Page 1

Reineringen

Duivenstraat 22

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich Verschijnt driemaandelijks • Jaargang 5, nummer 4 (oktober - december 2014)

M

Voorwoord

ET DIT nummer eindigt onze vijfde jaargang. Inderdaad, Reineringen volgde vanaf het jaar 2010 het bescheidenere “Kringkoppeling” op als tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich. Dit betekent dat de redactie de kinderschoenen ontgroeid is. De verscheidenheid van artikels getuigt hiervan. Paul Catteeuw gaat dapper door met deel twee van “Abraham Hans, een Kontichse reus“. We merken hoe Hans zich pas na zijn huwelijk en aankomst te Kontich zal ontpoppen tot een bekend dagbladjournalist, romanauteur en jeugdlieveling door de publicatie van ontelbare Hanskes. Frank Hellemans grasduint verder in de schriftjes van Jozef Van Passen. Hij bewerkte “1902, de eerste kerstboom in Kontich” en sluit hiermee naadloos aan bij de kerstsfeer die we deze dagen mochten beleven. Je kan uiteraard niet omheen de herinnering aan de ‘Grote Oorlog 14-18’. Nu in deze periode de Duitse aanvaller zich honderd jaar geleden had vastgereden in de IJzermodder sluiten we beter aan bij de meest gekende verhalen uit onze lagere schooltijd en de prenten uit onze geschiedenisboeken. Paul Wyckmans vertaalde het relaas van Engels oorlogscorrespondent Robert Scotland Liddell over de beschieting van Waarloos en zijn wedervaren onder Rode-Kruisvlag. We hebben voor dit nummer ook verschillende gastauteurs kunnen strikken. Nu de site van de boskapellen in Kontich (Kazerne) bijna afgewerkt is, wil Leo Aertbeliën als één van de twee vrijwilligers-toezichters van deze site de wonderbaarlijke legende van Onze-Lieve-Vrouw-ten-Bos nog even samenvatten. Paul Janssens uit Lint reageerde op ons studiebezoek aan het Taxandriamuseum in Turnhout en vooral op het aansluitend artikel hierbij over Aloïs De Laet, rustend pastoor in Kontich. Het leverde ons een interessante aanvulling op. Het gezin Janssens was immers vriend aan huis bij De Laet nadat deze bekende amateur-archeoloog en heemkundige Altena ruilde voor een kasteel in de stille Kempen. De kring kon een omvangrijke collectie spinnewielen verwerven. Kringlid Leen Coenen beschreef alvast voor ons de inspanningen van haar broer Jef, meubelmaker-ebenist, om deze uitgebreide collectie te verzamelen, te beschrijven en de productie van een spinnewiel zelfs te laten verfilmen. Het artikel leert ons alvast een gedreven en betrokken kringlid kennen. Conservator Guido Theys vertelt hoe een heuse pronkrol uit Voorschoten in Nederland via Lint ten slotte in het documentatiecentrum van Kontich belandt en in onze museumzaal zal verschijnen. Laat dit Nederlandse dorp nu net voor een tijdelijk onderdak gezorgd hebben voor tientallen Kontichse vluchtelingen in de eerste oktoberweek van 1914, waarover we al verschillende malen verslag uitbrachten. Toeval? Bestuur en redactie wensen alle lezers een gezond nieuw jaar! Paul Wyckmans, Paul Catteeuw en Frank Hellemans


Abraham Hans, een Kontichse reus (deel 2)

I

N EEN vorig nummer van Reineringen hebben we aandacht besteed aan de jeugd van Abraham Hans. Een soort zwerftocht door Vlaanderen die hem op 23-jarige leeftijd naar Kontich brengt, het dorp van waaruit hij zijn verdere carrière zal opbouwen. En precies daar pikken we de draad terug op. We putten hiervoor nog eens uit dezelfde werken van Walraed, Van den Dooren en Marchau. Ook alle citaten komen uit deze werken.

De eerste Kontichse jaren

Het is vrij onduidelijk waarom Abraham Hans met het volledige gezin in 1905 naar Kontich afzakt. Abraham had een job gevonden in Antwerpen maar de hechte familie vestigt zich in de Duivenstraat 43. Een mogelijkheid zou kunnen zijn dat ze hun dochter Johanna volgden. Zij was gehuwd met de handelsreiziger Robert Jonckheere en Kontich lag natuurlijk aan de belangrijkste spoorlijn van het land met makkelijke verbindingen. Abraham kreeg een benoeming als hulponderwijzer voor de gemeentelijke jongensschool op Stuivenberg. In 1906 verhuisde hij naar de Nationalestraat in Antwerpen en bleef er tot in 1909 wonen en werken. In de rapporten werden de werkzaamheden van Abraham als erg goed omschreven. Hij had een erg goede band met de leerlingen, maar Abraham was vaak ziek. Hij had die zwakke gezondheid blijkbaar van zijn vader geërfd. Zijn onderwijsperiode was al bij al van relatief korte duur, toch kan de invloed hiervan op zijn auteurschap niet genoeg worden benadrukt. Het contact met de leerlingen leerde hem wat kinderen graag hoorden en hoe hij met hen moest omgaan. Twee zaken die mee het succes van zijn Hanskes kunnen verklaren. Ondertussen was Abraham-op-vrijersvoeten in Nederland tijdens een van zijn vele fietstochten gaan rondkijken. In Sluis vond hij er de Zeeuwse boerendochter Adriana van der Meulen. Ze trouwden op 7 juni 1907 in Sluis, maar vestigden zich na nog een kort verblijf in Antwerpen definitief in Kontich. Eerst in de Nieuwstraat 28, dan naar het huis Guido Gezelle in de Duivenstraat en uiteindelijk in de gekende villa Houthulst aan de Antwerpsesteenweg. Het gezin kreeg vier kinderen: Johanna, Helena, Maria en Willem. Ondertussen was hij beginnen schrijven, maar hij bleef onderwijzen tot aan het begin van de oorlog. En dat schrijven nam steeds in omvang en tijd toe. Volgens Abraham heeft hij de microbe van zijn vader geërfd. De man bleek een begenadigd verteller en schreef ook enkele boekjes. Omwille van de zwakke gezondheid van zijn vader stak Abraham vaak een handje toe. En al snel begon hijzelf verhaaltjes te schrijven. In eerste instantie gaat het nog om educatieve werkjes, maar heel snel verlaat hij dat pad en begint aan zijn lange loopbaan als schrijver van volksverhalen. Zijn eerste verhaal - met de haast profetische titel voor de rest van zijn oeuvre – Kerstmis in Vlaanderen verscheen al op 28 december 1901 in het Christelijk Volksblad. Ondanks het feit dat Hans een protestant was mag het toch geen verwondering wekken dat hij in het Christelijk Volksblad publiceerde. Het was in de eerste plaats belangrijk om gepubliceerd te raken. De eerste werkjes met protestantse inslag komen er slechts tien jaar later. En daarvoor gebruikte hij dan nog een aantal zeer transparante pseudoniemen, zoals Hans van Horenbeek of A. Van de Corseele, toponiemen die naar zijn geboortestreek verwijzen. Later gebruikte hij o.a. de voor ons nog duidelijkere pseudoniemen Jan van Contich en Maria Van Hove. Je kunt je afvragen waarom Abraham Hans zich zo vaak van zoveel verschillende pseudoniemen bediende. De reden is tweeledig. Enerzijds wou hij niet te veel ruchtbaarheid geven aan het feit dat hij een goede bijverdienste had, want uiteindelijk werd hij door het Antwerpse stadsbestuur betaald voor zijn job als onderwijzer. En anderzijds wilde hij toch voor de katholieke kerk de aandacht van zijn persoon afleiden. Dit laatste was absoluut geen overbodig stap, met het oog op de latere evoluties in zijn relatie met de katholieke overheid in Vlaanderen. Maar toch kende Hans vrij vroeg succes want zijn boeken werden bijvoorbeeld al heel snel als prijsboeken op school aan de Vlaamse jeugd geschonken. Ondertussen had Hans Julius Hoste, de stichter van de liberale, maar vooral zeer Vlaamsgezinde krant Het Laatste Nieuws, ontmoet. Dit was het begin van een vruchtbare en levenslange samenwerking. En voor beide partijen ook een absolute win-winsituatie die beide mannen geen windeieren legde: Hans zorgde met zijn reportages en verhalen namelijk voor een spectaculaire toename in de oplage van de krant. Het wederzijds respect was ook zeer groot. Hans schrijft hierover: Ik zal nooit vergeten wat vader Hoste voor mij is geweest, een vriend, een steun en een raadgever, een bezieler en een toevlucht, gelijk voor allen die met hem hebben gewerkt. Ik kan niet zijn naam zeggen dan met eerbied en genegenheid. Er was iets heldhaftigs in hem en vooral goedheid. Zijn zoon Julius Hoste jr. heeft niet alleen de zaak van zijn vader, maar ook zijn ziel overgenomen.

en

ng

eri

in Re 5.4

2

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

5.4

Voor de krant Het Laatste Nieuws heeft Abraham Hans in de daaropvolgende jaren het ganse land, inclusief aangrenzende regio’s, doorkruist. Daardoor werd hij een van de eerste journalisten die ons land op journalistiektoeristisch vlak beschreef. Hij leerde het metier van schrijver en zijn leespubliek leerde zijn eigen land kennen. Het was in ieder geval heel erg duidelijk dat de geschreven pers hem uiteindelijk beter lag dan zijn taak als onderwijzer die hem aan zijn klas bond. Zijn reisverslagen waren uitzonderlijk accuraat en hebben vele mensen tot meer mobiliteit aangezet. Ook hier zorgde Hans voor volksverheffing, een woord dat nu wat belegen klinkt, maar in die tijd echt wel aan de orde was. De auteur wilde het volk ook letterlijk verheffen en het Nederlands de status toebedelen die het nu heeft. Lees wat Hans daarover schreef en je zal begrijpen wat ik bedoel. Ons volk staat laag. Lager dan in andere landen. Het is vrij in naam, de meesters zijn hard. Veel scheidt hen van het volk. Ze spreken een andere taal (Frans was toen de enige officiële taal in ons land, pc) en die van het volk beschouwen ze als gewesttaal. Hij heeft zijn hele leven geijverd voor de bevrijding van het Nederlands en voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit. We citeren nogmaals Hans. Maar om samenwerking te krijgen tussen alle standen, zouden we een Vlaamse hogeschool moeten hebben. Dan kregen we ingenieurs, rechters, advocaten en leraars die de taal van het volk beter zouden begrijpen. En als ze het volk goed kennen, zullen ze voelen hoe het hun plicht is mee te werken aan de lotsverbetering van de massa. Deze thema’s zullen ook telkens weer opduiken in zijn teksten. Bovendien zorgden zijn veelvuldige reizen voor een bijkomend voordeel: hij zag hoe Vlaanderen en zijn bevolking eruit zagen en dat beschreef hij dan in zijn vertellingen. Inspiratie en journalistieke ondernemingszin gaan hier hand in hand en bevruchten elkaar. En op die manier werd hij niet de leraar van een Antwerps klasje, maar heel het Vlaamse land. Tijdens die jaren voor de Eerste Wereldoorlog heeft Abraham Hans zich duidelijk ontplooid. Eerst misschien nog even aarzelend, maar heel snel in een steeds duizelingwekkender tempo. Zijn productiviteit is haast niet te begrijpen, als je al die boeken naast zijn talloze reizen legt. Een mogelijke verklaring is misschien wel dat de man weinig behoefte aan slaap had en dus iets meer uren uit een dag kon halen dan de doorsnee mens. Veel schrijven staat vaak synoniem voor slecht schrijven. Bij Hans ligt dat enigszins anders. Het ging tenslotte “maar” om verhaaltjes. En dan voor veruit het grootste gedeelte voor kinderen. Dat is een stuk vluchtiger dan wat bijv. tijdgenoten Stijn Streuvels (o.a. Leven en dood in de ast) of Cyriel Buysse (Het gezin Van Paemel schreven. Deze literaire reuzen schreven ook over de noden van het Vlaamse volk, maar ook bij Hans zijn de onderliggende boodschap en de missioneringsdrang voldoende garantie voor de blijvende waarde van zijn oeuvre. Maar het respect was er. Getuige hiervan zijn de ontmoetingen en foto’s. In 1914 breekt de Eerste Wereldoorlog uit. Ook Kontich deelt in de klappen. En Abraham Hans slaat op de vlucht. Met zijn familie. Na de oorlog vertelt hij in 1919 in een artikel hoe Kontich er tijdens die eerste dagen van de oorlog uitzag. Het gaat om een periode uit de geschiedenis die we ondertussen goed kennen, de Conventie van Kontich. Maar we geven het toch nog mee, omdat het nog eens ander standpunt is, zeker wanneer we weten dat Abraham Hans na de oorlog bijna de naaste buur van de ons bekende villa is geworden. En voor één keer hebben we de oude spelling bewaard. Een dorp bij de Antwerpenaars zeer vermaard, om zijn beroemde jaarmarkt, Een ontmoeting met Cyriel Buysse waarheen men in bankwagens reed. ’t Is waar, het bezoek was een twintigtal jaren geleden drukker dan kort voor de oorlog. Van ver ziet men de spits van het oud Romaansch torentje, waarom heen zich de roode en grijze daken van de dorpswoningen en talrijke villa’s schikken.

3


Bij Antwerpen’s beleg vreesde men dat er van Kontich weinig overblijven zou. ’t Lag er zoo bedreigd tusschen de uiterste en tweede vestinglinie. ’t Heeft zelf groote kazernen. ’t Ligt aan den voornamen weg Brussel-Antwerpen, die er gekruist wordt door de baan Hemixem-Aartselaar-Linth-Lier. En toch ontsnapte het aande verwoesting, al werden eenige huizen beschadigd. Bij hun intocht troffen de Duitschers er slechts enkele burgers meer aan, waarvan ze er nog twee neerschoten. Van Antwerpen komende ziet men rechts, even vóór het dorp, een prachtige villa met het opschrift “Rest and be thankful” (Rust en wees dankbaar). Groote ramen geven een uitzicht naar alle zijden, ook over de gansche vlakte, die zachtjes daalt en dan rijst naar Edegem, in welke nabijheid nu zoo landelijk het bekende fort 5 ligt, de martelplaats van heldhaftige burgers. (Een heel ander beeld in vergelijking met nu, omdat er toen haast geen huizen stonden en je kon vanaf dat punt zelfs Buizegem zien, want je moet de volledige Altenawijk wegdenken, pw.) In deze villa had het onderhoud tusschen de Antwerpsche afvaardiging en den Duitschen staf over de overgave der veste plaats. Ze is dus historisch geworden en werd dan ook reeds menigmaal gefotografeerd. Even verder staat het uitgebrand geraamte van het buitenverblijf “Marcella”. En hier en daar ziet men nog een ledig dak of voorlopig hersteld gebouw. In de straat achter de kerk woont de politiekommissaris Ballegeer. Daar logeerde langen tijd pastoor Moons, van wien de Duitschers getuigden, dat hij de gevaarlijkste spion was dien ze ontmoet hadden. De kommissaris toonde me de kamer, waar hij onderhoord werd door een Duitsche detektief, over Moons, terwijl de opgezochte in ’t zelfde vertrek achter een zetel verdoken zat. Met de dochter van den heer Ballegeer en andere medewerkers werd Moons eindelijk na twee jaar gestadigen arbeid aangehouden te Brussel. Men zou er vergaderen. Een Judas, Belg toch ook, had eigen bloed verraden. En de Duitschers hielden bij ’t lokaal de wacht. Moons eindigde zijn leven op fort 5. Nu ligt Kontich daar rustig, en in hagen, boomen en struiken zwelt reeds de Lente. Maar de naam van ’t dorp staat vermeld in ’t geschiedenisboek van dezen gruwelijken oorlog. Uit deze tekst blijkt het journalistieke vernuft van Hans. Denk Vlaanderen vakantieland anno 1919 en dit is een perfecte toeristische beschrijving van dit stukje Kontichse geschiedenis. In een volgende aflevering volgen we onze schrijver doorheen de Eerste Wereldoorlog en zijn tweede Kontichse periode. Paul Catteeuw

en

ng

eri

in Re 5.4

4

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


1902: de eerste kerstboom in Kontich Een herinnering van Jozef Van Passen

A

LS HET nieuwgebouwd huis, naast de poort van de kalverkruier Palmaerts (de Palman) in de Magdalenastraat (huidig nummer 28) voldoende uitgewaaid en gedroogd was, werd het gedurende korte tijd door de eigenaar, een ingenieur van Huybrechts, bewoond. Maar in 1902 stond het leeg en te huur. Een ingeweken gezin zonder kinderen nam er intrek. De vrouw sprak Duits. Met Kerstmis van dat jaar hadden ze in een hoek van hun tweede kamer een grote kerstboom op een tafel opgesteld. Het was een rijk versierde lichtboom met sneeuw en een ster. Op kerstavond mocht heel Kontich hem komen bezichtigen. Moeders met al hun kinderen, en de meiden uit de burgerij met de kinderen van hun meesteres stonden in lange rij aan te schuiven op het trottoir. De deur van het huis bleef wijd geopend en liet doorgang langs de gang naar de tweede plaats waar de lichtboom stond. Daar kreeg iedereen gelegenheid om zo lang hij wou, de boom te bewonderen. Na een vriendelijke groet door de dame van het huis werd dan het groepje door de eerste plaats terug naar buiten geleid, terwijl de rij nieuwe kijklustigen in de gang langzaam binnen schoof. De eerste kerstboom had te Kontich zijn intrede gedaan, maar het heeft geduurd tot na de oorlog 1914-1918 alvorens hij als volksgebruik in de huiskamers is binnengedrongen. Intussen 1907-1908 werd hij reeds populair op kerstvieringen bij volksmaatschappijen en kinderfeesten; gewoonlijk met tombola waarvan de prijzen aan de kerstboom hingen. In Het Gulden Hoofd werden rond die jaren aan de kinderen kerstliederen aangeleerd door madame notaris Janssens. Het feest had plaats op Kerstmis zelf, en ieder kind kreeg een geschenk. Eerst na 1918 kwam de kerstboom in de huiskring. Onder Duitse invloed – wegens inrichten van kerstfeesten door de bezettende troepen (die gedeeltelijk bij de burgers waren ingekwartierd) en ook door de Belgische krijgsgevangenen die uit Duitsland waren teruggekeerd waar ze Kerstmis bij de kerstboom hadden mee beleefd. Van die weinige uren die hun grote heimwee hadden verzacht, wilden ze een blijvende herinnering bewaren. Zo kwam ieder jaar stilaan meer de kerstboom in de mode, eerst bij de gegoede burgers, nadien ook bij de arbeiders. Maar altijd werd toen de kerstboom nog opgericht zonder stalletje. Het is eerst rond 1930 dat door de werking van de katholieke actie het stalletje zijn plaats in de kerstviering heeft gevonden.

Toemaatjes 28 december: Onnozele Kinderen

Kinderen in lompen gehuld en met beschilderde gezichten gaan bedelen en zingen: Op nen onnozelen kinderendag Die de pepernootjes mag Als de deur vóór de neus gesloten wordt en ze niets krijgen, zingen ze: Hoog huis! Leeg huis! D’r zit ’n gierige pin in huis!

Nieuwjaar

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

5.4

Op oudejaarsavond wordt in de herbergen gefeest met veel spijzen en veel dranken. Heel het jaar werd daarvoor in het spaarkastje van het lokaal gespaard. Er is dus geld om na het souper nog tot ’s morgens voort te vieren, en na middernacht worden nog vele herbergen bezocht waar gedanst wordt en dolle pret heerst. Dat noemt men: Van ’t een in ’t ander doen. Nieuwjaarsdag is voor de kinderen bestemd. ’s Morgens mogen ze hun versierde en schoon-geschreven nieuwjaarsbrief aflezen voor ouders, peter en meter en ontvangen hierbij geschenken; meestal een pontekoek met suiker versierd of een biscuiten hert.

5


Een Nieuwjaarsbrief van 1898

Gedurende de dag komen de kinderen aan de deur Nieuwejaarke zoete … zingen om een cent te krijgen. De volgende dagen mogen de kliënten in de winkels nieuwjaarsgiften afhalen, de facteurs komen hun wensen brengen waarbij ze een muntalmanak (*) afgeven; de nachtwaker en lantaarnontsteker brengt hierbij een gedichtje en ook de mannen van de vuilkar komen om hun fooitje.

Muntalmanak

Nieuwjaarsgeschenk van de facteur. Was een grote plakkaat die de juiste afbeelding gaf van al de muntstukken die gangbaar waren in ons land (union latine). Gewoonlijk was die almanak op de ruiten van de keukendeur geplakt, om zodoende te beletten in de keuken binnen te zien. Ieder twijfelachtig muntstuk werd bij het ontvangen met de officiële afbeelding gecontroleerd. Ook de gulden, mark en sterling met onderverdelingen stonden afgebeeld. Bij de “slechte” munten stond dik onderstreept omdat het continueel in omloop was, het één frank stuk: Victer manewel – Dit stuk werd natuurlijk altijd geweigerd. (Het gaat hier vermoedelijk over de Italiaanse koning Victor Emmanuel, fh)

Driekoningen

Drie kinderen waarvan één zwartgemaakt gaan van deur tot deur met een versierde ster, die ze doen draaien terwijl ze zingen: We komen van oost en we komen van ver We zijn de 3 Koningen met hun ster Na het tamelijk lange lied ontvangen ze de gebruikelijke cent. ’s Avonds herhalen grote mensen dezelfde taferelen.

Verloren maandag

Als ontbijt wordt bij de burgerij worstenbrood geëten. Ook ’s avonds is er in sommige herbergen souper van worstenbrood. Schrijnwerkers en metsers ook nog andere ambachtslieden werken niet wijl het geweten is dat op die dag alles verloren is.

en

ng

eri

in Re 5.4

6

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


R

The track of the war Robert Scotland Liddell

OBERT SCOTLAND Liddell was een Britse journalist en fotograaf die werkte voor ‘The Sphere’, een Engels weekblad dat verscheen tussen 1900 en 1964. Het was een magazine met heel wat illustraties, een nieuwigheid in die tijd. De Boerenoorlog en ook WO I vormden een gedroomde aanleiding om de verkoop hiermee op te drijven. Hij vergezelde de Belgische kapitein Albert De Keersmaecker, die met een officieel orderboek onder de vlag van het Rode Kruis vanuit Antwerpen verkenningstochten maakte in de zuidrand van deze havenstad en dit in de laatste dagen voor de overgave van Antwerpen (9/10/1914). Op zoek naar oorlogsnieuws van de Britse marinetroepen die samen met Winston Churchill, Brits minister van marine, in Antwerpen aankwamen in een poging om het tij nog te keren, bieden ze hulp aan en transporteren gekwetsten maar houden zich blijkbaar met nog veel meer bezig. We vinden ze terug in Mechelen (redding van eeuwenoude kunstschatten), in Walem (vervoer van verbrande soldaten naar ziekenhuizen), in Waarloos (opvang en Robert Scotland Liddell overbrenging van gekwetsten tot bij de ambulances) en in de metropool en dit alles met een opgeëiste (?) wagen. In zijn boek “The track of the war”, voor het eerst Kapitein Albert De Keersmaecker uitgegeven in Londen in 1915 drinkt uit de koperen huls van een worden zijn artikels Duitse obus. chronologisch verwerkt tot een lijvig boekwerk zodat de lezer het spoor van de Duitse agressor van bij de inval doorheen België kan volgen tot aan de patstelling in de Westhoek en de loopgrachtenoorlog achter de ondergelopen IJzervlakte. Het boek kende sindsdien tientallen herdrukken, waaronder de laatste in 2012. In hoofdstuk 22 beschrijft Liddell zijn wedervaren, samen met Albert (kapitein De Keersmaecker), in Liddell en De Keersmaecker brengen in Mechelen het getijdenboek van Margaretha van Waarloos en omstreken. Taal en spelling werden minimaal aangepast Oostenrijk in veiligheid. aan de huidige normen.

DE OORLOG ACHTERNA, hfdst. 22 blz.247-251

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

5.4

“… Vandaag is het woensdag, net vóór de overgave ( van Antwerpen, pw). De donkere oorlogswolken die de voorbije twee maanden gestaag Antwerpen naderden verduisteren nu de hemel boven deze stad. Duitse troepen krijgen de stadspoorten in het vizier en kondigen hun komst aan met een oorverdovende granatenregen en het ongeduldig ratelen van een massa lichtere wapens. Het blijkt nog een kwestie van dagen vooraleer ze hun intrede kunnen vieren. Misschien zelfs nog een kwestie van uren. Mensen kunnen hun gedachten er niet meer bijhouden: het ene moment geloven ze dat alles nog in orde komt, het volgende ogenblik zijn ze ervan overtuigd dat de Duitsers de stad binnen marcheren. Ik krijg een beeld voor me – ik heb uiteraard wel duizend herinneringen – maar dit beeld is toch wel grappig als je het bekijkt tegen de achtergrond van het zo fel bedreigde Antwerpen. Het is een beeld van een …een fles goede wijn! Ik wou een vriend bezoeken en hij nodigde me uit bij hem thuis – voor een laatste fles goede wijn, voegde hij er met een geforceerd lachje aan toe. Toen ik bij hem aankwam, bracht hij heel voorzichtig een stoffige fles van een uitstekend millésime naar boven.

7


“Mijn grootvader liet deze wijn zorgvuldig rusten in zijn wijnkelder”, vertelde mijn gastheer me, en hij vertelde me uitgebreid over alle fameuze wijnen die hij al kende. Zo kwamen alle merkwaardige gebeurtenissen aan bod waarbij hij deze wijnen had geschonken: vieringen, verjaardagen, overlijdens, speciale gebeurtenissen… “En nu, beste mijnheer, op de dood van de keizer!”, sprak hij. We hebben er meermaals op gedronken maar de wijn leste de bittere nasmaak van de uitgesproken toast niet. De mensen wisten dat de Duitsers op komst waren. Ze verdrongen deze zekerheid en beweerden dat ze geloofden in alle mogelijke extravagante verklaringen om de militaire successen van de Pruisen te minimaliseren. Toch geloof ik dat ze in hun hart wel wisten dat het einde nabij was. Wat je er ook mag over denken, de beste wijnen werden uitgeschonken met als voornaamste reden dat men wou vermijden dat de Duitsers ze zouden uitdrinken. Antwerpen had zijn les geleerd uit de sliert van lege flessen langsheen het pad dat de vijand had gevolgd en… had ook weet van de misdaden en moorden die volgden op de orgies van dronken Duitse militairen. Heel wat Antwerpse wijnkelders waren hun waardevolle inhoud al kwijt vooraleer hun eigenaars op de vlucht geslagen waren, zelfs leeggegoten, liever dan te bewaren. Die woensdag liepen de mensen er lijkbleek en met angst in de ogen bij. Inderdaad, die middag had de militaire gouverneur de directies van de verschillende stadskranten verzameld en hen laten vertellen door de burgemeester, dat de bevolking moest voorbereid worden op de intocht van de Duitsers in de stad. Een van de meest bekende directieleden van een Antwerpse krant vertelde me om drie uur over deze samenkomst. Men had hen daar gevraagd om de bevolking op te roepen om kalm te blijven, alle wapens naar het stadhuis te brengen en een hele reeks van maatregelen te publiceren die de mensen een duidelijk inzicht konden bezorgen over de visie van de militaire bevelhebbers. Natuurlijk waren we ontgoocheld. Zowel ikzelf als Albert hadden een groot vertrouwen gehad in de combinatie van de Belgische met de Britse troepen. Onze groeiende verwachtingen kregen door deze uppercut een fikse dreun. We konden ons nauwelijks realiseren dat morgen misschien onze laatste dag wel kon worden in Antwerpen. Daarom stapten we in onze auto en trokken op pad naar Walem, op zoek naar getrouwe informatie. Ver moesten we daar niet voor rijden om uit te vissen hoe de vork aan de steel zat. De atmosfeer in Kontich was al angstaanjagend. Dit kleine dorp bij Antwerpen – zo dicht bij de grote stad – gaf ons een doodse aanblik. De kleurrijke, zomerse levendigheid van enkele dagen geleden was totaal verdwenen. De inwoners hadden allemaal hun biezen gepakt. Niet één inwoner was gebleven. De blinden waren gesloten, deuren vergrendeld. Hetzelfde beeld wat in zoveel andere Belgische dorpen te zien was geweest. Met uitzondering van een kolonne geschutsvoertuigen, razendsnel voorbijratelend over de kasseien, ontmoetten we niets of niemand tot we aan de ijzeren spoorwegbrug (over de ingegraven spoorweg L27 Mechelsesteenweg tussen Kontich en Waarloos, pw) kwamen, nauwelijks een halve mijl verder. Enkele ambulances stonden hier in de andere bocht van de weg opgesteld. De bemanningen stonden lusteloos naast de voertuigen te wachten. Ze keken stilzwijgend en grimmig naar de grijze lucht van de invallende avond. Langs beide zijden van de glooiingen in het talud stond de Belgische artillerie opgesteld. We konden het afvuren van de kanonnen duidelijk horen. Zij beantwoordden het shrapnelvuur van de Duitsers. (Deze kanonnade werd waarschijnlijk afgevuurd vanuit het kloosterdomein Roosendael in Walem, zie bemerking verder, pw) We liepen langsheen de eerste inzinking (vandaag Metalced – Babbelkroonbeek, pw) en terug omhoog naar de top van de eerste helling waar links van ons het dorpje Waarloos lag. Niemand bleek daar nog te verblijven, behalve een groepje soldaten in Pantsertrein met Engelse marinekanonnen gespreide slagorde, duidelijk op de terugtocht richting Antwerpen. 4.7 en vier lange, met scheepsstalen platen Het landschap gaf verder een desolate indruk. Op de velden verstevigde open kolenwagons, ergens tussen groeiden geen gewassen meer, het heen en weer trekken van Boom en Kontich. Bemanning: soldaten schieten troepen had de oogst vertrappeld. We reden er met onze auto langs doorheen de verticale sleuven in het staal van de en draaiden naar links waar we beschutting zochten voor de zijwanden. shrapnelgranaten in de enige dorpsstraat.

en

ng

eri

in Re 5.4

8

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


Waarloos, waar de dappere Belgische soldaten hun laatste weerstand boden telde slechts één straat die zich een weg baande doorheen het dorpje van het ene einde naar het andere. Hier waagden we ons doorheen tot we onze rit moesten onderbreken bij het dorpsschooltje dat in lichterlaaie stond. Het tekende zich in de duisternis af tegen de omliggende bewoning als een laaiende toorts.” Inderdaad, Walem-dorp en zijn fort waren de drie vorige dagen beschoten met de zwaarste Duitse kanonnen, Dikke Bertha’s, 420mm-kanonnen, vanuit Hofstade. Zowel dorp als fort werden zwaar beschadigd, het Geallieerde Britse troepen komen onze Netelinie in de munitiedepot kreeg een voltreffer en explodeerde. Onder buurt van Lier versterken. Rust op de Statielei te Mortsel. het puin lieten tientallen Belgische verdedigers het leven of stierven bij gebrek aan voldoende zuivere lucht of van honger en dorst, opgesloten in ingestorte gangen. De zwaar verbranden werden getransporteerd naar Waarloos en Kontich (in de zusterscholen) of naar het militair hospitaal van Berchem. Daarom plooide de legerleiding de verdedigingslinie terug op de Nete zelf, van Walem over Duffel tot in Lier. Dit verklaart mee de aanwezigheid van zovele verdedigende (vluchtende?) Belgische militairen in Waarloos in dit relaas, samen met lichter gekwetsten ten gevolge van de beschietingen die onophoudelijk verder gingen, nu vanuit het kloosterdomein Roosendael, pw)

Walem, verlaten en murw geschoten, klaar voor inname door Duitsers

Idem op gevel, bericht voor nakomende petroleum sproeiende en brandstichtende pelotons: ‘nicht abbrennen’ of ‘niet in brand steken’.

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

5.4

Doortrekkende Duitse infanteristen schrijven met krijt op een voordeur: ‘gute Leute schonen’, ‘hier wonen betrouwbare mensen - vrijwaren’.

9


“…De straat was zo smal dat we er niet doorheen konden zonder het risico te lopen om onze auto in vlam en vuur te zetten of onze benzinetank te laten exploderen en onszelf ernstig te verbranden. We verlieten dan ook onze auto en gingen te voet verder met een gewonde soldaat. Hij vertelde ons dat heel wat gewonde en ernstig verbrande infanteristen in deze straat lagen, aan het andere einde van het dorp en buiten ons bereik. Keer op keer werd de kerk geraakt door bominslagen. Van waar we stonden konden we de afbrokkelende torenspits herkennen en van vorm zien veranderen bij elke granaatinslag. De plek waar we ons bevonden was toch wel de gevaarlijkste waar we konden staan sinds de oorlog in België was uitgebroken. Voor de eerste maal realiseerde ik me heel bewust wat gevaar betekende. Maar desondanks bleven we roerloos toekijken, gefascineerd door de verschrikking. Albert was zo onder de indruk dat hij zelfs niet nadacht over zijn eigen veiligheid. Dat vertrouwde hij me later toe. In zijn verbeelding vertelde hij me had hij Antwerpen gezien had zoals het er bij de inname zou uitzien. Hij had gedacht aan Dendermonde en Aarschot, Mechelen en Leuven en op de een of andere wijze elke gedachte aan zijn persoonlijke veiligheid losgelaten. Een windvlaag blies de vlammen van de brandende school de andere kant uit zodat we zonder nadenken langsheen de vlammen naar de andere kant van het dorp konden sprinten. We vonden daar een aantal sukkelaars, soldaten die er erg aan toe waren, rechtopstaand, hun rug tegen een muur. Smerig van uitzicht en grimmig hadden zij zich vanop het nabijgelegen slagveld teruggetrokken in de beschutting van het dorp. Sommigen werden gewond terwijl ze de afstand tussen de loopgraven en Waarloos trachtten te overbruggen. Anderen werden door geweervuur geraakt in het reeds geruime tijd verlaten dorp. Welke troosteloosheid toch! Het verlaten dorp, brandend, soldaten, doodop en kreunend van pijn en wanhoop, de rook van geweersalvo’s en het exploderen van granaten. We keerden terug met de gewonden. We hielpen waar we konden: anderen hielpen hun kameraden op de been. Iedereen ging op pad. Plots moesten we ons laten vallen in enkele portieken toen een bulderende shrapnel boven onze hoofden uiteenspatte. We zochten beschutting waar we konden. Van de soldaten hoorden we het nieuws dat de geruchten van die dag helemaal bevestigde. Zo wisten we nu duidelijk wat we al hadden vermoed, dat Antwerpen, de oninneembare vesting, op het punt stond te vallen. We bereikten onze auto door ons een weg te banen doorheen een haag en een brede bocht te maken rond enkele brandende huizen. We stopten zoveel mogelijk gekwetste militairen in onze auto. Daarna reden we terug naar de plek waar de Rode Kruisambulances stonden te wachten. We brachten hen op de hoogte dat hun inzet en aanwezigheid in Waarloos erg gewenst waren. Daarna vertrokken we terug naar Antwerpen. Dit was onze laatste trip onder de vlag van het Rode Kruis, ons laatste optreden ten zuiden van Antwerpen. Op de dag dat we terugkeerden vertelde Albert me dat hij zijn vrouw en zijn geliefden wou meenemen de volgende dag. Hij kon hen geen dag meer laten blijven in deze regio. We brachten nog een aantal gewonden naar het militaire hospitaal van Berchem en keerden dan terug naar onze respectievelijke woonplaatsen. Die nacht bezocht Albert zijn kennissen thuis en vond er overal dozen en kisten met huisraad, kleding en voedsel, klaar voor de overhaaste vlucht. In heel wat straten zag hij auto’s staan op de voetpaden voor de huizen. Het betekende dat deze auto’s daar al enkele nachten klaar stonden voor een onverwacht vertrek. Ze waren goed uitgerust met brandstof voor een vroege start ‘s morgens. Armband en autovlag van het Rode Dit was onze laatste nacht in de stad. Kruis met foto uit het orderboek van kapitein Albert De Keersmaecker

Eindredactie en vertaling Paul Wyckmans

en

ng

eri

in Re 5.4

10

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


A

Een geschiedenis van de boskapellen

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

5.4

L IN 2008 en 2009 kozen de leden van de bloeiende Kontichse afdeling van ‘Vakantiegenoegens’ de site van het Kapellekensbos in Kontich-Kazerne als ‘mooiste plekje in Kontich’. In 2010 huldigde de toenmalige schepen van toerisme een gedenkplaat in, zo geplaatst dat de fietsers er niet omheen kunnen. Zelfs Antwerpse bedevaarders, op weg naar het Spaanse Santiago de Compostella, passeren op ‘ hun’ camino dit idyllische Kontichse plekje met zijn eigenaardigheid: twee kapellen op een steenworp van elkaar. Vanaf 2013 herstelt de provincie het nabije Langbos in ere en breidt het zelfs uit, mee dankzij de aanleg van een overstromingsgebied op de opnieuw meanderende Babbelkroonbeek. Na al deze inspanningen van provincie, gemeente, vrijwilligers van Natuurpunt en anderen is een heuse site ontstaan waar het aangenaam kuieren is en blijft. Voeg daarbij nog de gemeentelijke inspanning om ook de bereikbaarheid ervan te verbeteren door de herinrichting van trage weg 48 die na voltooiing de toestand uit de tragewegenatlas uit de 19e eeuw zal herstellen. De fiets-o-strade langsheen het spoor Antwerpen-Mechelen die de provincie inmiddels heeft aangelegd, zorgt mee voor de bereikbaarheid, uiteraard voor meer gehaaste streektoeristen. Heemkundigen (en andere nieuwsgierigen) blijven natuurlijk geïnteresseerd in de vraag: ‘Waarom werden deze kapellen daar gebouwd?’ En dan nog wel twee stuks. Twee moedige vrijwilligers onderhouden vandaag regelmatig de kapelomgeving. Ze verdienen hiervoor ons blijvend respect. Eén ervan, Leo Aertbeliën, vatte voor ons de geschiedenis samen, overigens een mooi voorbeeld van een mariale legende. De geschiedenis van de boskapellen staat nauw in verband met de verering van “Onze-Lieve-Vrouw-van-Goede-Wil” te Duffel. Daarom Idyllische omgeving en vertellen wij eerst iets over dat wondere Onze-Lieve-Vrouwebeeldje. Babbelkroonbeek op de kapelsite Duffel 1637 – Op de vooravond van halfoogst (15 augustus) bemerken twee koewachtertjes een klein Onze-Lieve-Vrouwebeeldje in een wilgenboom. Dit beeldje is er nog nooit gezien. Het treft de mensen en ze komen bidden. Stilaan wordt het een echte bedevaartplaats. Er wordt geld geofferd en met deze offergelden richt men een houten kapel op. In 1638 bekomt men de toelating om er de heilige mis in op te dragen. Twee jaar later, in 1640, bouwt men er een stenen kapel ter ere van Onze-Lieve-Vrouw- van-Goede-Wil. Van waar komt die naam? Komt hij van ‘Willighuysken’ of betekent hij ‘waar Onze-Lieve-Vrouw goedwillig is’? Men weet het niet. Op halfoogst 1646 zijn er veel bedevaarders te Duffel. De gewapende macht treedt op. De soldeniers zijn dronken en gedragen zich brutaal. Zij roven de heilige vaten en het zilverwerk. Ze beschieten de bedevaarders en mishandelen de priesters. Veel van deze mensen worden gedood of gekwetst. De commandant beveelt de kapel in brand te steken. Dit opzet mislukt echter. Het is een zware dag voor de gelovigen. Op 25 maart 1683 komen er weer duizenden bedevaarders naar Duffel voor het feest van O.-L.-V.-Boodschap. Het wondere beeldje heeft Duffel als bedevaartplaats beroemd gemaakt. Het is een feestelijke dag. Laat op de avond vertrekken de laatste bedevaarders. De Duffelaars, blij maar zeer vermoeid, gaan naar bed. Het wordt rustig en stil bij de kapel. Die nacht wordt het beeldje met het zilverwerk gestolen. ’s Anderendaags ontdekt men het misdrijf. Iedereen is geschokt en terneergeslagen. Wat een gebeurtenis! En hier begint nu de geschiedenis van onze boskapellen….. 14 april 1683 – Boer Asselberghs woont op de Pronkenhoeve te Kontich (niet vermeld in de Toponymie van Van Passen, red.). Hij verlaat ‘s morgens zijn hoeve om zijn land te bewerken. Hij trekt door het Langbos. Onderweg vindt hij het beeldje tussen de struiken. Het is samen met de gestolen versierselen in een zakdoek gewikkeld. De boer brengt het naar zijn hoeve en verwittigt onmiddellijk de geestelijkheid van Duffel. ’s Anderendaags (15 april en Witte Donderdag) brengt men in processie en onder groot gejubel het beeldje terug naar Duffel. De vreugde is zeer groot. Uit dankbaarheid laten vurige Mariavereerders uit het omliggende een kapel bouwen op de plaats waar het is gevonden. De kleine witte stenen kapel dateert zeker van kort na het terugvinden van het beeldje van Duffel, dus uit de periode 1683-1684. Deze aanwijzing vinden we terug in het boek “Geschiedenis der kapel van O.-L-.Vrouw-tenBos” geschreven door Eug. Goeyvaerts.

11


Men snijdt een lievevrouwbeeldje uit de wilg te Duffel. Het gelijkt op het echte beeldje. De bewoners van de omgeving wandelen dikwijls tot het kapelletje. Vooral in de meimaand en op de feestdagen van Onze-Lieve-Vrouw komen zij er bidden om bijstand en bescherming. In 1795 bij de Franse revolutie bezetten Franse troepen ons land. Zij voegen onze gewesten als een provincie bij Frankrijk. De bewoners worden behandeld als Franse staatsburgers. Kerkelijke goederen worden verkocht als “zwartgoed”; ook de grond waarop de kapel staat want hij is eigendom van het Kapittel van Sint-Bavo in Gent. Onder de Hollandse periode (1815-1830) wordt de kapel uitgebreid met een voorhal, zodat bedevaarders droog kunnen bidden. Waarschijnlijk gebeurde dit in de zomerperiode, wat blijkt uit een brief van burgemeester Fiocco van Kontich aan pastoor Eykens van Lint. Deze brief is gedagtekend op 24 juli 1828. Het jaartal kom overeen met de inscriptie op de voorhal waarvan de hoofdletters het jaartal 1828 vormen: “In aLLe geVaren, In aLLe ongeLUkken, Vraegt De hULp Van MarIa”

Het interieur van de oorspronkelijke kleine kapel te Kontich (gerestaureerd 1987)

en 5.4

12

ng

eri

in Re

Het armenbestuur van Kontich eist na het Franse bewind ook opnieuw, zoals voorheen (vóór 1792), de helft van de offergelden op. De parochie Lint is immers een gehucht van Kontich. De gelden zullen dienen om de armen van de gemeente te helpen. Het kerkbestuur van De Lintse boskapel uit 1838 Lint verzet zich tegen deze eis. Zo ontstaat er een jarenlange twist tussen het Lintse kerkbestuur en het armen- en gemeentebestuur van Kontich. Om deze twist ongedaan te maken bouwt een rijke weduwe uit Lint een nieuwe en ruimere kapel in het Perkbos. Dit ligt vlak naast het Langbos. Met de toelating van de bisschop van Mechelen wordt deze kapel ingewijd op 12 september 1838. Vanaf dit ogenblik organiseert de pastoor van de parochie Lint er ieder jaar bijeenkomsten en bidstonden voor de parochianen. Door zijn toedoen schenkt de eigenares de kapel aan de kerkfabriek van Lint. De eigendomsakte wordt ondertekend op 11 februari 1858, de dag waarop O.-L.-Vrouw voor het eerst aan Bernadette Soubirous in Lourdes verschijnt. Spoedig geraken de boskapellen als bidplaats bekend in de streek rond en boven Antwerpen, zelfs tot in Breda en ’s-Hertogenbosch. Deurne kwam er ieder jaar op bedevaart op 15 augustus; Wilrijk op de eerste zondag van mei. Het aanleggen van de spoorlijn in 1835 remt de volkstoeloop naar de beide kapellen af. De smalle voetbrug over de spoorweg blijft voor de vele bedevaartwandelingen de enige toegangsweg vanuit Lint. Ook de grot van Edegem, waar Onze-LieveHet oorspronkelijke Kontichse kapelletje met de later Vrouw-van-Lourdes wordt vereerd, is er de oorzaak van dat in 1828 aangebouwde voorhal met colonnade vele bedevaarten naar de boskapellen verdwijnen. Tijdens de Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


mobilisatie van 1938-1939 en de daarop volgende oorlogsjaren stijgen de verering en het vertrouwen in “Onze-LieveVrouw als troosteres der bedrukten”. De plechtige dankprocessie op 8 oktober 1944 kent een geweldige toeloop. Bij deze gelegenheid plaatsen de gelovigen een marmeren gedenksteen waarop gebeiteld staat: “Parochie Lint, dank aan Onze-Lieve-Vrouw-ten-Bos voor bescherming tijdens de oorlog 1940-1945. Ave Maria”. Op de eerste zondag van mei houdt Lint er zijn jaarlijkse bedevaart.

De Kontichse kapel smeekt om restauratie

Wat is er van deze verering op onze dagen overgebleven? Buiten de zondagse wandelingen van de bevolking van Lint en Kontich-Kazerne wordt er in de meimaand nog af en toe een eucharistieviering gehouden en hebben er mariale gebedsdiensten plaats op dinsdag- en donderdagavond. Wij vergeten onze heilige moeder Maria niet. Wanneer wij bij de kapelletjes aankomen, vereren wij haar met kinderlijke liefde. Op 1 mei 1987 wordt de bij het begin van de meimaand door toenmalig burgemeester Marus Kempeneers een gedenksteen onthuld na de restauratie van de Kontichse kapel door bewoners van de Duffelshoek met financiële ondersteuning van het Fonds burgemeester Kempeneers. Leo Aertbeliën

Onthulling gedenkplaat restauratie 1987

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

5.4

Fraai gerestaureerde Kontichse kapel

13


Vervloekt zijt gij onder onze bevolking

S

NUFFELEND IN oorlogsdocumentatie rond WO I vonden we een dagboekje met verschillende berijmde teksten en ook twee ‘gebeden voor den Belgische soldaat’, opgetekend door Henricus Josephus Cloots. Wie was deze Belgische soldaat? Henricus Josephus Cloots (°Ekeren, 11 mei 1889 - +Antwerpen, 22 september 1937) werd op 8 jaar wees en kwam terecht in het Antwerps weeshuis van de Durletstraat: vader en moeder overleden respectievelijk in 1894 en 1897. Over zijn schoolloopbaan is verder niets bekend. Hij werd in augustus 1914 opgeroepen als soldaat bij het 4e regiment artillerie, bracht het tot soldaat-trompetter, behaalde acht frontstrepen voor dapper gedrag, kreeg ook nog heel wat oorlogsmedailles hiervoor en werd in 1919 gedemobiliseerd. Hij overlijdt op 48-jarige leeftijd aan longtering, opgelopen ten gevolge van zijn moedige strijd aan het front.

Uit het oorlogsdagboekje jarenlang zorgvuldig bewaard door kleinzoon Henri Cloots (1935-2014), bekend via een bruikleen van Joeri den Hollander.

Bij het lezen in het juiste ritme herken je duidelijk de twee bekendste gebeden van de katholieke gemeenschap (het onzevader en het weesgegroetje) en word je getroffen door het sarcasme van soldaat Cloots ten aanzien van keizer Wilhelm. Zeer begrijpelijk overigens. We geven het ongewijzigd weer, zoals H.J. Cloots het noteerde.

O Willem, die in België zijt Vervloekt zij uw naam, moet toekome U ons rijk Uw wil geschiede noch in Duitschland noch elders Geef ons heden ons gestolen goed terug En vergeef ons onze weerstaanheid Vooral aan den IJzer Gelijk wij vergeven alle verzopene Duischers En lijdt ons niet in bekoring Nog meer moffen te verzuipen Maar verlos ons van U en hun aller bestaan Amen!

Wees nooit gegroet, Willem Vol van haat en nijd Den Duvel zijt met U Vervloekt zijt gij onder onze bevolking En vervloekt zijn de daden uws lichaams Onbarmartige Siraan, bid voor de ziele Van al de onschuldige gesneuvelde mannen Tot in het uur van uwe spoedigste dood Amen!

en

ng

eri

in Re 5.4

14

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


Spinnewielen in ons museum. Proloog

Dankzij onze conservator Guido Theys en zijn medewerkers valt in ons museum alsook in het documentatiecentrum een van de meest gevarieerde collecties spinnewielen van ons land te bewonderen. Bovendien beschikken we over alle mogelijke informatie over dit heemkundig onderwerp voor wie er belangstelling voor heeft of gewoon er graag met nostalgie naar kijkt. Spinnen is een ambacht dat ooit een belangrijk aspect van onze volkscultuur uitmaakte. Door het verleden zijn we geworden wat we nu zijn. De Kring voor Heemkunde heeft als opdracht het leven van vroeger te confronteren met dat van nu. Ieder kringlid heeft zijn eigen interesses: prehistorie, archeologie, geschiedenis, documenten, voorwerpen… En zo zijn er ook een aantal die zich met textiel en de daarmee samenhangende technieken bezighouden. Hierbij denk ik vooral aan de Lapzussen, die dit jaar al tien jaren actief bezig zijn met de teken- en merklappen. Momenteel zijn ze bezig met het opnaaien van vele mooie doeken voordat ze (opnieuw) worden ingekaderd. De lapzussen vormen een hechte groep in het heemgebeuren en dragen zo hun steentje bij.

Unieke collectie

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

5.4

Geen enkel museum - volgens mijn bescheiden mening toch - heeft zo’n mooie verzameling spinnewielen van meer dan vijftig stuks in zijn bezit. Kontich kan zich beroemen op prachtige exemplaren, volledig intact en spinvaardig. De meeste hebben een Europese signatuur, maar er zijn ook enkele Amerikaanse en zelfs een Pakistaanse (oorspronkelijk of een correcte reproductie) vervaardigd door Jef Coenen. Hun bijzondere kenmerken zijn terug te vinden in een catalogus: daarin wordt ook uitgelegd in hoeverre ook hun cultuur mee bepalend is voor het type. Zo zijn er spinnewielen die vakkundig versierd zijn met sculpturen en kleuren. Jef, een verfijnde schrijnwerker met een creatieve geest, leerde van zijn vader Jan Coenen, uiteraard ook een houtbewerker, op de draaibank werken. Op de draaibank en met de beitel leerde hij de techniek als houtdraaier om mooie inkepingen te creëren. Zo maakte hij kunstige poten en spaken voor het wiel. Van vader op zoon is deze vaardigheid overgedragen gedurende – voor zover ik weet minstens drie generaties. Onze grootvader Jan Hendrik Coenen, uiteraard ook een man met liefde voor het hout, moest de draaibank nog bedienen met de voeten, wat niet ongewoon was in die tijd. Meestal werd (of wordt) er in onze streken beukenhout gekozen voor het vervaardigen van een spinnewiel. Waarom voor deze houtsoort gekozen wordt, laat ik liever over aan de man met de technische kennis ter zake. Deze man, mijn broer dus, kan nog perfect alles uitleggen aan de belangstellenden. Dit jaar is hij 88 jaren jong geworden, maar hij is mentaal nog zeer actief en ook humoristisch ingesteld. Misschien eens een inspanning om er wat aandacht aan te besteden want niemand van ons heeft het eeuwige leven. Wat gedacht van misschien eens “Ten huize van”? Omwille van zijn beperkte verplaatsbaarheid zal je je dus naar Deurne moeten verplaatsen. Aangezien zijn leeftijd verder en verder vorderde, vond Jef Coenen het erg belangrijk dat zijn “zielskinderen” een definitieve bestemming kregen en liefst op eigen bodem, in Vlaanderen dus. Er deden zich gelegenheden voor, vooral vanuit Nederland, maar dat was voor Jef geen optie. Uiteindelijk zijn al zijn waardevolle spinnewielen met bijbehoren op eigen bodem in de Kontichse heemkundige kring beland en staan er enkele te pronken in het museum dank zij een symbolische overname. Als er momenteel geen belangstelling is voor het spinnen kan dat zeker nog wel van pas komen later. Onze stichter Z.E.H. Jozef Van Herck zou zeker niet geaarzeld hebben om zulke erfgoedstukken als een meerwaarde voor het museum met beide handen te aanvaarden. Zo is de Kring nu ook tijdelijk in het bezit

15


geweest van een mooie film over het tot stand komen van een spinnewiel, vanaf een blok hout tot een spinklaar exemplaar, waarbij we Jef aan het werk kunnen zien. Deze film werd gerealiseerd door de echtgenoot van onze zus Mariette Coenen. Ondertussen is de film deskundig gekopieerd op dvd. Van harte hoop ik dat deze film in de toekomst vaak wordt vertoond en zo een boeiende bijdrage levert aan het museumbezoek. Hierbij denk ik ook aan de leraars, leraressen en studenten van al de scholen, niet het minst die van de technische en de beroepsafdelingen, die er veel van kunnen opsteken. Een beeld zegt allicht meer dan enkel en alleen een uitleg. Ook kan dit een meerwaarde geven aan de spinnewielen met eventueel een spinster in actie. Volgens mijn bescheiden ondervinding op de ambachtenmarkten houden de meeste bezoekers ervan iets te zien gebeuren, iets te zien groeien en een eindresultaat te zien. Met heemkundige groeten van kringlid en spinster Leen Coenen

en

ng

eri

in Re 5.4

16

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


Lintse pronkrol uit Nederland

D

AT DE collectie merklappen van ons Museum voor Heemen Oudheidkunde tot ver buiten onze grenzen bekend is, weten we sinds de tentoonstellingen die aan onze merklappen hier en in het buitenland zijn gewijd. Door kenners wordt de naam Kontich in dit verband met veel respect uitgesproken. En dat heeft zo zijn voordelen. Sinds die tentoonstellingen is onze collectie aangegroeid omdat heel wat mensen beseffen dat die merklappen door de volgende generatie toch niet zo worden geapprecieerd en dus vaak verloren gaan, maar dat er in het museum extra zorg wordt aan besteed. En zo is onze collectie onlangs weer uitgebreid. Weliswaar via een omweg, maar toeval is vaak nooit ver weg bij dergelijke schenkingen. Het echtpaar Roos-Covents uit de Hofstraat kwam via de zus van de man die in het Nederlandse Voorschoten woont in contact met Corry Douma-Noorlander. Zoals vele Nederlandse vrouwen overigens heeft Corry veel interesse voor merklappen en meer dan dertig jaar geleden kocht ze op een verkoop in haar dorp Voorschoten een pronkrol. Zo’n rol is eigenlijk een samengestelde doek die bestaat uit verschillende merklappen, stop- en tekendoeken die aan elkaar worden genaaid om als een soort eindresultaat van al die vlijt te kunnen presenteren. Of om even te pronken met alle opgedane competentie ter zake. De pronkrol die Corry kocht bleek uit onze buurgemeente te zijn met als einddatum (de samenstelling van de rol) 1912. Nu ze wat ouder wordt, wilde Corry deze doek dichter bij huis brengen. En het echtpaar Roos vertelde haar over ons museum. En zoals ze zo mooi in onze taal zeggen: van teen kwam tander. Op 5 november jongstleden kwam Corry in hoogsteigen persoon naar het documentatiecentrum om de pronkrol aan ons te schenken. Dit gebeurde in aanwezigheid van enkele kringleden en de schepen van erfgoed, Bart Seldeslachts. Ze kreeg van de schepen een pen met opschrift Kontich als aandenken aan haar genereuze gift. Met andere woorden alleen maar blije mensen en een steeds groeiende collectie. En misschien is dit een aansporing om toch nog eens op zolder te kijken of bij vriendinnen na te vragen of er nog merklappen in omloop zijn die een onzekere toekomst tegemoet kijken. Bij ons zijn ze veilig en worden ze voor de toekomst geborgd.

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

5.4

Guido Theys en Paul Catteeuw

17


De Westerlose jaren van pastoor De Laet Paul Janssens, ere-burgemeester van Lint, oud-Kontichnaar en zoon van wijlen Jozef Janssens, bij leven lid van onze Kring, kunnen we bijna beschouwen als een corresponderend redactielid. Toen we in het juninummer van Reineringen pastoor De Laet vermeldden, kwamen de herinneringen naar boven. Het rusthuis voor priesters in Westerlo, dat in het artikel ter sprake kwam, kende hij van binnen en van buiten. “Het was het vroegere kasteel van gravin Jeanne de Merode en thans gemeentehuis van Westerlo. In de jaren vijftig gingen wij met het gezin – mijn vader was onderwijzer en daarna directeur van de toenmalige jongensschool van Kontich – jaarlijks naar Westerlo en wij verbleven daar in de hovenierswoning van het kasteel, dat toen rusthuis was voor priesters die er een rijkelijk leven kenden. Deze woning maakte deel uit van het kasteeldomein. Ik denk dat geen enkel kind vakanties kende zoals wij die konden spelen in een tuin waar fruitbomen zoals de moerbeiboom, perenbomen, pruimelaars, appelaars, voor het dessert en confituur zorgden, waar tabak werd gekweekt voor eigen gebruik der priesters, waar verse groenten de bodem versierden, kippen vrije loop hadden en bloemen met liefde werden verzorgd. De priesters met rust op het kasteel hielden er aan dagelijks een eucharistieviering op te dragen. Omdat zij geen misdienaren hadden zorgde mijn moeder er voor dat ik dagelijks – en tijdens de vakantie dus – deze brave priesters, soms met een zwakke gezondheid, diende bij te staan. U kan zich voorstellen hoe 13 priesters in de loop van de ochtend binnen de ruimte van het kasteel met één kapel en een zijkapel hun trouw aan onze lieve heer georganiseerd dienden te bewijzen, elk op zijn beurt. Ik moest dikwijls op de knieën, van hoofdaltaar naar zijaltaar, dan weer naar de kamer van een blinde priester waarvoor ik de Latijnse teksten moet lezen en weer terug naar de kapel.” En zo diende hij ook de mis geofferd door priester Aloysius De Laet… Een mooie anekdote uit het rijke Roomse leven van weleer. En voor ons een excuus om de foto van deze verdienstelijke amateur-archeoloog nog te publiceren. Wat door omstandigheden in ons tweede nummer van deze jaargang niet gebeurd was.

en

ng

eri

in Re 5.4

18

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


Activiteitenkalender en Nieuws Museum voor heem- en oudheidkunde: elke zondag open van 14 tot 17 uur met gids. Het museum is wel gesloten tijdens de maanden juli-augustus en december-januari-februari.

De inwijding van het vernieuwde museum is voorzien voor 13 maart 2015. Ben je op zoek naar de oude nummers van Reineringen of publicaties die met Kontich te maken hebben? Surf dan gewoon naar www.issuu.com. Op deze webstek tik je bij zoeken gewoon “Reineringen” of “Kontich” in en je komt zo bij onze vroegere nummers terecht. Activiteiten in samenwerking met de Gemeentelijke Erfgoedraad naar aanleiding van de herdenking van de Eerste Wereldoorlog (Data en onderwerpen onder voorbehoud) 24-03-15 - Lezing Paul Janssens: Gommaar Janssens en WOI 13-11-15 - Lezing Paul Catteeuw en Guido Theys: Jozef Van Herck in WOI 11-03-16 - Lezing Janet Dean (kleindochter): Margriet Ballegeer 11-11-16 - Lezing Pieter Serrien: WOI in dagboeken 21-04-17 - Lezing Brecht Demasure: oorlogsvoeding en tentoonstelling: dagelijks leven en hygiëne tijdens WOI 10-11-17 - Lezing Paul Catteeuw: De brieven van Jozef Van Herck tijdens WOI 09-03-18 - Lezing Frank Hellemans en Paul Catteeuw: Dagboek Jozef Van Passen tijdens WOI 11-11-18 - Afsluitende festiviteit: De bevrijding Activiteiten in samenwerking met Edegem en Mortsel naar aanleiding van de herdenking van de Eerste Wereldoorlog 08-02-15 - i.s.m. Davidsfonds en de historische gidsen van Edegem: Lezing over “Edegem, een boerendorp van toen” 18-04-15 - i.s.m. de kerkfabriek van St.-Benedictus Mortsel: Concert en herdenkingstentoonstelling WOI in Mortsel “Remember Me” Abonnees van Reineringen – vrienden van het museum Graag houden we jullie op de hoogte van al onze activiteiten en publicaties. Dit is echter enkel mogelijk als u ons uw e-mailadres bezorgt via reineringen@gmail.com . Uiteraard kan u zich altijd laten uitschrijven op eenvoudig verzoek aan hetzelfde mailadres. Facebook Je vindt onze heemkundige kring nu ook op Facebook. We posten er op regelmatige basis foto’s uit de oude (en nieuwe doos). Enkele honderden mensen hebben de weg al gevonden. Hoe geraak je erbij? Zoek gewoon onder “Kontichse historische weetjes”. Ook op LinkedIn zijn we aanwezig. Daar vind je berichten i.v.m. de heemkundige kring.

Abonnement?

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

5.4

Als je van dit nummer van Reineringen houdt, dan ligt ook de toekomst van dit blad je nauw aan het hart. Nieuwe abonnees ontvangen ALLE nummers in 2015 door overschrijving van minimum 15 euro op rekening BE77 41550442-2142 met vermelding van uw naam, adres en “Reineringen 2015”. Het IBAN-kenmerk is KREDBEBB.

19


Reineringen Reineringen 5 (2014), 4 Driemaandelijks (oktober - december 2014) Afgiftekantoor Kontich P912187

INHOUDSTAFEL: Pagina 1 Voorwoord Pagina 2 Abraham Hans, een Kontichse reus (deel 2) Pagina 5 1902: de eerste kerstboom in Kontich Pagina 7 Robert Scotland Liddell: The track of the war Pagina 11 Een geschiedenis van de boskapellen Pagina 14 Vervloekt zijt gij onder onze bevolking Pagina 15 Spinnewielen in ons museum Pagina 17 Lintse pronkrol uit Nederland Pagina 18 De Westerlose jaren van pastoor De Laet Pagina 19 Activiteitenkalender en nieuws

Colofon Reineringen, Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich, 5 (2014), 4 ISSN 2033-2742 Redactie: Paul Catteeuw, Frank Hellemans en Paul Wyckmans Eindredactie: Paul Catteeuw Grafische vormgeving: Bruno Catteeuw Druk: Drukkerij Hendrickx, Schelle Verantwoordelijke uitgever: Paul Wyckmans, Duivenstraat 22, BE-2550 Kontich Correspondentieadres: reineringen@gmail.com © 2014 – Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich De auteurs zijn verantwoordelijk voor de inhoud van hun eigen bijdrage. Abonnementen (inclusief lidmaatschap “Vrienden van het museum”): minimum 15 euro. Te betalen op rekeningnummer BE77 4155-0442-2142 met de vermelding van uw naam, adres en “Reineringen 2014”. Het IBAN-kenmerk is KREDBEBB. Gelieve eventuele adresveranderingen zo snel mogelijk aan ons mee te delen. Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich, Documentatiecentrum Duivenstraat 22, BE-2550 Kontich, +32 3 457 86 04 heemkunde.kontich@gmail.com

Museum voor Heem- en Oudheidkunde Bibliotheek- en cultuurgebouw Sint-Jansplein, BE-2550 Kontich www.museumkontich.be

Reineringen 5/4 (2014)  
Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you