Issuu on Google+

Co-makership mbo en bedrijfsleven

Samen aan het stuur Rineke van Daalen Het onzichtbare midden

Ondernemend onderwijs Tegengif krappe arbeidsmarkt?

Positionering roc’s Begin bij de basis

#21

Op Be i ni e n roe e bl ed ps a d uc o n ov at d e e r ie rw ijs

Ba ck

sta ge

juni 2013

backstagemagazine.nl


4 Co-makership in het mbo Échte samenwerking tussen het mbo en het bedrijfsleven gebeurt nog maar mondjesmaat. Zonde, want co-makership kan veel moois opleveren.

12 Het onzichtbare midden

20 De opmars van ondernemend onderwijs

De veronderstelde diepe kloof tussen hoogen laagopgeleiden is een mythe, stelt sociologe Rineke van Daalen.

Meer ondernemers zorgen voor meer banen, hoopt de overheid. Maar is het iedereen wel gegeven een eigen zaak te starten? Door ondernemend onderwijs komen studenten daar snel achter.

Colofon Back Stage is het tweemaandelijks opinieblad van de MBO Raad. De MBO Raad is de brancheorganisatie voor middelbaar beroepsonderwijs en volwasseneneducatie. Derde jaargang, nummer 21, juni 2013 Overname van teksten is toegestaan onder bronvermelding en met toestemming van de redactie. Redactie: Twan Stemkens (hoofdredacteur), Nathalie van Dijk (eindredacteur), Dagmar de Kruif-Pot (redacteur) en Marije Hulsbosch (adviseur). Aan dit nummer werkten mee: Berber Bijma, Somajeh Ghaeminia, Samar Haddad, Gerry Hurkmans, Seb Jarnot, Corien Lambregtse, Quinten Manuel, Guus Mater, Pieter Matthijssen, Luuk Obbink, Sander Peters, Sander van der Ploeg, Jeroen Poortvliet, Ed van Rijswijk, Nout Steenkamp, Elmer Veerhoff en José Vorstenbosch. BACK STAGE

Concept en vormgeving: Link Design, Amsterdam. Drukwerk: Senefelder Misset, Doetinchem. Coverfoto: Rights Managed / HH Abonnementen en adreswijzigingen: backstage@mboraad.nl. Back Stage wordt gericht toegezonden. Betaalde abonnementen kosten 30 euro per jaar, incl. BTW en verzendkosten. Opzeggen abonnement: schriftelijk, uiterlijk 1 augustus 2013. Redactie-adres: H  outtuinlaan 6, 3447 GM Woerden tel. 0348 - 75 35 00 backstage@mboraad.nl www.backstagemagazine.nl ISSN: 2211-2308


2/3

28 Een sterk merk begint bij de basis

32 UITVINDINGEN

Roc’s willen een helder en sterk beeld van zichzelf neerzetten. Met alleen mooie woorden kom je er niet.

Met de opwindbare Zoommylamp kom je mugvrij de zomer door.

rubrieken 9 COLUMN

16 WAT DOET zIJ ZOAL?

26 VIJF VRAGEN AAN …

Het is Jan van Zijl een raadsel hoe het komt

Als NOS-redacteur heeft Joséphine Truijman

Sectorbestuurder bve (AOb) André Steenhart:

dat het mbo regelmatig ‘vergeten’ wordt.

een grote verantwoordelijkheid. Haar verhaal,

‘We zijn minder ver dan gehoopt, maar het

moet van a tot z kloppen.

Professioneel Statuut zet het nodige in

10 MBOÔHTJES

beweging.’

Bol en bbl zijn communicerende vaten,

18 IN BEELD

die aansluiten bij de economische situatie.

Aan het bijzondere theaterproject Hertha

35 PITTIGE TAAL

Onderwijscijfers van de afgelopen vijf jaar

van het Deltion College werkten meer dan

De Metal Factory is géén pretstudie,

laten dit duidelijk zien.

400 studenten mee.

beklemtoont initiatiefnemer Ivo Severijns: ‘Metal is echt een grote markt.’

15 COLUMN

24 COLUMN

Door de medezeggenschap van mbo-studenten

ICT-docent Elmer Veerhoff: ‘Betrek bedrijven

heeft het roc van Quinten Manuel nu duidelijke

bij het vinden van goede stageplekken.’

afspraken over vervanging bij lesuitval.

25 MINISTER VOOR 1 DAG Wethouder Henk Kool wil onderzoeken welke branches toekomst hebben op de arbeidsmarkt.

8 Uitblinker Joris Ouwerkerk (20) heeft een duidelijk doel: als snowboarder meedoen aan de Olympische Spelen.

BACK STAGE


BACK STAGE


4/5

Co-makership als DNA van het mbo

Wat werkt wel en wat niet? Natuurlijk: het bedrijfsleven denkt al jaren volop mee over de inrichting van het mbo. Maar écht samenwerken in de uitvoering van het onderwijs? Dat gebeurt maar mondjes­ maat. Zonde, want dit zogenoemde co-makership kan veel moois opleveren – als je het goed aanpakt tenminste. Tekst Sander Peters Foto Phil Boorman / HH Dat de band tussen het middelbaar beroeps­ onderwijs en het bedrijfsleven hecht is, vormt geen nieuws. De naam beroepsonderwijs spreekt wat dit betreft boekdelen: studenten in het mbo worden opgeleid tot vaklieden; ze leren een beroep. Om de aansluiting tussen arbeids­markt en mbo te optimaliseren, zijn werkgevers nauw betrokken bij de ontwikkeling van het onderwijs. De uitvoering van het onder­ wijs is daarentegen vaak nog een no-go-area voor bedrijven. Hun inbreng blijft over het algemeen beperkt tot meedenken, adviseren en - natuurlijk - het creëren van stageplekken. Vreemd eigenlijk, want: waarom zouden werkgevers niet ook in de uitvoering een rol kunnen spelen? Wordt het mbo er niet beter van, wanneer werk en school bij elkaar komen? Via co-makership (oftewel, in goed Nederlands: co-creatie) bijvoorbeeld, waarbij beide partijen kennis en middelen inzetten en samen verantwoordelijk zijn voor het eindresultaat. “Natuurlijk is co-makership een goede zaak voor het mbo”, stelt Hans Koole. Koole is gespecialiseerd in de aansluiting tussen onderwijs en arbeids­ markt: eerst als lobbyist en consulent in dienst van werkgeversorganisaties als AWVN en VNO-NCW, inmiddels al jaren als zelfstandig ondernemer. “Het zou de normaalste zaak van de wereld moeten zijn, maar dat is het nog niet.”

Vijf hoofdvormen In maart publiceerde het expertisecentrum beroepsonderwijs (ecbo) een onderzoek naar de verschillende vormen waarin het co-makership zich manifesteert in het mbo. De onderzoekers bestudeerden een groot aantal samenwerkings­ projecten die gefinancierd werden vanuit het Innovatiearrangement van het ministerie van OCW. Ze kwamen uiteindelijk tot vijf hoofd­ vormen van co-makership: de school in het bedrijf, het bedrijf in de school, een nieuwe ‘entiteit’, een tijdelijke projectmatige samen­ werking tussen bedrijf en school en, tot slot, samenwerking tussen school en intermediair, namelijk een kenniscentrum voor beroeps­ onderwijs en bedrijfsleven. “We hebben ons gefocust op de organisatorische kant van het verhaal”, legt ecbo-onderzoeker Hester Smulders uit. “Hoe is de samenwerking ingericht: waar vindt deze plaats, wie doet wat, wie bepaalt en wie betaalt, zijn er contracten gesloten, hoe groot is de inbreng van het bedrijfsleven in de uitvoering?” Ecbo heeft het co-makership in zijn verschillende verschijningsvormen objectief in kaart gebracht. Een waardeoordeel vellen de onderzoekers niet. Smulders: “De beste vorm van samenwerking? Die is er niet. Het succes van de samenwerking hangt simpelweg van de sector af. Van de regionale arbeidsmarkt, van de aantallen studenten en ja, ook van de mensen die er zitten en hun persoonlijk band.”

‘Co-makership zou de normaalste zaak van de wereld moeten zijn’ Hans Koole

BACK STAGE


Wat werkt wel en wat niet? vervolg

‘de school in het bedrijf’

‘het bedrijf in de school’

Den Haag: lerende wijkcentra

Dordrecht: ABN Amro Bankshop

Dat co-makership nogal wat vraagt van de betrokken partijen, weet Hans Roskam, directeur van de Haagse welzijnsorganisatie Stichting Mooi, als geen ander. Zijn organisatie werkt al jaren nauw samen met ROC Mondriaan in de zogenoemde ‘lerende wijkcentra’. Roskam: “Studenten van de opleidingen Welzijn brengen een groot deel van hun opleiding bij ons door. In de wijk. Ze werken volop mee, onder begeleiding van onze medewerkers én van docenten die fulltime in de wijkcentra aanwezig zijn.”

Soms komt de school in het bedrijf, soms gaat het andersom. Zie bijvoorbeeld de ABN Amro Bankshop van het Da Vinci College in Dordrecht. Tussen 2007 en 2012 was aan de ‘Leerparkpromenade’ op deze school een heus bankfiliaal ingericht, waar studenten werden getraind in de omgang met cliënten. Dirk Zuidgeest is docent van de bank- en verzekeringsopleiding en mede-initiatiefnemer van de bankshop. “Dankzij de goede contacten met de ABN Amro konden we aan kantoormeubilair komen. In dat kantoor konden onze studenten oefenen in een levensechte werksituatie: klanten ontvangen, gesprekken voeren en schadeaangiftes afhandelen.” De trainingen werden mede verzorgd door adviseurs van ABN Amro. Zij begeleidden onze studenten in rollenspellen, waarbij het omgaan met de klant én commerciële vaardigheden centraal stonden.”

De Stichting Mooi heeft de school dus letterlijk ‘in het bedrijf’ gehaald, met alle voordelen van dien, vertelt Roskam. “Het gaat om studenten die moeite hebben met traditioneel, klassikaal onderwijs. De uitval was dan ook groot. Het gevolg: deze studenten dreigden zelf een doel­groep van onze stichting te worden. Toen hebben we gezegd: waarom niet de twee werelden combineren? Zorgen dat ze een start­kwalificatie halen én niet uitvallen. Twee vliegen in één klap.” Ander pluspunt: de jongeren die meedraaien in de wijk, komen veelal zelf uit ‘moeilijke milieus’. Roskam: “Ze weten wat er speelt, begrijpen de jongeren in de buurt én ze vormen ook nog eens een inspiratiebron voor andere jongeren die problemen hebben op of met school.” De Stichting Mooi en ROC Mondriaan hebben duidelijk gedeelde belangen. Dat versoepelt de samenwerking, beseft Roskam. “Natuurlijk hebben we het zakelijk benaderd; er is op bestuur­lijk niveau een contract gesloten. Daarin staan afspraken over sturing, verantwoorde­ lijk­­heden en geld. Maar de echte samenwerking vindt plaats op de werkvloer. Daar loopt het prima. Niet dat het geen overgang was voor de betrokken medewerkers: docenten kwamen plots in de wijk terecht, en onze medewerkers vervulden ineens meer een coachende rol. Dat leverde bes aanloopproblemen op. En nu? Nu is de uitval onder deze groep studenten een stuk lager. Wij hebben extra handen. En omdat we de gemeente, onze opdrachtgever, kunnen laten zien dat onze doelgroep op deze manier kleiner wordt, kunnen we het project financieren uit reguliere gelden (in plaats van subsidies vanuit het Innovatiearrangement, red.). Dat is co-makership in de beste zin van het woord.”

BACK STAGE

Gevraagd naar de succesfactoren van de samenwerking met het bank- en verzekeringswezen wijst Zuidgeest op de continuïteit. “Natuurlijk begint het met persoonlijk contact. Maar mensen vertrekken weer en dan? Een basis van menselijke contacten is te wankel. De commotie in het bankwezen en de fusies en reorganisaties bij ABN Amro hebben ons geleerd dat samenwerking geborgd moet zijn in de organisatie. Dat is bij ons en bij de bank ook gebeurd. Heel belangrijk.” De vele personele wisselingen bij ABN Amro vormen niet de oorzaak van de zachte dood van de bankshop. De echte boosdoener is de terugloop in het aantal studenten, zegt Zuidgeest. “Mede door de financiële crisis is de opleiding minder populair. Toen we twintig of dertig studenten per jaar hadden, was het geen probleem om de bankshop continu met twee studenten te bemannen. Maar als je er tien of minder hebt? Dan zijn ze erg vaak aan de beurt en missen ze te veel theorielessen.”


6/7

‘een nieuwe entiteit’

Helmond: Food & Fresh Lab Het Dordtse voorbeeld (zie kader over bankshop) geeft aan dat de praktijk - de economische conjunctuur, reorganisaties, de studentenaantallen - vaak weerbarstig is. Een sector die ook kampt met teruglopende instroom van jonge mensen is de foodindustrie. In de regio Eindhoven-Helmond-Venlo maakt het bedrijfsleven zich daar zorgen om. Samen met de netwerkschool De Groene Campus is daar enkele jaren geleden het Food & Fresh Lab op poten gezet: een heus productie­bedrijf, bemand en geëxploiteerd door studenten van Helicon Opleidingen. “Onze slogan: werken begint op school”, vertelt Geert van den Heuvel, opleidings­manager van het Food & Fresh Lab. “Natuurlijk is ons lab geen echt bedrijf, maar het benadert de werkelijkheid. Wat vooral heel belangrijk is in onze branche, zijn de machines waarmee we werken. Wij beschikken hier steeds over de aller­nieuwste apparatuur. Die wordt beschikbaar gesteld, gratis, door het georganiseerde bedrijfsleven. In cycli van steeds tien weken leren onze studenten met die machines werken. Daarna komt een ander aspect van het productieproces aan bod.” Iedere tien weken rijdt de door de school zelf aangeschafte heftruck de peperdure roestvrijstalen machines de fabrieks­­ hal in. De deal die Van den Heuvel heeft gesloten met grote partijen als Mora of Bavaria moet leiden tot beter onderwijs. “Dit vak kun je niet alleen leren uit de boeken. In deze setting ervaren de studenten wat het werk in de food­ industrie inhoudt: de kou, de hygiënevoorschriften, het bedienen of repareren van de machines, en heel belangrijk, de tijdsdruk van de procesindustrie. Het moet zo efficiënt mogelijk.” Dat Helicon Opleidingen inspringt op de behoefte van technisch personeel in de voedingsindustrie en in ruil daarvoor de dure machines ‘krijgt’, betekent niet dat de school de oren laat hangen naar de sector. Van den Heuvel: “Wij bepalen wat hier gebeurt. We kunnen de machines stopzetten, even tijd nemen voor de theoretische achter­ grond, wij bepalen ook hoe vaak de studenten hier werken. En welke studenten dat zijn. Maar zoals dat gaat bij co-makership: het bedrijfsleven heeft wel een grote inbreng. Bovendien hebben wij er óók baat bij: onze docenten blijven op de hoogte van de state-­of-the-art technieken en apparatuur en onze studenten vinden makkelijk een baan. De aan­ sluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt is bijna perfect op deze manier.”

Balans Smulders kan wel enkele succesfactoren benoemen. “Vaak zijn geslaagde projecten georganiseerd door mensen die elkaar al langer kennen. Daarnaast is de aanwezig­heid van een sleutel­ figuur – een inspirator, aanjager – van grote waarde.” Ook aandacht voor de werkvloer is cruciaal. Dus niet alleen samenwerken op bestuurlijk vlak, maar ook kijken wat dat betekent voor docenten en werknemers. “Het vraagt nogal wat van met name docenten: ze moeten zich ineens in werkprocessen gaan verdiepen en het onderwijs daarin een plek geven. Dat is wennen. En dat kost tijd. Geef ze die tijd.” Balans, dat is voor Hans Koole de crux. Balans tussen theorie en praktijk, tussen school en werk, en balans tussen inmenging van het bedrijfsleven en autonomie van het onderwijs. “Ja, ik ben voorstander van co-makership. Ik denk dat het mbo er beter van wordt. Maar tegelijk moet er altijd een kloof zijn tussen arbeidsmarkt en onderwijs. Het mbo is een beroeps­ opleiding, maar geen functiegerichte training. Het lastige is dat de kloof ook weer niet te groot mag zijn. Het is een dun koord waar je overheen loopt.” Koole stelt dat het bedrijfsleven en de school twee aparte werelden zijn, die niet een-op-een op elkaar aansluiten. “Waarom niet? Ze hebben simpelweg niet dezelfde belangen. Bovendien zijn het twee werelden met ieder hun eigen vaardigheden, kennis en ambities. Werken is één ding, maar lesgeven en onderwijs geven is een heel ander métier. Oók als het om beroeps­onderwijs gaat.”

Gedeelde ambities Hoe breng je de twee werelden bij elkaar, op een duurzame en resultaatgerichte manier? Met die vraag houdt Koole zich al jaren bezig. Co-makership is een goede optie, maar niet zaligmakend. Het vraagt namelijk nogal wat van de samenwerkende partijen om dit tot een goed einde te brengen. Koole: “Belangrijkste is misschien wel dat er duidelijke afspraken gemaakt worden: wie doet wat, wie bepaalt en ook: wie betaalt? Als twee partijen zo nauw samenwerken, is het ook van belang om voor ogen te hebben wat de ander te bieden heeft. Wat zijn elkaars sterke punten? Welke ambities heeft de andere partij? En als je dat weet: hoe kunnen we de ambities zoveel mogelijk laten samen­ vallen? Waar zit de overlap?” Samenvattend komt het erop neer dat de  co-makers elkaar moeten leren kennen. “En dat bedoel ik letterlijk”, aldus Koole. “Scholen en werkgevers zoeken elkaar nog te weinig op. Het gaat om begrip, vertrouwen én de persoonlijke klik. En dan bedoel ik niet eens zozeer op bestuurlijk vlak. Al is de intentie die op hoger niveau uitgesproken wordt zeker van belang. Nee, de basis ligt bij de docent en de begeleiders op de werkvloer. Die moeten elkaar vinden en samenwerken.”

BACK STAGE


Uitblinker

‘Na mijn sportcarrière sta ik niet met lege handen’ Joris Ouwerkerk (20) heeft een duidelijk doel: als snowboarder meedoen aan de Olympische Spelen. Bij het onderdeel slopestyle, een ingewikkelde discipline waarbij sporters met schijnbare doodsverachting tollend over de schansen springen. Tussen de bedrijven door haalt hij een mbo-diploma als marketeer aan het Johan Cruyff College, dat toptalenten alle ruimte geeft om hun sportcarrière met een mbo-opleiding te combineren.

Nieuw-Zeeland. Het uitvoeren van groepsopdrachten is soms lastig, maar veel schoolwerk kan ik per mail doen. Al ben ik soms ook uitgeput: ik ben de hele dag aan het snowboarden en ga ook nog drie of vier keer in de week ’s avonds naar de sportschool. Daarna moet ik nog aan mijn schoolwerk beginnen. Veel compenseer ik door in Nederland echt kei- en keihard te werken. Op deze opleiding is het normaal dat de sport centraal staat, al is mijn schema wel erg extreem.

Tekst Luuk Obbink Foto Gerry Hurkmans “Omdat ik tot mijn zesde in Zwitserland heb gewoond, stond ik al vroeg op de ski’s en raakte ik snel vertrouwd met sneeuw. Op mijn twaalfde maakte ik kennis met snowboarden: een geweldige sport. Altijd actie, veel adrenaline en best extreem. Heel wat anders dan bijvoorbeeld voetbal. Ik heb toen een seizoen­ kaart bij een indoorbaan aangeschaft en deed vervolgens al snel mee aan kleine wedstrijden. Van het een kwam het ander, ik ging steeds een stapje hoger. Na het vmbo maakte ik de overstap naar het mbo, met Commercieel Medewerker als opleiding. Dat was geen succes, omdat ik heel vaak weg was vanwege de sport. Na een jaar ben ik daarom overgestapt naar het Johan Cruyff College in Amsterdam, waar ik nu bijna klaar ben met de opleiding Medewerker Marketing, Communicatie en Evenementenorganisatie Sport op niveau 4. Met deze opleiding kan ik fulltime met sport bezig zijn. Ik ben zes tot acht maanden in het buitenland, voor wedstrijden. In Europa, maar ook in Canada, Amerika, Japan, China en in de zomer in BACK STAGE

Als ik mijn diploma binnenkort op zak heb, is mijn eerste doel me te kwalificeren voor de Olympische Spelen van 2014, onder­ deel slopestyle. En verder te herstellen van een schouderoperatie. Ja, vooral slopestyle is een gevaarlijke discipline, je kunt ervan in een rolstoel komen. Maar met een goede voorbereiding en het kennen van je grenzen, kun je het risico beperken. De meeste slachtoffers vallen onder niet-professionals. Je kunt van de sport leven, al is het geen vetpot. Doordat snowboarden een spectaculaire sport is, trekt het veel kijkers, wat interessant is voor sponsors. De meeste snowboarders doen mee met de top tot hun 28e. Dan kun je nog een jaar of zeven andere dingen in de sport doen, maar daarna is het wel gedaan met de actieve beoefening. Tegen die tijd ben ik een merk, als alles goed gaat. Bij mijn opleiding heb ik geleerd wat je daarmee kunt doen. Zo heb ik een voorsprong op andere sporters, want veel sporters hebben geen tijd gehad voor een opleiding. Door mijn mbo-opleiding sta ik na mijn sportcarrière niet met lege handen.”


8/9

Column

Medezeggenschap werkt! Foto Ed van Rijswijk

Vele pagina’s vol tekst, kleine lettertjes en juridische termen om het inhoude­ lijk netjes dicht te metselen. Uiteraard heb ik het dan over de onderwijs­ overeenkomst. Een boekwerk aan informatie, dat studenten en/of ouders voor de start van de opleiding moeten ondertekenen. Ondanks het saaie karakter, is de onderwijsovereenkomst een uiterst belangrijk document, waarin de regels, plichten en afspraken tussen de student en de school staan beschreven. Een rondvraag bij mede­studenten leert echter al snel dat velen zich niets meer van het document kunnen herinneren. Een enkeling weet nog dat hij of zij voor de start van de opleiding zo’n document heeft ondertekend. Dit jaar werd de onderwijsovereenkomst van mijn roc gewijzigd. Hoewel het om een kleine aanpassing ging, had de studentenraad hierop instemmingsrecht. Als voorzitter van de studentenraad van het Noorderpoort heb ik dit moment aan­gegrepen om nog eens kritisch naar het hele document te kijken. Na ongeveer drie vergaderingen kwamen wij als studentenraad tot een standpunt: we stemden niet in met de gewijzigde onderwijsovereenkomst. Het ging ons niet eens om het gewijzigde punt, maar om de tekst over lesuitval. Alle studenten hebben het wel eens meegemaakt: docenten die ziek zijn, waardoor er lessen uitvallen. Soms duurt de lesuitval een dag, maar ik ken voorbeelden waarbij de lesuitval het hele jaar aanhoudt. Klagen heeft weinig zin, want als student kun je je niet beroepen op de onderwijs­overeen­komst. De overeenkomst meldt namelijk – met vele ‘mitsjes en maartjes’ – dat de school de uitgevallen onderwijsactiviteiten op een ander tijdstip aanbiedt. Als studenten­ raad wilden wij zwart op wit een tijdpad geformuleerd zien waarbinnen de school vervanging regelt. En met dat tijdpad bedoelden we geen maanden, maar weken. Een moeilijke en ook unieke opgave op voorhand, want welk bevoegd gezag stemt in met een juridische beperking waarvan de kans aannemelijk is dat je jezelf daarbij in de vingers snijdt? Daarop is volgens mij maar één antwoord mogelijk: een bevoegd gezag dat oprecht het onderwijs op de eerste plaats zet. Gelukkig heeft het Noorderpoort zo’n bevoegd gezag. Het college van bestuur is, na pittige onderhandelingen met de studentenraad, overstag gegaan met een uiterste termijn van zes weken waarbinnen de school vervanging regelt bij lesuitval. Van een vage formulering naar zes duidelijke weken, van niets naar iets. Een unieke prestatie voor de medezeggenschap van mbo-studenten. Ik wil de studentenraad van het Noorderpoort daarom van harte feliciteren!

Quinten Manuel Student Verpleegkunde Noorderpoort Groningen

BACK STAGE


MBOóhtjes wist u dat?

Ontwikkeling bol en bbl (peiljaar = 2008)

Verhouding bol-bbl

110%

100% 90% 80%

105%

70% 60%

100%

50% 40%

95%

30% 90%

20% 10%

85%

0% 2008

2009

2010

2011

2012

2008

2009

2010

2011

2012

2008

Metaal, elektro- en installatietechniek

BBL

BOL

BOLVT

2009

2010

2011

BOLDT

BBL

Het duale systeem: pronkstuk van Nederland Het Nederlandse mbo heeft in het buitenland een goede reputatie, mede dankzij het goed functionerende, duale leersysteem. Onze bol- en bbl-opleidingen sluiten aan bij de economische situatie: bij aantrekken van de economie stijgt het aantal bbl-studenten ten opzichte van het aantal bol-studenten en het omgekeerde gebeurt bij een inzakkende economie.

Als gevolg van de huidige economische crisis loopt het aantal leerwerkplaatsen (bbl) terug en stellen de leerwerkbedrijven hogere eisen aan studenten (grafiek 1). Dit is vooral nadelig voor jongeren die een opleiding op niveau 1 of 2 volgen: zij krijgen concurrentie van mbo-studenten van een hoger niveau. Ook voor studenten van niveau 4 is er druk van bovenaf: hbo’ers verdringen mbo-studenten op de stagemarkt.

Het duale systeem heeft als voordeel dat bol en bbl communicerende vaten zijn. Naar verhouding gaan er in de huidige crisistijd meer studenten naar het bol-­traject (grafiek 2). Dat geldt zowel voor sectoren waarin het percentage bol historisch gezien laag was (bijvoor­ beeld Metaal), als voor sectoren waarin traditiegetrouw meer bol-studenten zijn (Gezondheids­zorg). Het beeld is voor alle sectoren vergelijkbaar.

Volg al het mbo-nieuws via: www.twitter.com/mbonieuws www.twitter.com/ditismbo BACK STAGE

2012

Gezondszorg, dienstverlening, welzijn en sport


10 / 11

dat dan weer wel Koningin Máxima bezoekt kennisdag ‘Kansen voor Jongeren’ bij Zadkine

ROC Nijmegen ontwikkelt bijscholingsprogramma dementie

Koningin Máxima heeft op 12 april bij Zadkine in Rotterdam een kennisdag bezocht van het programma ‘Kansen voor Jongeren’ van het Oranje Fonds.

Een bijscholingsprogramma over dementie. Dat was de inzet van de Zorggroep in Noord-Limburg en ROC Nijmegen. Inmiddels zijn 200 medewerkers geschoold. Het programma richt zich op het verbeteren van hun kennis, vaardigheden en houding tegenover cliënten. Ook samenwerking, zowel tussen organisaties als daarbinnen, krijgt aandacht. Een bijscholingsprogramma was nodig, omdat medewerkers te weinig wisten over ziektebeelden en over het verloop van de ziekte dementie. ROC Nijmegen ontwikkelde het scholingsprogramma. In totaal gaat het om ongeveer vijfduizend medewerkers die de komende drie jaar bijscholing krijgen. Voor alle medewerkers is er een basisscholing van twee dagdelen. Daarnaast krijgen mede­ werkers van niveau 3 en 4 nog twee dagdelen extra.

Foto dansopleiding ROC Nova College Dans & Theater

Foto Oranje Fonds – Bart Homburg

Studenten ROC Nova College als ballerina in clip Anouk

Voor het driejarige programma selecteerde het Oranje Fonds twintig initiatieven die zich richten op vroegtijdig schoolverlaten onder jongvolwassenen van 18 tot 23 jaar. De initiatieven ondersteunen de jongeren bij het halen van een startkwalificatie en/of het vinden van een baan. Dit gebeurt altijd met inzet van vrijwilligers. De deelnemende organisaties krijgen financiële en inhoudelijke ondersteuning bij het uitvoeren van het initiatief. Koningin Máxima sprak met de initiatiefnemers en projectleiders. Een van de initiatieven is het project ‘Rotterdam’s got talent’. Zadkine-studente Danijela Jankovic deed mee aan deze talenten­ wedstrijd voor jonge muzikanten: “Dat ik via diverse voorrondes uiteindelijk mocht meedoen aan ‘Rotterdam’s got talent’ was niet alleen een eer, maar ook een heel leuke en leerzame ervaring.”

Dansstudenten van het ROC Nova College in Haarlem figureren als ballerina’s in de nieuwe clip ‘Birds’ van Anouk, het nummer waarmee zij de negende plek in de finale van het Eurovisie Songfestival heeft behaald. De clip is opgenomen in De Rode Hoed in Amsterdam met dansers van Het Nationale Ballet en actrice Monic Hendrickx als dansdocent. Tweeëntwintig studenten van de opleiding Dans & Theater hebben mee­gedaan aan de opname van de nieuwe clip van Anouk. “Een ervaring als deze is een prachtkans voor onze studenten om ervaring op te doen met professionele dansers in professionele producties. We werken wel vaker samen met Het Nationale Ballet”, vertelt Rudi Schaafsma, docent Klassiek Ballet van de dansopleiding. BACK STAGE


‘Het is een misverstand dat het handelen van mensen te splitsen is in denken en doen’

BACK STAGE


12 / 13

Rineke van Daalen: sociologe

Waarom ‘het midden’ wordt uitgegumd De veronderstelde, diepe kloof tussen hoog- en laagopgeleiden is een mythe, stelt sociologe Rineke van Daalen. Ten onrechte zien onderzoekers mbo’ers over het hoofd. Hier ligt een hardnekkige scheidslijn aan ten grondslag, legt ze uit in haar nieuwste boek ‘Gewoon werk’: die tussen ‘denkers’ en ‘doeners’. Tekst Somajeh Ghaeminia Foto Seb Jarnot – Unit CMA

In ‘Gewoon werk’ beschrijft u enkele beroepen van middelbaar opgeleiden. Waarom heeft u dit gedaan? “Tijdens mijn onderzoek op vmbo-scholen merkte ik dat mensen weinig weten van de beroepen die je met een mbo-opleiding kunt doen. Ik was daar zelf ook nieuwsgierig naar. Het zijn beroepen in de midden­ categorie, maar mensen zijn geneigd te denken in hoog- en laagopgeleiden. Daarbij slaan ze het midden over. Dat zie je in de krant, en je ziet het ook in publicaties van het Sociaal Cultureel Planbureau, het Centraal Bureau voor de Statistiek en het Centraal Planbureau. Als het over laagopgeleiden gaat, dan gaat het niet over de drie op de tien Nederlanders die onder mbo-niveau functioneren. Nee, het gaat dan over de drie op de tien laag­opgeleiden, plus de vier op de tien met mbo-niveau. Dus zeventig procent van de beroepsbevolking wordt als ‘laagopgeleid’ gelabeld. Dat is een heel rare manier van kijken. Het geeft een scheef beeld van de wereld, met twee sociale klassen, de hoog- en laagopgeleiden, waartussen een diepe kloof gaapt. Maar als je het midden wél in aanmerking neemt zie je iets anders, namelijk graduele verschillen en een brede middenklasse.”

Klopt het wel dat er een tweedeling bestaat in denkers en doeners? “Nee, het is een misverstand dat het handelen van mensen is te splitsen in denken en doen, dat witteboordenwerk gelijk staat aan ‘denken’ en blauwe­ boorden­werk aan ‘doen’. In mijn onderzoek wilde ik kijken welke vaardigheden mbo’ers gebruiken wanneer ze aan het werk zijn. Hun werk wordt vaak als praktisch werk bekeken en wordt afgezet tegen beroepen op hbo - en academisch niveau. Maar is dat wel een zinnig onder­ scheid? Met mijn boek laat ik zien hoe divers de activiteiten zijn van mbo’ers die aan het werk zijn, en hoe groot de diversiteit van hun beroepen is.”

Welke beroepen heeft u bestudeerd? “Ik heb verschillende beroepen onder de loep genomen in het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam. Zo heb ik mee­gelopen met een vrouw die als eerste medewerker in de zogenoemde ‘bedden­ huizen’ werkt, de afdelingen waar de zieken liggen. Zij coördineert de voeding en de schoonmaak en is als het ware de schakel met de verpleging en de patiënten. Zij inspecteert de afdelingen alsof het haar eigen huis is. Bemiddelt in kleine conflicten tussen personeelsleden, lost logistieke problemen op. Moet een patiënt

bijvoorbeeld vanwege een gevaarlijke bacterie in quarantaine, dan regelt zij dat dit snel en verantwoord gebeurt.”

Waaruit blijkt dat deze medewerker geen specifieke denker of doener is? “Deze vrouw is praktisch bezig, maar ze moet heel goed nadenken over wat ze aan het doen is en ze moet veel weten. Haar deskundigheid heeft veel elementen. Ze moet de protocollen kennen en die direct kunnen toepassen en ze moet kennis hebben van de computersystemen. Daarbij moet ze goed zijn in sociaal contact. Ze heeft te maken met een heel gevarieerd gezelschap van mensen afkomstig uit de hele wereld, die niet altijd goed Nederlands spreken. Daarnaast moet ze buitengewoon praktisch zijn. Wil ze bijvoorbeeld snel iets uit een magazijn halen om een probleem op te lossen, dan moet ze door de bureau­ cratie heen breken om zo dingen voor elkaar te krijgen. Zo iemand is moeilijk in een hokje ‘denker’ of ‘doener’ in te delen.”

Waar komt de tweedeling tussen denker en doener eigenlijk vandaan? “De oorsprong ligt, denk ik, in het einde van de negentiende eeuw. In Nederland het begin van de industrialisatie. In die periode werd secundair onderwijs ingevoerd, bedoeld voor de kinderen BACK STAGE


Waarom ‘het midden’ wordt uitgegumd vervolg

van een opkomende middenklasse die werden opgeleid voor de nieuwe beroepen die in die tijd ontstonden. Het beroeps­ onderwijs viel daarbuiten. Dat was iets wat je op de werkvloer moest leren, het werd gezien als de verantwoordelijkheid van de bedrijven. Sindsdien is er altijd een scheiding gebleven tussen theoretisch, algemeen vormend onderwijs en praktisch, beroepsgericht onderwijs. Die scherpe en hiërarchische scheiding tussen theorieen praktijk­onderwijs is funest.”

Waarom? “Al op de basisschool beoordelen leraren de kinderen op één ding: een heel smal cognitief spectrum. Rekenen en taal, daar moeten ze goed in zijn. Naarmate die expertise meer is gaan tellen, wordt er vaker getoetst. Ook zie je dat scholen een steeds smallere visie krijgen op dat wat ze belangrijk vinden. Je kunt maar in één smaak uitblinken en dat is cognitief talent, gericht op een academische opleiding. Dat betekent dat het beroepsonderwijs altijd een tweede keus is. Als je niet in staat bent een hoge Cito-score te halen, dan kom je bij het beroepsonderwijs terecht. Dat gebeurt al op twaalfjarige leeftijd, wanneer kinderen worden ingedeeld in vmbo of havo-vwo. Dat is heel jong. Het geeft kinderen die naar het vmbo gaan het gevoel verliezers te zijn en dat werkt heel ondermijnend. Niet alleen geeft het een enorme druk voor kinderen, ook is het stigmatiserend. Door kinderen op die manier in te delen, suggereer je ten onrechte dat er twee soorten kinderen zijn: de slimme vwo’ers en de domme vmbo’ers.”

Wat is het gevolg hiervan voor mbo’ers en in bredere zin voor de maatschappij? “Mbo’ers voelen zich vaak tekort gedaan. Zij voelen zich in hun werk miskend en dat tast hun zelfbeeld aan. Ook mbo’ers zelf delen de maatschappij in twee categorieën in: in hardwerkende mensen die met hun handen werken – de ‘doeners’ zoals zijzelf – en in mensen op kantoor die goed verdienen, in een leaseauto rijden en op hen neer kijken. Dat is een verkeerd beeld van hoe de maatschappij in elkaar zit. Het is een manier van kijken die populistische stromingen in de hand werkt.”

Veertig procent van de werkende Nederlanders is middelbaar opgeleid, een aanzienlijke groep. Waarom krijgen ze in statistieken zo weinig aandacht? “Het zou te maken kunnen hebben met het feit dat hoger opgeleiden in maat­ schappelijke posities zitten, waarin ze definitiemacht hebben en makkelijker sociale scheidslijnen kunnen trekken. Maar waarom doen ze dat? Het is een manier om afstand te nemen van mensen met een lage én met een middelbare opleiding. Dit zijn belangrijke vragen, waar goed over moet worden nagedacht. Wetenschappers moeten onderzoeken wat de tweedeling hoog versus laag precies in stand houdt. Hetzelfde geldt voor de vraag die daarmee samenhangt: hoe hangen menselijke vermogens, zoals doen, denken en voelen, met elkaar samen? Er is meer en systematisch onderzoek daarnaar nodig.”

Curriculum vitae Geboren: 4 juli 1947, Bergeijk Studie: Sociologie aan de Universiteit van Amsterdam, promoveerde op een historisch-sociologische studie naar klaagbrieven aan de gemeente Amsterdam (1865-1920) Werk: Onderzoekster en docent op de afdeling Sociologie en Antropologie van de Universiteit van Amsterdam, bij de programmagroep Dynamics of Citizenship and Culture. Publiceerde in 2010 ‘Het vmbo als stigma. Lessen, leerlingen en gestrande idealen’

BACK STAGE

‘Maak duidelijk hoe veelzijdig het mboberoepenveld is’

Dat een kenniseconomie alleen op academici draait is een misvatting, zegt u in uw boek. Waar blijkt dat uit? “De basiskennis en –vaardigheden die tegenwoordig van je worden gevraagd, ongeacht je beroep, liggen op een hoger niveau dan enkele generaties geleden. Dat is kenmerkend voor het soort samen­ leving waarin wij leven. Een personeels­ functionaris van een grote zorginstelling vertelde me dat de schoonmakers daar in staat moeten zijn om met iPads te werken. De organisatie verwacht van hen dat ze met een computer kunnen omgaan en dat ze ook wat Engels beheersen. Vroeger werd dat niet gevraagd.”

U pleit voor een hogere waardering van uitvoerende beroepen. Hoe denkt u dat deze waardering kan toenemen? “Laat zien hoe mensen aan het werk zijn! En er moet nóg duidelijker worden gemaakt hoe veelzijdig dat enorme beroepenveld is waar het mbo voor opleidt. Die veelzijdig­ heid is wat ik in de media mis. Het beeld dat aan mbo-beroepen blijft kleven, is dat van de bekende, ouderwetse, uitvoerende beroepen. Het tweede is: deel mensen niet in hokjes ‘theorie’ en ‘praktijk’ in. Dat idee is echt achterhaald. Als je kijkt naar wat mbo’ers doen als ze aan het werk zijn en als je ziet hoeveel vermogens ze daarbij aanspreken, dan valt die rare splitsing in doeners en denkers weg. Dan ga je meer waarderen wat ze doen.”


14 / 15

Column

Stage 2.0 Foto Ed van Rijswijk

In deze barre tijden is het moeilijk om stagiaires op interessante, leerzame stageplekken te plaatsen. Stagiaires solliciteren zich rot, maar de respons van de bedrijven is zeer matig. Opmerkelijk, als je bedenkt dat in de technische beroepen en in de ict een enorm tekort aan arbeidsplaatsen aan het ontstaan is. Als ict-docent probeer ik uiteraard ook te helpen bij de zoektocht naar betere stageplaatsen. Zo stimuleer ik onze stagiaires om hun internationaal erkende Microsoftcertificeringen te behalen. Die certificeringen zijn moeilijk in de wacht te slepen en vereisen het nodige ict-inzicht. Met deze certificeringen kun je rekenen op een betere, maar vooral leerzame stageplek. Ik vind het daarom belangrijk dat er binnen het gehele ict-docententeam meer aandacht hiervoor komt. Maar dat is niet voldoende. We zullen creatiever te werk moeten gaan. Ik heb een oud-student gevraagd om samen met mij over een oplossing na te denken. Deze oud-student is tegenwoordig leidinggevende van een ict-team in een groot internationaal bedrijf. Daarnaast heeft hij connecties met de Stichting Veilig Online, winnaar van de Vrijwilligersprijs Nederland 2012. Samen met deze stichting hebben we voor zeven stagiaires een stageprogramma van twintig weken opgesteld. De oud-student heeft via Skype deze studenten dagelijks begeleid. Daarnaast heeft hij hen drie keer fysiek ontmoet. Dit bleek tot heel goede resultaten te leiden. Ook de studenten waren enthousiast. Zij vonden de stageperiode zeer leerzaam. Wat dit voorbeeld laat zien? Het illustreert hoe belangrijk het is om bedrijven te betrekken bij het vinden van goede stageplekken. Ieder bedrijf snapt het belang van stages. Alleen hebben bedrijven niet altijd voldoende plek en tijd om de stagiaires intensief te begeleiden. Als de school de faciliteiten levert, is dat al een zorg minder. Het bijzondere van bovengenoemde constructie is dat de studenten in een stageperiode van twintig weken dagelijks begeleid zijn door iemand die niet een dienstverband met de school heeft. Het Nova College heeft alleen maar een (kleine) ruimte beschikbaar moeten stellen en de rest liep vanzelf. De stage­begeleider van Stichting Veilig Online wist precies welke quota gehaald moesten worden en op welk niveau. De combinatie van online ondersteuning en fysieke begeleiding bleek daarbij zeer goed te werken. Ik ga daarom in de toekomst meer bedrijven benaderen om stagiaires op afstand via Skype te begeleiden, zodat zij stagiaires kunnen helpen om zich te ontwikkelen tot goede beroepsbeoefenaars.

Elmer Veerhoff Docent Nova College Haarlem

BACK STAGE


En wat doet ZIJ zoal?

De week van Joséphine Truijman, onderwijsredacteur bij de NOS

‘Voor je een mbo-docent mag spreken, moet je langs veel managers’ Als redacteur bij de grootste nieuwsorganisatie van Nederland heeft Joséphine Truijman een grote verantwoordelijkheid. Haar verhaal, voor televisie, radio of internet, moet van a tot z kloppen. De redacteur, niet de verslaggever, bepaalt de inhoud van een reportage, beklemtoont ze. ‘Het is een kick om te zien dat zoveel mensen naar jouw item in het 8-uurjournaal kijken.’ Truijman (34) studeerde Engels en Amerikanistiek. En stond even voor de klas. ‘Onderwijs raakt iedereen, dat is boeiend. En iedereen heeft er ook een mening over.’

Ma BEDRIJFSHOCKEY “Twee jaar geleden heb ik samen met een collega een bedrijfshockeyteam opgericht. Op een kunstgrasveld in Huizen speelt de NOS tegen bedrijven als Leaseplan of de Rabobank. Doen we eens in de twee weken. Ik speel meestal links of rechts in de aanval. Volgende dag spierpijn, maar dat ligt aan mijn conditie. Eind­redacteuren, stagiaires, presentatoren, regie en mensen van de Haagse redactie doen mee. Inclusief derde helft met een drankje. Gezellig.”

BACK STAGE

Di

Tekst Guus Mater Foto Jeroen Poortvliet

EXAMENTRIPS “Twee keer per week schuif ik aan bij een groot overleg van de specialisten met de dagelijkse coördinator en eindredacteur. Met zoveel collega’s – de redactie van de NOS telt er 400 – krijg ik veel ideeën aan­gereikt. Een van hen tipte me over online opvoed­ cursussen. Een ander onderwerp zijn de examentrips, straks na het studiejaar. Hele klas met de bus naar Spanje, met commentaar van de chauffeur. Een onderwerp dat niet aan een bepaalde dag is verbonden, plannen we vaak voor het weekend. De opnamen daarvoor maken we dan eerder.”


16 / 17

Wo HOT NAAR HER “Naar een bijeenkomst bij het Friesland College in Leeuwarden, bedoeld om de betrokkenheid van mbo-studenten bij het onderwijs te vergroten. Op het programma stond onder andere een workshop over debatteren. Belangenorganisatie JOB was present en actief. De collegevoorzitter zei dat studenten zich best meer met het onderwijs mogen bemoeien. Op weg terug naar Hilversum kreeg ik autopech. Dus ik ben meteen maar lid van de ANWB geworden. In Hilversum moest ik onmiddellijk door naar Rotterdam, waar een persconferentie plaatsvond over het uitgelekte vwo-examen Frans, een half uur voor het begin van het journaal. Steun verleend aan verslaggever en quootje gehaald.”

POSITIVE BEHAVIOR “Vandaag ben ik langs geweest bij het Corderius College in Amersfoort. Docenten vertelden me over positive behavior support (PBS), een aanpak om het gedrag van lastige leerlingen te veranderen. Ze zijn er enthousiast over. Het is een van de weinige scholen in Nederland die deze uit Amerika overgenomen strategie toepast. PBS is nog geen onderwerp voor de NOS; het behoeft meer garing. Mochten we er op termijn over berichten, dan is het contact al gemaakt. Zo’n bezoek hoeft niet per se iets op te leveren. Ik streef naar één verhaal per week. Maar als je twee weken niets levert en dan met een dijk van een verhaal komt, is dat ook goed.”

Do

Vr

NIEUWS “Aan het werk, achter de computer. Het nieuws is ons uitgangspunt. Dat laat zich niet gelijk over de sectoren verdelen. Vergeleken met het hbo en de universiteiten is het mbo meer gesloten. Voor je een docent mag spreken, moet je langs managers en andere bestuurders. Dat is ook bij het vo anders. Toen ik mij inwerkte, ben ik bij alle raden, bonden en clubs op bezoek geweest. Zo bouw je een netwerk op. Dat ik bij reportages niet in beeld kom, stoort me niet. Ik weet dat de redacteur veel invloed heeft op het verhaal. Ik voel me eigenaar van het onderwerp. De NOS maakt onderscheid tussen de politiek en het onderwijsveld. Dus de politieke redactie belt mij, als OCW weer eens komt met een ronkend persbericht over de afname van het aantal voortijdig school­verlaters. Daar zijn we heel kritisch op.’’

BACK STAGE


In beeld

Pretstudie? Tekst Nathalie van Dijk Foto Jeroen Keep, Buzz’m Hertha, een theaterproject van het Deltion College waaraan meer dan 400 studenten meewerkten. Gastlessen over de Joodse keuken, bezoeken aan kamp Westerbork, lessen burgerschap gewijd aan het project. Het hoogtepunt? Drie uitverkochte voorstellingen in april. Meer dan 1300 mensen waren geraakt door het waargebeurde verhaal over de vriendschap tussen het joodse meisje Hertha Aussen en de niet-joodse Netty Hietkamp in de Tweede Wereldoorlog. Deltionstudenten en -medewerkers speelden mee in het ensemble, maar ook achter de schermen werkten studenten van verschillende opleidingen mee: van Metaal­ techniek en Fotografie tot Transport en Logistiek. Een stuk dat in al zijn diversiteit – zowel qua thematiek als qua inzet van vaktalent – heeft laten zien wat het mbo in huis heeft! Artiest, zomaar een pretstudie? Hertha is ook het winnende project in de categorie ‘maatschappelijk’ op www.ditismbo.nl.

BACK STAGE


18 / 19

BACK STAGE


Ondernemend onderwijs als tegengif voor krappe arbeidsmarkt

Denk en handel als een ondernemer Meer ondernemers zorgen voor meer banen, zo hoopt de overheid. Maar is het iedereen wel gegeven een eigen zaak te beginnen? Door ondernemend onderwijs kunnen studenten daar snel achter komen. ‘Twee derde van de mbo’ers overweegt een eigen zaak.’ Tekst Sander van der Ploeg Illustratie Link Design

BACK STAGE


20 / 21

Bij sommigen zit het ondernemen in het bloed. Aan de andere kant heeft werken in loondienst ook wel wat. Vrijdagmiddag rond vijf uur trek je de deur achter je dicht voor een zorgeloos weekend. Maandag weer een dag. Maar ja, de crisis. Ruim acht procent van de Nederlandse beroepsbevolking is werkloos, een triest record. Werknemers maken zich meer dan ooit zorgen om hun baan. En als het slechtnieuws­ gesprek dan komt, wat dan? Steeds meer mensen nemen het heft in eigen hand en beginnen voor zichzelf. Ruim 104 duizend nieuwe inschrijvingen telde de Kamer van Koophandel in 2012. De eerste drie maanden van dit jaar waren dat er 39 duizend. Zij zijn ondernemer uit overtuiging, maar vaak ook uit noodzaak. Maakt dit Nederland tot een ondernemend land? Dat blijft de vraag. Ruim dertig procent van de in 2011 begonnen ondernemers gaf er al na een jaar de brui aan, zo blijkt uit een onlangs verschenen rapport van de ING. Vooral de horeca blijkt een ondankbare sector voor starters. Zo’n zestig procent van hen geeft de droom van een eigen horecazaak binnen een jaar op. Dit zijn bittere cijfers van de ING-economen. Het kan dus veel beter. Dat besefte de overheid in 2008 al toen AgentschapNL, de uitvoerings­ organisatie van onder andere het ministerie van Economische Zaken, samen met het ministerie van Onderwijs het Actieprogramma Onderwijs en Ondernemen uitrolde. Tot vorig jaar is zo’n dertig miljoen euro geïnvesteerd om leren ondernemen te bevorderen en het onderwijs en bedrijfsleven nader tot elkaar te brengen. “Nederland telt nog te weinig ambitieuze ondernemers”, zegt Eline Beemsterboer van AgentschapNL. “Daarbij gaat het niet alleen om de kwantiteit, maar zeker ook om de kwaliteit. Goed opgeleide zelfstandigen zijn succesvoller. Als hun eenmanszaak eenmaal goed loopt, nemen ze mensen aan.”

Voorname rol mbo Zo ver is het nog niet. Eerst moeten jongeren enthousiast worden gemaakt voor het onder­ nemer­schap. En dat gebeurt tijdens de opleiding, als zij nog zoekend zijn naar de professionele invulling van hun leven. Dan komt al snel het mbo in beeld, want geen enkel opleidingsniveau is zo praktijkgericht en ondernemend als het middelbaar beroepsonderwijs. “Het mbo is inderdaad erg belangrijk voor ons”, zegt Beemsterboer. “Zestig procent van de scholen heeft ondernemend onderwijs opgenomen in hun missie. Ruim 41 procent nam het ook daad­werkelijk op in het curriculum.” Het onder­ nemend onderwijs valt zeker in het mbo goed, denkt Beemsterboer. Afgelopen jaar kwam 62 procent van de mbo’ers met ondernemende vakken of projecten in aanraking. In 2010 was dit nog 42 procent. Uit onderzoek blijkt dat twee derde van de mbo’ers overweegt later een eigen zaak te beginnen. Een vijfde wil ook daad­ werkelijk die stap nemen. Toch kan het altijd beter, denkt Beemsterboer. “Als je wilt, kún je ondernemer worden. Wij willen studenten daarvan doordringen. Wij zijn daarom pas tevreden als iedereen, van de kleuterschool tot de universiteit, met ondernemen in aanraking is geweest. Ieder vak moet een ondernemende twist hebben en dat kan ook. Docenten moeten kansen zien voor hun studenten en hen hierbij helpen.” Ronkende woorden vanuit Den Haag, maar hoe worden die vertaald in de praktijk? Moeten mbo-scholen nu een voorbeeld nemen aan zakenuniversiteit Nyenrode, maar dan op middelbaar niveau? Het Arnhemse Rijn IJssel denkt het antwoord te hebben door bijvoorbeeld eerst een onderscheid aan te brengen in ondernemerschap en onder­ nemend­heid. Dat lijkt een detail, maar dat is het zeker niet, legt docent Welzijn en ambassadeur ondernemend onderwijs Nel Kant uit.

BACK STAGE


Denk en handel als een ondernemer vervolg

“Ondernemer­schap is voor iedereen duidelijk. Dat is een eigen bedrijf starten met een ondernemingsplan.” Ondernemendheid is genuanceerder. Dat vergt nadere uitleg, weet Kant ook. “In een snel veranderende arbeidsmarkt zijn banen voor het leven een zeldzaamheid. Veel studenten zijn intrinsiek op zoek naar baanzekerheid, maar kunnen door de crisis toch ongewild zzp’er worden. En dan kun je maar beter goed beslagen ten ijs komen, toch?”

Onmisbare eigenschappen “We willen onze studenten een proactieve, ondernemende houding aanleren waar de arbeidsmarkt om vraagt”, zegt Kant. “Flexibel, een open mind, doorzettings­ vermogen, creatief, oplossingsgericht en zelfbewust. Dit zijn niet alleen onmisbare eigenschappen voor een goede onder­ nemer, maar zeker óók voor de werknemer van nu.” Volgens Kant hoeft niet iedere student een ondernemer te worden, maar moet hij in potentie er wel een zijn om te slagen op een volatiele arbeidsmarkt. “Studenten moeten leren omgaan met baanonzekerheid, alleen een diploma is geen garantie meer voor een succesvolle carrière. Puur beroepsgericht onderwijs in het mbo volstaat dan niet meer.”

BACK STAGE

Die onzekerheid geldt niet alleen meer voor de studenten. Ook docenten krijgen hiermee te maken, zegt Kant. “Je kunt niet zomaar een curriculumverandering door­voeren zonder personeelsontwikkeling door masterclasses en opleidingsdagen.” Ondernemende studenten en docenten zijn vooral te vinden in de klassieke handels­opleidingen, maar dat is voor Rijn IJssel niet genoeg. Ook studenten bij de zorgopleidingen, toch niet de meest commerciële afstudeerrichting, worden onderwezen in ondernemendheid. Studenten kunnen de certificeerbare eenheid Ondernemenschap volgen, de ‘ouderwetse middenstandsvakken’ dus. Belangrijk, want door de crisis beginnen steeds meer werknemers uit alle vakgebieden voor zichzelf. “Veel van die eenpitters gaan binnen de kortste keren failliet, omdat ze niet weten hoe ze een eigen zaak moeten runnen”, zegt Kant. “Zoals basisscholen hun leer­ lingen leren omgaan met geld, bereiden wij onze studenten voor op de arbeids­ markt van morgen.” ROC Flevoland nam net als Rijn IJssel deel aan het Actieprogramma van AgentschapNL en kan ook bogen op een lange traditie met ondernemend onderwijs. Onder de noemer College4Business biedt de onderwijs­ instelling al jaren vakken aan voor toekomstige ondernemers.

“In Flevoland zijn we nu eenmaal wat ondernemender dan in de rest van Nederland”, zegt directie­voorzitter Mark Vlasblom. “Dat is historisch zo gegroeid. In de polder moesten we immers pionieren. Almere telt niet voor niets meer zzp’ers dan Amsterdam.” Volgens Vlasblom staat zijn roc door zijn pioniersrol aan de wieg van het ondernemend onderwijs binnen het mbo. Alle studenten komen van het eerste tot het laatste studiejaar in aanraking met ondernemend onderwijs. Hoe? Door gerichte trainingen en gastcolleges van succesvolle, regionale ondernemers. De samenwerking met het regionale bedrijfs­leven levert volgens Vlasblom grote voordelen op. Studenten krijgen les van ervaringsdeskundigen en zetten onder  begeleiding eigen kleine ondernemingen op.


22 / 23

Vlasblom: “Studenten leren presentaties te houden voor echte bedrijven, proberen hun zelfontworpen producten te pitchen en markten te ontsluiten. Vaardigheden die elementair zijn als ondernemer, maar inderdaad ook voor de moderne werknemer. Onze studenten realiseren zich dat en reageren erg enthousiast op onze aanpak. De ondernemende vakken zijn erg populair.” Vlasblom gelooft dan ook sterk in onder­ nemend onderwijs. Over twee jaar opent het roc de vestiging Almere Poort. Hier worden alle economische, creatieve en handels­opleidingen geclusterd. “Wij willen hiermee bedrijven nog meer aan ons binden en de jeugdwerkloosheid bestrijden. Die is hier relatief hoger dan in de rest van Nederland.” De jeugdwerkloosheid treft relatief vaak mbo’ers, vooral zij die alleen niveau 2 en

3 hebben afgerond. Maar door hun praktijk­gerichte instelling zijn mbo’ers wel van groot belang voor de arbeidsmarkt, vindt Zakenvrouw van het Jaar 2013 Heleen Dura-van Oord, oprichter van online marketingbureau DQ&A en bestuurslid van de Stichting Jong Ondernemen.

“Ondernemen betekent veel meer dan een eigen zaak”, zegt Dura-Van Oord. “Veel mensen associëren het met een onzeker bestaan, maar welke zekerheid heb je in loondienst tegenwoordig nog? Dan kan je misschien beter op eigen benen staan door je eigen werkervaring op te doen. Zo bouw je ook zekerheid op.”

Burgerschap “Natuurlijk heeft Nederland behoefte aan meer succesvolle ondernemers of ondernemende werknemers”, zegt Van Dura-Van Oord. “Maar vergeet niet dat ondernemende eigenschappen ook bijdragen aan goed burgerschap.” Volgens Van Oord komen ondernemende mensen eerder in actie bij verbeteringen in de wijk, op school of in de familie. Ook de zachte kanten van het zelfstandigenbestaan zijn belangrijk.

Iedereen kan een eigen zaak beginnen, denkt Dura-Van Oord. Zolang je gedreven bent. De vaardigheden zijn te leren. “Ondernemen gaat om waarde creëren. Niet alleen financiële waarde, maar ook om duurzame en maatschappelijke. We willen ook die kanten van het ondernemerschap voor het voetlicht brengen. Ondernemen is veel meer dan alleen keihard werken voor je eigen zaak.”

BACK STAGE


Column

Vergeten midden Foto Ed van Rijswijk

Een oplettende mbo’er maakte mij erop attent met een tweet. ‘Hebben jullie het artikel van @DeGroene gelezen over het vergeten #mbo?‘ tikte deze student keurig binnen de 140 tekens. Hij had geen linkje. Wel een foto, maar de tekst erop viel mét krachtige leesbril zelfs niet te ontcijferen. De Groene Amsterdammer bood uitkomst in de vorm van een prachtige digitale versie van ‘De erosie van het midden’, van sociologe Rineke van Daalen. De kern van haar betoog: onze heersende maatschappelijke hiërarchie is verdeeld in laagopgeleiden en hoogopgeleiden. Alles wat daar tussenin zit – lees: het mbo - bestaat gewoon niet. Is er niet. Vergeten. Weg. Niet prettig om te lezen voor iemand wiens baan dat ‘midden’ is. Maar het is tegelijk geen enorme verrassing. Ook ik heb dagelijks te maken met de onbekendheid van het mbo. Begrijpt u mij goed: hier spreekt bepaald geen gefrustreerd man. Ik ga fluitend naar mijn werk en geniet van al het goede (en minder goede) van het mbo. Maar het is toch opmerkelijk dat ‘we’ mbo’ers als zoiets vanzelfsprekends beschouwen dat zelfs het Sociaal Cultureel Plan­ bureau aan ze voorbij gaat. Van Daalen noemt als voorbeeld het tweejaarlijks SCP-onderzoek ‘De sociale staat van Nederland’, waarin onder meer de tevredenheid van Nederlanders wordt gemeten. In de meting zijn wél de laag­opgeleiden en hoogopgeleiden terug te vinden. Maar het midden schittert door afwezigheid. Hoe het komt dat het mbo regelmatig ‘vergeten’ wordt? Het is me een raadsel. Van Daalen verklaart het als de zucht van hogeropgeleiden om vanuit het eigen hiërarchisch belang te denken in de soorten ‘gelijken’ en ‘anderen’. Dan is het wel zo overzichtelijk om maar tot twee te hoeven tellen. Maar het doet geen recht aan die bakker waar zij elke dag hun brood halen of aan de verpleegkundige die professioneel voor hen zorgt als ze in het ziekenhuis belanden. Aan de piano­stemmer die het hen mogelijk maakt klassiekers zuiver uit de toetsen te toveren. Of aan de monteur die ervoor zorgt dat ook hun bolide blijft rijden. Het zijn maar een paar voorbeelden uit het veelzijdige oeuvre van noodzakelijke beroepen dat het mbo rijk is! Denkt u misschien: gloedvol verhaal, Van Zijl, en nu over tot de orde van de dag. Dat zou niet verstandig zijn. Daarom extra aandacht voor het ‘vergeten’ midden in deze Back Stage op pagina 12!

Jan van Zijl Voorzitter MBO Raad

PS Zien hoe de wereld eruit zou zien als het midden helemaal niet bestond? Even deze link afspelen: http://youtu.be/1TwIUgd7eb0.

BACK STAGE


24 / 25

Minister voor 1 dag

Henk Kool, wethouder Sociale Zaken, Werkgelegenheid en Economie in Den Haag:

‘Als ik Jet was, zou ik direct de stagecheque invoeren’ Tekst Samar Haddad Foto Nout Steenkamp Henk Kool heeft een pragmatische en toekomstgerichte blik. Als minister van Onderwijs wil hij onderzoeken welke branches toekomst hebben op de arbeidsmarkt. Zijn andere kernpunt als minister is het stimuleren van stages: ‘In sectoren met toekomst zou ik stages verplicht willen stellen.’ “In Den Haag hadden begin dit jaar 3.314 jongeren geen werk. Een jaar eerder waren dat er nog maar 2.240; een stijging van bijna vijftig procent. En het aantal Haagse werklozen groeit nog steeds. Ik heb de crisis in de jaren tachtig nog meegemaakt, waardoor een hele jongere generatie niet meer aan de bak kwam. Om dit niet nog een keer te laten gebeuren, zijn rigoureuze maatregelen nodig.” “Je zou verwachten dat bedrijven in tijden van crisis juist stagiairs willen hebben, vanwege de lage arbeidskosten. Zo werkt het blijkbaar niet. Ze vinden het lastig om stagiairs aan te nemen, omdat deze extra begeleiding nodig hebben en daardoor hogere kosten met zich meebrengen. Daarom moet de overheid stages stimuleren. Ik heb dat in Den Haag gedaan door de stage­ cheque te introduceren. Afgestudeerden die zelf een stage hebben gevonden, kunnen bij mij  een cheque ophalen voor vijfhonderd euro per maand voor zes maanden. Als de werkgever er twee- of driehonderd euro bijlegt, heeft hij een hele goedkope arbeidskracht. Ik hoop dat mensen er op deze manier een vinkje op hun cv bij krijgen, maar ook dat ze wellicht in zo’n bedrijf blijven werken. Als minister zou ik de stage­ cheque onmiddellijk landelijk invoeren.” “Daarnaast zou ik allerlei maatregelen nemen om onderwijs en arbeidsmarkt beter op elkaar te laten aansluiten. Van ondernemers krijg ik de klacht dat werknemers niet de juiste

kwalificaties hebben of niet op de juiste manier zijn opgeleid. Met opleidingen waar geen droog brood mee te verdienen valt, moet je rücksichtslos stoppen. Opleidingen met toekomst, zoals de zorg, de ict, de bouw en de metaal- en installatie­ techniek, moeten juist aantrekkelijker voor jongeren worden gemaakt door leuke en interessante stageplaatsen bij goede werkgevers. In die sectoren zou ik stageplaatsen verplicht stellen. Ook is er behoefte aan meer ambachts­ scholen, vooral voor jongeren met een laag opleidingsniveau, want die vallen vaak tussen wal en schip.” “Als minister zou ik ook onderzoek doen naar wat de arbeidsmarkt over een aantal jaar nodig heeft. Dat hebben we in Den Haag gedaan en daar kwam uit dat de sector safety and security, alles wat met persoons-, urban- en gebouw­ beveiliging te maken heeft, een vogelvlucht neemt. Samen met de Universiteit Delft en de Universiteit Leiden hebben we een cyberacademy opgericht, waarin bedrijfscursussen worden samengebracht die mensen specifiek in dit vak opleiden. Dat soort innovaties hebben we nodig.”

‘Met opleidingen waar geen droog brood mee te verdienen valt, moet je rücksichtslos stoppen’

“Maar het allereerste wat ik zou doen, is alle vakanties in Nederland harmoniseren. Nu zijn mensen wekenlang onbereikbaar, omdat het dán weer hier en dán weer daar vakantie is. Van deze flauwekul moeten we gewoon af.”

BACK STAGE


vijf vragen aan…

Aan:

André Steenhart, sectorbestuurder bve AOb

 

Onderwerp:

H  et mbo heeft sinds 2009 een door werkgevers en werknemers afgesloten Professioneel Statuut met afspraken over de voortdurende professionalisering van docenten. Ook is in dit statuut vastgelegd dat onderwijsteams inspraak hebben in zaken als het onderwijsbeleid en het arbobeleid. Zij bepalen de pedagogischdidactische aanpak en de lesmethoden, in overleg met de scholen waar ze voor werken. Hoe staat het met de invoering van het Professioneel Statuut? Wat gaat goed, wat kan er beter? We vroegen het aan de sectorbestuurder bve bij de AOb, André Steenhart. ‘Het statuut is geen vrijheid, blijheid.’

Tekst Pieter Matthijssen Foto Nout Steenkamp

BACK STAGE


26 / 27

Vraag 1: Het mbo heeft als eerste onderwijssector in Nederland een Professioneel Statuut. Mooi, zéker voor een vakbond.

“A

bsoluut. De AOb heeft jarenlang gepleit voor inspraak voor hen die het onderwijswerk uitvoeren. Als vakbond wil je dat docenten over hun vak meebeslissen. Dat zij meehelpen die basis te creëren die nodig is om goed onderwijs te geven. Zeker in het mbo zijn vakkundige mensen van levensbelang. Mbo-scholen zien zich gesteld voor steeds veranderende omstandigheden, de onderwijskwaliteit is dus continu in het geding. Van docenten wordt verwacht hier snel, pedagogisch-didactisch sterk op te anticiperen. Hoe? Door planmatig te werken aan hun professionalisering, met een grote mate van zeggenschap.”

Vraag 2: Hoever zijn scholen met de invoering van het Professioneel Statuut in hun organisatie?

“S

ommige scholen zijn behoorlijk ver. Zij investeren bewust in de eigen regel­mogelijkheden van hun mensen, de zeggenschap van hun onderwijsteams. Vaak is bij deze scholen sprake van een overlegcultuur, waarbij de OR voor discussieruimte zorgt en meepraat over hoe de school de kwaliteit van het personeel naar een hoger plan kan tillen. Andere scholen staan aan het begin, mede doordat directief leiderschap en van bovenaf opgelegde procedures de eigen inbreng van onderwijzend personeel bemoeilijken. In deze instellingen moet de OR meestal het recht op zeggen­ schap bevechten. Instemmingsrecht is hier niet zo vanzelfsprekend. We zijn minder ver dan gehoopt, maar het statuut zet het nodige in beweging.”

Vraag 3: Wat zijn voor scholen kritische succesfactoren bij de verankering van het statuut?

“S

feer, veiligheid en vertrouwen spelen een belangrijke rol bij de verankering van professionalisering en zeggenschap in een organisatie. Docenten zijn creatiever en meer bevlogen, werken oplossingsgerichter en lopen harder, naarmate ze de vrijheid krijgen om zelf resultaten te boeken. Succes staat of valt ook met de ambitie van de school. Instellingen die bewust minder investeren in hun primaire proces, sturen op de inzet van tijdelijk

personeel en interim-managers en bouwen zo structureel minder kwaliteit op. Dit zijn vaak ook de organisaties waar docenten vragend ‘naar boven’ kijken op het moment dat ze zelf op zoek moeten naar oplossingen.”

Vraag 4: Staat of valt de professionalisering van het onderwijspersoneel ook met hoe je als school je geld uitgeeft?

“E

r zijn scholen die hun bedrijfsvoering laten prevaleren boven onderwijskwaliteit. Zij steken hun geld in infrastructurele oplossingen en halen de daarvoor benodigde financiën weg door te bezuinigen op vaste formatieplaatsen of extra scholing voor het onderwijzend personeel. Sommige scholen kunnen momenteel niet de voor professionalisering nood­ zakelijke keuzes maken, vanwege verkeerde of  onhandige investeringen in het verleden. Hier staat de invoering van het Professioneel Statuut logischer­wijs minder hoog op de agenda dan bij scholen die deze financiële ruimte wel hebben.”

Vraag 5: Veel professionele vrijheid en verantwoorde­lijk­ heid voor docenten klinkt mooi, maar hoe bewaak je de balans?

“D

ie bewaakt zich eigenlijk vanzelf. De vrijheid van docenten is in zekere zin beperkt, omdat ze zich moeten houden aan de kwaliteitseisen die de overheid heeft vastgesteld. Ze zijn onder meer gebonden aan de grenzen van de kwalificatiedossiers en hebben te maken met de geldende examennormen. Docenten zijn vrij om binnen de bestaande kaders hun eigen keuzes te maken, zolang ze studenten maar op een examenwaardig niveau brengen. De kunst is een cultuur te creëren waarin enthousiaste mensen met goede ideeën op een planmatige manier werken aan hun professionalisering en die van hun studenten. En dat alles zonder daarbij het plezier in hun werk te verliezen.”

BACK STAGE


BACK STAGE


28 / 29

Positionering: eerst goed onderwijs, pas dan (soms) een nieuwe naam

Een sterk merk begint bij de basis Roc’s willen een helder en sterk beeld van zichzelf neerzetten: dit zijn wij, dit bieden wij, hier staan we voor. Geen eenvoudige opgave, want het onderwijsaanbod is vaak breed, de doelgroepen divers en de soortnaam ‘roc’ heeft nogal wat deuken opgelopen. Hoe werken roc’s aan een krachtige (her)positionering? Tekst Berber Bijma Illustratie Link Design, Amsterdam ‘ROC Eindhoven wordt Summa College.’ Dát is wat de krant haalt, niet het hele denkproces dat eraan vooraf gaat en de bredere verandering die in gang gezet is. Fijn om de krant te halen, maar eigenlijk jammer dat een nieuwe naam relatief veel aandacht krijgt, vindt Antoine Wintels, collegevoorzitter van het Summa College, dat sinds 1 januari zijn nieuwe naam draagt. “Als een naamsverandering niet is ingebed in een totale verandering, kan het averechts werken. Je moet je nieuwe naam wel waarmaken. Voor ons was de nieuwe naam slechts één stap in een proces dat we al eerder in gang hebben gezet: we hebben eerst de structuur van de organisatie verbeterd, toen gewerkt aan de cultuur en pas daarna gekozen voor een nieuwe naam.” Daarmee is het verbetertraject overigens nog niet afgelopen, benadrukt Wintels. “Om te komen waar we willen zijn, hebben we nog wel een paar jaar nodig, maar we merken al wel positieve effecten van onze nieuwe koers.” Als de naamgeving relatieve bijzaak is, hoe word je als mbo-school dan wél een sterk merk? “Door met z’n allen na te denken over de kernwaarden van je school en op basis daarvan verbeteringen door te voeren”, zegt Olaf van Nugteren, lid van het college van

bestuur van het Summa College. “Bij ons leidde dat gesprek tot de conclusie dat onze kern­ waarde is dat wij studenten willen stimuleren het beste uit henzelf te halen en dat we ook als school en als medewerkers het beste uit onszelf willen halen. Zo hebben we met z’n allen een soort ‘merkbesef’ ontwikkeld.” De pay-off van de nieuwe naam is ‘Haal het beste uit jezelf’. ‘Summa’ verwijst behalve naar ‘het beste’ ook naar de samenwerking tussen alle betrokkenen, de ‘som’. Het mooie is, zegt Wintels, dat die nieuwe naam een kapstok biedt voor verbeteringen op allerlei terreinen. “Je hoort medewerkers soms zeggen: ‘Als wij Summa willen zijn, dan moeten we wel’.”

‘Je moet een nieuwe naam wel waarmaken’ Antoine Wintels

De reacties op de nieuwe koers zijn positief. Wintels: “We hebben zelfs van de Inspectie van het Onderwijs een compliment gekregen. De komende tijd gaat het erom dat we de verwachtingen waarmaken. We zijn niet zozeer uit op extra toeloop van studenten. Wij willen voldoen aan de hoge eisen van het bedrijfsleven in onze regio door topvaklieden af te leveren. Onze focus is: wat hebben bedrijven nodig en hoe kunnen we nog betere vaklieden leveren dan bedrijven van ons verwachten?”

BACK STAGE


Een sterk merk begint bij de basis vervolg

Een krachtige (her)positionering zit vooral in het creëren van omstandigheden waardoor je je merk waar kunt maken, zegt Wintels. “Wij hebben een sterke financiële positie, ontwikkelen ons goed op het gebied van vroegtijdige school­ uitval en investeren flink in docenten. Het enige dat nog wat blijft hangen is de studenttevreden­ heid, maar we verwachten dat die de komende tijd zal aantrekken.”

Identiteit

‘Herpositionering is meer dan een nieuwe, glanzende folder’ Marc van Eck

Marc van Eck, partner bij strategisch marketing­ adviesbureau Business Openers, begeleidde diverse roc’s bij hun herpositionering. Hij onder­­schrijft de woorden van Wintels en Van Nugteren grotendeels. “Een krachtige positionering betekent: verwachtingen scheppen en die waarmaken. Verwachtingen wek je door dingen te doen; dat is altijd krachtiger. Consistent waarmaken wat mensen van je verwachten is trouwens makkelijker gezegd dan gedaan.” Een proces van herpositionering begint, zegt ook Van Eck, aan de basis. “Het gaat wezenlijk om meer dan een nieuwe glanzende folder. Je moet je allereerst afvragen: waar zit onze energie, wat is onze identiteit. Identiteit blijkt uit hoe je dingen doet, niet uit wát je doet, want daarin streven alle roc’s naar hetzelfde: goed onderwijs. Je kunt je onderscheiden door wat je doet bijvoorbeeld heel attent te doen, of heel ambitieus. Daarin moet een school een keuze maken die als het ware een kapstok wordt voor de identiteit. Met die focus geef je scherpte in gesprekken over verbeteringen op alle plekken in de organisatie. Bijvoorbeeld: als wij attent willen zijn, wat betekent dat dan voor de roosters, voor het curriculum, maar ook: in de bestuursvergaderingen of voor de catering­ medewerkers?” De bezinning op het onderscheidende aspect moet niet te lang duren, zegt Van Eck. “Je moet er zo snel mogelijk mee aan de slag. Het maakt namelijk niet eens zo veel uit wat je kiest, maar

BACK STAGE

je moet wel een keuze maken. Een roc dat overal goed in wil zijn, is uiteindelijk overal middel­ matig in. Dat blijkt ook uit onderzoek.” “Een nieuwe naam krijgt helaas vaak de meeste aandacht in een proces van herpositionering”, zegt Van Eck, “terwijl dat het minst belangrijk is.” Sterker nog: hij vindt het in de meeste gevallen zonde van het geld. “Gezien het imago van het woord ‘roc’ kan ik me voorstellen dat scholen die naam laten vallen, maar problemen los je er niet mee op. Bovendien: onder de oude naam heeft een roc ook veel goeds gedaan, dat raakt met terugwerkende kracht besmet. Een totaal andere naam draait al snel uit op het weggooien van geld. Gelukkig neemt de tendens van naamsverandering wat af.”

Niet besmet ROC van Twente is zo’n school die vol over­ tuiging zijn eigen naam aanhoudt. “We krijgen er eigenlijk alleen vragen van buiten­staanders over”, zegt voorlichter Els van Riel licht geamuseerd. “Het woord roc is in onze regio helemaal niet besmet. ROC van Twente drukt precies uit wat wij zijn. Sinds de fusie in 2004 met een ander roc is er in onze regio nog maar één roc. Dat heeft een uitstekende naam. Toen voormalig minister Van Bijsterveldt naar de besmette naam van roc’s werd gevraagd, noemde ze ons als voorbeeld van roc’s die van die besmetting totaal geen last hebben, juist omdat ze prima functioneren. Onze financiën zijn op orde, de onderwijskwaliteit is goed, de inspectie is tevreden. Met die basiszaken bouw je aan een sterk merk. Als die niet op orde zijn, helpt een naamsverandering niet.” Aventus, roc in de driehoek Apeldoorn-DeventerZutphen, koos vorig najaar voor een kleine naamsverandering door alleen de aanduiding ‘roc’ in de naam weg te laten. “Het is veel mensen niet eens opgevallen”, zegt Anky Veldman, lid van het college van bestuur. Ook bij Aventus was de naamsverandering geen op zichzelf staande ingreep. Veldman: “Tijdens het opstellen van onze strategische koers voor de komende jaren, vroegen we ons af wat wij willen zijn. Het antwoord was eigenlijk eenvoudig: een


30 / 31

De mening van de student Waarop baseren studenten hun keuze voor een opleiding en een roc? De student zelf is tenslotte de eerste doelgroep van de roc’s. “Bij mij was doorslaggevend hoe studenten op de open dag vertelden over hun school”, zegt Nicole Weenk. Ze is derdejaars student Marketingcommunicatie aan het Graafschap College in haar woonplaats Doetinchem. Ze bezocht ook een ander roc voor ze de keuze maakte. “Welke naam een school kiest, maakt me echt niet uit. Mijn ouders vonden het slagingspercentage vooral belangrijk. Ikzelf heb gevraagd of er veel lesuitval is en of er goed les wordt gegeven. De antwoorden kun je maar het best van studenten horen, want je weet nooit hoe eerlijk een docent op een open dag antwoord geeft.” Het eerste roc dat ze bezocht, bleek een vrij laag slagingspercentage te hebben. Haar indruk van het Graafschap College was positief. “En dat is alleen maar beter geworden sinds ik er student ben. Als ik scholen een tip mag geven in hoe ze reclame voor zichzelf moeten maken, zou ik zeggen: laat het je studenten vertellen. Dat werkt ’t beste.”

goede school. De benaming ‘school’ past beter bij ons dan roc, een term die hier nooit goed is geland. Er waren nog altijd mensen die ‘rok’ zeiden – niemand weet waar de afkorting voor staat.” Aventus besloot daarom de officiële naam iets aan te passen en – belangrijker – brancheopleidingen een heldere naam te geven: School voor Automotive, School voor Transport en Logistiek, School voor Welzijn & Maatschappij. “Met de naam ‘school’ leggen we nadruk op de kleinschaligheid die we nastreven”, zegt Veldman. In de pay-off komt dat ook terug: ‘De school waar jij ’t maakt’. “Die slogan is een uitvloeisel van onze strategische koers, waarin we besloten hebben om nadruk te leggen op de vraag: waar zit jouw kracht, waarin ben jij een held?”

Bij die profilering spelen ook ouders en studenten een belangrijke rol, zegt Veldman. “Zij zijn auto­­matisch je ambassadeurs, in positieve of negatieve zin. Dus moet je je afvragen: hoe zorgen we ervoor dat er in de weekenden op en langs de sportvelden op een positieve manier over Aventus wordt gesproken?” Opnieuw is het antwoord: door te zorgen dat de basisprocessen op orde zijn. “En door heldere communicatie naar ouders. Zij zijn een belangrijke doelgroep.”

Maar, benadrukt ook Veldman, met alleen mooie woorden kom je er niet. “Een merknaam compenseert niet wat in de inhoud van je basis­­processen niet op orde is. Andersom werkt het wel: als je alles op orde hebt, versterkt een goede merknaam je profiel.”

BACK STAGE


Uitvindingen

Twee minuten opwinden, acht uur mugvrij Tekst José Vorstenbosch Foto Ed van Rijswijk

Naam: Erika Sluijs Opleiding: Business & Management, Rijn IJssel Product: Zoommylamp

Erika Sluijs (19) en drie medestudenten Business & Management van Rijn IJssel in Arnhem ontwik­ kelden de Zoommy, een opwindbare muggen­lamp. Een ideaal product voor plaatsen waar wel muggen zijn, maar geen stopcontacten. De lamp heeft als extraatje een ingebouwde muziekbox die een slaapliedje kan afspelen. “We wilden een product bedenken dat duurzaam is en gericht op kinderen. Zo kwamen we op de Zoommylamp. Een deskundige heeft ons uitgelegd hoe de zintuigen van een mug werken. Een mug komt af op het uv-licht van de lamp. De binnenste ring heeft een klein voltage dat de mug doodt. De buitenste ring biedt bescherming tegen kinder­ handjes. We zijn hard bezig om de lamp op de markt te brengen. Vanwege de hoge kosten is dat tot nu toe nog niet gelukt.”

BACK STAGE

NIEUW!!!


32 / 33

De Zoommylamp: twee minuten opwinden en de lamp blijft zo’n acht uur branden. Het twee meter hoge prototype van de lamp gaat overal mee naartoe.

Tijdens een internationale marktdag in Antwerpen wonnen de studenten van Zoommy de award voor de beste promotiestand. De prijs bestond uit tickets voor het International Student Company Festival in Riga. In de landelijke competitie van Jong Ondernemen haalden de studenten net niet de finale. Erika: “Het was heel leuk en leerzaam om mee te doen.”

Studentenbedrijf Zoommy: Sander Vernooij (directeur), Racha Khouri (inkoop- & productiemanager), Erika Sluijs (financieel manager) en Kristel de Ridder (sales & marketing). Het viertal doet met Zoommy mee aan een programma van Jong Ondernemen. Zo doen de studenten niet alleen ervaring op, maar krijgen ze ook begeleiding bij het runnen van een bedrijf.

BACK STAGE


Uitvindingen Twee minuten opwinden, acht uur mugvrij vervolg

De jury...

6 8 Jan van der Werf, ondernemer en docent op het terrein van insectenbestrijding “De technische onderbouwing van deze lamp laat naar mijn idee te wensen over. Is twee minuten opwinden genoeg voor acht uur werking van spanningsrooster én lamp? Kunnen de muggen er niet makkelijk doorheen vliegen? Wat is de reik­wijdte van de lamp? Is het echt bewezen dat die werkt tegen steekmuggen? Het idee van de Zoommylamp is zonder meer de moeite waard, maar vraagt om nog meer uitwerking.”

Ben Greeven, eigenaar Sporthuis Sunny Camp in Zeist “Omdat het product geen stroom vraagt en door middel van beweging wordt opgeladen, zal het - zeker in deze tijd - positief scoren. Nog mooier zou het zijn als de lamp ook een zonnecel had om energie op te wekken en op te slaan. Het product ziet er fris uit. Als de studenten de Zoommylamp goed in de markt zetten en als de prijs redelijk is, heeft het product kans van slagen.”

7

De conclusie

7

De Zoommylamp is een handig en duurzaam product. Toch zijn er vraagtekens bij de effectiviteit, de kindveiligheid en de prijs van het product. De lamp heeft zeker kans van slagen, maar vraagt om meer uitwerking.

BACK STAGE

Jelle Duindam en Cathelijne van Melle, ouders van Ties “Als fervente kampeerders zijn wij wel geïnteresseerd in zo’n lamp, omdat je geen stroom nodig hebt en je je niet hoeft in te smeren. Wel vragen we ons af of de kleine Ties geen schok krijgt als hij de lamp aanraakt en of je er buiten niet juist insecten mee aantrekt. Binnen lijkt de lamp ons wel handig, maar op de camping zien we er weinig brood in. Voor het muziekje zouden we hem ook niet kopen.”


34 / 35

Pittige taal

Pittige taal van… Ivo Severijns Tekst Corien Lambregtse Foto Ed van Rijswijk

Ivo Severijns (49) is een van de initiatiefnemers van de Metal Factory: een driejarige mbo-opleiding van het Summa College die zich volledig richt op de metalmuziek. De Metal Factory, gekoppeld aan het Rock City Institute in Eindhoven, leidt studenten op tot ‘creatieve ondernemers’. De studierichtingen zijn zang, drums, gitaar, bas­ gitaar en toetsen. En nee, het is géén pretstudie. Wie zit er naast de verschillende muziek­opleidingen in Nederland te wachten op een metalopleiding? “Er zijn inderdaad verschillende opleidingen in muziek, zowel op mbo- als hbo-niveau, maar bij de voorselecties en audities vallen metalspelers bijna altijd af. Hun muziekrichting is zo specialistisch en ze hebben zulke andere speltechnieken en opvattingen. Daar weten de bestaande opleidingen geen raad mee. De metalscene is een vergeten groep. Daarom is er vanaf september 2013 de Metal Factory.”

‘De metalopleiding tilt het vak naar een hoger niveau’

Hebben metalstudenten een serieuze kans op werk? “De boekingsbedrijven in Nederland maken 25 procent van hun omzet met liveoptredens in de metalindustrie. Het is dus een wezenlijke markt waar heel veel werk is, zowel op als naast het podium. Het gaat niet om een niche, metal is echt een grote markt.”

Maar kun je met deze opleiding je brood verdienen? “We leiden studenten veel breder op dan alleen tot artiest. Naast individuele skillslessen en bandonderwijs, krijgen ze les in onder­ nemerschap. Ze worden voorbereid op een gemengde beroeps­praktijk: ze spelen in een band, geven muziekles, schrijven voor muziek­bladen en ondernemen dingen. Al die activiteiten samen zorgen voor een inkomen. Uit onderzoeken van andere opleidingen weten we dat een derde deel van de muziekstudenten als muzikant aan het werk gaat, een derde deel stroomt door naar het hbo, een ander deel komt in de technische ondersteuning of de bredere muzieksector terecht.”

De Metal Factory heeft professionele docenten, die zelf ook uit de metalbranche komen. Zij delen hun passie en netwerk met studenten. Studenten kunnen stages lopen bij studio’s, festivals en boekingskantoren. Daardoor krijgen ze een enorme voorsprong.”

U gelooft niet dat deze studie een typisch voorbeeld van een pretstudie is? “Zeker niet. Studenten krijgen een brede opleiding en gaan daarna als creatieve ondernemers aan de slag. Bij de toelating selecteren we studenten niet alleen op muzikaal talent, maar ook op hun visie en plannen. Iemand die alleen maar muziek wil maken en er nog nooit over heeft nagedacht hoe je een cd aan de man moet brengen, nemen we niet aan. We bieden een pittige opleiding waarbij studenten worden uitgedaagd. Jaarlijks leveren we maximaal dertig studenten af en ik ben ervan overtuigd dat die ergens in het brede beroepsveld werk vinden.”

Maar hoe lang? Is metal geen hype? Mensen met talent bereiken het podium toch ook wel zonder opleiding? “Natuurlijk zijn er mensen die zonder specifieke opleiding een doel bereiken. Maar de opleiding tilt het vak naar een hoger niveau.

“Metal is er al sinds de jaren zeventig en kent als stroming zelf ook vele variaties. Metal is niet alleen iets voor twintigers of dertigers, het blijft ook interessant als je ouder wordt. Anders zou de metalwereld niet zo groot zijn.”

BACK STAGE


“We moeten ervoor zorgen dat, net als in Finland, iedereen hier met een leraar of lerares wil trouwen.” Minister Bussemaker heeft dé oplossing om academici te verleiden voor de klas te staan [Volkskrant].

“Studenten die zich suf klagen omdat ze er een tiende punt bij hopen te lullen, doen precies wat wij ze hebben aangeleerd.” Onderwijs dat draait om achten, negens en tienen is inhoudelijk even hol als de zesjescultuur, waarschuwen psycholoog Ad Bergsma en docent Jacqueline Boerefijn [Volkskrant].

“Het CDA moet feller het debat in. Zeker als het over onderwijs gaat. Over studentenhuisvesting, jeugdwerkloosheid, studiefinanciering.” Julius Terpstra, voorzitter van het CDJA, is strijdlustig: het Malieveld moet weer vol als de studiefinanciering op de schop gaat [Trouw].

“Ik zou ook niet willen dat de steward de stuurknuppel pakt en het vliegtuig gaat besturen.” Medezeggenschapsraden aan de knoppen bij de onderwijsbegroting, dat gaat VVD-Kamerlid Pieter Duisenberg een brug te ver [Profielen].

“Het onderwijs is in de greep gekomen van het nuttigheids­denken van het bedrijfsleven, dat per definitie opportunistisch en op de korte termijn is gericht.” In zijn zogeheten ‘schotschrift’ hekelt Coen Free, algemeen directeur Koning Willem I College, de grote invloed van het bedrijfsleven op de inhoud van het onderwijs [onderwijsbrabant.nl].

“Het zou goed zijn als minister Bussemaker bij de allocatie van middelen niet alleen naar pretstudies in het mbo kijkt, maar [als ze] ook onze nationale obsessie met hoge diploma’s agendeert.” Extra investeringen aan de basis van het onderwijs zorgen voor meer maatschappelijke winst dan het verder opvoeren van het aantal ‘hogeropgeleiden’, aldus econoom Ewoud Jansen [Volkskrant].

“Als de studenten van school gaan, weten de meeste niet meer welk eindcijfer ze voor welk vak behaalden en wel welke docent hun hart raakte.” Uiteindelijk is er volgens SGP-Kamerlid Bisschop maar één ding dat telt in het onderwijs: de man of vrouw in het klaslokaal [Reformatorisch Dagblad].

“De buren van Duitsland worden als lichtend voorbeeld genoemd. Dat is dan wel weer ironisch. Zijn we toch het Finland van het duale systeem.” Een Duits onderzoekrapport prijst Nederland aan als inspiratiebron voor landen die het duaal systeem willen invoeren. Opmerkelijk, vindt ook consultant Reinout van Brakel [onderwijsingrafieken.com].

“Bij het mbo groeien vaklieden door naar controlerende en leidinggevende functies. Dat is heel goed voor die vaklieden, maar er ontstaat wel een gebrek aan bekwame handen.” Is er sprake van techniekhysterie of een gebrek aan kundig beleid?, vraagt student Hydromechanica Martijn Hoornaert zich op Twitter af.


Bs21 issuu