Issuu on Google+

Reineringen Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich Du

✎ Voorwoord

ivenstraat

22

Verschijnt driemaandelijks • Jaargang 3, nummer 4 (december 2012)

Voor Kontichnaren die tot 1937 in de Pierstraat, de Keizershoek, de Reetsestraat en op de Oever woonden was het een hele klus om de zondagmis bij te wonen. Te voet of met paard en kar investeerden ze heel wat tijd om langs beslijkte en pokdalig bestrate kronkelwegen hun parochiekerk in het centrum te bereiken. We zwijgen dan nog over de schoolkinderen die in de winter elke dag door de sneeuw naar de gemeente- of de vrije Sint-Jozefschool trokken, jongens en meisjes netjes apart volgens afspraak tussen gemeente en zusters. Barmhartige centrumbewoners ontfermden zich toen over deze kinderen en lieten hen - zoals kruidenierster Fientje Geudens op de Mechelse Steenweg - na de dagelijkse vroegmis hun boterhammetjes opeten. Deze goede zielen gaven hen daarbij dan ook nog een ‘zjat kaffe’. Zo bespaarde ze sommige van deze kinderen een tocht van meer dan een uur heen en weer en konden ze tijdig op de schoolbanken zitten. Ook goed nieuws in deze wijk toen de augustijnse congregatie positief antwoordde op de vraag van kardinaal Van Roey om op een toegewezen stuk grond tussen 1935 en 1937 een nieuwe kerk, annex klooster en middelbare school voor ‘mogelijke’ priesterroepingen te bouwen langsheen de Pierstraat, vlak naast de spoorlijn Boom-Kontich. Nu deze kerk er 75 jaar staat, past het om even stil te staan bij het rijke parochieleven van deze (toen nog) kleine gemeenschap. De wijk blijft bekend voor haar talrijke zijwegjes in Pierstraat en Keizershoek. Ze eindigen meestal op akkers, weilanden en (veel) vee. Zo tonen deze huisjes aan de nieuwsgierigen in een zijweg van een zijweg van de Pierstraat ook vele kleine werkmanswoningen. Ooit werden ze bewoond door werklieden van de steenbakkerij. Joris Olyslaegers zaliger schetste ze eertijds voor een kalender. Vandaag zijn ze opgeknapt of verbouwd maar nog steeds herkenbaar. Ook duiken we opnieuw in het verleden van Kontich, rond de vorige eeuwwisseling. Gelukkig voor ons werd dit ijverig genoteerd

in een schoolschriftje door Kontichnaar Joseph Van Passen rond 1960 en vandaag bewerkt door Frank Hellemans. We stappen ditmaal door de Nieuwe Lei (Rubensstraat nu) naar het centrum en maken een toertje rond de Sint-Martinuskerk, nog niet verbouwd toen. Het grote kerkhof met zijn ijzeren grille gaf in die tijden aanleiding tot angstwekkende dorpsverhalen. Paul Wyckmans zocht naarstig naar gegevens over de Kontichse (Lintse) boerenknecht Francis Kol die een eeuw vroeger nog, in 1861, als laatste terdoodveroordeelde met de guillotine werd onthoofd op het Kasteelplein te Antwerpen. Voeg aan deze Reineringen nog enkele straatnamen toe, een agenda, de namen van twee gelukkige mensen die ons lieten weten wat een ‘ordinaal’ is en een nieuwe opgave voor ‘waddisdaffeurriet’ en de redactie kan iedereen een zalig, gezond en gelukkig nieuwjaar toewensen. LET OP! Het museum zal tussen 15 december 2012 en 15 februari 2013 gesloten blijven voor renovatiewerken. Bij wijze van proef zullen we ook volgend jaar dezelfde sluitingsperiode in acht nemen (2013-2014). Ter compensatie zullen onze vrijwilligers u graag ontvangen tijdens de hopelijk warme juli- en augustuszondagen met of zonder familie en vrienden. Vergeet zeker ook niet om uw abonnement te hernieuwen met vermelding Reineringen 2013. Zo kunnen we na de feestdagen weer enthousiast aan de slag. Paul Wyckmans


Tussen kruis en Davidster Zuster Aleydis, directrice op rust van het Altena-instituut, Ward Adriaens, conservator van het Joods Museum van Deportatie en Verzet te Mechelen, en Paul Catteeuw, kringvoorzitter in 2009, ontmoetten elkaar op het Altenadomein. Ze bespraken het plan om een stukje Kontichse oorlogstragiek uit de Tweede Wereldoorlog vast te leggen, namelijk het verbergen van acht Joodse meisjes (september 1942 – bevrijding 1944) in het openluchtpensionaat Altena. Deze geschiedenis is vandaag nog nauwelijks bekend bij de huidige Kontichnaren. Onze kring engageerde zich om hierbij een cruciale rol te spelen en vroeg me om dit project met als werktitel ‘Tussen Kruis en Davidster’ tot een goed einde te willen brengen. Nu het boek hierover in eindredactie is en de zoektocht naar een uitgever kan starten bereikte ons uit Québec in Canada het droevige nieuws dat één van de vijf vandaag nog levende vrouwen op 2 augustus 2012 is overleden na een slepende ziekte: Dee Dee Smilovic.

Frida Mendlovitz, dochter van een Joodse hoedenmaker te Antwerpen

Ze werd geboren op 24 juli 1938 en door haar radeloze mama naar de zusters gebracht in september 1942 na de grootscheepse Duitse Jodenrazzia’s in Antwerpen. Ze werd er gedoopt onder een schuilnaam: Frieda, Maria Meeusen. Zo trachtten de zusters haar Joodse afkomst en naam zoveel mogelijk te verbergen: Frida Mendlovic (Mendlovitz). Tijdens korte vakantieperiodes in de Tweede Wereldoorlog verbleef ze herhaaldelijk bij het echtpaar Bulckens - Van Acker. Magdalena Van Acker, in Kontich algemeen bekend als Madeleine of madame Bulckens, werkte in die periode als opvoedster in het pensionaat van de zusters. Ook na de bevrijding fungeerde Het echtpaar Smilovic in 1977 op bezoek bij de oudste zusters van Altena dit gezin als pleeggezin, tot Frieda via een oom en Joodse familie uiteindelijk terecht kwam in Canada waar ze later huwde met dokter Ernest Smilovic. Samen met hem kon ze enkele malen het klooster en de zusters bezoeken tijdens Europese reizen en zo haar dankbaarheid uiten tegenover de zusters. Het feit dat ze enkel nog Engels praatte, ervoeren de zusters als een hinderlijke omstandigheid. Met zuster Emilienne correspondeerde ze wel. We bieden meneer Smilovic, de kinderen en kleinkinderen onze oprechte deelneming aan en zullen niet nalaten om in onze publicatie haar persoon met eerbied en waardering te blijven behandelen. Paul Wyckmans

Bij een huwelijksfeest samen met haar echtgenoot Ernest Smilovic

2 • Reineringen 3.3

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


Suzanna Kools-Luteijn 1925-2012 Amper twee jaar geleden leerden we mevrouw Kools-Luteijn kennen – Suus voor de vrienden – toen ze zich kwam voorstellen als de verre nazaat van de broer van Maria de Hullu, de jonge vrouw die in de 18e eeuw één van onze fraaiste tekendoeken maakte. Ze was een sympathieke en enthousiaste Zeeuwse uit Zuidzande bij Cadzand die ons een paar keer gastvrij ontving, één keer zelfs in klederdracht. Wij bewonderden haar handwerk en vooral de schitterende kopie van de merklap uit haar familie die nu in het bezit is van onze kring. En graag had ze nog met haar vrienden van de Stichting tot behoud van de Cadzandse dracht opgetreden in Kontich. Het heeft niet mogen zijn: op 31 oktober is ze plots overleden in Rillaar, “Nog volop van het leven genietend”, zoals het op de rouwbrief stond. Wij zullen haar missen, maar wij zullen onze contacten met die fiere Zeeuws-Vlamingen blijven onderhouden, dank zij haar. Wij betuigen de familie onze oprechte deelneming. Frank Hellemans

Het plein achter de kerk Joseph Van Passen (1892-1967), vader van Robert, onze tweede voorzitter en auteur van de “Geschiedenis van Kontich”, heeft talloze geschriften nagelaten met herinneringen aan zijn jeugd in ons dorp (hij woonde aan het Sint-Jansplein). Hij tekende ze op in het begin van de jaren 1960. Wij geven ze weer zoals hij ze in sierlijk handschrift aan het papier toevertrouwde, nagenoeg zonder aanpassingen. Begrippen die vet gedrukt zijn in de tekst, worden achteraan verklaard. Over zijn schoolleven heeft hij al twee afleveringen uitgeweid, nu weet hij weer boeiend te vertellen over de plek achter de kerk. De gedenkzuil voor de oud-strijders is ondertussen al lang naar het park verhuisd en dat er nog een en ander veranderd is zal je wel merken. Veel is nog moeilijk te vatten in dit tijdperk van televisie, dvd, pc, i-pad en lichtvervuiling. Lees maar, verplaats je even naar het duistere Contich van meer dan honderd jaar geleden en wees verwonderd.

Joseph Van Passen in legeruniform

Op de plaats waar nu de gedenkzuil voor de oud-strijders staat, lag de gekende herberg “De Klep” afgebroken. Ook de rij lage witgekalkte huisjes die er vroeger aanpaalden, lagen afgebroken langsheen de Kleine Steenweg.

Eigenlijk wist men in Kontich niet waaróm men deze huisjes had afgebroken, en nu dat het gebeurd was, wist men evenmin wat men met die grote vlakte die vrij gekomen was, zou aanvangen. De tijd zou raad brengen. Intussen werden de bruikbare stenen, de deuren en ramen, de balken, kepers en planken geborgen, zodat er alleen nog een lange berg steengruis en een aarden wal bleef liggen. Die bergketen heeft daar vele maanden gelegen. Wat niet te verwonderen is als men bedenkt dat de enige werkman die de Gemeente in die tijd bezat “den Romeneir” met behulp van schup en kruiwagen, heel die reuzenmassa moest wegvoeren en buiten het dorp gaan storten. Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

Herberg De Klep, vóór ze afgebroken werd, met lantaarn; rechts op de achtergrond het huis van vrederechter Bouwens en de “scheve muur”

Reineringen 3.3 • 3


Daarbij, die berg lag “in niemand zijnen weg”. Want veel huizen stonden er langs dien kant niet. Ten westen lagen de grilles van het kerkhof en aan de overzijde stond een stenen hofmuur, van de pastorij tot aan de poort van de Juge (huidig socialistisch lokaal). Die muur stond zo schuin (wel 40 centimeter naar binnen overhellend) dat men elke morgen verwonderd was, dat hij nog niet was omgevallen. Spreekwoordelijk zei men in die tijd “zo scheef als de muur van de Juge”! Tegenover het huis van de vrederechter, op de andere hoek van de Kleine Steenweg en de Antwerpse steenweg stond “de Roos”, het duivenlokaal bij Jentje de Wee; dat sindsdien een viertal meter achteruit verbouwd werd, en in een ruim lokaal met winkel veranderde (nu Burelen van de Belastingen). Aan de oostkant van het plein bevond zich de pastorij, ongeveer in de toestand zoals ze er nu nog staat. Daartegenover stond de bakkerij van Het monument van de gesneuvelden Netteke De Backer waar je dikke koeken met suiker op kopen kon, van De Grote Oorlog, nu naar het park verplaatst en met Sinten-Greef (Sint-Niklaas bestond toen nog niet) een gebakken haantje op een stok, versierd met een staartje van echte pluimen. Naast de bakkerij, vlak in de hoek bevond zich de beenhouwerij van Louis Van de Mus, en op de hoek de herberg “In den Rooster” van dezelfde eigenaar. Andere huizen stonden er niet.

De nog smalle Antwerpsesteenweg; de processie draait bij afspanning De Roos de Magdalenastraat in

Als nu eindelijk na vele maanden de berg aarde en steengruis weggevoerd was en de bodem geëffend, zou men er toch misschien maar best een speelplein van maken. De Kleine Steenweg was een rustige straat, en door twee wegelkens die langs beide kanten van de kerk naar de gevaarlijke grote steenweg liepen kon geen gerij passeren. Die waren te smal, en zelfs bijna onbegaanbaar voor voetgangers: zó hobbelig waren die gekasseid.

Rechts de beenhouwerij van “In den Rooster”

En toch is het geen speelplein geworden. De kinderen kwamen daar niet. Misschien was het de nabijheid van het kerkhof dat hen afschrikte. Ze hadden van kleins-af hun ouders horen vertellen dat het daar ’s nachts spookte en dat men ’s avonds de zielen van de doden kon horen zuchten, als de wind de zinken bladeren deed ritselen van de kronen die over de houten kruisen hingen.

Zonder die bangmakerij was het kerkhof rondom de kerk al luguber. Het lag omringd van hoge groene grilles op arduinen voetstuk, en stond dicht bezet met houten kruisen waaraan zinken ontkleurde kronen hingen. Buiten de stenen graven tegen de kerkmuur gemetst, stonden er bijna geen stenen praalgraven. Ook bloemenversiering op de graven was een zeldzaamheid, en het gras groeide weelderig tot aan de dwarslatten van de kruisen. In de hooitijd werd het gras afgemaaid, en als het gedroogd was, in oppers ter plaatse bewaard, totdat het op kruiwagens werd weggehaald.

De achterkant van de kerk met rechts nog een stuk gemeentehuis en de achterkant van de zaal van Het Gulden Hoofd, een café naast het gemeentehuis, afgebroken om de Antwerpsesteenweg te verbreden

4 • Reineringen 3.3

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


Kerkhofbezoek op Allerheiligen of Allerzielen bestond nog niet, zodat er eigenlijk geen mens op het kerkhof kwam tenzij bij begrafenissen. Dan was er altijd veel volk, want kennissen en geburen (iedereen had toen tijd) ging mee tot aan het graf. Was er een muzikant van een van beide harmonies gestorven, dan werd die altijd “met muziek” ten grave geleid. Ook de vlag met rouwfloers omhangen volgde de lijkstoet. Was er een bestuurslid gestorven dan werden er altijd bij het open graf lange lijkreden gehouden. Eens was heel het dorp samengestroomd, dat was als de eerste corbillard zijn intrede deed. Een gouden wagen met vier brandende lantarens, die moest iedereen gezien hebben. Ook de schooljeugd was present, want de dienst van 11 uur was nog niet ten einde, als de klassen uit waren. De belangstelling van de jeugd ging uitsluitend naar de wagen, maar de andere nieuwsgierigen verdrongen zich aan de grilles tegenover de huidige zaal “Sparta”. Vlak bij die grilles was het graf gedolven, en de begrafenis van een zo rijke dame was een gebeurtenis. Madame Voorspoels werd begraven. De familie Voorspoels was in het schoonste huis van Kontich komen rentenieren, nadat ze hun eigendom het “café het Nachtlicht” verkocht hadden aan het groot warenhuis VaxelaireClaes, in Antwerpen. Terloops zij nog vermeld dat het huis op de Edegemse steenweg, bewoond door de familie Voorspoels, het eerste huis van Kontich was, dat twee verdiepingen bezat. Niet zodra was de drukte van de begrafenis achter de rug, of het kerkhof verviel terug in een plaats van verlatenheid. Bijzonder ’s avonds was het er schrikaanjagend. Één enkele lantaarn stond op de plaats waar nu het H.-Hartbeeld staat en verlichtte met een flauwe schijn het voetpad langsheen het kerkhof aan de Grote steenweg, maar diende ook tot verlichting van het voetwegje “tussen de grillekes” genaamd, dat liep tussen de grilles van den “Bak” en de grilles van het kerkhof, daar waar zich nu de standplaats van de autobussen bevindt. Niemand zou het gewaagd hebben als het donker was langs daar naar huis te keren. In “den Bak” zat bijna iedere week een booswicht of dronkaard opgesloten, en ’s avonds, met de kop tegen de venstertralies gedrukt, brulde hij de akeligste kreten. Zelfs de stoere mannen “van den Basseng” als die van de trein huiswaarts keerden, hetzij in groep hetzij met hun familieleden, zouden altijd een straatje-om gelopen hebben en gingen door het voetwegje “langs de pomp”. Maar ook dáár nog werd er gezwegen van aan de ingang van het straatje (nu Eendracht) tot aan Netteke De Backer. Eens voorbij het kerkhof kwamen de tongen weer los! Het voetwegje tussen de fameuze “grillekens”

Neen! In zulke omgeving kón geen speelplein komen. Na lang geduldig wachten heeft men aan het plein een andere bestemming gegeven. Men heeft er beplantingen aangelegd – een parkje – met een vijver in het midden. In de vijver zat een groene krokodil met de open muil naar omhoog gericht. Uit die muil spoot ’s zondags een fonteintje. Deze krokodil is vermaard geworden in een kiesstrijd. Sinds de zomer 1903 verscheen een liberaal strijdblad “De Vrije Stem” als lokaal weekblad, dat later het orgaan geworden is van het liberaal Verbond van heel het arrondissement. Tijdens een kiesstrijd publiceerde het blad, week na week, een reeks artikels “Vertellingen van de Krokodil” waarvan de inhoud ongeveer luidde als volgt: Op een late avond verliet de heer K. de pastorij waar hem de tactiek van de strijd en de richtlijnen voor de partij waren medegedeeld, boodschap die hij zou overbrengen naar de vrienden die in “De Fortuin” zaten te wachten. Onderweg ontmoette hij toevallig vlak bij de krokodil, een strijdgenoot aan wie hij zijn plannen in ’t lang en breed meedeelde. De volgende morgen had dan de krokodil al wat ze afgeluisterd had aan de liberale reporter heimelijk toevertrouwd, en er om verzocht alles in “De Vrije Stem” te publiceren. Zoals in die tijd bij elk voorval of elke gebeurtenis een liedje gemaakt werd, zo ontstond ook het “Lied van de Krokodil”. In de winter 1908 werd in de zaal “De Volkslust” een revue gespeeld die een buitengewoon succes kende, en waar toeschouwers van al de naburige dorpen en zelfs van de stad plaatsen reserveerden. “Hadde Wa Wacht” zo heette de revue, bleef vele zondagen op het program. Van proloog tot apotheose leidden commère en compère de balletten, apachen-dans, hekeldichtjes en spotliedjes die voorgedragen werden. Ook het “Lied van de Krokodil” kreeg daverend applaus. Hier de tekst: Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

Reineringen 3.3 • 5


Ach liefste kro-kro-kro-kro-kro-krokodil Nijpt toch niet zo in mijnen bil! (bis) Ik zal het niet meer wagen… Aan u nog iets te vragen… Ik zwijg nog liever stil Tot groot profijt van mijnen bil. Daarna kwam als afwisseling het ernstig genre aan de beurt, zoals u zult zien in het liedje dat ik hierna laat volgen. Het was voor die tijd een actueel gebeuren dat behandeld werd. In 1908 had een aardbeving Italië in rouw gedompeld. Een groep meisjes in klederdracht van dit land zong het volgende: Wij komen van Messina De stad in Italia Door aardbeving vernield (bis) Wij bezoeken de landen Om hen te bedanken Voor hunnen bre-eden steun (bis) Tot u o! Belgen zeggen wij dank! Dank, o! Dank. Heil zij’ uw telgen Heil zij’ uw ganse land! Na deze pers- en theatertribulaties zat de krokodil nog vele jaren rustig weggedoken te midden van haar vijvertje, bijna vergeten door de Kontichse bevolking. Nog eenmaal stond ze in het brandpunt van de belangstelling, tijdens de grote droogte in de zomer 1921. Bijna geen enkel huis had toen nog water, en ook de waterlagen in de grond waren geledigd. Het Gemeentebestuur was overgegaan tot een openbare bedeling van water iedere morgen, en aan de landbouwers werd voor hun vee, twee maal per week water verkocht aan 0,40 frank de 100 liter. Men zag toen mensen met allerlei vaten gewapend het water weghalen uit het fonteintje van de krokodil. Het pleintje achter de kerk heeft nog een andere vermaardheid verworven: daar speelde te Kontich de eerste cinema. Nog vóór de beplantingen er lagen stond er op een juli-kermis een lange grote barak opgetimmerd, het “Grand Théâtre du Cinéma”. Dat was nu eens iets waarover men nog nooit gehoord had. Bij de opening op zondag namiddag zag de Kleine Steenweg zwart van ’t volk. Op een verhoog zat in een glazen kast-winket een voorname dame om de entreekaarten te geven. Langs op en neer de voorgevel was een houten estrade getimmerd waar een heer in habiet en hoge hoed, aan de menigte luidkeels uitleg gaf over het wereldwonder dat hier zou vertoond worden. “Dames en heren het theater speelt in het donker!” (reactie bij het publiek: “dat kan niet, want dan zie’de gene steek”) – “De beste plaatsen zijn op de achterste rijen en de goedkoopste plaatsen zijn op de eerste banken!” (reactie bij het publiek: “laat u niet foppen, koopt de goedkoopste kaarten: hoe dichter bij de scene hoe beter dat ge ziet”). Spoedig klonk een belsignaal en de massa stroomde binnen. Als er geen mens meer bij kon, werden de deuren gesloten en het werd pikdonker in de tent – rode of blauwe veiligheidslampjes bestonden toen nog niet – en de beroemde stukken (het woord film was toen nog onbekend) werden aangekondigd. Twee blijspelen: “La course à la perruque” en “Les farces de Toto”. Alvorens het stuk begon, verscheen er op het witte doek een paneel waar in grote drukletters en in Franse tekst de inhoud van het stuk verteld werd. Die dansende letters bleven minutenlang op het doek. Op verscheidene ogenblikken werd het spel onderbroken en verscheen terug de gedrukte tekst – in plaats van onderschriften – om uitleg van het verder verloop te verschaffen, en bekend te maken wat de personages – die stom waren – zouden gaan zeggen. Achter in de zaal hoorde men de stem van de man-in-habiet die de teksten in het Vlaams vertaalde. Het pleintje met de krokodilfontein, met de dekenij op de achtergrond

Van het begin tot het einde van de vertoning speelde buiten nevens de ingang, een groot orgel de begeleidende muziek: “Dichter en Boer” en “Willem Tell”. De artiesten intussen met potsierlijke en rappe gebaren hun rol. Ieder gebaar was een snelle ruk en marcheren leek meer op wegspringen. Maar wat een succes! In de tent gierde men, en de dame op het verhoog aan de ingang riep tot de omstaanders buiten: “Hoort ze lachen! Hoort ze lachen!”. 6 • Reineringen 3.3

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


Heel Kontich heeft op deze vier kermisdagen een of meerdere vertoningen bijgewoond en de geestdrift scheen zo groot dat vanaf de volgende kermis ieder jaar op maandag avond een openluchtvertoning op het program voorkwam. Een dik zeel was gespannen van op het dak van het huis nu bewoond door Burgemeester Dr. Geerts naar het dak van het huis daar tegenover, nu schoenwinkel De Schutter. Onder dit zeel ontrolde zich het witte doek in het midden van de straat. In dichte drommen stond het volk, van aan het Kinderheil tot aan de SintJansstraat, geduldig te wachten tot het donker genoeg was om de vertoning te kunnen beginnen. Dit heeft zo verscheidene jaren geduurd, tot dat op zekere kermis de ongeduldige menigte fluitend en roepend en tierend protesteerde, omdat de vertoning maar niet wilde aanvangen, niettegenstaande het reeds lang donker was geworden. Toen kwam de commissaris aangewandeld, besteeg de wagen waar de projectors stonden opgesteld, en sprak daar de jobstijding uit. De vertoning kon niet doorgaan, het Gemeentebestuur liet zich daarvoor verontschuldigen, maar het was heirkracht. De films (dit woord had toen al ingang gevonden) waren bij missing van Brussel naar Kumtich verstuurd. Daardoor kwam deze attractie voor de laatste maal op het kermisprogram. Sinds het verdwijnen van de kerkhofgrilles en de vergroting van de kerk in 1928, droomt op het plein een rustig groen parkje. Verklaringen Herberg “De Klep”: vroeger de Lelie, ook Beurs en Boerenklep geheten; volgens oude getuigenissen werd deze naam gegeven omdat de waardin een “klep” had of was, d.w.z. een babbelzieke vrouw was. Kleine Steenweg: nu Magdalena- en Sleutelstraat. “den Romeneir”: zo genoemd omdat hij had gehoord dat de paus in gevaar was en hij besloot als zoeaaf de paus te gaan bevrijden. Onderweg kwam hij niet verder dan Waarloos, Rumst en Walem, nogal wat cafés tegen en zijn geld was rap op. Hij is dan maar naar huis teruggekeerd… (zie ook zijn foto in onze publicatie “Archiefbeelden”) de Juge was de vrederechter, van 1878 tot 1919 Edmond Bouwens, die woonde in een statig huis op de hoek van de Antwerpsesteenweg en de Magdalenastraat, waar nu het nieuwe gemeentehuis staat. “de Roos”, het duivenlokaal bij Jentje de Wee: in 1585 “Rode Roos” was een herberg, vroeger met brouwerij, op de hoek van de Antwerpsesteenweg en Magdalenastraat, nu het parkeerplein tussen het oude en het nieuwe gemeentehuis. Netteke De Backer was de vrouw van Corneel Louis De Backer, haar eigenlijke naam was Joanna Vanden Eynde; zij was de moeder van de “uitvinder” van de specfour, Jos De Backer, die aan de overkant van de Magdalenastraat (ongeveer ter hoogte van de ingang van het nieuwe gemeentehuis) op grote schaal zijn lekkernij fabriceerde (een verhaal dat spoedig vervolgd wordt!). Sinten-Greef: Sinte-Greef zou ontstaan zijn toen de graaf van Antwerpen besloot om sinaasappelen, noten en vijgen, afkomstig van een schip, uit te delen aan de arme bevolking; dit gebeurde per toeval juist met half vasten. Bij die gelegenheid verkochten de bakkers Sinte-Greefkoeken, broodjes uit een veredeld melkdeeg, met of zonder rozijnen, in de vorm van een mannetje. Ze werden vaak versierd met pluimen of rokjes. Een houten koekplank in ons museum stelt de Greef en Grevin voor. beenhouwerij van Louis “van de Mus”, en op de hoek de herberg “In den Rooster”: deze herberg werd al vermeld in 1540, en verwijst naar het ijzeren rasterwerk boven uitgegraven grond dat moest verhinderen dat er vee op het kerkhof kwam grazen; later café De Turner. grilles: (ijzeren) hekwerk, afsluiting corbillard: lijkwagen Sparta: turnvereniging die een zaal gebruikte die later werd afgebroken om plaats te maken voor het parkeerterrein van het nieuwe gemeentehuis. Voorspoels: de familie woonde destijds in het nummer 39 van de Edegemsesteenweg en speelde een belangrijke rol in het socioculturele en politieke leven van onze gemeente. Vaxelaire-Claes opende een schoenwinkel aan de Groenplaats in 1886 en vanaf 1912 een modehuis op de hoek van de Nationalestraat, waar nu de Karel de Grotehogeschool gehuisvest is. Basseng: bedoeld worden de dokwerkers, die met de trein rechtstreeks van de haven kwamen en afstapten in de “diepe route” ter hoogte van de Rubensstraat (zie Reineringen, juni 2012, p. 11: men moest “aan halteplaats Kontich-Nieuwe Lei omhoog klimmen tot wat toen nog als Corbillard Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

Reineringen 3.3 • 7


Korte Drabstraat bekend stond. Over een betonnen voetgangersbrug bereikte je de Nieuwe Lei die vanaf 1930 werd omgedoopt tot Rubensstraat”.) Eendracht: nu o.a. Promocon De Vrije Stem: dit blad verscheen 1898-1933 De Volkslust, de vroegere naam van cinema Trianon, nu snookerclub, Ooststatiestraat 3 de compère was de inleider en aaneenprater bij een revue, de commère was de actrice die de compère van repliek diende. habiet (Fr. habit) of habijt is een rokkostuum La course à la perruque (1906) en Les farces de Toto gâte-sauce (1905) waren twee films van Georges Hatot, de eerste over een vrouw bij wie twee deugnieten ballonnen aan het haar vastmaken; zij zweeft over Parijs en zet de stad in rep en roer. De tweede gaat over een jonge leerling-pasteibakker die liever poetsen bakt dan “pateekes”. Dr. Geerts was burgemeester 1936-1939 en 1947-1964 en woonde op de plaats waar nu het socialistische Volkshuis is; schoenwinkel De Schutter was de zaak van Guilelmus en Rosalia De Schutter, broer en zus, beiden ongehuwd en in de volksmond Leon en Marieke genoemd Kinderheil: de stichting Kardinaal Mercier in de vroegere Nachtegaal, Broedgans, Keizer of Belle Vue, afgebroken in 1954, nu Vredegerecht en postgebouw. Kumtich: een dorp in Vlaams-Brabant, nu deelgemeente van de stad Tienen Frank Hellemans m.m.v. Luk Dumont

Het kerkhof en parkje achter de kerk met op de achtergrond en stukje van het gemeentehuis, zaal Het Gulden Hoofd en De Roos)

Het park achter de kerk die nog niet verbouwd is

Elke straat verdient een naam: van Abelenlaan tot Zwarthoutstraat Voor zover er ruimte is, zullen we in onze nummers van Reineringen aandacht besteden aan onze straatnamen. Waar komen ze vandaan, wat betekenen ze, ..., we gieten het in mensentaal en presenteren die straten met mondjesmaat. Blauwesteenstraat Sedert 1534 kennen we het toponiem Blauwe Steen als benaming van de hoeve of het kasteeltje met toren en omwalling dat ook Goed te Kontich of Eekhoven heette en waar een cijns- of leenhof was gevestigd. Op een der velden van het uitgestrekte domein bevond zich de galg. Naar alle waarschijnlijkheid herinnert een blauwe steen ook in andere steden en dorpen, zowel in de Nederlanden als in Duitsland, aan de executieplaats, waar ook nog andere rechtshandelingen gebeurden. De Blauwesteenstraat, die aanvankelijk deel uitmaakte van de Pauwhoeveweg, vertrekt aan de Lijsterbolstraat, kruist de Koningin Astridlaan en loopt naast de Blauwesteenhoeve tot aan de Duffelsesteenweg.

8 • Reineringen 3.3

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


75 jaar Sint-Rita Wie de E19 wil oprijden kan bij het wachten voor het rode licht op het kruispunt van de Draben Pierstraat in Kontich gemakkelijk het uurwerk op de kerktoren van Sint-Rita aflezen. Wat je niet ziet is het bordje: 75 jaar Sint-Ritakerk boven de kerkdeur. Dit jaar wordt er inderdaad gefeest. Precies 75 jaar geleden in 1937 huldigde aartsbisschop Ernest van Roey deze modernistische kerk luisterrijk in. De Antwerpse architect Jos Willems (1906-1961), gespecialiseerd in kerkenbouw, functionele schoolgebouwen en sociale instellingen tekende de plannen voor deze kerk en het bijhorende klooster met schoolgebouwen in opdracht van de paters Augustijnen. Het ledenblad van de Vlaamse Toeristenbond omschreef bij het overlijden van deze ontwerper deze kerk nog als ‘een jeugdwerk’. Sint-Ritatoren, statig modernisme

De geschiedenis van dit verhaal begint echter al in 1935, wanneer de aartsbisschop van Mechelen aan de Augustijnen een stuk grond toewijst bestaande uit ‘drassige’ weilanden, doorsneden door de Mandoerse beek, vandaag langsheen de westkant van de expresweg.

De beschermheilige van kerk en parochie, de H. Rita, krijgt er een specifieke plaats en de nodige versiering. Volksdevotie vóór en de troebele tijdens de Tweede Wereldoorlog zorgen vanaf 1945 voor een ware toeloop naar het wekelijkse lof, het Rita-octaaf en vooral de plechtige vieringen op haar naamdag op 22 mei. Autobussen uit gans Vlaanderen en Nederland brengen telkens honderden bedevaarders tegelijk naar Kontich. De paters zien zich genoodzaakt om op sommige feestdagen de Ritavieringen te laten doorgaan in open lucht, op de speelplaats van de toenmalige ‘apostolische roepingenschool’ (juvenaat). De kerk barst op die dagen duidelijk uit zijn voegen. Vergeten we daarbij het opgerichte genootschap van de H. Rita van Cascia niet met duizenden aangeslotenen en de niet aflatende inzet van pater Cherubinus als stuwende kracht, actief in gans Vlaanderen. In ‘De Gazet van Kontich’ lezen we dat de pauselijke nuntius mgr. Cento tijdens het St.-Rita-octaaf van 1948 op zondagnamiddag 23 mei het reliekschrijn met de relikwieën van de H. Rita plechtig komt inhuldigen en mee voorgaat tijdens het Lof. Een jaar later wordt het tijd om ook te zorgen voor een nieuw mooi aangepast SintRitabeeld. Het octaaf begint en eindigt dat jaar op een zondag zodat provinciaal Emmanuel Van Berkel het beeld kan zegenen en installeren bij het begin van het lof op 22 mei en abt Eugène Dirckx van de abdij van Bornem de hoogmis mag concelebreren met de kloostergemeenschap op zondag 20 mei. Dit beeld staat vandaag nog altijd in de rechtste zijbeuk, samen met het reliekschrijn. In 1959 vieren Kontich en zijn Augustijnen een wel erg vermeldenswaardig feit. Een student uit het eigen juvenaat, Jos Somers, en toegetreden tot de augustijnerorde als frater Constantinus wordt in Rome tot priester gewijd op 20 december door een missiebisschop, verbannen uit China. Hij studeerde er aan het Collegium Internazionale Agostiniano. Jos Somers is inderdaad geboren in het Kontichse gezin Somers-Voets en vader is in die periode hovenier op het Sint-Annarustoord (nu OCMW-Eglantier). Je begrijpt dan ook dat de eremis in de Sint-Martinuskerk een zeer plechtig tintje krijgt op zondag 28 Sint - Ritagenadeoord december wanneer hij mag voorgaan in concelebratie met deken Van Herck, onderpastoors Laureyssens en Docx als cantores, de Vlaamse provinciaal van de Augustijnen, de Kontichse kloosterprior, broer Willy als diaken en E.H. J. Teugels die als ceremoniemeester de viering in goede banen leidt. Ondertussen groeit de wijk Pierstraat-Keizershoek stilaan en krijgt de kloosterkerk nog in 1959 de status van kapelanij. Onder impuls van pater Edwardus (Donders) die in1961 tot kapelaan wordt aangesteld wordt de kerkinrichting vervolledigd maar hij vergeet ook de parochiegemeenschap niet. Eerst zet hij zijn schouders onder de bouw van een orgel op de hoogzaal. Op aanraden van de nieuwe Kontichse deken J. Verrydt gaat hij luisteren in diens vorige parochiekerk te Begijnendijk en zijn besluit staat vast. Het zal een D’Hondtorgel worden, later tot op vandaag onderhouden door diens schoonzoon Bernard Pels. Deze orgelbouwer uit Herselt slaagt erin een functioneel orgel te bouwen dat aangepast is aan het modern ogende Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

Reineringen 3.3 • 9


kerkinterieur met een beperkt aantal registers. E. Teirlinck, titularis-organist van St.-Goedele en St.-Michielskathedraal te Brussel laat op 23 december 1962 de toccata’s en fuga’s van Johann Jakob Froberger en Dietrich Buxtehude door de kerk galmen. Hij vertolkt meesterlijk enkele J.S.Bachkoralen, schenkt aandacht aan de Franse school met werk van Clérambault en Daquin en besluit met Nederlands werk van Andriessen en Albert De Klerk. Tot slot illustreert hij de vele mogelijkheden van het instrument met de Suite Médiévale van J. Langlais. Vader en moeder Somers-Voets kondigen trots de priesterwijding van Jos aan.

meisjeskoor.

De volgende dag wordt voor het eerst kerstnacht gevierd met inleidende orgelklanken van Lucien Borms en koormuziek door een gemengd koor, het Sint-Martinuskoor dat de meerstemmige Sint-Norbertusmis van Renaat Veremans vertolkt en een

Nadien zal jarenlang een bescheiden mannenkoor de eredienst op zondag verzorgen. Met de financiële hulp van de parochianen slaagde pater Edwardus erin om op 29 juni 1963 een 380 kg zware kerkklok te laten hijsen en klinken in de modernistische kerktoren. Petrus Sels of voor de parochianen ‘Peerke de kleermaker’ fungeert als peter en mevrouw Van Linden-Van Gorp als meter. Provinciaal E. Braem zegent de klok en omschrijft de bedoeling ervan: de kloostergemeenschap samenbrengen voor het Angelus en het avondgebed, de parochianen oproepen om de eredienst te vieren of samen te komen op het levensritme van geboorte, huwelijk, jubileum of overlijden. En eindelijk in 1966 wordt Sint-Rita binnen het intussen opnieuw opgerichte bisdom Antwerpen erkend als een volwaardige parochie. Pater Edwardus had intussen de menselijke kant zeker niet vergeten. Bij het begin van de zestiger jaren kende de parochie bloeiende jongens- en meisjeschirogroepen die helaas bij gebrek aan een coherente leiding hun tienjarig bestaan niet konden vieren. Vrouwengilde, Landelijke Vrouwen en KWB werden uitgebouwd. Maar om te vergaderen en te feesten bleef een parochiezaal noodzakelijk. Hiervoor werd een heel creatieve oplossing bedacht. Een zaal oprichten in het parkje aan de overzijde van de Pierstraat bleek voor een kleine parochiegemeenschap immers geen haalbare kaart. De gewijde klok kan worden opgehangen Dan maar tussen de steunpalen van de kerk en met eigen mankracht de aarde uitgraven, beton gieten, een vloer leggen, de wanden bekleden met faiences en een heuse toog gemetst. Het is er nooit erg ruim geweest maar wel gezellig en de parochiegemeenschap blijft er vandaag nog altijd dankbaar gebruik van maken. Dit alles met eigen middelen en met eigen mensen, vaklui-KWB-leden die na hun uren nog tot na invallen van de duisternis kwamen werken ten voordele van de parochie. Vanaf 1968 weerklinken heldere meisjesstemmen in de kerk bij plechtige gelegenheden. Wilfried Wouters start met een dertigtal jongeren tussen acht en achttien. Deze ‘Meiklokjes’ blijven echter niet ‘plakken’ onder de kerktoren en zullen tussen 1970 en 1980 evolueren van een typisch kerkkoor naar een kleinkunstkoor. Hierbij vertolken ze niet alleen covers van bestaande artiesten maar schrijven zelf ook teksten. In een heus begeleidingsorkest zoeken ze voortdurend naar melodische vernieuwing, eerst in parochiezalen later zelfs in een zeldzaam cultureel centrum. Meer dan veertig jaar later treden ze vandaag nog steeds op. In 1974 mag Edwardus Donders het eindelijk wat rustiger aandoen en wordt overgeplaatst naar Sint-Truiden waar hij zal overlijden. In een plechtige aanstellingsviering op zondag 8 september leest deken Verrydt in de St.-Ritakerk de benoemingsbulle van Antwerps bisschop Daem voor waarbij een Kontichnaar tot pastoor van een Kontichse parochie wordt aangesteld. Jawel, Jos Somers, ooit frater en pater Constantinus, wordt plechtig ingehuldigd, in 10 • Reineringen 3.3

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


het bijzijn van tientallen parochianen uit het West-Vlaamse Klemskerke zijn vorige parochie. Het meerstemmige meisjeskoor, nu herdoopt tot ‘Krearimeko’ met ondergetekende aan het orgel verzorgt deze feestelijke inhuldiging. Jos Somers slaagt erin de parochiegemeenschap bij elkaar te brengen en te houden. Dat is voorwaar geen sinecure in een tijd waarin mensen individueler gaan reageren en vooral de binding met kerk en vieringen losser wordt. Kerkstoelen worden vervangen door een comfortabeler model en met de hulp van broeder René, intussen te Gent tot diaken gewijd, krijgt hij er nog een ‘feitelijke’ onderpastoor bij. Samen slagen ze er begin jaren tachtig in om een gemengd parochiekoor op te richten dat voortaan de erediensten op zondag komt opluisteren. De catechese wordt stevig onderbouwd. Ook broeder Bart steekt regelmatig ook een handje toe, vooral bij de vormselcatechese. Het valt echter niet weg te cijferen dat het aantal roepingen daalt, de ouderdom van de paters toeneemt en de lasten zwaarder om dragen. Duivel-doet-al Jos Van Bulck wordt in 1980 lid van de kerkfabriek en in 1989 voorzitter. Als leek zet hij er mee zijn schouders onder, organiseert een concert om het torendak te herstellen, schildert eigenhandig, harkt, poetst, bespreekt, onderhandelt en realiseert als kers op de taart de restauratie van het kwaadwillig beschadigde glasraam van de H. Rita en geniet ten slotte van de volledige restauratie van de reusachtige muurschildering van de hand van pater Leo Coppens uit 1953, achter het hoofdaltaar. Hij is de tachtig al voorbij wanneer hij tevreden terugtreedt in 2009. Intussen sukkelt pastoor Somers flink met zijn hart en moet een zware operatie ondergaan. De revalidatie duurt erg lang maar hij geeft niet op en de volgende tien jaar blijft hij nog altijd actief in de St.-Ritaparochie. De paters dragen in 1994 het beheer en het onderhoud van het parkje met de Ritastaties over Portaal van de SintRitakerk: 75-jarig jubileum. aan de gemeente Kontich. De administratieve splitsing tussen school en klooster/kerk was dan al doorgevoerd. Leken verschijnen van dan af op alle niveaus maar kunnen niet alles opvangen. Van pastoor Somers wordt in 2003 dankbaar afscheid genomen. Een nieuwe pater en/of priester is niet zo snel gevonden en het gonst van geruchten over Sint-Ritakerk en klooster, pentekening van de afschaffing van de parochie. Ook de Augustijnse kloostergemeenschap oud-conservator Joris Olyslaegers neemt in 2004 afscheid van Kontich en trekt zich na zevenenzestig jaar terug in het moederklooster van Gent. De geruchtenmolen over de afschaffing blijft aanhouden. Een gelukkig feit is dat hier de kracht van een kleine parochiegemeenschap en haar beschermheilige zichtbaar wordt. Op vraag van de bisschop van Antwerpen blijft het heiligdom behouden als bedevaartsoord en dank zij de inzet van velen binnen een parochieteam kan de kerk voor veertig jaar in erfpacht genomen worden. Het vroegere winkeltje met devotieartikelen in de kloostergang verhuist naar een prefabconstructie achteraan zodat de kerk nu een eigen leven leidt ten dienste van de parochiegemeenschap en de bedevaarders. De parochie kan zelfs met de gemeente in 2005 een overeenkomst afsluiten voor de huur van een heuse pastorie vlak naast de Rompelei in de Pierstraat. Nu kan men vaste openingsuren invoeren, afspraken maken voor erediensten allerhande, het kerkarchief archiveren en kunnen de verenigingen verder vergaderen. Pater Jef Van Kerckhoven, montfortaan en pastoor van de Onze-Lieve-Vrouwparochie van Kontich-Kazerne, krijgt er nog een parochie bij. Hij zal er vrij snel zijn 25-jarig priesterjubileum vieren. Het is vanuit dit elan dat de Sint-Ritaparochie met vernieuwde moed kan verder werken. We wensen hen dan ook proficiat bij dit jubileum. Paul Wyckmans Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

Reineringen 3.3 • 11


Laatste doodstraf met guillotine uitgevoerd HALSRECHTING VAN FRANS KOL UIT HET ANTWERPSE ‘HANDELSBLAD’ VAN 8 MEI 1856 Dezen morgen is er in onze stad eene doodstraf voltrokken. De wreedaerdige moordenaer van de vrouw Robberechts, te Contich, Francis Kol, is gehalsregt geworden. Iedereen, te Antwerpen had zich aen deze strafuitvoering verwacht: de moord was al te klaer bewezen; hy was al te verschrikkelyk, dan dat de koning de genade van den veroordeelde kon ondertekenen. Kol echter had lang gehoopt, dat hy aen den dood zou ontkomen zyn; de hoop verliet hem nog maer kort geleden, doch de justicie is onverbiddelyk geweest, en sy was zoo als zy zyn moest. Reeds gisteren was het gerucht in onze stad, dat de koning de genade verworpen had, en welhaest was het algemeen gekend, dat Kol den volgenden dag de doodstraf zou ondergaen. Eene betreurenswaardige nieuwsgierigheid dryft sommige menschen altyd aen, om dit verschrikkelyk schouwspel van het begin tot het einde te zien. Duizende persoonen zyn gisteren avond naer de Kasteelplein gegaen, waer men, by het fakkellicht, de giellotien oprigtte. Er zyn er die daer gebleven zijn, tot dat de laatste nagel aen het verschrikkelyk werktuig geslagen was, en toen zy heengingen, behoefden sy zich van dezen morgen reeds vroeg by de hand te zyn, om alzo eene goede plaets te hebben… Wy begrypen niet, dat er zelfs vrouwen zyn, die den moed hebben zoo iets te gaen zien, en echter zy ontbraken er niet. Het gezigt achter de voile verborgen, wandelden er dames, om de optimmering van het schavot te zien: en wie weet, of zy een uer nadien niet in onmagt zullen vallen…by den smoor eener cigaer. Vroeg in den morgen stroomden duizende menschen naar de Kasteelplein. Men zag er gedurende een kwartieruers de toebereidsels; - het op en neer spelen van het schrikkelyke mes en andere maatregels, die er de beul, in groot kostuem maekte. Wy zyn in alle geval te vreden dat dit alles niet meer plaets heeft op de Groot-Merkt, waer de vensters en daken als het ware voor logiën en eerste rangen dienden… Toen de beul het toilette kwam maken verbleekte Kol en die bleekte is hem bygebleven tot op het schavot. Tien minuten voor negen ure verliet het opene karke, waerop de gevangene met de handen op de rug geboeid, gezeten was, het gevangenhuis. De eerw. Heer Verstappen zat by hem, en onder het opzeggen van gebeden, hield hy den veroordeelde gedurig het kruisbeeld voor. Kol hield zich op den weg altyd naer den priester gebogen; slechts een of tweemaal rigtte hij eenen oogopslag op het publiek. Een escort gendarmen reed voor en een andere achter het karke; de jagers formeerden de linie. Naast het karke trad de beul en zyne twee helpers. Aen het schavot waren detachementen geplaetst van elk regiment; verder een detachement pompiers, gendarmen enz. Kol heeft met vasten stap het schavot beklommen. De eerwaerde heer Verstappen vergezelde hem tot boven op het schavot; onder het optreden en op het schavot selve, gaf deze moedige priester hem herhaalde keeren het kruisbeeld te kussen, en hy bleef naast hem staan, tot dat het mes op het punt was te vallen. Het mes viel, en de menschelyke geregtigheid was voltrokken. Men heeft opgemerkt, dat het nieuwe werktuig vele verbeteringen in zich bevat. Men ziet by de strafuitvoering geen bloed en de romp, die eerst achteruit geworpen werd, stuikt nu voorover… Maer hoewel wy dit alles goedkeuren, moeten wy echter zeggen, dat het des te minder indruk op de menigte deed, en deze ging uit-een zonder den schyn te hebben van bewogen of ontroerd te zijn. WIE IS FRANCIS KOL? Franciscus Kol wordt geboren in Brussel op zes januari 1826 en staat er genoteerd als vondeling. Later vermeldt men steeds Zemst als afkomst. Mogelijk wordt hij daar uitbesteed en/of als wees geadopteerd. Hij is nog steeds ongehuwd wanneer hij op vier oktober 1854 van Edegem naar Kontich verhuist. Hij werkt als dienstbode bij de landbouwers Franciscus Hellemans (°Edegem 12.1.1805,+Kontich 5.2.1857) en Maria Magdalena Van Berckelaer (°Schilde 26.1.1805, +Kontich 21.5.1860) die een boerderij uitbaten aan de Veldkant 166. In de de ‘Toponymie van Kontich en Lint’ van R. Van Passen lezen we dat deze Veldkant gelegen is ‘op de kant van het 12 • Reineringen 3.3

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


Pluyseghemveld’. Vermits op de volgende bladzijde in het bevolkingsregister de bewoners uit de omgeving van het domein Altena aan bod komen, kan dit kloppen. Het echtpaar Hellemans-Van Berckelaer is van Edegem gekomen en woont sinds 19 december 1833 in Kontich. Franciscus Kol is daar niet de enige dienstbode op hun doening. Een jaar later, in 1855, werkt hij als knecht op een boerderij in de Beekhoekstraat 196 te Kontich-Lint. Beekhoekstraat? Volgens diezelfde ‘Toponymie’ is het een gehucht of een straat te Lint, lopende van de Molenstraat naar Hove. Deze hoeve wordt in die tijd uitgebaat door landbouwer Josephus Judocus Robberechts (°Londerzeel 27.12.1808) en zijn vrouw Joanna Theresia Michiels (°Hombeek 28.08.1803). Ze komen van Rumst en wonen in Kontich (Lint) sinds 1.5.1852. Moord in Kontich-Lint Vanaf 18 september 1855 wordt Franciscus Kol overgeschreven naar ‘Lierre’. Komt hij dan elke dag van Lier naar Lint werken of slaapt hij daar op de boerderij? Volgens de toenmalige Antwerpse pers besluit hij geld en juwelen te stelen bij zijn werkgevers en wel op een rustig moment, op één november in de voormiddag rond tien uur. Waarschijnlijk wonen de meeste bewoners de hoogmis bij. De boerin is thuis gebleven. Om het middagmaal te bereiden? Ze hoort verdachte geluiden in de woonvertrekken en betrapt er de knecht. Kol vindt er niets beters op dat een hakmes in haar voorhoofd te planten. Zwaar gewond zijgt Joanna Theresia Michiels neer en sterft op 1 november 1855. Haar overlijden wordt te Kontich op het gemeentehuis aangegeven door haar echtgenoot samen met Dominicus Van Boxelaer, brigadierveldwachter te Kontich. Zoals het past staat er niets bij in verband met de doodsoorzaak. Alleen de handtekening van de tweede aangever is een aanwijzing in de richting van ‘iets speciaals’. E.H. Eykens, pastoor van de de Onze-Lieve-Vrouw Geboortekerk in het toenmalige Kontichse gehucht Lint, noteert in het overlijdensregister van zijn parochie wel de reden van dit ‘merkwaardige’ overlijden in het verplichte kerklatijn: 1855 Michiels Prima mensis Novembris circa horam decimam ante meridiem occisa est in domo suo Joanna Maria Theresia Michiels ex Humbeek, uxor Josephi Judoci Rombrechts ex Humbeek, aetatis annorum quinquaginta quatuor, sepulta tertia mensis Novembris. Quod attestor A. Eijkens, sacerdos in Linth De eerste november is Joanna Maria Theresia Michiels uit Humbeek vermoord in haar woning rond 10 uur in de voormiddag in de leeftijd van 54 jaar, echtgenote van Josephus Judocus Robberechts uit Humbeek . Ze werd begraven op 3 november. Vermits in het Kontichse begrafenisregister geen melding wordt gemaakt van deze begrafenis (toen nog rond de kerk van Sint-Martinus) mogen we redelijkerwijze veronderstellen dat ze op het kerkhof van Lint, rond de kerk is bijgezet. Vrij snel valt de verdenking op Franciscus Kol, de knecht op de boerderij. Hij wordt aangehouden en ondervraagd. De kamer van inbeschuldigingstelling bij het Hof van Appel te Brussel verwijst hem al op 19 december 1855 naar het Hof van Assisen te Antwerpen. Tot de laatste dag zal hij halsstarrig volhouden dat sterven hem niet afschrikt, maar dat hij het erg vindt dat hij zijn ouders niet heeft gekend. Het proces eindigt met de beraadslaging en de uitspraak van de jury. De voorzitter van de assisenjury leest op 12 maart 1856 de antwoorden voor op de zes vragen, geformuleerd door het Hof: 1. Is de beschuldigde Franciscus Kol, hier tegenwoordig, schuldig aan de moord te Kontich op 1 november 1855 op de persoon van Jeanne Thérèse Michiels, echtgenote van Joseph Robberechts? Ja! 2. Werd de moord met voorbedachten rade gepleegd? Ja! 3. Ging deze moord gepaard met de onrechtmatige toeëigening van een zilveren horloge en een geldbeugel met een inhoud van duizend frank ten nadele van de echtgenoten Robberechts? Ja! 4. Heeft de beschuldigde deze diefstal gepleegd na inbraak? Ja! 5. Gebeurde de diefstal van vraag 3 in een bewoond huis? Ja! 6. Gebeurde de doodslag voorafgaand aan, gelijktijdig met of gevolgd door de diefstal? Ja! Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

Reineringen 3.3 • 13


Hierop veroordeelt het Hof van Assisen van de provincie Antwerpen Franciscus Kol omwille van deze feiten tot de doodstraf. Het beveelt de uitvoering ervan op een openbare plaats in de stad Antwerpen. Franciscus Kol wordt daarenboven ook veroordeeld tot het betalen van de proceskosten, zijnde 535,25 frank en de teruggave van de gestolen voorwerpen en de geldsom. Het Gerecht werkt in die tijd voor deze feiten blijkbaar nog erg snel en accuraat.

Aanplakbiljet uitvoering doodvonnis door onthoofding van Francis Kol

De executie wordt via aanplakbrieven aangekondigd op 7 mei 1856 en voorzien voor 8 mei 1856. Die dag wordt Franciscus Kol effectief onthoofd op het schavot met een guillotine, opgesteld op het Kasteelplein te Antwerpen. Het zal de laatste effectieve onthoofding worden voor het Antwerpse hof van Assisen.

Van boer Robberechts weten we ten slotte dat hij in 1858 naar Lier verhuist en daar op 22 april 1858 wordt ingeschreven. Te vermelden valt nog dat op 7 mei 1856 ook het allerlaatste doodvonnis is uitgesproken geworden door een Antwerpse rechter. Het zal echter niet meer worden uitgevoerd. De doodstraf wordt er van dan af omgezet in levenslange hechtenis. De guillotine waarmee Kol werd onthoofd wordt einde mei 1856 overgebracht naar Brugge en geschonken aan de stedelijke musea daar. Vandaag staat ze nog steeds te pronken (?) in de erezaal van het paleis van Gruuthuse. De adjunct-conservator Kristel Van Audenaeren wist ons daar nog te vertellen dat aan deze guillotine, die hoogstwaarschijnlijk - zoals de meeste van dergelijke tuigen - op andere plaatsen werd gebruikt, een merkwaardig verhaal verbonden is. De bende van Baekelandt zou er mee onthoofd zijn op de Grote Markt van Brugge in 1803. Ondanks hun vrij vernuftige constructie waren guillotines volgens haar niet echt duurzaam te noemen. Deze objecten dienden immers secuur te werken. Door het transport van stad naar stad over hobbelige wegen gingen ze dikwijls stuk. Paul Wyckmans (Met dank aan Leo Van linden en Eddy Hertoghs voor de gewaardeerde hulp)

Waddisdaffeuriet? Weet je waarvoor dit ding werd gebruikt, stuur dan je antwoord (met als onderwerp “Wedstrijd Reineringen”) naar reineringen@gmail.com – een klassieke gele briefkaart naar ons adres (Reineringen, Duivenstraat 22, 2550 Kontich) telt ook. Laat ons ook weten met welke prijs we jou een plezier kunnen doen: het fotoboek “Archiefbeelden Kontich”, een merklappenverjaardagskalender of twee flessen cava. We verwachten je mail of briefkaart ten laatste op 30 april! In ons volgende nummer geven we uiteraard de oplossing. En een nieuwe opgave. In de vorige Waddisdafeuriet stond een foto van een ordinaal. Dit voorwerp werd gebruikt als een soort vergrootglas bij handwerk. Gevuld met water en voor een kaars heeft zo’n voorwerp een vergrotend effect. De winnaars deze keer zijn Antoon Marien en Leen Coenen (kalender). Het afgebeelde toestel is tegenwoordig onder een andere vorm in gebruik. Gaat het hier om: 1. Een autokruk, te gebruiken bij een platte band; 2. Een buitenpomp, te gebruiken bij het aanboren van een waterput; 3. Een duigenknecht, gereedschap van een tonnenmaker; 4. Een zinkplooimachine, te gebruiken bij grote stukken zink. 14 • Reineringen 3.3

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


Agenda en Nieuws Museum voor heem- en oudheidkunde: Het museum zal tussen 15 december 2012 en 15 februari 2013 gesloten blijven voor renovatiewerken. Bij wijze van proef zullen we ook volgend jaar dezelfde sluitingsperiode in acht nemen (2013-2014). Ter compensatie zullen onze vrijwilligers u graag ontvangen tijdens de hopelijk warme juli- en augustuszondagen met of zonder familie en vrienden. Deken Jozef Van Herck voor het voetlicht: Guido Theys en Paul Catteeuw belichten de figuur van Jozef Van Herck in al zijn facetten. Onze stichter voorzitter was een briljant student, kunstkenner, oorlogsaalmoezenier in 14-18, leraar, eerste directeur van het Sint-Lievenscollege in Antwerpen, bemiddelaar, deken in Kontich en stimulator van de heemkunde in de provincie. Genoeg stof om een avond op zijn vele activiteiten in te gaan. De sprekers hebben elk op hun manier (in werkelijkheid en via zijn brieven) met de man kennis gemaakt en vertellen er u honderduit over. De lezing vindt plaats op 8 maart 2013 om 20.00 uur in het Documentatiecentrum Jozef Van Herck, Duivenstraat 22. Algemene toegang: 3 euro; leden en vrienden van het museum: 2 euro. Ben je op zoek naar de oude nummers van Reineringen of publicaties die met Kontich te maken hebben? Surf dan gewoon naar www.issuu.com. Op deze webstek tik je bij zoeken gewoon “Reineringen” of “Kontich” in en je komt zo bij onze vroegere nummers terecht. Hoorn (Friesland) van 15 december 2012 t/m 10 maart 2013 Een kwestie van stand, fraaie handwerken uit Hoorn 1750-1825 Westfries Museum, Roode Steen 1, 1621 CV Hoorn di t/m vr: 11-17 uur, za-zo: 13-17 uur Aan de hand van de borduur- en oefenlappen geeft het Westfries Museum een spannend inkijkje in het achttiende-eeuwse Hoornse regentenmilieu waaruit de handwerken afkomstig zijn. Centraal in de tentoonstelling staan 36 borduurwerken uit de periode 1750-1825 die allemaal in Hoorn zijn gemaakt. Het bijzondere aan de lappen is dat er motieven en verrassende steken gebruikt, die ergens anders niet of nauwelijks voorkomen. De basis van de tentoonstelling is afkomstig uit de collectie van het Westfries Museum, aangevuld met doeken uit diverse musea en uit particulier bezit. Een doek uit 1776 is afkomstig uit de collectie van Kontich. Er zijn ook kostuums, documenten, Hoorns zilver werk en porselein uit die tijd tentoongesteld, speciaal betrekking hebbend op de families, waarin de meisjes opgroeiden. Van een paar meisjes zijn de portretten bewaard gebleven. Meer informatie: www.wfm.nl

Abonnement

Als je van dit nummer van Reineringen houdt, dan ligt ook de toekomst van dit blad je nauw aan het hart. Wens je het verder te ontvangen, hernieuw dan zo snel mogelijk je abonnement voor 2013 (inclusief lidmaatschap “Vrienden van het museum”): minimum 15 euro. Te betalen op rekeningnummer 415-5044221-42 met de vermelding van uw naam, adres en “Reineringen” Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

Reineringen 3.3 • 15


Reineringen Reineringen 3 (2012), 4 Driemaandelijks (oktober-november-december 2012) Afgiftekantoor Kontich P912187

België Belgique P.B. 2550 Kontich BC 31956

INHOUDSTAFEL: Pagina 1 Voorwoord Pagina 2 Tussen kruis en davidster Pagina 3 Suzanna Kools-Luteijn 1925-2012 Pagina 3 Het plein achter de kerk Pagina 8 Elke straat verdient een naam: van Abelenlaan tot Zwarthoutstraat Pagina 9 75 jaar Sint-Rita Pagina 12 Halsrechting van Frans Kol Pagina 14 Waddisdafeuriet Pagina 15 Activiteitenkalender en nieuws Colofon Reineringen, Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich, 3 (2012), 4 ISSN 2033-2742 Redactie: Paul Catteeuw, Frank Hellemans en Paul Wyckmans Eindredactie: Paul Catteeuw Grafische vormgeving: Bruno Catteeuw Druk: Drukkerij Hendrickx, Schelle Verantwoordelijke uitgever: Paul Wyckmans, Duivenstraat 22, BE-2550 Kontich Correspondentieadres: reineringen@gmail.com © 2012 – Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich De auteurs zijn verantwoordelijk voor de inhoud van hun eigen bijdrage. Abonnementen (inclusief lidmaatschap “Vrienden van het museum”): 15 euro Te betalen op rekeningnummer 415-5044221-42 met de vermelding van uw naam, adres en “Reineringen” Gelieve eventuele adresveranderingen zo snel mogelijk aan ons mee te delen. Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich, Documentatiecentrum Duivenstraat 22, BE-2550 Kontich, +32 3 457 86 04 heemkunde.kontich@gmail.com

Museum voor Heem- en Oudheidkunde Bibliotheek- en cultuurgebouw Sint-Jansplein, BE-2550 Kontich www.museumkontich.be


Reineringen - 3-4 (2012)