Issuu on Google+

pius xii en de vernietiging van de joden


Š Dirk Verhofstadt / Uitgeverij Houtekiet 2008 Uitgeverij Houtekiet, Vrijheidstraat 33, b-2000 Antwerpen www.houtekiet.com info@houtekiet.com www.uitgeverijatlas.nl atlas@uitgeverijatlas.nl

Omslag Jan Hendrickx Foto omslag Hulton-Deutsch Collection / Corbis Vormgeving Intertext, Antwerpen isbn 978 90 8918 016 2 d 2008 4765 47 nur 740

Eerste druk september 2008 Tweede druk januari 2009 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form, by print, photoprint, microfilm or any other means, without written permission of the publisher.


dirk verhofstadt

Pius xii en de vernietiging van de Joden

Houtekiet/Atlas Antwerpen/Amsterdam


Opgedragen aan Marcel Verhofstadt 1923-2005


‘Zijn (Pius’ xii) angst voor het communisme was vele malen groter dan zijn betrokkenheid bij het lot van Joden en andere oorlogsslachtoffers.’ geert mak

‘Omdat we aan zien komen dat dit onze laatste dagen zullen zijn, vragen we jullie: vergeet niets!’ joods verzet in het getto van warschau

‘Bepaalde christenen houden slechts van de Jood aan het kruis; en als hij er niet aan hangt, kennen ze geen rust voordat hij erop vastgenageld is.’ elie wiesel


inhoud

Woord vooraf deel een Strategie 1 De heiligverklaring van Pius xii 2 ‘Wir haben es nicht gewusst.’ 3 Moordenaars van God 4 Wat wist de paus? 5 Heeft de paus gezwegen? 6 Vrees voor het communisme

7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17

deel twee Overgave De ondergang van de Zentrumspartei Steun aan het nieuwe regime Het concordaat De rassenwetten van Neurenberg

Mit brennender Sorge De verdwenen encycliek Het nationaalsocialistische onderwijs Het paganisme Gottgläubigkeit & Ahnenerbe Hang naar autoritarisme Het t4-programma

11

17 19 26 49 63 78 87

95 97 107 115 124 130 138 145 155 164 173 180


deel drie Verzuim De oorlog in Polen De oorlog in West-Europa De Joden in Nederland Dubbelzinnigheid in België De deportaties uit Frankrijk Steun aan Operatie Barbarossa

18 19 20 21 22 23 24 Endlösung der Judenfrage 25 Verzet

197 199 210 213 227 235 241 251 260

26 27 28 29 30 31

deel vier Medeplichtigheid Priester-president Tiso De Ustaæa Onder de ramen van het Vaticaan De Hongaarse Holocaust Gewone mensen Hulp aan oorlogsmisdadigers

281 283 294 306 318 333 338

32 33 34 35 36 37 38 39

deel vijf Ontkenning Antisemitisme na de Holocaust Joodse kinderen Konrad Adenauer over de Kerk Het falen van de geallieerden Wij herinneren ons Pius xii in de geschiedenis De morele schuldvraag Conclusie

351 353 357 365 368 389 394 403 410


Chronologie Bibliografie Noten Personenregister Fotoverantwoording

419 441 452 501 511


woord vooraf

D

e Europese Unie is de succesvolste constructie in de menselijke geschiedenis. Na 2000 jaar van strijd, geweld en massamoord tussen diverse landen om de hegemonie over het Avondland, zijn de Europeanen erin geslaagd een systeem te vinden waarin vrede en welvaart zich konden ontwikkelen. Het experiment begon met zes landen die alle zwaar onder de Tweede Wereldoorlog geleden hadden: Duitsland, Frankrijk, België, Nederland, Luxemburg en Italië. Later zijn daar andere landen bijgekomen, zoals de voormalige dictaturen Portugal, Spanje en Griekenland, en nog later de voormalige communistische landen uit Midden- en Oost-Europa. Op die manier leven we vandaag met bijna een half miljard burgers vreedzaam binnen één grote gemeenschap waarin de rechten van het individu niet alleen nationaal, maar ook Europees gewaarborgd worden. Dat het Europese project een succesverhaal is blijkt onder meer uit het feit dat steeds meer andere landen, die nog geen lid zijn, zich vrijwillig en met overtuiging bij de Europese Unie willen aansluiten. Daarvoor zijn ze bereid hun eigen wetgeving en regels aan te passen en in overeenstemming te brengen met het acquis communautaire, het geheel aan rechten en plichten dat alle lidstaten op het niveau van de Europese Unie bindt. In tegenstelling tot de Verenigde Staten is Europa erin geslaagd tal van landen tot de democratie te brengen zonder dat daarvoor één geweerschot gelost werd. De diverse lidstaten hebben immers hun eigen nationale belangen over een aantal belangrijke zaken grotendeels opzijgeschoven voor een algemener belang: de vrede, de welvaart en de vrijheid van hun burgers. Europa is een suc-


12

pius xii en de vernietiging van de joden

cesverhaal, maar het is er wel pas na een lange reeks gruwelijke gebeurtenissen en ervaringen gekomen. Een van de belangrijkste factoren van dit succes lijkt me de uitschakeling van een dominante religie te zijn. Het verdrag van Lissabon, dat beschouwd kan worden als een afgeleide van de verworpen Europese grondwet, bevat bewust geen verwijzing naar het christendom als grondslag en als bindmiddel tussen de diverse lidstaten. Dat is een goede zaak. Hiermee maakt Europa duidelijk dat het niet gebaseerd is op een gemeenschappelijke geloofsovertuiging, maar op kosmopolitische humanistische uitgangspunten die voortkomen uit de menselijke rede. De grondbeginselen van de Europese Unie zijn de vrijheid van meningsuiting, de scheiding van kerk en staat, de gelijkwaardigheid van ieder mens en het recht op zelfbeschikking. Het zijn grondbeginselen die universeel zijn en ten grondslag liggen aan het succesvolle Europese project dat al meer dan zestig jaar voor vrede en welvaart in het Avondland zorgt. Ze vloeien voort uit het besef dat elk geloof tot uitsluiting en particularisme leidt. Deze houding is recent en staat in schril contrast met de visie van de meeste burgers in de eerste helft van de twintigste eeuw, die het christendom als een onmisbaar element van de westerse beschaving beschouwden. God was in die periode alomtegenwoordig, zowel in de private als in de publieke sfeer. Dat is niet langer het geval. In onze groeiend multiculturele en vooral multireligieuze Europese samenleving hebben we behoefte aan een universele seculiere moraal, aan regels die niet voortvloeien uit heilige teksten, maar uit de rede. Alleen op die manier is vreedzaam samenleven in diversiteit mogelijk. Om het belang hiervan te beseffen is het nodig dat we terugkijken op het verleden. Het was immers in het christelijke Europa dat zich de grootste moordpartijen in de geschiedenis hebben voorgedaan, aangericht door mensen die in naam van God en van hun vermeende superioriteit ten strijde trokken tegen de andersdenkenden, de ongelovigen, de volksvreemden, of de zogenaamde ‘Untermenschen’. Op het Europese vasteland zijn het liberalisme, en met het liberalisme het individualisme en het kosmopolitisme, in de eerste decennia van de twintigste eeuw ten onder gegaan. De mens werd toen niet langer beschouwd als een kantiaans doel op zich, maar als een middel ten bate van een Volk, een Vaderland, een Partij, een Führer, een Geloof. Het kosmopolitische wereldburgerschap moest het veld ruimen voor een eng nationalisme. In plaats van de grenzen neer te halen trok men er nieuwe op. Ook de katholieke Kerk speelde daar een belangrijke rol in. Zij huiverde niet alleen voor het atheïsme van het communisme en het socialisme, maar evenzeer


woord vooraf

13

voor het individualisme dat gepropageerd werd door de liberale democratie. In de negentiende en het begin van de twintigste eeuw zag de Kerk vol afkeer naar de opmars van de moderniteit, het kritisch rationalisme en de seculariteit. Ze zag met lede ogen hoezeer ze haar greep verloor op de wereldlijke leiders en hun burgers. Het is om die reden dat de Kerk zich vastklampte aan het fascisme, voor zover dat de Kerk en het katholieke geloof een plaats gaf in zijn staatsstructuur en een dam vormde tegen het communisme, het socialisme en het liberalisme. Deze positieve houding tegenover autoritaire en totalitaire systemen was ongetwijfeld mede van invloed op de opkomst van het fascisme, het nazisme en op het grote drama van de Tweede Wereldoorlog: de moord op zes miljoen Joden. De houding van de katholieke Kerk tegenover de Shoah is al vaak onderzocht. Onder historici, die nochtans toegang hebben tot dezelfde bronnen, bestaat fundamentele onenigheid over het optreden van de paus, het Vaticaan, de bisschoppen, de priesters en de miljoenen katholieke gelovigen tegenover het nazisme en het fascisme. Sommigen zien Pius xii als een lichtbaken, een verzetsheld, de redder van talloze Joden. Anderen beschouwen hem als een opportunist, een onverschillige kerkleider, een medeverantwoordelijke voor de dood van talloze Joden. Het gaat hier om een fundamentele kwestie, namelijk de houding van de katholieke Kerk als instituut en van de paus als hoogste vertegenwoordiger ervan tegenover de Endlรถsung der Judenfrage. Heeft de Kerk en dan vooral de paus, als hoeder van zijn gelovige kudde, voldoende gedaan om de katholieke waarden te beschermen? Heeft Pius xii de discriminatie, vervolging, deportatie en uitroeiing van de Joden duidelijk en consequent veroordeeld? Hebben de bisschoppen van de Kerk zich voldoende ingespannen om het leed van de Joden te verminderen? Was de houding van de katholieke Kerk een hinderpaal of juist een vrijgeleide voor de moord op zes miljoen Europese Joden? Hoe reageerden de miljoenen katholieke gelovigen op de discriminatie, vervolging, deportatie en vernietiging van hun Joodse medeburgers? De antwoorden staan op de volgende bladzijden. Mijn boek is gebaseerd op de belangrijkste documenten die in de loop van de voorbije decennia door het Vaticaan en andere kerkelijke instellingen werden vrijgegeven, en op bekende geschriften van historici uit de naoorlogse periode, zowel van voor- als van tegenstanders van de toenmalige paus. Ik zal op basis hiervan zelf een aantal heldere standpunten innemen. Dat zal een groot aantal lezers ongetwijfeld ergeren. Nochtans is dat niet mijn bedoeling. Ik geef mijn visie op de feiten en hoop dat die door anderen aan de meest meedogenloze kritiek wordt onderworpen. Mijn boek is


14

pius xii en de vernietiging van de joden

een bijdrage aan het grote debat dat na de opvoering van het toneelstuk Der Stellvertreter (‘de plaatsbekleder’) van Rolf Hochhuth in 1963 losbarstte en sindsdien niet meer is stilgevallen. Zelf heb ik uitvoerig geput uit de Actes et Documents du Saint Siège relatifs à la Seconde Guerre Mondiale, de volledigste collectie documenten van het Vaticaan die tot op heden werd verzameld en die een goed beeld geeft van de houding van de Kerk, maar ook van andere betrokkenen, tijdens de oorlogsjaren. Ik heb heel wat tijd doorgebracht in bibliotheken, in het bijzonder in die van de Vrije Universiteit Brussel en in het Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij (cege/soma) om deze teksten te bestuderen en te vergelijken met ander materiaal. De meeste documenten van de Actes et Documents zijn in het Italiaans, het Duits, het Frans (de diplomatieke taal), het Engels en het Latijn. Ik dank Brigitte Henriet voor de vertalingen uit het Italiaans, Karl Dhaene, Erik Willaert en Maria Beeckman voor de vertalingen uit het Duits, Rik Rammeloo voor de vertalingen uit het Frans, Frederick Ongena, Andreas Tirez, Annemarieke Otten en Floris van den Berg voor de vertalingen uit het Engels, en Claire Gernay voor de vertalingen uit het Latijn. Daarnaast dank ik tal van inhoudelijke gesprekspartners, ook hen die het niet eens zijn met de strekking of met bepaalde deelstrekkingen van mijn boek. Mijn bijzondere dank gaat uit naar pater Peter Gumpel, Johan Ickx en Karl-Joseph Hummel, die me tal van documenten uit diverse archieven aanreikten. Zij hebben me mijn visie op de besproken problematiek op verschillende gebieden doen bijstellen. Ik waardeer hun openheid en bereidwillige medewerking. Ook zijn er tal van mensen die me hebben bijgestaan op diverse deelgebieden van dit boek. Onder hen Thérèse Colling over de situatie in Luxemburg, de historicus Perry Pierik over de vernietiging van de Joden in Hongarije, de historicus Dick De Mildt over het t4-programma, professor Christophe Browning over het Reserve Politiebataljon 101, professor Emília Hrabovec over de situatie in Slowakije, Marija Franssen over de rol van de Ustaæa in Kroatië, Erik Willaert over specifieke Duitse teksten, de historicus Ton H.M. van Schaik, professor Peter Nissen en professor emeritus Dr. Jan Bank over de Jodenvervolging in Nederland, de historici Lieven Saerens, Ward Adriaens en Laurence Schram over de toestand in België. Voor algemenere ondersteuning van dit project kon ik een beroep doen op de moraalfilosoof Etienne Vermeersch, de historicus Alberto Melloni en professor Michael Marrus. Over de houding van het nazisme tegenover het christendom en omgekeerd kreeg ik onmisbare informatie van professor emeritus Dr. Hugo Dieserinck en professor emeritus Dr. Edward Verhofstadt. De bepalingen


woord vooraf

15

van het kerkelijk recht werden mij toegelicht door de professoren Rik Torfs en Marco Ventura. Mijn bijzondere dank gaat uit naar de schrijver Piet de Moor die me gedurende dit hele project heeft bijgestaan en voor mij een kritisch klankbord vormde. Hij heeft me met zijn onvolprezen boek Schemerland wakker gemaakt voor het gebrek aan Holocaust-bewustzijn in Midden-Europa, iets wat ook in onze contreien een steeds groter probleem wordt. Mijn belangstelling voor de Holocaust begon in 1991 als producer van de vijfdelige televisie-documentaire De Laatste Getuigen. Deze serie werd een succes dankzij de talentrijke realisator Luckas Vander Taelen en productieassistente Ghislaine Peeters die met veertien Belgische overlevenden, Joden en niet-Joden, terugkeerden naar de diverse kampen en hun verhaal vereeuwigden. Die documentaire serie is mijn inziens de indringendste die in ons taalgebied over dit onderwerp werd gemaakt en werd dan ook bekroond op het Banff World Television Festival. Herman Jacobs nam de eindredactie van mijn manuscript op zich en deed dit met grote toewijding en oog voor detail. Ten slotte ook dank aan Rudi Van Doorslaer, Yves Van de Steen, Sonja De Schaepdryver, Carina De Cleer, Luc Pareyn en de medewerkers van het Liberaal Archief voor hun suggesties en materiĂŤle ondersteuning, Anne Tricot voor de tekstcorrecties, Anne en Pascal voor het nalezen van de tekst en Elaine voor haar onvoorstelbare geduld. Uiteraard ben alleen ikzelf verantwoordelijk voor de inhoud van dit boek.

Dirk Verhofstadt juli 2008


deel i

Strategie


hoofdstuk 1

De heiligverklaring van Pius xii

V

ijftig jaar geleden, op 9 oktober 1958, stierf Pius xii, zonder twijfel de meest besproken paus uit de wereldgeschiedenis.1 De gehele christelijke wereld en vooral de Romeinen rouwden om het verlies. Hun paus had de Heilige Stad zo goed als ongeschonden door de oorlog geleid. Zowat alle staatshoofden van die tijd zonden een rouwtelegram waarin ze zijn overlijden betreurden. De Oostenrijkse rijkskanselier Julius Raap zei dat ‘de geschiedenis hem zou beschouwen als een van de grootste pausen aller tijden’.2 Dat leek ook het geval te zijn, tot in 1963 het controversiële toneelstuk Der Stellvertreter van Rolf Hochhuth werd opgevoerd, waarin deze auteur beweerde dat Pius xii niets zou hebben gedaan om de Jodenvervolging te veroordelen of het einde ervan te bespoedigen.3 Het was het begin van een heftig debat dat tot de huidige dag voortwoedt. Al tientallen jaren debatteren historici over de rol van Pius xii in de Joodse kwestie voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Hoe stond hij tegenover de nazipolitiek ten aanzien van de Joden? In hoeverre was hij op de hoogte van de uitroeiing van de Joden? En hoe reageerde de hoogste morele leider van de wereld op deze dramatische gebeurtenissen? Deze vragen zijn opnieuw actueel. In de eerste plaats omdat het Vaticaan volop bezig is met de procedure om Pius xii in de komende maanden of jaren zalig en heilig te verklaren. Het proces tot zaligverklaring van Maria Giuseppe Giovanni Eugenio Pacelli, zoals Pius xii voor zijn pontificaat heette, werd al op 18 oktober 1967 geopend door paus Paulus vi. José Saraiva Martins,, de Portugese curiekardinaal en prefect van de Congregatie voor Zalig- en Heiligverklaringen, die als bij


20

pius xii en de vernietiging van de joden

toeval zijn kantoor heeft op de Piazza Pio xii met uitzicht op de Sint-Pietersbasiliek, onderzoekt momenteel de twee voorwaarden waaraan moet worden voldaan om Pius xii zalig te kunnen verklaren, namelijk de erkenning van de heldhaftigheid van zijn deugden en de erkenning van een wonder dat op zijn voorspraak door de Heer is gedaan. Op 8 mei 2007 keurde de Congregatie voor Zaligen Heiligverklaringen, bestaande uit dertien prelaten uit zes verschillende landen, een oordeel goed dat inhield dat Pius xii voldoende ‘heldhaftige deugden’ konden worden toegeschreven.4 Nu is nog enkel de certificatie van een mirakel nodig om hem uiteindelijk zalig en later heilig te verklaren. Op 18 februari 2008 herhaalde José Saraiva Martins dat het proces voor de zaligverklaring volop aan de gang is en zijn normale beloop kent.5 De curiekardinaal wordt daarin bijgestaan door de jezuïet Peter Gumpel, die relator is in dit zaligverklaringsproces. De benaming relator is enigszins dubbelzinnig. In feite treedt Gumpel op als een soort onafhankelijke rechter die tegelijk ook het onderzoek doet. Zijn positie is in ieder geval helder. Hij gelooft in de heiligheid van de oorlogspaus en schreef in 1999 reeds dat ‘geen enkele persoon of organisatie zoveel deed om de Joden te helpen als Pius xii’.6 De verdedigers van de paus gebruiken alle mogelijke middelen om zijn zalig- en heiligverklaring te bespoedigen. Zo staan er op het internet verschillende petities van katholieke organisaties, zoals die van de Catholic League, die namen en adressen verzamelen van personen die willen dat de huidige paus Benedictus xvi Pius xii zo snel mogelijk heilig verklaart.7 Naar aanleiding van die mogelijke zalig- en heiligverklaring is er de voorbije jaren een heuse mediacampagne van voor- en tegenstanders van de toenmalige paus aan de gang. Het is opvallend hoeveel nieuwe boeken er over dit thema verschenen zijn. Bij de voorstanders gaat het om publicaties van Michael Hesemann, David Dalin, Margaretha Marchione, Michael Burleigh, Ronald Rychlak, Hans Jansen, Patrick Gallo, Ralph McInerny en Andrea Tornielli. Zij verdedigen de houding van de paus, die naar hun mening niet alleen blijk gaf van zijn diepste bekommernis om het lot van de slachtoffers van de judeocide, maar die zelfs het leven van honderdduizenden Joden zou hebben gered. De Duitse historicus en journalist Hesemann, die afwisselend in Düsseldorf en Rome woont, publiceerde in 2004 zijn boek Hitlers Religion: die fatale Heilslehre des Nationalsozialismus, dat in 2007 in het Nederlands verscheen onder de titel Hitlers religie.8 Hij droeg zijn boek op aan ‘de slachtoffers van het nationaalsocialisme – zowel joden als christenen’. Het centrale punt van Hesemanns betoog is dat Hitler de katholieke Kerk evenzeer haatte als de Joden, en dat hij ook het christendom wilde vernieti-


strategie

21

gen. In dit kader verdedigt hij de stelling dat Pius xii juist een actieve rol speelde in de strijd tegen het nazisme en daartoe alles deed wat in zijn macht lag. De Amerikaanse rabbijn en historicus David Dalin verwierp in 2005 in zijn boek The Myth of Hitler’s Pope: Pope Pius xii and His Secret War Against Nazi Germany de stelling dat de toenmalige paus met de nazi’s zou hebben gesympathiseerd.9 Integendeel, de paus zou alles gedaan hebben om het toenmalige antisemitisme in te perken. Volgens Dalin verdient Pius xii om die reden de onderscheiding ‘Rechtvaardige onder de Volkeren’ van Yad Vashem, ‘vanwege zijn inzet om Joden van de nazivernietiging te redden’.10 Dat is ook de stelling van Margherita Marchione, die in haar hagiografische essay Did Pope Pius xii Help the Jews? naar aanleiding van de vijftigste verjaardag van zijn overlijden aandringt op een dergelijke erkenning.11 De Britse historicus Michael Burleigh publiceerde in 2006 zijn boek Sacred Causes: Religion and Politics from the European Dictators to Al Qaeda,dat in 2007 in het Nederlands verscheen onder de titel Heilige doelen, een vervolg op zijn voorgaande werk Aardse machten.12 Burleigh wijst op het protest van een groot aantal priesters en geestelijken tegen de nazi’s. Ook hij verschoont de toenmalige paus omdat die ‘het minste kwaad’ verkoos, een houding waarmee hij talloze Joden gered zou hebben. Deze visie werd al in de jaren zestig uitvoerig verdedigd door Pinchas Lapide, die in zijn boek Three Popes and the Jews berekende dat de paus door zijn neutrale houding, zijn stille diplomatie en zijn stilzwijgen 860.000 Joden zou hebben gered.13 Hetzelfde doet theoloog Hans Jansen, die op basis van documenten uit de archieven van het Vaticaan probeert aan te tonen dat Pius xii niet heeft gezwegen, zoals tal van andere historici beweren. De Italiaanse katholieke schrijver en Vaticaanwatcher Andrea Tornielli publiceerde in 2007 het boek Pio xii. Eugenio Pacelli. Un uomo sul trono di Pietro, waarin hij voluit de verdediging van de paus op zich neemt, iets waarvoor hij onmiddellijk de steun kreeg van kardinaal Tarcisio Bertone, de Vaticaanse staatssecretaris.14 Die verklaarde voordien al dat Pius xii ‘het slachtoffer is van een duistere legende’. Bertone toonde zich dan ook verheugd met het boek van Tornielli, dat hij bestempelde als een ‘belangrijke weerlegging’ van de kritische werken die eerder over de oorlogspaus verschenen. Volgens de staatssecretaris zou de toenmalige paus in de grootste discretie gehandeld hebben en een ‘groot en zwaar innerlijk drama’ beleefd hebben om het lijden van de slachtoffers van de vervolgingen niet te verergeren. Verder zijn er nog de historici Ronald Rychlak met Hitler, The War and The Pope, die wel veel kritiek heeft op de houding van het Duitse episcopaat, maar voluit de verdediging op zich neemt van de toenmalige paus.15 Een zelfde visie vinden we bij Hans Jansen in De zwijgende paus? Protest


22

pius xii en de vernietiging van de joden

van Pius xii en zijn medewerkers tegen de jodenvervolging in Europa. Jansen verdedigt ook de stelling dat de paus binnen de grenzen van het mogelijke zowat alles gedaan heeft om Joden te redden.16 Rychlak en Jansen baseren zich hiervoor op de vermaarde Actes et Documents du Saint Siège relatifs à la Seconde Guerre Mondiale.17 Een samenvatting ervan werd gepubliceerd door Pierre Blet, die een positief beeld van Pius xii schetste.18 Een van de felste verdedigers van de toenmalige paus is professor Patrick Gallo, die de redactie op zich nam van het boek Pius xii, the Holocaust and the Revisionists.19 Alleen al het gebruik van het woord ‘Revisionists’ valt hierin op. Doorgaans wordt deze term gebruikt om er negationisten mee aan te duiden, mensen die de Holocaust ontkennen. Hiermee stelt Gallo dat de critici van Pius xii aan hetzelfde euvel lijden als de negationisten doordat ze volgens hem manifest de moedige houding van de paus willen ontkennen. Volgens Ralph McInerny, auteur van The Defamation of Pius xii, zijn al die aanvallen op Pius xii ook aanvallen op de ene en absolute waarheid van de katholieke Kerk en bijgevolg moreel onaanvaardbaar en gevaarlijk.20 Niet iedereen is het daarmee eens. In Yad Vashem, het Holocaustmuseum in Jeruzalem, hangt sinds 2005 een foto van Pius xii met het volgende onderschrift: ‘In 1933, toen hij Secretaris was van Vaticaanstad, was hij actief in het tot stand brengen van een concordaat met het Duitse regime om de rechten van de Kerk in Duitsland te vrijwaren, zelfs als dat betekende dat daardoor het racistische naziregime erkend werd. Toen hij in 1939 tot Paus verkozen werd, schortte hij de publicatie op van een brief tegen racisme en antisemitisme die zijn voorganger had voorbereid. Zelfs wanneer berichten over de moord op de Joden het Vaticaan bereikten, protesteerde de paus mondeling noch schriftelijk. In december 1942 tekende hij de geallieerde verklaring niet die de uitroeiing van de Joden veroordeelde. Toen Joden van Rome naar Auschwitz werden gedeporteerd, kwam de Paus niet in actie. De Paus bleef neutraal in de loop van de oorlog, met uitzondering van de verzoeken die hij tegen het einde van de oorlog bij de Hongaarse en Slowaakse regeerders deed. Zijn stilzwijgen en de afwezigheid van richtlijnen dwongen de geestelijken in Europa om zelf te beslissen hoe ze dienden te reageren.’ Deze visie wordt geheel of gedeeltelijk verdedigd door historici als Guenter Lewy, Karlheinz Deschner, John Morley, Daniel Goldhagen, John Cornwell, Klaus Scholder, Giovanni Miccoli, David Kertzer, Peter Godman, Gitta Sereny, Michael Phayer, Michael Marrus, Susan Zuccotti, Saul Friedländer en tal van anderen.21 Zij staan bijzonder kritisch tegenover Pacelli, de latere paus Pius xii, en droegen daarvoor heel wat feiten aan, onder meer uitspraken van nazi- en kerkleiders, kranten-


strategie

23

knipsels, historische documenten, fragmenten uit diverse archieven, foto’s, persoonlijke brieven, dagboeknotities en getuigenissen. Die tonen aan dat de kerkleiders goed op de hoogte waren van de Endlösung der Judenfrage, dat wil zeggen de politiek van identificatie, afzondering, onteigening, concentratie, deportatie en later vernietiging van de Joden in Duitsland en in de bezette gebieden, en dat ze hun stem zelden verhieven, of het naziregime zelfs mee ondersteunden. Natuurlijk waren er ook heel wat geestelijken die zich verzetten, die hardop protesteerden en die Joden hielpen onderduiken, maar dat deden ze doorgaans op eigen initiatief, ongeacht en vaak in strijd met de richtlijnen die ze uit het Vaticaan en van de diverse bisdommen kregen. Geen enkele historicus ontkent de grote inzet, moed en standvastigheid van die individuele geestelijken in die jaren van morele ontreddering, maar evenmin wil men deze persoonlijke daden van heldhaftigheid gelijkstellen met een algemeen verzet van de Kerk tegen het nazisme en zijn moorddadige politiek tegenover de Joden, noch met een heldhaftige en resolute houding van paus Pius xii in de donkerste periode van de moderne geschiedenis. In oktober 1999 werd een commissie opgericht bestaande uit drie katholieke en drie joodse historici, de professoren Eva Fleischner, Gerald Fogarty s.j., John Morley, Michael Marrus, Bernard Suchecky en Robert Wistrich. Ze kregen inzage in een aantal door het Vaticaan geselecteerde documenten, gebundeld in elf delen onder de titel Actes et Documents du Saint Siège relatifs à la Seconde Guerre Mondiale. Deze Actes et Documents waren in 1964 op verzoek van paus Paulus vi door de jezuïeten Pierre Blet, Angelo Martini, Burkhart Schneider en Robert Graham samengesteld en werden gepubliceerd tussen 1965 en 1981. Hoewel de samenstellers beweren dat de belangrijkste zaken hierin verwerkt zijn, ontbreken er cruciale documenten. Zo missen we een deel van de briefwisseling van de Berlijnse bisschop Konrad Preysing met Pius xii, de stukken van de omstreden Oostenrijkse bisschop Alois Hudal (die nu wel ter inzage liggen op het Pontificio Santa Maria dell’Anima in Rome), en zowat alle documenten over de gebeurtenissen in OostEuropa, met uitzondering van Polen en de Baltische Staten. Dat blijkt ook uit de vele verwijzingen in de teksten naar getuigenissen, brieven en reacties die niet werden opgenomen. Zo staan er tal van voetnoten in de Actes et Documents die refereren aan brieven van en naar de paus. Toen dit de hele commissie, dus ook de katholieke vertegenwoordigers, duidelijk werd, stuurde ze in oktober 2000 aan kardinaal Walter Kasper, hoofd van de Commissie voor Religieuze Relaties met de Joden, een lijst van 47 concrete vragen over zaken die wel vermeld worden in de Actes et Documents maar er niet of onvolledig in zijn opgenomen. Alleen al in


24

pius xii en de vernietiging van de joden

deel 10 wordt verwezen naar 700 documenten die zelf niet openbaar werden gemaakt. Na een woelige discussie tussen de commissieleden en pater Gumpel staakte de commissie op 23 juli 2001 haar activiteiten. Volgens verschillende commissieleden omdat het Vaticaan weigerde te antwoorden op aanvullende vragen; volgens Gumpel wegens het onredelijke gedrag en de vooringenomenheid van een aantal commissieleden. Zijn alle documenten die in het Vaticaans archief zitten bekend? In zijn boek De zwijgende paus? Het protest van Pius xii en zijn medewerkers tegen de jodenvervolging in Europa geeft theoloog Hans Jansen de indruk van wel. ‘Het verbaast me, dat anno 2000 nog altijd zeer velen in de veronderstelling leven, dat het Vaticaan angstvallige pogingen zou blijven doen om de Vaticaanse archieven gesloten te houden, als het gaat om de rol die Pius xii tijdens de Tweede Wereldoorlog met betrekking tot het lot van de joden speelde,’ schrijft Jansen, waarbij hij verwijst naar de Actes et Documents.22 Dat klopt natuurlijk niet helemaal. De Actes et Documents zijn heel belangrijk, maar het blijft uiteraard slechts een selectie. Dat wordt onder meer aangetoond door de vele verwijzingen naar documenten die er niet in zijn opgenomen. Waarom worden die documenten dan niet vrijgegeven? Heeft de Kerk wat te verbergen? De al dan niet bewuste onwil van het Vaticaan om zijn archieven over de oorlogsperiode volledig open te stellen en toegankelijk te maken voor onafhankelijke onderzoekers, voedt alleen maar het idee dat er zaken zijn die het imago van de Kerk kunnen beschadigen en dus het daglicht niet mogen zien. De Kerk moet beseffen dat ze door die houding de beschuldigingen tegen haar en haar vertegenwoordigers eerder aanwakkert dan tempert. Alleen volledige openheid kan ertoe leiden dat niet alleen de waarheid aan het licht komt, maar dat ook de noodzakelijke processen van berouw, vergeving en herstel van haar morele gezag daardoor kans van slagen hebben. Volgens pater Gumpel, met wie ik twee gesprekken voerde, is daar niets van aan en is de Kerk bereid om alle informatie te verschaffen, maar zijn er wel praktische bezwaren.23 De hoeveelheid aan documenten over de oorlogsperiode zou immers zo groot zijn dat bisschop Sergio Pagano, die officieel verantwoordelijk is voor de geheime archieven van het Vaticaan, nog zes tot tien jaar nodig heeft om ze op een wetenschappelijk aanvaardbare manier te identificeren, te nummeren, chronologisch te ordenen, te indexeren (zowel thematisch als op naam) en uiteindelijk op computer te zetten.24 Het zal dus nog een tijdje duren voor we een volledig zicht krijgen op alle documenten. Sommige historici vragen zich hardop af of het Vaticaan die archieven überhaupt wel wil ontsluiten. Een afdoend antwoord op die vraag is onmogelijk. Het


strategie

25

kan zijn dat het Vaticaan de openstelling van de archieven wil vertragen, maar met welk doel? Op een dag zullen ze immers toch het daglicht zien en zullen historici de beschikbare documenten kunnen onderzoeken en de bestaande hypotheses kunnen toetsen aan het beschikbare materiaal. Tenzij men bepaalde documenten doelbewust zou willen vernietigen om bepaalde sporen uit te wissen. Maar dat zou alleen leiden tot verdere speculaties en verdachtmakingen. Zowel de Kerk als de wetenschap heeft baat bij een volledige openstelling van de archieven, en als daar nog wat tijd voor nodig is, het zij zo. Dat neemt niet weg dat onderzoekers intussen hun hypothesen kunnen verkondigen op basis van de thans beschikbare documenten. Daar wil ik zelf een bijdrage toe leveren. Daartoe zal ik putten uit zowat alle beschikbare bronnen, zowel van voor- als tegenstanders van de paus, uit dagboeken en studies van deze en andere historici, en ook uit de bijzonder gedetailleerde Actes et Documents van het Vaticaan zelf. Die worden door zowat iedereen beschouwd als de vooralsnog volledigste weergave van belangrijke gebeurtenissen en als onbetwistbare documenten die geen enkele objectieve historicus naast zich neer kan leggen. Ze zijn weliswaar niet volledig en vormen het resultaat van een doelbewuste selectie door een groep jezu誰eten die daartoe opdracht kreeg van de toenmalige kerkleider. Het doel van dit boek is de verschillende argumenten en hypothesen van de hiervoor vermelde en andere historici aan een kritisch onderzoek te onderwerpen en na te gaan of ze degelijk en waarheidsgetrouw zijn of niet. Ik ben er mij van bewust dat we hiermee geen finaal beeld zullen krijgen van de drijfveren en de houding van Pius xii. Daarvoor is nog meer diepgaand onderzoek noodzakelijk. Wel wil ik een aantal misvattingen en gemeenplaatsen die zich de voorbije decennia in het collectieve geheugen van talloze mensen hebben vastgezet uit de wereld helpen, en de lezers aanzetten tot reflectie over een onderwerp dat, meer dan andere, de kern raakt van de moraliteit. Namelijk de manier waarop we ons als mens moeten gedragen tegenover medemensen in nood, ongeacht hun afkomst, geslacht of nationaliteit.


Pius XII en de vernietiging van de Joden