Issuu on Google+

podium platform voor schoolbestuurders in het primair onderwijs

1 jaargang 3 _ oktober 2013

Opmars Integrale Kindcentra Bijspijkeren op de zomerschool De kracht van ICT Passend onderwijs: kansen pakken


inhoud

oktober 2013

Zomerschool: bijspijkeren en vooruitkijken Als je leerlingen meer uren binnen hebt, kun je ze meer meegeven. Vanuit die gedachte startten verschillende vormen van onderwijstijdverlenging, zoals de zomerschool. Er komen er steeds meer bij. Welke opbrengsten kun je hiervan verwachten?

Pagina 6

Integrale Kindcentra in opmars Het Integraal Kindcentrum komt eraan. Veel schoolbesturen, besturen van kinder­ opvang­instellingen en gemeenten zien meerwaarde in samenwerking tussen scholen, kinderopvang en peuterspeelzalen. Bijvoorbeeld in Eindhoven.

Pagina 14

podium is een platform van en voor leden van de PO-Raad waar meningen, ideeën, problemen en oplos­ singen uit de onderwijspraktijk aan bod komen. De PO-Raad onderschrijft niet noodzakelijk de in het blad verkondigde meningen. Overname van artikelen alleen na overleg met de hoofdredactie. Hoofdredacteur: Marc Mathies. Eindredacteur: Marijke Nijboer. Redactieraad: Elise van Bockhorst, Corine van Helvoirt, Gertjan van Midden, Onika Pinkus, Gitta Snijders, Pien Verwilligen. Grafische vormgeving: Thoben Offset Nijmegen. Redactieadres: podium@poraad.nl

2 

podium _ oktober 2013


De kracht van ICT Met de start van de eerste iPad-scholen lijkt een doorbraak van dit middel in het onderwijs een feit. ICT biedt ruimte voor onderwijs op maat. Daarnaast kan digitaal leren van pas komen als antwoord op krimp.

Pagina 22 Passend onderwijs: kansen pakken Het rapport van de Rekenkamer was kritisch over de invoering van Passend onderwijs. De Rekenkamer ziet risico’s bij de financiering van scholen en de toerusting van leer­k rachten. Toch moet Passend onderwijs doorgang vinden, vindt de PO-Raad.

Pagina 28

verder in deze editie 4 Voorwoord Rinda den Besten over de vraag wat het verschil maakt voor leerlingen.

34 Webpoll ‘De hoge werkdruk is een gevolg van het systeem. Om schoolvakanties vrij te zijn, moet in andere weken (te) veel gewerkt worden.’ Lees hoe de bezoekers van onze website stemden. Twee schoolbestuurders lichten hun standpunt toe.

38 Column In elke podium reageert een politicus op de webpoll. In dit nummer: Pieter Duisenberg (VVD). podium _ oktober 2013

3 


Wat maakt het verschil? De afgelopen weken hebben vicevoorzitter Simone Walvisch en ik met veel leden van de PO-Raad gesproken over ontwikkelingen in het primair onderwijs. Het begon met het Nationaal Onderwijsakkoord en krijgt vervolg in een sectorakkoord en een nieuwe cao. Daarnaast hebben we met de leden gesproken over een eigen strategische beleidsagenda: waar willen we de komende jaren naar toe? Wat maakt het verschil? In het Nationaal Onderwijsakkoord heb­ ben we met het kabinet, alle sectororga­ nisaties en enkele vakbonden afspraken gemaakt over de grote lijnen van het onderwijsbeleid: geen bezuinigingen, modernisering arbeidsvoorwaarden, compensatie stijgende werkloosheids­ kosten, extra werkgelegenheid in 2014 en einde van de nullijn. Na regionale ledenbijeenkomsten heeft het Algemeen Bestuur van de PO-Raad ingestemd met dit akkoord. We nemen echter wel een aantal aandachtspunten mee in de vervolgstappen. Vanuit het Nationaal Onderwijsakkoord lopen er twee lijnen. Met het minis­ terie van OCW gaan we praten over 4 

podium _ oktober 2013


een sectorakkoord. Het ministerie wil daarin prestatieafspraken maken. Wat gaan de schoolbesturen realiseren met het geld dat beschikbaar komt in het Nationaal Onderwijsakkoord? We moeten daarbij de aansluiting vinden op het bestuursak­ koord van 2012. Aan de andere kant gaan we praten met de vakbonden over een nieuwe cao. De verstandhouding met de vakbonden is goed, maar er ligt een grote vraag op tafel. Hoe zorgen we dat het primair onderwijs in de toekomst een aantrek­ kelijke werkgever blijft voor leraren, zowel financieel als professioneel? Natuurlijk nemen we in de onderhandelingen de input mee die de leden ons de afgelopen weken hebben gegeven en alle input die we nog krijgen, mondeling, ­tele­fonisch, via de mail of in brieven. De kernvraag daarbij is: wat maakt het ver­ schil? Hoe kan de PO-Raad schoolbesturen helpen om hun taak optimaal te vervul­ len? De antwoorden op die vraag komen in de eigen strategische beleidsagenda. De beleidsagenda is geen onderwijsbeleidsplan, maar een agenda met opdrachten aan de PO-Raad, waarmee wij de weg plaveien voor schoolbesturen. In de ALV van afgelopen juni hebben we een basis gelegd voor de beleidsagenda. De vele aanwezige leden spraken in groepen en zorgden voor inspirerende input. Die basis is in veel gesprekken en regionale bijeenkomsten uitgegroeid tot een vol­ waardige beleidsagenda. We hebben vier thema’s benoemd waarop we de komende jaren stappen willen zetten: samenwerking tussen onderwijs en omgeving, benutten van kennis en onderzoek, gebruik van innovatie en ICT en professionalisering van schoolbesturen. Daarnaast zijn er natuurlijk veel onderwerpen die onze aandacht houden, maar op de vier genoemde thema’s willen we de komende vier jaar extra ‘meters maken’. Op de komende ALV van 27 november praten we samen verder over deze punten en gaan we de eigen agenda vaststellen. Alle thema’s uit onze eigen agenda komen min of meer terug in dit nummer van podium. In een Integraal Kindcentrum draait het om de samenwerking tussen het onderwijs en de omgeving, zoals gemeenten, kinderopvang en peuterspeelzalen. Verschillende vormen van onderwijstijdverlenging, zoals de zomerschool, maken gebruik van wetenschappelijke inzichten om het resultaat van het onderwijs te verbeteren. Verder een artikel over de ruimte die ICT biedt voor een nieuwe manier van onderwijs geven. Professionalisering van de sector zien we eigenlijk terug in alle artikelen en dus ook in het artikel over Passend onderwijs. Hoe kunnen we de risico’s rond de invoering van Passend onderwijs zichtbaar en beheersbaar houden? De sector primair onderwijs heeft de afgelopen jaren veel bereikt, maar staat ook voor nieuwe uitdagingen. De PO-Raad is daarbij graag een steun en toeverlaat, zodat we samen het verschil kunnen maken voor de leerlingen. Rinda den Besten, voorzitter PO-Raad podium _ oktober 2013

5 


6 

podium _ oktober 2013


Speerpunten: taal, rekenen én een brede ontwikkeling

Zomerschool: bijspijkeren en vooruitkijken Als je leerlingen meer uren binnen hebt, kun je ze meer taal- en rekenvaardigheden meegeven en ook hun verdere ontwikkeling beter stimuleren. Vanuit die gedachte startten de (inmiddels afgesloten) landelijke pilots Onderwijstijdverlenging. Eén variant daarvan is de zomerschool. In 2009 begonnen de eerste zomerscholen voor basisschoolleerlingen in vijf gemeenten. Daarna kwamen er steeds meer bij, in de grote steden maar ook daarbuiten. Welke opbrengsten kun je verwachten van deze extra leertijd? podium bezocht de Arnhemse zomerschool en sprak met expert Walter de Wit. Tekst Lisette Blankestijn

podium _ oktober 2013

7 


Manon Ketz: ‘De zomer­school draagt bij aan leerstofonderhoud en de uitbreiding van leefwereld en kennis van kinderen’

‘Wij zijn begonnen met de zomerschool omdat we daarmee meer onderwijstijd kunnen bieden aan kinderen die dat nodig hebben.’ Aan het woord is Manon Ketz, bestuurder bij De Basis, Stichting voor openbaar primair onderwijs in Arnhem. Ketz: ‘Alle leerlingen uit de groepen 7 en 8 van basisscholen uit Arnhemse achterstandswijken kun­ nen zich aanmelden, ongeacht hun individuele prestaties. Wel stimuleren we de deelname van kinderen die het echt nodig hebben. We zien dat de kinderen vrijwel altijd enthousiast zijn. We besteden naast taal en rekenen veel aandacht aan sociaal-emotionele zaken en ook doen de kinderen allerlei creatieve projecten. Naast een stimulans op cognitief gebied gaat het dus ook om empowerment.’ Alle Arnhemse schoolbesturen doen mee aan de zomerschool. Zij zijn samen hiervoor de opdrachtgever. De school­ besturen hebben de Stichting PAS opge­ richt voor gemeenschappelijk beleid en -activiteiten. Naast de zomerschool vallen hier ook bijvoorbeeld de brede 8 

podium _ oktober 2013

school, VVE en taalachterstandenbe­ leid onder. PAS schreef in opdracht van de schoolbesturen een projectplan en voert dit uit. René Arends was dit jaar al voor de vierde keer leerkracht op de zomer­ school. ‘Ik vind het fijn om de leer­ lingen iets te leren wat ze moeilijk vinden. Daar komen we aan toe, met 14 leerlingen in een klas, met naast de leerkracht een assistent. “Jippie, ik snap de procentsommen!” hoor je dan. De kinderen zijn heel trots, ook op de moeilijke woorden die ze na de zomer opeens kennen. Ze hebben taalachter­ stand, maar zijn enorm gemotiveerd. Hun ouders vragen soms of jongere kinderen ook mogen komen.’ In de rest van het jaar staat ‘meester René’ buiten Arnhem voor de klas, net als de rest van zijn zomerschoolcollega’s. Waar veel leerkrachten erg hechten aan hun zes weken zomervakantie vindt hij het geen probleem om zich in de zomermaanden in te zetten. ‘Vier jaar geleden kwam ik als zij-instromer het onderwijs binnen.


Alle leerlingen uit de groepen 7 en 8 van basisscholen uit Arnhemse achterstandswijken kunnen zich aanmelden voor de zomerschool, ongeacht hun individuele prestaties.

Ik had nog geen volledige aanstelling, dus ik zocht werk. Inmiddels doe ik de zomerschool puur voor mijn plezier. Vanuit het bedrijfsleven ben ik gewend

aan twee weken zomervakantie, dat vind ik genoeg. Voor de leerlingen is het misschien ook wel leuk: echt iets nieuws, met een andere leerkracht en een wat

René Arends: ‘De kinderen zijn trots, ook op de moeilijke woorden die ze na de zomer opeens kennen’

podium _ oktober 2013

9 


Lara Niekoop: ‘Meestal weet ik het allemaal niet meer zo goed na de zomer, maar op de zomerschool blijf je herhalen en krijg je uitleg. Dus nu wist ik alles nog na de vakantie’

vrijer concept dan de normale school. We werken met thema’s en koppelen daar uitjes aan naar bijvoorbeeld NEMO of de Rotterdamse haven. Dat verbreedt hun horizon enorm.’

Excursies Lara Niekoop (12) is dit jaar voor de tweede keer naar de zomerschool geweest. ‘Het is heel gezellig, je ont­ moet veel nieuwe kinderen. Bij het thema “heelal” gingen we naar het pla­ netarium. In een ligstoel zagen we welke sterren er die avond zouden schijnen, het leek net of het al nacht was! In de ochtenden deden we taal en rekenen. Ik kreeg sommen op mijn eigen niveau. De meester had een lijst waarop voor ieder kind stond waarmee het moeite had. Ik vond het niet erg om te rekenen. Meestal weet ik het allemaal niet meer zo goed na de zomer, maar op de zomer­ school blijf je herhalen en krijg je uitleg. Dus nu wist ik alles nog na de vakantie.’

10 

podium _ oktober 2013

Zomerdip Lara beschrijft de ‘zomerdip’, vertelt Walter de Wit van Oberon, het onder­ zoeks- en adviesbureau dat de onder­ wijstijdsverlengingsprojecten van OCW begeleidt en ondersteunt. ‘In de zomer­ periode krijgen leerlingen zo’n twee maanden lang geen taalonderwijs. Uit Amerikaans onderzoek weten we dat zij dan een terugval krijgen. In Amerika zijn de schoolvakanties veel langer dan hier, dus we kunnen dat onderzoek niet één op één op Nederland van toepassing ver­ klaren. Maar de Universiteit Twente vond wel aanwijzingen dat ook Nederlandse leerlingen last hebben van een zomerdip, vooral kinderen uit lagere sociaalecono­ mische milieus.’ Peter Burgers, coördinator van het pro­ jectbureau van Stichting PAS, de organi­ sator van de zomerschool, is nuchter. ‘In twee tot vier weken kun je geen wonde­ ren verwachten, maar op deelgebieden kun je veel vooruitgang boeken. Alle leerlingen van de Arnhemse zomerschool


krijgen een maatprofiel mee van hun eigen basisschool. Bijvoorbeeld: Achmed heeft moeite met breuken. Sharon heeft moeite met werkwoordspelling. Met die maatprofielen spijkeren we het kind bij op de terreinen die voor hem zinvol zijn.’ Het bepalen van doelen is een belangrijke succesfactor, vertelt De Wit: ‘Als je gericht een doel formuleert, er onderwijsactiviteiten bij zoekt en na afloop toetst, bereik je meer dan met een algemeen streven.’

Doelen meten De Rijksregeling liep van 2009 tot 2013. Peter Burgers: ‘De afgelopen jaren heb­

ben we onze zomerschool volledig uit de overheidssubsidie kunnen betalen. Maar nu moeten we elders middelen vandaan halen. We zijn in gesprek met de gemeente, die neemt de financiering voor in ieder geval een jaar over.’ De noodzaak tot fondsenwerving maakt inzicht in de opbrengsten van de onder­ wijstijdverlenging en in het bijzonder de zomerscholen extra relevant. Die opbrengsten hard aantonen, is nog niet zo eenvoudig. De Wit van Oberon: ‘Het hangt ervan af welk doel je met de zomerschool voor ogen hebt. Wil je dat leerling x wordt bijgespijkerd omdat hij hoofdstuk 8 uit het rekenboek nog niet

De Arnhemse stichting De Basis is tevreden over de opbrengsten van de zomerschool.

podium _ oktober 2013

11 


Peter Burgers: ‘Met “maatprofielen” spijkeren we het kind bij op de terreinen die voor hem zinvol zijn’

begrijpt, dan kun je het resultaat met een beheersingstoets meten. Maar veel zomerscholen hebben, net als die in Arnhem, een bredere doelstelling, zoals het uitbreiden van de woordenschat en begrijpend lezen. Je kunt goed toetsen of aangeleerde woorden tijdens de zomerschool ook daadwerkelijk worden beheerst, maar in een algemene woor­

Walter de Wit: ‘Er zijn aanwijzingen dat leerlingen last hebben van een zomerdip, vooral kinderen uit lagere sociaaleconomische milieus’

12 

podium _ oktober 2013

denschattoets komt dit niet naar voren. En begrijpend lezen is een heel algemene vaardigheid; het kost tijd om die te ver­ werven. Dus een “zomerschooleffect” kun je niet zo snel aantonen. Onderzoek van de Universiteit Twente laat zien dat een zomerschool op het terrein van technisch lezen voor jonge kinderen wel het nodige kan bereiken.’


De leerlingen genieten van de minder ‘schoolse’ aanpak. De zomerschool werkt met thema’s, waar uitstapjes aan worden gekoppeld.

Bestuurder Ketz is positief gestemd. ‘Wij ervaren een grote opbrengst. De toets die wordt afgenomen tijdens de zomerschool laat zien dat de kinderen veel opsteken, de leerkrachten zijn enthousiast. De zomerschool draagt bij aan leerstofonderhoud en de uitbreiding van leefwereld en kennis van kinde­ ren. Dit onderschrijft bijvoorbeeld ook Basisschool Het Mozaïek, die in 2012 het predicaat ‘excellent’ verwierf. Maar wetenschappelijk onderzoek naar de opbrengsten bij ons op school is er nog niet. We onderzoeken nu met een aantal hbo-lectoraten hoe we een longitudinale meting kunnen doen.’ Effectonderzoek is lastig uit te voeren, bleek ook uit onder­ zoek van TIER. Al was het maar omdat de kinderen uitwaaieren naar een groot aantal verschillende vo-scholen.

POVO Nieuw is de POVO-zomerschool, gericht op de overgang van groep 8 naar het voort­ gezet onderwijs. Lara zit inmiddels in een mavo/havo-klas. ‘Ik en de andere kinderen die naar het vo gingen kregen een agenda om onze keuzeopdrachten te plannen. Ook als ik iets van thuis moest meenemen schreef ik het erin.’ De Wit: ‘Vaardigheden als agendabeheer en teksten samenvatten kun je toetsen. Als leerlingen dat beheer­ sen gaan ze met meer vaardigheden en zelfvertrouwen het vo in.’ Wat vond Lara zelf het belangrijkste dat ze geleerd heeft? ‘Ik dacht altijd dat Pluto een planeet was, maar dat is niet zo, het is een dwergpla­ neet! Dat ik dat zó lang fout heb gehad...! Als ik op de zomerschool geen presentatie over planeten had gemaakt wist ik dat nu nog steeds niet.’ n podium _ oktober 2013

13 


De kracht schuilt in één gezamenlijke visie

Integrale Kindcentra in opmars

14 

podium _ oktober 2013


Het Integraal Kindcentrum komt eraan. Veel school­ besturen, besturen van kinderopvang­instellingen en gemeenten zien meerwaarde in samenwerking tussen scholen, kinderopvang en peuterspeelzalen. Bijvoorbeeld in Eindhoven. Tekst Susan de Boer

‘De school doet een heleboel aan opvoe­ ding en ontwikkeling, maar kan het niet alleen. Om de talenten van kinderen maximaal te kunnen ontwikkelen heb je partners nodig: kinderopvanginstel­ lingen, welzijn, sportverenigingen,’ zegt PO-Raad-voorzitter Rinda den Besten. ‘We weten dat een gezamenlijke visie op de ontwikkeling van kinderen bijdraagt aan hun ontplooiing, helemaal wan­ neer er zorg is om een kind. Wij pleiten daarom voor één basisvoorziening met een doorlopende lijn1. De vorming van Integrale Kindcentra, waarbij onderwijs, peuterspeelzaal en kinderopvang in één gebouw zitten of in ieder geval dicht bij elkaar gevestigd zijn, vinden wij daarom een wenselijke ontwikkeling.’ 1 De PO-Raad, de Branche­vereniging Kinder­ opvang, MOgroep en Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) bepleiten in een gezamenlijke brief aan minister Lodewijk Asscher (Sociale Zaken) en staatssecretaris Sander Dekker (Onder­w ijs) dat de gemeente samen met peuter­ speelzalen, kinderopvang en onderwijs komt tot goede ontwikkel­a rrangementen voor kinderen

Rinda den Besten: ‘Om de talenten van kinderen maximaal te kunnen ontwikkelen heb je partners nodig’

tussen 2,5 en 4 jaar.

podium _ oktober 2013

15 


Eén organisatie Een IKC is één organisatie met één team, zonder scheidslijnen tussen school, kinderopvang en vrijetijdsbe­ steding. Volgens Jeannette Doornenbal, lector Integraal Jeugdbeleid aan de Hanzehogeschool Groningen, zijn de kenmerken van een IKC: één gezamen­ lijke pedagogische visie en een door­ gaande lijn voor spelen, leren en zorg, bestemd voor kinderen van 0 tot en met 12 jaar. Het IKC heeft een breed aanbod van opvang en onderwijs, maar ook van

Jeannette Doornenbal: ‘Een IKC slaagt alleen als je het eens bent over gedeelde waarden’

16 

podium _ oktober 2013

spel, sport en muziek. Het is het hele jaar door geopend van ’s morgens vroeg tot het begin van de avond en heeft één voordeur voor ouders. ‘Een doorgaande lijn, in het ritme van de dag en door de jaren heen, is goed voor de ontwikkeling van kinderen. De opgave voor een IKC is om voor zowel groepen als individuele kinderen met hun specifieke ontwik­ kelingstaken een passende balans te vinden tussen inspanning en ontspan­ ning, leren en spelen, verplichte en niet-verplichte onderdelen. Ook kunnen

Esmee Hornstra: ‘De huidige wet- en regelgeving schuurt met de ambitie om tot samenwerking te komen in één organisatie’


medewerkers samen de overgangen tus­ sen peutergroep en school, en school en vrije tijd beter begeleiden. Leerkrachten en pedagogisch medewerkers die vanuit een gezamenlijke visie werken, hebben een gemeenschappelijk vocabulaire en kunnen makkelijker praten over wat er nodig is voor kinderen en over de ambi­ ties van het IKC.’ Volgens Doornenbal vormt het in stand willen houden van voorzieningen onvol­ doende grond voor een IKC. ‘Je moet het eens zijn over gedeelde waarden, anders lukt het niet.’

Ingewikkeld Maar de inrichting van één organisatie waar zowel onderwijs, kinderopvang als peuterspeelzaalwerk en eventueel vrijetijdsactiviteiten plaatsvinden is bestuurlijk-juridisch ingewikkeld. ‘De huidige wet- en regelgeving loopt achter op de ontwikkelingen die onder­ wijs en kinderopvang in gang hebben gezet en schuurt met de ambitie om tot samenwerking te komen in één organi­ satie’, zegt Esmee Hornstra, beleidsme­ dewerker bij de PO-Raad. ‘Er zijn aparte cao’s voor leraren en pedagogisch medewerkers, er zijn verschillende regels voor huisvesting, er zijn fiscale en juridische obstakels, zowel op lande­ lijk, gemeentelijk als Europees niveau.’ Het is een hele klus voor schoolbestu­ ren en hun samenwerkingspartners om voor deze belemmeringen oplossingen te vinden. Om inzichtelijk te maken waar de belemmeringen zitten in de bestuurlijk-juridische vormgeving van kindcentra, heeft de PO-Raad onlangs een advies uitgebracht. Hierin worden

Carla van den Heijkant: ‘Kinderopvang wordt gezien als arbeids­markt­ instrument. Er is geen visie op de educatieve waarde ervan’ de verschillende knelpunten opgesomd en suggesties gedaan voor de aanpak. Wat daarin vooral terugkomt is dat het erkennen van een IKC als een nieuwe gecombineerde vorm van onderwijs en opvang in wettelijke zin al een deel van de oplossing kan zijn. Hornstra: ‘De PO-Raad wil de samenwerking in bijvoorbeeld IKC’s stimuleren. Hiervoor trekken we ook samen op met de sectororganisaties van gemeenten, kinderopvang en welzijn. Verder zijn we podium _ oktober 2013

17 


18 

Wim Dekkers: ‘De middenbouw­ coördinator heeft ook de buitenschoolse opvang onder haar hoede en die van de bovenbouw de lunchclub’

Miranda Smeets: ‘De kinderen leren alle volwassenen kennen met wie ze te maken krijgen en omgekeerd kennen de leerkrachten de kinderen van jongs af. Dat bevordert een soepele overgang’

dit jaar het netwerk School & Omgeving gestart. Het thema “Integrale Kind­ centra” is hier onderwerp van gesprek. Met het netwerk bespreken we de ervaringen en goede voorbeelden van schoolbesturen. Er is namelijk al wel veel mogelijk.’

SPIL-centra

podium _ oktober 2013

In de Eindhovense SPIL-centra, (Spelen, Integreren, Leren) zijn basisschool, kin­ deropvang, jeugdgezondheidszorg en vaak ook welzijnswerk gecombineerd. In 2010 formuleerde de gemeenteraad van Eindhoven een visiedocument over de voorschool. Hierin is vastgelegd dat de Eindhovense kinderopvang en de


peuterspeelzalen opgaan in één voor­ ziening. Deze begeleidt kinderen van werkende ouders, samen met kinderen met taal- en onderwijsachterstanden die van de consultatiebureaus een ‘vve-indi­ catie’ hebben gekregen. Voor die laatste groep worden de plaatsen gesubsidi­ eerd. Alle pedagogisch medewerkers zijn geschoold in voor- en vroegschoolse programma’s. SKPO is een van de bestu­ ren waarvan de scholen deelnemen aan de SPIL-centra. ‘Op stadsniveau is er een visie op de ontwikkeling van jonge kinderen, die wij delen,’ zegt bestuurs­ voorzitter Carla van den Heijkant. ‘Als bestuur staan we open voor samen­ werking. We hebben vertrouwen in de deskundigheid van onze partners.’

Integratie SPIL-centrum ’t Ven vertoont veel van de kenmerken van een IKC. Zo is het centrum, voor kinderen van 0 tot en met 12 jaar, open van half 8 tot half 7. Ook is er vergaande samenwerking tussen de basisschool en pedagogisch medewerkers van de kinderopvangor­ ganisatie Korein Kinderplein. Dit komt onder meer tot uiting in een geza­ menlijke scholing in het pedagogisch concept dat het centrum wil invoeren. Ook is er een gemeenschappelijke ‘instroomgroep’ voor peuters en kleu­ ters in oprichting. Basisschooldirecteur Wim Dekkers, verantwoordelijk voor het onderwijs én de opvang, vertelt: ‘We hebben de taken verdeeld over alle medewerkers van het IKC. Er zijn coördinatoren voor de kinderen van de babygroep tot en met groep 2, voor de middenbouw en voor de bovenbouw.

Peter Notten: ‘Als je een afspraak hebt gemaakt met de ene ambtenaar, betekent dat niet dat die afspraak ook geldt voor de andere’

De middenbouwcoördinator heeft ook de buitenschoolse opvang onder haar hoede en die van de bovenbouw de lunchclub. De medewerkers zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor het geheel.’ De meerwaarde voor de kinderen is groot. Miranda Smeets, gebiedsmana­ ger van Korein Kinderplein en onder­ bouwcoördinator: ‘De kinderen leren alle volwassenen kennen met wie ze te podium _ oktober 2013

19 


maken krijgen en omgekeerd kennen de leerkrachten de kinderen van jongs af. Dat bevordert een soepele overgang van de peutergroep naar groep 1. Ook is hier in vergelijking met de andere locaties meer afstemming tussen de medewerkers van het centrum over de pedagogische visie. Hier weten de pedagogisch medewerkers en de leer­ krachten van elkaar wat ze doen.’

Schotten Knelpunten zijn er ook. Ouders hoeven hun kind weliswaar maar één keer in te schrijven voor zowel de school als de dagarrangementen, maar die gegevens moeten apart worden ingevoerd op de inschrijflijsten van twee organisaties. De samenwerkende partners hebben ook last van de ‘schotten’ tussen de ver­ schillende gemeentelijk diensten. ‘Als je een afspraak hebt gemaakt met de ene ambtenaar, betekent dat niet dat die afspraak ook geldt voor de andere,’ constateert Peter Notten, bestuurs­ voorzitter van Korein Groep. Ook is de bedrijfsvoering van de kinderopvang

Lenie Scholten: ‘Met de inrichting van wijkteams zullen onderwijs, jeugdzorg en welzijn nóg beter als partners gaan functioneren’

‘Op weg naar een IKC’ De PO-Raad, de Brancheorganisatie Kinderopvang en het Landelijk Steunpunt Brede Scholen hielden op 20 september een bijeenkomst over Integrale Kindcentra. Klik hier voor het verslag.

20 

podium _ oktober 2013


anders dan die van het onderwijs. Notten: ‘Er zijn bijvoorbeeld minder scholingsbudgetten. Dat hebben we nu onderling verdeeld, maar onder­ wijsgeld mag je niet inzetten voor iets anders.’ Van den Heijkant en Notten hebben allebei grote moeite met het rijksbeleid voor de kinderopvang. Van den Heijkant: ‘De overheid heeft geen visie op de ontwikkeling van kinderen. Kinderopvang wordt gezien als arbeids­ marktinstrument. Er is geen visie op de educatieve waarde ervan.’ Notten: ‘De kinderopvang moet als gevolg van de bezuinigingen goed opgeleide medewerkers ontslaan. Teams worden overhoop gehaald, mensen moeten opnieuw worden opgeleid, kwaliteit verdwijnt.’

Eindhoven bezuinigt bewust níet op de budgetten van de SPIL-centra. ‘Investeren in jonge kinderen is zo belangrijk, voor hun eigen toekomst en voor de samenleving als geheel, dat we die budgetten ontzien,’ zegt wethouder Lenie Scholten van Jeugd, Welzijn en Zorg. ‘Alle Eindhovense scholen delen die visie. We zitten met de betrokken partners eens in de twee maanden bij elkaar voor SPIL-overleg.’ De genoemde schotten gaan tot het verleden beho­ ren, belooft Scholten. ‘Volgend jaar richten we wijkteams in waarin de werksoorten bij elkaar worden gezet. Onderwijs, jeugdzorg en welzijn komen dan bij elkaar en kunnen nóg beter als partners gaan functioneren.’ n

podium _ oktober 2013

21 


Beter inspelen op verschillen

De kracht van ICT

22 

podium _ oktober 2013


Met de start van de iPad-scholen lijkt een doorbraak van dit middel in het onderwijs een feit. De inzet van ICT biedt ruimte voor onderwijs op maat. Daarnaast kan digitaal leren ook van pas komen als antwoord op krimp.

tablets via het pilotproject Snappet. De eerste ervaringen zijn positief. Timmers: ‘De tijdsbesteding is veel effectiever doordat kinderen direct feedback ontvangen. Daardoor kunnen leerkrachten meer aandacht geven aan degenen die vastlopen. De onderwijs­ behoefte per kind staat meer centraal. En kinderen zelf zijn dubbel gemoti­ veerd.’ Signum richt zich al langere tijd op de inzet van ICT. Dit schoolbestuur richtte in 2002 samen met het school­ bestuur ATO Scholenkring, steun van de Stichting ICT op school en provinciegeld

Tekst Marlieke van der Sijde

‘In 2010, nog voor het Nederlandse iPad-tijdperk, smokkelde ik na een ICTcongres in Amerika enkele iPads mee naar huis. Uit nieuwsgierigheid, om te kijken hoe zo’n ding werkte. Maar thuis ging vooral mijn vrouw ermee aan de haal. Het gemak waarmee zij ermee werkte en de functie die de iPad in haar dagelijkse bezigheden ging vervullen, triggerde me enorm.’ Voor Jan Timmers, bestuursvoorzitter van Signum in Den Bosch, markeerde deze ervaring de aankondiging van een nieuw tijdperk. ‘Ik wist meteen: dit apparaat gaat een plek krijgen in het onderwijs. Zo’n iPad is zo kinderlijk eenvoudig te bedienen. Met hetzelfde gemak gaan leerkrachten en kinderen ermee aan de slag.’ Niet gek dus dat op enkele Signum-scholen sinds augustus 2012 gewerkt wordt met

Jan Timmers: ‘Bij het werken met een tablet staat de onderwijs­behoefte per kind meer centraal. En kinderen zelf zijn dubbel gemotiveerd’ podium _ oktober 2013

23 


de Stichting Digidact op. Digidact advi­ seert, ondersteunt en begeleidt aange­ sloten scholen bij het implementeren van ICT-beleid. Timmers: ‘De allereerste taak was ervoor te zorgen dat er per zes leerlingen één computer was. Inmiddels zijn we natuurlijk een stuk verder.’ Als voorzitter van de sectorkamer van Wikiwijs, een online platform waar leer­ krachten digitaal leermateriaal kunnen zoeken en aanpassen, houdt Timmers zich ook bezig met het toegankelijk

Maurits Huigsloot: ‘ICT biedt veel aanknopings­punten voor het omgaan met ­verschillen. Met adaptief leermateriaal kun je daarop heel goed inspelen’ 24 

podium _ oktober 2013

maken hiervan. ‘Als het gaat om de doorvertaling naar tablets, valt er nog wel wat winst te behalen. Het blijft een kunst om alle ICT-processen te beheren en te beheersen.’

Stappen zetten ‘De mogelijkheden en kansen van ICT zijn enorm, maar we hebben nog wel stappen te zetten,´ zegt ook beleids­ adviseur Maurits Huigsloot van de PO-Raad. ‘Bijvoorbeeld als het gaat om het aansluiten van de nieuwe leermid­ delen op de traditionele methodes.’ Samen met schoolbesturen zoekt de PO-Raad naar manieren waarop scholen de mogelijkheden van ICT optimaal kunnen benutten. ‘Daarbij is het uiter­ aard aan de school zelf hoe zij ICT inzetten. Maar het is duidelijk dat ICT niet meer is weg te denken. Het kan de administratieve lasten voor docenten enorm verminderen. Daardoor houden zij meer tijd over voor het primaire proces. Daarnaast biedt ICT veel aan­ knopingspunten voor het omgaan met verschillen, een van de belangrijkste uit­ dagingen in het onderwijs. Met adaptief leermateriaal kun je daarop heel goed inspelen.’ Hans Theeboom, clusterdirecteur van de Almeerse Scholengroep, ziet ICT als middel om individuele leerroutes te creëren. ‘Kinderen krijgen meer verantwoordelijkheid voor hun eigen leren, doordat ze via educatieve apps hun eigen leerweg volgen. Ben je snel, dan ga je verder of duik je de diepte in. Heb je wat meer moeite, dan sta je er wat langer bij stil of volg je een work­ shop. Maar wat je niveau ook is; kennis


volgen in stamgroepen een individueel rooster. Ze schrijven zich via een digitale agenda, die ook hun voortgang en aanwezigheid registreert, in voor gepro­ grammeerde activiteiten of workshops. In onder meer taal-, reken-, geschiede­ nis- en leesateliers gaan ze zelfstandig aan de slag. Met of zonder iPad. ‘De iPad is slechts ondersteunend. Het is een goed middel voor het aanleren van de kerndoelen. Via de apps Rekentuin en

Hans Theeboom: ‘Kinderen kunnen via educatieve apps hun eigen leerweg volgen’

Monique van Zandwijk: ‘De iPad is een goed middel voor het aanleren van de kerndoelen. Via apps gaan kinderen daar spelenderwijs mee aan de slag´

beklijft beter. En leren gaat efficiënter.’ Voor Theeboom, tevens bestuurslid van O4NT (Onderwijs voor een Nieuwe Tijd, het initiatief van Maurice de Hond), maakt ICT de weg vrij voor een over­ gang van klassikaal onderwijs naar onderwijs op maat. ‘Klassikaal de stof doornemen is op deze manier niet meer nodig. De leerkracht begeleidt en stimu­ leert ieder kind in zijn eigen leerproces.’

Leren in ateliers Binnen de Almeerse Scholengroep zijn dit schooljaar twee scholen gaan werken met iPads. Een daarvan is Digitalis. De kinderen uit de onderbouw podium _ oktober 2013

25 


Taalzee gaan kinderen daar spelender­ wijs mee aan de slag. Dat werkt heel goed,´ vertelt directeur Monique van Zandwijk. ‘Maar daarnaast hebben we bijvoorbeeld ook een fysiek markt­ kraampje waar kinderen leren geld te tellen. En in de ateliers liggen ook nog de traditionele lesboeken. Want voor sommige kinderen kan het nuttig zijn die er bij te pakken. Dat is aan de docent.’ ICT biedt volgens Theeboom ook meer mogelijkheden om zelf kennis te vergaren: ‘Je kunt bijvoorbeeld foto’s, filmpjes en presentaties maken. Doordat je efficiënter leert, blijft er meer tijd over voor dat soort activiteiten. Daarbij kun je meteen ook inhaken op de eigen wensen en talenten van leerlingen.´ Van Zandwijk: ‘Er is veel meer ruimte om aandacht te besteden aan soci­ ale vaardigheden. Samenwerken en anderen helpen vormen een belangrijk onderdeel binnen ons lesprogramma. Samen met de digitale vorming bereid je kinderen voor op de wereld buiten school.’

De Digitalis-directeur vindt dat ook flexibele schooltijden en vakanties aan­ knopingspunten bieden om onderwijs op maat of Passend onderwijs vorm te geven. ‘Dat is ideaal voor bijvoorbeeld kinderen met suikerziekte; die worden niet meteen geremd in hun leerproces als ze een keer niet naar school komen. Ze kunnen thuis verder met de lesstof. Voor kinderen met autisme biedt het werken met iPads veel structuur en hou­ vast. Ze kunnen veel zelf doen. En dank­ zij de digitale agenda weten zij dagelijks precies wat hen te wachten staat.’

Klassenmanagement Voor Onderwijsgroep Fier uit Friesland heeft de inzet van ICT een bijkomend voordeel: het is een handig instrument voor efficiënt klassenmanagement. In een krimpregio is dat essentieel. ‘Sommige van onze scholen hebben slechts dertig kinderen, in alle leeftijden. Dat vergt heel veel van de leerkracht. Die moet op alle niveaus lesgeven. Met ICT kun je het team enorm ontlas­ ten,´ zegt Teun Meijer, coördinerend

Programma van eisen voor leermiddelen De markt voor leermiddelen verandert snel en er zijn veel nieuwe initiatieven en aanbieders. Niet alle keuzes van uitgevers en distributeurs van leermiddelen sluiten aan bij de wensen van schoolbesturen en scholen. Het netwerk Onderwijsinnovate & ICT van de PO-Raad heeft daarom een visiedocument gemaakt, dat wordt vertaald in een programma van eisen voor de leermiddelen. Een regiegroep met leden van de PO-Raad gaat dit inzetten in onderhandelingen met uitgeverijen en distributeurs.

26 

podium _ oktober 2013


Teun Meijer: ‘Op een kleine school moet een leerkracht op alle niveaus lesgeven. Met ICT kun je het team enorm ontlasten’

ICT’er. ‘Daarom hebben we samen met Kennisnet pilots opgezet op twee kleine scholen. Hier werken ze met de metho­ diek van Excellent Onderwijs Voor Allen (Exova). Kinderen maken er veel gebruik van ICT. Dat gaat steeds beter.’ Samen met Kennisnet heeft Onderwijsgroep Fier een eisenpakket opgesteld voor een ideale ICT-leeromgeving. Meijer: ‘Je moet in ieder geval inzichtelijk heb­ ben op welk leerniveau kinderen zitten. Omdat dat erg kan verschillen, is het belangrijk dat de leerkracht dit via een dashboard goed kan volgen.’ Een mogelijk toekomstscenario voor krimpgebieden is dat leerlingen ook op afstand lessen gaan volgen. Voor Onderwijsgroep Fier is dat momenteel nog een brug te ver. ‘Hierover hebben we wel nagedacht, bijvoorbeeld voor onze meer begaafde leerlingen. Die komen nu vanuit verschillende dorpen één keer per week op een centrale locatie bij elkaar. Technisch is het mogelijk om die lessen digitaal te geven, maar voorlopig is dat nog toekomstmuziek.’ n

Onderwijsinnovatie en ICT Onderwijsinnovatie en ICT vormen samen een van de speerpunten van de Strategische Beleidsagenda 2014-2018 van de PO-Raad. De PO-Raad ziet ICT als een belangrijk middel waarmee kinderen eigentijds onderwijs op maat kunnen krijgen. Het moet leraren voorzien van een rijke combinatie van digitale- en folioleermaterialen, ondersteund door geautomatiseerde volgsystemen. Door deze aan te sluiten op de leerlingadministratiesystemen wordt uitwisseling mogelijk met andere scholen op het punt van doorlopende leerlijnen. Ook bij bedrijfsvoering en verantwoording speelt ICT een belangrijke rol.

podium _ oktober 2013

27 


28 

podium _ oktober 2013


‘De schoen wringt bij teruglopende inkomsten van de reguliere basisscholen’

Passend onderwijs: kansen pakken Het rapport van de Rekenkamer vlak voor de zomer was kritisch over de invoering van Passend onderwijs. De Rekenkamer ziet risico’s als het gaat om de financiering van scholen en de toerusting van leerkrachten in het basisonderwijs. Toch moet Passend onderwijs doorgang vinden, vindt de PO-Raad. Reinier Goedhart (adviseur) en Dick Rasenberg (projectleider Passend onderwijs) lichten dat toe. Tekst Joëlle Poortvliet

podium _ oktober 2013

29 


De Algemene Rekenkamer ziet steeds meer licht tussen de eisen die aan het primair onderwijs gesteld worden en de bekostiging ervan. De ambities – waarvan Passend onderwijs er één is, maar het behoren tot de top-5 van onderwijslanden een andere – zouden mogelijk niet meer in balans zijn met de beschikbare mensen, middelen en tijd. Volgens Reinier Goedhart, die zich voor de PO-Raad bezighoudt met de bekostiging van het primair onderwijs, had de Rekenkamer op dat onderwerp nog wel meer stelling mogen nemen. Goedhart: ‘Het is belangrijk om zaken goed gescheiden te houden. De schoen wringt niet zozeer bij de invoering van

Dick Rasenberg: ‘Als je de middelen voor Passend onderwijs slim inzet, kun je met hetzelfde geld meer en sneller ondersteuning bieden’ 30 

podium _ oktober 2013

Passend onderwijs, dat moet gewoon full swing doorgaan, maar het knelt wel degelijk bij de bekostiging van het regu­ lier onderwijs.’ Goedhart wijst, net als de Rekenkamer, op afnemende inkomsten door bijvoorbeeld de stijgende pensi­ oenpremies als deel van de werkgevers­ lasten; stijging van de premies voor het Vervangingsfonds en Participatiefonds en het teruglopen van de rijksbekosti­ ging in krimpgebieden. ‘Scholen heb­ ben onder die omstandigheden onder andere afscheid moeten nemen van ib’ers en rt’ers. Het zijn juist die handen in de klas die zo van belang zijn voor Passend onderwijs.’ Ook Dick Rasenberg, projectleider Passend onderwijs voor de PO-Raad, erkent de stille bezuinigingen en de effecten daarvan. ‘Uiteindelijk heeft een bestuur één portemonnee. Minder bestedingsvrijheid op één terrein beïn­ vloedt ook het andere.’ Tegelijk noemt hij het fantastisch dat in deze tijd op Passend onderwijs zelf niet noemens­ waardig is gekort. ‘Als je de middelen voor Passend onderwijs slim inzet, kun je met hetzelfde geld meer en sneller ondersteuning bieden.’ In de huidige constructie is het namelijk alles of niets, legt Rasenberg uit. Via het systeem van indicatiestelling krijgt men uiteindelijk €12.000 voor een rugzak, of niet. ‘Op de rugzak wordt niet bezuinigd en scholen zijn ervan overtuigd dat als die middelen straks losgekoppeld zijn van de indivi­ duele leerling, ze veel meer kinderen kunnen helpen.’

Basisondersteuning Voor de samenwerkingsverbanden


(svw’s) is het dit schooljaar het allerbe­ langrijkst om de ondersteuningsplannen op te stellen. Daarin leggen ze vast wat elke school binnen hun swv als basison­ dersteuning moet bieden en wordt de route naar het so en het sbo geregeld. Volgens Rasenberg kunnen zij daarin grofweg drie bewegingen maken, met allerlei mengvormen daar tussenin. Het swv verdeelt het geld over de scholen die vervolgens zelf de verwijzingen naar het s(b)o en extra ondersteuning beta­ len. In dat laatste geval ligt de verant­ woordelijkheid sterk bij de individuele scholen. Het swv kan er ook voor kiezen de extra ondersteuning voor leerlingen juist heel centraal op swv-niveau te organiseren en te betalen. Scholen doen dan op basis van solidariteit aanspraak op de middelen. Tot slot kan het swv de hulp voor het kind efficiënter inzetten door te investeren in de expertise op de scholen. Rasenberg hoopt dat ze voor die laatste optie gaan. ‘Scholen kunnen bijvoorbeeld poules vormen – binnen een wijk, gemeente of swv – waar de expertises op verschillende ondersteu­ ningsgebieden samen komen en worden gedeeld. Zo kunnen scholen hulp aan leerlingen snel en op maat bieden, zonder naar het swv te hoeven stap­ pen. Ook verwijzingen naar het s(b)o kunnen dan op schoolniveau worden voorbereid.’

Omgaan met verschillen Dat de leerkracht nog niet klaar zou zijn voor het verzorgen van Passend onderwijs, een ander punt uit het rap­ port van de Algemene Rekenkamer, vindt Rasenberg te kort door de bocht

Reinier Goedhart: ‘Scholen hebben afscheid moeten nemen van ib’ers en rt’ers. Het zijn juist die handen in de klas die zo van belang zijn voor Passend onderwijs’ en geen motiverend statement. Juist omdat al jaren naar Passend onder­ wijs is toegewerkt, met WSNS en WSNS+, kan Passend onderwijs een bottum-up beweging zijn, stelt hij. Rasenberg: ‘Leerkrachten leren steeds beter omgaan met verschillen in de klas. Zij weten steeds beter wat leer­ lingen nodig hebben en wat zij zelf aan ondersteuning nodig hebben om goed onderwijs te verzorgen.’ Het is dan ook aan de besturen, verenigd in de swv’s, om die informatie boven tafel te krijgen en het gesprek aan te gaan. De schoolprofielen, een weergave van podium _ oktober 2013

31 


Handelingsgericht werken in de Drechtsteden Voor het samenwerkingsverband Drechtsteden ziet het er rooskleurig uit. Na de verevening krijgen ze er middelen bij. En bestuurlijke strubbelingen hebben ze niet gekend. Dat is deels te danken aan het feit dat het samen­ werkings­verband (swv) nauwelijks in omvang is toegenomen: aan de ongeveer 12.000 leerlingen zijn twee scholen toegevoegd. Maar ook hier zijn heel bewuste keuzes gemaakt. Al in de jaren negentig vormden de schoolbesturen in de regio een zogenaamd ‘interzuilair samenwerkingsverband’. Men kent elkaar, er is vertrouwen opgebouwd en de visie om voor het kind te gaan is gezamenlijk en vroegtijdig geadopteerd. In 2008 besloot men handelings­ gericht te gaan werken (hgw) op alle scholen van de twaalf betrokken besturen. Hgw is het voertuig waarmee Passend onderwijs vorm kan krijgen, zegt Wim Dunsbergen, bestuurder van de Vereniging Christelijk Onderwijs Sliedrecht en voorzitter van het voorlopige bestuur van het swv. ‘Het verschuift de focus naar wat het kind wél kan. Sinds dat jaar zijn de verwijzingen naar het so teruggelopen van 3,2 procent naar 2,45 procent. Dat heeft consequenties gehad voor de verevening.’ Dunsbergen ziet een duidelijk verschil tussen de proceskant – ze moeten bijvoorbeeld hun swv nog formeel aanmelden, ‘een administratieve handeling die uiteraard voor de deadline gaat plaatsvinden’ – en de inhoud. ‘Waar dienen we leerlingen het meest mee? Hoe kunnen we leerkrachten zo goed mogelijk ondersteunen en hoe zorgen we voor capabele directeuren?’ Om Passend onderwijs een beweging van onder naar boven te laten zijn is een klankbordgroep van ouders en leerkrachten opgericht die de stukken van het swv kritisch volgt. Een werkgroep met onder andere enkele ib-ers van de betrokken scholen werkt aan de formulering van de ondersteuningstoewijzing. Het ondersteuningsplan is al bijna af. Ook is ingezet op de vooroordelen die leefden. ‘De directeuren hebben presentaties gegeven om leerkrachten van een eventueel schrikbeeld af te helpen. Ze krijgen straks niet opeens kruiwagenladingen aan leerlingen waar ze niet voor toegerust zijn. We gaan gewoon door op de handelingsgerichte weg die we al jaren geleden hebben ingezet.’

32 

podium _ oktober 2013


De ondersteuningsbehoeften van kinderen verschillen. Leerkrachten weten daar steeds beter op in te spelen.

wat een school op dit moment aan ondersteuning kan bieden, kunnen besturen daarbij helpen. Rasenberg: ‘Als je gaten constateert tussen de ambities voor het ondersteuningsplan op swv-niveau en de schoolprofielen, weet je dat je actie moet ondernemen. Bijvoorbeeld op het gebied van scholing en deskundigheidsbevordering.’ De voortgang van Passend onderwijs

staat dus ook voor Rasenberg niet ter discussie. ‘Passend onderwijs komt tegemoet aan zoveel waar het primair onderwijs zelf om heeft gevraagd. Het is ontzettend jammer dat daaromheen wordt bezuinigd, maar de ruimte die ontstaat door het wegvallen van allerlei regelgeving blijft waardevol. Het gaat om het behouden van het goede en verder je kansen pakken.’ n

De PO-Raad heeft speciaal voor besturen een praktijktoets ontwikkeld die laat zien waar nog hiaten zitten in de voorbereiding naar Passend onderwijs: http://poraad.nl/content/bent-u-klaar-voor-passend-onderwijs-test-het-metde-praktijktoets-0. Kijk voor ander ondersteuningsaanbod van de PO-Raad over passend onderwijs op www.poraad.nl/content/passendonderwijs.

podium _ oktober 2013

33 


web poll

Zijn we overbelast, of niet efficiënt genoeg?

‘De hoge werkdruk is een gevolg van het systeem. Om schoolvakanties vrij te zijn, moet in andere weken (te) veel worden gewerkt.’ Ligt er inderdaad teveel werk op ons bord? En zo ja, is dat een gevolg van een scheve verhouding tussen het aantal werk- en vakantieweken? Los je dat op door meer taken te verschuiven naar de periode die nu als vakantie wordt opgenomen? Of komen we al een heel eind door de werkweken efficiënter in te delen? 491 mensen brachten hun stem uit. Daarvan stemde 34% tegen de stelling en 66% voor. Oneens: ‘Het onderwijs heeft al jaren te maken met een opeenstapeling van veran­ deringen, die altijd veel werk met zich meebrengen,’ schrijft iemand. ‘Tel daarbij op de vergroting van de klassen, de leraar die zich moet manifesteren, opbrengstgericht werken en bij dat alles alle leerlingen in het oog houden... In het onderwijs werken is topsport uitoefenen.’

34 

podium _ oktober 2013


Een collega: ‘De vakanties zijn in de bijna 40 jaar dat ik in het onderwijs werk niet uitgebreid, het werk wel. Als ik zie hoeveel collega’s in hun vrije tijd en in de vakanties bezig zijn met hun werk, dan is dat geen kwestie van teveel vakantie maar van verhoging van werkdruk. Ik doel dan met name op de situatie binnen het po. Steeds meer maatschappelijke onderwerpen worden de school ingeschoven.’ Nog een pleidooi voor behoud van de huidige vakantieweken: ‘Het lijkt me logisch dat er na een flinke periode van inspanning een moment van rust is voor de leerlingen. Bijna niemand in het onderwijs klaagt over werkdruk door ‘gewoon’ en goed les te geven.’ Meerdere mensen wijzen op de grote administratieve last als oorzaak voor de groeiende werkdruk. Als daar nu eens iets aan werd gedaan… ‘Ik ga de uitdaging aan om ons te verplichten om een topscore te leveren van 540 punten of hoger, maar dan bepalen we zelf wat er wel en niet vastgelegd moet worden. Laten we gewoon aan het werk gaan als professionals (waar het onderwijs vol van zit) en geef ons het vertrouwen. Overigens: de inspectie mag altijd langskomen. Zij mogen controleren wat wij ieder jaar leveren voor de subsidie die we krijgen!’

Eens: Een vóórstemmer: ‘De beleving van werkdruk ontstaat ook doordat men de werkzaamheden liefst in korte werkdagen wil klaren. Ik kom op veel scholen die op woensdag na 13 uur zijn uitgestorven. Verder lukt het maar niet om effectiever te vergaderen. Tenslotte wordt (onterecht) vaak prioriteit toegekend aan het organise­ ren van ‘leuke dingen’. Scholing en vergaderen kunnen ook in de vakantie worden gedaan. Dan zijn de werkdagen beschikbaar om de lessen voor te bereiden en ouders te spreken.’ Iemand rekent voor: ‘Bij een werktijdfactor van 0,4636 (2 dagen) moet je jaarlijks 769 uur werken. Wekelijks is dat 19,6 uur, uitgaande van 39,2 weken. Per dag is dat bijna 10 uur. Mijn ervaring is dat leerkrachten vaak geen idee hebben dat ze zulke lange dagen moeten maken.’ Een ander: ‘Als fulltimer moet je in ongeveer 40 werkweken bijna 42 uren maken om 12 werkweken vrij te kunnen zijn. Dus: 5 dagen van 8,5 uur, exclusief de middagpauze die eigen tijd is. Maar men gaat vaak uit van een vrije woensdagmiddag en gaat vrijdags vaak bijtijds naar huis. Als dat niet lukt, wordt dat ervaren als werkdruk.’ Conclusie: ‘Als men niet bereid is om dat aantal uren te werken zou landelijk besloten kunnen worden minder vakantieweken in te lassen.’ Wordt er nu teveel, of juist te weinig gewerkt? Daarover zijn de meningen verdeeld. Enerzijds schrijft iemand: ‘Mensen met hetzelfde opleidingsniveau in het bedrijfsleven werken werkt zeker 40 uur. Met hooguit 30 vakantiedagen per jaar. Dus waar gaat dit over?’ Anderzijds: ‘Alle leerkrachten maken langere dagen dan 8,5 uur. De meesten zijn om 7.30 op school en werken door tijdens de middagpauze. ’s Avonds wacht er altijd nog een portie nakijkwerk of voorbereiding.’

podium _ oktober 2013

35 


Leo Soffers, algemeen directeur/bestuurder Stichting SOM, Bergen op Zoom:

‘Werkdruk is een gezonde spanning’ ‘Ik ben het niet met de stelling eens. De schoolvakanties hebben een belangrijke functie. Als individuele werknemer en als school zorg je in die periode voor feedback en terugkoppeling. De vakantieperiode is bij uitstek geschikt om je eigen functioneren te beoordelen. Er zijn teams die ervoor kiezen om in deze periode studiedagen te houden, bijvoorbeeld om hun visie verder te ontwikkelen. Dat gaat tijdens een rustperiode beter dan in een dagelijkse werksituatie. Het is goed om de vakantie zo in te zetten; als je in die periode gas terugneemt helpt dat je om daarna op een andere manier in je werk te staan. Het is maar de vraag of doorwerken in de vakantie zou leiden tot minder werkdruk voor het onderwijzend personeel en de directeuren, want de werkzaamheden zijn grotendeels leerlinggebonden. Het uitvoeren van groeps- en verbeterplannen en de organisatie daaromheen in de klas zorgt voor extra druk. Een vakantie kan er geen bijdrage aan leveren om die spanning te verminderen. Ik vind het overigens een gezonde spanning. Het basisonderwijs heeft misschien een relatief hoge werkdruk, maar ik vind het geen overdruk. Mijn teams ervaren wel een druk, maar ik merk dat men graag naar de school toe komt. Ons ziekteverzuim is relatief laag. Wij zien wel lichamelijk ongemak, maar overspannenheid en burnout komen niet veel voor. Wij zijn heus geen ideale stichting; ik denk eerder dat onze mensen in staat zijn om hun aandacht op de juiste wijze te verdelen. Ik zie de werkdruk als een positieve, gezonde druk die je nodig hebt om optimaal te presteren.’

36 

podium _ oktober 2013


Rob Beaumont, bovenschools manager Stichting jong Leren, Maastricht:

‘We proppen onze uren in te weinig weken’ ‘Die stelling klopt wat mij betreft. Onze systematiek houdt in dat fulltimers 1659 uren verdelen over 39 à 40 weken. Zoveel uren vormen in principe een normale werkweek. Maar omdat wij die uren in 40 weken wegduwen, met twaalf weken vakantie, is de wekelijkse belasting groter. Als je die uren zou verdelen over 44 weken, krijg je al een heel ander plaatje. Die hoge werkdruk is niet alleen maar afhankelijk van het systeem. Als je 44 weken gaat werken en de ruimte die dan ontstaat vult met nieuwe dingen waar je eerder niet aan toekwam, heb je opnieuw hoge werkdruk. Werkdruk is een persoonlijk ervaren gevoel. De een geniet van hard werken, de ander heeft het gevoel dat hij overwerkt raakt. De een is effectiever of perfectionistischer dan de ander. In de tijd dat ik directeur was van een basisschool hadden wij de afspraak met alle teamleden dat we de eerste én de laatste week van de zomervakantie gewoon werkten. Los van de cao, want officieel mag dat niet. Mensen kregen meer rust. Leerlingen doorspreken, een lokaal op orde brengen, zaken uitzoeken: dat hoefde niet allemaal in die laatste schoolweken, die al boordevol zaten met schoolkamp, rapporten, musical, de laatste oudergesprekken… We waren verder ook flexibel. Als iemand het donderdag om 12 uur helemaal had gehad, had hij de ruimte om naar huis te gaan. We konden elkaar daarop ook aanspreken. Het was een heel actieve school met mensen die plezier hadden in hun vak. Als in mijn huidige stichting de discussie over werkdruk oplaait, laat ik dit soort geluiden wel eens vallen. Maar als ik zou voorstellen om 44 weken te gaan werken, denk ik dat mij dat niet in dank wordt afgenomen. Ook speelt mee dat de maatschappij veel vraagt van leerkrachten. Maar datzelfde geldt voor veel andere beroepen.’

podium _ oktober 2013

37 


politiek

In elk nummer van podium reageert een politicus op de stelling van onze webpoll. Pieter Duisenberg, Tweede Kamerlid voor de VVD, reageert op de stelling: ‘De hoge werkdruk is een gevolg van het systeem. Om schoolvakanties vrij te zijn, moet in andere weken (te) veel gewerkt worden.’

Werkdruk Als iets het gevolg zou zijn van ‘het systeem’, dan ver­ oorzaakt dat bij mij altijd een spontane aanval van jeuk. Alsof je het helemaal niet meer zelf in de hand hebt. Ik vergelijk de schoolorganisatie dan met andere organi­ saties die ik van binnen goed ken. ‘Het systeem’ gaat in al deze organisaties wel eens als een ongrijpbaar, Kafka-proporties aannemend spook door de gangen. Volgens mij moet je dit spook gewoon grijpen. In dit geval gaat het over ‘werkdruk’ en ik wil het onder­ werp zeker niet bagatelliseren. Het kan een probleem zijn, maar dit hoeft niet. Een gezonde werkdruk zou er wat mij betreft altijd moeten zijn; dat kost geen energie, maar geeft energie en verhoogt de effectiviteit en kwaliteit van het werk. Draai het eens om: als je te weinig te doen hebt ben je ook niet gelukkig. Daarnaast zijn er altijd piekmomenten, bij­ voorbeeld bij de afronding van een project of het opleveren van een stuk. Alleen als werkdruk gedurende een langere periode continu gevoeld wordt, wordt het wat mij betreft ongezond. In het Nationaal Onderwijsakkoord is afgesproken om de werkdruk in het onderwijs te onderzoeken en aan te pakken. Ik vind dit op zich een goede zaak, maar wat mij betreft ligt de verantwoordelijkheid eerst ergens anders. Waarom heeft de één wel werkdruk en de ander niet? Waarom speelt het wel op de ene school en op de andere niet? Alle scholen zitten toch in hetzelfde ‘systeem’? Ik hoorde op een school dat het afschaffen van het verplichte werkoverleg, maar wel iedere ochtend starten met een korte gezamenlijke kick-off, een enorme besparing van tijd (en energie!) opleverde. Ik zou werkdruk dus bespreekbaar maken en het spook als team aanpakken. Het werkdrukonderzoek zal nuttig zijn. Maar de professionalisering, kwaliteitscultuur en intervisie die ook in het Onderwijsakkoord staan zouden op dit vlak ook nog wel eens een positief bijeffect kunnen hebben. Pieter Duisenberg 38 

podium _ oktober 2013


11 November www.scholenopdekaart.nl officieel van start Alle scholen voor primair onderwijs transparant over onderwijsresultaten Voor iedere school staan achter de schermen data klaar voor een eigen SchoolVenster op www.scholenopdekaart.nl. Bent u bestuurder? Dan kunt u voor uw scholen gebruikersaccounts aanmaken. Bent u schoolleider en wilt u uw eigen cijfers inzien en toelichten? Dat kan via mijn.vensters.nl. Vraag een gebruikersaccount aan bij uw bestuur. Heeft u uw SchoolVenster bewerkt en bent u tevreden met het resultaat? Dan kunt u uw SchoolVenster publiceren. Uw school staat dan al vóór 11 november op de kaart! Meer informatie: www.vensterspo.nl servicedeskvensters@schoolinfo.nl

Vensters PO wordt ontwikkeld door Stichting Schoolinfo, in opdracht van de PO-Raad.

podium _ oktober 2013

39 


goed onderwijs voor elk kind


podium 1, jaargang 3