Issuu on Google+

3.15 Bebouwd gebied

3.15.1 Inleiding Onder bebouwd gebied wordt dat deel van Drenthe verstaan waar bebouwing, in welke vorm ook, het belangrijkste kenmerk is en waar menselijke activiteiten overheersen. De belangrijkste functies zijn wonen, industrie, verkeer en recreatie. De oppervlakte bebouwd gebied is in Drenthe, vergeleken met West-Nederland, relatief gering. De overgang van bebouwing naar het landelijk gebied verloopt dikwijls geleidelijk, de invloeden van het buitengebied zijn dan ook groot. In oude dorpskernen zijn veelal ‘groene’ elementen te vinden zoals brinken, begraafplaatsen, graslandjes of restanten bos. Ook in de grotere woonkernen is er ruimte voor natuur. In parken en plantsoenen vestigen zich spontaan allerlei planten. Rommelplekken en braakliggende terreinen zijn soms verrassend rijk aan planten. In bosjes en singels en in mosrijke gazons zijn allerlei paddenstoelen te vinden en op oude bomen en kerkmuren groeien soms zeldzame korstmossen. Veel vogelsoorten leven bij voorkeur in dorpen en steden, maar ook soorten van bossen en struwelen komen hier voor. Langs vijvers en sloten groeien vaak verschillende soorten moerasplanten, waardoor er ook waterinsecten, vissen en watervogels kunnen leven.

3.15.2 Vegetatie en flora Nergens komen op een relatief zo klein oppervlak zoveel verschillende biotopen voor als in bebouwd gebied. Daardoor is de flora er zeer gevarieerd. Ze bestaat voor het grootste deel uit inheemse dan wel ingeburgerde soorten. De invloed van menselijk handelen in de bebouwde kom is echter groot. Zo is er ook een groot aantal plantensoorten te vinden die in Drenthe (nog) niet als inheems of ingeburgerd worden beschouwd, maar door ‑ al dan niet opzettelijk ‑ toedoen van mensen verschijnen. Meestal gaat het om spontane vestigingen door aanvoer (adventieven) of ‘ontsnappingen’ uit tuinen. Regelmatig worden ook soorten aangeplant of uitgezaaid. De flora in steden wijkt zo sterk af van die van andere biotopen dat Nederlandse flora-experts het stedelijk milieu

als nieuw plantendistrict hebben onderscheiden: het Urbaan district (zie kader ‘Urbaan district’). In Drenthe worden de specifieke vertegenwoordigers van dit district voornamelijk aangetroffen in de grotere woonkernen.

Gazons en begraafplaatsen Gazons zijn een belangrijk onderdeel van het groen in bebouwd gebied. In tegenstelling tot bermen buiten de bebouwde kom worden gazons regelmatig gemaaid; de maaifrequentie is afhankelijk van de voedselrijkdom van de bodem. Daarnaast worden ze regelmatig bereden en betreden. Alleen planten die op de een of andere manier zijn aangepast aan deze omstandigheden kunnen hier leven. Sommige soorten ontlopen beschadigingen doordat ze laagblijvende rozetten vormen, gewoonweg heel klein zijn of hun levenscyclus al voltooid hebben voor de eerste maaibeurt. Draadereprijs (figuur 3.15.2) is zozeer aangepast aan het leven in gazons dat ze welhaast als gazonafhankelijk kan worden bestempeld. Ze is ooit als rotsplantje vanuit de Kaukasus ingevoerd en heeft zich binnen Nederland snel verspreid in voedselrijke gazons. De plant vormt in Nederland geen vruchten maar verspreidt zich met stengelfragmenten die gemakkelijk wortel schieten. Ze is als een aanwinst te beschouwen die met haar blauwe bloemen in het voorjaar enige kleur geeft aan saaie gazons. Naast maaifrequentie en betreding bepalen voedselrijkdom, vochtgehalte, zuurgehalte en beschaduwing welke soorten zich kunnen handhaven. Gazons op voedselarme bodem komen overal in dorpen voor. Met name gazons van oude begraafplaatsen zijn in floristisch opzicht vaak bijzonder. Deze worden frequent gemaaid, bemesting blijft meestal achterwege en gevallen bladeren worden verwijderd. Hierdoor ontstaan schrale, mosrijke gazons waarin verschillende planten zich prima thuis voelen. Een opvallende soort is Muizenoor die met zijn rozetvormige groeiwijze duidelijk profiteert van de lage vegetatie en zo uitgestrekte matten kan vormen. Op dezelfde plaatsen staat meestal ook Gewone veldbies, terwijl op niet gemaaide plekjes Grasklokje en Zandblauwtje kunnen voorkomen. Op plaatsen waar de grasmat beschadigd is groeit dikwijls Kleine leeuwenklauw.


Urbaan district  Het Urbaan district is in 1996 als nieuw floradistrict in de Flora van Nederland opgenomen (van der Meijden 1996). Het omvat de grote ‘stenige’ gebieden in Nederland: stadskernen, begroeide muren en de grote industriegebieden en spoorwegemplacementen. Aanvankelijk was er onder floristen niet veel belangstelling voor de flora en vegetatie van het urbane district. De laatste jaren is daar een kentering in gekomen, mede door het verschijnen van een speciale veldgids voor planten van de stad (Denters 2004). Het Urbaan district wordt gedomineerd door ruderale, tred- en pioniergemeenschappen met opvallend veel nieuwkomers, warmteminnende en vorstgevoelige soorten, aangevoerde soorten (adventieven) en kosmopolitische soorten. De soorten die grotendeels aan stedelijke biotopen gebonden zijn worden stadsafhankelijke soorten genoemd (tabel 3.15.1). Hiertoe behoren, naast allerlei warmteminnende en vorstgevoelige soorten, ook de muurplanten. Daarnaast herbergt het Urbaan district stadsminnende soorten. Deze zijn niet gebonden aan de stedelijke omgeving maar wel karakteristiek voor de stedelijke flora. Bij deze groep horen ook spoorwegplanten als Kleine leeuwenbek en Bezemkruiskruid. De urbane flora verandert nog voortdurend; elk jaar komen er nieuwe soorten bij. In Drenthe is het Urbaan district slechts matig ontwikkeld. In grote plaatsen als Assen, Hoogeveen en Emmen bedraagt het aantal stadsafhankelijke soorten maximaal 11 in een stedelijk kilometerhok (zie figuur 3.15.1), terwijl dit aantal in de Randstad kan oplopen tot meer dan twintig. Het verschil is te verklaren uit de relatief strenge winters in Drenthe en de beperktere omvang van de Drentse ‘steden’. Maar hoewel in Drenthe nog veel stedelijke soorten ontbreken en muurplanten zeldzaam zijn, gaan zeker niet alle ontwikkelingen aan de provincie voorbij. Vooral de laatste jaren is de lijst van stadsafhankelijke soorten gegroeid. Zo verschenen in 2005 Glanzende ooievaarsbek, in 2006 Hartbladige els en Beklierde nachtschade, in 2007 Klein liefdegras, Hoge fijnstraal en Kransmuur, in 2008 Gevlamde fijnstraal en in 2009 de uit NoordAmerika afkomstige Chamaesyce prostrata. Deze laatste heeft zelfs nog geen Nederlandse naam. Er is ongetwijfeld meer te ontdekken, want het stedelijke milieu is in Drenthe nog weinig onderzocht.

Tabel 3.15.1. Stadsafhankelijke en stadsminnende soorten (naar Denters 2004) in Drenthe. Stadsafhankelijke soorten

Stadsminnende soorten

Amerikaanse kruidkers

Akkerklokje

Noorse ganzerik

Draadereprijs

Bermooievaarsbek

Papegaaienkruid

Geelrode naaldaar

Bezemkruiskruid

Pekbloem

Gehoornde klaverzuring

Bilzekruid

Prachtklokje

Gele helmbloem

Bleekgele droogbloem

Riempjes

Gele kamille

Bolletjesraket

Smal vlieszaad

Harig vingergras

Bonte wikke

Steenkruidkers

Karmozijnbes

Bosrank

Stijve zonnebloem

Klein robertskruid

Citroengele honingklaver

Stinkende ballote

Kleine majer

Doornappel

Stinkende gouwe

Muurleeuwenbek

Dubbelkelk

Straatliefdegras

Muurvaren

Duinvogelmuur

Tengere zandmuur

Oosterse raket

Eekhoorngras

Teunisbloemen

Plat beemdgras

Esdoornganzenvoet

Tuinwolfsmelk

Postelein

Fraaie vrouwenmantel

Vreemde ereprijs

Schijnaardbei

Gestreepte leeuwenbek

Wegdistel

Steenbreekvaren

Gewoon langbaardgras

Witte honingklaver

Tongvaren

Grijskruid

Zomerfijnstraal

Vlinderstruik

Grote zandkool

Zwenkdravik

Witte amarant

Harig knopkruid

Zegekruid

Hartgespan Heelbeen

De stadsminnende Kleine kattenstaart is tijdens een excursie van de WFD in 2009 voor het eerst in Drenthe gevonden.

371

in 1998-2009 voor het eerst in Drenthe aangetroffen:

in 1998-2009 voor het eerst Hongaarse raket in Drenthe aangetroffen: Kaal breukkruid

Baardgras

Alsemambrosia

Kandelaartje

Grijs kattenkruid

Beklierde nachtschade

Klein springzaad

Kleine kattenstaart

Chamaesyce prostrata

Kleine leeuwenbek

Middelste duivenkervel

Eenbloemige veldkers

Kleverig kruiskruid

Gekielde dravik

Kompassla

Gevlamde fijnstraal

Koningskaars

Glanzige ooievaarsbek

Kruipertje

Hartbladige els

Kweekdravik

Hoge fijnstraal

Moederkruid

Klein liefdegras

Mosbloempje

Kogelduizendknoop

Muurganzenvoet

Kransmuur

Muursla

Kruipklokje

Roze winterpostelein

Schijnpapaver

Rozetsteenkers

Stijf ijzerhard

Sofiekruid

Gekield druifkruid

Figuur 3.15.1. De gecombineerde verspreiding in Drenthe van stadsafhankelijke soorten in de periode 1970-2008. Figuur 3.15.1

Aantal soorten

Bert Oving

1 2-3 4-5 6 - 11

(273) (61) (8) (12)


Figuur 3.15.2

Draadereprijs

Roos Meijering

1990 - 2008 (150) 1970 - 1996 (179)

372

planten die maaien en betreding kunnen verdragen zoals Paardenbloem, Madeliefje en Grote weegbree. In vroegere tijden dienden brinken als gemeenschappelijke weide en als sociale ontmoetingsplaats. Sommige worden nog steeds als evenemententerrein gebruikt, bijvoorbeeld voor jaarlijks terugkerende markten. Een bijzondere situatie doet zich voor op de brink in Zuidlaren. Hier staan Muizenstaart en Klein bronkruid, twee kleine eenjarigen die van nature groeien op open, vochtige grond. De jaarlijkse paardenmarkt in oktober zorgt, in combinatie met het verwijderen van gevallen bladeren, elk jaar weer voor voldoende geschikte groeiplaatsen voor deze pioniers. Bijzonder is ook het voorkomen van de zeldzame Bosgeelster in dorpen op de Hondsrug en in enkele veenkoloniale dorpen ten oosten hiervan (figuur 3.15.3). Het voorkomen in de Veenkoloniën is pas recent vastgesteld. Bosgeelster groeit hier op grazige plaatsen onder bomen in de oudste delen van de bebouwde kom: een opmerkelijk verschil met de standplaatsen in het zuidoosten van Nederland waar deze soort hoofdzakelijk in beekdalbossen voorkomt. Bosgeelster heeft in de loop van mei zijn levenscyclus al voltooid en ontloopt daarmee de eerste maaironde. Gemeente Aa en Hunze houdt rekening met zijn aanwezigheid door het tijdstip van de eerste maaibeurt aan te passen.

Bert Oving

Op de kale zandpaden en tussen en langs de randen van graven groeien voorjaarsbloeiers als Vroegeling, Zandraket en Klein tasjeskruid. Recente nieuwkomers in dit milieu zijn Uitstaande en Donkere vetmuur, waarvan de eerstgenoemde in Drenthe beduidend algemener is. Muurpeper en Wit vetkruid kunnen hier en daar dichte plakkaten vormen. Beschadiging deert deze vetplantjes niet; het helpt juist mee aan verdere verbreiding omdat de losgeraakte stukjes opnieuw uitlopen. Daarnaast zijn ook regelmatig plantensoorten van akkers en ruderale terreinen te vinden, zoals Akkerviooltje, Tuinwolfsmelk, Stijve klaverzuring en Korrelganzenvoet. Op de begraafplaats in Eelde groeit het zeer zeldzame Eekhoorngras. Deze groeiplaats is een restant van de verspreidingskern in de kop van Drenthe voor 1950. De meeste gazons van brinken zijn soortenarm. Dit houdt behalve met voedselrijkdom (hondenpoep) ook verband met beschaduwing door de aangeplante bomen (meestal Zomereiken) en intensieve betreding. De ondergroei bestaat meestal uit overblijvende grassen en enkele rozetvormende

Muurpeper in groef tussen grafplaten

Draadereprijs

Verschillende gemeenten in Drenthe zijn bezig met het ontwikkelen van meer natuurlijk groen en passen daarop een ecologisch beheer toe. Zo wordt langs nieuw gegraven vijvers gekozen voor natuurlijke oevers en in plaats van een gazon voor ‘grazige weiden’. Hier en daar ontstaan zo stukjes natuur met een bijzondere flora. Fraaie voorbeelden hiervan zijn te zien in nieuwbouwwijken in Meppel en Hoogeveen. Langs meerdere vijvers heeft zich een vegetatie ontwikkeld die doet denken aan de bloemrijke graslanden van natte natuurgebieden. Hooilandsoorten als Pinksterbloem, Scherpe boterbloem, Rode klaver en Veldzuring kunnen ongestoord tot bloei komen. Minder algemene soorten als Grote ratelaar, Gewone dophei, Stijve ogentroost en Kruipend zenegroen blijken het hier uitstekend naar hun zin te hebben. Ook orchideeën laten zich niet onbetuigd, waaronder enkele in Drenthe zeer zeldzame soorten (zie kader ‘Orchideeën in de stad’).


Figuur 3.15.3

Bosgeelster

Bosgeelster in een berm bij Anloo.

Hans Dekker

1990 - 2008 (28) 1970 - 1996 (19)

373

Orchideeën in de stad  Er zijn waarschijnlijk weinig planten die zo tot de verbeelding spreken als orchideeën. In Nederland komen zo’n dertig soorten voor. Tien hiervan (inclusief ondersoorten) zijn in Drenthe te vinden. Ondanks wettelijke bescherming en de zorg van veel natuurbeheerders gaan veel soorten orchideeën sterk achteruit en is een aantal zelfs verdwenen. Kwetsbare en zeldzame soorten zijn in Drenthe vrijwel geheel teruggedrongen tot de natuurgebieden, waar ze onder andere groeien in vochtige heide, heischrale graslanden en beekdalhooilanden. Maar opmerkelijk genoeg heeft daarnaast het bebouwde gebied een belangrijke functie voor orchideeën. In tegenstelling tot andere soorten gaat het Brede wespenorchis voor de wind en ze is de laatste decennia duidelijk toegenomen (zie Bossen, paragraaf 3.2.2). Zij duikt ook overal op in bebouwd gebied en is daarmee een echte ‘stadsorchidee’ geworden. Zij groeit op allerlei beschaduwde plaatsen in parken, singels, beschaduwde bermen, lage sierbeplanting en zelfs tussen stoeptegels! Heel bijzonder is het voorkomen van verschillende soorten orchideeën in ‘graslandjes’ rondom vijvers. Deze zijn onder meer te bewonderen in Meppel en Hoogeveen. Op sommige plaatsen vestigden zich binnen enkele jaren na aanleg Brede orchis, Gevlekte orchis en Rietorchis. Plaatselijk komen ze met honderden exemplaren voor, samen met Grote ratelaar, Gewone dotterbloem, Veldrus en Bosbies. Op enkele plaatsen heeft zich inmiddels ook de witbloeiende Welriekende nachtorchis gevestigd. In Hoogeveen groeit de Moeraswespenorchis in een slenk op een industrieterrein, samen met een kleine duizend Riet- en Brede orchissen en, net als in duinvalleien, samen met Parnassia. Waarschijnlijk gaat het hier voor een deel om introductie. Het jaarlijkse beheer van de graslandjes en slenken bestaat uit maaien en afvoeren in augustus. Op verschillende plaatsen zijn orchideeën bewust geïntroduceerd. Een van de oudste voorbeelden in Drenthe is het terrein van de psychiatrische inrichting Hendrik van Boeijenoord in Assen. Hier werden in de jaren tachtig plannen gemaakt voor een nieuw park. Anders dan gebruikelijk moest in dit geval de natuur voorop staan, om de interactie tussen bewoners en natuur zo groot mogelijk te maken. Hiervoor werden er

Hans Dekker

Kruidenrijke vegetatie met orchideeën langs vijver in Hoogeveen.

flauwe glooiingen in de lemige bodem aangelegd evenals enkele vijvers met afwisselende, zo natuurlijk mogelijke oevers. Toevallig kwamen er beschermde planten beschikbaar, waaronder drie soorten orchideeën, die moesten wijken voor de aanleg van een schietterrein van het ministerie van Defensie in de Lauwersmeerpolder. Deze planten werden met vergunning (ze zijn wettelijk beschermd) overgebracht naar heemtuinen en natuurontwikkelingsprojecten. Op het terrein van Hendrik van Boeijenoord bleken de planten goed aan te slaan en inmiddels is het al jaren een lust voor het oog met verschillende soorten orchideeën zoals Vleeskleurige orchis, Rietorchis en de Moeraswespenorchis. Orchideeënrijke terreinen hebben voor velen esthetische waarde. Wandelaars wanen zich tijdens een klein ommetje even helemaal in de natuur. Daarnaast kunnen zulke plekken een educatieve functie hebben, bijvoorbeeld om kinderen kennis te laten maken met de natuur.




      

     

Hans Dekker

Opgaand groen Het bebouwd gebied in Drenthe is rijkelijk bedeeld met opgaand groen. In de omgeving van dorpen liggen oude geriefbosjes en eikenhakhoutbosjes. Veel oude houtwallen zijn bij dorpsuitbreidingen gespaard en maken nu deel uit van het openbaar groen. Enkele grotere woonkernen mogen zich gelukkig prijzen met fraaie bossen. De bekendste zijn het Asserbos en de Emmerdennen. De kenmerkende vegetatie en flora van dit biotoop worden besproken in de hoofdstukken Bossen (paragraaf 3.2.2) en Houtwallen (paragraaf 3.3.2). In oude parken zijn bomen en heesters dikwijls uitheemse soorten; vaak zijn cultuurvariĂŤteiten aangeplant. De laatste decennia worden parken, bosjes en singels voornamelijk beplant met inlandse bomen en struiken. Door menselijke activiteiten vindt op veel plaatsen voedselverrijking plaats. Alleen het uitlaten van honden zorgt al voor een behoorlijke toevoer van meststoffen. Daarnaast wordt door

Parkje in Drouwen met ingezaaide Margriet en Blaassilene.

Hans Dekker

374

De vegetatie in veel van deze terreinen heeft zich spontaan gevestigd. Het is verbazingwekkend te zien hoe snel allerlei bijzondere planten zich aandienen als het vestigingsmilieu geschikt is. Soms wordt de ontwikkeling een handje geholpen door na de aanleg hooi uit natuurgebieden op te brengen. Na verloop van tijd is het dan wel eens moeilijk te bepalen welke soorten zich spontaan gevestigd hebben. De snelheid waarmee sommige soorten zich over deze terreinen weten te verspreiden geeft wel duidelijk aan dat de ecologische condities goed zijn, mede dankzij een verschralend beheer waarbij pas in de nazomer gemaaid wordt. Verspreid over Drenthe liggen hier en daar terreinen die zijn ingezaaid met mengsels van wilde bloemen. Voorbeelden zijn onder meer te zien op het Logistiek Centrum Hoogeveen, in de omgeving van Parc Sandur aan de zuidkant van Emmen en op diverse terreinen van de Waterleidingmaatschappij Drenthe. Het mengsel dat hiervoor wordt gebruikt bevat vooral algemene soorten waarvan het natuurlijke verspreidingsgebied grotendeels buiten Drenthe ligt, zoals Margriet, Blaassilene, Peen, Knoopkruid en Wilde cichorei. Dezelfde soorten worden ook regelmatig aangetroffen in bermen (zie Wegbermen en spoordijken, paragraaf 3.11.2).

Robertskruid Figuur 3.15.4. Gecombineerde verspreiding in Drenthe van zes karakteristieke soorten van voedselrijke zomen. 

      

     


Figuur 3.15.5

Maarts viooltje

Hans Dekker

Figuur 3.15.6

Maart viooltje

Kok van Herk

1990 - 2008 (44) 1970 - 1996 (32)

Roze winterpostelein

Roze winterpostelein 1990 - 2008 (257) 1970 - 1996 (102)

aanwonenden snoei- en tuinafval gedumpt in singels. Hierdoor worden juist in de omgeving van bebouwing planten van voedselrijke zomen aangetroffen. De vegetatie kan weelderig en heel gevarieerd zijn, met struiken, klimplanten (Klimop) en kruidachtige planten van verschillende hoogte in combinatie met allerlei bodembedekkers. Een groot deel van het jaar komen er aantrekkelijk bloeiende planten (ook struiken) voor die rijkelijk bezocht worden door insecten. In parken, struwelen en singels kunnen vooral algemene bosplanten zich spontaan vestigen. Waar ruimte wordt gelaten voor ondergroei verschijnen soorten als Dolle kervel, Speenkruid en Dagkoekoeksbloem. Andere karakteristieke soorten van voedselrijke zomen zoals Geel nagelkruid, Robertskruid, Klein springzaad, Stinkende gouwe, Bergbasterdwederik en Look-zonder-look waren op de arme zandgronden van Drenthe matig algemeen maar nemen als gevolg van stads- en dorpsuitbreiding verder toe en breiden zich geleidelijk over de provincie uit (figuur 3.15.4). De kans op een ontmoeting met de Bosrank wordt ook steeds groter. Deze klimplant kwam binnen Nederland vooral voor in Zuid-Limburg maar duikt

inmiddels overal op. Waarschijnlijk gaat het voornamelijk om verwildering uit tuinen. Op haar natuurlijke standplaats kan de plant tot in de kruinen van bomen reiken; in het bebouwd gebied staat zij vaak in plantsoenen en kan zij beplantingen geheel overgroeien. In deze voedselrijke zomen hebben zich ook opvallende tuinplanten gevestigd als Reuzenbalsemien, Tuinjudaspenning, Late guldenroede en probleemsoorten als Japanse duizendknoop en Reuzenberenklauw. Japanse duizendknoop vormt dichte haarden die weinig ruimte laten voor andere soorten. Reuzenberenklauw is een imposante verschijning die bij aanraking jeuk en brandblaren veroorzaakt. Maarts viooltje, een ‘ouderwetse’ tuinplant, vestigt zich regelmatig op vochtige beschaduwde plaatsen (figuur 3.15.5). Ook Roze winterpostelein (figuur 3.15.6) en Winterpostelein hebben zich snel verspreid. Ze zaaien zich gemakkelijk uit. Roze winterpostelein heeft bovendien aantrekkelijke bloemen en de zaden gingen daarom ‘van hand tot hand’. In tegenstelling tot Winterpostelein vestigt deze plant zich ook overal in het

375


Figuur 3.15.7

Bonte gele dovenetel

Bert Oving

1990 - 2008 (505) 1970 - 1996 (411)

376

hebben de verschillende cultivars van deze soort duidelijk gekleurde bloemen. Zorgwekkend is de recente toename van waterplanten die in tuincentra verkocht worden en populair zijn bij vijverbezitters. Na verloop van tijd belanden ze vaak in het oppervlaktewater. Deze exoten kunnen zich in korte tijd massaal uitbreiden, vaak ten koste van andere waterplanten (zie kader ‘Invasieve exoten in het oppervlaktewater’ in Sloten, wijken, vaarten en kanalen, paragraaf 3.12.2). Voorbeelden zijn Grote waternavel (Assen, Meppel), Ongelijkbladig vederkruid (Assen), Parelvederkruid (Assen en Coevorden), Egeria (Coevorden) en Waterteunisbloem (Meppel).

buitengebied. Ze verlangt vochtige, beschaduwde plaatsen en groeit vaak langs beschaduwde zandpaden. Van de laatste lichting van succesvolle nieuwkomers mag Glanzige ooievaarsbek niet onvermeld blijven. In Drenthe werd deze soort voor het eerst gemeld van een bosrand in de omgeving van Havelte; inmiddels groeit ze op veel plaatsen. De meeste liggen in de bebouwde kom, maar er zijn ook enkele vondsten in singels daarbuiten. Sommige bodembedekkers kunnen zich met uitlopers snel uitbreiden. In tuinen groeien ze al snel buiten de hun toegemeten ruimte en met tuinafval belanden ze in het openbaar groen. Daar breiden deze woekeraars zich snel uit. De meest succesvolle soort in Drenthe is ongetwijfeld Bonte gele dovenetel. Deze forse bodembedekker heeft zich inmiddels in het landelijk gebied uitgebreid, met name in kleine bosjes en singels (figuur 3.15.7). Daar groeit hij opvallend vaak aan de ingang van paden, dikwijls in gezelschap van enkele andere tuinplanten. Gevlekte dovenetel en Schijnaardbei zijn kleiner maar verspreiden zich eveneens gemakkelijk. Schijnaardbei wordt in de Atlas van de Drentse Flora van slechts één groeiplaats vermeld, maar is inmiddels ruim verbreid.

Wegen en parkeerplaatsen Langs wegen en op parkeerplaatsen in bebouwd gebied groeien vooral plantensoorten die er tegen kunnen regelmatig te worden betreden en overreden. In voegen van klinkerstraten zijn dit vooral algemene kleine eenjarigen zoals Rode schijnspurrie, Straatgras, Varkensgras en Liggende vetmuur. Een recente nieuwkomer in dit milieu is Straatliefdegras dat zich

Peter Venema

Vijvers Vijvers in parken en plantsoenen hadden in het verleden vaak een overstortfunctie voor rioolwater, waardoor het water voedselrijk en soms vervuild was. Op steeds meer plekken wordt deze overstortfunctie afgekoppeld, waardoor de waterkwaliteit is verbeterd. Nieuw aangelegde vijvers hebben tegenwoordig vaak waterberging als nevenfunctie; er wordt rechtstreeks van verharde oppervlakken afkomstig hemelwater op geloosd. Deze vijvers zijn soms rijk aan water- en oeverplanten. Zo komen in vijvers in de wijk Peelo in Assen waterplanten voor als Aarvederkruid, Stomp, Gekroesd en Drijvend fonteinkruid en langs de randen onder meer Wateraardbei, Slanke waterkers en plaatselijk Veldrus. In enkele vijvers in nieuwbouwwijken in Meppel groeien door de invloed van kwel Waterviolier en Krabbenscheer. In en aan randen van vijvers staan ook dikwijls planten die door aanwonenden zijn ingebracht. Tuinwaterlelie is wellicht de bekendste. In tegenstelling tot de inheemse Witte waterlelie

De groenblijvende bodemdekkers Schijnaardbei en Bonte gele dovenetel duiken overal op in Drenthe.

Waterteunisbloem en Grote waternavel in vijver in Meppel.


IJsbanen  Bij veel Drentse dorpen liggen ijsbanen. Tussen deze ijsbanen bestaan grote verschillen in flora en vegetatie. De duur van de winterse inundatie, de voedselrijkdom van het water waarmee de ijsbaan onder water wordt gezet en de voedselrijkdom van de ondergrond zijn van grote invloed. Het overgrote deel van de ijsbanen valt na de winterse inundatie droog. Wanneer de grond weer voldoende draagkracht heeft worden er soms schapen of jongvee ingeschaard. Op andere ijsbanen is er in de zomer geen enkele vorm van grondgebruik of wordt de vegetatie in toom gehouden door enkele maaibeurten. De bodem van dit ‘type’ ijsbaan is relatief voedselrijk en door de winterse inundatie treedt bodemverdichting op met zuurstofloosheid tot gevolg. Hooilandplanten zijn hier niet op aangepast en ontbreken meestal. De soortenarme vegetatie bestaat voornamelijk uit grassen, met name soorten van overstromingsgraslanden. Fioringras, Geknikte vossenstaart en Ruw beemdgras treden vaak dominant op. Ze zijn in het bezit van wortelstokken of uitlopers en vormen een mozaïek van ineengevlochten ‘tapijten’. Bij inundatie gaan de bladen drijven zodat ze contact met de lucht houden. Langs de randen of op plaatsen met geringe hoogteverschillen treedt vaak een gradiënt op van nat naar droog. Naarmate het water steeds verder wegzakt vestigen zich pioniers op de droogvallende delen. Op natte, voedselrijke bodem zijn dit kenmerkende soorten als Veerdelig tandzaad, Moeraskers, Blaartrekkende boterbloem en Waterpeper. Daarnaast vormen Zomprus en Pitrus meestal een vast bestanddeel van de vegetatie. Opvallend is het plaatselijk optreden van Kleine leeuwentand op de droogvallende bodem van de ijsbaan bij Sleen. In Drenthe is deze soort vrij zeldzaam maar neemt zij wel duidelijk toe. Een geheel ander ’type’ vormen de ijsbanen waar het water geleidelijk wegzakt of plaatselijk blijft staan. De invloed van regenwater is hier groter, waardoor er een wat voedselarmere situatie is. In het ondiepe, langzaam wegzakkende water staan vooral pioniers als Grote egelskop, Grote waterweegbree en Gewone waterbies. Zij hebben alle min of meer een voorkeur voor ’s zomers droogvallende plaatsen en profiteren optimaal van de afwezigheid van andere, forsere moerasplanten. Opvallend is het voorkomen van de vrij zeldzame Veelstengelige waterbies, onder andere op de ijsbanen van Vledder, Norg en Meppen. Zij is kenmerkend voor ’s zomers droogvallende voedselarme en zure plaatsen. Op deze ijsbanen met voedselarmere omstandigheden bestaat de pioniervegetatie op de droogvallende delen voornamelijk uit laagblijvende soorten. Waterpostelein is opvallend vaak aanwezig, dikwijls in gezelschap van soorten als Egelboterbloem, Moerasdroogbloem, Knolrus en Greppelrus. Daarnaast zijn er vondsten van enkele bijzondere pioniers zoals Bleekgele droogbloem op de ijsbaan bij Zuidlaren (2005) en Kleine zonnedauw op de ijsbaan in Vledder (2006). Op dit ‘type’ ijsbanen staan ook soorten van kleine zeggenvegetaties, met kenmerkende soorten als Moerasstruisgras, Egelboterbloem, Gewone waternavel en Zwarte zegge. Een enkele keer worden wat meer bijzondere vertegenwoordigers aangetroffen zoals Zeegroene muur en Schildereprijs. De meest bijzondere ijsbaan in Drenthe is De Schaapskuil ten noorden van Valthe. Hier is een mozaïek van verschillende vegetatietypen te vinden. Naast Riet maken er vooral zeggensoorten een groot deel van de begroeiing uit. In de natste delen staan Scherpe zegge en Blaaszegge en op de wat drogere delen de in Drenthe zeer zeldzame Valse voszegge. Dit is ook de enige bekende groeiplaats in Drenthe van de Voszegge, landelijk gezien een zeldzame soort van moerassen en natte hooilanden op kalkarme rivierklei, die voornamelijk in het rivierengebied voorkomt. Ook daar groeit zij vooral op plaatsen die in de winter onder water staan en ’s zomers uitdrogen. Naast deze bijzonderheden groeien in De Schaapskuil soorten van kleine zeggenvegetaties en op de drogere delen zijn Blauwe zegge en de pionier Ronde zonnedauw aangetroffen, twee soorten van vochtige heiden.

de laatste tien jaar verbreidt in bebouwde gebieden. Daarnaast komt het tegenwoordig tot ver buiten de bebouwde kom langs wegen voor. Hertshoornweegbree is een van de soorten die zich dankzij het strooien van zout en pekel tegen gladheid via de grote wegen over de provincie hebben verspreid. Dergelijke planten noemt men pekeladventieven (zie kader ‘Pekeladventieven’ in Wegbermen en spoordijken, paragraaf 3.13.2). Tegenwoordig komt Hertshoornweegbree ook overal in de bebouwde kom voor (Venema 2008). De laatste lichting nieuwkomers ‘van de straat’ bestaat uit Klein liefdegras, Kaal breukkruid en Kransmuur. Dit zijn warmteminnende planten die door de verdere verstedelijking van Drenthe en de klimaatverandering naar verwachting zullen toenemen (zie kader ‘Toename van warmteminnende planten’). Op plekken die minder intensief worden betreden, bijvoorbeeld langs gevels, rond lantaarnpalen en in de goot, vestigen zich planten als Gewone raket, Herderstasje en Canadese fijnstraal. Ook allerlei vanuit tuinen verwilderde tuinplanten zijn hier te vinden. Langs zonnige gevelmuren kan recent ook worden uitgekeken naar Beklierde nachtschade. In de Randstad is deze van oorsprong Zuid-Europese soort een kenmerkende straatplant van de binnensteden. In Drenthe is zij net aan haar opmars begonnen; ze is gevonden in Hoogeveen, Assen en Zweeloo. Een andere plant die graag op warme plaatsen groeit is Duinvogelmuur. Deze onopvallende soort groeit binnen de bebouwde kom op zandige, voedselrijke plaatsen, aan boomvoeten en langs muren. Tot nu toe is zij binnen Drenthe alleen gevonden in Hoogeveen, Meppel en Zuidlaren. De verspreiding is echter onvoldoende bekend (Dijkhuis 2006).

Toename van warmteminnende planten  In Nederland nemen warmteminnende soorten toe. Was tot voor kort de toenemende voedselrijkdom (vermesting) de belangrijkste oorzaak van veranderingen in het voorkomen van plantensoorten, de laatste decennia heeft de temperatuurstijging die rol overgenomen (tabel 3.15.2). Dit is het gevolg van verstedelijking en klimaatverandering. De hogere temperaturen en de kortere, mildere winters zijn van invloed op de plantengroei. Vooral warmteminnende en vorstgevoelige soorten profiteren hiervan. De toename van deze soorten vindt plaats in alle ecosystemen, maar vooral binnen droge ecosystemen en het Urbaan district (zie kader ‘Urbaan district’). Zowel nieuwkomers uit warmere streken als de al aanwezige warmteminnende soorten breiden zich uit. Tabel 3.15.2. Aandeel (in %) van verschillende milieuthema’s in de verklaring van de voor- of achteruitgang van plantensoorten in Nederland in de twintigste eeuw. Gegeven zijn de minimum en maximum schattingen (Tamis et al. 2003). Milieuthema

1902-1949 > 1975-1984 1975-1984 > 1985-1999

Temperatuurstijging

6-22

45-59

Vermesting

60-61

15-24

Verdroging

1-10

25

Verzuring

8-32

1-6

377


in het noorden van Nederland zeer zeldzaam. Momenteel zijn er slechts vijf groeiplaatsen in Drenthe van Steenbreekvaren, waarvan drie op sluismuren. De grootste vindplaats is het sluisje in de Molenwijk, midden in Smilde. De soort werd hier voor het eerst in 1985 gevonden; in 2009 werden er meer dan 250 exemplaren geteld. Ook komt Steenbreekvaren voor op een tuinmuurtje in Meppel en al meer dan twintig jaar in de voegrand rondom een grafsteen op het kerkhof in Oosterhesselen. Tongvaren wordt in overeenstemming met de landelijke trend ook in Drenthe vaker gevonden. Voor 1999 was zij uitsluitend bekend van twee waterputten. Sindsdien is ze onder andere aangetroffen op een kerkmuur in Anloo en in 2008 op een zijmuur van een oude boerderij in Assen. Omdat Tongvaren een beschermde soort is krachtens de Floraen faunawet, is voor de geplande sloop van deze boerderij een compensatieplan opgesteld waarbij de muurdelen met Tongvarens worden getransplanteerd naar een muur van de ter plaatse te bouwen kinderboerderij.

Wilde narcis

Siertuinen zijn meestal voedselarmer dan moestuinen. In weinig onderhouden tuinen weten de nieuwkomers als Straatliefdegras en Uitstaande en Donkere vetmuur een plekje te vinden. Andere recente nieuwkomers zijn Gehoornde klaverzuring en Eenbloemige veldkers. Beide planten zijn met containerplanten ‘meegelift’. Gehoornde klaverzuring is echter ook bewust als borderplant geïntroduceerd. Enkele oorspronkelijk in het wild in Drenthe groeiende planten zijn nu alleen nog in tuinen te vinden. De Wilde narcis, van nature een soort van beekdalen en vochtige loofbossen, siert in het vroege voorjaar nog steeds verschillende tuinen in enkele lintdorpen in Zuidwest-Drenthe, bijvoorbeeld langs de Larijweg in Ruinerwold. Ook in tuinen bij Schoonebeek is dit bolgewas aanwezig (Hoentjen 2009). De Roggelelie, vroeger een kenmerkende soort van roggeakkers, is in het verleden als sierplant overgebracht naar tuinen. Er resteert nog één wilde groeiplaats (zie Akkers, paragraaf 3.10.2). In enkele tuinen in Gieten en in verder noordelijk op de Hondsrug gelegen dorpen worden nog steeds exemplaren van deze zomerbloeier aangetroffen.

Ben Hoentjen

Steenbreekvaren op kerkhof in Oosterhesselen.

Hans Dekker

378

Moestuinen en siertuinen In moestuinen (inclusief volkstuinen) en siertuinen komen allerlei algemene akkeronkruiden en pioniersoorten voor. Kweek en Zevenblad zijn lastige wortelonkruiden, maar ook eenjarigen doen veel tuinliefhebbers naar de schoffel grijpen in een poging hun tuintje weer onkruidvrij te krijgen. Een verschil met akkers is het hogere humusgehalte in moestuinen. Hierdoor komen soorten zoals Tuinwolfsmelk, Kleine brandnetel, Kleine veldkers en Stijve klaverzuring meer voor in moestuinen dan op akkers. Sommige soorten met een korte levenscyclus kunnen in zachte winters massaal aanwezig zijn in moestuinen en ook tot bloei komen. Straatgras, Vogelmuur, Kleine veldkers en Paarse dovenetel zijn wel de bekendste voorbeelden. Een aantal akkeronkruiden van voedselrijke bodems zoals Kroontjeskruid, Tuinwolfsmelk en Gewone duivenkervel waren in Drenthe altijd vrij zeldzaam maar zijn duidelijk in opmars in (moes)tuinen. Ook een zeldzaamheid als Akkerandoorn komt in Drenthe hoofdzakelijk voor in moestuinen.

Muren Oude muren die zijn opgemetseld met kalkrijke specie, zoals kademuren, sluismuren, kerkmuren, tuinmuren en muren bij bruggen en kerkhoven, vormen een bijzonder milieu. Hierop vestigen zich allerlei plantensoorten, waaronder een aantal kenmerkende muurplanten. Drenthe is arm aan muurplanten, als gevolg van de relatief strenge winters en de beperkte hoeveelheid geschikte muren. Van de aan muren aangepaste plantensoorten zijn er zes in Drenthe gevonden. Gele helmbloem is in Drenthe zeer zeldzaam en wordt slechts af en toe gemeld. Muurleeuwenbek is in Drenthe de algemeenste muurplant, maar toch altijd nog zeer zeldzaam. Ze wordt ook veel in tuincentra verkocht en kan zich gemakkelijk met zaad verspreiden. Vanwege het nagenoeg ontbreken van geschikte vestigingsplaatsen zal ze waarschijnlijk wel zeldzaam blijven. De overige soorten zijn varens waarvan Muurvaren het meest succesvol is. Zij kan zich ook vestigen op relatief jonge muren. Dat kunnen ook met portlandcement gemetselde muren zijn. Schubvaren is in Drenthe uitgestorven maar was ook slechts van één groeiplaats bekend. Steenbreekvaren en Tongvaren zijn


Perzikkruid en Beklierde duizendknoop kunnen volledig domineren. Verder vinden Korrelganzenvoet, Europese hanenpoot, Reukloze kamille en verschillende soorten van het geslacht Basterdwederik meestal snel een geschikte plaats. Zegekruid en Doornappel voelen zich hier ook prima thuis en nemen geleidelijk toe. Vooral op braakliggende terreinen in oude stadscentra duiken soms zeldzame soorten op. Zo verscheen Bilzekruid, een sterk achteruitgaande soort met een voorkeur voor voedsel- en kalkrijke omstandigheden, in 2008 plotseling op een braakliggend terrein in de oude binnenstad van Coevorden. Op matig voedselrijke en vochtige plaatsen zijn de grotere planten minder dominant en is er ook ruimte voor enkele kleinere soorten. Hier staan dikwijls meerdere bijzondere soorten bij elkaar. Zo groeiden op een terrein van een voormalige conservenfabriek in Assen in 2007 zeldzaamheden als Akkerandoorn, Bleekgele droogbloem (figuur 3.15.8) en Geelrode naaldaar. Op leemhoudende plekken op dit terrein waren ook kleine bijzonderheden als Borstelbies en Fraai duizendguldenkruid te vinden. De laatste is in Drenthe zeer

Pioniervegetatie met Bleekgele droogbloem en schijfkamille op braakliggend terrein. Figuur 3.15.8

Bleekgele droogbloem 1990 - 2008 (51) 1970 - 1996 (11)

Bert Blok

Edwin Dijkhuis

Ruderale terreinen Onder de noemer ‘ruderale terreinen’ vallen rommelplekken, braakliggende terreinen en sloop- en bouwplaatsen. Ook plaatsen waar grond, puin en bouwmaterialen zijn gedeponeerd worden ertoe gerekend. Ze zijn overal te vinden, maar alleen in de grotere woonkernen gaat het om terreinen van enige omvang. Ze worden gekenmerkt door een spontane begroeiing van plantensoorten met een voorkeur voor plaatsen waar verstoring optreedt. Voedselrijkdom, humus en kalkgehalte bepalen de samenstelling van de flora. Na enkele jaren kan zich hier een bijzonder scala aan allerlei bloeiende soorten gevestigd hebben. Dit is een groot verschil met (moes)tuinen, waar door de jaarlijks terugkerende grondbewerking slechts plaats is voor akkeronkruiden en enkele hardnekkige wortelonkruiden. In onbruik geraakte moestuinen kunnen wel soorten van ruderale terreinen herbergen. Ruderale vegetaties worden gekenmerkt door plantensoorten met sterk uiteenlopende cycli. Eerst verschijnen de pioniers. Op voedselrijke plaatsen nemen vooral fors uitgroeiende akkeronkruiden de ruimte in beslag. Melganzenvoet,

Kandelaartje op braakliggend terrein in Coevorden.

zeldzaam en kan zich alleen handhaven als de vegetatie open blijft. Bleekgele droogbloem is hard op weg om zijn status van zeldzame soort te ontstijgen. Binnen de bebouwde kom komt hij steeds vaker voor, onder andere in voegen tussen bestrating. Op de parkeerplaats van het provinciehuis in Assen staan honderden exemplaren! Buiten de bebouwde kom wordt de soort steeds vaker aangetroffen als pionier op allerlei vochtige plaatsen op arme zandgrond. Op open droge en schrale plekken duiken ook regelmatig bijzonderheden op, zoals het overal in Drenthe toegenomen Dwergviltkruid. Op een braakliggend industrieterrein in Coevorden werd in 2002 het zeldzame Duits viltkruid aangetroffen, de eerste vondst in Drenthe. In hetzelfde industriegebied bevindt zich ook de enige bekende vindplaats in de provincie van Kandelaartje, dat hier in 2007 voor het eerst is vastgesteld en er nu met meer dan duizend exemplaren voorkomt. Verder worden op ruderale terreinen regelmatig uit tuinen afkomstige soorten als Moederkruid, Zomerfijnstraal, klein-

379


Rijke begroeiing van mossen op stenig substraat.

vochtige braakliggende terreinen in Hoogeveen en Assen zijn ook zaailingen van Hartbladige els gevonden. Ze groeien hier onder omstandigheden die overeenkomen met de natuurlijke standplaats van deze boom op Corsica en in Zuid-Italië. Hartbladige els wordt aangeplant als laanboom. Sinds enkele jaren vindt spontane kieming van deze warmteminnende boom plaats.

Vioolsterretje, Viltig kronkelbladmos en Gerimpeld kronkelbladmos (van Zanten 2009). De laatste twee zijn landelijk zeldzaam. Vioolsterretje was dat enkele decennia geleden ook, maar na gerichte inventarisaties op muren en daken bleek de soort vrij algemeen te zijn. Gericht inventariseren in dit biotoop zal waarschijnlijk nog veel meer ontdekkingen opleveren.

3.15.3 Mossen en korstmossen

Korstmossen Het aantal mensen dat zich in Nederland met korstmossen bezig houdt is erg klein. De korstmossenflora, en dan met name die van oude bomen langs wegen en op erven en dorpsbrinken, is in Drenthe echter wel veel beter onderzocht dan die van mossen. Dit heeft een aantal redenen. Korstmossen zijn uitstekende graadmeters voor de milieueffecten van ammoniak (zie Intermezzo ‘Korstmossen als milieuindicatoren’). Om deze effecten te volgen zijn op honderden plaatsen verspreid over de provincie Drenthe meetpunten uitgezet, bestaande uit rijtjes bomen waarvan de erop groei-

De grote verscheidenheid aan substraten in de bebouwde kom biedt allerlei mossen en korstmossen vestigingskansen. Soorten die van nature op rotsen voorkomen vinden hier een goed alternatief in de vorm van allerlei stenige ondergronden. De verscheidenheid aan soorten wordt nog vergroot door de grote verschillen in voedselrijkdom, temperatuur, vochtigheid, beschaduwing en zuurgraad op een relatief klein oppervlak; ook soorten met zeer specifieke voorkeuren vinden hier een plekje.

Bert Oving

Hartbladige els

Edwin Dijkhuis

380

Mossen Het bebouwd gebied in Drenthe is relatief slecht onderzocht op mossen. Voor zover bekend komen er weinig bijzondere mossen met een terrestrische levenswijze voor. Strak onderhouden en bemeste gazonnen herbergen hooguit wat algemene soorten. Schrale graslandjes, bijvoorbeeld op begraafplaatsen, zijn al wat beter bedeeld; hun mosflora komt overeen met die van schrale weilanden en bermen. In voegen tussen straatstenen groeien allerlei minuscule mosjes zoals Zilvermos, korreltjesmossen, Gewoon smaragdsteeltje en soms ook Klein duinsterretje en Oranjesteeltje. Voor sommige steenbewonende soorten vormen door mensen gemaakte bouwwerken de enige plek waar zij kunnen groeien. Gewoon muursterretje, Gewoon muisjesmos, Muurachterlichtmos, Grijze en Gesteelde haarmuts en allerlei soorten van het geslacht Knikmos zijn overal te vinden. Over het voorkomen van zeldzamere soorten op stenige materialen is echter weinig bekend. Op cementen dakpannen van een tachtig jaar oud dak in de omgeving van Gasteren is vrij recent een twintigtal mossoorten gevonden, waaronder

bloemige tuinviolen en soorten van het geslacht Kaasjeskruid aangetroffen. Wanneer verdere verstoring uitblijft, worden de pioniers verdrongen door twee- en meerjarigen. In de beginfase kan Canadese fijnstraal overheersen. Later wordt zij verdrongen door ruigtekruiden als Heermoes, Kweek, Bijvoet, Late guldenroede en Boerenwormkruid. Deze planten verspreiden zich met wortelstokken; eenmaal gevestigd laten ze zich niet snel meer verdringen. In toenemende mate zijn soorten aan te treffen die tot voor kort in Drenthe zeldzaam waren, zoals Kompassla en leden van de geslachten Teunisbloem en Honingklaver. Zij hebben alle een voorkeur voor grond die is gemengd met stenen en puinslag. Op dezelfde plaatsen zijn steeds vaker de indrukwekkende bloeistengels van Koningskaars, Stalkaars en Keizerskaars te bewonderen, soorten die in Nederland vooral op kalkhoudende grond groeien, zoals in de duinen. Uiteindelijk groeien ruderale terreinen dicht met struiken en bomen als Ruwe berk, wilgen en Zwarte els. Dikwijls staan er ook heesters uit tuinen, zoals de bekende Vlinderstruik. Op


ende korstmossen worden geïnventariseerd. Een deel daarvan ligt in bebouwd gebied. Daarnaast is er door lichenologen (korstmosonderzoekers), buiten dit meetnet om, ook doelbewust gezocht op oude en monumentale bomen omdat juist deze bekend staan om hun goed ontwikkelde epifytenbegroeiingen. De Drentse dorpsbrinken met oude eiken zijn om die reden bij specialisten populair. De korstmosbegroeiing is hier gewoonlijk zeer soortenrijk, meestal zijn er wel zo’n veertig soorten aan te treffen. Veel boomstammen zijn opvallend wit tot grijs ‘versierd’ met de Witgerande stofkorst, de bladvormige groeiwijze van schildmossen en de struikvormige groeiwijze van Melig takmos, Eikenmos, Trompettakmos en Purper geweimos. De laatste drie soorten zijn de laatste jaren achteruitgegaan, net als een aantal andere algemene en opvallende soorten zoals Gewoon schorsmos, Witkopschorsmos, Gewoon schildmos en Olijfschildmos. Sommige korstmossen zoals het zeer zeldzame Wimpermos konden in de zeventiger jaren juist op dorpsbrinken de ergste verarming als gevolg van zwaveldioxide overleven. Door het dikwijls wat verrijkte, stoffige milieu

Nederlandse naam

Rode Lijst

Landelijk voorkomen

Groen boomspijkertje

Kwetsbaar

Vrij zeldzaam

Lindeschildmos

Kwetsbaar

Vrij zeldzaam

Valse kringkorst

Kwetsbaar

Zeldzaam

Groot takmos

Bedreigd

Zeldzaam

Wrattige tandpastakorst

Bedreigd

Zeldzaam

Klein schorssteeltje

Gevoelig

Zeer zeldzaam

Koraalcitroenkorst

Gevoelig

Zeer zeldzaam

Aspirinekorst

Ernstig bedreigd

Zeer zeldzaam

Kopspijkertje

Ernstig bedreigd**

Zeer zeldzaam

Wimpermos

Ernstig bedreigd

Zeer zeldzaam

Oosters schildmos

Gevoelig

Zeer zeldzaam

Knopjesschildmos

Verdwenen*

Zeer zeldzaam

Korstmossen op stenig substraat zijn overal in bebouwd gebied te vinden. Bestrating, stoepranden, tuinmuurtjes, daken, betonnen constructies en gebouwen, ze zijn allemaal begroeid met korstmossen. Oude kerkmuren en grafzerken zijn het interessantst en herbergen ‑ mits ze niet regelmatig worden gereinigd ‑ tientallen korstmossen. Vooral de verschillende gele soorten van het geslacht Citroenkorst vallen erg op. Oude kerkmuren die met kalkspecie zijn gevoegd hebben vaak een zwak basische tot neutrale oppervlakte; hier groeien enkele kenmerkende soorten zoals Gelobde citroenkorst, Kerkcitroenkorst en Muurschriftmos. Deze soorten zijn in Nederland algemeen maar in Drenthe relatief zeldzaam. Op kerkmuren die op het noorden zijn gericht groeien andere zeldzame soorten zoals Groene poederkorst, Kerkschotelkorst, Oosterse schotelkorst en Rossig schriftmos. De meeste korstmossoorten van door mensen gemaakte stenige substraten zijn weinig bedreigd. Hun biotoop is in ons land ruim voorhanden en slechts een klein aantal soorten gaan tot dusver aantoonbaar achteruit. Bert Oving

Witgerande stofkorst op de dorpsbrink van Eext

Tabel 3.15.3. Epifytische korstmossen van bebouwd gebied die op de Rode Lijst staan en waarvan op atlasblokbasis meer dan 15 procent van de Nederlandse vindplaatsen in Drenthe ligt (bron: BLWG Verspreidingsatlas Korstmossen online). * Was verdwenen uit Nederland maar is recent weer gevonden; ** geen recente vondsten uit Nederland meer bekend.

Bert Oving

sloeg de verzuring er minder hard toe. Voor Fors rijpmos en Waaiertakmos is Drenthe belangrijk geworden. Beide soorten kwamen vooral op iepen langs de kust voor, maar zijn daar door de iepziekte vrijwel verdwenen. In Drenthe groeien ze uitsluitend op eiken binnen de bebouwde kom. Dankzij de relatief schone lucht komen in Drenthe nog veel soorten voor die elders in Nederland ontbreken of zeldzaam zijn; zowel binnen als buiten de bebouwde kom (zie ook Wegbermen en spoordijken, paragraaf 3.11.3). Van een groot aantal op bomen groeiende soorten ligt meer dan een kwart van de vindplaatsen in Drenthe. Bij Bruine spijkerdrager, Gewone tandpastakorst en Lobjesschildmos, drie soorten die veel op beschutte plaatsen in de bebouwde kom groeien, is dit zelfs meer dan de helft. Van veel Rode Lijstsoorten die uitsluitend of voornamelijk binnen de bebouwde kom voorkomen ligt meer dan 15 procent van de vindplaatsen in Drenthe (tabel 3.15.3). De Sinaasappelkorst is een opvallende en erg fraaie soort van het geslacht Citroenkorst.

381


3.15.4 Paddenstoelen

Prachtvlamhoed op loofboom

Bladverwijdering op de Zuiderbegraafplaats in het Asserbos.

Groene glibberzwam

Jeroen Onrust

Bert Oving

Brinken en parken Brinken en parken vormen met hun vaak oude, verspreid staande bomen en grazige ondergroei potentieel een interessant biotoop voor paddenstoelen. In praktijk is de bodem doorgaans te voedselrijk door bemesting (inclusief hondenpoep) en vaak tevens verdicht door sterke betreding. Daardoor krijgen de meeste mycorrhizavormers en strooiselafbrekers geen kans. Een van de weinige gunstige uitzonderingen vormt het parkje bij het Wilhelminaziekenhuis te Assen, waar oude eiken en beuken groeien in schrale gazons. Het is de enige bekende vindplaats in Drenthe van de opvallende, zeer zeldzame en sterk bedreigde Goudgele vezelkop. Oude parkbomen worden vaak aangetast door spectaculaire houtzwammen, bijvoorbeeld de helder oranje toefen van de Prachtvlamhoed of grote consoles van de Dikrandtonderzwam. Dat is meestal het sein voor de betreffende gemeente om de betreffende bomen onmiddellijk te vellen. Dikwijls worden aantastingen veroorzaakt door de beheerder zelf, namelijk door te grof snoeiwerk of graafwerkzaamheden waarbij hoofdwortels beschadigd zijn. In veel gevallen kunnen bomen zich overigens weer spontaan herstellen en is kappen overbodig. Het is voor beheerders zaak een goed evenwicht te vinden tussen het behoud van monumentale bomen, op den duur met hun onvermijdelijke en fraaie paddenstoelen, en de veiligheid van voetgangers en verkeer. Sommige Drentse steden mogen zich gelukkig prijzen met goed ontwikkelde bossen binnen hun grenzen. Het Asserbos behoort tot de belangrijkste paddenstoelengebieden van Drenthe en ook de Emmerdennen hebben interessante delen. Voortdurend bestaat het risico dat deze bossen onder invloed van plantsoenendiensten steeds meer op goed onderhouden stadsparken gaan lijken. De paddenstoelen van bossen worden besproken in paragraaf 3.2.5.

Jeroen Onrust

382

Begraafplaatsen De begroeiing op begraafplaatsen heeft vaak een soortgelijke structuur als die van stadsparken, met oude aangeplante bomen op frequent gemaaide grasvelden. In Drenthe zijn begraafplaatsen in mycologisch opzicht echter meestal veel interessanter. Dat komt door verschillen in beheer. Op begraafplaatsen wordt vaker een verschralend gazonbeheer toegepast waarbij geen kunstmest wordt gebruikt. Door het bijeenharken en afvoeren van gevallen bladeren worden voedingsstoffen verwijderd. Door dit beheer ontstaan geleidelijk mosrijke gazons met weinig grasproductie, een goed biotoop voor schraallandpaddenstoelen als wasplaten, knotszwammen en aardtongen. Zo groeien op het kerkhof in Roden onder andere Fijngeschubde aardtong, Sneeuwvloksatijnzwam, Elfenwasplaat en de bedreigde Strogele knotszwam; in Zuidwolde Elfenwasplaat en Gele knotszwam; in Annerveenschekanaal Weidewasplaat en Slijmwasplaat; in Veenoord Gele knotszwam en Slijmwasplaat; in Dalen de zeer zeldzame Kegelcelsatijnzwam en in Grolloo de Viltige grauwkop die hier in 2005 als nieuwe soort voor Nederland werd ontdekt.


beheer in stedelijke bermen nog veel aan mycologische waarde te winnen valt. Boomloze bermen binnen de bebouwde kom zijn vrijwel nooit van betekenis voor paddenstoelen. Dat geldt in versterkte mate voor bermen die in het kader van ‘ecologisch beheer’ zijn ingezaaid met kruidenmengsels.

Bert Oving

Zwarte truffelknotszwam

Houtsnippers Een moderne praktijk bij het beheer van struiken en bomen in plantsoenen en groenstroken is het versnipperen van snoeihout. De snippers worden verspreid over paden en onder bosjes en struiken, mede om ongewenste plantengroei te onderdrukken. Deze methode wordt vooral toegepast binnen de bebouwde omgeving, maar ook in het buitengebied. Hierdoor is een nieuw micromilieu ontstaan: concentraties van kleine houtresten vermengd met vruchtbare grond. Een ideaal biotoop voor paddenstoelen, die er soms in enorme hoeveelheden vrucht zetten en zo in de herfst aan plantsoenen en wegbermen een feestelijk aanzicht geven. Vaak zijn dat wijd verspreide houtpaddenstoelen als Gewoon donsvoetje, Gewone zwavelkop en Geweizwammetje, maar er zijn ook soorten die een duidelijke voorkeur voor versnipperd hout aan de dag leggen. Soms blijven hopen houtsnippers langere tijd liggen. Daarop ontwikkelt zich een eigen mycoflora met soorten als Compostchampignon, Blauwplaatstropharia en Geaderde leemhoed. In Nederland worden 26 soorten als min of meer kenmerkend voor houtsnippers beschouwd (Arnolds en Van den Berg 2005). Op één na zijn die ook in Drenthe aangetroffen (tabel 3.15.4). Sommige soorten zijn algemeen, zoals Hazenpootje (een soort inktzwam) en Sierlijke franjehoed. Andere staan nog steeds als zeldzaam te boek, zoals Compostcollybia en Spikkelsteelveldridderzwam. Vrijwel alle snipperbewoners zijn in recente jaren sterk toegenomen (tabel 3.15.4; figuur 3.15.9). Sommige soorten zijn nieuwkomers in de Nederlandse mycoflora, bijvoorbeeld Compostcollybia en Geaderde leemhoed (zie kader ‘Het raadsel van de Geaderde leemhoed’). Toepassing van houtsnippers heeft ook een keerzijde: de bodem wordt verrijkt met voedingsstoffen. Daarom moeten snippers nooit worden aangebracht in de weinige resterende

Wegbermen In de bebouwde omgeving zijn veel bermen van straten en wegen beplant met laanbomen. De mycoflora wijkt hier in principe niet af van die van bermen buiten de bebouwde kom (zie Weebermen en spoordijken, paragraaf 3.11.4), maar binnen steden en dorpen zijn mycologisch waardevolle bermen veel zeldzamer. Dat komt door een aantal factoren. Veel bomen staan in een bomenspiegel tussen de verharding. Hier kunnen paddenstoelen nauwelijks groeien. Alleen in niet verharde, grazige bermen hebben ze een kans. Binnen de bebouwing worden veel vaker (sier)bomen geplant die geen mycorrrhiza vormen, zoals sierkersen en plataan. Alleen bermen met mycorrhizavormers als eik, beuk, berk en linde zijn potentieel waardevol. De meeste stadsbermen zijn veel te rijk aan voedingsstoffen door aanleg op rijke, ‘zwarte’ grond, gevolgd door gazonbeheer met versnippering van het maaisel, vaak aangevuld door ruime hoeveelheden hondenmest. In bermen waar het maaisel wordt afgevoerd, kan de mycoflora redelijk goed ontwikkeld zijn. Dat geldt bijvoorbeeld voor enige met lindes beplante bermen in Assen en plaatselijk in de lange lindelaan langs de Drentsche Hoofdvaart in Smilde. De zeldzame, maar toenemende Kaneelboleet wordt relatief vaak in bermen in de stedelijke sfeer onder Zomereik gevonden. Het zal duidelijk zijn dat door boomkeuze en verschralend

Marian Jagers

In Groot-Brittannië behoren veel kerkhoven tot de mycologisch belangrijkste graslanden met soms meer dan 15 soorten wasplaten. Dit is alleen te danken aan eeuwen van verschralend gazonbeheer. Wat dat betreft is in Drenthe nog veel winst te behalen, want op de meeste kerkhoven wordt geen rekening gehouden met dergelijke potenties. Daarnaast kunnen onder bomen op schrale grasvelden op begraafplaatsen bijzondere mycorrhizapaddenstoelen groeien, bijvoorbeeld in Annerveenschekanaal Zeemkleurig Hazenoor en Berkenridderzwam en in Zuidwolde Duivelsbroodrussula. De begraafplaats in het Asserbos spant in dit opzicht de kroon met onder andere Amandelrussula, Gewolkte russula, Porfieramaniet en een van de rijkste groeiplaatsen in Drenthe van Zwarte truffelknotszwam en Groene glibberzwam.

Oranjerode stropharia op houtsnippers.

383


Figuur 3.15.9

Aantal soorten 1-2 3-5 6-9 20

Figuur 3.15.9

(164) (26) (5) (1)

Aantal soorten 1-2 3-5 6 - 10 meer dan 10

(857) (78) (10) (2)

384

schrale bermen en bosjes. Het is overigens de vraag of het de snipperpaddenstoelen voor de wind blijft gaan, want houtspaanders vormen een potentiële grondstof voor de winning van bio-energie.

Figuur 3.15.9. Aantallen soorten kenmerkende paddenstoelen voor houtsnippers per kilometerhok in Drenthe voor (links) en na 1999. Duidelijk is de grote toename van deze paddenstoelen te zien, veroorzaakt door toenemende versnippering van snoeihout (data Paddenstoelenwerkgroep Drenthe).

Tabel 3.15.4. Het voorkomen van enkele karakteristieke paddenstoelen op houtsnippers in Drenthe voor en na 1999 (ongepubliceerde gegevens Paddenstoelenwerkgroep Drenthe).

3.15.5 Sieralgen

Soort

Voorkomen Drenthe

Kilometerhokken 1900-1998

Kilometerhokken 1999-2007

Hazenpootje

VA

48

245

Blauwplaatstropharia

VZ

4

35

Langsteelfranjehoed

VZ

3

35 30

Oranjerode stropharia

VZ

5

Geaderde leemhoed

Z

0

25

Houtsnipperstropharia

ZZ

2

8

Blauwwordend kaalkopje

ZZ

0

10

De bebouwde omgeving biedt veel mogelijkheden voor sieralgen. Naast grotere waterpartijen als stadsgrachten en singels zijn er de tuinvijvers. Ook regengoten en regenplassen kunnen sieralgen herbergen. Wateren in bebouwd gebied worden echter zelden op sieralgen bemonsterd. De vestinggracht in Coevorden wordt routinematig onderzocht op fytoplankton. In 2002 en 2003 zijn ook de daarbij gevonden sieralgen genoteerd. In deze jaren kwamen hier voornamelijk algemene soorten sieralgen voor uit zeer voedselrijke en zeer elektrolytrijke wateren. Een bijzondere vondst is Staurodesmus patens. Dit is een kieskeurige soort uit (matig) Figuur 3.15.10

Het raadsel van de Geaderde leemhoed  De Geaderde leemhoed is een opvallende, grote paddenstoel die uitsluitend op verterende houtsnippers groeit en karakteristiek is voor grote snipperhopen waarin broei optreedt. Op snipperpaden wordt hij zelden of nooit gevonden. Deze paddenstoel is pas in 1999 in Rotterdam ontdekt en in 2004 officieel als nieuwe soort beschreven. Niemand weet waar de soort vandaan komt. Is hij geïmporteerd, is het een recente mutant van een andere soort of was de soort voordien uiterst zeldzaam en niet opgemerkt? Nu is deze paddenstoel in Nederland al matig algemeen en ook andere delen van West-Europa zijn gekoloniseerd. In Drenthe is hij voor het eerst in 2002 gevonden bij Zuidlaren. In 2006 werd hij al uit acht kilometerhokken gemeld. De Geaderde leemhoed is nu van 25 ver uiteen liggende groeiplaatsen in de provincie bekend (fig. 3.15.10). De meeste vindplaatsen zijn door het gebruik van het substraat van tijdelijke aard. Figuur 3.15.10. Verspreiding van de Geaderde leemhoed in Drenthe (data 1999-2007, Paddenstoelenwerkgroep Drenthe).

Geaderde leemhoed 1999-2007 (26)


Christophe Brochard

voedselarme en wat zuurdere milieus, die hier in augustus 2003 vrij massaal voorkwam. Het Eschveen in Vries, een voormalig veentje, is tegenwoordig een dorpsvijver met veel eenden. Hier is alleen Closterium limneticum aangetroffen, een soort die in vrijwel alle voedselrijke wateren voorkomt. Vermoedelijk was dit water vroeger veel soortenrijker. Interessant zijn enkele stadsvijvers in Assen. In de wijken Pittelo en Messchenveld komen vijvers voor met meerdere kieskeurige sieralgsoorten. Hieronder verscheidene Closterium-soorten (C. dianae, C. kuetzingii, C. baillyanum, C. navicula, C.cynthia), Euastrum humerosum en Tetmemorus laevis. Deze soorten horen thuis in zwak zure, weinig voedselrijke wateren, zoals vennen. In een enkele jaren geleden gegraven vijver is Tortitaenia obscura gevonden. Dit is een zeldzame soort uit eveneens zure, tamelijk voedselarme milieus. Voor stadsvijvers, die doorgaans sterk verrijkt zijn met voedingsstoffen door riooloverstorten en het voeren van eenden en vis, zijn dit heel bijzondere waarnemingen. In geĂŻsoleerde tuinvijvers kan men dit soort interessante sieralgsoorten eerder verwachten, vooral wanneer de vijvers een goed ontwikkelde watervegetatie bezitten. Een voorbeeld is de landelijk zeldzame soort Actinotaenium diplosporum, die midden in Assen in een vijvertje gevonden is.

De sieralg Euastrum humerosem

3.15.6 Zoogdieren

AndrĂŠ Eijkenaar

Huisspitsmuis Steenmarter 1990 - 2008 (145) 1950 - 1989 (63)

Erik Buchmann

Figuur 3.15.11

Bebouwde kommen hebben een eigen zoogdierenfauna. Daarvan zijn de Huismuis en de Bruine rat de talrijkste en meest kenmerkende vertegenwoordigers. De Huismuis is vrijwel gebonden aan gebouwen. De Bruine rat houdt zich ook bij voorkeur op in de nabijheid van menselijke bewoning. In en bij huizen en boerderijen kan verder de Huisspitsmuis voorkomen en in Zuidoost-Drenthe de Veldspitsmuis (zie Houtwallen, paragraaf 3.3.5). Omdat veel bebouwde kommen in Drenthe, ook de stedelijke kernen, een groen karakter hebben, kan men veel zoogdieren uit het buitengebied ook hier aantreffen. Mol en Egel zijn in tuinen geen onbekende verschijning. De Steenmarter komt tegenwoordig in heel wat

Steenmarter

385


Hans Dekker

Egel

bebouwde kommen voor (figuur 3.15.11) en veroorzaakt soms overlast. In herfst en winter zoekt menige Bosmuis de beschutting van een woonhuis of boerderij op; als dank laat hij er soms de nodige aangevreten hazelnoten achter. Iedere zomer zijn er meldingen van vleermuizen in huis. Veelal gaat het om een kraamkolonie van de Dwergvleermuis of de wat grotere Laatvlieger. De vrouwtjes van deze vleermuissoorten zoeken ‘s zomers een warme plek om hun jongen te krijgen. De Laatvlieger is zelfs een uitgesproken bewoner van gebouwen. Verder dienen zolders van kerken en gebouwen, spouwmuren en bunkers als winter- of zomerverblijf voor verschillende andere vleermuissoorten.

3.15.7 Vogels André Eijkenaar

Broedvogels Het bebouwd gebied telt enkele kenmerkende broedvogelsoorten (tabel 3.15.5). Een aantal hiervan is voor nestge-

Mannetje van de Zwarte roodstaart

300

index (1990=100)

386

legenheid vrijwel geheel aangewezen op gebouwen, zoals Gierzwaluw, Huiszwaluw, Zwarte roodstaart en Huismus. De Gierzwaluw broedt in kolonies onder daken van allerlei gebouwen, vooral in een stedelijke omgeving, zoals kerktorens, woonhuizen, schuren, scholen en fabrieken, waar ‘ouderwetse’ dakpannen voldoende ruimte bieden om snel in en uit te vliegen. Met zulke pannen worden gebouwen in nieuwbouwwijken vrijwel niet meer gedekt. Door afbraak van oude panden gaat veel broedgelegenheid van Gierzwaluwen verloren. Toch is het aantal broedparen in Drenthe sinds 1975 ongeveer gelijk gebleven of mogelijk licht toegenomen. Het aantal broedparen per locatie fluctueert echter nogal. In de voorbije decennia hebben Gierzwaluwen zich gevestigd in enkele Drentse dorpen met geschikte twintig tot veertig jaar oude gebouwen. Actieve nestbescherming en voorlichting heeft lokaal bijgedragen aan toename. Is een Gierzwaluwnest lastig te ontdekken, des te makkelijker gaat dat met de nesten van de Huiszwaluw. Die worden gemetseld tegen gevels onder windveren, goten en dergelijke. Met de Huiszwaluw is het decennialang bergafwaarts gegaan, maar

200

100

0 1970

1980

1990

2000

2010

Figuur 3.15.12. Aantalsontwikkeling van de Huiszwaluw vanaf 1970 in Drenthe. De periode 1968-1989 is gebaseerd op tellingen in Zuidwest-Drenthe (gegevens A.J. van Dijk, H. Leys, SOVON).

na de eeuwwisseling is het aantal broedparen weer enigszins toegenomen (figuur 3.15.12). Vermindering van het aanbod aan insecten wordt wel als oorzaak van afname genoemd. Duidelijk is dat Huiszwaluwen anders dan in het verleden vrijwel alleen nog in een landelijke omgeving nestelen, en in steden alleen nog aan de rand. Ook staat vast dat nestbescherming een duidelijk positief effect heeft op de stand. De Zwarte roodstaart bewoont in stedelijk gebied bij voorkeur nieuwbouwwijken en gebouwen op industrieterreinen. Wanneer een wijk ouder wordt en meer groenvoorzieningen krijgt, neemt het aantal broedparen van deze soort weer af. Daarnaast komt de Zwarte roodstaart voor in Drentse dorpen en op boerenerven, waar zij vooral nestelt in nieuwbouw, stallen en schuren. De laatste jaren is de stand vrij stabiel (figuur 3.15.13). Ook de Kuifleeuwerik heeft zijn optimum in nieuwe wijken en op industrieterreinen. Deze grondbroedende soort is aangewezen op braakliggende (bouw)terreinen. In de jaren zeventig telde Drenthe nog 320-370 paren. De stand is echter snel verder


André Eijkenaar

André Eijkenaar

Huismus: een mannetje (rechts) en enkele vrouwtjes die een zandbad nemen

Figuur 3.15.13. Aantalsontwikkeling (BMP) van Turkse tortel, Zwarte roodstaart en Huismus in Drenthe in 1990-2007.

index (1990=100)

300

achteruitgegaan en inmiddels zijn alleen nog bij Emmen enkele van deze parmantige scharrelaars te vinden. De Huismus staat tegenwoordig te boek als bedreigde soort, maar naar verwachting zal hij in Drenthe niet de Kuifleeuwerik achterna gaan. De afname van de Huismus is vooral sterk in stedelijke regio’s van ons land, maar in het landelijke Drenthe weet de soort zich vooral in dorpen met boerderijen redelijk te handhaven (figuur 3.15.13). Een relatieve nieuwkomer, die zich pas in 1958 in Drenthe als broedvogel in bebouwde kommen en bij boerderijen heeft gevestigd, is de Turkse tortel. Nog steeds neemt deze soort in aantal toe (figuur 3.15.13), maar er zijn ook berichten van vrijwel verlaten dorpen, zoals Uffelte. Nog recenter is het verschijnen in veel Drentse bebouwde kommen van de Putter, die gestaag de provincie van west naar oost verovert. In Zuidwest-Drenthe ligt na vestiging omstreeks 1990 het aantal paren anno 2006 al boven de vijfhonderd.

200

100

0 1990

2000 Turkse tortel

2010 Zwarte roodstaart

André Eijkenaar

Hans Dekker

Huismus

Turkse tortel

387

Putter


Pimpelmees, Groenling, Roodborst, Merel, Zanglijster, Heggenmus en Winterkoning. Andere bosvogels zoals Boomklever, Appelvink en Grote bonte specht zoeken de rust en de ruimte van parken en begraafplaatsen op om er te broeden. In bomen op brinken nestelen vogelsoorten als Houtduif, Ekster, Vink, Grauwe vliegenvanger en Grote lijster. In zonnige, rijk gestructureerde tuinen en jonge aanplant kiezen Spotvogel en Braamsluiper hun territorium. De laatstgenoemde maakt zijn nest graag in berberisstruiken. De hoge dichtheden van vogels in dorpen en steden trekken predatoren aan zoals Ekster, Zwarte kraai, Gaai en Ransuil, allemaal soorten die vrij recent de bebouwing als broedplaats hebben ontdekt (Dijkstra 2001). In Meppel heeft zelfs de Ooievaar zich als stadsvogel gevestigd. Ruim dertig jaar broedvogels inventariseren in het dorp Exloo bracht aan het licht dat de broedvogelstand aanvankelijk verdubbelde en daarna schommelde. Waarschijnlijk is uitbreiding en uitgroei van groen een van de oorzaken van de toename. Deze kwam vooral voor rekening van standvogels, terwijl zomervogels die ’s winters in Afrika vertoeven, schaars bleken en vaak in aantal afnamen (Santing en Bijlsma 2007).

Boerenzwaluw en Kerkuil zijn kenmerkende broedvogels van de bebouwde omgeving in het landelijk gebied (kleine dorpen, dorpen met een open structuur en verspreide bebouwing). De Kerkuilenstand heeft zich, net als elders, ook in Drenthe hersteld van een dieptepunt in de jaren zestig. Toen waren nog slechts enkele paren aanwezig; in het topjaar 2007 werden in Drenthe 415 geslaagde broedgevallen vastgesteld (zie Graslanden, figuur 3.9.13). Plaatsing van nestkasten, beschermingsmaatregelen en voorlichting hebben aan dit succes bijgedragen, naast goede muizenjaren en zachte winters. Ook de Steenuil broedt vaak op boerenerven en is in Drenthe kenmerkend voor oude esdorpen, maar neemt op veel plaatsen in aantal af. De Ringmus, een algemene soort bij boerderijen, broedt graag in nestkasten. Beide soorten hebben een voorkeur voor kleinschalige, enigszins ‘rommelige’ gebieden met veel houtwallen (knotwilgen) en extensief beheerde graslandjes. De Witte kwikstaart is vooral in dorpen met boerderijen als broedvogel een vertrouwde verschijning. In plantsoenen, tuinen in en buiten bebouwde kommen en op erven van boerderijen broeden bosvogels als Koolmees,

Groenling

Kerkuilen

Wintervogels In de winter, vooral in sneeuwperioden, trekken tal van vogelsoorten naar bebouwd gebied om aan de kost te komen. Zelfs vogels die zich hier anders nauwelijks laten zien, zoals Kramsvogel en Geelgors, wagen zich dan in de nabijheid van huizen. Daarnaast vormen kuilvoerbulten bij boerderijen een belangrijke voedselbron voor onder andere duiven, vinkachtigen en gorzen. Incidenteel worden in tuinen en parken in najaar en winter groepjes Pestvogels waargenomen. Besdragende struiken zijn voor deze exotisch ogende invasievogel belangrijk als voedselbron. Geregeld worden in het winterhalfjaar Grote gele kwikstaarten in bebouwing gezien. Ze verblijven soms bij vijvers en kanalen met sluizen, maar platte grintdaken van gebouwen zijn het meest in trek. Een andere belangrijke voedselbron voor vogels in de winter is de vuilstort van de VAM/Essent bij Wijster. Op de afvalhopen komen vooral veel Zilver- en Kokmeeuwen af. Hun aantallen

André Eijkenaar

André Eijkenaar

Boerenzwaluw

André Eijkenaar

388


70

85

++

112

195

+

Steenuil

xx

84

99

-

Boerenzwaluw

xx

6.663

13.255

-

Huiszwaluw

xx

5.958

12.346

+

xx

6.324

12.598

-

Ringmus

xx

Spreeuw

xx

x

4.449

13.314

0

35.363

63.565

-

Merel

xx

xx

75.019

99.909

+

Houtduif

x

xx

33.200

41.473

-

Turkse tortel

x

xx

1.977

3.940

+

Braamsluiper

x

xx

1.592

2.444

-

Gierzwaluw

x

xx

2.365

4.730

0?

Zwarte roodstaart

x

xx

2.497

3.417

0

Kauw

x

xx

8.105

9.896

--

Huismus

x

xx

19.118

38.214

-

Waterhoen

x

xx

1.598

2.195

-

Holenduif

x

Spotvogel

x

Grauwe vliegenvanger

x

x

3.739

5.225

0

839

1.227

-

2.248

3.361

-

Wilde eend

x

x

17.708

25.161

Soepeend

x

x

973

1.667

x

x

2.095

3.129

-

x

x

6.812

9.718

-

Groenling

x

x

3.000

5.989

++

Putter

x

x

356

474

++

Roek

x

x

10.539

10.895

+

115

200

+

Kuifleeuwerik

Pestvogel

xx  

x

Figuur 3.15.14

5

7

--

226

266

+

Alpenwatersalamander 1990 - 2008 (69) 1970 - 1996 (27)

0

Ekster

Knobbelzwaan

In tuinen, parken, vijvers en restanten van oude houtwallen en bosjes binnen bebouwd gebied zijn Gewone pad en Bruine

++

Zwarte kraai

xx

3.15.8 Amfibieën en reptielen

Edo van Uchelen

maximum

Witte kwikstaart

Stadsduif

Hans Dekker

minimum

kunnen oplopen tot 6.800 respectievelijk 1.200 exemplaren. Vergeleken met de late jaren zeventig zijn de aantallen met respectievelijk 63 en 91 procent gedaald. Bij de Kokmeeuw loopt deze daling parallel aan het instorten van de Drentse broedpopulatie. De verminderde aantallen Zilvermeeuwen zijn waarschijnlijk het gevolg van veranderingen in de methode van opslag en verwerking van afval, waardoor het voedselaanbod sterk is verminderd. Bijna alle meeuwen overnachten op korte afstand op zandwinplassen bij Beilen en Echten en op daken in Hoogeveen (Spaans en Van den Bergh 1998). Roeken en Kauwen zijn ook op de vuilstort te vinden, maar hun aantallen zijn gedaald tot enkele honderden. Bonte kraaien, vroeger talrijk, zijn bijna uit het gebied verdwenen.

Trend in Drenthe1990-2007

xx xx

Populatie Drenthe 1998-2000  

Stad met park en tuinen

Ooievaar Kerkuil

 

Dorp met boerderijen

Tabel 3.15.5. Biotoopkeuze van een aantal kenmerkende broedvogels van bebouwd gebied in Drenthe. (x) enige voorkeur en (xx) sterke voorkeur.

Alpenwatersalamander

389


3.15.9 Insecten Dagvlinders Dankzij het groene karakter van veel bebouwde kommen in Drenthe komen hier veel dagvlindersoorten voor (tabel 3.15.6). Een breed scala aan allerlei struiken en vaste planten in parken en tuinen staat garant voor nectarbronnen die

Bert Oving

390

kikker regelmatige verschijningen. Ook Groene kikkers weten tuinvijvers en waterpartijen in de bebouwde omgeving met rijke oeverbegroeiing en watervegetatie te waarderen. Daarnaast komen ze voor in waterhoudende sloten op de grens met het buitengebied. In parkachtige stads- en dorpsgedeelten (onder andere in Assen) herbergen vijvers en sloten soorten als Kleine watersalamander en de zeldzame Alpenwatersalamander (figuur 3.15.14). Afgezien van een verdwaalde Ringslang is de kans binnen de bebouwde omgeving reptielen tegen te komen gering. Maar daar kan verandering in komen als de in de jaren negentig in de buurt van vliegveld Eelde uitgezette Russische rattenslang zich verder uitbreidt. De eerste verwilderde exemplaren van deze niet-giftige soort werden waargenomen langs de taxibaan van het vliegveld, in tuinen ernaast en bij de ten noordoosten ervan gelegen Bloemenveiling. In 2006 ontstond grote commotie in Eelde omdat bij steeds meer bewoners Russische rattenslangen in de tuin opdoken. Deze bijna helemaal zwarte slang met een fijne en grillige gele of witte bandering kan tot 2,5 meter lang worden. Anno 2009 was de populatie naar schatting minstens 100 volwassen individuen groot en de soort breidt zich nog steeds uit. In 2009 is deze exoot ook gezien aan de oostkant van het vliegveld bij Yde (van Uchelen 2010).

Boomblauwtje

vrijwel het gehele jaar aanwezig zijn. Tot de algemene soorten behoren Dagpauwoog, Kleine vos, Landkaartje, Gehakkelde aurelia, Klein koolwitje, Groot koolwitje, Klein geaderd witje en de trekvlinders Atalanta en Distelvlinder. Bosvlinders als Citroenvlinder, Boomblauwtje en inmiddels ook steeds vaker Bont zandoogje zijn vrij algemeen. Zelfs de Eikenpage kan in dorpen en zelfs in stedelijke kernen in Drenthe worden aangetroffen. In sommige bebouwde kommen is het Oranjetipje in het voorjaar een bekende verschijning. Verder vliegen in de bebouwde kommen soorten die hun hoofdverspreiding hebben in het cultuurland of in natuurgebieden, zoals Koevinkje, Bruin zandoogje, Oranje zandoogje en Kleine vuurvlinder.

Tabel 3.15.6. Soorten die in de bebouwde kom worden gezien, met hun belangrijkste waardplanten, voorkomen in Drenthe in de periode 1990-2001, verwachte voorkomen in de toekomst en status op de landelijke Rode Lijst 2006. soort

waardplant

voorkomen

verwachting

Groot koolwitje

Koolsoorten, Damastbloem

Algemeen

Algemeen

Klein koolwitje

Koolsoorten, Koolzaad, Radijs

Zeer algemeen

Zeer algemeen

Atalanta

Grote brandnetel, Klimop

Algemeen

Algemeen

Distelvlinder

Grote brandnetel, Akkerdistel

Vrij schaars

Vrij schaars

Dagpauwoog

Grote brandnetel

Algemeen

Algemeen

Kleine vos

Grote brandnetel

Algemeen

Algemeen

Rode Lijst

Soorten van graslanden Oranjetipje

Pinksterbloem, Look-zonder-look

Vrij schaars

Algemeen

Klein geaderd witje

Pinksterbloem, Kruisbloemigen

Zeer algemeen

Zeer algemeen

Kleine vuurvlinder

Schapenzuring, Veldzuring

Algemeen

Algemeen

Icarusblauwtje

Gewone rolklaver, Moerasklaver

Vrij zeldzaam

Vrij schaars

Argusvlinder

Grassen

Algemeen

Zeldzaam

Oranje zandoogje

Grassen

Zeer algemeen

Zeer algemeen

Koevinkje

Breedbladige grassen

Zeer algemeen

Zeer algemeen

Bruin zandoogje

Grassen

Zeer algemeen

Zeer algemeen

Soorten van bossen en struwelen Citroenvlinder

Sporkehout

Algemeen

Algemeen

Sleedoornpage

Sleedoorn

Uiterst zeldzaam

Uiterst zeldzaam

Eikenpage

Zomereik

Vrij schaars

Vrij schaars

Boomblauwtje

Sporkehout, Klimop, Hulst

Vrij schaars

Vrij schaars

Gehakkelde aurelia

Grote brandnetel, Hop

Schaars

Algemeen

Landkaartje

Grote brandnetel

Algemeen

Algemeen

Bont zandoogje

Kweek, Kropaar

Schaars

Algemeen

Bedreigd


Minko van der Veen Jan en Annie Rocks

Figuur 3.15.15

Lindepijlstaart

Kleine beer

Minko van der Veen

Nachtvlinders In bebouwd gebied komen in het algemeen veel nachtvlinders voor. Het rijkst aan vlinders zijn de esdorpen met hun open structuur, grote erven en veel groen. Hoge en lage bomen, fruitbomen, siertuinen en moestuinen zorgen voor een grote diversiteit aan inheemse waard- en nectarplanten. In de dicht bebouwde dorps- en stadskernen zijn de aantallen vlinders kleiner en komen minder soorten voor, net als in nieuwbouwwijken met weinig openbaar groen en relatief veel uitheemse plantensoorten (exoten) in de tuintjes. Nieuwe en met veel groen ingerichte industrieterreinen zijn qua betekenis voor nachtvlinders te vergelijken met het groen van de ‘open’ esdorpen. Op oudere industrieterreinen zijn vaak rommelige hoekjes met ruigtekruiden te vinden. Deze zijn aantrekkelijk voor nachtvlinders, net als braakliggende stukjes met ‘ruderale’ vegetaties (zie paragraaf Vegetatie en flora, 3.15.2). Wegbeplantingen van inheemse bomen binnen de bebouwde kom zijn belangrijk, met name voor soorten waarvan de rupsen boombladeren eten. In perken en plantsoenen met

Koperuil

Kleine beer 1990 - 2008 (45)

Figuur 3.15.15: Waarnemingen van de Kleine beer in Drenthe in de periode 1990-2007.

struiken en bloeiende planten komen de soorten aan hun trekken waarvan de rupsen kruidachtige planten eten. Verder zijn deze beplantingen voor veel soorten van belang als nectarbron. In frequent gemaaide gazons en bermen hebben nachtvlinders niets te zoeken; ongemaaide ruige stroken zijn wel aantrekkelijk. Nachtvlinders hebben dus baat bij een gefaseerd maaibeheer. In het algemeen is de samenstelling van de beplanting de belangrijkste factor voor het voorkomen van nachtvlinders in bebouwd gebied. Beplantingen van inheemse soorten, zowel in het openbaar groen als in privétuinen, leiden tot grotere aantallen en meer soorten nachtvlinders. De landelijk gezien algemene Lindepijlstaart is in Drenthe relatief schaars, hoewel in Drenthe genoeg lindebomen voorkomen (vooral in wegbeplantingen en als solitair op erven) en ondanks het feit dat de Lindepijlstaart ook enkele

391






Jelle de Vries



392

Kolibrievlinder

Libellen Kleine watertjes in de bebouwde kom met een goed ontwikkelde watervegetatie en een gevarieerde oeverbegroeiing herbergen vaak een rijke libellenflora. De samenstelling daarvan is geheel anders dan die van zure vennen en hoogvenen. Kleine juffers als Gewone pantserjuffer, Maanwaterjuffer en Koraaljuffer worden er niet of nauwelijks gezien. Hun plaats wordt ingenomen door soorten als Variabele waterjuffer, Houtpantserjuffer, Grote roodoogjuffer en Kleine roodoogjuffer. De mannetjes van beide laatste soorten vliegen laag over het water en benutten waterplanten als zitplaats. De Houtpantserjuffer legt als enige libel de eitjes in of onder schors van eenjarig hout. Zij profiteert van de verstedelijking, waarbij vaak waterpartijen en groenvoorzieningen worden aangelegd. Van de grotere libellen zijn vooral Paardenbijter, Grote keizerlibel, Blauwe en Bruine glazenmaker gewone verschijningen. Ook zeldzamere libellen als Vroege glazenmaker en Glassnijder worden steeds vaker gezien.

Figuur 3.15.16: Waarnemingen van de Kolibrievlinder in Drenthe in de periode 1990-2007.

RenĂŠ Manger, Libellenwerkgroep Drenthe

andere loofboomsoorten als waardplant gebruikt. De stand in Drenthe is stabiel of gaat licht achteruit. Ook de Lindeknotsvlinder heeft de linde als belangrijkste waardplant. Zijn voorkeur gaat uit naar grote bomen. Deze vlinder is ‘niet zo gewoon’ en net als bij de Lindepijlstaart is sprake van een stabiele of licht afnemende stand. Drie gewone soorten die vaak in tuinen worden waargenomen zijn Agaatvlinder, Koperuil en Kleine beer. Hun rupsen hebben veel verschillende waardplanten, zowel kruidachtige planten als struiken en bomen, en ze vinden dus overal wel iets van hun gading. De Koperuil is in de periode 1990-2008 48 keer waargenomen, met 24 waarnemingen in het topjaar 2007. De overdag vliegende Kleine beer is in dezelfde periode 35 keer gezien (figuur 3.15.15). Deze drie soorten vertonen een lichte toename. Veel waarnemingen van de Kolibrievlinder worden in tuinen gedaan, waar hij vooral op Vlinderstruiken nectar komt drinken. Deze trekvlinder komt bijna jaarlijks in Drenthe op bezoek. Hij kan hier niet overwinteren, hoewel vaak al in mei de eerste exemplaren worden gezien. Tussen 1990 en 2008 is de vlinder 176 keer gemeld, met alleen al in 2003 83 exemplaren (figuur 3.15.16). Met 11 waarnemingen was 2008 een gemiddeld jaar.

Mannetje Grote roodoogjuffer benut waterplanten als zitplaats.


393


Natuur in Drenthe - zicht op biodiversiteit - deel 16