Page 1

Reineringen

Voorwoord

Duivenstraat 22

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich Verschijnt driemaandelijks • Jaargang 6, nummer 1 (januari - maart 2015)

D

it is alweer de zesde jaargang en het twintigste nummer van ons tijdschrift. En gezien het groeiend aantal lezers denken we dat onze artikels nog altijd in de smaak vallen van ons trouw lezerspubliek. De bemoedigende woorden die we af en toe krijgen, geven ons in ieder geval de goesting om het ingeslagen pad verder te bewandelen met bijdragen die het volksculturele leven van Kontich uit een net iets andere hoek belichten. Daardoor pogen wij u te tonen hoe het vroeger was en hoe dingen kunnen groeien tot wat ze nu zijn. Dat doen we niet enkel in woorden, maar ook in daden. Onze gespreksavond over het boerenleven in Kontich en Waarloos was een daverend succes, maar tegelijkertijd werd het verleden met het heden vergeleken. Nostalgie mag, maar moet wel tegen het licht van de toekomst worden gehouden om haar waarde te bewijzen. In ieder geval, dit nummer gaat ook figuurlijk de boer op, want naast het vermelde verslag van Erwin Van de Velde brengt Paul Wyckmans een verhaal over het landbouwcomice van Kontich. Merkwaardig ook hoe deze oude vereniging de tijd heeft doorstaan. Daarnaast belicht Paul Catteeuw een verder hoofdstuk in het leven en het schrijverschap van Abraham Hans. In dit nummer blijkt dat onze vroegere dorpsgenoot wel degelijk een uitzonderlijk man was. Zijn sociale inzet tijdens de Eerste Wereldoorlog kan alleen maar bewondering opwekken. We verwijzen nog even naar de boeiende uiteenzetting van oud-Kontichnaar Paul Janssens over zijn naamgenoot Gommaar Janssens en diens belevenissen in de Eerste Wereldoorlog. De belangstelling was hier heel wat minder. En dat is jammer, want de vroegere burgemeester van buurgemeente Lint wist op zijn eigen gekende manier aan de hand van een egodocument het grotere verhaal van de Grote Oorlog te schetsen.

Voorzitter Frank Hellemans leidt Paul Janssens in

Paul Janssens in volle actie


De wintermaanden hebben dit jaar heel wat mensen van ons weggegenomen die toch voor onze heemkundige kring en onze gemeenschap heel wat hebben betekend. In de eerste plaats hebben we het hier over meester Jozef De Hert. Over deze merkwaardige man die van vele markten thuis was kun je een in memoriam lezen van Frank Hellemans. Maar we verloren ook nog René Verhaert (5 maart 2015) en Leo Cleyman (25 januari 2015). René, partner van medelid en lapzus Agnes Meul, heeft in zijn laatste levensmaanden nog actief geholpen bij het aanmaken van een oprolsysteem voor de samengestelde tekendoeken, zodat die beter kunnen bewaard blijven. Leo Cleyman is jarenlang lid geweest van de heemkundige kring, maar moest omwille van zijn wankele gezondheid (na een werkongeval) noodgedwongen veel te Leo Cleyman vroeg afscheid nemen. Leo was werkopzichter van onze gemeente, maar voor ons was hij vooral de man die de ondergrond van dit dorp beter dan wie ook kende. Zijn kennis van de bodem en van de (geologische) geschiedenis leidden tot ettelijke studies hierover en bewezen de originaliteit van zijn ideeën. Als selfmade man lanceerde hij nieuwe inzichten over de Duinkerke-II-transgressie die door de academische wereld werden gelezen, maar nooit afgewezen. Deze drie mannen zijn een verlies voor onze vereniging, maar tevens voor het volksculturele leven van ons dorp. Wij bieden de getroffen families onze blijken van medeleven aan en hopen dat de herinnering aan hen de pijn van het afscheid kan verzachten. We wensen u verder veel leesplezier en hopen u binnenkort ook te mogen ontmoeten in het vernieuwde museum dat op een vrijdag de dertiende zijn deuren opende. Paul Catteeuw, Paul Wyckmans en Frank Hellemans

Jos De Hert heeft ons verlaten

M

et Jos De Hert is weer een legendarische onderwijzer van Kontich en een gerespecteerd lid van de heemkundige kring overleden. Hij werd geboren in Waarloos in 1928. Tijdens de oorlog leerde hij van zijn vader hoe je gratis voedsel in de natuur kon vinden. Er bestond geen onkruid voor hem, alle planten waren nuttig. Ook de wereld van de vogels kende voor hem geen geheimen. Hij werd onderwijzer en na een intermezzo van twee jaar in Kortrijk kon hij de rest van zijn loopbaan in de Gemeentelijke Jongensschool van Kontich doorbrengen. Vooral als de strenge meester van het tweede leerjaar staat hij bekend bij de generatie die nu 35 jaar of ouder is. Ook na zijn pensioen bleef hij een populaire figuur met een ongelooflijk netwerk van vrienden en kennissen. Met allen deelde hij zijn ervaringen met het telen van groenten, vruchten en kruiden, het kweken van insecten of dieren die konden dienen als voer voor vogels. Op dat gebied was hij zelfs een vermaard uitvinder en de auteur van een populair boekje. Voor de Kring voor Heemkunde was hij een belangrijke bron van informatie voor de materialen en technieken van de vogelvangst van weleer. Zijn inzet daar was heel divers: hij bleek als het ware een wandelende encyclopedie. Zowel van techniek als van wetenschap. De laatste jaren ging het helaas bergaf en kon hij uiteindelijk niet meer in Kontich blijven wonen. Hij is op 2 januari 2015 gestorven in het woonzorgcentrum Wedbos in Geel, waar hij sinds augustus vorig jaar verbleef. Velen zullen hem missen, maar vooral zijn vrouw Irene, zijn drie dochters en zijn vier kleinkinderen en achterkleinkind.

in Re

Frank Hellemans

eri en

ng 6.1

2

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


Wij gaan voor een nieuw oud museum

W

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

6.1

ie houdt er nu een officiële opening op een vrijdag de dertiende? De Koninklijke Kring voor Heemkunde koos echter voor die symbolische datum en hoopte juist op een grote belangstelling voor de heropening van zijn vernieuwd museum. Haast twee jaar werkte conservator Guido Theys met zijn assistenten Wim Van Craenenbroeck en Guido Pede aan de invulling van het gemeentelijke museum. En dat mag een huzarenstukje heten, als je weet hoe lang musea hun deuren sluiten, wanneer ze hun collectie herschikken. In ieder geval de belangstelling was groot op die dertiende maart. Voorzitter Frank Hellemans en schepen Bart Seldeslachts verzorgden het officiële gedeelte. Eerstgenoemde belichtte kort het ontstaan en de geschiedenis van het museum (van de Molenstraat in 1959 naar het oud gemeentehuis in 1985 en naar zijn huidige locatie in 1999: een realisatie van conservator Joris Olyslaegers en zijn opvolger Guido Theys). De laatste opstelling heeft dus zestien jaar standgehouden, het was tijd voor een nieuwe presentatie. Schepen Seldeslachts had het vooral over de waarde van het erfgoed en het belang van ons Kontichs patrimonium. En de herschikking van het museum toont dat dit in goede handen is. Dit erfgoed is van onze Kontichse gemeenschap. Daarom is het ook belangrijk dat het zo duidelijk mogelijk en in de beste omstandigheden aan onze gemeenschap wordt getoond. Tot op heden heeft minder dan 10% van de Kontichse bevolking het bezocht. En dat is eigenlijk te weinig. Met deze heropening mikt de heemkundige kring op minstens een verdubbeling. Een bezoek aan het museum zou in feite een vanzelfsprekendheid moeten zijn voor elke inwoner van Kontich en Waarloos die wil meespreken over de cultuur en het verleden van zijn dorp. De lagere scholen hebben in ieder geval al de weg gevonden. Een korte rondgang van het museum leert ons in ieder geval de nieuwe opstelling kennen. In de eerste zaal maakt de bezoeker kennis met onze “wereldcollectie” textiel. Voor wie dit nog niet mocht weten, van heinde en ver komen er bezoekers onze merklappencollectie bewonderen. Aan de collectie als dusdanig is niet veel veranderd, maar de doeken werden een voor een opgenaaid, zodat ze beter de tand des tijds kunnen doorstaan. Een blikvanger in deze zaal is ongetwijfeld de ‘Parisienne’, die met heel haar modieuze garderobe in een aparte toonkast prijkt. Ook allerlei objecten i.v.m. naaien, breien, stoppen en kledij zijn in deze zaal op een sobere museale wijze uitgestald. Daarna volgt de afdeling paleontologie. De fossiele zijn massaal aanwezig, maar daarnaast vind je de schedel van een wolharige neushoorn uit het mioceen/plioceen. Ook mammoeten liepen hier rond. Maar wat te zeggen van de schedel van een spitsneusdolfijn die in de Wipstraat werd gevonden. Menig fossielenzoeker zou hiervoor zijn ziel verkopen. Dat Kontich een oud dorp is, zal ondertussen wel elke inwoner weten. Het blijft in Antwerpen een heikel punt dat ze slechts node toegeven. Maar de waarheid heeft zijn rechten. Die Kontichse geschiedenis wordt uit de doeken gedaan in de sectie van de Gallo-Romeinen. Met duidelijke pancarten die je terugvoeren naar een tijd die toch nog heel wat geheimen voor ons in pacht heeft. Sporadische opgravingen (zoals onlangs bij de uitbreiding van de LIDL aan de Groeningelei) brengen steeds weer nieuwe vondsten aan de oppervlakte. Volgens de AVRA (Antwerpse Vereniging voor Romeinse Archeologie) zijn wij het enige museum dat archeologische vondsten tentoonstelt. En daar zijn we terecht trots op. Op Kontichs grondgebied werden verschillende sites onderzocht op grondsporen en objecten. Gerangschikt volgens toegeschreven periode komen steentijd, vroege, midden en late ijzertijd, Romeinse Tijd en Middeleeuwen aan bod. Het zwaartepunt van de opstelling ligt op de Romeinse periode omdat zich hier in Kontich een heus dorp bevond gelegen aan een verbindingsweg en een tempel. Het leven in het Kontich van toen wordt behandeld in al zijn facetten.

3


Een indrukwekkende reeks maquettes schetst de evolutie van de woningbouw in onze streek over een periode van 1000 jaar, van in de vroege ijzertijd tot in de Romeinse periode. Ook van deze Romeinse tempel wordt een maquette getoond. Het derde gedeelte van het museum is van volksculturele aard. In deze sectie vind je alle mogelijke spullen uit het dagelijkse leven. Zo is er onder andere een overzicht van aardewerk dat van de Egyptenaren over de Grieken en Romeinen (terra sigillata) naar het Antwerpse plateel, (voorloper van) het Delfts blauw, Raerener en Siegburger aardewerk en hedendaagse toepassingen voert. En vaak stel je vast dat er ondanks alle variatie ook door de vele eeuwen heen veel eenheid is. Een belangrijk deel is gewijd aan meten en wegen. Een uitgebreide collectie die aantoont hoe onze maatschappij altijd een kwantitatieve samenleving was. De mens wou duidelijk weten wat hij in handen had. Ook bij de sectie verlichting passeren vele eeuwen (van Griekse olielampjes tot oorlogse knijpkatten) de revue. Andere afdelingen belichten het speelgoed van vroeger. Of toch tenminste het speelgoed van de rijkere klasse, want de minder begoeden speelden met wegwerpmaterialen. Waardeloos, dus zelden voor het nageslacht bewaard. In de andere secties vind je taferelen uit het Kontichse volksleven. De school, het gildewezen en de vele cafés laten ons mijmeren over een dorp dat ooit is geweest en nooit meer zal zijn. Het moge duidelijk zijn dat het hernieuwde museum voor iedereen wel wat in petto heeft en dat ook de vaste bezoeker aan zijn trekken zal komen. Het komt er nu op aan om die stap te zetten en daadwerkelijk het museum te bezoeken. Paul Catteeuw en Paul Wyckmans

Hernieuwing abonnement 2015

Als je van dit nummer van Reineringen houdt, dan ligt ook de toekomst van dit blad je nauw aan het hart. Wie in 2015 ALLE 4 nummers wenst te ontvangen schrijft minimum 15 euro over op bankrekening BE77 4155-04422142 IBAN-kenmerk KREDBEBB met vermelding van uw naam, adres en “Reineringen 2015”.

in Re eri en

ng 6.1

4

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


Abraham Hans, een Kontichse reus (deel 3) Op het einde van het vorige stukje zien we hoe Abraham Hans met zijn familie op de vlucht slaat bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. We putten hiervoor nog eens uit dezelfde werken van Walraed, Van den Dooren en Marchau. Ook alle citaten komen uit deze werken.

De Eerste Wereldoorlog

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

6.1

In de tijd vlak voor de Eerste Wereldoorlog is Abraham Hans een gevestigde waarde geworden in de journalistiek. Dankzij zijn reportages en zijn verhalen gaan de oplages van Het Laatste Nieuws met sprongen omhoog. Nochtans weet hij duidelijk tegen de haren van de gevestigde waarden in te strijken. Dat hij een protestant is, hebben we al verteld. En dat dit bij de katholieke en franskiljonse overheid van het unitaire België niet in goede aarde viel, was te verwachten. Maar daarover later meer. Ook de burgerlijke overheid laat hij niet met rust, want hij blijft een echte voorvechter van het volk en de volksverheffing. Zo schrijft hij: “Ons volk staat laag. Lager dan in andere landen. Het is vrij in naam, de meesters zijn hard. Veel scheidt hen van het volk. Ze spreken een andere taal en die van het volk beschouwen ze als een gewesttaal”. De franskiljonse bourgeoisie is uiteraard niet opgetogen met die opruiende taal, maar het maakt Hans alleen maar populairder. En nog stoutmoediger, want hij trekt mee ten strijde – althans met de pen – voor de vernederlandsing van de universiteit in Gent. Hierover schrijft hij: “Maar om samenwerking te krijgen tussen alle standen, zouden we een Vlaamse hogeschool moeten hebben. Dan kregen we ingenieurs, rechters, advocaten en leraars die de taal van het volk beter zouden begrijpen. En als ze het volk goed kennen, zullen ze voelen hoe het hun plicht is mee te werken aan de lotsverbetering van de massa”. Voor wie zijn geschiedenis een beetje kent, dit moet in principe als muziek in de oren klinken van heel wat Vlamingen en van de Duitse bezetter. Maar Abraham Hans praat de mensen niet naar de mond omwille van politieke motieven. Wel in tegendeel. Tijdens zijn reisreportages ziet hij o.a. in Aarschot en Leuven wat de Duitsers aanrichten. En hij neemt de Duitse bezettingsmacht zwaar op de korrel. Hij spaart daarbij man noch paard en beschrijft realistisch wat hij ziet en wie dat aanricht. Detaillistisch beschrijft hij de wreedheden van de Duitsers en haalt daarmee de woede van de bezetter op de hals. Van een schijnbaar objectieve medestander wordt hij een geducht tegenstander. In vrij korte tijd heeft hij dus de kerk, de overheid en de bezetter tegen hem in het harnas gejaagd, maar dat komt zijn populariteit bij de gewone bevolking alleen maar ten goede. De Duitser willen hem aanhouden, maar met behulp van vrienden weet hij op het laatste ogenblik met zijn familie naar Nederland te vluchten. Zelf schrijft hij hierover: “Toen in september 1914 de gemeenteonderwijzers met verschillende diensten werden belast, heb ik mij ter beschikking gesteld van de heer hoofdopziener, die met de meeste lof over mijn journalistiek werk sprak en mij aanzette daarmee voort te gaan. Ik volgde dus weer ons leger voor het Nederlands zeer pro-geallieerd dagblad ´De Telegraaf´ van Amsterdam, maakte de aftocht naar West-Vlaanderen mee en beleefde de bezetting dezer provincie door de Duitsers mee. Getuige zijnde van de schanddaden aldaar, achtte ik het mijn plicht deze kenbaar te maken en vooral het optreden van de vijand te Roeselare en omgeving. Temeer daar de tekenaar Ramaeckers hierbij een plaat (tekening, n.v.d.r.) liet verschijnen, maakten deze berichten grote opgang alsook het nieuws dat ik over de IJzer seinde zodat het in de ganse wereldpers overgenomen werd. Dit had echter tot gevolg dat ik op de zwarte lijst der Duitsers werd geplaatst. Reeds in oktober 1914 werd ik van goed ingelichte zijde gewaarschuwd bij dringend telegram ´Pas op voor uw persoonlijke veiligheid als gij u naar België begeeft. ´Dit heeft er mij echter niet van weerhouden tot in april 1915 in het geheim van Sluis naar België te gaan. Vele feiten bewezen me dat bovenbedoeld telegram geen loze vermaning was als een poging tot omkoping om niet meer tegen Duitsland te schrijven en listen van uitdagers over de grens te brengen zodat ik in november 1914 ternauwernood aan aanhouding ontsnapte bij Maldegem”. Abraham Hans is dus een van de weinige Nederlanders die actief bij de oorlog op Belgisch grondgebied was betrokken. Daarbij schuwde hij dus lijf noch leden, met als enig doel om de wereld te vertellen over de gruweldaden van de oorlog. Hans zou waarschijnlijk nu een oorlogscorrespondent à la Rudy Vranckx of Jens Fransen zijn. Recht voor de raap, niet buigend voor politieke motieven, maar steeds pogend om het onderste naar boven te spitten. Het is namelijk in deze periode dat hij ontbolstert tot een bekwame journalist. De uitzonderlijke omstandigheden dwongen Abraham Hans tot doorgedreven professionalisme, waardoor hij boven zichzelf uitgroeide.

5


Vanuit Knokke vluchtte hij tenslotte naar Sluis en hij belandde uiteindelijk in Vlissingen. In het vrije Nederland maar erg dicht bij zijn geliefde Vlaanderen. Van hieruit schreef hij voor De Telegraaf stukjes over de oorlog die enkele kilometers verder woedde en waar men in het vrije Nederland niet altijd echt weet van had hoe de vork nu precies in de steel zat. Vlissingen was een logische keuze, omdat er via deze haven een verbinding was met Groot-Brittannië. Dat betekende ook dat er heel wat Belgen in beide richtingen passeerden. Militairen en burgers, vluchtelingen en geïnterneerden. Hij werd daardoor vaak de link tussen Vlamingen in bezet gebied en landgenoten in het vrije stukje België achter de IJzer. Zijn talloze gesprekken met deze mensen waren uitstekend materiaal voor talloze artikels, maar die oorlogsjournalistiek was voor een multitasker als Abraham Hans uiteraard niet genoeg. Hij bekommerde zich om het lot van de vluchtelingen, gaf hen Engelse les en zorgde zelfs voor een dienst die zich het lot van de krijgsgevangenen in Duitsland aantrok. Hij stichtte er zelfs een toneelvereniging die stukken zoals De leeuw van Vlaanderen opvoerde. Hij sloot zich bovendien aan bij het werk van de oorlogsmeesters onder leiding van mevrouw Hullebroeck, echtgenote van de bekende toondichter Emiel Hullebroeck. Ook weer hier kunnen we de vraag stellen, wanneer Abraham dit alles voor elkaar kreeg. Vermoedelijk had de man weinig slaap nodig en beschikte hij over een uitzonderlijke werkkracht om al deze taken tot een goed einde te leiden. De laatste drie weken van de oorlog bemachtigt hij een reispas en fietst hij door heel West-Vlaanderen. Blijkbaar hadden de Duitsers toen al duidelijk andere zorgen, want ze lieten hem met rust. En over de bevrijding schrijft hij het volgende: “´t Was de avond van 12 november 1918. Ik reed per fiets van Brugge naar Gent. In alle dorpen lagen Belgische soldaten. De volgende dag zouden de koning en de koningin hun intocht houden te Gent. We kwamen ´s avonds in de Arteveldestad aan. Ik had enige brieven mee van soldaten voor hun familie. Ondanks het late uur wilde ik er nog bestellen voor het slapen gaan. Eerst moest ik bij een eenzame oude man zijn, die alleen in een huis op de kade woonde. Vier jaar lang had hij gen nieuws van zijn zoon gehad. En nu kwam ik met een brief… De vader wilde de brief lezen; maar tranen befloersten zijn ogen en druppelden op het papier. Het nieuws leek te schoon om het te kunnen geloven …” Uit dit stukje blijkt wat voor een merkwaardige man Abraham Hans wel was. Hij zoomt niet in op de intocht van het koningspaar, maar belicht net het kleine geluk van een eenzame vader. Het getuigt van zijn diepe menselijkheid, zijn bekommernis om de gewone man, met andere woorden hij was een sociaal bewogen reus. Zijn verslagen verschijnen in verschillende kranten en in Het Laatste Nieuws van 9 en 10 december 1918 wordt hij hiervoor terecht gehuldigd. Hij nam ontslag bij De Telegraaf en ging in vaste dienst bij Het Laatste Nieuws. Hoe verschrikkelijk de oorlog ook was, voor Abraham is die tegelijkertijd zijn leertijd en zijn masterproef. Maar zijn werk leert ons dat hij met glans is geslaagd en klaar voor het grote werk. Na de wapenstilstand keert hij samen met zijn gezin terug naar Kontich. In en volgende aflevering vertellen we u dan hoe zijn carrière verderliep. Paul Catteeuw

in Re eri en

ng 6.1

6

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


HET LANDBOUWCOMICE VAN KONTICH Evolutie in de landbouw ook in onze streken

Zoals in het Vlaamse land in zijn geheel herkennen we ook in de streek van Kontich en omliggende de grote tijdperken van de landbouwgeschiedenis. Aanvankelijk en tot in de veertiende eeuw zien we kleine landelijke groeperingen ontstaan, die zich ontwikkelen tot dorpen en gemeenten. Zij vormen een waarborg voor de voeding van de lokale bevolking. In een tweede periode, grofweg tot bij het einde van de Oostenrijkse periode, ontstaat er een plattelandseconomie die steunt op de landbouw als familiebedrijf. Rond 1700 woont slechts 10% van de bevolking in steden. Landbouwers en ambachtslui op het platteland voorzien in de eigen behoeften en in die van de stedelingen. Stilaan beginnen de steden aan belang te winnen en hun bevolking groeit aan tot 20%. Dit betekent dat nog steeds 80% op het platteland woont, maar er ontstaan gewesten waar bepaalde takken van landbouw en ambachten samentrekken en zich meer specialiseren in de teelt van graan, gerst, vlas, het brouwen van bier en de productie van textiel. Nog altijd in het kader van familiale bedrijven. In een derde periode, grosso modo vanaf de Franse Revolutie (1789) tot aan de Eerste Wereldoorlog, groeit de stedelijke bevolking sterk aan, aangetrokken door de mechanisatie en de industrialisatie van onze gewesten, geconcentreerd in verstedelijkte gebieden. De grote landbouwgezinnen zoeken voor een aantal kinderen oplossingen buiten het familiebedrijf en dit betekent in onze streken voor jongens werk in de industrie of in de snel uitbreidende haven van Antwerpen (er is tolvrije doorvaart van de Schelde op Nederlands grondgebied sedert 1863) en voor de vrouwen als meid, poetsvrouw en ander dienstpersoneel bij gegoede families of in de textiel- en voedingsindustrie. Steden groeien zo snel dat vele mensen er enkel kunnen overleven in erbarmelijke omstandigheden, samengepropt in ‘beluiken’, steegjes met eenlaaghuisjes en slechts één gemeenschappelijk toilet en waterput. Het laatste nog bestaande beluik in Kontich blijft vandaag enigszins verborgen aan het einde van een smalle doorgang tussen 2 huizen en paalt achteraan aan de tuin van het documentatiecentrum.

Joris Olyslaegers schetste de toegang van het beluikje in een van zijn memorabele kalenders uit de tachtiger jaren van vorige eeuw.

Zelfde beeld, vastgelegd door een lens voor de eeuwigheid?

Een blik op de huisjes achteraan met een beeld van de waterput.

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

6.1

Het platteland heeft daarbij ook nog te kampen met diverse misoogsten zoals enkele aardappelplagen in de jaren 1845-1847 en mislukte graanoogsten ten gevolge van hagel, storm en droogte in de volgende jaren. Wie toch hier blijft, zoekt werkgelegenheid als seizoenarbeider in Waalse mijnen en steengroeven of in Frankrijk als boerenknecht bij het inzaaien, onkruidvrij maken en oogsten van bieten, vlas en andere gewassen. Ronselaars voor seizoenarbeiders verzamelen Vlaamse hongerlijders in herbergen waaraan vandaag enkel nog namen als ‘De Vlasschaard’ in Kontich-Kazerne aan het station en ‘De Vlashoeve’ in Onze-Lieve-Vrouw-Waver mogelijk refereren. Ook voor deeltijds werk in de Noord-Franse industrie kon men zich daar engageren. De Belgische

7


regering maakt dit vanaf 1835 mee mogelijk door de aanleg van een dicht spoorwegnet en een halteplaats of station in elk dorp. In Kontich alleen al 17 km rails, drie stations en later twee en een halteplaats en verbindingen met AntwerpenZuid, Antwerpen-Centraal, Mechelen-Nekkerspoel, Lier, en via Mechelen-Centraal naar Brussel. Vanaf het midden van de negentiende eeuw was emigratie naar de USA en Canada (per schip van de Red Star Line) voor duizenden Vlaamse jongeren en complete boerenfamilies de enige oplossing, op zoek naar landbouwgronden en/of werk in grote Amerikaanse industriegebieden. Tot slot zien we na WO I en tijdens het interbellum onze basisindustrie (koolmijnen, ijzer- en staalproductie, …) stilaan evolueren naar een toeleveringsindustrie. Steden en hun werkgelegenheid buiten de landbouw vergroten op die manier hun invloed. Landbouwbedrijven worden alsmaar groter en geleid door hoger opgeleide en meer gespecialiseerde ‘bedrijfsleiders’. Ze stellen als maar minder mensen te werk, dankzij een doorgedreven mechanisatie en specialisatie en vergen alsmaar meer investeringen. Gans het kanton Kontich behoort tot de Vlaamse zandleemstreek. Deze streek kenmerkt zich vooral door haar zandige leemgronden of ook lemige zandgronden, waarborg voor goede productiemogelijkheden. De hoogste opbrengst bij de teelt van graangewassen, bieten en aardappelen in de provincie Antwerpen kon men in de zestiger jaren van de vorige eeuw in de (bijna verdwenen) Antwerpse polders optekenen. Op de tweede plaats volgde onze regio. Inderdaad, tot ongeveer 1960 was het gewest Kontich bekend voor haar welvarende landbouwbedrijven. De gemiddelde melkveestapel was groter dan elders in de provincie en vele bedrijven hadden buiten de melklevering aan de melkerijen (bv. Inza Schoten, Bonilac Lier of vroeger nog de inmiddels verdwenen melkerij Sint-Michiel te Waarloos) ook nog gunstige verkoopmogelijkheden door de huis-aan-huisverkoop van verse hoevemelk, door melkleveringen aan klinieken, godshuizen en ouderlingentehuizen.

Bladzijde Uit den Omtrek ‘De Stad Antwerpen’ van1929. Tijdens de jaarmarkt wordt de stoommelkerij ‘Sint-Michaël”’ met de eerste prijs vereerd voor deze verzorgde stand.

in Re

Ook voor de bevoorrading van de streng joods-orthodoxe gemeenschap in Antwerpen kwam men naar Kontich elke dag enkele melkstopen laten vullen bij boeren in de Keizershoek. Om koosjer te kunnen koken betrokken deze chassidische joden hun melk slechts van enkele in vertrouwen geselecteerde bedrijven waar het melken pas mocht beginnen in aanwezigheid van een rabbijn die het daarbij horende gebed vooraf diende uit te spreken. Wie heeft ooit in de jaren vijftig van vorige eeuw het ezelskarretje met rabbijn en voerman en hun lading melkstopen van de boerderij van Bouwens of die van Bertels in de Keizershoek naar Antwerpen zien terugrijden?, Later vervangen door een groene gesloten camionette, enkel voor ingewijden nog herkenbaar? Voor wat betreft de veestapel vermelden wij volledigheidshalve dat het zwartbonte vee eertijds de voorkeur van onze landbouwers wegdroeg. Stilaan evolueerde de veeteelt echter mee in de richting van de vleesproductie. Het Belgische witblauwe ras was hiervoor uitermate geschikt en door rasveredeling kwam men tot de zogenaamde dikbillen waarbij de kalveren zo groot werden dat ze bij de geboorte met een keizersnede moesten gehaald worden. Hiervoor was in bijna alle gevallen een veearts noodzakelijk. Het is dan ook niet te verwonderen dat vandaag enkele vooruitziende

eri en

ng 6.1

8

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

6.1

bedrijfsleiders intussen zijn overgeschakeld op runderen van het (Franse) Limousinras waarbij natuurlijke geboorten van kalveren terug in de wei (zonder tussenkomst van een veearts) mogelijk worden. In onze regio werden er vroeger ook met veel toewijding paarden gefokt. In Kontich en Edegem werden er jaarlijks paardenprijskampen georganiseerd. In 1950 deed de tractor zijn intrede op het landbouwbedrijf en in 1960 was de aanwezigheid van tractoren zelfs een normaal verschijnsel. Toch behielden enkele bedrijfsleiders een rijpaard, eerder als hobby… De laatste dertig jaar ondervonden landbouwbedrijven echter heel Paarden fokken werd een specialiteit in de wat moeilijkheden om de algemene trend van schaalvergroting en het gebruik van techniek en technologie te blijven volgen. Iedereen regio en deelnemen aan veeprijskampen was interessant. herinnert zich nog de nieuwe Europese landbouwpolitiek, haar subsidiëringspolitiek en de roep naar grotere bedrijven, gepropageerd door toenmalig Europees commissaris voor de landbouw, de Nederlander Sicco ManshoIt. In de Kempen slaagde men er nog in om de melkveestapel op te drijven tot 40 of meer koeien per bedrijf, dankzij de beschikbare grond aan de hoeve en de nieuwbouw van stallen. In Kontich, Edegem en omstreken kon dit in de meeste gevallen niet meer. Oudere boeren op kleine bedrijven met 5-10 koeien en minder dan 10 ha gaven er dan massaal ook de brui aan. Dikwijls ook bij gebrek aan opvolging. Ook de woonuitbreiding en de nieuwe bestemmingen van de grond – erg nadelig voor de landbouw - hadden een remmend effect op de uitbreiding van de melkveestapel. De hoge grondprijzen en de “vlucht” van de stadsbevolking naar de randgemeenten brachten verdere verstedelijking mee van deze gemeenten, te beginnen met Wilrijk, Mortsel, Edegem en Hove. Ook Kontich ontsnapte vanaf de zestiger jaren niet meer aan deze evolutie. Voeg daarbij nog dat de melkerij de boeren verplichtte om een koelinstallatie te installeren omwille van hygiënische redenen. Economische motieven beperkten de dagelijkse melkophaling bij de boeren door de melkerij tot twee keer in de week en ze werd ook uitgevoerd door grotere vrachtwagens. Daarvoor moest er in een aantal gevallen zelfs een steviger gefundeerde toegangsweg tot het bedrijf komen. Opnieuw veroorzaakte dit extra investeringen terwijl de melkprijzen niet volgden. Het is dan ook duidelijk dat de bedrijfsopvolging in de land- en tuinbouwsector momenteel zeer gering, zo niet onbestaande is. We laten dan de EU-quota voor melk en diverse andere landbouwproducten en de daarbij horende boetes voor overproductie dan nog buiten beschouwing. Voeg er tenslotte ook nog de globalisering van de voedselproductie bij en onze landbouwers staan vandaag voor immense problemen. Waar bleven in Kontich de boerderijen, soms tamelijk grote maar ook vele kleintjes? Hun familienamen klinken zovele Kontichnaars nog altijd bekend in de oren en tonen ons vervlogen hoevebeelden: Huygelen op de Prins Boudewijnlaan, Vervliet in de Villermontstraat, Schroyens met de monumentale neogothische schuur, Crauwels op Altena, Willems in de Bautersemstraat, Kempeneers uit de Ooststatiestraat, de pachtboeren van de ‘Blauwe Pan’ of het ‘gasthuis’ in de Drabstraat, Liekens, Wyckmans, Bouwens en Bertels in de Keizershoek, Grijp in de Pierstraat, Cautreels in de Rompelei, Renders in de Reetsestraat, zonder te spreken van de boerderijen van Willemen, Tuyteleers, Hoefkens, Dekkers, Malisart en anderen ‘achter’ Kontich-Hof…, Wachters, Geysemans, Van Dessel en Koeien voor melkproductie, altijd maar meer Lemmens uit Waarloos en de tientallen anderen waarvan ik de om het bedrijf rendabel te houden namen stilaan vergeten ben… De openluchtteelt van groenten had nood aan kleinere oppervlakten en de nabijgelegen steden en grote agglomeraties vereisten een constante voedselbevoorrading. Zo groeide de specialisatie verder naar openluchtteelt van groenten. Edegem had ook een aantal boomgaarden waar stilaan de laagstammen hun intrede deden maar een grote oppervlakte hebben zij nooit ingepalmd. In onze regio was deze activiteit meer iets voor Vremde, Broechem en Ranst. Enkele kippenbedrijven voor eierproductie, varkensstallen, een kalkoenfokkerij, een nertskwekerij ze kregen door de oprukkende verkavelingen heel wat last met buurtcomités omwille van reuk-, geluids-, mest- en vervuilingshinder.

9


Te Boechout, Vremde en Aartselaar maar ook in Edegem en Kontich steeg sinds 1960 het aantal tuinders met verwarmde warenhuizen (grote glazen kassen met verwarming en automatische verluchting voor de binnenteelt van groenten) zeer sterk. Het zijn technisch zeer geperfectioneerde bedrijven, het merendeel met teelten eerst van sla en tomaten, later ook komkommers. Toen de EU uitbreidde en Zuid-Europa massaal groenten ging produceren voor de export, schakelden de serristen in onze regio massaal over op bloemen Stilleven van kleurrijke, of specialiseerden zich in nicheteelten: smakelijke volle grond- en paprika, aubergines, zelfs kiwi’s onder serregroenten veertig jaar glas werden geproduceerd. geleden. De enorme stijging van de brandstofprijzen begin jaren ’80 zorgde ervoor dat een aantal van hen Graficus Joris Olyslaegers schetste eertijds in de winter onder glas peterselie, kervel, radijsjes en andere minder de hoeve Wyckmans-Waumans in de aan hoge warmte gebonden groenten en kruiden gingen kweken. Keizershoek en mijmerde nog wat na. Hiervoor diende slechts de vorst uit de serre gestookt, wat financieel nog draaglijk was. Ook plantenkwekerijen en een zeldzame boomkwekerij vervolledigden het plaatje en kwamen in de plaats van de eertijds zo beroemde cactuskwekerij ‘De Laet’ op de Duffelsesteenweg te Kontich.

De landbouwcomicen

Welke rol speelden landbouwcomicen vanaf het midden van de vorige eeuw? Tijdens de Hollandse periode (1815-1830) in onze vaderlandse geschiedenis woonde nog ruim zestig percent van de bevolking op het platteland. In onze streken bestonden er toen al verschillende landbouwverenigingen maar die waren niet officieel erkend. Op die erkenning moest er in het kersverse België nog gewacht worden tot in 1845. De aardappeloogst was toen totaal mislukt. In allerijl werden de bestaande landbouwverenigingen gereorganiseerd. In 1848 werden bij Koninklijk Besluit de eerste provinciale landbouwcommissies heropgericht en verscheen voor het eerst de term ‘landbouwcomicen’. In 1884 bestonden er al 16 landbouwcomicen in onze provincie. Op provinciaal vlak hingen ze af van de toenmalige provinciale landbouwcommissies die overgenomen waren uit het Hollands bestuur. Hun doel? • Advies verstrekken in allerlei aangelegenheden zowel aan het provinciaal-, als aan het landsbestuur. • Veeprijskampen en tentoonstellingen inrichten bij wijze van voorlichting. • Ondersteunen van de kantonnale commissies van Kontich en Boom, belast met het doorgeven van de jaarlijkse landbouwstatistieken. • Inrichten van een “tijdelijke melkerij en huishoudkundige school” waar de meisjes uit de “landbouwstand” een opleiding konden volgen. (voorloper van wat later de landbouw- en huishoudkundige lessen in het reguliere onderwijs zullen worden); • Aanleggen van een ‘boekerij’ met landbouwkundige werken, voor zover de financiële toestand van het lokale comice dit toeliet. Er werden kredieten voorzien voor voordrachtgevers, het aanleggen van proefvelden, de verbetering van paarden- en runderrassen, de invoer van Hollandse stieren en de gezamenlijke aankoop van werktuigen. Aanvankelijk speelden die comicen een vrij grote rol in het plaatselijk landbouwbeleid en hielden ze zich bezig met alle landbouwproblemen. Stilaan moesten ze sommige van hun bevoegdheden afstaan aan diverse gespecialiseerde diensten, namelijk aan het Ministerie van Landbouw (1884) of aan beroepsverenigingen. Zo worden vanaf 1898 veekweeksyndicaten door de comicen gesteund en krijgen vrije landbouwverenigingen een aantal voorbehouden ‘zetels’ in de Hoge Landbouwraad.

in Re eri en

ng 6.1

10

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


Zonder veel aan belang in te boeten werden de comicen aldus genoodzaakt een deel van hun bevoegdheden af te staan aan deze nieuwe organisaties. De gunstige invloed van de comicen op de landbouw werd duidelijk merkbaar op het einde van de 19e eeuw wanneer de scheikundige meststoffen op de markt kwamen. Zelfs in onze contreien met hun vruchtbare gronden liet de noodzaak van een goede landbouwvereniging zich voelen. In 1924 onderstreept het K.B. van 15 september opnieuw het belang dat aan landbouwcomicen wordt gehecht. Maar nadien zien we een aantal van hen wegkwijnen terwijl anderen zich weten aan te passen aan de technische, economische en sociale vooruitgang. Ook fusies van comicen ontstaan die in samenwerking met rijkslandbouwingenieurs demonstraties met nieuwe technieken en nieuw materiaal en schriftelijke informatie verspreiden en diensten voor hun aangesloten landbouwers vervullen. Maar…vrije beroepsverenigingen, vakbonden van landbouwers en commerciële samenwerkingsverbanden nemen een groot aantal van de doelstellingen van de comicen over met meer bevoegdheid, overtuiging, volharding en doeltreffendheid. Voeg daarbij dat het K.B. van 1924 voorzag in een minimum aantal aangesloten leden, namelijk 50. Een comice met minder leden werd anders opgeslorpt door een naburige comice. In 1977 ruimt een nieuw K.B. geen officiële plaats meer in voor de landbouwcomicen. Vanaf dan moeten zij hun erkenning aanvragen om als landbouwvereniging met beperkt doel erkend te worden en zich onderwerpen aan het nieuwe kaderreglement. Toch blijven ze tot op de dag van vandaag een waardevol hulpmiddel voor de rijksvoorlichters. Bijna honderd veertig jaar landbouwcomice Kontich-Boom In de loop van het jaar 1876 dienden 33 inwoners van Kontich en omgeving dan ook bij de “Landbouwmaatschappij van het Noorden” een verzoekschrift in om een comice op te richten. Dat comice zou de kantons Kontich en Boom behelzen. De heer J.B. Reypens van Mortsel was hiervan een van de grote bezielers. De Landbouwmaatschappij van het Noorden, gevestigd te Antwerpen, gaf in haar vergadering van 23 februari 1876 de toelating om een gewestelijke comice op te richten: “De bestuurraad willigt in de aanvraag van inwoners der cantons Contich en Boom tot inrichting eener afdeeling welk te Contich haren zetel zal hebben, te vereenigen en in overeenstemming met hen al de nodige maatregelen te nemen voor derzelver inrichting”. Dit volgens artikel 19 van het reglement. De inwoners van Kontich en Boom lieten er geen gras over groeien. De stichtingsvergadering had al plaats op 25 juni 1877. De stichtingsakte die de namen van al de aanwezigen vermeldde is helaas verloren gegaan. De namen van de bestuursleden van het eerste uur konden wij echter nog achterhalen: • Voorzitter: de heer Moretus de Theux uit Aartselaar • Eerste ondervoorzitter: J. Van den Bril uit Boom • Tweede ondervoorzitter: J. Van den Wouwer uit Kontich. • Secretaris: A. Carpentier uit Kontich • Afgevaardigden voor de “Maatschappij” • J.B. Reypens uit Mortsel • Van den Eynde uit Reet Reeds het jaar daarop in 1878 richtte het comice haar eerste prijskamp in. Op het programma stond: Tentoonstelling met prijskamp van paarden en hoornvee, veld- en hofvruchten, landbouwwerktuigen, bieënteelt (sic) en melkerijtoestellen.

Bestuur en lidmaatschap

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

6.1

De comicen bestaan voor het grootste gedeelte uit landbouwers, maar ook uit sympathiserende leden zoals veeartsen, professoren, onderwijzers, enz… Het comité dat uit twaalf gedelegeerde leden bestaat heeft een mandaat van drie jaar. Een derde ervan is jaarlijks hernieuwbaar. De leden mogen slechts twee opeenvolgende mandaten uitoefenen. De voorzitter wordt door het comité gekozen en zijn verkiezing wordt door de algemene vergadering bekrachtigd. Er zijn twee vicevoorzitters. Het comité dat bijeenkomt wanneer het nodig is, vormt de eigenlijke motor van het comice. Het werkt de begroting en het activiteitenprogramma uit en zorgt voor de uitvoering ervan. Het wordt in zijn activiteiten geadviseerd door een landbouwkundige rijksingenieur, vandaag van het Vlaams Gewest. Deze speelt trouwens een doorslaggevende rol in het succes en in de doeltreffendheid van de activiteiten en in de uitstraling van het comice. • De middelen om de activiteiten van het comice te financieren zijn beperkt: • de bijdragen van de leden • de toelagen van het ministerie (deels forfaitair, deels volgens het aantal leden)

11


• de gebeurlijke toelagen van de gemeente • de toegangsprijzen tot de wedstrijden. Al zijn de archieven uit de aanvangsperiode verloren gegaan, de ledenlijst van 1910 tot 1973 bestaat gelukkig nog en daaruit kunnen we wel enige gevolgtrekkingen maken aangaande de belangrijkheid van het comice. Wie denkt dat de geachte leden uitsluitend landbouwers waren, heeft het mis. In 1910 was de ledenlijst van Kontich als volgt: • R. Jansen, burgemeester • Ed. De Meulder, schepen en brouwer • Fr. Van Roy, schepen, herbergier en garagist met takeldienst en taxibedrijf • Cl. Thees, gemeentesecretaris • J. De Nies, rijksveearts • Eug. Van Dijck, notaris • L. Cassiers, rustend hoofdonderwijzer • J. De Locht, hovenier • H. Voorspools, wijnhandelaar • Fr. De Laet, bloemenkweker (gespecialiseerd in cactussen) • C. Liekens, smid (Waarloos) • P. Piron, hoefsmid (Kontich) • August Schoesetters, maalder • 25 landbouwers Vermits er bijna nooit sprake is van adressen kan men veronderstellen dat in een dorp iedereen voldoende gekend was. De enige adressen die er in de ledenlijst voorkomen zijn die van inwoners van steden als Antwerpen en Mechelen. Eerst in 1925 werd elk lid met zijn adres in het boek vermeld. Wegens plaatsgebrek (?) werd het beroep dan weggelaten. Een opsomming geven van al de verschillende leden is hier niet op zijn plaats maar het is wel interessant om te weten welke gemeenten deel uitmaakten van het comice en hoeveel aangesloten (betalende) leden er waren. Voor de oorlogsjaren 1915 tot 1918 zijn geen inschrijvingen te vinden in het ledenboek. Het zou kunnen dat het comice haar activiteiten voor die periode noodgedwongen heeft moeten stopzetten. Wel zien we dat de Duitse bezetter zich hier ook laat gelden.

Verplichte inschrijving van paarden en wagens.

in Re eri en

ng 6.1

12

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


Oprichting van een bijhuis van een Duitse dienst voor aankoop van huiden en vellen te Brussel en inkoop ervan tegen vaste prijzen.

Verbod om paarden en koeien vrij te slachten en kweekdieren te laten verdwijnen.

Verplichte aangifte van havervoorraden boven de 500 kg, oplijsting door de gemeente en melding bij de Duitse overheid, alsmede paarden in particulier bezit.

6.1 Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

Waarschuwing tegen voedselverspilling en hergebruik voor dierenvoeding samen met groenafval, hier mag de burgemeester ook mee ondertekenen.

Dieren, geslacht bij gebrek aan veevoeder dienen bij voorkeur te worden gepekeld, gezouten en/of met zorg geconserveerd.

13


Enkele voorbeelden van Duitse maatregelen in de eerste oorlogs maanden te Kontich en binnen de ganse vesting Antwerpen, binnen- en buitenfortengordel: Verder valt het op dat het boek stopt in 1973, maar het lidmaatschap kan wel doorlopen. Ook bestaat er voor de jaren 1926 en 1927 maar één ledenlijst.

1 lid 1 schepen 16 landbouwers 1 hoefsmid 1 hofbouwkundige 1 eigenaar 1 hoefsmid

Mechelen

1 schaapherder 1 landbouwingenieur 4 landbouwers 1maalder 1 herbergier 8 landbouwers 1 lid

Niel

1 Landbouwer

Boom

1 landbouwer (?)

Hemixem

1 maalder

4 landbouwers

Duffel

1 winkelier (geschrapt) 1 landbouwer (geschrapt)

Waerloos

6 landbouwers

Linth

2 landbouwers

Bouchout

Hove

1 rentenier 3 landbouwers

Reeth

Antwerpen Aertselaer Rumpst Mortsel Wilrijck Vremde Schelle

2 maalders 2 landbouwers 7 landbouwers

In 1922 vinden we de volgende bestuurssamenstelling • voorzitter: Karel Schroyens uit Kontich • eerste ondervoorzitter : Joannes De Weerdt uit Edegem • tweede ondervoorzitter: Louis Vermeylen uit Reet • schrijver: Arthur Van Dijck uit Kontich • bestuursleden: • Van Brempt, Boechout • Jaak De Weerdt, Aartselaar • Hubert De Groof, Kontich • Verlinden, Hove • August Van Keer, Rumst • J.Smits, Lint • Willem Juchem, Mortsel De bestuursleden in 1940 waren • voorzitter: Jos Smits uit Lint • ondervoorzitter: Louis Gustaaf Vermeylen uit Reet • schrijver: Arthur Van Dijck (onderwijzer gemeenteschool) • bestuursleden: • Henri Heymans, Schelle • August Schroyens, Kontich • Louis Van Brempt, Boechout • Constant Goovaers, Boechout • August Hendricks, Boechout • Frans De Weerdt, Edegem • John Juchem, Mortsel (burgemeester van Mortsel) Boechout en Edegem zijn dan goed vertegenwoordigd. Twee ondervoorzitters waren misschien van het goede te veel? Op de bestuurslijst van 1940 is er nog slechts sprake van één ondervoorzitter en dat zal zo blijven. In de oorlogsjaren

in Re eri en

ng 6.1

14

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


1940-1944 blijft het comice werkzaam. In 1939-1941 tellen we gemiddeld 52 leden. In 1943 stijgt dit aantal plots met ruim zestig percent en tellen we 89 aangesloten leden. Tot 1950 blijft dit aantal min of meer constant. We moeten wachten tot 1971 vooraleer wij nog eens een bestuurslijst terugvinden: • erevoorzitter: Jos Simons, Edegem • voorzitter: Constant Govaerts, Boechout • ondervoorzitter: August Vermeylen, Reet • secretaris: Arthur Van Dijck, directeur gemeenteschool op rust • bestuursleden: • Jos Bouwens, Kontich • Leopold De Bruyn, Kontich • Gustaaf Goossens, Boechout • Jos Van Dijck, Vremde • Constant Wachters, Waarloos • Marcel Segers, Wilrijk In ‘de organisatie van de comicen’ lezen we: “…De secretaris moet een bekwaam persoon zijn al dan niet uit het comité gekozen.“ Hij is de enige bezoldigde. Aangezien deze bezoldiging weinig aantrekkelijk is, moet de secretaris vooral een toegewijd persoon zijn.

Arthur Van Dyck, begonnen als onderwijzer in de Gemeentelijke Jongensschool

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

6.1

De eerste schrijver of secretaris van het landbouwcomice van Kontich was Clement Thees. Hij was overdag gemeentesecretaris in Kontich. Wie aandachtig de lijst van bestuursleden gelezen heeft, moet wel in bewondering staan voor de figuur van Arthur Van Dijck, onderwijzer en latere hoofdonderwijzer en directeur, verbonden aan de gemeenteschool te Kontich. Hij was zo maar eventjes 50 jaar secretaris van het comice (1921-1971). Na zijn afscheid vinden we nog de heer Segers (1972-1985) en Hugo Gielis uit Reet (1985-?) terug. De huidige secretaris woont in Aartselaar: Luc Cornelis. Het bestuur van het landbouwcomice kan men vrij stabiel noemen. Tijdens het 100-jarig bestaan van 1877-1977 tellen we tot vandaag slechts twaalf voorzitters: • 1877 Moretus de Theux • 1891 J. Van de Wouwer • 1901 Edward De Meulder • 1919 Karel Schroyens • 1930 Jos Smits • 1947 August Schroyens • 1966 Jos Simons • 1970 Constant Govaerts • 1973 Jos Van Dijck • 1982 Gustaaf Vermeylen • 1994 Emiel Lemmens • 2014 Peter Van de Vel

15


Prijskampen

We vonden een hele reeks van initiatieven terug. Een volledige opsomming is uiteraard niet mogelijk. Toch enkele thema’s die tijdens vergaderingen in het betreffende jaar aan bod kwamen en waarvoor de leden zich konden inschrijven met hun bedrijf . Na een externe of interne evaluatie kregen zij als ‘prijs’ een geschenk in natura of een bescheiden financiële vergoeding. Ook vandaag nog steeds. De jaarlijkse thema’s die we in het archief konden terugvinden volgen de algemene tendensen in de Belgische landbouw: aandacht voor het milieu, voedselhygiëne, de landbouwer als beheerder van de natuur, mechanisatie, elektrische en algemene veiligheid, orde en netheid in en rond het bedrijfsgebouw… Teelten en veevoedergewassen: 1963 rapenteelt; 1965 violeterwten met haver; 1966 en 1976 onkruidbestrijding in bieten; 1968 onkruidbestrijding in weilanden; 1970 teelt van deegrijpe maïs; 1989 graslanduitbating; 1993 mineralenbalans op het bedrijf. Uitrusting: 1964 en 1971 test van landbouwtractoren; 1967, 1987 en 2005 elektrische uitrusting op het landbouwbedrijf;1990 testen van Een tentoonstelling van planten en meststofstrooiers. tuinaanleg in De Fortuin, binnenkoer en zaal Veeteelt: 1969 winnen van kwaliteitsmelk; 1973 (!), bijna honderd jaar geleden. maagdarmwormbestrijding bij rundvee; uiergezondheid en machinaal melken; 1994 mest en milieu, 1995 hoe kwaliteitsmelk produceren en mestontleding; 1996 bouw en inrichting van een jongveestal; 2001 opfok van jongvee. Gebouwen: 1977 en 1991 hoeveverfraaiing; 1979 netheid op het bedrijf.

Het landbouwcomice Kontich-Boom, meer dan een eeuw actief

De eerste ‘Opendeurdag van de Landbouw’ in augustus 1976 (comice Kalmthout, Essen, Wuustwezel en Brecht) samen met de provincie Antwerpen kende een overweldigend succes. In mei 1977 volgde de streek V.V.V. Noorderkempen (Hoogstraten en Rijkevorsel). In het “Jaar van het Dorp” vierde het Landbouwcomice Kontich haar honderdste verjaardag. Twee kapitale redenen dus om een opendeurdag te organiseren. In samenwerking met V.V.V. Markgraafschap Antwerpen en onder de auspiciën van de Toeristische Federatie van de Provincie Antwerpen werd een “landbouwroute” uitgestippeld langs negen dorpen die deel uitmaakten van het comice Kontich. Deze route verbond Boechout, Borsbeek, Edegem, Hove, Kontich, Lint, Mortsel, Reet en Wilrijk. In elk van deze gemeenten waren één of meerdere boerderijen voor het publiek opengesteld. Honderden belangstellenden fietsten die dag doorheen onze regio, van boerderij naar serrebedrijf, en genoten intussen van verschillende attracties. Voor de belangstellenden was er een tentoonstelling van nieuw en oud landbouwmateriaal dat je zelfs kon aankopen. Een hapje en een drankje, een ijsje en een ponyritje, het kon die dag allemaal. Ook een boerenkermis en … hoe kan het anders in het land van Breughel, ’s avonds een volksbal op een boerenerf en in de schuur. Sindsdien zijn tientallen jaren verlopen en vandaag blijft dit landbouwcomice Kontich-Boom nog steeds overeind, zij het met een stagnerend aantal aangesloten leden, die grotere bedrijven beheren, met meer technische uitrusting en waarvan de bedrijfsleiders steeds beter geschoold zijn.

in Re

Paul Wyckmans Met dank aan HENS Pierre en MENS André, Edegem, dat boerendorp van toen, Davidsfonds Edegem,2013. Blz. 145-147 HENS Pierre, Het landbouwcomice van Kontich-Boom, De Zonneblusser, Tijdschrift van de Heemkundige Kring Edegem, jg. 1998 VAN MEENSEL M., GORIS J., SEGERS M., KENNES E., DE PAEPE J.P., 100 Jaar Landbouwcomice Kontich, opendeurdag van de land- en tuinbouw, Streek V.V.V. Markgraafschap Antwerpen en Toeristische Federatie Provincie Antwerpen, 1978, 33 blz. Emiel LEMMENS, vandaag ere-voorzitter en Luc CORNELIS, secretaris van het landbouwcomice Kontich-Boom, voor de welwillende toelating om het bestaande archief van de vereniging te consulteren. Stadsarchief Antwerpen, Felixpakhuis, Antwerpen

eri en

ng 6.1

16

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


Landbouw in Waarloos en Kontich – Vroeger en nu

T

Verslag van een gespreksavond (12 december 2014)

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

6.1

wee, drie generaties geleden hadden vele families nog wortels in de landbouw. Wie herinnert zich nog het gekletter van de melkstopen, het uitrijden van de gier op de cadans van “Blanche en zijn peird” (Willem Vermandere). Tijd dus om wat nog gekend is uit die ondertussen vervlogen tijden te verzamelen, te bewaren en vooral bekend te houden. En laat dat nu net één van de doelstellingen zijn van onze heemkundige kring. Maar eerlijk is eerlijk, Davidsfonds Waarloos had reeds eerder een aanzet gegeven. Een aantal contacten waren dan ook snel gelegd, een datum geprikt, oude filmpjes en familiefoto’s gedigitaliseerd. En verfrissend, we zouden niet alleen naar het verleden kijken, neen, maar ook vooruitblikken, en dit alles ondersteund door de in Waarloos opgegroeide Sarah Luyten van het Centrum voor Agrarische Geschiedenis (CAG – Leuven). Het opzet bleek aan te slaan. Zaal Sint-Jan liep vol, de sfeer zat erin. Oud landbouwalaam was van de museumzolder gehaald. Het sprekerspanel stond op scherp. Frank Hellemans warmde het publiek op, voor zover dit al nodig was. Sarah lichtte eerst toe wat onder erfgoed wordt begrepen. In het kort is dit alles wat de gemeenschap belangrijk vindt om te bewaren, zowel wat roerend en onroerend goed betreft, als immateriële zaken (gebruiken). Als één van de meer zichtbare verwezenlijkingen van het CAG werd als voorbeeld de erkenning van de Belgische friet als streekproduct aangehaald. Bij deze maken we ook publiciteit voor hun databank “Het Virtuele Land”, Erfgoed van landbouw, platteland en voeding (www.hetvirtueleland.be). Dan werden er een aantal filmpjes geprojecteerd, nog gemaakt door Fr. Uyttendaele die vanaf 1930 filmpjes testte voor Agfa-Gevaert. Waarloos vaarde er wel bij. Deze filmpjes ontlokten menige reactie bij het publiek. Zo werden Jos Ceuppens, “Fonne van den Det” (François De Herdt – metser), de smid en de schoonmoeder van F. Geysemans herkend. Menigeen keek met weemoed naar de schone kajotsters, gefilmd tijdens een Mariaprocessie. Het was nog de tijd van de Boerenjeugdbond. Toen de gemeenteschool in beeld kwam herinnerde Gaston zich dat bij het uitgaan van de school, er eens een voddevent stond, die in ruil voor “vodden”, speelgoed uitdeelde. Dan was het zaak snel aan “vodden” te geraken. In een kinderhoofd was op dat moment het onderscheid tussen een vod en een kledingstuk niet zo belangrijk... Hierop volgde een vraaggesprek. Het panel bestond uit: een oude, maar toch nog in het familiebedrijf actieve boer (René Van Dessel), een boerenzoon, die schrijnwerker werd (Gaston Van de Velde), beiden ruim 80 jaar oud, en de jonge melkveehouder Peter Van de Vel, Algemeen Boerensyndicaat – afdeling Kontich en lid van de milieuraad. Voorwaar een interessant gezelschap. Als moderator en aangever fungeerde Sarah. De grote steenweg vormt de scheiding tussen de meer zandige grond, de kant van Reet, en de zwaardere meer vruchtbare grond naar het Duffelse toe. Daar moest de ploeg worden getrokken door twee paarden. Richting Reet volstond één trekdier. Al maakte René daar dadelijk een kanttekening bij. In zijn schoonfamilie, wonende op die zandgrond werden rond de vorige eeuwwisseling in hetzelfde gezin uit drie zwangerschappen zeven gezonde kinderen gebaard. Zelfs de pastoor kon het niet geloven en weigerde aanvankelijk nog nen “druppel” te schenken. De geestelijkheid verwachtte toen “alle jaren een oogst”, maar dat God zo genadig was…. De toon was gezet, de avond kon niet meer stuk. En sprekende over de vruchtbaarheid en drank. De ligging van de ondertussen verdwenen brouwerij Maes was ook niet toevallig. Boringen hadden uitgewezen dat de binnenplaats van de brouwerij één van de weinige plekken in Waarloos was waar grondwater van goede kwaliteit, nodig voor het Prima Maezenbier, kon worden opgepompt. Elders in dat gebied heb je veel kans dat je geboorde put in een zouthoudende waterlaag terecht komt. Iemand uit het publiek wist nog te melden dat de ondoordringbare kleilagen in Rumst en Waarloos gekenmerkt staan als geschikt voor de berging van radioactief afval. Grote veeteeltbedrijven maken keuzes. In het bedrijf van Peter lopen de koeien nog buiten. Hij heeft een hellingsstal op stro en teelt gras, mais en suikerbiet die voor het eigen melkvee worden ingekuild. Gras heeft afhankelijk van het seizoen een wisselende voedingswaarde. Mais, met een opbrengst van 7 à 8 ton per ha, heeft een vrij hoge en constante voedingswaarde. Als er voldoende oppervlakte beschikbaar is, wordt als krachtvoer soms wintertarwe gezet. Kontich heeft relatief gezien goede landbouwgrond. Als de kleilaag echter te ondiep ligt kan de landbouwgrond onvoldoende worden gedraineerd.

17


Het landbouwareaal in de fusiegemeente Kontich & Waarloos, gelegen op de as Antwerpen-Brussel komt echter alsmaar meer onder druk te staan. De gewone boer kan niet meer op tegen de prijzen die door de particuliere paardenliefhebber voor landbouwgrond worden geboden. Daarenboven komt ook de druk tot het behoud van natuurgebieden. In het bedrijf van René liggen de koeien op zagemeel en matten. Dit spaart werk. De achterliggende roosters worden computergestuurd gekuist. De tochtige koeien worden - zonder veel voorspel - kunstmatig bevrucht (Kunstmatige Inseminatie door Donorsperma, of KID voor de kenners). Hij stipt nog aan dat in Nederland de boeren subsidies krijgen om hun vee op de weide te zetten. Dan wordt het gesprek technisch: vet en lactosegehalte van de melk, het soort vee (Belgisch witblauw of BWB) … je voelde het aan je water. Deze mensen zijn een combinatie van bio-ingenieur-boekhoudereconomist en waarschijnlijk ook nog deels technicus. Ver weg is de eenvoudige stiel van weleer. In het bedrijf van René worden de koeien nog om 6 uur ’s ochtends en om 18.00 uur ’s avonds gemolken. Dit was vroeger niet anders, vertelde Gaston. Op het bedrijf van zijn grootvader werd graan, tarwe, biet en ook wel vlas geteeld. De vlasput herinnert daar nog aan. De tentoongestelde zware en van grote pinnen voorziene vlaskam lag ondertussen te glimmen van trots. Het was een hard leven. Zijn vader die boerde op het Waarloosveld, vulde het inkomen aan met een melkronde. Met paard en kar werd de melk uit de omliggende bedrijven opgehaald en vervolgens naar Antwerpen gereden waar ermee werd gevent van deur tot deur. Maar het was niet allemaal kommer en kwel. Er werd ook leute gemaakt. Zo verzamelden de schoolkinderen op het einde van het seizoen de op het veld achtergebleven patatten, de zogenaamde “schijters”, waarmee de patattenfoor werd georganiseerd. De evolutie van het melken zelf is kenmerkend voor de razendsnelle en hoogtechnologische vlucht die de boerenstiel ondergaat: van het melken met de hand, naar het pottenmelken, later rechtstreeks per pijplijn, dan de mobiele melkinstallatie in visgraat tot, als neusje van de zalm, de robotica. De koe wordt zodanig geconditioneerd dat zij om de zes uur naar de melkinstallatie komt waar zij automatisch wordt herkend en gemolken terwijl ondertussen haar melk wordt geanalyseerd. Wie had dat in de jaren 50 kunnen denken. De mens past zich ongelofelijk snel aan en dreigt de afgelegde weg ondertussen te vergeten. En soms kan het ook niet anders. Zo stond op het bedrijf van René nog heel wat groot landbouwalaam, dat door plaatsgebrek buiten, onder invloed van regen en wind, is verkommerd, of ondertussen een andere bestemming heeft gevonden René herinnert zich nog de aanschaf van de eerste tractor in 1964, met een vermogen van ocharme 42 pk. Nu spreekt men van GPS-gestuurde tractoren met soms meer dan 300 pk vermogen. Op het vliegveld van Weelde vindt jaarlijks nog een oldtimerhappening van landbouwtractoren plaats. Om te dorsen met de vlegel moest je goed geoefend zijn, wilde je blauwe plekken en ruzie met je maten vermijden. Een wanmolen was al een stap verder. Terloops het heemkundig museum Kontich bezit een wanmolen uit 1705, de oudste van de Nederlanden. Gaston herinnert zich nog de door een paardenmanege aangedreven pinmolen. Een snel draaiende en van pinnen voorziene cilinder klopte het graan uit het koren. In feite het principe van de wanmolen, maar dan groter. De omliggende boerderijen brachten hun graan naar de plek waar die molen opgesteld stond. Nu heeft een pikdorser slechts een half uur per hectare nodig om het graan te dorsen en het stro te snijden. Twee mannen in loonwerk volstaan nu. Het is de techniek die het gemeenschapsleven beïnvloedt. En op de hamvraag welke toekomst er nog is weggelegd voor de landbouw in onze gemeente kwam een meervoudig antwoord. Gaston herinnert zich landbouwers die weggetrokken zijn naar de “Walen”, en in de Condroz een bedrijf hebben overgenomen. René denkt dat alsmaar grootschaliger, en dus kapitaalintensiever zal “geboerd” worden. Peter ziet meer heil in het diversifiëren van de activiteiten en samenwerking met de natuurverenigingen. Dit vergt wel afspraken tussen de weinige nog resterende boeren in Kontich. René kreeg het laatste woord: “Zolang de pastoors vragen en de boeren klagen, zal de wereld niet vergaan”. Dat stemt wel tot nadenken, want bij beide beroepsgroepen loopt het aantal roepingen sterk terug. En als toetje droeg René op een onberispelijke wijze een gedicht voor van Guido Gezelle “Boerke Naas”. Vroeger een verplicht te memoriseren gedicht op de lagere school. Voorwaar een boer mag je nooit onderschatten.

in Re

Erwin Van de Velde

eri en

ng 6.1

18

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


Activiteitenkalender en Nieuws Museum voor heem- en oudheidkunde: elke zondag open van 14 tot 17 uur met gids. Het museum is wel gesloten tijdens de maanden juli-augustus en december-januari-februari. Ben je op zoek naar de oude nummers van Reineringen of publicaties die met Kontich te maken hebben? Surf dan gewoon naar www.issuu.com. Op deze webstek tik je bij zoeken gewoon “Reineringen” of “Kontich” in en je komt zo bij onze vroegere nummers terecht. Activiteiten in samenwerking met de Gemeentelijke Erfgoedraad naar aanleiding van de herdenking van de Eerste Wereldoorlog (Data en onderwerpen onder voorbehoud) 13-11-15 - Lezing Paul Catteeuw en Guido Theys: Jozef Van Herck in WOI 11-03-16 - Lezing Janet Dean (kleindochter): Margriet Ballegeer 11-11-16 - Lezing Pieter Serrien: WOI in dagboeken 21-04-17 - Lezing Brecht Demasure: oorlogsvoeding en tentoonstelling: dagelijks leven en hygiëne tijdens WOI 10-11-17 - Lezing Paul Catteeuw: De brieven van Jozef Van Herck tijdens WOI 09-03-18 - Lezing Frank Hellemans en Paul Catteeuw: Dagboek Jozef Van Passen tijdens WOI 11-11-18 - Afsluitende festiviteit: De bevrijding Abonnees van Reineringen – vrienden van het museum Graag houden we jullie op de hoogte van al onze activiteiten en publicaties. Dit is echter enkel mogelijk als u ons uw e-mailadres bezorgt via reineringen@gmail.com . Uiteraard kan u zich altijd laten uitschrijven op eenvoudig verzoek aan hetzelfde mailadres. Facebook Je vindt onze heemkundige kring nu ook op Facebook. We posten er op regelmatige basis foto’s uit de oude (en nieuwe doos). Enkele honderden mensen hebben de weg al gevonden. Hoe geraak je erbij? Zoek gewoon onder “Kontichse historische weetjes”. Ook op LinkedIn zijn we aanwezig. Daar vind je berichten i.v.m. de heemkundige kring.

Abonnement?

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

6.1

Als je van dit nummer van Reineringen houdt, dan ligt ook de toekomst van dit blad je nauw aan het hart. Nieuwe abonnees ontvangen ALLE nummers in 2015 door overschrijving van minimum 15 euro op rekening BE77 41550442-2142 met vermelding van uw naam, adres en “Reineringen 2015”. Het IBAN-kenmerk is KREDBEBB.

19


Reineringen Reineringen 6 (2015), 1 Driemaandelijks (januari - maart 2015) Afgiftekantoor Kontich P912187

INHOUDSTAFEL: Pagina 1 Voorwoord Pagina 2 Jos De Hert heeft ons verlaten Pagina 3 Wij gaan voor een nieuw oud museum Pagina 5 Abraham Hans, een Kontichse reus (deel 3) Pagina 7 Het landbouwcomice van Kontich Pagina 17 Landbouw in Waarloos en Kontich - Vroeger en nu Pagina 19 Activiteitenkalender en nieuws

Colofon Reineringen, Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich, 5 (2014), 4 ISSN 2033-2742 Redactie: Paul Catteeuw, Frank Hellemans en Paul Wyckmans Eindredactie: Paul Catteeuw Grafische vormgeving: Bruno Catteeuw Druk: Drukkerij Hendrickx, Schelle Verantwoordelijke uitgever: Paul Wyckmans, Duivenstraat 22, BE-2550 Kontich Correspondentieadres: reineringen@gmail.com © 2015 – Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich De auteurs zijn verantwoordelijk voor de inhoud van hun eigen bijdrage. Abonnementen (inclusief lidmaatschap “Vrienden van het museum”): minimum 15 euro. Te betalen op rekeningnummer BE77 4155-0442-2142 met de vermelding van uw naam, adres en “Reineringen 2015”. Het IBAN-kenmerk is KREDBEBB. Gelieve eventuele adresveranderingen zo snel mogelijk aan ons mee te delen. Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich, Documentatiecentrum Duivenstraat 22, BE-2550 Kontich, +32 3 457 86 04 heemkunde.kontich@gmail.com

Museum voor Heem- en Oudheidkunde Bibliotheek- en cultuurgebouw Sint-Jansplein, BE-2550 Kontich www.museumkontich.be

Reineringen 6/1 (2015)  

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you