

22.270

1.403

157.294

2

157.294

22.471

1.213

136.037

3

136.037

22.673

1.020

114.385

4

114.385

22.877

824

92.331

5

92.331

23.083

623

69.872

6

69.872

23.291

419

47.000

7

47.000

23.500

212

23.712

8

23.712

23.712

-

-

De voorgestelde wettekst en toelichting blinken op het punt van de overlijdensuitkeringen niet uit in helderheid. Ik kom tot de volgende duiding. Als de dga overlijdt voordat de uitkeringen zijn ingegaan, kunnen de erfgenamen – uitsluitend natuurlijke personen – het hun toekomende deel van de aanspraak afstorten en omzetten in een lijfrente. Dit hoeft niet per se een partnerlijfrente (in de zin van art. 3.125 lid 1, onderdeel b Wet IB 2001) of het bancaire equivalent daarvan (art. 3.126a, lid 4, onderdeel b Wet IB 2001) te zijn. Vindt geen of deels geen afstorting plaats, dan dient de bv aan de erfgenamen die niet afstorten twintig jaar lang een uitkering te doen, ongeacht de leeftijd en de mate van verwantschap met de dga. Vindt het overlijden van de dga plaats nadat de uitkeringen bij de bv zijn ingegaan, dan worden de uitkeringen voor de resterende duur uitbetaald aan de erfgenamen (ook weer uitsluitend natuurlijke personen). Deze uitkeringen kunnen dan niet worden afgestort en omgezet in een lijfrente, althans zo lijkt het. Daarnaast zijn de uitkeringen aan de erfgenamen volledig vrijgesteld van erfbelasting, omdat art. 32, lid 3 SW van overeenkomstige toepassing wordt verklaard (art. 38p, lid 3). Op verboden handelingen als afkopen of prijsgeven van de oudedagsaanspraak staan dezelfde sancties als die welke nu voor pensioen gelden (zie art. 38p, lid 2). Ook het uitkeren na overlijden aan een erfgenaam/rechtspersoon is een verboden handeling en leidt tot belastingheffing over de volledige oudedagsaanspraak bij de overleden persoon en tot verschuldigdheid van revisierente. Het restant van de aanspraak kan dan ineens worden uitgekeerd aan de rechtspersoon. Maar afkoop van de gehele aanspraak in de periode 2017-2019 is niet verboden en mag met toepassing van de kortingsregeling overeenkomstig art. 38o plaatsvinden (art. 38p, lid 5).


n n n n n n

Bijzondere aandachtspunten Pensioenpolissen, een nieuwe klem Het aantrekkelijke van een dga-pensioenpolis – de dga is begunstigde – is dat je de polis altijd naar eigen beheer kunt halen, bijvoorbeeld omdat het aankopen van een levenslang pensioen bij een verzekeraar door de lage rentestand erg ongunstig kan zijn. Probleem is dat dit vanaf 1 januari 2017 dus niet meer mogelijk is. Terwijl dga’s met volledig eigen beheer het hele jaar 2017 de tijd hebben om een juiste keuze te overwegen, moet de dga met een pensioenpolis al op korte termijn, vóór 1 januari 2017, een belangrijke beslissing nemen: de pensioenpolis stopzetten, voortzetten of laten overdragen naar de eigen bv. Overdracht naar de bv betekent dat het pensioen eind 2016 volledig in eigen beheer is opgebouwd. Dit leidt dus tot een stijging van de fiscale balanswaarde die het uitgangspunt is bij afkoop of omzetting van het pensioen in een oudedagsaanspraak. Die stijging als gevolg van de overdracht telt niet mee voor de kortingsregeling als het pensioen vervolgens wordt afgekocht. De in 2016 overgedragen waarde zit immers niet in de fiscale balanswaarde 2015 begrepen. Om eventuele voordelige garanties en risicodekkingen in stand te houden, kan het een idee zijn om de polis om te zetten in een dekkingspolis; de werkgever-bv is dan zowel verzekeringnemer als begunstigde. Op een later moment kan er dan voor worden gekozen om het geld uit de polis naar de bv over te hevelen. Ook omzetting in een dekkingspolis in 2016 betekent dat het pensioen, fiscaal gezien, eind 2016 volledig in eigen beheer is opgebouwd. De fiscale gevolgen zijn dan ook hetzelfde als bij overdracht van de polis. Het enige verschil is dat er bij overdracht cash binnenkomt in de bv, terwijl de dekkingspolis als bezit van de bv op de balans moet worden geactiveerd volgens een bepaalde waarderingssystematiek. Overigens moeten belastingadviseurs zonder vergunning van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) voor pensioenadvies zich ervoor hoeden dat ze zich onverhoopt met advies bezighouden waarvoor zo’n vergunning op grond van de Wet op het financieel toezicht nodig is. Afkoopsom dga-pensioen omzetten in tbs-vordering Dga’s met een bv in onderdekking – de aanwezige middelen zijn lager dan de fiscale boekwaarde van het pensioen – kunnen de wens hebben om toch af te kopen, bijvoorbeeld om de bv te kunnen liquideren. De fiscus zal de afkoopwaarde niet verlagen en dus niet afstemmen op de aanwezige middelen. Een dga die op 1 januari 2017 afkoopt en voor wie een brutoafkoopsom van € 150.000 wordt verloond terwijl in de bv slechts € 75.000 aan middelen aanwezig is, zou de volgende route kunnen volgen: 1. de bv stelt, rekening houdend met de kortingsregeling, de loonheffing vast op € 50.000 en draagt deze af. Van de nettoafkoopsom ad € 100.000 keert de bv € 25.000 uit aan de dga en wordt € 75.000 als loonvordering schuldig gebleven;

Om eventuele voordelige garanties en risicodekkingen in stand te houden, kan het een idee zijn om de dga-pensioenpolis om te zetten in een dekkingspolis

2. de dga maakt vervolgens, met een beroep op het arrest HR 24 juni 1998, nr. 33238, BNB 1998/290, bezwaar tegen de te hoge loonheffing, omdat het loon (deels) niet vorderbaar en inbaar is; 3. als het bezwaar wordt afgewezen, activeert de dga in de aangifte IB 2017 de nominale waarde van de loonvordering van € 75.000 op de tbs-balans in de maand waarin het pensioen wordt afgekocht. Op 31 december 2017 wordt de vordering afgewaardeerd naar nihil als de bv geen geld heeft om de loonvordering af te lossen. De gedachte is dat het fiscale genietingsmoment in de loonbelasting (ter zake van de afkoop) ervoor zorgt dat op dat moment een nominale loonvordering van de dga op zijn bv ontstaat. Dat die vordering later weer moet worden afgewaardeerd omdat de bv niet kan betalen, is een ander verhaal. Daarvoor is de tbs-regeling; 4. mocht de te hoge loonheffing in stand blijven en kan het tbs-verlies niet worden genomen, dan rest ten slotte nog de volgende mogelijkheid. Het niet accepteren van het tbs-verlies betekent dat de loonvordering een onzakelijke lening is. Wanneer de dga deze lening kwijtscheldt, leidt dit tot een informele kapitaalstorting in de bv, ook indien en voor zover de vordering oninbaar is. Dit heeft tevens tot gevolg dat de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang stijgt (zie arrest HR 25 november 2011, nr. 10/04588). Na liquidatie van de bv kan het ontstane ab-verlies na een wachttijd van een jaar in box 2 worden verrekend in de vorm van een belastingkorting (art. 4.53 Wet IB 2001).

Ten slotte Het is duidelijk dat de afschaffing van het pensioen in eigen beheer een complexe operatie gaat worden waarbij een gedegen en weloverwogen advies – bij voorkeur door een RB-belastingadviseur – onontbeerlijk is.   <<<

oktober 2016 | nummer 5 | Het Register

41


n n n n n

De jubelton komt terug! De eenmalig verhoogde vrijstelling van € 100.000 voor schenkingen die verband houden met de eigen woning keert in 2017 weer terug in de Successiewet. De vrijstelling geldt ook voor schenkingen van derden en is bedoeld om een bijdrage te leveren aan de reductie van de eigenwoningschuld. Met het oog op dat doel bepleiten wij in dit artikel een eenvoudige aanpassing van de faciliteit. Voor 2020 is een evaluatie van de effectiviteit en doelmatigheid van de regeling voorzien. Daarbij zal onder meer worden bekeken wie gebruik maakt van de regeling en tot welke bedragen. Bovendien zal worden bezien of de regeling budgettair spoort met de geraamde derving van €  90 miljoen. Het is daarom aan te bevelen om, voor zover dat kan, de schenking al snel te benutten en niet uit te stellen.

V Paul Schut en Marian Bruggink Drs. P.A. Schut FFP RB en mr. R.J. Bruggink FFP RB zijn verbonden aan Schut & Bruggink Estate Planners B.V.

42

an de vrijstelling kan gebruik worden gemaakt als de begiftigde tussen de 18 en 40 jaar is en het een schenking ten behoeve van de eigen woning betreft. Hiervan is sprake als de schenking wordt gebruikt voor: n aankoop, verbetering of onderhoud van de eigen woning; n aflossing van de eigenwoningschuld; n aflossing van de restschuld van de verkochte eigen woning; n afkoop van recht van erfpacht, opstal of beklemming. Nieuw is dat de vrijstelling over drie achtereenvolgende jaren mag worden gespreid. Zoals gezegd geldt ze ook weer voor schenkingen van derden. Er is een overgangsregeling wanneer in 2015 of 2016 of vóór 2010 gebruik is gemaakt van de verhoogde vrijstelling. Een vergelijkbare jubelton stond ook in de wet tussen 1 oktober 2013 en 1 januari 2015, maar dan zonder leef­ tijds­eis. De vrijstelling is toen veel gebruikt. Destijds beoogde de wetgever de vastgelopen woningmarkt te stimuleren. Onze indruk is dat in die periode de schenkingen vooral zijn gebruikt om de eigenwoningschuld af te lossen, zeker waar het eigenwoningleningen betrof

Het Register | oktober 2016 | nummer 5

van ouders aan kinderen. Deze keer is het de bedoeling van de overheid om de aflossing van eigenwoningschulden te stimuleren. Nu de vrijstelling een vaste plaats krijgt in de Successiewet, verwachten wij dat ze als planningsinstrument zal worden toegepast voor de aankoop van een eigen woning. Dan nemen macro-economisch gezien de eigenwoningschulden niet af, maar worden duurdere huizen gekocht. Leeftijdseis Om budgettaire redenen is de leeftijdseis behouden. Het beleid met betrekking tot de leeftijd van de partner zal ook na 1 januari 2017 gelden.1 Dit beleid houdt in dat, wanneer het kind op het moment van de schenking 40 jaar of ouder is, maar zijn partner wel aan de leeftijdsgrens voldoet, de schenking toch onder de vrijstelling valt. Er wordt daarbij overigens niet aan de partner geschonken; slechts diens leeftijd wordt ‘geleend’. Wij verwachten dat door de leeftijdseis de vrijstelling vaak door derden zal worden gebruikt, bijvoorbeeld opa’s en oma’s die vrijgesteld aan hun kleinkinderen willen schenken. Tegen de tijd dat ouders zoveel geld ‘over’ hebben dat ze schenkingen kunnen doen, zullen de kinderen namelijk vaak ouder zijn dan 40 jaar.


n n n n n

Voorbeeld Kees en Marie zijn allebei 80 jaar. Ze hebben een goed pensioen en € 300.000 vrij beschikbaar om te schenken. Hun kinderen zijn boven de 50 en kunnen geen gebruik meer maken van de vrijstelling. Kees en Marie kunnen wel € 300.000 met toepassing van de vrijstelling aan hun kleinkinderen schenken.

Buitenlandse woning De vrijstelling kan ook worden gebruikt voor een in het buitenland gelegen eigen woning. Voorwaarde is dat deze woning in een land ligt waarmee Nederland een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten waarin de uitwisseling van fiscale informatie is geregeld.2 Onze ervaring is dat de vrijstelling zonder problemen door de Belastingdienst wordt verleend. Uitvoeringsregeling In de Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting is opgenomen dat de vrijstelling slechts wordt verleend als de schenking is gedaan:3 a. onder de opschortende voorwaarde dat de begunstigde een eigen woning heeft verworven of een eigenwoningschuld heeft afgelost, of b. onder de ontbindende voorwaarde dat de schenking vervalt voor zover het geschonken bedrag niet in het jaar van de schenking of in de twee daaropvolgende kalenderjaren is besteed aan onderhoud of verbetering van een eigen woning. Bij een schenking onder opschortende voorwaarde komt de schenking voor de Successiewet tot stand op het tijdstip waarop de voorwaarde wordt vervuld.4 Bij een schenking onder ontbindende voorwaarde komt de schenking direct tot stand en vervalt deze als de voorwaarde niet tijdig wordt vervuld. Voor de praktijk is dit onderscheid lastig. Als er € 25.000 bestedingsvrij wordt geschonken, € 25.000 voor onderhoud en € 50.000 voor de aflossing van de eigenwoningschuld, is er fiscaal sprake van een schenking in twee jaren als de aflossing in het volgende jaar wordt gedaan. Financiën liet in een gesprek met het RB doorschemeren dat de uitvoeringsregeling zodanig wordt gewijzigd dat vanaf 2017 (waarschijnlijk) voor alle schenkingen de opschortende voorwaarde geldt. Alle schenkingen komen dan tot stand als het geld is gebruikt voor aflossing, aankoop of onderhoud. Dat lijkt ons een zinvolle vereenvoudiging. Aanstaande partners en schenking van gescheiden ouders Voor de berekening van schenkbelasting – tarief en vrijstelling – worden partners als een en dezelfde persoon aangemerkt.5 Als een schenking wordt gedaan binnen één jaar voor het huwelijk van de schenkers of de begiftigden, wordt dit huwelijk geacht ten tijde van de schenking al te hebben bestaan.6 Voor schenkingen door ou-

ders geldt een bijzondere samentelregeling: de (gescheiden) ouders vormen voor het kind samen één schenker.7

Voorbeeld Jan ontvangt in 2017 van zijn moeder een schenking van € 100.000 waarmee hij zijn eigenwoningschuld aflost. In 2018 wil zijn vader hem € 50.000 schenken voor hetzelfde doel. De schenking van zijn vader valt niet meer onder de verhoogde vrijstelling, want deze is al volledig benut.

Spreiden van de schenking over meerdere jaren Nieuw is dat vanaf 2017 de eenmalig verhoogde vrijstelling verspreid over drie achtereenvolgende kalenderjaren mag worden benut. De schenker kan de jubelton in drie jaar schenken. De verkrijger dient in zijn aangifte schenkbelasting in het eerste kalenderjaar een beroep op de verhoogde schenkingsvrijstelling te doen. Vervolgens kan het niet-gebruikte deel van de verhoogde vrijstelling in de direct daaropvolgende periode van twee kalenderjaren worden benut, mits daarop in de aangifte een beroep wordt gedaan. De verkrijger (of zijn partner) dient ieder jaar aan de leeftijdseis te voldoen. Wij nemen aan dat de ‘gewone’ jaarlijkse vrijstelling uitsluitend in het eerste jaar vervalt.

Voorbeeld Vader doet de volgende schenkingen aan zijn zoon van 35 jaar: 2017: € 25.000 2018: €  50.000 2019: €  35.000 De schenkingen worden gebruikt om de eigen woning schuld bij de bank af te lossen. De zoon doet de vereiste aangifte als volgt: 2017: voor de gehele schenking doet hij een beroep op de vrijstelling (er resteert nog een vrijstelling van €  75.000); 2018: voor afgerond €  5000 doet hij beroep op de gewone jaarlijkse vrijstelling en voor €  45.000 op de eigenwoningvrijstelling (er resteert nog €  30.000); 2019: voor afgerond €  5000 beroept hij zich op de gewone jaarlijkse vrijstelling en voor €  30.000 op het restant van de eigenwoningvrijstelling. In totaal heeft de zoon €  110.000 vrijgesteld geschonken gekregen.

Naar onze mening kan de schenker het bedrag ook ineens overmaken, onder de opschortende voorwaarde van aflossing van de eigenwoningschuld. Vervolgens bepaalt de verkrijger op welk moment hij aflost. De schenking komt immers fiscaal pas tot stand op het moment van aflossing. De wettekst is op dit punt niet duidelijk.

oktober 2016 | nummer 5 | Het Register

43


De jubelton

n n n n n

Een toelichting in de uitvoeringsregeling is gewenst.

Voorbeeld Vader schenkt in 2017 € 100.000 voor de aflossing van de eigenwoningschuld aan zijn 38-jarige zoon. De zoon lost in 2017, 2018 en 2019 (boetevrij) af op zijn eigenwoningschuld. Fiscaal vindt de schenking plaats op het moment van aflossing. De zoon moet dus aangifte doen van de schenking in 2017, 2018 en 2019 en beroept zich in die aangifte op de eenmalige vrijstelling. Daarvoor is van belang dat de zoon (of zijn partner) bij de aflossing in 2019 nog jonger is dan 40 jaar.

Een gespreide schenking heeft gevolgen voor de inkomstenbelasting. Als vader in 2017 € 100.000 schenkt aan zijn zoon onder de opschortende voorwaarde dat hij met dit bedrag zijn schuld aflost, is het vermogen bij vader weg. Het bedrag staat nu bij de zoon op de rekening. Die zal dit bedrag als bezit moeten opgeven in box 3, voor zover hij het saldo niet heeft benut voor aflossing van zijn schuld. Is de schenking niet ineens uitbetaald, dan heeft de schenker een schuld en de verkrijger een vordering in box 3 ter grootte van het niet-uitbetaalde bedrag.

44

Het Register | oktober 2016 | nummer 5

Huwelijksgoederenregime Om gebruik te kunnen maken van de verhoogde vrijstelling moet er sprake zijn van een eigen woning of een eigenwoningschuld. Dit zijn louter fiscale begrippen. Maar het volstaat niet om alleen maar in de Wet IB 2001 en de Successiewet te kijken. Het huwelijksgoederenregime bepaalt namelijk wie civielrechtelijk eigenaar is van de woning. Dat (b)lijkt in de praktijk niet altijd te worden onderkend. We tonen de problematiek aan de hand van een paar voorbeelden. In alle voorbeelden is de ontvanger van de schenking ouder dan 18 en jonger dan 40.

Voorbeeld Karel heeft een eigen woning en een eigenwoningschuld van € 300.000. Hij trouwt met Angela. Hun huwelijkse voorwaarden bepalen dat er tussen hen geen gemeenschap van goederen bestaat (de zogenoemde koude uitsluiting). Angela ontvangt in 2017 een schenking van € 100.000 van haar vader. In overleg met Karel gebruikt ze dit bedrag om de hypotheek af te lossen. De aflossing wordt nu niet gebruikt om een eigenwoningschuld af te lossen. De woning is eigendom van Karel en de schuld staat alleen op zijn naam. Het feit dat Karel en Angela fiscaal partners zijn – zo-


n n n n n

wel voor de Successiewet als voor de Wet IB – doet er niet toe. Zelfs niet wanneer Angela wel hoofdelijk aansprakelijk is voor de schuld. Ook voor fiscale partners is de civielrechtelijke eigendomsverhouding doorslaggevend. De vrije toerekening ex art. 2.17 Wet IB 2001 is slechts relevant voor zover het de inkomstenbelasting betreft.

In circa 25% van de huwelijken is sprake van huwelijkse voorwaarden. Het uitgangspunt is vaak dat er dan geen gemeenschappelijk vermogen is. Meestal wordt de woning wel in gezamenlijk eigendom aangekocht door de echtgenoten en sluiten ze samen de benodigde lening af. Dat kan tot problemen leiden.

Voorbeeld Jan en Teresa zijn gehuwd op huwelijkse voorwaarden (koude uitsluiting). De gezamenlijke schuld is € 120.000. Jan ontvangt een schenking van € 100.000 en gebruikt deze voor aflossing van de schuld. Is de gehele schenking vrij van schenkbelasting? Het antwoord is even eenvoudig als onplezierig: nee.8 Jans aandeel in de gemeenschappelijke schuld is maar € 60.000. Hij gebruikt € 60.000 van de schenking om zijn aandeel in de schuld af te lossen. Met de resterende € 40.000 lost hij de schuld van Teresa af. Dat deel kwalificeert dus niet voor de vrijstelling. Wel kan hij gebruikmaken van het bestedingsvrije deel van de schenking. Dat verzacht de pijn nog enigszins.

Dit wordt voorkomen als de ouders van Jan de schenking in twee delen splitsen: € 60.000 voor Jan, € 40.000 voor Teresa. Maar hoe leuk ouders hun schoondochter (of -zoon) ook vinden, een schenking aan haar of hem gaat menig ouder te ver. Anderzijds is dus in circa 75% van de huwelijken sprake van een wettelijke gemeenschap van goederen. Woning en schuld zijn dan gemeenschappelijk bezit. Hoe pakt de vrijstelling dan uit?

Voorbeeld Jan en Teresa zijn gehuwd in gemeenschap van goederen. De schuld is € 120.000 en Jan gebruikt zijn schenking van € 100.000 om de schuld af te lossen. Is de gehele schenking nu vrij van schenkbelasting? Het antwoord zou nu ook nee moeten zijn. Het aandeel van Jan in de schuld is immers maar € 60.000. Maar het is anders. Tijdens de parlementaire behandeling van het Belastingplan 2014 heeft de toenmalige staatssecretaris gezegd dat in dit geval de gehele schenking kwalificeert.9 Wij nemen aan dat dit antwoord ook nu nog geldt.

Een schenking aan de belasting­ plichtige of zijn ‘successiewettelijke’ partner zou gewoon onder de vrijstelling moeten vallen

Een soortgelijke ongelijkheid ontstaat als de gezamenlijke schuld in aanvang € 200.000 was. Jan heeft in 2014 € 100.000 ontvangen van zijn ouders en heeft met dit bedrag de schuld afgelost. Nu besluiten zijn opa en oma om hem in 2017 € 100.000 te schenken. In geval van huwelijkse voorwaarden is de schenking belast. Maar bij een gemeenschap van goederen is de schenking onbelast. Uit deze voorbeelden blijkt dat ongehuwd samenwonende partners en op huwelijkse voorwaarden gehuwden anders worden behandeld dan zij die in gemeenschap van goederen zijn getrouwd. Dat is een ongewenste situatie, die op eenvoudige wijze kan worden hersteld. In de Successiewet is helder vastgelegd wie er onder partners worden verstaan.10 Een schenking aan een belastingplichtige die deze gebruikt ter aflossing van een eigenwoningschuld van hem of zijn ‘successiewettelijke’ partner zou gewoon onder de vrijstelling moeten vallen, ongeacht op wiens naam de schuld staat. Bovendien wordt zo ook het beoogde doel – aflossen van schulden – beter bereikt. Tot slot wijzen wij nog op de gevolgen van het Wetsvoorstel beperking gemeenschap van goederen.11 Als dit wetsvoorstel ook door de Eerste Kamer wordt aangenomen, is het gevolg dat de wettelijke gemeenschap van goederen niet meer per definitie betekent dat alle goederen gemeenschappelijk zijn. Goederen die een echtgenoot al voor het huwelijk bezit, blijven privégoederen, tenzij de echtgenoten anders afspreken.

Voorbeeld Hans en Sabine trouwen in wettelijke gemeenschap van goederen nadat genoemd wetsvoorstel van kracht is geworden. Sabine heeft al een huis en een hypotheek. Als Hans en Sabine geen huwelijkse voorwaarden opstellen, blijven huis en schuld buiten de gemeenschap van goederen. Mocht Hans een schenking ontvangen en hiermee de hypotheek aflossen, dan is deze schenking niet vrijgesteld. Dit kan worden voorkomen als Hans en Sabine huwelijkse voorwaarden opstellen waarin ze afspreken dat er een wettelijke gemeenschap ‘oude stijl’ geldt.

Overgangsrecht Voor de eenmalig verhoogde vrijstelling is overgangsrecht opgesteld. Je kunt je afvragen of dit wel nodig is:

oktober 2016 | nummer 5 | Het Register

45


De jubelton

n n n n n

ling die vanaf 2017 geldt. Als hij destijds niet het maximale bedrag heeft geschonken, is aanvulling ook niet mogelijk. Dit wordt als onredelijk ervaren. De wetgever heeft hier echter uitdrukkelijk voor gekozen, dus we moeten het ermee doen. c. Vader heeft in 2015 of 2016 geschonken aan zijn kind waarbij een beroep is gedaan op de vrijstelling. Voor hem geldt dat hij in 2017 en/of 2018 een aanvullende schenking kan doen van maximaal € 46.984. Als hij in 2015 of 2016 minder dan het maximale bedrag heeft geschonken, is het niet mogelijk het ongebruikte deel aan te vullen.

Voorbeeld Kees heeft in 2015 € 30.000 geschonken aan zijn zoon Tim. Tim heeft dit bedrag gebruikt voor de aanschaf van zijn eigen woning. De maximale vrijstelling was in dat jaar € 52.752. Het ongebruikte deel ad € 22.752 kan niet worden ingehaald.

Tijdens de RB-dag van 3 juni jongstleden hebben wij aan de deelnemers van de workshop estate planning een stroomschema uitgedeeld. Dit schema is ook te vinden op de site van het RB.

Ten slotte

waarom is de nieuwe regeling niet gewoon van kracht per 1 januari 2017? Enfin, het overgangsrecht is er en het is nog complex ook. Het is slechts van toepassing op schenkingen door ouders aan kinderen. Als derden in de periode oktober 2013 tot en met december 2014 gebruik hebben gemaakt van de eenmalige verhoging, kunnen ze voor dezelfde begunstigde niet nogmaals een beroep doen op deze vrijstelling. Eenmalig is immers eenmalig. We onderscheiden de volgende situaties: a. Vader heeft al voor 2010 een schenking gedaan aan zijn kind en daarbij is een beroep gedaan op de eenmalig verhoogde vrijstelling. Nadien is er geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot aanvulling van deze vrijstelling. Om maximaal profijt te hebben van de vrijstelling van in totaal € 100.000, is het noodzakelijk dat vader in 2016 een schenking doet van € 27.570. Minder mag uiteraard ook, maar dan benut hij de vrijstelling niet optimaal. Vervolgens schenkt vader in 2017 en/of 2018 een aanvullend bedrag van € 46.984.12 Als vader in 2016 geen aanvullende schenking doet, kan hij in 2017 en/of 2018 slechts gebruik maken van een vrijstelling van € 27.567. Het is dus zaak om nog in 2016 een aan­ vullende schenking te doen. b. Vader heeft in de jaren 2010 tot en met 2014 een schenking gedaan aan zijn kind en daarbij gebruik gemaakt van de vrijstelling. Hij heeft pech, want hij kan geen gebruik maken van de verhoogde vrijstel-

46

Het Register | oktober 2016 | nummer 5

De vrijstelling biedt uw klanten een interessante en sympathieke besparingsmogelijkheid en aan u ruimte voor advies. De vrijstelling oogt eenvoudig, maar is complex door de opschortende voorwaarde, de spreidingsmogelijkheid en de invloed van de huwelijkse voorwaarden. Dat vereist inventarisatie van de feiten, analyse en een goede dossiervastlegging. Als er bij de uitwerking onverhoopt iets mis gaat, kunnen de gevolgen aanzienlijk zijn. Er is dan onverwacht schenkbelasting verschuldigd. Het geld is er dan niet meer en de aanslag moet worden betaald.   <<<

Noten 1

Zoals verwoord in het besluit van 20 december 2012, nr. BLKB2012/471M, onderdeel 8.2.

2 Onderdeel 8.1.2 van het besluit van 20 december 2012 zal ook gelden voor de structurele verruiming. 3 Art. 5 Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting. 4 rt. 1, lid 9 SW. 5 Art. 26, lid 1 SW. 6 Art. 26, lid 2 SW. 7 Art. 28 SW. 8 Zie Kamerstukken II, 2015/16, 34 302, nr. 11, p. 96. 9 Kamerstukken I, 2013-2014, 33752, D, p. 28. 10 Art. 1a SW. 11 Wetsvoorstel 33 987, aangenomen door de Tweede Kamer op 19 april 2016 en nu in behandeling bij de Eerste Kamer. 12 Dit bedrag wordt wellicht iets verhoogd als gevolg van indexatie. Op het moment van schrijven zijn de nieuwe bedragen nog niet bekend.


Klanten van Schipper Groep krijgen een specialist die ook allround kan denken.

“Het gaat nu om de juiste kennis bij de juiste mensen op het juiste moment.” Bij Schipper Groep in Rotterdam zijn ze niet bang om buiten hun vakgebied te stappen: “We zijn gretiger naar nieuwe kennis. Gretiger om echt actueel te zijn. En gretiger om de klant vooruit te helpen. Onze klanten hebben behoefte aan een totaalpakket. En dus moeten wij zorgen dat we overal iets van afweten. NDFR is daarbij voor ons onmisbaar. De actualiteit is echt super en het geeft ons overzicht en verbreding.”

Belasting Zaken

Sebastian van Wijk Manager Belastingadvies bij Schipper Groep.

NDFR gratis proberen? Mail naar aanvraagndfr@sdu.nl of kijk op sdu.nl/ndfr


When you have to be right

Verrassend compleet

Verrassend voordelig KBP Online is hét alles-in-een aangiftepakket in de cloud. Verrassend compleet en voordelig, met alle biljetsoorten voor IB en Vpb, inclusief Uitstel, Toeslagen, VA en VIA. Werk waar en wanneer u wilt.

Probeer gratis!

KBP Online: hét digitale alles-in-een aangiftepakket Gemak en besparing KBP Online is het voordeligste aangiftepakket in de cloud, waardoor u al snel honderden euro’s bespaart. Bovendien kunt u KBP Online koppelen aan andere software. Importeer jaarrekeninggegevens bijvoorbeeld uit Twinfield of laat uw aangiften accorderen via Pinkweb. Vraag nu een gratis demo aan via www.kbpaangiftesoftware.nl Voor meer informatie kunt u bellen naar 0570 - 67 34 44. www.wolterskluwer.nl


HET

Verenigingsnieuws Ledenservice

Op moderne wijze ondersteund Belastingadviseurs dienen uitvoering te geven aan de verplichtingen die de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) aan hen stelt. Het gaat dan om het voeren van een Wwft-­ risicobeleid gericht op het onderkennen van ongebruikelijke transacties en personen die zich daarmee bezighouden. Naast het verrichten van cliëntenonderzoek en het melden van deze ongebruikelijke transacties dient binnen de kantoororganisatie vastlegging plaats te vinden van deze procedures alsmede de uitkomsten daarvan. Het is een dynamisch proces dat door u dient te worden uitgevoerd waarvoor het verwerven en actueel houden van de benodigde kennis op het gebied van de Wwft vereist is. Overigens niet ­alleen voor uzelf maar ook voor uw medewerkers (opleidingsverplichting). Het belang van de Wwft wordt in de praktijk nog verschillend ­ervaren. Dat is onterecht, het jaarlijkse bedrag aan gelden die worden witgewassen zou in Nederland volgens wetenschappelijk onderzoek 16 miljard euro bedragen. Het is dus begrijpelijk dat het Bureau Financieel Toezicht als ­toezichthouder scherp inzet op nakoming van deze verplicht­ ingen door belastingadviseurs.

Toezichtarrangement Het RB heeft een toezichtarrangement gesloten met het Bureau Financieel Toezicht op basis waarvan reguliere onderzoeken bij zelfstandige belastingadviseurs/RB-leden naar een juiste uitvoering van deze verplichtingen worden uitgevoerd door auditoren die het RB daarvoor heeft aangesteld.

Regelmatig komen deze auditoren – zelf ook lid van het RB – bijeen om hun ervaringen en vragen te delen. De terugkoppeling die de auditoren geven van hun onderzoeken en de contacten met leden over de Wwft laten zien dat er nog terrein te winnen is. U mag van het RB verwachten dat u daarbij zo veel mogelijk wordt ­ondersteund.

Ondersteuning Het RB ontwikkelt niet alleen de benodigde protocollen en procedures; ook is ­gekeken naar de wijze waarop actuele ­informatie aan u kan worden verstrekt, toetsen kunnen worden afgenomen en u uw kennis verder kunt uitbreiden. Voor wat betreft het vergaren van de benodigde kennis én overzicht is de e-learning ‘Mijn Wwft’ voor ieder RB-lid op RB-plaza beschikbaar. Een toets waarmee u periodiek online kunt vaststellen of uw actuele kennis nog volstaat. Het dossier Wwft op ­RB-plaza vormt daarnaast een centrale plaats met toegang tot wet- en regelgeving, aanwijzingen van het RB en praktische handleidingen/formulieren. Ik ben er trots op dat deze moderne thematische ondersteuning van de leden op deze wijze beschikbaar is. Een ontwikkeling die wellicht voor meerdere thema’s in de toekomst navolging zal ­krijgen. Als u daar zelf ideeën bij heeft, zoals thema’s en invulling, dan horen wij die uiteraard graag. Paul Cramer RB

Vicevoorzitter

Dossier op RB-plaza: afschaffing pensioen in eigen beheer Op dinsdag 20 september is tijdens Prinsjesdag een wetsvoorstel ingediend over de afschaffing van pensioen in eigen ­beheer. Veel van u en uw klanten krijgen met dit onderwerp te maken. Het financiële belang is groot. Het RB hecht er grote waarde aan om u hierin te ondersteunen en u de komende tijd van alle actuele en relevante informatie over dit onderwerp te voorzien. Deze informatie is op RB-plaza gebundeld in het ­dossier Afschaffing pensioen in eigen beheer. Stel via uw Mijn RB-profiel eenvoudig in dat u dit dossier wilt volgen. U krijgt dan automatisch bericht als er iets in het ­dossier wordt geplaatst.

Wat kunt u nog meer van ons verwachten? Het RB heeft begin oktober een aantal flitscursussen over dit onderwerp georganiseerd. Vanaf 19 oktober kunt u op diverse locaties terecht voor de cursus Verdieping Afschaffing pensioen in eigen beheer. Meer informatie over deze cursus vindt u op pagina 53 van dit verenigingsnieuws en uiteraard op RB-plaza. > Meer info op RB-plaza: Dossier afschaffing pensioen in eigen beheer

oktober 2016 | nummer 5 | Het Register

49


HET

Verenigingsnieuws Vakinformatie

Meldingsplicht op grond van Reglement Beroepsuitoefening In het Reglement Beroepsuitoefening Register Belastingadviseurs (RBU) staan bepalingen over de wijze waarop de leden van het RB worden geacht hun beroep uit te oefenen. Bij overtreding van de bepalingen kunnen (primair) direct ­belanghebbenden een klacht indienen bij de Raad van Tucht.

Nieuw op RB-plaza: Mijn kwaliteitshandboek

Waar u misschien nooit eerder bij hebt stilgestaan is dat ­leden op grond van dit reglement ook een meldingsplicht hebben. Een RB-lid dient op grond van het RBU (artikel 2) het bestuur schriftelijk in kennis te stellen indien: • hij strafrechtelijk is veroordeeld voor een misdrijf; dan wel • aan hem een bestuurlijke boete is opgelegd wegens een overtreding begaan bij zijn werkzaamheden; dan wel • aan hem met betrekking tot zijn eigen belastingverplich- tingen een vergrijpboete is opgelegd als bedoeld in de artikelen 67d, 67e en 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).

Hoe werkt het?

Een strafrechtelijke veroordeling als hierboven bedoeld dient gemeld te worden direct na het uitspreken van het vonnis door de rechter. Het is dus niet van belang of hoger beroep wordt ingesteld. Een bestuurlijke boete als hierboven bedoeld dient uiterlijk te worden gemeld direct nadat de bestuursrechter in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan en de boete geheel of gedeeltelijk in stand heeft gelaten. Als een lid geen bezwaar respectievelijk beroep instelt en berust in de boetebeschikking ­zoals opgelegd door de Belastingdienst, dient de boete direct na het verstrijken van de bezwaar- respectievelijk beroepstermijn te worden gemeld. Het Reglement Beroepsuitoefening RB treft u aan op ­RB-plaza in het menu Ledeninformatie onder Reglementen. > Meer informatie: hbeerepoot@rb.nl

Het RB kwaliteitshandboek is vernieuwd. De inhoud is weer volledig up-to-date en exclusief via RB-plaza beschikbaar voor leden. Naast de standaard RB-versie is het nu ook mogelijk om het ­kwaliteitshandboek zelf aan te passen aan uw kantoorsituatie. ­Bovendien zijn beide versies te downloaden als pdf, waardoor u het kwaliteitshandboek nu ook kunt delen met kantoorgenoten.

U kunt als RB-lid de tekst van de onderdelen van de standaard RB-versie naar behoefte aanpassen om deze beter te laten ­aansluiten op uw specifieke kantoororganisatie. Ook kunt u eigen hoofdstukken invoegen. De gewijzigde versie wordt opgeslagen als Mijn RB-kwaliteitshandboek. Zowel in de standaardversie als in Mijn RB-kwaliteitshandboek is het zichtbaar als het tekst­ onderdeel is aangepast.

Voordelen • Standaard RB-versie exclusief voor leden op RB-plaza beschikbaar • Nu ook te personaliseren naar uw kantoorsituatie • Nu ook als download te delen met kantoorgenoten • Weer volledig up-to-date

Kwaliteitshandboek op RB-plaza U vindt de standaard versie van het RB kwaliteitshandboek onder het tabblad Beroepsuitoefening. Mijn RB-kwaliteitshandboek ­benadert u rechtstreeks door op de homepage van RB-plaza in het menu aan de linkerkant te klikken op de button ‘Mijn RB-kwaliteitshandboek’. Wijzigingen aanbrengen in uw handboek? Kies dan voor de rechtstreekse toegang via Mijn RB-kwaliteitshandboek. U kunt de wijzigingen dan direct controleren.

Dossiers rondom Prinsjesdag en Belastingplan 2017 Op RB-plaza leest u in het dossier Prinsjesdag en het dossier Belastingplannen/ wetscommentaren RB alles over de plannen van het kabinet voor volgend jaar.

U vindt hier onder andere: • • • •

Alle Prinsjesdagstukken Eerste reacties van Bureau Vaktechniek De RB Prinsjesdagspecial Het commentaar van de Commissie Wetsvoorstellen op het Belastingplan 2017

> U volgt de dossiers door het aanvinken van uw interessegebieden bij de instellingen van uw Mijn RB-profiel.

50

Het Register | oktober 2016 | nummer 5


ANTWOORD

VRAAG

Vragen op RB-plaza

Vragen op RB-plaza Ik heb een belastingadvieskantoor en heb meerdere werknemers. In hoeverre heb ik als RB-lid te maken met regels van de Wwft?

Instelling De Wwft geldt voor ‘instellingen’. Wat als instelling moet worden aangemerkt, volgt uit de wet zelf. Daaronder valt onder andere de natuurlijke persoon, rechtspersoon of ­vennootschap die als belastingadviseur zelfstandig onafhankelijk beroepsactiviteiten uitoefent, dan wel voor zover die anderszins zelfstandig onafhankelijk daarmee vergelijkbare activiteiten beroeps- of bedrijfsmatig verricht. ­Conclusie is dat de Wwft dus geldt voor belastingadviseurs.

betreffende cliënt. Het gaat dan om aangiften waarbij de belastingplichtige geen winst uit onderneming heeft, geen resultaat uit overige werkzaamheden, geen aanmerkelijk belang en geen voordeel uit sparen en beleggen. Er geldt ook een vrijstelling voor het behulpzaam zijn bij het doen van aangifte in het kader van de Successiewet 1956. De vrijstelling bij eenvoudige aangiften IB en aangiften Successiewet ziet overigens alleen op de verplichting tot het doen van cliëntenonderzoek. De meldingsplicht blijft gelden.

Let op: het moet gaan om onafhankelijke beroepsactiviteiten die als belastingadviseur worden uitgeoefend, of om daarmee vergelijkbare activiteiten die beroeps- of bedrijfsmatig worden verricht. Iemand die zich alleen bezighoudt met fiscale mediation, heeft voor zijn cliënten dus niet te maken met de Wwft.

Opleiding Het belastingadvieskantoor moet ook iets doen voor de werknemers, namelijk de werknemers periodiek opleiden. De Wwft verplicht de instellingen namelijk om ervoor te zorgen dat werknemers, voor zover relevant voor de uit­ oefening van hun taken, bekend zijn met de bepalingen van de Wwft. Door periodieke opleiding moeten zij in staat zijn om een ongebruikelijke transactie te herkennen en een ­cliëntenonderzoek goed en volledig uit te voeren.

Verplichtingen tot het uitvoeren van cliëntenonderzoek Als de Wwft eenmaal geldt, dan zijn er meerdere verplichtingen. Bijvoorbeeld dat de instelling voor de cliënten een cliëntenonderzoek moet verrichten. Dit bestaat in feite uit het identificeren van de cliënt en de verificatie van diens identiteit. Het cliëntenonderzoek moet het mogelijk maken om een ongebruikelijke transactie te melden, inclusief de identiteitsgegevens van de cliënt. Belastingadviseurs hebben overigens niet te maken met de Wwft voor zover zij voor een cliënt werkzaamheden verrichten betreffende de bepaling van diens rechtspositie, diens vertegenwoordiging en verdediging in rechte, het geven van advies voor, tijdens en na een rechtsgeding of het geven van advies over het instellen of vermijden van een rechtsgeding. Vrijstelling Voor instellingen die eenvoudige belastingaangiften inkomstenbelasting invullen, geldt de verplichting om een cliëntenonderzoek uit te voeren niet, uiteraard slechts voor die

Het RB heeft sinds september 2016 de e-learning Mijn Wwft beschikbaar. Deelname hieraan is kosteloos, zeer laagdrempelig en kan u PE-punten opleveren. Een goede periodieke toets om werknemers aan te bieden, die overigens wel RB-lid ­moeten zijn om deze af te leggen. Ontwikkelingen De onlangs aangenomen vierde anti-witwasrichtlijn (een EU-richtlijn) moet overigens nog worden omgezet in Nederlandse regelgeving. Naar verwachting zal de Wwft hierdoor op onderdelen wijzigen. Opvallende punten uit het conceptwetsvoorstel zijn dat instellingen in voorkomend geval moeten beschikken over een onafhankelijke compliancefunctie en dat voor belastingadviseurs wordt gedacht aan het verplicht hebben van een verklaring omtrent het ­gedrag. Ontwikkelingen genoeg om de Wwft in de gaten te blijven houden.

In deze rubriek worden onderwerpen van RB-plaza behandeld. Als RB-lid kunt u op RB-plaza discussiëren met andere leden over uw fiscale praktijk. Leden helpen leden. U bereikt RB-plaza door in te loggen op uw account. Daarnaast is er de helpdesk van Bureau Vaktechniek. Onze fiscalisten helpen u met name door collegiaal te overleggen, te ‘klankborden’ en eventueel door te verwijzen naar specialisten. Mr. Adjay Pahladsingh RB Bureau Vaktechniek

oktober 2016 | nummer 5 | Het Register

51


HET

Verenigingsnieuws Model onder de aandacht

Ontbinding rechtspersoon (checklist) Het RB heeft samen met Bol Juristen een databank met juridische modelovereenkomsten ontwikkeld, toegespitst op het privaatrecht. De juridische modellen kunnen door RB-leden worden gebruikt in de fiscale adviespraktijk. In elk nummer van Het Register lichten we een model voor u toe of behandelen we een actualiteit of een voor uw adviespraktijk interessant aspect uit een model.

Let op met turboliquidaties! Wat is een turboliquidatie? Indien een rechtspersoon haar activiteiten heeft beëindigd, geen baten heeft en het niet de verwachting is dat er nog baten ontstaan, kan de rechtspersoon op korte termijn en met een eenvoudige procedure worden opgeheven. De algemene vergadering (of het bestuur in geval van een stichting) neemt het besluit tot ontbinding. Vervolgens verzorgt het bestuur van de rechtspersoon de inschrijving van de ontbinding in het handelsregister. Binnen één tot enkele dagen is de opheffing van de rechtspersoon een feit.

De rechter verwijst in zijn beslissing naar de wettelijke regeling, literatuur en een nog vrij recente Hoge Raad-uitspraak2 en oordeelt: “dat misbruik van turboliquidatie in het huidige systeem (eenvoudig) mogelijk is en dat dat ten koste gaat van de positie van schuldeiser, zoals thans de werknemer, maakt dit niet anders”. De rechtspersoon van de werkgever is ten gevolge van de turbo­ liquidatie rechtsgeldig opgehouden te bestaan. De werknemer wordt niet ontvankelijk verklaard in haar verzoek.

Turboliquidatie kan leiden tot misbruik

Tot op heden is het voor een schuldeiser lastig om in rechte aannemelijk te maken dat de ontbindingsprocedure is misbruikt om schuldeisers te benadelen of te ontkomen aan het toeziend oog van een curator. Onmogelijk is het echter niet, als en voor zover een schuldeiser erin slaagt aannemelijk te maken dat er nog een bate aanwezig is.

De hiervoor beschreven vorm van ontbinding van een rechtspersoon wordt ook wel een ‘turboliquidatie’ genoemd en vindt haar grondslag in artikel 2:19 lid 4 Burgerlijk Wetboek. Opmerkelijk is dat voor de toepassing van een turboliquidatie niet de voorwaarde is gesteld dat de rechtspersoon schuldenvrij is. Het ontbreken van deze voorwaarde blijkt een opening te zijn voor misbruik. Door een turboliquidatie kan de rechtspersoon, ook de rechtspersoon met schulden, zonder aankondiging en ­binnen enkele dagen zijn opgeheven. Schuldeisers worden ­hierdoor ernstig benadeeld. De talrijke turboliquidaties die jaarlijks plaatsvinden hebben de aandacht getrokken van het Openbaar Ministerie en de Fiscale Opsporingsdienst. De Belastingdienst, de Kamers van Koophandel en de ministeries van Veiligheid en Justitie en Economische ­Zaken onderzoeken op dit moment de noodzaak van een wets­ wijziging om misbruik te voorkomen.

Geoorloofd ‘misbruik’ Als voorbeeld van geoorloofd ‘misbruik’ verwijs ik naar een recente uitspraak van de Rechtbank Gelderland.1 In deze casus deed een werkgever een verzoek aan het UWV tot toestemming om de arbeidsovereenkomst met haar werknemer wegens bedrijfseconomische redenen op te mogen zeggen. Het UWV weigerde de ontslagvergunning. De werkgever besloot de arbeidsovereenkomst alsnog op te zeggen en deed de werknemer de toezegging het salaris en vakantietoeslag uit te betalen tot en met 31 december 2015. Per 31 december 2015 werd de besloten vennootschap van werkgever ontbonden door middel van een turboliquidatie. De werknemer vroeg de kantonrechter te verklaren dat de ­vennootschap van werkgever niet was opgehouden te bestaan.

52

Vervolgens verzocht de werknemer om toekenning van de transitievergoeding en een billijke vergoeding.

Het Register | oktober 2016 | nummer 5

Het lopende onderzoek op initiatief van het OM en de FIOD, geeft aan dat de turboliquidatie onder de loep wordt genomen. Een wetswijziging is niet uitgesloten. Laat u daarom niet verleiden tot het regelen van een snelle ontbinding van een rechtspersoon, als u weet van het bestaan van schulden. Vraag om bewijs dat schuld­ eisers zijn voldaan. Betreft het oninbare schulden in concern­ verband en/of aan de aandeelhouder-natuurlijk persoon, beoordeel dan of kwijting, schuldoverneming en verrekening tot de mogelijkheden behoren, alvorens het besluit tot ontbinding wordt genomen.3 Door: Mr. Renate Baken, Bol Juristen U vindt de juridische modellenbank op RB-plaza. Bij korte vragen over het ­gebruik van of behoefte aan uitleg over de juridische modellen kunt u gratis ­gebruikmaken van de Juridische Helpdesk van Bol Juristen. Zij zijn bereikbaar per e-mail via juristen@boljuristen.nl of telefonisch op 088-1211211. Rechtbank Gelderland 27 juni 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:3490. Hoge Raad 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3636. Wij verwijzen graag naar de checklist en de notulen Ontbinding rechtspersoon, in het bijzonder naar de toelichting zoals opgenomen in deze modellen. Beide modellen vindt u in de Juridische Modellenbank (www.rb-plaza.nl).

1

2

3


Opleiden

Voor uw agenda

Check uw PE-saldo

LSB sessie 4 Forum Nieuwjaarsbijeenkomst RB-dag

Op de homepage van RB-plaza ziet u in één oogopslag hoeveel PE-punten u dit jaar nog dient te behalen om aan uw PE-verplichting te voldoen. Moet u nog een aantal PE-punten ­halen dit najaar? Bestel dan direct eenvoudig de cursus van uw keuze op RB-plaza.

diverse data en locaties in november en december zaterdag 19 november maandag 16 januari 2017 vrijdag 16 juni 2017

Aanmelden voor de LSB en het Forum kan via RB-plaza. Voor de Nieuwjaarsbijeenkomst en de RB-dag ontvangt u te zijner tijd een aparte uitnodiging.

De aangiftecursus: bent u er ook bij? De aangiftes IB en Vpb: voor velen van u een jaarlijks terugkerend feit in het voorjaar. Voor het verzorgen van deze aangiftes en het samenstellen van de jaarrekening op fiscale grondslag is een ­gedegen kennis van de Wet IB 2001, goed koopmansgebruik en van administreren van belang. De recente ontwikkelingen in de jurisprudentie op dit gebied en op het gebied van de administratieve verplichtingen mogen bij u niet ontbreken.

Duidelijk overzicht orderhistorie

PE-tip

In uw orderhistorie op RB-plaza vindt u uw bestellingen terug. Deze zijn vanaf nu onderverdeeld in vier rubrieken: gepland, bezocht, geannuleerd en reservelijst. Dit geeft u een duidelijk overzicht.

Download eenvoudig uw bewijs van deelname Binnenkort vindt u in uw orderhistorie op RB-plaza bij een door u bijgewoonde cursus ook het bewijs van deelname. Dit wordt ­geüpload na afloop van de bijeenkomst en kunt u, indien nodig, eenvoudig downloaden.

Bereid u dan ook goed voor en kom naar de aangiftecursussen die RB Opleidingen in januari en februari 2017 voor u organiseert: • Aangifte inkomstenbelasting 2016 voor de particulier • Aangifte inkomstenbelasting 2016 voor de ondernemer • Aangifte vennootschapsbelasting 2016 > Kijk op RB-plaza voor de exacte data en locaties en meld u snel aan!

Verdieping Afschaffing pensioen in eigen beheer Heeft u behoefte aan een uitgebreide behandeling van alle relevante aspecten rond de afschaffing van pensioen in ­eigen beheer? Volg dan nog deze maand de cursus Verdieping Afschaffing pensioen in eigen beheer. De financiële belangen van afschaffing van pensioen in eigen beheer zijn groot, evenals de juridische complexiteit. Wat zijn precies de gevolgen van de afschaffing van pensioen in eigen beheer? Wat betekent het voor al opgebouwde pensioenen in eigen beheer? Wat moet er juridisch worden geregeld? Waar moet u als adviseur op letten? Aan de hand van praktijkgerichte voorbeelden krijgt u antwoord op deze en andere vragen. > Kijk voor exacte data in oktober en locaties op RB-plaza

oktober 2016 | nummer 5 | Het Register

53


HET

Verenigingsnieuws Opleiden

diploma-uitreiking 9 september

Geslaagd! Maar liefst 193 geslaagden mocht RB Opleidingen onlangs feliciteren met het behalen van hun diploma. Op 9 en 16 september was het daarom feest in het sfeervolle Slot Zeist. De locatie staat altijd garant voor een mooie ontvangst. Velen komen er voor het eerst, sommigen herinneren zich bijvoorbeeld hun trouwdag 18 jaar geleden. Voor studenten is het fijn om weer even bij te ­praten met studie- en vakgenoten, voor ons is het leuk om op een informele manier te horen wat men nu echt van de opleiding vond. Een greep uit de ervaringen: “Ik heb de opleiding gekozen om mijn kennis te vergroten en vond de studie erg praktisch. We zijn met drie collega’s begonnen en ik heb als eerste mijn diploma behaald.” – Frank Jacobs RB “Ik zou toekomstige studenten de tip willen geven om veel oude ­examens door te nemen, daar leer je veel van. Daarnaast vind ik ­RB-plaza ook een belangrijke bron om je kennis te verbreden.” – Eveline Kon AA RB “Ik heb voor de opleiding gekozen omdat ik graag wil gaan werken als belastingadviseur. Omdat ik de praktijkervaring nog mis had er wat mij betreft nog meer ruimte in de opleiding mogen zijn om praktijkcasussen te behandelen.” – Paulina Clarke RB

54

Het Register | oktober 2016 | nummer 5

“De behandelde stof was leerzaam maar soms wat droog en theoretisch gericht. Ik heb heel veel gehad aan de modules IB/VPB, dit kom ik veel tegen in de dagelijkse praktijk.” – Gert-Jan Lambooij RB “Ik ben gestart met de opleiding deels voor het werk en deels om me verder te ontwikkelen voor de toekomst. De opleiding was best moeilijk maar ontzettend leerzaam. Vooral de praktijkvoorbeelden en interactie in de groep vind ik een meerwaarde. Ik beveel de opleiding dan ook zeker aan mijn collega’s aan.” – Sjoerd Bokma RB

Aantal geslaagden per opleiding • Register Belastingconsulent: 76 geslaagden • AA/RA Belastingaccountant: 34 geslaagden • Register Belastingadviseur: 58 geslaagden • AA/RA Register Belastingadviseur: 13 geslaagden • AGRO Register Belastingadviseur: 4 geslaagden • Master Belastingadviseur: 8 geslaagden Weten wie er geslaagd zijn? Zie het nieuwsbericht op RB-plaza van 20 september!


diploma-uitreiking 16 september

Beroepsvaardigheidsprogramma “Wat is dat nu precies? Is dat wel voor mij bedoeld? Wat kan ik daar dan mee?” Vraagt u zich dit af? RB-adviseur Chantal Moelands volgde de opleiding in het voorjaar en is razend enthousiast. Dit zijn haar vijf redenen waarom de opleiding ook voor u interessant kan zijn: 1. De adviesrol van adviseur verandert steeds meer. Bent u als adviseur al klaar voor de toekomst? 2. De klant wil steeds meer aandacht. Hoe maakt u uw advies persoonlijk? 3. Iedere klant is anders. Welke adviesstijl past bij u en uw klant? 4. Leren van de groep. Het maakt niet uit of u net gestart bent of al meer ervaring heeft, samen werken aan je persoonlijke ontwikkeling is prachtig. 5. Waarden, normen en dilemma’s zijn er volop in de belastingadviespraktijk. Door erover te discussiëren vorm je je een mening. Twijfelt u nog? Chantal: “Niet langer twijfelen, gewoon doen! Het Beroepsvaardigheidsprogramma vraagt een aanzienlijke investering qua tijd en natuurlijk komt dit niet altijd uit. Nu ik het programma heb afgerond kan ik zeggen dat het de investering absoluut waard is geweest!”

Start u dit najaar?

Er is nog een beperkt aantal plaatsen beschikbaar voor de groep die start op 18 november. Meer weten of aanmelden? Kijk op rbopleidingen.nl of bel (0345) 54 70 30.

oktober 2016 | nummer 5 | Het Register

55


HET

Verenigingsnieuws Opleiden

Cursuskalender Onderstaand vindt u het cursusaanbod voor november en december. Het volledige cursusaanbod vindt u op RB-plaza. Uiteraard komen er continu nieuwe cursussen bij. Kijk daarom regelmatig op RB-plaza voor het meest actuele aanbod. november

NIEUW

NIEUW

NIEUW NIEUW

NIEUW

NIEUW NIEUW NIEUW

Actualiteiten btw* Actualiteiten vennootschapsbelasting* De praktijk van het aanmerkelijke belang* Belastingcontrole: weet wat je (niet) zegt* DISC Gedragsstijlen Afwikkeling van nalatenschap Zzpâ&#x20AC;&#x2122;er en fiscaliteit Aangifte schenk- en erfbelasting* Bedrijfsopvolging in de agrosector Casuscollege Eigen woning* Zorgplicht bij faillissement Bezwaar en beroep Verdieping Pensioen en echtscheiding - juridisch en fiscaal De Wwft in de praktijk Verdieping Btw en internationaal zaken doen Module Ondernemingsrecht start 2-daags Jaarafsluiting 2016: wat nu, wat straks?* Snellezen start 2-daags Doelgericht, overtuigend en effectief communiceren Verdieping Advisering van vermogende particulieren en ondernemers* Verdieping FinanciĂŤle planning aan de hand van life events* Bedrijfswaarderingen Inleiding personenvennootschappen Masterclass Cyber risicomanagement Vrijstellingen in de btw* Actualiteiten inkomstenbelasting* Fiscale actualiteiten in de agrarische sector* Testament lezen in de praktijk* Verdieping Doelgericht, overtuigend en effectief communiceren Actualiteiten onroerende zaken* Toeslagen* Het berekenen van de going concern waarde Actualiteiten loonheffingen* Bewijs in belastingzaken* Pensioen eigen beheer dga Verdieping De dynamiek van het familiebedrijf Verdieping Personenvennootschappen (maatschap, vof en cv)* Internationale detachering en sociale verzekering Snellezen start 2-daags Verdieping BEPS-, OESO- en EU-initiatieven om belastingontwijking tegen te gaan

1 november 1 november 1 november 2 november 2 november 3 november 3 november 7 november 7 november 7 november 7 november 8 november 8 november 9 november 9 november 10 november 14 november 14 november 15 november 15 november 15 november 21 november 21 november 21 november 21 november 22 november 22 november 22 november 22 november 23 november 23 november 24 november 28 november 28 november 28 november 28 november 28 november 29 november 29 november 29 november

Veldhoven Vianen Dordrecht Akersloot Vianen Vianen Vianen Akersloot Vianen Veldhoven Vianen Vianen Vianen Vianen Vianen Vianen Akersloot Veldhoven Akersloot Vianen Zwolle Vianen Vianen Vianen Zwolle Akersloot Veldhoven Dordrecht Vianen Zwolle Veldhoven Zwolle Dordrecht Veldhoven Vianen Vianen Akersloot Vianen Vianen Vianen

Module Internationaal belastingrecht start 2-daags Btw-aangifte: praktisch benaderd* Tax Assurance Nederduitsers Actualiteiten werkgeverszaken* Actualiteiten formeel belastingrecht De werkkostenregeling in de praktijk Verdieping Actualiteiten internationaal belastingrecht Belangrijke recente Europese jurisprudentie en de consequenties voor Nederland

1 december 6 december 6 december 7 december 8 december 13 december 13 december 14 december 15 december

Vianen Akersloot Vianen Vianen Dordrecht Vianen Vianen Vianen Vianen

december

NIEUW

*Deze cursus vindt plaats op meerdere data/locaties. Het volledige aanbod vindt u op RB-plaza.

56

Het Register | oktober 2016 | nummer 5


PE uitgelicht Nieuw in het PE-aanbod: de Themacursus Heeft u er soms ook behoefte aan om in korte tijd volledig op de hoogte te worden gebracht van alle fiscale aspecten rondom een bepaald onderwerp? RB Opleidingen organiseert vanaf nu regelmatig een Themacursus. Een Themacursus is een (meestal) tweedaagse cursus die bestaat uit drie of vier dagdelen, waarin een aantal docenten u vanuit diverse invalshoeken bijpraten over een bepaald thema. In korte tijd bent u dus weer volledig op de hoogte. Wel zo handig en efficiënt!

Themacursus Eigen woning

PE-tip

Houd RB-plaza in de gaten voor de nieuwste PEcursussen, ook voor de meest actuele informatie over de Praktijkbijeenkomsten, Forum en LSB’s.

Themacursus Inbreng onderneming in BV – de praktische aanpak! Deze cursus richt zich op de beginnende belastingadviseur. Wat komt er onder andere aan bod: • • • •

Juridische aspecten oprichting bv Fiscale aspecten van ruisende en geruisloze inbreng Oprichting holdingstructuur: bedrijfsfusie, fiscale eenheid Positie dga gebruikelijk loon incl. verzekeringsplicht

Tijdens deze cursus voor de gevorderde belastingadviseur komen in twee dagen de volgende onderwerpen aan bod:

Datum: nog niet definitief. Kijk hiervoor regelmatig op RB-plaza

• Eigen woning algemeen (incl. overgangsrecht) • Kapitaalverzekering en KEW • Eigen woning en echtscheiding (incl. gevolgen wijziging partnerbegrip) • Overdrachtsbelasting (verdeling)

Locatie: Hotel Van der Valk Vianen

Datum: donderdag 10 en vrijdag 11 november 2016 Locatie: Hotel Van der Valk Vianen Tijden: dag 1: 16.00-21.00 uur (pauze met dinerbuffet 18.00-19.00 uur) dag 2: 09.30-17.30 uur (pauze met lunchbuffet 13.00-14.00 uur) Docenten: mr. dr. Mascha Hoogeveen, mr. dr. Gerard Staats en mr. Xander Arends Aantal deelnemers: 25 Prijs: € 570 (RB-leden) PE-punten: 13,5 fiscaal

Tijden: dag 1: 13.00-21.00 uur (pauze met dinerbuffet 18.00-19.00 uur) dag 2: 09.30-17.30 uur (pauze met lunchbuffet 13.00-14.00 uur) Aantal deelnemers: 25 Prijs: € 670 (RB-leden) PE-punten: 17,5 fiscaal

Wat kunt u nog meer verwachten? RB Opleidingen organiseert continu nieuwe cursussen, waar­ onder ook meer Themacursussen. Kijk op RB-plaza voor de meest actuele informatie. Uiteraard brengen wij u hiervan ook op de hoogte via de PE-flits.

Meer informatie? Heeft u vragen over de Themacursussen of over een andere cursus uit ons aanbod? Neemt u dan gerust contact op met de afdeling Permanente Educatie, telefoonnummer (0345) 54 70 30 of via e-mail: pe@rb.nl.

oktober 2016 | nummer 5 | Het Register

57


HET

Verenigingsnieuws Boeken

Het nieuwe compartimenteren

Waarschijnlijkheid van fiscale rechtsgevolgen

Auteur: mr. dr. W.R. Kooiman en mr. M.H.C. Ruijschop Uitgever: Wolters Kluwer ISBN: 9789013137910 Prijs: € 39,95

Auteur: mr. dr. C. Bruijsten Uitgever: Wolters Kluwer ISBN: 9789013136937 Prijs: € 75

Praktisch nut 9 Wetenschappelijk niveau 8 Actualiteit 9 Leesbaarheid 8 Presentatie 8 Prijs-kwaliteitverhouding 8 Bedoeld voor: Vpb-specialist

Praktisch nut: Wetenschappelijk niveau: Actualiteit: Leesbaarheid: Presentatie: Prijs-kwaliteitverhouding: Bedoeld voor: studie

Compartimentering bij sfeerovergang in de deelnemingsvrijstelling was, toen de Hoge Raad op 14 juni 2013 arrest wees, niet nieuw. In het verdere verleden heeft de Hoge Raad al diverse arresten gewezen op het gebied van ‘feitencompartimentering’. Het arrest van juni 2013 ging over ‘regelcompartimentering’. Na de voor hem negatieve uitkomst van het arrest liet de staatssecretaris er geen gras over groeien en kondigde direct nieuwe wetgeving aan. Die nieuwe wetgeving (art. 28c en 34c Wet VPB 1969) is, met de in de literatuur al veel besproken materieel ­terugwerkende kracht, na een lange behandeling in april 2015 aangenomen. De ins en outs van de ingewikkelde regeling komen, na drie inleidende hoofdstukken met een handig overzicht van de hoofdlijnen, ruim aan bod. De auteurs doen dit met analyses en beschrijvingen van de bepalingen, voorbeelden, parlementaire geschiedenis, en regelmatig een eigen opvatting over onduidelijkheden. Er wordt ingegaan op de twee vormen van sfeerovergang (van belast belang naar een vrijgestelde deelneming en andersom) waarbij verplicht een compartimenteringsreserve moet worden gevormd. Ook compartimenteren van dividend en vrijval van de reserve bij vervreemding van een belang komen aan bod. Het boek eindigt met enkele bijzondere onderwerpen (samenloop met fusie, splitsing, fiscale eenheid en liquidatieverliezen). Ook de verhouding met EU-recht en de terugwerkende kracht ontbreken niet. De auteurs hopen met dit boek een bijdrage te leveren aan de rechtsontwikkeling op het gebied van de sfeerovergang in de deelnemingsvrijstelling. Daarin zijn zij naar onze mening goed geslaagd. Voor de adviseur die met deze materie te maken heeft kan dit boek waardevolle inzichten geven. Voor de adviseur die dat niet heeft en die een overzicht wil hebben van de diverse aspecten die bij deze regeling een rol spelen, kan het geen kwaad de moeite te nemen het boek te lezen. De omvang van het boek (een kleine 100 pagina’s) mag dan geen belemmering zijn.

Is het mogelijk om een exacte waarschijnlijkheidswaarde te ­koppelen aan de mogelijke uitkomsten van een onzeker rechts­ vindingsvraagstuk? Dat is het onderwerp van dit boek en tevens het onderwerp waarop de auteur is gepromoveerd. Dit boek ­probeert vanuit een theoretisch ‘multidisciplinair meta-juridisch onderzoek’ een antwoord te formuleren op de gestelde vraag. Al met al schatten wij de waarschijnlijkheidswaarde hoog in dat men in de dagelijkse praktijk wel zonder dit boek vooruit kan. Toch krijgt de ‘belastingadviesgevende lezer’ door het lezen van dit boek het inzicht dat zijn of haar dagelijkse praktijk met veel onzekerheden is omgeven. Zijn alle relevante feiten en omstandigheden wel in beeld? Is de adviseur wel op de hoogte van de laatste (Europese) jurisprudentie? En hoe hard is het bewijs dat in het dossier voorhanden is? Welke inspecteur tref je? Hoe groot is de kans dat het recente oordeel van een lagere rechter in de toekomst weer opzij wordt gezet door een hogere rechter? En niet onbelangrijk: is er een waarschijnlijkheidswaarde te bepalen waaraan een standpunt moet voldoen om nog ten minste als ‘pleitbaar’ te kunnen kwali­ ficeren?

Door: mr. Berrie van der Velden AA RB en mr. Sebastian van Wijk RB Eindoordeel: n n n n

58

Het Register | oktober 2016 | nummer 5

4 8 6 7 7 6

Door: mr. Lucas Blom AA RB en mr. drs. Martin Klomp RB Eindoordeel: n n n

In de boekenrubriek geven ervaren ­vak­mensen op persoonlijke titel hun mening over recent ­verschenen ­(fiscale) boeken: n Twee beoordelaars recenseren een boek. n Zij kennen cijfers toe voor ­bijvoorbeeld l­eesbaarheid, ­actualiteit en niveau.

De recensenten geven een ­eindoordeel: Aanrader Goed Redelijk Matig Afrader

n n n n n

n n n n n n n n n n


Hét online kennisplatform voor de fiscaal expert die zelf bepaalt wat hij nodig heeft.

maatwerk voor fiscalisten

NDFR maakt fiscaal recht overzichtelijk en direct toepasbaar NDFR is hét gebruiksvriendelijke platform voor fiscaal experts. U bepaalt zelf wat u nodig heeft, want NDFR is online beschikbaar en modulair af te nemen. Zodat u op elk moment en voor elk fiscaal vraagstuk het beste advies kunt geven. Tot in detail compleet, 100% betrouwbaar en altijd actueel. Daar staan meer dan 400 redacteuren en commentatoren elke dag opnieuw garant voor.

Gratis proberen? Mail naar aanvraagndfr@sdu.nl of kijk op sdu.nl/ndfr

16132 Adv NDFR 210x285.indd 1

08-06-16 09:15


Uw klant centraal? Profileren als adviseur? Communiceren met resultaat?

Voor de adviseur die meer wil bereiken! Beroepsvaardigheidsprogramma VOORDEEL 1 vaardigheidsprogramma met e-learning

VOORDEEL 2 Ervaren docenten uit het werkveld

VOORDEEL 3 korte doorlooptijd

VOORDEEL 4 diverse startdata 2016

Heeft u de vaardigheden in huis die belangrijk zijn voor de belastingadviseur anno nu? Bent u net gestart of juist ervaren? Met het vernieuwde Beroepsvaardigheidsprogramma werkt u op eigentijdse en praktijkgerichte wijze aan uw ontwikkeling.

Meld u aan op rbopleidingen.nl

Het Register 2016 nr. 5: De jubelton komt terug  

Met in dit nummer o.a.: Boekpresentatie: Geloofwaardig belastingheffen - Samen leven, samen kiezen, samen dokken - Oud-rechter Bernard Bavi...

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you