Issuu on Google+

3.5 Heiden en stuifzanden

3.5.1 Inleiding In het dagelijks spraakgebruik heeft het woord ‘heide’ verschillende betekenissen: (1) één van de soorten heideplanten (Struikhei, Gewone dophei, Kraaihei), (2) een door één of meer van deze soorten gedomineerde vegetatie en (3) een gebied waar zo’n heidevegetatie een aanzienlijke aaneengesloten oppervlakte inneemt. Hieronder wordt met ‘heide’ steeds heidevegetatie bedoeld. De kenmerkende vegetatielaag van heiden wordt gevormd door dwergstruiken uit de Heidefamilie, een plantengroep die is aangepast aan het groeien onder voedselarme omstandigheden. Zij omvat behalve de verschillende heidesoorten onder meer ook de bosbessen, die lokaal een belangrijk aandeel hebben in de heidevegetatie (bosbesheide). Heiden komen in Drenthe op de pleistocene zandgronden voor. Ze zijn ontstaan door het kappen en branden van bos en in stand gehouden door begrazing, plaggen en branden. Wanneer deze gebruiksvormen achterwege blijven, ontwikkelen heiden zich op termijn weer tot Berken-eikenbos (zie Bossen, paragraaf 3.2.2). Als weidegrond voor heideschapen vormden heiden de basis voor het potstalsysteem, waarbij de schapen de mest leverden waarmee de akkers werden bemest. Ze zijn te onderscheiden in droge heiden en vochtige tot natte heiden. Droge heiden liggen op zandgronden die goed draineren, waardoor er een neerwaartse grondwaterbeweging ontstaat die door uitspoeling de voedselarmoede van de bodem in stand houdt. Op plaatsen waar vooral de drogere heidevelden te intensief werden beweid, verdween de vegetatie en ontstonden plaatselijk zandverstuivingen. Gemeenschappelijk aan droge heiden en zandverstuivingen zijn grote verschillen tussen dag- en nachttemperatuur (zie ook Barkman en Stoutjesdijk 1987) en schaarste aan voedingsstoffen. In kale zandverstuivingen komt daar nog eens grote droogte bij (door het ontbreken van humus die vocht kan vasthouden) en beweeglijkheid van de bovenste zandlaag onder invloed van de wind. Onder deze extreme omstandigheden kunnen slechts weinig plantensoorten voet aan de grond krijgen. De meeste zandverstuivingen zijn al lang aan banden gelegd. Rustende zandver-

stuivingen groeien na verloop van tijd weer dicht met heide, waarin in eerste instantie nog veel kale plekken en soorten van stuifzanden en/of droge schrale graslanden te vinden zijn: deze vegetaties worden hier als stuifzandheiden aangeduid. Bij afwezigheid van verdere windwerking en van beheer in de vorm van begrazing, plaggen en eventueel branden ontwikkelen deze zich net als andere heiden op termijn tot Berkeneikenbos. Ook vochtige heiden liggen op schrale zandgronden. De vochtiger omstandigheden zijn meestal te danken aan een ondoorlatende laag in de ondergrond, waardoor er een schijngrondwaterspiegel ontstaat. Die ondoorlatende laag is meestal een aaneengesloten keileemlaag die op enige diepte in het bodemprofiel aanwezig is. Soms bestaat zij uit de neerslag van ijzerverbindingen die bij een neerwaartse grondwaterbeweging in de ondergrond kan ontstaan. Door de nattere omstandigheden hoopt zich organische stof op in de bodem: natte heiden vinden we dan ook vaak op moerige zandgronden. Hier en daar kunnen in heiden veel soorten van heischrale graslanden (zie Graslanden, paragraaf 3.9.2) voorkomen. Gebieden met laaglandheiden

Figuur 3.5.1. Verspreiding van laaglandheiden in Europa (Bakker et al. 1986).


In droge varianten van deze kruidenrijke heiden kan leem dat zich in de wortelzone van de planten bevindt, voor de benodigde combinatie van voedselarmoede en mineralenrijkdom zorgen. In nattere situaties gaat het óf om een hoog in het profiel liggende slecht doorlatende leemlaag, of om het opwellen van kwelwater, meestal van lokale kwelsystemen. Ook bij kruidenrijke heiden kunnen dus nattere en drogere varianten worden onderscheiden met elk een eigen palet aan soorten. Alle typen heide zijn gebonden aan een Atlantisch klimaat met relatief koele, natte zomers en zachte winters. Natte heiden komen voor van de Kempen tot in Noordwest-Duitsland, in Bretagne en op de Britse Eilanden. Droge en vochtige heiden komen in Europa in het laagland voornamelijk voor rondom de Noordzee en langs de Golf van Biskaje; daarnaast zijn ze bekend uit sommige middelgebergten in westelijk MiddenEuropa. Ondanks de grootscheepse ontginningen vormen Nederland en Noordwest-Duitsland de kerngebieden van de laaglandheiden. Gezien deze beperkte verspreiding zijn de

Drentse heidevelden van grote internationale betekenis (figuur 3.5.1). In het midden van de negentiende eeuw bestond ongeveer tweederde van de oppervlakte van Drenthe uit heidevelden, zandverstuivingen en hoogvenen (figuur 3.5.2). Tussen 1850 en 1900 werden grote veengebieden met natte heiden ontgonnen: de oostelijke Veenkoloniën, de Smildigervenen en de omgeving van Hoogeveen. Vooral tussen 1900 en 1950 verdween een groot gedeelte van het heideareaal door ontginning tot cultuurgrond en door beplanting met bossen in het kader van de werkverschaffing. Na 1950 werd via ruilverkavelingen een schaalvergroting in het landschap doorgevoerd, die veel van de wat kleinere heideterreinen heeft doen verdwijnen. Vooral daardoor daalde in de periode 1950-1975 het resterende heideareaal nog eens met de helft tot nog geen vijf procent van de oppervlakte van Drenthe. Zelfs na 1975 zijn er nog enkele duizenden hectares verdwenen, vooral door het dichtgroeien tot bos en door bosaanplant. Heide en venen samen beslaan nu nog ongeveer 10.000 hectare, minder dan vier procent van het Heide in 2006 (9.890 ha, 3,7%)

Figuur 3.5.2. De afname van de oppervlakte ‘woeste gronden’ (heide, zandverstuivingen en hoogveen) tussen 1850 en 2006 (bronnen: provincie Drenthe 1978; Kadaster 1990 en 2006).

1850 173.617 ha (64,8%)

EHS (per dec. 2008) Natura 2000 - gebied

1900 131.760 ha (49,2%)

1950 22.948 ha (8,6%)

1989 12.838 ha (4,8%) 14 13

133


het verhinderen van bosvorming. Pijpenstrootje en Bochtige smele hoeven beslist niet helemaal te verdwijnen, maar het doel is wel hun aandeel in de vegetatie zover terug te dringen dat er weer ruimte komt voor specifiekere heidebewoners. Resultaten van het Landelijk Meetnet Flora, Milieu- en Natuurkwaliteit in de periode 1999-2005 geven aan dat dit doel in droge heiden lijkt te zijn gehaald: Struikhei neemt over de hele linie toe in bedekking, en Bochtige smele af. Vooral op de Hondsrug zijn echter nog sterk vergraste droge heiden te vinden. Op de meetpunten in vochtige heiden is het beeld minder positief: Pijpenstrootje lijkt weliswaar niet verder in bedekking toe te nemen, maar het aandeel Gewone dophei neemt nog steeds af. Het aandeel Kraaihei in de Drentse heiden lijkt over de genoemde periode ongeveer constant te blijven (www.drenthemonitor.nl). De Drentse heide is een trefpunt van boreale (noordelijke), Atlantische (westelijke) en Midden-Europese soorten. Van de boreale soorten treedt Kraaihei het meest op de voorgrond, terwijl het in de negentiende eeuw vrij algemene Rozenkransje binnen Drenthe nu nog maar op ĂŠĂŠn plek voorkomt (figuur

Elk heidetype heeft zijn aspectbepalende soorten (tabel 3.5.1). In de laatste decennia van de twintigste eeuw trad in alle heidetypen vergrassing op, waarbij in een deel van de droge heide Bochtige smele ging domineren, terwijl in veel andere (zowel natte als droge) heiden Pijpenstrootje aspectbepalend werd. Deze vergrassing is deels een reactie op het verdwijnen van vroegere agrarische gebruikswijzen (begrazing, plaggen steken) en beheervormen (afbranden). De dominantie van grassen werd sterk in de hand gewerkt door depositie van stikstofverbindingen via de atmosfeer. Tussen de grassen en hun dode bladresten raakten de typische planten en dieren van de heide in de verdrukking. De oppervlakte aan heide met karakteristieke heidesoorten (tabel 3.5.2) werd steeds geringer. Herstelmaatregelen, zoals afplaggen en begrazing, richten zich dan ook allereerst op het terugdringen van de vergrassing en Figuur 3.5.3

Rozenkransje, hier temidden van enkele andere zeldzaamheden als Maanvaren en Liggende vleugeltjesbloem, is ernstig bedreigd en zonder soortgerichte maatregelen ook in Drenthe gedoemd uit te sterven

Rozenkransje 2009 (1) 1970 - 1996 (20)

1975 - 2007

Hans Dekker

3.5.2 Flora en vegetatie

Hans Dekker

134

grondgebied van Drenthe. Naar schatting is er ongeveer 3.500 hectare hoogveen en 6.500 hectare heide. Ook landelijk gezien is de oppervlakte aan heide sterk afgenomen, van 800.000 hectare aan het eind van de negentiende eeuw naar circa 36.000 in 1990 (MNP en CBS 2003). Meer dan twintig procent van de nog bestaande Nederlandse heide ligt in Drenthe. Voor de natte heide is het Drentse aandeel in de landelijke oppervlakte nog aanzienlijk hoger. De Dwingelose en KraloĂŤrheide, gelegen binnen het Nationaal Park Dwingelderveld, vormen binnen Europa het grootste aaneengesloten gebied met natte heide. Het Dwingelderveld is mede hierom aangewezen als Europees Natura 2000-gebied. Als gevolg van boskap en natuurontwikkeling neemt de oppervlakte heide de laatste jaren weer toe. In het Nationaal Park Dwingelderveld is het in 2008 eindelijk gelukt de binnen het gebied gelegen landbouwgronden van het Noordenveld aan te kopen, zodat deze nu ingericht kunnen worden voor herstel van natte heide. In het Nationaal Park en Natura 2000-gebied Drents-Friese Wold wordt geprobeerd het areaal stuifzandheide en stuifzand weer uit te breiden door kap van in het verleden aangeplant bos.


grassen, mossen en korstmossen. Doordat koude lucht tussen de struiken tot de bodem kan doordringen, zijn koude- en droogtetolerante organismen (zoals korstmossen) in het voordeel, zeker in het nachtvorstrijke Drenthe. De overwegend horizontaal groeiende Kraaihei daarentegen vormt matten, bloeit in de lente en is een windbestuiver. De matten, die in strenge winters onder een sneeuwdek schuilgaan, beschutten de onderliggende ruimte. Hier groeien voornamelijk slaapmossen, vaak met Bronsmos in de hoofdrol. Langs padranden en in de buurt van zandverstuivingen komen in droge heiden plaatselijk soorten voor van open omstandigheden zoals Zandstruisgras, Klein tasjeskruid en de meest uitgesproken pionier van allemaal: Buntgras. Resultaten van zowel het LMF-MN als het WFD-florameetnet geven aan dat het met verschillende van deze soorten nog steeds niet goed gaat (tabel 3.5.2). Dwergviltkruid, dat ook tot deze soortgroep hoort, lijkt echter al wel duidelijk te profiteren van de herstelmaatregelen. De vele kale zandige plekken die bij het plaggen tijdelijk ontstaan, bieden deze eenjarige een uitstekend kiembed (figuur 3.5.4). Voor veel soorten van drogere heischrale graslanden die ook regelmatig in droge heiden voorkomen is de trend eveneens negatief. Op de meetpunten van het LMF-MN in droge heide nam het aandeel van vrij algemene soorten als Borstelgras, Tandjesgras, Mannetjesereprijs en zelfs Liggend walstro daarin tussen 1999 en 2005 af (www.drenthemonitor.nl; tabel 3.5.2). Kenmerkend voor droge heide zijn ook de dwergstruiken Kruipbrem en Stekelbrem (figuur 3.5.5; tabel 3.5.2). Zij groeien gewoonlijk afzonderlijk, soms in kleine groepjes, tussen de Struikhei en vormen nooit de hoofdmassa van de begroeiing. Als vlinderbloemigen worden Kruipbrem en Stekelbrem van stikstofverbindingen voorzien door stikstofbindende bacteriĂŤn in knolletjes aan hun wortels; dit proces is echter gevoelig voor verzuring. Behalve door verzuring zijn beide struikjes ook sterk achteruitgegaan (tabel 3.5.2) door stikstofdepositie (die ze van hun voorsprong berooft). Hun zaden blijven in de grond echter lang kiemkrachtig, en op plagplekken kiemen ze dikwijls vanuit de zaadvoorraad. Dit geldt in het bijzonder voor Stekelbrem, die behalve op droge heide ook op vochtige heide gedijt. Ook in terreinen met natuurontwikkeling en in schrale bermen komt dit struikje nogal eens tevoorschijn.

3.5.3). Deze tweehuizige plant is een van de meest bedreigde soorten van de Nederlandse flora (Oostermeijer 2008). Behalve in het Gooi heeft ze zich in het binnenland alleen weten te handhaven op de Havelterberg, waar nog slechts vrouwelijke planten groeien (Beringen et al. 2009). Vertegenwoordigers van de Midden-Europese flora zijn de eveneens zeer bedreigde soorten Valkruid en Kleine schorseneer en de vermoedelijk uit Drenthe verdwenen Kleine wolfsklauw. Als Atlantische soorten zijn onder meer Gewone dophei, Stekelbrem, Beenbreek, Liggende vleugeltjesbloem, Heidekartelblad, Liggend walstro en Trekrus te noemen. De meest opmerkelijke Atlantische soort in de Drentse heide is Drienervige zegge, een plant van West-Europese kustgebieden met een beperkt, lintvormig areaal dat zich uitstrekt van Portugal tot Denemarken. Drenthe is vrijwel het enige gebied waar zij verder landinwaarts doordringt. Zij groeit hier in enkele stuifzandheiden. De Gewone veenbies, die gebonden is aan vochtige en natte heiden, is een voorbeeld van een ondersoort met een zeer beperkt areaal waarvan het zwaartepunt in Nederland ligt. De nauw verwante Noordse veenbies, die in de koudere streken van het hele noordelijk halfrond voorkomt, is een hoogveenbewoner die lang geleden een paar maal in Drenthe is gevonden maar die sinds lang uit Nederland is verdwenen. Tabel 3.5.1. Aspectbepalende soorten van heidetypen. Heidetype

Aspectbepalende soort(en)

Droge heide

Struikhei, Kraaihei, Bochtige smele

Natte heide

Gewone dophei, Pijpenstrootje

Kruidenrijke heide

Als droge of natte heide, met veel kruiden (Tormentil, Liggend walstro) en grassen (Borstelgras, Tandjesgras)

Stuifzand

Jeneverbes, Kraaihei

Droge heiden In droge heiden is Struikhei dan wel Kraaihei de overheersende dwergstruik. Ze verschillen opvallend van elkaar in groeiwijze, bloei, effect op de ondergroei en reactie op het beheer. Struikhei vormt afzonderlijke, opgaande struiken, bloeit ’s zomers en is een belangrijke stuifmeel- en nectarbron voor insecten. Zij verdraagt begrazing goed; in een begraasde Struikheivegetatie is tussen de struiken ruimte voor kruiden, Dwergviltkruid 1990 - 2008 (152) 1970 - 1996 (136)

Hans Dekker

Figuur 3.5.4

Kiemplanten van Dwergviltkruid tussen pollen Buntgras op Kamperzand bij Havelte

135


Droge heiden

Kruidenrijke heiden

Vochtige en natte heiden

aantal vegetatieopnamen

Zandverstuivingen

Trend

Bijlage Flora– en faunawet

Status Rode Lijst

Tabel 3.5.2. Plantensoorten van heiden en stuifzanden in Drenthe (bron: Natuurinformatie Provincie Drenthe).

38

250

59

250

soorten van bossen en boszomen Amerikaans krentenboompje

=

Amerikaanse eik

136

++

Amerikaanse vogelkers

=

Brede stekelvaren

=

Gewoon struisgras

=

Grove den

=

Ruwe berk

+

Smalle stekelvaren

=

Sporkehout

=

Wilde kamperfoelie

=

Wilde lijsterbes

=

Zachte berk

=

Zomereik

=

Brede wespenorchis

1

Gewone eikvaren Bochtige klaver

++ =

Kwetsbaar

=

Bosanemoon Echte guldenroede

Kwetsbaar

Fraai hertshooi

Bedreigd

Koningsvaren

1

+

=

+

––

+

+

=

soorten van droge struwelen Brem Jeneverbes

= Gevoelig

2

=

soorten van stuifzanden en schrale graslanden Bosdroogbloem

Gevoelig

=

Bronsmos

?

Gewoon duizendblad

=

Muizenoor

=

Rendiermos

?

Schermhavikskruid

=

Sint–Janskruid

+

Buntgras Dwergviltkruid

– Gevoelig

++

Gewoon biggenkruid

=

Gewoon gaffeltandmos

?

Gewoon haarmos

?

Gewoon purpersteeltje Grondster

? Gevoelig

=

Heideklauwtjesmos

?

Heidespurrie

Heidestaartje en Bekermos

?

Klein vogelpootje

+

Ruig haarmos

?

Schapegras

Schapenzuring

=

Vroege haver

=

Zandblauwtje

=

Helm

Zandhaarmos

?

Zandstruisgras

Zandzegge

Duinriet

=

Duinroosje

+

Gewone veldbies Grasklokje

= 1

+

+


++

Jakobskruiskruid

++

Klein tasjeskruid

Vochtige en natte heiden

Kruidenrijke heiden

Droge heiden

Zandverstuivingen

Trend

Bijlage Flora– en faunawet

Status Rode Lijst Hazenpootje

=

Wilde tijm

Bedreigd

Voorjaarszegge

Kwetsbaar

–– =

+

soorten van droge heiden Bochtige smele

=

Klein warkruid

Kwetsbaar

Kleine wolfsklauw

Ernstig bedreigd

= x

Tengere rus

++

Blauwe bosbes

Boerenwormkruid

+

Kraaihei

=

Kruipbrem

Kwetsbaar

––

Pilzegge

=

Rode bosbes

Stekelbrem

Gevoelig

137

Stijf havikskruid

=

Struikhei

=

soorten van heischrale graslanden Blauwe knoop

Gevoelig

––

Blauwe zegge

=

Borstelgras

Gevoelig

Geelgroene zegge

+

Gevlekte orchis

Kwetsbaar

Gewone vleugeltjesbloem

Gevoelig

––

Heidekartelblad

Bedreigd

––

Hondsviooltje

Gevoelig

Kleine bevernel

++

Kleine schorseneer

Bedreigd

Klokjesgentiaan

Gevoelig

= 2

Kruipwilg

– =

Liggend walstro

=

Liggende vleugeltjesbloem

Kwetsbaar

=

Mannetjesereprijs

=

Rond wintergroen

Kwetsbaar

Rozenkransje

Ernstig bedreigd

Stijve ogentroost

Gevoelig

= –– =

Tandjesgras

Tormentil

=

Valkruid

Bedreigd

Welriekende nachtorchis

Bedreigd

2

–– =

+

soorten van blauwgraslanden Blonde zegge

Bedreigd

Spaanse ruiter

Kwetsbaar

2

+

+

+

soorten van kleine zeggenmoerassen Drienervige zegge

?

Gewone waternavel

Grote wolfsklauw

Bedreigd

+

Moerasviooltje

––

Moeraswederik

=

Sterzegge

=

Veelbloemige veldbies

?

Presentie in opnamen

+

Moerasstruisgras

+ = kenmerkende soort, niet in opnamen

+

1–10 %

11–25 %

26–50 %

51–75 %

> 75 %


++

Wateraardbei

Gevoelig

Snavelzegge

=

Zompzegge

=

Zwarte zegge

=

Borstelbies

++

soorten van vochige hooilanden

138

Gestreepte witbol

=

Gewone en Glanzende hoornbloem

=

Gewone ereprijs

=

Gladde witbol

=

Grasmuur

=

Grote ratelaar

+

Kruipganzerik

=

Paardenbloem

?

Rietorchis

2

++

Rood zwenkgras

=

Smalle weegbree

=

Veldrus

=

Witte klaver

=

soorten van wilgenstruwelen Geoorde wilg

=

Grauwe en Rossige wilg

=

Grote lisdodde

=

Grote wederik

=

Riet

=

soorten van natte heiden Gewone veenbies

Pijpenstrootje

=

Knolrus

=

Trekrus

=

Beenbreek

Bedreigd

Bruine snavelbies

Gevoelig

2

– +

Gewone dophei

=

Hennegras

=

Kleine zonnedauw

Gevoelig

2

Moeraswolfsklauw

Kwetsbaar

+

Ronde zonnedauw

Gevoelig

Witte snavelbies

Gevoelig

Eenarig wollegras

Kwetsbaar

Kleine veenbes

Kwetsbaar

––

Lavendelhei

Kwetsbaar

––

++ 2

= =

Veenmos

?

Veenpluis

=

Wilde gagel

Gevoelig

soorten van kapvlakten Boskruiskruid

=

Framboos

=

Gewone braam

=

Gewoon vingerhoedskruid

++

Pitrus

=

Rankende helmbloem

=

Wilgenroosje

=

Presentie in opnamen + = kenmerkende soort, niet in opnamen

1–10 %

11–25 %

26–50 %

51–75 %

> 75 %

Vochtige en natte heiden

Kruidenrijke heiden

Droge heiden

Zandverstuivingen

Trend

Bijlage Flora– en faunawet

Status Rode Lijst Veelstengelige waterbies


Figuur 3.5.5

Stekelbrem

Hans Dekker

Stekelbrem: een kenmerkende soort van grotere, goed ontwikkelde droge heiden in Drenthe

Hans Dekker

1990 - 2008 (129) 1970 - 1996 (328)

Bosbesheide met Rode bosbes en Gewone struikhei op de KraloĂŤrheide

Bosbesheide, die op de stuwwallen van Salland en de Veluwe over aanzienlijke oppervlakten voorkomt, neemt in Drenthe slechts een bescheiden plaats in. Dit heidetype, dat gemengde begroeiingen van Struikhei met Rode en/of Blauwe bosbes omvat, is her en der in Drenthe te vinden op noordhellingen op vastgelegd stuifzand en als zoom aan de noordkant van eikenstrubben in heidevelden. Ook kan het zich ontwikkelen op kapvlakten van arme loof- en naaldbossen waar deze dwergstruiken reeds in de ondergroei aanwezig waren. Door hun grote aanbod aan bessen zijn bosbesheiden belangrijk (geweest) als leefgebied voor Korhoenders; de laatste Nederlandse populatie (in Salland) leeft in een uitgestrekte bosbesheide. De zuidelijkste groeiplaats van de boreale Zweedse kornoelje ligt in de randen van bosbesheide binnen de Zeijer strubben in Noord-Drenthe (zie kader ‘Boreale soorten’ in Bossen, paragraaf 3.2.2).

Zandverstuivingen en stuifzandheiden Het grootste deel van wat Drenthe ooit aan zandverstuivingen kende, is in de negentiende en twintigste eeuw met bos beplant. Open, onbegroeide stuifzanden zijn erg schaars; als voorbeeld zijn de Zeegserduinen te noemen. De overige nog als zandverstuiving herkenbare terreinen zijn grotendeels vastgelegd door een vegetatiedek. Op enkele plaatsen komt Helm als pionier voor. Vermoedelijk is deze typische duinplant in Drenthe niet oorspronkelijk inheems maar lang geleden als zandbinder ingevoerd (WFD 1999). In het kalkloze Drentse stuifzand ontwikkelt zij zich niet optimaal. Beter brengt Zandzegge het ervan af, al komt deze plant lang niet in alle Drentse stuifzandgebieden voor. Met haar lange wortelstokken groeit zij vanuit de naburige vegetatie (heide of dennenbos) de open zandplekken in. De vaatplant die als eerste midden in het zand kiemt, is het blauwgrijze, aan de voet roze, in pollen groeiende Buntgras. Het slaagt daar echter alleen in vochtige perioden in, geholpen door een dekje van draadvormige, gemakkelijk verslijmende algen dat het zand vochtig en bijeen houdt. Later in de ontwikkeling kunnen behalve Buntgras nog enkele grassen verschijnen, zoals het matten vormende Zandstruisgras en het pollen vormende Fijn schapengras. Vergeleken met de periode 1970-1996 zijn zowel Buntgras als

Zandzegge in Drenthe duidelijk afgenomen in voorkomen (tabel 3.5.2). De enige niet-grasachtige vaatplanten in zandverstuivingen zijn soorten van droge, schrale graslanden: Schapenzuring, Gewoon biggenkruid, Heidespurrie (als enige eenjarige plant) en een enkele maal Zandblauwtje. De laagste delen van zandverstuivingen, waar het stuiven ophield omdat grind of lemige of vochtige grond werd bereikt, zijn het domein van een zandbindend mos: Ruig haarmos. Met behulp van een soort miniatuurwortelstokken kan deze bescheiden ogende plant uitgestrekte matten vormen. Ruig haarmos en de genoemde grassen vormen het stramien waarbinnen zich korstmossen vestigen, de groep bij uitstek waarvoor zandverstuivingen van unieke betekenis zijn (zie paragraaf 3.5.4). Waarschijnlijk zijn vochtige open plaatsen in zandverstuivingen de bakermat in Drenthe geweest voor Drienervige zegge, een soort die buiten het duingebied in Nederland nauwelijks voorkomt. Drienervige zegge groeit in Drenthe nu hoofdzakelijk in heiden (Lheebroekerzand) en zelfs open dennenbossen (figuur 3.5.6). Ook kunnen zich

139


Figuur 3.5.6

Drienervige zegge 2009 - 2008 (1) 1970 - 1996 (14)

1975 - 2007

140

het wegverkeer. Daar zijn veel meer eenjarigen te vinden, bijvoorbeeld Vroege haver, Klein vogelpootje, Klein tasjeskruid en Dwergviltkruid. Ook komen er langer levende en opvallender bloeiende planten van droge, schrale graslanden voor zoals Grasklokje, Muizenoor en Hondsviooltje (tabel 3.5.2). De meest in het oog springende verschijning in stuifzandgebieden is echter nog niet genoemd: Jeneverbes, de enige inheemse naaldhoutsoort in Drenthe. In sommige stuifzandterreinen zijn alleen verspreid groeiende exemplaren aanwezig, in andere vormen ze dichte struwelen (zie ook Bossen, paragraaf 3.2.2). Verjonging vindt in deze struwelen vrijwel niet plaats; vaak zijn alle struiken ongeveer even oud. Voor vitale groei heeft Jeneverbes veel licht nodig; in bossen handhaaft zij zich in zieltogende staat, waarbij de struiken dikwijls in een krans van ‘hurkende’ stammetjes uiteenvallen. Een tijdlang leek de Jeneverbes op de langere termijn ten dode opgeschreven, omdat nauwelijks kieming werd waargenomen, noch in en bij de struwelen, noch rondom solitaire struiken. De laatste jaren tonen een iets gunstiger beeld; ook lijkt het

Struikhei en op noordhellingen Kraaihei vestigen, die de ontwikkeling in de richting van een heidevegetatie inluiden. Stuifzanden die bijna weer volledig begroeid zijn geraakt, vormden het zwaartepunt in de verspreiding van Grote wolfsklauw. Deze sporenplant trekt hier profijt van het door het uitstuiven ontstane reliëf: vooral op begroeide noordhellingen ontstaat hier een microklimaat met een constante luchtvochtigheid. Uit de meeste stuifzandheiden is Grote wolfsklauw inmiddels verdwenen, maar in bermen blijkt hij soms ineens zijn kansen te grijpen. De omstandigheden waaronder zijn sporen tot kieming komen, lijken moeilijk voorspelbaar. Voor de Kleine wolfsklauw, die grote heksenkringen vormde in enkele stuifzandheiden (zoals het Aekingerzand op de grens van Drenthe en Friesland), lijken zulke omstandigheden zich niet meer voor te doen: op de oude vindplaatsen heeft de soort het veld geruimd en nieuwe zijn al jaren niet meer ontdekt. Kruidenrijker dan de eigenlijke zandverstuivingen zijn de randen van stuifzandgebieden, waar enige invloed van bemesting doordringt, afkomstig van de landbouw, de recreatie of Gewone veenbies 1990 - 2008 (119) 1970 - 1996 (432)

Hans Dekker

Figuur 3.5.7

Gewone veenbies met bloeiaren


0,35

Figuur 3.5.8

1990 - 2008 (91) 1970 - 1996 (64)

0,3

gem. bedekking (%)

Moeraswolfsklauw

0,25 0,2 0,15 0,1 0,05 0 uw e uw ine da nd da Kle nne Ro nne zo zo

1999 - 2001

ras uw oe kla M olfs w

e ies itt lb W ave sn

e ies uin lb Br ave sn

2003 - 2005 141 Figuur 3.5.8. Op de meetpunten van het LMF-MN in vochtige en natte heideterreinen laten de pioniers een positieve ontwikkeling zien (links) en de verspreiding van Moeraswolfsklauw in Drenthe (rechts).

Pollen Gewone veenbies tussen Gewone dophei in het Echtener Paradijs

Hans Dekker

Natte heidepioniers Moeraswolfsklauw en Kleine zonnedauw koloniseren een plagstrook bij Lange Poel in het Drents-Friese Wold

Hans Dekker

geringe kiemingssucces deels te zijn veroorzaakt door vraatschade, wat zou blijken uit het effect van de enorme teruggang van de konijnenstand.

Vochtige en natte heiden In vochtige en natte heiden is Gewone dophei de meest opvallende soort, vooral omstreeks de langste dag, als zij volop bloeit terwijl Struikhei nog een aantal weken van haar bloei verwijderd is. In vochtige (dus niet zeer natte) heide kan Struikhei echter minstens zo’n groot aandeel hebben als Gewone dophei. Gemeenschappelijk aan vochtige en natte heiden is de Gewone veenbies (figuur 3.5.7), waarvan de dichte horsten vaak ver uit elkaar staan, maar in de herfst sterk opvallen: ze verkleuren dan goudgeel en lijken als vlammen uit de verbruinende heide te slaan. Langs paadjes en op plagplekken staan planten die ook uit heischrale graslanden bekend zijn, zoals Tormentil, Klokjesgentiaan en Heidekartelblad. Vergrassing komt in vochtige en natte heiden voor rekening van Pijpenstrootje, dat een hobbelveld van bulten vormt met daartussen een alles verstikkende massa dor blad. Natte heide onderscheidt zich door de aanwezigheid van een aantal sterk vochtbehoevende soorten, waarvan Beenbreek zowel de fraaiste en opvallendste alsook de meest bedreigde is. Kenmerkend is ook het optreden van veenmossen. Op plagplekken, die in natte heide ’s winters net onder water staan, ontwikkelt zich vaak al vrij snel een karakteristieke en gemakkelijk herkenbare pioniervegetatie. De meest kenmerkende soort is Bruine snavelbies, die ijle matten vormt. Zij wordt vergezeld door Kleine zonnedauw, Moeraswolfsklauw en de in pollen groeiende Witte snavelbies, terwijl ook Blauwe zegge, Klokjesgentiaan en Veelstengelige waterbies dikwijls op dergelijke plagplekken verschijnen. De bodem draagt een dun, paars dek van draadvormige algen. Uiteraard hebben de specifieke soorten van natte heide het meest te lijden gehad


Figuur 3.5.9

Beenbreek

Hans Dekker

1990 - 2008 (41) 1970 - 1996 (71)

Beenbreek, in natte heidevegetatie

Beenbreek, bloeiaar

lenrijkdom kunnen ook voortkomen uit het (voorzichtig!) afbranden van heiden. Kruidenrijke heiden kunnen ook ontstaan door de aanvoer van basenrijk materiaal, vooral door schelpengruis als verharding van fietspaden. Nattere kruidenrijke heiden zijn vaak te vinden op plaatsen met enige kwel van mineraalhoudend grondwater, meestal op de overgang van heiden naar bovenlopen van beekdalen, of langs de dalflanken van bovenloopjes. Kruidenrijke heiden worden gekenmerkt door een grotere soortenrijkdom en door het voorkomen van veel zogenaamde heischrale soorten: planten die zijn aangepast aan voedselarme, maar tamelijk goed tegen verzuring gebufferde gronden. Een karakteristieke en vrij algemene soort van kruidenrijke heiden is Tormentil. Daarnaast omvat deze soortengroep veel minder algemene tot zeer zeldzame soorten die bovendien sterk in frequentie achteruitgaan, zoals Hondsviooltje, Klokjesgentiaan, Welriekende nachtorchis en Valkruid (tabel 3.5.2). De zorgwekkende positie van deze soortengroep wordt behandeld onder de heischrale graslanden (Graslanden, paragraaf 3.9.2).

Hans Dekker

142

Kruidenrijke heiden Heiden die grenzen aan beekdalen of de bovenlopen daarvan, hebben door de aanvoer van mineralen een minder zure bodem. Hetzelfde geldt voor heiden die zich op een relatief goed bufferende bodem bevinden, zoals die met keileem of potklei in de ondergrond. Mooie voorbeelden zijn te vinden op het Eexterveld (heide in bovenloopsituatie op potklei) en Havelte (heide op kalkrijke leem). De voor kruidenrijke heiden benodigde open begroeiing en verhoogde minera-

Hans Dekker

van verdroging. De pioniers, en dan vooral Witte en Bruine snavelbies, Kleine zonnedauw en ook Moeraswolfsklauw (figuur 3.5.8), gaat het tegenwoordig weer aardig voor de wind, vooral dankzij het verwijderen van de vergraste vegetatie in vochtige en natte heideterreinen. Voor kritischer soorten als Beenbreek biedt een gunstiger beheer blijkbaar alleen soelaas binnen natuurgebieden (figuur 3.5.9). Ze blijkt niet in staat om op eigen kracht nog nieuwe terreinen te bereiken of opnieuw te koloniseren.

Kruidenrijke heide met Gevlekte orchis, Trekrus en Gewone dophei in de Holtveenslenk in het Dwingelderveld


Hans Dekker

Klein warkruid, een draadvormige plant zonder bladgroen, die vooral parasiteert op Struikhei

Blonde zegge in de heide voorkomen, zoals vroeger pal naast de Kleine Startbaan in Havelte, en nu nog steeds in heiden bij Roden en op het Eexterveld. Behalve deze kenmerkende soorten zijn in vochtige kruidenrijke heiden soms soorten van kleine zeggenmoerassen en vochtige hooilanden te vinden. Deze weerspiegelen wat voedselrijkere omstandigheden in vergelijking met gewone vochtige heiden. Een voorbeeld is Geelgroene zegge, die als pionier op vochtige plagplekken de ontwikkeling van een kruidenrijke heidevegetatie voorafgaat. Algemenere soorten langs paden en op open plekken in droge kruidenrijke heide zijn Mannetjesereprijs en Liggend walstro. Klein warkruid is aanmerkelijk zeldzamer. Deze parasiteert alleen op jonge heide en is daarom alleen in recent geplagde of gemaaide gedeelten te vinden. Een grote zeldzaamheid van drogere kruidenrijke heiden is Kleine schorseneer, die in Drenthe alleen nog bij Odoorn voorkomt. Een heel bijzondere kruidenrijke heide is te vinden op de noordhelling van de Havelterberg, op kalkhoudende rode keileem. Naast een keur aan heischrale soorten groeit hier een groot aantal planten van boszomen en bossen van rijkere bodems. Voorbeelden zijn Bosanemoon, Echte guldenroede, de zeer sterk afgenomen soorten Fraai hertshooi en Knollathyrus en de uiterst zeldzame Bochtige klaver en Voorjaarszegge. Voor beide laatstgenoemde soorten is dit de enige groeiplaats in Drenthe en bovendien buiten Zuid-Limburg en het gebied van de grote rivieren een van de weinige groeiplaatsen in Nederland.

3.5.3 Mossen

Bochtige klaver

Tussen kruidenrijke heiden en heischrale graslanden komen allerlei overgangen voor; de grens wordt voornamelijk bepaald door het beheer. In tegenstelling tot heiden worden heischrale graslanden regelmatig gemaaid of op zijn minst begraasd, waardoor de structuur opener is en heischrale soorten in grotere hoeveelheden voorkomen. In heiden komen vertegenwoordigers van deze soortengroep vooral voor op plaatsen met een wat opener vegetatie, zoals op afgegraasde plaatsen, langs en op paden, in plagstroken of rond natte kommen. Ook kleinschalig branden of maaien is gunstig voor populaties van heischrale soorten in kruidenrijke heiden. Voorbeelden van algemenere tredvaste soorten die vooral langs padranden voorkomen, zijn (in volgorde van voorkeur voor droog tot nat) Borstelgras, Tandjesgras en Trekrus. Blauwe zegge is een minder zeldzame soort van natte kruidenrijke heiden. Zeldzamer is een aantal soorten die kruidenrijke heiden gemeen hebben met blauwgraslanden, zoals Gevlekte orchis, Blauwe knoop en Klokjesgentiaan. Bij een uitgesproken basenrijkdom en voldoende vochtigheid kunnen zelfs echte blauwgraslandkernen met bijvoorbeeld Spaanse ruiter en

Hans Dekker

In heiden en stuifzanden is het mosdek op veel plaatsen dicht, maar een dicht mosdek bestaat gewoonlijk uit één of weinig soorten. In stuifzanden speelt slechts één bladmossoort een grote rol: Ruig haarmos, dat matten legt in uitgestoven laagten. In heiden overheerst meestal Heideklauwtjesmos of Bronsmos. Figuur 3.5.10. De gecombineerde verspreiding in Nederland van acht heidesoorten die op de Rode Lijst staan en waarvan meer dan 15 procent van de vindplaatsen in Drenthe ligt (tabel 3.5.3). Bron: BLWG Databank Mossen. Figuur 3.5.10 Aantal soorten 1 2-3 4-5 6

(114) (49) (10) (2)

143


Figuur 3.5.11

Variatie in het mossenassortiment en vooral het voorkomen van bijzondere soorten is sterk gebonden aan specifieke micromilieus, vaak noordhellingen. Ook leeftijdsvariatie binnen de heide leidt tot variatie in mossen; een gemaaide of geplagde, vlakke heide toont weinig diversiteit in mossen, ook al neemt zij een grote oppervlakte in. Van 12 mossoorten van heiden heeft Drenthe een aandeel van meer dan 15 procent in de landelijke verspreiding, met Gedrongen schoffelmos (67%) en Gestekeld tandmos (58%) als uitschieters (tabel 3.5.3, figuur 3.5.10).

Gedrongen schoffelmos 1980-2008 (19)

Tabel 3.5.3. In heiden en stuifzanden voorkomende mossen waarvan op atlasblokbasis meer dan 15 procent van de Nederlandse vindplaatsen in Drenthe ligt (bron: BLWG Databank Mossen). Rode Lijst

Atlasblokken Atlasblokken % in Drenthe Drenthe Nederland

Gedrongen schoffelmos

Bedreigd

14

21

67

Gestekeld tandmos

Bedreigd

7

12

58

Kaal tandmos

Kwetsbaar

10

29

34

Strodakmos

Gevoelig

1

3

33

15

57

26

32

133

24

Figuur 3.5.11. Verspreiding Gedrongen schoffelmos in Drenthe

10

44

23

(bron: BLWG Databank Mossen).

21

94

22

Glanzend tandmos Veendubbeltjesmos

Kwetsbaar

Noors mos Bosschoffelmos

Kwetsbaar

Gewoon trapmos

31

160

19

Gekroesd gaffeltandmos

Bedreigd

66

33

18

Steil tandmos

Kwetsbaar

2

12

17

35

221

16

Broedkelkje

micromilieu binnen de heide is Strodakmos in de Gasterse Duinen (van Zanten 1995). Deze soort geldt op Europese schaal als bedreigd (Siebel en Bijlsma 2007) en is daarmee internationaal gezien een belangrijke aanwinst van de Drentse mosflora. Noordhellingen in de heide, in het bijzonder die van lage stuifduintjes, vormen een belangrijk mosbiotoop. Karakteristiek voor dit mossenrijke micromilieu is de ‘open schaduw’: terwijl er weinig of geen direct bestraling door zonlicht plaatsvindt, komt er veel blauwachtig licht dat weerkaatst is door de hemelkoepel. Van dit lichtregime profiteert een reeks van bebladerde levermossen, merendeels tengere en uitdrogings-

Onder oude Struikhei komen diverse levermossoorten voor, onder andere Gewoon trapmos, soms ook Veendubbeltjesmos en het zeldzame, bedreigde Kaal tandmos. In de vervalfase van oude heide is het ernstig bedreigde Gekroesd gaffeltandmos een karakteristieke soort. Met het geïntensiveerde heidebeheer is de oppervlakte oude, ongestoorde heide verminderd, waardoor deze soorten sterk zijn afgenomen. Op plekken met veel humus en strooisel komen soms soorten van boswalletjes in de heide voor, zoals Kortharig kronkelsteeltje, dat eveneens sterk is achteruitgegaan (Greven 1991). Deze soort is mogelijk verdrongen door zijn invasieve verwant Grijs kronkelsteeltje. Een opmerkelijke nieuwkomer in dit

Figuur 3.5.12. Verspreiding Glanzend tandmos in Drenthe (bron: BLWG Databank Mossen). Figuur 3.5.12

Glanzend tandmos 1980-2008 (17)

Gaaf buidelmos

Arjan de Groot

144

Nederlandse naam


Heidefranjemos

Bert Oving

gevoelige plantjes. Op beschutte noordhellingen in reliëfrijke heide is het drietal Broedkelkje, Glanzend tandmos en Gewoon trapmos nog regelmatig te vinden. Binnen de groep van levermossen van noordhellingen staat Gedrongen schoffelmos (figuur 3.5.11) op de naar verhouding droogste plekken. Het komt hier en daar nog voor op lemig zand op plaatsen waar enige instuiving optreedt. Op wat minder droge plekken komen Gestekeld tandmos en Heidefranjemos voor. Weer andere soorten prefereren noordkantjes die extra veel neerslag vasthouden (met inbegrip van dauw en rijp), zoals die onder meer voorkomen binnen Jeneverbesstruwelen. Deze micromilieus herbergen Glanzend tandmos (figuur 3.5.12), Kaal en Steil tandmos en Bosschoffelmos. Tevens staan hier algemeen voorkomende soorten als Nerflevermos en Gaaf buidelmos die ook veel op boswalletjes groeien. Met veel van de genoemde levermossen gaat het de laatste decennia slecht, terwijl toch veel aandacht wordt besteed aan het beheer van heiden en stuifzanden. Op zandgronden in het midden en zuiden van het land zijn verscheidene soorten nagenoeg verdwenen. Vermoedelijk is de stikstofdepositie, waarvan het niveau hier nog hoger ligt dan in Drenthe, debet aan deze verarming door het sneller dichtgroeien van groeiplaatsen. Voor sommige noordelijke levermossoorten komt hier nog bij dat relictpopulaties door het warmer wordende klimaat in de zuidelijke helft van ons land uitsterven. De zorg voor instandhouding van de resterende populaties komt daarmee in versterkte mate bij de provincie Drenthe te liggen. De begroeiing van stuifzanden en stuifzandheiden wordt op het oog vaak door mossen gedomineerd, maar het aantal soorten is zeer beperkt. Op lemige plekken, vaak uitgestoven laagten met veel kiezelstenen, komt Noors mos plaatselijk massaal voor. Voorzichtigheid is op zulke groeiplaatsen geboden, omdat deze soort door afplaggen kan verdwijnen.

145

Mozaïek van droge heide en korstmossen in de Gasterse Duinen

Arjan de Groot

Arjan de Groot

de landelijke verspreiding van een aantal kenmerkende soorten van heiden en stuifzanden (figuur 3.5.13). Een typisch Drents verschijnsel is de sterke onderlinge verwevenheid van beide biotopen: in talloze kleine en grotere ‘zandjes’ is een mozaïek van droge heide en stuifzandvegetatie te vinden. Deze combinatie wordt ook wel aangeduid met de term ‘psammofiele heide’ (onder andere in het kader van Natura 2000), en is zeer fraai te zien in de Gasterse Duinen, het Ter Horsterzand, het Orvelterzand, het Drouwenerzand en het Mantingerzand. In de kleinschalige vegetatiepatronen nemen korstmossen uit het geslacht Cladonia (rendiermossen, heidestaartjes, bekermossen) een prominente plaats in (tabel 3.5.4, figuur 3.5.14). Op een paar vierkante meter zijn soms wel twintig soorten uit deze groep aan te treffen. Bijzonderheden zijn Sierlijk rendiermos, Gebogen rendiermos, Open heidestaartje, Ezelspootje, Plomp bekermos, Wrattig bekermos, Slank stapelbekertje, Stuifzandstapelbekertje, Randstapelbekertje en Hamerblaadje, plus Stuifzandkorrelloof en IJslands mos die tot andere korstmosgeslachten behoren. Randstapelbekertje

Plomp bekermos

3.5.4 Korstmossen Wat hun korstmosflora betreft, behoren de Drentse stuifzanden en heidevelden tot de soortenrijkste en mooist ontwikkelde van Nederland. De provincie heeft een groot aandeel in


146

Tabel 3.5.4. In heiden en stuifzanden voorkomende Rendiermossen, Bekermossen en Heidestaartjes die op de Rode Lijst staan of waarvan op atlasblokbasis meer dan 15 procent van de Nederlandse vindplaatsen in Drenthe ligt (bron: www.blwg.nl). Nederlandse naam

Rode Lijst

Atlasblokken Atlasblokken % in Drenthe Drenthe Nederland

Breekbaar heidestaartje

22

71

31

Plomp bekermos

18

76

24

Slank stapelbekertje

Kwetsbaar

26

114

23

Hamerblaadje

Bedreigd

21

90

23

15

75

20

Stuifzandstapelbekertje Open heidestaartje

Kwetsbaar

31

166

19

Ezelspootje

Kwetsbaar

29

152

19

Doornig heidestaartje

Ernstig bedreigd

9

50

18

Gewoon stapelbekertje

27

166

16

Girafje

20

126

16

Varkenspootje

25

168

15

Gebogen rendiermos

Kwetsbaar

24

204

12

Gevlekt heidestaartje

Verdwenen

2

18

11

Bert Oving

staat op de Rode Lijst nog als verdwenen soort, maar is de laatste jaren weer in een aantal stuifzandgebieden gevonden. Vaak wordt gedacht dat de genoemde korstmossen een grote oppervlakte stuivend zand nodig hebben, maar dat is niet het geval. Het zijn juist de kleinschalige afwisseling, het ecologische precisiewerk en de langdurige ongestoorde ontwikkeling die de Drentse terreinen zo bijzonder maken. De Gasterse Duinen zijn voor Cladonia’s het rijkste terrein van ons land, rijker dan de vele malen grotere, bekende stuifzanden op de Veluwe. ReliÍf in de vorm van steilkantjes vergroot de variatie aan micromilieus voor korstmossen. Breekbaar heidestaartje, Mosoogje en Heideoogje komen op zulke kantjes veel voor. Op lemige plekken zijn heikorst-soorten te vinden; uit deze groep komt de Rode heikorst vrij algemeen voor. Op het BallooÍrveld groeit de zeer zeldzame Roze heikorst. Een derde soort heikorst, Baeomyces placophyllus, kwam tot 1970 voor in het Nuilerveld, de laatste groeiplaats in ons land. Korstmosrijke heide met Varkenspootje en Gebogen rendiermos

De korstmosrijke stuifzandbegroeiingen zijn uitvoerig bestudeerd door A.K. Masselink (1994). Hij onderscheidt een aantal fasen van open zand naar een gesloten door korstmossen gedomineerde vegetatie. Door de extreme voedselarmoede kan het vele decennia duren voordat de eindstadia bereikt worden, en deze stadia kunnen zeer stabiel zijn zonder noemenswaardige vergrassing. Voorkomen moet worden dat juist zulke stukken open worden gemaakt bij goedbedoelde plannen om de verstuiving weer meer kans te geven.

Figuur 3.5.13. (links onder) De gecombineerde verspreiding in Nederland van vijf voor heide en stuifzand typerende korstmossen (Open heidestaartje, Slank stapelbekertje, Hamerblaadje, Ezelspootje en Stuifzandkorrelloof). Bron: van Herk en Aptroot 2004b. Figuur 3.5.14. (onder) De gecombineerde verspreiding van 17 voor heide en stuifzand typerende soorten rendiermossen, bekermossen en heidestaartjes (Cladonia spp.) in Drenthe (bron: BLWG Databank Mossen).


Heideterreinen waarin stuifzandachtige elementen afwezig zijn, zijn gewoonlijk veel armer aan korstmossen. De bekende ‘paarse heide’ is visueel aantrekkelijk, maar vormt doorgaans alleen een groeiplaats voor een aantal gewone soorten, zeker als er ook nog eens weinig reliĂŤf aanwezig is. De meest algemene korstmossen in dit type heide zijn Dove heidelucifer, Rode heidelucifer, Rood bekermos, Bruin bekermos, Rafelig bekermos, Open rendiermos en Bruine veenkorst. Diverse grote heidecomplexen, zoals het Doldersummerveld en het Dwingelderveld, behoren tot dit type. Droge, door Struikhei gedomineerde heide is niet altijd zo arm geweest: tot in de jaren 1970 kwamen ook soorten als Girafje, Varkenspootje en Gebogen rendiermos veelvuldig in dit type heide voor. Vermoedelijke oorzaak van de verarming is de stikstofdepositie, die in de weinig doorlatende heidebodems een veel sterker effect op korstmossen heeft dan in poreuze stuifzandbodems, waar voedingsstoffen gemakkelijk naar het grondwater uitspoelen. De vochtige, door Gewone dophei gedomineerde heide kende vroeger ook een aantal karakteristieke soorten korstmossen. Het gaat hierbij vooral om heiden waar ‘s winters het grondwater tot op het maaiveld kwam, en waar de bodem ‘s zomers oppervlakkig uitdroogde. Een mooi voorbeeld was het Noordsche Veld bij Zeijen, waar Doornig heidestaartje, Hamerblaadje en Gebogen rendiermos te vinden waren. Van de korstmosrijke vochtige heide is in heel Nederland, inclusief Drenthe, niets meer over. De oorzaak van deze achteruitgang is niet precies bekend; vermoedelijk heeft de invloed van de stikstofdepositie in dit biotoop een veel sterker verarmende invloed op de korstmossen gehad dan in de droge heide of het stuifzand, waar stikstofverbindingen gemakkelijker naar de diepte uitspoelen. IJslands mos stond vroeger ook in dit type vochtige heide, onder andere bij Mantinge. Opvallend genoeg heeft IJslands mos zich wel kunnen handhaven in een paar stuifzanden, maar daar gaat de soort recent sterk achteruit, wat waarschijnlijk verband houdt met de klimaatverandering.

3.5.5 Paddenstoelen Stuifzanden vormen voor paddenstoelen een ongunstige omgeving vanwege de schamele vegetatie en de daarmee samenhangende geringe hoeveelheid strooisel, en vanwege het sterk uitdrogende microklimaat. Met vijf tot tien soorten per duizend vierkante meter zijn ze zeer arm aan soorten en de weinige vruchtlichamen verschijnen meestal pas laat in het jaar. Een paar kenmerkende soorten zijn aan mossen gebonden, zoals het Zandkaalkopje en het Oranje mosschijfje. Droge en vochtige heidevegetaties zijn met ongeveer 15-30 soorten per duizend vierkante meter vrij arm aan paddenstoelen. Het merendeel van deze soorten draagt bij aan de afbraak van het moeilijk verteerbare heidestrooisel, bijvoorbeeld Eikenbladzwammetje, Paardenhaartaailing, Melksteelmycena en Kleine bloedsteelmycena. Op dikke strooisellagen kunnen deze soorten zeer talrijk zijn met soms meer dan duizend vruchtlichamen per duizend vierkante meter. De genoemde soorten zijn niet kenmerkend voor heidevegetaties, maar komen ook veel voor op ruw strooisel in loof- en naaldbossen op zure grond. Enkele zeldzamere paddenstoelen zijn wel typisch voor heide-



  

147 Figuur 3.5.15. De verspreiding van de Veenmossatijnzwam, een kenmerkende paddenstoel voor natte heidevelden in Nederland, op basis van atlasblokken (5 x 5 km) (data 1999-2007, Nederlandse Mycologische Vereniging).

velden, zoals de Veenmossatijnzwam en de Veenmycena voor vochtige dopheivegetaties en de Heideknotszwam voor drogere Struikheigemeenschappen. Drenthe telt nog relatief veel goed ontwikkelde natte heidevelden, hetgeen ook in het landelijke verspreidingspatroon van de kenmerkende Veenmossatijnzwam tot uiting komt (figuur 3.5.15). Naast strooiselverteerders komen in de heide regelmatig paddenstoelen voor die met de vele mossen samenleven, zoals Oranje en Geelbruin mosklokje. In open heidevelden ontbreken mycorrhizapaddenstoelen. Soorten van de heidefamilie vormen wel steevast mycorrhiza maar dit is een eigen type waarbij voor zover bekend geen paddenstoel vormende schimmels betrokken zijn. Bij vliegdennen en andere boomopslag kunnen wel mycorrhizapaddenstoelen groeien. Voor vrijwel alle houtpaddenstoelen zijn de takjes van heidesoorten te dun en klein. De paddenstoelen van dopheidevegetaties in Drenthe zijn tussen 1974 en 1996 bestudeerd vanuit het voormalige Biologisch Station in Wijster. Vier proefvlakken werden van 1997 tot 1999 opnieuw onderzocht. Uit de niet gepubliceerde resultaten blijkt dat zich grote verschuivingen hebben voorgedaan (tabel 3.5.5). Het totaal aantal soorten per proefvlak is in de tweede periode slechts weinig lager, maar het aandeel van strooiselpaddenstoelen is sterk afgenomen. Dit komt nog duidelijker tot uiting bij de afzonderlijke soorten (tabel 3.5.6). Het gemiddelde aantal vruchtlichamen van voorheen zeer talrijke soorten als Melksteelmycena, Kleine bloedsteelmycena en Eikenbladzwammetje is zelfs dramatisch gedaald. Deze achteruitgang staat in direct verband met het gevoerde beheer. In de jaren zeventig waren de proefvlakken bedekt met volgroeide heide en voorzien van een dikke strooisellaag. Gedurende de twintig jaar tot aan het vervolgonderzoek zijn alle proefvlakken vroeger of later geplagd, waardoor het substraat voor strooiselpaddenstoelen vrijwel verdwenen is. In de open, verjongde heide moeten zij zich geleidelijk opnieuw vestigen. Voor een goed ontwikkelde mycoflora moeten heidevegetaties zich enkele decennia ongestoord kunnen ontwik-


Marian Jagers

148

Heideknotszwam

kelen. Slechts enkele paddenstoelen zijn kenmerkend voor de pionierfase van heidevelden, zoals de Heideknotszwam op droge, zandige gronden en de Veenvlamhoed op natte, humeuze gronden. Deze soorten zijn in de proefvlakken inderdaad iets toegenomen (tabel 3.5.5). De onbegroeide, minerale bodem na het plaggen biedt goede kiemmogelijkheden aan zaden van berken, dennen en andere bomen. Dit komt tot uiting in de sterke toename van soorten mycorrhizapaddenstoelen (tabel 3.5.5). Uit paddenstoeleninventarisaties elders in de provincie blijkt dat de gegevens uit de proefvlakken representatief zijn voor de situatie in Drenthe. Aparte vermelding verdienen sommige mestbewonende paddenstoelen die hun optimum hebben in door runderen of paarden begraasde heidegebieden, zoals het Hijkerveld, het Doldersummerveld, het Terhorsterzand en vele andere heidereservaten. In de jaren zeventig werden in de meeste gebieden nog weinig mestpaddenstoelen in de heide gevonden, hoofdzakelijk kleine inktzwammetjes en schijfzwammetjes op de keutels van schapen, reeĂŤn en konijnen. Met de komst van paarden en koeien op de heide ontstond hier een nieuw micromilieu voor paddenstoelen: vaste, zeer strorijke en langzaam verterende uitwerpselen van deze herkauwers. Tabel 3.5.5. Veranderingen in de paddenstoelenflora in vier proefvlakken in vochtige dopheivegetaties tussen 1974-1976 en 1997-1999 (ongepubliceerde gegevens Biologisch Station Wijster). Ecologische groep

1974-1976

1997-1999

Ze worden bewoond door een aantal opvallende mestpaddenstoelen. Een deel van deze soorten was vroeger algemeen in boerengraslanden, bijvoorbeeld Kleefsteelstropharia en Franjevlekplaat. Door het eenzijdige, stroarme dieet zijn ze daar schaars geworden en ten dele zelfs op de Rode Lijst beland (zie Graslanden, paragraaf 3.9.4). In begraasde natuurgebieden is juist een sterke toename te zien. Andere soorten zijn al vanouds vrijwel beperkt tot mest in schrale natuurgebieden. Donzig breeksteeltje en Geringde vlekplaat kunnen welhaast als kensoorten van beweide heiden worden beschouwd en zijn daar vaak talrijk. Andere, veel zeldzamere mestpaddenstoelen zijn pas recent in Drentse natuurgebieden opgedoken, zoals Geringde inktzwam, Grote speldenprikzwam en Paardenvijgbreeksteeltje. Een Drentse specialiteit is het zeldzame Harig kaalkopje dat niet direct op uitwerpselen groeit, maar op stikstofrijke plekjes in overigens voedselarm milieu waar mest heeft gelegen of vee heeft geĂźrineerd. Binnen Nederland heeft deze soort een duidelijk optimum in Drenthe. Zoals eerder vermeld vormen de planten van heiden en stuifzanden geen ectomycorrhiza met paddenstoelen vormende schimmels. Toch kunnen droge heidevelden en vooral stuifzanden voor mycorrhizavormers zeer waardevol zijn, namelijk in de nabijheid van solitaire bomen zoals vliegdennen, in jonge, spontane dennenbosjes op open zand, in oude boomgroepen van loofbomen zoals kleine eikenstrubben en in overgangszones naar bossen, in het bijzonder bossen van Grove den. Waardevolle terreinen wat dit betreft zijn onder meer het Drouwenerzand, het Westerzand, het Holtingerzand en het Kamperzand bij Havelte, de Hoekenbrink bij Diever en het Odoornerzand. Hier liggen de laatste vindplaatsen van kenmerkende soorten uit het verdwenen Korstmossendennenbos (zie Bossen, paragraaf 3.2.5), zoals Gele ridderzwam, Witbruine ridderzwam, Glanzende ridderzwam en Rookrussula. Gezien de voortschrijdende bodemontwikkeling in bossen op voormalige stuifzanden worden de standplaatsen in en aan de rand van nog bestaande stuifzandkernen steeds belangrijker. Deze vindplaatsen staan echter onder druk van beheersingrepen. Bomen worden er vaak gekapt om stuifzandvegetaties levensvatbaar te houden of meer ruimte te geven. Het is bij deze ingrepen belangrijk om enkele bomen te sparen, vooral als daarvan bekend is dat er zeldzame mycorrhizapaddenstoelen voorkomen.

Tabel 3.5.6. Veranderingen in presentie en aantallen vruchtlichamen van enkele paddenstoelen in vier proefvlakken in vochtige dopheivegetaties tussen 1974-1976 en 1997-1999 (ongepubliceerde gegevens Biologisch Station Wijster). Soort

1974-1976

1997-1999

% van proef- gem. aantal vlakken vruchtlichamen

% van proef- gem. aantal vlakken vruchtlichamen

Gestreepte trechterzwam

100

86

25

7

Eikenbladzwammetje

100

134

50

4

16

Kleine bloedsteelmycena

75

323

50

7

3,0

14

Zilversteelsatijnzwam

100

118

75

3

1

2,5

12

Melksteelmycena

100

644

75

69

4

0,3

1

Paardenhaartaailing

100

1210

75

223

Veenvlamhoed

50

2

50

20

Heideknotszwam

0

0

25

3

gemiddeld aantal soorten

%

gemiddeld aantal soorten

%

Saprotroof op strooisel

10,5

44

7,0

33

Afgenomen soorten

Saprotroof op humus, grond

4,8

20

5,2

24

Saprotroof op mest

4,2

18

3,5

Samen met mossen

3,2

14

Mycorrhizavormers

0,2

Parasitair op insecten

1,0

Toegenomen soorten Totaal aantal soorten

23,9

21,5


3.5.6 Zoogdieren

troffen (tabel 3.5.7). Daarnaast kan men er enkele grotere zoogdieren tegenkomen, zoals Ree, Vos en Haas. Kenmerkend voor droge heiden en stuifzandgebieden was het Konijn. De Konijnenstand in Drenthe is echter gedecimeerd, al is recent sprake van enig herstel (figuur 3.5.16), ook landelijk. Konijnenholen vormen nestplaatsen voor holenbroeders zoals de Tapuit. Daarnaast was het Konijn een belangrijk prooidier voor predatoren zoals Vos, Hermelijn en Bunzing en bepaalde roofvogelsoorten (Havik, Buizerd).

Alle zoogdieren die in heiden voorkomen, vinden hun optimale leefomstandigheden in andere biotopen. De dichtheden in heiden zijn meestal laag en de aanwezige soorten zijn vaak te vinden op de overgang naar aangrenzende biotopen zoals bossen en grasland. De Bosmuis komt zowel in droge als natte heide voor. De Dwergmuis is zowel in velden van Pijpenstrootje als in droge Struikheibegroeiing te vinden. Ook Bosspitsmuis en Aardmuis worden in heiden aange-

Tabel 3.5.7. Aantallen kleine zoogdieren, gevangen in verschillende heidetypen op het Dwingelderveld (Quist en Smaal 1991). Natte heide

Droge heide

Dominante soort

Gewone dophei

Pijpenstrootje

Pitrus

Struikhei

Struikhei

Kraaihei

Bochtige smele

onbegroeid

Hoogte vegetatie (cm)

25-30

50-100

80-100

<30

30-60

50

25

0

Bosspitsmuis

-

5

4

-

1

3

-

-

Bosmuis

18

41

8

10

7

13

9

-

Rosse woelmuis

1

-

-

-

-

-

-

-

Dwergmuis

-

7

-

-

21

1

-

-

Aardmuis

-

1

-

-

5

1

-

-

149

350 300

index (1997=100)

250 200 150 100 50 0 1997

Het Drentse heideschaap  Het meest kenmerkende zoogdier van de heide is het Drentse heideschaap. Van dit oude landras worden twee typen onderscheiden, namelijk het oud-Drentse en het nieuw-Drentse type. Het oud-Drentse is zeer zeldzaam. Het is een vrij klein en rank gebouwd schaap, met een lange behaarde staart die minstens tot op de hak reikt (Stichting ‘Vrienden van de schaapskudde Ruinen’ 2009). De rammen hebben prachtig gedraaide hoorns. Ook de meeste ooien dragen hoorns, die echter kort en recht zijn. Drentse heideschapen zijn bij uitstek aangepast aan leven in een schrale omgeving, eens zo kenmerkend voor de hoger gelegen zandgronden in Drenthe. Het nieuw-Drentse type is ontstaan door inkruising met Schoonebeekers. Dit lokale schapenras, afkomstig uit de omgeving van Schoonebeek, stelt wat hogere eisen aan het voedselaanbod en was vroeger vooral te vinden op de randen van het Drents Plateau. Anno 2010 zijn er in Drenthe nog enkele kudden van Drentse heideschapen en Schoonebeekers, onder andere bij Ruinen, Balloo en Havelte. Ze leveren een belangrijke bijdrage aan het beheer van de nabijgelegen grote heideterreinen en zijn ook van grote cultuurhistorische betekenis. Op een heideterrein bij Odoorn zijn schapen ingeschaard in het zogenaamde Schapenpark.

André Eijkenaar

2005

2008 Nederland

Figuur 3.5.16. Aantalsontwikkeling van het Konijn in Drenthe in de periode 1997-2008 (bronnen: Zoogdiervereniging VZZ, CBS).

Geert de Vries

Konijn

2000 Drenthe

Ram van het Drentse heideschaap


nat

150

Dodaars

xx

Zwarte stern

xx

Wintertaling

xx

droog Bedreigd

x

Kwetsbaar Gevoelig

Trend Drenthe 19902007

Aantal broedparen Drenthe 1998-2000

Rode Lijst

Heide, hoogveen met bomen en struiken

Open heide, hoogveen

Venoevers

Ven voedselrijk

Ven voedselarm

Tabel 3.5.8. Biotoopkeuze van een aantal kenmerkende broedvogels van vennen, hoogveen, heide, stuifzand in Drenthe, inclusief verdwenen soorten. (x) enige voorkeur en (xx) sterke voorkeur.

min

max

213

293

1

10

––

640

777

– +

+

Roodhalsfuut

xx

Geoorde fuut

xx

Bergeend

xx

Krakeend

xx

70

80

Wilde eend

xx

17.708

25.161

=

Zomertaling

xx

Kwetsbaar

77

90

=

Slobeend

xx

Kwetsbaar

233

258

=

Tafeleend

xx

24

29

?

Kuifeend

xx

611

779

+

Meerkoet

xx

2.781

3.843

=

x

3

7

84

172

++

97

146

– ++

Waterral

xx

166

206

+

Kokmeeuw

xx

3.258

4.189

Bruine kiekendief

x

29

32

=

Porseleinhoen

x

20

31

+

Waterhoen

x

1.598

2.195

Visdief

x

14

29

Kleine karekiet

x

2.342

3.889

+

Rietgors

xx

xx

6.446

9.164

+

Kraanvogel

x

xx

0

1

+

Kwetsbaar Kwetsbaar

Watersnip

x

xx

Bedreigd

248

307

Tureluur

x

xx

Gevoelig

428

531

Sprinkhaanzanger

x

xx

Blauwborst

x

x

x

198

287

=

325

390

+

18.071

27.057

––

Kievit

xx

Grutto

xx

Gevoelig

1.053

1.168

––

Graspieper

xx

Gevoelig

6.913

7.864

+

Velduil

x

Ernstig bedreigd

2

5

Goudplevier

x

Verdwenen

Bosruiter

x

Blauwe kiekendief

x

x

Veenpatrijs

x

x

Verdwenen

Patrijs

x

x

Wulp

x

x

Veldleeuwerik

x

xx

Korhoen

x

x

Paapje

xx

Duinpieper

Verdwenen

Gevoelig

1

1

=

Verdwenen Kwetsbaar Gevoelig x

Ernstig bedreigd

x

Bedreigd

xx

376

542

1.246

1.438

6.037

8.436

Verdwenen 226

Ernstig bedreigd

Tapuit

xx

Bedreigd

Grauwe kiekendief

x

Ernstig bedreigd

Nachtzwaluw

x

xx

Boomleeuwerik

x

xx

Roodborsttapuit

x

Kwetsbaar

––

350

Verdwenen 130

173

0

2

––

38

46

+

390

466

+ ++

=

xx

769

823

Boompieper

xx

9.530

12.201

=

Grasmus

xx

25.165

29.020

+

Fitis

xx

71.719

87.621

Staartmees

xx

3.139

4.172

=

Grauwe klauwier

xx

Bedreigd

136

165

=

Klapekster

xx

Ernstig bedreigd

Geelgors

xx

Kneu

 

 

 

 

 

xx

Gevoelig

0

1

=

6.086

7.718

+

4.014

5.001

=


3.5.7 Vogels

Geert de Vries

Broedvogels Het aantal broedvogelsoorten van Drentse heiden en stuifzanden is vrij groot. Dat is te danken aan de afwisseling van natte en droge delen en de variatie in landschappelijke openheid (door de plaatselijke aanwezigheid van opslag van bomen en struiken). Karakteristiek voor vochtige en natte heiden zijn Paapje, een aantal eendensoorten en enkele weidevogels (tabel 3.5.8). Vooral de openheid van het landschap is voor deze soorten belangrijk. Vergeleken met vochtige en kruidenrijke cultuurgraslanden waren natte heidevelden voor de meeste weidevogels een marginaal broedgebied, maar door het instorten van de weidevogelstand in de graslanden zijn de rollen omgekeerd. Weidevogels als Watersnip, Tureluur, Kievit, Veldleeuwerik en Graspieper broeden tegenwoordig op heide vaak in hogere dichtheden dan op graslanden. De Wulp vormt in dit opzicht een uitzondering. Eenden, vooral Wintertaling, broeden bij de talrijke vennen en heideplassen. In enigszins ruige grazige delen van natte heiden is soms ook de snerpende zang van de Sprinkhaanzanger te horen. Op de drogere heidevelden kan de lucht nog vol zijn van zingende Veldleeuweriken. Wanneer de heide begroeid raakt met opslag vestigen zich spoedig soorten als Fitis, Boompieper, Roodborsttapuit en Geelgors. Vooral de Boompieper, die zijn opvallende baltsvlucht begint vanuit een boom of struik, is karakteristiek. Op open heide en zandverstuivingen met enige verspreide bomen broedt de Boomleeuwerik. In jeneverbesstruwelen nestelen enkele soorten van bos en struweel, zoals Staartmees en Goudvink. Zandige, boomloze en schaars begroeide delen van heiden en zandverstuivingen zijn het domein van Tapuit en Witte kwikstaart en in het verleden van de Duinpieper. Spaarzaam met bomen en struiken begroeide heiden kunnen een geschikt broedterrein zijn voor de Grauwe klauwier en in het verleden de Klapekster. Deze beide klauwiersoorten hebben de gewoonte om hun prooien - kleine zoogdieren, grote insecten als mestkevers en Levendbarende hagedissen - aan een doorn of een takpunt te spietsen. Een vogelsoort die niet op heiden broedt, maar er wel jaagt, is de Boomvalk. Deze acrobaat onder de roofvogels leeft niet alleen van kleine vogels, maar ook van grote libellen. In landelijk

Boompieper

perspectief zijn de Drentse heidevelden belangrijk voor Paapje, Wintertaling, Boompieper en Tapuit. Van deze soorten broedt respectievelijk 48, 31, 27 en 22 procent van de Nederlandse populatie in Drenthe. Op heiden en stuifzanden komen veel soorten voor die landelijk en internationaal beschermd zijn. Bijna de helft van de soorten in tabel 3.5.8 staat op de Rode Lijst. Diverse ontwikkelingen in de twintigste eeuw hebben de broedvogelbevolking van heiden en stuifzanden sterk negatief beïnvloed. De grootschalige ontginningen in de eerste helft van de eeuw resulteerden in een sterke inkrimping en versnippering van het heideareaal. De resterende terreinen kregen te kampen met verdroging en vergrassing. Het omringende cultuurlandschap, voor veel heidevogels van belang als voedselgebied, veranderde sterk door schaalvergroting en intensivering van het grondgebruik. Door deze ontwikkelingen zijn veel kenmerkende heidebroedvogels uit Drenthe verdwenen, zoals Korhoen, Duinpieper en Klapekster, of sterk in aantal afgenomen, zoals Patrijs, Blauwe

Hans Dekker

Voedsel en heidevogels  Insecten zijn een belangrijke voedselbron voor vogels op de heide. Weliswaar is de dichtheid aan insecten op de heide in het algemeen gering, maar dit wordt voor een deel gecompenseerd door het talrijk voorkomen van grote insecten zoals mestkevers en sprinkhanen, die geschikte prooidieren zijn voor vogels. Desondanks is op heidevelden weinig voedsel beschikbaar, omdat bijvoorbeeld belangrijke prooidieren als Regenwormen en slakken ontbreken. Daarom maken op heide broedende Wulpen voedselvluchten naar omringende graslandgebieden. Ook Patrijs en Veldleeuwerik zijn voor hun voedsel gedeeltelijk afhankelijk van akkers en graslanden in de naaste omgeving. Voor soorten als Boomleeuwerik, Tapuit en Duinpieper is het aanbod van insecten op het kale stuifzand of op zuidhellingen, waar het droog en warm is, doorslaggevend voor het broedsucces.

Tapuit

151


index (1990=100)

150

als broedvogel aanwezig, maar in het algemeen is de stand kwijnend. Uitzondering hierop vormt het Aekingerzand bij Appelscha, waar biotoopuitbreiding en het beheer samen de sleutel tot het succes van de Tapuit lijken te vormen. De stand is hier in recente jaren is toegenomen tot meer dan 40 paren (van Dijk 2001). Sinds 1970 is de stand van zowel de Wulp als de Veldleeuwerik ongeveer gehalveerd. Tegelijk is de biotoopvoorkeur van beide soorten veranderd, waarbij ze een vrijwel tegengestelde ontwikkeling laten zien (figuur 3.5.18 en figuur 3.5.19). De Wulp is op de heide sterk afgenomen en daar nu zo goed als verdwenen. In het agrarisch gebied wist de soort zich lange tijd goed te handhaven, al vindt recent ook daar afname plaats. De afname op de heide is het gevolg van verminderd broedsucces, veroorzaakt door veranderingen op de heide zelf (plaggen en begrazing in rasters, zie Van Dijk 2007) en in het cultuurland rondom de heide, waar de Wulpen voedsel zoeken. Hierdoor is het broedsucces op heidevelden teruggelopen (Bijlsma 1994, van Dijk 1997, van Dijk en Bijlsma 2006). De Veldleeuwerik is juist sterk afgenomen in het agrarisch gebied en toegenomen

100

50 1984

1988

1992

Alle soorten

2000

2004

2008

Heide, hoogveen

en Grauwe kiekendief, Grutto, Wulp, Kemphaan, Velduil en Tapuit. Hiertegenover staat de toename van soorten als Roodborsttapuit, Boomleeuwerik, Veldleeuwerik, Graspieper, Boompieper en Rietgors. Opvallend aan deze opsommingen is dat vooral grote vogelsoorten het veld hebben geruimd, terwijl kleine soorten in aantal toenamen. Op heidevelden broeden nu soorten die voorheen talrijk in het agrarisch cultuurlandschap voorkwamen, zoals Veldleeuwerik (figuur 3.5.17), Graspieper, Paapje, Roodborsttapuit en Kneu. Gezien de ontwikkelingen in het cultuurlandschap zal de betekenis van heidevelden voor deze soorten alleen maar toenemen. De Tapuit staat te boek als een typische vogel van heide en stuifzand met stukken kale bodem en korte vegetatie. Daar kan hij achter insecten aanrennen en vindt hij nestgelegenheid in oude konijnenholen of andere holten. Door vergrassing en verruiging van de heide en door de enorme afname van het Konijn is de stand van de Tapuit sterk teruggelopen. Dankzij beheersmaatregelen als begrazing, plaggen en maaien is hij op sommige reliĂŤfrijke zandige heideterreinen nog steeds

Hans Dekker

Figuur 3.5.17. Aantalsontwikkeling (BMP) van alle soorten in Drenthe en alle soorten op heiden, stuifzanden en hoogvenen.

Wulp

350

1000

300 800

aantal paren

250 aantal paren

152

1996

200 150

600

400

100 200 50 0

0 1970 1974 1978 1982 1986 1990 1994 1998 2002 2006 Agrarisch

Heide

1970 1974 1978 1982 1986 1990 1994 1998 2002 2006 Agrarisch

Heide

Figuren 3.5.18.en 3.5.19. Aantal broedparen van Wulp (links) en Veldleeuwerik verdeeld over de biotopen heide en agrarisch gebied in een deel van ZuidwestDrenthe in 1970-2006 (A.J. van Dijk & J. Kleine). De lage stand van beide soorten in 1986 houdt verband met sterfte door strenge winters.


Albert Henkel

Heidebeheer en broedvogels  In de afgelopen decennia zijn op veel heidevelden in Drenthe beheersmaatregelen uitgevoerd om de heidebegroeiing te behouden en te herstellen, zoals plaggen, branden, maaien, begrazen en verwijderen van opslag. Op het Dwingelderveld is het effect van deze maatregelen op de broedvogelstand uitgezocht. Gemeten over perioden van vijf en tien jaren voor en na uitvoering van deze maatregelen blijkt het effect op meeste vogelsoorten van de open heide overwegend positief. De Kievit broedt graag op heide met korte lage begroeiing. In de periode na het branden was de stand gemiddeld hoger dan in de jaren ervoor (figuur 3.5.20). De Kievitenstand op het Dwingelderveld was in 1964-1970 en 1985-1995 met 40-85 paren hoog, juist in de perioden waarin veel stukken heide werden gebrand, gemaaid of geplagd. De Roodborsttapuit, die van enigszins ruige heidebegroeiing houdt, neemt na het plaggen eerst enkele jaren in aantal af, om met het uitgroeien van de heidevegetatie weer op het oude niveau te komen (figuur 3.5.21).

Roodborsttapuit in top van Jeneverbes Roodborsttapuit

50

10

40

8 aantal paren

aantal paren

Kievit

30

20

6

4

2

10

0 -10.00

153

-5.00 0.00 5.00 Aantal jaren voor en na branden

10.00

0 -10.00

-5.00 0.00 5.00 Aantal jaren voor en na branden

10.00

Figuur 3.5.20 en 3.5.21. Effect van het branden van heide op de stand van de Kievit en van het plaggen op de stand van de Roodborsttapuit op het Dwingelderveld (Van Dijk 2007, Kleine et al. 1989-2007). De jaarlijkse stand op de gebrande en geplagde percelen is weergegeven in staven, de pijl is het jaar van uitvoering van de beheersmaatregel. De grijze en zwarte balken geven de gemiddelde stand weer in een periode van vijf respectievelijk tien jaren voor en na de ingreep.

op de heide. Deze toename lijkt vooral samen te hangen met beheersmaatregelen als plaggen, maaien, begrazen en kappen van opslag en bos. Hierdoor kon zich een voor leeuweriken gunstig afwisselend vegetatiedek ontwikkelen en vaak ook handhaven (van Dijk 2007, van Dijk en Heinemeijer 2005, van Dijk en Bijlsma 2006).

Wintergasten en doortrekkers In de winter liggen heidevelden er wat verlaten bij, omdat de meeste broedvogels zuidwaarts zijn getrokken om te overwinteren. Maar schijn bedriegt. Voor sommige soorten zijn heidevelden in de winter van doorslaggevende betekenis, zoals rietganzen en Blauwe kiekendief (slaapplaatsen op natte heide), Bokje en Watersnip (vochtige heide) en Klapekster (heide met spaarzame opslag, vaak in jeneverbesstruwelen). Rietganzen overnachten al sinds mensenheugenis op het Dwingelderveld. In de jaren 2004-2007 ging het om maxima van 4.000 tot 12.500 Toendrarietganzen en enkele honderden Taigarietganzen. Andere slaapplaatsen van in hoofdzaak

Toendrarietganzen op natte heide zijn Doldersummer- en Wapserveld (maximaal 1.300-5.500), Hijkerveld-Diependal (maximaal 1.450-8.500) en Scharreveld (maximaal 1.000) (van Dijk en Kleine 2008, Vogelwerkgroep De Koperwiek 2009). De ganzen die hier slapen, verblijven overdag vooral in beekdalen en akkers op afstanden tot tientallen kilometers. Op dezelfde terreinen slapen ook Blauwe kiekendieven, meestal met twee tot tien exemplaren bijeen. In 2006-2008 liep het aantal Blauwe kiekendieven plotseling op tot maximaal 38 op het Dwingelderveld en 22 op het Doldersummerveld (Kleine en Van Dijk 2008). Deze soort gebruikt ook kleinere terreinen zoals Hingsteveen, Brunstingerplassen en Witteveen als slaapplaats. De Klapekster is een vaste overwinteraar op heidevelden (figuur 3.5.22), maar aantallen kunnen per winter sterk verschillen (Bijlsma 2001). Mestkever, Levendbarende hagedis en diverse muizen- en kleine vogelsoorten vormen het hoofdvoedsel. Uit onderzoek van hun braakballen is gebleken dat Klapeksters dat in de winter veel muizen vangen en in het voorjaar veel Levendbarende hagedissen (figuur 3.5.23).


Figuur 3.5.22

aantal exemplaren per stip 1 2 3 4

Albert Henckel

5

154

Klapekster

Figuur 3.5.22. Verspreiding van de Klapekster in Drenthe in december 2007.

3.5.8 AmfibieĂŤn en reptielen

In voor- en najaar vormen heidevelden een belangrijke schakel in de trekbaan van talloze vogelsoorten. Een spectaculaire soort is de Kraanvogel, die tijdens oostenwinden regelmatig van zijn normale trekroute afdwaalt en dan noodgedwongen overnacht op - liefst vochtige - heidevelden. Ook Blauwe kiekendief, Slechtvalk, Smelleken en verschillende soorten steltlopers, piepers en gorzen zijn op heidevelden aan te treffen. Voor de Regenwulp waren de Drentse heidevelden enkele decennia geleden nog van internationale betekenis. Duizenden Regenwulpen brachten toen gezamenlijk de nacht door op natte heidevelden in westelijk Drenthe. Waarschijnlijk door verschuiving van de trekbaan in westelijke richting (Friesland, Noordwest-Overijssel) worden de laatste tien jaren zelden meer dan honderden Regenwulpen op slaapplaatsen geteld (zie ook Venema 1997).

Heide is in Drenthe een belangrijk biotoop voor reptielen. Dat geldt in veel mindere mate voor amfibieĂŤn, die voor hun voortplanting zijn aangewezen op open water. Kenmerkend voor natte heidevelden en vennen is de Heikikker (zie Vennen en veentjes, paragraaf 3.6.8). De Rugstreeppad is in Drenthe een zeldzame soort van heideterreinen met een stuifzandachtig karakter (ondermeer Dwingelderveld, Balinger- en Mantingerzand). Andere amfibiesoorten zoals Bruine kikker en Gewone pad kunnen na de voortplantingstijd op de hei worden aangetroffen. Van de reptielen zijn Adder en Levendbarende hagedis binnen Drenthe het wijdst verspreid. Voor beide soorten zijn heiden naast de grote hoogveengebieden (zie Hoogvenen, paragraaf 3.4.8) de belangrijkste kernen van verspreiding. Drenthe is voor deze soorten ook landelijk gezien een bolwerk. Dat geldt met name voor de Adder: meer dan de helft van het aantal uurhokken in Nederland waarin de soort recent is waargenomen ligt in Drenthe (figuur 3.5.24). Bij de Levendbarende

100

% In dieet

80

60

40

20

0

Okt

Nov

Dec

Jan

Feb

Mrt

Muizen

Insecten

Vogels

Hagedis/kikker

aantal

%

Rosse woelmuis

2

0,2

Veldmuis

285

25,5

Aardmuis

16

1,4

Dwergmuis

86

7,7

Bosmuis

15

1,3

Bosspitsmuis

6

0,5

Dwergspitsmuis

17

1,5

Levendbarende hagedis

34

3,0

Kikker

2

0,2

Vogel

74

6,6

Mestkever

569

51,0

Hommel

5

0,4

Overige insecten

5

0,4

totaal

1116

100

Figuur 3.5.23. Maandelijkse voedselkeus (links) en het dieet (rechts) van de Klapekster op het Groote Zand in 1988-2001 (van Manen 2002).


  

Figuur 3.5.24. Verspreiding van de Adder in Drenthe en (inzet) in Nederland (bronnen: WARD, Natuurinformatie provincie Drenthe en RAVON).  

155

  

 

Figuur 3.5.25. Verspreiding van de Levendbarende hagedis in Drenthe en (inzet) in Nederland (bronnen: WARD, RAVON en Natuurinformatie provincie Drenthe). 300

Zandhagedis 1990 - 2008 (28) 1970 - 1989 (6)

250

200 index

Figuur 3.5.8.4

Edo van Uchelen

 

Edo van Uchelen



150

100 50

0 1995

2000 Drenthe

2005 Nederland

Figuur 3.5.26. Verspreiding van de Zandhagedis in Drenthe (links) en de trend in Nederland en in Drenthe in de periode 1994-2008 (rechts) (bronnen: WARD, RAVON en Natuurinformatie provincie Drenthe).


1000

300

900 250

800 700

200 index

index

600 500

150

400 100

300 200

50

100 0

0 1995

2000 Drenthe

Nederland

2000

2005

Drenthe

Nederland

Figuur 3.5.27. Trend van de Levendbarende hagedis (links) en de Adder (rechts) in Drenthe en in Nederland in de periode 1994-2008 (bron: RAVON). Tabel 3.5.9. AmfibieĂŤn en reptielen van heidevelden en stuifzanden. voorkomen in Drenthe

trend

Rode Lijst

Heikikker

VA

=

Kwetsbaar

Bruine kikker

A

=

Gewone pad

A

+

Rugstreeppad

Z

=

Adder

VA

+

Kwetsbaar

Gladde slang

VZ

=?

Bedreigd

Hazelworm

MA

+

Levendbarende hagedis

VA

=

Gevoelig

Zandhagedis

Z

+?

Kwetsbaar

3.5.9 Insecten

Mannetje Zandhagedis

hagedis bedraagt het Drentse aandeel 20 procent (figuur 3.5.25). Gladde slang, Zandhagedis en Hazelworm zijn zeldzamer en komen op veel minder plekken voor. De Zandhagedis is voornamelijk op droge heidevelden op de Hondsrug te vinden (figuur 3.5.26 links). Voor de Gladde slang zijn het Doldersummer- en Wapserveld en het Dwingelderveld de belangrijkste heidegebieden (zie Hoogvenen, figuur 3.4.10). Behalve de Hazelworm staan alle reptielensoorten op de Rode Lijst (tabel 3.5.9). Landelijk gezien laat alleen de Levendbarende hagedis een matige afname zien (Creemers en Van Delft 2009). De stand in Drenthe is min of meer constant (figuur 3.5.27 links). Adder en Zandhagedis nemen landelijk toe. Vooral de warmteminnende Zandhagedis lijkt te hebben geprofiteerd van de warme zomers in de afgelopen jaren (Creemers en Van Delft 2009). In Drenthe doet de Adder het in veel heideterreinen ook goed (figuur 3.5.27 rechts). De trend van de Zandhagedis laat een minder positief beeld zien (figuur 3.5.26 rechts). De stand van de Hazelworm gaat licht vooruit (zie Bossen, figuur 3.2.48).

Edo van Uchelen

156

1995

2005

Dagvlinders Drenthe is van landelijke betekenis voor acht soorten dagvlinders van heiden en stuifzanden (tabel 3.5.10). Daartoe behoren Kommavlinder (figuur 3.5.28) en Heivlinder (figuur 3.5.29), twee karakteristieke soorten van open plekken in droge heide en dan met name in open heidevegetaties in stuifzanden. Voor beide soorten zijn smalbladige grassen de voedselplanten van de rupsen (tabel 3.5.10). Beide soorten hebben het in Drenthe moeilijk; zowel het aantal locaties als het aantal getelde vlinders neemt in snel tempo af. Dat is ook niet verwonderlijk gezien de voorkeur van beide soorten voor heidevelden met veel variatie in de vegetatie en met veel open plekken. Door het dichtgroeien van heide verdwijnen geschikte open plekken en ontstaan monotone vegetaties met oude Struikhei en grassen waarin deze soorten niet kunnen leven. Door zorgvuldig uitgevoerde, kleinschalige ingrepen zoals plaggen is het mogelijk om weer geschikte leefgebieden te creĂŤren. Een andere karakteristieke heidesoort waarvoor Drenthe landelijk van belang is, is het Heideblauwtje (figuur 3.5.30). Dit vlindertje komt vooral voor in de wat grotere heideterreinen en in heidevegetaties op ontwaterd hoogveen (Bargerveen, Oosterse Bos). Ook het Heideblauwtje gaat achteruit. In 2007 zijn 136 kilometerhokken in Drenthe waarin


Figuur 3.5.28

Kommavlinder

Figuur 3.5.29

2000 - 2008 (60) 1990 - 1999 (114)

Heivlinder 2000 - 2008 (113) 1990 - 1999 (237)

Figuur 3.5.30

Bert Oving

de soort voorkwam opnieuw onderzocht. In 24 daarvan (18%) werden geen exemplaren meer aangetroffen. Het Groentje (figuur 3.5.31) is een weinig opvallend voorjaarsvlindertje van vochtige heideterreinen en heidevegetaties met bosopslag op ontwaterd hoogveen. Hij gedraagt zich territoriaal en jaagt actief andere mannetjes en zelfs andere insecten weg. In de periode dat de Groentjes vliegen, zijn er op de heide nog maar weinig of geen bloeiende planten aanwezig. Zij vliegen dan soms naar nectarplanten in de aangrenzende graslanden of wegbermen. In Drenthe zijn de populaties stabiel. Landelijk is er een lichte uitbreiding in noordelijke richting waarbij ook Texel is gekoloniseerd, terwijl elders populaties juist afnemen. Andere karakteristieke soorten zijn Kleine en Bruine vuurvlinder. Beide soorten worden ook in schrale graslanden en schrale wegbermen aangetroffen (zie Graslanden, paragraaf 3.9.8). De Kleine vuurvlinder is in Drenthe maar ook landelijk zeer algemeen. De Bruine vuurvlinder daarentegen komt vrijwel alleen nog voor in Drenthe (met enkele aangrenzende gebieden in de drie buurprovincies) en op de Veluwe.

Heivlinder op Koninginnenkruid

Hans Dekker

157

Parende Heideblauwtjes

Heideblauwtje 2000 - 2008 (306) 1990 - 1999 (306)


Figuur 3.5.31

Groentje

Het aandeel van Drenthe in de landelijke verspreiding is 38 procent. Een soort waarvoor Drenthe landelijk gezien ook een belangrijke positie inneemt is Gentiaanblauwtje (31%; figuur 3.5.32). Net als bij verschillende andere karakteristieke heidesoorten is bij Gentiaanblauwtje sprake van een gestage achteruitgang. De soort verdwijnt van de kleinere heideterreinen en op dit moment lijken alleen enkele grote heideterreinen zoals Dwingelderveld, Doldersummerveld, Leggelderveld en Ballooërveld levenskansen te bieden. In 2008 is zij in nog maar 29 kilometerhokken aangetroffen, tegenover 92 in de periode 1991-2001. De afname houdt min of meer gelijke tred met de achteruitgang van Klokjesgentiaan, de voedselplant van de rups (zie kader ‘Het Gentiaanblauwtje’). Door gerichte plagactiviteiten is tegenwoordig sprake van een duidelijke herstel van deze plant. Helaas heeft dat tot op heden slechts incidenteel geleid tot herstel in het voorkomen van het Gentiaanblauwtje. Bloeiende heide is ook een interessante nectarbron voor andere dagvlinders. Algemene soorten met een grote nectarbehoefte zoals Kleine vos, Atalanta en Dagpauwoog verschijnen in de bloeiperiode soms plotseling in grote aantallen op heidevelden.

2000 - 2008 (214) 1990 - 1999 (385)

158

Tabel 3.5.10. Karakteristieke dagvlinders van heiden en stuifzanden waarvan op atlasblokbasis meer dan 15 procent van de vindplaatsen in Drenthe ligt. soort

waardplant

% in Drenthe

Voorkomen 1990-2008

Verwachte voorkomen

Rode Lijst

Kommavlinder

Buntgras, Schapengras, Zandstruisgras

30

Zeldzaam

Uiterst zeldzaam

Bedreigd

Heivlinder

Buntgras, Schapengras, Zandstruisgras

15

Vrij zeldzaam

Zeldzaam

Gevoelig

Bruine vuurvlinder

Schapenzuring, Veldzuring

38

Vrij schaars

Vrij schaars

Kwetsbaar

Bruine eikenpage

Zomereik

20

Zeer zeldzaam

Uiterst zeldzaam

Bedreigd

Heideblauwtje

Struikhei, Gewone dophei, Stekelbrem

24

Schaars

Schaars

Gevoelig

Groentje

Struikhei, Gewone dophei, Sporkehout

22

Schaars

Schaars

Aardbeivlinder

Tormentil

18

Uiterst zeldzaam

Uiterst zeldzaam

Bedreigd

Klokjesgentiaan

31

Zeldzaam

Zeer zeldzaam

Bedreigd

Stuifzand, droge heide

Droge heide

Droge en vochtige heide

Vochtige en natte heide Gentiaanblauwtje

Figuur 3.5.32

Gentiaanblauwtje 2000 - 2008 (59) 1990 - 1999 (94)


Vermelding verdienen tot slot de bosvlinders Eikenpage en Bruine eikenpage (zie ook Bossen, paragraaf 3.2.9). Eikenpage kan men vooral aantreffen in heidegebieden met opgaande eikenbomen en opslag van Vuilboom. Deze soort voedt zich onder meer met honingdauw op het blad van de eikenbomen. Rond de kruinen vinden vanaf de namiddag spectaculaire vluchten plaats waarbij de mannetje passerende vrouwtjes achtervolgen en ‘luchtgevechten’ houden met rivalen. De vrijstaande Vuilboomstruiken zijn erg in trek als nectarbron. Soms kan men daarop tientallen foeragerende Eikenpages aantreffen. De Bruine eikenpage is in Drenthe vooral te vinden bij de combinatie van - liefst wat knoestige - eiken en heide. De soort is in Drenthe maar ook landelijk sterk bedreigd en in Drenthe mogelijk al uitgestorven.

Eikenpage op Late guldenroede

Bert Oving

Nachtvlinders Tabel 3.5.11. Indeling van een aantal soorten nachtvlinders naar hun meest gebruikte biotopen. (x) enige voorkeur en (xx) sterke voorkeur. Droge heide

Hans Dekker

Het Gentiaanblauwtje  Tussen planten en dieren bestaan tal van ingewikkelde relaties. Een goed voorbeeld daarvan is Gentiaanblauwtje. Deze dagvlindersoort van vochtige tot natte heidevelden zet haar eitjes uitsluitend af op Klokjesgentiaan. De rups voedt zich eerst met de inwendige delen van de bloem van deze plant. Daarna kruipt hij naar de bodem en scheidt hij met behulp van klieren een zoetige stof af, waar een mierensoort verlekkerd op is. De mieren nemen de rups mee naar hun nest, waar hij als een ‘melkkoetje’ wordt gehouden. Op zijn beurt voedt de rups zich met mierenbroed of voedsel dat de mieren binnenbrengen. Na het uitkomen van de pop moet de vlinder maken dat hij wegkomt. Hij wordt namelijk niet meer herkend en loopt het risico te worden opgegeten door de mieren. Gentiaanblauwtje is niet alleen in Nederland, maar ook in Europa een sterk bedreigde dagvlindersoort. Een belangrijk deel van de huidige vliegplaatsen in Nederland bevindt zich in Drenthe.

Zandver­ stuivingen

Natte heide

Hoogvenen, vennen

Zuringspanner

xx

Walstrospanner

xx

Grauwe borstel

xx

x

Nazomeruil

x

x

Hageheld

x

x

x

Veelvraat

x

x

x

Late heide-uil

x

x

x

Gewone heispanner

x

x

x

Heidedaguil

x

x

Heidewitvlakvlinder

x

x

Bandvoorjaarsuil

x

xx

Nachtpauwoog

xx

x

x

Geelpurperen spanner

x

xx

x

Roodbandbeer

x

xx

x

Veenheide-uil

x

xx

xx

Hoogveenvlekuil

x

xx

Moerasmicro-uil

x

xx

Moerasbreedvleugeluil

x

x

Er zijn weinig soorten nachtvlinders waarvan de rupsen alleen Struikhei of Gewone dophei als waardplant hebben. Verreweg de meeste hier beschreven soorten van heide gebruiken naast de heideplanten ook diverse kruidachtige planten, grassen, loofbomen en struiken. Ze zijn dan ook vooral te vinden in heide met een gevarieerde begroeiing, met grassen en opslag van bomen en struiken, en op de overgangen naar andere biotopen. Grote, eenvormige paarse heidevelden zijn voor de meeste nachtvlinders niet aantrekkelijk. Drenthe neemt in de landelijke verspreiding van veel van de genoemde soorten een belangrijke plaats in. Van bijna de helft van de vlindersoorten in tabel 3.5.11 zijn uit Drentse heide- en veengebieden meer meldingen bekend dan uit deze biotopen elders in Nederland (bron: databestand Noctua, zie bijlage 8.2). Of dit ook betekent dat een (relatief) groot deel van de Nederlandse populatie in Drenthe voorkomt, is niet bekend. Mogelijk speelt ook de waarnemingsintensiteit hierbij een rol. Dat geldt vermoedelijk ook voor het opvallend grote aantal waarnemingen van zeldzame of elders ontbrekende soorten in het Bargerveen. Dit uitgestrekte natuurgebied heeft door zijn gevarieerde begroeiing kennelijk menig nachtvlindersoort

159


pijlsnelle vlucht is kenmerkend. De Late heide-uil is beperkt tot heide; de rupsen gebruiken alleen Struikhei en Gewone dophei als voedsel. Deze zeldzame soort is de laatste jaren in Zuidoost-Friesland meer waargenomen dan in Drenthe. Vermoedelijk is dat het resultaat van intensiever speuren, want de leefomgeving is vergelijkbaar. In 2008 zijn in het Bargerveen zes exemplaren waargenomen. De Gewone heispanner doet zijn naam eer aan: hij kan op veel plaatsen gevonden worden, het meest op droge en natte heide maar daarnaast ook op heischrale graslanden en open, grazige overgangen naar bos. De soort staat in de top tien van meest waargenomen nachtvlinders in Drenthe in de periode 1990-2007 (bron: Vlinderwerkgroep Drenthe). De Heidedaguil is zeer zeldzaam. De soort gaat sterk achteruit maar is nog niet uit Drenthe verdwenen, zoals blijkt uit waarnemingen in 2007 en 2008 in het Bargerveen. Vergeleken met meldingen uit heidegebieden elders wordt de Heidewitvlakvlinder relatief vaak op heiden in NoordNederland waargenomen. Soms worden de overdag vliegende vlinders gezien, maar vaker worden de rupsen aangetroffen

wel wat te bieden, maar er is vrijwel zeker ook sprake van een waarnemereffect: vergeleken met de meeste andere grote natuurgebieden in Drenthe wordt deze soortgroep hier al jaren intensief geïnventariseerd.

Figuur 3.5.33

Jelle de Vries

Figuur 3.5.33. Verspreiding van de Hageheld in Drenthe (bronnen: Vlinderwerkgroep Drenthe en database Noctua Werkgroep Vlinderfaunistiek / De Vlinderstichting).

Hageheld in rust met samengevouwen vleugels

Jan en Annie Rocks

160

De Zuringspanner en de Walstrospanner zijn binnen de in deze paragraaf behandelde biotopen het meest beperkt tot droge heide. Overigens is de Zuringspanner ook waargenomen in zandverstuivingen, wegbermen en heischrale graslanden. De soort heeft Schapenzuring en Veldzuring als waardplanten. Zij heeft de status ‘gewoon’ en de stand neemt licht toe. De vlinder vliegt overdag. De Walstrospanner is een zeldzame soort, die in het verleden een enkele keer is waargenomen, maar een grotere verspreiding heeft in Zuidoost-Friesland en de rand van het Fochteloërveen. In 2008 zijn tien exemplaren waargenomen in het Bargerveen, op relatief vochtige plekken. Gezien de ruime verspreiding van de waardplant Liggend walstro zou men de soort op meer plaatsen in Drenthe verwachten. De Grauwe borstel en de Nazomeruil hebben een voorkeur voor droge heide en stuifzand. Beide soorten zijn zeldzaam. De rups van de Grauwe borstel gebruikt een scala aan waardplanten, waaronder verschillende kruidachtige planten en struiken. De stand lijkt stabiel. Zowel in 2007 als in 2008 zijn in het Holtveen (Dwingelderveld) en in het Bargerveen rupsen en vlinders waargenomen. De Nazomeruil was sinds 1994 niet meer waargenomen, totdat in 2008 in het Bargerveen weer drie exemplaren werden gezien. Een reeks soorten komt zowel in droge als natte heide voor. Twee soorten die recent veel zijn waargenomen zijn Hageheld (figuur 3.5.33) en Veelvraat. De rupsen van beide soorten gebruiken vele soorten waardplanten, van kruidachtige planten tot bomen en struiken, en worden ook, zij het in lagere aantallen, in ruige graslanden en struwelen gevonden. Beide soorten hebben de status ‘gewoon’ en nemen sterk in aantal toe. De mannetjes van de Hageheld vliegen overdag; hun

Een exemplaar van de Hageheld met gespreide vleugels op een vanglaken

Hageheld 1990 - 2008 (154)


Jelle de Vries

Figuur 3.5.34

Gewone heispanner

Jelle de Vries

Jan en Annie Rocks

Veelvraat op vanglaken

Vrouwtje Nachtpauwoog

Nachtpauwoog 1990 - 2008 (73)

op Struikhei en Gewone dophei. In 2007 en 2008 zijn rupsen gevonden in het Holtveen, het Drouwenerveld en het Doldersummerveld. De stand lijkt stabiel. De Bandvoorjaarsuil was tot 1980 een enkele keer in Drenthe gevonden en is in 2008 herontdekt in het Bargerveen, met acht exemplaren. De soort heeft een brede biotoopkeus die heide, venen en natte graslanden omvat, en gebruikt diverse waardplanten. De vraag is dus welke ontbrekende schakel in de levenscyclus haar in Drenthe zo zeldzaam maakt. Enkele soorten nachtvlinders komen zowel in droge en natte heide als in venen voor. De Nachtpauwoog (figuur 3.5.34) heeft een brede verspreiding, maar natte heide met overgangen naar struwelen, vochtige graslanden en veentjes is zijn favoriete terrein. De soort heeft de status ‘niet zo gewoon’ maar is plaatselijk in Drenthe ‘gewoon’. Zowel vlinders als rupsen zijn waargenomen: in 2007 acht exemplaren, in 2008 vijftien. De stand gaat licht vooruit. Een zeldzame soort van natte heide en overgangen naar veentjes en venen is de Geelpurperen spanner. De soort komt ook voor op droge heide en natte graslanden en kan plaatselijk vrij algemeen zijn.

In Drenthe is ze gevonden bij Orvelte, op het Dwingelderveld en in het Bargerveen. De stand vertoont een sterke toename. Eveneens een voorkeur voor natte heide met overgangen naar veentjes heeft de Roodbandbeer (figuur 3.5.35). Vooral de mannetjes worden overdag veel gezien in de veentjes waar ook de Veenbesparelmoervlinder vliegt. De Roodbandbeer heeft een bredere verspreiding dan deze dagvlinder: hij wordt ook waargenomen op drogere heide en overgangen naar bos en graslanden. De rupsen eten naast heidesoorten onder meer ook zuringsoorten, havikskruiden, Paardenbloem en Gagel. De soort heeft de status ‘niet zo gewoon’ en vertoont een lichte toename. De Veenheide-uil heeft een voorkeur voor veentjes en venen maar wordt ook in natte heide en soms in andere biotopen gevonden. De wetenschappelijke naam Acronicta menyanthidis verwijst naar Waterdrieblad (Menyanthis trifoliata), één van de waardplanten van de rups. Andere waardplanten zijn onder andere Struikhei, bosbes, wilg en veenbes. De vlinder is zeldzaam maar kan lokaal in groter aantal voorkomen (zie Hoogvenen, figuur 3.4.12).

161


Figuur 3.5.35

Roodbandbeer 1990 - 2008 (87)

Figuur 3.5.35. Verspreiding van de Roodbandbeer in Drenthe en (inzet) in Nederland (bronnen: Vlinderwerkgroep Drenthe en database Noctua Werkgroep Vlinderfaunistiek / De Vlinderstichting). 162 Figuur 3.5.36 Moerasbreedvleugeluil

Figuur 3.5.36. Verspreiding van de Moerasbreedvleugeluil in Nederland (bronnen: Vlinderwerkgroep Drenthe en database Noctua Werkgroep Vlinderfaunistiek / De Vlinderstichting).

Beperkt tot natte heide en venen zijn Moerasmicro-uil, Hoogveenvlekuil en Moerasbreedvleugeluil (figuur 3.5.36). Net als de Veenheide-uil zijn ook Hoogveenvlekuil en Moerasbreedvleugeluil reeds bij de hoogvenen de revue gepasseerd (zie Hoogvenen, paragraaf 3.4.9). De Moerasmicro-uil is een klein vlindertje met weinig kleur. Mogelijk wordt hij daardoor niet herkend of over het hoofd gezien. De soort kan talrijk zijn, zoals in het Bargerveen waar in 2008 acht exemplaren zijn waargenomen.

Sprinkhanen Heiden en stuifzanden zijn voor sprinkhanen de rijkste gebieden in Drenthe. Twee van de vier sprinkhanen die twintig procent of meer van hun areaal in Drenthe hebben,

zijn soorten van heidevelden (Schavertje met 32% en Heidesabelsprinkhaan met 20%) of komen daar veel voor (Wekkertje, 21%). De Heidesabelsprinkhaan zit voornamelijk in structuurrijke Struikheivegetatie (figuur 3.5.37). Het Schavertje is in Drenthe gebonden aan lage, droge vegetaties van grassen (Buntgras) in heide of langs stuifzanden. Het Wekkertje komt behalve in heide ook algemeen voor in allerlei graslanden en in wegbermen. De Blauwvleugelsprinkhaan is de enige soort die geheel gebonden is aan stuifzanden. Ze is daar te vinden in de randzones waar open zand wordt afgewisseld met primaire begroeiing. Deze als kwetsbaar op de Rode Lijst vermelde soort gaat in het binnenland achteruit en verdwijnt van steeds meer ge誰soleerde vindplaatsen. Sinds 1990 is deze soort in Drenthe alleen gevonden in het Echtenerveld ten westen van Hoogeveen. Na 1993 is ze daar niet meer waargenomen en mogelijk is ze uit de provincie verdwenen.

Figuur 3.5.37

Heidesabelsprinkhaan 1990 - 2007 (79)


Figuur 3.5.39

Bijen Heideterreinen vormen het belangrijkste biotoop voor bijen in Drenthe. De meeste van de 24 soorten bijen waarvan minstens 20 procent van hun Nederlandse areaal in Drenthe ligt, zijn soorten van heide. De Drentse heiden zijn dus landelijk gezien zeer belangrijk voor deze soortgroep. Alleen gevarieerde heideterreinen zijn rijk aan bijensoorten. Eenvormige paarse vlaktes Struikhei zien er misschien aardig uit voor de recreant, maar zijn vanuit het oogpunt van biodiversiteit veel minder interessant. In zulke terreinen komt slechts een klein aantal bijensoorten voor. Hieronder zijn wel enkele heidespecialisten, zoals de Heidezandbij (19% van het landelijke areaal in Drenthe) en zijn broedparasiet de Heidewespbij (20%) (figuur 3.5.38). Deze soorten zijn bijna overal te vinden waar Struikhei bloeit. In terreinen met veel Gewone dophei vliegt de kwetsbare Ericabij (45%). Gevarieerde heideterreinen met veel hoogteverschillen (bodemreliĂŤf, steile zandwandjes, kuilen, greppels) en verschillen in vegetatiestructuur (struiken, kruiden, open zand) zijn veel interessanter voor bijen en herbergen meer soorten. Figuur 3.5.38

Heidehommel en Moshommel 1990 - 2007 Heidehommel (18) Moshommel (4)

163

Heidewespbij en Heidezandbij

Jap Smits

1990 - 2007 Heidewespbij (31) Heidezandbij (29)

Heidehommel op Klokjesgentiaan Figuur 3.5.40

Viltige groefbij

AndrĂŠ den Ouden

1990 - 2007 (26)

Heidesabelsprinkhaan


164

In zulke terreinen komen ook de meer bijzondere soorten voor, waaronder de soorten die in Drenthe een zeer groot deel van hun Nederlandse areaal vinden zoals Tormentilzandbij, Rinks maskerbij, Noordelijke klaverzandbij en Heidehommel. De Tormentilzandbij is sinds 1990 uitsluitend in Drenthe gevonden. Er zijn drie recente vindplaatsen: bij Oudemolen, bij Zeegse en in het Dwingelderveld. Vroeger werd de soort ook in andere delen van het land gevonden, al lagen ook toen al de meeste vindplaatsen in Drenthe. De soort is sterk achteruitgegaan en staat nu als ernstig bedreigd op de Rode Lijst. Dit is dus een soort waar Drenthe zuinig op moet zijn. De Tormentilzandbij dankt zijn naam aan het feit dat de vrouwtjes hun stuifmeel op de bloemen van Tormentil verzamelen. In het buitenland vliegt de soort ook op andere ganzeriksoorten, maar in Nederland is Tormentil veruit de belangrijkste stuifmeelplant. Tormentil groeit vaak op vochtige plekken op schrale zandgrond, maar ook op grazige plekken in de hei. In het Dwingelderveld werd de soort op zulke plekken gevangen langs een zandweg. Langs de wat voedselrijkere randen van vochtige hei, waar veel Tormentil bloeit, komt Rinks maskerbij voor. De soort nestelt in de dode stengels van onder andere braam. Van de vier atlasblokken waarin Noordelijke klaverzandbij recent is vastgesteld, liggen er drie in Drenthe. Het gaat hierbij om vier gebieden: Dwingelderveld, Hardenberg, Ruinen en Wapserveen. Deze soort heeft een voorkeur voor heideterreinen en verzamelt stuifmeel op planten uit de Vlinderbloemenfamilie, in Nederland mogelijk vooral op Witte klaver. In veel heidegebieden komen klaversoorten weinig of niet voor wat mogelijk de zeldzaamheid van deze gevoelige soort verklaart. De Heidehommel is in Drenthe sinds 1990 in 12 atlasblokken gevonden (van de 16 atlasblokken in Nederland, aandeel 75%; figuur 3.5.39). Het is een soort van open, vochtige terreinen, met name vochtige heidevelden en hoogvenen. Qua bloembezoek is de Heidehommel niet kritisch, al wordt hij vaak op Gewone dophei gezien. De nesten worden in de kruidlaag gemaakt, bijvoorbeeld onder heidestruikjes, graspollen of mos. De Moshommel, een bedreigde soort die is opgenomen in het leefgebiedenbeleid, komt in vergelijkbare gebieden voor (figuur 3.5.39). Van deze soort ligt ‘slechts’ 7 procent van het bekende Nederlandse areaal in Drenthe. Dit percentage is mogelijk echter een onderschatting, omdat de Moshommel hier en daar over het hoofd kan zijn gezien door verwarring met andere hommelsoorten. Gerichte zoekacties in geschikte biotopen zijn nodig om duidelijkheid te krijgen over het voorkomen van de soort in Drenthe. Andere voor Drentse heideterreinen typerende soorten zijn Viltige groefbij (36% in Drenthe; mogelijk een voorkeur voor Gewone dophei; figuur 3.5.40) en Heidekegelbij (25%), een parasitaire bij, die mogelijk parasiteert bij de Ericabij. Stuifzanden zijn over het algemeen arm aan bijen. Soorten, die graag, in vaak grote groepen, in open zand nestelen zijn Grote zijdebij, diens parasiet de Grote bloedbij en Grijze zandbij. De eerste en de laatste soort zijn voorjaarssoorten, die hun stuifmeel van wilgen halen. Voor deze bijen is de combinatie van open zand en bloeiende wilgen een levensvoorwaarde. Het zijn geen soorten waarvoor Drenthe een bijzonder belang heeft.

Wespen Van de 15 soorten wespen met twintig procent of meer van de Nederlandse vindplaatsen in Drenthe zijn er acht gebonden aan heideterreinen en stuifzanden. Dit geeft aan dat dergelijke terreinen voor angeldragende wespen een belangrijk biotoop vormen. Dit heeft voor een belangrijk deel te maken met de beschikbare nestelgelegenheid. Veel soorten wespen nestelen in zand op kale of schraal begroeide plekken. Zulke plekjes zijn in heide- en stuifzandterreinen vaak volop aanwezig. Vergrassing en vermossing zijn funest voor zandige plekjes en dus voor de wespenfauna. Net als voor bijen geldt dat variatie in de terreinen de diversiteit aan wespen ten goede komt. Door hoogteverschillen en verschillen in vegetatiestructuur (struiken, kruiden, open zand) ontstaan verspreid over het terrein plekjes met uiteenlopende eigenschappen, waar uiteenlopende wespensoorten zich thuis voelen. Maar ook ‘kleine landschapselementen’ zijn zeer belangrijk. Diverse soorten wespen nestelen in dood hout, zoals boomstronken en weipaaltjes. Andere soorten nestelen in holle stengels en steile zandwandjes. Over het algemeen geldt: hoe ‘rommeliger’ een terrein, hoe meer wespensoorten (en vele andere insecten) er een geschikte nestelplek vinden. Een soort die op zo’n terrein – een mozaïek van zand, hei en verspreide bomen – thuishoort is Lefeber’s zandspinnerdoder Arachnospila virgilabnormis. De soort, vernoemd naar de Nederlandse wespenkenner Virgilius Lefeber, is in Nederland ontdekt op de rivierduinen langs de Maas in Midden-Limburg. Daar is de soort sinds de jaren 1970 niet meer waargenomen. In deze eeuw dook deze spinnendoder op in Drenthe op een militair oefenterrein bij Havelte. Zeer recent is de soort net over de Drentse grens in Friesland gevonden, op het Aekingerzand. De soort komt voor op zandige terreinen. Verder is over de biologie van deze spinnendoder niets bekend. Onder de bedreigde soorten zijn er enkele die gebonden zijn aan heiden en stuifzanden. Een bijzondere soort is de Grote mierwesp, die in Nederland sterk achteruit is gegaan. Op de Dwingelose Heide komt deze merkwaardige wesp, waarvan de vrouwtjes vleugelloos zijn, nog voor. Deze soort parasiteert in hommelnesten.

Figuur 3.5.41

Bijlsprietje 1990 - 2007 (21)


De Bastaardzandloopkever is algemeen op zandige paden

bleven na het stopzetten van de ontginningen begin jaren zestig, boden te weinig overlevingskansen voor deze ongevleugelde soort. Ze stelt specifieke eisen aan haar loofomgeving en heeft een uitgesproken voorkeur voor een zeer schraal milieu. Sinds de jaren negentig is ze nog maar op vier plaatsen in Drenthe aangetroffen. Er zijn waarnemingen van het BallooĂŤrveld (2004) en het Hullenzand (2007 en 2008), maar de belangrijkste verblijfplaatsen zijn het Mantingerzand en het Dwingelderveld. Tijdens loopkeveronderzoek in 2009 zijn hier meer kevers gevangen dan in de jaren ervoor. Mogelijk profiteert de soort van de natuurontwikkeling in beide gebieden. De soort reageert snel op plaggen en kan dan in korte tijd sterk toenemen. Daarbij kan het om grote aantallen gaan; Van Essen (1993) ving in het Dwingelderveld in 1991 na grootschalig plaggen meer dan duizend exemplaren. Harpalus solitaris is een soort van overwegend open heidevelden en hoogvenen. Ze is meestal in droge vegetaties te vinden, heeft ontwikkelde vleugels en is recent (op de Veluwe) voor het eerst vliegend aangetroffen. Drenthe is een belangrijk gebied voor deze soort met veertig procent van de

Theodoor Heijerman

Loopkevers Kenmerkend voor heiden en stuifzanden zijn onder andere de zandloopkevers (geslacht Cicindela). Zij vallen erg op, onder meer omdat ze overdag actief zijn en vaak op wandelpaden te zien zijn, waar ze profiteren van de open en zandige omstandigheden. Zeer verrassend is de recente vangst van twee exemplaren van Cicindela sylvatica (Boszandloopkever) op het Drentse deel van het Aekingerzand. Deze soort komt in Nederland vooral voor op grotere droge heideterreinen, met een voorkeur voor open grazige plekken en bijna altijd in een bosrijke omgeving. Sinds begin jaren zeventig was ze niet meer in Noord-Nederland aangetroffen. Naast de zandloopkevers komen op droge en zandige heide veel andere kenmerkende loopkevers voor. Voor een aantal soorten is Drenthe van bovengemiddeld belang, deze worden hieronder besproken. Amara equestris is een warmteminnende loopkever die te vinden is in droge heideterreinen met een ijle begroeiing en stukken open zand en in schrale open graslanden. De vleugels van deze soort zijn gereduceerd en de vliegspieren onderontwikkeld; het is dan ook zeer de vraag of A. equestris kan vliegen. Drenthe is de provincie met de meeste vindplaatsen (Turin 2000), waaronder recente waarnemingen op het BallooĂŤrveld en het Hijkerveld. Carabus arvensis (Heideloopkever) is een droogte- en warmteminnende soort van heideterreinen, kapvlaktes en open naaldbossen; soms is ze ook op zeer extensief bewerkt cultuurland te vinden. In gevarieerde heideterreinen met veel open plekken is ze het talrijkst. De Heideloopkever kan niet vliegen, maar is wel in staat om lopend flinke afstanden af te leggen. De soort gaat in Nederland achteruit; Drenthe is een bolwerk met een derde van de recente vondsten. Er zijn zelfs recente nieuwe vangplekken op het Hijkerveld en het Doldersumerveld. Carabus cancellatus (Grote loopkever) is een soort van open, onbeschaduwde, grazige en niet te droge heideachtige terreinen, vaak met bos in de omgeving. Terwijl het er in Nederland lang op leek dat C. cancellatus achteruitging, wordt ze de laatste jaren weer op meer plekken aangetroffen. Carabus nitens (Goudrandloopkever) is een loopkever van natte en droge heide. De soort is zeer warmteminnend en dagactief op plaatsen met voldoende instraling van de zon. Ze heeft geen vleugels maar bezit een goed loopvermogen. In vergelijking met de waarnemingen van voor 1950 is C. nitens in Nederland zeer sterke achteruitgegaan, net als in de rest van West-Europa. De vele kleine stukjes heide die zijn overge-

Jeroen Kuipers

Zweefvliegen Heiden zijn een niet onbelangrijk biotoop voor zweefvliegen, stuifzanden daarentegen herbergen nauwelijks soorten. Met name een aantal soorten van de langlijven, geslacht Sphaerophoria, en fopwespen, geslacht Chrysotoxum, zijn hier te vinden. In Drenthe goed vertegenwoordigde soorten van heidevelden zijn Heidelanglijf en Donkere langlijf. De belangrijkste Drentse soort vanuit Nederlands perspectief is het Bijlsprietje, waarvan 26 procent van het Nederlandse areaal in Drenthe ligt (figuur 3.5.41). Strikt genomen is deze soort niet gebonden aan heideterreinen; haar voorkeur gaat uit naar droge dennenbossen op zandgrond, die veelal afgewisseld worden met heideterreinen. De volwassen dieren zijn dan met name te vinden op kleine gele composieten op de overgang van bos naar heide.

De Goudrandloopkever is in heel West-Europa sterk achteruitgegaan

165


recente vindplaatsen in Nederland, waaronder Ballooërveld, Eexterveld, Hijkerveld en Dwingelderveld. Het aantal vindplaatsen gaat landelijk sterk achteruit als gevolg van het verdwijnen van droge, open heideterreinen door ontginning en van vergrassing van de resterende terreinen. Trichocellus cognatus is een soort van droge heidevelden en stuifzanden, die soms ook wordt aangetroffen in droge, open bossen en in open grasland. In Nederland komt zij voor in Noord-Brabant, het Gooi en de Veluwe, maar de meeste vindplaatsen liggen in Drenthe. De soort is hier onder meer te vinden op het Aekingerzand, het Ballooërveld, het Eexterveld, het Hijkerveld, het Dwingelderveld en het Mantingerveld. Binnen de heide- en stuifzandgebieden bezet ze een ruime variatie aan leefgebieden. Ze is in Nederland niet bedreigd; het aantal vindplaatsen lijkt stabiel. In Engeland en België staat ze echter wel op de rode lijst als ‘zeldzaam’. Ook in NordrheinWestfalen en Niedersachsen is deze loopkever sterk bedreigd.

166

Mieren Droge heideterreinen, en met name de overgangen naar bos en struweel, vormen een zeer belangrijk biotoop voor mieren. De delen met lage heidevegetatie met een afwisseling met kleine kalere plekjes met korstmos en Buntgraspolletjes vormen het leefgebied voor een groot aantal soorten, met als belangrijkste Zwarte zaadmier en Buntgrasmier en daarnaast Kokersteekmier en Zandsteekmier. Ook de zeer zeldzame Heidesteekmier is in het Noordwest-Europese laagland een heidesoort. De Zwarte zaadmier is een algemene soort van zandige droge graslanden en heidevelden. Goede populaties van deze soort zijn van belang voor de vestigings- en overlevingkansen van de Woekermier, een zeer zeldzame parasitaire soort die leeft in de nesten van de Zwarte zaadmier. De Woekermier is tot nu toe van slechts één Drentse vindplaats bekend (2004). De soort heeft geen werksterkaste en wordt daarom ook maar zelden gevonden. Ze staat op de internationale lijst van bedreigde soorten van de IUCN en is daarom in het leefgebiedenbeleid opgenomen. De aanwezigheid van een enkele boom of kleine boomgroep in de hei is van groot belang als foerageermogelijkheid (bladluizen), met name voor bosmieren, de glanzende houtmier en andere soorten. Van de bosmieren is vooral de Zwartrugbosmier een typische soort van de heide mits de genoemde foerageermogelijkheden aanwezig zijn. Ook voor de Gewone satermier vormen heideterreinen een belangrijk biotoop, naast hoogveen (zie Hoogvenen, paragraaf 3.4.9). Pure stuifzanden zijn minder geschikt voor mieren door een gebrek aan nestgelegenheid en voedsel. De randen van stuifzanden, waar het zand wat meer is vastgelegd en spaarzame begroeiing optreedt, bieden al direct betere kansen voor mieren om zich te vestigen.

Overige insecten In heiden komt nog een aantal andere karakteristieke insecten voor. Mestkevers profiteren er van de uitwerpselen van de grazers. Zo is de Driehoornmestkever een typische soort van begraasde heiden. In sommige jaren komt het Heidehaantje massaal voor. De larven van deze keversoort zuigen de blaadjes

van Struikheiplanten leeg. Sterk aangetaste planten sterven af, waardoor grassen de overhand krijgen. Open plekken in heide en zandverstuivingen hebben een specifieke insectenwereld. Diverse sluipwespen, waaronder rupsen- en spinnendoders, graven hun holletjes in open zand. Ze vangen een prooi, verlammen deze en leggen hierin meestal één ei. De prooi wordt vervolgens in het holletje getrokken. Nadat het ei is uitgekomen, doet de larve zich tegoed aan de gastheer. Voor het voortbestaan van deze sluipwespen is open zand onmisbaar. Een andere opvallende verschijning in zulk open terrein is de Gewone mierwesp. Deze vleugelloze, op een Rode bosmier gelijkende sluipwesp is onder andere bekend van de Kraloërheide. In de zomer kan de temperatuur aan het zandoppervlak overdag oplopen tot 50 °C. Onder deze extreme omstandigheden kunnen enkele warmteminnende insectensoorten voorkomen, zoals de Roodbruine heiderouwzwever en Thyridanthrax fenestratus. Deze vliegen uit de familie van de Wolzwevers, die vaak zonnend op het zand worden aangetroffen, hebben een donkere lichaamskleur en donker getinte vleugels. De eerstgenoemde soort is recent nog gevonden in het Dwingelderveld. De andere is zeldzaam maar in 2008 nog aangetroffen in het Holtingerveld. Open zandgrond vormt ook het jachtterrein van de Zandroofvlieg. De vliegen zitten op de grond en jagen van daaruit op hun prooi. De Hoornaarroofvlieg is met zijn lengte van 20-25 millimeter een imposante verschijning. De soort vangt voornamelijk grote prooien, waaronder sprinkhanen zoals Negertje en Knopsprietje. In Drenthe is deze soort inmiddels een regelmatige verschijning. Een bijzonder insect van stuifzanden is de Sneeuwvlo. Deze slechts enkele millimeters grote, vleugelloze soort behoort tot de familie der schorpioenvliegen en is een van de weinige insecten in Nederland die zich voortplanten in de winter. De larven leven van de haarwortels van haarmossen en zijn vrijwel alleen te vinden in stuifzanden. De soort was al bekend uit het Dwingelderveld en is in 2007 ook in het Drouwenerzand aangetroffen. Vanwege het geringe formaat en de afwijkende activiteitsperiode wordt de soort eenvoudig over het hoofd gezien. De kans is dan ook groot dat zij ook op andere Drentse stuifzanden en droge, zandige heiden voorkomt.

J. van Lier (1726-1799)  Mr. Johannes van Lier, zoon van een Rotterdamse wijnhandelaar, was van 1753 tot 1758 lid van Gedeputeerde Staten van Drenthe en van 1758 tot 1785 belastingontvanger van Drenthe. Vanwege een kastekort vluchtte hij in 1785 naar Kleef. In 1781 publiceerde hij een gedegen en fraai geïllustreerd werk over slangen in Drenthe met de titel ‘Verhandeling over de Slangen en Adders die in het Landschap Drenthe gevonden worden’. Hij was een van eersten die aan het toen net opgerichte ’s Lands Kabinet van Natuurlijke Historie materiaal schonk: drie verschillende soorten slangen uit Drenthe. De eerste monografie over een hunebed staat ook op zijn naam. Daarin beschreef hij zijn waarnemingen tijdens herstelwerkzaamheden van het hunebed bij Eext dat later de code D13 kreeg.


167


Natuur in Drenthe - zicht op biodiversiteit - deel 6