BELGIUM-HOLLAND MAGAZINE WINTER 2020-2021

Page 1

BELGIUM - HOLLAND magazine

WINTER 2020/2021


Colofon Belgium-Holland magazine is een magazine dat wordt uitgegeven door het Nederlands-Belgisch Centrum / Belgium Holland Business Community en tenminste tweemaal per jaar verschijnt en wordt verzonden aan ruim 10.000 lezers. Hebt u suggesties, vragen, tips, opmerkingen of wenst u te adverteren in het magazine, contacteer dan gerust ons secretariaat via secretariaat@nederlands-belgisch-centrum.be. Š 2020 – 2030 Publisher: Nederlands-Belgisch Centrum bvba Alle rechten voorbehouden Niets uit dit magazine mag worden overgenomen zonder voorafgaande toestemming van de uitgever, op beeldmateriaal rusten auteursrechten. Sales Nederlands-Belgisch Centrum bvba tel: +32 (3)295 55 95 secretariaat@nederlands-belgisch-centrum.be Aan deze editie werkten mee: Ivan Cools Erna Alpaerts Chantal Hendrickx Jan Tuerlinckx Carline Vanrobays Kurt Van Heerewaarden Edwin Van Overmeire Yannick Cools Maurice Meesters Nancy Slegers Olivier Michiels Luc Jansen


Voorwoord

Beste lezers,

De Covid-19-pandemie had ons allen het afgelopen jaar stevig in haar greep. Daardoor werd het voor de meesten onder ons een jaar als nooit tevoren. Opmerkelijk daarbij is zeker dat Belgische en Nederlandse fiscale en sociale autoriteiten gaandeweg een flexibiliteit toonden op het terrein van onder meer ‘thuiswerkregelingen’, welke eveneens zonder voorgaande is. Te verwachten valt dat in de loop van het nieuwe jaar toch wel enige wijzigingen op ons af zouden kunnen komen. Nu België weer een regering in volle bevoegdheid heeft, kunnen ook de sedert einde 2018 in een finale fase verkerende onderhandelingen over een nieuw dubbelbelastingverdrag, wellicht worden afgerond. Daarbij staan ons wellicht ook wijzigingen te wachten op het terrein van pensioenen, de specifieke compensatieregelingen, de regelingen voor hoogleraren en ander onderwijzend personeel, artiesten en sportbeoefenaars, …

Hopelijk wordt 2021 ook het jaar waarin de bevoegde instanties van de respectievelijke Belgische en Nederlandse fiscale overheden, de heersende technische- en uitvoeringsproblemen voor alle belanghebbenden in rustiger vaarwater zullen krijgen. In deze editie van het Belgium-Holland Magazine kunnen we u, benevens fiscaal-juridische bijdragen, alvast ook weer kennis laten maken met tal van boeiende relaties die grensoverschrijdend actief zijn. Zo gingen we onder meer in gesprek met burgemeester Marga Vermue van grensgemeente Sluis, spraken we met opiniemaker Peter De Keyzer over het samengaan van Vlaanderen en Nederland, met General Manager Erik Schroeven van de Nederlandse Kamer van Koophandel voor België en Luxemburg, met Willem Bongers-Dek en Ben De Reu van Cultuurhuis DeBuren, met Nederbelgische chef-kok Ivo Schaap, en nog veel meer. Voor onze Spanje-liefhebbers maakten we aangenaam kennis met Mike en Simone van Villa Pepita in het Andalusische Riogordo. Ook Mike en Simone zijn heuse Nederbelgen en runnen onder meer het bekende Antwerpse restaurant ‘De Peerdestal’. Ik wens jullie alvast veel leesplezier en zonder meer een mooi en vooral gezond 2021 toe!

Ivan Cools


EEN GREEP UIT DE P. 8 Volgens Peter de Keyzer moet Vlaanderen aansluiten bij Nederland

P. 20 Nederlands burgemeester Marga Vermue over de uitdagingen van een grensgemeente

P. 26 Grensoverschrijdend culinair genieten bij Nederbelgisch chef-kok Ivo Schaap


EZE WINTEREDITIE P. 30 Carline Vanrobays en de verplichte LIMOSA-melding

P. 76 Zware corona tijden voor het Euregio Jeugdorkest

P. 114 Onthaasten in Villa Pepita in Zuid Spanje



POLITIEK & MAATSCHAPPIJ __________________


Vlaanderen moet aansluiten bij Nederland Met een sprekende column in het Vlaamse weekblad Knack, gooide econoom Peter De Keyzer, de knuppel in het Vlaamse hoenderhok. ‘België is in zijn huidige vorm politiek uitgewoond, dus laten we ambitieus zijn en aansluiting zoeken met Nederland’, is zijn stellingname. Of de uitspraken van De Keyzer louter moeten worden gekwalificeerd als een stevig statement richting de Vlaamse beleidsmakers, wilden wij graag van de oud-hoofdeconoom van Belgische en Nederlandse banken zelf vernemen. We togen daarom naar de Antwerpse binnenstad, waar Peter De Keyzer op vandaag actief is als strategisch communicatieadviseur en publicist bij Growth Inc. No taxation without representation’, was de leuze van de kolonisten in Amerika aan de vooravond van hun onafhankelijkheid. Ze betaalden wel belastingen maar hadden geen zeg over hoe die belastingen vervolgens door het Verenigd Koninkrijk werden besteed. Vrij vertaald: wel betalen, niet bepalen. Het is een rake uitspraak waarmee De Keyzer duidelijk stelling neemt. De Vlamingen zullen de nettobetalers zijn om de gulle plannen van de federale paars-groene regering te financieren. Dat beleid zal gefinancierd worden met belastingen op al wie spaart, werkt, onderneemt, eigenaar is of gespaard heeft. Meer dan 80 procent van de nieuwe belastingen zal door Vlaanderen betaald worden, terwijl die regio niet of nauwelijks vertegenwoordigd zal zijn in het beleid, wat een recept is voor een politieke en economische catastrofe. België heeft eindelijk een nieuwe regering, maar volgens u gaat het al meteen de verkeerde kant op? We hebben dringend nood aan een land dat vooruitgaat, waar veel meer mensen welvaart creëren en waar ‘overheid’ een keurmerk is voor kwaliteit en excellentie. Waar ‘begroting’, ‘tekort’ en ‘overheidsschuld’ woorden zijn die ernstig genomen worden. Waar uitdagingen op de langere termijn op het gebied van energie, defensie, klimaat, mobiliteit of onderwijs zonder taboes beslecht worden. Waar wie bevoegd is, ook verantwoordelijkheid neemt. Mét een visie en binnen een redelijke termijn. Waar politici moeilijke beslissingen nemen én verdedigen. Waar mensen massaal aan de slag zijn, waar ondernemen een tweede natuur is en waar zorg voor elkaar hoog op de agenda staat.

U ziet het met deze nieuwe regering dus niet meteen goed komen? De regering die we krijgen zal alle tegenstellingen nog verder op scherp zetten. We beleven de zwaarste economische crisis in generaties en zitten ondertussen met een ongezien overheidstekort. Het verschil in visie tussen noord en zuid in België staat al jaren een duidelijke marsrichting in de weg. De onafgebroken meningsverschillen over zowat elk strategisch onderwerp en de eindeloze discussie over wie de strategie mag bepalen, wie aan het roer mag zitten en wie op de knoppen mag duwen verlammen elke vooruitgang. België is in zijn huidige vorm uitgewoond. Al meer dan tien jaar slagen we er nauwelijks in regeringen te vormen. Een constante was er wel: overheidstekorten zover het oog kon zien en budgettaire cadeaus op elk niveau van de overheid. Wie hier en nu geen heldere keuzes kan maken, moet geld lenen van de volgende generatie. De toekomst van België staat volgens u op het spel? Het definitieve eindspel voor België is ingezet. De volgende verkiezingen worden een referendum over het voortbestaan van Vlaanderen als een onderdeel van België. De partijen die van België houden, staan klaar om met een nieuwe regering België te redden. We moedigen ze aan dat vooral te doen - we hopen dat ze slagen. Maak van België de volgende vier jaar de modelstaat in Europa. Maak een digitale overheid en een plan voor meer en betere infrastructuur en veel meer mensen aan de slag. Trek veel meer buitenlandse investeringen aan, ga vooruit in internationale rankings en word het onderwerp van lovende artikels in The New York Times, The Economist of Financial Times.


Doe dat en je zal elke eis tot Vlaamse autonomie zien verdampen. Immers, wie meer Vlaamse autonomie eist, moet de lat hoog leggen. Autonomie kan nooit een doel op zich zijn. Een beter bestuurde regio wel. Elke andere poging om ons land efficiënter te maken is de afgelopen decennia gestrand. Vlaamsminister President Jan Jambon kijkt graag naar de noorderse landen, maar in de praktijk komt er bijzonder weinig in beweging. Gewoon 'beter doen dan Brussel en Wallonië' is evenmin een plan. Dat is een zwaktebod. We hebben zowel in België als in Vlaanderen een heel reactieve bestuurscultuur - we doen alleen dingen als ze echt onvermijdelijk zijn. We komen vaak veel te laat. Hoog tijd voor een schoktherapie. Laat Vlaanderen aansluiten bij zowat het meest succesvolle en best bestuurde land in de Europese Unie. Onze noorderburen. Dat zal de orangisten onder de Vlamingen als muziek in de oren klinken. In 2030 is het inderdaad 200 jaar geleden dat onze wegen en die van Nederland definitief

scheidden. Misschien kunnen we 200 jaar later die vergissing ongedaan maken. Onhaalbaar? Utopisch? Beide beschrijvingen gelden net zozeer voor elke poging de afgelopen jaren om België structureel sterker te maken. Laten we kiezen voor een aansluiting bij Nederland. Beter de lat te hoog leggen en ze niet halen, dan de lat te laag leggen en ze wel halen. In zowat alle rankings staat Nederland boven België of Vlaanderen. Waarom zelf het warm water uitvinden als het voorbeeldland al bestaat. Laat ons in 2024 stemmen over de heraansluiting van Vlaanderen bij Nederland. Dat heeft veel voordelen. In plaats van een wankele pasgeboren regio van 6 miljoen, zijn we samen met Nederland een land van bijna 25 miljoen inwoners. Zo kunnen we invloed uitoefenen. We kunnen bovendien meesurfen op de sterke internationale reputatie van Nederland én we hebben een aansporing om het als regio nog beter te doen. Infrastructuur, mobiliteit, langetermijnstrategie of internationaal beleid - we kunnen als Vlaanderen veel leren van de Nederlanders.


Allemaal goed en wel, maar Vlaanderen zal zich dan in eerste instantie moeten afscheiden van België. Met alle begrip voor de wensdroom om Vlaanderen aan te sluiten bij het welstellender Nederland, maar wij kennen tot op heden niet al te veel voorbeelden waarin een regio zich op vredevolle wijze losmaakt van het land waartoe ze behoort. Recente ontwikkelingen in Spaans Baskenland, laten daarbij weinig aan de verbeelding over. De Nobelprijswinnaar Economie Milton Friedman zei ooit: 'In normale omstandigheden geldt de tirannie van het status quo, zowel in bedrijven als in het bestuur van een land. Alleen een crisis veroorzaakt echte verandering. Dan wordt het politiek onmogelijke plots het politiek onvermijdelijke.' De volgende vier jaar zullen veel onmogelijk geachte zaken plots onvermijdelijk worden. Wat wordt het? België 2.0 of NederlandsVlaanderen 1.0?

Het statement laat weinig aan de verbeelding over, maar zit Nederland überhaupt wel te wachten op Vlaanderen? Een regio die na een eventuele afscheiding van België wellicht een fors deel van de Belgische staatsschuld zal moeten overnemen. Wordt Vlaanderen dan het Wallonië van Nederland? En wat met de cultuurverschillen, vertoont de Belgische cultuur niet eerder gelijkenissen met die van de Franse zuiderburen? Ik ontving alleszins veel positieve reacties op mijn statement. Dat Vlaanderen als het ware het Wallonië van Nederland zou worden is uiteraard in beginsel niet uitgesloten, maar er zijn natuurlijk ook voordelen voor Nederland. Zoals ik al aanhaalde zou een land met 25 miljoen inwoners binnen Europa nog slagkrachtiger worden, als het ware écht bij de grote spelers gaan horen. Een culturele shift zal wel noodzakelijk zijn, maar nu Europa ingevolge de economische crisis op een kantelpunt is gekomen, bieden er zich wellicht kansen aan.

Peter De Keyzer is oprichter en managing partner bij Growth Inc te Antwerpen. Hij behaalde Magna Cum Laude een master in economie te Antwerpen, waar hij ook nog een tijd doctoreerde, maar al snel opteerde om als (hoofd)econoom aan de slag te gaan bij achtereenvolgens KBC, ABN Amro, Petercam en BNP Paribas Fortis. Vooral zijn tijd bij ABN Amro leverde hem de nodige inspiratie en vaste overtuiging dat Vlaanderen zich structureel zou moeten spiegelen aan Nederland.


Vlaanderen en Nederland willen samenwerken aan een veerkrachtig herstel en duurzame innovatieve toekomst Woensdag 4 november 2020 vond voor de vijfde keer op rij de Vlaams-Nederlandse regeringstop plaats. Dit jaar werd de top digitaal georganiseerd vanwege Covid-19 en de door de overheden genomen maatregelen. Ter gelegenheid van deze ontmoeting lag de nadruk op het versterken van de gemeenschappelijke samenwerkingsverbanden om de ingrijpende gevolgen van de Covid-19 pandemie het hoofd te bieden. Vlaanderen en Nederland organiseren al heel wat jaren samenwerking op cultureel, sociaal en economisch terrein.

Op meerdere terreinen is deze samenwerking zelfs structureel en verdragsrechtelijk verankerd. Zo werd onder meer in 1980 de Nederlandse Taalunie opgericht en in 1995 het Cultureel Verdrag om de samenwerking omtrent cultuur, onderwijs, wetenschappen en welzijn te bevorderen. Er werd inmiddels ook een portaal voor Vlaams-Nederlandse culturele uitwisseling, onder de naam ‘OverBruggen’ opgericht, met als doel onder meer kunstenaars, theatermakers, ontwerpers, architecten, schrijvers, dichters en muzikanten te helpen bij hun grensoverschrijdende aspiraties.


Belgisch minister van Financiën antwoordt op Kamervragen omtrent wijziging dubbelbelastingverdrag met Nederland Zoals bekend onderhandelen Nederland en België al enige jaren over een nieuw dubbelbelastingverdrag. Nederland wenst artikel 18 van het actuele dubbelbelastingverdrag, waarbij de heffingsbevoegdheid over pensioenen en soortgelijke beloningen is toegewezen aan de woonstaat van de belastingplichtige, te wijzigen in die zin dat het heffingsrecht over pensioenen en soortgelijke beloningen ter heffing wordt toegewezen aan de bronstaat. De heffing aan de bronstaat geniet volgens het Belgisch standaardmodel ook de voorkeur, maar of dat in de relatie met Nederland ook het geval is, is vooralsnog onduidelijk. Wij vroegen Kathleen Depoorter (N-VA) daarom hiernavolgende vragen voor te leggen aan de minister: Kunt u aangeven of een dusdanige wijziging bij de onderhandelingen met Nederland ook de voorkeur geniet van België? 1. 2.

3. 4. 5. 6.

7.

En zo ja: of de belastingheffing op basis van de bronstaat gelijk spoort met de toewijzing van de premieplicht voor de sociale zekerheid? In welke mate wordt er afbreuk gedaan aan het beginsel dat gepensioneerden die in eenzelfde land wonen na premieheffing en belastingen eenzelfde koopkracht hebben bij eenzelfde bruto pensioen? Wat zouden hiervan de budgettaire meer- of minderontvangsten zijn voor België? Hoeveel actueel gepensioneerden die in België wonen, genieten een pensioen uit de bronstaat Nederland? Hoeveel actueel gepensioneerden die in Nederland wonen, genieten een pensioen uit de bronstaat België? Wat zijn de gevolgen voor actueel in België wonende gepensioneerden in de verdragsrelatie? a. Zullen zij meer of minder personenbelasting betalen wanneer Nederland de heffingsbe voegdheid zou verkrijgen over de Nederlandse pensioenen? b. Verschilt uw antwoord naargelang het belastbaar pensioen onder, tussen of boven de grensbedragen ligt zoals vermeld in artikel 152 WIB92? Wordt er onderhandeld over een overgangsregeling op grond waarvan actueel gepensioneerden in de verdragsrelatie geen financieel nadeel zouden ondervinden van de wijziging?

De minister antwoord op bovenstaande vragen als volgt: Zoals u aangeeft wordt in het Belgisch model van dubbelbelastingverdrag de heffingsbevoegdheid inzake private pensioenen toegewezen aan de bronstaat. In principe is dit ook de Belgische uitgangspositie bij de onderhandeling van dubbelbelastingverdragen. Desondanks dient elke onderhandeling apart te worden beoordeeld, rekening houdend met het aantal belanghebbenden (natuurlijke personen, ondernemingen, overheidsinstellingen), de financiële en economische banden met de partnerstaat, de respectievelijke fiscale stelsels, de bestaande verdragssituatie, en de impact van de mogelijke verdragswijzingen. Om de goede afloop niet in het gedrang te brengen kan ik u geen verdere details verstrekken over de onderhandelingen met Nederland. Ook ten aanzien van andere landen respecteren we trouwens de vertrouwelijkheid van de besprekingen en de verschillende posities.


1, 2 en 6 Ondanks het feit dat dit behoort tot de bevoegdheid van de Minister van Sociale Zaken meen ik uit de Verordening (EG) Nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, te kunnen afleiden dat de sociale premieheffing op pensioenen wordt geregeld door de wetgeving van de woonstaat van de pensioengerechtigde. Dit spoort niet met de toewijzing van de heffingsbevoegdheid inzake inkomstenbelasting aan de bronstaat. De impact hiervan op personen die inwoner zijn van éénzelfde land (bijvoorbeeld België), die hetzelfde bruto-pensioen ontvangen maar waarbij het pensioen in het ene geval afkomstig is uit het woonland (België) en in het andere geval uit het partnerland (Nederland), zal gezien de veelheid aan mogelijkheden (uitkering in rente of kapitaal, wettelijk of extra-wettelijk pensioen, bedrag van de uitkering, gezinssituatie, andere inkomsten, etc.) per categorie van gevallen of zelfs geval per geval moeten worden beoordeeld. Dit geldt ook voor de berekening van de impact van de invoering van de bronstaatheffing ten aanzien van de huidige verdragsregeling. De regeling die in het huidig verdrag met Nederland is opgenomen voorziet trouwens dat in sommige gevallen niet de woonstaat maar wel de bronstaat in eerste instantie heffingsbevoegd is. 3, 4 en 5 Wat de budgettaire impact betreft, is het logisch dat eerst de definitieve overeenkomst moet gekend zijn alvorens een representatieve impact kan worden meegedeeld. Vanzelfsprekend worden intermediaire berekeningen gemaakt al naargelang de besprekingen vorderen maar het ligt voor de hand dat ik daarover evenmin kan communiceren op dit moment. Zoals reeds aangestipt wil ik geenszins de besprekingen met de collega’s uit Nederland in gevaar brengen. Net zoals dat in onderhandelingen met andere landen het geval is, respecteren we de vertrouwelijkheid van de besprekingen. 7. zie inleiding


Belgisch minister van Financiën beantwoordt Kamervragen omtrent thuiswerkregelingen grensarbeiders Ingevolge de Covid-19-pandemie werken heel wat werknemers in toenemende mate thuis. Enkele dagen thuiswerk per week kan zowel voor de werkgever als werknemer voordelen hebben en zal ook in de toekomst wellicht steeds meer toepassing vinden. Maar wat als thuiswerk onverhoopt verregaande fiscale en sociaalrechtelijke consequenties heeft? Dat is het geval bij wie in een Nederlands-Belgische grensarbeiderspositie verkeert. Hoewel België bijvoorbeeld met het Groothertogdom Luxemburg en Frankrijk in het dubbelbelastingverdrag al heeft voorzien dat een grensarbeider tot maximum respectievelijk 24 en 30 dagen per jaar buiten respectievelijk de gebruikelijke werkstaat of de grensstreek zijn activiteit mag uitoefenen om toch in de werkstaat belastbaar te blijven, is zo’n regeling in het NederlandsBelgisch dubbelbelastingverdrag niet voorzien. Daarom verzocht het Nederlands-Belgisch Centrum N-VA-kamerlid Kathleen Depoorter Kamervragen voor te leggen aan de Belgische Minister van Financiën. Hieronder de vragen en atwoorden. 1.

2.

3.

4.

Is het niet wenselijk dat in BelgischNederlandse grensarbeiders 40 % van de normale arbeidstijd of twee dagen per week voor een voltijdse werknemer thuiswerk mogen doen zonder fiscale gevolgen? Zult u initiatief nemen om een permanente wederkerige thuiswerkclausule met Nederland op te nemen in het dubbelbelastingverdrag, zodat de thuiswerkdagen in de woonstaat geacht worden te zijn doorgebracht in de werkstaat waar de grensarbeider is tewerkgesteld? Wordt een permanente wederkerige thuiswerkclausule reeds in de lopende onderhandelingen over een nieuw dubbelbelastingverdrag met Nederland en Frankrijk besproken? Indien niet, waarom niet? Zult u bij de onderhandeling over een thuiswerkclausule in de dubbelbelastingverdragen een parallel nastreven met het toepasselijke sociale verzekeringsrecht zodat de grensarbeider niet van fiscaal statuut, noch van sociale verzekeringsstelsel wijzigt zolang het thuiswerk geen substantieel deel

5.

van de werkzaamheden uitmaakt (artikel 13 Vo. 883/04 EU en artikel 8 Vo. 987/2009 EU en de overeenkomstig artikelen 8 en 16 gesloten overeenkomsten)? Bent u in overleg met uw collega bevoegd voor Sociale Zaken om het substantiële deel van de werkzaamheden voor thuiswerken op te trekken naar 40 % of twee dagen per week voor een voltijdse werknemer en dit integraal mee te integreren in uw beleid over dubbelbelastingverdragen met de buurlanden?

De minister antwoord hierop als volgt: Alvorens in te gaan op uw vragen wens ik te benadrukken dat de bestaande regelingen met Luxemburg (de 24 dagen) en met Frankrijk (30 dagen) waarnaar u verwijst wezenlijk van elkaar verschillen. De regeling met Frankrijk heeft enkel betrekking op inwoners van Frankrijk die wonen in de Franse grensstreek en als werknemer actief zijn in de Belgische grensstreek. Deze regeling is een overblijfsel van het vroegere BelgischFrans grensarbeidersregime. Dit bepaalde dat werknemers die wonen in de grensstreek van het ene land en werkzaam zijn in de grensstreek van het andere land, belastbaar zijn in hun woonstaat. Deze regeling is met ingang van 1 januari 2007 afgeschaft voor de Belgische grensarbeiders maar blijft nog van toepassing tot en met het einde van 2033 voor de Franse grensarbeiders die voor het regime in aanmerking komen (uitdovingsregime). De 30-dagen regel in dit regime bepaalt dat Franse grensarbeiders maximaal 30 dagen werkzaam mogen zijn buiten de Belgische grenszone zonder dat dit gevolgen heeft voor hun fiscale situatie. Ze blijven dus belastbaar in hun woonstaat. De regeling met Luxemburg daarentegen, die nog moet worden goedgekeurd door het Parlement, bepaalt dat werknemers die doorgaans werkzaam zijn in de partnerstaat, aldaar belastbaar blijven indien ze niet meer dan 24 dagen werkzaam zijn in hun woonstaat of in een derde staat.


1 en 2 De huidige Belgische dubbelbelastingverdragen zijn allemaal min of meer gebaseerd op het OESO-Modelverdrag. Los van de zogenaamde 183-dagen regel is daarin bepaald dat het inkomen van een werknemer enkel belastbaar is in zijn woonstaat. Indien de werknemer echter werkzaam is in de andere staat (de werkstaat) is het inkomen dat daarmee verband houdt daar belastbaar. Dit betekent dat het inkomen uit werkzaamheden die worden verricht van thuis uit door inwoners van België enkel belastbaar is in België. Gezien het steeds toenemend belang van thuiswerk is het zeker nuttig te onderzoeken of de bestaande verdragsregels kunnen worden aangepast. Uit uw vraag meen ik te kunnen afleiden dat u voorstander bent van een regel waarbij het inkomen uit thuiswerk – indien het aandeel thuiswerk niet meer bedraagt dan 40% van de totale werktijd - wordt toegerekend aan de staat waar de grensarbeider is tewerkgesteld, dus de staat waar zijn werkgever is gevestigd. Dit is echter helemaal niet evident aangezien men in dit geval totaal geen rekening houdt met de plaats waar de werknemer effectief werkt indien hij niet van thuis uit zou werken. Zo is het best mogelijk dat bepaalde werknemers in dienst van een buitenlandse werkgever een substantieel deel van hun beroepsactiviteit uitoefenen in hun woonstaat of in een derde land. Er zijn ook werknemers die werkzaam zijn voor verschillende werkgevers in verschillende staten en sporadisch of geregeld van thuis uit werken. Bij de uitwerking van een nieuwe regel zal hiermee rekening moeten worden gehouden. De invoering van een nieuwe regel zal ongetwijfeld een invloed hebben op het inkomen van de werknemers die momenteel reeds van thuis uit werken of dit van plan zijn te doen in de nabije toekomst. Dit kan zowel positief als negatief zijn, afhankelijk van het fiscale stelsel van de woonstaat, de werkstaat, en de persoonlijke situatie van de werknemer. De regel zal ook tot gevolg hebben dat een Belgische werknemer die van thuis uit werkt op éénzelfde inkomen verschillend zal worden belast naargelang hij voor een Belgische respectievelijk buitenlandse werkgever werkt. Ook werkgevers die beroep

doen op grenswerknemers zullen de impact ervan voelen, zeker indien deze werknemers momenteel reeds thuiswerken en hun werkgever ervoor kiest de impact van een verdragswijziging op hun loon te compenseren. Tot slot dient ook de mogelijke budgettaire impact te worden ingeschat. De regel opnemen in verdragen met landen waar er relatief meer Belgische grenswerknemers actief zijn dan omgekeerd zal ongetwijfeld een negatieve budgettaire impact hebben. Gezien het toenemend belang van thuiswerk zal de negatieve budgettaire impact voor België in die gevallen nog verder toenemen in de tijd. 3. De onderhandelingen met Frankrijk hebben in december 2019 geleid tot de parafering van een volledig nieuw verdrag. De focus ligt nu op de finale afwerking en vertaling van de geparafeerde tekst met het oog op de ondertekening en goedkeuring ervan. Het heropenen van de onderhandelingen is dus niet aan de orde. De onderhandelingen met Nederland werden op het eind van 2018 tot nader order opgeschort omdat de resterende openstaande punten van te groot belang zijn om te worden beslist door een regering in lopende zaken. 4 en 5 Er zijn geen plannen of initiatieven om de regels inzake de heffingsbevoegdheid zoals deze momenteel voorkomen in de Belgische dubbelbelastingverdragen af te stellen op de regels voor de vaststelling van het sociaal verzekeringsstelsel. Er is dus geen overleg gaande met de Minister bevoegd voor Sociale Zaken. Beide internationale reglementeringen hebben een andere finaliteit en kunnen dus zomaar niet op elkaar worden afgestemd.


Ook Beneluxparlement wil regeling thuiswerk voor grensarbeiders Wanneer een grensarbeider in de Belgisch-Nederlandse relatie zijn werkzaamheden verricht in de vorm van thuiswerk, dan zijn de daarmee samenhangende inkomsten belastbaar in de woonstaat van de grensarbeider. Actueel is er ingevolge de Covid-19-pandemie een uitzonderingsregeling van toepassing, op grond waarvan thuiswerkdagen in afwijking op bovenstaande belast blijven in de normale werkstaat. Echter, wanneer de Covid-19-pandemie onder controle zal zijn, zal ook de actuele uitzonderingsregeling niet langer van toepassing blijven. Daarentegen geldt dat inmiddels heel wat betrokken werkgevers en werknemers, en dus ook grensarbeiders, de voordelen van thuiswerken hebben mogen ontdekken. Op basis van de verdragsregeling tussen Nederland en België is een afwijking op de standaardregeling evenwel niet aan de orde. Daarom heeft het Beneluxparlement een initiatief uitgewerkt, meer in het bijzonder een voorstel van aanbeveling met betrekking tot de verbetering van de situatie van grensarbeiders op het vlak van mobiliteit en fiscaliteit. Het voorstel werd op 30 oktober 2020 ingebracht en voorgelegd aan de regeringen van Nederland, België en Luxemburg en ziet onder meer op: Het bestuderen en evalueren van de troeven en struikelblokken die samenhangen met telewerk, meer bepaald voor grensoverschrijdend werken in de Benelux, en er besluiten uit te trekken voor het te voeren beleid; Het bestuderen en uitvoeren van een geharmoniseerd beleid met betrekking tot het fiscale en sociale statuut van de grenswerknemers binnen de Benelux; Het bestuderen van de mogelijkheid om het aantal dagen eenvormig op 48 te brengen voor de grenswerknemers van de drie Benelux-landen, wat neerkomt op ongeveer één dag per week; Het bestuderen en invoeren van een geharmoniseerd fiscaal en sociaal statuut voor de grenswerknemers die in hun woonstaat in een afstandskantoor werken; Het onderzoeken van harmonisatie van het fiscale en sociale statuut van werknemers in afstandskantoren en van thuiswerkers, of het aansturen en faciliteren van het gebruik van afstandskantoren, die – meer dan thuiswerk – efficiënt werken in een geschikte werkomgeving.


Status onderhandelingen nieuw NederlandsBelgisch dubbelbelastingverdrag Nederlands staatssecretaris van Financiën Hans Vijlbrief (D’66) heeft meegedeeld dat, nu België een nieuwe federale regering in volle bevoegdheid heeft, de onderhandelingen over een nieuw Nederlands-Belgisch dubbelbelastingverdrag weer kunnen opgepakt worden. Zoals bekend onderhandelen Nederland en België al enige jaren, maar werden de onderhandelingen eind 2018 ‘on hold’ gezet, omdat België geen federale regering in volle bevoegdheid meer had. Onder meer de wijziging van de heffingsbevoegdheid over pensioenen ligt ter tafel.

‘Ik spreek nog dit jaar met de Belgische minister van Financiën, de heer Van Peteghem, over het belastingverdrag tussen onze landen. Daarbij zal ik benadrukken dat het op korte termijn afronden van de onderhandelingen zeer gewenst is’ Bij de onderhandelingen worden alvast twee andere thema’s opgepakt met het oog op het bereiken van meer coördinatie tussen belastingheffing en premieheffing. Zo vindt een verkenning plaats of een regeling voor thuiswerkdagen in het nieuwe dubbelbelastingverdrag mogelijk is. Uitgangspunt daarbij zou zijn dat een beperkt aantal thuiswerkdagen geen gevolgen meer zou mogen hebben voor de verdeling van de heffingsbevoegdheid. Ook zou de discoördinatie tussen belastingheffing en premieheffing waarmee Belgische en Nederlandse (hoog)leraren te maken krijgen, moet worden opgelost in het nieuwe dubbelbelastingverdrag. Ook tussen Nederland en Duitsland zitten de onderhandelingen over een wijzigingsprotocol in een vergevorderd stadium. Als de huidige voortgang zich voortzet, kan dit wijzigingsprotocol naar verwachting per 1 januari 2022 van toepassing zijn.

Hoger belastingvoordeel voor Belgische kinderopvang Wie in België belastingplichtig is en in 2020 kosten betaalde in de zin van kinderopvang aan een erkende kinderopvanginstantie, voor- en naschoolse opvang of een zomerkamp, kan een deel van die kosten recupereren via de belastingaangifte. Voor het eerst in jaren is het fiscale voordeel daartoe in België verhoogd. De voorbije jaren bedroeg de maximale fiscale aftrek van kosten 11,20 euro per dag. Voor de opvangkosten betaald in 2020 is het maximumbedrag opgetrokken tot 13,00 euro per dag. Wél is meteen ook de opvangleeftijd verlaagd van maximaal 18 jaar naar maximaal 14 jaar, waarmee het voordeel enigszins wordt uitgehold. Een andere nieuwigheid is dat ook uitgaven voor professionele thuisopvang van zieke kinderen fiscaal in mindering gebracht kan worden. Die belastingvermindering hangt evenwel af van het inkomen van de ouders. Ze bedraagt minstens 45 procent en kan voor alleenstaande ouders met een beperkt inkomen oplopen tot 75 procent.



LEVEN IN DE GRENSSTREEK __________________


Nederlands burgemeester Marga Vermue over de uitdagingen van een grensgemeente De Covid-19-pandemie leverde hier en daar wat spanning op in de grensstreek, zeker wanneer jongeren uit België en Nederland vrolijk gingen feesten in Knokke, of wanneer in tegengestelde richting over de grens in Nederland werd geshopt tijdens de Belgische lockdown. Toch hebben grensgemeenten gelukkig niet alleen maar zorgen met hun veelal talrijke bezoekers uit het nabije buurland. Wij hadden daarover een goed gesprek met burgemeester Marga Vermue van de Zeeuws-Vlaamse gemeente (en vestingstad) Sluis. Per 6 oktober 2017 werd de uit Kapelle afkomstige Marga Vermue geïnstalleerd als burgemeester van de huidige gemeente Sluis. Na eerder wethouder te zijn geweest in Borsele en burgemeester van die andere grensgemeente Cranendonck. Marga Vermue vertelt honderduit over wat het zo bijzonder maakt burgemeester te zijn van een grensgemeente. Burgemeester zijn van een grensgemeente is inderdaad wel bijzonder. Ik zou zeggen dat de specifieke dynamiek in een grensgemeente net iets meer glans geeft en samenwerken met Belgische grensgemeenten ervaar ik écht als een bijzondere, maar fijne uitdaging. In de praktijk

vertaalt zich dat, zeker nu in coronatijd, in grensoverschrijdend bundelen van de krachten. Goede communicatie, onder meer via het zogenaamde GOS-overleg, helpt ons bijvoorbeeld om elkaars maatregelen goed te begrijpen en op te volgen. Maar ook buiten coronatijd wordt er goed en veelvuldig samengewerkt over de grens. Zo organiseren we regelmatig gezamenlijke activiteiten met de Belgische buurgemeenten, met als belangrijkste de jaarlijkse Zwinstedenloop, waarvan het parcours loopt langs het kanaal van Brugge langsheen de Damse Vaart naar Sluis, en de Canadese Bevrijdingsmars, een tocht die de route volgt van de Canadese bevrijders tijdens WO II vanaf Hoofdplaat, via Oostburg en Zuidzande naar Knokke. Ook in de Zwinregio willen we de samenwerking op toeristisch gebied verder intensiveren, om zo te komen tot één grensoverschrijdende entiteit.


Een actieve grensoverschrijdende samenwerking, al zien we wel - ook bestuurlijke - verschillen tussen Nederland en België. Dat is inderdaad zo, elk heeft vanzelfsprekend zijn eigen identiteit, visie en aanpak. Zo verschilt bijvoorbeeld de rol van burgemeester in Nederland nogal met die van burgemeester in België. Anders dan in België wordt de burgemeester in Nederland immers niet verkozen. Zelf prefereer ik dat Nederlandse model, waarmee je als burgemeester als ‘verbinder’ volstrekt onafhankelijk van én boven de partijpolitiek staat. Ook de effectieve rol en taken laten wel enige verschillen zien. Zo heeft een Nederlandse burgemeester bijvoorbeeld meer bevoegdheden dan de Belgische ambtgenoot. In het bijzonder kan daarbij worden gedacht aan het terrein van openbare orde en veiligheid, denk maar aan de huidige pandemie, waarop een Nederlandse burgemeester toch meer mogelijkheden heeft om aan te sturen op maatregelen. Daarenboven moet het ambt van burgemeester in België vaak nog gecombineerd worden met een baan als werknemer of ondernemer, waar burgemeester zijn in Nederland een fulltime baan is. Het prachtig gelegen Sluis geniet overigens wel een bijzondere aantrekkingskracht op de Belgen. Wij mogen inderdaad jaarlijks heel veel Belgen ontvangen, van dagjestoeristen tot zij die opteren voor een langer verblijf. België is overigens voor de ganse provincie Zeeland het belangrijkste herkomstland qua aantallen bezoekers. In 2019 telden we in Zeeland ruim vier miljoen overnachtingen, waaronder heel veel Belgen. De talrijke horecazaken en winkels én niet in het minst de natuurlijke schoonheid van het ruime Zeeuwse kustgebied, hebben zonder meer een grote aantrekkingskracht op onze Belgische buren, die er graag komen wandelen en fietsen. Zelf ben ik overigens ook een overtuigde racefietsfanaat. Op zondagochtend mag ik graag fietsen langs onze kustlijn en genieten van de natuur van het hinterland. In België zijn er wat dat betreft wat beperkingen, is de kustlijn ook heel wat kleiner, wat ook leidt tot minder vrijheden. Het strand in België ziet er ook anders uit dan in Nederland en heeft vaak net een minder natuurlijke uitstraling. De Belgische kuststreek is behoorlijk volgebouwd, maar ook in Sluis en Cadzand zien we in navolging van het mondaine Knokke-Heist, toch steeds meer luxe woningen en appartementen in aanbouw.

Laat ik vooropstellen dat we Knokke-Heist zeker niet als een concurrent beschouwen, maar de wat verouderde hotel- en andere accommodatie in bijvoorbeeld Cadzand noopt ons wel tot een grondige update. Daarbij zijn er overigens met Compagnie du Zoute en de Versluijs Groep, naast Nederlandse ook Belgische projectontwikkelaars actief betrokken. Maar alles binnen strikte krijtlijnen. In samenwerking met de Provincie Zeeland en natuurorganisaties is hiervoor enige jaren geleden al een kustplan vastgesteld, waarin is bepaald wat wél en niet mag. Zo waken we strikt over het behoud van ons mooie natuur- en duinengebied. Inmiddels komen de Belgen niet alleen meer van de mooie natuur en de talrijke winkelmogelijkheden genieten in Sluis. Als we goed zijn ingelicht wonen er ook effectief al heel wat Belgen. Dat klopt, zowat 8,5 procent van onze inwoners hebben de Belgische nationaliteit. Sommigen ingevolge grensoverschrijdend gemengde huwelijken, weer anderen omdat ze hier gewoon graag willen wonen. Ook heel wat Belgische bedrijven vestigden zich inmiddels op bedrijventerrein De Vlaschaard in Eede. En zo zien we uiteraard ook het belang van grensoverschrijdend ondernemen en werken toenemen. Dagelijks pendelen vanuit Zeeuws-Vlaanderen zowat 2.000 mensen naar België om er te werken, zelfs al is de werkloosheidsgraad in ZeeuwsVlaanderen bijzonder laag. Een hele uitdaging voor onze bedrijven, maar ook voor ziekenhuizen en onderwijsinstellingen, blijft dan ook het vinden van geschikte werknemers, al zal dat aan de andere kant van de grens niet anders zijn. De strijd om talent woedt volop.


Belangrijk historisch verleden en grote toeristische trekpleister Zeker weten, Sluis is een bijzonder mooi vestingstadje in het westen van ZeeuwsVlaanderen. De gemeente waartoe het stadje behoort heet eveneens Sluis, maar het gemeentehuis is gevestigd in Oostburg. Op 1 januari 2020 had de stad Sluis 2.365 inwoners. Sluis is vermoedelijk omstreeks 1260 gesticht door de Vlaamse graaf Jan I van Namen en had van oorsprong de naam Lamminsvliet. Eerst in 1324 kreeg Sluis zijn huidige naam. De stad heeft haar ontstaan te danken aan het verzanden van het Zwin, waardoor de rechtstreek-

se verbinding van de belangrijke handelsstad Brugge met de zee geblokkeerd werd en Sluis de belangrijkste voorhaven van Brugge werd. Vanaf 1387 was Sluis zelfs de belangrijkste Bourgondische vloothaven. Op 7 januari 1430 vond er het huwelijk plaats tussen Filips de Goede en Isabella van Portugal, waarmee het belang van de stad in die tijd goed werd weergegeven. De bloeitijd van Sluis duurde tot ongeveer 1450, waarna een snel verval intrad ten gevolge van de verzanding van het Zwin.


Ook tijdens de Tachtigjarige Oorlog speelde Sluis een belangrijke rol als vestingstad. In 1587 veroverde de hertog van Parma de stad. In 1603 vond een Zeeslag bij Sluis plaats, waarop het in handen viel van de Spanjaarden. In 1604 kreeg Maurits van Nassau, de latere prins van Oranje, de stad in bezit.

Na de oorlog werd de stad herbouwd in traditionalistische stijl. De grootste blikvanger is het stadhuis, dat als enige in Nederland is voorzien van een belfort, een versterkte toren met vier hoektorentjes. Het werd in 1390 als symbool van de stedelijke vrijheid gebouwd naar het voorbeeld van de belforten in Gent en Brugge.

In het begin van de 20e eeuw kwamen diverse Franse kloosterorden naar Sluis, en familiebezoek aan leerlingen die op internaten zaten werd de oorzaak van het feit dat de winkels vanaf 1908 ook op zondag geopend werden, wat zo bleef en geleidelijk aan steeds meer Belgisch winkelpubliek trok.

In 1944 liep het gebouw zware schade op, waarna het in 1956 werd herbouwd. De raadzaal wordt afgesloten door een 18de-eeuws smeedijzeren hek dat afkomstig is uit het stadhuis van Middelburg.

Tijdens geallieerde bombardementen op 11 oktober 1944 als gevolg van de Tweede Wereldoorlog werd Sluis grotendeels verwoest. Op 1 november 1944 werd de bezetter tot overgave gedwongen door het Canadese North Shore Regiment, waarmee Sluis was bevrijd.

Ook de Windmolen De Brak, is gezichtsbepalend in het authentieke centrum, waarbinnen het heerlijk toeven is binnen de oude Wallen, die nog grotendeels intact zijn.



CULINAIR __________________


Culinair genieten bij Nederbelg in Nispen In het kader van onze zoektocht naar Nederlands-Belgische culinaire kruisbestuiving, kwamen we dit keer terecht in het Nederlandse grensdorp Nispen. Daar staat de Nederbelgische chef-kok Ivo Schaap aan het fornuis van Bistro Le Mouton, om zijn Nederlandse en Belgische klanten te verwennen. Eigenaar chef-kok Ivo Schaap woont als Nederlander inderdaad in het Belgische Essen, maar werkt in het Nederlandse grensdorp Nispen. Ivo is als geboren Nispenaar een echte Nederbelg geworden, voor wie het wonen in België en het runnen van een eigen zaak net over de grens in Nederland uitstekend bevalt. Al als kind wist Ivo dat hij later kok wilde worden. Inmiddels al weer zowat 20 jaar geleden startte hij zijn zaak aan het Kerkplein in Nispen, net over de Belgische grens. Zijn koksopleiding genoot hij in Breda, waarna hij in de vorm van een stage aan de slag ging in restaurant Schützenhaus aan de Horwerstrasse in het Zwitserse Luzern. Dat was een fijne tijd, waar ik veel invloeden van de Franse en Italiaanse keuken onderging. Helaas moest ik na dat ene jaar terug naar Nederland om mijn militaire dienst te vervullen. Uiteindelijk is dat niet doorgegaan en kon ik aan de slag in ‘De Kruidtuin’ in Essen. Ook dat was een mooie ervaring, want zo kon ik als Nederlander de betere Belgische keuken leren kennen.

Weer een jaar later werd ik dan chef-kok bij de toen net opgerichte bistro ‘Oude Leeuw’ in Hoogerheide, een zaak die ik vanaf het begin mee heb helpen opstarten. Met al die ervaring groeide daarop het idee om zelf een eigen zaak te beginnen. Gezellig oud pand Het pand waar de bistro is gevestigd, herbergde vroeger een klein fietswinkeltje. Het was een oud pand met open haarden en het stond al een tijdje leeg. Er was meteen een band tussen mij en dit gebouw. Hier wilde ik graag mijn restaurant starten en het liefst met mijn eigen naam erop. Het werd ‘Le Mouton’, gewoon omdat dat veel mooier klinkt dan Schaap. Ik ben naar de eigenaar gestapt en heb hem gevraagd of ik hier een restaurant mocht beginnen, precies tussen België en Nederland in. Met een grondige verbouwing was al mijn geld in de zaak gaan zitten.


Mijn toenmalige vriendin en inmiddels al 22 jaar mijn vrouw is destijds met beperkte middelen de nodige spulletjes gaan kopen, om zo de zaak mee op te fleuren. De zaak groeide na de opening snel uit tot een begrip in de grensregio, het waren toen ook gouden tijden voor de horeca. Daarop besloten we verder te verbouwen en uit te breiden met een gezellig terras, een aparte lounge en een grotere keuken. Michael Boogerd Op 27 mei 1999 is het restaurant formeel open gegaan en onze eerste gast, ik zal het nooit vergeten, was niemand minder dan Michael Boogerd, die toen nog in Essen woonde. Inmiddels zijn ruim de helft van mijn klanten afkomstig uit België, échte Bourgondiërs dus, die goed weten wat lekker is. Als grensbewoner vind ik het overigens belangrijk om de Belgen mee te betrekken in mijn restaurant. Ze zijn nieuwsgierig naar nieuwe dingen en beleven een avond heel anders dan de Nederlanders. Het is niet alleen lekker eten dat telt, maar ook het gezelschap en de sfeer zijn belangrijk.

Best of both worlds Zowat 15 jaar geleden besloten Ivo en zijn echtgenote dat het tijd werd privé een nieuwe woning te bouwen. Zo kwamen ze over de grens in het Belgische Essen terecht. Ivo geeft graag mee dat de integratie in zijn nieuwe omgeving prima beviel.

Het klopt natuurlijk wel dat Belgen wat gereserveerder zijn, maar als nieuwkomer heb ik me graag aangepast. Onze twee kinderen, de oudste is een zoon en de jongste een dochter, integreerden vlot op hun Belgische school en vonden vlot hun weg in het Essense vrijetijdsleven. Inmiddels heeft de oudste er wél voor gekozen zijn opleiding voort te zetten in Nederland. Wellicht dat zijn jongere zus ook nog volgt, nu die de wat lossere sfeer van het Nederlandse onderwijssysteem mee ontdekt. We blijven dus échte grenslanders!



FISCAAL & JURIDISCH I __________________


Verplichte LIMOSA-melding bij detachering naar België Van papieren personeelsregister naar Dimona en Limosa aangiften

Carline Vanrobays Claeys & Vanrobays Juristen arbeids- en socialezekerheidsrecht www.claeysvanrobays.be

Sedert meerdere jaren kent België meldingsplicht voor werkgevers die iemand uit het buitenland (tijdelijk) in België tewerkstellen. Nederland kent daaromtrent inmiddels ook een meldingsplicht, de zogenaamde Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie (WagwEU). In deze bijdrage gaat Carline Vanrobays dieper in op de Belgische meldingsplicht. Een korte kroniek van de digitaliseringsweg Enige tijd terug moest de werkgever alle bij hem in dienst zijnde werknemers met de nodige details in een papieren personeelsregister inschrijven. Echter, met ingang van 1 januari 2003 is dit - op enkele uitzonderingen na - vervangen door een digitale registratie, de zogenaamde ‘Dimona’ (ook de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling genoemd). Bijkomend is er sinds 1 oktober 2010 ook nog een DWD-aangifte voor de werkgevers die niet aan de Belgische reglementering op de sociale documenten onderworpen zijn en die werknemers tewerkstellen die niet aan de Belgische sociale zekerheidswetgeving zijn onderworpen. Het betreft hier een bijzondere Dimona aangifte, namelijk een Dimona without DMFA of dus een DWD aangifte. Voor stagiairs waarvoor geen sociale zekerheidsbijdragen betaald moeten worden, moet er sinds 1 januari 2020 dan weer een andere specifieke Dimona verricht worden, de zogenaamde STG. En als kers op de taart geldt er sinds 1 april

2007 een verplichte ‘voorafgaande’ melding voor werknemers en zelfstandigen die naar België gedetacheerd worden, de zogenaamde ‘Limosamelding’. Verplichting De Limosamelding moet verplicht gebeuren voor alle gedetacheerde werknemers en hun werkgever evenals voor alle gedetacheerde zelfstandigen. Er gelden evenwel ook enige uitzonderingen, te weten voor: de werknemers die voor een Belgische werkgever gewoonlijk in verschillende landen werken; in het buitenland wonende werknemers die permanent in België werken voor een Belgische of buitenlandse werkgever.


Het is een voorafgaande melding aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) die voor elke tewerkstelling van een werknemer die tijdelijk naar België gedetacheerd wordt en die niet onder Belgische sociale zekerheidsbijdragen valt, gedaan moet worden. Dit is overigens eveneens van toepassing voor elke zelfstandige die tijdelijk in België werken komt uitvoeren. Voor de zelfstandigen is de bevoegde dienst evenwel de Rijksdienst Sociale Voorzieningen voor Zelfstandigen (RSVZ). Controle Zowel de buitenlandse werkgevers als de buitenlandse zelfstandigen moeten de Limosamelding verrichten volgens de opgelegde regels. De persoon bij wie of voor wie, hetzij rechtstreeks hetzij via onderaanneming, werkzaamheden worden verricht door gedetacheerde personen, is verplicht vooraleer de werkzaamheden te laten starten, te controleren of deze uitvoerders een Limosa -I formulier kunnen voorleggen. Wanneer dit niet zo is, moet de eindgebruiker deze melding zelf uitvoeren vooraleer de werken te laten starten. De melding gebeurt via de website www.limosa.be of indien de elektronische aangifte onmogelijk elektronisch gedaan kan worden mag het ook per fax of per brief (Limosa@eranova.fgov.be). Een correcte melding resulteert in de afgifte aan de aanvrager van het Limosa-I document. Eenmalige melding Zij die regelmatig werkzaamheden op Belgisch grondgebied en in één of meerder landen ver-

richten, kunnen een eenmalige Limosamelding doen. Voor de bouw- en de uitzendsector geldt deze vereenvoudiging evenwel niet. De eenmalige Limosamelding dekt de gedetacheerde persoon voor de duur van de werkzaamheden met een maximum van 12 maanden. Deze periode kan telkens met 12 maanden verlengd worden vooraleer de oorspronkelijke duur verstreken is. Werd een Limosa-melding gedaan, maar gaat de detachering door omstandigheden niet door, dan moet de melding geannuleerd worden. Sancties Het niet naleven van de Limosa-verplichtingen wordt voor de werkgever, zijn aangestelden, lasthebbers en de gedetacheerde zelfstandige, gesanctioneerd met een sanctie niveau 4 van het sociaal Strafwetboek (strafrechtelijke sanctie of administratieve geldboete ) en voor de eindgebruikers of opdrachtgevers met een sanctie niveau 3 van het sociaal strafwetboek, wanneer deze laatste de overheid niet meldde dat het Limosa I document niet voorgelegd kan worden. De Limosamelding of de vrijstelling (er zijn een aantal wettelijke vrijstellingen ) heeft mede tot gevolg dat er gedurende maximum 12 maanden een vrijstelling voor het opstellen van de sociale documenten van toepassing is. Concluderend Belangrijk is te onthouden dat de hierboven opgesomde aangiften en hun bijhorende verplichtingen, allen tijdig en volledig dienen te gebeuren wil men zware sancties voorkomen.




Controleer meldingsplicht en voorkom boetes bij werken met buitenlandse dienstverleners in Nederland

Kurt van Heerewaarden Van Oers International k.vheerewaarden@vanoers.nl

Zoals Carline Vanrobays heeft toegelicht kent België al meerdere jaren meldingsplicht voor werkgevers die iemand uit het buitenland (tijdelijk) in België tewerkstellen. Maar ook Nederland kent inmiddels een vergelijkbaar instrument, de zogenaamde WagwEU. Kurt van Heerewaarden neemt ons mee in de Nederlandse regeling. In Europees verband wordt al jaren getracht om partijen die tijdelijk werkzaam zijn in een ander dan hun gebruikelijke werkland, gelijke rechten toe te kennen als de ‘binnenlandse werknemers’. Daartoe zijn in de Europese wetgeving al een aantal jaren waarborgen opgenomen. Zo is in 2016 in Nederland de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie (WagwEU) aangenomen. Evenwel een cruciaal element in deze wet, de zogenoemde meldingsplicht is eerst in maart 2020 effectief ingevoerd. Het niet naleven en/of controleren van de meldingsplicht kan daarbij aanleiding geven tot hoge boetes. Van belang is om na te gaan of en wanneer dit speelt. Ik schets hierna de hoofdlijnen. Verplichtingen Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de EU - kort Voor dienstverrichters uit de Europese Economische Ruimte (EER) en Zwitserland die tijdelijk met hun personeel in Nederland werkzaamheden komen verrichten, geldt de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie. In deze wet staat dat werknemers recht hebben op bepaalde arbeidsvoorwaarden die Nederland vanwege de

detacheringsrichtlijn heeft vastgesteld. De werkgevers uit landen in de EER en Zwitserland met tijdelijk gedetacheerd personeel in Nederland moeten voldoen aan een aantal administratieve verplichtingen: •

De verplichting om bepaalde documenten aanwezig te hebben op de Nederlandse werkplek van de gedetacheerde werknemer (of direct digitaal beschikbaar te hebben). Het gaat om arbeidsovereenkomsten, loonstrookjes, arbeidstijdenoverzichten, A1-formulieren en betalingsbewijzen. Inlichtingenverplichting: de verplichting om desgevraagd aan de Inspectie SZW alle informatie te verstrekken die noodzakelijk is voor de handhaving van de WagwEU. De verplichting om in een Nederland een contactpersoon aan te wijzen die de Inspectie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) kan benaderen en als aanspreekpunt fungeert. Meldingsplicht, buitenlandse werkgevers (dienstverleners) zijn verplicht om hun werkzaamheden voor aanvang, in Nederland aan melden.


Meldingsplicht – ook voor bepaalde zelfstandige dienstverrichter Met ingang van 1 maart 2020 is effectief sprake van een elektronische meldingsplicht. Deze geldt voor buitenlandse bedrijven die medewerkers detacheren naar Nederland alsook voor bepaalde zelfstandigen die in Nederland komen werken. Zo wordt duidelijk wie actief is in Nederland en maakt zo de controle op en handhaving van de regels beter mogelijk. De meldingsplicht geldt voor werkgevers die met eigen personeel naar Nederland komen, detacheringen binnen concern en uitzendbureaus, doch eveneens voor zelfstandigen in bepaalde sectoren. De Nederlandse meldingsplicht kent daarbij veel overeenkomsten met de Belgische LIMOSA-melding welke geldt voor uitzendingen naar België, zoals toegelicht door Carline Vanrobays. Voor zelfstandigen zijn bepalend de soort activiteiten die men in Nederland uitvoert. De melding geldt slechts voor bepaalde werkzaamheden in de sectoren landbouw, bosbouw en visserij, industrie, bouwnijverheid, logies-, maaltijd- en drankverstrekking, gezondheids- en welzijnszorg. Daarbij wordt aangesloten bij de Standaard Bedrijfsindeling (SBI). Uitzonderingen op de meldingsplicht De meldingsplicht kent de nodige uitzondering en soms mag volstaan worden met een jaarlijkse meldingsplicht. Zo gelden de nodige uitzonderingen voor het transport. Het merendeel van het vervoer is uitgesloten van de meldingsplicht of komt net als kleine bedrijven in aanmerking voor een jaarmelding. Kleine bedrijven (1-9 medewerkers in dienst) en meldingsplichtige zelfstandigen die gevestigd zijn binnen een straal van 100 kilometer van de Nederlandse grens, kunnen gebruikmaken van een zogenaamde jaarmelding om de administratieve lasten te beperken. Dit kan ook als de dienstverrichter of zelfstandige werkzaam is in de sector Goederenvervoer over de weg. De jaarmelding geldt echter niet voor bedrijven in de bouwsector, arbeidsbemiddeling, de uitzendsector of personeelsbeheer. Verder zijn zogenoemde incidentele werkzaamheden onder bepaalde voorwaarden ook uitgezonderd van de meldingsplicht. Dat betreft onder meer initiële assemblage, dringend onderhoud of reparaties, het bijwonen van wetenschappelijke congressen,

zakelijke besprekingen en deelname aan internationale sportwedstrijden. Voorts gelden welbepaalde uitzonderingen voor artiesten, musici, gastdocenten, correspondenten en wetenschappelijk onderzoekers. Controleplicht Nederlandse bedrijven die werknemers (van een bedrijf) of zelfstandige inhuren voor een tijdelijke opdracht in Nederland, zijn verplicht om de gedane melding te controleren. Zij ontvangen een bericht als de buitenlandse dienstverrichter of zelfstandige zijn komst naar Nederland heeft gemeld en kunnen de melding online inzien en controleren. De Inspectie SZW controleert of werkgevers en opdrachtgevers zich houden aan de WagwEU. Boetes Indien de regels niet worden nageleefd kunnen boetes worden opgelegd. Op de opdrachtgever/ dienstontvanger rust daarbij allereest de plicht om de melding te controleren. Blijkt uit een controle dat niet vooraf of onjuist is gemeld? Dan kunnen de dienstverlener en de opdrachtgever beiden een boete krijgen. De sancties op niet of niet tijdige melding zijn fors: zo geldt er een boete van in beginsel € 12.000,00 per overtreding. Na een eerste coulanceperiode is aangegeven dat de Inspectie SZW deze regels vanaf 1 september (strikter) gaat handhaven en ook daadwerkelijk boetes gaat opleggen. Internationale diensten verrichten Deze regelgeving is gebaseerd op Europese regels, zodat in vele landen vergelijkbare verplichtingen gelden. Hou er dan ook rekening mee dat ingeval u als Nederlands bedrijf werknemers in het buitenland laat werken c.q. diensten verricht, er mogelijk ook een vergelijkbare meldingsplicht van toepassing is. Zodra sprake is van grensoverschrijdend werknemersverkeer/ dienstverkeer, is het altijd van belang om te controleren welke verplichtingen in het buitenland gelden. Het niet naleven kan aanleiding geven tot zeer hoge boetes, die niet in verhouding staan tot de kosten van (bijstand bij) het opvolgen van de verplichtingen. Een goede (tijdige) voorbereiding, verdient daarbij de voorkeur.


Post COVID tele- of thuiswerken door Belgische grenswerkers en de gevolgen voor de Nederlandse werkgever

Nancy Slegers, Partner, BDO Belastingconsulenten (Nancy.Slegers@bdo.be) Olivier Michiels, Partner, BDO Belastingconsulenten (Olivier.michiels@bdo.be

In maart 2020 had het COVID-19-virus zijn weg gevonden naar Europa en werd er door de Europese overheden massaal ingegrepen op de vrijheden van eenieder. Ook door België en Nederland werden een hele reeks maatregelen getroffen om de verspreiding van het virus tegen te gaan. Zo werden ondernemingen - uitgezonderd zij die essentiële goederen/diensten leveren verplicht om hun werknemers die van thuis uit konden werken, te laten telewerken en werden niet-essentiële verplaatsingen in Nederland en België, alsook verplaatsingen naar het buitenland gedurende een aantal maanden verboden dan wel beperkt. Ook na de recente heropflakkeringen werden de maatregelen in Nederland en België opnieuw verstrengd in lijn met deze tijdens de eerste ‘lock down’ periode en is thuiswerken opnieuw de norm. Nancy Slegers en Olivier Michiels zetten de gevolgen op een rij. Sociaal en fiscaalrechtelijke COVID-19 maatregelen tussen België en Nederland Gelukkig hebben de Belgische en Nederlandse overheden kort na het instellen van de eerste lock down een aantal belangrijke beslissingen genomen en akkoorden gesloten, die ervoor gezorgd hebben dat in heel wat situaties de fiscale en parafiscale heffing op de lonen in grensoverschrijdende situaties ongewijzigd behouden konden blijven. Sociale zekerheid Zo beslisten de Belgische en Nederlandse sociale zekerheidsinstanties vrij snel om per de datum van de lock down vanaf 13 maart 2020 de perioden van telewerk die in het thuisland van de werknemer en zelfstandigen verricht als gevolg van covid-19, uit te sluiten bij de vaststelling van het toepasselijke socialezekerheidsstelsel. Deze

uitzonderingsmaatregel geldt in principe zolang de coronamaatregelen aanhouden. In België hebben de sociale zekerheidsinstanties recentelijk gecommuniceerd dat de einddatum voorzien wordt op 30 juni 2021, maar dat die datum wel kan herzien worden in functie van het al dan niet continueren van de coronamaatregelen. Met deze uitzondering wensen de Belgische en Nederlandse overheden een tijdelijke verschuiving van sociale zekerheid gedurende de COVID-19 pandemie te voorkomen. Inkomstenbelasting Ook op fiscaal vlak hebben de Belgische en Nederlandse fiscale overheden op aanbeveling van de OESO een akkoord gesloten met het oog op het beperken of voorkomen van de onvoorziene gevolgen van een belastingverschuiving. Het bilateraal akkoord voorziet in een aantal


afwijkingen op de bepalingen van het onder België en Nederland gesloten dubbelbelastingverdrag (het verdrag). Zo bepaalt deze overeenkomst onder andere dat alle arbeidsprestaties van werknemers die thuis worden uitgeoefend als gevolg van de COVID-19-maatregelen mogen worden beschouwd als werkdagen die worden uitgeoefend in het land waar de activiteiten zonder de maatregelen zouden zijn uitgeoefend. Bijgevolg kunnen de inkomsten met betrekking tot deze prestaties verder belastbaar blijven in de werkstaat. Het bilaterale COVID-19 akkoord voorziet verder in een zelfde fictiebepaling voor situaties waar de werknemer tijdelijk werkloos is en geniet van een loondoorbetaling door de werkgever of recht heeft op een tijdelijke werkloosheidsuitkering. De fictiebepalingen gelden, in tegenstelling tot de uitzonderingmaatregel op het vlak van sociale zekerheid, enkel voor werknemers en niet voor vennootschapsmandatarissen en zelfstandigen. Het akkoord is in principe geldig van 11 maart tot eind dit jaar, tenzij tussen België en Nederland tot een verlenging zou beslist worden. Vaste inrichting Ondanks het feit dat in het tussen België en Nederland gesloten bilateraal akkoord geen specifieke maatregelen werden opgenomen met betrekking tot vaste inrichtingen, stelt de OESO aanbeveling dat het uitzonderlijk en tijdelijk verrichten van de werkzaamheden vanuit het woonland (thuiskantoor) als gevolg van de COVID-19 maatregelen geen belastbare vaste inrichting onder het verdrag zal doen ontstaan in hoofde van de werkgever. Noteer in dit verband dat België sowieso reeds een eerdere flexibele interpretatie hanteert wat de kwalificatie van een thuiskantoor als vaste inrichting betreft (zie verder).

Vertegenwoordigers Ook voor vertegenwoordigers zal het tijdelijk afsluiten van contracten vanuit de thuisbasis van de werknemers of agenten vanwege COVID-19, in principe, geen belastbare vaste inrichting onder het verdrag creëren. Anderzijds zal, voor bouw- en constructiewerkzaamheden, een tijdelijke onderbreking van de werkzaamheden als gevolg van de COVID-19 restricties, althans volgens de OESO, wél in aanmerking moeten worden genomen voor de bepaling van de duurtijd van het project. Hier is er met andere woorden wel potentieel een verhoogd risico op het ontstaan van een belastbare vaste inrichting onder het verdrag.

‘Dit alles neemt echter niet weg dat de Nederlandse werkgever mogelijks wel geacht kan worden te beschikken over een Belgische Inrichting’ Dit alles neemt echter niet weg dat de Nederlandse werkgever, mogelijks wel geacht kan worden te beschikken over een Belgische inrichting. De voorwaarden daartoe zijn immers aanzienlijk strikter dan deze onder het verdrag (zie verder). Maar wat na afloop van de COVID-19 maatregelen? Nu we het einde van het jaar en mogelijk ook de einddatum van het bilaterale akkoord op het vlak van de toewijzing van de belastingheffing tussen België en Nederland nadert, is het van belang vooruit te kijken naar het post-coronatijdperk. Het is immers de verwachting dat door gewijzigde (klanten)behoeften en/of prioriteiten ook de bedrijfsprocessen van heel wat ondernemingen zullen herbekeken en aangepast worden. Dit kan/zal zeker ook gevolgen hebben op de verschillende internationale tewerkstellingssituaties. Diverse bevragingen van ondernemingen en werknemers wereldwijd, ook door BDO, hebben ondertussen aangetoond dat zowel leidinggevenden als werknemers telewerken als positief ervaren. Ook voor internationale tewerkstellingssituaties is gebleken dat tele- of thuiswerken binnen bepaalde grenzen mogelijk is en geen belemmering hoeft te zijn. Het is dan ook te verwachten dat het tele- en thuiswerken ook in het post-coronatijdperk in zekere mate een blijver zal zijn.


We stellen vast dat heel wat ondernemingen hier op heden reeds concrete stappen in zetten door de impact naar de loonkost voor de werkgever, het bruto-netto verhaal voor de werknemer en de eventuele gevolgen vanuit vaste inrichting perspectief in kaart te brengen en toekomstige policies uit te werken. Het is immers zo dat, van zodra de COVID-19 maatregelen op het vlak van sociale zekerheid en belastingheffing komen te vervallen, er afhankelijk van het aandeel van het tele- of thuiswerk in het woonland, een verschuiving van de heffing van de sociale zekerheidsbijdragen en/of belastingheffing kan plaatsvinden.

‘Het is dan ook te verwachten dat het tele- en thuiswerken ook in het postcoronatijdperk in zekere mate een blijver zal zijn’ Gevolgen Nederlandse werkgevers met Belgische werknemers Voor Nederlandse werkgevers die hun Belgische werknemers, die voorheen uitsluitend tewerkgesteld werden in Nederland, toestaan om één of meerdere dagen per week de werkzaamheden vanuit hun thuiskantoor te verrichten, zal de fysieke tewerkstelling vanuit België niet enkel gevolgen hebben op het vlak van de verschuiving van sociale zekerheid en/of belastingheffing en de administratieve en juridische gevolgen op dat vlak, maar mogelijk ook resulteren in het ontstaan van een vaste inrichting (op basis van de verdragsbepalingen) en/of een Belgische inrichting (op basis van Belgische fiscale wetgeving). Aandachtspunten personeelszaken Op het vlak van de formaliteiten en juridische aandachtspunten als gevolg van de verschuiving van de sociale zekerheid en belastingheffing naar België moet onder andere gedacht worden aan: Informeren werknemers omtrent de fiscale en juridische gevolgen van de nieuwe tewerkstellingssituatie; Eventueel voorrekenen van de financiële impact naar de netto verloning; Toepassing van de dwingende bepalingen van het Belgische arbeidsrecht voor de teleof thuiswerkdagen: noodzaak tot opmaak van een addendum aan de Nederlandse arbeidsovereenkomst, opmaak van een arbeidsreglement, opmaak/aanpassing thuiswerk policy, …;

Aanpassing reisvergoeding, mogelijk betaling vergoeding voor thuiswerk, …; aanvraag van een A1-verklaring gelet op de gelijktijdige tewerkstelling tussen België en Nederland; Indien toepassing van Belgische sociale zekerheid: registratie van de Nederlandse onderneming als werkgever bij de RSZ, beoordeling doelgroep verminderingen met betrekking tot de werkgeversbijdragen, …; Noodzaak tot inhouding van Belgische bedrijfsvoorheffing indien sprake van een vaste of Belgische inrichting; Opstart Belgische en aanpassing van de Nederlandse loonverwerking; Beoordeling impact op het vlak van de bovenwettelijke pensioenopbouw. Beoordeling vaste inrichting op basis van verdragsbepalingen Naast de impact voor de werknemers is het zeker zo belangrijk om stil te staan bij de mogelijke gevolgen op het vlak van de vennootschapsbelasting. Zo zal het van belang zijn om alvorens in te stemmen met een mogelijkheid tot tele- of thuiswerken voor de Belgische werknemers, om te beoordelen of het werken vanuit een thuiskantoor aanleiding zal geven tot het ontstaan van een belastbare vaste inrichting onder het verdrag in hoofde van de Nederlandse onderneming.. Voor deze beoordeling zal het onder andere van belang zijn om na te gaan of: Het gebruik van het thuiskantoor een essentiële voorwaarde is in de arbeidsovereenkomst; Wordt in de arbeidsovereenkomst bepaalt dat de prestaties van de werknemer moeten worden uitgevoerd vanuit het thuiskantoor, of is de werknemer vrij om te beslissen van waar hij zijn werk zal uitvoeren? Ontvangt de werknemer, direct of indirect, een vergoeding voor de kosten die verbonden zijn aan het opzetten/gebruik van het thuiskantoor? Is er een indicatie van de aanwezigheid van de werkgever op het adres van de werknemer (naamplaatje, vermelding thuisadres op visitekaartjes, vermelding op de website, …)? Wat is de functie van de werknemer? Gaat het over een functie die gericht is op de interne bedrijfsvoering (voorbereidende of ondersteunende activiteiten) of op de kernactiviteiten van de werkgever?


Specifiek voor werknemers en vertegenwoordigers, heeft de werknemer de bevoegdheid om namens de Nederlandse onderneming op structurele wijze vanuit België contracten af te sluiten of de essentiële bestanddelen ervan te onderhandelen zonder materiële tussenkomst door de Nederlandse vennootschap? Indien dit het geval is, geldt deze bevoegdheid dan ook voor contracten met betrekking tot de Belgische markt? Indien op basis van een grondige analyse van de feitelijke omstandigheden het bestaan van een belastbare vaste inrichting onder het verdrag kan uitgesloten worden, is het verhaal niet af. In zulke situatie zal immers moeten nagegaan worden of de Nederlandse onderneming toch niet geacht kan worden te beschikken over een Belgische inrichting op basis van de Belgische fiscale wetgeving.

‘Indien op basis van een grondige analyse van de feitelijke omstandigheden het bestaan van een belastbare vaste inrichting onder het verdrag kan uitgesloten worden, is het verhaal niet af’ Zoals hierboven reeds kort vermeld, zijn de voorwaarden daartoe immers aanzienlijk strikter dan deze onder het verdrag. Zo is er geen uitsluiting voor voorbereidende/ondersteunende werkzaamheden (de zogenaamde negatieve bepalingen), volstaat het dat haar werknemers in België gedurende meer dan 30 dagen in een periode van 12 maanden diensten verlenen en is het niet vereist dat de werknemer/ vertegenwoordiger een machtiging heeft om namens de Nederlandse onderneming in België contracten te sluiten. De loutere aanwezigheid van een vertegenwoordiger is voldoende. Fiscale verplichtingen Hoewel de loutere aanwezigheid van een Belgische inrichting geen aanleiding zal geven tot (bijkomende) belastingheffing in België (er is immers geen belastbare vaste inrichting onder het verdrag), zal de werkgever wel bepaalde fiscale verplichtingen moeten nakomen (bijvoorbeeld indiening van een fiscale aangifte voor de Nederlandse vennootschap). Indien de Nederlandse onderneming daarentegen wel geacht wordt te beschikken over een belastbare vaste inrichting

zal het van belang zijn om over te gaan tot een correcte winst en kostenallocatie voor het Belgische aandeel van de activiteiten van de Nederlandse onderneming. Naast deze aangifteplicht is het verder van belang te noteren dat indien de Nederlandse onderneming wordt geacht te beschikken over een Belgische inrichting, zij zich moet aansluiten bij een Belgisch sociaal verzekeringsfonds voor zelfstandigen en jaarlijks een bijdrage voor vennootschappen zal moeten betalen waarvan het bedrag afhankelijk is van de hoogte van het balanstotaal van het voorlaatste afgesloten boekjaar. Meer bepaald circa 350 euro bij een balanstotaal van minder dan 700.000 euro en circa 870 euro bij een balanstotaal meer dan 700.000 euro.

‘Het is immers de verwachting dat de voordelen (eventuele bijkomende fiscale opbrengsten) van het ‘nieuwe normaal’ ook de Belgische fiscus niet zijn ontgaan’ Tijd voor actie Indien u als Nederlandse onderneming de intentie heeft om uw Belgische werknemers postCOVID een gedeelte van hun werkzaamheden van thuis uit of middels telewerk vanuit België te laten verrichten, zal het van belang zijn om de gevolgen hiervan voorafgaandelijk grondig te onderzoeken en er voor te zorgen dat de inregeling hiervan gebeurt in lijn met de wettelijke bepalingen. Het is immers de verwachting dat de voordelen (eventuele bijkomende fiscale opbrengsten) van het ‘nieuwe normaal’ ook de Belgische fiscus niet zijn ontgaan.



HISTORIEK __________________


Belgische onafhankelijkheidsstrijd en de rol van Limburg In 1830 werd België onafhankelijk van Nederland. Toch verliep de strijd tussen beide landen niet van een leien dakje en daarbij speelde Maastricht en bij uitbreiding heel Nederlands Limburg, een belangrijke rol. Zo gold van 1830 tot 1833 de blokkade van Maastricht, ook wel Maastrichtse belegstaat genoemd. Het was een militaire blokkade van de toenmalige Nederlandse vestingstad Maastricht en het dorp Sint Pieter door het Maasleger van het Belgische Voorlopig Bewind. De blokkade werd in de loop van 1832 enigszins versoepeld en werd in november 1833 grotendeels opgeheven middels het sluiten van het (Verdrag van Zonhoven. Eerst in 1838 trokken de Belgische troepen zich definitief uit Nederlands-Limburg terug, waarmee de blokkade van Maastricht feitelijk was opgeheven. Toch eindigde de belegstaat officieel pas na het ondertekenen door beide partijen van het Traktaat van Londen op 19 april 1839. Bij de oprichting van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden door het Congres van Wenen in 1814-1815 werd de stad Maastricht een Nederlandse provinciehoofdstad. Maastricht, dat vóór 1794 een Luiks-Staats condominium was geweest en daarna 20 jaar lang een Franse stad, werd de hoofdstad van de nieuwgevormde provincie Limburg, bestaande uit het huidige Belgisch-en Nederlands-Limburg. Daarmee begon voor de deels verfranste hoofdstad van Limburg het moeizame proces van integratie. Opstand Maastricht was al vanaf de 16e eeuw een belangrijke vestingstad en zou dat tot 1867 blijven. Opperbevelhebber van de vesting was sinds 1815 Guillaume Anne de Constant Rebecque de Villars, maar feitelijk b e v e lh e b b e r was Bernardus Johannes Cornelis Dibbets, die sinds 1829 commandant van de vierde landmachtdivisie was. Eind augustus 1830 braken in Zuid-Nederlandse steden als

Brussel, Luik, Verviers, Hoei, Namen, Bergen en Leuven rellen uit tegen koning Willem I en zijn door Noord-Nederlanders gedomineerde regering. Vooral in het Luikse brandde het revolutionaire vuur, aangewakkerd door sociale onvrede bij met name de textielwerkers. In Brussel arriveerde begin september een groep van 300 gewapende Luikenaren onder aanvoering van Charles Rogier, die het stadhuis bezetten, waarna de opstand het karakter van een revolutie kreeg. Prominente revolutionairen waren de uit Maastricht afkomstige bestuurders JeanFrançois Hennequin en Charles Destouvelles, beiden in 1830 lid van het Nationaal Congres, en de broers Félix en Frédéric de Merode. Bezetting In de meeste steden en dorpen van het verenigde Limburg was weinig animo voor de revolutie. In Maastricht was pas eind september iets te merken van protest tegen het ‘Hollandse’ gezag, voornamelijk afkomstig van enkele achtergebleven, vrijzinnige advocaten, maar verder dan het koffiehuis kwamen deze protesten niet. Kooplieden en fabrikanten, verenigd in de Kamer van Koophandel en Fabrieken, kozen openlijk voor Nederland, tersluiks gesteund door de katholieke geestelijken. Verder was in Limburg alleen in Tongeren, SintTruiden, Hasselt, Maaseik en Roermond sprake van enige beroering, echter niet te vergelijken met de georganiseerde opstand die in Luik plaatsvond. Ondanks gebrek aan steun bij de meerderheid van de bevolking wist het Belgische Maasleger heel Limburg te bezetten met uitzondering van Maastricht. Twee andere vestingsteden, Luxemburg en Antwerpen, bleven eveneens in Nederlandse handen.


Isolatie In Maastricht voerde Dibbets het bevel over een garnizoen, die aan alle ZuidNederlandse officieren en soldaten de keuze gaf om bij het Nederlandse leger te blijven dienen of om naar huis terug te keren. Belgische troepen hadden ondertussen Maastricht in een wijde boog omsingeld. De vestingstad werd daarop begin oktober door Dibbets in staat van beleg verklaard. Dibbets was begin 1831 officieel benoemd tot opperbevelhebber van de vesting Maastricht. Een van zijn eerste daden was de vervanging van een groep soldaten afkomstig uit Limburg en andere ‘onbetrouwbare’ provincies door verse troepen uit Breda. De interne versterking van de vestingwerken werd versneld uitgevoerd. Twee bruggen over de vestinggracht, die naar het dorp Sint Pieter leidden, werden afgebroken. Zowel de rivier de Maas als de in 1826 opgeleverde ZuidWillemsvaart waren afgesloten voor het scheepvaartverkeer. Ook over land was Maastricht vrijwel geïsoleerd. Dibbets zond op 23 februari 1831 een bericht waaruit bleek dat de Belgen de verbinding tussen Noord-Brabant en Aken bij voortduring hinderden en met name levensmiddelen bestemd voor Maastricht onderschepten. Ook voor de Maastrichtse bevolking had de staat van beleg directe gevolgen. Behalve de voortdurende militaire dreiging, de aanwezigheid van grote aantallen soldaten en de schaarste van allerlei goederen, werden ook het Maastrichtse carnaval en andere openbare vermakelijkheden verboden.

Tiendaagse Veldtocht Ook na de winter duurde de belegering voort. Dibbets meldde in april 1831 dat een bende Belgische vrijwilligers zich op een kwartier afstand van de stad had vertoond. De nieuw gevormde Belgische regering kreeg op 17 april van hem te horen dat zolang de vesting Maastricht in staat van beleg was, het Belgische schepen niet toegestaan was door de stad te varen. In de maand juli 1831 was er een opleving van de strijd, culminerend in de Tiendaagse Veldtocht, van 2 tot 12 augustus, van kroonprins Willem van Oranje. Vlak bij Maastricht vond op 8 augustus de slag om Hasselt plaats, waarbij commandant Daine van het Belgische Maasleger het onderspit dolf. Troepen van generaal Van Boecop bezetten daarop vanuit Maastricht het naburige Tongeren. De militaire successen van de Prins van Oranje leidden echter niet tot een doorbraak in de onderhandelingen. Wel was tijdens de onderhandelingen tussen de grote mogendheden in Londen duidelijk geworden dat een deel van Limburg voor Nederland behouden diende te blijven. In een memorie benadrukte Dibbets het belang van de vesting Maastricht voor het Koninkrijk der Nederlanden als ‘voorste bolwerk’ dat de Belgen in bedwang moest houden. Elders in Limburg deed zich in december 1831 een schaarste aan brandstof voelen, omdat Dibbets geen toestemming wilde geven voor de doortocht van Luikse steenkool.


Opheffing van de blokkade In juli 1832 probeerde Dibbets een deel van de mergelgangen van de Sint-Pietersberg te doen instorten om ook van die kant tegen invallen beschermd te zijn. Een maand later werd een overeenkomst gesloten tussen Dibbets en generaal Magnan, waardoor de Belgische troepen rondom de vesting Maastricht aan weerszijden van de Maas op een afstand van minimaal 1.500 meter positie moesten nemen. Alle omringende gemeenten binnen een straal van 3 mijl werden door de krijgsmacht afgezet. Op 21 mei 1833 werd te Londen overeengekomen dat vreemde vaartuigen op de Maas en de Schelde vrije doortocht zouden hebben. Uiteindelijk regelde het Verdrag van Zonhoven, door beide partijen ondertekend op 18 november 1833, de feitelijke opheffing van de blokkade en de noodtoestand in Maastricht. De afspraken die in Zonhoven waren gemaakt betroffen de vrije doorvaart van Belgische schepen op de Maas overeenkomstig de bepaling van 21 mei 1833. De Belgen gaven op hun beurt toestemming voor de aanleg van een militaire dijk tussen Budel en Maastricht, waarlangs Nederlandse troepen vrije doortocht hadden. Daarmee kwam een einde aan de isolering

van Maastricht. Dibbets overleed op 29 maart 1839, drie weken voor de ondertekening van het Traktaat van Londen, dat het einde van de vijandelijkheden definitief regelde. Hij kreeg een eervolle laatste rustplaats in de vestingwerken van Maastricht, buiten de Boschpoort. De daarbij geplaatste cenotaaf - een grafteken dat al sinds de klassieke oudheid wordt opgericht ter nagedachtenis aan overledenen van wie het stoffelijk overschot elders verkeert of onvindbaar is - verhuisde later naar de Tapijnkazerne. Nederlands wordt officiële taal Als gevolg van het mislukken van de Belgische Revolutie in Maastricht, vond in de jaren daarna een kleine uittocht van voornamelijk francofiele intellectuelen plaats. Hoewel de Maastrichtse elite in de 19e eeuw sterk verfranst bleef, was het Nederlands hier de officiële taal en verdween het Frans in het begin van de 20e eeuw geleidelijk uit het openbare leven. Achteraf werd het behoud van Maastricht voor Nederland door veel Maastrichtenaren betreurd, waarbij Dibbets als boeman werd afgeschilderd. Ook bleef tot in de jaren 1920 in Maastricht de Limburgsche Liga actief, een sterk anti-Hollandse vereniging ter bescherming van de Limburgse cultuur. Limburg blijft vreemde eend Ook voor de overige plaatsen in de Nederlandse provincie Limburg betekende de opheffing van de blokkade een terugkeer naar Nederland, na bijna tien jaar Belgisch bewind. Opnieuw moest men wennen aan nieuwe bestuurders, ambtenaren en regels. Dorpen langs de grens werden afgesneden van hun Belgische buren. In Nederland was Limburg een vreemde eend in de bijt, geïsoleerd door zijn perifere ligging, en onbekend door zijn afwijkende geschiedenis. Van 1839 tot 1866 was Nederlands-Limburg, met uitzondering van Maastricht en Venlo, als ‘Hertogdom Limburg’ lid van de Duitse Bond, wat een snelle integratie evenmin ten goede kwam. In België werd het vroegere ‘OostLimburg’ en de met Luik sterk verbonden stad Maastricht niet vergeten. Na de Eerste Wereldoorlog eiste België tevergeefs nogmaals de teruggave van Limburg als compensatie voor de enorme verliezen in de oorlog. Pas na de Tweede Wereldoorlog en met het vervagen van de landsgrenzen konden de oude banden tussen Maastricht en het Belgische achterland en tussen de beide Limburgen weer worden aangehaald.


FISCAAL & JURIDISCH II __________________


Belgische pensioenpremies bij werken in Nederland, pas op de plaats?

Edwin van Overmeire Als fiscalist/vennoot werkzaam bij Bolwerk 7 Fiscale & financiële dienstverlening te Terneuzen Tevens Lid Raadgevende Commissie GWO (Grensoverschrijdend Werken & Ondernemen) evanovermeire@bolwerk7.nl

Hoe vaak komt het in de praktijk niet voor? Inwoners van België, die tijdelijk in Nederland worden tewerkgesteld door hun Belgische werkgever, al dan niet binnen concernverband. Soms betreft het maar een (zeer) korte periode, maar veel vaker vindt een detachering ook voor langere perioden plaats. Daaromtrent gelden enige bijzondere aandachtspunten, niet in het minst waar het de fiscale behandeling van de Belgische pensioenregeling betreft. Edwin Van Overmeire licht in deze bijdrage een en ander nader toe. Werknemer blijft in dienst bij werkgever In de meeste gevallen blijft de werknemer civielrechtelijk in dienst bij zijn Belgische werkgever. Bij werkzaamheden binnen concernverband wordt in zo’n geval (bijna altijd) via een addendum op de bestaande arbeidsovereenkomst een tripartite overeenkomst gesloten tussen de beide vennootschappen en de werknemer. In deze overeenkomst worden veelal afspraken gemaakt over onder andere het werkgeversgezag tijdens de periode van uitzending, eventuele (buitenland)toelagen en meestal aangevuld met een terugkeergarantie na beëindiging van de werkzaamheden in Nederland. Tussen de vennootschappen onderling moeten ook nog afspraken gemaakt worden over de zakelijke doorbelasting van de brutoloonkosten (inclusief werkgeverslasten, pensioenpremies en andere werkgeverslasten; denk daarbij aan autokosten en onkostenvergoedingen). Heffingsbevoegdheid op basis (dubbel) belastingverdrag Indien de loonkosten door of (via doorbelasting) namens een Nederlandse werkgever

worden betaald of ten laste komen van een vaste inrichting die de Belgische werkgever in Nederland aanhoudt dan wel bij overschrijding van de 183-dagen regel, komt de heffingsbevoegdheid over de looninkomsten (voor zover de werkzaamheden fysiek in Nederland plaatsvinden) toe aan Nederland. De werknemer blijft in dergelijke gevallen bijna altijd deelnemen aan de (extra legale) pensioenregeling bij de werkgever (meestal via een groepsverzekering) en wordt het antwoord op de vraag relevant of en zo ja, in hoeverre de pensioenopbouw in woon- en/of werkland fiscaal gefaciliteerd wordt. Fiscale faciliteit in opbouwperiode in België In België is de werknemersbijdrage niet van het loon aftrekbaar, maar wordt aan de belastingplichtige een belastingvermindering van 30% van de betaalde premies verleend. De pensioenregeling moet wel voldoen aan de zogenaamde ‘80%-regel’. Die regel houdt in, dat (na een loopbaan van 40 jaar) de som van het wettelijk en aanvullend pensioen (uitgedrukt in


een levenslange uitkering) niet hoger mag zijn dan 80% van het laatste bruto jaarloon. De belastingvermindering wordt aan hem verleend na de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting (aftrek op de Gereduceerde Belasting Staat), maar dat houdt ook automatisch in, dat de werknemer geen belastingvoordeel in de personenbelasting geniet als hij volledig in het buitenland werkzaam is. In dat geval wordt de fiscale behandeling van de ingelegde premies in Nederland van groot belang. Fiscale faciliteit in opbouwperiode in Nederland In Nederland kennen we fiscaal de zogeheten ‘omkeerregel’. De omkeerregel houdt in, dat pensioenaanspraken niet tot het loon behoren. Daardoor blijft de werkgeversbijdrage onbelast en is de eigen bijdrage van de werknemer van het loon aftrekbaar. Net als in België (overigens pas wettelijk voor werknemers per 1 januari 2004 geregeld) wordt in Nederland dus het fiscale voordeel in de ‘opbouwfase’ verleend. Ook Nederland stelt eisen aan de regeling zelf. De omkeerregel wordt namelijk alleen toegepast als sprake is van een ‘zuivere pensioenregeling’. Nederland past wel strengere regels toe dan België. Zo mag de regeling bijvoorbeeld niet worden afgekocht, verpand of op een andere manier als zekerheid dienen. Indien en voor zover de regeling naar Nederlands fiscaal recht niet als een zuivere regeling kan worden gekwalificeerd, geldt de omkeerregel niet en wordt het werkgeversdeel in de premies behandeld als belastbaar loon en is de werknemersbijdrage niet van het loon aftrekbaar. Dat heeft uiteraard een behoorlijke impact op het nettoloon dat de werknemer direct in de portemonnee merkt, nu de inhoudingen op het loon bij een grensoverschrijdende tewerkstelling in veel gevallen via een (schaduw)payroll lopen en dus de Belgische (of in een voorkomend geval Nederlandse) sociale premies en loonbelasting direct worden ingehouden en door of namens de werkgever periodiek op aangifte worden afgedragen. Kwalificatie groepsverzekering naar Nederland fiscaal recht Nederland moet dus voor de belastingheffing op de pensioenpremies een ‘fiscaal etiket’ plakken. Voor deze kwalificatie is van belang, dat een Belgische pensioenregeling de facto naar intern Nederlands fiscaal recht ‘onzuiver is’, doordat er onder andere een mogelijkheid is het pensioenkapitaal op de expiratiedatum in één bedrag op te nemen dan wel het contract in pand te geven

en/of voorschotten op te nemen bij een vastgoedfinanciering. Deze mogelijkheden staan - ieder op zich - al een fiscale facilitering van de opbouw in Nederland in de weg. Toch is dat te kort door de bocht. Non-discriminatie Op basis van art. 26, paragraaf 7, van het belastingverdrag bestaat immers een escape. Op basis van deze wederkerige bepaling moet (in dit geval) Nederland de bijdragen die door of namens een werknemer zijn betaald voor een pensioenregeling, die voor de belastingheffing in België erkend is, gedurende een periode van vijf jaar voor de belastingheffing in Nederland op dezelfde wijze behandelen als een bijdrage betaald aan een in Nederland voor belastingheffing erkende pensioenregeling, mits de werknemer al bijdroeg aan de pensioenregeling voordat hij in Nederland ging werken; en de Nederlandse fiscus van oordeel is, dat de betreffende regeling overeenkomt met een door Nederland voor de belastingheffing erkende - dus zuivere - pensioenregeling. Voor de toepassing van deze bepaling omvat de uitdrukking ‘pensioenregeling’ ook een pensioenregeling ingevolge de Belgisch sociale wetgeving (het wettelijk rustpensioen). Hierdoor staat de Nederlandse fiscus in het geval van detachering van een inwoner van België naar Nederland gedurende 5 jaar de toepassing van de omkeerregel toe op de groepsverzekering. Fiscale behandeling na de periode van 5 jaar Omdat detachering fiscaal niet beperkt is tot een bepaalde termijn, komt met enige regelmaat in de praktijk de vraag aan de orde of na de termijn van 5 jaar de Belgische pensioenregeling altijd als een onzuivere regeling moet worden aangemerkt. De antwoorden lopen daarop uiteen en het is dan ook niet gek, dat de vraag uiteindelijk aan de rechter is voorgelegd. Op het moment van het schrijven van deze bijdrage is de zaak overigens nog steeds ‘onder de rechter’. De Advocaat-Generaal (A-G) bij het Openbaar Ministerie heeft op 20 december 2019 conclusie genomen in de betreffende zaak. De conclusie bevat een advies aan de Hoge Raad. Nederlands’ hoogste nationale rechtscollege kan, maar hoeft dit advies uiteraard niet op te volgen. Lopende procedure bij de Hoge Raad De zaak heeft betrekking op een inwoner van België, die sinds 1978 werkt voor hetzelfde concern. Eerst in een Belgische vestiging waar hij in pensioenregeling deelnam.


Vanaf 1 juli 2007 werkt hij echter in een Nederlandse vestiging van dat concern waarbij hij bleef deelnemen aan de Belgische pensioenregeling. Voor de periode 1 juli 2007 tot 1 juli 2012 is de pensioenregeling aangewezen als ‘zuivere pensioenregeling’. In 2013 heeft de werkgever de ‘omkeerregel’ niet meer toegepast. Belanghebbende komt tegen het niet toepassen van de omkeerregel op bij bezwaar tegen de aan hem opgelegde aanslag inkomstenbelasting, dat door de Inspecteur ongegrond wordt verklaard, en vervolgens in beroep tegen de uitspraak van de Inspecteur. De Rechtbank wijst het beroep af, het Hof geeft belanghebbende echter in hoger beroep gelijk. De Staatssecretaris stelt vervolgens beroep in cassatie in tegen de uitspraak van het Hof. Belanghebbende stelt op zijn beurt incidenteel beroep in cassatie in. Let op! Voordat we de conclusie van de A-G verder bespreken en daarop reageren, merk ik vooraf uitdrukkelijk op, dat de casus wel enigszins afwijkt van het primaire uitgangspunt in deze bijdrage, nu we daar formeel te maken hebben met een Belgische werkgever. Aan de hand van de verschillen ga ik daarom aan het eind van deze bijdrage na of het oordeel van de Hoge Raad, als de conclusie van de A-G al wordt gevolgd, een verschil zal uitmaken voor ons uitgangspunt. Mening Advocaat-Generaal De A-G geeft in zijn conclusie aan dat de Staatssecretaris terecht betoogt, dat de situatie van belanghebbende niet gelijk is aan het geval van een belastingplichtige die in Nederland woont, en in België en Nederland werkt voor een in België gevestigde werkgever, en ten aanzien van wie blijkens mededeling van de Inspecteur de omkeerregel in de inkomstenbelasting wordt toegepast. De omstandigheden zijn volgens hem ongelijk, en de beide arbeidsrelaties verschillen rechtens, omdat arbeidsrechtelijk en fiscaalrechtelijk twee verschillende jurisdicties van toepassing zijn. Tot zover kan ik de A-G volledig volgen, maar vervolgens lijkt hij zich te gaan bedienen van een doelredenering. Hij merkt namelijk op, dat met het oog op deze verschillen, de wetgever in art. 1.7, lid 2, onderdeel c, Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) - voor gevallen waarin de werkgever niet in Nederland inhoudingsplichtig is - buitenlandse pensioenregelingen heeft erkend. Dat is op zich al opmerkelijk, nu in dat onderdeel nergens in de tekst een onderscheid

wordt gemaakt naar gelang de werkgever al dan niet inhoudingsplichtig is voor de loonbelasting, laat staan of een werkgever verplicht is zich te melden als inhoudingsplichtige of dat als buitenlandse werkgever vrijwillig doet (zie art. 6, lid 2, onderdeel b, Wet LB 1964). Ook wordt in de tekst geen gewag gemaakt van het feit of het van belang is of we te maken hebben met een belastingplichtige werknemer, die wel of geen inwoner is. Dat is ook volstrekt logisch gezien de plaats van het artikel in de wettekst (onder de algemene bepalingen). Vervolgens gaat de A-G vol gas door op de ingeslagen weg, zonder daarbij in zijn spiegels te kijken.

Hij schrijft, dat in de loonbelasting een dergelijke schakelbepaling niet is opgenomen en dat daardoor de omkeerregel in de inkomstenbelasting (IB) wordt toegepast. Daartoe haalt hij aan, dat bij de inkomstenbelasting het loonbegrip uit de loonbelasting moet worden toegepast, omdat art. 3.81 Wet IB 2001 dat voorschrijft. Dat ben ik uiteraard volledig met hem eens. Daarna merkt hij ook nog terecht op, dat de gelijkstelling van buitenlandse pensioenregelingen niet doorwerkt vanuit de Wet IB 2001 naar de Wet LB 1964, omdat de loonbelasting separaat is geregeld en art. 1.7 Wet IB 2001 daarin niet van toepassing is verklaard. Maar daarmee gaat ook de rechtvaardiging, die hij geeft voor de fiscale behandeling van de buitenlandse pensioenregeling bij de inwoner van Nederland in dienst van een Belgische werkgever, mank. De A-G lijkt immers te verdedigen, dat in dat geval art. 3.81 Wet IB 2001 geen rol speelt, maar dat we daardoor (via een soort paardensprong) wel aan toepassing van art. 1.7, lid 2, onderdeel c, toekomen en dat is vreemd, nu ook buitenlands loon op basis van dat artikel moet worden vastgesteld overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting. Op basis van het vervolg van zijn betoog, lijkt hij dus te suggereren dat bij een inhoudingsplichtige art. 3.81 Wet LB een waterdicht schot vormt, dat toepassing van art. 1.7, lid 2, onderdeel c, in de weg staat en dat bij een buitenlandse werkgever (mits niet-inhoudingsplichtig) de sluis naar toepassing van dat onderdeel wel volop open ligt en dat is merkwaardig, want de wettekst biedt hiervoor in de genoemde combinatie geen steun.


Dat is ook logisch, want anders is 1.7, lid 2, onderdeel c, in wezen een dode letter. Het artikel spreekt dat overigens zelf al tegen. Onder een pensioenregeling voor de inkomstenbelasting wordt immers verstaan: ‘een regeling van een andere mogendheid, die volgens de belastingwetten van dat land, welke naar aard en strekking overeenkomen met de Nederlandse loonbelasting of de inkomstenbelasting, als een pensioenregeling wordt beschouwd’ Conclusie Ik deel dan ook alleen de visie van de A-G, dat de buitenlandse regeling in de lopende procedure niet meer kwalificeert als ‘zuivere’ pensioenregeling voor de heffing van de loonbelasting, maar voor de inkomstenbelasting kwalificeert de regeling naar mijn stellige overtuiging wel als zuivere regeling op grond van de schakelbepaling door wetsfictie. Ik deel dus niet zijn advies aan de Hoge Raad om de omkeerregel in deze zaak niet toe te passen en de werkgeversbijdrage als loon te belasten en de werknemerspremie niet in aftrek toe te laten en hoop dat de

Hoge Raad dat ook tijdig inziet en het geen jaren duurt voordat zij op haar mening terugkomt. A fortiori ben ik dan overtuigd van mijn mening, dat we bij een buitenlandse werkgever - zoals in ons voorbeeld – door de fictie in de inkomstenbelasting spreken van een zuivere regeling door wetsfictie en in dat geval de extra heffing gerepareerd kan worden door het indienen van een aangifte inkomstenbelasting en het fiscale loon volgens de jaaropgaaf daarin te ontdoen van de bijtelling van de werkgeverspremie op het loon en de werknemerspremie alsnog in aftrek te brengen. Of die omweg wenselijk is, is uiteraard een ander geval. In zo’n situatie zou het de Staatssecretaris dan ook sieren met een praktische oplossing voor de praktijk te komen, opdat de voorfinanciering in de sfeer van de loonheffing in een dergelijk geval niet meer moet plaatsvinden. Daartoe kan naar mijn mening art. 45 VwEU nog een bijkomende rol spelen, ook al vindt de A-G in de lopende procedure (nog) van niet.



Vangnetbepaling gepensioneerde grensarbeiders

Ivan Cools is partner bij het Nederlands-Belgisch Centrum, voorzitter van de Stichting grensarbeid, voorzitter van de BelgiumHolland Business Community, voorzitter van de Raadgevende Commissie GWO en redacteur van het Belgium-Holland Magazine©

Regelmatig bereiken ons vragen omtrent de Belgische vangnetbepaling die ertoe strekt het inkomenshiaat dat ontstaat ingevolge niet gelijktijdige pensioenleeftijden in Nederland en België. Vooropgesteld zij dat het hier een kwestie betreft die in het bijzonder de positie raakt van de in België wonende grensarbeider, die voorafgaand aan het bereiken van de 65-jarige leeftijd werkloos wordt ingevolge beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de Nederlandse werkgever. Deze werknemer heeft dan op grond van de bepalingen van Vo. 883/04 EU in België recht op een werkloosheidsuitkering. Bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd – de actuele pensioengerechtigde leeftijd in België - eindigt de Belgische werkloosheidsuitkering van rechtswege. Deze persoon krijgt dan nog geen Nederlandse AOW-uitkering, maar heeft ook geen recht meer op een Belgische werkloosheidsuitkering. De Belgische regering heeft een vangnetregeling gemaakt middels een Koninklijk Besluit tot wijziging van artikel 64 van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, waardoor de eerder beschreven groep grensarbeiders onder bepaalde voorwaarden toch een beroep op de Belgische werkloosheidsuitkering kunnen blijven doen. Ofschoon het hier volgens de Nederlandse minister van Sociale zaken & Werkgelegenheid om een beperkte groep van zowat 15 belanghebbenden zou gaan, was een ‘regeling’ toch wel aangewezen, zeker in die situaties waarbij in België geen pensioenrechten werden opgebouwd en verhoudingsgewijs dus meer AOW is opgebouwd in Nederland.

Toch vallen er nog steeds individuele oudgrensarbeiders door de mazen van het net. Immers België heeft een voorwaarde verbonden waaraan niet alle oud-grensarbeiders kunnen voldoen. De regeling is immers zo vormgegeven dat hij openstaat voor werknemers die het bewijs leveren dat zij gedurende een al dan niet ononderbroken periode van minstens vijftien jaar, en terwijl zij hun hoofdverblijfplaats in België hadden, verbonden waren door een arbeidsovereenkomst met een werkgever gevestigd in een aan België grenzend land. Waarom deze voorwaarde werd toegevoegd is niet geheel helder.


Nederlandse kaasroute voor schenkingen in België wordt afgesloten

Chantal Hendrickx Hendrickx Taxlaw chantal.hendrickx@hendrickx-taxlaw.be

Voor inwoners van België die een schenking wensen te doen, gold de zogenaamde Nederlandse ‘kaasroute’ een aantrekkelijke optie. Meer duiding hieromtrent krijgt u van de hand van mr. Chantal Hendrickx. Het Belgisch Burgerlijk Wetboek definieert een schenking als een akte waarbij een schenker zich dadelijk en onherroepelijk van de geschonken zaak ontdoet, ten voordele van de begunstigde, die ze aanneemt. Elk element van deze definitie heeft zijn belang. Vooreerst wordt gestipuleerd dat een schenking een akte is. Dit betekent dat schenkingen in principe via een notariële akte moeten gebeuren. Dit is echter niet altijd het geval, verder in dit artikel kom ik hierop terug. Vervolgens is een schenking onherroepelijk. Gegeven is gegeven. Je kan dus niet terugkomen op een schenking. Hierop bestaat één uitzondering, met name de schenking tussen echtgenoten. Uit de definitie blijkt tevens dat de schenking een verarming van de schenker veronderstelt. De schenker kan de eigendom van het geschonken goed in principe niet behouden. De schenker moet ook de bedoeling hebben om de begiftigde te bevoordelen. Wanneer de ‘schenking’ gebeurt, omdat de schenker nog een schuld had bij de begunstigde, is er géén sprake van een schenking. Een schenking is tenslotte ook een overeenkomst tussen twee personen, te weten de schenker schenkt een goed én de begunstigde moet de schenking aanvaarden. Notariële akte Zoals hoger gesteld veronderstelt een schenking in principe een notariële akte en dus de tussenkomst van de notaris. Een miskenning van dit vormvoorschrift kan nefaste gevolgen hebben en tot de nietigheid van de schenking leiden. Notariële akten in België zijn onderwor-

pen aan registratierechten. Wanneer een notariële schenkingsakte – verplicht - wordt geregistreerd is een schenkrecht van 3% - tussen partners en in rechte lijn - of 7% - in elk ander geval - van toepassing.

‘Voor de Vlaamse belastingdienst (Vlabel) was deze kaasroute dan ook een doorn in het oog’ Kaasroute Buitenlandse notariële akten waren tot op heden niet verplicht te registeren. Tot voor kort vonden heel wat Belgen dan ook hun weg naar de Nederlandse notaris om er belastingvrij roerende goederen te schenken. De zogenaamde kaasroute was geboren. De schenking gebeurde aldus via notariële akte, zoals het Burgerlijk Wetboek voorschrijft. Doch buitenlandse notariële akten moeten niet in België geregistreerd worden en dus waren er ook géén schenkrechten verschuldigd. In de praktijk was de kaasroute vooral in trek voor de schenking van aandelen op naam of voor schenkingen met voorbehoud van vruchtgebruik. Wanneer de schenker bij een schenking van een beleggingsportefeuille toch nog de inkomsten – ‘vruchten’ - wenst voor te behouden of het beheer van de portefeuille wenst voor te zetten, is een notariële akte immers nodig om deze voorwaarden aan de begunstigde te kunnen opleggen. Voor de Vlaamse belastingdienst


(Vlabel) was deze kaasroute dan ook een doorn in het oog.

Wetgevend proces Medio juli 2020 werd in de Kamercommissie Financiën het wetsvoorstel tot verplichte registratie van buitenlandse notariële schenkingsakten goedgekeurd. Tijdens de bespreking van het wetsvoorstel in de plenaire vergadering werden enkele amendementen ingediend, onder meer om tegemoet te komen aan de twijfels die bij sommige Kamerleden waren gerezen of dit wetsvoorstel al dan niet de belastbare materie uitbreidt, hetgeen zijn implicaties heeft voor de verder te volgen procedure tot aanname van het voorstel. In het verleden had het Grondwettelijk Hof immers geoordeeld dat de federale wetgever enkel via een bijzondere meerderheid bevoegd is om een zogenaamde belastbare materie te regelen. Via een amendement werd gestipuleerd dat ook dit wetsvoorstel enkel zou kunnen goedgekeurd worden via een bijzondere meerderheid. Raad van State In een advies van 14 september 2020 heeft de Raad van State hierover uitspraak gedaan. De Raad van State is van oordeel dat voor zover het wetsvoorstel voorziet in de registratieplicht voor buitenlandse schenkingsakten, het wetsvoorstel de belastbare materie met betrekking tot de registratierechten wijzigt. Dit deel van het wetsvoorstel kan volgens de Raad van State enkel worden goedgekeurd door een bijzondere wet. Dit betekent concreet dat dus een meerderheid van de uitgebrachte stemmen moet worden bekomen in elke taalgroep. Bovendien zal een meerderheid van 2/3 van de uitgebrachte stemmen in beide taalgroepen tezamen vereist zijn. Er is een aanwezigheidsquorum van een meerderheid van de leden van elke taalgroep nodig. Voormelde voorwaarden moeten voldaan zijn zowel in de Kamer als in de Senaat. De Raad van State stelt voorts dat het deel van het wetsvoorstel met betrekking tot de praktische registratieformaliteiten gewoon kan worden goedgekeurd via een gewone meerderheid in de Kamer. Eén en ander heeft er voor gezorgd dat in allerijl een voorstel van bijzondere wet werd ingediend - om aan het advies van de Raad van State tegemoet te komen - de initieel voorziene inwerkingtreding per 1 december 2020 werd daarbij verschoven naar 15 december 2020. Concreet betekent dit dat, indien het voorstel wordt goedgekeurd, een schenkingsakte die voor een buitenlandse notaris wordt verleden vanaf 15 december 2020

verplicht zal moeten geregistreerd worden in België, wat aanleiding zal geven tot de heffing van Belgische schenkbelasting, te weten 3% tussen partners en in rechte lijn en 7% in elk ander geval. Wachttermijn De registratie van de schenking heeft als onmiddellijk gevolg dat er in principe geen erfbelasting meer kan worden geheven over de geschonken goederen, zelfs niet indien de schenker overlijdt binnen de drie jaar vanaf de schenking. Indien de buitenlandse schenkingsakte niet geregistreerd wordt bij de fiscale administratie, dan is er op het ogenblik van de schenking geen schenkbelasting verschuldigd. Vanaf de datum van de schenking begint dan wel een fiscale wachttermijn van 3 jaar te lopen. Overlijdt de schenker binnen de drie jaar, dan is er erfbelasting verschuldigd over de waarde van de geschonken goederen. En, die erfbelasting is flink hoger dan de schenkbelasting. In Vlaanderen kan het tarief van de erfbelasting oplopen tot 27% vanaf 250.000 euro tussen partners en in rechte lijn - en tot 55% vanaf 75.000 euro tussen alle anderen. Dit betekent dus dat steeds een keuze zal moeten worden gemaakt, ofwel wordt er bij de schenking onmiddellijk 3% of 7% schenkrechten betaald en is er géén risico op het betalen van hogere erfbelasting, ofwel wordt er bij de schenking niets betaald (de akte wordt niet geregistreerd), maar dan is er wel een risico dat hogere erfbelasting verschuldigd is wanneer de schenker binnen de drie jaar overlijdt. In deze laatste situatie kan toch erfbelasting worden vermeden door alsnog tijdens het leven van de schenker de buitenlandse schenkingsakte vrijwillig te registreren met betaling van de 3% of 7% schenkrechten, bijvoorbeeld wanneer de schenker terminaal ziek wordt en de wachttermijn van 3 jaren niet zal halen. In de praktijk zien we ook dat partijen een successieverzekering - zogenaamde ‘sudden death-verzekering’ - afsluiten om het risico op onverwacht overlijden tijdens de wachttermijn in te dekken. Merk op dat de wachttermijn voor de schenking van een familiebedrijf voor buitenlandse notaris zeven jaar bedraagt. In Vlaanderen wil de regering die wachttermijn van 3 jaar voor schenkingen vanaf 1 juli 2021 overigens optrekken tot 4 jaar. Volgens de laatste berichten zou die verlengde termijn van 4 jaar ook doorgaan nu de kaasroute wordt afgesloten. In Wallonië en Brussel is er op dit moment nog geen sprake van het verlengen van de wachttermijn van 3 jaar.


Einde kaasroute Wanneer het wetsvoorstel goedgekeurd wordt, zal de registratie van buitenlandse notariële schenkingsaktes verplicht zijn, waardoor er over deze schenkingen schenkbelasting verschuldigd zal zijn. Men zal dus niet langer kunnen opteren voor een vrijwillige registratie met betaling van schenkbelasting of het laten lopen van de wachttermijn. In het wetsvoorstel wordt voorzien dat de buitenlandse schenkingsakte in principe binnen de 15 dagen moet worden geregistreerd in België. Dit is mijns inziens een nogal korte termijn. De verplichting tot registratie van de buitenlandse akte wordt zowel opgelegd aan de schenker(s) als aan de begunstigde(n). Op die manier worden buitenlandse notariële schenkingsakten fiscaal op gelijke voet gezet met Belgische notariële schenkingsakten. Het laat zich dan ook raden dat de kaasroute niet meer zal worden bewandeld en dat men zich voor schenkingen bij de Belgische notaris wendt. Kan men nog belastingvrij schenken? Schenkingen die niet voor notaris gebeuren, zoals een handgift, een bankgift, een onrechtstreekse schenking (bijvoorbeeld

kwijtschelding van schuld), blijven ook na 15 december 2020 mogelijk zonder enige registratieplicht. Een schenker zal dus nog altijd roerende goederen (schilderijen, juwelen, geld, enz) ‘van hand tot hand’ kunnen schenken. Voor een handgift of een bankgift - via een overschrijving van de ene rekening naar de andere rekening - is immers géén notariële akte vereist. In dat geval volstaat het om achteraf zelf een bewijs van de gift op te stellen en te bewaren. Evenwel indien de schenker overlijdt binnen de drie jaar na de bank- of handgift dan is over de bank- of handgift erfbelasting verschuldigd. Conclusie Nu buitenlandse notariële akten op gelijke voet worden gesteld met Belgische notariële akten, zullen schenkers niet langer geneigd zijn de grens over te steken voor het verlijden van een schenkingsakte. Aangezien schenkbelastingen een regionale bevoegdheid zijn, is een eventuele concurrentiestrijd tussen de drie Gewesten denkbaar, zoals ze dit ook hebben gedaan voor de schenkingen van familiale ondernemingen. Voorlopig zijn hierover evenwel nog geen geruchten.


Centraal Aanspreekpunt van de Nationale Bank van België kent binnenkort ook het saldo van Belgische bankrekeningen De Belgische federale regering beoogt net zoals in de vorige legislaturen een aanzienlijk deel van haar inkomsten te halen uit de strijd tegen de fiscale en sociale fraude. In die zin vermeldt het regeerakkoord dat de banksaldi van Belgische rekeningnummers overgemaakt dienen te worden aan het Centraal Aanspreekpunt van de Nationale Bank van België (CAP). Elke Belgische financiële instelling wordt sedert 2014 verplicht om bij het CAP opgave te doen van de identiteit van de cliënten en de nummers van hun rekeningen en contracten. Daarnaast moet u zelf aan het CAP de nummers van uw buitenlandse rekeningen melden. Bij aanwijzingen van belastingontduiking kan de fiscus deze informatie over een welbepaalde belastingplichtige opvragen bij het CAP. De bedoeling is dat op deze manier de fiscus het fiscaal onderzoek kan beperken tot die financiële instellingen die tijdens de betrokken aanslagjaren bankrelaties of contractuele relaties met de door het onderzoek beoogde belastingplichtigen hebben gehad. Op dit moment heeft het CAP, en bij uitbreiding de fiscus, evenwel geen zicht op de saldi van de Belgische bankrekeningen. In navolging van het regeerakkoord, zal de informatie waarover het CAP beschikt in de toekomst gevoelig worden uitgebreid, aangezien de financiële instellingen nu ook de saldi van de Belgische bankrekeningnummers zullen moeten melden. Het CAP krijgt op die manier een vrij volledig overzicht van het roerend vermogen van een welbepaalde persoon, althans wat betreft de rekeningen bij Belgische financiële instellingen.


Een rondje Nederlanders jennen

Jan Tuerlinckx Advocaat | Partner bij Tuerlinckx Tax Lawyers

Overheden willen ons, belastingbetalers, graag doen geloven dat er maar één strijd is, en dat zou de strijd tegen de fiscale fraude zijn. Er is nog minstens één andere strijd, maar daar willen de overheden ons liever niets over vertellen. Het is een interne strijd, die ze binnenskamers willen houden. Die strijd gaat erom een zo groot mogelijk deel van de internationale belastingkoek binnen te halen. Dat de belastingplichtige belasting moet betalen, is een internationaal acquis. Waar hij dat moet doen, en welk land zijn schatkist met de belastingopbrengst mag spijzen, is dat veel minder. Zo weet u meteen hoe het komt dat Europa de afgelopen weken geen akkoord heeft bereikt over de digitaks. De digitaks is een belasting die nog moet worden ingevoerd. Omdat de spelregels nog niet vaststaan, is het getouwtrek en het interne gekibbel dus in zekere zin te begrijpen. Maar wat als de regels al wel vastliggen en een land die bewust in zijn eigen voordeel negeert? Als een belastingbetaler bewust over bindende bepalingen heen stapt, wordt hij een fraudeur genoemd. En als een staat dat doet? Het zou niet mogen bestaan. Maar toch, het bestaat.

‘Als een belastingbetaler bewust over bindende bepalingen heen stapt, wordt hij een fraudeur genoemd. En als een staat dat doet?’ Net zoals België dat al eerder heeft gedaan, heeft ook Nederland in 2017 een einde gesteld aan de mogelijkheid om een pensioen op te bouwen in de onderneming. Bij ons heet dat een interne pensioenbelofte, in Nederland een pensioen in eigen beheer. Een Nederlandse bedrijfsleider kon na de stopzetting van het stelsel opte-

ren om de opgebouwde pensioenaanspraken af te kopen. Neem dat hij in België woont. Het dubbelbelastingverdrag tussen België en Nederland verleent dan de heffingsbevoegdheid voor een afkoop aan Nederland, als de afkoopsom meer dan 25.000 euro bedraagt. De Belgische belastingadministratie zou zichzelf niet zijn, mocht ze niet alles wat ze in twijfel kan trekken, ook echt in twijfel trekken. Ze deed dat al in een circulaire van 2017. Die stuitte op bezwaar van de bevoegde Nederlandse staatssecretaris. Maar na een lang juridisch gevecht, dat werd beslecht door het Belgische Hof van Cassatie, werd de administratie in het ongelijk gesteld. Het arrest laat geen twijfel mogelijk. ‘Deze verdragsbepaling kent aan België niet het recht toe om op inkomsten die in Nederland niet effectief werden belast, alsnog belasting te heffen’, luidde het. En toch volhardt de administratie in de boosheid. In een circulaire van 18 oktober 2019 gaat zij opnieuw diametraal in tegen het Hof van Cassatie. Als bij de circulaire van 2017 de beschuldiging dat de administratie bewust de werkelijkheid geweld aandeed, al terecht was, dan geldt dat a fortiori voor de circulaire van 2019. Eerder in deze bijdrage hebt u gelezen hoe een belastingplichtige wordt genoemd die zo handelt.

De Belgische belastingadministratie zou zichzelf niet zijn, mocht ze niet alles wat ze in twijfel kan trekken, ook echt in twijfel trekken.


Ze deed dat al in een circulaire van 2017. Die stuitte op bezwaar van de bevoegde Nederlandse staatssecretaris. Maar na een lang juridisch gevecht, dat werd beslecht door het Belgische Hof van Cassatie, werd de administratie in het ongelijk gesteld. Het arrest laat geen twijfel mogelijk. ‘Deze verdragsbepaling kent aan België niet het recht toe om op inkomsten die in Nederland niet effectief werden belast, alsnog belasting te heffen’, luidde het. En toch volhardt de administratie in de boosheid. In een circulaire van 18 oktober 2019 gaat zij opnieuw diametraal in tegen het Hof van Cassatie. Als bij de circulaire van 2017 de beschuldiging dat de administratie bewust de werkelijkheid geweld aandeed, al terecht was, dan geldt dat a fortiori voor de circulaire van 2019. Eerder in deze bijdrage hebt u gelezen hoe een belastingplichtige wordt genoemd die zo handelt.

En helaas blijft het niet alleen bij die circulaire. De administratie taxeert ook consequent de in Nederland opgebouwde pensioenen alsof het een lieve lust is. De belastingplichtige moet maar naar de rechtbank trekken om zijn gelijk te krijgen. Iedere belastingplichtige die dat niet doet, is er een gewonnen, luidt het motto. Op de kleuterspeelplaats zou dat ‘een rondje Nederlanders jennen’ worden genoemd. Maar zoals dat ook op de speelplaats het geval is, is het maar beter met dat jennen op te passen. Dat kan onverwachte reacties uitlokken. Nederlanders komen uit een cultuur die veel kritischer kijkt naar het handelen van de overheid. Zo moet de Nederlandse administratie zich in de zaak van de kindertoeslagregeling verantwoorden voor ‘knevelarij’, het bewust foutief belasting heffen

Europese Commissie neemt Belgische fiscale vrijstelling van spaarboekjes opnieuw onder de loep De belastingvrijstelling voor spaarboekjes in België heeft al diverse malen geleid tot een veroordeling door het Hof van Justitie van de EU. Toch houdt de fiscus vooralsnog vast aan de eigen regels. De Europese Commissie opent nu een nieuw front tegen de discriminatie door de Belgische fiscus van buitenlandse spaarrekeningen. In België is de rente op spaarboekjes vrijgesteld van roerende voorheffing tot een bedrag van 990 euro. Dat fiscale voordeel geldt evenwel alleen voor spaarboekjes die onder de specifieke Belgische reglementering vallen, zoals het toepassen van een dubbele rente, te weten een basisrente en een getrouwheidspremie. De Commissie zet ook twee andere procedures in tegen de discriminerende regels die de Belgische fiscus hanteert. Zo stuurt ze een eerste waarschuwing over de fiscale bevoordeling van dividenden van Belgische verzekeringsbedrijven. Zij betalen geen of nauwelijks inkomstenbelasting op dividenden; buitenlandse verzekeringsbedrijven genieten dat voordeel niet. In een andere zaak moet de fiscus zich verantwoorden voor het Hof van Justitie van de EU voor de discriminatoire aftrek van alimentatiegelden. In België kan de betaling van alimentatie afgetrokken worden van het belastbare inkomen. Maar inwoners van Nederland die in België werken, moeten minstens 75 procent van hun inkomen in België verdienen, om van dat belastingvoordeel te kunnen genieten. De Commissie vindt dat hiermee belastingplichtigen niet-inwoners die gebruik hebben gemaakt van het recht van vrij verkeer van werknemers, worden benadeeld.


Belgium-Holland Business Community De Belgium-Holland Business Community is de exclusieve crossborder kennis- en netwerk-organisatie waar professionals en bedrijfsleiders/managers elkaar ontmoeten, en richt zich in het bijzonder op het terrein van: Company directors HR-managers

Crossborder tax law experts Crossborder social security law experts Crossborder labour law experts Crossborder payrolling experts Crossborder corporate law experts

Crossborder estate planning experts Jaarlijks komen deze professionals enkele malen samen om kennis en ervaringen te delen en te netwerken. De bijeenkomsten van de Belgium-Holland Business Community hebben een vast patroon, waaronder: Inhoudelijke lezingen door deskundigen omtrent grensoverschrijdende fiscaliteit, sociale zekerheid, arbeidsrecht, ondernemingsrecht, etc‌ Kennis– en ervaringsuitwisseling Uitgebreide warme lunch Netwerken

Hebt u belangstelling voor de werking en eventueel toetreding tot de Belgium-Holland Business Community, neemt u dan gerust even contact op met secretariaat@nederland-belgisch-centrum.be. Wij zenden u dan graag de toetredingsvoorwaarden en selectiecriteria toe.


GRENZELOOS ONDERNEMEN __________________


De Nederlandse Kamer van Koophandel voor België en Luxemburg heeft nieuwe algemeen directeur In opvolging van Tom Vansteenkiste werd onlangs een nieuwe Algemeen Directeur van de Nederlandse Kamer van Koophandel voor België en Luxemburg (NKVK) aangesteld. En die nieuwe Algemeen Directeur is Erik Schroeven, die voorheen actief was bij onder meer Voka, Seagram en Laurent-Perrier en daarnaast als ondernemer activiteiten ontplooide in de textielsector en daartoe onder meer twee jaar actief was vanuit Houten. Als nieuwe AD van de NKVK, zal zijn internationale netwerk hem zeker van pas komen. Wij gingen in gesprek en wilden graag weten hoe de nieuwe AD de nabije toekomst ziet en welke veranderingen we mogen verwachten bij de NKVK? Wel, aangezien ik toch wel enige jaren als Belg ondernemend actief ben geweest in Nederland, zie ik mezelf in de eerste plaats als een Belg met een oranje hart. Zoals je ziet ben ik niet alleen groot en blond, maar heb ik ook best wel een “grote mond”. Teamgeest is voor mij bijzonder belangrijk, waarbij ik me bij voorkeur niet omring met ‘ja-knikkers’. Ik werk het liefste samen met mensen die ook gewoon ‘nee’ durven te zeggen.

‘Alleen ben je sneller, maar samen kom je verder’ Wij ontdekken dan ook vooral een sympathiek, openhartig man, met een visie, die met België en Nederland twee buurlanden ziet die elkaar grote zakelijke kansen bieden. Mijn wens is het om ondernemers uit de drie landen te helpen om elkaar te ontmoeten, samen te werken en te groeien. De beste manier om dit te bereiken is de ideale combinatie te vinden tussen de Belgische en Nederlandse mentaliteit. Weet je, Nederlanders identificeren zich meer dan Belgen met een ‘WIJ-gevoel’. Belgen zijn dan weer individualistischer ingesteld dan Nederlanders. Een mix van beiden, lijkt me tot een mooie symbiose te kunnen leiden.

Ik denk dan spontaan aan de Nederlandse slogan ‘Alleen ben je sneller, maar samen kom je verder’… Dat lijkt in grote lijnen wel te kloppen, maar er bestaan al zoveel stereotypen over ‘de Nederlander’ en ‘de Belg’. Absoluut, en soms zijn die ook juist, maar even vaak stel ik toch vast dat we niet zo bijzonder sterk van elkaar verschillen. De verpakking is enigszins anders, maar onderhuids zie ik weinig verschillen. Ik denk dan pakweg aan dat verhaal omtrent de mannelijke en vrouwelijke eigenschappen die worden toegedicht aan respectievelijk de Belg en de Nederlander. Als je ’t mij vraagt weer zo’n containerbegrip waarmee dan in kaart zou worden gebracht hoe belangrijk traditioneel ‘mannelijke eigenschappen’ zoals competitie en macht worden gevonden tegenover ‘zachte waarden’ die traditioneel eerder als vrouwelijk worden aanzien. Een studie toonde aan dat België een eerder ‘mannelijker’ samenleving zou zijn dan Nederland. Dat bijvoorbeeld status veel belangrijker zou zijn in België dan in Nederland, waarbij een hooggeplaatste persoon dure kledij draagt, een mooie auto van het juiste merk rijdt,…. In Nederland zou dat veel minder aanvaard zijn, maar volgens mij gaat die beeldvorming vandaag toch steeds minder op. Ik stel vast dat een ‘cravate’ heus ook in Nederland nog wel wordt gedragen. De zogenaamde ‘bella figura’ is in België niet noodzakelijk belangrijker dan in Nederland.


De NKVK richt zich met name op Nederlandse ondernemers die in België actief willen zijn. Voor het Midden- en Kleinbedrijf (MKB) kan zakendoen met België belangrijk zijn, al was het maar door het voordeel van nabijheid, de gemeenschappelijke taal, een open en volwassen economie én kapitaalkrachtige consumenten. Daarnaast zijn er toch ook nog steeds een aantal belangrijke verschillen in zakendoen in beide landen?

‘Belg gaat voor het ‘contact’ en een Nederlander voor het ‘contract’’ Het belangrijkste verschil tussen Nederland en België situeert zich in de dimensie van de ‘onzekerheidsvermijding’, waarmee in kaart wordt gebracht in hoeverre een volk zich bedreigt voelt door onzekere situaties. België scoort hierin heel hoog. Belgen zullen dus veel meer dan Nederlanders onzekere situaties en risico’s proberen te vermijden. Dit zorgt ervoor dat Nederlanders over het algemeen sneller bereid zijn met een nieuw product of nieuwe leverancier in zee te gaan. Belgen kijken wat langer de kat uit de boom en willen het contact eerst beter leren kennen. Als boutade kan men stellen dat een Belg gaat voor het ‘contact’ en een Nederlander voor het ‘contract’. ‘Belgen zijn doorgaans voorzichtiger, terughoudender? De Belg probeert op voorhand alle risico’s goed in te schatten en deze vervolgens ook te beperken of zelfs te vermijden. Als men in België zaken doet, is het belangrijk aandacht te besteden aan het opbouwen van een relatie met de potentiële klant of partner. Dat zorgt er wel voor dat het in België wat langer kan duren voor een deal gesloten wordt. Eerst wil de Belg de Nederlandse kandidaat-partner persoonlijk leren kennen om na te gaan of ze hem kunnen vertrouwen. Een paar keer bij een potentiële klant langsgaan is normaal. Nederlanders zijn daarentegen veel minder geremd. De Nederlander onderneemt en kijkt vervolgens wat het resultaat is. Of zoals Pipi Langkous vroeger uitriep: ‘Ik heb het nog nooit eerder gedaan, dus ben ik zeker dat ik het goed ga doen’. Nederlanders leggen daarmee een ongebreidelde durf aan de dag, maar zijn over het algemeen ook gewoon succesvol. Loopt het een keer fout, dan is er overigens weinig aan de hand, volgende keer beter. Daarentegen zal de Belg die bijvoorbeeld een faillissement meemaakt, daarmee wellicht de rest van zijn le-

ven onaangenaam geconfronteerd worden. Belgen kijken over het algemeen ook op naar het succesvolle Nederlandse model. Ik zeg daaromtrent wel eens dat Nederland een soort ‘perfect georganiseerde anarchie’ is. Iedereen heeft een mening, maar finaal wordt een leider ook meer geaccepteerd. Er is meer consensus. Denk maar aan de financiële crisis van 2008-2012. Waar de Belgen nog aan het dromen waren over het ‘einde van de tunnel’ die in zicht kwam, was Nederland al uit de crisis.

‘Ik heb het nog nooit eerder gedaan, dus ben ik zeker dat ik het goed ga doen’


We zien in toenemende mate ook Nederlandse ondernemingen die in België aan de slag gaan. Wat is hierin de rol van de NKVK? Vooral met Belgische commerciële talenten willen steeds meer Nederlandse bedrijven de Belgische markt verkennen. Doorgaans starten ze niet meteen met een Belgische vestiging, maar dreigen ze zich toch een beetje te verkijken op allerhande regels en verplichtingen waaraan ze desalniettemin in België moeten voldoen. Als NKVK hebben we daartoe een uitgebreid gamma aan ondersteunende troeven. Via een quiz laten we ze 10 vragen beantwoorden, aan de hand waarvan we al snel een beeld hebben van hun kennis van de Belgische regels. Aansluitend kunnen we ze dan samen met onze partners begeleiden op diverse terreinen, zoals bijvoorbeeld het opzetten van de Belgische HR-administratie,

de payroll, het aanvragen van een Belgisch btwnummer, enzovoort.

Nederlandse ondernemers verkijken zich op de complexe regels bij het zaken doen in België? Voor Nederlandse ondernemers is het niet evident om te gaan met de toch wel afwijkende regels in België. Zo wil het dat ze bijvoorbeeld wél een Belgische website opzetten, maar zich daarbij onvoldoende bewust zijn van het gegeven dat België daaromtrent een veel striktere reglementering kent. Via onze partners kunnen we ook daar in laten begeleiden, zodat het Belgische ‘avontuur’ niet onnodig moet eindigen met een sisser.


FISCAAL & JURIDISCH III __________________


Europese Commissie daagt Nederland voor Hof van Justitie van de EU vanwege grensoverschrijdende pensioenoverdracht

Ivan Cools is partner bij het Nederlands-Belgisch Centrum, voorzitter van de Stichting grensarbeid, voorzitter van de BelgiumHolland Business Community, voorzitter van de Raadgevende Commissie GWO en redacteur van het Belgium-Holland Magazine© In een vorige editie van dit magazine deed ik al uitgebreid relaas omtrent met Europees recht strijdige Nederlandse belastingregels voor grensoverschrijdende overdracht van pensioenkapitaal en grensoverschrijdende uitvoering van pensioenregelingen. Wat te verwachten viel is begin november dan ook werkelijkheid geworden, de Europese Commissie heeft de Nederlandse kwestie voor het Hof van Justitie van de EU gebracht. Immers, ook volgens de Commissie zijn de voorwaarden in strijd met het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Volgens de Commissie zijn drie regels in strijd met het VWEU: 1. Buitenlandse dienstverleners moeten zeker heid stellen aan de Nederlandse autoriteiten wanneer pensioenkapitaal van Nederland wordt overgedragen aan een buitenlandse pensioenuitvoerder of als buitenlandse pensioenuitvoerders diensten willen aanbieden op de Nederlandse markt. 2. Gewezen werknemers moeten zekerheid stellen als hun pensioenkapitaal wordt overgedragen aan een buitenlandse pensioenuitvoerder of als zij pensioendiensten willen inkopen bij een buitenlandse pensioenuitvoerder. 3. Overdrachten van pensioenkapitaal aan buit enlandse pensioenuitvoerders door mobiele werknemers die buiten Nederland gaan wer ken, zijn alleen vrijgesteld van belasting als de buitenlandse pensioenuitvoerders de aansprakelijkheid voor eventuele belasting vorderingen aanvaarden of de belasting plichtigen zelf die zekerheid stellen.

Het is niet de eerste keer dat de Commissie de Nederlandse pensioenregels aanvecht. Zo spande de Commissie ook in mei al een rechtszaak tegen Nederland bij het Hof van Justitie van de EU vanwege het belasten van grensoverschrijdende waardeoverdracht van pensioen. Volgens de Commissie belemmert Nederland de mogelijkheid van Europese burgers om in andere landen in de EU te gaan werken en wonen. De kwestie sleept overigens al enige jaren. In 2012 werd Nederland formeel op de vingers getikt en in 2018 volgde een advies. Nederland heeft dit advies niet opgevolgd en het beleid niet aangepast. Binnen de huidige regels wordt pensioenkapitaal dat in Nederland is opgebouwd en in één keer wordt uitbetaald en overgedragen naar het buitenland belast. Nederland heft belasting bij grensoverschrijdende waardeoverdracht van pensioen om geen belastinginkomsten mis te lopen. Daarnaast maakt Nederland het voor buitenlandse pensioenuitvoerders moeilijker om in Nederland actief te zijn wegens allerlei aanvullende verplichtingen. Volgens de Commissie schaadt Nederland daarmee niet alleen het vrije verkeer van werkenden binnen de Europese Unie, maar ook de vrijheid om diensten aan te bieden en het vrije verkeer van kapitaal. Twaalf landen binnen de Europese Unie staan grensoverschrijdende waardeoverdracht van pensioenen wél toe, waaronder ook België.


Nederlandse publiekrechtelijke organisaties en gewerkte uren in de woonstaat België Met ingang van 15 juni 2020 heeft de Nederlandse belastingdienst een nieuwe zienswijze aangekondigd over hoe bij publiekrechtelijke organisaties om te gaan met gewerkte uren in het thuisland (buiten Nederland). Dit gaat dan om niet Nederlandse ambtenaren, maar ook om bijvoorbeeld hoogleraren werkzaam bij een publiekrechtelijke organisatie, ondanks dat die laatsten ingevolge de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren formeel geen ambtenaren meer zijn sinds 1 januari 2020.

Tot 15 juni 2020 werden thuisgewerkte uren gezien als uren die in het woonland belast zijn. Onder de nieuwe zienswijze geldt dat contracturen die gewerkt zijn buiten Nederland, ook in Nederland belast zijn. Deze zienswijze is in ieder geval van toepassing met België, maar wordt door Nederland als algemene zienswijze uitgelegd (wereldwijd). Het is per direct van toepassing en kan met terugwerkende kracht worden gehanteerd, in ieder geval voor 2020. Voorbeeldsgewijs gaan we uit van een in België wonende werknemer met de Belgische nationaliteit die in dienstbetrekking staat tot een Nederlandse publiekrechtelijke instelling en die drie dagen per week in Nederland en twee dagen per week in zijn woonland België zijn werkzaamheden verricht. Onder de ‘oude’ uitleg van het overheidsartikel was deze werknemer in Nederland vrijgesteld van belastingheffing voor het salaris dat betrekking heeft op zijn werkdagen in België. Vanzelfsprekend zien we dit voorbeeld als een zuivere situatie, waarbij er geen andere bijzondere bepalingen van toepassing zijn op het aanwijzen van het belastingplichtige land, zoals bijvoorbeeld het hooglerarenartikel. Uit de beantwoording van Kamervragen blijkt dat de Nederlandse belastingdienst het betreffende overheidsartikel voortaan in die zin uitlegt dat altijd sprake is van een kasstaatheffing (in dit geval is dat Nederland) ongeacht in welk land de werkzaamheden worden verricht. Alleen lokaal aangeworven personeel voor lokaal uit te voeren activiteiten, kunnen hierbuiten vallen. Denk bijvoorbeeld aan iemand die geworven wordt als

projectleider ter plekke, zonder dat de persoon naar Nederland afreist. Dit betekent dat als het overheidsartikel in een verdrag van toepassing is, de Nederlandse publiekrechtelijke instelling over het volledige salaris van de werknemer loonbelasting moet inhouden, ook als deze werknemer (gedeeltelijk) in zijn woonland werkt.

Elk belastingverdrag is tussen twee landen afzonderlijk afgesloten. Het is nog de vraag of deze nieuwe zienswijze ook wordt geaccepteerd door andere verdragsstaten. Op dit moment is duidelijk dat België eenzelfde uitleg hanteert. Woon je in België, dan is het belangrijk om na te gaan of deze zienswijze ook van toepassing is in uw situatie.


Belgische vastgoedcertificaten in Nederland geviseerd door FOD Financiën

Chantal Hendrickx Hendrickx Taxlaw chantal.hendrickx@hendrickx-taxlaw.be

Recent is gebleken dat de Belgische belastingdiensten plotsklaps en zonder enige toelichting de uitbetaalde coupons van vastgoedcertificaten als dividenduitkeringen kwalificeren en niet langer als interest. Dit heeft financiële gevolgen voor de Nederlandse certificaathouders. Wij vroegen mr. Chantal Hendrickx naar wat er precies speelt. Als alternatief voor een belegging ‘op de beurs’, die soms nogal grillig uit de hoek kan komen, wordt nogal eens geopperd om in onroerend goed te beleggen. Met een vastgoedbelegging kan je immers je beleggingsportefeuille diversifiëren, hetgeen steeds een verstandige reflex is. Bovendien kan een vastgoedbelegging je ook een regelmatig inkomen opleveren. Zo’n vastgoedbelegging kan je op twee manieren doen, ofwel rechtstreeks in vastgoed beleggen (bijvoorbeeld middels aankoop onroerend goed met het oog op verdere verhuur), ofwel onrechtstreeks door te beleggen in financiële producten die op hun beurt in onroerend goed beleggen. Zo kan je onrechtstreeks in vastgoed beleggen via aandelen in gereglementeerde vastgoedvennootschappen of via vastgoedcertificaten. Wat zijn vastgoedcertificaten? Artikel 5 §4 van de wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt omschrijft vastgoedcertificaten als ‘schuldinstrumenten die rechten incorporeren op de inkomsten, op de opbrengsten en op de realisatiewaarde van een of meer bij de uitgifte van de certificaten bepaalde onroerende goederen’. Vastgoedcertificaten zijn dus financiële producten die recht geven op een deel van de huurinkomsten en een deel van de verkoopopbrengst van gebouwen die met de uitgifte van die certificaten werden gefinancierd. Een vastgoedcertifi-

caat wordt gelijkgesteld met een schuldinstrument en heeft een bepaalde looptijd (vaak 20 tot 25 jaar). De emittent van zulke vastgoedcertificaten koopt met de inschrijvingen ervan een onroerend goed aan dat nadien wordt verhuurd. De certificaathouders hebben recht op een proportioneel deel van de huuropbrengsten evenals een gebeurlijke meerwaarde. Eigenlijk wordt met een vastgoedcertificaat de ‘juridische en de economische’ eigendom van een onroerend goed opgesplitst, dit wil zeggen, de emittent van de vastgoedcertificaten is de juridische eigenaar van het onroerend goed en de certificaathouder is de economische eigenaar. Het belastingregime van vastgoedcertificaten in een zuiver Belgische context De inkomsten die worden toegekend aan houders van vastgoedcertificaten worden beschouwd als interesten in de zin van artikel 19, §1, eerste lid, 1° WIB 1992. Volgens de Belgische belastingdienst hebben vastgoedcertificaten de aard van obligaties, kasbons en soortgelijke effecten in de zin van artikel 2, §1, 8° WIB 1992. De rulingdienst is dezelfde mening toegedaan. De gelijkstelling met ‘obligaties, kasbons en soortgelijke effecten’ wordt eveneens bevestigd door een deel van de rechtspraak. Er is echter ook rechtspraak die het administratieve standpunt niet volgt. Deze rechtspraak is van oordeel dat een vastgoedcertificaat zich onderscheidt van een obligatie in die zin dat een vastgoedcertificaat een schuldvordering is die slaat op de onzekere (huur)inkomsten uit de ex-


ploitatie van het onroerend goed alsook op de hypothetische meerwaarde die bij verkoop zou kunnen worden gerealiseerd. Het certificaat geeft juridisch recht op de terugbetaling van het kapitaal of op een vast rendement, zodat het niet kwalificeert als een vastrentend effect. Economisch bevindt de belegger zich in feite in dezelfde positie als de eigenaar zelf van het onroerend goed, zonder evenwel over een zakelijk recht op het onroerend goed te beschikken. In de praktijk zal de emittent van het certificaat bij uitbetaling van de coupons roerende voorheffing (30%) inhouden en deze voorheffing zal bevrijdend werken ten aanzien van de certificaathouder (Belgisch rijksinwoner). Dit betekent dat de certificaathouder (Belgisch rijksinwoner) het inkomen uit het vastgoedcertificaat niet meer zal moeten vermelden in zijn aangifte in de personenbelasting. De roerende voorheffing is eindheffing.

plotsklaps van standpunt is veranderd. Zoals hoger uiteengezet was de administratie van in het begin van oordeel dat de betaalde coupons van vastgoedcertificaten fiscaal kwalificeren als ‘interest’. Recent is de belastingdienst thans van oordeel dat de betalingen kwalificeren als ‘dividenduitkeringen’. Men zou dan ook de teruggave van de ingehouden roerende voorheffing moeten vragen via een zogenaamd ‘formulier 276 Div.-Aut’.

Het belastingregime van vastgoedcertificaten in grensoverschrijdende context Wanneer de houder van het vastgoedcertificaat echter geen Belgisch rijksinwoner is (doch bijvoorbeeld inwoner is van Nederland), is het fiscaal regime niet zo eenvoudig. In een grensoverschrijdende situatie zal immers eerst aan de hand van het toepasselijk dubbelbelastingverdrag moeten worden nagegaan welke Staat heffingsbevoegd is, ofwel de bronstaat (daar waar de emittent van het vastgoedcertificaat is gevestigd), ofwel de woonstaat (daar waar de certificaathouder woont). Met betrekking tot roerende inkomsten voorzien de meeste dubbelbelastingverdragen echter dat de heffingsbevoegdheid wordt ‘gedeeld’. Dit komt in concreto neer op een beperkte bronheffing in de bronstaat (meestal gaat het om 5%, 10% of 15%) en belastingheffing met voorkoming in de woonstaat.

Deze plotse standpuntverandering, die overigens niet wordt gemotiveerd, heeft bovendien nadelige financiële consequenties voor de Nederlandse certificaathouders. Artikel 11 van het Belgisch-Nederlands dubbelbelastingverdrag staat immers toe dat België als bronstaat 10% mag inhouden op interesten aan een Nederlands rijksinwoner, terwijl artikel 10 van het BelgischNederlands dubbelbelastingverdrag de Belgische bronheffing op dividenden betaald aan een Nederlands rijksinwoner op 15% stelt. Eén en ander betekent dus dat de Nederlandse certificaathouder plotsklaps slechts 15% van de ingehouden roerende voorheffing kan recupereren in plaats van 20% (zoals voorheen). De betrokken certificaathouder zal dan ook protest moeten aantekenen teneinde 20% van de ingehouden roerende voorheffing terug te krijgen. Argumenten daartoe vinden de certificaathouders in de hogervermelde rechtspraak en rulings. Bovendien kan verwezen worden naar de algemene beginselen van behoorlijk bestuur op grond waarvan een overheidsdienst niet zomaar het gewettigd vertrouwen (bijvoorbeeld met betrekking tot de kwalificatie van inkomsten) kan schenden.

Aangezien de Belgische emittent van het vastgoedcertificaat verplicht is om bij betaling aan de vastgoedcertificaathouder 30% roerende voorheffing in te houden, zal een deel hiervan kunnen worden teruggevraagd door de Nederlandse certificaathouder. In de praktijk kan de buitenlandse belegger die het toepasselijke dubbelbelastingverdrag wenst toegepast te zien, via een zogenaamd ‘formulier 276 Int. -Aut’ een verzoek richten aan de FOD Financiën om het teveel aan ingehouden roerende voorheffing terug te betalen. In de praktijk werd echter recentelijk vastgesteld dat de bevoegde diensten bij de Belgische belastingdiensten, met name het centrum buitenland,

‘In de praktijk werd echter recentelijk vastgesteld dat de bevoegde diensten bij de Belgische, met name het centrum buitenland, plotsklaps van standpunt is veranderd’


Procedure De te volgen procedure is echter niet helemaal duidelijk en transparant. Overeenkomstig artikel 368 WIB 1992 kan (vanaf 1 januari 2011) een bezwaar worden ingediend tegen de aan de bron ingehouden en gestorte roerende voorheffingen en bedrijfsvoorheffingen door de schuldenaars en de begunstigden van de inkomsten (zowel inwoners als niet-inwoners) binnen een termijn van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de voorheffingen werden gestort in de Belgische Schatkist. Het is ook mogelijk om via een verzoek tot rechtzetting de teruggavebeslissing te corrigeren. Evenwel wordt een verzoek tot rechtzetting behandeld door het centrum buitenland zelf (en dus is de kans klein dat de belastingplichtige in het gelijk zal worden gesteld).

Na het doorlopen van de administratieve procedure (bezwaar / verzoek tot rechtzetting) kan de belastingplichtige heil gaan zoeken bij de Rechtbank van eerste aanleg en eventueel bij het Hof van beroep. Het voeren van een gerechtelijke procedure kost evenwel tijd en geld, hetgeen in een aantal gevallen niet opweegt tegen het financiële nadeel dat men probeert recht te zetten. Dit alles maakt het de Nederlandse certificaathouder niet gemakkelijk om een correcte teruggave van de ingehouden roerende voorheffing te verkrijgen. Dit kan toch niet de bedoeling zijn, toch?

Nederlandse woonlandfactoren 2021 De Nederlandse Minister voor Medische Zorg Tamara Van Ark (VVD) heeft bijlage 4 bij de Regeling zorgverzekering gewijzigd in verband met het vaststellen van de woonlandfactoren voor het jaar 2021. De woonlandfactor dient jaarlijks bij ministeriële regeling te worden vastgesteld. De wijziging treedt in werking per 1 januari 2021 en bedraagt voor België 0,7347.

De woonlandfactoren zijn van belang voor de berekening van de bijdrage die door in België wonende maar ten laste van Nederland verzekerden door het CAK aan een verdragsgerechtigde in rekening brengt in verband met zorgprestaties die op grond van de Vo. 883/04 EU voor rekening van Nederland komen. De woonlandfactor wordt berekend door de gemiddelde zorgkosten in het woonland te delen door de gemiddelde zorgkosten voor de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg in Nederland. Heeft een verdragsgerechtigde recht op zorgtoeslag, dan is de hoogte van die toeslag ook afhankelijk van de woonlandfactor.

Stemmen bij de verkiezing van de Tweede Kamer als u in het buitenland woont Op 17 maart 2021 kunnen Nederlanders die in het buitenland wonen weer stemmen tijdens de Tweede Kamerverkiezingen. U dient daartoe voorafgaand geregistreerd te zijn als kiezer buiten Nederland. Als u bent geregistreerd als kiezer, ontvangt u voor iedere verkiezing automatisch alle informatie en documenten die u nodig heeft om te kunnen stemmen. Dit kunt u doen via https://www.denhaag.nl/nl.htm.




CULTUUR __________________


Grensoverschrijdend cultuur- en debathuis deBuren haalt Vlamingen en Nederlanders uit hun bubbel Het Vlaams-Nederlands Huis deBuren is een culturele organisatie die in 2004 werd opgericht door de Nederlandse en de Vlaamse regeringen met een cultureel centrum in het hart van de Europese hoofdstad Brussel. Cultuur- en debathuis deBuren is overigens een voortzetting van hetgeen al kaderde in de Vlaams-Nederlandse samenwerking op grond van de verdragen omtrent de Nederlandse taal en cultuur. Om dit waardevolle grensoverschrijdende project goed onder de aandacht te brengen van onze lezers, gingen we graag in gesprek met de voorzitter van de Raad van Bestuur Ben de Reu en directeur Willem Bongers-Dek. De uit het Noord-Brabantse afkomstige, maar inmiddels in Antwerpen wonende Willem Bongers-Dek, werd per 1 september 2019 aangesteld als directeur en geeft graag wat nadere duiding omtrent de activiteiten van deBuren. Als Nederlands-Vlaams cultuur- en debathuis richten we ons op diverse uitingsvormen van cultuur, waarbij taal en literatuur wellicht de sterkste elementen zijn die ons helpen in onze doelstelling Vlaanderen en Nederland te verbinden. Daarbij richten we ons in het bijzonder op het geven van een podium aan Vlaams-Nederlandse talenten. Onze missie vertaalt zich in vier uitgangspunten, te weten ‘presenteren’, ‘produceren’, ‘inspireren’ en ‘verbinden’. Podia zien er door de Covid-19-pandemie wel iets anders uit, maar ook via diverse digitale presentaties en podcasts bereiken we gelukkig wel nog steeds een mooi publiek. ‘Verbinden’ klinkt daarbij als een bijzonder uitgangspunt. Hoe uit dat zich in de praktijk? Ik denk te mogen stellen dat je bij deBuren vindt wat je nergens anders vindt. Zo beperkt onze debatcultuur zich niet tot een door nationale grenzen afgebakende perceptie of beleving. Wij gaan per definitie grensoverschrijdend, waarmee deelnemers ook de facto uit hun comfortzone, of om het met een actueel misschien passender metafoor te zeggen ‘uit hun bubbel’ worden getild. Voorbeeldsgewijs kan worden verwezen naar de aan beide zijden van de grens spelende thematiek omtrent de introductie van het 5G-netwerk.

Voorstanders en tegenstanders bieden we daarom de mogelijkheid met elkaar in debat te gaan, waarbij het goed is te ontdekken dat Nederland en Vlaanderen elkaar in beide richtingen kunnen ondersteunen en van elkaar kunnen leren. Zo speelt in Vlaanderen actueel ook de discussie omtrent de introductie van een ‘Vlaamse canon’, waar de Nederlandse variant al veel langer bestaat. Het gaat dan voor Vlaanderen om een lijst van ankerpunten uit de Vlaamse cultuur en geschiedenis die Vlaanderen als Europese natie zouden moeten typeren. In Vlaanderen is het momenteel een ‘hangijzer’, maar het is niet verkeerd te ontdekken dat over de grens toch anders wordt gekeken naar de samenstelling van zo’n ‘canon’. Daarover grensoverschrijdend met elkaar in debat kunnen gaan, kan dan eventueel leiden tot een betere kennis van elkaars leefwereld en hier en daar misschien ook tot nieuwe ‘zienswijzen’. Niet alle thema’s hebben meteen een verbindende werking, waarbij het zo maar kan gebeuren dat deBuren onbedoeld in het oog van de storm terecht komt. We denken daarbij even terug aan de commotie die ontstond omtrent het zogenaamde ‘Pietenpact’, waarmee deBuren het verwijt kreeg een Nederlands probleem in Vlaanderen te introduceren. Van geboorte IJzendijkenaar en dus volbloed Zeeuws-Vlaming, oudgedeputeerde van de Provincie Zeeland en niet in het minst als wielerliefhebber bekroond tot ‘ere -Flandrien’ Ben de Reu, meent dat de perceptie daaromtrent niet geheel juist was.


Dat was inderdaad een minder gelukkige ervaring die ons te beurt viel. In Nederland was al enige tijd het debat omtrent Sint Nicolaas en Zwarte Piet gaande, en daaromtrent een grensoverschrijdend debat organiseren leek ons dan op zich ook niet verkeerd. Wellicht was het in deze kwestie echter wél beter geweest op een andere manier het debat te faciliteren, dan via een verklaring te beogen ook in Vlaanderen de figuur van Zwarte Piet te vervangen door pakweg ‘de roetpiet’, met als uitgangspunt raciale stereotypering en ergernis proberen weg te nemen. De reacties in Vlaanderen waren dan ook niet onverdeeld positief. Wij hebben als deBuren teveel de indruk gewekt een standpunt in te nemen en dat moeten we vermijden.

‘Wist je overigens dat het gloednieuwe ziekenhuis in Knokke zelfs nadrukkelijk werd gebouwd op de verwachte toestroom van Zeeuwse patiënten?’ Naast boeiende debatten staat natuurlijk ook ‘cultuur’ als dusdanig nadrukkelijk op de agenda. Willem Bongers-Dek legt uit hoe de grensoverschrijdende samenwerking concreet en tastbaar wordt. Als opmerkelijk en concreet resultaat denk ik dan meteen aan de artistieke samenwerking tussen Vlaanderen en Zuid-Nederland in het project ‘Grensverleggers’, van waaruit mogelijkheden worden geboden aan artistieke en culturele projecten die over de grenzen heen samenwerken, zij het toegespitst op de Zuid-Nederlandse grensprovincies en Vlaanderen. Het ‘Fonds Grensverleggers’ ondersteunt een driejarige programmalijn die de culturele en artistieke samenwerking versterkt. Daarbij ondersteunen we voornamelijk projecten met een bovenlokaal publieksbereik die leiden tot duurzame verbanden tussen cultuurmakers uit Vlaanderen en één of meerdere van de betrokken Nederlandse grensprovincies, met als doel de samenwerking tussen Vlaanderen en Zuid-Nederland op het vlak van kunst en cultuur vanzelfsprekender, diverser en duurzamer te maken. Met financiële ondersteuning van de Nederlandse provincies Noord-Brabant, Limburg en Zeeland maken we tot en met december 2020 samen jaarlijks ruim 200.000 euro beschikbaar voor nieuwe projecten en we kijken al uit naar een mogelijk vervolg. Willem Bongers-Dek (Foto: Marianne Hommersom)

En zo is het hoge woord eruit, kunst en financiering, kennelijk een steeds moeizamer verhaal in tijden van bezuinigingen. Of dit ook speelt bij deBuren vragen we aan Ben de Reu. De financiering van deBuren komt vanuit diverse ministeries in Nederland en Vlaanderen. Voor wat betreft het project ‘Grensverleggers’, mede gefinancierd vanuit de zuidelijke provincies, geldt dat 2021 inderdaad een spannend jaar wordt. Er zal nieuw overleg moeten plaatsvinden met de provincies, waarbij we de realiteit waarbij de nieuwe coalitie in Noord-Brabant cultuur als geheel wat minder hoog op de agenda heeft staan, onder ogen moeten zien. Dat wordt dus wel een uitdaging. Anderzijds zou het kunnen dat ook de Vlaamse Regering gaat besparen op cultuur, al werd recent op de tweejaarlijks VlaamsNederlandse Top wél nog het belang van de grensoverschrijdende culturele samenwerking onderkend en bevestigd. Een Vlaams architect verschafte ons eerder al het inzicht dat bij cultuur vanzelfsprekend niet alleen naar de kosten mag worden gekeken, en dat de ‘return on investment’ te vaak uit het oog wordt verloren, verwijzend naar het gegeven dat buitenlandse toeristen een land niet bezoeken omdat het economisch welvarend zou zijn, of omdat er een bloeiende industrie en dito havens zijn, maar juist omwille van de rijkdom aan architectuur, musea en theaters. Willem Bongers-Dek deelt die visie zonder meer. Het blijft inderdaad steeds weer een lastige oefening in overtuigen, maar het klopt inderdaad dat


het een misvatting is dat cultuur alleen maar geld zou kosten. Het is een veel breder verhaal, waarbij de vraag moet worden gesteld hoe belangrijk culturele ontplooiing gevonden wordt. Vaak ontbreekt de kennis van het totaalbeeld. Investeringen in cultuur worden immers één op één terugverdiend. Neem pakweg de inkomende toeristen die hun middelen in Nederland of Vlaanderen komen besteden, de horeca die er wel bij vaart. Daarnaast draagt cultuur bij aan het vestigingsklimaat, wat in een kenniseconomie bepaald geen detail is. Bovendien zijn kunstenaars en de professionals die hen omringen overwegend mensen die niet al te veel verdienen en anders dan topmanagers van grote bedrijven, hun middelen niet investeren in een mooi tweede huis in het buitenland, maar juist hier te lande hun uitgaven doen. Op een totale begroting van een land of regio, stelt het cultuurbudget niet al te veel voor en zeker niet als je in acht neemt dat het hier eerder investeringen dan uitgaven betreft. De financiering uit Vlaanderen en Nederland is evenwichtig verdeeld, maar toch lijkt deBuren grotere bekendheid te genieten in Vlaanderen dan in Nederland. Ben de Reu acht dit niet abnormaal.

Nee, dat lijkt me niet, al was het maar omdat het huis in Brussel staat en tachtig procent van de evenementen volgens de beheersovereenkomst in Vlaanderen plaatsvinden. Verder speelt de relatie met Vlaanderen speelt in Nederland, en dan met name in de wat noordelijker gelegen regio’s, wat minder dan andersom, met Friesland als interessante uitzondering. Algemeen is er buiten het zuiden nog te weinig kennis van Vlaanderen en moest ik overigens in mijn functie als gedeputeerde van de Provincie Zeeland ook regelmatig benadrukken dat voor pakweg Zeeuws-Vlaanderen de logische geografische bondgenoten eerder Oost -en West-Vlaanderen en Antwerpen waren dan pakweg Rotterdam. Zo werd bijvoorbeeld de voor mij vanzelfsprekende grensoverschrijdende samenwerking tussen ziekenhuizen in Zeeland en Antwerpen, Brugge of Knokke in Den Haag toch eerder als opmerkelijk aangevoeld. Wist je overigens dat het gloednieuwe ziekenhuis in Knokke zelfs nadrukkelijk werd gebouwd op de verwachte toestroom van Zeeuwse patiënten?

de Reu overigens graag nog de aandacht op wat grensoverschrijdend cultureel prima loopt. Ja, in Nederland kenden we tot voor kort het televisieprogramma ‘De Beste Zangers’, waarbij in iedere aflevering één zanger centraal staat, die voor ieder ander een lied uitgekozen heeft om te zingen. Ik ben daarbij onder de indruk gekomen van de ontboezeming ‘waarom hij zo van België houdt’ van Stef Bos. En die andere fijne Nederlands-Vlaamse samenwerking is de door Jan Hautekiet gepresenteerde Lage Landenlijst. Cultuur hoeft niet steeds met een grote ‘C’ geschreven te worden. En, mooi toch, hoe al die Vlamingen door dat schitterende nummer van Bløf en Geike Arnaert, voorwaar in Zoutelande op zoek gingen naar dat ene huis dat niet bestaat… De Reu benadrukte eerder al dat Nederland en Vlaanderen niet alleen buren van elkaar zijn, maar samen ook buren zijn van andere landen in Europa. Onder zijn voorzitterschap wil De Reu dat deBuren niet een in zichzelf gekeerd, gesloten neerlandofoon bastion is , maar juist de luiken opent voor wat elders te bieden is. Vlaanderen en Nederland delen de geschiedenis die ons gedeeld heeft en we vieren in dit huis niet alleen die geschiedenis maar bereiden ook een gedeelde toekomst voor.

Wilt ook u nader kennismaken met deBuren, neem dan zeker een kijkje op https://deburen.eu/

Voorwaar de vaak onuitgesproken gedachte in de Nederlandse grensstreek, dat Haagse politici met de rug naar het zuiden staan, lijkt daarmee voorzichtig bevestigd. Als uitsmijter vestigt Ben Ben de Reu


Vlaanderen boven in Lage Landenlijst 2020 Sedert 2016 wordt jaarlijks de Lage Landenlijst opgemaakt en uitgezonden door de Vlaamse zender Radio 1, in samenwerking met de Nederlandse zender NPO Radio 5. De lijst is een top-100 van Nederlandstalige nummers sinds 1945. De presentatie is in handen van Vlaamse en Nederlandse presentatoren. Tijdens de uitzending zijn zowel de nieuwsbulletins als de verkeersinformatie gemengd BelgischNederlands, al was dat in 2020 (uitzonderlijk) niet het geval. De meest recente editie werd uitgezonden op

zaterdag 17 oktober 2020. Door de coronacrisis werd de geplande gezamenlijke uitzending van op de grens tussen Baarle-Hertog en BaarleNassau vervangen door twee parallelle uitzendingen. In Vlaanderen presenteerden Jan Hautekiet en Evert Venema de lijst, in Nederland Maarten Kortlever, Elsa van Hermon en Henk Hover. De Lage Landenlijst lijkt overigens algemeen veel sterker te leven in Vlaanderen dan in Nederland. Wellicht verklaart het ook de samenstelling van de hitlijst, die wordt samengesteld door de luisteraars via een online stemming.

De top 10 zag er dit jaar als volgt uit: 1. Kommilfoo / Ruimtevaarder (BE) 2. Kris De Bruyne / Amsterdam (BE) 3. Ramses Shaffy & Liesbeth List / Pastorale (NL) 4. Het Zesde Metaal / Ploegsteert (BE) 5. Wim De Craene / Tim (BE) 6. Gorki / Mia (BE) 7. Boudewijn De Groot / Avond (NL) 8. Raymond van het Groenewoud / Twee meisjes (BE) 9. The Scene / Iedereen is van de wereld (NL) 10. Bløf featuring Geike Arnaert / Zoutelande (NL-BE)


Euregio Jeugdorkest in zwaar weer Het Euregio Jeugdorkest is een symfonisch orkest dat tot doel heeft getalenteerde jonge muzikanten de kans te geven om in orkestverband te (leren) musiceren, hen in contact te brengen met de grote klassieke orkestliteratuur en dit uit te voeren op diverse openbare concertpodia. In het vorige Belgium-Holland Magazine werd al uitgebreid aandacht besteed aan het orkest. Midden in de corona-crisis bereikte het bestuur van het orkest onlangs evenwel onrustwekkend nieuws. Na het verplichte stilzwijgen door de corona-crisis werd immers beslist dat ook de subsidiekraan, zeg maar de levensader van dit jonge orkest, helemaal dicht wordt gedraaid. In Vlaanderen was dit eerder al het geval, maar nu haakt ook de Nederlandse provincie NoordBrabant af, waarmee de toelage van 160.000 euro voor vier jaar niet langer beschikbaar wordt gesteld. Het jeugdorkest zal dan ook noodgedwongen een andere financiĂŤle koers moeten varen,

waarmee moet worden getracht een structurele basis voor het voortbestaan van het orkest niet in het gedrang te brengen. Zonder de broodnodige middelen om te kunnen functioneren en plannen op termijn te kunnen blijven maken, denk hierbij aan ruimte voor repetities, huur opslagruimte, organisatie concerten, huren of kopen van partituren, logistiek, maaltijden, professionele dirigent, en zo meer. ‌

Als Belgium-Holland Magazine betreuren we de gang van zaken vanzelfsprekend. Het helpen voorkomen van de teloorgang van een van de mooiste grensoverschrijdende initiatieven verdient dan ook onze volle aandacht. Waar politici het laten afweten, roepen we via deze weg al onze cultuur minnende lezers, maar ook beleidsmakers en het bedrijfsleven op, om in contact te treden met het bestuur van het jeugdorkest via info@euregiojeugdorkest.com, zodat we met zijn allen de schouders kunnen zetten onder het voortbestaan van dit mooie grensoverschrijdende initiatief.


Voorjaar 2021 bij de Brakke Grond Het Vlaams cultuurhuis in Nederland de Brakke Grond, heeft ook weer een boeiend programma samengesteld voor het voorjaar 2021. De programmatie is ook hier vanzelfsprekend onder voorbehoud, rekening houdend met de eventueel nog op te leggen maatregelen in het kader van de Covid-19pandemie. Meer info treft u aan op de website https://brakkegrond.nl/

13 en 14 januari 2021: Alexander Vantournhout - Through the Grapevine 20, 21 en 22 januari 2021: De NWE Tijd / 't Barre Land - Op de Rok van het Universum 28 januari 2021: in samenwerking met Flamenco Biënnale Albert Quesada – OneTwoThreeOne 8 t/m 14 februari 2021: Beyond the Black Box 16 en 17 februari 2021: NTGent / Dalila Hermans - Her(e) 18 en 19 februari 2021: Benjamin Verdonck - De tijger eet de zebra en de vogel vliegt verschrikt weg 1 en 2 maart 2021: Maja Westerveld – HERRIE 3 t/m 5 maart 2021: Abattoir Fermé – Kersenvla 11 en 12 maart 2021: Rosa Omarsdottir- Spills za 13 maart t/m zo 9 mei 2021: Solotentoonstelling Chloë Delanghe 17 en 18 maart 2021: Liz Kinoshita - 11 o’clock 24 en 25 maart 2021: Kloppend Hert / Antigone - de Barbaren 31 maart t/m 2 april 2021: STAN / Jérôme Bel - Danssolo Jolente De Keersmaeker 7 en 8 april 2021: Zuidpool – Alkestis 13 t/m 18 april 2021: Pop Arts Festival 26 april t/m 2 mei 2021: Ontroerend Goed - Jubileum (verschillende voorstellingen ter ere van 20 jarig bestaan) 14 en 15 mei 2021: Right About Now Festival 21 en 22 mei 2021: Jubileumweekend Brakke Grond 40 jaar 26 en 27 mei: Valentijn Dhaenens - Gezin Van Paemel



FISCAAL & JURIDISCH IV __________________


Belgische fiscale behandeling Nederlandse netto pensioenregeling

Ivan Cools is partner bij het Nederlands-Belgisch Centrum, voorzitter van de Stichting grensarbeid, voorzitter van de BelgiumHolland Business Community, voorzitter van de Raadgevende Commissie GWO en redacteur van het Belgium-Holland Magazine©

Er is een nieuw fiscaal knelpunt opgedoken waarmee in België wonende en in Nederland werkende grensarbeiders geconfronteerd kunnen worden in de zin van verschuldigde belasting over uit Nederland genoten rente- c.q. dividendinkomsten uit een zogenaamde Nederlandse netto pensioenregeling. De kwestie werd inmiddels onder de aandacht gebracht van Belgische Kamerleden en er werd een verzoek neergelegd bij de bevoegde autoriteiten ter zake in overleg te treden. Vooreerst zij opgemerkt dat roerende inkomsten in beginsel belast zijn in de woonstaat, daarover bestaat actueel geen discussie, zij het dat voor genoten rente-inkomsten uit spaarrekeningen, ondanks arresten van het Hof van Justitie van de EU, België actueel blijft weigeren de vrijstelling toe te passen, maar dat even ter zijde. Meer in het bijzonder gaat het actueel om roerende inkomsten in de zin van een in Nederland opgebouwde zogenaamde ‘netto pensioenregeling’. Zoals bekend kennen Nederland en België een eigen definitie van het begrip ‘pensioenregeling’. Deze uiteenlopende definities leiden helaas andermaal tot uiteenlopende fiscale kwalificaties. Nettopensioenregeling In Nederland is een netto pensioenregeling tot op zekere hoogte fiscaal gefaciliteerd. De netto pensioenregeling is een vrijwillige pensioenregeling die een aanvulling is op de verplichte collectieve pensioenregeling voor deelnemers met een pensioengevend salaris van meer dan het grensbedrag. Voor de duidelijkheid, in Nederland is naast de eerstepijlerpensioenvoorziening (AOW) doorgaans ook een bedrijfspensioenregeling (tweede pijler) van toepassing. Deze bedrijfspensioenregeling wordt evenwel maximaal opgebouwd over een jaarlijks vast te stellen grensbedrag (in 2020 is dit 110.111 euro). Over het salaris boven dit grensbedrag mag volgens

de Nederlandse wet geen pensioen worden opgebouwd in de collectieve pensioenregeling. Verdient een werknemer effectief meer dan 110.111 euro per jaar, dan kan daarnaast wél nog pensioenpremie worden ingelegd in een zogenaamde netto pensioenregeling. Deze netto pensioenregeling is een premieovereenkomst, waarbij de hoogte van de premie-inleg wettelijk is gemaximeerd. In de netto pensioenregeling wordt de afgedragen premie maandelijks gestort op een individuele beleggingsrekening bij het pensioenfonds. Het pensioenfonds schrijft maandelijks het beleggingsrendement dat het pensioenfonds heeft behaald met het opgebouwde kapitaal bij of af. Het kapitaal dat is opgebouwd tot en met de pensioeningangsdatum of de datum waarop het deelnemerschap eindigt, zet het pensioenfonds om in een levenslange pensioenuitkering. Het bedrag mag op de einddatum dus niet in één keer worden opgenomen. Kenmerken De inleg in de netto pensioenregeling is zelf niet aftrekbaar van het inkomen, maar er moet bij opname in een zuivere Nederlandse situatie ook geen belasting worden betaald over het opgebouwde kapitaal. Tot het moment dat het opgebouwde kapitaal is omgezet is de hoogte van de pensioenuitkering overigens onzeker.


De regeling kent voorts wat hybride kenmerken; aan de ene kant kent het kenmerken van een pensioenregeling. Bij echtscheiding heeft een ex -partner bijvoorbeeld recht op een bijzonder partnerpensioen, waarvan de waarde wordt bepaald aan de hand van het op de scheidingsdatum aanwezige kapitaal, waarvan deze waarde vervolgens van het bijzonder partnerpensioen in mindering wordt gebracht. Op het overgebleven kapitaal bestaat er een wettelijk recht op pensioenverdeling, zoals geregeld in de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding. Volgens deze wet heeft een ex-partner recht op de helft van het kapitaal dat de deelnemers tijdens de relatie heeft opgebouwd en is het recht op uitkering gekoppeld aan het leven. Voor zover de deelnemer komt te overlijden dan kunnen nabestaanden recht hebben op een nabestaandenpensioen uit de netto pensioenregeling. Fiscale gevolgen bij wonen in België Indien de deelnemer evenwel niet in Nederland woont, dan zal het woonland de regeling zelfstandig kwalificeren en van een ‘fiscaal etiket’ voorzien. Als België voor de belastingheffing de regeling niet als pensioenregeling erkent, maar als een privébezitting, dan moet zij op het product een fiscaal etiket kleven conform de bepalingen van de Belgische WIB 92. Als België het product als een levensverzekering kwalificeert, zou nog sprake kunnen zijn van vrijstelling voor zogenaamde ‘Tak’-producten (looptijd langer dan 8 jaar en een dag of een overlijdensuitkering van ten minste 130% van de ingelegde premies alsmede het voldaan zijn van de verzekeringstaks). Aan deze laatste voorwaarde zal met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet

zijn voldaan, nu het Nederlands pensioenfonds deze taks wellicht niet zal hebben ingehouden, ofschoon vermoedelijk wel verplicht, nu het verzekerd risico – de deelnemer – in België woont. Deze laatste discussie loopt al geruime tijd tussen de Belgische overheid en het Verbond van Verzekeraars in Nederland, zodat in beginsel de rente en/of de dividendinkomsten in België belast zijn als roerend inkomen. Kortom, als er geen overeenkomst tussen Nederland en België wordt gesloten over de netto pensioenregeling, dan lijkt de Belgische fiscus de rendementsinkomsten jaarlijks te mogen belasten conform de interne fiscale wetgeving. Kamervragen Hiernavolgende vragen werden inmiddels aan de Belgische Kamer doorgegeven Is de minister bekend met de problematiek van de door in België wonende en in Nederland tewerkgestelde grensarbeiders, die bij deelname aan een netto pensioenregeling aldaar, worden geconfronteerd met jaarlijkse roerende heffing in België op de over het opgebouwde kapitaal genoten renten en dividenden, ofschoon de grensarbeider geen directe beschikking heeft over deze roerende inkomsten? Is de minister bereid ter zake van bovenstaand knelpunt in overleg te treden met zijn Nederlandse ambtsgenoot, teneinde afspraken te maken omtrent de (on) bedoelde kwalificatie van de Nederlandse netto pensioenregeling als een naar Belgische maatstaven direct beschikbare vermogensopbouw?


Van werkelijke zetelleer naar statutaire zetelleer volgens het nieuwe Belgische Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen

Yannick Cools Tiberghien advocaten yannick.cools@tiberghien.com

In de vorige editie van het Belgium-Holland Magazine besteedden we al aandacht aan het per 1 mei 2019 in België inwerking getreden Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV). In een eerste bijdrage besprak mr. Yannick Cools op hoofdlijnen het nieuwe vennootschapsrecht met betrekking tot de BV. In deze bijdrage brengt de auteur de vennootschapsrechtelijke omschakeling van de werkelijke zetelleer naar de statutaire zetelleer in beeld, en dit met een bijzondere aandacht voor de fiscaalrechtelijke gevolgen die onlosmakelijk verbonden zijn met de keuze voor de statutaire zetelleer. Reeds in de ontwerpfase van het nieuwe WVV geraakte bekend dat de omvangrijke en vernieuwende wijzigingen op niveau van het Belgische vennootschaps-en verenigingsrecht geen navolging zou genieten in het Belgische fiscaal recht en meer in het bijzonder geen – wezenlijke – impact mocht hebben op (de inkomsten van) de Belgische vennootschapsbelasting. In principe moest voor het fiscale luik alles bij het oude blijven. Om die reden zullen we hieronder zien dat voor het fiscale, de werkelijke zetelleer blijvend gehanteerd wordt.

recht gehanteerd van het land waar de werkelijke zetel gelegen is van waaruit de economische activiteiten worden geleid. De statutaire zetelleer kijkt daarentegen naar de zetel die vernoemd is in de statuten. De Nederlandse variant van de statutaire zetelleer, de zogenaamde incorporatieleer, kijkt naar de zetel die vernoemd is in de oprichtingsakte. Traditioneel hanteerde België de werkelijke zetelleer om te bepalen welk vennootschapsrecht van toepassing was op de oprichting en het bestaan van de vennootschap.

Werkelijke zetelleer versus statutaire zetelleer De vraag welke ‘nationaliteit’ toegekend kan worden aan een vennootschap (hetgeen bepalend is voor het vennootschapsrecht dat van toepassing is op die vennootschap), wordt in de Europese Lidstaten beslecht op basis van hetzij de werkelijke zetelleer, hetzij de statutaire zeteleer. Zo wordt bij de werkelijke zetelleer het

Naar de statutaire zetelleer Eén van de belangrijkste redenen voor de overstap naar de statutaire zetelleer is de opgedreven concurrentiedruk tussen de Europese lidstaten om het meest aantrekkelijke vestigingsstelsel voor vennootschappen aan te bieden. Hoewel in de EU de twee systemen naast elkaar bestaan, wordt de vrije keuze van de Lidstaten voor het ene of andere systeem


doorkruist door de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU. Teneinde het vrije verkeer van vennootschappen binnen de EU te garanderen, heeft het Hof immers geoordeeld dat een vennootschap die op geldige wijze is opgericht in een lidstaat niet mag worden verhinderd om activiteiten te ontwikkelen in een andere lidstaat en er een bijkantoor of zelfs haar belangrijkste beslissingscentrum te vestigen. Zo geïnterpreteerd, laat de vrijheid van vestiging toe dat de oprichters van een vennootschap vrij de lidstaat kiezen waarvan de wetgeving het meest aantrekkelijk (laagdrempelig) is voor de vestiging van een vennootschap, ook al worden haar activiteiten geheel in een andere lidstaat ontwikkeld of wordt zij effectief vanuit een andere lidstaat bestuurd (arrest C-212/97). De vrijheid van vestiging laat dus dergelijke forum shopping toe. Recente rechtspraak van het Hof stelt ook dat bij de verplaatsing van de statutaire zetel van de ene lidstaat naar de andere, zonder dat de werkelijke zetel verplaatst wordt, de eerste lidstaat geen bijkomende voorwaarden mag stellen aan deze zetelverplaatsing, zoals de liquidatie van de vennootschap in de eerste lidstaat (arrest C-106/16). Daardoor bevinden de lidstaten die de werkelijke zetelleer toepassen zich in een nadeligere positie vanuit een concurrentieel oogpunt ten overstaan van zij die de statutaire zetelleer toepassen. In combinatie met deze rechtspraak leidt de werkelijke zetelleer tot asymmetrische situaties. Zo kon een Belgische vennootschap met werkelijke zetel in België niet naar Nederland emigreren zonder nationaliteitswijziging, terwijl een Nederlandse vennootschap waar de nationaliteit wordt bepaald door de plaats van oprichting en de ligging van de statutaire zetel, wel naar België kan immigreren door verplaatsing van de werkelijke zetel zonder nationaliteitswijziging. Om deze concurrentiële nadelen uit de Belgische vennootschapswetgeving te verwijderen is het nieuwe wetboek slechts van toepassing op de rechtspersonen die hun statutaire zetel in België hebben. Dit impliceert een keuzerecht van de betrokken personen inzake welk vennootschapsrecht van toepassing zal zijn. Deze omwenteling kan verklaard worden door het feit dat bijvoorbeeld het vennootschapsrecht in hoofdzaak een aangelegenheid uitmaakt tussen aandeelhouders, bestuurders, enzovoort. Met andere woorden, een aangelegenheid tussen privépersonen. Er wordt geacht dat deze personen zichzelf voldoende kunnen informeren en beschermen. Voor het behoud van (de

inkomsten van) de Belgische vennootschapsbelasting kon er vanzelfsprekend geen sprake zijn van een vrijgeleide in de keuze of de Belgische vennootschapsbelasting van toepassing zou zijn. Dit is immers een aangelegenheid van het algemeen belang, de zogenaamde openbare orde. Fiscale wijzigingen, werkelijke zetel primeert fiscaal De Belgische wetgeving inzake vennootschapsbelasting bevat een autonome definitie van het begrip 'vennootschap'. Tot voor de intrede van het nieuwe WVV werd een vennootschap slechts als fiscaal inwoner van België beschouwd – en dus in België op haar wereldwijde winst belast – indien zij een 'binnenlandse vennootschap' is. Een vennootschap die onderworpen was aan het Belgische vennootschapsrecht omdat haar werkelijke zetel in België was gelegen, was eveneens automatisch onderworpen aan de Belgische vennootschapsbelasting. Door over te stappen naar de statutaire zetelleer doorbreekt het WVV nu deze link. Zoals gesteld is het niet opportuun om de statutaire zetelleer ook te laten doorwerken op fiscaal vlak. Niet alleen omdat de Belgische fiscale wetgeving steeds heeft gekeken naar de ligging van de zetel van werkelijke leiding, maar ook omdat de internationale fiscaliteit de werkelijke zetelleer als basisprincipe hanteert (cf. art. 4 (3) OESOModelverdrag). Het gebruik van de statutaire zetel als criterium in de vennootschapsbelasting zou immers onder meer tot gevolg hebben dat vennootschappen met statutaire zetel in het buitenland (inclusief in belastingparadijzen) maar die vanuit België worden bestuurd, niet langer als fiscaal inwoner aan de Belgische vennootschapsbelasting onderworpen zouden zijn. Determinerend voor het bepalen van het fiscale inwonerschap is en blijft de plaats waar de werkelijke zetel van bestuur van de vennootschap is gelegen. Ligt deze in België, dan is er sprake van een binnenlandse vennootschap. Aldus ontstaat er een dissociatie tussen de ‘nationaliteit’ en de fiscale woonplaats van een vennootschap. Zo kan er dus niet langer verondersteld worden dat een vennootschap opgericht naar Belgisch recht, waarvan de statutaire zetel in België is gelegen en die dus door het Belgische vennootschapsrecht wordt beheerst, ook onderworpen is aan de Belgische vennootschapsbelasting. Daarvoor is vereist dat ook de zetel van werkelijke leiding in België is gelegen.


Daarnaast blijft onverminderd gelden dat een vennootschap naar buitenlands recht met een statutaire zetel in het buitenland onderworpen is aan de Belgische vennootschapsbelasting indien de zetel van werkelijke leiding in België is gelegen. Deze vennootschap zal echter niet langer door het Belgische vennootschapsrecht worden beheerst maar door het recht van het land van haar statutaire zetel. Rechtspersoonlijkheid van een buitenlands lichaam Aangezien de definitie van 'vennootschap' rechtspersoonlijkheid vereist, worden buitenlandse lichamen die geen rechtspersoonlijkheid hebben, niet belast in de Belgische vennootschapsbelasting. Hun winsten worden belast ten name van hun vennoten (transparante belasting). Om te bepalen of een buitenlands lichaam al dan niet rechtspersoonlijkheid heeft, kijkt men in eerste instantie naar het rechtspersonenrecht dat op dat lichaam van toepassing is. Het toepassen van dat buitenlandse recht is in de praktijk evenwel niet altijd een eenvoudige opdracht. Indien dat lichaam naar buitenlands recht rechtspersoonlijkheid bezit naar het rechtspersonenrecht dat haar beheerst, zijn er geen problemen en wordt deze vennootschap aan de Belgische vennootschapsbelasting onderworpen. Voor het geval dat lichaam geen rechtspersoonlijkheid bezit, maar een rechtsvorm heeft die gelijkaardig is aan een rechtsvorm van een Belgische vennootschap, wordt dat lichaam eveneens geacht een vennootschap te zijn voor de toepassing van de Belgische vennootschapsbelasting. Om rekening te houden met de onzekerheden die kunnen blijven bestaan omtrent het hebben van rechtspersoonlijkheid of de analogie met de rechtsvorm van een binnenlandse vennootschap, werden ook op het gebied van de fiscale procedure wijzigingen aangebracht: ° Als de Belgische administratie de aanslag vennootschapsbelasting verkeerd heeft gevestigd ten name van de aandeelhouders terwijl ze dat had moeten doen ten name van de vennootschap, zal ze een vervangende aanslag kunnen vestigen ten name van deze laatste en omgekeerd. Zodoende zal steeds belasting verschuldigd zijn. ° Ook de invorderingsregels werden aangepast. Een belasting gevestigd ten name van buitenlandse lichamen zonder rechtspersoonlijkheid die een rechtsvorm hebben die analoog is aan deze van een binnenlandse vennootschap, kan

niettemin rechtstreeks ten laste van de aandeelhouders of de vennoten worden ingevorderd, en dit a rato van hun aandeel. Vermoeden met dubbel tegenbewijs Gelet op de omwenteling naar de statutaire zetelleer, kan er niet langer vermoed worden dat een vennootschap waarvan de statutaire zetel in België gelegen is, ook aan de Belgische vennootschapsbelasting onderworpen is. De fiscale administratie zou dan geval per geval moeten bewijzen dat er sprake is van een binnenlandse vennootschap. Hierdoor werd een vermoeden met dubbel tegenbewijs ingeschreven. Dat vermoeden bevestigt de traditionele administratieve praktijk en rechtspraak, en houdt in dat, behoudens tegenbewijs, de vennootschap die haar statutaire zetel in België heeft, ook geacht wordt haar zetel van werkelijke leiding in België te hebben gevestigd en dus fiscaal inwoner van België te zijn. De weerlegging van dit vermoeden is tweeledig. In eerste instantie zal het vermoeden weerlegd kunnen worden door het tegenbewijs te leveren dat de vennootschap geen 'binnenlandse vennootschap' is omdat haar 'werkelijke zetel of zetel van beheer of bestuur' in een andere Staat is gelegen. Vervolgens zal dit tegenbewijs enkel aanvaard worden indien is aangetoond dat, hoewel de vennootschap geen fiscaal inwoner is van België, deze wel een fiscaal inwoner is van een andere Staat volgens de fiscale wetgeving van deze andere Staat. Deze laatste vereiste werd ingevoerd om de weerlegging van het vermoeden te koppelen aan een effectieve erkenning van het fiscale inwonerschap van de vennootschap door een andere Staat. Hierdoor worden gevallen van dubbel niet-inwonerschap vermeden. De erkenning van het fiscale inwonerschap door een andere Staat betekent volgens de memorie van toelichting dat de vennootschap haar fiscale woonplaats in een andere Staat heeft gevestigd zowel onder het interne fiscale recht van die Staat als, indien van toepassing, onder de dubbelbelastingverdragen gesloten door die Staat. Een dubbelbelastingverdrag wil immers dubbele belasting vermijden, maar heeft niet tot doel om geen belasting te betalen. Bijvoorbeeld voor de naar Belgisch recht opgerichte BV met statutaire zetel in België, maar met werkelijke zetel in Nederland, impliceert dit dat deze vennootschap de woonplaatsverklaring zal moeten aanvragen bij de Nederlandse belastingdienst, zoals dit wordt gebruikt bij onder meer vrijstelling of


vermindering van bronheffing op basis van het dubbelbelastingverdrag België-Nederland, opdat zij niet aan de Belgische vennootschapsbelasting onderworpen zal zijn. Noodzakelijk is aldus dat zowel onder het interne Nederlandse recht als onder toepassing van het dubbelbelastingverdrag de vennootschap kwalificeert als fiscaal inwoner van Nederland. Er is tenslotte in voorzien dat het vermoeden van inwonerschap zowel door de belastingplichtige als door de Administratie weerlegd kan worden. Dat laatste kan bijvoorbeeld van belang zijn wanneer de Administratie internrechtelijke vrijstellingen van bronbelasting wil ontzeggen aan een naar Belgisch recht opgerichte vennootschap met statutaire zetel in België. In dat geval zal zij moeten bewijzen dat de zetel van werkelijke leiding en fiscale woonplaats van deze vennootschap in een andere Staat zijn gelegen. Boekhoudrechtelijke verplichtingen De wijziging van de zetelleer heeft ook andere indirecte gevolgen voor de fiscaliteit, dewelke een aandachtspunt vormen voor de praktijk. Een vennootschap met een statutaire zetel in het buitenland zal in principe een boekhouding voeren overeenkomstig het in dat land geldende boekhoudrecht. De Belgische fiscale winst wordt echter bepaald uitgaande van de boekhoudkundige winst. Wanneer dergelijke vennootschap haar zetel van werkelijke leiding in België heeft gevestigd en dus aan de Belgische vennootschapsbelasting is onderworpen, is het problematisch dat zij geen Belgische boekhouding voert. Om dit probleem te ondervangen, verplicht een nieuwe bepaling elke binnenlandse vennootschap (ongeacht waar haar statutaire zetel gelegen is) en elke Belgische vaste inrichting van een buitenlandse vennootschap overeenkomstig het Belgische boekhoudrecht dat deze een boekhouding, inventaris en jaarrekening moet opmaken. Dit moet gebeuren conform het Belgisch boekhoudrecht dat van toepassing is op een Belgisch lichaam dat een gelijkaardige rechtsvorm heeft en gelijkaardige activiteiten uitoefent als het buitenlandse lichaam. Ten slotte wordt ook in een verplichting voorzien tot aanhechting van de jaarrekening aan de aangifte in de vennootschapsbelasting of BNI-Venn.B., tenzij de jaarrekening reeds voorwerp is geweest van publicatie. Door deze maatregelen zal het voor de Belgische fiscus mogelijk zijn om voor binnenlandse vennootschappen beheerst door buitenlands recht de belastbare basis te bepalen overeenkomstig de Belgische boekhoudregels, waarbij er

een controle kan plaatsvinden door de aanhechting van de jaarrekening in geval van nietpublicatie.

‘Om niet voor onaangename verrassingen te komen staan, is dit voor de internationaal actieve onderneming een belangrijk aandachtspunt’ De Belgische wetgever heeft in navolging van internationale tendensen geopteerd voor de vennootschapsrechtelijke statutaire zetelleer. Deze wijzigingen bieden meer flexibiliteit voor de ondernemer op vlak van het vennootschapsrecht. Voor de Belgische vennootschapsbelasting zijn de uitgangspunten principieel dezelfde moeten blijven. Dit heeft tot gevolg dat voortaan een vennootschap vennootschapsrechtelijk perfect een andere dan Belgische nationaliteit kan bezitten, maar, indien de voorwaarden daartoe vervuld zijn, zal voor doeleinden van de Belgische vennootschapsbelasting de vennootschap nog steeds als Belgisch fiscaal inwoner beschouwd worden. Om niet voor onaangename verrassingen te komen staan, is dit voor de internationaal actieve onderneming een belangrijk aandachtspunt.


Grensoverschrijdend werken en de gevolgen bij arbeidsongeschiktheid

Ivan Cools is partner bij het Nederlands-Belgisch Centrum, voorzitter van de Stichting grensarbeid, voorzitter van de BelgiumHolland Business Community, voorzitter van de Raadgevende Commissie GWO en redacteur van het Belgium-Holland Magazine©

Wie grensoverschrijdend werkt loopt zo nu en dan aan tegen onvoorziene en soms ook onwenselijke consequenties. Zo ook wanneer het gaat om aanspraken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering bij grensoverschrijdend werken. In relatie tot een arrest van het Hof van Justitie van de EU in de zaak Maria Vester tegen Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering van 14 maart 2019 (C‑134/18), werd evenwel een oplossing uitgewerkt, welke tegemoet komt aan de problemen waarmee grensarbeiders bij arbeidsongeschiktheid kunnen worden geconfronteerd. Vooreerst is het nuttig even stil te staan bij de ingewikkelde regelgeving ter zake. Zo heeft het arrest-Vester betrekking op de Europese coördinatieregels in de coördinatieverordening (Vo. 883/04 EU) voor uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid. Deze coördinatieregels zijn van belang voor de uitvoering van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA) in grensoverschrijdende situaties. De coördinatieverordening strekt tot doel het voor burgers eenvoudiger te maken om hun recht op vrij verkeer in de EU uit te oefenen, door middel van de coördinatie van socialezekerheidsstelsels. Zo regelt de coördinatieverordening onder andere in welke lidstaat of lidstaten een werknemer een beroep kan doen op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Risico- en opbouwstelsels Bij arbeidsongeschiktheidsregeling binnen de EU stellen we evenwel vast dat er sterk afwijkende stelsels bestaan. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen zogenoemde A-stelsels en Bstelsels. De A-stelsels zijn de risicostelsels die opgenomen zijn in Bijlage VI bij de coördinatieverordening. Bij een risicostelsel heeft iemand recht op een uitkering als hij verzekerd is op het moment dat hij arbeidsongeschikt raakt en voldoet

aan de overige voorwaarden voor uitkering. Het bedrag van de uitkering is niet afhankelijk van de duur van verzekering. De B-stelsels zijn de opbouwstelsels en de risico-stelsels die niet opgenomen zijn in Bijlage VI. Bij een opbouwstelsel bouwt iemand rechten op die hij krijgt uitgekeerd als hij arbeidsongeschikt raakt en voldoet aan de overige voorwaarden voor uitkering. Belanghebbende hoeft dan ook niet verzekerd te zijn op het moment dat hij arbeidsongeschiktheid raakt. Bij een opbouwstelsel is de hoogte van de uitkering wel afhankelijk van de duur van verzekering. Voor toepassing van de coördinatieverordening geldt de Nederlandse WIA als een B-stelsel. Combinatie Afhankelijk van de toepasselijke wetgeving - een A-stelsel, een B-stelsel of een combinatie van de twee - bevat de coördinatieverordening verschillende bepalingen voor arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Is een belanghebbende uitsluitend aan B-stelsels of aan een combinatie van A- en B -stelsels onderworpen geweest, dan kan hij mogelijk aanspraak maken op een uitkering in alle lidstaten waar hij verzekerd is (geweest) naar rato van het arbeidsverleden in die lidstaat. Een werknemer die in het verleden in Nederland gewerkt heeft en arbeidsongeschikt raakt tijdens


verzekering in een andere lidstaat, kan dus aanspraak maken op een pro rata WIA-uitkering.

De kwestie Vester Uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU volgt dat de coördinatieverordening de socialezekerheidsstelsels van de lidstaten coördineert. Er is met andere woorden geen sprake van harmonisatie. Lidstaten zijn dus vrij om hun socialezekerheidsstelsels naar eigen inzicht in te richten. De nationale wetgeving van de lidstaten met betrekking tot recht, duur en hoogte van de uitkering blijft ook in grensoverschrijdende gevallen van toepassing. Zo gelden voor de WIA de wachttijd van 104 weken en de overige toegangsvoorwaarden voor het recht op uitkering. Het verschil in nationale voorwaarden is op zichzelf overigens niet in strijd met de coördinatieverordening. Toch kan het voorkomen dat het onverkort toepassen van de wachttijd leidt tot een inkomenshiaat welke strijdigheid oplevert met het Unierecht. Zo ook in het geval van mevrouw Vester. Zij is immers een Nederlands onderdaan, woont in België en heeft lange tijd in Nederland gewerkt. Zij raakt volledig werkloos en ontvangt een Belgische werkloosheidsuitkering. Na vijf dagen meldt zij zich arbeidsongeschikt. Net als in Nederland, heeft een arbeidsongeschikte in België eerst recht op een ziekte-uitkering en volgt daarna een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Mevrouw Vester ontvangt daarom gedurende een jaar een Belgische ziekte-uitkering. Na dit jaar eindigt de ziekteuitkering en wordt mevrouw Vester op basis van de Belgische wetgeving arbeidsongeschikt verklaard. Zij heeft echter geen recht op een Belgische arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat zij korter dan een jaar in België verzekerd was. Om-

dat mevrouw Vester een arbeidsverleden in Nederland heeft, heeft zij wél recht op een pro rata WIA-uitkering indien zij aan de nationale vereisten voor de WIA voldoet. De WIA-uitkering gaat dan in na 104 weken wachttijd. Tussen het einde van haar Belgische ziekte-uitkering en de Nederlandse WIA-uitkering moet zij hierdoor nog een jaar wachten voordat de WIA-uitkering ingaat. En wordt zij dus geconfronteerd met een periode van 52 weken zonder recht op een uitkering. Hof van Justitie van de EU De zaak van mevrouw Vester belandt middels een prejudiciële vraag van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen bij het Hof van Justitie van de EU. Het Hof oordeelt op haar beurt dat de artikelen 45 en 48 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) zo moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een dergelijke situatie zoals die van mevrouw Vester waarin een werknemer na een periode gedurende welke hij een ziekte-uitkering uit de bevoegde lidstaat heeft, maar geen recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering uit deze lidstaat, vervolgens nog een extra jaar moet wachten voordat de arbeidsongeschiktheidsuitkering ingaat van de andere lidstaat waarin tijdvakken van verzekering zijn vervuld, zonder dat de werknemer gedurende die periode een ziekte-uitkering krijgt. In de praktijk betekent dit volgens het Hof dat migrerende werknemers die zich in een situatie als die van mevrouw Vester bevinden, gedurende het tweede jaar van hun arbeidsongeschiktheid worden benadeeld ten opzichte van niet-migrerende werknemers in Nederland en derhalve een voordeel van sociale zekerheid verliezen.


Beleidswijziging naar aanleiding van de uitspraak Vester Op grond van dit arrest heeft het UWV volgens de Nederlandse Minister van Sociale Zaken & Werkgelegenheid al in 2008 in individuele gevallen het volgende toegepast ten aanzien van het hierboven genoemde inkomenshiaat: ingeval van een IVA-uitkering wordt de WIA -wachttijd verkort; ingeval van een WGA-uitkering wordt een we rk lo o s h e id su it k e rin g / t o e s la g (Toeslagenwet) verleend (op voorwaarde dat de aanvrager in Nederland woont). Op basis van artikel 57 van de coördinatieverordening is er volgens de minister evenwel geen verplichting om een pro rata uitkering toe te kennen als het arbeidsverleden korter is dan een jaar wanneer hier nationaal geen recht op zou bestaan. Het arbeidsverleden moet dan door de andere lidstaat meegenomen worden. Het arrest Vester geeft volgens de minister echter wél aanleiding om dit te wijzigen. In overleg met UWV zal het door de minister voorgenomen nieuwe beleid dan ook vormgegeven moeten worden. Immers wanneer er in de lidstaat van laatste verzekering geen recht op een volledige

arbeidsongeschiktheidsuitkering bestaat kan er door een verschil in wachttijd tussen de lidstaat van laatste verzekering en Nederland een ongeoorloofd inkomenshiaat ontstaan. In dat geval moet de wachttijd van de WIA aansluiten bij het einde van de wachttijd van de lidstaat van laatste verzekering. De minister geeft daaromtrent aan dat het beleid niet langer beperkt wordt tot mensen die in Nederland wonen. Door het verkorten van de WIA-wachttijd wordt dan het beste aangesloten bij de systematiek van de coördinatieverordening en belanghebbende heeft dan op basis van de coördinatieverordening al meteen recht op een pro rata WIA-uitkering, die dan ook eerder in zal gaan.

Zorgpositie Belangrijk om meet nemen is ook dat de toepassing van het gewijzigde beleid ook gevolgen zal hebben op het terrein van de zorg. Wanneer mensen in een situatie als mevrouw Vester eerder recht hebben op een WIA-uitkering, ontstaat daarmee ook eerder de situatie dat de zorgkosten door Nederland worden vergoed. Voor dit recht op zorg betalen mensen in Nederland een verdragsbijdrage aan het CAK.




SPORT __________________


Beneliga basketbal gaat van start, in het voetbal nog vele onduidelijkheden In de vorige editie van dit magazine besteedden we aandacht aan de Nederlands-Belgische intentie te komen tot een gezamenlijke grensoverschrijdende voetbalcompetitie. Of en wanneer die er zou komen, blijft voorlopig een vraagteken. Daarentegen start vanaf volgend seizoen wél al een grensoverschrijdende basketbalcompetitie. In het basketbal is de kogel dus effectief door de kerk. Volgend seizoen gaat de Beneliga van start. Begin december gaven, met uitzondering van één Belgische club, de overige 21 clubs hiertoe groen licht. Allen zijn ze overtuigd dat de grensoverschrijdende basketbalcompetitie zal leiden tot groei van de clubs in beide landen. Het nieuwe kampioenschap zal starten met twee nationale competities. Daarna stoot de top vijf van elk land door naar de Golden Group, de andere teams komen in de Silver Group terecht. Opnieuw volgt een volledige competitie met heen- en terugmatchen. Ook in de play-offs wordt er eerst om de nationale landstitels gestreden. De vijf teams uit de Golden Group met het beste Belgische team uit de Silver Group komen in de Belgische play-offs uit. De afvallende teams komen uit in de Beneliga play-offs, waarin ook de verliezende teams uit de nationale play-offs worden opgevist. De winnaar van de nationale play-offs en de winnaars van de Beneliga play-offs strijden uiteindelijk voor de Beneliga-titel.

‘Eerder raakte al bekend dat in principe tien Nederlandse en acht Belgische clubs zouden toetreden tot de Beneliga, mocht die er ooit komen’ In het voetbal lijkt een en ander vooralsnog minder voorspoedig te verlopen. Een nieuw rapport van onderzoeksbureau Deloitte concludeert dan wel dat de aanvang zou kunnen plaatsvinden in 2022, maar alles wijst erop dat het niet zo’n vaart zal lopen. Deloitte stelt vast dat schaalvergroting weliswaar een must is voor beide landen om in Europa concurrentieel te blijven, maar het rapport biedt geen oplossing voor de voornaam-

ste heikele punten. Eén daarvan is het aantal Europese tickets. Actueel zijn dat er opgeteld tien, maar de UEFA acht het niet haalbaar om één gezamenlijke competitie met evenveel Europese tickets te belonen. Daarnaast geldt nog de uiteenlopende positie van de respectievelijke nationaal lopende tv-contracten en is er sprake van tal van andere financiële ongelijkheden tussen beide landen. Eerder raakte al bekend dat in principe tien Nederlandse en acht Belgische clubs zouden toetreden tot de Beneliga, mocht die er ooit komen. Intussen werden alle andere clubs uitgebreid op de hoogte gesteld van de plannen van de Nederlandse en Belgische topclubs, maar blijft het animo bij de kleinere clubs op zijn zachtst gesteld vooralsnog beperkt.


Format Beneliga voetbalcompetitie Al sinds 1996 wordt er gesproken over het samengaan van de Nederlandse en Belgische voetbalcompetitie. Destijds werden de plannen evenwel om organisatorische redenen vrij snel van tafel gehaald. Toenmalig Nederlands bondscoach Marco van Basten haalde de plannen in 2006 weer vanonder het stof en in 2009 was het KNVB-voorzitter Michael van Praag die een grondig onderzoek naar haalbaarheid wou opzetten. In 2019 zijn de betrokken partijen dan voor het eerste écht een onderzoek gestart naar de haalbaarheid van een Beneliga. Uit dat onderzoek moet alvast blijken dat de competitie tussen Nederland en België significant grotere financiële en sportieve groeimogelijkheden zou bieden. Zo worden de verwachte inkomsten van uitzendrechten en sponsoren geraamd op 250 tot 400 miljoen euro, wat een stijging zou zijn met zowat 35 procent. Het onderzoek werd door de KNVB en de KBVB dan ook positief ontvangen, met als uitgangspunt dat evenwel eerst vanaf 2025, omwille van aflopende uitzendrechten, een Beneliga haalbaar zou zijn. Daarop werd een tweede onderzoek ingesteld waarbij werd gekeken naar het format van de Beneliga, het effect op andere competities en de impact op de individuele clubs. Daaruit kwam naar voor dat er meer topwedstrijden gespeeld zullen gaan worden en de duels wellicht ook attractiever zullen zijn. Op vrijdag 28 augustus 2020 kwamen de betrokken clubs hierop weer bij elkaar om de resultaten van het vervolgonderzoek te bespreken. Voormalig RTL-topman Bert Habets werd aangesteld als projectmanager om de samenvoeging van de competities verder te begeleiden. Zijn opdracht bestaat er onder meer in te onderzoeken of ook de Europese voetbalbond UEFA, akkoord kan gaan met een gezamenlijke Nederlands-Belgische voetbalcompetitie. Een van de gevoelige thema’s is daarbij het toekennen van tickets voor de Champions League en de Europa League. Actueel hebben Nederland en België immers gezamenlijk recht op 10 tickets. Onlangs heeft UEFA-voorzitter Ceferin evenwel al aangegeven dat hij niet akkoord kan gaan met het behoud van de 10 tickets. Daarenboven gaf hij negatief advies over het idee om elk land afzonderlijk te behandelen, terwijl het een gezamenlijke competitie betreft. De UEFA denkt actueel dan ook aan maximaal 7 tickets. Concreet betekent dit dat het voor de zogenaamde subtoppers mogelijk wat lastiger zal worden om nog een Europees ticket in de wacht te slepen. Voor de uiteindelijke samenstelling van de competitie en deelnemende clubs werd inmiddels wél al afgestemd om te kijken naar de resultaten van de laatste vijf seizoenen. Indien de Beneliga in 2021 van start zou gaan zou de competitie bestaan uit 10 Nederlandse clubs, te weten Ajax Amsterdam, PSV Eindhoven, Feijenoord Rotterdam, AZ Alkmaar, FC Utrecht, Vitesse Arnhem, Heracles Almelo, Willem II Tilburg, FC Groningen en SC Heerenveen en 8 Belgische clubs, te weten Club Brugge, AA Gent, RSC Anderlecht, KRC Genk, Sporting Charleroi, Standard de Liège, Royal Antwerp FC en SV Zulte Waregem.



WONEN OVER DE GRENS __________________


In Nederland wonende grensarbeider en de strijd om gezinsbijslagen Een kwestie die al meerdere jaren speelt is deze van gelijktijdige aanspraken op (aanvullende) kinderbijslag uit België en kinderopvangtoeslag in Nederland. Het is een situatie die kan voorkomen in die gevallen waarbij een gezin met kinderen in Nederland woont, één van beide ouders in Nederland werkt en de andere ouder in België. Het gezin Walhout-Verhage uit het Nederlandse Koewacht moest alvast jarenlang juridische strijd voeren om de houding van het Belgische kinderbijslagfonds aan de kaak te stellen.. Ruim twee jaar geleden berichtte de Europese Commissie dat de klacht van het NederlandsBelgisch Centrum, onder meer gebaseerd op het arrest van het Hof van Justitie van de EU in de zaak Wiering (c-347/12), ter zake van de samenloop van Belgische (aanvullende) kinderbijslagen en een Nederlandse kinderopvangtoeslag, ontvankelijk werd verklaard. Volgens het Nederlands-Belgisch Centrum schenden de Belgische autoriteiten het Unierecht, omdat ze bij de berekening van de aanvullende kinderbijslag ook de door Nederland betaalde Kinderopvangtoeslag (KOT) opnemen. Het Nederlands-Belgisch Centrum is daarbij van oordeel dat dit strijdig is met het arrest van het Hof van Justitie van de EU in de zaak Wiering waarin het Hof oordeelde dat bij de beoordeling of er een aanvullende kinderbijslag moet worden betaald, de bevoegde autoriteiten enkel kinderbijslagen van dezelfde aard in aanmerking mogen nemen en niet alle door de andere lidstaat betaalde gezins- c.q. kinderbijslagen.

Coördinatieverordening Meer in het bijzonder bepaalt artikel 68 van de Europese coördinatieverordening voor de sociale zekerheid van de lidstaten (Vo. 883/04 EU) dat wanneer voor dezelfde periode en voor dezelfde familieleden, uitkeringen worden verleend op grond van meer dan één lidstaat, voorrangregels moeten worden toegepast. Ouders kunnen bijgevolg geen tweemaal kinderbijslagen voor dezelfde periode en dezelfde familieleden ontvangen. Artikel 68, paragraaf 2 bepaalt dat in ingeval van samenloop de uitbetaling van de uitkeringen op grond van de wetgeving van de Lidstaten die niet prioritair zijn, wordt opgeschort ter

hoogte van de uitkering ten laste van de prioritaire lidstaat en, zo nodig, wordt het deel dat dit bedrag overschrijdt uitbetaald in de vorm van een aanvullende toeslag. Duitsland - Luxemburg In het arrest van het Hof van Justitie van de EU in de zaak Wiering – een kwestie tussen Duitsland en Luxemburg - heeft het Hof geoordeeld dat bij de beoordeling of er een aanvullende kinderbijslag moet worden betaald, de bevoegde autoriteiten enkel kinderbijslagen van dezelfde aard in aanmerking mogen nemen en niet alle door de andere Lidstaat betaalde gezinsbijslagen. Het hof oordeelde dat bij deze beoordeling een vierledige test moet worden uitgevoerd. Ongeacht de door de nationale wetgeving aan de uitkering toebedeelde kenmerken, word een uitkering geacht van dezelfde aard te zijn indien (i) het doel, (ii) het voorwerp samen met (iii) de basis waarop de uitkering wordt berekend en (iv) de toekenningsvoorwaarden dezelfde zijn. Dit betekende dat in de zaak Wiering Luxemburg voor de beoordeling of er een aanvullende toeslag moest worden betaald, enkel rekening mocht houden met het bedrag van de door de familie Wiering ontvangen Duitse kinderbijslag. Het mocht geen rekening houden met de Duitse ouderschapsuitkering, omdat deze uitkering niet van dezelfde aard is als de Luxemburgse kinderbijslag. Nederland-België De Duits-Luxemburgse kwestie was daarmee beslecht, echter stelde zich de vraag of het arrest-Wiering ook zonder meer kan worden toegepast op de Nederlands-Belgische situatie. In haar vonnis van 15 januari 2020 (Arbeidsrechtbank Gent), tussen de familie


Familie Walhout-Verhage De familie Walhout-Verhage woont in het rustige Zeeuwse Koewacht, onmiddellijk bij de Nederlands-Belgische grens. Jeffrey Walhout werkt sedert 2005 bij het staalfabricagebedrijf ArcelorMittal in het Belgische Gent. Astrid Verhage werkt in Nederland bij uitvoeringsorganisatie Sabewa Zeeland. Samen hebben Jeffrey en Astrid vier kinderen in de leeftijd tussen 6 en 13 jaar. Voor deze kinderen werd in Nederland geopteerd voor kinderopvang, maar met alle gevolgen van dien. Astrid Verhage vertelt: Wij werden zelf benaderd door de Stichting Kinderopvang, met de mededeling dat we recht zouden hebben op kinderopvangtoeslag, zonder dat dit gevolgen zou hebben voor de aanvullende Belgische kinderbijslag. Omdat we niet helemaal zeker waren van deze informatie, hebben we contact gezocht met de Sociale Verzekeringsbank in Breda (Svb), waar we bevestiging kregen. Dit stond destijds ook letterlijk zo aangegeven op hun website. Maar driekwart jaar later werd van ons plotseling duizenden euro’s teruggevorderd. Tot medio 2018 gaat het om 12.000 euro en daarbij komt per jaar gemiddeld nog zowat 2.800 euro extra bij. Alles bij elkaar gaat het inmiddels om een belang van zowat 20.000 euro. Het steekt, benevens de forse financiële aderlating, vooral dat we vier jaar lang van het kastje naar de muur werden gestuurd door zowel de Nederlandse Svb als het Belgische Parentia Vlaanderen VZW. Steeds kregen we van de Svb te horen dat het probleem in België lag, maar bij Parentia kregen we te horen dat zij de berekeningen dienden te maken op basis van de verstrekte info door de Svb en dat ze dus niet zelf geplaatst waren om Nederlandse regelingen te beoordelen. We zijn één Europese Unie, maar als burger ben je in dit soort kwesties met overheidsinstanties, toch altijd weer de dupe.

Inmiddels hebben we de Stichting Kinderopvang een brief geschreven waarin we door hen verstrekte onjuiste informatie aan de kaak stellen. Tot hiertoe stellen zij evenwel dat hun info wel degelijk juist was, verwijzend naar de uitspraak van Arbeidsrechtbank Gent. Wat hun standpunt zal worden als we de zaak finaal alsnog zouden verliezen, valt nog maar af te wachten.


Walhout-Verhage en anderzijds het Belgische kinderbijslagfonds Parentia Vlaanderen VZW, wijst de rechter erop dat de beoordeling ten gronde er aldus in ligt na te gaan of de verschillende gezinsbijslagen in Nederland en België van dezelfde aard zijn of niet. Van belang daarbij is zeker te vermelden dat Arbeidsrechtbank Gent eerder al in een vergelijkbare casus oordeelde in een vonnis van 3 april 2019. In dat vonnis werd geoordeeld dat de Belgische kinderbijslag en de Nederlandse kinderopvangtoeslag niet van dezelfde aard zijn, zodat er bij de berekening van de aanvullende Belgische kinderbijslag geen rekening mocht worden gehouden met de Nederlandse kinderopvangtoeslag. Arbeidsrechtbank Gent In de procedure van de familie WalhoutVerhage bleef Parentia Vlaanderen VZW zich evenwel verzetten en werd het standpunt ingenomen dat de familie Walhout-Verhage eerst en vooral diende aan te tonen dat de principes uit het arrest-Wiering nog wel relevant zouden zijn onder toepassing van Vo. 883/04 EU als opvolger van de ouder coördinatieverordening (Vo. 1408/73 EU). Ondanks enige inhoudelijke tegenwerpingen van Parentia Vlaanderen VZW,

oordeelt de rechter dat de familie WalhoutVerhage er wel degelijk in slaagt aan te tonen dat de Belgische kinderbijslag en de Nederlandse kinderopvangtoeslag niet van dezelfde aard zijn en dat derhalve bij de berekening van het recht op aanvullende Belgische kinderbijslag er geen rekening mag worden gehouden met de Nederlandse kinderopvangtoeslag. De rechter oordeelt daarom dat Parentia Vlaanderen VZW dient over te gaan tot een nieuwe berekening van de aanvulling van de Belgische kinderbijslag voor de periode van 1 september 2015 tot en met 31 maart 2016.

Arbeidshof Gent Of de zaak van de familie Walhout-Verhage hiermee definitief beslecht is, lijkt evenwel twijfelachtig. Parentia Vlaanderen VZW heeft immers hoger beroep ingesteld, wat wellicht de komende weken zal leiden tot een nieuw arrest. De gevoelens bij de familie Walhout-Verhage zijn hieromtrent niet erg hoopvol. Immers, enkele maanden na het vonnis in hun zaak, werd door het Arbeidshof Gent op 4 mei 2020 in een vergelijkbare zaak, het hoger beroep van Parentia Vlaanderen VZW wél weer ontvankelijk en gegrond verklaard…

Belgisch geboorteverlof ruimer vanaf 1 januari 2021 Bij de geboorte van een kind hebben ouders momenteel recht op 10 dagen geboorteverlof. Op de ministerraad van 20 november 2020 keurde de Belgische federale regering een voorontwerp van wet goed waarbij men het aantal dagen geboorteverlof stapsgewijs uitbreidt. Het aantal dagen geboorteverlof zou er hierdoor als volgt uit zien. Voor geboorten vanaf: 1 januari 2021 : 15 dagen geboorteverlof; 1 januari 2023 : 20 dagen geboorteverlof. De werknemer zal nog steeds de mogelijkheid krijgen om dit geboorteverlof vrij op te nemen in de vier maanden te rekenen vanaf de dag van de bevalling.


Grenspendel Nederland-België blijft onevenwichtig Uit recente cijfers van het Nederlandse Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt dat er actueel 41.000 inwoners van België in Nederland werken en 12.470 Belgen in Nederland. Nederland trekt dus ruim drie keer meer grensarbeiders uit België aan, dan andersom. Een directe verklaring daarvoor geeft het CBS niet, maar uit eerdere studies bleek dat vooral de fiscaal en sociaal doorgaans gunstiger regelingen in Nederland een belangrijke rol spelen. Ook de arbeidscultuur verschilt tussen beide landen. Nederlanders die in België werken blijven er gemiddeld ook minder lang actief, dan andersom. Als belangrijkste aandachtspunten bij grensarbeiders gelden de als zwaar ervaren administratieve lasten en de traagheid van de overheidsinstanties.

Andere aandachtspunten zijn doorgaans een gevolg van onvoldoende bekendheid met de regelgeving bij grensarbeiders zelf. Onder meer de gevolgen bij werken anders dan op het grondgebied van het land waar de werkgever is gevestigd (thuiswerk, buitenlanddagen, etc…) blijken overwegend nog onvoldoende bekend. De gevolgen op fiscaal- en sociaalverzekeringsterrein worden doorgaans onvoldoende goed ingeschat, vaak ook door de tewerkstellende werkgever.

Ingebruikname nieuwe datagegevens leidt tot problemen bij Belgische belastingdienst niet-inwoners De Belgische fiscus heeft voor inkomstenjaar 2019 haar databank van belastingplichtigen nietinwoners gekoppeld aan de Kruispuntbank van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ). Op zich niets bijzonder, ware het niet dat hiermee heel wat bestaande gegevens van niet-inwoners verloren zijn gegaan. Dit heeft ertoe geleid dat het voor belastingplichtigen of hun mandatarissen in veel gevallen onmogelijk werd via de elektronische aangifteportal ‘Tax-on-web’ een correcte aangifte in te dienen. Dit leidde bij tal van mandatarissen tot groot ongenoegen. Om een en ander recht te zetten besliste de FOD Financiën dat die belastingplichtigen niet-inwoners die met bovenstaande problemen werden geconfronteerd, zelf het bewijs moesten aanleveren van hun burgerlijke staat, middels het opvragen bij de Gemeentelijke Basisadministratie van hun woonplaats van een attest die de burgerlijke staat diende aan te tonen. Wederom dus heel wat extra administratieve lasten voor de grensarbeider en hun mandatarissen. Bovendien bleek dat de fiscus ook de aangifteformulieren, ofschoon dit anders in hun systemen werd aangegeven via de elektronische registratietool van belastingplichtigen niet-inwoners, foutief aan de belastingplichtige toezond in plaats van rechtsreeks aan de mandatarissen. Ook hiermee ging bijkomend weer kostbare tijd verloren. Op ingediende Kamervragen omtrent deze problematiek erkende minister Vincent van Peteghem (CD&V) de problemen, er weliswaar aan toevoegend dat hij het geen aanleiding vond om de indieningstermijn met enkele weken te verlengen.


Nederlands-Belgisch fiscaal coronaakkoord voor grensarbeiders verlengd De coronacrisis heeft zoals bekend fiscale gevolgen voor grensoverschrijdende tewerkstellingen. Thuiswerkende grensarbeiders zijn op grond van artikel 15 van het Nederlands-Belgisch dubbelbelastingverdrag in beginsel immers inkomstenbelasting verschuldigd over de beloningen voor deze thuiswerkdagen in hun woonstaat. Nederland en BelgiĂŤ sloten voor de periode van 11 maart 2020 tot en met 31 december 2020 evenwel een fiscaal akkoord, op grond waarvan de op grond van de coronacrisis toepasselijke verplichte thuiswerkdagen worden aangemerkt alsof ze in de normale werkstaat zijn verricht. Daardoor wijzigt de normale fiscale heffingsbevoegdheid niet. Nederland en BelgiĂŤ hebben nog net voor het ter perse gaan van deze editie van uw magazine meegedeeld dat het eerdere fiscale akkoord wordt verlengd tot en met 31 maart 2021.

Bewijslast corona-thuiswerk Ten behoeve van de fiscale aangiften over inkomstenjaar 2020, dienen grensarbeiders bij toepassing van verplicht thuiswerk in het kader van de Covid-19-maatregelen, een door hun werkgever opgesteld attest te kunnen voorleggen. Dit attest dient te worden opgemaakt door de werkgever en moet het aantal thuiswerkdagen, die enkel en alleen gelinkt zijn aan de maatregelen die werden genomen ter bestrijding van COVID-19, vermelden. Tevens dient bewijs te worden geleverd van de daadwerkelijke belasting op de bezoldigingen voor thuiswerkdagen in de staat waar de activiteit zou zijn uitgeoefend zonder maatregelen ter bestrijding van COVID-19. Het attest dient bovendien de hiernavolgende gegevens te bevatten: alle noodzakelijke gegevens voor de volledige identificatie van de werknemer de aard van de functie uitgeoefend door de werknemer overzicht van het aantal thuiswerkdagen enkel en alleen omwille van de maatregelen ter bestrijding van COVID-19 indien van toepassing, het overzicht van het aantal thuiswerkdagen als voorzien in de arbeidsovereenkomst het overzicht van eventuele ziekte-, verlof- en/of recuperatiedagen verklaring op erewoord dat het attest waar en oprecht is datum en handtekening van de werkgever, alsook de medeondertekening van de werknemer


FINANCIEN & VASTGOED __________________



De aflossingsvrije hypotheek in Nederland Een goede keuze?

Maurice Meesters Van Bruggen Adviesgroep

De Nederlandse overheid wil sinds de grote huizencrisis van 2009 huizenkopers behoeden voor overmatige schulden. Daarom werd in 2013 een nieuwe regel ingevoerd, waardoor bij nieuwe hypotheken alleen nog recht bestaat op de hypotheekrenteaftrek, als de lening binnen de looptijd van 30 jaar ook helemaal wordt afgelost. Dit heeft gezorgd voor een grote populariteit van de annuïteitenhypotheek. Bij deze hypotheekvorm lost de ontlener immers tijdens de looptijd af en bestaan de maandlasten uit een combinatie van hypotheekrente en aflossing. Maar, betekent dit nu ook een afname van de populariteit van de aflossingsvrije hypotheek? Wij vroegen het aan specialist ter zake Maurice Meesters. Huizenbezitters hebben steeds minder aan de hypotheekrenteaftrek vanwege de lage rente en de snel dalende aftrektarieven. Zo kiezen steeds meer mensen om geen gebruik te maken van de renteaftrek, zij nemen een aflossingsvrije hypotheek en hebben dan toch nog lagere maandlasten. Wij begrijpen dat ook veel ouderen tegenwoordig (weer) kiezen voor aflossingsvrij? De maandlasten zijn veel lager en de aftrek doet er niet zo veel meer toe. Immers, op 60jarige leeftijd heeft dertig jaar aflossen ook niet veel zin. Zolang de rente laag blijft, zullen aflossingsvrije hypotheken ook aantrekkelijker worden. Dit botst tegen de campagne ‘aflossingsblij’ die de overheid voert. Met deze campagne probeert de overheid mensen te stimuleren om de aflossingsvrije hypotheek af te betalen zodat ze niet op de einddatum van hun hypotheek in de problemen komen.

Klinkt op zich goed, zo’n bezorgde overheid Het is inderdaad goed dat mensen zich bewust zijn van de gevolgen van het afsluiten van een aflossingsvrije hypotheek. Mensen die bijvoorbeeld te weinig pensioen hebben opgebouwd of te weinig reserves hebben om de aflossingsvrije hypotheek te blijven betalen, moeten goed nadenken over de consequenties. Kun je dan uiteindelijk beter voor een aflossingsvrije- of een annuïteitenhypotheek kiezen? Dat is geheel afhankelijk van de wensen en de persoonlijke financiële situatie van de betrokkene. Ik kijk hier met graag samen naar met de klant, opdat alle voor- en nadelen overzichtelijk op een rijtje kunnen worden gezet. Samen kijken we dan welke hypotheek het beste bij de persoonlijke situatie en wensen past, voor nu en in de toekomst.


Belgische fiscus mag buitenlands onroerend goed niet langer nadeliger behandelen Het Hof van Justitie van de EU heeft België veroordeeld tot een boete en een dwangsom, omdat het inkomsten uit onroerende goederen gunstiger belast wanneer het goed in België is gelegen dan wanneer het gaat om een onroerend goed in een ander EU-land (zaak C-842/19). Voor in België gelegen onroerende goederen wordt de belasting doorgaans berekend op basis van het kadastraal inkomen van het pand. Buitenlandse onroerende goederen worden evenwel belast op basis van de reëel ontvangen huur of op een geraamde bruto huurwaarde. Dat heeft tot gevolg dat de aan te geven fiscale waarde van buitenlandse onroerende goederen vaak veel hoger wordt ingeschat in vergelijking tot de Belgische. Al enige jaren zijn er dan ook discussies aan de gang over dit onderscheid. Een eerste maal oordeelde het Hof van Justitie van de EU op 19 september 2014, dat de Belgische wetgeving in strijd was met het Unierecht. Daarop heeft de Belgische fiscus op 29 juni 2016 het onderscheid enigszins gemilderd middels een administratieve circulaire. De nieuwe fiscale zienswijze was evenwel onvoldoende om de kwestie van ongelijke behandeling ten gronde weg te werken. Op 12 april 2018 werd België dan een twee maal veroordeeld door het Hof van Justitie van de EU.

Toch liet de Belgische wetgever alles bij het oude, al is dit misschien niet geheel onbegrijpelijk. Immers niet alle buitenlanden kennen immers een stelsel van kadastraal inkomen, zoals dat in België van toepassing is. Zo kent bijvoorbeeld Nederland een systeem van WOZ-waarden, waaruit het niet evident is een kadastrale waarde af te leiden. Eventueel komt het Nederlandse eigenwoningforfait nog het dichtst in de buurt. Een andere mogelijkheid zou zijn dat België ook het systeem van kadastrale inkomens voor tweede verblijven vervangt door een stelsel van ‘onroerende vermogenswaarde’. Dat zou dan weleens ongunstig kunnen uitpakken voor wie in België een tweede woning bezit, maar anderzijds niet ondenkbaar nu de Belgische schatkist wellicht een opsteker kan gebruiken. Wat er ook van zij, op 12 november 2020 werd België opnieuw veroordeeld door het Hof van Justitie van de EU, op grond van een door de Europese Commissie ingeleide inbreukprocedure. België werd nu veroordeeld tot betaling van een boete van tenminste 2 miljoen euro en een dwangsom van 7.500 euro per dag dat de wetgeving niet wordt aangepast. En zo blijft België helaas behoren tot de slechtste Europese leerlingen van de klas, waar het gaat haar wetgeving Europaproof te maken. De houding van België valt dan ook in vele dossiers te betreuren.


Belgisch huis weer 5,5 procent duurder in 2020 De Belgische vastgoedprijzen blijven ook in 2020 flink doorstijgen. Gemiddeld kost een huis in BelgiĂŤ volgens de notarisbarometer in het derde kwartaal van 2020 ruim 303.000 euro. Dat is ruim 5,5 procent meer dan in het derde kwartaal van 2019. De verklaring ligt bij de enorme vraag naar vastgoed en vooral naar grotere huizen die hoger geprijsd zijn. Volgens kenners zal de markt de komende maanden mogelijk wel een beetje bekoelen, al was dat ook vorig jaar al de verwachting.

Nederland schrapt overdrachtsbelasting voor starters op de woningmarkt Het Nederlandse kabinet schrapt de overdrachtsbelasting voor jonge, eerste kopers van een woning. Op dit moment betalen huizenkopers in Nederland nog een overdrachtsbelasting van 2 procent over de waarde van de woning. Wie tussen de 18 en 35 jaar oud is en voor het eerst een eigen woning koopt, wordt voortaan evenwel vrijgesteld van de overdrachtsbelasting. De maatregel moet het vooral makkelijker maken voor jongeren om een eerste woning te kopen. Dat werd de afgelopen jaren steeds moeilijker als gevolg van de snel stijgende huizenprijzen. Om het voordeel ten opzichte van beleggende huizenkopers te vergroten, verhoogt het kabinet daarentegen de overdrachtsbelasting voor hen wĂŠl. Voor kopers die meerdere woningen bezitten, wordt het tarief opgetrokken van 2 naar 8 procent. Dat zou ook gaan gelden voor mensen die een tweede huis willen kopen, of een huis voor hun kind.

Nederlandse Koopwoningen ruim 8 procent duurder Bestaande koopwoningen waren in het derde kwartaal van 2020 ruim 8 procent duurder dan in het derde kwartaal van 2019. Dat is de grootste prijsstijging in ruim anderhalf jaar. Dit blijkt uit onderzoek naar de prijsontwikkeling van bestaande particuliere koopwoningen in Nederland van het CBS en het Kadaster. Na een piek in augustus 2008 daalden de prijzen van koopwoningen en in juni 2013 werd een dieptepunt bereikt. Sindsdien is er sprake van een stijgende trend. In mei 2018 was de prijsindex bestaande koopwoningen voor het eerst hoger dan het recordniveau in augustus 2008. In augustus 2020 bereikte de index het hoogste niveau ooit. Vergeleken met het dal in juni 2013 lagen de prijzen in augustus 51 procent hoger.

Het Kadaster maakte bekend dat in de eerste acht maanden van 2020 in totaal 148.107 woningen wisselden van eigenaar, ruim 5 procent meer dan in dezelfde periode van 2019


Stemt uw beleggingsportefeuille overeen met uw unieke behoeften?

Luc Jansen ljansen@purecapital.eu

In Nederland en België kon je er de afgelopen jaren nog moeilijk omheen, waar banken in het verleden allerhande financiële diensten verrichtten en de focus nadrukkelijk lag op het verstrekken van onder meer hypotheken, lijkt de focus zich steeds meer te verplaatsen in de richting van private banking en vermogensbeheer. Of uw bank u in die zin steeds onpartijdig adviseert is evenwel niet steeds helder. Een goede planning maken om op lange termijn je financiële doelstellingen te halen is altijd verstandig. Sommige beleggers volgen zelf de markten en evoluties op de voet, anderen doen beroep op professionals om een beleggingsstrategie op te stellen. Een van die professionals is Luc Jansen die voor de Luxemburgse vermogensbeheerder Pure Capital werkt. Hij licht voor ons meer dan een tipje van de sluier. Vooreerst zijn we bij Pure Capital van mening dat beleggen een lange-termijnhorizon vereist. Een sterke vertrouwensrelatie tussen beheerder en cliënt is van cruciaal belang. De cliënt verwacht dan ook advies dat het best aansluit bij zijn eigen situatie. In een periode waarin de meeste financiële spelers kiezen voor standaardisering, gaan wij voor een persoonlijke aanpak op maat. Ik begrijp dat dat wellicht een woordje uitleg vereist. Welnu, in de wereld van vermogensbeheer kennen we enerzijds de zogenaamde productverkopers en anderzijds degenen die zich engageren om voor de klanten de beste oplossingen aan te bieden na een zorgvuldige selectie uit het volledige beleggersuniversum. Wie zich uitsluitend richt op het verkopen van producten uit het gamma van de eigen bank is wat ons betreft de facto niet volledig onafhankelijk en wordt als vanzelfsprekend beperkt in het streven naar een optimaal resultaat

binnen het door leggingsprofiel.

de

klant

bepaalde

be-

Deze onafhankelijkheid betekent ook dat de klant zelf de keuze kan maken bij welke depotbank hij zijn effecten en cash wenst te plaatsen. Deze keuzevrijheid gekoppeld aan de open architectuur zorgt voor gelijklopende belangen tussen de cliënt en de beheerder.


Sommige cliënten opteren ervoor om hun beleggingen te investeren volgens bepaalde waarden of thema’s. Wanneer dit het geval is, gaan wij als beheerder mee in hun verhaal door bepaalde oplossingen op maat voor te stellen. Ons Asset Management team staat klaar om bijna 30 adviseurs, waaronder mijzelf, te ondersteunen in hun relatie met de klanten. Verder speelt transparantie een heel grote rol, zo worden de distributievergoedingen, ook retrocessies genoemd, rechtstreeks aan de cliënten teruggestort door de depotbank. Deze manier van werken zorgt ervoor dat ik mij bij Pure Capital elke dag gesteund voel om tot het uiterste te gaan voor mijn klanten. Het aanbieden van toegevoegde waarde is hetgeen waaruit ik het meeste voldoening haal.

Pure Capital is een Belgisch-Luxemburgse vermogensbeheerder, opgericht in 2010 door vijf ervaren professionals uit de financiële sector. Het bedrijf is actief in wealth management of de analyse, advies en beheer van privé-tegoeden; asset management of het collectieve beheer van activa via beleggingsfondsen en management company services, waarbij gezorgd wordt voor structurering en administratie van Luxemburgse beleggingsfondsen voor derden. Pure Capital is een vermogensspecialist voor particulieren en ondernemers die, in tegenstelling tot vele banken en andere financiële instellingen, twee grote troeven aanbiedt: volledige onafhankelijkheid en maatwerk voor de cliënten. Het heeft momenteel meer dan één miljard euro aan activa onder beheer.

Verdere prijsstijging Nederlandse woningen verwacht Nederlands minister van Financiën Wopke Hoekstra (CDA) wil de leennormen voor huizenkopers in 2021 voor de vijfde keer in zes jaar tijd verruimen. De Nederlandsche Bank verwacht dat de extra leencapaciteit van huizenkopers zich zal vertalen in hogere huizenprijzen. Na de kredietcrisis van 2008 nam de Nederlandse woningmarkt een duikvlucht. Ruim een derde van de woningbezitters kwam ‘onder water’ te staan, dit betekent dat hun hypotheek hoger was dan de waarde van de woning. Het Nederlandse kabinet vond dit onwenselijk en beperkte de ‘leenruimte’ van huizenkopers. Sinds 2013 stijgen de Nederlandse huizenprijzen weer, in sommige regio’s zelfs sterk. Ze liggen inmiddels boven de vorige piek in augustus 2008. In combinatie met de aangescherpte leennormen brengt dit de betaalbaarheid in het gedrang. Dit is vooral een probleem voor starters, die de prijsstijging niet kunnen opvangen met de meegestegen overwaarde van hun vorige woning. Jonge huizenkopers moeten een steeds groter beginkapitaal bijeen sparen om hun eerste woning te kunnen kopen. Die drempel blijkt voor velen te hoog. Minister van Financiën Wopke Hoekstra wil daarom de hypotheeknormen voor tweeverdieners en mensen met studieschulden verruimen. Daarmee volgt hij het advies van het Nibud. Het budgetinstituut vindt dat het inkomen van de minst verdienende partner voortaan voor 90 procent mag meetellen bij het bepalen van de maximale hypotheek. In 2020 is dat 80 procent, in 2019 was het 70 procent, in 2017 was het 60 procent. Tot 2012 telde het tweede inkomen helemaal niet mee. Het Nibud rechtvaardigt deze versoepelingen met een verwijzing naar de groeiende belastingvoordelen die tweeverdieners genieten ten opzichte van kostwinners. Los van beleidswijzigingen kunnen Nederlandse huizenkopers sinds 2014 toch al steeds meer lenen. Dit met dank aan de gedaalde hypotheekrente en de gestegen cao-lonen. Als de rente daalt kan iemand met hetzelfde inkomen een hogere hypotheek ‘dragen’.


In Nederland wonende grensarbeider en leaseauto in de zin van een cafetariaplan bij een Belgische werkgever Steeds meer Belgische werkgevers bieden een zogenaamde cafetariaplanregeling aan hun werknemers aan. Medewerkers kunnen daartoe brutoloon inruilen tegen bepaalde voordelen. Hieraan zijn evenwel ook aandachtspunten verbonden, zeker wanneer de werknemer zijn RSZ-plichtige jaarloon door loonruil ziet dalen beneden de loongrens voor opbouw van wettelijke pensioen- en andere socialeverzekeringsrechten. Een cafetariaplan kan betrekking hebben op diverse verzekeringsrechtelijke componenten, maar pakweg ook op (elektrische) fietsen, (elektrische) auto’s, laptops, smartphones of tablets. Met name het mobiliteitsluik roept vragen op bij in Nederland wonende en in België werkende grensarbeiders. Immers stelt zich de vraag of voor een kentekenplichtig vervoermiddel, wel in de woonstaat Nederland gebruik kan worden gemaakt van de openbare weg. Botst een auto die niet ‘zakelijk’ beschikbaar wordt gesteld door de werkgever, maar louter wordt ingezet voor woon-werkverkeer en privé gebruik, immers niet op Nederlandse fiscale grenzen? Moet hier niet verplicht op Nederlands kenteken worden gereden? Hoe zit het dan met de verzekering van het vervoermiddel? Kan voor een niet zakelijk beschikbaar gestelde auto in Nederland wél een bpm-vrijstellingsvergunning worden verkregen? Welnu, er kan wel degelijk door een inwoner van Nederland die een auto leaset via een cafetariaplanregeling van zijn Belgische werkgever, op Belgisch kenteken worden gereden. Wél geldt dat de leasetermijn de maximale grens van 48 maanden niet mag overschrijden. De betreffende regeling is neergelegd in de artikelen 14b Wet bpm, 4c Uitvoeringsbesluit bpm en 8da Uitvoeringsregeling bpm. De regeling komt er kort gesteld op neer dat wanneer een inwoner van Nederland een auto in een andere lidstaat van de EU- of EER-staat huurt of leaset voor de maximale duur van 48 maanden, hij in Nederland de bpm verschuldigd is naar tijdsevenredigheid. Die bpm wordt dan verschuldigd over de huur/ lease periode. Bij de aangifte bpm wordt gelijktijdig een verzoek tot teruggaaf gedaan waarbij dan verrekening plaatsvindt. Aandacht vereist overigens ook dat voor zover een auto via een cafetariaplan van een Belgische werkgever, die in België een gunstig fiscaal effect sorteert, wordt geleased door een in Nederland wonende grensarbeider, fiscale consequenties aan de orde kunnen komen in de zin van de Nederlandse compensatieregeling(en) van artikel 27 van het Nederlands-Belgisch dubbelbelastingverdrag. Immers, bij de omrekening van het fiscale loon, zal dit wellicht kunnen leiden tot een gewijzigd fictief Nederlands loon, waardoor de compensatieregelingen aangetast kunnen worden.


HET ZUIDEN __________________


Nederlands gepensioneerde is buitenlandbijdrage verschuldigd voor in Spanje wonende gezinsleden In een recente uitspraak heeft de Nederlandse Centrale Raad van Beroep geoordeeld dat een Nederlands gepensioneerde die in Spanje woont, een buitenlandbijdrage in de zin van de nominale bijdrage voor de Zorgverzekeringswet is verschuldigd voor zijn in Spanje wonende gezinsleden.

Het CAK heeft de gezinsleden van de man terecht aangemerkt als verdragsgerechtigde gezinsleden in de zin van art. 29 van Vo. 1408/71 EU en art. 26 van Vo. 883/04 EU voor de periode van 29 september 2006 tot en met 27 maart 2012. De rechtbank verwijst daarbij naar de stukken, waaruit blijkt dat de gezinsleden in die

periode waren ingeschreven als afhankelijk gezinslid. Niet van belang is dat de gezinsleden daarnaast ook Spaanse ziektekostenverzekeringen hadden en dat zij zich voor verstrekkingen altijd hebben gewend tot de Spaanse zorgverzekeraar. Verder merkt de rechtbank nog op dat Vo. 1408/71 EU en Vo. 883/04 EU nu juist regelen dat in een situatie als deze, gezinsleden van een pensioengerechtigde in hun woonland aanspraak kunnen maken op verstrekkingen ten laste van de lidstaat die het pensioen verschuldigd is, en dat hiervoor een buitenlandbijdrage kan worden geheven.



Tekst pensioenartikel Nederlands-Portugees dubbelbelastingverdrag niet eenduidig In de vorige editie van het Belgium-Holland magazine besteedden we al aandacht aan het gegeven dat de Nederlandse fiscus jacht maakt op pensionado’s in Portugal. Onduidelijk was immers of Nederland dan wel Portugal het recht heeft inkomstenbelasting te heffen over een Nederlandse AOW- of pensioenuitkering van een naar Portugal geëmigreerde Nederlander. Rechtbank Zeeland-West-Brabant stelde in een lopende procedure dan ook prejudiciële vragen over het pensioenartikel (art. 18 lid 2) van het Nederlands-Portugese dubbelbelastingverdrag. De procedure handelt over een belanghebbende die een Nederlandse AOW-uitkering ontvangt en in 2016 emigreert naar Portugal. In verband met een wetswijziging ten aanzien van de loonheffingskorting, ontvangt belanghebbende bericht van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) dat vanaf 1 januari 2019 weer Nederlandse loonbelasting op de AOW-uitkering wordt ingehouden. Belanghebbende maakt evenwel bezwaar tegen de inhouding van loonbelasting op zijn AOW-uitkering door de Svb. Volgens belanghebbende staat het eerste lid van art. 18 van het Nederlands-Portugese dubbelbelastingverdrag er immers aan in de weg dat Nederland de AOW-uitkering belast. Volgens de inspecteur van de Nederlandse belastingdienst is Nederland echter heffingsbevoegd op grond van het tweede lid van art. 18 van het dubbelbelastingverdrag. Er ontstaat derhalve een geschil omtrent de interpretatie van het art. 18 lid 2 van het dubbelbelastingverdrag. De inspecteur stelt dat voor sociale zekerheidsuitkeringen alleen onderdeel c van toepassing is. Belanghebbende stelt dat sprake is van cumulatieve voorwaarden en dat naast onderdeel c ook de onderdelen a en b getoetst moeten worden. Rechtbank Zeeland-West-Brabant stelt daarom drie prejudiciële vragen aan de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelt nu (16 november 2020) dat de tekst van art. 18 lid 2 van het dub-

belbelastingverdrag helaas niet eenduidig is. De aanhef ervan suggereert dat de daarna volgende drie voorwaarden gelden voor elk van de in de aanhef bedoelde drie categorieën van inkomsten. Deze suggestie wordt versterkt door het gebruik van het voegwoord ‘en’ aan het slot van de letters a en b. Daar tegenover staat dat de tekst van de letters a en b wel een herhaling bevat van de in de aanhef gebruikte woorden ‘pensioen of andere soortgelijke beloning of lijfrente’, maar niet van de woorden ‘ieder pensioen en andere uitkering betaald krachtens de bepalingen van een sociale zekerheidsstelsel van een Verdragsluitende Staat’. Deze omstandigheid wekt de indruk dat de voorwaarden genoemd onder a en b niet gelden voor laatstbedoelde pensioenen en andere uitkeringen uit sociale zekerheid. Doorslaggevend kan dit laatste echter niet zijn omdat de letters a en b reppen van ‘dit pensioen’, hetgeen zou kunnen betekenen dat de opstellers van het Verdrag daarmee omwille van de bondigheid van de tekst hebben willen verwijzen naar beide in de aanhef als pensioen aangeduide inkomensvormen. Tegen deze lezing pleit dat in de Nederlandse tekst de ene categorie wordt aangeduid als ‘pensioen of andere soortgelijke beloning’ en de andere als ‘pensioen en andere uitkering’. Daardoor lijkt minder voor de hand te liggen dat de opstellers van het Verdrag beide categorieën zouden hebben willen vatten onder de term ‘dit pensioen. In de Portugese tekst worden de beide categorieën echter aangeduid als ‘pensões ou outras remunerações, hetgeen in die tekst de indruk versterkt dat de verwijzingen in de letters a en b naar ‘essa pensão’ mede betrekking hebben op de derde in de aanhef aangewezen categorie, te weten de sociale zekerheidspensi-


oenen en – uitkeringen. Daar tegenover staat weer dat in de, eveneens authentieke, Engelse tekst net als in de Nederlandse tekst verschillende aanduidingen worden gehanteerd voor beide categorieën, te weten ‘pensions and other similar renumerations’ en ‘pension and other payment’. Opmerking verdient dat de slotclausule van het dubbelbelastingverdrag, inhoudende dat de Engelse tekst beslissend is ingeval van een verschil in interpretatie tussen de Nederlandse en de Portugese tekst, niet eraan in de weg staat, dat de rechter in een geval als dit, waarin onzekerheid bestaat over de juiste interpretatie van de Nederlandse en Engelse tekst, aanwijzingen voor die interpretatie ontleent aan de Portugese tekst. In dat geval is er immers nog geen verschil in interpretatie in de zin van die slotclausule. De context van het dubbelbelastingverdrag biedt volgens de Hoge Raad evenmin helderheid over de juiste uitleg van artikel 18, lid 2. De Nota van Toelichting, biedt evenmin handvat voor de beantwoording van de vraag welke betekenis moet worden toegekend aan het ontbreken in de letters a en b van artikel 18, lid 2, van de woorden ‘ieder pensioen en andere uitkering betaald krachtens de bepalingen van een sociale zekerheidsstelsel van een Verdragsluitende Staat’. Wel blijkt uit deze nota dat Nederland vanwege de ‘onwrikbare opstelling’ van Portugal op dit punt, erin heeft berust dat – in afwijking van het Nederlandse verdragsbeleid – als

uitgangspunt geldt dat pensioenen en uitkeringen uit sociale zekerheid ter heffing zijn toegewezen aan de woonstaat. Dit uitgangspunt is als hoofdregel verankerd in het eerste lid van artikel 18 van het dubbelbelastingverdrag. Lid 2 van artikel 18 van het dubbelbelastingverdrag, dat onder omstandigheden de bronstaat ook heffingsrechten verleent, vormt op die hoofdregel een uitzondering. Het ligt in de rede dat een uitzondering op die hoofdregel nauwkeurig wordt geformuleerd en alleen wordt geschreven voor de gevallen die bij een strikte lezing van de uitzonderingsbepaling onder de werkingssfeer ervan kunnen worden gebracht. Dit pleit voor de veronderstelling dat als de verdragsluitende partijen hadden gewild dat enkele voorwaarden voor toepassing van de uitzondering van artikel 18, lid 2, niet zouden gelden voor één van de categorieën waarvoor die uitzondering is bedoeld, zulks uitdrukkelijk en ondubbelzinnig in de tekst van het dubbelbelastingverdrag of in de toelichtende nota tot uitdrukking zou zijn gebracht. Dat is echter niet het geval. Ofschoon in deze casus het pleit lijkt beslecht in het voordeel van de belastingplichtige, blijft onduidelijk hoe met andere gevallen zal worden omgegaan, nu Portugal het heffingsrecht lijkt te hebben, maar de pensioeninkomsten uit Nederland niet tot nauwelijks daadwerkelijk belast in Portugal. Het blijft met andere woorden een doorn in het oog van Nederland als verdragspartner. Wordt dus ongetwijfeld nog vervolgd.


Nederbelgische globetrotters toveren Andalusische woning om tot hun Villa Pepita Emigreren van Nederland naar België, of precies andersom, is als het ware dagelijkse kost geworden. De grenzen tussen beide landen vervagen met de jaren steeds meer. En hoewel er best nog heel wat op je afkomt bij zo’n relatief beperkte emigratiestap, valt de hele organisatie en administratieve afwikkeling voor de meesten die de stap zetten, toch nog best wel tegen. Maar wat dan gezegd van die Nederlanders en Belgen die zich niet nét over de grens van hun geboorteland vestigen, maar het heel wat verderop gaan zoeken? Wij zochten daarom contact met meerdere van deze échte emigranten én polsten nieuwsgierig naar hun belevingen. Voor deze editie ontdekte de redactie de sfeervolle Andalusische vakantievilla ‘Villa Pepita’ van Nederbelgen Mike en Simone. Mike en Simone komen uit Nederland maar wonen en werken al jaren in Antwerpen, waar Mike inmiddels ruim 26 jaar eigenaar/manager is van het in de oude binnenstad gevestigde restaurant ‘De Peerdestal’. Mike genoot zijn opleiding aan de hotelschool in Heerlen. Simone studeerde toerisme, maar werkte in België, voordat ze de administratieve taken bij ‘De Peerdestal’ verzorgde, als directiesecretaresse bij diverse grote bedrijven. Gaandeweg merken we dat beiden, benevens harde werkers, ook échte levensgenieters zijn, die al een tijdje bezig waren met hun zoektocht naar een fijn huis in hun geliefde streek ‘Axarquía’ in Zuid-Spanje. In eerste instantie om er zelf een paar weken per jaar hun vakanties door te brengen, maar inmiddels ook opengesteld voor vakantieverhuur. Eigenlijk hadden we de moed al bijna opgegeven toen we deze idyllisch gelegen woning ontdekten tussen Riogordo en Comares. We werden op slag verliefd op de prachtige plek en zagen ook snel het potentieel. En, omdat je zo’n kans niet mag laten schieten, besloten we best wel snel om tot de aankoop over te gaan. We zijn er écht gelukkig mee, nu we de woning op relatief korte termijn hebben kunnen omtoveren tot een, naar onze bescheiden mening, sfeervolle vakantievilla. We begrijpen dat de woning tien jaar geleden werd gebouwd in opdracht van de burgemeester van Comares, maar dat het huis nooit helemaal afgewerkt werd en al die jaren onbewoond bleef.


Eigenlijk niet te geloven, maar ja, de economische crisis ging nogal stevig tekeer in deze regio, waardoor wellicht de middelen ontbraken. Omdat deze woning helemaal zou kunnen schitteren, besloten we dan ook meteen op zoek te gaan naar de betere vaklieden uit de buurt om de werken uit te voeren. Het werd al bij al een behoorlijk drastische renovatie, waarbij we ervoor hebben geopteerd uitsluitend gebruik te maken van materialen en bouwmethoden uit de streek. Bij aankomst vallen inderdaad onder meer de tegels van het terras, de typisch Spaanse opgebouwde muurtjes én de Zuid-Spaanse ‘rejas’ voor de ramen, meteen op. Wij vonden het belangrijk dat de woning haar typisch Andalusische stijl, waar we zelf ontzettend van houden, behield. Wél voegden we er een persoonlijke ‘touch’ aan toe, door Marokkaanse en vintage elementen te integreren in het geheel.

Weer buiten ontdekken we het heerlijke, ruime zwembad. Ook hier liet Simone, die inmiddels als professional renovatieprojecten in Spanje begeleidt, haar aangeboren passie voor ‘stijl’ de vrije loop, getuige de uitnodigende zonnebedden, loungebanken en parasols, keurig passend in het prachtige decor van het hinterland. De middagzon knipt amper een oogje dicht, zodat we snel beslissen wat schaduw op te zoeken. De zon is hier zowat 300 dagen per jaar van de partij. Om in de warmste maanden van het heerlijke buitenleven te kunnen genieten, lieten we overdekte buitenterrassen aanleggen met voldoende lounge- en eetmogelijkheden, zodat er ook in hartje zomer, wanneer de temperatuur al snel kan oplopen tot zo’n 35°C, aangenaam buiten vertoefd kan worden.


Later op dag kunnen we, bij het nuttigen van een prima glaasje Spaanse wijn, niet anders dan bedenken dat dit werkelijk een paradijsje op aarde is geworden. De Nederlandse sterrenkok Leon Winthaegen (De Boterbloem in Heerlen), die inmiddels even verderop in de campo eigenaar is van de Bed & Breakfast ‘Casa la Quinta’, verwent ons bovendien met plezier met een heerlijk diner aan huis. Gecombineerd met het spectaculaire uitzicht over het groene berglandschap, van op het terras horen we het kabbelen van het riviertje ‘Rio de Las Cuevas’ en ruiken we de citroenen en sinaasappelen die aan de oever van de rivier welig groeien, kan deze avond niet meer stuk.

Heerlijk toch! Zowel overdag als s’avonds is het hier werkelijk muisstil en genieten we van de privacy. Elke dag zien we de plaatselijke herder voorbijtrekken, die zijn geitjes op de naburige weiden laat grazen. En vanaf de terrassen is het volop genieten van het prachtige uitzicht op ‘La Maroma’, de hoogste top van de Sierra de Tejeda en de provincie Málaga. Het beklimmen van deze top is overigens een populaire activiteit onder de Malagueños, met als beloning vergezichten over de Sierra de Tejeda tot aan de Middellandse Zee. Tja, het moet gezegd, genieten is hier zonder meer een understatement. Het is hier dat Mike en Simone hun ‘pepita’ – wat zaadje betekent in het Spaans – hebben gepland, om benevens zelf volop te genieten, ongetwijfeld ook nog vele gasten uit België en Nederland te ontvangen.

Meer info over Villa Pepita kan je vinden op www.villapepita.eu en over de renovatie- en projectbegeleiding op www.studiointerior.eu


Belgen en Nederlanders rijden steeds vaker in Spaanse trams De Vlaamse Vervoersmaatschappij De Lijn en de Nederlandse Regiotram Utrecht hebben respectievelijk 17 en 5 nieuwe trams besteld bij de Spaanse trambouwer Construcciones y Auxiliar de Ferrocarriles (CAF). Langs de Belgische kust rijden actueel al 48 Spaanse trams en Regiotram Utrecht had al een bestelling van 49 trams lopen. Bovendien rijden nu al meerdere Spaanse trams op de Nederlandse Uithoflijn.



EVENTS & KALENDER __________________


KALENDER

(onder vo

Warme wintertips voor donkere maanden Eindelijk mogen we ons volop in wintersfeer wentelen: met lichtjes, dikke sjaals en gezellige uitstapjes wordt december de warmste maand van het jaar. Dit jaar helaas geen winterdorpen en lichtfestivals. Toch halen enkele steden en gemeenten alles uit de kast om hun straten te laten baden in een sprookjesachtige wintersfeer. U kan meer info terugvinden op www.uitinvlaanderen.be

100 x Congo Nog tot zondag 28 maart 2021 MAS Antwerpen Precies honderd jaar geleden werd de stad Antwerpen, in volle koloniale tijd, eigenaar van een Congolese collectie.'100 x Congo' zet honderd blikvangers in de kijker. Welke verhalen schuilen er achter de objecten? Hoe zijn ze hier beland? Wat was hun betekenis voor Congolese volken? En waar ligt de toekomst van de collectie?

Destination Sweetheart Nog tot zondag 30 mei 2021 Red Star Line Museum Antwerpen In ‘Destination Sweetheart’ volg je een handvol liefdesmigranten. Je luistert er naar ontboezemingen en je laat je meevoeren door verhalen en objecten. Soms confronterend en schokkend, vaak ontroerend en intiem. Want de liefde gaat meestal niet zonder slag of stoot.


R & EVENTS

oorbehoud)

Dag van de Douane 31 januari 2021 Belasting en Douane Museum Rotterdam Grijp je kans en kom naar het museum deze zondag... want deze dag wordt jij verrast met heel veel douaneweetjes. Gegarandeerd een leerijke en informatieve familiedag.

Vlaams Cultuurhuis De Brakke Grond Voorjaar 2021 Het Vlaams cultuurhuis in Nederland de Brakke Grond, heeft ook weer een boeiend programma samengesteld voor het voorjaar 2021. De programmatie is ook hier vanzelfsprekend onder voorbehoud, rekening houdend met de eventueel nog op te leggen maatregelen in het kader van de Covid-19-pandemie

Social Media Route Nog tot 31 december 2021 Knokke Knokke-Heist ontwierp drie wandel- en fietsroutes, elk gebaseerd op een ander social mediaplatform. Zo toont de Instagram-route je de meest fotogenieke plekjes, neemt de TikTok-route je mee op een avontuurlijke tocht met allerlei ‘challenges’ en gaat de LinkedIn-route dieper in op het rijke ondernemersverleden en -heden van Knokke-Heist.


NEDERLANDS-BELGISCH CENTRUM

Nederlands-Belgisch Centrum Larikslaan 1 B -2950 Kapellen Tel. +32 (0)3-295 55 95 info@nederlands-belgisch-centrum.be www.nederlands-belgisch-centrum.be


Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.