't Polleken van juni 2021

Page 1

Ledenblad van

België – Belgique

KONINKLIJKE

P.B. – B.P.

IMKERSGILDE

1840 Londerzeel

NEERBRABANT

BC25171

Verschijnt 5x per jaar: jan/feb. – mrt/april – mei/juni – sept/oct – nov/dec. Afgiftekantoor 1840 Londerzeel Erkenningsnr. P509236 Afzender: Jef Beuckelaers, Sneppelaar 4, 1840 Londerzeel Tel: 0479/51 46 04 e-mail: info@imkersgildeneerbrabant.be 21ste jaargang, nummer 3, mei – jun 2021

Zwerm op paal

KONINKLIJKE IMKERSGILDE NEERBRABANT


Secretariaat:

Imkersgilde Neerbrabant, Eeckhout 39, 1840 Londerzeel Tel: 0479/51 46 04 E-mail: secretariaat@imkersgildeneerbrabant.be Rekeningnummer: BE55 9731 4593 7544

Bestuur: Voorzitter:

Jef Beuckelaers, Sneppelaar 4, 1840 Londerzeel Tel: 0479/51 46 04 E-mail: mex.b.j.snep@gmail.com

Secretaris, penningmeester:

Ria De Donder, Eeckhout 39, 1840 Londerzeel

Ledenadministratie:

Tel: 0473/48 26 13 E-mail: ria.dedonder@telenet.be

Bestuursleden:

Marc De Bont Tom De Pauw

Redactie:

Jef Beuckelaers

Lay-out:

Rudi Moeyersons

Opleidingsteam:

Jef Beuckelaers, Marc De Bont,

Bijenweide:

Marc De Bont

Webbeheer:

Marnik De Bont

Onze website:

www.imkersgildeneerbrabant.be

Tel: 0477/23 33 02 Tel: 0479/60 79 53

In de kijker MAAI MEI NIET Zie pagina 55 50


Woordje van de voorzitter, Met dit ’t Polleken sluiten we de eerste helft van het kalenderjaar af. Het jaar heeft zich vrij koud ingezet en gehandhaafd en hier en daar was er toch wintersterfte tussen de bijenvolken. Een gildewerking is er niet, en op de vragen wanneer we de aangekondigde beginnerscursus laten doorgaan moeten we ontwijkend antwoorden en zeggen dat er mogelijks in het najaar een lichtpunt te zien is – we lezen het wel in het september nummer. We kunnen het ons niet veroorloven om imkers op te leiden en ondertussen de Corona plaag verspreiden. We zijn beter met een ongeschoolde bieboer dan met een dode imker! Ondertussen doen we ons best om in ’t Polleken items te brengen voor de beginnende imker maar die ook wel interessant zijn voor de meer ervaren imkers van de gilde. We brengen af en toe teksten uit oude geschriften als informatie, waarbij de soms achterhaalde wetenschap ons de kans geeft om na te denken over het evolueren van dingen, kennis, en levende organismen. In een eerder ‘t Polleken vermeldde ik al, en het is nu zeker nog zo, dat door het stilleggen van activiteiten het niet eenvoudig is om zowel een woordje als andere teksten op te stellen – graag enige ondersteuning! Ook al is het stil, toch zijn er mensen bezig met het onderzoek bij diverse levensvormen op meerdere gebieden, wat onder de veel vernoemde biodiversiteit thuis hoort, en men propageert om de soorten die in een bepaald milieu ontwikkeld en aangepast zijn daar te houden. Soms vergeet men wel dat het klimaat aan het veranderen is! In onze gebieden, zeg maar België en een stap in de ons omringende landen, denkt 51


men om de zwarte bij – de Nigra , die hier van oorsprong aanwezig was, een kans te moeten geven, ook al is er tegenkanting om meerdere reden. En zoals het dikwijls gebeurt in projectontwikkelingen speelt macht en geld hier ook een rol! Omdat we direct geen cursusaanbod hebben, durf ik toch aanbevelen om over wat er hierboven vermeld staat, aan zelfstudie te doen voor wat betreft de bijenrassen waarbij je u houdt aan wat er hier bij ons nu aanwezig is, met name: de Carnica, de Buckfast en de Nigra. Bekijk de herkomst van de rassen, hun biologische achtergrond en hun geschiktheid om in ons milieu te leven, waarbij ik denk aan lichamelijke kenmerken zoals o.a. de tonglengte van de bijen die belangrijk is bij het bloemenbezoek, als ook de waarde van hun zachtaardigheid om in de steeds drukker wordende samenleving een plaats te hebben. Zodoende bouwen we kennis op om straks met andere imkers zinvol te overleggen over de geboden mogelijkheden die de geleerde biologen en wetenschappers ons zullen aanbieden. Tijdens het zoeken naar materiaal om aan te brengen in ’t Polleken kwam ik enkele data tegen om te vermelden, niet omdat het zo spectaculair is maar misschien kunnen we straks wanneer de Corona-oorlog achter de rug is toch eens een viering of een herdenking opzetten om als vereniging samen te komen. In 1894 werd onze gilde opgericht en in 1912, toen in België wat structuur tot stand kwam in de organisaties van de jonge staat, erkend en in het staatsblad vermeld als “ Bijentelers verbond van Merchtem en Omgeving.” Ondertussen hebben we wel, gezien de wijzigingen in het politieke landschap van ons land een naamswijziging doorgevoerd en noemen we “Imkersgilde Neerbrabant,” waarbij we door een erkenning van de koning de 52


fraaie titel “Koninklijk“ mogen voeren. Onze gilde is dus 127 jaar jong. In den beginne zijn we als beroepsvereniging gestart, er was toen geen andere keuze!, wat we vandaag nog altijd zijn. Ministeriele besluiten doen ons uitzien naar het aanpassen van onze statuten en we moeten overgaan naar het statuut van VZW. Wie daar kennis over heeft mag ons ondersteunen voor de tekstaanpassing. Toen ik merkte dat ik in 1971 mijn eerste zwerm in een korf ontving van Arseen Van Assche uit Londerzeel stelde ik vast dat ik dit jaar al 50 jaar met bijen bezig ben, en verder kijkende zag ik ook dat ik dit jaar in het bestuur van onze gilde al 41 jaar voorzitter ben. ’t Is bijna niet te geloven! Het wordt stilaan tijd dat er jongere en nieuwe heldere krachten komen om onze gilde naar het volgende tijdperk te loodsen! Wie de uitdaging ziet zitten! Wat vroeger een vast agendapunt was ieder voorjaar, waren de overlarfdagen om het kwaliteitniveau van onze koninginnen op peil te houden of te verhogen. Zo zullen we dit jaar, na de Corona onderbrekingen, de mogelijkheid aan de leden aanbieden om 5 larfjes op te halen – we houden wel de coronaregels in het oog – zie de aankondiging hier over verder in ’t Polleken. Het is dit jaar ook 200 jaar geleden dat Napoleon, die heel wat aanpassingen in Europa gedaan heeft, overleden is. Napoleon was de bijen goedgezind, hij liet er zijn mantel mee versieren – kijk verder in ’t Polleken naar een beeltenis er van! We hebben in onze gilde 3 werkgroepen – al is werkgroep wel niet de fraaiste benaming voor de kern van imkers in een bepaalde regio die ter plaatse, onder de vlag van Neerbrabant, sociale en culturele activiteiten ontwikkelen of bijdragen aan het organiseren er van. In de statuten van onze gilde staat er dat we een sociaal culturele vereniging zijn, die zowel de leden als aan 53


particulieren kennis aanreikt over de bijen en over de imkerij! De werkgroep “ Bijenvrienden “ uit Londerzeel deed al een aantal jaren mee aan het samenstellen van de plaatselijke boerenmarkten waar de korte keten verkoop gepromoot wordt. Het gemeentebestuur laat nu weten dat er mogelijk tegen eind van het jaar opnieuw boerenmarkten zullen zijn. We kijken er naar uit om mee te doen en er bij te zijn! In juli en augustus neemt ’t Polleken een verlofpauze en het komt terug in september. Voor de imker is de verlofperiode wel een druk moment met slingeren en honing verzorgen, daarbij de jonge volkjes begeleiden die volgend jaar de productievolken moeten zijn. De imker, met liefde voor het vak, geniet er wel van! Ik wens aan al onze imkers en familieleden een aangename vakantie met veel honing en aangename Coronaloze ontmoetingsmomenten! De voorzitter

Weetjes over bijen: http://www.levendebijen.be https://www.youtube.com/watch?v=YVQrA2VMOd4 http://bestuivers.nl/Publicaties/Bijenplanten

54


MAAI MEI NIET Imkers blij met ongemaaide gazons. De imkers zien hun bijen opmerkelijk veel stuifmeel aanvoeren. Met dank aan een actie om gazons niet te maaien, zeggen ze. Wetenschappers blijven voorzichtig. Anouk Torbeyns, Tom Ysebaert Woensdag 2 juni 2021 om 3.25 uur

Het gras niet maaien leidt tot meer bloemen, en dus tot meer nectar voor de bijen. Anson Lu/belga Philip Duts, Limburgs imker en voorzitter van de Vlaamse imkersbond, deed in een reportage op Radio 1 een opmerkelijke 55


vaststelling. ‘Als ik kijk naar mijn kasten, zie ik dat iedere bij stuifmeel aan haar poten heeft hangen. Voordien kwam 70 tot 80 procent van de bijen binnen met stuifmeel. Nu is dat al 95 procent.’ Tot een kwart meer bijen brengt nu stuifmeel mee, herhaalt Duts tegenover De Standaard. Zijn collega-imker Marc De Bont uit het Vlaams-Brabantse Londerzeel bevestigt de observaties. ‘Ik heb 24 kasten en aan elk daarvan zie ik veel meer stuifmeel dan vorig jaar. Tegelijk merk ik dat er veel minder nectar werd binnengehaald en er dus minder honing was’, zegt De Bont. ‘Dat ligt wellicht aan het koude weer van de afgelopen weken. Al moet ik zeggen dat er na de enkele warme, zonnige dagen die we nu gehad hebben al beterschap zichtbaar is.’ Stuifmeel is minder afhankelijk van het weer dan nectar. Het dient om ‘bijenbrood’ van te maken, om de larven te voeden. Winterslaap We legden de beweringen van de imkers voor aan enkele bijenexperts. Of de bijen meer stuifmeel verzamelen, kan Valérie Villers, educatief imker bij het onderzoekscentrum Honeybee Valley van de UGent, bevestigen noch ontkennen. ‘Wij meten dat niet.’ ‘Sommige wilde, meestal solitaire bijen, bleven dit voorjaar inactief en werden amper waargenomen’ zegt Jens ’Haeseleer Natuurpunt. Jens D’Haeseleer, die voor Natuurpunt met wilde bijen begaan is, kan evenmin veel zeggen over een stuifmeelexplosie. ‘Het was een eigenaardig voorjaar met veel koude en natte dagen, geen goed insectenweer. Sommige wilde, meestal solitaire bijen bleven inactief en werden amper waargenomen. Als er weinig voedsel te vinden is, gaan ze in een soort winterslaap.’ Voor honingbijen is dat geen optie, zij hebben een kolonie te voeden. ‘De nectar die ze binnenhaalden, moesten ze zelf consumeren’, bevestigt De Bont. ‘Ze hadden honger.’ Duts legde het verband met ‘Maai mei niet’, een 56


actie van het weekblad Knack die opriep om je gazon een maand lang niet te maaien en zo meer wilde bloemen en dus voedsel voor de bijen te krijgen. De deelnemers aan Maai mei niet zouden op zowat zesduizend gazons de maaibeurt uitgesteld hebben, waardoor al voor 3,5 miljoen bijen nectar ‘geproduceerd’ zou zijn. Dat lijkt veel, maar is relatief, want één kast telt al ongeveer 60.000 bijen. ‘De imkers zien het effect van die actie al’, maakt Duts zich sterk. Te vroeg gemaaide bermen Dat zo’n actie een verschil kan maken, beaamt Valerie Villers. ‘Hoe meer bloemen, hoe meer voedsel, dat is logisch.’ Ook voor Marc De Bont is de actie meer dan welkom: ‘Alle beetjes helpen. Als er elders niets te rapen valt, zijn de bijen op tuinen aangewezen.’ Met dat ‘elders’ bedoelt hij de bermen, die naar zijn zin veel te vroeg gemaaid worden, en het landbouwgebied, waar nog maar bitter weinig bloemen bloeien. ‘Zonder acties als Maai mei niet was de toestand catastrofaal’, luidt het oordeel van Duts. ‘Mondjesmaat zijn de inspanningen van de jongste jaren ten gunste van de bij aan het lonen. Laten we zeggen dat het niet langer vijf voor twaalf is, maar opnieuw tien voor twaalf.’ Jens D’Haeseleer vindt het nog te vroeg om de impact van de actie te kunnen meten. ‘We zullen de effecten pas volgend jaar of nog later zien, als de bijen meer nakomelingen hebben. Met een actie van één maand zullen we de bijen niet redden. Daarvoor is een lang volgehouden inspanning nodig.’

57


Over Urine en Honing Jef Beuckelaers In een werk over natuurgeneeswijzen van Dr. D. L. Jaris, een Amerikaanse arts uit de staat Vermont, kunnen we over urine en honing lezen. Urine is een uitscheidingsproduct van de beide nieren. Het wordt druppelsgewijs verzameld in het nierbekken en door de urineleider naar de blaas gevoerd. Wanneer deze met ongeveer 400 cc. gevuld is ontstaat de drang om te urineren. Behalve water bevat urine de eindproducten van de eiwitstofwisseling: urinestof, ureum, zouten. Honig wordt door de bijen naar hun nest gebracht waar het door de imker geoogst en verzorgd wordt. Vruchtenazijn, appelazijn en honingazijn bekomt men door de wijn die gemaakt werd van de genoemde producten te laten bezoedelen door de azijnvlieg! Dr. Jaris beveelt als een deel van de gezonde voeding het dagelijks gebruik van honing en appelazijn aan. Wij kunnen van honing een gelijkwaardige azijn maken als de vruchtenazijn. De dagelijkse behoefte bestaat uit 2 theelepels honing en 2 theelepels appelazijn in een glas water te drinken, meermaals per dag, afhankelijk van de lichamelijke belasting door geestelijke of lichamelijke arbeid. Hierover zegt Dr. Jaris “ Het mengsel smaakt naar zoete appelmost en brengt het lichaam in een gezonde conditie, die men kan aflezen in een urine reactie.” De urine van een gezonde mens is zuur en die van een zieke is alkalisch. Zowel zuur als alkalisch kan vastgesteld worden met een lakmoes papiertje. Een lakmoespapiertje dat in urine gehouden wordt zal rood of blauw kleuren. Bij een zuur zal het 58


rood worden en bij alkalisch kleurt het blauw. Een zuurreactiemeting geeft de lichaamstoestand aan. De meting wordt het best gedaan ’s morgens bij het opstaan. In zowel honing als in vruchtenazijn zitten : kalium, fosfor, natrium, calcium, magnesium, zwavel, ijzer, fluor, silicium en sporen van nog vele andere mineralen die nuttig zijn voor ons lichaam. Door de rijkdom van deze voedingsstoffen werken ze helend en preventief bij velerlei ziekten en moeilijkheden van verschillende aard zoals: chronische vermoeidheid, voortdurend hoofdpijn, duizelingen, pijn in de nek en andere. Naargelang de constitutie van het lichaam kan men afwegen of de verhouding appelazijn en honing moet aangepast worden, om met welbehagen van het leven te genieten!

Twee vriendinnen Zegt Marie: Iedere keer als onze Louis van zijn bijen thuiskomt, voelt hij zich 10 jaar jonger! Waarop Margrit antwoordt: Mag onze Gust ook eens een paar keer komen?

59


Overlarf moment Tijdens het afzwakken van de Coronaregels richten we voorzichtig het jaarlijks overlarfmoment in. Op zaterdag 19 juni 2021 vanaf 10 u. tot max. 11 u. kan je 5 larfjes komen afhalen bij ons bestuurslid, Marc de Bont – Eeckhout 39 – 1840 Londerzeel. Doe vooraf een telefoontje of mail om te zeggen dat je komt met vermoedelijk tijdstip: Tel 0477233302, mail : info@imkersgildeneerbrabant.be Deelname in de kosten = € 5 Breng geen dopjes mee, die ontvang je ter plaatse Breng een raam mee waar de dopjes op passen en een vochtige beschermhanddoek tegen het uitdrogen Ofwel een starterskastje met jonge bijen van de dag voordien waar je de dopjes kan inbrengen zonder het te openen. Hou u aan de Coronaregels tijdens de aanschuifpauze !

Over een zwerm in april Jef Beuckelaers Toch heb ik een hele poos gemijmerd over een gepaste titel die ik aan het verhaal zou geven. Het lijkt zo een beetje, of is het helemaal, een beginnersverhaal? Op een middag, in de laatste week van april, 60


merk ik een serieuze zwerm bijen, zoals ze vroeger meermaals voorkwamen, op manshoogte, tegen de stam van een perelaar, in de boomgaard. Er vlogen nog wat bijen rond wat aangeeft dat het om een recente gebeurtenis gaat. Ik bekijk de vliegplanken van de kasten in de bijenhal waar het dartelend gedrag van bijen aan één kast er anders uit ziet dan bij de andere kasten waar de bijen volop katoen geven om het stuifmeel aan hun pootjes binnen te brengen. Het is redelijk lang geleden dat er nog een zwerm geweest is omdat, enerzijds de bijen op mijn stand zwermtraag zijn door het selecteren en anderzijds doordat de werkzaamheden er op gericht zijn om het zwermen te beperken. Er overkwam mij een aangenaam, pril imkersgevoel van uit de tijd dat we nog een bieboerke waren en volop bezig met het leren om een imker te worden. Effekens nadenken,… wat gaan we met die zwerm doen? Eerst hem scheppen, zoals dat noemt, wat wil zeggen alle bijen in een korf borstelen. Heb ik nog een korf? Ja het zal wel want we hebben er ooit nog gevlochten toen we in de gilde korfvlecht cursussen organiseerden die een flinke belangstelling genoten, ze kwamen uit Nederland om te volgen - mannen op klompen. We hebben er toen een instructie boekje over gemaakt. Allee terug naar de zwerm, wat gaan we er mee doen? Het plan was vlug gemaakt. Ik zou de helft van de zwerm, met de koningin, in een kast zetten en de andere helft verdelen over 3 kleine kastjes – 5 ramers. In die kastjes moet een stuifmeelraam, een voederraam en een raam met open broed aanwezig zijn en ik zou er ook nog een brok 61


zelfgemaakte voederdeeg op leggen! Met een schepkorf waarvan de vliegopening met een dodde gras dichtgemaakt werd, een bijenborstel en een volle plantenspuit water begonnen we er aan. Een kapruin is niet nodig want de bijen in een zwerm hebben voor het vertrek zich vol gezogen met honing zodat ze last hebben om hun lichaam te buigen wanneer ze willen steken, ze zijn bijna ongewapend! De bijen werden goed besproeid zodat ze niet willen of niet kunnen, opvliegen. Dan de korf er onder gehouden met de ene hand en met de andere hand de bijen omlaag geborsteld zodat ze in de korf vielen. t’ Was zo gebeurd! De korf werd omgekeerd op de grond gezet met de rand op een stuk tak zodat er inloopruimte voor de komende bijen, want komen doen ze! Tenminste als de koningin in de korf zit. De aprilse grillen waren ook van de partij en een koude regenbui kwam over, hierdoor zaten de bijen spoedig allemaal in de korf terwijl een hagelbui zich aankondigde. Ik had een bijenkast met waswafels klaar gezet en een doek werd voor de vliegplank neergelegd om de zwerm op te gieten. De intentie was om de koningin, die, zoals we dat vroeger meerdere malen gezien hadden, over de bijen loopt wanneer de trek naar het vlieggat begonnen is, er af te plukken. Op deze manier konden we de bijen vrij verdelen over de verschillende kasten en kiezen waar we de koningin zouden in zetten. Zo doende goot ik de korf bijen leeg op het doek en na enkele minuten zette de bijentrek zich in gang, richting vliegopening van de kast. Nu was het opletten geblazen, ik mocht ze niet missen. Wanneer ongeveer de 62


helft van de zwerm in de kast gelopen was had ik de koningin nog niet gezien. Met de borstel veegde ik wat hoopjes bijen bijeen en met een vuilblik schepte ik ze op en schudde ze in een metalen mandje – dergelijke mandjes die af en toe in promotie zijn in een gekend grootwarenhuis zijn ideaal om bijen die uit een kast genomen worden te verplaatsen om er een aflegger mee te maken. Ik was wel verwonderd dat er bijen terug naar buiten , uit de kast kwamen, maar omdat er toch ook naar binnen liepen was ik er gerust in! Er kwam weer een bui over en je kon zo zien dat de bijen er geen deugd van hadden. Toen het doek bijna zonder bijen was had ik twee mandjes met bijen. Na de volgende hagelbui merkte ik twee dingen: één, dat er in de mandjes water stond en twee, dat op het dak van de serre er bijen zaten waarvan een aantal te veel water of kou gekregen hadden – geen weer om een hond door te jagen maar zeker geen bijen! Wat voor bijen waren het op de serre? Was dat een tweede zwerm die ik niet opgemerkt had? Ik wist het niet! Met de ladder en een vuilblik werden de bijen van het glas geveegd en geschept, waarna ik ze in een mandje deed. Het vlieggat van de kast werd dicht gezet en de drie mandjes met bijen werden onder het afdak geplaatst, uit de regen! Eigenlijk was het nu wel het ogenblik om een behandeling met oxaalzuur toe te passen maar omdat de bijen goed nat waren stelde ik het uit! ’s Anderendaags ‘s morgens was het 3° C. en de mandjes met buiten op verkleumde bijen zette 63


ik in plastic kuipen zodat ze beter konden opwarmen. Gelukkig kwam de zon er flink door zodat het na de middag toch 12° C. was en ik besloot om de toestand in de kast te bezien. Groot was mijn verbazing dat er slechts een kinderhandje bijen aanwezig waren. Had ik niet gemerkt, tijdens het opscheppen van bijen en het vullen van de mandjes dat de kast leegliep en de bijen op het dak van de serre gingen zitten? Grootste vraag, waar was de koningin? En was ze nog wel in leven? Ik besloot om het volk waarvan ik zo goed als zeker was, dat de zwerm van daar kwam, na te kijken. Er was open broed en op meerdere ramen zaten er gesloten koninginnen doppen. Ik nam drie ramen met doppen uit de kast en brak, op 2 na, de andere doppen in de kast. En nu! In ieder van de 5 ramers hing ik een raam met dop, zo ook een in de lege kast. Bij ieder raam met dop werd een mandje bijen geschut en de kasten werden gesloten. Eertijds zou een gelovig imker nu een noveenkaars aangestoken hebben om een goede afloop te bekomen. En dan de bedenking, waarom hebben ze gezwermd? Stof tot nadenken!

De honingpot is goed voor de potentie ??....... Een mooie vrouw, met alles der op en der aan, komt bij een arts en beklaagt zich over de lusteloosheid van haar man. De arts zegt: “Voeg bij iedere maaltijd twee lepels honing toe, dat is een oud natuurheilmiddel maar zéér goed voor de potentie!!!” 64


Na drie maanden ontmoet zij de arts opnieuw en die vraagt haar, of de voorgeschreven remedie succesvol was?“Jaja dokter, zoemen en brommen doet hij al, maar steken nog altijd niet!”

VERMEERDERING VAN DRACHTPLANTEN (deel 4) BOLGEWASSEN Vele bolgewassen zijn bijenplanten. Vooral de

interessante

voorjaarbloeiers zijn een zege voor onze bijen. Persoonlijk hou ik ook van het plantengeslacht Allium. Bron foto Allium gigantheum: https://www.mijntuin.org/articles/allium-sieruien Dit geslacht omvat naast honderden gekende sierplanten ook zeer courante groenten en kruiden. Denk maar aan: ✓ prei (Allium ampeloprasum var. porrum, synoniem: Allium porrum) ✓ oerprei (Allium ampeloprasum) ✓ ui (Allium cepa) ✓ sjalot (Allium ascalonicum) ✓ bieslook (Allium schoenoprasum) ✓ daslook (Allium ursinum) ✓ knoflook (Allium sativum) 65


Met uitzondering van de klassieke prei vermenigvuldigen we al de bovengenoemde planten via bollen. Na de groeifase beginnen deze planten te denken aan het nageslacht en vormen bloemen. De nectar en het stuifmeel van deze bloemen is zeer gegeerd door vlinders en bijen. Plant gerust prei, ajuin en sjalot door elkaar in een verloren, maar zonnig, hoekje van de tuin en laat ze in bloei komen. Misschien stoort u zich aan de roestaantasting in de nazomer. Deze wordt veroorzaakt door een schimmel uit het geslacht Puccinia. Dit euvel kan enigszins vermeden worden door te letten op volgende puntjes: ✓ zorg dat de bodem armer is aan stikstof en rijker aan kalium ✓ een zonnige standplaats verlaagt de relatieve vochtigheid in het gewas ✓ een ruime plantafstand is aangewezen Tijdens de groei van de bol in de bodem ontwikkelen de klisters zich tot onafhankelijke bollen. Als we één sjalotje planten dan hopen we zeker 7 à 8 mooie sjalotten te kunnen oogsten. Dit gebeurt ook met andere sierbolgewassen. Normaliter schrijft men voor om bolgewassen in het najaar te planten. Velen vragen zich af of ze ieder jaar opnieuw de bollen moeten rooien en bewaren om ze dan in het najaar opnieuw te planten. De meeste bolgewassen zijn winterhard en kunnen gemakkelijk onze winters overleven. Fragiele soorten vragen een lichte bescherming van stro, turf, compost of bladeren. Dus rooien is niet noodzakelijk, maar veiliger is het alleszins. Vooral knaagdieren kunnen heel wat schade berokkenen aan bollen in rust. Ik persoonlijk haal de meeste, vooral raszuivere, bollen uit de grond. 66


Zo blijven de variëteiten gescheiden, groeit het aantal bollen flink aan en kunnen ze ieder jaar een ander plaatsje krijgen. De bollen die onder bomen en struiken staan laat ik zitten. Die bollen rooien is vooreerst onbegonnen werk en bovendien stoort het me niet dat knaagdieren ’s winters genieten van een lekker stukje “fruit”. Het rooien gebeurt best als al het loof afgestorven is. Om plaats te maken voor andere planten rooide ik vroeger soms eerder. Ik liet het loof aan de bollen, legde de planten in houten bakjes, zette deze in de serre tot het loof goed droog was en bewaarde de bollen binnen op een koele plaats in afwachting van de nieuwe planting. De laatste jaren volg ik een ander werkschema. In december worden alle bollen in “dubbele” (uitleg volgt) plastieken drieliterbloempotten geplant. Hiervoor wordt universele potgrond gebruikt. De potten worden in de serre geplaatst. Spreekt Sabine over kans op zware nachtvorst dan kunnen de potten afgedekt worden met strooisel. Om de groei bij warme weersverwachtingen te remmen worden de potten tijdelijk buiten geplaatst. Nota bene, de potten staan in bakken om het gesjouw te vergemakkelijken. In de handel zijn speciale plantmandjes voor bollen verkrijgbaar. De bedoeling is dat de plantmandjes met de bollen incluis in de bodem ingegraven worden. Deze mandjes zijn perfect, maar je kan zelf een alternatief maken. Doorzeef één drieliterbloempot met boorgaten van 3 à 5 cm diameter, zowel zij als onderkant. Zet deze pot in een zelfde intacte drieliterbloempot. Ook dat werkt uitstekend. Vandaar de term “dubbele” drieliterbloempot. Belangrijk is dat alle potten voorzien zijn van een label, want onthouden welk ras in welke pot zit is, voor mij althans, een onmogelijke opdracht. Eens februari, de bollen zijn dan al flink geschoten, gaan de doorzeefde potten de 67


grond in. Als algemene regel geldt dat de bovenkant (de neus) van de bol tweemaal zo diep zit als de hoogte van de bol. Je kan zonder problemen de ene pot tegen de andere zetten. Zorg dat er geen grote luchtruimtes ontstaan tussen de potten. Vierkante potten zijn in dit opzicht interessant. De wortels groeien gretig door de gaten. Als de planten uitgebloeid zijn worden de potten uitgegraven en krijgen de planten in pot de kans om af te rijpen. Misschien is het niet ieder jaar nodig maar zelf haal ik daarna de bollen uit de potten. Iedere bol maakt jaarlijks nieuwe klisters die uitgroeien tot bollen. Het aantal bollen stijgt dus jaarlijks. Daar de kleine bollen het volgend jaar waarschijnlijk nog niet zullen bloeien, neem je bij het inplanten 5 à 6 grote bollen en een aantal kleintjes per pot. Als je bollen te veel hebt kan je er een medemens met groene vingers blij mee maken. Het lijkt allemaal veel werk, maar het is een lonende en vooral plezante bezigheid. Om succes te garanderen plant je bollen best in een vochtige, doch goed doorlatende, humusrijke bodem. Gebruik liefst eigen bereide compost als bodemverbeteraar. Vind je het nodig om extra minerale of organische meststoffen toe te dienen, kies dan zeker voor een formule met relatief veel kalium. Een samengestelde meststof met NPK 8%+8%+12% of patentkali (30 % K2O) is een mogelijkheid. Raadpleeg de verpakking voor de dosis. Gedetailleerdere info in verband met planttijdstip, plantafstand, plantdiepte en standplaats (zon of schaduw) van de verschillende bolgewassen vind je op internet. Ik verwijs weer naar Zaaikalender.com. Ik merk nogmaals op dat in deze tabel zowel bollen als knollen vermeld staan. 68


Screenshot uit: https://zaaikalender.com/wp content/uploads/2013/09/wanneer_bloembollen_planten_A4.jpg Hopelijk heb je ook zin gekregen om de wereld van de bolgewassen verder te ontdekken. Veel succes. Freddy Franck

Uit een oud bijenboek, deel 1 samengesteld door Jef Beuckelaers De geschiedenis van de bijenteelt klimt op tot in het grijs verleden. Reeds zeer vroeg kende de mens de honingbij en bediende hij zich van honing en was. Aanvankelijk echter zocht hij deze voortbrengselen in holle boomstammen, in rotsen of holten, waarin bijen hun verblijf hadden gevestigd. De oude Indiërs offerden honing aan hun goden, besprenkelden hun koningen met honing water en betaalden hun cijns of belasting met honing en was. Zij 69


noemden de bij “ Mathucara “ wat honingmaakster betekent. De Indiche zonnegod, Vischnu, de drager van het heelal, wordt afgebeeld als een blauwe bij in een lotusbloem en van hem wordt er gezegd dat er honing vloeide waar hij zijn voeten zette. De Indische liefdegod, Kama, draagt een boog, waarvan de pees een bijenketen is, zinnebeeld van de zoete smart, door de liefdespijl veroorzaakt. De bijen gingen Kama vooraf als de voorboden van de liefde. De Perziërs hadden een grote verering voor de honingbij. Volgens hen zitten de bijen op de lippen van Mithias, de god van waarheid en van trouw. Deze god herkende dadelijk een leugenaar en bestrafte hem met bijensteken. Om hun kinderen het liegen af te leren, bedreigden de ouders hen met bijen. De Arabieren noemden de bij “Nahlat “ wat “ gif der goden “ betekent. Hun dichter Hafis zou de schepper zijn van de spreuken : “ geen rozen zonder doornen “ en “ geen honing zonder steken! “ Sadi schrijft: “ Veel bijen kunnen een olifant neervellen al is hij sterk en machtig.“ De Koran , roemt de honing als geneesmiddel: “ De artsenij van de geneesheer is bitter, maar de artsenij van God is zoet – het is honing – waarmee hij de mensen geneest.” De oude Egyptenaren beschouwden het imkeren of bijenhouden als de meest geliefkoosde bezigheid. Met schepen of vlotten vervoerden zij hun bijenvolken naar de honingweide. Zij gebruikten honing bij offeranden en bij feestmalen en zij kenden zelfs de geneeskundige kracht van honing en van was zalven. Bijenwas werd door hen veelvuldig gebruikt bij het vervaardigen van schrijftafels en het balsemen van lijken. Hun meningen aangaande het bijenleven waren zeer merkwaardig. Zo geloofden zij dat de bijen voortkwamen uit de lijken van stieren, en dat de koningin, die toen nog koning genoemd werd, gevormd werd 70


uit het edelste deel van het lichaam, de hersenen. Naar Champollion, een vermaard Frans taalkundige, die Napoleon op zijn tocht naar Egypte volgde en de hiëroglyphen of oude Egyptische beeldschriften, ontcijferde, zouden de bijen het zinnebeeld zijn van de ootmoedige onderwerping aan de overheid. Ironisch merkt dan ook Figuier in zijn geschiedenis van de insecten op : “ Het is waarschijnlijk daarom dat Napoleon de Grote, keizer gekroond korte tijd na zijn veldtocht in Egypte, zijn keizerlijke mantel met zinnebeeldige bijen deed versieren.” Bij de Israëlieten stond de honingbij in hoge waardering. In de talrijke holten van de kalksteenrotsen van Palestina vonden de bijenzwermen een geschikt verblijf. Echter de warme zon bestraalde de rotsen en dan gebeurde het vaak dat de honingraten smolten, met het gevolg dat de honing langs de rotsstenen wegvloeide. Men zegde dat Palestina het land was dat van honing overvloeide. In de heilige schrift is er op menige plaats spraak van bijen, honing en was. In het boek van de spreuken kunnen we lezen “ Eet honing mijn zoon !” Johannes de Doper voedde zich in de woestijn met sprinkhanen en met honing. Bij de Grieken mocht de ontwikkeling van de bijen roemen op een hoge ontwikkeling. Zij spreken ons over honingkorven met gewelfde bouw en zeggen dat gekleurde bijen beter zijn dan donkere rassen. Pythias, een Griekse zeevaarder, vertelde dat de inwoners vanThulé, een soort bier maakten met koren en honing. Volgens Diodore, uit Sicilië, betaalden de 71


Corsicanen hun belastingen onder de vorm van hars, was en honing. Naar deze schrijver zou dit volk zich gevoed hebben met melk, honing en vlees en dat het zich in rechtvaardigheid en mens zijn , de andere barbaarse volkeren overtrof. Aristoteles, de vriend en onderwijzer van Alexander De Grote, die leefde in de vierde eeuw vóór Christus, spreekt in zijn boeken met voorliefde over de bijen. Hij was aangezien als de beste kenner van de bijenteelt in zijn tijd. Hij kende het bestaan van de koningin, de werksters en de darren. Hij leert hoe het er in de bijenkorf aan toe gaat en beschrijft de verschillende cellen. Hij spreekt van jonge bijen en van wachters en duidt aan hoe men een zwerm moet vangen. Hij kent ook verschillende vijanden van de bij, zoals wasmotten, horzels en insectenetende vogels. Homeros, Hesiodes, Xenophon, Plutarchus en Solon spreken insgelijks over het bijenleven. In hun godenleer was de bij toegewijd aan de jachtgodin “ Artemis “ en de priesters van Artemis werden “ Melissen “ genoemd, naar het stamwoord melissa, de Griekse naam van de bij en zulks om aan te duiden: hun heiligheid, reinheid, verstand en de schat die de bijen voortbrengen. Hun opperste God, Zeus, die voor zich de heerschappij over hemel en aarde behield, de wolken verzamelde, regen en zonneschijn schonk, of storm en onweer verwekte, zou als eerste voedsel honing hebben geproefd en nimfen zouden op aarde de mensen hebben ingewijd in de geheimen van de bijenteelt. Bacchus werd insgelijks in zijn jeugd met honing gevoed. De Romeinen brachten de bijenteelt tot hogere bloei. In de derde eeuw vóór Christus, wordt er reeds gewag gemaakt van een honingmarkt te Rome. Plinius, de oude Romeinse natuurvorser, maakt in zijn “ Historia Naturalis “ melding van de aanplanting van honinggevende gewassen in het 72


gebied van de Rijn. Vergilius, de populairste Romeinse dichter die de natuur in haar fijnste schakeringen weet weer te geven, maakt in de vierde zang van zijn “ Georgica “ de lof van de bij en honing, en leert dat honing een goddelijk geschenk is dat voor ons uit de hemel valt. Cicero en Aelian spreken insgelijks over de bijen. Dank zij deze natuurvorsers, lieten dan ook de Romeinse patriciërs bijenstanden oprichten in hun tuinen en lieten ze door slaven verzorgen. Honing was dan ook een zeer gezocht handelsartikel en in de huizen van de rijken stond hij altijd op tafel. Was werd tot allerlei doeleinden gebruikt, vooral voor zalven en pommades. Een Romeinse spreuk luide: “ Apes opes “ bijen zijn rijkdommen. De Romeinen van den buiten vonden de godin “Mellona” uit als beschermster van de bijen. Toch waren deze ook aan Apollo toegewijd en naar men beweerde zou Aristeus, zoon van Apollo , opgevoed zijn door jonge bijen en door hen in de bijenteelt onderricht zijn. Toch meenden de Romeinse onderzoekers nog dat de koningin een mannetje was, dat de werksterbijen bevruchtte en dat deze laatsten de eieren legden. Zij aanzagen de koningin als een heerser, een koning, die bevel voerde over de hele gemeenschap. Ook de Germanen kenden het nut van de bijenteelt en uit honing bereiden zij hun geliefkoosde volksdrank: de mede. Waarschijnlijk stonden zij wel achter in de eigenlijke kennis van de bijenteelt tegenover de Romeinen, want het gebruik van strokorven was de Germanen onbekend. Zij zochten, als jagers, de honing in holle boomstammen van hun wouden of in rotsspleten. Na de bekering van Clovis, vestigde het christendom zich in onze gewesten. De geloofspredikers bouwden overal kloosters en onze Benediktijner monniken aanzagen de bijenteelt als een machtig middel tot de volksbeschaving. Zelf oefenden zij zich 73


in deze hoofdtak van het landbouwbedrijf en waar het kon moedigden zij het bijenhouden aan. Honing was toen nog de enige zoetigheid en er mocht geen was ontbreken voor het vervaardigen van kaarsen. Karel de Grote dient als de grootste weldoener van de bijenteelt vermeld. Hij liet op zijn landgoederen modelbijenstanden oprichten die door bekwame imkers bestuurd werden. Zelf oefende hij zich in het edel bijenbedrijf, vaardigde verordeningen uit tot bescherming van de honingbij en gaf bevelen over de zuivere behandeling van de bijenteeltproducten, die aan de hofhouding dienden geleverd. In die tijd eisten de adel en de geestelijkheid honing en was op als belastingsmiddel, zodat de boeren het als een plicht aanzagen om aan bijenteelt te doen. In de meeste huurovereenkomsten van die tijd staat dan ook het bijenhouden als een verplichting voorgeschreven. Vandaar het spreekwoord “ Een boerderij is niet compleet, als de boer geen imker heet! “ In de middeleeuwen zou de imkerij haar hoogste bloei bereiken. De bijentelers gingen zich verenigen en de eerste imkersgilden kwamen tot stand. Van bosbijenteelt kwam men tot huisbijenteelt en de holle boomstammen maakten plaats voor strokorven. Een goede bijenstand had een grote waarde en naar men beweerde, zouden twee bijenvolken dezelfde waarde vertegenwoordigen als een beste melkkoe. Deze bloei zou aanhouden tot de zestiende eeuw en de boekdrukkunst, uitgevonden rond het jaar 1450, droeg er toe bij om de kennis van de bijenteelt te verspreiden. De imkersgilden stelden zich onder de bescherming van de H. Ambrosius, een machtig strijder voor de kerk, staat en volk en hij was een groot heilige. Ambrosius werd te Trier geboren in het jaar 340 uit een Romeinse adelijke familie. Zijn vader was prefect van Zuidelijk Gallië. Toen 74


Ambrosius nog als klein kind in de wieg lag , streek een bijenzwerm op zijn gelaat neer en vlogen de bijen in en uit zijn mond zonder het kind te hinderen. Zijn vader , dat wonder ziende, voorspelde : “ Dat kind zal eenmaal een groot man worden “ En inderdaad, Ambrosius werd Aartsbisschop van Milaan, kerkvader, kerkleraar en een groot heilige. Zijn woorden vloeiden zoet als honing en zijn ijver overtrof deze van de ijverige bijtjes. Daarom verkozen de bijentelers hem tot hun patroon en vieren zijn feestdag op 7 december, dag van zijn aanstelling tot aartsbisschop. Sint Ambrosius overleed te Milaan op paaszaterdag, 4 april 397. In Wallonië wordt er insgelijks Sint Valentinus of Valentijn als patroonheilige van de imkers gevierd. Hij werd te Rome onthoofd in het jaar 208. De Franse imkers vereren ook Sint Medard, bisschop van Doornik, die 15 jaar in Vlaanderen predikte en in 556 overleed. Mogelijk aanroepen de Franse imkers in de zuiderstreken hem, om wat meer regen aan de honinggevende planten te bezorgen. In Vlaanderen wordt hij ter hulp geroepen om de hemelse sluizen te sluiten in natte zomers. Wordt vervolgd,

Honing maakt bacteriën het leven zuur Dat honing de eigenschap heeft om bacteriën te doden, was al eeuwenlang bekend. Alleen was het niet duidelijk waarom honing die eigenschap heeft. ‘De volkswijsheid klopt’ zegt microbioloog Paul Kwakman na uitgebreid onderzoek. ‘De hoge suikerconcentratie in honing speelt een rol en bovendien zet honing 75


een afbraakproces in gang waarbij waterstofperoxide ontstaat die bacteriën dood’. Onderzoekers van de afdeling Medische Microbiologie van het Academisch Medisch Centrum (AMC) van de Universiteit van Amsterdam hebben voor het eerst de antibacteriële werking van honing ontrafeld. De hoge suikerconcentratie in honing (80%) speelt een rol. Sommige bacteriesoorten kunnen daar niet tegen. Daarnaast breekt een enzym in honing suiker af, waarbij een beetje waterstofperoxide ontstaat. De kleine hoeveelheid is niet schadelijk voor de mens, maar wel genoeg om sommige bacteriën te doden. Voor zijn onderzoek heeft Kwakman honing gescheiden, onder andere op de grootte van de deeltjes in de deeltjes en de lading van de deeltjes. Steeds keek hij welke fractie van de honing actief was. Na veel monnikenwerk vond de onderzoeker een klein eiwit waaraan de resterende antimicrobiële werking kon worden toegeschreven. Bijen gebruiken dit eiwit in hun eigen afweersysteem. Het onderzoek is een belangrijke stap naar de ontrafeling van de helende eigenschap van honing. Elke honingsoort is anders, bijen verzamelen immers nectar van verschillende bloemen. Van elke honingsoort moet dan ook afzonderlijk worden vastgesteld welke stoffen verantwoordelijk zijn voor de antimicrobiële werking. Voor zijn onderzoek heeft Kwakman honing uit Wageningen gebruikt die in serres onder gecontroleerde omstandigheden wordt geproduceerd. 76


De hoop is dat uit honing stoffen kunnen worden gewonnen die bruikbaar zijn als antibioticum. Meer en meer bacteriën zijn resistent geworden tegen bestaande antibiotia. De mogelijkheden van het gebruik van honing an sich zijn beperkt tot toepassing op de huid. Kwakman : ‘De werkzame eiwitten in honing worden in het lichaam snel afgebroken, dus honing eten om van een infectie af te komen werkt niet’. Op de huid smeren kan wel. Kwakman doet onderzoek bij patiënten op de afdeling spoedgevallen waar mensen vaak katheders hebben. De patiënten krijgen daarvoor een prik, want de kans op een infectie verhoogt. Een deel van de patiënten krijgt een standaardbehandeling, anderen een likje honing rond de katheder. Bron

AgriHolland

Guido Gezelle’s ‘metselbij’ Gezelle werd geboren op 1 mei 1830 te Brugge en blies aldaar zijn laatste adem uit op 27 november 1899. Hij volgde les aan het kleinseminarie te Roeselare. Zijn laatste schoolgaande jaren, ter voorbereiding op het priesterschap, vonden plaats aan het grootseminarie te Brugge. Het is daar dat hij zijn (nooit vervulde) droom, missionaris te Groot-Britannië worden, uitsprak. Na zijn studies werd hij leraar aan het klein-seminarie te Roeselare. Tot zijn grote blijdschap werd hij tevens twee jaren titularis van de poësisklas. Zijn vaak te hechte vriendschapsband met zijn leerlingen en zijn eigenzinnige manier van lesgeven, werden hem niet in dank afgenomen. Hij werd overgeplaatst naar Brugge waar hij co-rector 77


werd van een Engels college. Zijn eerste dichtbundel, Vlaamsche Dichtoefeningen, verscheen in 1858. Eén van zijn bekendste werken, Het Schrijverke, komt daaruit. Het is een schoolvoorbeeld van hoe Gezelle zijn dichterlijke verwoordingen neerpende. In een romantische stijl, met oog voor natuur en God, dicht hij, niet over een auteur, maar over een waterkever. Met een bang hart parodieer ik hem, niet over een kever, maar over de metselbij. O ronkelende fonkelende vaak voorkomende metselbij, Zoals te zien op foto van ‘blauwe metselbij’ bij dit tekstje, Herken ik jou aan de fameuze buikschuier van op de eerste rij, Waarmee je broodnodig stuifmeel haalt naar jouw nestje. Je bent een regelmatig bezoeker van ons insectenhotel, dood hout, holle stengels, … daarin huis je vaak het liefst van al, je bekleedt het met modder, voor jou is dat geen spel, bij twee soorten, gezicht aangepast aan deze renovatiekwaal. Ik heb het dan over de gehoornde en rosse metselbij. Bij beide twee hoorntjes te zien al op het aangezicht. Om cellen als woonplaats te maken zo vree zo vrij, zo huizen de larven naast elkaar goddelijk afgedicht. Wat is het onderscheid tussen jullie beiden? Jullie lijken toch zo op elkaar! Waaraan kan ik jullie toch onderscheiden? Hé wacht es, ’t lijkt mij zo klaar! De rosse heeft enkel de kop zwart als pek, de gehoornde borststuk en kop, ’t is dus als je der op let niet zo moeilijk, let dus bij deze metselbijen daarop! Maar komen ze dan samen voor in de natuur? Samen uit, samen thuis, samen uur na uur? Ze vliegen dan wel elk univoltien enkel in het voorjaar, toch is de gehoornde er telkenmale iets vroeger bij, zij vindt haar piek bij het ontluiken der perenbloesems, de rosse bij deze van de appelbloesems, ah zo, vandaar! 78


Neerbrabantshop Momenteel zijn er te verkrijgen: • T-shirt, wit met het logo van Neerbrabant op voor-en achterzijde; in M, L, XL voor de prijs van €10.

• Fleece pull, forest green, 100% anti-pilling, 330g/m², voorzien van het logo van Neerbrabant, enkel op de voorzijde in S, M (de maten vallen groot uit) voor de prijs van €30. • Pet, forest green, 100% katoen, met aanpasbare sluiting, voorzien van het logo Neerbrabant, 1 maat, voor de prijs van €10 • Kunststofbord ‘Hemelse Honing’, met het logo van Neerbrabant, afmeting: 35cm x 25cm voor de prijs van €10 Interesse? Stuur een mail naar: info@imkersgildeneerbrabant.be met vermelding van het aantal en de gewenste maat. 79


Recept voederdeeg Benodigdheden: 6 kg bloemsuiker, 2 kg vloeibare honing, 8 eieren, 4 soeplepels biergist, 1 soeplepel tarwekiemolie, 2 soeplepels kruidenmengsel. Samenstelling van het kruidenmengsel: te koop bij de drogist of in een kruidenwinkel per 100gr. Gelijke delen: citroenmelisse, wit duizendblad, absint, echte kamille, polei (munt). Bereiding Het mengen gebeurt het liefst in een professioneel mengtoestel (de meeste keukenrobots zijn te licht voor dit werk!) Alle ingrediënten op kamertemperatuur brengen – de honing mag warmer – waardoor het mengen vlotter verloopt. Doe de suiker in de mengkuip en voeg de eieren toe, samen mengen. De honing bijgieten, vervolgens de biergist, het kruidenmengsel en de tarwekiemolie. Is het deeg te plat, aanpassen met biergist (bij afkoelen wordt het deeg vaster!) Is het deeg te stijf, doe er nog wat honing bij. Opmerking: gebruik steeds eigen honing om het besmettingsgevaar laag te houden. Doe het deeg in een plastiek emmer en sluit af met het deksel. Droog bewaren. 80


Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.