Page 1

Reineringen

Duivenstraat 22

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich Verschijnt driemaandelijks • Jaargang 6, nummer 3 (juli - september 2015)

O

Voorwoord

P HAAR voortdurende zoektocht naar waardevolle thema’s over Kontich en zijn bewoners ontvangt de redactie soms ondersteuning uit onverwachte hoeken. Zo vond François van der Jeught, onderzoeker en publicist, in het archief van Mechelse notarissen een akte over de verkoop en de verplaatsing van de Kontichse Vrijselmolen in de zeventiende eeuw. Hij schreef er een zeer boeiende bijdrage over die we met plezier voor jullie afdrukken. Laat dit nu ook nog perfect aansluiten bij de gemeentelijke vraag voor een geschikte naam bij de nieuw ontworpen straat in de Tuinwijk, op de site van de voormalige houtzagerij Vervoort: Vrijsel! Kontichnaar Jef Van Olmen, abonnee van Reineringen en expert in en publicist van diverse artikels en boeken over spoorwegen en treinen in België, vervolledigt onze kennis over de rol van het Kontichse spoorwegennet met twee bijdragen. De rol van de spoorwegen en de gepantserde treinen vóór de val van de versterkte vesting Antwerpen in 1914 kwam in jaargang twee al even aan bod in een artikelenreeks over 175 jaar spoorwegen te Kontich. Zijn sterk gedocumenteerde artikel zal u ongetwijfeld blijven boeien tot de laatste letter. Ook zijn bijdrage over het bombardement van het station en de kazerne ernaast te Kontich-Kazerne op 5 oktober van dat jaar vormt samen met de beschieting van Waarloos, de uittocht van Kontich en de overgave van Antwerpen en het wedervaren van de familie Jonckheere in vorige uitgaven van Reineringen één geheel. Rik Verbeeck verklaarde zich bereid om een reeks vervolgartikels te wijden aan de bewoningsgeschiedenis van Kontich – van prehistorie tot vroege middeleeuwen. Als gedreven werkleider o.a. voor de regio Kontich en bestuurslid/ ondervoorzitter van de Antwerpse Vereniging voor Romeinse Archeologie (AVRA) was hij de vorige halve eeuw van dichtbij en zeer actief betrokken bij de meeste opgravingen te Kontich. Wij blijven er deze drie auteurs heel hartelijk dankbaar voor! Van Paul Catteeuw mag u al het vierde vervolgartikel lezen over Abraham Hans, een Kontichse reus die Vlaanderen en zijn kinderen (goedkoop) leerde lezen en in eigen land rondkijken. Alle lezers worden ten slotte op vrijdag 13 november 2015 om 20.00 uur uitgenodigd in de Altenakapel. In het kader van de herdenking van 100 jaar Eerste Wereldoorlog belichten Paul Catteeuw en Guido Theys de rol van Jozef Van Herck, aalmoezenier tijdens de eerste wereldoorlog. HARTELIJK WELKOM! Paul Catteeuw, Frank Hellemans, Paul Wyckmans


In memoriam Simone De Schutter

S

OMMIGE MENSEN waan je als sprookjesfiguren: onsterfelijk. Simone De Schutter was zo iemand. Zij leek wel onmisbaar in Kontich. En Waarloos: haar roots en waar ze ook een tijd woonde. En waar haar man een stempel heeft gedrukt: op de brouwerij en het socioculturele leven. Altijd was ze in de weer. Voor God en klein Pierke. Wie eenzaam of in nood was, kon op haar rekenen. Ook de mensen van Ziekenzorg, De Schakel en nog vele anderen zullen haar nu moeten missen, dat lieten ze trouwens verstaan tijdens de uitvaart. Maar als er plezier werd gemaakt of toneel gespeeld, was ze er ook graag bij. Hoe levenslustig ze was, bleek vooral uit de getuigenissen van haar familie op de begrafenis. Toch is ze op 9 juli van ons heengegaan. Op 18 juli werd ze begraven. Het was vakantie, maar toch zat de kerk afgeladen vol. We missen ze, ons Simoneke, elke maandagavond in ons documentatiecentrum. De laatste tijd zat ze in het kleine tussenkamertje te bladeren in onze collectie doodsbrieven. Ze moesten worden geklasseerd, een bescheiden taak die ze graag ter harte nam. Want aan de overleden inwoners van Kontich en Waarloos besteedde ze graag wat meer aandacht. Sommigen zetten haar aan het mijmeren. Ze had er immers velen van gekend, en hun familie. Tussendoor bracht ze ook mee orde in het knipselarchief. Met evenveel toewijding. Simone had al lang sympathie voor ons. Eerst was ze lid van de vrienden van het museum en ze schreef zichzelf en Herman meestal ook in voor onze uitstappen. Het lukte hen echter maar een paar keer ook daadwerkelijk mee te gaan, want meestal kwam er wel iets tussen. Van een druk sociaal – en familiaal – leven gesproken! Pas nadat haar man was gestorven, wilde ze bij de kring komen. Want ze was al genoeg weg overdag, ‘s avonds bleef ze liefst bij Herman. Ze bracht ons veel informatie over Waarloos, natuurlijk niet het minst over de brouwerij van haar familie en ook een beetje (zelfs veel) van Herman. Ze was trots op wat haar voorouders hadden gepresteerd en voor Waarloos hadden gedaan. Ze bracht albums mee die we mochten inscannen – de originelen gingen weer naar het familiearchief, waar ze verder zullen worden gekoesterd, daar zijn we zeker van. Vooral dat filmpje over de bouw van de nieuwe brouwerij (zowat 60 jaar geleden?) dat we op een van onze maandelijkse vergaderingen mochten afspelen, maakte indruk. De laatste maanden moest ze jammer genoeg vaak verstek laten gaan. We wisten hoe moeilijk het was, en toch excuseerde ze zich dat ze niet meer kon meehelpen. Maar soms was ze er nog bij, zoals toen één van onze oudste leden werd gevierd. Hoe konden we weten dat het toen haar afscheid aan de kring werd. We zijn blij dat Simone nog meer dan zeven jaar lid van onze kring is willen worden. Zij had zo’n positieve uitstraling dat we ons altijd prettiger voelden als ze erbij was. We hebben ze nooit horen klagen, en ze had voor iedereen sympathie. Dat vergeten we nooit. Dat Simone ook mooie poëtische tekstjes kon schrijven, wisten we niet voor we het boekje van de afscheidsviering lazen. Zoals Het lied van de stilte: Wanneer het bos zal zwijgen Doorheen al zijn geluiden Zal ik naar je komen. En de stilte zal overwinnen Maar ik zal het niet kunnen horen. Ik zal bij jou zijn... Op het gedachtenisprentje staat nog in haar eigen handschrift: Draag steeds zorg voor elkaar. Het was mooi, het was goed. Doe zo verder, en maak Van iedere dag, een goeie dag. Dat beloven wij graag, Simone. Het ga je goed...

en 6.3

2

ng

eri

in Re

Frank Hellemans Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


Abraham Hans, een Kontichse reus (deel 4)

I

N ONZE vorige bijdrage zien we hoe Abraham Hans met zijn familie bij het einde van de Eerste Wereldoorlog naar Kontich terugkeert. We putten voor dit artikel nog eens uit de werken van Daniël Walraed en Viviane Van den Dooren. Ook alle citaten komen uit deze werken.

De schrijvende journalist

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

6.3

De titel van dit stukje zou bij haast alle mensen een pleonasme zijn, m.a.w. een overvloedige uitbreiding van het hoofdwoord. Bij Abraham Hans heeft dit echter een betekenis, hij was EN schrijver EN journalist. En hoewel je de twee bezigheden uit elkaar kan halen, toch hebben ze elkaar voortdurende beïnvloed, zodat we zelfs het pleonasme zouden kunnen omkeren en ook van een journalistieke schrijver kunnen spreken. Maar laten we opnieuw aanknopen bij ons verhaal dat eindigde bij de Eerste Wereldoorlog. Vrij snel na de wapenstilstand keert Hans met zijn gezin terug naar ons land en vestigt zich definitief in Kontich. Hij geeft zijn ontslag als onderwijzer en treedt als voltijdse journalist in vaste dienst bij Het Laatste Nieuws. Toch is het regelmatige redactiewerk geen spek voor Hans’ bek en al vrij snel wordt hij een soort vliegende journalist. Dit was eigenlijk gewoon een voortzetting van wat hij altijd al – ook onbetaald – had gedaan. Met fiets en trein doorkruist hij het Vlaamse land, op zoek naar steeds nieuwe vertelstof, steeds nieuwe invalshoeken. Maar tegelijkertijd bleef hij trouw aan zijn sociale ingesteldheid. Hij steunde elk voorstel dat voor herstel van Vlaanderen en nieuw respect voor de Vlaamse bevolking zorgde. We hebben het – ondertussen misschien oubollige -- woord al enkele keren gebruikt, maar volksverheffing was voor hem geen kwestie van alleen maar woorden, bij hem betekende het ook daden. We durven hierbij duidelijk stellen dat zijn keuze niet enkel politiek, maar ook en vooral sociaal was geïnspireerd. Bij alles wat hij deed stond het gewone volk voorop. Hij zette zich actief in voor de Vlaamse Beweging, maar verafschuwde tegelijkertijd de omgekeerde (?) repressie. Een aantal voorbeelden maakt dit snel duidelijk. Hans sprak bij het standbeeld van de West-Vlaamse taalparticularist Albrecht “Blauwvoet” Rodenbach. Hij tekende present op amnestiebetogingen. Hij ging naar de IJzerbedevaart en was zelfs een tijdje lid van het IJzerbedevaartcomité. Hij behoorde tot de stichters en bestuursleden van de Vlaamse Toeristenbond. Hij was in ieder geval een begenadigd spreker die op vele gelegenheden zijn publiek in de ban hield. We moeten echter vooral onthouden dat Abraham Hans elke vorm van extreem nationalisme verafschuwde. Hij deed dit tijdens de oorlog door zijn houding tegenover de Duitsers. (hoe?) Maar hij was eveneens geschokt door (het geweld van) de repressie na de oorlog. Hij ijverde voor rechtsherstel en kwam alweer op voor de zwakkeren (oud-strijders). Het moge duidelijk zijn dat Abraham Hans een extreem rechtvaardigheidsgevoel koesterde. In ieder geval kwam zijn uitzonderlijk schrijverstalent na de Eerste Wereldoorlog echt tot bloei. Als journalist zat hij niet meer geklemd tussen het oorlogsgeweld en kon hij zich helemaal uitleven in zijn passie. Dat resulteerde in meer dan zeventig feuilletons die in Het Laatste Nieuws verschenen. Die vervolgverhalen werden daarna als boek gebundeld. Bovendien begon hij volop kinderverhalen te schrijven. En zo komen we haast geruisloos bij zijn fenomenale Kinderbibliotheek. De honderden verhalen vloeiden uit zijn spontane pen en zetten het Vlaamse kind aan het lezen. Want er was inderdaad nood aan jeugdliteratuur. Toch willen we even hier aan die kinderbibliotheek voorbijgaan, omdat we er in een van de volgende nummers een volledig artikel willen aan wijden. Maar eigenlijk verliepen zijn schrijversobjectieven voor de jeugd parallel met wat hij voor de volwassenen deed. Hij schreef in een eenvoudige, verstaanbare taal en zorgde ervoor dat de prijs van de boeken zoveel mogelijk werd gedrukt, zodat hij een zo groot mogelijk publiek kon bestrijken. En alhoewel het schrijven hem geen windeieren legde, toch was ook steeds zijn “opvoedende” rol aanwezig. Hij voedde die taak door zijn veelvuldig en rechtstreeks contact met de bevolking, wat resulteerde in zijn vele (reis)reportages. Zonder dat hij het waarschijnlijk zelf ten volle besefte, werd hij op die manier een beschrijvende heemkundige die de zeden en gebruiken van (een vroeger) Vlaanderen uitvoerig vastlegde. Maar met het succes kwam ook de (katholieke) afgunst. Abraham Hans werd graag gelezen, maar dat was tegelijkertijd een doorn in het oog van de katholieke overheid. Een protestantse schrijver die de harten van het katholieke Vlaanderen verovert leek hen een wolf in schaapsvacht. De tegenwerking van de katholieke kerk heeft enerzijds mee voor zijn enorme populariteit gezorgd (de verboden vrucht, die bovendien erg lekker smaakte), maar hem anderzijds ook voortdurend gehinderd in zijn carrière, omdat hij telkens weer tegen die (voor)oordelen moest opboksen.

3


Waar hij aanvankelijk gebruik maakte van de fiets en het openbaar vervoer, besluit hij eind jaren twintig over te schakelen op gemotoriseerd vervoer. En vanaf dan wordt zijn reikwijdte nog groter. Met zijn beruchte Fordje, doorkruist hij nu het hele Vlaamse land en zoekt elk uithoekje op. Hij is bij elke belangrijke gebeurtenis ook lijfelijk aanwezig. Op zijn tochten merkt hij de lamentabele toestand van de wegen. In talrijke artikels klaagt hij dit aan en al vlug zien we dat de plaatselijke overheden dan ingrijpen. Onder andere door hem krijgen we in Vlaanderen dan ook een wegennet dat steeds beter wordt. Zijn Ford brengt hem ook naar de grote assisenprocessen. We denken hierbij aan de moord van Beernem en de bende van Nauwelaerts. Hans beperkte zich in ieder geval niet tot de gerechtszaal, maar hij bezocht ook de plaats van de misdaad. In tegenstelling tot zijn literaire vruchten beschreef hij zo waarheidsgetrouw en objectief mogelijk de gevoerde processen. Geheel in lijn met zijn overtuiging was hij een overtuigd tegenstander van de doodsstraf die toen in BelgiĂŤ nog gangbaar was. Abraham wist uit zijn succes ook geldelijk gewin te puren, want hij had een goede neus voor het verhandelen van zijn werk. Zijn boeken (als feuilletons in Het Laatste Nieuws verschenen) werden bij verschillende uitgeverijen, waaronder enkele op zijn naam, uitgegeven. Hij paste teksten aan, veranderde gegevens en herwerkte soms de hele uitgave. Deze werkwijze bemoeilijkt in ieder geval de volledige reconstructie van zijn bibliografie, maar ze spekte wel de kas van de familie, zodat zelfs in de jaren dertig de familie Hans vrij royaal kon leven. Het moge duidelijk zijn dat Abraham eigenlijk een onmogelijke duizendpoot was. We kunnen ons blijven afvragen hoe hij dat allemaal heeft klaargespeeld. We vermoeden dat de man met een absoluut minimum aan slaap toekwam en dat hij bovendien aan een razend tempo schreef, schreef en nog eens schreef. Maar tegelijkertijd bezocht hij ook nog eens vaak sinterklaasfeesten, weeshuizen en ander liefdadigheidsinstellingen. Om toch even een inkijk te geven in het werkritme van Hans citeren we zijn neef Walter Jonckheere: Na het ontbijt haastte Abraham Hans zich gewoonlijk naar boven, naar zijn studeerkamer, stak een sigaar op en begon ijverig te werken. In die kamer stond een grote schrijftafel, bijna helemaal bedekt met papieren, een grote schaar, een lijmpot en een bakje potloden. Er hing altijd een geur van sigarenrook. Tegen de ene wand stond een grote boekenkast en ook de andere wanden waren bekleed met boekenrekken. In zijn werkkamer had hij geen schrijfmachine, ook geen telefoon. Als hij zat te schrijven dan wilde hij niet gestoord worden en gebeurde dit toch omdat hem het een of ander moest worden gevraagd of gemeld, dan kon hij verschrikkelijk brommen. Dat men hem op tijd een kopje koffie bracht, verwachtte hij wel. Hij schreef meestal met een zacht potlood, ter afwisseling ook wel eens met de vulpen, het meest in gewone schriften, soms ook op losse fardebladen vooral als het artikels voor de krant betrof. Naast al deze voornoemde bezigheden kan het niet voldoende worden benadrukt welke grote rol Hans heeft gespeeld in de toeristische journalistiek. Hij mag werkelijk op dit vlak een baanbreker worden genoemd. De talloze reportages leerden ons volk niet enkel hun land kennen, maar zetten de mensen ook aan om te reizen, om die plekken te ontdekken en verkennen. Bij de Vlaamse Toeristenbond is vooral de naam Jozef Van Overstraeten bekend, maar Abraham mag gerust een plaatsje naast hem innemen in de eregalerij van de VTB. Zijn werk voor die organisatie vloeide natuurlijk ook voort uit zijn engagement in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. En die rol kon hij in ieder geval onderstrepen door vaak overal te lande voor bomvolle zalen te gaan spreken. (wordt vervolgd) Paul Catteeuw

en

ng

eri

in Re 6.3

4

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


De Vrijselmolen van Kontich omstreeks 1600 VOORAF

Uit de publicatie over Molens van Klein-Brabant, Mechelen en de Rupelstreek uit 1987 van H. Holemans en P. Lemmens blijkt dat Jan De Kempeneer de Vrijselmolen in 1604 had aangekocht. Hij verkreeg een octrooi om de molen over te brengen van de omgeving van het Groeningenhof en de (huidige) Doornstraat naar een plek dichter bij het dorp (waar nu de firma Groeninghe is). Dat gebeurde in de periode 1605-1611. Severijn De Kempeneer, de zoon van Jan, was eigenaar van de Vrijselmolen in 1611. Later zou de molen in bezit komen van de families Van Berckelaer en Seldenslagh. Op 2 april 1723 brandde hij bij ongeluck af, maar werd kort nadien heropgebouwd. De reden waarom Jan De Kempeneer de Vrijselmolen liet verplaatsen bleef onbekend. Bij het ontsluiten van de akten van de Mechelse notaris Jan Harlinghen, bewaard op het Mechels Stadsarchief, dook een verklaring op uit 1621 van inwoners van Kontich over de Vrijselmolen. Hierdoor vernemen we het antwoord op de vraag waarom de molen werd verplaatst. Meer nog, we vernemen van wie Jan De Kempeneer deze graanwindmolen had gekocht.

De getuigenverklaringen van 11 september 1621

Op 11 september 1621 legden vier mannen uit Kontich bij notaris Jan Harlinghen in Mechelen een gezamenlijke verklaring af. Het waren Geerart Mertens, de schout van de heerlijkheid van Kontich, Reet en Waarloos, dan 73 jaar, Peeter Van den Voorde, die 68 was, Adriaen Pauwels, 65 en Joos Bogaerts, die dan ongeveer 55 jaar oud was. Jonkheer Maximiliaan Van der Gracht, heer van Vremde en die in Mechelen woonde, had hen verzocht om voor hem een getuigenis af te leggen over de Vrijselmolen. De vier getuigen deelden mee dat deze molen eertijden plachte te staen binnen den voorscreven dorpe van Contich bij oft neffens het Hoff van Groeninghen doentertijt toebehoorende wijlen mer vrouwe van Eeckhove saligher. De getuigen verklaarden dat Jan de Campenert – dit is ongetwijfeld Jan De Kempenere – molder op de selfste meulen, hen meermaals had verteld, dat hij ter saecken van de boomen die zeer naer aenden zelven meulen stonden, jae gheen drij roeden weghs van den berch, hij niet wints genoech en conste nemen noch proffijt daermede doen. De getuigen bevestigden ook dat Jan de Campenert hen had verteld dat hij den zelven meulen niet en begherden in huere te houden. Hij weigerde om de molen nog langer te houden, zelfs niet voor enkel de onkosten van het onderhoud, als die ter selver plaetse zoude moeten blijven staen. De getuigen hadden daarbij oick verstaen ende hooren segghen dat om dier oirsaecke wille den voorschreven meulen is vercocht geweest bij de voornoemde mij vrouwe van Eeckhove ende bijden cooper is verset geweest op een ander plaetse daer hij bequaemelijck den wint van alle canten mocht hebben. Jan De Kempeneer zou in 1604 de Vrijselmolen aankopen en hem laten verplaatsen. De getuigen bevestigden tenslotte dat zij zeer goed op de hoogte waren van de situatie. Peeter Van de Voorde voegde toe dat hij als pachter op de hoeve van de vrouwe van Eeckhove woonde en de windmolen al 27 jaar heeft gekend. Adriaan Pauwels en Joos Bogaerts verklaarden dat zij het grootste deel van hun leven in het dorp van Kontich hadden gewoond en van jonghs aff den voorschreven meulen hebben gebruijckt om hun cooren op te doen malen als den zelven bij goeden wint coste maelen. De getuigen ondertekenden de akte.

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

6.3

Handtekeningen van Geerart Mertens (hij schreef: bij mij Gerart Mertens), Peeter Van den Voorde (tekende met een kruisje), Adriaen Pauwels (tekende met een handmerk) en Joos Bogaerts (tekende met een kruisje) en de handtekening van notaris Jan Harlinghen.

5


De eigenares van de Vrijselmolen

Uit de getuigenverklaringen blijkt dat de vrouwe van Eeckhove de eigenares is geweest van de Vrijselmolen. Deze vrouwe van Eeckhove was Barbara Van Rommerswael. Eeckhoven was haar omgrachte kasteel tegen de Nete waar nu het spaarbekken is van de Antwerpse Waterwerken (AWW, sinds 2014 Water-link genoemd). Zij was ook vrouwe van Battenbroek en Vriessele, de plaats die de naam zou geven aan de windmolen. Zij woonde zowel in Mechelen in het Cardinaelshof als op Eeckhoven. Barbara Van Rommerswael was de echtgenote van Aert Van Berloo, heer van Cortenbach. Hun dochter Geertruyt Van Berloo huwde jonkheer Anthonis Van der Gracht, heer van Schardau. Hun zoon was jonkheer Maximiliaan Van der Gracht (1590 – Temse, 1659). Hij zou de titels erven van heer van Schardau, Eeckhoven, Cortenbach, Vremde, Reet en Waarloos. Vanaf 1627 volgde hij zijn broer Frans op als schout van Mechelen. Barbara Van Rommerswael had in haar testament van 11 augustus 1609 haar kleinzoon Maximilaan Van der Gracht aangeduid als haar voornaamste erfgenaam. Hij zou heel wat eigendommen verkrijgen. De Vrijselmolen was hier dus niet bij. Het is enkel gissen waarom jonkheer Maximiliaan Van der Gracht in 1621 om de getuigenissen vroeg over de Vrijselmolen. Wellicht wou hij duidelijk vernemen waarom deze molen uiteindelijk niet behoorde tot de nalatenschap van zijn grootmoeder ...

Nawoord

Dankzij de getuigenverklaringen uit 1621 vernemen we dat Barbara Van Rommerswaal vóór 1604 de eigenares was van de Vrijselmolen en dat Jan de Campenert – Jan De Kempeneer – toen deze molen van haar pachtte. Hoe lang deze windmolen eigendom is geweest van de vrouwe van Eeckhoven blijft voorlopig onbekend. Hoe dan ook hebben de getuigenissen uit 1621 een mooi puzzelstuk toegevoegd aan het lange verhaal van de Vrijselmolen. Ze illustreren meteen dat de geschiedenis ervan ongetwijfeld nog verder kan aangevuld en verfijnd worden. François van der Jeught Bronvermeldingen: Stadsarchief Mechelen, notaris J. Harlinghen, 901, f °24r, 10 juli 1607; id., f °108v, 8 januari 1609; id., f °129 r, 11 augustus 1609 en id., f °351v, 12 mei 1613 (testamenten van Barbara Van Rommerswael); id., 907, f °383r – 383v, 11 september 1621 (getuigenverklaring). H. Holemans & P. Lemmens, Molens van Klein-Brabant, Mechelen en de Rupelstreek, Nieuwkerken, 1987 (met literatuurverwijzingen naar R. Van Passen over Kontich). Over de Vrijselmolen (met bronvermeldingen) op de website van Molenecho’s, zie: http://www.molenechos.org/verdwenen/molen.php?AdvSearch=4143

Jozef Van Herck tijdens de Eerste Wereldoorlog

W

E HEBBEN op deze pagina’s, het gemeentelijke contactblad en in Kontich Waarloos Hier en Nu al vaker op de uitzonderlijke rol van onze stichter-voorzitter Jozef Van Herck voor onze gemeente gewezen. Maar ook van zijn rol tijdens de Eerste Wereldoorlog hebben we op diverse plaatsen getuigd. In het kader van de herdenking van de Grote Oorlog schetsen we daarom in een voordracht de kleine persoonlijke geschiedenis van Van Herck tegen de achtergrond van de grote wereldbrand. Met heel indringende bedenkingen van de man. Hij schetste wat hij zag en verbloemde niks. Hij moest ouders op de hoogte brengen van het verschrikkelijke lot van hun zoon. Hij leerde de jongens aan het front zelfs Duits. Maar tegelijkertijd bleef hij een onverbeterlijke optimist die hoopte dat het ooit weer beter zou worden. Conservator Guido Theys toont en becommentarieert een aantal voorwerpen die de aalmoezenier tijdens de oorlog gebruikte. Paul Catteeuw schetst aan de hand van tekstfragmenten hoe de man probeerde te overleven. En op de achtergrond tonen we nooit gepubliceerde foto’s die Van Herck zelf heeft genomen. Wil je kennis maken met de wereld van deken Van Herck tijdens de Eerste Wereldoorlog, noteer dan in je agenda: Altenakapel, vrijdag 13 november om 20.00 uur. We beloven jullie een boeiende avond.

en 6.3

6

ng

eri

in Re

Paul Catteeuw Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


De bewoningsgeschiedenis van Kontich - van de prehistorie tot de vroege middeleeuwen

D

AT KONTICH een oude gemeente is, zal wel genoegzaam bekend zijn. Maar hoever reiken die wortels terug in onze geschiedenis. Henri Verbeeck schetst die geschiedenis in een achttal artikels.

Het archeologische verhaal – inleiding

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

6.3

In de Geschiedenis van Kontich - uitgave 1988, laat prof. dr. R. Van Passen de bewoningsgeschiedenis van de gemeente aanvangen in het Neolithicum, ca. 2600 tot 1600 voor onze tijdsrekening (Van Passen, 11). Hij verwijst hiervoor naar de door dr. G. Hasse in 1937 gevonden “hutkommen” (fonds de cabanes) aan de Koningin Astridlaan. Bij waarnemingen in een bouwput aan de Koningin Astridlaan op het terrein Vijf Vierendeel in 1988 vond de Antwerpse Vereniging voor Romeinse Archeologie (AVRA) sporen die veel gelijkenis vertoonde met de door G. Hasse beschreven “hutkommen” (Verbeeck H., Prospectie Kon. Astridlaan, veld ‘Vijf Vierendeel’ in AVRA - Werking 1988, p. 28). Ook nu werden er weer enkele fossielen en fragmenten van natuursteen gevonden. Bijkomend onderzoek van de gevonden sporen door prof. dr. R. Langohr van het Geologisch Instituut van de UGent leidde tot de conclusie dat het hier natuurlijke sporen betrof, ontstaan door glaciale invloeden en dus zeker niet het gevolg van menselijke activiteiten. Dit betekent echter niet dat de Neolithische mens het grondgebied van de gemeente Kontich niet zou hebben bezocht. Integendeel, de vondsten van stenen silexbijlen, pijlpunten en lemmets, die nu in het plaatselijke Museum voor Oudheid en Heemkunde zijn te bewonderen, wijzen op minstens meerdere korte bezoeken vanaf ca. 10 000 jaar voor onze tijdrekening van deze prehistorische mens aan Kontich. Voor de daaropvolgende eeuwen bleef R. Van Passen, bij gebrek aan degelijk archeologisch onderzoek, beperkt tot de vermelding van de urnen, gevonden in 18e eeuw nabij Blauwesteenhoeve en in 1898 nabij Duffelshoek (Van Passen,12). De opgravingen sinds 1964 door AVRA in de gemeente uitgevoerd, zouden daarin verandering brengen. Op tientallen plaatsen werden bewoningssporen uit de metaaltijden (2100/2000 – 57 v. Chr.) en uit de Romeinse periode (57 v. Chr. – 250/260 n. Chr.) gevonden. Ook de vroegmiddeleeuwse periode deed zijn intrede. Door de fusie van gemeenten in 1977 vormen Kontich en Waarloos één gemeente. Op verzoek van R. Van Passen verruimde AVRA haar onderzoek naar het zuiden. Maar ondanks de studie gepolijste silexbijl van de Toponymie van Waarloos, de veldprospectie en het opvolgen van het uitgraven van bouwputten en wegeniswerken, zelfs van kleine georganiseerde opgravingen, blijft het resultaat voor de hier vernoemde periode in dit zuidelijke deel van de gemeente nagenoeg nihil. Om meer ruchtbaarheid aan het archeologische belang van de gemeente te geven, organiseerde AVRA na 25 jaar archeologisch onderzoek in 1989 in het Oud-Gemeentehuis te Kontich de tentoonstelling ‘KONTICH 2000 JAAR’. Was er tijdens de opgravingen een stichtingsdatum opgedoken? Neen, toch niet. Het ontstaan van Kontich omhult zich nog steeds door een dichte mist maar de vondsten waren van die aard dat het belang van Kontich een ruimere belangstelling moest krijgen. De tentoonstelling kende een enorm succes en zorgde ervoor dat de Kontichnaar zich bewust werd van het rijke verleden van zijn gemeente. Ondertussen schrijven wij 2015. Het archeologisch onderzoek, door AVRA in de gemeente tussen 1964 en 2006 uitgevoerd, werd aangevuld met de opgravingen van de officiële instanties: IAP (Instituut Archeologisch Patrimonium) en VIOE (Vlaams Instituut Onroerend Erfgoed) en sinds 2006, als gevolg van de gewijzigde wetgeving, door archeologische privéfirma’s. Tot op heden kwamen er nederzettingssporen te voorschijn uit de bronstijd, de overgang late-bronstijd/vroege ijzertijd, de vroege, de midden- en late ijzertijd, de Romeinse periode en de volle middeleeuwen. De aanwezigheid van bewoning tijdens de vroege middeleeuwen laat zich wel vermoeden maar is tot op heden nog niet gevonden. De vondst van een kindergraf uit de Merovingische tijd op de site Kontich-Kazerne, evenals de graven onder de fundatie van de kerktoren van de St.-Martinuskerk geven hierbij een eerste aanwijzing.

7


In enkele bijdragen zullen wij trachten in een vervolgverhaal de bewoningsgeschiedenis van de gemeente Kontich neer te schrijven. Daarbij zullen wij zien dat na een verspreide bewoning in de brons- en de vroege ijzertijd er zich in de midden-ijzertijd een eerste woonkern ontwikkelde op en rond de Alfsberg/IJzermaalberg. Een echte dorpskern ontwikkelde zich in de Romeinse tijd op de site Steenakker/Kapelleveld. Pas tijdens de middeleeuwen zou de bewoning zich naar de huidige dorpskern verplaatsen met uitbreidingen tot op de site Nachtegaalhoeve. Deze uitbreiding van bewoning is ondertussen van jaar tot jaar toegenomen en omvat momenteel het ganse gebied van de gemeente. (wordt vervolgd)

Kaart gemeente Kontich/Waarloos met aanduiding van al de gekende vindplaatsen.

Henri Verbeeck

De rol van de spoorwegen en de gepantserde treinen vóór de val van de versterkte vesting antwerpen in 1914

I

en 6.3

8

ng

eri

in Re

N REINERINGEN 2014/4 werd een foto gepubliceerd van een van de gepantserde treinen die te Kontich en omgeving in actie kwamen tijdens de verdediging van de versterkte vesting Antwerpen. In dit artikel gaan we verder in op de rol die de spoorwegen en de gepantserde treinen hebben gespeeld tijdens de dramatische weken die de val van Antwerpen voorafgingen. In 1914 bevond zich binnen de versterkte vesting Antwerpen ten zuiden van de stad een uitgebreid spoorwegnet, met de knooppunten Mortsel-Oude God, Wilrijk en Kontich. Alle spoorlijnen waren dubbelsporig, behalve het baanvak Hoboken–Boom, de verbindingsbocht tussen de stations Dorp en Kazerne te Kontich en de lijn KontichKazerne–Lier. Tijdens de weken vóór de val van Antwerpen op 10 oktober 1914 werd dit kleine maar zeer dichte net intens bereden door bevoorradingstreinen voor de legerdivisies, munitietreinen, treinen met gekwetsten, evacuatietreinen en diverse andere militaire treinen. Ze werden ingelegd om tactische redenen voor het verplaatsen van troepen, paarden, kanonnen, wapentuig en ander legermaterieel. Tijdens de periode van midden augustus tot begin oktober ging het in totaal om bijna 1200 treinen! Vele van deze treinen hadden een vaste samenstelling en beschikten over twee locomotieven: een loc vooraan en een achteraan (zodat de trein gemakkelijk en zonder rangeringen van rijrichting kon veranderen). Bovendien reden er ook Belgische en “Brits-Belgische” gepantserde treinen. Een bijzondere vermelding verdienen de bevoorradingstreinen die dienden voor het vervoer van de door elke legerdivisie gevraagde voorraden levensmiddelen (brood, legerkoeken, vlees, enz.), haver, brandstof en olie, kleine colli, enz. De geladen wagens werden (tot aan de terugtrekking van het veldleger naar de linker Scheldeoever) samengebracht te Antwerpen-Zuid, van waaruit de treinen dagelijks vertrokken naar de verschillende Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


divisiespoorwegstations. In elk divisiestation werden de goederen uitgeladen en door het transportkorps van de betrokken legerdivisie opgehaald met vrachtwagens en door paarden getrokken voertuigen. Tijdens de laatste week van september en de eerste dagen van oktober zijn de stations Oude-God, Hemiksem, Niel, Kontich-Kazerne en KontichDorp (afwisselend) de divisiestations voor de 1e, 2e en 3e legerdivisie die posities innamen nabij de Nete en de Rupel. Men kan zich de nerveuze drukte en de gespannen sfeer voorstellen tijdens het lossen van de treinen in de Kontichse stations tijdens die dramatische dagen. Op 27 september startte inderdaad de Duitse aanval op de Antwerpse buitenforten en vanaf 28 september in de namiddag werden de dertien zwaarste stukken ingezet (Škoda mortieren 30,5 cm en Krupp mortieren 42 cm, de fameuze “Dikke Bertha’s”). Van 1 tot 8 oktober vallen de forten en de tussenliggende schansen één voor één… Merkwaardig is wel dat het civiel verkeer op vele spoorlijnen (met onderbrekingen en storingen) werd voortgezet tot kort voor de bezetting door de Duitsers. Zo beschrijft een onderofficier van de genie een bombardement van het station Kontich-Kazerne en het legerdepot door de Duitsers op 5 oktober, waarbij een reizigerstrein beschadigd werd die klaarstaat om naar Antwerpen te vertrekken. Men moet dan maar te voet vertrekken in de richting van Hove en Mortsel !

Het spoorwegnet binnen de Versterkte Vesting Antwerpen in 1914. Enkel via Boom kan de linkeroever van de Schelde bereikt worden. Kort vóór de val van Antwerpen wordt dit net nog uitgebreid met een strategische spoorlijn Boom – Duffel – Lier – Stabroek aangelegd (niet aangeduid op het kaartje) die echter weinig nut gehad heeft voor de verdediging en de bevoorrading van de buitenste fortengordel. Bron: Etat Belge, Lignes de la Belgique - Carnet de marche-types, 1915 (bewerkt).

Een chronologisch overzicht van de voornaamste gebeurtenissen

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

6.3

Reeds in de loop van augustus geeft luitenant-generaal Deguise, commandant van de versterkte vesting Antwerpen, de opdracht tot de bouw van gepantserde treinen. De werkplaatsen van de staatsspoorwegen te Antwerpen-Noord (niet te verwarren met het huidige vormingsstation Antwerpen-Noord) voeren de opdracht uit. Een eerste Belgische pantsertrein wordt uitgerust met een (oude) zware mortier van 21 cm, afkomstig van de batterij Blauwgaren aan de Schelde en zou op 28 augustus in dienst zijn gesteld. De trein is samengesteld uit verschillende wagens en twee locomotieven. De trein vuurt vanuit Kontich en Waarloos op de lijn Antwerpen-Zuid-Mechelen naar de Duitsers tijdens hun aanval op de Netestelling en beschiet o.a. het kasteel van Rozendaal. De trein wordt ook hevig bestookt door de Duitse artillerie; de vijand kan de trein namelijk gemakkelijk lokaliseren omdat het afvuren van de oude mortier gebeurt met zwart poeder; wat een vreselijke knal geeft en zwarte rook die nog minutenlang blijft hangen. De trein staat onder het bevel van onderluitenant Valentin en kan vóór de val van Antwerpen naar de Belgische kust worden teruggetrokken. Naast deze “zware” trein worden ook drie lichtere gepantserde treinen samengesteld, waarover meer gegevens bekend zijn. In elke trein bevindt zich vooraan een wagen met draaistellen en achteraan een wagen met twee assen; tussen beide voertuigen bevindt zich een locomotief. Aan elke trein wordt een tweede locomotief toegewezen die als “verkenningslocomotief” kan worden gebruikt. Op de wagens en de locomotieven worden rondom pantserplaten bevestigd. Op de wagen met draaistellen wordt vooraan een Belgisch 57 mm Belgische lichte gepantserde trein. Op de voorgrond ziet men snelvuurkanon geplaatst en aan beide zijkanten een de wagen met draaistellen en het 57 mm-kanon; vooraan is machinegeweer. Een dergelijk machinegeweer het opschrift “COMPAGNIE DU CHEMIN DE FER DU GENIE” bevindt zich ook achteraan, op de wagen met twee aangebracht. Verz. Geniemuseum, Jambes.

9


assen. In de zijdelingse pantserplaten worden schietgaten voor geweren aangebracht. Elke trein beschikt ook over uitrusting om sporen te herstellen. Het kanon vooraan heeft slechts een bereik van 2,5 km en een beperkte vuursector. De treinen worden vooral ingezet voor raids, verkenningen, aanbrengen van vernielingen aan bruggen, sporen, enz., maar ook om, indien nodig, beschadigde sporen te herstellen. Op 5 september is de eerste lichte gepantserde trein klaar. De trein wordt onder het bevel van luitenant Michel van de genie geplaatst. De trein rijdt naar Boom en heeft ’s anderendaags zijn vuurdoop: met de steun van een automitrailleur worden de Duitsers in de streek tussen Breendonk en Londerzeel aangevallen. Op 10 september is de tweede Belgische gepantserde trein klaar; hij wordt onder het bevel van luitenant Deleval geplaatst. Tot midden september voert het personeel van de twee treinen vooral in Klein-Brabant en Oost-Vlaanderen opdrachten uit. De treinen keren vervolgens terug naar Antwerpen, via Puurs en Boom. Michel en Deleval moeten daarna een speciale opdracht uitvoeren, met als gevolg dat de treinen gedurende een tiental dagen niet worden ingezet … De soldaten maken wandelingen in de stad en bezoeken de dierentuin van Antwerpen! Op 5 september neemt de generale staf van het leger de beslissing om achter de buitenste fortengordel een strategische spoorlijn aan te leggen van Boom tot Stabroek, dwars door de velden en weiden. De opmetingen en de aanleg gaan onmiddellijk van start. De lijn kan echter eerst op 1 oktober over haar volledige lengte op enkel spoor in gebruik worden gesteld. De lijn heeft uiteindelijk weinig nut gehad voor de verdediging en de bevoorrading van de buitenste fortengordel. De Duitsers hebben de lijn tijdens de oorlog verder afgewerkt en gebruikt. Ook na de Eerste Wereldoorlog bleven enkele baanvakken in dienst, o.a. de rechtstreekse lijn Lier-Duffel, tot in 1937, en de industriële lijn Lier-Broechem-Oelegem, tot in de jaren ‘70–’80 van de vorige eeuw (op een gedeelte van deze vroegere lijn ligt nu een fietspad). Op 9 september komt de Britse lieutenant-commander A.S. Littlejohns met een detachement kanonniers van de Royal Navy en zes marinekanonnen van 4.7 duim (12 cm) te Antwerpen aan. De kanonnen zijn bestemd om te worden gebruikt ter versterking van de vesting Antwerpen, maar al snel wordt beslist ze op spoorwegwagons te monteren en deze te voorzien van pantserbeplating. In samenwerking met de Belgische genie bouwen de werkplaatsen van AntwerpenNoord en de Britse firma Antwerp Engineering Company te Hoboken twee treinen. Aan elke trein worden twee locomotieven toegewezen, drie wagens, Brits-Belgische gepantserde trein met gemengde Brits-Belgische drie pakwagens en drie van de bemanning. Foto mogelijk (althans volgens de auteur) genomen op 5 of bovenvermelde marinekanonnen. Deze 6 oktober 1914 op lijn 25 tussen Hove en Kontich, niet ver van het station kanonnen zijn veel zwaarder dan de Kontich-Kazernen (lieutenant Robinson vermeldt de locatie “Kleine kanonnen op de Belgische treinen, ze Meyl”). De kanonnen schieten in de richting van Lier, waar de Duitsers hebben ook een groter bereik (in theorie tot erin geslaagd zijn om de Nete over te steken. Foto Agence Rol, Verz. Bibliothèque Nationale de France. 11 km) en een zeer ruime vuursector. Met recht kan men hier spreken van “zware” pantsertreinen. De treinen zijn ook uitgerust met luchtafweergeschut, machinegeweren, enz. De bouw van elk van de twee treinen zal één week in beslag nemen. De Britten zenden ook enkele 6-duims (15 cm) kanonnen naar Antwerpen, waarmee later nog een derde gepantserde trein zal worden uitgerust. Op 16 september is de eerste Brits-Belgische gepantserde trein klaar; de bevelvoerder is de bovenvermelde lieutenantcommander A.S. Littlejohns. De trein wordt bemand door Britten en Belgen en vormt een mooi voorbeeld van samenwerking tussen militairen van twee geallieerde staten. Op 23 september is de tweede Brits-Belgische gepantserde trein klaar, met de Belgische kapitein Servais als bevelvoerder. Beide treinen worden vooral ingezet om de Duitsers te beschieten vanuit de omgeving van Mechelen, later vanuit posities op de spoorlijnen Antwerpen-Centraal–Mechelen en Antwerpen-Zuid–Mechelen.

en

ng

eri

in Re 6.3

10

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

6.3

Op 25 en 26 september zijn de twee Belgische gepantserde treinen opnieuw actief in Oost-Vlaanderen. Daarna ontvangt het personeel de opdracht om op diverse plaatsen “wilde treinen” te lanceren. Op 27 september worden dergelijke treinen gelanceerd van Muizen naar Leuven en van Berlaar naar Aarschot, in de richting van de Duitsers die langsheen deze twee spoorlijnen hun zware artilleriestukken aan het opstellen zijn met het oog op de beschieting van de Antwerpse buitenforten. “Wilde treinen” of “spooktreinen” zijn onbemande treinen met wagens die geladen zijn met zand, erts of andere zware goederen, en eventueel ook Een van de Brits-Belgische pantsertreinen. Verz. springstoffen. Het personeel verlaat de locomotief nadat Geniemuseum, Jambes. het vuur maximaal opgestookt is om een zo hoog mogelijke keteldruk te bereiken; eventueel worden de veiligheidskleppen vastgezet zodat bij overdruk geen stoom kan ontsnappen. Het is de bedoeling dat de treinen in botsing komen met Duitse militaire konvooien of nabij de Duitse linies ontsporen om zo een enorme ravage aan te richten. Blijkbaar hebben ze de in de praktijk echter weinig nut gehad en is de Duitse opmars er niet door vertraagd. Op 29 september wordt de beslissing genomen om de vesting Antwerpen te evacueren. Men beschikt echter maar over één spoorwegverbinding naar de linkeroever van de Schelde, via Boom (brug over de Rupel), Puurs, Temse (brug over de Schelde) en Sint-Niklaas. De treinen kunnen daarna hun weg vervolgen naar West-Vlaanderen en de Belgische kust via Sint-Gillis-Waas, Moerbeke, Zelzate en Eeklo, ofwel via Lokeren, Oostakker en Gent. Op de dubbelsporige baanvakken Boom-Puurs en Sint-Niklaas-Lokeren na gaat het om enkelsporige lijnen. Opmerkelijk is wel dat het baanvak Puurs-Sint-Niklaas-Sint-Gillis toen deel uitmaakte van het net van de privémaatschappij MechelenTerneuzen. Tussen 1 en 7 oktober rijden er (vooral ’s nachts) evacuatietreinen met gewonden, voedselvoorraden, hospitaalmaterieel, munitie en ander oorlogsmateriaal, brandstof, militaire bakkerijen en slagerijen, vee, voeder voor paarden, gevangen genomen Duitse soldaten enz.., een enorme logistieke operatie die veel organisatie- en improvisatietalent vergt (inzet van locomotieven, rijtuigen en goederenwagens, machinisten, stokers en remmers, waterbevoorrading voor de locomotieven). De locomotieven en het leeg materieel moeten bovendien na elke rit terugkeren om ze opnieuw te kunnen inzetten. Een gedeelte van de spoorverbinding bevindt zich praktisch onder de neus van de Duitsers die blijkbaar niets merken en nooit een initiatief nemen om de spoorlijn te onderbreken. In totaal rijden er 175 treinen, waarvan er vele via Kontich passeren. Het succes van de evacuatie is zonder twijfel te danken aan het plichtsbewustzijn en de buitengewone inzet van alle bij de operatie betrokken spoormannen. Op 30 september trekken de eerste Belgische legereenheden zich terug achter de Nete en wordt de spoorwegbrug over deze rivier op de lijn Antwerpen-Zuid–Mechelen te Walem door de Belgische genie vernield. Op 1 oktober blaast de genie ook de spoorbrug over de Kleine Nete te Lier op. De eerste lichte pantsertrein is ondertussen teruggekeerd naar Antwerpen en verleent op 2 oktober bescherming en steun aan de genie, met het oog op de vernieling van de spoorwegbrug te Duffel op de lijn Antwerpen-Centraal– Mechelen. Vanaf 10 u tot 20 u blijft de trein te Duffel om de Duitsers te bestoken. De trein is ook regelmatig blootgesteld aan Duitse bombardementen waaraan men zich kan onttrekken door heen en weer te rijden tussen het station van Duffel en de brug nabij de buurtspoorweg 800 m verder gelegen. In de loop van de voormiddag komt een locomotief met enkele goederenwagens toe te Duffel: de gevluchte stationschef wil zijn meubelen komen ophalen! Door de hevige beschietingen moet het treintje echter onverrichterzake terugkeren naar Kontich-Kazerne… De Belgische pantsertrein nr. 1 blijft na 2 oktober nog enkele dagen actief in de buurt van Kontich; zo worden de sporen te Kontich-Kazerne hersteld na een Duits bombardement op 5 oktober (o.a. om de Brits-Belgische pantsertreinen een vrije doorgang te verlenen) en worden diverse verkenningsritten uitgevoerd, o.a. naar Lint (op de lijn KontichKazerne–Lier). Vóór de val van Antwerpen kan nog een derde Belgische lichte gepantserde trein worden afgewerkt, evenwel zonder dat de volledige bewapening kan worden aangebracht. De trein komt onder het bevel te staan van kapitein Verschueren en wordt zonder personeel via Boom naar Oostende overgebracht.

11


Op 3 oktober komt Winston Churchill, minister van marine van het Verenigd Koninkrijk, in Antwerpen aan. Hij belooft Britse troepen om de Belgen te helpen bij de verdediging van de vesting Antwerpen. Enkele duizenden marinesoldaten komen inderdaad vanaf ’s anderendaags te Antwerpen aan (per trein, maar ook met opgevorderde Londense dubbeldekbussen – zie foto genomen te Mortsel, in Reineringen 2014/4) en worden onmiddellijk in de buurt van Lier ingezet. Op 3 oktober neemt lieutenant Robinson van de Britse Royal Navy in het station Antwerpen-Dam het bevel over de 1e Brits-Belgische pantsertrein over van lieutenant-commander Littlejohns (die blijkbaar wel “in overall command” blijft van de twee treinen). Robinson publiceert na de oorlog een gedetailleerd verslag van zijn activiteiten als bevelvoerder van een van de gepantserde treinen, waardoor we vrij goed op de hoogte zijn van de inzet van de treinen gedurende de laatste dagen vóór de val van Antwerpen. Bovendien trekken de Brits-Belgische treinen sterk de aandacht van de vele oorlogsverslaggevers en –fotografen die begin oktober in en rond Antwerpen actief zijn. Verschillende foto’s van de gepantserde treinen (vooral van het Franse fotoagentschap Rol) verschenen in buitenlandse kranten en tijdschriften, hoewel niet altijd voorzien van de juiste legendes en correcte plaatsaanduidingen… Op 4 en 5 oktober worden de Brits-Belgische pantsertreinen ingezet op de spoorlijnen Antwerpen-Zuid–Mechelen en Antwerpen-Centraal–Mechelen. Ze beschieten vanop de grens van de gemeenten Hove en Kontich en vanuit Waarloos Duitse stellingen tussen Duffel en Lier. Winston Churchill brengt op 4 oktober een bezoek aan een van de treinen te Waarloos en is onder de indruk (“We cannot have too many of these trains”). Op 5 oktober duikt ook nog een zware Franse pantsertrein op te Antwerpen. Hij komt uit Le Havre en is uitgerust met twee 20cm-kanonnen. Hij wordt eerst ingezet om Walem te beschieten, daarna Lint en Lier (Lachenen). De trein blijkt echter minder snel en flexibel inzetbaar dan de Brits-Belgische treinen. Hij verlaat Antwerpen via Boom en Temse op 6 oktober ‘s avonds. Een van de Brits-Belgische pantsertreinen schiet op 6 oktober vanop de grens van de gemeenten Hove en Kontich (lijn Antwerpen-Centraal–Mechelen) in de richting van Lier en rijdt daarna naar Boechout en verder in de richting van Donk (lijn Antwerpen-Centraal–Lier) om van daaruit te vuren naar de stad Lier, de Nete en Duffel. Die dag wordt ook een testrit uitgevoerd met de (onafgewerkte) derde Brits-Belgische gepantserde trein en worden proefschoten met een van de 6-duims stukken afgevuurd in de richting van de Nete te Lier, waarna de trein terugkeert naar de werkplaatsen van Hoboken. Op 6 oktober ’s avonds krijgen alle Brits-Belgische treinen de opdracht om Antwerpen te verlaten via Boom, Puurs en Temse. De eerste twee treinen worden samengevoegd en rijden ’s nachts naar Hoboken, om daar de derde (onafgewerkte) trein met de 6-duimskanonnen op te halen. Dit lukt niet, omdat de spoorlijn Oude-God–Hoboken achter Wilrijk geblokkeerd is met achtergelaten wagens. In moeilijke omstandigheden slaagt men er in om eerste twee treinen te evacueren via Kontich (lijn Wilrijk–Kontich, verbindingsbocht van de “diepe route” naar de Pierstraat– Boom); de derde trein zal later de brug over de Rupel te Boom nog kunnen passeren kort voor dat deze door de Belgische genie wordt opgeblazen. De treinen rijden nadien verder naar Oostende. Later zullen de Britten de drie treinen namen geven, zoals schepen: HMAT (His Majesty’s Armoured Train) “Deguise”, HMAT “Churchill” en HMAT “Jellicoe”.

en 6.3

12

ng

eri

in Re

Ongetwijfeld betekent de inzet van de gepantserde treinen een belangrijke morele steun voor de Belgische en Britse verdedigers van de Netestelling, maar men kan zich de vraag stellen of de treinen wel echt efficiënt werden ingezet, bij gebrek aan observatiemogelijkheden om de stukken goed te kunnen richten. De Duitsers beschikten wél over goede waarnemingsmiddelen (kerktorens, waaronder de Mechelse Sint-Romboutskathedraal, observatieballons en vliegtuigen), zodat ze de locatie van de treinen vrij snel konden bepalen en terugschieten (meestal zonder veel erg, want de pantsertreinen hadden zich ondertussen natuurlijk enkele honderden meter teruggetrokken, maar dat werd niet op prijs gesteld door de infanteristen die zich nabij de spoorlijnen hadden ingegraven). Op 7 oktober wordt de spoorbrug over de Rupel te Boom opgeblazen. De Belgische pantsertrein nr. 1 kan niet meer naar de kust ontsnappen en wordt door zijn bemanning onbruikbaar gemaakt. Pantsertrein nr. 2 is ondertussen teruggekeerd uit Oost-Vlaanderen en bevindt zich in veiligheid te Antwerpen Vlaams Hoofd (Linkeroever). Het personeel van de Spoorwegcompagnie van de genie van beide treinen zal in de nacht van 7 op 8 oktober nog meewerken aan het lanceren van wilde treinen in de richting van Duffel (zie ook hieronder), resp. in de richting van Lier. Daarna zal pantsertrein nr. 2 met het personeel van beide treinen aan boord van Antwerpen Linkeroever naar Oostende rijden. Het personeel van trein nr. 1 zal worden toegewezen aan trein nr. 3 die zich te Oostende bevindt. Op 8 oktober ’s morgens komen twee met springstof geladen wilde treinen met hoge snelheid aan te Hoboken, uit de richting van Wilrijk. De treinen ontsporen; één trein ontploft waardoor een enorme ravage wordt aangericht. Het is nog steeds niet duidelijk wie de treinen gelanceerd heeft: de Duitsers of de Belgen? Waarom zouden de Duitsers Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


Spoorwegbrug over de Rupel te Boom, vernield door de Genie op 7 oktober. Verz. Jef Van Olmen.

nog kostbaar materieel, waaronder drie locomotieven, opofferen in een actie van weinig belang, en dit vlak voor de val van Antwerpen? Mogelijk gaat het om de treinen die de Belgische genie vanuit Mortsel in de richting van Duffel wilde zenden, maar zijn deze ongewild (?) in de richting van Wilrijk en Hoboken gereden. Er heerste op dat ogenblik trouwens een toestand van algemene verwarring op het spoorwegnet, aangezien het spoorwegpersoneel zijn posten had verlaten. Er bestaan (door de Duitsers genomen) foto’s van wilde treinen die op 8 oktober te Lier zijn ontspoord, maar van wilde treinen die eventueel te Duffel zouden aangekomen zijn, is niets bekend… De Duitsers betreden Antwerpen als overwinnaars op 10 oktober en beginnen onmiddellijk met het herstellen van beschadigde spoorlijnen en vernielde spoorbruggen. Op 13 oktober hebben ze al de spoorbrug over de Kleine Nete te Lier voorlopig hersteld en is Antwerpen (althans voor de Duitse militaire treinen) opnieuw bereikbaar per trein, via Aarschot en Lier. Jef Van Olmen.

Ontspoorde wilde trein te Lier gelanceerd door de Belgische Genie op 8 oktober ‘s morgens. Verz. Hugo De Bot.

Bronnen: “L’Armée Belge dans la Guerre Mondiale”, M. Tasnier, R. Van Overstraeten, H. Bertels Ed., 1923 “Der Weltkrieg 1914-1918 - Das deutsche Feldeisenbahnwesen”, E.S. Mittler & Sohn, 1927 “S.M. Le Roi Albert - Commandant en Chef devant l’Invasion Allemande“, Gen. Galet, Librairie Plon, 1931 “Naval guns in Flanders”, L. Robinson (Reprint), The Naval & Military Press, 2004 “Hoboken en de Groote Oorlog”, Heemkundige Kring Hobuechen, 2014 “Lier in de Groote Oorlog”, H. De Bot, G. Vervloet, Liers Genootschap voor Geschiedenis, 2014 “Bestemming Front”, P. Van Heesvelde, M. Van Meerten, P. Pastiels, B. Van der Herten, Lannoo, 2014 “D’Anvers à l’Yser - La Compagnie de Chemin de Fer du Génie et les Trains Blindés”, V. Scarniet, Geniemuseum te Jambes, 2014

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

6.3

Het wrak van een van de wilde treinen, ontspoord te Hoboken op oktober. Verz. Jef Van Olmen.

13


Kontich Kazerne wordt gebombardeerd Op 5 oktober bevindt het personeel van de gepantserde trein nr. 1 zich te Kontich-Kazerne. Het station ondergaat een intens bombardement. Sergeant Warny van de Spoorwegcompagnie van de Genie vertelt (vrij vertaald uit het Frans): 5 oktober, de vijand bombardeert het station van Kontich-Kazerne. Nadat er een twintigtal granaten op het stationsemplacement gevallen zijn, komt de stationschef ons meedelen dat de sporen onderbroken zijn en dat een klaarstaande reizigerstrein zwaar beschadigd is en niet meer kan vertrekken naar Antwerpen. Onze officier roept ons toe: “sauve qui peut”! Met z’n allen haasten we ons te voet in de richting van Hove. Daar aangekomen neem ik het appel af. Iedereen is gelukkig heelhuids aan het bombardement ontkomen. Daarna gaan we naar Oude-God, waar we twee dagen verblijven; maar ook daar worden we gebombardeerd… Een zekere Borginon, verbindingsofficier van de Genie, is die dag ook aanwezig te Kontich-Kazerne. In een verslag schrijft hij (vrij vertaald uit het Frans): 5 oktober. Mijn huidige standplaats is het station van Kontich-Kazerne op de spoorlijn Antwerpen – Mechelen – Brussel. Het is op dit ogenblik het eindstation van de treinen uit Antwerpen. Het station ontleent zijn naam aan het militair depot dat naast de spoorlijn ligt, op enkele honderden meter van het stationsgebouw. Ik kom om 6 uur ’s morgens toe en installeer mij in een klein laag huisje nabij het station, waar ik ook mijn motorfiets kan stallen. Het is een café waarvan de eigenaar nog niet beslist heeft om te vluchten. Voortdurend hoort men het lawaai van artillerieduels en ontploffende granaten. Het is bijna onmogelijk om in het kabaal een onderscheid te maken tussen de kanonschoten die afkomstig zijn van onze artillerie en de explosies van vijandelijke projectielen. Enkel wanneer een schrapnelgranaat inslaat, is er geen twijfel mogelijk: op het geluid van de explosie volgt het gedruis van honderden kleine projectielen en kogels die inslaan op de grond en de gevels van gebouwen. Auto’s van het Rode Kruis rijden door de straat. Door de vensters ontwaar ik witte hoofdkussens waarop soms het hoofd van een soldaat te zien is die zwijgzaam en met een wezenloze blik voor zich uitstaart. Op de treeplanken ligt bloed. Na een tijdje maken zich op de straat tussen het legerdepot en het station enkele compagnies van de Genie klaar om aan het werk te gaan. Ik begeef mij naar de soldaten die in kleine groepjes met hun schoppen, houwelen en geweren staan te wachten tot de officieren bepaald hebben welke opdrachten moeten uitgevoerd worden. Ze hebben al heel wat meegemaakt: “Gisteren heeft een artilleriesalvo tien van onze kameraden verwond; één van hen had een doorboorde long. We hadden ook twee doden te betreuren; van een korporaal is het hoofd en de linkerschouder afgerukt…”. Wat de geniesoldaten vooral ergert en nerveus maakt, is het risico om te sterven zonder gevochten te hebben. Een granaat kan hen doden terwijl ze met hun schop een loopgraaf aan het delven zijn. In hun ogen kan een infanterist zich samen met zijn kameraden tenminste nog verdedigen en moet hij zijn lot niet lijdzaam ondergaan. Ineens komt een granaat met een snerpend geluid aangevlogen; de linkervleugel van het legerdepot wordt geraakt. Onmiddellijk daarna volgt een hele reeks van inslagen; blijkbaar heeft een Duitse artilleriebatterij een salvo afgevuurd op het depot. De muren begeven het en het dak wordt dermate vernield dat nog slechts een deel van het gebinte overeind blijft; een enorme wolk stof en steengruis komt op ons af. De geniesoldaten trekken zich inderhaast enkele honderden meter terug, waar ze zich hergroeperen. In de kazerne vallen geen slachtoffers; het gebouw is ontruimd en de laatste militairen die er verbleven zijn gisteren vertrokken. Na een pauze beginnen de beschietingen opnieuw. De vijand verhoogt blijkbaar de druk en bestookt het station van waaruit gisteren nog gepantserde treinen ingezet werden om de Duitse stellingen te beschieten. Een granaat slaat in op de spoorwegberm, op 15 m van de plaats waar ik mij bevind. De rails worden door de ontploffing losgerukt en stukken metaal en spoorwegballast worden tegen de gevels van de huizen geslingerd. Alle nog intacte ruiten in de omgeving zijn nu wel gebroken. Gelukkig word ik alleen maar onder het stof bedolven. Aangezien de Duitsers vanop een grote afstand en met weinig precisie naar Kontich schieten, vallen de volgende projectielen een eind verderop in de weilanden en raken ze geen doel. Het is het geschikte moment om Kontich-Kazerne te verlaten. De café-uitbater en zijn twee diensters vluchten in paniek naar het dorpscentrum. Ikzelf begeef mij naar een kasteel in de buurt, waar ik voorlopig veilig ben. Jef Van Olmen

en

ng

eri

in Re 6.3

14

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


Poppentheater De Spiegel viert vijftig jaar

V

ERJAARDAGEN MOETEN gevierd worden. Het zijn mijlpalen in een mensenleven. Het zijn momenten waaraan een mens zijn eigen tijdslijn meet en herkent. Het zijn ogenblikken van reflectie: vooruitkijken naar wat komt, maar - ook en vooral - terugblikken op wat is geweest. Als persoon weet je dan dat je in principe over de helft bent. En dat vanaf dan er wel wat sleet zou kunnen komen. De 50-jarige van dit artikel heeft daar echter helemaal geen last van. Wel integendeel. Gezien het succes gaat het steeds maar bergop.

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

6.3

Het verhaal is ondertussen waarschijnlijk genoegzaam bekend. Felix Van Ransbeeck begon poppenkast te spelen voor en met zijn familie. En bij uitbreiding voor Altena, de buurt waar hij woonde. Maar wie is nu eigenlijk Felix Van Ransbeeck? Felix werd op 25 juli 1923 in het Brabantse Asse geboren. In zijn familie was cultureel engagement een vrij normale zaak, zodat Felix reeds als jongetje in contact kwam met zelfgemaakte poppenkasten. De Tweede Wereldoorlog betekende een streep door de rekening en de plannen moesten voor langere tijd worden opgeborgen. Zelfs de opleiding voor bouwconducteur moesten worden stopgezet. Werken was de boodschap. En avondschool publiciteitstekenen. En dat kon hij vanaf 1950 in praktijk brengen. Zijn carrière kreeg een grote, artistieke wending in 1956. Hij werd toen creatief medewerker van de glasfabriek De Rupel in Boom. Hij werd op die manier een pleitbezorger van het Boomse glas en kreeg naam en faam in heel Europa. Hij won verschillende prijzen, maar stopte bij de firma omdat glas steeds meer machinaal werd vervaardigd en hij voor een vast inkomen wou zorgen. Op zich heeft zijn beroep als glasontwerper niks met het poppenspel te maken, maar het getuigt wel van de activiteiten van Felix als een creatieve duizendpoot die van vele culturele en artistieke markten thuis was. Ten overvloede getuigt hiervan het standaardwerk over Booms glas dat tien jaar geleden werd uitgebracht en dat grotendeels van zijn hand is. Nog niet overtuigd? Googel dan gerust zijn naam in combinatie met glas en je zult versteld staan. Als lid van de heemkundige kring bracht Felix hier ook regelmatig verslag over uit. Hij was in 1975 lid geworden. Maar Felix nam dus ook de draad weer op van het poppenspel. We schrijven 1965. Zijn eerste publiek is zijn eigen familie, de vijf kleine Van Ransbeeckjes. En de buurt. Altena mocht mee genieten via de vriendjes.

15


Al snel liet hij zich assisteren door zijn kinderen. En net op het ogenblik dat andere mensen ermee ophouden ging de Fé ermee door. En dus zeker niet alleen: hij gebruikte zijn gezin en zijn huis als theatergezelschap en theater. Hij zette alles en iedereen aan het werk, want alles werd in eigen beheer gemaakt. Van poppen tot en met het decor. Het lijkt misschien vanzelfsprekend, maar ga er maar eens aan staan: poppen ontwerpen, vervaardigen, aankleden, decors maken, attributen maken, je eigen verhalen schrijven of andere verhalen aanpassen, het poppenspel regisseren en tenslotte ook nog spelen. Felix was a man for all seasons. En stilletjes aan werd het “poppenhuisje” aan de Antwerpsesteenweg te klein en de bende van Fé trok de boer op. Eerste dicht bij huis, maar de concentrische kringen werden steeds groter. Zo was de familie Van Ransbeeck een graag geziene gast op de Intersoc-reizen (de vakanties voor jongeren en gezinnen van het christelijke ziekenfonds). Als missionarissen trokken ze met de vele koffers naar Zwitserland en traden er op voor honderden en honderden kinderen. Waarschijnlijk zijn het net die optredens die ervoor zorgden dat het poppentheater landelijke interesse wekte. En Felix toerde daarna door het Vlaamse land. Het duurde ook niet lang voor zijn theater erkenning kreeg. In 1970 nam hij deel aan het landjuweel (wedstrijd voor poppen) met zijn productie Karel ende Elegast. Hij had voor deze voorstelling een uniek draaitheater bedacht. Terecht werd hij dan ook voor deze prestatie bekroond. In 1975 organiseerde Felix naar aanleiding van het tienjarig bestaan in samenwerking met de Kring voor Heemkunde een tentoonstelling onder de naam Van spel, poppen en poppenspel. Was de tentoonstelling tijdelijk, de begeleidende catalogus was dat in geen geval. De wetenschappelijk verantwoorde manier waarop Felix het speelgoed (in zijn letterlijkste zin) catalogeerde was baanbrekend. In die mate zelfs dat het Mechelse Speelgoedmuseum zijn werk als basis gebruikt om zijn collectie te inventariseren en op te stellen. De Spiegel werd op die een gevestigde naam. Een naam die toch enige uitleg verdient. Hij gaat terug op de herberg De Spiegel in Eppegem waar in 1601 een historisch proces werd gehouden tegen twee poppenspelers. Jasper Colveniers en zijn vrouw Liesbeth Lauwers werden o.a. van magische handelingen beschuldigd. Liesbeth werd als heks veroordeeld en de poppen werden verbrand. Tegelijkertijd is – volgens Felix – De Spiegel ook een sjamanenspiegel die bescherming geeft, kwade geesten weet te vangen en het heden aan de hand van het verleden vervormt. En wie herinnert zich niet het Tijl Uilenspiegel, de volksheld waarover ook De Spiegel voorstellingen maakte. Maar uiteraard houdt het theater ook ons een spiegel voor en biedt ons een andere manier om tegen de wereld aan te kijken en ons in die magische wereld van de verbeelding binnen te leiden. Theater De Spiegel ging ook internationaal, want Felix werd steeds vaker gevraagd als speler, maar ook als gastdocent. Hij maakte poppen voor diverse theaters in binnen- en buitenland. En er volgden heel wat succesrijke opvoeringen. Een van de hoogtepunten was in ieder geval De lotgevallen van Willem Jeroens, een bewerking van

en

ng

eri

in Re 6.3

16

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

6.3

Abraham Hans’ kortverhaal De Spaansche Furie. Het verhaal speelt zich o.a. af in het Broekbos en het oud-gemeentehuis in ons eigenste Kontich. Niet te verwonderen dus dat Felix negen jaar geleden de cultuurprijs van onze gemeente in de wacht mocht slepen. De ganse familie nam deel aan de onderneming, maar het was de jongste zoon Karel die uiteindelijk de fakkel overnam. Karel was op dat gebied – gelukkig maar – zwaar genetisch belast en hij vulde zijn praktijk aan met studies in Hongarije, een land met een grote traditie in het poppenspel. En De Spiegel ging langzaamaan een andere richting uit. De kwaliteit bleef, maar het publiek werd steeds jonger. Nu speelt De Spiegel enkel nog voor de jeugd en er zijn zelfs voorstellingen voor kinderen vanaf drie maanden. Een tweede evolutie is de muziek. Het gesproken woord geraakte steeds meer op de achtergrond, het muzische werd steeds belangrijker. De Spiegel werd een muziektheater voor de allerkleinsten, waarbij fantasie, bewondering en verwondering door elkaar lopen en elkaar bevruchten. En tegelijkertijd krijgen de volwassenen de kans om opnieuw de fantasiewereld van de kleintjes te betreden, een wereld die we allemaal hebben bewoond, maar meestal ook verlaten. De productie Huizewuizewoutertje uit 1986 was daarvan waarschijnlijk wel het beste bewijs. Meer dan 250 voorstellingen voor kleuters, het is een fantastische prestatie. Sinds 1994 is Karel artistiek leider van het gezelschap dat steeds meer uitbreiding nam en ondertussen een vzw was geworden. Karel zelf heeft daarbij ondertussen vele watertjes gezwommen: deelname aan cursussen en conferenties, lesgever aan verschillende instituten in binnen- en buitenland, poppenspeler, scenograaf en regisseur bij verschillende Vlaamse gezelschappen (o.a. Taptoe en Froe Froe). Met andere woorden, hij lijkt in dat opzicht heel sterk op zijn vader, ze beheersen de wereld van het poppenspel in al hun vezels. En ondertussen zijn we vijftig jaar verder. Poppentheater De Spiegel is een gezelschap met internationale faam. Het baanbrekende werk voor heel jonge kinderen wordt overal geapprecieerd en toegejuicht. En het gezelschap is op een vaste plek beland. De Studio in Antwerpen. Maar daarnaast blijven ze uiteraard ook een reizend gezelschap. De koffers uit de beginperiode bij Intersoc zullen er nu wel wat professioneler uitzien, maar het plezier van de kinderen is er zeker niet minder om geworden. Om die vijftig jaar te vieren werd er een grootse tentoonstelling uit de grond gestampt. Plaats van het gebeuren was de Altenakapel, letterlijk op een boogscheut van de plek waar het poppentheater het levenslicht zag. Beter kon niet. Herinneringstentoonstellingen zijn vaak saai en doen stoffig aan, omdat ze vooral op het verleden leunen. Deze tentoonstelling toonde ook het verleden, maar ze was helemaal niet bestoft en oubollig. Volgens mijn bescheiden mening is de Altenakapel met haar lange geschiedenis nog nooit zo mooi en stijlvol gevuld geweest. De bezoeker stapte in een wondere sprookjeswereld binnen en kreeg een activerend overzicht van wat vijftig jaar poppenkast De Spiegel heeft betekend. Van video-opnames in de biechtstoel tot een rek met poppen en accessoires. Van een heus atelier tot basisproducten – vaak wegwerpproducten – voor het vervaardigen van poppen. Je liep dus door het verleden, maar niet op een rechtlijnig chronologische manier. Het waren eerder blikvangers die de aandacht trekken. Met alles erop en eraan: alle zintuigen worden verwend. Ook hier een ontdekkingstocht voor de kleintjes. In een theater – ook in een poppentheater - zit je voor het doek, maar in deze tentoonstelling ging het doek open en kreeg je een blik achter de schermen: zo zag je dat het poppenspel meer is dan alleen maar wat poppen hoog houden en op tijd en stond een stouterik laten verschijnen. Aan de hand van een audiofoon kon je dan ook de petite histoire achter enkele poppen ontdekken.

17


Deze tentoonstelling zat museaal dus erg knap in elkaar. Toch willen we er twee magistrale zaken uit naar voren halen. In de eerste plaats bots je onvermijdelijk op Wickie de Viking die vanuit zijn snek het geheel overschouwde. Maar het mooiste staaltje was wel het uitzonderlijk mooie en indrukwekkende decor van De lotgevallen van Willem Jeroens. Dat decor werd op het doksaal van de kapel geplaatst. Een waarlijk fantastische vondst die de hele tentoonstelling naar een – zowel letterlijk als figuurlijk – nog hoger niveau tilde. De skyline van Antwerpen keek neer op 50 jaar wonderbaarlijke geschiedenis. Met welbehagen. Zou het geen fantastisch idee zijn om net dat decor op de hoogzaal zijn definitieve bestemming te laten vinden? Als eresaluut aan De Spiegel zou dit in ieder geval kunnen tellen, maar het zou tenslotte ook de borging betekenen van een stukje erfgoed dat zijn oorsprong vond in Kontich en van daaruit de wijde wereld veroverde. Deze heerlijke tentoonstelling heeft met verve bewezen dat een lokaal initiatief op een prettige manier uit de hand kan lopen en uiteindelijk kan leiden tot een kwalitatief hoogstaand project dat nog steeds in staat is om jong en oud te betoveren. We zijn daarom Felix en Karel Van Ransbeeck en de hele familie erg erkentelijk voor deze enorme prestatie. En we wensen De Spiegel een fantasierijke toekomst. Paul Catteeuw

en

ng

eri

in Re 6.3

18

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


Activiteitenkalender en Nieuws Museum voor heem- en oudheidkunde: elke zondag open van 14 tot 17 uur met gids. Het museum is wel gesloten tijdens de maanden juli-augustus en december-januari-februari. Ben je op zoek naar de oude nummers van Reineringen of publicaties die met Kontich te maken hebben? Surf dan gewoon naar www.issuu.com. Op deze webstek tik je bij zoeken gewoon “Reineringen” of “Kontich” in en je komt zo bij onze vroegere nummers terecht. Activiteiten in samenwerking met de Gemeentelijke Erfgoedraad naar aanleiding van de herdenking van de Eerste Wereldoorlog (Data en onderwerpen onder voorbehoud) 13-11-15 - Lezing Paul Catteeuw en Guido Theys: Jozef Van Herck in WOI 11-03-16 - Lezing Janet Dean (kleindochter): Margriet Ballegeer 11-11-16 - Lezing Pieter Serrien: WOI in dagboeken 21-04-17 - Lezing Brecht Demasure: oorlogsvoeding en tentoonstelling: dagelijks leven en hygiëne tijdens WOI 10-11-17 - Lezing Paul Catteeuw: De brieven van Jozef Van Herck tijdens WOI 09-03-18 - Lezing Frank Hellemans en Paul Catteeuw: Dagboek Jozef Van Passen tijdens WOI 11-11-18 - Afsluitende festiviteit: De bevrijding Abonnees van Reineringen – vrienden van het museum Graag houden we jullie op de hoogte van al onze activiteiten en publicaties. Dit is echter enkel mogelijk als u ons uw e-mailadres bezorgt via reineringen@gmail.com . Uiteraard kan u zich altijd laten uitschrijven op eenvoudig verzoek aan hetzelfde mailadres. Facebook Je vindt onze heemkundige kring nu ook op Facebook. We posten er op regelmatige basis foto’s uit de oude (en nieuwe doos). Enkele honderden mensen hebben de weg al gevonden. Hoe geraak je erbij? Zoek gewoon onder “Kontichse historische weetjes”. Ook op LinkedIn zijn we aanwezig. Daar vind je berichten i.v.m. de heemkundige kring.

Abonnement?

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

6.3

Als je van dit nummer van Reineringen houdt, dan ligt ook de toekomst van dit blad je nauw aan het hart. Nieuwe abonnees ontvangen ALLE nummers in 2015 door overschrijving van minimum 15 euro op rekening BE77 41550442-2142 met vermelding van uw naam, adres en “Reineringen 2015”. Het IBAN-kenmerk is KREDBEBB.

19


Retouradres: Koninklijke Kring voor Heemkunde Duivenstraat 22 2550 KONTICH

Reineringen 6 (2015), 3 Driemaandelijks (juli - september 2015) Afgiftekantoor Kontich P912187

INHOUDSTAFEL: Pagina 1 Voorwoord Pagina 2 In memoriam Simone De Schutter Pagina 3 Abraham Hans, een Kontichse reus (deel 4) Pagina 5 De Vrijselmolen van Kontich omstreeks 1600 Pagina 6 Jozef Van Herck tijdens de Eerste Wereldoorlog Pagina 7 De bewoningsgeschiedenis van Kontich - van de prehistorie tot de vroege middeleeuwen Pagina 8 De rol van de spoorwegen en de gepantserde treinen vóór de val van de versterkte vesting antwerpen in 1914 Pagina 14 Kontich Kazerne wordt gebombardeerd Pagina 15 Poppentheater De Spiegel viert vijftig jaar Pagina 19 Activiteitenkalender en nieuws Colofon Reineringen, Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich, 6 (2015), 3 ISSN 2033-2742 Redactie: Paul Catteeuw, Frank Hellemans en Paul Wyckmans Eindredactie: Paul Catteeuw Grafische vormgeving: Bruno Catteeuw Druk: Editoo, Erpe-Mere Verantwoordelijke uitgever: Paul Wyckmans, Duivenstraat 22, BE-2550 Kontich Correspondentieadres: reineringen@gmail.com © 2015 – Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich De auteurs zijn verantwoordelijk voor de inhoud van hun eigen bijdrage. Abonnementen (inclusief lidmaatschap “Vrienden van het museum”): minimum 15 euro. Te betalen op rekeningnummer BE77 4155-0442-2142 met de vermelding van uw naam, adres en “Reineringen 2015”. Het IBAN-kenmerk is KREDBEBB. Gelieve eventuele adresveranderingen zo snel mogelijk aan ons mee te delen.

Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich, Documentatiecentrum Duivenstraat 22, BE-2550 Kontich, +32 3 457 86 04 heemkunde.kontich@gmail.com

Museum voor Heem- en Oudheidkunde Bibliotheek- en cultuurgebouw Sint-Jansplein, BE-2550 Kontich www.museumkontich.be

Reineringen 6/3 (2015)  

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you