Page 1

Reineringen

Duivenstraat 22

V

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich Verschijnt driemaandelijks • Jaargang 5, nummer 1 (jan. - maart 2013)

ELEN ONDER ons verzamelen in hun leven een schat aan verhalen, gebeurtenissen of beelden die we ons af en toe vol dankbaarheid, weemoed, bewondering, respect of verdriet kunnen herinneren. Anderen leven meer vanuit het standpunt voorbij is voorbij maar blijven toch geïnteresseerd in wat rondom hen gebeurt. Toch ontmoeten we uit beide groepen vertegenwoordigers in de Koninklijke Kring voor Heemkunde van Kontich. Ze stellen regelmatig vragen per mail of telefoon, komen op bezoek om te genieten (museum) of om te onderzoeken (documentatiecentrum), worden zelfs lid of schrijven een tekst voor ons tijdschrift. De redactie is dan ook bijzonder verheugd over hun inbreng in dit nummer. Kringlid Wim Van Craenenbroeck prikkelt zeker uw interesse met een aanvullend artikel waarin hij verduidelijkt hoe het ernstige auto-ongeval te Waarloos in 1912 dodelijk kon aflopen en waaraan wij vandaag nog altijd worden herinnerd door het bermmonument ter plaatse. Museumbezoeker Hugo Lambrechts-Augustijns uit Borgerhout vroeg ons een foto van het ordinaal uit onze textielzaal, bedoeld voor zijn artikel. Als dank bezorgde hij ons zijn hele artikel gekoppeld aan een urinaal (ironisch?) met foto’s en zelfs genealogische overpeinzingen, voorwaar een godsgeschenk. Bedankt! Nog steeds blijven we ons als vereniging verzetten tegen het weinig zeggende AZURA als benaming voor projecten met gemeenten uit de zuidrand van Antwerpen. Paul Catteeuw kroop in zijn pen en formuleerde nog eens alle bezwaren ter zake. Duidelijk als standpunt! Vol respect en dankbaarheid blijven we ons kringlid Hilde Schollen herinneren. Zij realiseerde tien jaar geleden in de kring haar schitterende idee om haar textielkennis en -kunde in verband met merklappen systematisch te delen met anderen. Hilde overleed vorig jaar maar haar kennis, inzet, gedrevenheid en bedoelingen herkennen we vandaag perfect in haar opvolgster, Erica Uten. Erica beschrijft de geschiedenis van tien jaar ‘Lapzussen’. Het leest als een trein, het ongelofelijk verhaal van een groeiend aantal vrouwen, gedreven door hun interesse voor merklappen, pronkrollen en stopdoeken.


Bij de herdenking van het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog past enkel respect voor onze voorouders. Wie herinnert zich de vertellingen aan de haard uit de eerste hand en beelden van toen die terug opduiken. Het feit dat vandaag de wereldgeschiedenis nog altijd geschreven wordt met geweld, bloed en verraad illustreert overduidelijk het gezegde ‘l’histoire se répète!’ Een interessante ooggetuigenis van krijgsverrichtingen in de omgeving van Kontich en Lint, gepubliceerd vlak na de Eerste Wereldoorlog leert ons de ellende kennen van Belgische soldaten die hun land verdedigen. Over de ‘doodendraad’ tussen België en Nederland: Alex Vanneste houdt op 8 mei een lezing in de Altenakapel om 20.00. Frank Hellemans blijft erin slagen om de geschiedenis van onze dorpskern te reconstrueren aan de hand van diverse kringgetuigenissen uit het verleden. Zijn ‘Magdalenastraat deel 2’ roept alle bewoners te voorschijn in de inkomdeur van hun kleine huisjes, langs de pare kant tenminste. Veel leesplezier. Paul Wyckmans, Frank Hellemans en Paul Catteeuw

Het stenen bermmonument in Waarloos - Continued

I

N VORIG nummer van Reineringen gingen we uitvoerig in op de betekenis van de arduinen gedenksteen aan de oostkant van de Antwerpsesteenweg te Rumst, ter hoogte van de firma Van Reeth-Hoefkens. Het werd duidelijk dat hij herinnert aan het dodelijke ongeval dat op woensdag 18 december 1912 rond half tien in de voormiddag gebeurde bij de grens met Waarloos, ter hoogte van de molen van Spruyt. De molen zelf is al lang verdwenen, maar de gebouwen in donkerrode baksteen aan de overzijde van de baan, op de hoek van de Kiezelstraat en de Grote Steenweg, deden nog lang dienst voor de opslag en de Stafkaart kort na 1900: de lichte vlekken ten noordoosten van de brug van verhandeling van bloem. Walem zijn de filterinstallaties van de Antwerp Water Works uit 1880, aangevuld De “Gazet van Antwerpen” van in 1886 en 1900. 20 december 1912 vertelt hoe alles in Brussel begonnen was als een gezellige uitstap onder vrienden. Baron van Zuylen de Nyevelt had graaf en gravin de Bassompierre, de zus van de gravin en juffrouw de Woot de Trixhe met haar verloofde, baron de Goffinet – allen rond de dertig jaar oud – uitgenodigd om met twee wagens naar Bergen-op-Zoom te rijden en daar te lunchen. In andere kranten lezen we dat Utrecht het reisdoel was, maar dat kan best de eindbestemming geweest zijn. Wrong time, wrong place zeggen de Engelsen: een mestkar op hun weg naar Antwerpen deed het ritje in een drama eindigen. We lezen: “De auto die baron van Zuylen voerde, bolde met verschrikkelijke snelheid. Om eene mestkar te mijden, die hem tegemoet kwam, reed hij zijn machien in den lossen grond, zonder de snelheid te matigen.” Met het bekende gevolg: de chauffeur verloor de controle over het stuur, de “auto sloeg om en de vier inzittenden werden in alle richtingen geslingerd. Zij kwamen een 6-tal meters verder op de steenweg terecht, waar het machien totaal verbrijzeld neerviel”. Van Zuylen en de Woot de Trixhe lieten het leven.

en

ng

eri

in Re 5.1

2

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

5.1

Hoe kon dit ongeval gebeuren? Twee elementen uit het dossier trekken de aandacht: enerzijds de hoge snelheid van het voertuig en anderzijds “den lossen grond”. Op het eerste aspect ging Stijn Tormans in Knack/Reineringen al in. Maar vanwaar in godsnaam die losse grond? Waarloos ligt niet in zandig Vlaanderen en bovendien was het winter! Opnieuw vinden we het antwoord in de krant: “ongeveer eene maand geleden had men nevens den steenweg, buizen der waterleiding gelegd, de grond was nog niet aangedampt. Op verschillige plaatsen had men in de twee talen, borden geplaatst, waarop in groote letters geschilderd stond: “Opgepast voor den lossen grond”.” Een ongelukkige samenloop van omstandigheden dus! De brug van Walem in noordelijke richting, Om te begrijpen wat er aan de hand was met die buizen, maken met het pompstation van AWW Cy Ltd en de we even een zijsprongetje. In ons boek “Antwerpen op zoek naar sporen van de tram naar Rumst. drinkwater” deden we uit de doeken hoe de Engelse Antwerp Water Works Company Limited (AWW Cy Ltd) aan de Mechelsesteenweg in Rumst, vlakbij de brug van Walem, een pompstation liet bouwen. Daar werd water uit de Nete gewonnen en dat moest na een grondige behandeling naar Antwerpen gestuwd worden om de stad van drinkwater te voorzien. Ze legden langs de rijksweg een gietijzeren buis aan met een doormeter van 50 cm om dat water van Walembrug tot in de stad te vervoeren. In Kontich liep ze door de Mechelsesteenweg en de Antwerpsesteenweg. In 1900 legden ze om veiligheidsredenen een tweede, identieke leiding naast de eerste aan. Na de eeuwwisseling werd het langzaam duidelijk dat de installaties binnen afzienbare tijd te kort zouden schieten en de stijgende vraag naar leidingwater niet meer zouden kunnen bijhouden. Waar immers in 1900 nog met 8.500 m³ per dag kon worden volstaan, waren in 1910 al 19.500 m³ per dag nodig. Het liberale stadsbestuur was AWW Cy Ltd tot hiertoe altijd gunstig gezind geweest maar kreeg nu meer en meer met oppositie af te rekenen, zeker na de dood van burgemeester Jan Van Rijswijck, die zelf nog advocaat van de Waterworks was geweest. Vooral schepen Strauss, verantwoordelijk voor openbare werken, begon druk uit te oefenen op AWW Cy Ltd: drastisch investeren in een uitbreiding van de zuiveringsinstallaties en de pompcapaciteit, of de Stad zou de Waterworks overnemen. Zover kwam het echter niet: in enkele jaren tijd zorgden ze in Notmeir, op Duffels grondgebied, voor nieuwe installaties zodat ze tot 50.000 m³ per dag zouden kunnen produceren. Dat was aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog. Bij de beschieting van het fort van Walem door de Duitsers (28 Het pompstation aan de Mechelsesteenweg te Rumst. Toestand in 1908. september 1914) kwamen nogal wat zware projectielen op dat terrein terecht zodat men zou moeten wachten tot 1919 vooraleer de schade was hersteld en de installaties eindelijk in gebruik konden worden genomen. Om al dat water ook in Antwerpen te krijgen, hadden ze ook de leidingen naar de stad moeten vernieuwen. En hier sluit ons verhaal terug aan bij het ongeval in Waarloos/Rumst. Men zou de oudste leiding onder de steenweg naar Antwerpen, die uit 1880, vervangen door een nieuwe, ditmaal uit gewapend beton en met een doormeter van 80 cm. De werken zouden 650.000 F gaan kosten. Einde 1911 werden de eerste voorbereidingen getroffen en de firma Bonna kreeg de werken toegewezen, die in maart 1912 van start gingen. Bonna-buizen zijn een begrip in de waterleidingwereld: het zijn stalen leidingen die langs binnen en langs buiten gecementeerd worden. In dit geval werden ze op het terrein

3


Plan van de leiding die in 1912 werd aangelegd, gedeelte tussen Rumst-Slijkenhoeve en de Beukendreef in Kontich.

van AWW te Mortsel-Luithagen gefabriceerd en vandaar naar de werven vervoerd. Dat weten we uit een verslag van de directeurs van de technische diensten van de Stad die schepen Strauss op inspectie had gestuurd. Voor het einde van 1912 waren de werken voltooid, net voor het tragische ongeval van 18 december dus! Je moet altijd de twee klokjes horen, zegt de volksmond. De lezer van Reineringen kent ze nu beide: het verhaal “van Zuylen” en het verhaal “AWW Cy Ltd”. Bij het huidige Antwerpse waterbedrijf AWW, nu onderdeel van WaterLink, wilde de overlevering dat er een verband was tussen het bermmonument langs de Antwerpsesteenweg en het bedrijf zelf (een water-link!). Die hypothese kunnen we bij dezen dus bevestigen. Wim Van Craenenbroeck

en 5.1

4

ng

eri

in Re

De Grote Steenweg te Waarloos aan de kruising met de huidige Ferdinand Maesstraat, rond 1900. Bemerk de afboording met populieren.

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


I

Het ordinaal en het urinaal

N HET vroegere museum van Borgerhout (het Reuzenhuis) bevond zich een mooi voorbeeld van een ordinaal en in het huidige museum van de heemkundige kring van Kontich is een ander model van ordinaal te bewonderen. Een ordinaal is een bolle glazen fles, met water gevuld, om een lichtbron op het werkstuk te concentreren en te versterken. Verschillende mensen die fijn handwerk verrichtten, maakten in de pre-elektriciteitsperiode gebruik van dit hulpmiddel. Het licht van de petroleumlamp of de kaars werd door het water gebundeld op een kleine oppervlakte van het werkstuk. Naast kantwerksters en poppenmakers werd het ordinaal ook gebruikt door diamantslijpers en graveurs. Het is opmerkelijk dat in de Amsterdamse diamantslijperstaal oude Vlaamse woorden, die voor een deel althans juist bij de Vlamingen verloren zijn gegaan, wel bewaard bleven. ‘Ordinaal’ is zo’n woord.1

Ordinaal uit het vroegere heemkundig museum Borgerhout, foto HLA

Ordinaal in het heemkundig museum Kontich, foto Guido Theys

In de wiskunde geeft een ordinaalgetal of een ordinaal de positie aan van een element in een rij van elementen. Zij vormen een uitbreiding van de natuurlijke getallen. Dit geeft niet zo direct een relatie aan met een glazen halsfles. In Brugge wordt een ordinaal ook karaf, halsfles, buikfles, philia, ornaal, bolle, spellewerkbolle of straal genoemd. Philia (φιλια) is een van de vier oude Griekse woorden voor liefde. In de ‘Ethica Nicomachea’ van Aristoteles wordt het meestal als vriendschap vertaald. Bij de kantwerksters heeft deze philia duidelijk een gebruiksfunctie. De Vlaamse Primitieven schilderden de philia als zinnebeeld van maagdelijkheid bij de Maria-Moeder. Zoals het licht of de zon door het glas valt zonder te breken, zo is Maria, maagd en moeder.2 De manier van verlichten met een ordinaal werd ook in kerken toegepast en werd dan ‘kerkebol’ genoemd. Bij schoenmakers was het een ‘schoenmakersglas’.

De kantwerkster, ets naar een schilderij van J.D. Stevens3

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

5.1

1 Jac. Van Ginneken, Handboek der Nederlandse taal, deel II. De sociologische structuur onzer taal II, hoofdstuk 7: De lagere vaktalen, diamantbewerking, Nijmegen, 1914, p. 294. 2 Martine Bruggeman, Brugge & Kant, Brugge, 1985, pp. 279-281. 3 De Belgische Illustratie, 8 jg., nr. 17, 15 Januari 1876, p. 132.

5


Foto ’t Ordinaaltje – Phile Deprez5

Het model in de foto’s hiernaast en hierboven heeft het voordeel dat het waterreservoir hoger staat. Het lichtpunt van de kaars zal echter lager komen naarmate de kaars verder opbrandt, wat bij een petroleumlamp niet het geval is. Van gebruiksvoorwerp is een ordinaal nu een siervoorwerp geworden. Etymologisch is er een verwantschap tussen de woorden ordinaal en urinaal. Taalkundig valt het fenomeen van de toegevoegde ‘d’ onder de noemer van ‘metaplasma’. Dit is het toevoegen, weglaten, verplaatsen Een poppenmaker aan het werk, 18534 of vervangen van letters, klanken en lettergrepen in een woord. Het toevoegen van een letter in het midden van een woord is een ‘epenthesis’, een voorbeeld is ‘zwaarder’. In het vierde kwart van de 13e eeuw werd het woord ‘ ieman’ vervormd tot ‘ iemand’. De toevoeging op het einde van het woord wordt een paragoge genoemd. Een antisthecon is het vervangen van een letter of klank door een andere binnen een woord. Een voorbeeld hiervan is mijn familienaam. Lambrecht6 is een tweestammige Germaanse naam: Landebertus7, landa = land en brecht = stralend, glanzend, schitterend. Landwerd geassimileerd tot Lam-. 8 Een urinaal of pisglas werd gebruikt door bedlegerige patiënten. Het model dat we Urinaal, collectie HLA kennen heeft een plat vlak, wat het gebruik in bed enigszins vergemakkelijkt. Een van de weinige grafzerken die tijdens de Franse Revolutie in 1798 gespaard bleven in de Grote of Onze-Lieve-Vrouwkerk te Tholen stelt een meester in de medicijnen voor. De grafzerk uit 1590 staat tegen de ondermuur van het zijschip van de preekkerk. De heelmeester houdt een urinaal met een platte kant vast. De meeste iconografische weergaven van een piskijker laten een zittende patiënt zien. We nemen aan dat de urine van de patiënt werd opgevangen in een urinaal met een platte kant en ten behoeve van de piskijker daarna overgegoten werd in een ordinaal met grafzerk O.-L.-Vrouwkerk een bolle vorm. Tholen, 1590 4 5 6 7 8

Edouard Plouvier, “Les aventures d’une poupée et d’un Petit tambour”, in: Musée de Familles – Lectures du soir, Paris, Rome vint-unième, Novembre 1853, p. 60. Met dank aan Gaston Van Bulck voor het bezorgen van deze tekening. ’t Ordinaaltje, Sint-Maartensberg 1, 2820 Rijmenam. Lambrechts is een patroniemsnaam. Lambertus van Maastricht werd omstreeks 638 geboren. Nadat zijn oom, bisschop Theodard van Maastricht werd vermoord, bepaalden de raadsleden van Childrik II dat Lambertus bisschop van Maastricht moest worden. J. Van der Schaar, Woordenboek van voornamen, Utrecht-Antwerpen, 1974.

en

ng

eri

in Re 5.1

6

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


Hippocrates, Aphorismi et prognostica cum commentis Galeni, Stralsund, 1339.9

De bolle vorm van het ordinaal geeft een ideale lichtinval, die de beoordeling van de heelkundige onderzoeker ten goede komt. De gunstige lichtinval zal bepaalde personen op het idee gebracht hebben het licht te concentreren op een beperkt werkvlak. Een bolvormig ordinaal is goed herkenbaar op schilderijen en tekeningen. De geneesheer Petrus Forestus (Alkmaar 1521-1597) had een diepe afkeer van kwakzalvers, piskijkers en het onbevoegd uitoefenen van de geneeskunde. Bij het piskijken of uroscopie wordt het water van de zieke in een urinaal naar het licht gehouden. Een systematisch lichamelijk onderzoek werd toen nog niet uitgevoerd. De oorzaak van inwendige ziekten werd gezocht in een wanverhouding tussen de vier lichaamssappen: bloed uit het hart, slijm uit de hersenen, gele gal uit de lever en zwarte gal uit de milt. De levensgeesten en levensprocessen in het lichaam werden door deze sappen bepaald en geregeld. Als de sappen in balans waren, was de mens gezond, maar een verstoring veroorzaakte ziekte en psychisch leed. Men wilde vaststellen welk van de vier vochten in het kwestieuze ziektegeval tekortschoot of te overheersend was. Met een subtiliteit moest gelet worden op de kleur, consistentie, geur en bezinksel. Men onderscheidde wel twintig kleurschakeringen en de artsen werden getraind om bij patiënten de exacte samenstelling van de sappen vast te stellen. De urine was het eindproduct van verschillende ‘ kokingen’ waarvan de laatste plaatsvond in de lever, die als het belangrijkste orgaan van het lichaam gold. De nieren beschouwde men alleen maar als urine-filters. Voor de spijsvertering in de lever is warmte nodig, die door het hart wordt geleverd. Neemt de lichaamstemperatuur toe, ten gevolge van een ziekte, dan verloopt de digestie in de lever intensiever, wat tot een kleurverandering leidt in de geproduceerde urine. De typische vorm van het urinaal, destijds ‘matula’ genoemd, is eeuwenlang niet gewijzigd en was welhaast het symbool der geneeskunde. In een meisjesschool, bestuurd door nonnetjes, gebruikte men tijdens de handwerkles verschillende types van glazen om het handwerk te belichten. Dit waren geen echte ordinalen maar maatbekers dienstig in een chemisch laboratorium.

Besluit

Het bestuderen van de lichtinval op de vloeistof in een urinaal door een heelmeester heeft een verwantschap met het bundelen van de lichtinval door de vloeistof in een ordinaal op het werkstuk van een handwerker of –werkster. Verschillende vormen van ordinalen kunnen worden gebruikt. De lichtinval van een lichtbron moet via een brandpunt gebundeld kunnen worden op een beperkte oppervlakte. Hugo Lambrechts-Augustijns Bibliografie Hugo Lambrechts-Augustijns, Het ordinaal, in: Heemkundig Handboekje voor de Antwerpse regio, 61, 1, januari-maart 2013, 13-16. René Pansaerts, Het ordinaal (2), in: o.c., 61, 2, april-mei 2013, 30-31. Hugo Lambrechts-Augustijns, Het ordinaal –Urinaal, in: o.c., 61, 3, juli-augustus 2013, 23-26.

collectie HLA

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

5.1

9 Museum Meermanno-Westreenianum, 10 B 22, folio 9 recto. 10 De middeleeuwse voedingsleer wortelt in het gedachtegoed van de Griekse arts Hippocrates (ca. 460 – 377 v.Chr.)

7


H

Azura: A Never Ending Story?

en 5.1

8

ng

eri

in Re

ALVERWEGE DE jaren tachtig presenteerde Kurt Van Eeghem in het pre-VTM-tijdperk het programma Namen noemen. Een speels programma om de dingen en mensen met de juiste naam te benoemen. Daaraan moeten we soms terugdenken bij de huidige naamgeving van mensen, gebouwen en plaatsen. Je hoeft maar even een stukje uit de krant te lezen en je weet wat we bedoelen. Maar ook gebouwen moeten eraan geloven. Wat te denken van Melrose Place, de serviceflats langs de Koningin Astridlaan achter Zytho. Deze laatste naam mag dan wel wat vreemd klinken, maar hij verwijst gewoon naar bier en is hier dus wel op zijn plaats. Hoe ouders hun kinderen noemen is een persoonsgebonden materie en daar hebben we uiteraard niks aan te zeggen, ook al kan je bij heel wat namen bedenkingen hebben. Maar bij de plaatsnamen ligt het anders. In ons dorp is de bestaande ad hoc-commissie voor het toekennen van straatnamen nu een onderdeel van de Gemeentelijke Erfgoedraad. De criteria voor het toekennen van straatnamen zijn echter dezelfde gebleven. We vermelden ze hier nog eens: De criteria voor naamgeving van een straat, plein, gebouw of publiek toegankelijk lokaal in beheer van het gemeentebestuur waarover het college van burgemeester en schepenen of de gemeenteraad beslist, zijn: 1. bij wijken: clustering van naamgeving (zoals bijv. de bloemen- en de vogelwijken); 2. er wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de studie van toponiemen van de gemeente; 3. bij naamgeving van personen moeten deze minimaal tien jaar overleden zijn en hun waarde voor de gemeente bewezen hebben; 4. dubbele of erg gelijkende naamgeving moet zoveel mogelijk worden vermeden. Het college van burgemeester en schepenen vraagt advies aan de gemeentelijke erfgoedraad die na studie van de desbetreffende straat een toponiem voorstelt. Zo heeft de erfgoedraad op vraag van schepen Wim Annaert in zijn advies gekozen voor het nieuwe toponiem Laarbos voor de groene bufferzone rond een nieuw bedrijvencomplex in Waarloos. Het toponiem gaat terug op de vroegere Laarvelden en de aanwezigheid van een bos. Anders is het gesteld met naamgeving die gemeentelijke bevoegdheden ontstijgt. En soms kom je dan tot merkwaardige naamgeving. We denken hierbij aan AZURA. Voor wie dit niet zou weten, het gaat hier om een cultureel samenwerkingsverband tussen een aantal gemeentes in de Antwerpse zuidrand, vandaar ook het acroniem Antwerpse Zuidrand: Aartselaar, Boechout, Edegem, Hove, Kontich, Lint en Mortsel. Een onmogelijke naam die ontstaan is als een soort werktitel, omdat onze streek niet echt een naam heeft. Er werd bij aanvang telkens weer gezegd dat die naam maar ten voorlopigen titel was. In augustus 2009 heb ik als toenmalig voorzitter van de heemkundige kring – en in naam van alle voorzitters van de kringen van de betrokken gemeentes – een brief opgesteld die aan kaart Vandermaelen (ca. 1850) alle burgemeesters en schepenen van die gemeentes werd gestuurd. U vindt dit schrijven hieronder integraal terug. We waren namelijk met zijn allen hoogst ongelukkig met die naam. En we vreesden vooral dat die naam die als werktitel begon een eigen leven zou gaan leiden. We hoopten in een constructieve sfeer vanuit de participerende dorpen een reactie te krijgen die zou kunnen leiden naar een waardevolle benaming van onze streek. We kregen echter nul op het rekest. Er kwam letterlijk geen enkel antwoord, zelfs geen melding van ontvangst op deze brief. Niks, nada, niente. Zelf heb ik in Kontich toen wel wat gesprekjes gevoerd, maar in de andere gemeentes bleef het oorverdovend en Oost-Indisch stil. En ondertussen is het kwaad geschied. De werktitel AZURA is inmiddels zodanig ingeburgerd dat, wanneer men het waagt over de naam AZURA te praten, de reactie meestal op bemoeizucht van onzentwege lijkt. In de trant van “Zijn ze daar nu weer met hun gezaag over die naam?” Wel ja, we blijven over die naam zagen, omdat we nog altijd vinden dat de naam AZURA een onding is, dat liefst zo snel mogelijk wordt vervangen door Uitreksel uit Robert Van Passen, Toponymie van Waarloos een ernstige naam, vóór de naam nog verdere schade aanricht. Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


Azura: ook een reisbureau, een zonnecenter, een cruiseschip en zelfs een massagesalon

Laten we wel wezen, voor ons is het echt geen conditio sine qua non dat ons gebied Land van Condacum zou heten. Wanneer een andere waardevolle naam genoeg steun zou krijgen, dan kunnen we daar absoluut mee leven. Het voorstel Land van Condacum was overigens geen chauvinistische poging tot recuperatie van de Kontichse delegatie. Helemaal niet, het waren de vrienden uit Aartselaar die het voorstel deden. Maar – en ik mag hopen nog altijd met de heemkundige kringen van de andere dorpen – we vinden nog altijd dat er echt aan een andere naam moet worden gedacht, want we zullen altijd op dezelfde nagel blijven kloppen. En ik vrees dat we ook op andere gebieden op onze qui-vive zullen moeten zijn. De provincie wil zelfs de namen van onze beken veranderen. Het gaat hier om namen die enkele eeuwen oud zijn. En die moet je ongemoeid laten. Zo willen ze ook de naam Abraham Hans bij het fietspad laten sneuvelen. Dat deze inwoner van Kontich – meer nog dan Conscience – zijn volk heeft leren lezen, is hierbij van geen tel. Toponiemen gaan langer mee dan een generatie, laten we daarom goede plaatsnamen kiezen en er dan ook goed zorg voor dragen. Paul Catteeuw

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

5.1

Aan de colleges van burgemeester en schepenen van de gemeentes Aartselaar, Boechout, Duffel, Edegem, Hove, Kontich, Lint, Mortsel, Rumst Geachte dames en heren burgemeester Geachte dames en heren schepen We leven in een tijd waarin alles snel vooruit moet gaan. De stroom informatie die we over ons heen krijgen is haast eindeloos. Ook u zal ongetwijfeld getuige en lijdend voorwerp van dit fenomeen zijn. We worden ook voortdurend overspoeld door nieuwe namen voor steeds nieuwe verenigingen, samenwerkingsverbanden, … We worden letterlijk om de oren geslagen met nieuwe letterwoorden, waarvan we na een maand nog nauwelijks de betekenis kennen. Toch was onze verbazing groot toen we bij een samenwerkingsverband i.v.m. een filmproject over de grenzen van onze gemeenten heen plots met een nieuwe naam werden geconfronteerd. Het was meteen een naam die heel wat vraagtekens deed rijzen, want niemand wist wat de naam AZURA betekende. Een verwijzing naar de Azurenkust, een referentie aan een verfwinkel, …, we hadden er het raden naar. Uiteindelijk bleek dit acroniem te staan voor Antwerpse Zuidrand. Alhoewel we links en rechts te horen kregen dat dit woord eigenlijk maar als een soort werktitel fungeerde, was het kwaad toch al geschied. De naam AZURA begint her en der toch al op te duiken als de verzamelnaam voor de dorpen ten zuiden van Antwerpen. Maar, naar wij vernemen, zijn er ook onder u heel wat mensen die de naam AZURA niet zien zitten. Los van het feit hoe de (inwoners van de) betrokken gemeenten tegenover grote broer Antwerpen staan, zijn wij als vertegenwoordigers van de respectieve heemkundige kringen toch bijzonder ongelukkig met deze naamgeving. Dit willekeurige letterwoord heeft geen enkele historische basis. Men had evengoed voor MENORA (Mechelse Noordrand) kunnen kiezen. Of LIWERA (Lierse Westrand). Vanuit onze functie als respectieve voorzitters van de heemkundige kringen van de betrokken gemeenten hebben wij – samen met onze medeleden - als taak het culturele erfgoed van onze gemeenten, en a fortiori van onze regio, te beschermen en te promoten. Niet vanuit een versteende

9


visie uit het verleden, maar vanuit een moderne visie die intangible heritage (zoals het o.a. door het UNESCO wordt ingevuld) in een levende en veranderende maatschappij inbedt, zonder daarbij de link met het verleden te verliezen. Een naam voor onze regio is geen evidentie. Wij blijken op dit gebied in een vacuüm te leven. Er bestaat niet echt een naam. Het Meetjesland, het Pajottenland, de Westhoek, het Land van Waas, de Kempen, het zijn allemaal voorbeelden van regio’s waarvan de naam meteen ook een stukje van de identiteit verraadt. Wij vermoeden dat het acroniem AZURA in dit gezelschap een heel slechte vertegenwoordiger zou zijn, mede omdat het verwijst naar een plaats die zelf niet in deze regio ligt. In gezamenlijk overleg willen de vertegenwoordigers van de ondertekenende kringen dan ook een constructief voorstel doen dat tegemoet komt aan de noodzaak van een naam met historisch karakter die niet losstaat van het geografische en culturele gegeven. Wij stellen daarom voor om de betrokken regio vanaf heden “Land van Condacum” te noemen. Voor deze benaming zijn er wel degelijk argumenten: • Historisch-geografisch: de naam is een bestaand toponiem dat een groot gebied bestreek (van Schelde en Rupel tot Antwerpen en Lier, cfr. R. Van Passen, De geschiedenis van Kontich, 1988); • Cultureel: in tegenstelling tot de naam AZURA bestaat er hier wel degelijk een band met het grondgebied. Het gebied met die naam is ruim genoeg om zijn identiteit met toetredende gemeenten te delen; • Toeristisch: deze naam heeft duidelijk meer potentieel dan het letterwoord AZURA en zou in de toekomst ook zo kunnen worden uitgespeeld (bijv. met bruine toeristische borden langs de snelwegen). Als heemkundige kringen zijn wij uiteraard voorstander van een degelijk en sterk cultureel overleg over de grenzen heen. We zijn hier zelfs vragende partij, omdat elke samenwerking een stap vooruit is in de valorisatie en ontsluiting van ons cultureel patrimonium. We hopen op die manier dat er ooit een duurzame samenwerking op gebied van cultureel erfgoed tot stand wordt gebracht. Hoe moet het nu verder? Wij zijn uiteraard bereid om samen met de verschillende colleges overleg te plegen en (hopelijk) tot een gezamenlijk standpunt te komen waar iedereen zich kan in vinden. Een dergelijk overleg zou een mooi voorbeeld van proactief beleid kunnen zijn, waardoor in toekomst wordt verhinderd dat men onder tijdsdruk of onder druk van de omstandigheden tot onzinnige oplossingen zou komen. We gaan ervan uit dat iedereen het daarmee eens kan zijn. Wij hopen dat we van u, geachte dames en heren burgemeester en schepen, de kans krijgen om over deze zaak een open gesprek te voeren en we houden ons daarom in deze materie ook ten sterkste aanbevolen. Met vriendelijke groet en uit liefde voor onze mooie regio De voorzitters van de heemkundige kringen

en

ng

eri

in Re 5.1

10

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


10 jaar Lapzussen

H

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

5.1

OE HET BEGON‌ Er was eens een grote handwerktentoonstelling in Brunoy, in de buurt van Parijs. Het was oktober 2003. Op deze prachtige tentoonstelling werden er o.a. merklappen en pronkrollen uit ons museum tentoongesteld. Ook Hilde Schollens zelf geborduurde merklappen vonden hier een plaatsje. Verder was er prachtig werk van de leden van de organiserende handwerkclub te zien en ook antieke merklappen uit privÊcollecties. Ik liep daar rond, te kijken naar al dat moois, tussen allemaal Franstaligen, toen ik plots Vlaams hoorde spreken. Het waren mensen van de Kring voor Heemkunde van Kontich, die een bus ingelegd hadden om hun eigen patrimonium te komen bekijken. Zo maakte ik kennis met een aantal Kontichnaren en Hilde Schollen in het bijzonder. Het klikte meteen tussen ons. Ik hoorde dat er op de bus naar Brunoy sprake was geweest om een merklapgroep op te richten. In Kontich woonden heel wat dames die hiervoor interesse hadden. Die vind je sowieso bijna nergens en omdat ik in Limburg nauwelijks mensen kende die met merklappen bezig waren, vroeg ik meteen of ik ook mocht aansluiten. Adressen en telefoonnummers werden uitgewisseld. En inderdaad, in het voorjaar van 2004 viel er een uitnodiging in de bus voor een eerste bijeenkomst van de merklapgroep. Hilde, die het initiatief genomen had, schreef in haar uitnodiging wat de groep beoogde. Het moest echt een merklapgroep worden, geen gewoon handwerkclubje, maar debutanten zouden er natuurlijk wel terechtkunnen voor raad en daad. Verder zouden we merklappatronen uitwisselen, musea en tentoonstellingen bezoeken en uiteenzettingen geven over symboliek. Ook stond de groep open voor activiteiten die door de leden werden aangebracht. Hilde had onder aan haar lijstje drie puntjes gezet, dus er was nog ruimte voor andere activiteiten.

11


en 5.1

12

ng

eri

in Re

We zouden twee- of driemaandelijks samenkomen in het documentatiecentrum in de Duivenstraat. Lid werd je als je lidgeld betaalde voor ‘De vrienden van het Museum’. En toen was het zover. Op 9 maart werd de merklapgroep boven de doopvont gehouden. Veerien enthousiaste dames waren bijeengekomen, de meesten uit Kontich, drie uit Edegem, twee uit Lint en ikzelf met een vriendin uit Limburg. We maakten kennis met elkaar en ik hoorde er voor het eerst de naam Joris Olyslaegers vallen. Hij was blijkbaar de man die voor enkelen van deze dames een mentor was geweest bij het maken van merklappen. We hadden het de eerste avond ook al over wat de vereisten zijn bij het maken van een merklap en het opspannen ervan. We bekeken zelfgemaakte handwerken van de leden en er werden tips uitgewisseld. Het was een fijne avond en er werd meteen een datum voor een volgende bijeenkomst gekozen. En zo ging het verder… 10 jaar later kunnen we terugkijken op een rijk gevuld verleden. Met altijd de steun van het bestuur van de Kring in onze rug, was er heel wat mogelijk. De merklappengroep groeide gestadig aan. De laatste jaren tellen we 35 à 40 leden. Hiervan zijn er ongeveer 25 actieve dames die zo veel als mogelijk deelnemen aan onze bijeenkomsten in de Duivenstraat en onze uitstappen. De overige leden voelen zich verbonden met de groep maar kunnen er omwille van afstand, drukke bezigheden of familiale omstandigheden niet altijd bij zijn. Zij volgen ons op afstand en krijgen telkens verslag van onze samenkomsten. We bleven op dinsdagavond bijeenkomen, de eerste jaren elke twee maanden maar al vrij snel elke maand. Hilde leerde ons veel bij over merklappen. Onder andere over symboliek, opspannen, oude technieken en materialen. Ze had het over de geschiedenis van naalden, wat ‘de bleek’ inhield enz. We leerden steken maken die nu wat uit de mode zijn, stoppen, de rococosteek, … Er werden gezamenlijk boeken en patronen aangekocht. We hadden ook workshops van bekwame borduursters die ons nog verder de knepen van het vak leerden. Naast onze maandelijkse bijeenkomsten gingen we vrij veel op de hort. We gingen naar tentoonstellingen en musea in België maar ook veel in Nederland. Er werden handwerkbeurzen bezocht in binnen- en buitenland. In 2013 gingen we zelfs drie dagen naar Oxford. Een ander hoogtepunt was de tentoonstelling van de museumcollectie in 2008 in de kapel van Altena. Het was een hoop werk voor Hilde en de bestuursleden van de Kring, maar het mocht ook worden gezien. We kregen zeer veel positieve reacties van de bezoekers. We hadden ook gezamenlijke projecten, zoals een pronkrol die ook op onze tentoonstelling te bezichtigen was, een patchworkdeken met geborduurde lapjes voor Hilde, en de laatste jaren werkten we aan vriendschapslappen. In 2005 kregen we een prachtige naam: ‘Lapzussen’, met dank aan bestuurslid Chris Claes. Hilde werd onze Opperlapzus. Met deze ludieke naam kregen we bekendheid in de handwerk- en merklappenwereld. Hilde kon heel fijn borduren, ze werkte over één draadje en ook ik leerde na Brunoy in miniatuur te werken. Zo besmetten we een aantal lapzussen met dit virus en staan ze in Nederland te kijken van onze zeer fijne borduurkunsten. “Wat de dames uit België kunnen, dat zie je hier niet,” werd vorig jaar voor een groep van 270 merklapliefhebbers in Nederland gezegd. En de dames uit België, dat waren wij, die glommen natuurlijk van trots toen ze dit hoorden. De Lapzussen en de merklappencollectie van ons museum zijn ondertussen op de kaart gezet, ook in het buitenland. Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


De laatste jaren proberen we ook ons steentje bij te dragen voor de merklappencollectie in het museum. Zo proberen we rondleidingen te geven als we weten dat er geïnteresseerde dames komen, beschrijven we nieuwe aanwinsten, zijn we aanwezig op opendagen (erfgoeddagen, cultuurmarkten,‌) en binnenkort starten we met het opnaaien van de merklappen in het museum zodat ze opnieuw kunnen worden ingelijst. Maar jammer genoeg was het niet allemaal rozengeur en maneschijn. Hildes gezondheid verplichtte haar regelmatig om forfait te geven als Opperlapzus. Ze vroeg aan mij om de leiding van haar over te nemen en zo vormden we de laatste jaren een tandem. Hilde aan het stuur, zij bepaalde de richting, en ik probeerde de praktische besognes op me te nemen. In de maanden dat het Hilde goed ging, ging ze er weer voluit voor. Zo gaf ze in 2010 nog een lezing in het museum in Goes, toen de merklappen uit ons museum daar werden tentoongesteld. Hilde moest de strijd opgeven in maart 2013. Het is voor onze groep een groot gemis. Een jaar voordien hadden we al een grote tegenslag te verwerken. Nancy Verhaert, onze jongste lapzus en dochter van lapzus Agnes, werd plotseling ernstig ziek en overleed. We stonden perplex. We misten Nancy, een vaste waarde in onze groep, altijd goedgezind, steeds aan het helpen en daarnaast een nauwkeurige borduurster (de achterkant van haar borduurwerk was bijna zo mooi als de voorkant). Maar het was ook moeilijk om Agnes in haar verdriet bij te staan. Ook andere lapzussen kregen te maken met tegenslagen in hun familie. Als hechte groep proberen we hen te steunen. De talrijke opkomst op onze dinsdagavonden, waar we meestal met 20 of meer dames zijn, al 10 jaar lang, getuigen dat we als groep toch veel voor elkaar betekenen. En zo tekenen we graag bij voor minstens nog eens 10 jaar!

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

5.1

Erica Uten

13


Het slagveld in Lint, Kontich en omstreken (1914)

O

P 4 AUGUSTUS 1914 breekt de Eerste Wereldoorlog uit. In de beginmaanden van de oorlog tot de eerste dagen van oktober 1914 is er in brouwerij ‘Sint-Bavo’ te Lint een hoofdkwartier van het Belgisch leger gevestigd. Bovendien werden veel opgeroepen soldaten, van de kazerne in Kontich, bij de Lintse bevolking ondergebracht. Op 25 augustus werd Leuven verwoest. Wanneer de Duitse strijdkrachten einde september reeds zijn opgerukt tot in de buurt van Mechelen en Lier en Duffel op 29 september werden beschoten, slaan de Lintenaren massaal op de vlucht. Op 3 oktober is het zo ver, de forten van Lier, Walem, Duffel en Koningshooikt zijn gevallen. Na zware gevechten steken de Duitse troepen de Nete over. In de nacht van 4 op 5 oktober bieden de Belgische strijdkrachten weerstand vanuit loopgraven en greppels te Lint. Een bijzonder zwaar gevecht speelt zich af tussen de terugtrekkende troepen en de oprukkende Duitsers. In de ochtend worden houwitsers en veldgeschut ingezet. Verscheidene huizen in het centrum van Lint worden vernield of zwaar beschadigd. Ook de kerk, pastorij en het godshuis worden getroffen. Op 6 oktober vallen Lier, Kontich, Hove en Boechout. Vanaf 6 oktober worden de overblijvende inwoners van Lint manu militari verplicht hun huizen te verlaten. Ze worden ingenomen door de Duitsers. De kerk wordt als paardenstal ingericht. Vanaf 9 oktober 1914 wordt Lint officieel door de Duitsers bezet. Uit hoofdstuk zeven van het boek ‘Van het Slagveld der Natiën’ van de hand van Frank Gericke, pseudoniem van Derk Hoek (1887-1976) uitgegeven in 1915 in Den Haag nemen we deze bijzonder interessante en door de auteur persoonlijk beleefde passage in originele spelling over. …Toen de verwarring van den aftocht voorbij was, namen wij achter de Nethe weer stelling. Er mocht geen duimbreed geweken worden. Mijn compagnie lag achter een steile glooiing, die wij nog uitgroeven, om nog beter beschut te zijn. Dag en nacht regenden de granaten om ons neer. Ik rookte sigaren, klemde mijn vuisten en beet op mijn tanden, om rustig te blijven. Wij beluisterden het suizen der naderende bommen en waren zoo geoefend dat we, naar het geluid, konden oordelen of ze zouden ontploffen en waar ze moesten terecht komen. Ze vielen achter ons in de kom van een verlaten steengroef; met den rug aan de helling geleund, sidderden wij met den grond, als ze op de rotsenwand der groeve openbarstten, dat de stukken staal en steen over ons heen vlogen; ze boorden door de daken en muren der huizen waar wij ons een oogenblik voor de regen hadden getracht te verschuilen. Wij waren allen ijselijk kalm en verroerden ons bijna niet. Even voor den avond viel ik, warm in een deken gerold en met stroo bedekt, in diepen slaap, om ’s anderendaags weer te ontwaken te midden van het hardnekkig, regelmatig bombardement. Tot we eindelijk door de Engelschen werden afgelost. We overnachtten in Contich; alles was er verlaten en leeg; het was, in deze dagen, of er in de wereld geen menschen meer bestonden, niets meer dan stomme strakke soldateneenheden. Ook in het dorp was het niet veilig, en het was ons een verluchting om weer buiten te zijn. Maar we moesten ons in bosschen en achter hagen in den grond graven en met takken bedekken om aan de vliegtuigen te ontsnappen, die de lucht doorkruisten. ’s Avonds werden wij weer naar de loopgraven gestuurd voor Linth. Het was pikdonker en het regende. Wij gleden uit in de modder en konden de aangewezen plaats niet vinden. Ten einde raad legerden wij ons in een smallen greppel. Ik spreidde wat stroo onder mij op de bodem en sliep in. De Duitschers waren de Nethe overgekomen en in de nacht werden carabiniers op hen afgestuurd met de bajonet, in een laatste, hopelooze poging om ze te weerhouden: ze werden echter omgemaaid en uiteen geslagen. Radeloos, niet wetend waarheen, kwamen de gewonden in alle struiken en boschjes terecht. De volgende ochtend begon het. Altijd weer, op zijn heele lengte, in eindeloze reeksen, werd de weg van Lier naar Boechout door houwitsers en veldgeschutten beschoten. Eerst verschenen enkele geïsoleerde vluchtelingen en gekwetsten. Dan in dichte rijen, jagers en carabiniers en linietroepen, met officieren en majoors, mitrailleuses en geschut, langs alle wegen, over velden en weiden terugtrekkend, door het ongelukkige Linth waarop steeds nog granaten vielen. Op rug en schouders, op gekruiste geweren en gevlochten boomtakken brachten ze de getroffenen mee, allen bijna met groot kwetsuren in den rug. Er waren niet genoeg geneesheren en helpers om ze te verbinden. Wij waren hard geworden en wij zagen zonder gruwen het bloed aan, met niets dan een oneindig medelijden om die stervende lichamen. Er waren geen wagens en draagbaren genoeg om ze te vervoeren en de muzikanten moesten ze brengen tot aan de ambulances.

en

ng

eri

in Re 5.1

14

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


Wezenloos en zonder eenig gevoel bereikten wij Hove. Wij waren uitgehongerd en plukten den boomgaard leeg van een buitengoed. In den tuin stond een gepantserde trein nog immer door te schieten. Wij plunderden de kelders en sommigen begonnen te lachen van dronkenschap. In Boechout zouden wij overnachten. Wij werden ondergebracht in een meisjeskostschool. Alle menschelijkheid was zoo ver: met een week gevoel strekte ik mij uit op het lage bedje en betaste met een verwonderde teerheid al die kleine voorwerpen in het gezellige alkoofje. Maar nauwelijks hadden we ons uitgekleed of we moesten weer verder. De vijand naderde; achter Boechout werkten nog steeds verwoed de Fransche obusiers. Den heelen nacht, een eindeloozen tocht, al door verlaten dorpen, waar alle overgebleven menschelijk leven, den schijn er van verloor, over Eedeghem, Wilrijck en het zwarte Hoboken, trokken wij naar de Schelde toe. Bij het krieken van den dag, uitgeput en ontzenuwd, bereikten wij de polders. Bezijden den weg brak in de verlatenheid, over de watervlakten en den drassige gronden, het zonnige daglicht en stonden wij eindelijk voor de petroleumtanks. Toen wij de schepenbrug betraden, vlogen boven ons hoofd de een na de ander, als goedige vogels, de groote Engelse tweedekkers heen en toen wij op den anderen oever waren, de lange slang der aftrekkende divisie, overviel ons een gevoel van veiligheid en eindelijke verademing… Enkele uren later werd Antwerpen ingenomen. Inderdaad, op 7 oktober 1914 beginnen de Duitsers, vanuit Kontich, Antwerpen te beschieten en op 9 oktober om 17.40u. wordt in Kontich in de villa ‘Rest and Be Thankful’ aan de Antwerpse Steenweg, de overgave van Antwerpen ondertekend. Dit staat geschiedkundig bekend als de ‘Conventie van Kontich’. De Belgische en geallieerde legerleiding is woest en ze bevelen de terugtocht over de noodbruggen over de Schelde, richting Gent. Waarom? De overgave van Antwerpen werd immers ondertekend door Antwerpse politieke bestuurders en de Duitse legerleiding. De Belgische legerleiders werden hierin niet gekend! Onze stichter-voorzitter, Z.E.H. dr. Jozef Van Herck schreef hierover reeds in 1973 zijn getuigenis neer ‘uit de eerste hand’ over dit stukje Kontichse geschiedenis In een merkwaardige brochure ‘De val van Antwerpen in 1914 en de tafel der overgave’. Deze oorspronkelijke uitgave blijft nog steeds te koop in kring en museum.

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

5.1

Paul Wyckmans

15


De Magdalenastraat 1900-1950 (deel 2)

I

N DIT vervolg bespreken we de inwoners van de Magdalenastraat langs de pare kant. Voor alle duidelijkheid vat ik (fh) de inleiding van deel 1 nog eens samen. Tijdens de vergadering van de Kring voor Heemkunde in mei 1950 gaf E.H. Victor Vleeschouwer (1896-1968) een uiteenzetting over de gegevens die hij had verzameld “over de toestand van de Magdalenastraat 50 à 60 jaar geleden”. De spreker was onderpastoor en woonde in Kontich, meer bepaald in de Magdalenastraat nummer 19, van 1935 tot 1956. Hij was afkomstig van Mechelen, woonde samen met de andere hulppastoors Guns en Van Herp, en met zijn bejaarde moeder en zijn jongere zuster. Dit is helaas niet de tekst van zijn voordracht, maar een vrij uitvoerig (handgeschreven) verslag ervan. De cursieve tekst bestaat uit de gegevens die Agnes Dehandschutter noteerde uit de bevolkingsregisters van onze gemeente van 1931 tot 1947, aangevuld met de herinneringen van Frans Van Elshocht, Alfons Hermans en Jos Brion. Deze informatie is ingekort maar het volledige document kan altijd in het Documentatiecentrum worden geraadpleegd. Ook Leo Van linden (lvl) heeft nog voor enige bijkomende informatie gezorgd, evenals Hugo Vanderstappen (hv) in verband met de schrijfwijze van zijn familienaam. De uitsmijter van deze aflevering zijn de notities van Joseph Van Passen (1892-1967) over de Melkerij van Huybrechts, begin vorige eeuw.

Dekenij, huis Quadens, In den Turner/beenhouwer Dykens-De Locht

en 5.1

16

ng

eri

in Re

De overkant, met de pare nummers, is sinds de jaren 1920-1930 fel veranderd. Het gebouwencomplex palend aan het gemeentehuis, werd door de gemeente aangekocht en is nu (1950, fh) Belastingkantoor; het was vroeger een herberg, “Café de Roos”. Een wegeltje scheidde eertijds de herberg “De Roos” van het Kerkhof, gelegen rondom de kerk. Voor het Kerkhof, langs de Magdalenastraat, stonden een reeks huizekens waarvan het laatste, ongeveer tegenover de dekenij, de herberg “De Klep” was (waarschijnlijk nummer 2? fh). Tussen deze huizekens en het Kerkhof liep ook een wegeltje. Volgens J. Van Passen hadden de wegeltjes rondom de kerk een volksnaam: een “langs de grillekens” – en een ander “langs de pomp”. (lvl:) De nummers 4 tot 10 vragen eerst om wat toelichting. De bakkerswoning heeft nummer 4. Nummer 6 is voor een Henri Van linden (1913-2003) met zijn triporteur voor vierkamerwoning, twee hoog, in de tuin en te bereiken via een nummer 4, zijn bakkerswinkeltje. Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


poortje en gangetje naast de voorgevel van de bakkerswoning. Nummer 8 is een woonruimte die structureel deel uitmaakte van nummer 10, herberg ‘De Turner’. De (voor)deur van nummer 8 bevond zich vlak naast voornoemd poortje. 4. Leonard Van der Stappen, ‘Leon’, (°Boom 1891), bakker, en zijn vrouw Maria Van den Bossche, ‘Marie’, (°Boom 1893), en hun (klein)kinderen en inwonende bakkersgasten. Leon was een broer van bierhandelaar Jan van het SintJansplein en van houthandelaar-kistenmaker ‘Charel’. Dochter Alfonsine werd ‘zuster Rita’, kloosterzuster-verpleegster in Boom en zoon Marcel volgde vader op als bakker maar vond later zijn ware roeping in een zelf opgestarte autorijschool in Mortsel. (hv: De naam Vanderstappen wordt op verschillende manieren gespeld. Mijn grootvader Jan Van der Stappen schreef de naam in 3 delen, evenals zijn broer Charel Van der Stappen kistenmaker - Magdalenastraat. Mijn grootvader Jan Van der Stappen had 6 kinderen: Albert, Raymond, Rachel, Kamiel, Elza en Jos. Albert, Jos en Raymond beslisten samen om de naam Vanderstappen aaneen te schrijven en hebben dit op hun trouwboekje zo laten inschrijven, eveneens hun respectieve kinderen. Daardoor vind je de naam soms aaneen en soms van elkaar geschreven. - Wat het verhaal van Charel Van der Stappen betreft: de 3 zonen zijn begin 1950 naar Brazilië vertrokken samen met neef Marcel (zoon van bakker Leon). Marcel is een jaar later berooid teruggekeerd en een autorijschool begonnen. De 3 andere zijn in Brazilië gebleven. Vader Charel Van de Stappen is tot aan zijn dood met Clara in de Magdalenastraat blijven wonen en dan is zijn dochter Maria er in getrokken en de woning verbouwd zoals ze nu nog altijd is. 6. Frans en Maria Van Nuffelen-Talboom; Bertrand en Elza Van de Velde-Piessens; Colebunders-Rammon. Eind 1945 trouwt Marcel Vanderstappen met Amanda Vermylen en het gezin vestigt zich in deze tuinwoning tot bakker Van linden in 1950 de bakkerszaak overneemt en ook nummer 6 betrekt. (Tot 1968 was hier dus de bakkerij van Henri Van linden, die met zijn gezin van Boom naar hier was verhuisd; één der zonen, Guillaume, zette de stiel voort aan de Antwerpsesteenweg 21; een andere zoon, Jef, werd later burgemeester, lvl/fh.) 8. Jan en Ludovica Verhaert-Busschots: hij was zeeman-stoker (°Kontich 1897), zij werkvrouw (°Kontich 1896), zij verhuizen in 1932 naar Drabstraat 108; in 1938: Jan ‘Robert’ Van Loock (°Rumst 1917) en Alice Delbaen(°Kontich 1923) en hun kinderen André, Tony en Paul. Robert wordt later postmeester. Alice is een dochter van Mil Delbaen, de herbergier van nummer 10. Nummer 10, nu café “De Turner”, was vroeger de beenhouwerij van Louis Deyckens (“bij de Mus”).

Huis Quadens, het hoge huis was de onderpastoorswoning; rechts de pare kant tot het café/beenhouwerij

Emilius Delbaen,‘Mil’ (°Kontich 1896), herbergier-diamantslijper en echtgenote Leonia Hellemans,’Leonie’ (°Kontich 1900): hun dochters heetten Maria en Alice. Hier was de Tijgerclub gevestigd (waar Leon Van Loock en Frans Bulens deel van uitmaakten). Ze dronken bier uit een diep bord. 12. Petrus Smets (°Hombeek 1855,) rentenier en Clementina De Borger (°Willebroek 1859): beiden overleden in 1937; het gezin van Lodewijk Van Roosendael (°Baal 1910), maaldersgast. Er volgen nog 4 gezinnen tussen 1935 en 1946. 14. Livinus Baeckelmans (timmermansgast) en Magdalena Gebruers (beiden °Kontich resp. 1875 en 1876).

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

5.1

17


16. Maria Jacobs, weduwe Van den Wijngaert (°Waarloos 1882) en kinderen Maria Elisabeth en Callixtus Franciscus. Moeder werd “Marie de naaister” genoemd: ze ging aan huis kleding herstellen. In het nummer 18, vroeger de beenhouwerij van Storms, de vader van Eugeen, woont nu het gezin De Graaf-Storms. (Hun zoon bezorgde ons een 7-tal jaar geleden albums met foto’s, o.m. met heel wat mensen uit de straat, fh) Philomena Van Gastel (°Kontich 1864, overleden 1932) was de weduwe van Petrus Storms. Haar dochters heetten Joanna Francisca (°1896) en Maria Hermana (1901): de eerste was getrouwd met Petrus Jan de Graaf (°Bergijk NL 1895) en had twee zonen (Karel Franciscus en Robertus Eugenius). Maria trouwde met beenhouwer Quonils. 20. Philomena Pauwels, weduwe Louis De Groof. Later Ludovicus Goos; zijn zoon Maurice speelde grosse-caisse in de harmonie. 22. Karel Vanderstappen (°Steenhuffel 1889), houthandel-kistenmaker, en Maria Catherina Dirckx (°Niel 1883) evenals Maria’s moeder Maria Delfina Slootmaecker (° Niel 1854); de kinderen Vanderstappen heetten resp. Joseph, Constantijn en Joannes (tweeling); Karel is in 1946 hertrouwd met Clara Julia Rampaert (°Gent 1902), hun dochter Marie Juliana,’Maria’, wordt in 1945 geboren. Wanneer Charel met vrouw en kinderen naar Brazilië was verhuisd, kwam Elisabeth Hubertina Reyniers (°Kontich 1903) er wonen: ze was getrouwd met (soldaat) Ludovicus Michiels (°OLVWaver 1905) en had een dochter, Maria Theresia. Zij verhuizen naar Van Dijckstraat 12 waar ze boven de”weeg” (het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn). In 1946 komt het echtpaar Vanderstappen-Gorris er wonen. Nog minstens een 14-tal namen worden vermeld. Vanaf nummer 22 tot het einde van de straat is geweldig veranderd. Tussen nummer 20 (nu Goos-Van Elshocht) en huisnummer 24 bevonden zich voor het verdwijnen van de brouwerij, 2 grote poorten die als uitrij dienst deden. Nu staat daar het huis van K. Vanderstappen en een magazijn van de firma Hubrix. Tot voor enkele jaren vormden de huizen 24 en 26 één enkel huis, de oude ellengoedwinkel van Net Van Schil, overgenomen door “De Paf” (Frans Coveliers). Volgens J. Van Passen is Net Van Schil later verhuisd naar de winkel nevens (?) “Het Gulden Hoofd”, dat op de steenweg stond naast ’t gemeentehuis. 24. Desiderius Taels (°Veerle 1899) spoorwegwerker en Paulina Sophia Luchtfoto 1949 Van den Brande (°Veerle 1901) en dochter Wilfrida Ludovica (°1927). Hij was spoorwegwerker en stond bekend als uitzonderlijk sterk. Zij was vroedvrouw. Daarna komt Joseph Vanderstappen er wonen met zijn vroeger buurmeisje en nu vrouw Elza Coveliers (°Kontich 1920) met kinderen Walter, Hilda en Herman. 26. Franciscus Coveliers (°Kontich 1866) kleermaker-winkelier (bijgenaamd de Paf, naar het aanpassen van kostuums) en Ludovica Sillis (°Kontich 1874) met kinderen Mauritius en Elza (zie nummer 24, fh). J. Van Passen: Tussen Net Van Schil en de Paf werd hier de tweede patisserie van Kontich ingericht. Rond de jaren 1900 wilden de mensen van geen kleingoedgebak weten. Twee pasteibakkerijen werden toen te Kontich opgericht, een op de Mechelsesteenweg (in het huis van Sels, sigarettenwinkel) en een hier in de Magdalenastraat. Beide met groot winkelraam. Beide moesten sluiten. Later verkocht Beliën in een klein straatje kleingebakjes in een gesloten huis achter gordijnen. Maar hij moest nooit sluiten. Volgens J. Van Passen woonde naast de Paf de eerste drukker van Kontich (nu huis Vanderstappen). Nummer 28, Beenhouwerij Cornelis: dit huis werd eertijds gebouwd door een ingenieur van de brouwerij (toen was het + mouterij, bloemmolens, melkerij, kuiperij – heel Kontich ging er melk halen bij Jef de melker). 28. Gaston Knegtel (°Berchem 1895) behanger en Joanna Van Gelder(°Boechout 1892);Franciscus Cornelis (°Ekeren 1909) beenhouwer en Maria Gysen (°Berlaar 1909); André Versavel (°Alveringem 1910) en Charlotta Buys (°Antwerpen 1911). Zij oefenden hun beroep uit resp. van 1927-1935-1937; daarna volgen er nog de slager Bruyninckx-Van Dijck, en Juul Cornelis. Nummer 30, glazenmaker Benoy-Withaegels: eertijds huis van de kalverkruier Palmaerts, deze had een uitgebreide markthandel. Na Palmaerts werd het de herberg van Vissers. Corneel Vissers (°Loenhout 1878) koopman in verven en Maria Cox (°Loenhout 1877) en kinderen Cornelius, Ludovica, Martinus, Maria, Odilia en Albert. In 1932 verhuizen zij naar Mechelsesteenweg 211, hun plaats wordt respectievelijk ingenomen door familie Vissers-De Weerdt en in 1941 de familie Benoy-Withaegels, die van de Sleutelstraat komen.

en

ng

eri

in Re 5.1

18

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

5.1

32. In 1922 komt van Ekeren Dymphna Cornelis, de weduwe van Alfons Cornelis (°Huybergen NL 1882) en haar kinderen Frans (fabrieksarbeider), Maria, Juul (beenhouwersgast), Josephus (beenhouwer), Karel (diamantbewerker) en zijn vrouw Maria Bens, hun dochter Susanna wordt in 1936 geboren. Ook trapmaker Ludovicus Vranken en Joanna Bens, beiden uit Hove, staan er geregistreerd vanaf 1943 met hun dochter Anita (°Kontich 1945). Hoekhuis 34, herberg “De Wipschutter”. Vroeger achtereenvolgens “Het Gulden Hoofd”, “’t Nieuw Paleis” (zie verkoopact van 1850 in bezit van schaliedekker Wyckmans-De Keyser, voorlaatste eigenaar). Dit huis was vroeger eigendom van het Armenbestuur van Kontich, dat het verkocht aan de brouwerij Huybrechts (verkoopact notaris Van Camp). Daarna kwam het in handen van schaliedekker Wyckmans, die de herberg omdoopte in “De Wipschutter”. Naast deze herberg zien we nu nog een poort – deze was een inrijpoort naar de brouwerij en een toegang tot de koestallen. Alexander Vereycken (°Kontich 1875) schoenmaker en Maria Bal (Kontich 1878); in 1933 Juul Cornelis-Heyselberghs (zie nr. 32) en hun zoon Hugo; in 1947 krijgt het café de naam De Wipschutter en komen van Antwerpen Marcel Van Tendeloo (autovoerder), zijn vrouw Anna Maria De Smet (herbergierster), hun zoon Gustaaf en Marcels moeder Philomena De Voeght. Juul (en zijn familie?) Beenhouwer Storms verhuist in 1939 naar de overkant in nummer 21. In 1932 staat ook het gezin (van schaliedekker) Wyckmans-De Keyser (3 personen) vermeld: zij komen van Ooststatiestraat 2. De “schalendekker” was in zijn tijd de langste man van Kontich. Hij ging er fier op de haan op de kerktoren van Sint-Martinus geplaatst te hebben. Hij is weer verhuisd naar wat verder in de Ooststatiestraat. Gans het blok huizen dat dan volgt: de paar kleine huizen met trap-op, de beenhouwerij van Quonils-Storms, ’t huis Vanderstappen vormden vroeger het oudershuis van de familie Huybrechts. Op de hoek van het tegenwoordige huis van Vanderstappen waren de burelen van de brouwerij ondergebracht. Tegen het huis Vanderstappen stonden dus de gebouwen van de brouwerij: brouwerij met machinekamer en ketelplaats, de afroomkamer (denk aan de koestallen die ertegenover liggen) en dan de paardenstallen. Al deze gebouwen, die dus gedeeltelijk het huidige Sint-Jansplein innamen, werden afgebroken rond de jaren 1920. Deze gebouwen kwamen tot tegen het huis dat nu door Buntinckx, de smid, bewoond is (dit was vroeger dekenij en zelfs een tijd gendarmerie). De kelders der brouwerij, die vroeger dan onder de gebouwen zaten, bestaan nu nog, maar liggen nu onder het Sint-Jansplein. 36. vanaf 1918 Renatus Baekelmans (°Kontich 1895) fabriekswerker en Joanna Torfs (°Boom 1900) met hun kinderen Ludovicus (°Kontich 1921) vloerder, en Irma. Later komt er o.a. ook schoondochter Yvonne Tyssens (°Uitkerke 1928) bij wonen: zij en Ludovicus krijgen in 1947 een zoon, Renatus. In 1932 wonen er de families Mariën-Hellemans, 1941 Rongé-Timmermans en 1942 Angeline Timmermans. Joanna Torfs was een zuster van de gebroeders Torfs die een cementfabriek aan de Drabstraat hadden. Haar zoon Louis was er een van de beste vloerders. 38. (was toen een gesloten huis met drie trapjes-op): in 1942 Remigius Goyvaerts (°Hove 1918) schrijnwerker, zijn vrouw Juliana Van de Putte (°Kontich 1921) en zoon Edward (°Kontich 1940). Staan ook vermeld, in 1939 het echtpaar Suske Van Mengsel-Cools (hij was de zoon van Mieke die in het bareelwachtershuisje van de Molenstraat gewoond heeft) en in 1943 Helena Vec (3 personen). Dit is het einde van de Magdalenastraat. Het huis verder behoort tot de Varkensmarkt. Daar woonde Mieke Min die er café hield, nadien opgevolgd door beenhouwerij Quonils-Storms.

19


Jozef Van Passen: De Melkerij van Huybrechts

Er werd elke dag twee maal melk verkocht: ’s morgens half acht - acht uur en ’s avonds om half zes - zes uur de “avondmelk”. In die tijd begon de dag vroeg voor de huismoeders, want uit alle straten van het dorp kwamen ze de melk halen nog vóór het ontbijt van de kinderen die naar “het” school moesten. Het was in elke straat die naar de Magdalenastraat leidde, zoals men in Kontich noemde, “een begankenis”. Waar moeder toevallig niet weg kon werd de meid gestuurd ofwel een van de oudste scholieren. De vrouwen droegen – behalve in de zomer – een zwarte sjaal over hoofd en schouders, de jongens een cabaan (caban = ruim over de heupen vallende overjas, fh). Aan de hand hing onachtzaam het ledige melkstoopje te bengelen en daarmee moest dan nog op het laatst een looppas genomen worden om vooraan te geraken in de rij die in de poort stond aan te schuiven. Maar als ze terug huiswaarts keerden, dan droeg iedereen voorzichtig en behoedzaam het boordevol kannetje, soms wel met de twee handen. ’s Avonds herhaalde zich telkens hetzelfde tafereel. De familie van Margriet Ballegeer woonde recht tegenover Waarom nu heel het dorp naar de melkerij liep? de melkerij op nummer 29. Ten 1e. Er kwamen nog geen melkboeren met hun hondenkarrekens rond, om melk aan huis te leveren. Zo een ronde maken, zou tijdverlies geweest zijn voor de boer. Hij verkocht liever boter, en die kon de boerin vervaardigen terwijl hij voortwerkte. De boterhond trapte de botermolen, de boerin woog de ponden, verpakte die in een rabarberblad en droeg die in een paar korven allemaal samen in een enkele levering naar de winkel. Ten 2e. Eigenlijk was er toch reeds een enkele melkverkoper die alle dagen de toer deed van het dorp. De melkstoop hing aan zijn arm en in de hand droeg hij een halve-litermaat. Eens de stoop die hij droeg geledigd dan was de toer ten einde, maar hij kon enkel verkopen daar waar die dag vergeten werd naar de melkerij te gaan. Men kocht dus enkel uit noodzaak, want men beweerde dat zijn melk te veel gedoopt was, men noemde het “lou” (misschien van het Franse l’eau?) en bij Huybrechts kon men “echteg” melk of “puur” melk kopen. (Het woord volmelk of “volle melk” was nog onbekend.) Hoe zag nu de melkerij er uit?

en

ng

eri

in Re 5.1

20

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


In de Magdalenastraat was er, naast herberg ‘t Nieuw Paleis (nu De Wipschutter, fh) en tegenover De Solsleutel (later In den Bak), een dubbele inrijpoort die enkel ’s nachts gesloten werd en die op de top voorzien was van dreigende nagels. Achter deze poort een grote koer, hobbelig gekasseid, langs waar de wagens naar de hangars (gelegen tussen de ellengoedwinkel van Net Van Schil en de beenhouwerij Storms) en de paarden naar de stallingen gebracht werden. Op deze koer lag links het woonhuis van de familie Huybrechts. Rechtdoor lag de daverende machienkamer met reuzenjachtwiel dat nacht en dag draaide, en tegenover het woonhuis lagen de witgekalkte koestallen. Het gebouw, een dertigtal meter Het einde van de Magdalenastraat, vanuit de Varkensmarkt: In het lang, was op heel de lengte in drie stroken Nieuw Paleis is nu De Wipschutter, verdeeld. Rechts liep een geplaveide weg voor rechts In de Solsleutel tegenover de melkerij op nummer 29. het publiek; in de middenste strook stonden een twintigtal koeien naast elkander gestald, maar met voldoende ruimte tussen elk dier. Hun halsband was vastgemaakt aan ijzeren ringen die omhoog of omlaag schoven rond twee dikke ronde stangen. Tussen de weg voor het publiek en de koeien liep over heel de lengte van de stal, een stenen schuin gemetste eetbak. Uit een waterkraan die men boven de eetbak aan de achterste muur van de bouw had aangebracht, kon men de dieren drenken. Ook de voeding werd door de watertoevoer gelijkmatig verdeeld. Het roggemeel, de stukken beet of aardappel zwommen in de trog van onder de kraan tot bij het eerste dier. De koeien waren gelegerd op een bedding van turf, op een naar achter afhellend vlak. Hier achter lag de derde strook van de stal: een lange gang waar de mestkarren konden binnenrijden. Tegen de balken van de zoldering hadden talrijke zwaluwen hun nestje gebouwd. De vogeltjes vlogen al schetterend boven de rij die stond aan te schuiven voor de melkbedeling. Twee werklieden waren bestendig in dienst voor het stalwerk en het melken: Vic van Grofkens en Jef De Melker. Bij de ingang stond een hoge blauwe ton opgesteld waarvan de bovenkant met een wit linnen doek was afgedekt. Dit doek hing trechtervormig naar binnen en werd aan de buitenwand van de ton vastgedrukt bij middel van een reep. Dit doek was de filter. De beide melkers, als hun emmers gevuld waren, kropen tussen de houten stangen en over de trog, kwamen tot bij de ton en goten de lauwe melk door het doek. Die bewerkingen herhaalden zich totdat het grote vat vol was. De aanschuivers konden wachten… de melkers rustig en ongestoord, kropen met hun pradder (Kontichs voor tabouret, stoel zonder leuning, fh) op één poot en met hun emmer tot bij de volgende koe. Als ze nu terugkwamen begon de verkoop… Maar wee dan degene die eerst in de rij stond want de reep werd van het vat genomen, het doek uitgewrongen tot er een natte prop overbleef, en die prop werd dan onverwachts tegen de lippen geprest van de persoon die de eerste stond. Algemene schaterlach! Maar het slachtoffer wreef de mond droog en zei: “t Is niks, vandaag ik en morgen gij!”. Die prop noemde men een “lut”: “Wie heeft vandaag Varkensmarkt: het linker gedeelte werd afgebroken om het de lut gehad?”

5.1

redactie Frank Hellemans

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

Sint-Jansplein te vergroten, het rechter is bewaard maar verbouwd. Let op het steegje naast het laatste onpare huis van de Magdalenastraat: dat is de Duivenstraat!

21


Nieuws over klokkengelui groeit aan tot een gruwelverhaal

I

NWONERS VAN dorpen en steden zagen in die eerste oorlogsdagen van augustus en september 1914 dagelijks lange rijen vluchtende burgers, bepakt en gezakt. Hun angst groeide gestaag bij het naderen van militaire operaties als men bedenkt dat ze dag na dag niet alleen geconfronteerd werden met deze ellende maar ook met de al of niet geordende troepenbewegingen. De meest afschuwelijke verhalen deden de ronde en bij de belevenissen van vluchtelingen die een Duitse intocht hadden meegemaakt, voelde iedereen zich koud worden. In verscheidene Ardeense centra hadden de Duitsers burgers bijeengedreven en zonder vorm van proces geëxecuteerd. In Aarschot hadden massale aanhoudingen plaats en ook daar werden burgers, die met de oorlog geen uitstaans hadden, neergeschoten. Te Andenne, Seilles en bij de Samber grepen nietsontziende slachtingen plaats en de verwoesting van Leuven kreeg internationaal weerklank als de grootste schande die het Duitse leger bij de veldtocht in ons land op zich laadde. De propaganda, die samen met de angst de wil tot verzet stimuleerde, draaide echter bij beide partijen op volle toeren. Van bij hun opleiding werden de Duitsers gewaarschuwd voor ‘ franc-tireurs’ in België en er werden leugens verspreid over deze vrijschutters, die hun gevangenen wreedheden deden ondergaan. Er waren zelfs verhalen over kinderen en jongens, die soldaten beschoten en gevangenen de ogen uitstaken, en zo werd een klimaat geschapen dat vaak tot onvergeeflijke misdaden leidde in de roes van een overwinning, die vele doden had gekost. De onnauwkeurigheid van deze berichtgeving door gebrek aan verbindingen in die tijd deed de rest. Men ging vaak voort op getuigenissen van mensen in paniek en zo ontstonden wilde verhalen, die men jaren later nog vertelde, o.a. over barbaarse Duitsers, die “tientallen” kinderen de rechterhand afkapten of baby’s aan deuren nagelden. Een zeer typisch voorbeeld van overdrijving vonden we terug bij historicus Barrie Pitt. Het illustreert overduidelijk hoe het nieuws in sommige gevallen door journalisten in de kranten werd vervormd. Zijn vergelijkend krantenonderzoek uit  ‘Le Patriote Illustré’, van november 1914 spreekt in dit verband boekdelen. De Kölnische Zeitung vermeldt begin november 1914 triomfantelijk dat de klokken van Keulen werden geluid, toen het nieuws van de val van Antwerpen was meegedeeld. Twee dagen later meldde onze Belgische krant Le Matin uit Parijs: ‘Volgens de Kölnische Zeitung werd de geestelijkheid van Antwerpen verplicht de klokken te luiden, toen de vesting was ingenomen.’ Zelfs de statige Times in Groot-Brittannië ontsnapte niet en bracht het nieuws uit Parijs als volgt: ‘Volgens Le Matin uit Keulen vernam, werden de Belgische priesters, die weigerden de klokken te luiden toen Antwerpen gevallen was, uit hun ambt ontzet.’ De Italiaanse Corriere della Sera borduurde voort op wat de Times had gepubliceerd en nu heette het dat volgens The Times uit Keulen via Parijs vernam - ‘de ongelukkige priesters, die weigerden de klokken te luiden toen Antwerpen was ingenomen, tot dwangarbeid werden veroordeeld.’ En daarmee was de cirkel nog niet helemaal rond, want Le Matin nam het bericht zelfs weer over, dat eerst door de eigen redactie was verminkt. Nu werden alle gruwelregisters opengetrokken en het initiële nieuws is zelfs niet meer te herkennen in wat er werd gedrukt: ‘volgens informatie, die de Corriere della Sera inwon uit Keulen, via Londen, werd bevestigd dat de barbaarse overwinnaars van Antwerpen de ongelukkige priesters voor hun heldhaftige weigering straften door hen als levende klepels, met het hoofd naar beneden, in de klokken te hangen toen deze werden geluid.’ Dit typisch staaltje wordt hier niet aangehaald om te ontkennen dat er ooit gruwelen hebben plaats gehad. Er zijn bewijzen genoeg van niet te verantwoorden daden. De oorlog zelf is een gruwel, waarbij onschuldigen worden betrokken. Hun ellende mag men niet vergeten, maar daarnaast mag men toch niet uit het oog verliezen dat, zoals Macchiavelli zei: bij de botsing tussen volkeren de waarheid meestal het eerst sneuvelt. Paul Wyckmans

en

ng

eri

in Re 5.1

22

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


Activiteitenkalender en Nieuws Museum voor heem- en oudheidkunde: elke zondag open van 14 tot 17 uur met gids. Het museum is wel gesloten tijdens de maanden juli-augustus en december-januari-februari. De inwijding van het vernieuwde museum is voorzien voor 13 maart. Ben je op zoek naar de oude nummers van Reineringen of publicaties die met Kontich te maken hebben? Surf dan gewoon naar www.issuu.com. Op deze webstek tik je bij zoeken gewoon “Reineringen” of “Kontich” in en je komt zo bij onze vroegere nummers terecht. Alex Vanneste – De dodendraad: 9 mei 2014 om 20.00 uur in de Altenakapel De spreker uit onze buurgemeente Wilrijk is internationaal gerenommeerd. Hij brengt het verhaal van de dodendraad tussen België en Nederland vol passie. Zorg dat je dit niet mist. Vondsten vertellen – Archeologische parels uit de Antwerpse Kempen: zaterdag 12 april, bezoek aan de tentoonstelling in Turnhout, Taxandriamuseum. Aangezien Kontich er ook wordt bijgerekend, mogen we dit niet missen! We zien er de topvondsten uit de laatste 200 jaar, maar daarnaast maken we ook kennis met de ontdekkers, de erfgoedpioniers. Hoe werkten ze toen? En nu? Dat wordt ons gepresenteerd in een dynamische voorstelling… Afspraak op de Carpoolparking aan de E19 (St.-Rita), vertrek om 13 uur. Autodelen en meerijden is mogelijk. Wie (mee)rijdt contacteert best voorzitter Frank Hellemans, tel. 03 457 63 24. Facebook Je vindt onze heemkundige kring nu ook op Facebook. We posten er op regelmatige basis foto’s uit de oude (en nieuwe doos). Enkele honderden mensen hebben de weg al gevonden. Hoe geraak je erbij? Zoek gewoon onder “Kontichse historische weetjes”. Ook op LinkedIn zijn we aanwezig. Daar vind je berichten i.v.m. de heemkundige kring.

Abonnement?

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

5.1

Als je van dit nummer van Reineringen houdt, dan ligt ook de toekomst van dit blad je nauw aan het hart. Je kan het verder in 2014 ontvangen door storting van minimum 15 euro op rekening BE77 4155-0442-2142 met vermelding van uw naam, adres en “Reineringen 2014”. Het IBAN-kenmerk is KREDBEBB.

23


Reineringen Reineringen 5 (2014), 1 Driemaandelijks (januari-februari-maart 2013) Afgiftekantoor Kontich P912187

België Belgique P.B. 2550 Kontich BC 31956

INHOUDSTAFEL: Pagina 1 Voorwoord Pagina 2 Het stenen bermmonument in Waarloos - Continued Pagina 5 Het ordinaal en het urinaal Pagina 8 Azura: A Never Ending Story? Pagina 11 10 jaar Lapzussen Pagina 14 Het slagveld in Lint, Kontich en omstreken (1914) Pagina 16 De Magdalenastraat 1900-1950 (deel 2) Pagina 22 Nieuws over klokkengelui groeit aan tot een gruwelverhaal Pagina 23 Activiteitenkalender en nieuws

Colofon Reineringen, Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich, 5 (2014), 1 ISSN 2033-2742 Redactie: Paul Catteeuw, Frank Hellemans en Paul Wyckmans Eindredactie: Paul Catteeuw Grafische vormgeving: Bruno Catteeuw Druk: Drukkerij Hendrickx, Schelle Verantwoordelijke uitgever: Paul Wyckmans, Duivenstraat 22, BE-2550 Kontich Correspondentieadres: reineringen@gmail.com © 2014 – Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich De auteurs zijn verantwoordelijk voor de inhoud van hun eigen bijdrage. Abonnementen (inclusief lidmaatschap “Vrienden van het museum”): minimum 15 euro. Te betalen op rekeningnummer BE77 4155-0442-2142 met de vermelding van uw naam, adres en “Reineringen 2014”. Het IBAN-kenmerk is KREDBEBB. Gelieve eventuele adresveranderingen zo snel mogelijk aan ons mee te delen. Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich, Documentatiecentrum Duivenstraat 22, BE-2550 Kontich, +32 3 457 86 04 heemkunde.kontich@gmail.com

Museum voor Heem- en Oudheidkunde Bibliotheek- en cultuurgebouw Sint-Jansplein, BE-2550 Kontich www.museumkontich.be

Reineringen 5/1 (2014)  

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you