Issuu on Google+

Studentenraden in het mbo

Hoe zwaar telt hun stem? Mbo als arbeidsmarktinstrument Komt Bildung in verdrukking?

Mirjam Sterk ‘Ik wil weten om wíe het gaat’

Kwaliteitsslag examinering Schoen wringt bij praktijkexamens

#22

Op Be i ni e n roe e bl ed ps a d uc o n ov at d e e r ie rw ijs

Ba ck

sta ge

september 2013

backstagemagazine.nl


4 Medezeggenschap voor studenten Alle mbo-scholen moeten sinds twee jaar een studentenraad hebben. Op verreweg de meeste scholen is inmiddels zo’n medezeggenschapsorgaan, maar de verschillen zijn groot.

12 Spijkers met koppen

20 Algemene vorming in het mbo

Mirjam Sterk: ‘Bij de regionale sectortafels ga ik harde afspraken maken, om ervoor te zorgen dat de jeugd­ werkloosheid teruggedrongen wordt.’

Zeker in een tijd van grote jeugdwerkloosheid bestaat de neiging om de aansluiting op de arbeidsmarkt steeds belangrijker te maken. Maar gaat al die aandacht niet ten koste van het ‘Bildungsideaal’?

Colofon Back Stage is het tweemaandelijks opinieblad van de MBO Raad. De MBO Raad is de brancheorganisatie voor middelbaar beroepsonderwijs en volwasseneneducatie. Derde jaargang, nummer 22, september 2013 Overname van teksten is toegestaan onder bronvermelding en met toestemming van de redactie. Redactie: Marije Hulsbosch (hoofdredacteur a.i.), Nathalie van Dijk (eindredacteur) en Dagmar de Kruif-Pot (redacteur). Aan dit nummer werkten mee: Berber Bijma, Samar Haddad, Gerry Hurkmans, Seb Jarnot, Corien Lambregtse, Quinten Manuel, Guus Mater, Pieter Matthijssen, Luuk Obbink, Sander Peters, Sander van der Ploeg, Jeroen Poortvliet, Ed van Rijswijk, Annette van Soest, Nout Steenkamp, Elmer Veerhoff en José Vorstenbosch. BACK STAGE

Concept en vormgeving: Link Design, Amsterdam. Drukwerk: Senefelder Misset, Doetinchem. Coverfoto: iStockphoto Abonnementen en adreswijzigingen: backstage@mboraad.nl. Back Stage wordt gericht toegezonden. Betaalde abonnementen kosten 30 euro per jaar, incl. BTW en verzendkosten. U abonneert zich tot wederopzegging. Opzeggen abonnement: schriftelijk, met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn van een maand. Redactie-adres: H  outtuinlaan 6, 3447 GM Woerden tel. 0348 - 75 35 00 backstage@mboraad.nl www.mboraad.nl/backstage ISSN: 2211-2308


2/3

28 Verbetering examenkwaliteit

32 UITVINDINGEN

De kwaliteit van een mbo-examen moet onomstreden zijn. Toch constateert de Inspectie van het Onderwijs dat nog veel examens onder de maat zijn. Bij de praktijkexamens wringt vaak de schoen.

Elke druppel die het huis in gaat, levert energie op met de Green Aquatic Power Station.

rubrieken 9 COLUMN

16 WAT DOET zIJ ZOAL?

26 VIJF VRAGEN AAN …

Als er iets nóg moeilijker voorspelbaar is dan het weer, dan is het de arbeidsmarkt, vindt Jan van Zijl.

Etaleur Simone de Meijere is de eerste Nederlandse in tien jaar die tijdens WorldSkills goud veroverde.

Hoogleraar Jouke van Dijk vindt dat het mbo studenten moet opleiden met brede algemene vaardigheden.

10 MBOÔHTJES

18 IN BEELD

35 PITTIGE TAAL

Voldoende stageplaatsen en leerbanen zijn onmisbaar voor de carrièrekansen van mbo’ers. Hoe heeft het aantal actieve leerbedrijven zich in 2011 en 2012 ontwikkeld?

Onze 24 Nederlandse mbo-kampioenen streden tijdens WorldSkills tegen tegenstanders uit heel de wereld om de vaktitels.

Volgens econoom en publicist Ewoud Jansen kost onze nationale obsessie voor hbo- en wo-diploma’s alleen maar geld.

15 COLUMN Net afgestudeerd verpleegkundestudent Quinten Manuel: ‘Mijn school heeft het beste uit mij als student weten te halen.’

24 COLUMN ICT-docent Elmer Veerhoff doet een oproep aan bestuurders: ‘Koppel terug wat er met de kritische signalen van studentenraden gebeurt.’

25 MINISTER VOOR 1 DAG Als bouwdirecteur Rob de Kuiper onderwijs­ minister is, wil hij de keuzemogelijkheden in het mbo beperken.

8 Uitblinker Het kappersvak is volgens Marielle Bastiaansen een vak waar je je leven lang iets aan hebt. BACK STAGE


BACK STAGE


4/5

Grote verschillen in functioneren studentenraden

Medezeggenschap van studenten: het moet even wennen Van het aanbod in de kantine en lesuitval tot en met begrotingen en personeelsbeleid: studentenraden buigen zich over nogal wat onderwerpen. Alle mbo-scholen moeten sinds twee jaar een studentenraad hebben. Op verreweg de meeste scholen is inmiddels zo’n medezeggenschapsorgaan, maar de verschillen zijn groot. Tekst Berber Bijma Illustratie Link Design, Amsterdam Naast een ondernemingsraad moeten mboscholen sinds 2011 ook een ‘deelnemersraad’ hebben. De wettelijke verankering van de inbreng van studenten, vastgelegd in de Wet  educatie en beroepsonderwijs (WEB), moet ervoor zorgen dat de stem van studenten – naast die van ouders en personeel – serieus wordt genomen. De meeste scholen en studenten gebruiken in plaats van die formele aanduiding overigens liever de term studentenraad. Inmiddels heeft naar schatting zo’n tachtig procent van alle mbo-scholen een studenten­ raad, zegt Michiel Steegers. Hij is voorzitter van de Jongeren Organisatie Beroepsonderwijs (JOB). “De komende tijd willen we onderzoeken hoeveel scholen er nog zijn die geen studenten­ raad hebben en waarom dat zo is. Misschien zijn er geen studenten voor te vinden, misschien vindt de school het maar lastig om de raad te faciliteren of misschien is de bestaande raad langzaam leeggelopen. Allerlei redenen zijn mogelijk.”

veel verschillen in het functioneren van de raden. Verschillen die nog eens versterkt worden doordat het ene college van bestuur alles in het werk stelt om een goed functio­nerende studentenraad van de grond te krijgen, terwijl de raad bij bestuurders van andere scholen onderaan de prioriteitenlijst bungelt. Steegers: “Op de ene school stuurt het bestuur pakken papier naar de studentenraad in de verwachting dat die de nodige handtekeningen eronder zet, op andere scholen komt het college van bestuur om de paar weken op de vergadering om over alle mogelijke onderwerpen te praten.”

‘De studentenraad fungeert als een thermometer’ Engel Antonides

Het Alfa-college, met locaties in Groningen, Drenthe en Overijssel, is een voorbeeld van de laatste situatie. De school kreeg als eerste het  keurmerk van de JOB voor goed student­ medezeggenschap. “We hebben er meteen werk van gemaakt”, zegt bestuursvoorzitter Engel Antonides. “Daardoor hadden we al

Pakken papier

snel een geheel opgetuigde studentenraad. De studenten­raad fungeert als een thermometer: een mooi instrument om erachter te komen wat er leeft onder studenten.”

De JOB organiseert onder meer cursussen voor leden van studentenraden. Dat is ook wel nodig, want veel studenten weten niet wat de rechten en plichten van zo’n raad zijn. Dat zorgt voor

“Wij vinden de studentenraad écht belangrijk”, zegt Antonides. “Dat moet je niet alleen met woorden belijden, maar ook laten zien. BACK STAGE


Medezeggenschap van studenten: het moet even wennen vervolg

Het begint met onze aanwezigheid bij hun vergaderingen. Iedere drie weken zitten mijn collega-bestuurder en ik bij de studentenraad, in de meeste gevallen samen. De studenten waarderen het dat de lijnen kort zijn.” Antonides sprak met de studentenraad onder meer over de bestelprocedure voor studie­ boeken, de pinautomaten in de kantines, de bestemming van de studentenbijdrage en de gebruiksvriendelijkheid van het computer­ portaal. Ook pesten kwam ter sprake. “Dat is een onderwerp dat zowel het bestuur als de studenten na aan het hart ligt. Daarom hebben we op eigen initiatief de studentenraad bevraagd op de kwaliteit van ons pestprotocol.”

Informatievoorsprong

‘Met een goede begeleider functioneert de studentenraad nog beter’ Michiel Steegers

BACK STAGE

Het wettelijke advies- en instemmingsrecht schrijft voor dat studentenraden ook beleids­ stukken krijgen voorgelegd, bijvoorbeeld begrotingen en notities over personeelsbeleid. Als het over die onderwerpen gaat, hebben bestuurders ontegenzeglijk een informatie­ voorsprong, beaamt Jeroen Knigge, voorzitter van het college van bestuur van ROC Leiden. “Dus gaat het erom dat je als college van bestuur de studentenraad een ondergrond geeft om daadwerkelijk iets over die stukken te zeggen. Je moet ze goed informeren en vervolgens goed naar ze luisteren.” “Onze school is afgelopen jaar onder verscherpt financieel toezicht gesteld. Je kunt ervoor kiezen de studentenraad daar buiten te houden – vanuit de gedachte dat het ze toch boven de pet gaat – maar ik heb er juist voor gekozen alle ins en outs aan de studentenraad bekend te maken. Ik merkte dat andere leidinggevenden binnen onze school dat lastig vonden, maar ik ben voorstander van die transparantie. Studenten stellen andere vragen dan de ‘gestaalde kaders’ van medezeggenschap en zijn kritisch naar alle geledingen binnen de organisatie. Dat is verfrissend.”

ROC Leiden heeft sinds een jaar een studenten­ raad. Dat eerste jaar is vooral nog zoeken geweest, zegt Knigge, zowel voor de studenten als voor het bestuur. “Studenten weten vaak nog niet waar ze wel en niet over gaan. Het is voor hen niet gewoon mee te draaien in het grote geheel. Ik merk dat ze daarom soms wat terughoudend zijn. Aan de andere kant moet de organisatie er ook nog aan wennen dit nieuwe orgaan een plek te geven. Als bestuurder wil je de studentenraad de plek geven die hem wettelijk toekomt, maar je merkt dat de studenten daar in het begin nog mee worstelen. Daarom moet je ze wat bij de hand nemen, in een soort meester-gezel­ verhouding, totdat ze zover gegroeid zijn dat ze hun wettelijke rol ook echt kunnen vervullen. Dat is best lastig, want als bestuurder ben je eigenlijk geneigd vanaf dag één met de studenten­ raad net zo om te gaan als met de OR. Afgelopen jaar zijn we vooral bezig geweest met dit alles goed te regelen. Ik hoop dat we de komende tijd meer over de inhoud kunnen praten.” Knigge, die afgelopen jaar bijna maandelijks met de studentenraad om tafel zat, wil met de raad in gesprek over onderwerpen op het gebied van kwaliteit van onderwijs, waartoe hij ook de ‘kleine kwaliteit’ rekent. “Zijn roosters op tijd, hoe bejegenen docenten de studenten? Die betrekkelijk kleine zaken betekenen veel voor hoe een student de school ervaart.”

Vrij vragen Quinten Manuel, net afgestudeerd verpleeg­ kundige aan het Noorderpoort in Groningen, draaide de afgelopen twee jaar mee in de studentenraad. Het eerste jaar als penning­ meester, daarna als voorzitter. Hij onder­schrijft de woorden van Knigge: het eerste jaar van een studentenraad is vooral wennen, opbouwen, een plekje zoeken in de organisatie. Het tweede jaar konden concrete resultaten worden geboekt. “Een daarvan was een aanpassing van de onderwijs­ overeenkomst. Daarin stond eerst dat de school ’er alles aan doet’ om bij ziekte van een docent ’zo snel mogelijk’ een vervanger te vinden. Door onze inbreng is de regel nu dat de lesuitval maximaal zes weken mag duren.”


6/7

De relatie met het college van bestuur van het Noorderpoort was heel goed, zegt Manuel. “Op landelijke bijeenkomsten hoorde ik heel andere verhalen, bijvoorbeeld van studentenraden die de bestuurders maar eens per jaar zien.” De relatie met docenten daarentegen was niet altijd positief. “Docenten gaven studenten niet altijd vrij voor vergaderingen van de studentenraad. Blijkbaar is niet genoeg bekend dat dat een wettelijk recht is. Het zou mooi zijn als daar, ook op andere mbo-scholen, meer duidelijkheid over komt.” Michiel Steegers van de JOB hoort dergelijke geluiden ook. “Sommige studenten­raden weten zelfs niet dat ze onder lestijd mogen vergaderen. De medewerking van de school daarbij is erg verschillend.” Het Alfa-college heeft de leden van de studentenraad voorzien van een officiële brief, vertelt bestuurder Antonides. “Daarmee kunnen ze op hun stageadres, en als het nodig is ook intern, aan docenten laten zien dat ze recht hebben op vrijstelling vanwege hun lidmaatschap van de studentenraad.”

Tijd Lid zijn van een studentenraad kost nogal wat tijd. En het zou natuurlijk mooi zijn als de studie er niet onder hoeft te lijden. Dat is een dilemma, weet JOB-voorzitter Michiel Steegers uit eigen ervaring. “Ik ben voor­zitter geweest van de studentenraad van het SintLucas in Boxtel en heb in die tijd regelmatig met mijn tijd geworsteld. Vergaderingen zijn vaak aan het einde van de dag. Verkiezingen of acties die je wilt organiseren, kosten tijd. Je moet je planning en je schoolwerk goed op orde hebben, wil je alles kunnen bijhouden.” Stefan Smulders, voorzitter van de studentenraad van het Summa College in Eindhoven, deelt die mening. “Als we nieuwe leden voor de studentenraad zoeken, kiezen we mensen die het aankunnen. Je moet er goed voor staan, wil je de studentenraad erbij doen.”

Maar daar krijg je dan ook wat voor, benadrukken de voorzitters van de studentenraden. Quinten Manuel: “Ik heb erg veel te danken aan de studentenraad. Ik heb als voorzitter geleerd discussies te leiden, mensen te verbinden. Ook heb ik geleerd te onderhandelen en ideeën te ontwikkelen. Daarnaast heb ik veel feitelijke kennis opgedaan, bijvoorbeeld over wetten en begrotingen.” Toch is het op veel mbo-scholen een worsteling leden voor de studentenraad te vinden. De meeste scholen organiseren verkiezingen en zijn al blij als er net zoveel kandidaten zijn als vacatures. Iedere studentenraad mag zelf bepalen wat de zittingstermijn van leden is. Soms is dat een jaar, meestal twee of drie. Die korte zittingstermijn hoeft geen probleem te zijn, als er maar een goede overdracht is, zegt JOB-voorzitter Steegers. “Met een slechte overdracht lekt kennis weg en dat kan al snel zorgen voor minder animo onder studenten. Wij binden de raden op het hart: organiseer vroeg verkiezingen en neem de tijd voor een goede overdracht.”

onderwijs is zeker gebaat bij een  studenten­raad. Een optimaal rooster, docenten die op tijd komen, een goede bejegening van studenten – het is goed dat er een groep studenten is die als een tijger op dat soort onderwerpen zit.” Antonides: “Wij hebben de studentenraad uitgaande brieven voorgelegd. Daarin bleken onduidelijk­heden te zitten, die zijn aangepast. Op die manier wordt iedereen beter van de studentenraad.” “Het mbo heeft nog niet echt een traditie van medezeggenschap, zoals die in het hbo en op universiteiten wel gewoon is”, zegt Knigge. “Laten we het mbo de tijd gunnen ook zo’n traditie op te bouwen, want de stem van de studenten is zonder meer waardevol. Het onderwijs draait tenslotte om hen.”

Een andere belangrijke factor in de continuïteit is de begeleider die veel studentenraden hebben. Vaak gaat het om een docent die voor een of meer dagdelen is vrijgesteld om de studentenraad weg­wijs te maken in de organisatie en te helpen bij het doorgronden van lastige documenten. “Met een goede begeleider functioneert de studentenraad nog beter”, zegt Steegers.

Resultaat Levert het meepraten ook daadwerkelijk iets op? Ja, zeggen de voorzitters van de studentenraden. Ze wijzen op voorbeelden als regels rond lesuitval, het organiseren van meer ouderbetrokkenheid (Noorder­ poort) en het opheffen van prijsverschillen in de kantines op verschillende locaties (Summa College). Ook de bestuurders zien de toegevoegde waarde. Knigge (ROC Leiden): “De kwaliteit van het

BACK STAGE


Uitblinker

‘Probeer in één ding De beste te worden’

Ze begon als kapster, maar specialiseerde zich in visagie, beauty en make-overs. Door haar passie, doelgerichtheid en vastberadenheid heeft Marielle Bastiaansen (44) een carrière waar je ‘u’ tegen zegt. Ze is tv-presentatrice, schrijft columns en opent in september een exclusieve hairweavingstudio. ‘Kapper is een vak waar je je leven lang iets aan hebt.’

Na de opleiding heb ik in een kapsalon gewerkt, maar na vier jaar wilde ik me verder ontplooien in het beautyvak. Visagist was in die tijd een nieuw beroep en de combinatie van visagie en knippen leek me heel mooi. Na de opleiding tot visagist/stylist in Amsterdam ging ik op een breder vlak werk zoeken. Zo kwam ik bij de tv terecht, achter de schermen. Na verloop van tijd leek het me leuk om voor de camera’s te staan.

Tekst Samar Haddad Foto Gerry Hurkmans “Beauty, mode en haren zijn altijd al mijn passies geweest. Als kleuter knipte ik de haren van mijn poppen helemaal kort, ondanks waarschuwingen van mijn moeder. Als ze even weg was, knipte ik tóch een model in het haar en gaf er ook een soort showtje bij. Dus mijn moeder zei vroeger al: ’Je moet echt iets met televisie gaan doen.’ Ik wilde met mensen bezig zijn, iets creatiefs doen en iets blijvends creëren. Het haar maakt echt iemands uiterlijk. Dat ik daaraan mag bijdragen, vind ik het mooie van het vak. Daarom ben ik kapper geworden. Omdat ik creatief ben ingesteld, wilde ik in de praktijk aan de slag. Ik koos voor de kappersschool in Breda, een opleiding vergelijkbaar met het mbo. Bij de kappersopleiding leer je de vaktechniek waarmee je alle mogelijke kapsels kunt creëren, zelfs het Beatrix-model. Op school dacht ik: waarom moet ik dit allemaal doen en weten? Laat me gewoon lekker modieus knippen! Maar ondanks dat de mode verandert, heb je bij elk kapsel toch de basis nodig die je op school leert. BACK STAGE

Ik heb me in make-overs gespecialiseerd, omdat ik het fijn vind om met vrouwelijke consumenten te werken. Iedereen heeft iets moois, alleen moet dat soms even naar boven worden gehaald. Dat ik de kans heb gekregen om van mijn passie mijn werk te maken, is iets waar ik heel dankbaar voor ben. Andere mensen denken misschien dat ik geluk heb gehad, maar ik heb er heel lang over gedaan om te komen waar ik nu ben. Jarenlang ben ik met mijn portfolio bij iedereen langsgegaan. Door mijn Brabantse zachte ‘g’ was het in Amsterdam helemaal niet makkelijk om bij de tv te komen. Ik heb zelfs alle afwijzingen bewaard. Je kunt opgeven en denken: het wordt niets. Maar je kunt ook doorgaan en een keer geluk hebben. Ik heb altijd heel doelgericht gewerkt en ben overal op afgestapt. Je moet zelf initiatief nemen, want ze komen je niet halen. Het kappersvak is een vak waar je je leven lang iets aan hebt. Het is echt handenarbeid en ondanks de crisis moeten mensen nog steeds geknipt worden. Studenten adviseer ik: specialiseer je. Leer alle aspecten van het vak beheersen, maar probeer in één ding de beste te worden.”


8/9

Column

Stimuleer de persoonlijke ontwikkeling van mbo’ers! Foto Ed van Rijswijk

Na vier jaar mbo mag ik mij met trots verpleegkundige noemen. In 2009 begon ik met de opleiding Verpleegkunde en afgelopen zomer ben ik afgestudeerd. Aan mijn school heb ik veel te danken. De docenten hebben mij niet alleen enthousiast gemaakt voor het vak, ook hebben zij mij geholpen me te ontwikkelen tot de persoon wie ik nu ben. Als ik terugdenk aan de zestienjarige van vier jaar geleden, is er aan de ene kant veel veranderd, maar aan de andere kant ook weer niet. Ik ben nog steeds dezelfde jongen die houdt van discussiëren, verdieping en grappen maken. Wel heb ik geleerd die eigenschappen op een andere manier te uiten. Daarin ben ik veranderd en gegroeid. Discussiëren was in 2009 voor mij de tegenstander overhoop schieten met argumenten, zonder adempauze en ruimte voor tegenspraak. Door goede coaching en feedback van mijn docenten heb ik het discussiëren weten te ontwikkelen tot het goed formuleren van mijn argumenten en het luisteren naar het verhaal van de ander. Dat zie ik als een belangrijke persoonlijke ontwikkeling die ik heb doorgemaakt in het mbo. Hierdoor heb ik ook kennis en ervaring opgedaan die mij aan het einde van mijn opleiding hebben geholpen om vertegenwoordiger van meer dan 15.000 studenten te worden. Hier dank ik onder andere mijn school voor. Zij hebben het beste uit mij als student weten te halen. Mijn school heeft altijd veel energie gestoken in persoonlijke studieloopbaanbegeleiding. Deze begeleiding vertaalde zich in een-op-een-gesprekken, verdeeld over een studiejaar. Hierin werd niet alleen gekeken naar de studieresultaten, maar ook naar de thuissituatie, de sfeer op school en jouw eigen rol in het geheel. Na elk gesprek formuleerden we evaluatie- en actiepunten die in het volgende gesprek aan bod kwamen. Ik had er niet altijd zin in om ‘weer’ zo’n gesprek met de mentor te hebben, maar  zoals zo vaak zag ik achteraf wel de toegevoegde waarde hiervan en wist ik die begeleiding te waarderen. In de studentenraadvergaderingen stond het onderwerp studieloopbaan­ begeleiding ook een paar keer op de agenda. Niet alleen landelijk, maar ook binnen mbo-scholen zijn er grote verschillen in de invulling van dit vak. Vaak zijn het ‘ophokuurtjes’ of uren waarin studenten ’huiswerk’ moeten maken. Juist deze uren moet de school benutten voor pure begeleiding. Begeleiding die studenten van A naar B brengt, want dat houdt studieloopbaan­begeleiding in. Toch?

Quinten Manuel Verpleegkundige en voormalig mbo-student BACK STAGE


MBOóhtjes wist u dat? Ontwikkeling aantal actieve leerbedrijven 2011-2012 (in %)

Sector groen

Sector techniek

Beroepsgroep

bbl

bbl/bol

Dierverzorging

-2,6%

-6,4% 0,8%

Installatie-, elektro- en metaaltechniek -4,2% 1,8%

7,3%

-4,5% 5,4%

Procestechniek

Plantenteelt

bol

Sector economie

Beroepsgroep

bbl

bbl/bol

-11,8%

13,1%

bol -0,9% 26,5%

Sector zorg en welzijn

Beroepsgroep

bbl

Economisch administratief Detailhandel Food/Non Food

bbl/bol

bol

Beroepsgroep

bbl

bbl/bol

bol

-0,8% 6,0%

1,5%

Welzijn

-15,8%

-12,0%

9,5%

-9,0% 0,5%

5,1%

Zorg

1,0%

4,5%

-0,2%

Bron: DUO, bewerkt door SBB

Actieve leerbedrijven in het mbo De beroepsbegeleidende leerweg (bbl) in het mbo heeft het door de economische crisis zwaar. De afgelopen twee jaar gingen 20.000 leerbanen verloren. Daarnaast konden het afgelopen studiejaar 14.500 bbl’ers niet op een leerbaan worden geplaatst. Studenten kiezen daarom in toenemende mate voor de beroeps­ opleidende leerweg (bron: SBB Barometer, juni 2013). Dat zet het aantal stageplaatsen in de bol verder onder druk. Naar aanleiding van het sombere beeld heeft Mirjam Sterk overheden, onder­nemers en onderwijs­

instellingen voor de zomer opgeroepen om leerbedrijf te worden en stageplekken en leerbanen beschikbaar te stellen. In de afgebeelde grafieken ziet u het verschil in percentages tussen het aantal actieve leerbedrijven in de kalenderjaren 2011 en 2012. Een actief leerbedrijf is een leerbedrijf waar in de genoemde periode minimaal één student een leerbaan of stage heeft doorlopen. De opleidingen in het middelbaar beroepsonderwijs zijn verdeeld over vier sectoren:

zorg en welzijn, economie, techniek en groen. Per sector is het aantal actieve leer­ bedrijven voor twee beroepsgroepen weergeven. De kolom ‘bbl’ betekent dat het leerbedrijf alleen bbl-studenten onder­dak biedt. In de kolom ‘bbl/bol’ staan de leerbedrijven die zowel bbl- als bol-studenten stages/leerbanen aanbieden en in de laatste kolom staan de actieve leerbedrijven die alleen voor bol-stagiaires contracten hebben afgesloten.

Volg al het mbo-nieuws via: www.twitter.com/mbonieuws www.twitter.com/ditismbo BACK STAGE


10 / 11

dat dan weer wel Genomineerden ‘Leraar van het jaar 2013’ bekend

Uitblinkersgala 2013

Foto Freddy Schinkel

Thea Nieuwenhuis is, Leraar van het Jaar 2013. Foto Nout Steenkamp

In totaal 46 scholen doen mee aan de jaarlijkse Uitblinkers­ verkiezing. Uitblinkers zijn mbo-studenten die tijdens hun studie en/of stage een bijzondere prestatie hebben geleverd. Alle deelnemende mbo-scholen kiezen ieder jaar hun eigen Uitblinker die zij nomineren voor de landelijke verkiezing.

Uit de top 10 van 46 Uitblinkers kiest een deskundige jury tijdens het Uitblinkersgala de ‘Landelijke Uitblinker mbo 2013’. De winnaar sleept niet alleen de felbegeerde titel in de wacht, maar ook een geldbedrag van 2.500 euro te besteden aan persoonlijke ontwik­ keling. U kunt nog tot 2 oktober stemmen op uw favoriete Uitblinker via www.ditismbo.nl/uitblinkers. Het Uitblinkersgala vindt dit jaar plaats op 10 oktober bij Hart van Holland in Nijkerk. Genodigden ontvangen hiervoor een uitnodiging.

Nog 31 docenten zijn er in de race om ‘Leraar van het jaar 2013’ te worden. Zij werken in het basisonderwijs, het speciaal onderwijs, het vo en het mbo. Voor het mbo zijn genomineerd: Mans Buurman (NHB Deurne), Sara Albone (Groenhorst), Ans Boeren (Koning Willem I College), André Cuijten (Arcus College), Mieke Noordermeer (Nova College), Sietske Veenstra (AOC Terra) en Jasper van Buiten (Alfa-college). De 31 genomineerden maken in de tweede juryronde een video waarin ze hun kwaliteiten tonen. Studenten en collega’s mogen ook hun docent promoten. De beroepsjury kiest vervolgens per onderwijssector drie genomineerden. Een vakjury beoordeelt uiteindelijk de twaalf overgebleven docenten op hun kwaliteiten. De winnaars worden op 5 oktober bekendgemaakt. De winnende docent van het mbo neemt de titel over van Thea Nieuwenhuis en mag een jaar lang de rol van ambassadeur voor het mbo vervullen.

­

Onderwijspersoneel meest tevreden beroepsgroep Geen beroepsgroep in Nederland is zo tevreden over het werk als onderwijspersoneel. Dat blijkt uit de Nationale enquête arbeidsomstandigheden 2012. Toch is het onderwijs ook de sector waarin de meeste werknemers burn-outklachten ontwikkelen. Bijna 20% van de onderwijsprofessionals krijgt daarmee te maken. In het onderwijs kunnen werknemers vaak zelf beslissingen nemen en oplossingen bedenken. Daarnaast is onderwijs­

personeel bovengemiddeld emotioneel betrokken bij het werk. Dat maakt het werk volgens 20% van de respondenten emotioneel belastend. Ondanks deze belasting wil onderwijs­ personeel het langst van iedereen doorwerken, ze houden van hun vak. In 2011 wilde het onderwijspersoneel doorgaan met werken tot de leeftijd van 63,6 jaar. In 2012 waren de respondenten bereid om door te werken tot 63,9 jaar. Dat is de hoogste score van de onderzochte beroepsgroepen. Bron: Onderwijsblad

BACK STAGE


‘Heel vaak is er nog een mismatch tussen opleiding en vacature’

BACK STAGE


12 / 13

Mirjam Sterk: ambassadeur aanpak jeugdwerkloosheid

‘dit probleem is niet alleen met geld op te lossen’ Bijna 17 procent van de Nederlandse jongeren die willen en kunnen werken, zit zonder baan. Dat is het hoogste percentage sinds de crisis in de jaren tachtig. Wat zijn de concrete plannen van ambassadeur Mirjam Sterk om samen met werkgevers, overheden en onderwijsinstellingen de oplopende jeugdwerkloosheid terug te dringen? Tekst Annette van Soest Illustratie Seb Jarnot – Unit CMA

Er zijn al zo veel initiatieven om kansen te creëren voor jongeren op de arbeids­ markt. Waarom is er een speciale ambassadeur voor nodig? “Na het vorige actieplan ligt er een goede structuur voor het overleg in de regionale arbeidsmarkt, maar de verbinding tussen werkgevers, overheid en onderwijs­ instellingen is nog steeds onvoldoende. Ik ben de verbindende factor die alle spelers om de tafel moet krijgen.”

Waarom lukte dat tot nu toe niet? “Het zijn verschillende werelden. Werk­ gevers blijven het liefst zo ver mogelijk bij de overheid vandaan, omdat die in hun ogen vaak staat voor bureaucratie. En gemeenten spreken de taal van de werk­gever vaak onvoldoende. Een bakker wil graag zijn brood bakken. Die wil zich liever niet bezighouden met een jongere die begeleid moet worden. Al zijn er gelukkig ook heel veel werkgevers die leerbedrijf zijn.”

U spreekt die taal wel? “Ik kan die twee werelden bij elkaar brengen. Door mijn komst gebeurt dat ook regelmatig. Bij een topoverleg onlangs in Rotterdam-Rijnmond hebben we met het bedrijfsleven, kenniscentra, mbo-scholen, gemeenten en vakbonden concrete

afspraken gemaakt op het gebied van stageplekken, leerbanen en banen. En méér, want er kwam nog een heleboel op tafel wat eerder nog niet in beeld was.”

Zoals? “Ook veel zzp’ers hebben plek voor het opleiden van jongeren. Alleen hebben zij specifieke ondersteuning nodig en moeten ze eerder erkend worden als leerbedrijf. Dat pakken we nu aan.”

De problemen die u aanstipt, spelen al jaren. Denkt u dat men het zelfstandig kan, als u weer uit beeld bent? “Vergeleken met vroeger is er op regionaal niveau al veel beter contact tussen overheid en onderwijs. Alleen werkgevers zitten nog niet altijd aan tafel. Doordat ik dat ga organiseren en partijen elkaar leren kennen, zal dat in de toekomst makkelijker gaan. Daar heb ik alle vertrouwen in.”

Op welke manier probeert u kansen te creëren voor werkzoekenden? “Heel praktisch? In Noord-Limburg heb ik met VTL, een opleidingsinstituut voor de transport en logistiek, gesproken. Zij konden zeventig banen bieden, maar dan moesten ze wel de jongeren aangeleverd krijgen. De verantwoordelijk wethouder gaat zijn best doen. Ik heb een deadline

gesteld: binnen een halfjaar zijn er zestig jongeren aan het werk bij VTL.”

Het zijn dus echt concrete plannen? “Dat is een voorwaarde. Mbo-scholen zeggen dat ze kampen met een stageen leerbanentekort. Dat geloof ik, maar ik wil weten om wíe het gaat: welke stagiair, welke periode, welke richting. Pas dan kan ik naar werkgevers stappen.” Dit najaar wil Sterk spijkers met koppen slaan. Zogeheten ‘regionale sectortafels’ met onderwijs, bedrijfsleven, UWV en gemeenten moeten tot concrete afspraken leiden over banen en leerplekken. De plannen in de regio worden de komende twee jaar ondersteund met 25 miljoen euro van het kabinet. Hetzelfde bedrag is beschikbaar voor ‘School ex’, een programma om mbo-examenkandidaten te stimuleren na het behalen van hun papiertje langer door te leren. Daarnaast draagt Den Haag in zowel 2014 als 2015 300 miljoen euro bij aan sectorplannen van werkgeversorganisaties en vakbonden die, naast behoud van vakkrachten en begeleiding van werk naar werk, gericht zijn op terugdringing van de jeugd­werk­ loos­heid. De sociale partners moeten de helft van de plannen zelf bekostigen.

BACK STAGE


‘dit probleem is niet alleen met geld op te lossen’ vervolg

Hoe voorkomt u dat het beschikbare geld vooral in overleg gaat zitten? “Werkgevers en werknemers krijgen alleen financiering voor de concrete uitwerking van hun sectorplannen. Zo maken we bijvoorbeeld geld vrij voor een werkgever die een jongere in dienst neemt en hem laat begeleiden door een oudere werknemer.”

Door de economische crisis stellen bedrijven steeds minder stages en leer­banen beschikbaar. Waar lopen ze in de praktijk tegenaan? “Werkgevers geven aan dat ze best wel willen, maar dat het gewoon te duur is. Ze  hebben net hun eigen personeel moeten ontslaan en hebben geen financiële ruimte om te betalen voor een jongere die ook vaak nog eens minder productief is.”

Wat kunt u hierin betekenen? “Vanuit het kabinet ligt er 600 miljoen op de plank voor die sectorplannen. Ik heb ervoor gepleit dat dit jaar al de helft kan worden uitgegeven, bijvoorbeeld aan loonkostensubsidie, mits bedrijven jongeren aan een leerbaan helpen.”

Om werkgevers te blijven stimuleren leerwerkplaatsen aan te bieden, heeft het kabinet een subsidieregeling voor studenten met een bbl-opleiding ingevoerd. Hoe kunnen stages voor bol-studenten bekostigd worden? “Het probleem met de bol-stages, is dat steeds meer jongeren zo’n beroeps­ opleidende leerweg volgen. Hoe komt dat? Omdat er te weinig bbl-plaatsen zijn. Een stage is natuurlijk altijd relatief goedkoper dan een leerbaan voor een werkgever.

Bij die regionale sectortafels wil ik juist over die bbl-leerbanen afspraken maken. Dan zal er veel minder druk op de bol komen te staan, waarmee financiering makkelijker wordt.”

Is het allemaal alleen een kwestie van geld? “Dit probleem is niet met geld alleen op te lossen. Er zijn nog steeds werkgevers die vacatures hebben, maar de jongeren daarvoor niet kunnen vinden. Ook zijn er nog steeds scholen die geen leerwerk­ banen vinden om hun studenten op te leiden. Heel vaak is er dus nog een mis­ match tussen opleiding en vacature.”

Hoe kijkt u tegen de ‘maakbaarheid’ van de arbeidsmarkt aan? Valt te voorspellen welke sectoren veel arbeidsmarkt­ perspectief hebben? “Niet voor de volle honderd procent. Bepaalde voorspellingen zijn wel reëel. In de bouw stromen elk jaar zo’n drieduizend mensen uit. Gewoon, omdat ze te oud zijn. In de zorg doet het kabinet een steeds groter beroep op mantelzorgers. Dat betekent dat vooral de mbo-opleidingen op niveau 1 en 2 in de zorg steeds minder relevant zijn. Daarop kun je het arbeids­ marktbeleid afstemmen.”

De arbeidsmarkt van vandaag is niet die van morgen. Kunt u garanderen dat de huidige leerwerkplekken er over vier jaar nog steeds zijn? “Harde garanties kan ik niet geven. Wel kan ik tijdelijk belemmeringen voor werk­gevers wegnemen. Een van de sectoren die de grootste problemen rond leerbanen heeft, is de bouw.

Tegelijkertijd is het een kansrijke sector. Over een jaar of vier zal er dankzij de vervangingsvraag zeker behoefte zijn aan jongeren.”

Hebben studenten nog wel de vrijheid om de studie te kiezen die ze willen? “Het staat iedereen vrij om te kiezen wat hij wil studeren, maar het lijkt me wel verstandig dat jongeren zich bewust zijn van hun kansen op de arbeidsmarkt. Je kunt niet met een diploma in de hand claimen dat je recht hebt op een baan. Zo zit de wereld niet in elkaar.”

Hoeveel jongeren wilt u op deze manier aan het werk helpen? “Ik kan geen aantallen noemen, dat is niet reëel in deze tijd. Niemand heeft een knop waardoor de economie harder gaat draaien. Het lijkt er wel op dat we met de Starters­ beurs zo’n 10.000 werkervarings­plaatsen kunnen creëren. Jongeren kunnen met deze beurs een werk­ervaringsplaats zoeken die past bij hun opleiding. Een halfjaar lang krijgen zij de kans om te laten zien wat zij waard zijn. Daarvoor krijgen zij van de gemeente 500 euro per maand. Door werkervaring op te doen, vergroten deze jongeren de kans op een baan. Toen ik begon waren er twee gemeenten die meededen, nu meer dan honderd.”

Wanneer is uw ambassadeurschap dan geslaagd? “Als ik het gevoel heb dat we er met zijn allen alles aan hebben gedaan wat we konden. En als we geen kansen hebben laten liggen om ervoor te zorgen dat jongeren weer in de samenleving staan, in plaats van ernaast.”

Curriculum vitae Dat klinkt toch een beetje vrijblijvend. Geboren: 23 mei 1973, Zeist

“Wat zou u willen?”

Studie: Theologie aan de Rijksuniversiteit Utrecht en kerkelijke opleiding aan de Universiteit van Amsterdam Werk: CDA-Tweede-Kamerlid (2002-2012), ambassadeur aanpak jeugdwerkloosheid sinds april 2013. Zie ook: www.ditissterkteam.nl

BACK STAGE

Ik vraag me af of er niet wat hardere afspraken zijn gemaakt. “Tijdens die regionale sectortafels in het najaar ga ik harde afspraken maken, om ervoor te zorgen dat de jeugdwerkloosheid teruggedrongen wordt.”


Column

14 / 15

Tweerichtingsverkeer Foto Ed van Rijswijk

Het is weer voorbij die mooie zomer. Alle vakantiespullen zijn opgeruimd, de zonnebrand ligt in de kast. En het onderwijs is alweer een paar weken in volle gang. Een van de artikelen in dit ‘nazomernummer’ gaat over studentenraden in het mbo. Als mbo-docent verbaas ik mij al jaren over de weinige invloed die studenten hebben op het onderwijs. Ik heb studentenraden voorbij zien komen, waarvan ik in eerste instantie dacht: wat een mooi initiatief. Op die manier kan een student invloed uitoefenen op zijn eigen onderwijs. Ik heb studentmede­ zeggen­schap in allerlei vormen de revue zien passeren: van een maandelijks etentje van studenten met de directeur tot regelmatige bijeenkomsten van onderwijsmanagers met studenten. Toch blijkt échte inspraak van studenten nog flink wat voeten in de aarde te hebben. Naast ict-docent ben ik ook al een aantal jaren mentor. Mijn studenten kloppen soms bij mij aan om misstanden in het onderwijs aan de kaak te stellen. Denk bijvoorbeeld aan studenten met een overvloed aan tussenuren in het rooster, docenten die regelmatig te laat komen of vier toetsen op één dag in een toets­ week. Mijn advies aan deze studenten is altijd geweest om dit soort onder­ werpen bij de studentenraad in te brengen. De raad is immers hét middel om in een ongedwongen sfeer onderwijsmisstanden bij de juiste gezaghebbende persoon onder de aandacht te brengen. Die kan daar vervolgens met acties en maatregelen op reageren. De werkelijkheid is helaas weerbarstiger gebleken. Ja, studenten brachten regelmatig foute onderwijszaken bij het bestuur voor het voetlicht. Maar wat deed het bestuur vervolgens met die kritische signalen? Dat bleef vaak gissen. Althans, ik heb zelf nooit acties of reacties van het bestuur gezien. Laat staan verbeteringen. Als de leden van een studentenraad inderdaad weinig of niets terugzien van hun signalen, dan is dat natuurlijk zeer demotiverend. En een gemiste kans voor onze bestuurders. Studenten weten namelijk drommels goed wat er in ons onderwijs fout gaat. Maak daar dan ook als bestuurder gebruik van. En laat weten tot welke verbeteracties hun inspanningen hebben geleid. Koppel dat bijvoorbeeld via rapportages terug. Studenten gaan zich hierdoor meer betrokken voelen en er ontstaat een sfeer van wederzijdse feedback. Allemaal acties die de tevredenheid onder studenten doen toenemen. En misschien nog wel belangrijker: de kwaliteit van ons onderwijs wordt er alleen maar beter van!

Elmer Veerhoff Docent Nova College Haarlem

BACK STAGE


En wat doet ZIJ zoal?

De week van etaleur Simone de Meijere, winnares van WorldSkills

‘Voor een decor, moet je zagen en boren’ Ze is de eerste Nederlandse in tien jaar die tijdens WorldSkills goud veroverde. Simone de Meijere (20) was bij de wereldkampioenschappen beroepen in Leipzig de beste in visual merchandising, zeg maar etaleren. Ze denkt dat ze heeft gewonnen door een combinatie van originaliteit, humor en een commerciële inslag. ‘Je wilt dat de mensen even opkijken.’ De Meijere, nagels in alle kleuren van de regenboog, studeerde in 2012 af aan Nimeto Utrecht en gaat nu Lifestyle & Design studeren aan de Willem de Kooning Academie in Rotterdam.

Ma DECORBOUWERS “Een oud-studente van Nimeto, Philine van den Hul, had me tips gegeven voor de beroepen­ wedstrijd. Ze haalde twee jaar geleden zilver. Op haar advies ga ik nu ook verder studeren. Het etaleren heb ik gewild sinds ik op het vmbo van het Erfgooiers College in Huizen zat. Grafische vormgeving had ook gekund, maar daarvoor werk je te veel met computers. Ik houd meer van klussen en knutselen. Etaleurs zijn decorbouwers en voor een decor moet je zagen en boren. Of het goed verdient? Weet ik eigenlijk niet. Crisis of geen crisis, grote bedrijven zullen altijd een budget houden voor presentatie.’’

BACK STAGE

Di

Tekst Guus Mater Foto’s Jeroen Poortvliet

bieb “Nimeto mag altijd een etalage maken voor de Centrale Bibliotheek in Utrecht. Deze is geïnspireerd op wat ik in Leipzig heb gedaan. WorldSkills was een geweldige ervaring, echt een groots evenement. Onder meer tegelzetters, metselaars en lassers voerden er opdrachten uit. Ik moest twee etalages maken. Een met kleding onder het motto ‘tropical holiday’ en de ander met servies in de stijl van het thema ‘eclectic diner’. Voor de eerste had ik een etalagepop op zijn kop geplaatst. Dan is het maar de vraag of bijvoorbeeld een Aziatisch jurylid dat weet te waarderen. Met mijn docente heb ik besloten het servies aan elkaar te lijmen. Dat gaf wel een gekke indruk.’’


16 / 17

Wo etalagesloffen “De wisselwerking met mijn docente Erika Scharff is heel belangrijk. Ik kom met mijn idee, geïnspireerd door tijdschriften en afbeeldingen op internet. Ook muziekvideo’s geven mij inspiratie. Mijn docente bekijkt mijn schetsen en reageert daarop. Daarbij leert zij mij technieken en geeft ze adviezen. Uiteindelijk kan het zijn dat een etalage er totaal anders uitziet dan aan­ vankelijk bedoeld. Erika heeft gewerkt bij Metz & Co, V&D en De Bijenkorf en heeft etalage­­sloffen aangehad. Ik heb veel aan haar gehad. Ik heb echt mazzel dat mijn docent ook een expert bij WorldSkills is (dat betekent dat Erika Scharff jurylid van de vakwedstrijden is, red.).’’

media “Vandaag heb ik een fotoshoot voor Elsevier thuis in Hilversum. De rubriek Talent in Beeld besteedt aandacht aan mijn prestaties bij WorldSkills. Aan de media-aandacht raak je steeds meer gewend. De Telegraaf maakte ook al foto’s, Radio1 heeft me wakker gebeld en ook Giel Beelen van 3FM wilde alles van me weten. Verder hebben Radio Noord-Holland, BNR, RTL Boulevard en de Gooi- en Eemlander me geïnterviewd. Voor de opleiding ben ik nu een soort uithangbord. De mensen van mijn school zijn ook hartstikke trots. Maar ik blijf mezelf hoor, daar hoef ik niet veel moeite voor te doen. Ik ga straks gerust weer bij de Rode Winkel en Thom Broekman, mijn oude stageadres, aan de slag.’’

Do geurlab “Mijn vader werkt in het geurlab van PFW

Vr

Aroma Chemicals in Barneveld, het kippendorp. Hij is parfumeur. Ik heb daar een bijbaantje om geld te verdienen voor de vakantie, als manusje van alles. Die creativiteit heb ik van mijn vader. Hij is erg creatief met zijn neus. Ik denk dat creativiteit niet altijd eenvoudig op te roepen is. Die komt doorgaans later op de dag op gang. Dat maakte mijn opleiding wel lastig. Vroeg op en laat naar bed om de opdrachten af te krijgen. Het was hard werken, maar ik heb er veel plezier aan beleefd. Over tien jaar zie ik mezelf wel als styliste bij een tijdschrift werken, zoals VT Wonen.’’

BACK STAGE


In beeld

Gouden oogst Tekst Nathalie van Dijk Foto WorldSkills International Leipzig was van 2 tot en met 7 juli het toneel van de 42e editie van WorldSkills. Onze 24 Nederlandse mbo-kampioenen streden tegen tegenstanders uit heel de wereld om de vaktitels. Team Nederland deed mee aan negentien vak­wedstrijden. Simone de Meijere won goud bij het vak Etaleren. Het is de tweede gouden plak van deze 20-jarige studente van vakschool Nimeto Utrecht: vorig jaar wist zij ook al goud te behalen bij de EuroSkills. Op pagina 16 leest u een interview met deze winnares. Wouter van der Ven, Pim Bexkens en Robbert-Jan van Wijk behaalden de bronzen medaille bij de Manufacturing Team Challenge. In totaal namen 1.050 kandidaten het tegen elkaar op voor het oog van 200.000 bezoekers op een competitievloer van 170.000 m2. Dit maakt WorldSkills 2013 tot het grootste internationale beroepenevenement ter wereld. www.worldskills-team.nl

BACK STAGE


18 / 19

BACK STAGE


BACK STAGE


20 / 21

Komt algemene vorming in het mbo in verdrukking?

‘Bildung, burgerschap en beroepsethiek’ Jongeren klaarstomen voor een baan, een vervolgopleiding of ze ook algemene vorming bieden? Het evenwicht tussen deze drie taken van het mbo is precair. Zeker in een tijd van grote jeugdwerkloosheid bestaat de neiging om de ‘b’ van beroeps­ onderwijs steeds belangrijker te maken. Verklaarbaar, jazeker. Maar gaat al die aandacht niet ten koste van het ‘Bildungsideaal’? En zo ja, is dat erg? Tekst Sander Peters Illustratie Link Design, Amsterdam Leren, loopbaan en burgerschap. De fraaie trits klinkt bijna als een leus uit de Franse Revolutie. Maar de werkelijkheid is prozaïscher: het zijn de kernbegrippen uit de drievoudige kwalificering van het mbo in Nederland. Idee is dat iedere afgestudeerde mbo-student op deze drie gebieden onderlegd is. Met dat uitgangspunt zal niemand het oneens zijn. Meer discussie is er over de verhouding tussen de drie ‘poten’. Wat is de primaire taak van het mbo? Kennis­ overdracht, vakmanschap bijbrengen, communi­ catieve en sociale vaardigheden aanleren of algemene vorming, ook wel Bildung genoemd? Wat is het ideale evenwicht hiertussen? Is het mbo doorgeslagen in de nadruk op de ‘b’ van beroepsonderwijs? En wat is algemene vorming, Bildung of burgerschap eigenlijk? “Van oudsher staat Bildung voor het bijbrengen van de hogere maatschappelijke en culturele normen en waarden”, legt filosoof Wouter Sanderse uit. “Daartegenover staat Ausbildung, dat meer gericht is op het bijbrengen van kennis en vaardigheden voor een beroep. In mijn optiek is die scheiding echter kunstmatig. Wie goed wil functioneren bij een organisatie, moet zowel over kennis en vaardigheden beschikken als over normen en waarden.”

Voorbeeldfunctie Als lector ‘Beroepsethiek voor docenten’ bij Hogeschool Fontys doet Sanderse praktijk­ gericht onderzoek naar de vormende taak van docenten in het beroepsonderwijs. “De meeste docenten vinden algemene vorming heel belangrijk. Het overbrengen van normen en waarden en jonge mensen opvoeden tot burgers die goed functioneren binnen de maatschappij, is voor veel docenten het meest bevredigende van hun werk.” Het is wél een moeilijke taak, want Bildung voltrekt zich meestentijds impliciet, weet Sanderse. “Je begint de dag niet met een uurtje burgerschap. Nee, het zit ‘m in de voorbeeldfunctie, van docenten maar ook van de schoolleiding. De school is een ‘society in miniature’. Dus als bestuurders uitstralen dat het de school vooral te doen is om het diploma, dan wordt de docent niet gesteund in zijn algemeen vormende rol. En als de docenten onbeleefd of onbetrouwbaar zijn, dan is dat een heel slecht signaal richting de student.”

'Bildung zit ‘m in de voorbeeldfunctie, van docenten maar ook van de schoolleiding' Wouter Sanderse

Sanderse denkt dat de klassieke Bildung in deze tijd van marktdenken, rendement en doel­matig­heid wel wat onder druk staat. Normen en waarden zijn immers slecht meetbaar. BACK STAGE


‘Bildung, burgerschap en beroepsethiek’ vervolg

En vooral zo dat de jongere bij alle opleidingen wordt voorbereid op deelname aan het bedrijfsleven.”

'Algemene vorming is datgene wat achterblijft als de kennis is verouderd of vergeten' Willem de Potter

Hetzelfde geldt voor het ‘nut’ ervan. Tegelijk ziet hij ook dat docenten en bestuurders het thema weer op de kaart kunnen en durven zetten. Zonder meteen voor conservatief of reactionair te worden uitgemaakt.

Ruggengraat “Of het mbo te veel gericht is op meetbare output? Op werk en op de arbeidsmarkt? Dat durf ik zo niet te zeggen”, zegt Carry Roozemond, voorzitter van Ingrado. “Wat me wel zorgen baart, is de manier waarop de mbo-student op school benaderd wordt. Ik hoor regelmatig dat jongeren die niet in de les komen opdagen, daar niets van horen. Terwijl de school, en zeker de docenten, daar een ontzettend belangrijke voorbeeldfunctie in hebben.” Roozemond is naar eigen zeggen geen cultuur­pessimist. Ze is wel bezorgd. Een kleine miljoen mbo-studenten vormt straks de ruggengraat van onze samenleving. En juist daarom is aandacht voor algemene vorming zo belangrijk. Roozemond: “Let wel: ik pleit niet voor aparte lessen in burgerschap of omgangsvormen. Ik zie het mbo als medeopvoeder. Docenten en stagebegeleiders brengen de student algemene basisvaardigheden bij. Op een manier die bij de doelgroep past.

BACK STAGE

Aansluiting Het gaat Roozemond heel nadrukkelijk om gedrag en sociale en morele vaardigheden die ze in de werkomgeving nodig hebben. “Hoe ga je om met collega’s, klanten en je baas? Daar is het mbo in mijn ogen uitermate geschikt voor. Daarom is het ook zo fnuikend als een docent zelf niet komt opdagen. Of als er te weinig uren worden gegeven. Juist in deze tijd van jeugdwerkloosheid moet het mbo er alles aan doen om de studenten zo goed mogelijk aan een passende baan te helpen! Er mag geen beurse plek aan zo’n jongere zitten, bij wijze van spreken. Ook niet op het vlak van algemene vorming dus!” Jongeren zo snel mogelijk aan een goede baan helpen. Een vast inkomen. Dat is ook de ambitie van Robbert Coenmans, sinds begin dit jaar voorzitter van FNV Jong. “Zeker in deze moeilijke tijd, met een hoge jeugdwerkloosheid, telt voor ons maar één ding: een goede aansluiting tussen school en arbeidsmarkt. Natuurlijk is de algemene vorming van jongeren belangrijk, maar onze overtuiging is toch echt dat studenten op het mbo een vak willen leren. De andere vaardigheden hebben ze als het goed is van huis uit meegekregen of ze verwerven die tijdens de stage of in hun eerste baan.”

Lippendienst Iemand die zich wel zorgen maakt over het afnemende belang van algemene vorming is Paul Berghuis, docent Burger­ schap bij MBO Amersfoort. “Ik geef nu vijf jaar Loopbaan en Burgerschap bij MBO Amersfoort op totaal verschillende afdelingen en niveaus. De positie van het vak is niet sterk. Goed, er wordt wel vaak lippendienst bewezen aan het vak - managers zeggen dat zij het belangrijk vinden, vanuit het beroepenveld wordt er ook geklaagd over afnemen van sociale vaardigheden en de noodzaak om daar iets aan te doen - maar op het rooster is er steeds minder tijd voor loopbaan en burgerschap.”

Of een docent Loopbaan en Burgerschap iets kan bereiken, hangt erg af van het draagvlak van het vak binnen het team. Berghuis: “Binnen de kappersschool bijvoorbeeld zijn mijn uren geclusterd, dan kan ik tenminste iets met mijn les. Ook ervaar ik steun van collega’s voor dit vak, waar dat bij andere opleidingen nogal eens minder is.” Een ander punt van zorg: met de wijziging van het brondocument L&B is er volgens Berghuis meer aandacht voor de kenniscomponent van burger­ schap. “Ik vraag mij af of dit wenselijk is. Persoonlijke en maat­schappelijke vorming is zoveel meer dan dat. Persoonlijk maak ik me sterk voor meer faciliteiten voor vorming. Dat vraagt om een lange adem en goed opgeleide docenten. En stevige gesprekken over de plek van ons vak binnen het mbo.”

Langetermijnvisie De plek van algemene vorming binnen het mbo is van oudsher enigszins problematisch, schetst Renée Schoonhoven, directeur Actis Advies en sociologe. De overheid zorgde binnen de hbs voor voldoende algemene vorming, maar bij de oude nijverheidsen ambachtsscholen was er nauwelijks aandacht voor Bildung omdat beroeps­ onderwijs geen overheidstaak was. Schoon­hoven: “Nog steeds zie je sporen van die tweedeling: het mbo is primair gericht op beroepskwalificatie, niet op het socialiseren van jongeren. Terwijl je daar met de huidige aantallen mbo-studenten niet meer onderuit kunt. Algemene vorming moet in het mbo een prominente plek krijgen. En houden!” Hoe borg je als school die plek binnen het curriculum? Het begint met heel heldere keuzes, vind uit welke thema’s en welke normen en waarden je als school of docententeam wilt overbrengen.


22 / 23

Vervolgens begint het moeilijkste: in de weerbarstige, drukke praktijk dit op studenten overbrengen. Het is volgens Schoonhoven belangrijk dat iedereen zich realiseert dat deze ontwikkeling niet binnen twee of drie jaar afgerond is. “Het is een proces dat misschien wel dertig of veertig jaar duurt. Ik hoop ontzettend dat de politiek en de sector zelf die langetermijnvisie hanteren.”

Bestaansrecht Tot slot vragen we het een schoolbestuurder zelf. Hoe kan de school het evenwicht bewaren tussen arbeidsmarkt­ voorbereiding en algemene vorming? “Ook al zijn we een mbo-school, vorming is ons bestaansrecht”, stelt Willem de Potter onomwonden. De Potter staat aan het hoofd van het Hoornbeeck College en ziet het als de plicht van mbo-scholen om studenten goed een vak te leren, maar vooral ook om te vormen. Want: “Algemene vorming is datgene wat overblijft, als de kennis is verouderd of vergeten. Daar ben ik van overtuigd. Waarom? Omdat ik regelmatig van onze partners in het bedrijfsleven - vaak ook grote bedrijven als Philips en Stork - hoor dat ze ontzettend veel belang hechten aan jongeren die blijk geven van een bepaalde morele standaard. Hoogdravende woorden misschien, maar het gaat ook om praktische zaken: op tijd komen, afbellen als je ziek bent, beleefd­ heid en collegialiteit, klant­vriendelijkheid en ja, misschien ook wel een bepaalde algemene ontwikkeling.”

Op de vraag hoe een school of docenten die maatschappelijke verantwoordelijkheid verweven in de dagelijkse praktijk – in een tijd van krimpende budgetten – antwoordt De Potter: “Wij boffen met een zeer bevlogen docententeam. Natuurlijk selecteren we daar ook op, naast vakkennis. Ik wil dat onze mensen achter ons ‘grote verhaal’, onze visie en reformatorische grondslag, staan. Een voorbeeld: diverse docenten werken ook in hun vrije tijd en uit eigen beweging aan methodes die wij op school gebruiken om die vorming een plek te geven. Vorming geeft ze de verdieping en voldoening waar veel docenten naar streven. En dát vind ik nou zo mooi aan het onderwijs.”

Voldoening De Potter stoort zich flink aan de tijdgeest: de focus op rendement, cijfermatig resultaat, meetbaarheid en diploma’s. “Het toezicht is daar ook op gericht, terwijl het maar één kant van de medaille is. Natuurlijk: kennis is belangrijk, en een baan en inkomen ook, maar tegelijk hebben wij een maatschappelijke verantwoorde­ lijkheid. Wij leiden mensen in drie of vier jaar tijd op voor een loopbaan van veertig jaar. Dan ben je ook heel expliciet een medeopvoeder.”

BACK STAGE


Column

warme herfst Foto Ed van Rijswijk

Nee, ik heb geen verstand van het weer. Toch durf ik een voorspelling aan: het wordt een warme herfst in het mbo. Dat heeft alles te maken met de komende Wet macrodoelmatigheid mbo. Met wat pech wordt het concept later dit jaar al werkelijkheid. De wet regelt hoe scholen in de regio onderling en met het bedrijfsleven samen hun opleidingenaanbod zorgvuldig afstemmen. Op elkaar en op de arbeidsmarkt. Dat gebeurt overigens al volop, en met succes: ROA-onderzoek bewees eerder dit jaar nog dat het mbo over het algemeen doelmatig is. Mooi! Zo’n wet zou scholen en bedrijfsleven dus moeten helpen om het nóg beter te doen. Maar tot onze verbazing bevat het concept elementen die eerder het tegendeel kunnen opleveren. Twee elementen stip ik hier aan: de ‘scheidsrechters’-rol van de Inspectie van het Onderwijs en arbeidsmarktsucces als ‘afrekeninstrument’. Om met het eerste te beginnen: onderwijs en bedrijfsleven gaan samen een geschillencommissie instellen die bindende uitspraken kan doen over geschillen als beide partijen het in de regio onverhoopt niet eens worden. Dat vond de minister een geweldig initiatief. Des te opmerkelijker is het dat de conceptwet de inspectie naar voren schuift als tweede ‘scheidsrechter’ en de minister op die manier altijd de geschillencommissie kan ‘overrulen’. Dat geeft scholen en bedrijfsleven alle ruimte om ingewikkeldheden naar de wetgever te schuiven. Een perverse prikkel om er vooral niet zelf uit te komen. En dan de parameter ‘arbeidsmarktsucces’. Scholen kunnen beboet worden als ‘hun’ gediplomeerden geen baan vinden. Volgens de overheid is een diploma dus een automatisch toegangskaartje voor werk. Los van het feit dat je als persoon ook moet ‘passen’ binnen een vacature, is zo’n maakbare aansluiting onderwijsarbeidsmarkt een illusie. Als er iets nóg moeilijker voorspelbaar is dan het weer, dan is het de arbeidsmarkt (onderschrijft ook hoogleraar Van Dijk verderop in deze BS). Die is onderhevig aan allerlei invloeden. Neem de kinderopvang: een paar jaar geleden nog volop werk, nu een en al drama door onder meer besluiten van nota bene de overheid zelf. Natuurlijk kunnen en moeten scholen studenten goed voorlichten over kansen. Maar ze aansprakelijk stellen bij het uitblijven van passend werk, is echt een (weer)station te ver.

Jan van Zijl Voorzitter MBO Raad

BACK STAGE


24 / 25

Minister voor 1 dag

Rob de Kuiper, directeur van Vink Bouw:

‘Als ik Jet was, zou ik de keuzemogelijkheden in het mbo beperken’ Tekst José Vorstenbosch Foto Nout Steenkamp In april is Vink Bouw verkozen tot Beste Leerbedrijf van Nederland 2012. Het bouwbedrijf wil jong talent kansen bieden. Directeur Rob de Kuiper vindt het onbegrijpelijk dat er een tekort is aan leerwerkplekken. ’Door continu bezig te zijn met opleiden, houd je je arbeids­ populatie gezond.’ “Op dit moment worden er - zeker in kleine gemeentes - nog steeds allerlei schooltjes en sportaccommodaties gebouwd. Overdag verwarmen we de scholen en ’s avonds de kleedkamers van de voetbalvereniging. Als ik minister was, zou ik daar als eerste iets aan doen. Het is veel duurzamer om onderwijs, sport en cultuur in één gebouw te combineren. Ook de buitenschoolse opvang kun je daarin onderbrengen. En kinderen kunnen op deze manier verschillende sporten uitproberen. Vanuit die visie ben ik een voorstander van grootschalige roc’s, ook omdat je dan mak­kelijker kunt rouleren met lokalen en docenten. Je moet wel voor voldoende herkenbaarheid zorgen. Niet alleen van de gebouwen, maar ook van de mensen, zodat studenten weten bij wie ze moeten zijn. Wat ik in het beroepsonderwijs minder geslaagd vind, is de enorme hoeveelheid keuzemogelijk­ heden. Dat begint al in het vmbo. In het mbo zou ik pleiten voor een vierjarige opleiding met een algemeen gedeelte en aan het einde ruimte voor specialisatie. Het algemene deel vind ik eigenlijk het belangrijkste. Op dit moment zie je dat mensen werkloos zijn, omdat ze teveel gespecialiseerd zijn. Zorg ervoor dat iemand niet alleen kan timmeren, maar morgen ook loodgieter of elektricien kan zijn. Het is de kunst om je arbeidspopulatie in goede én slechte tijden gezond te houden. Daarom zou ik het bedrijfsleven erop attent maken dat het

aantrekkelijk is om jonge mensen op te leiden en aan te nemen. Ze worden wel de patat- en colageneratie genoemd, maar dat is echt onzin. Ze brengen goede dingen in en zijn op sommige terreinen veel beter dan ouderen. Ik geloof heel erg in het verbinden van groen en grijs. Jonge mensen zorgen ervoor dat de ouderen op hun qui-vive blijven. Dat betekent wel dat je soms afscheid moet nemen van medewerkers die niet met hun tijd meegaan. De voorbereiding op stages kan veel beter. Laat bijvoorbeeld mensen uit het bedrijfsleven op school vertellen wat ze van studenten verwachten. Een stage is niet vrijblijvend, je moet er als bedrijf wel iets aan hebben. Ik vind ook dat je je moet richten op de betere, gemotiveerde studenten. Als je dat doet, mag je hopen dat de minder goede studenten zich aan hen optrekken. Op die manier kunnen we de concurrentie in de toekomst aan. Met pappen en nathouden help je de economie niet vooruit.

‘Ik geloof in het verbinden van groen en grijs’

De overheid zou de lokale economie meer kunnen stimuleren. Neem nou het aanbestedings­ recht, dat is vooral gericht op de grote bedrijven. Deze bedrijven krijgen de opdrachten, maar zij leiden in deze crisis geen studenten uit de regio op. Dat is onhandig en ook weinig duurzaam. Als bedrijf zou je binnen een gemeente een soort voorkeurspositie moeten hebben. Geen ingewikkelde aanbestedings­procedures, maar gunning op basis van kwaliteitseisen.” BACK STAGE


vijf vragen aan…

Aan:

Jouke van Dijk, hoogleraar regionale arbeidsmarktanalyse

 

Onderwerp:

Geen bedrijf weet welke mensen over vier jaar nodig zijn. Dat maakt opleiden voor de arbeidsmarkt volgens hoogleraar Jouke van Dijk zo lastig. Hij vindt dat het mbo studenten moet opleiden met brede algemene vaardigheden. ‘Specifieke bedrijfsvaardigheden kunnen ze snel genoeg bij een bedrijf leren.’

Tekst Corien Lambregtse Foto Nout Steenkamp

BACK STAGE


26 / 27

Vraag 1: Voorspellen van de arbeidsmarkt is niet mogelijk?

“A

ls je een bedrijf vraagt welke mensen ze over vier jaar nodig hebben, dan weten ze dat niet. De wereld verandert zo verschrikkelijk snel. Tien jaar geleden kenden we de iPad niet, vijf jaar geleden was de iPad in opkomst en nu heeft bijna iedereen er één. In 2008 dacht iedereen dat de arbeidsmarkt krap zou worden vanwege de vergrijzing, nu hebben we meer dan 600.000 werklozen. De arbeidsmarkt is niet te voorspellen. Daarom is het ook onmogelijk om studenten op te leiden voor specifieke beroepen waarvan je denkt dat er over vier jaar vraag naar is.”

Vraag 2: Investeren in arbeidsmarktbeleid is dus weggegooid geld?

“V

aak wel. Zeker als je investeert in re-integratie­ trajecten voor zestigplussers of andere kansloze werkzoekenden. Je helpt er in deze tijd misschien dertig van de honderd werklozen mee aan een baan, maar 27 van hen zouden zonder traject ook wel een baan hebben gevonden. In een ruime arbeidsmarkt hebben dat soort investeringen helemaal geen zin, omdat vacatures toch wel vervuld worden. Investeringen hebben alleen zin als je investeert in de komende generatie. Studenten die net van school komen of een stageplaats zoeken. Zorg ervoor dat je hen aan een baan of stageplaats helpt, zodat ze hun opleiding afmaken en gemotiveerd blijven. Daar kunnen we veertig jaar plezier van hebben!”

Vraag 3: Op welke manier zouden we wel naar de toekomst kunnen kijken?

“E

r zijn drie trends te zien. De eerste is dat het nog wel even zal duren voor de arbeidsmarkt krap wordt. Maar als de economie aantrekt, gaat dat vanzelf een keer gebeuren. De vergrijzing gaat immers door; dat is de tweede trend. Er treden meer mensen uit de arbeidsmarkt dan dat er werknemers instromen. De derde trend is dat de economie gaat veranderen, maar we weten niet precies hoe. Sommige functies verdwijnen, daar komen weer nieuwe functies voor in de plaats. Het simpele ict-werk op mbo-2-niveau verdwijnt. Je hebt geen mbo’er nodig om je computer te installeren of een printer aan te sluiten. We hebben wel behoefte aan mensen die apps kunnen programmeren en bedenken.”

Vraag 4: Hoe kunnen we de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt verbeteren?

“B

edrijven willen graag dat studenten die van het mbo komen, direct in een functie kunnen instappen. Maar dat is onmogelijk: de functies die nodig zijn, wisselen veel te snel. Laat studenten tijdens hun opleiding vooral algemene vaardigheden en een aantal beroepsspecifieke vaardigheden leren. Als dat goed gebeurt, kunnen ze de bedrijfsspecifieke vaardigheden snel genoeg in het werk oppikken. Om in te kunnen spelen op veranderingen in de arbeids­ markt, hebben studenten een goede basis nodig. We moeten ophouden ernaar te streven dat opleidingen naadloos aansluiten op het bedrijfsleven.”

Vraag 5: Betekent dat het einde van de specifieke beroepsopleidingen?

“J

e kunt studenten gerust opleiden voor dierenverzorger, kapper of sportinstructeur. Als zo’n studie jongeren de motivatie geeft om een bepaalde opleiding te volgen, maak daar dan gebruik van. Als de basis van zo’n opleiding goed in elkaar zit, kunnen deze jongeren ook uitstekend in andere beroepen terecht. Mensen die ondernemend, service­ gericht en klantvriendelijk zijn, kunnen overal aan de slag. Het betekent wel dat opleidingen meer aandacht moeten besteden aan die algemene vaardigheden, zoals samenwerken, klant­vriendelijkheid, representa­ tiviteit en organiseren. Zorg ervoor dat studenten kunnen meeveranderen met de vraag van de arbeids­ markt. En bied daarnaast - in overleg en samenwerking met het bedrijfsleven - cursussen aan voor het zittend personeel, zodat werknemers een leven lang blijven leren. Daar ligt de toekomst voor het mbo.”

BACK STAGE


BACK STAGE


28 / 29

Kwaliteitsslag examinering hobbelig pad

de lat gaat niet zomaar omhoog De kwaliteit van een mbo-examen moet onomstreden zijn. Toch constateert de Inspectie van het Onderwijs al jaren op rij dat veel examens onder de maat zijn. Tijd voor verbetering, zeker, maar tussen doel en verwezenlijking is soms nog een flinke brug te slaan. Tekst Sander van der Ploeg Foto’s HH Onlangs werden twee themaconferenties georganiseerd over examinering in de beroepspraktijkvorming (bpv). Binnen no time puilde de deelnemerslijst uit. Het thema leeft in de sector, maar zeker ook bij de Haagse beleidsmakers. Geen wonder. In 2011 was de examenkwaliteit van 83 procent van de mbo-­ opleidingen in orde. Een jaar later zakte dit  percentage naar 51 procent, zo blijkt uit het Onderwijsverslag van de Inspectie van het Onderwijs. Slechte cijfers, zeker als je ze vergelijkt met die van het voortgezet onderwijs. Toch loopt die vergelijking mank. Waar het voortgezet onderwijs centraal examineert, vindt het mbo het wiel telkens opnieuw uit. Iedere mboopleiding heeft het recht zelf examens te maken en af te nemen. Zolang ze maar voldoen aan de eisen. Dat is lang niet altijd het geval. Voorheen zat het probleem in de theoretische toetsen, nu is het de betrouwbaarheid van de praktijkexamens, zo klinkt het vanuit het ministerie van Onderwijs. Daarbij, de Inspectie van het Onderwijs is kritischer dan voorheen en ja, dan vind je automatisch ook meer tekortkomingen. Het mbo kent zo’n vierhonderd opleidingen die een stuk veelzijdiger en praktijkgerichter

zijn dan een willekeurig vakkenpakket op de havo. En bij die praktijkexamens wringt vaak de schoen. Wie bepaalt of de student zijn kennis en kunde voldoende in de praktijk kan brengen? En is het afgenomen praktijkexamen wel representatief voor de dagelijkse realiteit van de aankomende professional? Terechte vragen, vindt Inge Broekmans – van de Veerdonk, onderwijskundige aan het Eindhovense Summa College, maar vertel dan wel het hele verhaal. “Het mbo heeft de afgelopen jaren met de schaalvergroting, de invoering van het competentiegericht onderwijs en de vele veranderingen in de kwalificatie­dossiers heel wat voor z’n kiezen gehad”, zegt Broekmans. “Wie vijf jaar terug fluitend aan alle examen­ eisen voldeed, kan nu hopeloos door de mand vallen.” De tijden en eisen zijn veranderd. Vandaar dat de examinering in het mbo steeds meer wordt gestandaardiseerd, onder meer door het project Focus op standaarden in Exami­nering van de MBO Raad. Als iedereen gebruik maakt van gelijke kaders en werkwijzen, wordt de problematiek een stuk overzichtelijker. Toch?

‘Wie vijf jaar terug fluitend aan alle exameneisen voldeed, kan nu hopeloos door de mand vallen’ Inge Broekmans

Theorie versus praktijk Helaas, een examensysteem even aanpassen, dat gaat niet zomaar. Zo wil de Inspectie van het Onderwijs dat praktijkexamens werk­situaties zo dicht mogelijk benaderen, maar dit mag niet ten BACK STAGE


de lat gaat niet zomaar omhoog vervolg

‘Zonder een consistent beleid gaat de examenkwaliteit niet omhoog’

koste gaan van de examenkwaliteit en de vergelijkbaarheid. Daar ga je al, zucht Ruud Klarus, lector Beroeps­onderwijs aan de Hoge­ school van Arnhem en Nijmegen en voorzitter van de paritaire commissie kwalificatiestructuur van kennis­centrum ECABO. Want hoe weet je of een praktijkexamen realistisch genoeg is? Hoe definieer je die authenticiteit? “Het mooiste is als een student zijn praktijkexamen op zijn stageplek kan doen”, zegt Klarus. “Hij moet dan worden beoordeeld door een beoordelaar van de school en een assessor uit de praktijk om de betrouw­ baarheid te garanderen. Dat gaat lang niet altijd.” De redenen liggen voor de hand. Bedrijven en scholen hebben lang niet altijd de tijd en capaciteit hiervoor en sommige praktijksituaties lenen zich domweg niet voor een examen. “Stel je voor dat een student voor zijn praktijkexamen moet werken met gevaarlijke stoffen of met patiënten. Je wilt niet weten wat er gebeurt als het fout gaat.”

Kwaliteit assessoren

Foto HH

Volgens Klarus zou de borging van de praktijk­ examens snel zijn opgelost als de assessoren beter op hun taak zijn toegerust. Voor de verbeterslag van alle examen­functionarissen heeft Den Haag in totaal 24 miljoen euro uit­ getrokken. Mooi, denkt Klarus, zolang dat geld maar wordt besteed aan de praktijk. “Als assessoren alleen schriftelijk worden bijgespijkerd of het geld naar de uitvoering van nieuwe regels gaat, houdt het op. Het mbo moet niet op de havo willen lijken, maar een beroepsgerichte opleiding zijn.”

Het punt is volgens Klarus dat praktijk- en theorievakken totaal anders moeten worden geëxamineerd. Standaardexamens lossen dat dilemma niet op. “De overheid denkt dat standaard­isering het wondermiddel is om de onderwijskwaliteit te verbeteren. Onzin. Beoorde­ laars vinken dan bij een praktijkexamen alleen maar een lijstje af. Standaardiseer de examen­ uitvoering en je zult zien dat de aandacht voor de betrouwbaarheid en integriteit van de beoordelaar verslapt.”

Strenge regels, beter onderwijs? Goed, maar ondertussen moeten de scholen wel aan de examenstandaarden voldoen. Soms zijn deze nog onvoldoende vastgelegd in het proces, en daar wordt de Inspectie van het Onderwijs niet blij van. Staat de strenge regel­ geving duurzaam opleiden voor de arbeidsmarkt niet in de weg? “We mogen best kritisch op onszelf zijn en anders is de Inspectie van het Onderwijs dat wel”, zegt Carla Langen, voorzitter van het college van bestuur van ROC Leeuwenborgh Maastricht en lid van de stuurgroep van het Focus op standaarden in Examinering. Langen zoekt juist wel de oplossing voor ver­ beter­ing van de examenkwaliteit bij vastgelegde protocollen. “Wat wij nodig hebben, is duidelijk­ heid. Meer grote onderwijs­hervorm­ingen zijn een schrikbeeld voor de sector. Zonder een consistent beleid gaat de examen­kwaliteit niet omhoog.” Belangrijker nog is dat de overheid vertrouwen heeft in het mbo, stelt Klarus, want dat ontbreekt volgens hem. “Áls het ergens fout gaat in het mbo, komen het ministerie en de Inspectie van het Onderwijs altijd met dezelfde pavlov­reactie: nóg meer regeltjes. Zo ook bij examens. Maar je kunt niet alles op bureau­cratische wijze vastleggen. Daarmee ondermijn je de profes­sionaliteit van docenten. Het Haagse wantrouwen slaat echt door.”

Foto HH

Langen verwacht veel van het project Focus op standaarden in Examinering van de MBO Raad in samenwerking met het ministerie van Onderwijs. Hiermee moet niet alleen de profes­ sional­i­teit van de beoordelaars verbeteren en de kwaliteit van de examens, maar vooral het protocollaire aspect waarmee de examen­ BACK STAGE


30 / 31

Foto HH

kwaliteit wordt geborgd. “Dit zorgt ervoor dat  een mbo-diploma altijd evenveel waard is”, zegt Langen. “Door kwaliteits­verschillen tussen scholen is dat nog niet altijd het geval.” Langen vreest wel dat door de discussies rondom het examen te veel nadruk wordt gelegd op het sluitstuk van de opleiding. “Wat heb je aan goede examens en een gedegen beoordelings­ systematiek als de student onvoldoende voor­ bereid is op de eindfase van zijn studie?”, zegt Langen. “Hij moet wel aan de eisen kúnnen voldoen. Uiteindelijk gaat het erom dat wij goed gekwalificeerde vakmensen afleveren. Dat is het belangrijkste.”

zegt Jos van Odijk, hoofd van de examen­ organisatie van MBO Amersfoort. “Het praktijk­ examen moet je zien als een proeve van be­­­ kwaam­heid. De weg richting het examen is tijdens de opleiding al afgelegd met meerdere toetsen.” Het probleem zit ‘m eerder in de wijze waarop en in hoeverre een praktijk­ examen de kennis en kunde van een student weergeeft. “Iemand die rijexamen doet, heeft vaak al vijfendertig rijlessen achter de rug”, zegt Odijk. “Toch moet hij in één uur kunnen aantonen dat hij kan rijden. Maar het is onmogelijk dat hij in zo’n korte tijd alles kan laten zien wat hij heeft geleerd. Het gaat erom dat de kandidaat laat zien dat hij de essentie van het rijden onder de knie heeft.”

‘Het praktijkexamen moet je zien als een proeve van bekwaamheid’ Jos van Odijk

Examens voldoende dekkend? Prima, maar een afgestudeerde kan alleen als goed gekwalificeerd worden beschouwd als dat uit het examen is gebleken. Uit onderzoek blijkt dat een gemiddelde toets maar 6 procent van het gehele curriculum dekt, terwijl ten minste 75 procent van de opleiding moet worden geëxamineerd. Als je uitgaat van één examen­ moment is volledige dekking niet haalbaar. Hoe kan het mbo deze afstand toch overbruggen? Langer en vaker examineren is een optie om de dekkingsgraad te verhogen. Toch, meer praktijkexamens op de werkvloer betekent een grotere druk voor leerbedrijven. Meer centrale examens moeten wel worden gemaakt of ingekocht. Daarbij is het curriculum de afgelopen jaren uitgebreid met verplichte vakken als Nederlands, Engels en rekenen. Het curriculum kan wel degelijk volledig worden gedekt, maar wel over de duur van de gehele opleiding, niet zozeer door het examen alleen,

Zo werkt het bij praktijkexamens in het mbo ook, denkt Odijk. De eisen staan in de kwalificatie­ dossiers, maar hoe je die test is een tweede. Daarvoor heb je volgens Odijk een goed examen­ instrumentarium nodig. “Bij sommige studie­ richtingen duurt een praktijkexamen een uurtje. Maar bij de opleiding Onderwijsassistent bijvoor­ beeld is dat lastiger. Zo’n student wordt voor een praktijkexamen drie weken gevolgd om een goed oordeel te kunnen vellen. Het hangt dus van de opleiding en situatie af.” Hoe het ook zij, volgens het ministerie van Onderwijs zal ondanks de struikelblokken de examenkwaliteit binnen het mbo snel verbeteren. “Het heeft alleen tijd nodig”, zegt een woordvoerder. “De bal ligt bij de scholen, het departement biedt ondersteuning om de examens beter, sneller en slimmer op niveau te krijgen. Vanaf volgend jaar verwachten we echt dat het mbo beter scoort voor de examenkwaliteit.” BACK STAGE


Uitvindingen

‘Gaps haalt energie uit water’ Tekst Luuk Obbink Foto’s Ed van Rijswijk

Naam: Niek Boekholt Opleiding: Mbo-productonderzoeker/ Human Technology, Alfa-college Groningen Product: Green Aquatic Power Station

De druk waarmee het waterleidingbedrijf drink­ water de woningen inpompt, is hoger dan strikt  noodzakelijk. Dat betekent dat er energie verloren gaat, bedachten vier slimmeriken van het Alfa-college in Groningen. Ze ontwikkelden de Green Aquatic Power Station (GAPS), een apparaatje dat die energie omzet in elektriciteit. Niek: “Het regende toen we bij elkaar zaten om te bedenken welk product we als studentbedrijf wilden ontwikkelen. Iets met duurzaamheid, dachten we. Ik keek naar buiten, de regen stroomde naar beneden en zo ontstonden de gedachtes. Regenwater? Is er niet altijd. Riool? Wel een beetje vies. De water­ leiding! Het is een beetje de aard van onze opleiding om op zo’n manier over dingen na te denken. Waarom is een nieuwe schaar zodanig verpakt dat je er een nodig hebt om ‘m te kunnen gebruiken?”

BACK STAGE

NIEUW!!!


32 / 33

“In een tuinslang hebben we een pompje geplaatst, dat we omgekeerd laten werken. Het water drijft de pomp aan. Met die draaiing wekken we stroom op. Toen het ledlampje ging branden, sprongen we een gat in de lucht. Yes! Het werkt!”

Hoeveel energie eruit komt, weten de onderzoekers nog niet. “Eén ding staat vast: nooit meer dan erin gaat. Misschien is het niet heel veel, maar de GAPS gaat door als het windstil is en ook als de zon niet schijnt. Door het apparaat in de inkomende leiding te plaatsen, levert elke druppel die het huis in gaat energie op.”

Een prototype is er nog niet, wel de kwalificatie voor de tweede ronde van de Intel Business Challenge, een wereldwijde wedstrijd voor jonge uitvinders, uitgeschreven door de Amerikaanse chipfabrikant. “En we zijn met bedrijven in gesprek om het apparaat verder te ontwikkelen.”

BACK STAGE


Uitvindingen ‘Gaps haalt energie uit water’ vervolg

De jury...

8 6

Arie Kroon, van energieadviesbureau Kroon en bedenker van de eerste energienulwoning in Europa “Het is leuk bedacht en het initiatief is te waarderen, maar ik zie wel bezwaren. Een terugslagklep heeft bijvoorbeeld hogere waterdruk nodig en je creëert hier wel drukverlies mee. Bij een toilet op de begane grond hoeft dat geen probleem te zijn, maar op hogere verdiepingen wel. Bovendien werkt het apparaat alleen als er water wordt gebruikt.” Jolein Schorel, adviseur New-Energy-Works “In zijn eenvoud is dit een fantastisch concept, dat op heel veel plekken toepasbaar kan zijn. Daarom geef ik het idee een acht, mits het praktisch uitvoerbaar is. Het moet betaalbaar zijn en voldoende opleveren. Dat zie ik nog niet. Minpuntje: het apparaat stimuleert een hoog waterverbruik en dat willen we ook niet. Maar verder: geweldig! Mensen met dit soort ideeën hebben we nodig.”

De conclusie

7

De juryleden zijn opvallend eenstemmig, al leggen ze verschillende accenten. Of de GAPS de wereld gaat veroveren, valt te betwijfelen, maar de uitvinders moeten er zeker mee doorgaan. En vooral ook doorgaan met dingen bedenken, weer of geen weer.

BACK STAGE

7 Stefan Mol, adviseur watertechnologie bij Waternet “Een ontzettend leuk idee, vooral ook de manier waarop het tot stand is gekomen. Met een open blik naar buiten kijken. Een acht daarom voor het idee. Maar voor de uitvoerbaarheid kom ik uit op een zes. Misschien kan het wat opleveren bij hoge gebouwen, waar de druk met een pomp is verhoogd, en is het dan genoeg om een telefoon op te laden. Dit is zeker iets om nader te onderzoeken.”


34 / 35

Pittige taal

Pittige taal van… Ewoud Jansen Tekst Pieter Matthijssen Foto Nout Steenkamp

Ewoud Jansen vindt dat het in ons land maar eens afgelopen moet zijn met de fixatie op hoger opgeleiden. Volgens de econoom en publicist kost onze nationale obsessie voor hbo- en wo-diploma’s alleen maar geld. Bovendien: wie zit er op al die afgestudeerde journalisten en sporteconomen te wachten?

Fixatie op hoger onderwijs vindt u een heilloze weg. Er is juist meer geld nodig voor verbetering van de onderwijsbasis. Hoe bedoelt u dat?

‘Als je als student

“Er zijn veel hoger opgeleiden met een beperkt niet in jezelf durft te arbeidsmarktperspectief. Neem journalisten of investeren, waarom sporteconomen. Tegelijkertijd zijn er grote tekorten aan vakmensen op middelbaar niveau. Over die basis de belastingbetaler heb ik het. Ook doel ik op de taal- en rekenlessen in dan wel?’ het basis– en voortgezet onderwijs en het mbo. Lage opleiding genieten, wordt zo’n diploma minder waard. slagingspercentages bij de proeftoets van de uitgestelde Terwijl je op individueel niveau vaak wel mee moet in verplichte taal- en rekentoets laten zien dat meer inspanningen de race om hogere diploma’s.” hard nodig zijn om die onderwijsbasis te verbeteren.”

Wie moet die fixatie op nutteloze studies terugdringen? “Allereerst de overheid. Die houdt door de huidige onderwijs­ financiering en –bekostiging nutteloze studies alleen maar in stand. Verder moeten scholen en universiteiten minder op de overheid leunen. Zij kunnen met een passender aanbod studie­ keuze en­‑ gedrag beïnvloeden. Als universiteiten zich primair op fundamenteel onderzoek en academische vaardigheden richten, melden studenten zonder ook maar enige wetenschappelijke belangstelling zich niet of minder snel aan.”

Mogen hbo- en wo-studenten van u nog wel de opleiding van hun keuze volgen? “Absoluut, maar laat ze hun studie zélf betalen. Geef ze eigen financiële verantwoordelijkheid. Dan kiezen ze bewuster voor een opleiding waar ze écht iets aan hebben. Nu draait de belastingbetaler op voor opleidings- en eventuele uitkeringskosten van veel hoger opgeleiden. Bizar eigenlijk. Als je als student niet in jezelf durft te investeren, waarom de belastingbetaler dan wel?”

Hoe staat het eigenlijk met nutteloze mbo-opleidingen? In het hoger onderwijs wordt toch al steeds vaker geselecteerd aan de poort. Moeten scholen en universiteiten nóg verder gaan in het regisseren van studiekeuzes van studenten? “Selectie aan de poort juich ik van harte toe. Maar daarmee houd je de ongebreidelde toestroom naar het hoger onderwijs niet tegen. Sterker nog: hoger opgeleiden verdringen lager opgeleiden van de arbeidsmarkt. Ze zijn in naam hoog opgeleid, maar hebben vaak geen baan op hbo- of wo-niveau. Omdat steeds meer mensen een hogere

“Toen ik hoorde dat er een mbo-opleiding rappen bestaat, kon ik een glimlach niet onderdrukken. Maar ik zie vooral kansen voor het mbo. Het wordt tijd voor een herwaardering van het middelbaar beroepsonderwijs. Weg met die eenzijdige focus op het hbo- en universitaire onderwijs. Nederland zit niet te wachten op nog meer werkloze, hoogopgeleide afstudeerders. De arbeidsmarkt heeft juist nu behoefte aan vakmensen, zoals lasers, loodgieters en techneuten. De cijfers liegen niet.”

BACK STAGE


“Het is een illusie te denken dat onderwijsorganisaties zonder meer bestuurbaar zijn. Daarvoor zijn onderwijsleerprocessen veel te ingewikkeld, te ondoorzichtig, en gaan ze gepaard met teveel interactie.”

“In ons onderwijs en onze gezondheidszorg behandelen we professionals als laboratoriumratten. We kijken docenten en zorgwerkers zoveel mogelijk op de vingers, totdat ze passen in een van bovenaf opgelegd patroon.”

Onderwijsbestuur is bepaald geen kwestie van even aan de juiste knoppen draaien, waarschuwt bijzonder hoogleraar Onderwijsbestuur Edith Hooge [tiasnimbas.edu].

Zet de beste vakman of vakvrouw ‘in the lead’, in plaats van managers die ver afstaan van de inhoud. Dát getuigt pas van professionalisering, aldus filosoof Mark Coeckelbergh [Trouw].

“Als het aan Bussemaker ligt, staan bestuurders elk jaar op z’n Obama’s (…), met de vlag van onze koning op de achtergrond en twee vingers in de lucht, een door de minister gebrouwen ‘eedtekst’ voor te lezen of na te praten.” Wim Metsemakers, oud-bestuursvoorzitter ROC Eindhoven, prijst zichzelf gelukkig dat hij onderwijs­ministers heeft meegemaakt die vertrouwen wél hoog in het vaandel hadden staan [Eindhovens Dagblad].

“Kennelijk zijn onderwijstijgers niet aantrekkelijk voor het bedrijfsleven. Ten onrechte, want voor de klas ontwikkel je vaardigheden die managers niet zouden misstaan.” Waar mensen uit het bedrijfsleven vaak direct in het onderwijs aan de slag kunnen, zit de leraar zijn hele carrière achter slot en grendel van het klaslokaal, constateert een groep docenten [Volkskrant].

“We hebben in Nederland lang gedacht dat we een diensten­economie zijn, zonder ons voldoende te realiseren dat de maakindustrie het begin is van alle toegevoegde waarde.” Diensten bestaan bij de gratie van scheppend vermogen, predikt Siemens-topman Ab van der Touw. De technische maakindustrie verdient daarom een groter podium [ScienceGuide].

”Dan kan ik wel vertellen hoe leuk, leerzaam en geliefd mijn opleiding is, de pijnlijke blikken in hun ogen en de stilte daarna geven mij een ongemakkelijk en onzeker gevoel.”

“De laatste decennia zijn er bressen geslagen in de beroepstrots van docenten. Dat kan zo’n belangrijke sector zich niet veroorloven.”

Feliz Schoenmakers, oud-student aan het mbo, vindt het een hele opluchting dat hij zijn ‘mbo-mantel’ af kan doen, nu hij aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen studeert [Volkskrant].

Docenten voelen zich slechts een verlengstuk van  de plannen die hun leidinggevenden en externe deskundigen hebben uitgebroed, stelt redacteur van de Volkskrant Sander van Walsum bezorgd vast.


Bs22 issuu