Page 1

Reineringen

Duivenstraat 22

H

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich Verschijnt driemaandelijks • Jaargang 5, nummer 2 (april - juni 2014)

ET MOEST er natuurlijk van komen. De Eerste Wereldoorlog wordt overal te lande massaal herdacht. En ook wij doen dat. In de vorige nummers van Reineringen kon je dat al even merken, maar in dit nummer geven we er al een eerste lap op. En dat zal gedurende de volgende vier jaren niet anders zijn. Maar toch proberen we ons hierbij voornamelijk op – what’s in a name – het thuisfront te concentreren. Wat gebeurde er in Kontich en Waarloos. Daarvan kregen we eigenlijk al een eerste voorsmaakje in de schitterende lezing van professor Alex Vanneste over de dodendraad. De link met Kontich werd plots heel levendig door de stem van Margriet Ballegeer. Zij zal in de volgende jaren nog wel vaker aan bod komen. En ze is in ieder geval een absolute kandidate voor een mogelijke nieuwe straatnaam. We waren bij deze lezing ook aangenaam verrast door de hoge opkomst. Meer dan 150 mensen luisterden vol spanning naar het verhaal van de hoogspanning. Een daverend succes. Een andere insteek is de onvolprezen Abraham Hans. Volksschrijver par excellence. We presenteren u het eerste deeltje van zijn boeiend levensverhaal en we laten hem zelf aan het woord met zijn ooggetuigenverslag van wat er tijdens de eerste oorlogsdagen hier in Kontich gebeurde. En ook daar komt de familie Ballegeer op de proppen. Het ligt in ieder geval in de bedoeling van de redacteurs om Abraham Hans zoveel mogelijk eer te bewijzen als maar mogelijk is. Gewoon omdat zijn verdiensten steeds meer op de achtergrond lijken te raken en zijn naam zelfs in haast gevestigde toponiemen dreigt te verdwijnen. In Vlaanderen gaan we soms op een heel slordige manier om met ons verleden en de mensen die daarin een belangrijke rol speelden. Verder besteden we aandacht aan de sporen van vroegere loopgraven in Kontich en Lint en komen we een vroegere pastoor van Kontich tegen bij een bezoek aan het Taxandriamuseum in Turnhout. Vervolgens gaan we nog wat verder terug in de tijd. Ook na de onafhankelijkheid van België was het hier niet altijd even veilig en daarover krijgen we een merkwaardig document. Aandachtige lezers reageren met graagte op onze artikels en melden ons lacunes, foutjes en vergetelheden. Daarom komen we ook graag terug op onze beschrijving van de Magdalenastraat. Ondertussen werd in mei ook officieel de GER, ofte de Gemeentelijke Erfgoedraad, geïnstalleerd. Na een aarzelend begin wegens het ontbreken van statuten is alles nu in orde gebracht. Deze raad zal de vinger aan de pols houden voor wat betreft erfgoed in Kontich en Waarloos. De statuten zelf zijn terug te vinden op de gemeentelijke website.


Maar we beginnen dit nummer met Jeroen Olyslaegers. Hij is de zoon van onze betreurde conservator Joris. Ondertussen is Jeroen een beroemde en veel gevraagde schrijver, maar met zijn actie rond de Geefpleinen heeft hij ook het hart van Vlaanderen geraakt. Omwille van dit alles ontving hij de zeer prestigieuze Arkprijs van het Vrije Woord. We laten hem zelf aan het woord. Veel leesplezier. Paul Catteeuw, Frank Hellemans en Paul Wyckmans

Jeroen Olyslaegers ontvangt Arkprijs van het Vrije Woord

S

CHRIJVER EN culturele duizendpoot Jeroen Olyslaegers (zoon van Joris) heeft op 28 mei in de galerij De Zwarte Panter de 64e ‘Arkprijs van het Vrije Woord’ in ontvangst mogen nemen. Dat is een louter symbolische prijs die in 1951 in het leven werd geroepen door Herman Teirlinck en de redactie van diens Nieuw Vlaams Tijdschrift (NVT), om personen te bekronen die zich “actief inzetten voor de vrijheid van denken”. Meer dan zestig jaar later is het Arkcomité nog steeds actief en blijft het nieuwe leden aantrekken. Jeroen Olyslaegers is 47 en onder meer bekend van zijn theaterstukken en als oprichter van het multimediacollectief ‘Glamor is Undead’. Hij is echter ook actief in de plastische kunsten, de film en schrijft politieke columns, momenteel voor De Morgen. Zijn laatste podiumperformance is ‘Geletterde Mensen’, dat hij samen met Joost Vandecasteele uitwerkte. Volgens de jury van de Arkprijs verdient Olyslaegers de bekroning omdat hij “oprecht maatschappelijke engagement in woorden en initiatieven” vertoont en het publieke forum gebruikt om schrijnende maatschappelijke toestanden aan de kaak te stellen en met die stellingname tegen de mainstream in te gaan. Vorig jaar ging de Arkprijs van het Vrije Woord nog naar econoom Paul De Grauwe. Andere bekende laureaten op de imposante erelijst zijn onder meer David Van Reybrouck, Wannes Van de Velde, Maurice De Wilde en Hugo Claus. Hieronder drukken we het dankwoord van Jeroen

Een verhaal bij wijze van dank door Jeroen Olyslaegers

en 5.2

2

ng

eri

in Re

Er zijn genoeg verhalenvertellers in mijn familie. Op zaterdagnamiddag, aan de tafel van grootmoeder, werd er druk gefabuleerd en de zogenaamde werkelijkheid werd daar tot fijne narratieve charcuterie versneden zodat het voor iedereen aan de dis genieten werd. Dat beschouwde ik als kind zo normaal dat het me decennia heeft gekost vooraleer ik me realiseerde in de eerste plaats een verteller te zijn en dan pas schrijver. Een goed verhaal in mijn familie betekent dat het vaagweg echt gebeurd is en dat de verteller niet enkel het hoofdpersonage is, maar tevens ook de pointe van de grap die er onvermijdelijk aankomt. Hij die het verhaal heeft meegemaakt is dus tevens ook het slachtoffer en de triomfantelijke wraak schuilt in het vertellen van deze pijnlijke episode en daar bijval mee oogsten. Tenminste: dat is het plan. Ik kan dan ook niet anders dan dit dankwoord te beginnen met een verhaal. Twaalf jaar ben ik. Iets komt iets in mijn oor fluisteren. Socrates zou zeggen dat het mijn ‘daimoon’ is die even om aandacht verzoekt. Op dat moment weet ik daar uiteraard niets over. De wereld is me zo bedreigend geworden dat ik niet anders kan dan fietsend naar school me een geheel ander mens te wanen, een ridder misschien of een detective in een bijzonder ingewikkelde moordzaak. Op een van die momenten krijg ik een stem te horen die daar niet bij past. Ik krijg te horen dat er voor mij niet al te veel opties zijn. De boodschap komt aan. Eigenlijk, alles en wel beschouwd, is er maar een optie: schrijver worden. Twee jaar later. Ik zit op de achterbank van de wagen van mijn ouders. We rijden door Zuid-Engeland, een reis die door mijn vader tot in de puntjes is uitgestippeld. Hij neemt mijn moeder, mijn broer en mij mee op een vakantie die in feite nauwelijks zijn steeds groter wordende obsessie maskeert: het bezoeken van elke prehistorische steencirkel, menhir, of middeleeuwse ruïne die hij binnen de veertien dagen te zien kan krijgen. Soms zien we drie van die cirkels per dag, ergens in een godvergeten veld, omgeven door helemaal niets. En hoewel ik, net zoals hij, een romanticus ben, valt het niet te ontkennen dat ik tevens in mijn puberteit zit. Verveling heeft me dus regelmatig bij mijn strot. We komen aan in het stadje Bath. Mijn vader probeert me te paaien met boeken. Ik kies er twee uit in een prachtige boekhandel. Het ene boek is een verzameling romans van Samuel Beckett, het andere boek is een biografie over Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

5.2

dezelfde schrijver. Iets in zijn getormenteerde gezicht doet me naar hem grijpen. Het lezen van zijn proza op de achterbank van de wagen is veel te hoog gegrepen. Er zijn overigens momenten dat ik het ook vandaag nog altijd veel te hoog gegrepen vind, dat het lezen van zijn teksten tegelijk een pijnlijke doch geruststellende worsteling blijkt. Maar die biografie over hem… dat is iets anders. Het is de eerste schrijversbiografie die ik onder ogen krijg en het doet mijn kop tollen. Een zin snijdt evenwel mijn hart aan stukken. Beckett heeft als jongeman in Parijs een baantje als secretaris bij zijn beroemde landgenoot James Joyce, een man waar hij toen een devote bewondering voor had. Joyce zelf beschouwde Beckett als zijn pupil en becommentarieerde diens eerste schrijfpogingen navenant. Op een bepaald moment haalt hij vernietigend en tegelijk misschien wel liefdevol uit naar zijn leerling. Hij beschrijft Beckett als ‘a young man with the itch to make and nothing to say’. Op de achterbank van een wagen die nog maar eens richting steencirkel bolt komt dat bij deze veertienjarige keihard binnen. Dat ben ik: een jong kereltje dat zo graag schrijver wil worden, maar dat niets te zeggen heeft. Ik kijk door het raam en verbijt mijn tranen. Want diezelfde daimoon van twee jaar eerder voegt zich daar aan toe dat het lang zal duren vooraleer ik het gevoel krijg iets te zeggen te hebben, wie weet een eeuwigheid. Dertien jaar later. Wie weet heeft het grote ongeduld ervoor gezorgd dat ik mijn eerste roman afwerk en heeft het Jeroen Olyslaegers niets te maken met inhoud of het gevoel iets te zeggen te Fotograaf: Walter Van den Eynde hebben. Het boek heet Navel en krijgt één recensie en ze is niet bepaald vriendelijk. Nog eens dertien jaar later. Ik ben nu veertig. Het voornemen iets te zeggen te hebben is getransformeerd, eerst door blufpoker en soms zelfbedrog en daarna door wat ervaring, hier en daar wat pijn en een heleboel onnozelheden en toevallige omstandigheden. Nu voelt het dus niet meer aan als een voornemen, het is eerder een maliënkolder doorweven met zekerheid. Theater heeft me daarbij geholpen. Het schrijven van theaterteksten is een weg naar buiten, een overtuiging die publiekelijk dient te worden erkend en eventueel bestreden, maar het is tevens ook een geschenk dat je bij elkaar schrijft voor mensen die je teksten op de planken uiten. Het is een mogelijk geschenk, dat moet er worden aan toegevoegd, want soms kun je nog zoveel goesting hebben om iets te zeggen, niets verzekert je dat een acteur je daarin volgt, je begrijpt of je woorden nog maar aanvaardt. Ik ben er ook achter gekomen dat cynisme en ironie me niet meer helpen. Ze hangen als reddingsboeien rond mijn nek en ik wil zwemmen in een warmer zee, neerschrijven wat ik om me heen zie, aanklagen wat ik nodig acht, mensen omarmen evenzeer. Ik laat me vervellen tot een mens met een mening en begin hier en daar columns te schrijven. Een paar jaar later geeft de krant De Morgen mij de kans om daarin echt te groeien. Vijf jaar later. Het is 17 oktober 2012. De Occupy-beweging heeft me doen beseffen dat mijn woorden deel kunnen uitmaken van een groter geheel. Op het vlak van bewustzijn komen er zaken in beweging die ik een paar jaar eerder noch voor mezelf noch voor anderen voor mogelijk zou hebben gehouden. Het zijn confronterende tijden geworden. Elke dag roept er wel een feit om een antwoord, om een standpunt, alsof er elke dag een of ander exorcisme zou moeten worden uitgevoerd in een ontspoorde wereld. Mijn eerste reeks columns begon in een eerste fase met de woorden: ‘Wij, gij niet dus. Nu denk ik daar anders over. Nu is de wereld zo schaamteloos geworden bij het etaleren van mensonwaardige waanzin dat ik het beter acht mijn woorden in te leiden met de zinnen: ‘Alles zal worden onthuld, o lezer. Het is slechts een kwestie van tijd.’ Maar hoeveel keer ik die woorden ook uit, hoeveel ik mezelf overtuig dat ik nu, zowel in mijn columns als in mijn romans of theaterwerk iets te zeggen heb, iets dat ik kan uitdragen, nog steeds zet de twijfel geregeld zijn tanden in mijn nek.

3


Er ontbreekt iets tijdens dat najaar van 2012 en dat weet ik al een tijdje. Het is niet voldoende. Mijn vrouw en ik staan op 17 oktober, op de wereldwijde verzetsdag tegen armoede op de Groenplaats te luisteren naar de persoonlijke verhalen van arme mensen in deze stad. Wat ze daar zeggen transformeert me, zo simpel is het en geen daimoon heb ik nodig om dat te weten. Een paar dagen daarna staan wij samen met onze vriendin Patsy Van Der Parre en met onze kameraden van Occupy eten uit te delen op diezelfde Groenplaats. Die zaterdag is het nog warm voor de tijd van het jaar, dus wordt het pastasalade, maar de vierentwintig weken die daarop volgen wordt het soep. De Fotograaf: Walter Van den Eynde actie wordt groter en groter, steeds meer mensen komen helpen, steeds meer mensen hebben samen met ons het gevoel dat armoede voor de mensen die wel geld hebben een bewustzijnsprobleem is. Elke week leer ik bij, elke week hoor ik verhalen die daklozen mij komen vertellen, en elke week feesten we samen met hen, zonder onderscheid en in wat voor weer ook. Het is op de Groenplaats en later op het Astridplein dat het idee van de geefpleinen is ontstaan. We hebben het niet bedacht in een vergaderruimte of achter een laptop. Nee, het is letterlijk op straat dat die gedachte ons kwam toegewaaid. We zagen immers hoe krachtig geven kan zijn, hoe simpel ook, hoe juist en hoeveel plezier het geeft aan iedereen. Vrienden en vriendinnen begonnen kleren te verzamelen en ze uit te delen. We hebben geefpleinen georganiseerd voor meubels, speelgoed en wat voor bruikbaar spul ook. Van het ene plan kwam het andere. Waar we met z’n allen op hebben gehoopt is nu werkelijkheid aan het worden. Het geefvirus blijkt immers besmettelijk; mensen beginnen op eigen houtje geefpleinen te organiseren. Tot nu toe zijn er geefpleinen geweest in Sint-Niklaas, Brussel, Kortrijk, Hasselt, Merksem, Berchem, Kalmthout. Komende maand komen er geefpleinen in Leuven en in Gent. Onze slagzin? Geefpleinen overal. En het zal ons nog lukken ook. Nu moet ik nog even overstappen van ‘wij’ naar ‘ik’. Het is immers door die daden, door echt iets proberen bij te dragen aan een warme samenleving in plaats van de kilte te aanvaarden die er nu in dit land en in Europa heerst, dat mijn woorden eindelijk juist staan. Ik voel me voor het eerst als een verteller met een missie, voor het eerst sinds die daimoon in mijn oren fluisterde, sinds dat lezen van die zin van Joyce over Beckett, voel ik me in balans. En net op dat moment krijg ik de allermooiste prijs: de Arkprijs van het Vrije Woord die ik graag op café en met genoeg alcohol in mijn bloed de ‘grootbakkesprijs’ noem. Mensen van de Ark: heel dit verhaal bied ik u aan om duidelijk te maken dat gij allen ten eerste een onvoorstelbaar gevoel voor timing hebt, dat u mij ten tweede eert op een manier die mij daarom nog eens extra overrompelt en dat ten derde mijn dank hiervoor diep is, zo diep dat diezelfde dank op dit moment een tongkus draait met de daimoon die ik voor het eerst op mijn twaalfde hoorde fluisteren. U eert mij, maar naast mij staat een grote groep van mensen die me steeds hebben aangemoedigd om te schrijven, om aan te klagen en om meer soep te maken. Met uw goedvinden deel ik die prijs met hen, met de mensen van Occupy, met de mensen van de Regenboog die zich inzetten voor daklozen, met alle mensen die een geefplein hebben georganiseerd, de geefdadigers, de dromers met grond onder hun voeten, zij die op de schouders van alle andere rebellen staan uit het verleden en waarvan velen ook de eer hebben gekend om met hun naam in de Ark gegrift te staan. Ik deel hem met Patsy Van der Parre, en met mijn vrouw Nikkie van Lierop die in feite nog een groter bakkes heeft dan ik en zeker een groter hart. Ik deel hem met de liefde kortom, niet enkel voor het Vrije Woord, maar ook voor een samenleving met een kloppende hartspier in plaats van een angstige geldbuidel, met verzet in plaats van onverschilligheid, met langetermijndenken in plaats van de waan van de dag. Ik deel hem met iedereen hier, wakker of niet, in het volle besef dat de schoonste zin bestaat uit een wetenschappelijke, spirituele en vrije waarheid: wij zijn één.

en

ng

eri

in Re 5.2

4

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


Abraham Hans, een Kontichse reus (deel 1) De naam Abraham Hans zal bij de meeste Kontichnaars wel een belletje doen rinkelen. Een fietsbelletje allicht, want de man zag zijn naam vereeuwigd in een fietspad om en rond Kontich. Alhoewel, vereeuwigd? De provincie Antwerpen, organisator van de provinciale fietspaden en knooppunten, is van plan om de naam te schrappen. Dan blijven enkel de Abraham Hansschool en de Abraham Hanslaan in Kontich over. En dat zou doodjammer zijn. En het zoveelste bewijs dat men in Vlaanderen zijn helden uit het verleden vaak onheus behandelt. In het contactblad van onze gemeente (mei 2014) heb ik in een eerder korte bijdrage over het boeiende leven van Abraham geschreven. In Reineringen willen we u echter het bredere kader schetsen. Niet enkel om Abraham aan de vergetelheid te onttrekken, maar ook en vooral om in hem een man te eren die zoveel voor de ontwikkeling en de ontvoogding van Vlaanderen heeft betekend. Hij leerde ons als reisjournalist Vlaanderen kennen, hij hield ons vaak een spiegel voor en hij bezorgde hele generaties jongeren en ouderen zoveel leesplezier dat zelfs de boekjes die hij schreef naar hem werden genoemd: de Hanskes. In het collectieve geheugen zal iedereen zonder enig probleem weten te vertellen dat Hendrik Conscience zijn volk leerde lezen. Verre van ons om de kwaliteiten van Conscience (1812-1883) in twijfel te trekken, toch geloven wij meer in het feit dat hij in een door de Franstalige bourgeoisie gedicteerd land durfde in het Nederlands te schrijven. Toch wel een straffe zet, want Vlaams werd beschouwd als een boerentaal die niet geschikt was voor literaire productie. Conscience was achttien toen de Belgische revolutie uitbrak en de romantiek was de beste voedingsbodem om hem romans als De Leeuw van Vlaanderen te laten schrijven en o.a. Vlaanderen een verleden te schenken waar we trots konden op zijn, ondanks – of net dankzij – die ene en enige militaire overwinning die we ooit hebben behaald. Op zich reeds een serieuze prestatie voor de zoon van een Fransman en een Vlaamse vrouw. We zouden Conscience dus eerder de uitvinder van het “literaire Vlaams” willen noemen dan wel de man die zijn volk leerde lezen. Want die eer willen we met veel plezier aan onze dorpsgenoot toekennen. In deze aflevering willen we in eerste instantie de jeugd van Hans beschrijven. We putten hierbij voornamelijk uit een drietal werken: de onuitgegeven licentiaatsverhandeling van Viviane Van Dooren, Abraham Hans (1882-1939), 1980; Jan Marchau, Zo schreef Abraham Hans, 1982: Daniel Walraed, Journalist en volksschrijver Abraham Hans. Leven en werk.

De jeugd van Abraham Hans

In de negentiende eeuw was Vlaanderen een streek die volledig in het katholicisme was ondergedompeld. Heel Vlaanderen? Wel niet helemaal, want in Oost-Vlaanderen bevond/bevindt er zich een curiosum. Een klein dorpje dat door de eeuwen heen de katholieke heerschappij wist te weerstaan. Het dorpje Sint-Maria-Horebeke, op een boogscheut van Oudenaarde, herbergt ook de Geuzenhoek (wijk Korsele), een unieke protestantse enclave in Vlaanderen: de nakomelingen van bosgeuzen uit de zestiende eeuw. Dit plekje is overigens ook nu nog een bezoek meer dan waard, onder andere omwille van zijn mooie kerkhof rond een grote treurbeuk.

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

5.2

De oudere Abraham Hans bij zijn geboortehuis

5


En precies hier werd Abraham Hans op 12 februari 1882 geboren. In het schoolhuis dat tot 1982 – precies honderd jaar na zijn geboorte - dienst deed als protestants schooltje. Abraham was het zevende kind van Bastiaan Hans en Boukje Edelenbosch. Er zouden nog zes kinderen volgen. Zijn vader was afkomstig uit Den Briel (Nederland), zijn moeder was een Zeeuwse uit Hellevoetsluis. Vader Hans was namelijk benoemd tot onderwijzer van het protestantse schooltje. Het gezin had het niet erg breed, ook al omdat de autoriteiten het die Vlaamse protestanten niet makkelijk maakte. Ze lieten de school vervallen en reeds in 1884 werd vader Hans als onderwijzer ontslagen. Aanvankelijk werd de familie opgevangen door de protestantse geloofsgenoten, wat resulteerde in een hechte vriendschapsband met de plaatselijke bevolking. Die verbondenheid tussen de families verklaart mede het feit dat de enclave al die eeuwen is blijven overleven. Ondanks de korte periode is Horebeke toch altijd een beetje de bakermat van Abraham Hans gebleven. Tijdens de schoolvakanties ging hij er vaak terug en werkte er dan als koejongen en leerde er zo de natuur van heel nabij kennen. Hij heeft er dan ook vaak en met veel liefde over geschreven. Uiteindelijk zag de familie Hans zich verplicht om te verhuizen omdat het protestantse schooltje tijdens de hevige schoolstrijd helemaal werd gesloten. Ze vestigden zich in Roeselare. Vader Hans kreeg er werk bij Hendrik Tant, een protestantse industrieel die zich het lot van de familie Hans aantrok. In Roeselare komt Abraham dagelijks in contact met de arbeiderswereld. Deze contacten en de ingesteldheid van zijn ouders zijn de kiemen van zijn sociaal engagement in zijn later leven. Hij gaat er naar de stadsschool en blijkt een uitstekende leerling te zijn die er steeds de beste resultaten haalt en in 1894 zelfs als primus de zilveren stadsmedaille krijgt. Tegelijkertijd maakt de familie Hans ontelbare uitstapjes in de wijde omgeving van Roeselare. Abraham was danig door de reismicrobe gebeten en trok er dan ook vaak alleen of met vrienden op uit. En zeker wanneer hij een fiets kreeg, breidde zijn wereld zich steeds verder uit. Zelfs tot aan de Noordzee. Die tochtjes liggen mee aan de oorsprong van ontelbare verhalen later, want hij kende Vlaanderen als zijn broekzak. En hij praatte met de (volks) mensen die hij tegenkwam. Verhaaltjes, sagen, legendes. Alles sloeg hij in zijn geheugen op en gebruikte het materiaal wanneer het hem van pas kwam. Het zal dan ook niet verbazen dat Abraham ook een veellezer was en alles las wat hem onder ogen kwam, van fictie tot historische werken. Zijn middelbaar onderwijs genoot Abraham in de grensstad Een jonge Abraham Hans Menen. Hij reisde dagelijks met de trein vanuit Roeselare en werd hier vaak geconfronteerd met de grensarbeiders en hun armoedig lot. Ook dit scherpte zijn sociaal engagement aan. Over zijn schoolleven in Menen leek hij wel minder tevreden. In de Franstalige school was er gelukkig directeur Mast die zijn leerlingen van Nederlandstalige literatuur voorzag. De jonge Hans zal zeker wel De Leeuw van Vlaanderen gelezen hebben. In 1896 kreeg Hans een beurs om in de normaalschool in het Nederlandse Doetinchem voor onderwijzer te studeren. Hij kon er gratis studeren, maar ondanks het Nederlandse bloed had hij vaak heimwee naar Vlaanderen dat hij als zijn echte vaderland beschouwde. In 1900 haalde hij zijn diploma en nam een eerste post op in Sluiskil (Terneuzen). Ondertussen legde hij aan de Gentse normaalschool examens af, zodat hij meteen ook de bevoegdheid had om in Vlaanderen les te geven. En in 1901 wordt hij officieel Belg. Kort daarna keert hij naar Roeselare terug en helpt hij zijn vader in het protestantse schooltje van Roeselare. En dan is het tijd voor zijn Kontichse periode. In 1905 op 23-jarige leeftijd kan hij in Antwerpen aan de slag. En de hele familie Hans vertrekt samen met Abraham naar Kontich. Ze vestigen zich in de Duivenstraat 43. (wordt vervolgd) Paul Catteeuw

en

ng

eri

in Re 5.2

6

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


De eerste oorlogsmaanden te Kontich tijdens WO I Abraham Hans schreef ‘DE GROOTE OORLOG’ - een prachtige bundeling van 120 afleveringen in 2 boekdelen en in eerste druk uitgegeven bij L. Opdebeek te Antwerpen in 1919 – waarin hij een samenhangend geheel schetst van de Eerste Wereldoorlog: aanleiding, inval in België, Luxemburg en Frankrijk, de krijgsverrichtingen en de wandaden van Duitse, Oostenrijkse en Italiaanse militairen doorheen Europa, de loopgravenoorlog achter de IJzer, de ineenstorting van de Duitse overmacht en de uiteindelijke overwinning in 1918. Uit dit zeldzaam en gegeerd collectors’ item ‘De Groote Oorlog’ nemen we uit het eerste deel de passi over waarin de auteur de eerste oorlogsmaanden in de regio Antwerpen en meer bepaald in de gemeente Kontich beschrijft. Concreet betekent dit van oorlogsverklaring en inval tot overgave van Antwerpen te Kontich en de toestand te Kontich tot aan de terugkeer van de meeste burgers. Buiten de spelling respecteerden we de schrijf- en verhaallijn van de auteur. We voegden voor nieuwe en nietKontichnaren enkele verduidelijkingen toe. Leo De Kimpe, heemkundige en lid van ‘De Root’ in 2840 Reet, gaf ons deze twee delen een tijdje in bruikleen, waarvoor we hem zeer hartelijk danken.

Mobilisatie, oorlogsverklaring, eerste oorlogsmaanden, Antwerpse forten

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

5.2

Bij onze soldaten is Kontich goed bekend, al is het maar om zijn grote kazernes nabij de lijn Antwerpen – Brussel, gemeenlijk bij het volk “’t depot” genoemd en voorzien van een station: Kontich-Kazerne. Het bevallig, zindelijk dorp van 5000 zielen ligt tussen genoemde spoorweg en die van Antwerpen – Boom – Dendermonde – Gent met een tweede station in het centrum van het dorp, Kontich-Dorp. Door de gemeente loopt de Grote Steenweg, die Antwerpen met Mechelen en Brussel verbindt en in het dorp de voornaamste straten vormt. Deze wordt nabij de kerk gekruist door een weg van Lier, Lint, en de kazernes en zo naar Hemiksem aan de Schelde. Een andere weg voert naar Edegem, Wilrijk, weer een andere naar Reet en ook een naar Duffel. De Grote of Mechelse steenweg was de rechtstreekse verbinding Kazerne in Kontich met Walem aan de Nete en het fort daar. Het lag dan ook voor de hand, dat Kontich in oorlogstijd een voornaam punt zou worden. Een derde station, een stopplaats feitelijk, bezit Kontich aan de ingegraven spoorlijn Antwerpen-Zuid naar Waarloos, Duffel, Sint-Katelijne-Waver en Mechelen. (op het einde van de Nieuwe Lei, vanaf 1930 Rubensstraat, pw) Toen de burgers op de laatste juli-avond van het jaar 1914 in groepjes het nieuws bespraken, vermoedden ze niet, welk een geweldige beweging er de volgende dag in het dorp zou ontstaan. Zij hadden wel in de treinen de mannen van drie opgeroepen lichtingen zien voorbij rijden, maar het stelde hun nu rustiger, dat de tien andere klassen niet opgeroepen waren, zoals men die vrijdag had verwacht. In de nacht echter gebeurde het dan toch. Station Kontich-dorp En ’s zaterdags brachten reeds de morgentreinen van Kontichkazernen en Kontich-dorp hopen soldaten, zodat tegen de avond niet alleen de scholen, danszalen, herbergen en schuren vol lagen, maar ook de burgers hun deuren ontsloten voor al de daklozen, welke vermoeid van lichaam en ziel, een rustplaatsje begeerden. En ook in de nacht nog kwamen er soldaten aan en ’s zondags dan. En nu bleek weer, dat er een groot verschil is tussen de voorbereiding in vredestijd en de werkelijkheid in oorlogstijd. Commissaris Ballegeer had bevel gekregen plaats te bereiden voor 10 000 man en 3 500 paarden. Meer dan 24 uur had hij druk zitten schrijven om een verdeling te doen. Een officier trad binnen, zag het werk en veroordeelde het door een kortaf “dat is niets waard”.

7


Halte Nieuwe Lei

Hij kwam met een militaire lijst voor de dag, opgemaakt lang geleden, door een officier die de plaats niet kende en van uit de kazerne van aan zijn schrijftafel alles wonderschoon op papier had gezet. Het staat als een bus, op papier altijd. Maar nu de werkelijkheid. Zo had die kamerstrateeg tien paarden beschikt voor het kleinste huisje op de Antwerpse Steenweg, waar als hele achteruit en bijgebouw een gemakje stond van een vierkante meter oppervlakte. Een compagnie was ingedeeld in een hutje dat zeven frank huur per maand opbracht en dan nog meest voor het stukje land dat er bij hoorde. Ja, in de dorpen rond Antwerpen, kan men u verhalen doen over onze militaire organisatie. En Antwerpen was aan de veste, waarvan het behoud van de natie afhing! Nu, de soldaten geraakten toch onder dak en de burgers sneden stapels boterhammen en kookten ketels Commissaris Ballegeer koffie. De oorlog bleef drie weken elders woeden, tot het leger zich dan – binnen de omheining (de Antwerpse fortengordel, pw) – terugtrok. Men kan zich voorstellen welk druk verkeer er door Kontich was bij de herhaalde uitvallen. Het klooster en de meisjesschool tegenover de kerk waren tot ambulance ingericht; de burgers brachten er bedden heen en meisjes boden zich aan, om de zusters te helpen. Daar ontvingen veel gewonden de eerste hulp, waarna ze verder naar Antwerpen werden vervoerd. Men zag er ook een aantal vreselijk verbrande soldaten uit het fort van Walem, waarvan er een te Kontich overleed. Dan kwam het beleg en de gebeurtenissen volgden elkander snel op. Vluchtelingen van Mechelen

en 5.2

8

ng

eri

in Re

Sint-Martinuskerk voor de verbouwing van 1929

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

5.2

stroomden voorbij, dan zag men de uittocht van de bevolking van Walem en van Waarloos. Te Kontich aan de Boonwit (tussen Keizershoek en Korte Drabstraat, pw) werd een onbekende vrouw door een shrapnel gedood en tegen de avond nog begraven. Alexander Powell (Amerikaans oorlogscorrespondent tijdens WO I en auteur, pw) was getuige van die vlucht en schrijft: “Toen wij op een hoogte van de weg naar Walem (Vosberg, Rumst, pw) het bombardement volgden, ontplofte een granaat in het dorpje Waarloos waarvan de woningen zich daar beneden ons groepeerden. Enige minuten later golfde een stoet vluchtelingen over de grote baan. Voorop liep een boer met een gelaat, grauw als as, hij duwde een kruiwagen voort en aan zijn arm hing een wenende vrouw. Op de kruiwagen boven een stapel in der haast verzamelde huishoudelijke artikelen, lag het lijkje van een jongen. Het knaapje kon niet ouder dan zeven jaar zijn. Zijn kleine beentjes met korte broekspijpen, zijn schoen versleten van het spelen, hingen van onder het beddengoed. Toen wij dit verwijderd hadden, konden we zien, waar de granaat het arme jongetje getroffen had. Bij het dode kind, lag zijn zusje, een wichtje van drie jaar, dat uit de wang bloedde. Haar handje omklemde koortsachtig een stuk speelgoed … een schaapje, vroeger wit, maar waarvan de wol nu rood geverfd werd. Iemand ging met een hoed rond en verlegen betoonden wij ons medelijden, door enige stukken zilver… Na een kort oponthoud ging de stoet verder, de vader duwde zijn kruiwagen weer voort, met de droevige last, deze kruiwagen, nu de enige haard en het enige bezit van het Vrijgekomen ruimte beerputten Rubensstraat gezin.” De bewoners van Kontich waren dus gewaarschuwd door de lotgevallen van de omliggende gemeenten. Bovendien hadden ze de vluchtelingen van Zemst, Eppegem, Elewijt en ook van Leuven gezien. De derde oktober – een zaterdag – vertrokken de eerste groepen. De boeren dreven hun vee mee. ’s Zondags werden in de kerk de diensten nog gehouden, maar men zag er bijna uitsluitend militairen en vreemde gezichten die van vroegere vluchtelingen welke nog weifelden; want de rest van de inwoners was nu ook vertrokken. Zondagavond stonden duizenden mensen aan de redoutes (een kleine geheel omsloten veldschans in aarde of gemetst, met alleen uitspringende en geen inspringende hoeken, pw) bij Edegem en Oude-God. Ze mochten niet door, de schildwachten handelden op bevel en de luitenant was niet te vinden. Na enige uren kwam er dan toch verlof en de treurige optocht stroomde door. O, die steeds wisselende bevelen! Zo zagen duizenden inwoners die uit Mortsel weken, zich de weg aan de Berchemse Poort versperd. Ze moesten langs het Kiel rond; maar altijd weer kwam er een tegenbevel. Om negen uur die zondagavond begon de beschieting van Kontich. De eerste granaat sloeg in twee huizen van de Magdalenastraat. Een Waalse soldaat, die er een boterham zat te eten, werd op slag gedood. Het geweld duurde tot half elf. Ook de volgende dag vielen er nog enige granaten, maar de schade in de gemeente viel nog mee; een dertigtal woningen waren min of meer gehavend. Buiten de bedoelde militair waren er geen slachtoffers. Het was goed weer toen Kontich door het Duitse vuur bestookt werd. Het dorp had een zonderlinge aanblik. De huizen stonden daar gesloten, onbewoond. Katten en honden slopen rond. Door de straten walmde de rook van de ontploffende granaten en het was alsof er boven de grond mist hing. Zwaar klonken de ontploffingen. Nu en dan brokkelde een muur af, stortte een dak in, rinkelden ruiten aan stukken. In de weiden liepen nog honderden runderen, van buiten de stelling, hier op bevel samengebracht. De dieren loeiden angstig. Welk een beeld van verlatenheid. De Duitsers schoten van Heist-op-den-Berg zoals later een van hun manschappen vertelde, die in Kontich in garnizoen lag. “Ik lag er een sigaret te roken”, verhaalde hij, “toen het eerste schot op Kontich gelost werd.” Ons geschut antwoordde dapper en stond op de Reepkenslei, den Blauwen Steen, ’s Herenlei, op de Hoge Akker bij Kontich-kazernen en op het Molenveld, nabij Lint.

9


Een tekening van baron Jacques LeRoy

De Engelse geblindeerde trein vuurde toen met drie stukken van af de beerputten (betonnen vergaarbakken langsheen de spoorlijn Oude-God - Boom, net over de kruising met de ingegraven lijn 27a van Antwerpen-Zuid naar MechelenVrouwenvliet en bereikbaar langs de Korte Drabstraat, vandaag laatste stukje Rubensstraat aan café ‘Plezante Hoek, pw) der stad Antwerpen, niet ver van het station Kontich-dorp (aan de Spoorwegstraat, pw). Op het kasteel van Groeningen bevond zich een hospitaal voor zieke paarden. Commissaris Ballegeer had hierover toezicht en kon daardoor pas op de avond van de zesde oktober laat heen gaan. Het gemeentebestuur was ook vertrokken. De secretaris zorgde ervoor dat de registers van de burgerlijke stand te Antwerpen in een kelder beveiligd werden. Boven Edegem-bos en de Beukendreef hingen van ons twee waarnemingsballons. Die der Duitsers zag men achter Rumst en zo goed werd er uit gespeurd, dat toen twee soldaten de pomp van de fabriek Van den Broeck, bijna twee uur daar vandaan, beklommen, zij nauwelijks de tijd hadden om naar beneden te glijden om zo aan de onmiddellijk op hen afgevuurde shrapnels te ontsnappen. Op de avond van de zesde oktober trok onze laatste artillerie af. Kontich lag daar als uitgestorven. In de weiden graasden nog altijd honderden stuks vee van buiten de omheining. En toch waren er nog burgers, vier of vijf, die niet hadden kunnen besluiten heen te gaan. Ook op een hoeve hier en daar was iemand gebleven. De zevende oktober in de morgen verschenen de eerste Duitsers. Juist was een koopman met een kar naar het dorp gekomen om enige verlaten varkens op te laden. Daar zag hij de Duitsers. Hij wachtte juist op een dorpsgenoot Louis De Backer, maar zweepte nu zijn paarden en reed verschrikt de Edegemse Steenweg op. Louis De Backer kwam juist uit de Magdalenastraat, stak de Antwerpse Steenweg over om het voertuig nog in te halen. ‘Halt!’ riepen de Duitsers. Maar de ongelukkige was doof en liep verder. Een schot knalde en de arme De Backer was in de zijde getroffen. Toch vluchtte hij voort, den Edegemse Steenweg op. Daar zag hij nog een gebleven burger, de heer V. aan de deur staan. ‘Vlucht!’, riep de gewonde nog. “Ze zijn daar en ik ben al geschoten!’

en

ng

eri

in Re 5.2

10

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


De Backer verzwakte nu snel en tussen Kontich en Edegem werd hij door een auto opgenomen en naar Antwerpen gevoerd, waar hij drie dagen later overleed. De knecht van een hoeve op de Reepkenslei was ook gebleven. Wat is daar gebeurd? Niemand weet het, maar teruggekeerde burgers vonden zijn lijk voor de deur liggen. Een derde lijk werd door de commissaris aangetroffen in een broeikas niet ver van Kontich-kazernen. Het was een inwoner van Duffel, die ziek was en daar op zijn vlucht een rustplaats zocht en er bezweken moet zijn. In een kelder te Kontich zaten nog twee vrouwen. Een was ziek en lag in nachtgewaad op een matras. Daar komt een Duitser binnen. Hij bemerkt het tweetal niet, loert rond en onderzoekt de voorraad. Een der vrouwen ziet hoe hij een boterpot grijpt en roept eensklaps: “Blijf van mijn boter!”. De kerel gilt van schrik en loopt naar de vrouw toe. De zieke wipt op, rent naar boven en snelt in haar ondergoed heen. De andere verklaart wie zij is en de soldaat doet haar geen leed. De heer V. kreeg ook bezoek en moest onder bedreiging van een revolver zijn ganse woning laten onderzoeken. Zo was de intocht van de vijand. De soldaten waren nijdig omdat ze overal de gemeenten verlaten vonden en riepen telkens: “Waarom vluchten de lieden, wij zijn geen barbaren!” Intussen drongen ze wel in de huizen, plunderden de wijnkelders, de winkels, richtten maaltijden in, sleepten huisgerief van de ene woning naar de andere, kookten, rookten, maakten muziek, in afwachting dat Antwerpen zou vallen.

Het Duitse stoomschip Gneisenau tot zinken gebracht

Fort vijf in Edegem vuurde nog maar zwak en raakte onder meer de toren van Sint-Antonius in de Strijdersstraat te Edegem, zodat men van hier een boodschap naar het fort stuurde, toch met schieten op te houden. Ook de bevolking van Edegem trok heen. Overgave van de stad Antwerpen, Kontich in de nationale geschiedenis. De Duitsers beschikken over geweldige kanonnen die, ver buiten het bereik van de Belgische ‘kanonnetjes’, vanop twintig kilometer ver hun zware dynamietladingen kunnen afvuren. De Antwerpse fortengordel wordt zo fort per fort uitgeschakeld. De Duitse overmacht aan manschappen en uitrusting doet de rest. De enige redding voor het Belgische leger en hun Engelse en Franse ondersteuners blijkt de overtocht van de Schelde en terugtrekking richting Belgische kust. Hiervoor legt onze genie een aantal pontonbruggen: aan het Vlaamse Hoofd, aan het Steen, in Hoboken, over de Rupel aan het Hellegat in Niel en over de Schelde te Rupelmonde. De achtste oktober verlaat de tweede Belgische divisie Antwerpen. De troepen zijn er immers machteloos geworden. Hun konvooien bevinden zich al op de andere oever. Als gevolg van de onophoudelijke beschietingen woeden felle branden

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

5.2

Duits-Oostenrijks superkanon Dikke Bertha

11


in de stad. De burgerlijke overheden zijn op het stadhuis verzameld en blijven op hun post. In de buitenwijken sluipen schuwe kerels rond, belust op plundering. Ook stroomopwaarts aan de Schelde houden er zich op, loerend om in de verlaten dorpen hun slag te slaan. Veel voorraad wordt vernietigd. Men brengt de schepen met allerlei levensmiddelen tot zinken, stort auto’s in de stroom, vernielt Duitse schepen. De kaden zijn bezaaid met uitrustingsstukken, geweren, ransels, munitie zelfs. De overtocht aan het Steen is tragisch. Burgers dringen tussen de soldaten door. Op de Schelde verheffen zich reusachtige vlammen van de petroleum uit de tanks van Hoboken. Van uit het Waasland is de aanblik op Antwerpen verschrikkelijk. De lucht zit vol gloed en zware slagen donderen almaar voort. Aan het Vlaams Hoofd tracht men wat orde te brengen in de verwarde troepen, en ook de tweede divisie begint de ellendige tocht door Waasland, langsheen de Hollandse grens. 9 oktober. De laatste troepen trekken over de Schelde en de bruggen worden opgeblazen. De burgerlijke overheden vergaderen op het stadhuis. Op vele plaatsen woedt brand. Het gemeentebestuur, dat te voren een motie gestemd heeft met de betuiging, dat de bevolking noch goederen, noch levens zal ontzien, nodig voor de belangen der veste en van De ondertekenaars De Vos, Ryckmans en Franck het land, wil nu inlichtingen over de besluiten der legerleiding inwinnen. Deze heeft geen instructies gegeven, geen beslissingen meegedeeld. De burelen van de staf zijn verlaten. Op de rechteroever zijn geen troepen meer, tenzij in de noordelijke forten, welke echter machteloos zijn om de beweging van de vijand nog te hinderen. De beschieting duurt voort en dreigt Antwerpen met algehele vernieling, zonder belang of nut voor het land. De overheden beraadslagen en besluiten een afvaardiging naar generaal von Beseler te zenden. Burgemeester De Vos, Louis Franck en Ryckmans, voorzitter en ondervoorzitter van de onlangs gestichte intergemeentelijke commissie, en de Spaanse consul-generaal Francisco Scbra y Saiz, nemen die taak op zich en trotseren de gevaren van het bombardement en dus der eerste Duitse linies. Voorafgegaan door agenten met de witte vlag, rijden ze langs de Warande en ontmoeten buiten de Kielse Poort de Duitse voorposten. Men blinddoekt hen en voert hen naar het groot hoofdkwartier te Tildonk voor Leuven. Generaal von Beseler is eerst zeer wantrouwend en vraagt waarom men hem geen generaal zendt. Hij heeft intussen parlementairen naar Antwerpen gestuurd en wil hun komst afwachten en stelt voor zulks te Kontich te doen, wat dichter bij de stad is. Hij laat de beschieting van Antwerpen staken. De parlementairen keren terug en verklaren geen officieren in de stad te hebben ontmoet. De Conventie van Kontich die de overgave van de stad Antwerpen regelt, wordt opgemaakt. Deze conventie bepaalt o.m. dat alle forten zich vóór de middag moeten overgeven, dat er geen weerstand meer mag geboden worden en alle vijandelijkheden dienen gestaakt, dat alle wapens Propagandapostkaart van de verovering van Antwerpen dienen ingeleverd, dat er een uitgangsverbod wordt ingesteld ’s avonds, dat inkwartiering van Duitse troepen mogelijk wordt… Ze wordt te Kontich ondertekend op vrijdagavond 9 oktober 1914 om 17.40u. in de villa ‘Rest and be thankful’ op de Antwerpsesteenweg door de Antwerpse delegatie en de Duitse generaal Hans von Beseler. (pw)

en

ng

eri

in Re 5.2

12

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


De afvaardiging keert naar Antwerpen terug. In de nacht begeeft de heer Franck zich, allerlei gevaren trotserend, naar het fort van Schoten om mededeling van het gebeurde te doen. Zo worden de commandanten van de forten nog in de gelegenheid gesteld hun werken te vernielen en het garnizoen te laten aftrekken. De aftocht door het Waasland wordt onverminderd voortgezet terwijl ondertussen 30 000 Belgische militairen en 2 000 Engelse soldaten de wijk kunnen nemen naar Nederland waar ze worden ontwapend en geïnterneerd. Diezelfde avond zendt de Belgische generaal Deguise vanop de Antwerpse linkeroever een officier om de overgave te regelen, maar deze krijgt geen verbinding met de rechteroever. De volgende morgen, 10 oktober 1914 bekrachtigt generaal Deguise voor België de Conventie van Kontich en geeft zich over. Hij wordt naar Duitsland gestuurd. De Duitsers houden hun intocht in Antwerpen doorheen een verlaten stad. Weinige burgers zijn overgebleven.

Burgers keren terug naar Kontich

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

5.2

Commissaris Ballegeer was een der eersten die na de overgave van Antwerpen in het dorp terugkeerde. Hoe zag Kontich er uit? In sommige straten lag de mest van paarden, een voet hoog. Alle huizen stonden open. Overal afgerukte blinden, verspreide meubelen. Veel dode honden en katten; ook dood vee. In sommige woningen allerlei vuilnis. Op tafel vond men de beschimmelde restjes van eten, naast ledige flessen. Veel matrassen en dekens weg, waarvan men er dan weer terugvond in zalen, waar de soldaten gezamenlijk geslapen hadden. “De kerk stond wijd open, en het eerste wat ik ging doen, was de klok opwinden”, vertelde me de commissaris. “Waarom? Dat viel me zo te binnen. Ik dacht: “dan zullen de terugkerenden zien, dat er iemand thuis is. Een klok, die weer de tijd aanwijst en slaat, is iets huiselijks. Ik had mijn hond bij een burger op het Kiel te Antwerpen achtergelaten. Toen ik thuis kwam, zat het trouwe dier aan de deur. Hij was mijn metgezel bij de patrouilletochten. Maar wat kon ik doen? Ik had geen wapens. De avonden waren zeer donker, want het weer was regenachtig geworden. Gans de dag door trokken vluchtelingen voorbij, mensen van Duffel, Waarloos, Walem, Mechelen. Maar ongunstige kerels bleven loeren, wachtten de avond af, om te stelen. Van alle kanten hoorde ik inbreken, want ik had de deuren die ik niet meer op slot kon trekken, doen vastnagelen; Ik stond onmachtig tegenover al die brutale rovers. Later zijn er in het omliggende veel huiszoekingen gedaan. Bij sommigen werden zeven of acht matrassen uitgehaald. Ook bij het achter gebleven vee hadden ruwe tonelen plaats. Ieder herkende zogenaamd zijn eigen dieren en er werd door allerlei schuwe kerels gevochten om de beste dieren. De heren der intercommunale commissie te Antwerpen richtten een voorlopig bestuur in. Ik had een ploeg van 35 man aan het werk gesteld om de straten te reinigen en de kadavers van honden, katten en vee te begraven. We vonden koeien, waarvan stukken vlees gesneden waren. Soldaten doodden waarschijnlijk runderen, kozen de beste delen en lieten de rest liggen. Maar stilaan kregen we alles weer in de plooi.” Kontich had dus in zijn gebouwen weinig geleden. De bevolking keerde terug en ook voor haar begon toen die lange bezetting. Nog maanden lang zag men vluchtelingen terugkeren, van de gemeente zelf en de naburige gemeenten. En thans ziet men in het grote dorp bijna geen sporen meer van den oorlog. De schade is hersteld en het weinige puin is geruimd. Abraham Hans, foto’s Heemkundige kring Kontich, tekstredactie Paul Wyckmans

13


Dodendraad was voltreffer (gelukkig niet letterlijk)! Op uitnodiging van de Gemeentelijke Erfgoedraad Kontich en de Kontichse Kon. Kring voor Heemkunde gaf prof. em. dr. Alex Vanneste op vrijdag 9 mei 2014 een ongemeen boeiende lezing over ‘De dodendraad tussen België en Nederland tijdens WO I’. De meer dan 150 aanwezigen in de Altenakapel hingen aan de lippen van deze begenadigde spreker. Op een erg verhelderende wijze belichtte hij de doelstellingen van deze elektrische draadversperring. Op die manier wilden de Duitsers vluchtende landgenoten (vooral mannen) tegenhouden die zich bij het Belgische IJzerleger wilden. Ze dachten ook dat ze konden verhinderen dat er post tussen de Belgische soldaten en het thuisfront circuleerde. Verder wilden ze ook niet dat er allerlei goederen (van voedingswaren tot levend vee) gesmokkeld werden van neutraal Nederland naar bezet België. Clandestien verkeer van spionnen en gezochte personen (vluchtende krijgsgevangen geallieerde soldaten, misdadigers van gemeen recht) moest vermeden worden en familiebezoeken Prof. Vanneste in volle actie en regulier grensoverschrijdend personenverkeer gecontroleerd. Hij legde op een duidelijke wijze het plan van aanleg uit en ging uitvoerig in op de realisatie ervan: de afsluiting van 450 km grens met een driedubbele draadversperring waarvan de middelste onder 2000 volt hoogspanning stond. De problemen bij de aanleg ervan: reliëf, ontbossing, moeras, overdreven uit- en instulpingen afsnijden, grensoverschrijdende dorpsbewoning, boerderijen en hun landbewerking. De gebruikte materialen voor de constructie, de elektriciteitsvoorziening bij gebrek aan grote centrales (aansluiting op bestaande fabriekscentrales, bouw van intermediaire schakelhuizen). De organisatie van permanente bewaking en de benodigde troepen hiervoor… De kers op de taart voor de aanwezigen vormde de concrete casus van dorpsgenote Margriet Ballegeer, die bij het begin van de oorlog opereerde als hulp voor vluchtende landgenoten, werd aangehouden in 1915 en veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf. Na enkele maanden leven in de luwte sloot ze zich aan als spionne bij het uitzonderlijk sterk vertakte spionagenetwerk van Henri Van Bergen. Helaas wordt dit Belgische netwerk opgerold in de tweede helft van 1917. Er volgen zes executies in maart 1918 in fort V te Edegem. Margriet, ook ter dood veroordeeld, krijgt omzetting van straf tot levenslange hechtenis en zal de oorlog overleven. Het interview dat haar dochter rond 1975 van deze moedige dame afnam in Engeland is door haar kleindochter Janet Dean bezorgd aan de Kon. Kring voor Heemkunde van Kontich. Alex Vanneste liet hieruit twee zeer emotionele fragmenten horen. In het laatste geluidsfragment getuigt Margriet Ballegeer zeer geëmotioneerd hoe ze met haar vader (Kontichse commissaris toen) de opgegraven lijken van Henri Van Bergen en pastoor Felix Moons na de oorlog op vraag van het Belgische gerecht moet identificeren in fort V te Edegem.  Hierbij ontstaat een respectvolle maar erg aandoenlijke en lange stilte in de voormalige Altenakapel. De eerste activiteit die Kontich organiseert om de Eerste Wereldoorlog te herdenken, was een voltreffer. Dat belooft voor de toekomst: in het najaar staat de overgave van Antwerpen centraal. We kunnen alleen maar hopen dat de belangstelling even massaal zal zijn!

Onveilige tijden in het onafhankelijke België

B en 5.2

14

ng

eri

in Re

ELGIË WAS onafhankelijk geworden in september 1830, na de Brusselse volksopstand bij de vertoning van de ‘Stomme van Portici’ en de daarop volgende gevechten richting Antwerpen, Kempen en Limburg. De Europese mogendheden Frankrijk, Pruisen en Groot-Brittannië garandeerden deze zelfstandigheid, maar koning Leopold I, die pas op 31 juli 1831 via Frankrijk zijn eerste voet op Belgische bodem zette in De Panne moest nog ten tonele verschijnen. Kontich werd bevrijd van de Nederlandse overheersing in de oktoberdagen van 1830. Het Voorlopig Bewind had op dat moment de handen vol met het opruimen van de laatste Hollandse weerstandsnesten in Antwerpen, waar generaal Chassé zich op het kasteel nog enkele jaren met zijn troepen kan verschansen en Antwerpen beschieten. Er marcheren dus nog altijd (Belgische) troepen langs onze Kontichse en Waarlose Grote/Mechelse steenweg die ook op regelmatige tijdstippen de verschanste Hollanders beschieten. De Antwerpse bevolking lijdt honger en met de winter in aantocht vraagt de districtscommissaris aan de randgemeenten om hulpgoederen, getooid met de Belgische Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


Woning Feremans ooit aan de Mechelsesteenweg recht over de Bergstraat

driekleur en met vermelding van ‘La commune de… aux malheureux et braves Anversois’ met paard en kar te willen bezorgen in Antwerpen. Onze pastoor de Buck kondigt vanop de preekstoel een rondgang aan voor aardappelen. Dit levert 83 zakken aardappelen op. Nadien volgen nog 2 zakken rapen en wortelen, een pak linnen en zelfs 60 gulden. ‘De Antwerpenaer’ vermeldt zelfs op 28 december 1830: ‘De vaderlandsche gift van Contich was vercierd met de nationale vlag, en is door een fraey musiek…in onze stad aengekomen. De inwoonders van Lenth hebben hieraen medegewerkt. Die plegtigheyd, bij een weldadig werk gevoegd, bekwaem om alle goedhertige menschen tot voorbeeld te dienen, is alhier met genoegen aanschouwd geworden.’ De burgemeester uit de Frans-Hollandse tijd, Charles de Meulenaer, kon nog enkele weken op post blijven maar het Voorlopig Gouvernement schreef al snel verkiezingen uit waaraan slechts enkele tientallen Kontichnaren konden (mochten?) deelnemen, stemgerechtigd volgens de grootte van hun inkomsten. Frederik Feremans, olieslager, werd zo tot burgemeester verkozen en benoemd op 27 november 1830. Eddy Hertoghs van de Heemkundige kring Lint bezorgde ons een kopie van een brief, geschreven door deze burgemeester Feremans aan de verantwoordelijke excellentie, minister van Oorlog (vermoedelijk). We danken hem hiervoor hartelijk. We geven deze brief in zijn oorspronkelijke spelling en stijl weer.

Contich, 3 Juny 1831

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

5.2

Ik heb de eer Zijne Excellencie, by deze kennis te geven dat zeker Bataillon Vrijwilligers, welke op heden door deze Gemeente is getrokken, en begevende zich van Antwerpen naar Mechelen, alhier zeer véél verspreyd en ongeregeld is aengekomen het welk ten gevolge heeft gehad dat er hoopen van 10 a 12 mannen zich by onderscheyden ingezetenen, meestendeel by landbouwers van de groote baen afgelegen hebben vervoegd, en de zelve met bedreyging gedwongen eeten en drinken te moeten geven, waervan zy de soort zelver bepaelde: andere in de hoven vrugten en bloemen om verre getrokken, - men zag van het zelfde korps detachementen tot in den avond zelfs zijn er bij my om half tien uren s’ avonds nog een getal van 9 a 10 om Logementen aangekomen: volgens de gerugten hebben soortgelyke handelingen ook in de verdere Gemeentens hunnen doortogt geschied, als der zy zelfs persoonen scheynen mishandeld te hebben. Daer soortgelyke ongeregeldheden somtijds niet dan te gevaerlyk zijn, heb ik het dan ook my eene pligt gelegd daervan Z. Exc. te Informeren op dat Z.E. in staet zou gesteld zijn, door wie het behoord te kunnen doen beveelen dat voortaen zulke onbeschaefde lieden met persoonen die eenig gezag op hen kunnen uytoeffenen, of met alle eendere magt

15


worden vergeleyd, en bijeengehouden, daer het voorzeker genoegzaem bekend is dat als wanneer persoonen van dien aerd, eens buyten de groote steden zijn getreden, zy zich tot den vreedzaemen Borger en landsman vervoegen, om hun af te persen, en andere buytensporigheden uyttevoeren. Handtekening Feremans

Den Burgermeester in de Gemeente Contich Frederik Feremans

Wie de ‘Geschiedenis van Kontich en Waarloos’ erop naslaat ontdekt snel dat Kontich steeds te lijden had bij troepenbewegingen over zijn grondgebied, op weg tussen Antwerpen en Mechelen of verder door. In dit geval toen dienstplicht nog niet bestond en uitloting nog op punt diende gesteld bestonden deze troepen uit een zootje ongeregeld, dikwijls met ervaring, opgedaan tijdens vroegere Napoleontische veldtochten (1789-1815) of als lid van Nederlandse bezettingstroepen of veiligheidskorpsen (1815-1830). Paul Wyckmans

Het slagveld in Lint, Kontich en omstreken (1914)

K

RINGLID RIK Verbeeck reageert bij het lezen van Reineringen jg. 5, nr. 1 … Bij het lezen van de passage … ’s Avonds werden we naar de loopgraven gestuurd voor Linth. Het was pikdonker en het regende.” … in bovenstaand artikel, herinnerde Rik Verbeeck zich merkwaardige vondsten bij een van zijn opgravingscampagnes in de buurt van de Pronkenbergstraat en de Alfsberg. Rik Verbeeck, beter gekend als projectleider bij diverse opgravingscampagnes te Kontich en als ondervoorzitter van de Antwerpse Vereniging voor Romeinse Archeologie (AVRA) verwees ons naar de opgravingsresultaten, zeer uitvoerig gepubliceerd in Archeologie in Vlaanderen (1993 en 1995/1996). Voor de verklaring van de archeologische relicten verwijzen we naar deze artikels maar zeker ook naar het informatiebord. De gemeente plantte dit in als onderdeel van een Kontichse Archeologieroute, bij het binnenrijden van de stijgende zijweg in de Pronkenbergstraat tussen IJzermaalberg en Scheihagenstraat. De gesloten omwalling tot 4 meter diep, paalresten, gereconstrueerde gebouwplattegronden, kuilen, greppels, grachten en lineaire palenstructuren zijn er voor de specialisten vandaag op te herkennen. Wat ons in dit verband vooral interesseert is de gearceerde kronkellijn met uitstekende punten, zigzaggend zowel in zuidwestelijke als in zuidoostelijke richting. Dit bezorgt ons het merkwaardig bewijs van het bestaan van loopgraven in onze gemeente, aangelegd ter versterking van de Netestelling en ter uitbreiding van de Brialmontfortencirkel, aangelegd rond Antwerpen. De vooruitstekende punten zijn diepere kuilen, dienstig als mitrailleursnesten. De tussenliggende loopgraven werden bezet door infanterietroepen gewapend met een geweer. Uit de spiegelbeeldopstelling van de mitrailleursputten kunnen we opmaken dat ook de gewapende infanteristen ofwel het Broekbos en de Boutersembeek in de gaten hielden ofwel de hoogte van de Babbelkroonvallei, die aan de achterzijde richting Duffel in het reliëf is ingesneden. Ook merkte Rik hierbij op dat bij een latere campagne ter hoogte van de bedrijven Transfer en garage Willy aan de Duffelsesteenweg ook sporen van loopgraven werden gevonden.

en

ng

eri

in Re 5.2

16

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


Vondsten vertellen

O

P 12 april 2014 bezochten we de tentoonstelling Vondsten vertellen – Archeologische parels uit de Antwerpse Kempen in het Taxandriamuseum te Turnhout. Dat museum van de Geschied- en Oudheidkundige kring van de Antwerpse Kempen is sinds 1906 gehuisvest in een 16e-eeuws gebouw, genaamd Huis metten Thoren, één van de oudst bewaarde burgerwoningen van de stad Turnhout. Het onderging diverse verbouwingen en de meest recente aanbouw is het moderne inkomgedeelte: het is duidelijk dat de overdracht van het pand aan de stad vruchten heeft afgeworpen. Het museum strekt zich uit over enkele verdiepingen en herbergt diverse collecties. Zo is er een kort historisch overzicht en een grote maquette van de stad rond 1600. Natuurlijk mag een “ode“ aan de speelkaart niet ontbreken. Je maakt er kennis met de “drie dames van Turnhout”: Maria van Brabant, Maria van Hongarije en Amalia van Solms. Daar is nu een vierde bijgekomen, Maria van Zimmeren, prinses van Oranje. Haar menshoge portret dat vorig jaar werd verworven, vult de zaal met wandschilderingen die baadt in de sfeer van haar tijd: einde 17e eeuw. Turnhout was eertijds een jachtgebied voor de edelen. De verzameling schiettuig is dan ook een blikvanger die tot de verbeelding spreekt. Vooral het merkwaardige exemplaar van een plooibare klootboog (om ijzeren kloten of bolvormige kogels af te schieten) bewijzen de nooit aflatende vindingrijkheid van onze voorouders voor jacht en – helaas ook – oorlogsvoering. De tentoonstelling waarvoor wij afzakten naar de Kempen omspande een grote periode, namelijk van de steentijd tot de middeleeuwen. Het betrof vooral vondsten in en rond Turnhout en elders in de Antwerpse Kempen. De oudste voorwerpen zijn een verzameling van stenen vuistbijlen, schraapmessen, pijlpunten en mysterieuze tonronde gekerfde stukken. De opstelling oogde mooi en was over diverse kamers verspreid. Onder plexiglas kappen lagen diverse stukken tentoon, een greep uit opgravingen van enkele tumuli of grafheuvels. Op schetsen en plannen kon je zien hoe ze waren opgebouwd uit plaggen. De grafheuvel van Weelde lag blootgelegd te kijk, je kreeg een duidelijk beeld van hoe de zandgrond laag per laag haar geheimen heeft prijsgegeven. Een reportage liet zien hoe de fraaie artefacten nog gedeeltelijk in de grond zaten, nog gevuld, soms voorzien van wat bijzettingen, een potje, wat versiersels, en ook beenderen, of wat er van over bleef. Via een Ipad kon je scrollen in het fotoalbum van de opgravingen, zodat je een goed overzicht kreeg van de uitgestrektheid van de site. In de uitstalling zagen we fraai glaswerk van de Romeinen, gespen, gouden juwelen, potten, terra sigillata (gestempeld aardewerk), een tot de verbeelding sprekende schat van gouden en zilveren munten… Het prachtige kapspantwerk van de zolderverdieping sloot de tentoonstelling af, met meer glaswerk, juwelen, naalden, riemen, gespen en potscherven, en fraaie reconstructies die goed aangaven hoe dit aardewerk er oorspronkelijk uitzag. De opgravingen zijn niet alleen recent maar overspannen een periode van twee eeuwen. De Archeologische dienst Antwerpse Kempen (AdAK) vierde zijn 10-jarig bestaan met deze tentoonstelling die hulde bracht aan de pioniers en amateurarcheologen die al gedurende twee eeuwen zochten naar de sporen uit het verleden en ze bewaarden voor het nageslacht. In de lijst van deze verdienstelijke voorgangers vonden we ook een naam die een Kontichs belletje deed rinkelen: A. De Laet (zie kadertekst). De tentoonstelling is ondertussen voorbij. We waren onder de indruk, maar beseften tegelijkertijd wat een schat aan stukken wij in Kontich bezitten en hoe deskundig ze worden uitgestald. Onze museumploeg onder de leiding van onze conservator Guido Theys is goed bezig! De uitvoerig geïllustreerde catalogus van de tentoonstelling is een boeiend en leesbaar referentiewerk. Heel wat afbeeldingen tonen voorwerpen uit ons museum of tekeningen van AVRA over Kontichse opgravingen. Het boek is te allen tijde beschikbaar in ons Documentatiecentrum. (Chris Claes en Frank Hellemans)

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

5.2

Aloïs F.J. De Laet Aloïs Ferdinand De Laet werd geboren te Turnhout in 1878 als zoon van een wagenmaker. In 1903 werd hij als priester gewijd. In hetzelfde jaar richt hij met enkele andere amateurhistorici en –archeologen de oudheidkundige kring Taxandria op. Ze doen heel wat opgravingen in de omgeving van Turnhout en voegen de vondsten toe aan de collectie van het museum. Hij werd onderpastoor achtereenvolgens in Neerheilissem, Olmen en (voor een langere periode) Boechout. Van 1928 tot 1946 was hij pastoor te Kaggevinne, tussen Diest en Scherpenheuvel. In

17


die periode schreef hij een erg gewaardeerde biografie over de heilige Jan Berchmans. Dan volgde een verblijf als “rustend” pastoor in het “jachtpavilioen” van Altena aan de Antwerpsesteenweg in Kontich, waar hij verbleef tot 1960. En ook hier was hij van in het begin erg bedrijvig als archeoloog-historicus. En actief in de kring voor heemkunde. Zo herontdekte hij de doopput of Sint-Martinusput, waarover hij zijn bevindingen publiceerde in de Gazet van Kontich en in het gedenkboekje n.a.v. de 800e verjaardag van kerk en Sint-Martinustoren in 1949, onder de titel Oud Kontich opgehelderd. En in 1950 verscheen Werd Sinte Reinilde te Condé of te Kontich geboren?, bekroond met een prijs van de provincie Antwerpen. Zoals al zijn mondelinge en schriftelijke bijdragen over Kontich was ook dat boekje eerder controversieel, maar hij bracht ook veel nieuwe gegevens aan. Oudere Kontichnaars herinneren zich nog het vinnig pastoorke dat “door weer en wind fietste om al de mensen boven de 70 te gaan interviewen over de goede oude tijd, bibliotheken en archieven te doorpluizen en… bij dat alles nog bijgevoegd directeur van Altena te zijn met de zware corvee van vele kinderbiechten” (Gazet van Kontich, 13 juni 1953). De zonnewijzer van Altena die dateert van 1787 heeft hij aangekocht en aan de Kontichse gemeenschap geschonken: hij pronkt nu in ons museum. De laatste jaren van zijn leven bracht hij door in het rusthuis voor priesters in Westerlo. Ondanks zijn hoge leeftijd koesterde hij nog plannen voor archeologisch onderzoek, maar hij overleed er op de 59e verjaardag van zijn priesterwijding. AdAK heeft de Turnhoutenaar even in ere hersteld, maar het is toch in Kontich dat hij een straatnaam heeft gekregen: de Pastoor De Laetstraat!

Magdalenast(r)aa(r)t

D

E TWEE artikels over de Magdalenastraat hebben heel wat reacties uitgelokt, van aangename herinneringen tot ontgoocheling. De geschiedenis van een straat blootleggen, is immers altijd een hachelijke zaak. Gedurende ruim een halve eeuw is er veel verloop en binnen het bestek van ons tijdschrift moesten we selectief zijn. En als de auteur niet uit de straat afkomstig is en veel later geboren, zijn verkeerde keuzes en vergissingen niet uitgesloten. Een gedeelte van de informatie bestond uit verzamelde herinneringen (subjectief) gebaseerd op gegevens van de burgerlijke stand (objectief). De besproken periode was grosso modo de eerste helft van vorige eeuw, met enkele uitlopers. Onze excuses dus voor enkele van onze lezers die hun voorouders niet terugvonden of onzorgvuldigheden constateerden. Eén uitvoerige reactie willen we niet onbesproken laten: Francine Vervliet is immers al eerder een waardevolle informante gebleken. Jaklien Onzia interviewde haar voor Kontich Waarloos Hier & nu over “den Alcazar”, waar zij van 1950 tot 1959 met haar ouders en zus woonde. Paul Wyckmans breide er in Reineringen een vervolg aan. Zij schrijft in haar brief het volgende: In mijn verhaal had ik vermeld dat mijn grootouders Vervliet-De Groof gewoond hebben in de Magdalenastraat. Zij hadden vier kinderen. De zus van mijn vader is er geboren op 12.07.1915 met vermelding op het geboorte-uittreksel “Magdalenastraat 11, beroep van de vader: herbergier”. Mijn grootmoeder Philomena De Groof zal er gestorven zijn in 1918 ten gevolge van de Spaanse griep. Zij was 36 jaar en liet vier kinderen na. Meermaals heb ik mijn grootvader horen vertellen dat hij goed bevriend was met politiecommissaris Ballegeer. Waarom wordt de familie Vervliet-De Goof in het bevolkingsregister niet vernoemd? Als mijn grootvader herbergier was – hoe noemde dan die herberg? Ben erg benieuwd om hier iets meer over te weten. Zou dit te achterhalen zijn? Volgens de bevolkingsregisters van 1901 woonde er het gezin Hellemans-Smets, de man was metselaar. Het huis stond ongeveer op de plaats waar nu de inrit naar het parochiecentrum is. Was Augustinus Aloysius Vervliet daar herbergier of in één van de talrijke herbergen in de straat? In de toponymie Van Passen vinden we in 1892 op die plaats wel de herberg-winkel In den Zoeten Inval: misschien was het pand (weer) herberg toen Francines grootouders er woonden? Probleem is wel dat de nummering van de onpare kant werd aangepast toen de tuin van het huis van vrederechter Bouwens werd verkaveld: toen kwamen de huizen erbij die je nog op een oude foto ziet (met wasserij Gladys). Mogelijk brengt verder onderzoek in de archiefkelder van onze gemeente ooit nog opheldering. En komt er eindelijk een staart aan de Magdalenastraat. Frank Hellemans

en

ng

eri

in Re 5.2

18

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


Activiteitenkalender en Nieuws Zondag 14 september: Open-Monumentendag in Waarloos, Sint-Michielskerk en kerkhof (Zie ook Kontich-Waarloos hier & nu, mei ’14 of de tekst op onze site.) De “Doodenhof” van “Contich”, sinds vorig jaar 100 jaar in gebruik, kreeg de laatste jaren een grondige facelift. Toch is het ons landelijke kerkhofje van Waarloos dat nu meer aandacht verdient. De geschiedenis van vele eeuwen Waarloos ligt er opgeslagen. Maar de tand des tijds is onverbiddelijk slijtend. Je kan er nog wel heel oude en soms geheimzinnige grafstenen ontdekken. Wie er onder begraven ligt (of lag) en met welke wensen zij aan de eeuwigheid werden toevertrouwd, kan je leren ontcijferen. Door te wrijven. Frottage noemen ze dat in het Frans: afwrijven. Of gravestone rubbing in het Engels: een dun papier over de grafsteen leggen en erover wrijven met potlood of waskrijt. Spannend voor klein en groot! Voor meer details: lees het Open-Monumentendagmagazine of de brochure van de gemeente en de artikels in de lokale pers. De Gemeentelijke Erfgoedraad en enkele “echte” Waarlozenaars zorgen voor de begeleiding en rondleidingen om 11.00 - 12.00 - 13.30 - 14.30 en 15.30 uur. De Sint-Michielskerk is open van 10.30 tot 17.00 uur. En als je er dorst van hebt gekregen: in het Brouwershuis aan de overkant is er plaats zat voor dat werk van barmhartigheid! Museum voor heem- en oudheidkunde: elke zondag open van 14 tot 17 uur met gids. Het museum is wel gesloten tijdens de maanden juli-augustus en december-januari-februari. De inwijding van het vernieuwde museum is voorzien voor 13 maart 2015. Ben je op zoek naar de oude nummers van Reineringen of publicaties die met Kontich te maken hebben? Surf dan gewoon naar www.issuu.com. Op deze webstek tik je bij zoeken gewoon “Reineringen” of “Kontich” in en je komt zo bij onze vroegere nummers terecht. Abonnees van Reineringen – vrienden van het museum Graag houden we jullie op de hoogte van al onze activiteiten en publicaties. Dit is echter enkel mogelijk als u ons uw e-mailadres bezorgt via reineringen@gmail.com . Uiteraard kan u zich altijd laten uitschrijven op eenvoudig verzoek aan hetzelfde mailadres. Facebook Je vindt onze heemkundige kring nu ook op Facebook. We posten er op regelmatige basis foto’s uit de oude (en nieuwe doos). Enkele honderden mensen hebben de weg al gevonden. Hoe geraak je erbij? Zoek gewoon onder “Kontichse historische weetjes”. Ook op LinkedIn zijn we aanwezig. Daar vind je berichten i.v.m. de heemkundige kring.

Abonnement?

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

5.2

Als je van dit nummer van Reineringen houdt, dan ligt ook de toekomst van dit blad je nauw aan het hart. Je kan het in 2014 ontvangen door storting van minimum 15 euro op rekening BE77 4155-0442-2142 met vermelding van uw naam, adres en “Reineringen 2014”. Het IBAN-kenmerk is KREDBEBB.

19


5.2 en

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

ng

eri in Re

Reineringen Reineringen 5 (2014), 2 Driemaandelijks (april- juni 2014) Afgiftekantoor Kontich P912187

20

België Belgique P.B. 2550 Kontich BC 31956

INHOUDSTAFEL: Pagina 1 Voorwoord Pagina 2 Jeroen Olyslaegers ontvangt Arkprijs van het Vrije Woord Pagina 5 Abraham Hans een Kontichse reus (deel I) Pagina 7 De eerste oorlogsmaanden te Kontich tijdens WO I Pagina 14 Dodendraad was voltreffer (gelukkig niet letterlijk) Pagina 14 Onveilige tijden in het onafhankelijke België Pagina 16 Het slagveld in Lint, Kontich en omstreken Pagina 17 Vondsten vertellen Pagina 18 Magdalenast(r)aa(r)t Pagina 19 Activiteitenkalender en Nieuws

Colofon Reineringen, Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich, 5 (2014), 2 ISSN 2033-2742 Redactie: Paul Catteeuw, Frank Hellemans en Paul Wyckmans Eindredactie: Paul Catteeuw Grafische vormgeving: Bruno Catteeuw Druk: Drukkerij Hendrickx, Schelle Verantwoordelijke uitgever: Paul Wyckmans, Duivenstraat 22, BE-2550 Kontich Correspondentieadres: reineringen@gmail.com © 2014 – Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich De auteurs zijn verantwoordelijk voor de inhoud van hun eigen bijdrage. Abonnementen (inclusief lidmaatschap “Vrienden van het museum”): minimum 15 euro. Te betalen op rekeningnummer BE77 4155-0442-2142 met de vermelding van uw naam, adres en “Reineringen 2014”. Het IBAN-kenmerk is KREDBEBB. Gelieve eventuele adresveranderingen zo snel mogelijk aan ons mee te delen. Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich, Documentatiecentrum Duivenstraat 22, BE-2550 Kontich, +32 3 457 86 04 heemkunde.kontich@gmail.com

Museum voor Heem- en Oudheidkunde Bibliotheek- en cultuurgebouw Sint-Jansplein, BE-2550 Kontich www.museumkontich.be

Reineringen 5/2 (2014)  
Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you