Page 1

O


bron: De Morgen / Gent, 02.02.2008

Wim Opbrouck kun je moeilijk van artistieke eenduidigheid verdenken. Acteur, muzikant, televisiemaker en vanaf 2010 artistiek leider van NTGent, een mandaat waar hij zelf nog wat onwennig tegenover staat. Tijd om hem te confronteren met tien goede redenen om de handschoen niet op te nemen, kwestie van de demonen te benoemen vooraleer ze worden weggejaagd. ‘Meen je dat nu, tien goede redenen om het niet te doen? Ik straal dat uit, zeker?’

Naar aanleiding van onze vijftigste verjaardag als stadstheater in Gent geven we, in samenwerking met Uitgeverij Hannibal, een boekwerk uit over onze geschiedenis. Geen chronologisch overzicht, maar een abecedarium: onder elke letter van het alfabet ontvouwen we een inhoudelijk aspect van onze werking tussen 1965 en 2015. Dit lemma koppelt de letter ‘O’ aan Opbrouck en bevat een terugblik op de jaren waarin Wim Opbrouck artistiek leider was van NTGent, van 1 juli 2010 tot 30 juni 2015. Het geldt als een voorpublicatie op de volledige bundel en wordt voorgesteld op 30 mei 2015 tijdens het ‘Groot Verjaardagsfeest’ in de Gentse schouwburg. De vormgeving van de publicatie is in handen van Dooreman, die tevens de huisstijl van

Een bleke dinsdagochtend in Gent. Op een baliemedewerkster en twee Japanse toeristen, chattend op de publieke computers, na, is het nog rustig in het stadstheater. Maar schijn bedriegt. Sinds de intrede van Johan Simons als artistiek directeur enkele jaren geleden is NTGent nooit echt uit de belangstelling verdwenen. De Nederlandse regisseur Simons nam een vliegende start, met succesvolle producties, internationale tournees (een nieuw gegeven voor het huis) en — last but not least — een indrukwekkend acteursensemble, onder wie Steven Van Watermeulen, Elsie de Brauw, Frank Focketyn en Els Dottermans. Maar begin vorig jaar werd het onweerachtig boven de schouwburg aan het Sint-Baafsplein: de boekhouding bleek een zwart gat ter waarde van ongeveer drie miljoen euro te vertonen, een schuldenberg die ontstaan was uit de combinatie van een historisch deficit, een breed aangezet artistiek programma en een weinig transparant rapporteringssysteem. We schrijven voorjaar 2007.

NTGent verzorgde in de jaren 2010–2015; de tekeningen zijn van Opbrouck zelf. Het interview op de volgende bladzijden dateert al van 2008 en werd afgenomen door journalist Steven Heene, die Opbrouck vanaf 2010 bijstond als ‘rechterhand’ en artistiek coördinator. Behalve inleidingen bij de respectieve seizoenen vindt u verder ook tekeningen, affiches, productiefoto’s en algemene duiding. Plus twee liedjesteksten van Opbrouck: Niet bang werd geschreven en uitgevoerd in mei 2010, voorafgaand aan het eerste seizoen (dat met Aida* aanving, onder het motto: ‘We zingen onszelf moed in’), en Schaamte, geschreven en uitgevoerd (samen met Stijn Meuris) tijdens een gelegenheidsavond in samenwerking met mediapartner De Standaard, in de reeks Grote Gevoelens (Schaamte, 6 mei 2012). Huisfotografen zijn Phile Deprez en Dimitri Van Zeebroeck. www.ntgent.be www.uitgeverijhannibal.be

op de cover: Nero, 2011, foto Kurt Van der Elst

‘In dit theaterhuis is er gelukkig veel ‘stil’ management’

De asielzoeker, 2005, foto Phile Deprez

Enkele maanden later, in oktober vorig jaar, kondigt Simons zijn vertrek aan, weliswaar pas over afzienbare tijd. Hij is gevraagd om vanaf 2010 intendant te worden van de Münchner Kammerspiele in Duitsland — an offer too good to refuse, zoals dat heet. Meteen kon het stadstheater weer op zoek naar een vervanger, een witte raaf die het liefst kan voortbouwen op het pas teruggevonden artistiek elan. Of om de omschrijving van de raad van bestuur te citeren: NTGent ging op zoek naar “een sterke persoonlijkheid met artistieke uitstraling, een intrinsieke motivator, sterk in people management, een netwerkfiguur die in staat is om het eenduidige artistieke gezicht van het huis te zijn, bekend in Vlaanderen en Nederland, maar ook in staat om internationaal te vertegenwoordigen, voldoende vertrouwd met de huidige werking om de budgettair moeilijke situatie te accepteren.” Het zijn stuk voor stuk kwaliteiten die Wim Opbrouck (38) zonder twijfel in zich verenigt, al kun je de WestVlaming moeilijk van artistieke eenduidigheid verdenken. De acteur, muzikant en televisiemaker van onder andere De bende van Wim is sinds 2005 een vaste waarde in het Gentse ensemble, maar geen regisseur. Vandaar de verrassing bij sommigen toen vorige week bekend raakte dat Opbrouck in 2010 de fakkel van Simons zal overnemen — een mandaat waar hij zelf nog wat onwennig tegenover staat, zoals tijdens het gesprek zal blijken. Om nog wat olie op het vuur te gieten confronteer ik hem met tien goede redenen om de handschoen niet op te nemen, kwestie van de demonen te benoemen vooraleer ze worden weggejaagd. Opbrouck verslikt zich bijna in zijn boterkoek als hij het hoort. “Meen je dat nu, tien goede redenen om het niet te doen? Ik straal dat uit, zeker?”


“Je treft mij echt wel op een moment om het daarover te hebben. Juist niet, bedoel ik. Het is de eerste dag dat ik in NTGent ben sinds het nieuws bekend werd, en mijn kop draait zot, zoals ze zeggen. Ook al is de beslissing goed voorbereid. Het klopt: ik heb een mandaat om deze piste te verkennen, maar er moet nog zoveel gebeuren.” Hij zucht. “Toen ik de krant opensloeg en zag staan: ‘Opbrouck gaat NTGent leiden’ werd ik even week in de knieën. Het stond er zo… affirmatief.” Meteen een eerste reden contra: de persaandacht voor uw persoon wordt er nog groter door.

“Dat heb ik gemerkt, ja. Ik had nooit gedacht dat zoiets voer was voor een item op het journaal, hooguit iets voor een kolom op de cultuurbladzijden. Ik was vorige week onderweg met mijn band De Dolfijntjes en we hoorden het bericht op de radio. ‘Opbrouck, bekend van In de gloria en Het eiland’. Het klonk als een in memoriam. Onze bassist zei: als we nu tegen een boom knallen, kunnen ze hetzelfde bericht gebruiken. Maar ik heb die extra aandacht niet gezocht, hé. Net zomin als ik gesolliciteerd heb voor de job van artistiek leider. Het idee is gegroeid vanuit de behoefte in huis om op de ingeslagen weg verder te gaan, met het huidige ensemble. Zo kwam men bij mij terecht. “Toen Johan in oktober zijn afscheid aankondigde, was dat voor sommigen een donderslag bij heldere hemel. Maar niet voor mij: ik had het zien aankomen. Wij waren met hem in Duitsland aan het repeteren, dan leef je op elkanders lip. Sowieso is Johan niet het directeurstype. Meer een regisseur, een vriend, een sparringpartner. Iemand met wie ik heel graag theater maak, wat ik ook zal missen. Maar ikzelf vind zijn overstap uit­ eindelijk heel normaal. Hij is hier dan toch een tijd geweest — en hij is hier nog tweeënhalf jaar. Maar meteen begon het in huis te gonzen: wat dan, in 2010?”

Het gonsde in uw richting? “Niet onmiddellijk. Johan suggereerde het idee om eerst binnens­ kamers te zoeken naar een opvolger. Toen is er een reeks gesprekken begonnen met de acteursgroep, waarbij we tot de conclusie kwamen: hier in Gent is er een ensemble. Als je de drie stadstheaters bekijkt, zijn wij op dat vlak eigenlijk het enige. Maar ik dacht ook: is het geen illusie? Denken wij dat we een ensemble hebben, terwijl het eigenlijk maar een verzameling van mensen is? En wat als de vader­ figuur vertrekt, blijft dat nog een ensemble? Enzovoort. “Ik moet ook zeggen: nu pas, na twee jaar, begin ik dat ensemble echt goed te leren kennen. Het duurt soms even vooraleer je met iedereen uit die groep in een productie staat, en dan gaat het wel snel. Maar bijvoorbeeld met Kristof Van Boven sta ik pas nu, na twee jaar, in een voorstelling. Gaandeweg ontdekte ik dat de mensen die Johan bij elkaar heeft gebracht, dat die combinatie van mensen niet toevallig is. Dat de dynamiek die daaruit voortvloeit, ook geen toeval is. Dat is een van Johan zijn talenten: hij voelt mensen goed aan. Jan Eelen heeft dat ook (regisseur van In de gloria en Het eiland, SH). “Er zijn weinig discussies over stijl of inhoud binnen deze ploeg. Niemand is vies van hard werken, iedereen wil graag zijn tanden in het repertoire zetten… De vibes in huis zijn goed, kortom, en dat werkt op zich weer aanstekelijk voor anderen. “Of ik dat talent ook heb, om mensen te verzamelen? Dat denk ik wel. Ik heb er alleszins ideeën over. En ik sta er niet alleen voor, hé. Bedoeling is om vanuit een team te werken. Dat zal ook moeten, want ik blijf zelf acteren. Daar mag absoluut geen misverstand over bestaan: ik ben en blijf een acteur.” Dat brengt me bij reden twee: voor uw al zeer volle agenda is dit zelfmoord.

“Mja. Och. Zoals je zelf aangeeft: ik combineer nu al veel. En je hebt er geen idee van hoeveel ik sowieso afzeg. Hoe ik mijn tijd indeel is eigen-

lijk een privéaangelegenheid, maar het gebeurt als volgt: eerst en vooral is er NTGent, daarnaast is er Woestijnvis. Voor televisie werk ik alleen als mijn theateractiviteiten dat toelaten. Daar maak ik een erezaak van. Er is tot op heden nog geen enkele repetitie weggevallen omdat ik ergens een dag moest filmen. Begrijp me niet verkeerd: een acteur kan soms enkele maanden uit huis actief zijn. Net zoals Johan ook regelmatig als acteur buitenshuis werkt. Akkoord, voor een directeur is het wenselijk dat hij vaak genoeg in huis is, en dat is zeker een aandachtspunt voor mij. Maar met een goede planning kun je wel een en ander combineren. “Het heeft ook met een, zeg maar, bedrijfscultuur te maken. Als acteur in NTGent zijn we allemaal perfect in staat om onze verantwoordelijkheid op te nemen. Na een première, op tournee, zijn we meestal zonder Johan op de baan en dat werkt zeer goed. Die discipline is er. We zijn als het ware zo opgevoed. Het was ook tijdens de tournees dat er veel gepraat is onderling, aan ontbijttafels in verre buitenlanden. Dat hielp om de zaken in perspectief te blijven zien. Maar ook om als mensen open met elkaar om te gaan. Sowieso wil ik echt aan dat internationale verhaal blijven bouwen. Wat dat betreft is er meer sprake van een doorstart dan van een nieuw hoofdstuk in 2010. Het is een logisch vervolg.” Maar evengoed: een directeur of artistiek leider heeft toch een ander profiel dan een acteur?

“Dat is waar. Weet je wat ik moeilijk kan? En dat is echt een nadeel: ik heb te graag dat iedereen het goed heeft. In die mate dat ik er soms van wakker lig, of erover droom. Maar tussen droom en daad staan veel praktische beslommeringen. En op dat vlak kan ik moeilijk loslaten. Daarom ben ik ook acteur: empathie is mijn instrument. Ik zal dus moeilijk slapen als iemand in dit huis in de knoop ligt met zichzelf, of op professioneel gebied. Dat weet ik nu al. “Van een artistiek leider of directeur wordt vooral daadkracht verwacht.

Terwijl een acteur… Die heeft iets inconsequents. We zijn vrijbuiters  — en ook kwetsbaar op die manier. Als ik ergens bang voor ben, is het dat ik mijn kwetsbaarheid op dat vlak zou verliezen. Ik ben geen doorsnee leiderstype, al kan ik wel mensen moti­ veren en knopen doorhakken als het moet. Maar ik hang nog graag de onno­ zelaar uit. Voor de productie Instinct bijvoorbeeld had ik de muzikale leiding. Dan wordt van je verwacht dat je een beetje de schoolmeester speelt. Dat je een half uur voor de voorstelling zegt: nu gaan we inzingen, onze stemmen opwarmen. Dat ging me niet altijd goed af. Maar dan was er altijd wel iemand van de acteurs die zonder veel boe of ba het inzingen startte. Op dat gebied zijn we echt een hecht team geworden de voorbije jaren: er is veel ‘stil’ management in dit theaterhuis. “Om een ander voorbeeld te geven: niet zolang geleden moesten we in Luxemburg spelen in een enorme loods. Maar tijdens het uitladen van de decorstukken sloeg de sprinkler­ installatie aan. De hele ruimte stond onder water, waardoor we in allerijl moesten uitwijken naar een kleine vlakkevloerzaal. Wel, op zo’n moment kunnen we als acteurs echt goed de touwtjes in handen nemen: pro’s en contra’s afwegen met de productie­ leider, een extra repetitie inlassen en we waren safe. “Zo is deze beslissing eigenlijk gegroeid. Vanuit een voorgeschiedenis, gesprekken met mensen. Toen Johan zijn vertrek aankondigde, dacht ik voor mezelf: oké, binnen een jaar of twee vinden we wel iets anders. En dat geldt voor alle acteurs: iedereen kan elders aan de bak komen. Dat is dus geen reden. Wat ons drijft om met dit team verder te gaan, is pure goesting. Dit verhaal is nog niet afgerond.” NTGent heeft een nieuwe artistiek leider. Scène 1. Het wordt druk in de foyer. Een van de medewerkers nadert onze tafel. Hij aarzelt als hij de recorder op tafel ziet liggen, maar wordt joviaal begroet.

“Dag Etienne.” “Goedemorgen…” “Het blijft Wim, hé. Ge moet nu geen ‘meneer’ beginnen zeggen.” Vette knipoog. “Heb ik dat gezegd?” “Nee, nee, maar ik zag u al een ‘m’ vormen.” “Ik ging Wim zeggen. Maar we zullen dan nog ne keer klappen, hé jongen. Haha.” “Nog niet direct op pensioen gaan, mijnheer Etienne.” “Als u in dienst komt, heb ik nog één jaar te gaan.” Schouderklopje en af. Opbrouck: “Etienne staat in voor het onderhoud en is de oudste medewerker hier. Een lieve mens. (stilte) Ik voel bij veel mensen in dit huis een opluchting. Niet omwille van mijn opdracht, wel omdat er op deze manier continuïteit kan zijn. Dat was ook een argument binnen de acteursgroep: als we nu weer moeten wachten op een nieuwe grote regisseur… Dat zou het huis moeilijk aankunnen, in deze fase. Wachten op iemand die van buitenaf komt, die dan eerst het huis en de mensen moet leren kennen. Wij zitten hier nu in deze schouwburg, een van de mooiste en beste in Europa. Op een historische plek. Waarom zouden we die oefening niet maken, het zelf in handen houden? Daarbij heb ik zo’n beetje de taak van formateur gekregen. Iemand moest het doen, en ik ken de Gentse context goed. Ik heb in on­ geveer elk huis hier al gespeeld: bij LOD, Victoria, Nieuwpoorttheater, in Vooruit, de Minard… Gent is een fantastische theaterstad — en dat is geen zeem aan de baard van de mensen hier. Dat is gewoon een feit, als je vergelijkt met andere steden. Het is zoals Steven Van Watermeulen zei: we zijn hier allemaal zo graag. In dit huis, maar ook in Gent.” Niet zo lang geleden kreeg de ‘Hollandse invasie’ in NTGent nog kritiek.

“Dat was zo een nutteloze discussie. Er blijft al zo weinig gemeenschappelijks over in dit taalgebied. Johan heeft inderdaad ‘une sauce

hollandaise’ op de menukaart gezet. Maar als we ons nu al gaan beperken tot de tegenstelling Vlamingen versus Nederlanders… Wat is dan de volgende stap? Dat ik als West-Vlaming alleen maar in Kortrijk of Roeselare mag spelen? Dat is pure kleingeestigheid die opspeelt. Als je ziet hoe een collectief als Wunderbaum in deze stad functioneert, wat dat teweegbrengt bij een jong publiek. Zij zijn indertijd ook maar met Johan mee­ gekomen, maar ze hebben hun stek hier verworven, als mensen en op basis van hun artistieke merites. Laat dat duidelijk zijn: NTGent wordt vanaf 2010 niet Vlaamser. Integendeel. De deuren en ramen blijven openstaan. Zo is het goed. We willen ook per se een poot in Amsterdam blijven behouden, als speelplek. Uiteraard.” Nog een stevig argument contra: de niet geringe schuldenberg.

“Weet je, psychologisch is dat stilaan meer een voordeel aan het worden, want het kan niet veel erger zijn dan nu het geval is. Onze zakelijk leider en de voorzitter hebben zich daarin vastgebeten als pitbulls, er is een analytische boekhouding gekomen, een af betalingsplan… Er moet op dat vlak een soort mentaliteit ontwikkeld worden, een eerlijke communicatie. Er is een enorm lijk uit de kast gevallen: dat historische deficit. Daarnaast zijn er wat schulden bij gekomen toen Johan is begonnen, om het huis op de kaart te zetten — iets wat inherent is aan een overname. Het voordeel voor ons is: we weten het nu. We weten perfect hoe het in elkaar zit. (denkt na) Misschien moeten we een soort van ‘Vrienden van NTGent’ oprichten  — dat is een van de romantische ideeën die ik heb. We zullen zien. “Ik ken niet alle rekeningen in detail. Toen dat lijk uit de kast viel, dat was een enorme schok. Maar het heeft een mentaliteit doen ontstaan van ‘wij tegen de rest van de wereld’. Ook dat kun je weliswaar geen drie jaar volhouden. Er moet nu echt een perspectief worden gecreëerd. En dan lukt het wel.”


NTGent heeft een nieuwe artistiek leider. Scène 2. Het wordt nog iets drukker in de foyer. Opbrouck: “Aha. Ziedaar. De zakelijk leider van NTGent, alreeds in functie…” Tegen Kurt Melens: “Ik ben mijn demonen aan het uitdrijven: allemaal redenen om het niet te doen.” Melens: “Zo kan ik er nog wel wat bedenken.” Opbrouck: “Smeerlap.” Contra voor deze job: Wim Opbrouck is een notoir twijfelaar.

“Is dat jouw vraag: of een twijfelaar zo’n functie aankan? Ik cultiveer dat imago misschien wel een beetje. Pas op, ze zijn er ook altijd, mijn twijfels — maar ik koester ze evenzeer. Omdat het mag. Het is een soort van lancering. Het mooiste aan Johan Simons is dat hij dat toelaat, die twijfel. Dat hij zegt: nu weet ik het even niet meer. Het ergste wat je als acteur kan overkomen — en dat is ook zo in een werkgever-werknemer­ situatie — is een baas die zegt: ik weet het, terwijl hij het niet weet. Zo wil ik nooit zijn. Nooit. Nog liever zeggen: ik weet het niet, dan de schijn ophouden met de woorden: ik weet het wel hoor. Ik vind dat het ergste wat er bestaat en het keert sowieso als een boemerang terug. “Dus als ik als mens bang ben voor iets, waarom zou ik dan aan iedereen verkondigen dat ik niet bang ben? En voor alle duidelijkheid: over die artistieke droom, daarover heb ik niet de minste twijfels. Het gepieker is meer op het persoonlijke niveau. “Voor de rest: er is hier dus ook een zakelijk leider, met name de heer Kurt Melens, die zal moeten zeggen: we hakken die knoop door. En dat kan ik ook. Als ik geen knopen zou kunnen doorhakken, dan zou ik niet staan waar ik nu sta. Dan zou ik nog altijd rondjes rijden onder de kerktoren. “Mijn twijfels zijn veeleer van existentiële aard. Ze staken de kop op toen ik vader werd, een huis kocht. Dat soort zaken. Als je een grote beslissing moet nemen, begin dan

met het worst case scenario, dan ben je daar al vanaf. Het is een soort zelf bescherming. “Er is niks mis mee om met je hoofd tegen de muur te knallen. Alleen, van buitenaf staan er altijd mensen klaar om de zaak af te branden. Die gretigheid zie ik in veel situaties. Dat is zo voor een nieuwe trainer van een voetbalploeg, maar ook in de kunsten. Jan De Cock wordt geïnterviewd in het MoMa in New York en de laatste vraag van het interview moest toch weer zijn: kunnen we ons dat nog wel permitteren? Is onze Jan De Cock niet te zeer omhooggevallen? Daar krijg ik iets van, van dat soort kleingeestigheid. We moeten ambitieus durven zijn.” Argument contra en een oud Vlaams gezegde: hoge bomen vangen veel wind.

“Daar heb ik nu niet zo veel schrik van. Hoewel. Ik zat gisteren naast Yves Leterme in Phara (op Canvas, SH) en ik dacht: mijn god, wat een eenzaamheid. Hij zei het zelf ook wel. Nu moet ik me ook niet gaan verstoppen achter het ensemble, maar het idee is wel dat we vanuit een collectief starten. Alleen, ik begrijp ook wel dat mijn kop dat genereert. Dat je kritiek krijgt als je dingen maakt, dat hoort erbij. De ene keer raakt het je al wat meer dan de andere keer. Maar meestal is kritiek gezond. Het hangt ervan af. In die zin zal het niet eenvoudig zijn om… Hoe moet ik dat omschrijven? (denkt na) Als blijkt dat ik mijn handtekening moet zetten onder een contract dat het mogelijk maakt om dit ensemble samen te houden, dan wil ik graag een hoge populier zijn. Beter zo dan halfhalf. “Er komt wel een aantal dingen bij, en daar ben ik nog niet uit. Situaties als acteur: dat je in première gaat, dat je op de planken staat… In dat opzicht ben ik dubbel kwetsbaar. Ik kan als acteur kritiek krijgen, maar in de toekomst kan ik ook op het beleid worden aangesproken. Daar denk ik wel over na. Mijn angst bestond er onder meer in dat ik anders bekeken zou worden door mijn medeacteurs. Maar ik merk tijdens de gesprekken…”

Ook dat argument staat op mijn lijstje: hoe zult u zich tot uw collega’s-acteurs verhouden in de toekomst? Zal het niet raar worden om samen op scène te staan?

“Gelukkig behoren we tot een andere generatie acteurs. Wij zijn anders opgevoed. Elsie de Brauw wil blijven, Els Dottermans, Aus Greidanus jr., Frank Focketyn, Kristof Van Boven… Ook Steven Van Watermeulen wil heel dicht betrokken zijn. Ik moet voor mezelf ook heel erg het idee hebben van ‘samenwerken’ — dan kan ik veel meer aan. Want alleen? Artistiek leiderschap as we know it? No way. Dat is het echt niet. We willen een ander werkmodel. Ik zeg dat niet om me aan mijn verantwoordelijkheid te onttrekken, hoor. Het is gewoon zo. “Het enige nieuwe aan die collectiefgedachte is dat het zich binnen een stadstheater voordoet. Maar dat maakt het ook boeiend. Als we het doen, moeten we ons op die manier ook profileren tussen de andere stadstheaters. Antwerpen lijkt op dat vlak meer een productiehuis met verschillende productiekernen, die schijnbaar onafhankelijk van elkaar actief zijn. Brussel is nog een ander idee, maar ook met verschillende makers. Wij willen echt de troeven van een ensemble op tafel leggen.” Mogelijk argument contra: de nieuwe voorzitter zal het u nooit vergeven als het mislukt?

“Het klikt met die man, absoluut. Luc Van den Bossche is een zeer sterke voorzitter, een monument, een staatsman, een pitbull ook. Daarom klikt het ook zo met Johan: ze zijn allebei no-nonsense. Om een of andere reden zet Luc alles op alles om dit huis te redden. Het is gewoon indrukwekkend om te zien hoe hij vergaderingen leidt. Je kunt er niet zo gemakkelijk omheen, laat ik het zo zeggen. Kortom, het is de best denkbare voorzitter voor dit huis op dit moment. Hij is ook het type van de crisismanager, en dat is hier toch een beetje aan de hand. Een beheersbare crisis, welteverstaan, maar toch. Iedereen voelt aan dat hij en Johan

elkaar daarin perfect vinden: ze stampen de zaak echt vooruit. Anders kan ik het niet formuleren: stampen, ja. Het is alleszins niet op halve kracht.” Nog een reden dan maar. Door deze job te aanvaarden, wordt de langverwachte doorbraak van De Dolfijntjes weer eens uitgesteld.

(lacht) “Ja, De Dolfijntjes. Dat is een never ending story. Inderdaad, het klopt wat je zegt. Maar als onze nieuwe plaat internationaal doorbreekt, dan zeg ik het huis vaarwel. Dat begrijp je wel (knipoogt). De release van de nieuwe plaat is voor augustus, vermoedelijk. Ik wou al lang nog eens een sterke plaat maken met De Dolfijntjes en ik denk dat we dat nu gedaan hebben. We hebben het ook ambitieus aangepakt: we hebben de ICP-studio geboekt, een soort van Disneyland voor muzikanten. En Ron Reuman heeft het geproducet. Echt met alles erop en eraan. Maar we doen het volledig in eigen beheer, we hangen van niemand af.” Zult u aarzelen om De Dol­fijntjes te programmeren in dit huis?

“Neen, niet echt. We zien wel. Wat ik hoe dan ook vind, is dat de deuren van het huis wat meer zouden mogen openstaan voor goede rock-’n-roll. Als Tom Waits in de Bourla komt spelen, dan mag Randy Newman hier ook staan. Dat zouden we moeten proberen. Natuurlijk, er zijn al huizen voor muziek: Vooruit, de Handelsbeurs… Maar voor theatrale, intieme concerten is dit een perfecte zaal. Er is ook een circuit dat op dit moment in Gent niet aan bod komt. “Dat brengt me bij een ander aspect. Er zijn zeker jonge gasten in het theater die nu te weinig kansen krijgen om in de grote zaal te werken. Of om repertoire te maken. Met een goeie mix van acteurs. Dat heb ik ook gemerkt op Theater Aan Zee vorig jaar, toen ik daar als centrale gast in de jury zat voor Jong Theater. Er is veel talent dat, mits goed begeleid, zeker brokken kan maken, artistiek

gesproken. Want vaak is het zo, als ik het bekijk: jong zoekt jong op. Om maar te zeggen: een jonge maker zoekt een jonge technicus, enzovoort. Terwijl het natuurlijk zeer boeiend kan zijn om jong en oud in één productie te verenigen. “Met de acteurs die we hier hebben, is dat ook een uitgesproken wens. Straks zijn alle Simonsen en Perce­ vallen op pensioen, bij wijze van spreken. Waar zitten de opvolgers? Die kweekvijver is er nu niet echt. Ik heb Luk Perceval hierover aangesproken, toen ik hem raad vroeg voor onze situatie, en hij had ook iets van: ga ervoor met dat ensemble en ga voor nieuwe, jonge regisseurs. Akkoord, in het verleden — ik denk dan aan Het Toneelhuis onder Luk —  is die ambitie niet over de hele lijn gerealiseerd. Wellicht was het ook moeilijk voor de jonge generatie om uit de schaduw van zo’n grote naam te komen. Je ziet dat hier in Gent ook een beetje: het is niet eenvoudig om, onder het bewind van Johan, je draai te vinden als jonge regisseur. Johan is toch een beetje de zon waar alle planeten en satellieten rond draaien. Ik ben dus benieuwd om te onderzoeken wat dat geeft als een groep ervaren acteurs het beleid uitmaakt, welk effect dat zal hebben op de jongere generatie. Ik hoop dat het lukt. “Daar waarschuwde Luk mij ook voor. Hij zei: de droomfase is de mooiste fase. Maar dan word je al snel geconfronteerd met het schrappen en snoeien in je dromen, veeleer dan met het realiseren ervan. Dat is een moeilijke evenwichtsoefening en ik kan me er maar beter op voorbereiden.” Laatste argument contra en een echte dooddoener: theater is passé.

“Maar het theater is juist spring­ levend! Ik ben onlangs naar Abattoir Fermé gaan kijken, de zaal zat vol jonge mensen. Hetzelfde geldt voor Wunderbaum. Meer en meer in deze sombere tijd is er een soort van herop­ leving van het theater bezig. Mensen komen graag naar mensen kijken. Dat krijg je ook nooit kapot. Zelfs al

moeten we als acteur op straat gaan spelen. Die behoefte is van alle tijden. Gelukkig is in het theater ook de concurrentie met film voorbij. Er is een tijdlang geprobeerd om op het toneel dezelfde snelheid aan de dag te leggen als in een filmmontage, maar dat moet je niet als voorbeeld willen. “Ik droom eigenlijk van een marathon, weer. Om daarmee te openen. Als statement. Binnenkomen in het theater en er twaalf uur later weer buitenkomen. Dat gretig consumeren. Gecharmeerd worden. Het moet geen Ten oorlog zijn, maar ik droom toch opnieuw van zo’n ervaring — ook voor het publiek. Pas op, theater moet geen event zijn — in de commerciële betekenis van dat woord. Maar het mag wel een evenement zijn. En neen, dat is verre van passé. Mochten er geen tickets meer verkocht worden, dan zou ik je misschien nog gelijk geven. Maar dat is niet zo. “Er is bij Johan ook geen lijn in te trekken: klassiekers als de Oresteia staan naast theaterbewerkingen van romans van Arnon Grunberg. Het mooiste compliment kregen we in Polen. Er was iemand komen kijken naar Platform en De asielzoeker en een jaar later naar Het leven een droom. Die kon niet geloven dat het telkens weer van dezelfde regisseur was… Voor ons als speler is dat het schoonste: blijven verrassen. Ook in wat het huis genereert. Servé Hermans en Jeroen Versteele organiseren hier de Talk of the Town (een format voor literatuur en actualiteit, SH). Wel, mensen komen daarop af. Dat zorgt op zichzelf al voor een dynamiek. Ik heb het gevoel, kortom, dat we ons als huis, maar ook als groep, echt in deze stad genesteld hebben. Dat merk ik ook aan de gesprekken achteraf. Ik krijg van alle kanten te horen: ga ermee door, alsjeblieft. Er kwamen al sms’jes binnen met de woorden: ‘Gent is gered’. Dat laatste is, mja, lichtjes overtrokken. Maar je voelt oprecht enthousiasme bij veel mensen: oef, het stopt niet.”

— Steven Heene


Niet bang! Voor de duisternis, niet bang Voor de storm op zee, niet bang Voor de hond die gromt, niet bang Voor het scherpe mes, niet bang Voor de zwarte kat, niet bang Voor de wind die waait, niet bang Voor de bliksemflits, niet bang Voor de donderknal, niet bang Voor de volle maan, niet bang Voor de woeste orkaan, niet bang Voor de vreemde man, niet bang Voor het Vlaams belang, niet bang Voor het volk, niet bang Voor de dolk, niet bang Voor het water diep, niet bang Voor de varkensgriep, niet bang

Voor de kop vol stront, niet bang Voor de grote mond, niet bang Voor de dood die komt, niet bang Voor de open wond, niet bang

Voor de recensent, niet bang Voor de slimste mens, niet bang Voor de kale nicht, niet bang Ik hou de ramen dicht, niet bang

Voor de hartendief, niet bang Voor de belastingsman, niet bang Voor de duivel zelf, niet bang Voor het vagevuur, niet bang

Voor het witte blad, niet bang Voor de onderkant, niet bang Voor de terrorist, niet bang Voor de houten kist, niet bang

Voor de islamiet, niet bang Voor de christenhond, niet bang Voor de roddelkliek, niet bang Voor de politiek, niet bang

Voor de sigaret, niet bang Voor mijn zwaar gewicht, niet bang Voor de hartaanval, niet bang Voor het nagerecht, niet bang

Voor de bietebauw, niet bang Voor onze lieve vrouw, niet bang Voor de journalist, niet bang Voor de viezentist, niet bang

Voor de overkant, niet bang Voor het bos dat brandt, niet bang Voor het laatste maal, niet bang Voor de eeuwigheid, niet bang Lalalalalalalalala

foto Dimitri Van Zeebroeck

Optimism is a moral duty


Geacht publiek, Aan het woord gaat naar verluidt niets vooraf, niet eens een woord vooraf. Het woord was er in den beginne. Toch gaat aan mijn soort woorden meestal de schrijver vooraf. Ikzelf ben van nature geen schrijver, ook niet van woorden vooraf. Ik ben een uitspreker, die niet uitgesproken raakt. Een toneelspeler. Speler van tonelen. Ik bedien mij van woorden, ik leef bij de gratie van de dichter die me woorden in de mond legt. Kreten en gefluister. Woorden die zalven en woorden die slaan. Ze doen pijn en vertellen sprookjes. Ik hou van woorden, ik hou van de taal die mijn moeder mij heeft geleerd. Moedertaal en grootmoedertaal. In hun taalbaden ben ik gedrenkt. Mijn hiel is het sprakeloze.

Mijn grootmoeder sprak en brak in duizend woorden. Zij was een oceaan van verhalen. Graag verdrinken in woorden: ik heb het van haar. In het theater wordt het woord telkens opnieuw geboren. Het theater is het epicentrum van de verbeeldingskracht. In het theater kan de aarde beven en de hemel neervallen. Wat op papier staat, krijgt een adem en gaat leven tussen twee gordijnen. Woorden zijn hamer en beitel van de fantasie, zij worden gesmeed in grote verhalen over goden, de mens, de stad en de wereld. Acteurs houden hartstochtelijk van woorden. ‘Pijnstiller’ vind ik een mooi woord. Mag de pijn stiller? Acteurs banen zich een weg naar de ziel, in de hoop iets te begrijpen van het onbegrijpelijke. In de ziel kijken en vertellen wat daar te zien is: misschien is dat het wezen van acteren. Laat mijn woord vooraf aan het nieuwe seizoen een ode aan het woord zijn, en een lofzang op de speler. Een pleidooi voor de magie. NTGent staat voor een ensemble van acteurs. De schouwburg is ons nest, de plek waar we ons thuis voelen en waar we risico’s nemen.

Aida*, 2010 foto Phile Deprez

Verbeelding wordt niet gevoed door voorspelbaarheid, maar door nieuwsgierigheid en verwondering. Zoeken en geven. Daarom nodigen we gasten uit met wie we een verhaal hebben of willen: acteurs, regisseurs, choreografen, muzikanten, ontwerpers… Laat dit stadstheater een ontmoetingsplaats zijn voor mensen en hun gedachten. Laat het een huis van spelers zijn, waar het allemaal kan komen, gaan en blijven: spelers van het huis, spelers van elders, de woorden, hun verbeelding en, natuurlijk, u. Zonder u speelden wij niet eens een woord vooraf. Welkom in NTGent.

foto Phile Deprez

Aida*, 2010 foto Phile Deprez


foto Dimitri Van Zeebroeck

Nero, 2011 foto Kurt Van der Elst

foto Jan Versweyveld

foto Dimitri Van Zeebroeck


Dames en heren, Iemand staat op en zingt een treurig melancholiek lied. Een klacht. Iemand valt in met een tweede stem, Een derde komt erbij, en nog één, en nog één, tot meer en meer stemmen de donkere zaal vullen. Plots zingt het uit duizend monden. De zangers, de spelers, het huis, het publiek, de oude muren van de oude schouwburg. Alles trilt en vibreert in een perfecte samenzang. Daarna stilte. Iemand vertelt een verhaal, een vreemde maar waargebeurde geschiedenis. De monden houden hun adem in. Stilte is de beloning van de toneelspeler.

In het theater kan je de stilte voelen, tastbaar maken. Daarna een applaus. Handgeklap is als een regenbui op een warme zomeravond. Daarna een buiging. De spelers staan op een rij en groeten het publiek. Zo gaat het al vele eeuwen lang. Seizoen na seizoen. Verhalen vertellen, theater maken. Over mensen, over verloren zielen, over ons aller zielen, over kunst, over religie, over seks, over politiek, over de dieren,

over de planten, over de zon en de maan, en de sterren, over de schoonheid, over de lelijkheid, over de stad en over de wereld. U bent massaal komen luisteren naar onze verhalen en esbattementen. Een seizoen lang kwam u bij ons over de vloer. Weet dat u zeer welkom bent in NTGent. Want een theaterseizoen is meer dan de som van alle delen. Het is een gedeelde passie. Gedeelde vreugde, gedeeld verdriet. Het komen en gaan van de seizoenen is van een geruststellende zekerheid. De regens en de zomers. Najaar wordt weer najaar in slechts een zucht. De Japanse kerselaars staan in bloei, een nieuw theaterseizoen hangt in de lucht. We hebben er niet op bespaard, het is een vol seizoen, een gulzig, gretig seizoen. Veel theater, veel muziek, nog altijd midden in de wereld, nog altijd midden in de kunsten. Geven! Altijd weer opnieuw geven! Alles geven! Dames en heren, geacht publiek, In de naam van alle spelers en in de naam van al onze medewerkers... Wees gegroet.


foto’s Dimitri Van Zeebroeck


Geacht publiek, Het is zelden dat wij elkaar ontmoeten. U kijkt naar ons. Wij spelen voor u. Zo simpel is het. U komt de zaal binnen, wij zijn er meestal al. U maakt geroezemoes, wij houden ons stil en zitten in de coulissen verborgen. Wij zien hoe u plaatsneemt, hoe u het programmaboekje leest. Wij bespieden u door kieren en spleten, of door een eeuwenoud kijkgaatje in het ijzeren brandscherm. Wij zien hoe u om zich heen kijkt, uw gsm uitschakelt, en wat heen en weer schuifelt in de rode pluchen stoelen. Sommigen van ons durven niet naar het publiek te gluren, anderen doen het ongegeneerd. Dan gaan de deuren dicht en begint de voorstelling.

Tijdens de voorstelling bent u aandachtig, verstrooid, verveeld, ontroerd of een combinatie van nog honderd andere emoties. U lacht, niest, hoest, huilt, gniffelt, slikt, snuift, gromt, slaapt, geniet… Op sommige avonden hangt er iets in de lucht. Magie. Dan ademen wij, publiek en spelers, dezelfde adem en valt alles op zijn plaats. Dan dwarrelt er sterrenstof over onze hoofden. Zulke avonden zijn zeldzaam en kostbaar. Wij moeten ze koesteren als een warme herinnering aan iets wat lang vervlogen is. Na afloop bedankt u ons met een applaus, wij u met een buiging. U verlaat de zaal, wij verlaten het toneel. Misschien treffen wij elkaar na afloop. Sommigen van u zijn al naar huis, anderen drinken nog iets na. Soms praten wij met elkaar, en delen enkele gedachten over het stuk, meestal blijft het bij een minzaam knikje, een vriendelijk goedenavond. Af en toe steekt iemand van u de duimen in de lucht als teken van appreciatie. Duimen naar beneden zien we zelden. Als u het echt beneden alles vond, lezen we dat op onze website. De dag erna verneemt u samen met ons in de kranten of wij goed of slecht waren. Vervolgens staan wij weer op de planken en herhaalt alles zich opnieuw, en opnieuw… Geacht publiek, u wordt vaak als ‘hoog­ geëerd’ aangesproken. Dat bent u ook. U bent ons zeer dierbaar. Zonder u geen theater. Als we elkaar straks weer treffen in cafetaria of foyer, bedenk dan dat we stilzwijgend familie van elkaar zijn geworden. Wij delen namelijk dezelfde passie. Een verbond in de kunsten. Een grote liefde voor de verbeeldingskracht van het toneel. Welkom in NTGent.

foto’s Dimitri Van Zeebroeck


Schaamtelied Voor het met gif bespoten fruit Voor het trekken aan mijn fluit Voor de sulfieten in de wijn Voor het straalbezopen zijn Voor het misbruik in de kerk Voor de orgie op het werk Voor de walvis en de vangst Voor het leven zonder angst   Schaam ik mij diep Schaam ik mij diep Schaam ik mij diep Schaam ik mij diep   Voor de fundamentalist Louis Paul Boon, de viezentist Als ik klop en ’t is bezet Voor de seks op ’t internet   Voor de kous in de sandaal Als ik klaarkom met kabaal Voor de banken, het venijn Voor dit vrolijk samenzijn   Voor de stoelgang met een plons Voor de slet, de hoer, de slons Voor de paus, het Vaticaan Voor ons liederlijk bestaan   Schaam ik mij diep…   Voor de overlast van Turken Voor het veel te luide snurken Voor de kromming in mijn lid Het masturberen voor ik bid   Voor de puisten op mijn gat Dat ik jou zo blind aanbad Voor het stinken uit mijn bek Voor de veren en het pek  

Rood, 2013 foto Phile Deprez

Voor het missen van een gen Voor de man die ik niet ben Voor de schaamte diep in mij Ja, zelfs daarvoor schaam ik mij Schaam ik mij diep…  

Candide, 2013 foto Phile Deprez

BNP de Paribas KBC en Dexia Voor de overlast aan stank Mijn geld stond op de Fortisbank Voor het plassen in het wild Voor het dragen van een kilt Voor Jos Ghysen en zijn bed Voor de hiaten in de wet

Voor mijn body mass index De tyrannosaurus rex Die al uitgestorven is Voor de hondenpoep en kattenpis Schaam ik mij diep…   Voor de chiwawa van mijn mama De reclames van de Gamma Voor mijn fietsbroek vol met zeem En mijn crocs in ’t algemeen   Fukushima, Tsjernobyl De grijze haren op mijn bil Voor mijn geroep op luide toon Bij het voetbal van mijn zoon   Voor de kindjes in de kelder Voor de jeuk aan mijnen selder Dat ik stiekem veel te hard in jou en de bebouwde kom En te vaak en ongevraagd Dezelfde grappen weer opsom   Schaam ik mij diep…


Nieuwe zonsopgangen. Geacht publiek, Het angstige vermoeden dringt zich op dat het einde der tijden nabij is. Het wordt warm onder onze voeten, zo warm dat het sneeuwt in april. Er is een zware storm op komst. De stilte voorspelt onheil, het is koud. De gedachten zijn duister. King Lear is de weg kwijt, of lijkt dat alleen maar zo? ‘When we are born, we cry that we are come, to this great stage of fools.’ De oude Lear staart in het donker, voelt de sneeuw dwarrelen in zijn hoofd, en komt tot een glashelder inzicht. Alle begin draagt het einde reeds in zich, zonder pardon, zonder genade. Wij zijn passanten, voorbijgangers. Wij zoeken hier en daar onderdak, in de hoop gespaard te blijven voor de hevige regenval. Zo leven wij en proberen wij het onbegrijpbare te begrijpen. Door schoonheid, door religie, door filosofie, door literatuur, door de kunst, door de cultuur. Die Kultur! ‘Alle Kunst ist der Freude gewidmet.’ (Friedrich Schiller) Ik las dit citaat op een bladwijzer van de uitgeverij Hatje Cantz. Een zoveelste slogan over hoe de kunst zich moet verhouden tot de wereld. Al vind ik niet dat de kunst enkel en alleen de vreugde moet dienen. De kunst is er ter lering én vermaak. Kunst veredelt en verheft de harten. De kunst moet ons wapenen tegen de Apocalyps. De kunst is ons harnas tegen de barbaren. Voorwaarts! Niet bang zijn! De barricaden op! Er is nog hoop, geacht publiek. Wij kunnen het nog halen op het einde der tijden. Op het toneel kunnen we nog onoverwinnelijk zijn, bovenmenselijk. Op het toneel wordt het onzichtbare telkens opnieuw zichtbaar. Hier vechten we tegen de storm. Daar gaat het om. Dit is wie wij zijn. Een huis van spelers. Wij zorgen ervoor dat het doek blijft opgaan. Samen met u zorgen wij voor nieuwe zonsopgangen. Het theater kan de wereld niet redden, maar het kan de wereld die het tot onderwerp heeft wel veranderen, al was het maar voor even, voor de duur van die ene voorstelling, op die ene avond in dat ene seizoen. Kom af en toe eens langs. Wij bieden u graag onderdak.

foto Phile Deprez


Parsifal , 2014, foto Kurt Van der Elst

foto Dimitri Van Zeebroeck

foto Dimitri Van Zeebroeck


Geacht publiek, Ik ben van de ouderwetse gedachte dat de tekst geboren wordt op de tong van de speler, dat het theater gesmolten wordt uit de verbeelding, dat tussen twee gordijnen alles mogelijk is. Ik ben van de romantische gedachte dat de schouwburg een heilige ruimte is waar oude rituelen zich voltrekken. Ik hou van de samenzwering, de verhalen, het repertoire, het zingen van de muren, het zuchten van de rode pluche. Ik hou van de verborgen repetitieruimtes waar dromen werkelijkheid worden en de waarheid gekneed wordt naar iets wat erop lijkt. Ik hou van de schouwburg en zijn fluisterende wandelgangen, de rust van een lege zaal, het verlaten toneel. Ik kan uren kijken naar technici die licht maken in het donker, klanken tappen uit mengpanelen, huizen bouwen van karton. Ik hou van het zachte zoemen van een naaimachine in het kostuumatelier, waar men de mooiste stoffen voor de keizer knipt. Het blijft het kloppend hart van een theater. Zij die maken, zij die doen, zij die spelen, zij die vechten, verliezen, overwinnen, incasseren, bergen beklimmen, zij die vallen en weer opstaan, bedenkers van brood en spelen. Acteurs, ontwerpers, technici, kleedsters, boekhouders, verkopers, planners van plannen, dramaturgen, communicatieverantwoordelijken, verbindingsofficiers, koks, kuisploegen, vrijwilligers, gidsen, publieke werkers, dames van het onthaal, programmatoren en directeuren, bonk bonk bonk, doet het hart dat pompt. Het theater pulseert door de eeuwen heen, het baant zich een weg door de geschiedenis en verbindt zich met de stad, met zijn inwoners en met de hele wereld. Het vervelt zoals een slang in de woestijn. Generaties komen en gaan, steeds nieuwe theatermakers snijden de tijden aan en bevolken het toneel met de wonderlijkste verzinsels die de maatschappij een spiegel voorhouden. “Het toneel is met de mens geboren, en zal niet eerder dan met de mens ten onder gaan. In zijn oude evolutie heeft het goede en slechtere tijden beleefd. Maar geen crisis vermocht ooit zijn leef baarheid in gevaar te brengen. Uit alle inzinkingen wist het telkens krachtiger op te staan.� (Herman Teirlinck) Ik wil dit credo (zeker in woelige tijden) graag blijven geloven, ik kan niet anders. Ik heb het zo geleerd van de oude meesters, de sjamanen. Zij hebben het ons voorgedaan, de weg getoond. Wij hebben op onze beurt die weg weer verlaten, zijn verloren gelopen en hebben nieuwe vruchtbare gronden ontdekt. Anderen zullen dan weer in onze voetsporen stappen, misschien heel even hand in hand, om vervolgens afscheid te nemen, een kort adieu, en dan weer verder. Het is de eeuwige wederkeer, in de kunsten is dat voelbaar. Het doorgeven van de teksten, de verhalen, de oude liederen, de knepen van het vak. Soms ontmoeten de generaties elkaar, toneelspelers, acteurs, komedianten, troubadours, ergens op een kruispunt. Dan gaan de stenen praten, het bos wandelen, de vissen vliegen. In 2015 bestaat het Nederlands Toneel Gent 50 jaar. De ontmoeting is in zicht, met onze voorgangers, onze nakomelingen, de spelers van nu, het publiek, de critici, en alle liefhebbers van het theater. Om tot in het diepste der diepten te vieren waar we zo van houden. De nobele kunst van het toneelspelen. Boem! Paukenslag!


En avant, marche!, 2015, foto Phile Deprez En avant, marche!, 2015, foto Phile Deprez

foto Armin Smailovic

foto Dimitri Van Zeebroeck


artistiek leider 2010-2015 wim opbrouck

Het artistiek leiderschap van Wim Opbrouck (1969), die al sinds 2005 als acteur en ensemblelid aan het Gentse stadstheater is verbonden, ving aan in september 2010 met de productie Aida*. Het was muziektheater in de breedste betekenis van het woord, verwijzend naar de beroemde opera van Verdi (die in 1871 zijn compositie in opdracht had geschreven naar aanleiding van de opening van een nieuw operagebouw in Caïro). De ondertitel luidde Optimism is a moral duty, een citaat van de wetenschapsfilosoof Karl Popper. De eindregie was van Frank Van Laecke; een glansrol was weggelegd voor de Zwitserse tenor Christoph Homberger: hij dirigeerde een gelegenheidskoor van werknemers van NTGent (van de poetsvrouw tot en met de zakelijk leider) op scène en leerde avond na avond het publiek aan om te parti­ciperen in het collectieve gezang. Het koor van NTGent-medewerkers werd ook uitgenodigd, samen met de fanfare KMV De Leiezonen, om het muzikale orgelpunt te ver­ zorgen op Odegand, het jaarlijkse stadsevenement van het Festival van Vlaanderen. De toon voor het thema ‘optimisme’ was daarmee gezet. Tijdens de jaren onder Opbrouck werd NTGent herdoopt tot een Huis van spelers. Het vaste ensemble, indertijd samengesteld door regisseur Johan Simons, werd uitgebreid met Lien Wildemeersch, Chris Thys en Bert Luppes. Schrijver en dichter Bernard Dewulf kwam de dramaturgie vervoegen en de jonge Vlaamse regisseur Julie Van den Berghe kreeg een vaste plaats in het ensemble, naast schrijver en theatermaker Peter Verhelst.

NTGent zette in op een verdere verbreding van het publiek en ging velerlei vormen van artistieke samenwerking aan: met regisseur Ivo Van Hove en Toneelgroep Amsterdam (Kinderen van de zon), regisseur Eric De Volder en Toneelgroep Ceremonia (Frans Woyzeck), het Antwerpse spelers­ collectief STAN (Decemberhonger), het Nationale Toneel uit Den Haag (met regisseur Susanne Kennedy voor De bittere tranen van Petra von Kant, haar debuut in de grote zaal, en Kleine Eyolf; met regisseur Theu Boermans voor De ideale man), met het Amsterdamse productiehuis Frascati (Het meisje dat te veel van lucifers hield en Messen in hennen, beide in een regie van Julie Van den Berghe), met het Rotterdamse collectief Wunderbaum (een zogenaamd Clauskamp getiteld Thyestes, een productie naar een tekst van Arnon Grunberg: Onze Paus), met theaterhuis Rote Fabrik uit Zürich (Candide in een regie van Michel Schröder), met HETPALEIS (Kleine dagen, een geënsceneerde lezing door Bernard Dewulf), met Schauspiel Köln (de familievoorstelling Hans en Grietje), met regisseur Luk Perceval en Thalia Theater Hamburg (FRONT Polyphonie), met choreograaf Alain Platel en les ballets C de la B (tauberbach, in coproductie met de Münchner Kammerspiele), met Olympique Dramatique en Het Toneelhuis in Antwerpen (AUGUSTUS ergens op de vlakte), met Josse De Pauw, KVS en Flat Earth Society (Revue Ravage naar een tekst van Tom Lanoye), met het regisseursduo Frank van Laecke en Alain Platel (En avant, marche!). Om maar enkele voorbeelden te noemen. Voor een compleet overzicht: zie elders in dit abecedarium.

In het rijtje regisseurs in de jaren 2010–2015, vast en te gast, vinden we namen terug als: Peter Verhelst, Julie Van den Berghe, Ivo Van Hove, Eric De Volder, Jan Bijvoet (Bruid in de morgen), Marijke Pinoy (Ginds tussen de netels), Susanne Kennedy, Dimiter Gotscheff (Tartuffe), Servé Hermans (Hans en Grietje), Jan Eelen (God van de slachting), Koen De Sutter (Rood), Michel Schröder, Luk Perceval (Plato­nov), Johan Simons (Vals), Stijn Van Opstal en Tom Dewispelaere (AUGUS­ TUS ergens op de vlakte), Josse De Pauw (Revue Ravage), Alain Platel en Frank Van Laecke (Gardenia). Het beleidsaccent bij uitstek van Wim Opbrouck als artistiek leider was de zogenaamde optimisme-trilogie Aida*, Candide en Parsifal. Muziektheater dat op zoek ging naar een geloofwaardige manier om over maatschappelijke vooruitgang na te denken, als tegengif voor cynisme en wanhoop. In elk van deze producties speelde de Zwitserse tenor Christoph Homberger een centrale rol, op en naast de scène. De trilogie kreeg in het najaar van 2014 nog een vervolg met de voorstelling We Shall Overcome. Friede, Vrede, Paix, Peace, Pax: een montage van bekende en minder bekende vredesliederen uit de wereldgeschiedenis, uitgevoerd door Wim Opbrouck en een driekoppige liveband onder leiding van Ron Reuman. De voorstelling werd ook opgevoerd op 30 mei 2015 in de schouwburg in het kader van vijftig jaar NTGent, tijdens het Groot Verjaardagsfeest. In het laatste kalenderjaar onder leiderschap van Wim Opbrouck, meer bepaald 2014, telde NTGent een recordaantal toeschouwers: 223.000 in totaal, van wie 113.000 in eigen zaal. Het stadstheater behaalde daarmee een bezettingsgraad van 80 procent. In datzelfde jaar werd ook een jarenlange financiële sanerings­operatie succesvol afgerond.


O uit AB C NTG

Het alfabet van NTGent — 2015 uitgeverij Hannibal

ABC NTG  
ABC NTG  

Ter ere van 50 jaar NTGent maken we in samenwerking met Uitgeverij Kannibaal een publicatie: ABCNTG. Vijftig jaar Gents stadstheater in een...