Een Duitse familie in Nederland (1804-1913)

Page 1

Een Duitse familie in Nederland (1804-1913)  Bob van Zijderveld

Een Duitse familie in Nederland (1804-1913) Carrièrisme en netwerken van Hermann Schlegel en zijn zonen Gustav en Leander

NUR 694

9 789090 284637

Bob van Zijderveld


Een Duitse familie in Nederland (1804-1913) Carrièrisme en netwerken van Hermann Schlegel en zijn zonen Gustav en Leander

Bob van Zijderveld



Een Duitse familie in Nederland (1804-1913) Carrièrisme en netwerken van Hermann Schlegel en zijn zonen Gustav en Leander

Proefschrift ter verkrijging van de graad van doctor aan de Open Universiteit op gezag van de rector magnificus prof. mr. A. Oskamp ten overstaan van een door het College voor promoties ingestelde commissie in het openbaar te verdedigen op vrijdag 7 november 2014 te Heerlen om 16.00 precies door Bob van Zijderveld geboren op 8 augustus 1936 te Dordrecht


Promotores Prof. dr. L.H.M. Wessels, Open Universiteit Prof. dr. W. Otterspeer, Universiteit Leiden Overige leden beoordelingscommissie Prof. dr. L.J. Dorsman, Universiteit Utrecht Prof. dr. A.J.J. Nijhuis, Universiteit van Amsterdam Prof. dr. M.L.J.C. Schrover, Universiteit Leiden Prof. dr. W.H. Willems, Universiteit Leiden Dr. P.G.C. Dassen, Universiteit Leiden

Grafische verzorging: Koninklijke Van Gorcum Š 2014, Bob van Zijderveld Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieÍn, opnamen of op enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van reprografische verveelvoudigingen uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16 h Auteurswet 1912 dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan de Stichting Reprorecht (Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp www.reprorecht.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet 1912) kan men zich wenden tot Stichting PRO (Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie, Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp, www.cedar.nl/pro).




Inhoud Voorwoord

11

Inleiding

13

Het carrièrisme van een migrantenfamilie

13

Status questionis

16

Opbouw van het boek

26

DEEL I - Hermann Schlegel (1804-1884)

29

Periode 1786 -1825

29

De familie Schlegel in Altenburg

29

De betekenis van de Levensschets

34

Hermanns verblijf in het ouderlijk gezin in Altenburg

38

Natuuronderzoek institutionaliseert zich

44

Reflectie op de jeugdjaren in Altenburg

52

Periode 1825 -1837

54

Medewerker van het ’s Rijks Museum van Natuurlijke Historie

54

Kennismaking met de stad Leiden

58

Aan het werk

59

Hermanns eerste publicaties

63

Enige publicaties over slangen

65

Weddenschappen en prijsvragen als presentatie van zichzelf

67

Hermanns studieplan

72

De verhouding tussen het ‘sRMvNH en de universiteit

77

Vriendschappen in Nederland

82

Strijd tegen problemen

90

Episode Leidse Jagers

93

Hermanns positie als museumbioloog

96

Publiceren als kerntaak

99

Cornelia Buddingh

103

Hermanns cultuurreizen

111

Periode 1837 -1857

116

Huiselijk leven en gezinsvorming

116

Jaren van stagnatie

126

De wolf onder de schapen

130 5


Nog een prijsvraag

131

Periode 1857 - 1884

135

Wisseling van de wacht

135

Stand van zaken in het Museum

147

Reorganisatie van de verzameling

148

De os zag zich voor de berg geplaatst

149

Stand van zaken in het huis aan de Vliet

150

Het huwelijk van Hermann Schlegel en Albertina Pfeiffer

150

Op zoek naar nieuwe aanvoer van voorwerpen uit de koloniĂŤn

151

Hermanns publicaties 1860-1884

153

Zicht op nieuwbouw?

157

Een stap terug in de tijd

159

DEEL II - Gustav Schlegel (1840-1903)

161

Periode 1849 -1862

161

Gustavs opleiding tot tolk

161

Een beeld van hun opleiding

169

Vertrek uit Nederland

173

Studie in Amoy van 1 juni 1858 - 7 juli 1861

175

Een onverwachte oefening in tolken

179

Protestactie van de ouders

181

Gustav als verzamelaar

183

Leertijd in Kanton 1861-1862

188

Periode 1862-1872

193

Standplaats Batavia

193

Gustav voorkomt een gerechtelijke dwaling

195

Voorkeur voor sinologische studies

197

Publicaties in Batavia

199

Overlijden van Gustavs moeder

200

Het verschijnsel prostitutie

201

Hoa Tsien Ki, roman

204

Het verschijnsel geheime genootschappen

206

Dissertatie over China en het Westen

213

Opleider van tolken

218 6


Sinico-Aryaca, een studie in de vergelijkende filologie

219

Gustavs vertrek uit Batavia

224

Periode 1872 -1903

225

Een nieuwe start

225

Over Darwin: een harde botsing tussen zoon en vader

226

Gustavs strategie zich als filoloog in Leiden te kwalificeren

228

Een studie over sterrenkundige kwesties

231

Leidse tolkenopleiding onder Gustavs leiding

234

Benoemd tot hoogleraar

235

Familiaal intermezzo; omgangsvormen en presentatiestijl

239

Nederlandsch - Chineesch woordenboek

242

Een mooi voorbeeld van westerse stijlkritiek

244

Geboorte van een internationaal tijdschrift

248

‘De oorsprong van den vreemdenhaat der Chineezen’

249

Het raadsel vrouw

251

Bijna blind

252

Ontboezemingen in een briefwisseling

252

Levenseinde

256

Gustavs plaats in de familiegeschiedenis

257

Deel III - Leander Schlegel (1844-1913)

261

Periode 1844-1861

261

Leanders vorming tot musicus

261

Leerling muziekschool

267

De Maatschappij voor Toonkunst onder druk

277

Periode 1861-1863

279

Studie conservatorium Leipzig

279

De confrontatie

285

Leanders composities in Leipzig

295

Eindspel verblijf in Leipzig

301

Periode 1863-1878

304

Muziekleraar in Leiden

304

Leander reist door Europa

306

Een oude vriend als kwartiermaker

308 7


Haarlems economische positie in de negentiende eeuw

310

Leander vestigt zich in Haarlem

312

Het muziekfeest in Haarlem, 1875

316

Koor-en muziekschool, concertpraktijk

317

Intermezzo: het leven van Cécilia

321

Periode 1878-1898

326

Leander vindt erkenning als musicus

326

Huwelijk en gezinsvorming

327

Achtergrond van Emma de Waal Malefijt

328

Leanders plaats in het Haarlemse muziekleven

329

Periode 1898-1913

331

Leander begint particuliere muziekschool

331

Het oeuvre van de componist

334

Eerbetoon en lauwerkransen

339

Componist en instrumentalist; beoordelingen

340

Een bestaan dicht bij zichzelf

344

Leanders levenseinde

345

Slotbeschouwing

349

Een migrantenfamilie

349

Opgroeiende kinderen

357

Gustav als bezorger van zijn vaders autobiografie

358

Talent, zegen of vloek?

360

Op eigen benen

362

Het breekpunt

364

Leanders carrière als musicus en componist

365

De plaats van vrouwen in deze familiegeschiedenis

366

Tenslotte

367

Samenvatting

369

Het carrièrisme van een Duitse familie in Nederland

369

De opbouw van het boek

370

Hermann

370

Het gezinsleven

371

Gustav

371 8


Leander

372

Een familiegeschiedenis

374

Summary

375

The careerism of a German family in the Netherlands

375

The structure of the book

376

Hermann

376

Family life

377

Gustav

377

Leander

378

A family history

379

Synopsis

381

Das Karrierismus einer deutschen Familie in den Niederlanden

381

Die Struktur des Buches

382

Hermann

382

Das Familienleben

383

Gustav

383

Leander

384

Eine Familiengeschichte

386

Bijlagen

387

Bijlage 1 - Aanbeveling van Hermann Schlegel, door prof. C.G.C. Reinwardt

389

Bijlage 2 - Genealogie familie Schlegel in Altenburg, Leiden, Haarlem 1804-1964

391

Bijlage 3 - Discografie – Composities van Leander Schlegel

392

Bijlage 4 - Verantwoording van de afbeeldingen

393

Bijlage 5 - Lijst afkortingen

395

Bijlage 6 - Geraadpleegde archieven

396

Bijlage 7 - Gedrukte bronnen en literatuur

397

Personenregister

419

9


10


Voorwoord De Open Universiteit Nederland bood mij de gelegenheid buiten mijn oude vakgebied van de psycho-sociale hulpverlening nieuwe dimensies te verkennen in het kader van het studieaanbod van de faculteit (Algemene) Cultuurwetenschappen. Het begon met het volgen van een aantal modulen naast een drukke werkkring. Na mijn pensionering in 1996 werkte ik het curriculum af in het kader van een complete masterstudie. De OU werd zo voor mij de spreekwoordelijke alma mater. Eenmaal alumnus verzocht Dr. A.A. Botter (†2013) in Haarlem mij een pakket papier te ontsluiten bestaande uit ruim honderd Duitstalige brieven en enig drukwerk. Hij wilde weten of het in een bezemkast achtergelaten materiaal van dien aard was dat het zou moeten worden behouden als cultureel erfgoed. Het was in zijn bezit gekomen toen hij het huis kocht van zijn voormalige pianolerares Aleida Schlegel. Als promovendus had ik het geluk deel uit te maken van De Studiekring van de OU Den Haag. Deze vriendengroep, bestaande uit studenten en alumni, komt maandelijks bijeen om elkaar te trakteren op een voordracht over een cultuurwetenschappelijk onderwerp. Het werkte als een rijke steunstructuur. Mevrouw drs. Martina Sluiters-Spaans (Tina), bedreven in de Duitse taal, bood aan de brieven te controleren die door mij werden getranscribeerd. Tijdens dit proces kreeg ik de toezegging van prof. dr. L.H.M. (Leo) Wessels van de OU mij te begeleiden bij het schrijven van een proefschrift over de levens van de kleine familie Schlegel in Leiden en Haarlem tussen 1804 en 1913 (1964). Professor dr. W. (Willem) Otterspeer toonde zich bereid als tweede promotor op te treden. De focus van het onderzoek richtte zich op het carrièrisme en de netwerken die de geschiedenis van de familie Schlegel in hoge mate hebben bepaald. Dat het boek er nu ligt, is aan de betrokkenheid van de hoogleraren en hun begeleiding te danken. Mevrouw drs. Elly H. de Leeuw-Hilberts werd samen met Tina een trouwe meelezer van de tekst in wording. Zij hebben zich het hele proces lang kranig gehouden door steeds weer nieuwe teksten aan hun kritische blik te onderwerpen, reden waarom zij bij de promotie als paranimfen een ereplaats innemen. Aanvankelijk was het niet mogelijk bij de faculteit Cultuurwetenschappen te promoveren. Eerst na 2007 is er aarzelend een structuur tot stand gekomen die nog steeds in progressie is. Des te opmerkelijker is het dat Leo Wessels meteen heeft ingestemd de begeleiding op zich te nemen.Voor Leo betekende het extra werk naast zijn andere taken. Ik weet dat op waarde te schatten en ben hem er dankbaar voor. Ondertussen denk ik dat de pionierstijd voorbij is en dat

11


de faculteit nog veel cultuurwetenschappelijke proefschriften zal afleveren. Veel steun ondervond ik van mevrouw Petra de Munnik van het faculteitssecretariaat, die er voor zorgde dat de communicatie rond de totstandkoming van het proefschrift goed verliep. Het onderzoek zelf was een rijke ervaring. De schatgraverij in bibliotheken en archieven opende steeds nieuwe vergezichten. Echtgenote en kinderen zagen het allemaal aan. Met verfijnde humor schiep mijn echtgenote Maria een kleine quilt met het thema ‘een broedende kip niet storen’. Dat kunstwerkje blijft hangen, maar heeft niet langer de bedoeling niet te storen. Het is nu tijd voor nieuwe activiteiten met dank aan de OU, de hoogleraren, de Studiekring, de familie en vrienden. Zoon Hillebrand was onmisbaar voor de vele desktop activiteiten. Hij liet nooit na mij uit de brand te helpen zonder verlies van essentiĂŤle tekst. Deze dissertatie is opgedragen aan mijn echtgenote, kinderen en kleinkinderen als bescheiden compensatie voor hun tolerantie en steun in de jaren dat het werk aan de dissertatie centraal stond.

Bob van Zijderveld Haarlem, zomer 2014

12


Inleiding Het carrièrisme van een migrantenfamilie Het onderwerp van deze studie is de geschiedenis van een kleine familie, een familie met een Duitse achtergrond in het negentiende-eeuwse Nederland. Het gezinshoofd, Hermann Schlegel (1804-1884), emigreerde in 1825 vanuit Altenburg in Saksen via een kortstondig intermezzo in Wenen naar Leiden. Hij had er een betrekking geaccepteerd in’s Rijks Museum van Natuurlijke Historie (‘sRMvNH) als preparateur. Schlegel zal zich daar ontwikkelen tot een internationaal bekende ornitholoog en museumbioloog. Hij wordt benoemd tot conservator van de afdeling zoogdieren en fossielen; later wordt hij, met behoud van die functie, directeur van het museum. Hermann huwt met de Nederlandse domineesdochter Cornelia Buddingh (1815-1864). Uit dit huwelijk zijn vijf kinderen geboren, van wie er drie tot volwassenheid komen. Dochter Cécilia (1838-1910) wordt pianolerares. De zonen Gustav en Leander vinden hun beroepsbezigheden in en tijdelijk ook buiten Nederland. Gustav (1840-1903) wordt tolk in de Chinese taal; na een verblijf in China en Nederlands-Indië keert hij terug naar Leiden en wordt daar hoogleraar sinologie. Leander (1844-1913) ontwikkelt zich tot musicus en componist. Zo op het eerste gezicht komt zowel de eerste als de tweede generatie maatschappelijk goed terecht. Kenmerkend voor dit gezin is de lang doorwerkende oriëntatie op de Saksische landsaard en de Duitse cultuur met een groot deel van het normen- en waardepatroon dat daarbij hoort. De invloed die de dominante vader had op de rest van het gezin lijkt in dit verband van doorslaggevende betekenis te zijn geweest. Onderling spreekt men overwegend Duits in Saksische tongval. De kinderen worden van jongs af aan in de Duitse cultuur geïntroduceerd; hun onderwijs, ten dele door Hermann zelf verzorgd, is op Duitse leest geschoeid. Hun directe maatschappelijke omgeving wordt gedomineerd door Duitssprekenden. In het gezin speelt cultuur een grote rol. Er wordt gezongen en gediscussieerd over muziek, literatuur, wetenschap en politiek in de vorm van soirees. Buitenlandse bezoekers frequenteren het gezin, zodat er sprake is van een internationale oriëntatie. De levensloop van de dochter werd sterk bepaald door de opvatting dat vrouwen geen zelfstandig beroep uitoefenen, omdat hun bestemming zou liggen in het moederschap, de opvoeding en het huishouden. De nalatenschap van de vader en diens zonen bestaat uit publicaties, handschriften en ander materiaal gebaseerd op hun beroepsbezigheden. Hun loopbanen kunnen relatief goed worden gevolgd. Het thema van deze studie is te achterhalen of en in hoeverre de drie mannelijke telgen van de eerste en tweede generatie Schlegel er in slagen in de Nederlandse samenleving hun plaats 13


te vinden en hoe zij daarvoor hun sociaal-culturele bagage, hun educatie, de onderlinge familieverhoudingen en de rest van hun persoonlijke netwerken inzetten. Het gezin is te typeren als een Saksische familie in de negentiende-eeuwse Nederlandse samenleving, een tijd van ingrijpende veranderingen en modernisering in sociaaleconomisch en politiek opzicht maar bijvoorbeeld ook op het gebied van de wetenschapsbeoefening en het muziekleven. De transitie van het ancien régime naar de moderne tijd is op tal van manieren aanwezig, zij is complex, zij biedt kansen om omhoog te klimmen maar zij schept ook nieuwe onzekerheden zij het voor ieder van de gezinsleden in wisselende mate. De mannen beogen zich te onderscheiden in hun internationaal georiënteerde professionele wereld van respectievelijk de museumbiologie, de Chinese taalkunde en de muziek, de vrouwen doen dat vooral binnen het gezinsleven. Naast publicaties bestaat de nalatenschap van Hermann, Gustav en Leander uit handschriften, waaronder egodocumenten als brieven, tekeningen en composities, en uit berichten hoe zij door anderen in hun omgeving worden gezien. De focus richt zich op hun professionele, maatschappelijke en artistieke carrières in een snel veranderende wetenschappelijke, culturele en sociale omgeving. De onderhavige studie is geschreven vanuit een cultuurhistorisch perspectief, waarbij met name de vraag centraal staat of, op welke wijze en in hoeverre deze drie mannen erin slagen vorm te geven aan het realiseren van hun doelen in hun uiteenlopende professionele bezigheden. Is er sprake van carrièrisme zoals dat eerder door J.W. Oerlemans treffend aan de orde is gesteld om zich te ontworstelen aan de ketenen van de hen toekomende plaats in een samenleving waarin afkomst en traditioneel standsbesef nog steeds een grote rol speelden? Hermann was de eerste die huis en haard verliet om zijn vleugels uit te slaan, zijn beide zonen zouden volgen. 1 Hoe zag hun strategie er uit zich een plaats te verwerven binnen de hogere burgerij? De familie maakte vrijwel de gehele negentiende eeuw mee. De positie die het gezin in het sociaal-culturele en universitaire leven van Leiden innam, beïnvloedde ieder op eigen wijze. Over welke vaardigheden en netwerken beschikten de Schlegels op sociaal, wetenschappelijk, cultureel en artistiek gebied en hoe zette elk van de mannelijke leden dit sociaal en cultureel kapitaal, in de zin van de sociologische analyse van Pierre Bourdieu, in om vooruit te komen in de wereld? 2

1 J.W. Oerlemans, ‘Carrièrisme en cultuur’, Hollands Maandblad. Tijdschrift voor literatuur en politiek, 24 (1983) pp. 41-50. Idem, Rousseau en de privatisering van het bewustzijn. Carrièrisme en cultuur in de achttiende eeuw (Groningen, Wolters Noordhoff 1988); idem, ‘Voor en tegen de vooruitgang. Sociale mobiliteit en culturele radicalisering’ in: L.H.M. Wessels en A. Bosch (red.), Veranderende grenzen. Nationalisme in Europa, 1815-1919 (Nijmegen, SUN 1992) 165-224. Voorts W. Otterspeer, ‘Cultuur en Carrière, Reuvens en het hoger onderwijs van zijn tijd’ in: E.H.P. Cordfunke (red.), Loffelijke verdiensten van de archeologie. Voordrachten gehouden op het symposium ‘Grondlegger van de moderne Nederlandse archeologie? Leven, werk en betekenis van C.J.C. Reuvens’, Leiden 2005 (Hilversum, Verloren) pp. 9-24. 2 Pierre Bourdieu, Distinction, a social critique of the judgements of taste, translated by Richard Nice, with a new introduction by Tony Bennett (Londen en New York, Roudledge classics 1984, reprint 2010).

14


De habitus van Hermann en zijn stijl als opvoeder van zijn kinderen zijn getekend door de inzichten en opvattingen van de achttiende en vroeg-negentiende eeuw, naar het Duitse Bildungsideal en naar de waarden en gewoonten van Pruisisch-Saksische snit. Zijn opvattingen stoelen ten dele op een classicistisch verlicht gedachtegoed, maar sluiten voor een ander deel ook aan bij die van de romantiek. In zijn referentiekader neemt de antieke wereld een belangrijke plaats in. Beoefenaren van de kunsten zijn in zijn ogen geen ambachtslieden, maar veeleer wetenschappers. Zij bouwen als scheppende kunstenaars voort op wat de mensheid in de loop van eeuwen tot stand heeft gebracht. Hun streven is te behouden wat is bereikt en toe te voegen wat het bestaande overtreft. Zijn eigen intellectuele en culturele vorming is naar deze schema’s gemodelleerd. Hij beschouwt het ook als zijn heilige plicht de door de eeuwen opgebouwde hoogte waarop de kunsten terecht zijn gekomen in stand te houden en door te geven. Hij oriënteert zich daarnaast op de filosofie van Kant. Zijn opvatting over kunst representeert die van de academiekunst. Hij verzet zich tegen nieuwe ontwikkelingen in de kunsten, zoals die vorm kregen door de avant-garde in zijn dagen. Hij duidt hen pejoratief aan als die Neuen, die te vuur en te zwaard bestreden moeten worden. Zijn zonen zijn ten opzichte van hun vader meer opgeschoven in het internaliseren van de levensruimte en het gedachtegoed van de nieuwe tijd. Naast alle overeenkomsten komen hieruit ook belangrijke verschillen voort tussen de eerste en tweede generatie Schlegels, verschillen die in de onderlinge verhoudingen ook spanningen opriepen. De maatschappelijke ordeningsprincipes die het ancien régime hadden gekenmerkt, maakten plaats voor een dynamiek die de modernisering van de samenleving representeert. Talrijke transities vonden plaats, die het leven in de negentiende eeuw zijn eigen krachtige dynamiek gaven. Dit proces beïnvloedt niet alleen de wetenschapsbeoefening maar het gehele maatschappelijke, economische, politieke en culturele krachtenveld. Het doorbreken van de hiërarchie van de traditionele standenmaatschappij komt evenzeer tot uitdrukking op het gebied van de samenleving en de natie als geheel als op het gebied van locale en persoonlijke verhoudingen. Voor hardwerkende en netwerkende homines novi als de Schlegels boden de nieuwe ontwikkelingen ruimte, maar zij brachten – in een tijd dat er van overheidswege geen sociaal en materieel ‘vangnet’ was geregeld – ook risico’s met zich mee. Het roept de vraag op in hoeverre dit proces de familieverhoudingen in positieve of negatieve zin heeft beïnvloed? Vervolgens of en in hoeverre de leden van deze familie zich konden inpassen in de lange tijd nog betrekkelijk statische verhoudingen binnen het Leidse burgerlijke en intellectuele milieu? Hoe stonden zij in de Leidse samenleving? Hoe veroverden zij zich een plaats binnen de burgerlijke en intellectuele elite van de kleine universiteitsstad, hoorden zij ‘erbij’? En, breder, namen zij op actieve, dan wel op passieve wijze deel aan de Nederlandse samenleving? 15


Het ontstaan van het ‘sRMvNH had tot gevolg dat het museum een zelfstandige plaats kreeg ten opzichte van de universiteit waarmee het nauw verbonden was. Hieruit kwamen spanningen tussen beide instituties voort. Los daarvan ondergaat de wetenschapsbeoefening in de negentiende eeuw, zowel in het algemeen als aan de Leidse universiteit in het bijzonder, veranderingen die haar in de loop van die eeuw qua inhoud en karakter een heel ander aanzien zal gaan geven. Het culturele leven weerspiegelt deze veranderingen door vernieuwend aanbod op de podia in de stad en in het land, niet in het minst doordat de infrastructuur de actieradius van kunstenaars en cultuurconsumenten vergroot, dankzij de opkomst van het spoorwegennet. Ook het culturele leven in brede zin verandert. Verbeterde economische omstandigheden dringen de nijpende armoede van het begin van de eeuw verder terug naarmate de tijd vordert, al geschiedde dit aanvankelijk nog maar langzaam. De vruchten van industrialisatie vertalen zich in een herstel van de werkgelegenheid in de stad. Van dit alles is ook de familie Schlegel onderdeel. In hoeverre moet zij als variant worden gezien van het gebruikelijke leefpatroon en, meer in het algemeen, hoe vond zij haar weg met behoud van haar eigen wortels? Wat was de betekenis van de onderlinge familieband? Daarbij gaat het niet alleen om de gekoesterde connecties van Hermann met zijn familie in Saksen maar vooral ook om de verhoudingen binnen het gezin zelf, met name door de grote invloed die de vader had op de vorming en educatie van zijn kinderen. In hoeverre heeft die invloed de persoonlijke en professionele ontplooiing van Gustav en Leander gestimuleerd of deed hij er ook afbreuk aan? Met andere woorden leverde de wijze waarop zij zich positioneerden in de Hollandse stad en de Nederlandse staat op dat zij erbij hoorden, of belemmerde het hen juist? In hoeverre was er sprake van een geslaagde sociaalculturele en professionele integratie, op welke momenten en in welke situaties was er sprake van inclusie dan wel van exclusie en isolement? Het bestuderen van het door hen nagelaten corpus publicaties, archivalia en egodocumenten als vrucht van de carrière die zij kozen, alsmede van hun Nachleben, zal moeten leiden tot verheldering van hun rol in en betekenis voor de samenleving. Status questionis Hermann, Gustav en Leander Schlegel vormen op het niveau van hun denken, opvattingen en handelen, tezamen en ieder voor zich, onderdeel van de ingrijpende veranderingen die de negentiende eeuw kenmerkten en zij droegen er op hun beurt ook weer aan bij. Hun Werdegang in de context van hun tijd te begrijpen met oog voor ieders eigenheid en hun gemeenschappelijke en individuele wortels, omstandigheden en strategieĂŤn is het doel van deze studie. Daarbij zijn de onderlinge familieverhoudingen en de inzet van ieders persoonlijke en professionele 16


netwerken van grote betekenis. Deze invalshoek, en vooral ook de vraag in hoeverre de familiebanden de persoonlijke en professionele ontplooiing van elk van de drie Schlegels hebben bevorderd dan wel geremd, is voor zover bekend ten onzent nog niet bestudeerd. De Nederlandse achttiende eeuw is lange tijd gezien als een periode van teloorgang van rijkdom en roem. Terugblikkend kan worden vastgesteld dat in de vakliteratuur ook voor het eerste kwart van de negentiende eeuw lange tijd het beeld van gezapigheid en inertie overheerste. Datgene wat zo jammerlijk verloren ging, zoals de trots op de natie en het geloof in haar scheppende kracht, diende terug te keren. De laatste decennia is het beeld van de vaderlandse negentiende – en overigens ook achttiende – eeuw in tal van opzichten bijgesteld. Bovendien is er sprake van een sterk groeiende belangstelling voor dat tijdvak, niet alleen van historici maar ook vanuit diverse andere disciplines. Marita Mathijsen, bijvoorbeeld, heeft met het op de kaart zetten van de negentiende eeuw een belangrijke bijdrage geleverd vanuit het literaire veld.3 Er verschijnt vanaf 1976 een nieuw interdisciplinair tijdschrift, De Negentiende eeuw, dat bijdraagt aan een genuanceerder begrip voor de ontwikkelingen in de samenleving die zich in dat tijdvak op allerlei gebied voordeden. Willem Otterspeer schrijft er over in ‘Verdoving. De negentiende eeuw tussen anesthesie en esthetica’.4 Henk te Velde problematiseert in ‘Op zoek naar de negentiende eeuw’ dit historische tijdvak waar, ondanks het gesignaleerde elan, nog altijd veel aan te onderzoeken is.5 Recent verscheen Rick Honings proefschrift over literaire instituties in Leiden tussen 1760 en 1860. 6 Deze studies leggen het weefsel bloot van het leven van een elite van burgerij en intellectuelen, verbonden aan de universiteit en de musea die in de negentiende eeuw tot stand kwamen. De Leidse elite maakte deel uit van en bevorderde het culturele leven. De studentenpopulatie had daarin haar eigen plaats. Zij vond in Kneppelhout haar chroniqueur. Er is ook een ander Leiden dat een veel langere weg had te gaan om ook de goede vruchten van de modernisering van de samenleving te proeven. De stad maakte in de achttiende eeuw een periode van verval en verpaupering door. Leiden, dat ooit circa 70.000 inwoners had, telde

3 Marita Mathijsen, Nederlandse literatuur in de romantiek 1820-1880 (Nijmegen, Vantilt 2004); idem, Historiezucht. De obsessie met het verleden in de negentiende eeuw (Nijmegen, Vantilt 2013). Interdisciplinair opgezet is ook de herwaardering van de achttiende-eeuwse Nederlandse Verlichting en de doorwerking daarvan in de negentiende eeuw, zie Ernestine van der Wall en Leo Wessels (red.), Een veelzijdige verstandhouding. Religie en Verlichting in Nederland 1650-1850 (Nijmegen, Vantilt 2007). 4 W. Otterspeer, ‘Verdoving: De negentiende eeuw tussen anesthesie en esthetica’, De Negentiende eeuw, Documentatieblad Werkgroep de negentiende eeuw, 25, afl. 1 (2001), pp. 25-31. 5 Henk te Velde, ‘De vanzelfsprekendheid van de 19e eeuw’, De Negentiende eeuw, Documentatieblad Werkgroep de negentiende eeuw 22 (1998) 1, pp. 1-3. 6 Rick Honings, Geleerdheid Hollands roem! Het literaire leven in Leiden 1760-1860. Academisch proefschrift (Leiden, Primavera Pers 2011).

17


er in 1815 minder dan 30.000. In de negentiende eeuw verandert het perspectief allengs; zowel de landelijke als de stedelijke economie herstelde zich, de infrastructuur verbeterde, de werkgelegenheid groeide, evenals de binnenlandse migratie naar de stad. De positie van de allerarmsten verbeterde echter maar heel langzaam. Dat gold ook voor het opleidingsniveau van de bevolking en de gezondheidszorg. De sterke trek van platteland naar stad leidde aanvankelijk tevens tot extra verpaupering en sociale ontworteling; voor een belangrijk deel ging het hier juist ook om de gevolgen van het moderniseringsproces, zeker gedurende de vroege fase in de negentiende eeuw. Auke van der Woud schildert de ernst van die situatie.7 Verpaupering, epidemieën, zoals cholera als gevolg van slechte hygiënische omstandigheden, en gebrek aan werkgelegenheid verschaffen inzicht in het leven van de armen in contrast met dat van de meer geprivilegieerden uit die periode. Na iedere ramp waren het de boekdrukkers die zorgden voor roerende gedichten met het doel geld in te zamelen, waar de overheid zich onthield. Gerardus M. Pot beschrijft de armoede in Leiden. 8 De Leidse boekjes dragen er aan bij de stadsgeschiedenis levend te houden.9 Onder redactie van R.J.C. van Maanen is een uitgebreide stadsgeschiedenis verschenen, waarin alle genoemde aspecten aan de orde komen.10 Deze studie heeft raakvlakken met tal van (wetenschappelijke) ontwikkelingen op het terrein van de biologie, filologie en de sinologie, maar bijvoorbeeld ook op het gebied van de toonkunst. Deze ontwikkelingen worden hier niet uitputtend behandeld; zij komen slechts aan de orde in relatie tot de focus van het onderhavige onderzoek. Een belangrijk deel van het decor wordt gevormd door de ontwikkelingen op en rond de Leidse universiteit in de negentiende eeuw. Deze zijn door W. Otterspeer uitvoerig belicht in De wiekslag van hun geest, alsmede in andere publicaties van diens hand.11 De problematische verhouding tussen universiteit en het ‘sRMvNH komt in ons onderzoek vooral vanuit de gezichtspunten van Hermann Schlegel aan bod, gevormd gedurende de bijna zestig jaar van zijn dienstverband. Ter herinnering aan het

Auke van der Woud, Koninkrijk vol sloppen. Achterbuurten en vuil in de negentiende eeuw (Amsterdam, Bert Bakker, Prometheus 2010). 8 Gerardus Maria Pot, Arm Leiden: levensstandaard, bedeeling en bedeelden 1750-1854. Academisch proefschrift (Hilversum, Verloren 1994). 9 Jaarboekje voor geschiedenis en oudheidkunde van Leiden en omstreken (Leiden, Vereniging “Oud Leiden”) De serie Leidse Boekjes bevatten faits divers over de stadsgeschiedenis. 10 R.J.C. van Maanen (red.), De geschiedenis van een Hollandse stad. 4 dln. (Leiden, Stichting geschiedschrijving 2002 en 2004). 11 Willem Otterspeer, De wiekslag van hun geest. De Leidse universiteit in de negentiende eeuw, Hollandse historische reeks XVIII (’s-Gravenhage Haarlem/ W. Otterspeer, Leiden 1992). Vgl.: idem, Groepsportret met dame. De Leidse universiteit, dl. 1: Het bolwerk van de vrijheid, 1575-1672 (Amsterdam, Bert Bakker 2000); idem, Groepsportret met Dame. De Leidse universiteit, 1673-1775, dl. 2: De vestiging van de macht (Amsterdam, Bert Bakker 2002). Idem, Groepsportret met dame. De Leidse universiteit 1776-1876, dl. 3: De werken van de wetenschap (Amsterdam, Bert Bakker 2005). 7

18


overlijden van Hermann Schlegel in 1884 verschijnen er enige herinneringen aan zijn verdiensten. Het ‘sRMvNH zelf herdenkt hem in zijn periodieke Notes from the Leyden Museum.12 Gustav Schlegel bezorgde in 1884 een door zijn vader nagelaten autobiografie Levensschets van Hermann Schlegel. 13 Hij voegt uit eigen herinnering daaraan de nodige informatie toe. Dat deze Levensschets, die bij tijd en wijle zich als rechthaberisch doet kennen, kennelijk ook buiten de landsgrenzen in een behoefte voorzag, mag blijken uit de verschijning van een Duitstalige bewerking.14 Joh. F. Snelleman beschrijft in de serie Mannen van betekenis in onze dagen diens leven op respectvolle wijze.15 E.D. Everts doet hetzelfde in De Spectator.16 Vader en zoon Schlegel schrijven met de eerder genoemde Levensschets als het ware een persbericht voor deze auteurs. Een kritischer tekst schrijft A.A.W. Hubrecht in De Gids, een herinnering aan zijn vroegere directeur. Hij legt evenwel de nadruk op diens verdiensten en de veronderstelde blijvende wetenschappelijke waarde van zijn werk.17 Hubrecht waardeert Hermann Schlegels werk als een waardevolle bijdrage aan de contemporaine ontwikkeling van de evolutionaire biologie. In het Darwinjaar 2009 bleek dat Darwins evolutietheorie nog steeds de gemoederen in beweging brengt, gelet op de stroom publicaties die in dat herdenkingsjaar werden gepubliceerd. Janneke van der Heide schreef Darwin en de strijd om beschaving in Nederland 1859-1909. 18 Zij maakt in haar dissertatie duidelijk dat de polemiek over diens evolutionaire concept niet kan worden bijgezet als een tijdgebonden voorval, maar dat deze nog steeds actualiteitswaarde heeft. In 1938 publiceert Agatha Gijzen haar dissertatie ‘s Rijksmuseum van Natuurlijke Historie van 1820-1915. 19 Zij bespreekt en documenteert de geschiedenis van het museum, zij schenkt vooral aandacht aan de successen die het nieuwe museum boekte, relatief minder aan de tekortkomingen. Gijzen heeft oog voor de factoren die de expansie van het museum belemmerden,

’s Rijks Museum van Natuurlijke Historie, ‘In Memoriam Hermann Schlegel’, Notes from the Leyden Museum, 6 (1884) pp. 78-135. G. Schlegel, ‘Levensschets van Hermann Schlegel, aangeboden door dr. G. Schlegel te Leiden.’ Overgedrukt uit het Jaarboek der Koninklijke Akademie van Wetenschappen 1884 (Amsterdam, Johannes Müller 1884). 14 H. Köhler, Lebensbild eines Naturforscher, nach dem holländischen des Prof. Gustav Schlegel, herausgegeben und bearb. von Hugo Köhler (Altenburg, Oskar Bonde 1886). Vgl. dl. I, pp. 52 en 54 waarin ingegaan wordt op de overeenkomsten en de verschillen tussen beide teksten. 15 Johan F. Snelleman, ‘Hermann Schlegel’, in: Dr. E.D. Pijzel, Mannen van beteekenis in onze dagen, deel 15, afl. 5 (Haarlem, 1884) pp. 167-214; idem, Eigen Haard, 8 (1884), pp. 92-95. 16 E.D. Everts,‘Hermann Schlegel’, De Spectator 8, overdruk (1884) pp. 1-3. 17 A.A.W. Hubrecht, ‘Hermann Schlegel’, De Gids, 48 1884 3 (Amsterdam, P.N. van Kampen & Zoon 1884) pp. 536-547, aldaar p. 539. 18 Janneke van der Heide, Darwin en de strijd om beschaving in Nederland 1859-1909. Academisch proefschrift, handelsuitgave (Amsterdam, Wereldbibliotheek 2009). 19 A. Gijzen, ’s Rijksmuseum van Natuurlijke Historie Leiden 1820-1915. Academisch proefschrift (Rotterdam, W.L. & J. Brusse’s Uitgeversmaatschappij N.V. 1938). 12 13

19


vertraagden en zo nu en dan zelfs onmogelijk maakten. Zij beoogt aan te tonen dat het museum internationaal een goede naam had en zich kon meten met andere belangrijke natuurhistorische musea in de wereld. Libke B. Holthuis publiceert in 1995 de geschiedenis van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie vanuit het perspectief van de medewerkers.20 Hij doorbreekt daarmee het eenzijdig uitlichten van de verdiensten van de directeuren, een benadering die afsteekt tegen het anonimiseren van de medewerkers die soms decennialang het Nederlandse equivalent van het verschijnsel natuurhistorisch museum vormgaven. Het kan beschouwd worden als een late afrekening met het leidende hiërarchisch denken in de negentiende eeuw. Alexis Raat schrijft een korte geschiedenis van het ’s RMvNH in het eerste nummer van De Negentiende eeuw.21 Recent is door H.L.de Jonge over de opvolgingskwestie na het overlijden van directeur Coenraad Jacob Temminck in 1858 een artikel geschreven, waarin hij de ‘titanenstrijd’ recapituleert tussen de hoogleraar biologie Jan van der Hoeven en Hermann Schlegel, een kwestie die de neiging heeft te worden uitvergroot. Enige relativering lijkt daarom op haar plaats.22 Het museum heeft een belangrijke rol gespeeld in de rijke (Nederlandse) geschiedenis van het verzamelen van natuurhistorische voorwerpen, maar vond ook internationaal erkenning en waardering. De passie voor dit verzamelen is gebaseerd op verwondering over de grote verscheidenheid van het leven op aarde die dient te worden gedocumenteerd. Een recente revisie van een eerder verschenen lijvig overzichtswerk, waaraan tal van deskundigen op deelgebieden hebben bijgedragen, biedt een goed beeld van de belangrijkste ontwikkelingen op dit gebied.23 Een detailstudie onder redactie van Bert Sliggers en Marijke Besselink informeert nader over de geschiedenis van dit type museum.24 Donna C. Mehos gaat in haar dissertatie Science & Culture for members only. The Amsterdam Zoo Artis in the nineteenth century in op de samenhang tussen ’sRMvNH en het Genootschap Natura Artis Magistra in Amsterdam.

25

Zij laat

L.B. Holthuis, 1820-1958 Rijksmuseum van Natuurlijke Historie (Leiden, Nationaal Historisch Museum 1995). Alexis Raat, ‘Het ’s Rijks Museum van Natuurlijke Historie in Leiden’, De Negentiende eeuw, Documentatieblad Werkgroep de negentiende eeuw 1 (1977) 1, pp. 31-36; idem, ‘Coenraad Jacob Temminck een biografische schets’, De Negentiende eeuw, Documentatieblad Werkgroep de negentiende eeuw 2 (1978) 2, pp. 89-104. Vgl. J.A. Susanna, ‘Levensschets van Coenraad Jacob Temminck,1778-1858’ in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1858, aldaar pp. 47-78. 22 H.L. de Jonge, ‘Macht, machinaties en musea. Jan van der Hoeven, Hermann Schlegel en hun strijd om het Rijksmuseum van natuurlijke historie in Leiden’, Bijdragen en mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden, 120 (2005) 2, pp. 177-206. 23 Ellinoor Bergvelt, Debora J. Meijers, Mieke Rijnders (red.), Kabinetten, galerijen en musea. Het verzamelen en presenteren van naturalia en kunst van 1500 tot heden (Zwolle, WBooks 2013). 24 B.C. Sliggers, M.H. Besselink (red.), Het verdwenen museum. Natuurhistorische verzamelingen 1750-1850 (Haarlem, Teylers Museum 2002). 25 Donna C. Mehos, Science & Culture for members only. The Amsterdam Zoo Artis in the nineteenth century. Academisch proefschrift (Amsterdam, University Press 2006). 20 21

20


zien hoe in Amsterdam de welgestelde bevolking bereid was financieel deel te nemen aan de stichting en exploitatie van de dierentuin. Hiermee werd economisch kapitaal omgezet in cultureel kapitaal. Artis en ‘sRMvNH onderhielden nauwe relaties. Erwin Stresemann heeft in Die Entwicklung der Ornithologie de geschiedenis van de ornithologie beschreven, waarin hij Schlegels verwantschap met opvattingen en denkbeelden uit de achttiende en het begin van de negentiende eeuw beschrijft, alvorens deze zich meer internationaal oriënteert en een meer kritische positie gaat innemen.26 R.W.P. Visser analyseert de opkomst en betekenis van de term ‘biologie’ en het karakter van die biologie in de negentiende eeuw, gekenmerkt door onder andere de ontwikkeling van een morfologische benadering in taxonomie en vergelijkende anatomie, waarvan Darwin dankbaar gebruik maakte bij de ontwikkeling en uitwerking van zijn evolutietheorie. 27 Leonard Blussé beschrijft in Of hewers of wood and drawers of water de carrière van Gustav Schlegel als tolk en later als hoogleraar Chinese taal- en letterkunde.28 In hun Geschiedenis van de Nederlands Chinese betrekkingen (1600-2007) geven Blussé en Floris Jan van Luyn nader inzicht in de aard daarvan.

29

De necrologie van Gustav Schlegel die Henri Cordier schreef

onderstreept diens inzet voor en betrokkenheid bij het tijdschrift T’oung pao (Mededelingen) en diens inzet voor de Chinese taalkunde.30 Chen Menghong verduidelijkt in haar proefschrift De Chinese gemeenschap van Batavia. Een onderzoek naar het Kong-Koan archief de bijzondere positie van Chinees zelfbestuur in Nederlands-Indië. 31 In de negentiende eeuw vond er in Nederland een institutionalisering van het muziekonderwijs plaats. G.W. Groen beschreef de geschiedenis van de Leidse muziekschool.32 Het overzichtswerk van Jos de Klerk richt zich specifiek op het Haarlemse muziekleven, de omgeving Erwin Stresemann, Die Entwicklung der Ornithologie von Aristoteles bis zur Gegenwart (Berlin, F.W. Peters 1951). 27 R.W.P. Visser, ‘Geïdealiseerde werkelijkheid: de biologie in het begin van de negentiende eeuw’ in De eeuwwende 1800. Studium Generale reeks 9205 (Bureau Studium Generale van de Universiteit van Utrecht, augustus1992) pp. 45-50, aldaar pp. 47-48. 28 L. Blussé, ‘Of hewers of wood and drawers of water: Leiden University’s early Sinologists (1853-1911)’ in: W. Otterspeer (ed.), Leiden Oriental Connections 1850-1940 (Leiden, E.J. Brill 1989) pp. 317-353. 29 Leonard Blussé en Floris Jan van Luyn, China en de Nederlanders. Geschiedenis van de Nederlands-Chinese betrekkingen 1600-2008 (Zutphen, Walburg Pers 2008). 30 Henri Cordier, ‘Nécrologie le Dr. Gustav Schlegel’ met foto, T’ oung pao, serie II, vol. IV (1903), pp. 405415. De volledige annotatie van dit tijdschrift is: Gustave Schlegel, Henri Cordier, T’oung pao. Archives pour servir à l’étude de l’histoire, des langues, de la géographie et de l’ethnographie de l’Asie Orientale (Chine, Japon, Corée, Indo-chine, Asie Centrale et Malaisie). Rédigées par MM. Gustave Schlegel, professeur de Chinois à l‘Université Leide et Henri Cordier, professeur à l’École spéciale des langues orientales vivantes et à l’ École libre des sciences politiques à Paris (Leiden, E.J. Brill 1890 - heden). 31 Chen Menghong, De Chinese gemeenschap in Batavia 1843-1865. Een onderzoek naar het Kong-Koan Archief, academisch proefschrift (Leiden, 2009). 32 G.W. Groen, Ons eeuwfeest 1834-1934 (Maatschappij voor Toonkunst Leiden 1934). 26

21


waarin Leander gedurende de laatste veertig jaar van zijn leven een opvallende rol speelde.33 De studie van Eduard Reeser beschrijft de geschiedenis van de muziek in Nederland.34 Leo Samana behandelt met name de professionalisering van de muziekwetenschappen.35 Met betrekking tot Leanders carrière beschikt het Nederlands Muziekinstituut in Den Haag over de autografen en muziekuitgaven van door hem gecomponeerd werk.36 Ook de muziekbeoefening werd beïnvloed door de dynamiek in de toonkunst in de negentiende eeuw. Michael Huig richt zich specifiek op het Haarlemse kunstleven aan het begin van de twintigste eeuw.37 De ontwikkeling op het gebied van de Europese muziek voltrekt zich in deze periode in een sterk internationaal kader. Arnout Weeda signaleert in het Mysterie van Wenen. De creatieve zelfvernietiging van een vermolmd keizerrijk de belangrijke veranderingen die zich in de cultuur voordeden en die tot uitdrukking komen in de vernieuwingen in het theater, de muziek en de beeldende kunst.38 De aanloop naar de belangrijke vernieuwende inbreng van de twintigste-eeuwse avantgarde is nog door Leander zelf ervaren toen hij zijn composities in Wenen hoorde spelen tussen 1908 en 1911. Hoe de muziekwereld transformeert in de negentiende eeuw beschrijft Harvey Sachs in De Negende. De beroemdste symfonie van Beethoven, te duiden als eindpunt van een muziektraditie of juist als vertrekpunt van vernieuwing in reactie op de ingrijpende transities die deze tijd kenmerkten.39 Hans C. Roskam wijst in Willem Noske, wonderkind – meesterviolist. Apostel van een verguisd verleden op diens prestaties als virtuoos violist en diens onvermoeibare zoektocht naar de muziek van Nederlandse bodem in de negentiende eeuw (inclusief de composities van Leander), die hij van het stof van de vergetelheid wil ontdoen.40 Paul Kuik wijdt een bespreking aan de Noske-verzameling van muziek van Nederlandse componisten, destijds ondergebracht bij Musica Neerlandica, thans bij het Nederlands Muziekinstituut.41 De

Jos de Klerk, Haarlems muziekleven in de loop der tijden (Haarlem, Tjeenk Willink & zoon 1965). Eduard Reeser, Een eeuw Nederlandse muziek 1815-1915 (Amsterdam, E.M. Querido’s uitgeverij B.V., 2 e druk 1986). 35 L. Samana, ‘De professionalisering van de muziekwetenschappen in Nederland in de negentiende eeuw en de Vereniging van Noord-Nederlandse muziekgeschiedenis’, De Negentiende eeuw, Documentatieblad Werkgroep de negentiende eeuw 13 (1989) 1, pp. 39-54. 36 Nederlands Muziekinstituut Den Haag, Prins Willem-Alexanderhof 5. 37 Michael Huig, De bloei van Haarlem. Kunstleven aan het begin van de twintigste eeuw (Bussum, Thoth 2001). 38 Arnout Weeda, Het mysterie van Wenen. De creatieve zelfvernietiging van een vermolmd keizerrijk (Amsterdam, de Bezige Bij 2011). 39 Harvey Sachs, De negende. De beroemdste symfonie van Beethoven (Amsterdam, de Bezige Bij 2011). 40 Hans C. Roskam, Willem Noske, wonderkind – meesterviolist. Apostel van een verguisd verleden (Zutphen, Walburg Pers 2006). 41 Paul Kuik, ‘Op zoek naar de negentiende eeuw: Musica Neerlandica’, De Negentiende eeuw, Documentatieblad Werkgroep de negentiende eeuw 20 (1996) 2, pp. 129-137. 33 34

22


pianist en letterkundige Frans van Ruth ontwikkelt en beheert een website over deze (nagenoeg vergeten) muziek als voortzetting van zijn samenwerking met de in 1995 overleden Noske.42 Meindert Evers beschrijft in Begegnungen mit der deutschen Kultur. Niederländisch-deutsche Beziehungen zwischen 1780 und 1920 het verblijf van een aantal Nederlandse intellectuelen in Duitsland. Uit diens casestudies blijkt dat de Duitse cultuur door een J.R. Thorbecke, Reinier Bakhuizen van den Brink en een Albert Verwey niet alleen werd bewonderd maar ook vervreemding opriep.43 Mira Peeters-Bijlsma promoveerde op een studie Duitsers in Nederland. Een onderzoek naar de verandering van de nationale identiteit van Duitse immigranten in Nederland.44 Zij toont aan dat de soms moeizame integratie van Duitsers in de Nederlandse samenleving met tal van problemen gepaard ging, ook nog in de twintigste eeuw. De familie Schlegel kan niet goed begrepen worden zonder daarbij belangrijke kenmerken en karakteristieken te betrekken van het Duitse denken onder invloed van de vroege en late romantiek. De cultuurfilosofische studie van Rüdiger Safranski, Schiller oder die Erfindung des deutschen Idealismus geeft een goede inkijk in wat de Duitse ziel beweegt.45 Zijn Romantik. Eine deutsche Affäre is een filosofische rondgang langs de cultuurdragers die in de negentiende eeuw streven naar een vormgeving van de samenleving waarin de individualiteit van de mens en diens beleving van de werkelijkheid wordt gerepresenteerd.

46

Manfred Geier verklaart in Die Brüder

Humboldt, eine Biographie, hoe de beide zo verschillende broers, Wilhelm als staatsman en filosoof, Alexander als natuurhistoricus en geoloog, tot hun opvattingen kwamen, die later ook de Leidse Schlegels zouden inspireren.47 De aloude sociogenetische en psychogenetische onderzoekingen van Norbert Elias in zijn Civilisatieproces en diens Studien über die Deutschen bieden nog altijd waardevolle inzichten met betrekking tot de complexiteit van een duiding van de Duitse cultuur. Diens analyses beogen de Duitse eigenheid te verklaren en te verstehen.48 De observaties in beide werken dragen

Frans van Ruth, Leander Schlegel, vernieuwde website in permanente opbouw. http://leander-schlegel.nl (15 januari 2014). 43 Meindert Evers, Begegnungen mit der deutschen Kultur; Niederländisch-deutsche Beziehungen zwischen 1780 und 1920 (Würzburg, Königshausen & Neumann 2006). 44 Mira Peeters-Bijlsma, Duitsers in Nederland. Een onderzoek naar de verandering van de nationale identiteit van Duitse immigranten in Nederland (Ubbergen, Tandem Felix uitgeverij 2005). 45 Rüdiger Safranski, Schiller oder die Erfindung des deutschen Idealismus (München, Carl Hanser Verlag 2004). 46 Idem, Romantik. Eine deutsche Affäre (München, Carl Hanser Verlag 2007). 47 Manfred Geier, Die Brüder Humboldt, eine Biographie (Reinbek bei Hamburg, Rowohl Taschenbuch Verlag 2009, juni 2010). 48 Norbert Elias, Über den Prozess der Zivilisation. Sociogenetische und Psychogenetische Untersuchungen (Basel, Haus zum Falken 1939). Hier gebruikt: idem, Het civilisatieproces. Sociogenetische en psychogenetische onderzoekingen, deel I en II in de vertaling van Willem Kranendonk et al (Utrecht, Het Spectrum 1982). Vgl. 42

23


tevens bij tot een beter begrip van de opvattingen en positie van de leden van de familie Schlegel. De Kleinstaaterei in de Duitse landen werd overwegend gekenmerkt door een (verlicht-) absolutistisch bestuur. Vanaf de decennia rond 1800 groeide echter met name onder de jonge generaties, vooral onder invloed van de Verlichting, de Sturm und Drang-beweging, de Franse Revolutie en de ingrijpende veranderingen in de Napoleontische aera, het verzet tegen de ondergeschikte sociaal-politieke rol van de burgerij. Veel intellectuelen stamden uit families van ambachtslieden en kleine ambtenaren. Zo politiek krachteloos als de burgerlijke intelligentsia in de eerste decennia van de negentiende eeuw was, zo radicaal ontwikkelde zij zich op het gebied van de geest. Zij richtte zich op de zuiver geestelijke wereld van het boek, de filosofie en kunst ten dienste van de innerlijke verrijking van de persoon. Zonder politieke stem was zij gericht op de ontwikkeling van de geest. Zij eigende zich de Kultur toe die hen Bildung bracht. In reactie op de Napoleontische bezettingsoorlogen ontwaakten ook vormen van een nationaal bewustzijn die evenwel in deze periode hun voedingbodem veeleer vonden in de aloude Duitse cultuur dan in het politieke streven naar een gemeenschappelijke staat. Van een civil society naar Angelsaksisch model was beslist geen sprake; Bildung was voor menigeen belangrijker dan politieke participatie. Wetenschap, literatuur, beeldende kunst, theater, muziek, poëzie en de natuur behoorden de jonge vaandeldragers van het nieuwe elan. Maatschappelijke veranderingen, zoals de beginnende industrialisatie, boden ruimte voor een groeiende sociale mobiliteit, maar deze voltrok zich binnen de kaders van de gevestigde orde.49 De hier geschetste ontwikkelingen vormen ook de achtergronden en het decor waartegen de drijfveren van de jonge Hermann Schlegel kunnen worden begrepen om zijn levensontwerp zelf ter hand te nemen. Hij was beslist geen politiek revolutionair, integendeel, maar hij zocht het wel hogerop in de samenleving. Zijn interesse gold de studie van de natuur en de natuurlijke historie. Hij ontworstelde zich met succes aan het ambachtelijke ouderlijke milieu. In plaats daarvan richtte hij zich op de rangen van de hogere burgerij, in het bijzonder binnen de intelligentsia. Zijn zonen zouden in zijn voetspoor eveneens gebruik maken van de mogelijkheden die de ontwikkelingen in de samenleving boden om hun kansen op succes bij het nastreven van persoonlijke doelen en ambities te stimuleren.

idem, Studien über die Deutschen: Machtkämpfe und Habitusentwicklung im 19. und 20. Jahrhundert, hrsg. von Michael Schröter, bearb. von Nico Wilterdink in Gesammelte Schriften Bd. 11 (Frankfurt am Main, Suhrkamp 2005). Vgl. J. Goudsblom, De sociologie van Norbert Elias; weerklank en kritiek; de civilisatieproblematiek (Amsterdam, Meulenhoff 1987). 49 Een goed overzicht van de hier geschetste ontwikkelingen bieden de beide bijdragen van Arnold Labrie. ‘Van patriottisme tot nationalisme: patria en natio voor 1815’ en ‘Van Wenen tot Frankfurt, 1815-1848’, in: Leonard H.M. Wessels & Antoon Bosch (red.) Nationalisme, naties en staten: Europa vanaf ca. 1800 tot heden (Nijmegen Vantilt 2012), resp. pp. 104-157 en pp. 158-281.

24


De Duitse Sonderweg en dan met name toegespitst op het vraagstuk van het samengaan van culturele emancipatie, (economische) modernisering en politiek conservatisme – de Duitse staatkundige eenheid, de Reichsgründung, kwam ook onder leiding van de conservatieve machtspoliticus Bismarck tot stand - brengt nog steeds in en buiten Duitsland de pennen in beweging. Wolf Lepenies, bijvoorbeeld, analyseert de moeizame verhouding tussen burgers en hun conservatieve overheid, mede door de grote invloed van de traditionele adel, in zijn boek Kultur und Politik. Deutsche Geschichten. ‘Nach 1989 in Europa kein Spielverderber zu sein hieß für die Deutschen, politische Probleme im Feld der Politik zu lösen. Es hieß, nicht länger Kultur gegen Politik auszuspielen.’50 Veel Duitsers zagen zichzelf lange tijd vooral als een cultuurvolk of cultuurnatie, zulks ter onderscheiding van andere staatsnaties als de Fransen en de Britten; in Duitsland ging de cultuurnatie vooraf aan de staatkundige eenwording en een volwaardige politieke participatie van de bevolking. Dit onderzoek bestrijkt vooral de jaren 1804-1913, een periode waarin de lotgevallen van de familie Schlegel in Leiden en Haarlem, in Duitsland en in de Oost kunnen worden gevolgd. Als familie heeft zij bijgedragen aan de geschiedenis van die jaren; omgekeerd bepaalde die geschiedenis in belangrijke mate ook de manoeuvreerruimte en mogelijkheden van de afzonderlijke familieleden om vooruit te komen in de wereld. De betreffende periode kenmerkt zich door ingrijpende en in elkaar grijpende veranderingen in de samenleving, zoals de voortgaande ontbinding van de traditionele standensamenleving van het ancien régime, een versterking van het proces van staats- en natievorming, een snelle groei van de bevolking die zich allengs ook in sociaal-politiek en cultureel opzicht emancipeerde, een belangrijke professionalisering op het gebied van de wetenschapsbeoefening, vernieuwingen in de kunsten, het onderwijs en het muziekleven, een aanvankelijk aarzelend op gang komende maar steeds sneller gaande industrialisering en een toename van de sociale mobiliteit.51 In wisselende mate kregen alle leden van de familie Schlegel in hun dagelijks leven en bij hun persoonlijke ontplooiing met deze ontwikkelingen te maken: dat was reeds het geval voor Hermann Schlegel, eerst gedurende zijn jeugd 50 Wolf Lepenies, Kultur und Politik, Deutsche Geschichten (München /Wien, Carl Hanser Verlag 2006) aldaar p. 417. Zie voorts Hans-Ulrich Wehler, ‘Deutsche Bildungsbürgertum in vergleichender Perspektive – Elemente eines “Sonderwegs“?’, in: Jürgen Kocka (Hrsg.), Bildungsbürgertum im 19. Jahrhundert. Teil IV: Politischer Einfluss und gesellschaftliche Formation (Stuttgart, Ernst Klatt Verlag 1989), pp. 215-237. 51 Bijvoorbeeld Hans Righart (red.), De trage revolutie; over de wording van industriële samenlevingen (Meppel en Amsterdam, Boom 1991). Voor Nederland specifiek zie bijvoorbeeld de bijdragen van Remieg Aerts en Henk te Velde, in: Remieg Aerts e.a., Land van kleine gebaren. Een politieke geschiedenis van Nederland 1780-1990 (Nijmegen/Amsterdam, Uitgeverij SUN, 5e druk 2007), pp. 13-95, resp. pp. 97-175; Auke van der Woud, Een nieuwe wereld. Het ontstaan van het moderne Nederland (Amsterdam, Bert Bakker 2007). Een cijfermatige onderbouwing van een aantal van de hier genoemde ontwikkelingen voor Nederland bieden Hans Knippenberg & Ben de Pater, De eenwording van Nederland. Schaalvergroting en integratie sinds 1800 (Nijmegen, Uitgeverij SUN 1988).

25


en vormingsjaren in Duitsland en later in Nederland; voor zijn vrouw en kinderen, in Nederland en elders, zou dit niet anders zijn. Opbouw van het boek In drie delen staat het leven centraal van achtereenvolgens Hermann Schlegel en zijn beide zoons Gustav en Leander. Uit het onderzoek komt naar voren dat er opvallende overeenkomsten bestaan in de levensgeschiedenissen van de vader en zijn zonen, maar ook, zij het in mindere mate, in datgene wat bekend is over het leven van zijn echtgenote Cornelia en dochter Cécilia. De wijze waarop de familie zich een plaats verwierf in Nederland is voor een belangrijk deel toe te schrijven aan het karakter en doorzettingsvermogen van de vader en diens grote en soms dwingende invloed op zijn kinderen die hij wenste op te voeden en te vormen naar het beeld van diens eigen autoritaire opvoeding in Altenburg naar Pruisisch-Saksische snit. In hoeverre hebben de zonen de overdracht van hun vaders visie op de wereld, op de samenleving en de wetenschap, diens cultuuropvattingen en diens normen en waardepatroon gevolgd? Welke invloed had dit op hun respectievelijke carrières? In hoeverre hadden Gustav en Leander baat bij hun autoritaire opvoeding of speelde deze hen ook parten? De wijze waarop de drie mannelijke leden van het gezin de regie over hun (toekomstig) bestaan voerden of trachtten te voeren vertoont eveneens vergelijkbare karakteristieken. Net als Hermann wisten zijn beide zonen al op jonge leeftijd wat zij wilden gaan doen in het leven en net als hun vader had gedaan, verlieten Gustav en Leander al vroeg het ouderlijk huis om hun doelen te realiseren. En met het oog op de bevordering van hun gewenste professionele carrières ontplooiden zowel Herman als zijn beide zoons welbewust en op succesvolle wijze eenzelfde soort strategie: zij mobiliseerden in termen van hun sociale en culturele kapitaal de persoonlijke netwerken die hen ten dienste stonden om datgene gedaan te krijgen wat wenselijk werd geacht. Herman had zijn netwerk goeddeels zelf moeten opbouwen, zijn kinderen plukten daar aanvankelijk de vruchten van doch mettertijd creëerden en onderhielden zij ook hun eigen netwerken. Carrièrisme was, zoals opgemerkt, bij dit alles een heel belangrijke drijfveer, evenals het zich eigen maken van een habitus die hen de zo gewenste toegang gaf tot kringen van de hogere burgerij. In de slotbeschouwing zal de vraag aan de orde komen in hoeverre de onderzochte levens van de eerste en tweede generatie Schlegel, nauw verwant maar ook met belangrijke individuele verschillen qua karakter, temperament, talenten en persoonlijke ambities, op grond van onderlinge overeenkomsten en gemeenschappelijke trekken toch als een familiegeschiedenis kunnen worden gelezen en begrepen. 26


27


Figuur 1: Prof. Dr. Hermann Schlegel (1804-1884)

28


DEEL I - Hermann Schlegel (1804-1884) Periode 1786 -1825 De familie Schlegel in Altenburg Zoveel is zeker, over het voorgeslacht van Hermann Schlegel was in de familie niet meer bekend dan dat zijn overgrootvader afkomstig was uit de omgeving van Worms. Hij was gehuwd met een vrouw uit Stiermarken bij wie hij een zoon verwekte die de naam Melchior droeg (1746-1805). De naam van de overgrootvader en -moeder bleven onbekend. Melchior vestigde zich toen als geelgieter in Praag. In de familie gaat het verhaal dat hij deze stad ontvluchtte nadat hij was betrapt op het lezen van de bijbel en beschuldigd werd van ketterij. Het cuius regio, eius religio dwong hem daartoe. Althans zo legde Gustav Schlegel dit vast als bezorger van de autobiografie die zijn vader in 1884 naliet.52 Melchior vestigde zich in Altenburg in Saksen, waar hij toetrad tot de Evangelisch-Lutherse Gemeente. Zijn inschrijving door superintendent Reichlin is bewaard gebleven. Deze functionaris stierf in het voorjaar van 1767, de toetreding moet daarom volgens Thierfelder vóór dat jaar hebben plaats gehad.53 Melchior trouwde met Johanna Magdalena Porzig (? – 1816). Zij kregen één zoon Johann David (17691850). Nadat in 1782 keizer Franz Josef II het Patent van Tolerantie had afgekondigd, meende Melchior zich veilig met vrouw en kind in Wenen te kunnen vestigen. Spoedig bleek hem dat van tolerantie geen sprake was, zodat hij terugkeerde op zijn schreden en weer in Altenburg terechtkwam. Het was Johanna die haar man bewoog naar het haar meer vertrouwde Altenburg in Saksen terug te keren. In 1786 kocht Melchior een stuk grond aan de Kesselgasse, thans nummer 20. Bij het huis hoorde ook zijn werkplaats. Melchior trok zich in 1803 uit de geelgieterij terug en verkocht de zaak in koperen ornamenten aan zijn zoon Johann David. Diens ouders bleven in het huis wonen volgens afspraak vastgelegd in het koopcontract. 54 Beiden zouden er sterven. Johann David trouwde met Johanna Rosina Seiler ( ? – 1869) op 19 juli 1803. Zij bracht bij haar huwelijk 4000 Thaler in.55 Zij was een boerendochter uit Schmölln. Het paar kreeg 11

52 G. Schlegel, Levensschets van Hermann Schlegel. Aangeboden door Dr. G. Schlegel te Leiden. Overgedrukt uit het Jaarboek der Koninklijke Akademie van Wetenschappen 1884 (Amsterdam, Johannes Müller 1884) pp. 197. 53 Franz Thierfelder, ‘Hermann Schlegel’, Abhandlungen und Berichte des Naturkundlichen Museums „Mauritianum“ Altenburg, Band 3 (Altenburg, 1963) p. 41. 54 Thüringisches Staatsarchiv Altenburg, Stadthandelsbuch 1803, Amtsgericht Altenburg , Kaufbrief und Lehnschein 1786, C III. Loc.1, nr. 85, 3 Augustus 1803 mit dem Johann David Schlegel von seinen Vater Melchior Schlegel ein Wohnhaus mit Nebengebäude und Garten in der Kesselgasse erwirbt, Augustus 1803. 55 Franz Thierfelder, ‘Hermann Schlegel’, p. 41.

29


kinderen, van wie Hermann de oudste was.56 Zie voor een overzicht van de familiesamenstelling bijlage 2. In de gevel van het huis aan de Kesselgasse is een herdenkingsplaquette aangebracht die aangeeft dat Hermann Schlegel in dit huis geboren is: Geburtshaus des Naturforschers Prof. Hermann Schlegels.

Figuur 2: Plaquette woonhuis Schlegels in de Kesselgasse, Altenburg

Het is eveneens zeker dat in het collectieve geheugen van de Altenburgers de nagedachtenis aan Hermann nog levend is. Deze werd in ere gehouden vanwege zijn verdiensten als natuuronderzoeker en internationaal beroemd ornitholoog. Voor hij op zeventienjarige leeftijd het ouderlijk huis voorgoed verliet, was hij al een bekend en gewaardeerd lid van de kring van Altenburgse liefhebbers van natuurstudie. Natuuronderzoek was dankzij de uitbundige natuur in die streek een wijdverbreid verschijnsel dat soms zelfs het karakter van vrijetijdsbesteding overschreed. Sommigen vonden erkenning als natuuronderzoekers. Zij kregen de status van dilettant, een term die ook werd gebruikt in muziekrecensies en concertprogramma’s om amateurmuzikanten te onderscheiden van beroepsmusici. De wetenschappelijke wereld gebruikte de term wel ter onderscheiding van de aanduiding ‘academicus.’ Een professor aan de academie kon in het stadsorkest dilettant worden genoemd ter onderscheiding van de beroepsmusici. Het kon de klank hebben van een geuzennaam of een aanwijzing zijn dat de dilettant voortreffelijk kon zijn in een wetenschappelijk studie, maar toch niet tot de gemeenschap van academici, respectievelijk beroepsmusici werd gerekend. Hermann behoorde tot degenen die de term zo-

56 Auszug aus dem Tauf-Buch der Evang. Lutherschen Kirchgemeinde Altenburg Thür. Jahrgang 1804, Seite 305, nr.165. Kopie. Altenburg, den 18.08.1994. De schrijfwijze ‘Herrmann’ komt in archiefmateriaal nog enkele malen voor maar de naam wordt over het algemeen geschreven als Hermann.

30


wel als een geuzennaam zagen en tegelijk zich er door achteruitgezet voelden. Aan de Altenburgers kon dat niet liggen, immers na zijn dood richtten zij in zijn geboorteplaats een monument op ter ere van drie belangrijke natuuronderzoekers, te weten de ‘vogelpastor’ Ch.L. Brehm (1787-1864), diens zoon Alfred (1829-1884) en Hermann Schlegel. In 1894 werd het plechtig onthuld.57 Aan hun erkenning, bekendheid en waardering droeg het actieve Naturforschende Gesellschaft des Osterlandes (NFGdO), opgericht in 1818, in belangrijke mate bij.58 Ook het tijdschrift Abhandlungen und Berichte des Naturkundlichen Museums „Mauritianum“ hield de herinnering aan hun verdiensten levend. Hermann en diens vader waren bij de totstandkoming van deze vereniging betrokken. Zijn vader als beheerder van de verzamelingen, Hermann als diens hulpje. In Altenburg behoorden de Schlegels tot de burgerstand van ambachtslieden werkzaam binnen het toenmalige gildesysteem. Zij voerden doorgaans de titel ‘Meister’. Hermann en zijn broer Franz waren de twee die geen ambacht uitoefenden, zij werden respectievelijk museumbioloog en arts. Franz eindigde als directeur van de dierentuin in Breslau. Natalie trouwde een koster van een Evangelisch-Lutherse Kerk. Laura verbond zich aan een meesterdraaier. Auguste werd de echtgenote van een meesterkoperbewerker, verbonden aan het Altenburgse Hof. Bruno werd kopergieter zoals zijn vader en opa waren. Robert werd het zwarte schaap in de familie. Hij moest naar Noord-Amerika vluchten met achterlaten van grote schulden, die overigens door zijn vader werden betaald. Hij werd onterfd, want hij had zijn aandeel in de erfenis al gehad en de familie schande gebracht. In de tekst van het testament van Johann David en zijn vrouw staat dat zij hun zoon niet onterfden uit een kwaad hart, maar vanwege de zakelijke reden dat hij in hun nalatenschap reeds had gedeeld. 59 Louise huwde een chirurgijn die in Altenburg als tandarts werkte. Johann David en Johanna verloren drie zoontjes bij of kort na hun geboorte. Ook de schoonzonen hoorden tot de burgerstand. Zij brachten het in het algemeen tot welstand

57 Prof. dr. Rudolf Blasius, Festrede des Herrn Prof. Dr. Rudolf Blasius, gehalten bei der Einweihung des Brehm-Schlegel-Denkmals zu Altenburg, am 30. September 1894 (Altenburg, Pierer’sche Hofdruckerei, Stephan Geibel & Co.1894) pp. 3-65. 58 Thüringisches Staatsarchiv Altenburg, Statuten des Naturforschenden Gesellschaft des Osterlandes nach ihrer Organisation vom 1sten Julius 1818 (Altenburg, Hofdruckerei 1818). Als stichtingsjaar van de NFGdO werd echter van meet af aan 1817 aangehouden, de datum van de eerste bijeenkomst die tot het voornemen van oprichting leidde. 59 Thüringisches Staatsarchiv Altenburg, Amtsgericht Altenburg, Testamenten Buch aus den Jahre 1849 bis 1851, D.V. loc.1.B.1, Buchst. T., Nr.100 b, in dem auch die beglaubigte Abschrift des Testamentes von Johann David Schlegel und seine Gattin Johanna Rosina Schlegel, 26. Januar 1837 und März 1850.

31


en aanzien. Volgens het testament van Johann David uit 1837 kreeg ieder kind bij huwelijk of het zelfstandig worden 600 Thaler. Het vermogen werd geschat op 9000 Thaler. 60 Altenburg was aan het begin van de negentiende eeuw residentie van de hertogen van Sachsen-Coburg-Altenburg, zij het als bijzetel van deze heersers. Hertog Ernst II regeerde van 1772-1804. Hij werd opgevolgd door hertog Emil August (1804-1826). Deze regerend hertog kwam doorgaans jaarlijks enige tijd op zijn slot in Altenburg wonen, meestal in verband met de Landdag. Emil August was geen houwdegen, reed nooit paard ‘en hulde zich het liefst in vrouwenkleding, waarvan hij een groot kenner was.’61 Na het Congres van Wenen heerste er in Europa een klimaat van conservatisme en restauratie, maar de bevolking leefde niet onder de druk van het hof. De hertog was geen despotisch heerser. Wanneer hij met zijn entourage op het slot woonde, bracht dat allerlei vertier met zich mee. Hem werd een uitgesproken intellectuele belangstelling toegedicht en hij bevorderde vanuit die houding ook het kunstleven in stad en land. Hij werd als een goede vorst gezien mede vanwege zijn tolerante beleid. Opmerkelijk is dat de hertog ook deelnam aan feesten ten huize van de smalle bovenlaag die als ambtenaren in de regering functies vervulden in het landsbestuur. Zij schuurden aan tegen de hofcoterie die zelf een vrije omgang met de kooplieden en intellectuelen in de stad had. Rond 1800 woonden er binnen de stadsmuren ruim zevenduizend zielen en nog eens ruim vierduizend daarbuiten. Naast het economisch profijt dat het hof, zijn entourage en de daaruit voortkomende bureaucratie met zich meebrachten, fungeerde de stad als centrumplaats voor markten, handel en nijverheid. Hoewel Altenburg niet alle voordelen had als residentie van het Saksische hof, vertoonde het stedenbouwkundig patroon van deze middeleeuwse stad in meer of mindere mate de aanwezigheid van hofspecifieke kenmerken. Culturele voorzieningen, zoals een theater, een operahuis, kunstverzamelingen en landschapsinrichting in de vorm van lanen en parken waren aanwezig. Gebouwen voor deze activiteiten verrieden de stand van de gebruikers. Het hertogelijke slot en park troonden hoog boven de stad als een beeldbepalend decor tot in de verre omtrek zichtbaar, omsloten door hofkerk en regeringsgebouwen. De nijverheid vond in de eerste helft van de eeuw voornamelijk binnen de stadsmuren plaats, hetgeen uitbreiding bemoeilijkte.

Thüringisches Staatsarchiv Altenburg, Amtsgericht Altenburg, Testamenten Buch aus den Jahre 1849 bis 1851, D V. loc.1.B.1, Buchst. T., Nr.100 b, in dem auch die beglaubigte Abschrift des Testamentes von Johann David Schlegel und seine Gattin Johanna Rosina Schlegel, 26. Januar 1837 und März 1850. 61 Karl Schneider, ‘Ein Blick in das Gesellschafts- und Geistesleben Altenburgs am Beginn des 19. Jahrhunderts’, Altenburger Kunst und Kultur im 19. Jahrhundert, Altenburg Geschichtsblätter (Altenburg, LindenauMuseum 1992) pp. 92-108, aldaar p. 94. 60

32


De werkgelegenheid zou pas echt tot expansie komen als de gildedwang in 1864 wordt opgeheven en de stad expandeerde buiten de poorten, die trouwens in de loop van de tijd stuk voor stuk uit het stadsbeeld verdwenen.62 Het aanzien van de stad werd daarna vooral gedomineerd door fabrieken waarin de metaalnijverheid een belangrijk aandeel had. Wat als de industriële revolutie kan worden aangemerkt, had in Altenburg een langere aanloop nodig, maar ook daar werd de opgelopen achterstand ingehaald in het laatste kwart van de negentiende eeuw en daarna, zoals in de rest van het dan verenigde Duitsland (1871). Saksen is heden bekend om zijn machine- en metaalindustrie, porselein (Meissen), chemie en mijnbouw. De omgeving is bekend vanwege bos- en landbouw. Toen Hermann werd geboren was er in politiek opzicht veel beweging in Europa. De Franse Revolutie en Napoleons imperialisme zorgden voor onrust en strijd. Toch waren de levensomstandigheden van de bevolking niet ongunstig.63 De nijverheid in de stad wist zich te handhaven, maar werd als overal elders geraakt door de handelsbeperkingen als gevolg van Napoleons Continentaal Stelsel. Naast de metaalverwerkende ambachten waren er enkele manufacturen, die zich in de negentiende eeuw verder ontwikkelden in de textiel- en leerbewerking. De napoleontische activiteiten waren niet zo heftig merkbaar als in andere delen van de Duitse landen waardoor de burgerbevolking een relatief rustig bestaan had. De hand van de hertog was daarin zichtbaar. Hij vereerde Napoleon als brenger van staatsmanschap en had het ideaal van vrijheid, gelijkheid en broederschap in zijn vaandel. Hij was Frans georiënteerd. Toch beleefde Altenburg tussen 1806 en 1815 veel bezettingen en inkwartieringen van soldaten van uiteenlopende herkomst, totdat de hertog in 1815 toetrad tot de Duitse Rijnbond nadat Napoleon definitief verslagen was. In 1807 vocht het leger van de hertog nog aan de zijde van de Fransen in Tirol, Spanje, Zweden en Rusland, een gevolg van de hertogelijke verering van Napoleon. Deze dubbele richting: steun aan verzet tegen Frankrijk en meevechten met Frankrijk liet onder de bevolking en binnen families haar sporen na. Hermann Schlegel zou tegen de Franse overheersing zijn, zijn broer Frans was voor. Hij was blijkbaar toen al patriottisch Duits en zou dat in feite zijn hele leven blijven. Over deze oorlogstoestand werd de kleine Hermann geïnformeerd zoals blijkt uit zijn autobiografische herinneringen die in zijn nalatenschap werden aangetroffen. Hij had een fascinatie voor het krijgsbedrijf dat hem in aanraking bracht met vreemde volkeren, waarvan hij het bestaan niet kende.

Heinrich Moch, Die Wirtschaftliche Entwicklung der Stadt Altenburg (Altenburg, Stefan Geibel Verlag 1929) pp. 57-58. 63 Karl Schneider, ‘Ein Blick in das Gesellschafts- und Geistesleben Altenburgs am Beginn des 19. Jahrhunderts’, pp. 92-108, p. 92. 62

33


De burgerstand vertoonde als gebruikelijk een grote mate van continuïteit. Ambachten werden gereguleerd door gilden die toezagen op vakbekwaamheid en het afleggen van een meesterproef om erkend te worden. Een blik op het gezin Schlegel toont die continuïteit (zie bijlage 2). Het gilde van koperbewerkers maakte in 1821 bezwaar tegen meester kopergieter Johann David Schlegel die tegen de gildeafspraken in ornamenten voor sabels vervaardigde ten behoeve van het Pruisische leger.64 Hieruit blijkt dat het gilde, waartoe men behoorde, een uitbreiding van bezigheden aan hun reglementen onderwierp. In de loop van de eeuw nam hun invloed af en verslapte de handhaving van hun reglementen. De opheffing in 1864 was een logische stap om de industrialisering te bevorderen die tot massaproductie leidde met gebruikmaking van stoom en andere machines. Het vrije ondernemerschap legde ook Altenburg geen windeieren. Als overal elders overleefde het reguleringssysteem van ambachten niet. De betekenis van de Levensschets Voor zover de tekst in de door Gustav bezorgde Levensschets, rechtstreeks uit de nagelaten autobiografie komt, is daarin Hermann zelf aan het woord. Wanneer Gustav de auteur is, geeft hij dit telkens expliciet aan. In dit onderzoek is ernaar gestreefd de inhoud waar mogelijk te toetsen aan andere bronnen. Hermann beschrijft aan het eind van zijn leven in grote lijnen zijn levensloop. Het geheugen als bron levert nooit exacte weergave van gebeurtenissen op, sec, alsof men naar het eigen leven kan kijken. Verdringing, manipulatie, herbeleving leiden tot vertekening. Alle bezwaren die aan egodocumenten kleven moeten daarom worden ingecalculeerd bij het lezen en het beoordelen van de Levensschets. Het bronnenmateriaal waarover Gustav beschikte, is niet bewaard gebleven. Geen geschreven tekst is bewaard gebleven in het handschrift van Hermann. Ook de portfolio’s met aantekeningen die Gustav vermeldt aangetroffen te hebben, zijn niet in het onderzoeksmateriaal gevonden. Gustav was zich klaarblijkelijk van die beperking bewust. Hij wist door gesprekken met zijn vader, gevoerd aan het einde van diens leven, dat deze in een laatste publicatie zijn intellectuele erfenis wilde neerleggen. […] toen ik hem herhaaldelijk, met het oog op zijn’ hogen leeftijd aanmaande om zijn laatste werk te schrijven, scheepte hij mij steeds met een korzelig ‘Das hat noch Zeit’ af. Toen hij er eindelijk mee begon, bracht hij het niet verder dan tot de inleiding dienende autobiografie.

64

Thüringisches Staatsarchiv Altenburg, Bestand Landesregierung, Canzleiakte Nr. 9649, 5. Oktober 1821.

34


Het materiaal dat hij voor dit werk verzameld had, bestaat uit meer dan zes dikke portefeuilles met losse aantekeningen; maar zelfs een schema voor dit werk ontbreekt; zodat dit kostbare materiaal nutteloos daar ligt, wijl hij slechts wist, waarvoor en in welken zin het gebruikt en verwerkt moest worden. 65

Dankzij zowel contemporaine als latere bronnen blijken beeldvertekeningen soms te worden gecorrigeerd en geannoteerd. Het retrospectief van Hermann en de interpretatie van Gustav maken de Levensschets in zekere zin tot een coproductie, waarin de zoon de vader bijstaat zo goed mogelijk diens bedoeling te volgen. Zoveel is zeker dat veel uit de inhoud van de Levensschets in het archief van het huidige Naturalis Biodiversity Center verspreid bewaard werd. In het verdere verloop van deze familiegeschiedenis klinkt de saamhorigheid binnen deze kleine familie voortdurend door.66 Hermanns visie op zijn leven in retrospectief en de hand van Gustav daarin blijven van waarde door de wijze waarop zij de lezers informeren. Bovendien wordt, ondanks correcties aangeleverd door andere bronnen, de grote lijn van zijn levensverslag bevestigd en ook onder kritiek gesteld. Hermann en Gustav componeerden hun beschrijvingen immers zo om hun gedeelde boodschap over te brengen. De tekst was bestemd voor een boek waarvan de titel zijn bedoeling omschrijft - dat Hermann als afsluiting van zijn leven wilde nalaten. Het zou voorafgaan aan zijn intellectuele erfenis die hij als een bijdrage zag aan de ontwikkeling van de systematische biologie, een virtueel monument. Hij meende de systematische biologie verrijkt te hebben met een multidisciplinair verklaringsmodel van de soortverscheidenheid van dieren gebonden aan de ecologie van hun leefgebied. Het was Gustav die de voorgenomen titel opdiepte uit aantekeningen voor dit boek, ondergebracht in een noot in de Levensschets ter verklaring van zijn ingrijpen in de tekst van zijn vader. De titel zou luiden: Forschungen in den Gebieten der Land- und Vรถlkerkunde, der Geschichte und Naturgeschichte.67 Door geschiedenis expliciet te noemen lijkt het er op dat hij in dit boek naast de natuurlijke historie ook de ontwikkelingsgeschiedenis van de mensheid beoogde te betrekken. Er is aanleiding dat te veronderstellen omdat hij in zijn publicaties veelvuldig historische analyses opneemt. Wanneer dat gegeven gelegd wordt naast andere bronnen van latere datum, gaat de vraag niet over de beoordeling van wat waar of niet waar is in Hermanns autobiografie, maar om vragen te stellen vanuit de focus van dit onderzoek naar de aard van de boodschap van de auteur. Datzelfde geldt voor de bijdragen aan de tekstdelen die door Gustav werden bezorgd of

G. Schlegel, Levensschets, pp. 83-84. Dit is het geval wanneer Hermann, Gustav en Leander blijk geven hun familienaam met trots te voeren. 67 G. Schlegel, Levensschets, p. 39 voetnoot. 65 66

35


door hem ter adstructie werden toegevoegd. Zonder uitzondering deed hij dat overigens door te vermelden dat niet zijn vader, maar hij aan het woord was. Dit is te meer van belang omdat de tekst van de Levensschets een eigen leven is gaan leiden op het moment dat andere auteurs in hun terugblik op het leven van Hermann Schlegel na diens overlijden deze tekst letterlijk overnamen. Het gevolg was dat zowel belangrijke als minder belangrijke kwesties tot op de dag van vandaag bijdragen aan de beeldvorming over de vader en zijn zonen en dit soms zelfs beeldvertekening tot gevolg had. Ter illustratie mogen enkele voorbeelden dienen. Een citaat uit de Altenburger Zeitung wordt door Gustav gebruikt als openingstekst van de Levensschets: ‘Dr. Hermann Schlegel, Professor, Direktor des Königliche Niederländischen Reichsmuseums für Naturgeschichte zu Leyden, Ritter des Ordens des Niederländische Löwen, Mitglied der Königl. Akademien zu Amsterdam, Berlin und Turin und verschiedener anderer gelehrten Gesellschaften, einer der berühmtesten Söhne unserer Stadt , ist am 17. d. Mts. in Leyden hochbejahrt zur ewigen Ruhe eingegangen.’ 68

Uit dit krantenbericht spreekt naast respect voor de overledene ook trots op hun beroemde stadgenoot die na zijn vertrek uit de stad werd gevolgd op zijn weg naar roem. Hermann wordt in de galerij van voornaamheid en erkenning geplaatst. De rouwende zoon sluit aan op die tekst door te stellen dat zijn overgrootvader stamt ‘uit een oud en aanzienlijk geslacht der Schlegels, van ’t welk een lid reeds in 1323 door vorst Bernhard van Anhalt beleend werd.’69 Historisch verwijst dat naar Bernhard III, vorst van Sachsen Anhalt, Graaf van Askanien und Herr von Bemberg (1323-1348), wiens nakomelingen hun macht uitoefenden tot na de Eerste Wereldoorlog.70 Waaruit dit leengoed bestond, wordt nergens verduidelijkt. Ook ontbreekt evidentie over de genealogische wortels van Hermann. Het kan zijn dat er sprake was van een familieverhaal, maar het kan ook zijn dat door deze afstamming ver terug in de tijd te plaatsen benadrukt wordt dat zijn geslacht kon bogen op een eerbiedwaardig verleden. Presser noemde het genre egodocument ‘die documenten, waarin een ego zich opzettelijk of onopzettelijk onthult.’71 Gustav sluit zich aan bij de beschrijving van zijn vader in de Altenburger Zeitung die hij als het ware onderstreept. Deze mogelijkheid wordt nog aannemelijker als hij ter verklaring van Hermanns voorliefde voor de taalwetenschap deze citeert:

G. Schlegel, Levensschets, p. 1. Citaat uit de Altenburger Zeitung van 23 januari 1884. Voor de geslachtslijst van de vorsten van Anhalt: http://fmg.ac/Projects/MedLands/ANHALT.htm (22-012014). 70 G. Schlegel, Levensschets, p. 1. 71 J. Presser, ‘Clio kijkt door het sleutelgat’ in: M.C. Brands, J. Haak en Ph. de Vries ed., Uit het werk van dr. J. Presser (Amsterdam 1969) pp. 283-295. 68 69

36


Schon in der Jugend wurde die Aufmerksamkeit auf dieses Fach gelenkt durch Adelung’s Werke, die sich damals in vieler Hände befanden; ferner durch dessen Nachfolger, den gelehrten Vater, der als ein Geborener Altenburger ebenfalls viele Bewunderer in unserer gemeinschaftlichen Geburtsstadt hatte, obschon seine professorale Vornehmheit ihm in dem Wege stand, jene an sich zu ziehen. Der Zufall endlich, dass die Gebrüder Schlegel, um dieses Fach so verdient, wenigstens Namensgenossen waren erweckte meine Neugierde um der Entwickelung dieser Wissenschaft zu folgen, und die Liebe dazu erhielt noch nachhaltiger Nahrung als ein Mann wie Kern der nicht nur die Sache Meister ist, sondern sie auch gern mittheilt und mitzutheilen versteht in unser Mitte gezogen wurde, und als einer meiner Söhne, der Sinologe G. Schlegel, sich diesem Fache ausschließlich gewidmet hatte. 72

Opmerkelijk is dat Gustav dit citaat uit de in het Duits geschreven vaderlijke autobiografie onvertaald laat. Zag hij dat wellicht als gepaste bescheidenheid omdat zijn vader hem persoonlijk noemde in dit verband? Het lijkt er meer op dat Gustav de verwantschap met deze geleerden van Duitse bodem onderschrijft als deel van zijn curriculum vitae, dus net als zijn vader hun Altenburgse wortels toont. Het onderschrijft dat hij in de rij van de Altenburgse tak van het geslacht Schlegel de derde generatie is die deze passie deelt. Hermann verbindt zich aan in die tijd vooraanstaande Duitse taalkundigen en literatoren, zoals Adeling en Vater uit Altenburg; August Wilhelm Schlegel (1767-1845) en Karl Wilhelm Friedrich Schlegel (1772-1829). In het wapen van dit laatstgenoemde oud Noord-Duitse geslacht komt inderdaad een hamer voor. Er bestaat geen verwantschap met dit geslacht anders dan dat het dezelfde familienaam draagt. Het door Hermann gebruikte zegel bestond eveneens uit een hamer, het pictogram voor een houten hamer die in het Duits Schlegel heet.73 Datgene

Figuur 3: Das Schlegelsche Familienwappen in der von August Wilhelm Schlegel verwandten Form

G. Schlegel, Levensschets, p. 81-82. Voor het wapen van het geslacht van Friedrich Schlegel zie: Ernst Behler, Friedrich Schlegel, mit Selbstzeugnissen und Bilddokumenten dargestellt von Ernst Behler (Hamburg, Rowohlt Taschenbuch 1996) p. 8, verleend aan Christoph Schlegel von Gottleben (1651). Het geregistreerde zegel van Hermann Schlegel zie: Centraal Bureau Genealogie, afd. Heraldiek. Collectie Steenkamp-Damstra. Voor beschrijving zie: Collectie Muschat, 79 A, fiche 202. Vgl. Slotbeschouwing p. 349.

72 73

37


wat geverifieerd kon worden over de Altenburgse familie bestaat uit noties die in de tijd niet verder terug gaan dan de grootvader van Hermann, Melchior Schlegel, die de boreling nog heeft gezien voor hij in 1805 stierf. Deze en andere voorbeelden ontleend aan de Levensschets maken de indruk bedoeld te zijn bij te dragen aan wat Greenblatt self-fashioning noemt, dat de functie heeft een beeld van zichzelf te creëren zoals het subject gezien wil worden.74 Zo gezien is dat zowel welbegrepen eigenbelang, als wel een poging zich zo te willen positioneren. In hoeverre het vreemdelingschap van de Schlegels in Nederland daaraan debet is, zal blijken uit het volgen van hun levens die zij als Saksen in Leiden en Haarlem doorbrachten. Het is daarom dat Hermanns jeugdjaren nader tegen het licht worden gehouden, soms vooruitlopend op de chronologie. Deze periode eindigt als Hermann, nog juist zeventien jaar oud, het gezin verlaat (voorjaar 1822). Hermanns verblijf in het ouderlijk gezin in Altenburg Als oudste in het gezin zag Hermann drie zusjes geboren worden tijdens de jaren dat hij thuis woonde. Het leeftijdsverschil tussen hem en de meisjes was respectievelijk twee, vier en zeven jaar. Waarschijnlijk heeft hij niet veel met de meisjes opgetrokken. Vrouwen hadden in het traditionele gezin hun eigen leven en mannen het hunne. Hij was al elf jaar toen Bruno (1815) werd geboren en twaalf jaar toen Robert kwam. Dat verklaart wellicht dat hij in zijn herinnering aan zijn kinderjaren, beschreven in zijn autobiografie zijn zusjes en broertjes in het geheel niet bij name noemt. Zijn moeder en inwonende oma Seiler komen één keer ter sprake bij het verlaten van het huis. Toen Franz werd geboren (1822) was Hermann al uit huis. De broertjes Otto, Friedrich en Carl stierven bij of vlak na hun geboorte. Franz en Louise zou hij voor het eerst zien als hij het ouderlijk huis bezoekt in het voorjaar van 1825 voor een korte tussenstop vanuit Wenen op weg naar Leiden. Pas wanneer Hermann in 1861 zijn zoon Leander onderbrengt bij zijn familie in Leipzig als deze naar het conservatorium in Leipzig gaat, verraadt een tot op heden onbekend gebleven briefwisseling de bestaande contacten met de familie in Altenburg.75 De identificatie met zijn vader wordt in de Levensschets prominent uit de doeken gedaan. Hermann blijft een Duitse patriot en heeft een sterke identificatie met het Deutschtum. Hij beschrijft hem met veel respect en liefde als een gemoedelijke, maar strenge man, van oud Duits

74 Stephen Greenblatt, Selffashioning, Renaissance self-fashioning: from More to Shakespeare (University of Chicago Press, 1980). 75 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst geschreven tussen voorjaar 1861 tot voorjaar 1863.

38


‘Schrot und Korn’, goed opgeleid, met verschillende bezigheden buiten zijn vakgebied ten nutte van de Altenburgse samenleving. Hermann maakt hem tot ‘ere-assessor’ bij het vredegerecht, een publieke functie.76 Bronnenonderzoek leert dat hij bij het Stadsgerecht echter ‘Beisitzer’ was.77 In 1815 werd hij benoemd tot ‘bevelhebber van de Landstorm.’ En dan was er het bedrijf, dat hem tot een welgesteld ambachtsman en burger maakte. Gustav vond die mededeling klaarblijkelijk te karig, want in een noot staat: ‘de fabriek is thans [1884, v.Z.] in handen van een’ zijner neven, levert pleet- en zilveren rijtuigversierselen, wordt door stroom gedreven, en verschaft werk aan 300 personen.’78 Gustav wilde hiermee de welstand van de onderneming van zijn opa die in 1850 overleden was, aangeven, althans wat er daarna van geworden was. Hij had die informatie gekregen van zijn neef Hugo Köhler, de zoon van zijn tante Albertine, die in 1884 leiding gaf aan een bloeiende naaimachinefabriek. Deze Köhler zorgde bovendien voor de vertaling in het Duits van de Levensschets.79 Het maakt duidelijk dat de Leidse tak deel uitmaakte van de Werdegang van de Altenburgse familie.

Figuur 4: Museum Mauritianum Altenburg met overblijfsel van het gedenkteken op de voorgrond

Köhler was een geacht industrieel die zich als mecenas gedroeg onder meer door het nemen van het initiatief een gedenkteken op te richten ter ere van de drie natuuronderzoekers voor de deur van het latere natuurhistorisch museum Mauritianum in het Slotpark van de Burcht.

G. Schlegel, Levensschets, p. 3. Thierfelder, ‘Hermann Schlegel’, p. 41. ‘Beisitzer’ is één van de betekenissen van het woord assessor in de zin van toegevoegd bestuurslid. Vgl. G. Schlegel, Levensschets, p. 10-11. 78 G. Schlegel, Levensschets, p. 2 noot. 79 Hugo Köhler, Hermann Schlegel. Lebensbild eines Naturforschers, nach dem holländischen des prof. Gustav Schlegel in Leiden herausgegeben und bearbeitet von Hugo Köhler (Altenburg, Verlag Oskar Bonde 1886). Vgl. Slotbeschouwing, p. 358. 76 77

39


Het werd in 1894, tien jaar na het overlijden van Hermann onthuld. Vader Schlegel had volgens de Levensschets een uitgesproken wetenschappelijke belangstelling. ‘Zijn lievelingsstudiën waren filosofie, voornamelijk die van Kant, entomologie en de Franse taal.’80 Hermann schetst zijn opvoeding als een kopie van het opvoedingsregime dat Frederik Willem I van Pruisen instelde voor zijn zoon Frederik II (1712-1786), de latere koning Frederik de Grote. De dag begon om vijf uur ’s ochtends met plaatsnemen aan de studeertafel. Aan deze hoofdarbeid kwam pas om 10 uur ’s avonds een eind. Vlijt en stiptheid waren de onwrikbare regels. Hermann verklaart tegelijk dat deze regels hem heel zijn leven hebben begeleid en dat hij er nimmer van af is geweken. ‘De strengere bepalingen waren samengevat in de grondbeginselen van een blinde gehoorzaamheid, volkomen onderdanigheid en onvermurwbare gestrengheid.’ Aan de andere kant stond mijn vader mij, zoveel hij vermocht, leerzaam terzijde; maakte mij op alles opmerkzaam, zette mij voortdurend tot nadenken aan, en wijdde mij in vele zaken in, die een’ knaap anders vreemd blijven. Het dualisme zijner beginselen moest echter noodzakelijk tot twee tegenovergestelde richtingen leiden: de ene verwijderend, zoals het geval was met bovengenoemd vorstenpaar, de andere toe naderend en in hoogste mate vormend, zoals plaatsgreep tussen Mozart en zijn vader.81

Hermann bezocht in Altenburg de internaatsschool van de garnizoenspredikant dr. Gotthold Friedrich Winkler (1777-1842), het Börnerschen Knabeninstitut. Over die schooltijd vermeldde hij zijn beleving in de vorm van enige aanvaringen met docenten die steeds voortkwamen uit onverzettelijkheid zijnerzijds als hij meende dat hem onrecht werd aangedaan. Hij kwalificeerde zichzelf als een der beste leerlingen van de school. Wat Hermann als kind bezighield blijft fragmentarisch. Hij refereert aan de levendigheid in de Napoleontische tijd toen zich in Altenburg soldaten ophielden vanuit vreemde streken. Op gezette tijden kwamen troepen uit West- en Zuid-Europa naar de stad, afgewisseld met troepen die Napoleon bestreden uit het oosten en noordoosten. Lappen, Kozakken en Baszkaren waren de meest opvallende onder hen. Hij mocht op Kozakkenpaarden rijden en leerde mensen kennen, over wie iedereen met afschuw sprak vanwege hun wreedheden, maar daarvan kreeg Hermann niets mee. Hij leerde ervan dat zij ‘onder hun ruwe gezichten met hun gedachten bij hun gezinnen en kinderen waren’. Hermann beschreef achteraf zijn beleving van die tijd. Hij herinnert zich steeds in een ‘voortdurende staat van opwinding’ te hebben verkeerd. Op één dag

80 81

G. Schlegel, Levensschets, p. 3. G. Schlegel, Levensschets, p. 4.

40


beleefde hij meer dan anders in maanden. Hij verhaalt hoe hij met zijn vader die commandant bij de Landstorm was als zijn adjudant op patrouille ging met zijn soldatengeweer aan de schouder. Ze bleven achter de linies, verzorgden gewonden en handhaafden de orde. Het bracht hem ‘een noodzakelijke zelfstandigheid in het handelen, een dieper inzicht en een ernstige, zedelijke vroegrijpheid.’82 De samenleving veranderde ook in die tijd. Hij stelde vast dat onder de toenmalige jeugd een zekere ‘vrijgeesterij’ was ontstaan en een weerzin tegen het oude gebruikelijke patroon van Altenburgse gezapigheid. Het beeld dat Hermann van zichzelf neerzette in de Levensschets is dat van een zelfbewuste, krachtige persoonlijkheid in wording, maar ook van een familieman en bovendien uit het goede Duitse hout gesneden. Van Hermanns tijdbesteding als kind weten we dat hij buiten de schooluren in het Börnerschen Knabeninstitut van Winkler privétekenles kreeg van de tekenleraar van het gymnasium, prof. Karl Schmidt, aan wie hij goede herinneringen bewaarde en die ook een huisvriend van zijn ouders was. Hermanns uitgesproken tekentalent, waarvan hij zijn leven lang plezier zou hebben als diertekenaar, werd door hem gevormd. Zijn liefde voor de natuur was hem aangereikt door zijn vader, die als liefhebberij vlinders ving en prepareerde. Natuurstudie was in Altenburg een veel voorkomende tijdsbesteding. Stadgenoten kenden gelijkgestemden en ondervonden steun bij elkaar als het om hun hobby ging. Saksen met haar bossen, heuvellandschap en gebergte nodigde uit tot bewondering voor de natuur, geheel overeenkomstig de tijdeigen romantiek. Natuurstudie werd uitgeoefend op verschillende niveaus, variërend van wandeltochten tot studie van het plantenrijk en van het dierenleven, inclusief het fokken van huisdieren en veeteelt. De jacht was een standaardbezigheid voor mannen uit vele gezinnen. De tijdgeest was er ook naar bewondering te hebben voor de schepping, waarin eerbied voor de Schepper een belangrijke plaats innam. Kortom, men leefde ook in de stad dicht bij de natuur. Hermann vond er zijn grootste vreugde. Hij was van jongs af aan regelmatig te vinden op de boerderij van zijn opa Seiler in Schmölln. Hij bracht er vele vakanties door. Het stadje lag op enkele uren loopafstand van Altenburg. Hij maakte er kennissen, zoals uit de Levensschets blijkt. Hij leerde jagen volgens de regels van de kunst van de houtvester Geuther. Hermann jaagde eerst op eekhoorntjes, konijnen en hazen en kreeg zijn eerste lessen in het voor consumptie geschikt maken van jachtbuit. Hij zou zijn leven lang met hartstocht de jacht beoefenen. Grotere affiniteit had Hermann met een plaatselijke glasblazer. Naast zijn beroep, waarmee hij de kost verdiende, had deze een passie voor het vangen en preparen van vogels en voor de jacht op groot wild. De man, zijn naam bleef ongenoemd in de Levensschets, had zout-lik-plaatsen in het woud aangelegd

82

G. Schlegel, Levensschets, p. 3 en p. 11.

41


voor groot wild en in de buurt daarvan in oude eikenbomen observatieposten geplaatst. Hermann leerde van hem veel over de rijke natuur in deze omgeving. Hij beschouwde deze twee figuren als leermeesters die hem het onderzoek van de natuur als handwerk leerden. Zelf ging hij er ook op uit. Hij sloot in Schmölln vriendschap met twee nog kleine jongens, kinderen uit een groot gezin, waarvan de vader wever was. Deze Kasper en Georg ‘liepen blootsvoets, waren uitstekende lopers en klimmers, prima vis- en kreeftenvangers en ten alle tijden gereed te doen wat ik wenste.’83 Samen met deze knechtjes verzamelde Hermann allerlei natuurhistorisch materiaal. Als hij terug moest naar Altenburg droeg hij de beide knapen op met het verzamelen door te gaan en gaf hen daarvoor aanwijzingen. Terug in Altenburg was hij na schooltijd bezig met zijn observaties en experimenten. Het werd zijn doel de natuurstudie te beoefenen. Ook daar nam hij de hulp van enkele werknemers van zijn vader te baat om met hem op pad te gaan. ‘Dientengevolge kon alles degelijk, systematisch en in het groot bedreven worden.’ Dit is exemplarisch voor de wijze waarop Hermann ook bij de opvoeding van zijn zonen en later bij het ter hand nemen van zijn eigen carrière te werk ging. Het leidde tot het bestuderen en opkweken van insecten. Hij kreeg insecteneitjes toegestuurd door liefhebbers van elders, die hij opkweekte. Hij kruiste insecten met variaties in hun soort en bestudeerde hun aard en gedrag. 84 Door een geschenk van zijn vader, Bechstein’s Naturgeschichte Deutschlands, kwam hij bij de ornithologie terecht.85 Hij leerde prepareren. Begon roofvogels te houden en probeerde zelfs een valk af te richten. Inmiddels was hij bekend geraakt met leidende natuuronderzoekers in Duitsland door verhalen en publicaties die hem hevig interesseerden. Hermann nam het initiatief om de zogenoemde vogelpastor Christian Ludwig Brehm (1787-1864) in Renthendorf een brief te schrijven, die hem daarop uitnodigde in de pastorie te komen om zijn verzameling te zien.86 Deze ontmoeting bracht Hermann in contact met deze verzamelaar en vogelkenner, die samen met Johann Friedrich Naumann (1780-1857) werd gezien als de belangrijkste ornithologen van dat moment in Duitsland. Hij wist deze Brehm onder de indruk te brengen van zijn inmiddels opgebouwde kennis. Hermann schetste deze bezoeken in kleurrijke bewoordingen, waarbij hij niet vergat te noteren hoe hij de oude leermeester met zijn kennis verrast had. Zij zouden tot aan diens dood contact houden met elkaar. Via deze connecties zou Hermann de

G. Schlegel, Levensschets, p. 7. G. Schlegel, Levensschets, p. 4. 85 G. Schlegel, Levensschets, p. 6. Hier kan bedoeld zijn: Johann Matthäus Bechstein, Gemeinnützige Naturgeschichte Deutschlands, 4 dln. (Leipzig, zn., 2e druk 1791-1793), dln. 2-4 vogels; of Bechstein’s Ornithologisches Taschenbuch, 2 dln, (Leipzig, Richter 1802-1803). 86 G. Schlegel, Levensschets, p. 8. 83 84

42


weg vinden in de wereld van het onderzoek van de natuur. Een voor zijn leven bepalende anekdote gaat over het schieten van een moerasrietzanger (Calamodyta palustris). Dat moeilijk te bejagen vogeltje had hij horen fluiten in de tuin van de pastorie. Brehm was het niet met hem eens dat dit de zang was van die soort. De dag daarop vervulde de pastor zijn zondagsplicht. Hermann schoot het vogeltje en liep er mee de kerk in op het moment dat de predikant zijn betoog over Gods rijke natuur aan het afronden was. Brehm zag het vogeltje in Hermanns hand, sloot met een laatste zin de preek af, nodigde zijn parochianen uit om in de pastorie koffie en koek te komen genieten. Zo gebeurde. Hermann toonde in de consistorie het vogeltje en kreeg zijn beloning: ‘Gij hebt gelijk, ik heb die soort nooit geschoten en bezit ze niet in mijne verzameling. Kom in mijn armen, in u zit een echte naturalist.’87 Veel later zou Leander Schlegel over deze gebeurtenis in de marge van de tekst in de Levensschets in handschrift noteren: ‘Door mijn vader daarin bijgestaan, mocht het mij gelukken, dezen vogel nabij Leiden te schieten, welk ex[emplaar vZ] zich in het Museum te Leiden bevindt. wg. L. Schlegel.’88 Klaarblijkelijk een gekoesterde familie herinnering.

Figuur 5: Aantekening in handschrift van Leander Schlegel in G. Schlegel Levensschets, p. 9.

G. Schlegel, Levensschets, p. 9. G. Schlegel, Levensschets, p. 9; dit exemplaar van de Levensschets, waarin in Leanders’ handschrift de geciteerde opmerking staat, is in het bezit van Dr. A.A. Botter (3 december 1915-15 februari 2013) en mevrouw M. Botter-van Straten te Haarlem, die het aantroffen in een verzameling papieren nagelaten door Aleida Schlegel in 1964. 87 88

43


Natuuronderzoek institutionaliseert zich Intussen vond een belangrijke ontwikkeling in Altenburg plaats. Er ontstond een organisatorisch verband van natuuronderzoekers, doorgaans liefhebbers zoals Hermanns vader, waarbij ook professionele onderzoekers van de natuur zich aansloten. Verzamelen evolueerde van een gedeelde belangstelling die mensen met elkaar in contact bracht naar geïnstitutionaliseerde verenigingsverbanden, die werden bestuurd aan de hand van reglementen. Dat was niet alleen in Altenburg het geval, maar overal in de Duitse landen. Dezelfde ontwikkeling vond plaats in Europa in de vorm van verenigingen en genootschappen die vervolgens onderling met elkaar in contact kwamen, zodat een herkenbaar netwerk ontstond voor het uitwisselen van gegevens en, niet te vergeten, voor ruil, aan- en verkoop. De geschiedenis van deze organisaties is op zichzelf een boeiend verschijnsel, dat zich bestuderen laat doordat het verenigingsverband zijn werkzaamheden documenteerde, archiveerde en maatschappelijke erkenning vond. Er kwamen tijdschriften en er ontstonden bibliotheken. Congressen werden georganiseerd, waar ontmoetingen plaatsvonden. Kortom, het verschijnsel verzamelen werd ook in Altenburg op een hoger plan gebracht. Op 1 juli 1817 besloot een groep natuurbewonderaars in Altenburg hun activiteiten onder te brengen in een verenigingsverband onder de naam Naturhistorischen Gesellschaft. Het initiatief lag bij negen personen, onder wie Johann David Schlegel. Vier van hen waren lid van de vrijmetselaarsloge Archimedes zu den drei Reißbrettern. In het verenigingsjaar 18171818 werd gewerkt aan het tot stand brengen van een publiekrechterlijke

erken-

ning van deze vereniging. Dr. Gotthold Friedrich Winkler, de al genoemde garnizoenspredikant en directeur van Hermanns Börnerschen internaatsschool, trad op als

Figuur 6: Logengebäude in Altenburg

secretaris. Hij was geen lid van de loge. De statutaire naam werd Naturforschende Gesellschaft

44


des Osterlandes (NFGdO) die rechtserkenning kreeg op 1 juli 1817.89 Van de 48 ingeschreven leden op 1 juli 1819 waren 22 personen of 45,8 % ook lid van de loge, onder wie Johann David Schlegel. Het lidmaatschap van beide organisaties is op zichzelf niet opmerkelijk. Wel is het interessant te wijzen op de inspanningen van deze loge vanwege haar actieve opstelling in de samenleving. De Altenburgse loge was op verschillende terreinen actief met de realisatie van zijn doelstelling. Naar gebruik was de loge een gesloten organisatie van leden die door ballotage werden toegelaten volgens omschreven criteria. Zij beschikte over een imposant gebouw in Altenburg, dat tot op de dag van vandaag gezichtsbepalend is voor de stad. Het werd tussen 1802 en 1804 gebouwd. Het gebouw kreeg naast de bestemming voor bijeenkomsten van de loge ook een meer openbare functie. De beschikbare ruimten werden als faciliteit gebruikt voor bijeenkomsten buiten verantwoordelijkheid van de loge. Von der Überzeugung geleitet, dass es im Geiste der Freimauerei liege, alles, was Bildung und geistigen Fortschritt bezweckt und alles Gemeinnützige zu fördern, stellte man der neugestifteten Naturforschende Gesellschaft des Osterlandes, wie einige Jahre später dem Kunst- und Handwerksverein und der damit in Verbindung stehenden Sonntagsschule, auch der Pomologischen Gesellschaft, alles Vereine der Stifter und Mitglieder zum größeren Teile auch Brr. (Brüder) waren, die zu ihren Versammlungen erforderlichen Räume im Logenhaus zur Verfügung. 90

Hieruit blijkt dat de loge weliswaar zijn beslotenheid handhaafde, maar die beperkte tot de ruimte waar zij hun bijeenkomsten hielden. Zij boden gastvrijheid aan organisaties en bijeenkomsten die vielen binnen hun streven, zonder voor de werking van deze instituties verantwoordelijk te zijn. In de statuten van de NFGdO werden zeven werkingsgebieden omschreven.91 Johann David kreeg het beheer over de vlinderverzameling. Hij had zijn persoonlijke verzameling daar ondergebracht evenals anderen die dat deden. In de loop van de jaren werd hij beheerder van de zoölogische verzameling. Voor Hermann is dit een belangrijke ontwikkeling gebleken, want zijn hulp bij het ordenen van de verzamelingen, het helpen prepareren van voorwerpen leerden hem veel over hun onderzoek van de natuur. Er ontstond een verzameling boeken en tijdschriften, een bibliotheek werd ingericht. Als leerplaats had Hermann zich geen

89 Thüringisches Staatsarchiv Altenburg, Naturforschende Gesellschaft des Osterlandes, inv. nr. 21, statuten der Naturforschende Gesellschaft des Osterlandes nach ihrer Organisation vom 1.sten Julius 1818, kenmerk 28-51. 90 E.G. Dietrich, ‘Geschichte der unabhängigen Loge Archimedes zu den drei Reißbrettern in Altenburg vom 31. Januar 1742 bis zum 30. Januar 1901’, geciteerd in Hartmut Baade, ‘Freimaurer in der NFGdO – Ihre Stellung, ihre Leistungen’, NFGdO, Naturwissenschaftliches aus dem Osterlande, Heft 3 (Altenburg 1993) 16-32, (Altenburg, Bonde 1991) aldaar p. 17. 91 Werkingsgebieden van de NFGdO: 1: historisch topografisch; 2: fysische chemie; 3: geneeskunde; 4: zoölogie; 5: botanie; 6: mineralogie; 7: technologische en landbouwkundige ontwikkeling.

45


betere kunnen wensen. Tot de leden behoorden verschillende vertegenwoordigers van de hogere burgerstand, veelal werkzaam in staatsdienst en in intellectuele beroepen. Met deze mensen kwam zijn vader door zijn lidmaatschap en betrokkenheid in aanraking. De zoon zal daarvan de invloed hebben ondergaan en via die lijn kunnen proeven van de schatten van de geest, die anders voor hem verborgen zouden zijn gebleven. Dat hij ook gewaardeerd werd, blijkt op verschillende plaatsen in de notulen van de bestuursvergaderingen van de NFGdO, in het algemeen en in het bijzonder die van de afdelingen zoölogie en botanie. In de notulen van de bestuursvergadering van de NFGdO besluit het bestuur aan Hermann een kerstcadeautje te geven: Der Vorstand der Gesellschaft übergab am 19.12.1820 dem Kustos Schlegel für seinen Sohn Herrmann als Anerkennung ein „Weinachtgeschenk“, den eben erschienenen ersten Band von Brehm, ‘Beitrage zur Vogelkunde.’ Vater Schlegel dankte und sagte, die Beschäftigung für die Gesellschaft habe seinen Sohn weitergebracht und vielleicht von unnützen oder schädlichen Dingen abgehalten. ’92

In deze tekst klinkt door dat Johann David zijn zoon zag als een eigenzinnige jongen die zich niet licht liet sturen. Hij zag Hermanns activiteiten in de verzameling als positief voor zijn karaktervorming. De secretaris van het bestuur, dr. Winkler, kende het karakter van Hermann uit de incidenten tijdens diens schooljaren aan zijn jongensinternaat die hem hadden genoodzaakt Hermann verschillende keren door zijn vader te laten ophalen wegens wangedrag. De eerste keer omdat hij de godsdienstleraar een bijbeltje naar zijn hoofd had gegooid toen deze verhaal kwam halen vanwege provocerend gedrag van Hermann, waaraan deze naar eigen zeggen niet schuldig was. De tweede keer was hij opgesloten in een klaslokaal waar hij de wanden voorzag van karikaturen van een docent en diens vrouw, tot grote hilariteit van zijn klasgenoten. Hij kwam opnieuw in protest tegen valselijk te zijn beschuldigd.93 Hermann had intussen de school van Winkler verlaten. In de Levensschets beschrijft hij niet exact het jaar waarin dat is gebeurd. Zijn vader liet Hermann vrij een studie te kiezen. Tot Hermanns ontsteltenis was de studie natuurkunde uitgezonderd. Zijn vader was ervan overtuigd dat zijn oudste zoon in dat vak nooit een behoorlijk bestaan kon opbouwen.94 Diens verbod was onverbiddelijk, zodat Hermann dan maar koos in zijn vaders bedrijf de correspondentie en de boekhouding te verzorgen. Maar een toekomst als meester geelgieter wees hij af. Het werk liet

92 Franz Thierfelder, ‘Hermann Schlegel’, p. 45; Thüringisches Staatsarchiv Altenburg, Naturforschende Gesellschaft des Osterlandes, Sitzungsprotokolle I, vom Februar 1817 bis Ende Juni 1823. 93 G. Schlegel, Levensschets, p. 11. 94 G. Schlegel, Levensschets, p. 15.

46


hem gelukkig gelegenheid te over in zijn vrije tijd naar hartenlust met de natuurstudie bezig te zijn. Zodra hij de kans kreeg, wenste hij zijn eigen weg te gaan. Hij was zich van zijn kennis op het gebied van de natuurlijke historie bewust, maar tevens wist hij dat hij nog veel moest leren. Hij had nog een lange weg te gaan. Hij troostte zichzelf met de gedachte dat dit oponthoud niet nutteloos was. Hij zou het op eigen kracht realiseren, trots op wat hij tot nu had geleerd over de natuurlijke geschiedenis. Hij zag het kennelijk als voorrecht zijn leerweg zelf te bepalen. De autodidact genoot daarbij het voorrecht, door zijne eigene ogen en niet door dien van de leermeester te leren zien; een onberekenbaar voorrecht; want slechts op dien weg ontdekt men iets nieuws.95

In Hermanns leven stond het zelfdoen centraal op een wijze die hem eigen zou blijven, maar die hem ook parten zou spelen. De politieke situatie in het land trok een wissel op de dagelijkse gang van zaken, ook in het stadje Altenburg. Hermann was zich ervan bewust wat de gevolgen waren van de oorlogen in Europa en hoe die hadden huisgehouden in de Duitse landen, zelfs zo, dat er twee jaren van hongersnood op gevolgd waren die opnieuw slachtoffers had gemaakt. Altenburg had in vergelijking met plaatsen waar de legers daadwerkelijk strijd hadden geleverd, weinig geleden. Maar men had toch genoeg van alle troepenbewegingen, inkwartieringen en schaarste. De massa leek verzand in lethargie en in niets anders geïnteresseerd dan in hun persoonlijk welbevinden. Typisch kenmerk van een overgangstijd, waar jong en oud zochten naar een nieuw evenwicht. Hermann stelde vast ‘dat in dat streven hun vrijheid was verdwenen door vreemde overheersing.’ De oudere generatie verlangde terug naar de ongecompliceerdheid van de maatschappelijke ordening door de standenhiërarchie bepaald: duidelijk en overzichtelijk. Hermann herinnert zich dat de jeugd tegen deze stand van zaken ageerde met ongeduld en recalcitrant gedrag.96 Hermann had niet anders meegemaakt. Zelfs in zijn autobiografie herinnert hij zich zijn kinderjaren als dynamisch en zijn nieuwsgierigheid prikkelend. Wel was hij ontevreden over zijn toekomstperspectief als ambachtsman. Hij wenste zich een bestaan te verschaffen als natuurhistorisch onderzoeker. Die vasthoudendheid in zijn karakter valt wellicht nog het best te omschrijven als een roeping. Wat hem belemmerde daarin was het huiselijke regime van onderworpenheid aan vaders wil. Hij had van meet af aan voor zichzelf besloten om te gehoorzamen omdat

95 96

G. Schlegel, Levensschets, p. 15. G. Schlegel, Levensschets, p. 16.

47


het tot de orde van de dingen hoorde, maar wel tijdelijk. Zodra hij de kans kreeg zou hij zijn hartenwens realiseren. Dat moment kwam in de vorm van een incident. Ook mij was het reeds lang te benauwd geworden, en ik werd er ten laatste uitgedreven toen mijn vader zich eens onvoorzichtiger wijze ontvallen liet, dat ik toch zonder hem niet kon bestaan. “Dat zal ik U tonen!” was mijn antwoord.97

Dit moet in het voorjaar van 1822 zijn geweest en de aanleiding om het heft in eigen hand te nemen. Hij zocht wat spullen bijeen en vertrok zijn toekomst tegemoet, nog juist zeventien jaar oud. Van zijn moeder en grootmoeder Seiler kreeg hij in het geheim ‘een beurs, goed gespekt met ringetjesdukaten en oude munten’ toegestopt. Wat hij meenam de toekomst tegemoet was naar eigen zeggen ‘niet meer dan Saksische eerlijkheid, gemoedelijkheid en beleefdheid, laatstgenoemde echter in beperkte mate.’98 Zijn voettocht ging in de richting van Dresden, waar hij bij een voormalige medewerker van zijn vaders geelgieterij werk vond. Deze Heinig was getrouwd met de latere peettante van Robert, het zevende kind in het gezin van Johann David.99 Hermann zette zijn onderzoek van de natuur ter plaatse voort. Hij werkte er, gaf wat lessen en spaarde. Er is een brief bewaard die hij uit Dresden stuurde aan Dr. Winkler als secretaris van de NFGdO. 100 Hermann berichtte dat hij een kist had verzonden gepakt met voorwerpen bestemd voor de verzameling in Altenburg uit dank voor het vele dat hij geleerd had in het verenigingsverband. Hij belooft in de toekomst beter zijn dankbaarheid tot uitdrukking te brengen dan nu het geval is. De jacht is in zijn woonomgeving aan banden gelegd door de vele jagers die op een vergunning aanspraak maken als gevolg waarvan er beperkende maatregelen van kracht zijn. Het is een gebied dat rijk is aan vogelsoorten die in Altenburg niet in de verzameling opgenomen zijn. Hij vraagt om een lijst met doubletten die de NFGdO zou willen ruilen met vogels uit de grote verzameling van meester-jager Heinrickie in het nabijgelegen Friedrichstadt die veel interessante vogels voor Altenburg bezit. Dit is het enige teken dat hij in Dresden daadwerkelijk met zijn natuuronderzoek doorging. Het verblijf in Dresden en omgeving brengt hem niet verder en, evenmin als het hem thuis niet beviel, bevalt hem het werk bij geelgieter Heinig ook niet. Zodra hij genoeg heeft gespaard besluit hij verder te trekken. Rond Pasen 1824 vertrekt hij uit Dresden en gaat te voet naar Wenen. Dankzij aanbevelingsbrieven van vogelpastor G. Schlegel, Levensschets, p. 16. G. Schlegel, Levensschets, p. 17. 99 Thierfelder, ‘Hermann Schlegel’, p. 42. 100 Archief Mauritianum Naturhistorisches Museum Altenburg, dossier H. Schlegel, met dank aan Frau dipl.Biologe Kathrin Worschech, voor de kopie van de brief van H. Schlegel aan dr. G.F. Winkler in Altenburg, Dresden, 20 juni 1823. 97 98

48


C.L. Brehm kon hij direct in contact treden met Joseph Natterer (1787-1843), verbonden aan het K.K. Naturaliën Kabinett in Wenen, die hem een klein baantje in het museum aanbood. Het was de opmaat werk te verrichten onder leiding van Johann Jacob Heckel (1790-1857) die hem vissen leerde prepareren. Bij Leopold J.F.J.J.F. Fitzinger (1802-1884) leerde hij het onderzoek kennen naar amfibieën en reptielen. Beide onderwerpen waren nieuw voor hem. Hij had het gevoel zijn bestemming voorlopig te hebben bereikt in het museum waar Freiherr dr. Carl Franz Anton, Ritter von Schreibers (1775-1852) de leiding had. Hij voelde zich eveneens snel thuis in Wenen. Hij beschreef de stad als een verzamelplaats van Oost-Europeanen en West-Aziaten die hem overvloedig nieuwe etnografisch interessante indrukken bezorgde. Als muziekliefhebber begreep Hermann al spoedig het voorrecht in deze muziekstad te verblijven. Muziek maakte een belangrijk deel uit van zijn gemoedsleven. In Altenburg had hij het moeten doen met rondreizende muziekgezelschappen. In Dresden was er al meer te genieten op muzikaal gebied, maar in Wenen verkeerde hij in een echte muziekstad. Het verbaasde hem dat ook daar de muzieksmaak in de richting ging van gepopulariseerde muziek. Zelfs tot schade van de in zijn ogen allergrootste maestro. In een flash back schreef hij in de Levensschets: Beethoven, hoewel een volksman, was door het naar het nieuwe en den glans hakende publiek, dat toen geheel door Rubini, Tamburini en Sonntag in beslag genomen was, langzamerhand naar de achtergrond gedrongen. […] Eerst lang na zijne dood, steeg de geest van die onsterfelijke man weder in de algemene waardering. Wij achtten ons reeds gelukkig, wanneer wij naar den onbereikbare meester in stilte, op zijne wandelingen, hetzij in Weenen of in Baden, luisteren konden.101

Hermann toont zich in zijn opvatting over het muziekleven adept van de latere romantiek. Klaarblijkelijk lag toen al in Hermanns denken vast kritisch te staan tegenover contemporaine vernieuwingen in de muziek, waartegen hij zich heel zijn leven zou blijven verzetten. Zo sterk was zijn afkeer dat hij vele jaren later zijn zoon als student van het conservatorium in Leipzig met inzet van zijn ouderlijk gezag probeert weg te houden van deze vernieuwingen. Deze konden nooit de eeuwigheidswaarde hebben van wat hij ‘wetenschappelijke muziek’ noemde. Dit komt verderop in dit onderzoek nog aan de orde, als hij zich afzet tegen de in zijn ogen verwerpelijke componisten en de hen navolgende contemporaine musici die hij onderbracht in de categorie ‘Neuen’. Het beviel Hermann goed in Wenen, al wist hij dat het niet mogelijk was er een vaste positie te krijgen, omdat hij als protestant geen staatsbetrekking kon bekleden. In het

101

G. Schlegel, Levensschets, p. 20-21.

49


museum werd hij gewaardeerd, hij was ijverig en leergierig. Hoe het hem verging blijkt uit een brief die hij stuurde aan Dr. Winkler als secretaris van de Altenburgse NFGdO. Hij bedankt het bestuur voor de lovende woorden in het getuigschrift over zijn werkzaamheden in de Altenburgse verzameling. Thierfelder geeft deze brief van 3 maart 1825 in zijn geheel weer en bespreekt de inhoud. 102 Hij wijst op de vaardige pen van Hermann. De recalcitrantie uit zijn vroegere jaren zag hij niet terug. Hermann presenteert zich in de brief als de dankbare jongeman die met rode oortjes de lof over zijn werk in Altenburg las en verheugd was over het vertrouwen dat daaruit sprak in zijn competenties een bekwame beoefenaar van de natuurlijke historie te worden. Hij stelde het bestuur in het vooruitzicht zodra hij daartoe in staat was de vereniging te gedenken met passende geschenken. Aan deze belofte zou hij zich houden. Begin 1825, hij was toen ruim een half jaar actief in Wenen, bracht zijn directeur Von Schreibers hem op de hoogte van een verzoek van zijn collega in Leiden, directeur van het ’s Rijks Museum van Natuurlijke Historie (‘sRMvNH) , Coenraad Jacob Temminck (1778-1858). […] of er misschien in Wenen een jong, wetenschappelijk mens te vinden zou zijn, die niet alleen in de dierkunde thuis was, maar ook praktische vorming bezat, onverschillig of hij zijn academische loopbaan al dan niet voleindigd had. 103

Het laat zich raden dat Hermann nu zijn kans zag een functie te bemachtigen in een museum dat nog maar kort daarvoor tot stand was gekomen uit het bijeenvoegen van verzamelingen van natuurhistorische voorwerpen verspreid over Nederland. Hij was zich ervan bewust dat hij nog veel te leren had, bedong daarom dat hem zou worden toegestaan in Leiden aan de universiteit de noodzakelijke kennis op te doen die hem nog ontbrak. Ook beviel het hem dat hij op den duur in aanmerking zou komen natuurkundige reizen te ondernemen naar verre landen. Hermann besloot het aanbod op deze voorwaarden te accepteren. Om in Leiden te komen moest Hermann eerst terug naar Altenburg. Zijn vader, met wie hij al die jaren geen contact had gezocht, maar die door anderen op de hoogte werd gehouden, liet via derden weten dat hij een oproep had gekregen om zijn militaire plichten in Saksen te komen vervullen. Aanvankelijk had Hermann het bevel zich te melden naast zich neergelegd, hoewel hij wist dat dit strafbaar was. Die weigering kon hem zijn burgerschap kosten evenals zijn aanspraak op hem toekomende erfenissen. Bovendien zou hij het land nooit meer kunnen bezoeken

102 103

Thierfelder, ‘Hermann Schlegel’, pp. 46-48. G. Schlegel, Levensschets, p. 21.

50


omdat hij als deserteur te boek stond. Net begonnen in Wenen was hij niet van plan zijn toekomstige beroepsbezigheden af te breken om zijn dienstplicht als staatsburger van Saksen te gaan vervullen. Hij realiseerde zich echter geen geld te hebben om naar Leiden te reizen langs de kortste weg met het spoor. Temminck had aangedrongen op spoed, omdat de medewerkers die hij als natuurkundige reizigers naar Nederlands-Indië wilde sturen spoedig moesten vertrekken. Hun werk in het Leidse museum zou dan blijven liggen. Hermann besloot naar Altenburg terug te keren, te proberen van de militaire dienst af te komen en te hopen dat zijn vader de reis naar Leiden mogelijk zou maken. Hermann vertrouwde op vaders hulp. Zijn reispas uit Wenen te vertrekken was afgetekend op 20 april 1825. Hij moest na het passeren van de grens met Saksen behoedzaam te werk gaan om niet ingerekend te worden bij een controle en regelrecht naar zijn garnizoen te worden gebracht. Zo kwam het dat hij ervoor zorgde in de nacht in Altenburg aan te komen om onder bescherming van de duisternis het ouderlijk huis op te zoeken. Hermann weet het betreden van het huis gevoelvol te beschrijven. Door het maken van lawaai had hij zijn vader gewekt. Er ontstond een scène van de verloren zoon die huiswaarts keert. Toen zijn nachtelijk rumoer effect had, liet zijn vader hem binnen. ‘Wij waren beiden tot schreiens toe bewogen.’ Iedereen kwam uit bed en Hermann vertelde de reden van zijn komst. Hij moest van de militaire dienst af zien te komen. Bovendien klemde de vraag hoe naar Leiden te reizen. Tussen hen werd de vrede getekend: Als twee onbuigzame naturen op elkaar stooten, verwijderen zij zich dikwerf in tegenovergestelde richting; ik heb het altijd goed met je voorgehad, en gij, hiervan overtuigd, hebt eigenlijk slechts komedie gespeeld, maar je hebt ze goed gespeeld. Je hebt je eigen weg gevonden, ik zal mij van nu af aan daarbij bepalen, met deelneming toe te zien hoe gij het maken zult.

104

De andere morgen toog de vader naar zijn relaties binnen het bestuur van het land. De overste Von Seebach en de heren Von Stutterheim en Von der Gabelentz bewerkten dat aan Hermann vrijstelling werd verleend vanwege bijzondere omstandigheden. Dankzij deze relaties was de weg kort de vrijstelling te verkrijgen. Volgens Gustav is deze getekend op 4 mei 1825. Seebach en Von Stutterheim waren belangrijke figuren in de NFGdO, Von der Gabelentz niet. Geen van de drie waren lid van de Loge Archimedes zu den drei Reißbrettren. In een noot geeft Hermann zijn oordeel over het verschijnsel Vrijmetselarij. Toen hem werd voorgesteld tot de loge toe treden sloeg hij dat af. Als reden gaf hij op ‘vijand te zijn van al wat geheimzinnig en verouderd was, alsook van uiterlijke schijn.’ Overigens was zijn vader al toegetreden in 1803, maar hij 104

G. Schlegel, Levensschets, p. 22.

51


trad terug in 1830. Restte nog het probleem geen geld te hebben voor de reis naar Leiden. Köhler citeert in dit verband uit de Duitse bewerking van Hermanns Levensschets zonder bronvermelding: ‘Bei der Abreise versah mich mein Vater noch reichlich mit Geld, um mir mein Auftreten in Holland zu erleichtern.’105 Deze mededeling komt in de tekst van de Levensschets niet voor. Köhler doelt hier klaarblijkelijk op de testamentaire beschikking dat bij het zelfstandig worden van een kind of huwelijk 600 Thaler uit het ouderlijk vermogen wordt uitgekeerd. Dat blijkt uit de afwikkeling van het testament van Johann David in 1850.106 Hermann toog op weg zijn toekomst in Leiden tegemoet. Reflectie op de jeugdjaren in Altenburg De focus richt zich op de beschrijving van Hermanns kindertijd doorgebracht in Altenburg tot het moment dat hij besluit als nestvlieder de wijde wereld in te trekken. Hermann had enerzijds een sterke binding aan het gezin, waarin zijn vader een belangrijke identificatiefiguur was. Anderzijds had hij er weinig te zoeken. Zijn broertjes waren te jong en zijn zusjes stonden buiten zijn wereld. Het gevolg was dat hij al vroeg leerde zijn eigen weg te gaan. Zijn oriëntatie was gericht op de mannenwereld. De scheiding tussen zijn wereld en die van de vrouwen bepaalde de omgang met elkaar. Dat de wereld veranderde observeerde Hermann in het dagelijkse leven in stad en omgeving. De kenmerken van vijandelijkheden tijdens de Napoleontische oorlogen waarmee hij in aanraking kwam, gunden hem een blik in de grote wereld buiten het eigen territorium van de middeleeuwse stad Altenburg. De turbulentie van de tijd en de vele in- en uitgaande troepen observeerde hij vanuit de stereotypen die daarover in omloop waren. Hij beschreef gelatenheid bij stadgenoten die voortkwam uit machteloosheid. Er was sprake van een haast natuurlijke volgzaamheid van het overheidsgezag waaronder zij waren gesteld. Hermann zag de teloorgang van gedragingen en gewoonten die kenmerkend waren voor het ancien régime zich voor zijn ogen afspelen. Deze oorlogen zorgden er voor dat gevestigde en eerbiedwaardige lokale en regionale verhoudingen die golden in het ancien régime steeds meer aan legitimiteit verloren. De Altenburgers zelf waren verdeeld. De ouderen wilden de toestand van voor de oorlogen terug omdat toen alles nog goed en rustig was. De jongeren wilden meer dynamiek, gericht op de toekomst met grotere speelruimte dan het gevangen leven in tradities

H. Köhler, Hermann Schlegel. Lebensbild, p. 18. Thüringisches Staatsarchiv Altenburg, Amtsgericht Altenburg, Testamenten Buch Jahre 1849 bis 1851, D.V. loc. 1.B.1, Buchst. T., Nr. 100 b, Abschrift des Testamentes von Johann David Schlegel und seine Gattin Johanna Rosina Schlegel, 26. Januar 1837 und März 1850. 105 106

52


en gewoonten. Er waren medestanders en tegenstanders van de oorlogvoerende partijen. Hermann toonde zich een observator van deze turbulentie. Het valt op dat hij de verscheidenheid en verschillen van inzicht registreerde, maar het daarbij laat. Bij het lezen van Hermanns autobiografie opgenomen in de bezorging door Gustav is het nuttig zich bewust te zijn van Jacques Pressers observatie. ‘Wat de dichter, de soldaat, het volk omtrent Napoleon hebben gefabeld, is ook voor ons de legende, de grote kapstok van illusies tevens.’107 Het is illustratief voor Hermanns tekst. In retrospectief wilde hij zijn leven schetsen zoals hij dat heeft ervaren. Het is een rechtvaardiging achteraf. Hoe werd de Levensschets door de auteur en de bewerker van de autobiografie binnen de grenzen van een congruente tekst gebracht? De Altenburgse familie Schlegel bestond uit brave burgerambachtslieden, die leefden volgens een patroon van degelijke arbeidzaamheid. Zij waren geen werklieden, maar gildeleden na afgelegde meesterproef. Johann David had succes in zijn zaken. Hij werd direct na overname van de het geelgietersbedrijf van zijn vader Melchior Schlegel in 1803 lid van de vrijmetselaarsloge in Altenburg. Zo kwam hij te verkeren met mensen behorend tot een stand die niet de zijne was. Die bestond uit intellectuelen en welgestelde burgers, veelal dichtbij of behorend tot het openbaar bestuur van stad of land. Het waren artsen, leraren, apothekers, belastinggaarders, notarissen, bestuurders en geleerden, een enkele koopman en één geelgieter, onze Johann David. In die zin maakte Johann David wel een zekere verbetering in aanzien mee, hij positioneerde zich echter niet in de eliterangen. Hermanns trots op zijn vader is onverbloemd; hij keek tegen hem op als ware hij een belangrijk man. Hij beschreef diens functies die hij in het algemeen belang in de stad vervulde met het noemen van de titel. Zo was hij in het stadsbestuur ‘Eere Assessor’, bij de Landstorm ‘Commandant’. Hij voerde het beheer van de verzameling natuurhistorische voorwerpen als ‘Conservator’. Vader bekleedde in de loge een ‘hoge functie’. Uit de bronnen blijkt dat hij ‘burger assessor’ was in het stadsbestuur. In de NFGdO was hij aangesteld als ‘Custos’. Het representeert Hermanns beleving. De vader had dankzij zijn belangstellingssferen de geest van de Verlichting binnen het gezin gebracht. Zijn interesse voor de Franse taal werd door Hermann verheven in de richting van het beoefenen van de taalkunde. Onder de nazaten van de Altenburgse familie van Hermanns generatie kwam al wel maatschappelijke stijging voor onder de neven en nichten. Nadat de gildedwang was opgeheven (1864) konden zij zich op de vleugels van de industrialisatie meten met anderen én met succes. Neef Hugo Köhler ontwikkelde zich tot een een succesrijk industrieel. De vertaling van de Levensschets in het Duits werd verzorgd door twee

107

Jacques Presser, Napoleon. Historie en legende (Amsterdam, De Arbeiderspers, 5e druk 1989) p. 25.

53


Schlegels die een academische opleiding hadden. In die zin was er sprake van maatschappelijke stijging, waarvan ook Hermann en zijn kinderen zelf de vruchten droegen. Nichtje Elisa Börngen en neef Dr. Otto Kersten worden door Hugo Köhler genoemd.108 Bezien we de jeugd van Hermann en zijn passie voor de natuurlijke historie dan lijkt dat, zoals we eerder opmerkten, meer een roeping dan dat er al een verlangen naar maatschappelijke stijging aan ten grondslag lag. Wat hij nastreefde, was een beroepsuitoefening die geheel aan onderzoek van de natuur was gewijd. Na het verlaten van de school wilde Hermann natuurkunde studeren, waarvoor hij van zijn vader geen toestemming kreeg. In diens ogen was dat geen vak om de kost mee te verdienen en een gezin in leven te houden. Het is niet onmogelijk dat dit oordeel berustte op de beroepsprofielen van verzamelaars die Johann David zelf in de NFGdO tegenkwam. Daaronder waren predikanten, grondbezitters met weinig omhanden, jagers, intellectuelen, kortom mensen die over inkomsten beschikten om van te leven. De natuuronderzoekers met wie Hermann optrok, stamden uit de groep die een intellectuele vorming had genoten, maar bestond ook uit werklieden van zijn vader, jachtopzieners en boswachters, die hun passie combineerden met een eenvoudig bestaan. Het idee dat Hermann voor zo’n leven te intelligent was, bracht zijn vader waarschijnlijk tot de wens hem binnen zijn stand volwassen te laten worden als beoefenaar van een deugdelijk vak. Periode 1825 -1837 Medewerker van het ’s Rijks Museum van Natuurlijke Historie Hermann kwam op 25 mei 1825 in Leiden aan en begaf zich regelrecht naar het natuurhistorisch museum dat gevestigd was in de Hof van Zessen. Hij werd hartelijk ontvangen door directeur Temminck die hem liet kennismaken met het personeel. Hij wilde er zo snel mogelijk thuis raken, in de eerste plaats in het Museum zelf dat hem de gelegenheid bood zijn doel te bereiken zich te kwalificeren als natuurhistorisch onderzoeker. Zijn aanwezigheid was het rechtstreekse gevolg van het komende vertrek van de conservator voor de gewervelde dieren die op 19 augustus 1821 was aangetreden. Deze Heinrich Boie (1797-1827) was in Heidelberg opgeleid. Nadat hij Temminck op de hoogte had gesteld van kritiek op diens Manuel d’Ornithologie werd hij uitgenodigd naar het Museum in Leiden te komen en de functie van conservator voor de gewervelde dieren op zich te nemen.109 Hij was vooral bezig in de collectie herpetologie. Met voortvarendheid ging Hermann aan het werk het nagelaten materiaal van H. Kuhl (1797-1821) Hugo Köhler, Hermann Schlegel. Lebensbild, Vorwort, p. IV. C.J. Temminck, Manuel d’ornithologie, ou tableau systématique des oiseaux qui se trouvent en Europe (Amsterdam, Sepp & fils 1813-1815). 108 109

54


en J.C. van Hasselt (1797-1823) te beschrijven. Zij waren als natuuronderzoekers in dienst van de in 1820 in het leven geroepen Natuurkundige Commissie (NTKCie) op Java.

110

Haar op-

dracht was natuurhistorische voorwerpen te verzamelen in Nederlands-Indië en het eilandenrijk ten behoeve van het Leidse Museum. Zij vonden er een vroege dood. Dat lot had ook hun tekenaar J. Keultjes getroffen.111 Hun verzamelde voorwerpen werden met hun aantekeningen naar het Museum overgebracht om onder leiding van Boie geprepareerd, geanalyseerd en beschreven te worden. Daarvan had Hermann toen hij met Fitzinger werkte voorbeelden gezien die Figuur 7: 's Rijksmuseum van Natuurlijke Historie ca. 1880

vanuit Leiden aan het museum in Wenen waren voorgelegd ter discussie van Boie’s

bevindingen. Hij was verheugd dat hij nog kortstondig de gelegenheid had onder leiding van Boie te werken tot diens vertrek, zodat hij zich kon verdiepen in de slangenstudie van Boie om na diens vertrek het werk af te maken. Hij had altijd nog Fitzinger in Wenen als referentie, mocht zijn kennis te kort schieten. De ontstaansgeschiedenis van het ‘s Rijks Museum van Natuurlijke Historie werd eerder beschreven door Agatha Gijzen.112 Daar de focus van deze studie zich richt op de Werdegang van de Schlegels in Nederland behandelen we de geschiedenis van het Museum niet uitputtend, maar slechts in zoverre dit voor ons onderzoek relevant is. Het RMvNH opende haar deuren in 1820. Het bood onderdak aan enkele belangrijke natuurhistorische verzamelingen die voorheen over verschillende locaties in het land verspreid waren. Deze verzamelingen konden bogen op een lange voorgeschiedenis die zich over eeuwen uitstrekte. Hermann had over de omvang en rijkdom al informatie gekregen van Von Schreibers. Het doel was al dit materiaal over allerlei locaties verspreid samen te voegen. Een stroom van voorwerpen uit de Nederlandse koloniën zorgde voor een voortdurende aanwas, naast voorwerpen afkomstig uit de hele wereld die het

De Natuurkundige Commissie werd ingesteld bij KB van 29 april 1820, nr. 251. H. Kuhl, J.C. van Hasselt, G. van Raalten en J. Keultjes werden bij KB, nr. 254 van 29 april 1820 blijkens een brief van de Minister voor het Publieke Onderwijs, de Nationale Nijverheid en de Koloniën van 2 mei 1820, kenmerk nr.10 als leden benoemd en naar Java gezonden. 112 Agatha Gijzen,‘s Rijks Museum van Natuurlijke Historie 1820-1915, academisch proefschrift (Rotterdam, W.L. & J. Brusse’s Uitgeversmaatschappij N.V. 1938). 110 111

55


Museum verwierf door koop of ruil. Bij het in leven roepen van het nieuwe museum was Temminck een drijvende kracht in nauwe samenwerking met de regering van het koninkrijk. De wens de jonge Nederlandse staat als natie in het grote buitenland op de kaart te zetten door concentratie van het bezit speelde een rol in de overwegingen. Temmincks grote particuliere verzameling was in het nieuwe Museum ingebracht maar stond nog ingepakt in diens huis in Amsterdam in afwachting van plaatsing in het museum. Deze bestond uit zoogdieren en, tot Hermanns genoegen, uit een grote vogelverzameling. Het participeren in de opbouw en uitbouw van dit rijksmuseum overtrof zijn verwachtingen. Hij zag er naar uit bij te dragen aan de naamsbekendheid van het Museum in de wereld van het natuurhistorisch onderzoek. Er was echter meer. Ook de verzameling van het Nederlandse vorstenhuis Oranje Nassau was onderdeel geworden, afkomstig van de voormalige stadhouder Willem V, de vader van koning Willem I. De Leidse universiteit had haar natuurhistorisch kabinet en enkele andere kabinetten ingebracht. Tenslotte waren er enkele particuliere verzamelingen meegekomen. Hermann begreep de bewondering van Von Schreibers en zijn medewerkers voor het Leidse Museum, dat nog in wording was.113 Hermann was nodig in het Museum met het oog op het vertrek van Heinrich Boie naar Nederlands-Indië. De bijzonderheden daarover leerde hij tijdens zijn kennismaking. Door het overlijden van de drie genoemde natuuronderzoekers werd de aanvoer van nieuwe voorwerpen uit de kolonie ernstig bedreigd. Hermann zou op Boie’s afdeling de open plaats bezetten om werkzaamheden te verrichten die anders na diens vertrek zouden blijven liggen. Boie had zijn vriend Heinrich Christian Macklot (1799-1832) meegenomen naar Leiden en ook Salomon Müller (1804-1864) had zich bij hen aangesloten. Gedrieën werden zij benoemd tot lid van de NTKCie.114 Zij zouden de stroom van voorwerpen uit de Archipel op gang moeten houden. Hermann begreep de urgentie die Temminck had gevoeld het verlies aan menskracht op Java zo snel mogelijk weer te compenseren. De drie zouden uiteindelijk op 21 december 1825 met de brik ‘Dijkzicht’ uit Hellevoetsluis naar Batavia zeilen, een tocht die drie maanden zou duren. De aanvoer van voorwerpen voor het Museum, naast die uit de Indische Archipel, kwam in principe uit de hele wereld. Temminck onderhield daarvoor wereldwijde contacten met verzamelaars, gewoonlijk jagers, en handelaren. Koop en ruil of een mix daarvan was de bandbreedte van de aard van de transacties. Temminck was gewoon jaarlijks enkele maanden vanuit Parijs, waar familie van hem woonde, door Europa te reizen voor acquisitie en handel. Parijs was voor idem, pp. 22-43. L.B. Holthuis, C. H. J. M. Fransen et al red., 1820-1958. Rijksmuseum van Natuurlijke Historie (Leiden, Nationaal Natuurhistorisch Museum 1995) p. 29. 113 114

56


deze arbeid mooi centraal gelegen en had een uitstekend en rijk natuurhistorisch museum. Iedereen die er in die wereld toe deed, was in Parijs en in het Muséum national d’histoire naturelle te treffen. Ook Frankrijk was overzee actief. Nederland had op die markt van ruil en aankoop een solide positie door haar koloniale bezittingen en haar eeuwenlange ervaring als zeevarende natie. Voor Hermann was dat nieuw. Saksen noch de Duits sprekende landen beschikten over zulke aanvoerroutes. Er waren daar echter wel geduchte verzamelaars actief, precies als overal elders. De Engelsen daarentegen waren in dat opzicht rijker gezegend en hadden mede daardoor in Londen een zeer uitgebreid British Museum of Natural History, dat ook uit de Indische Archipel aanvoer had, evenals uit alle andere werelddelen. Temminck was als handelsman prima in staat de doubletten van voorwerpen te verkopen of te ruilen met andere musea of verzamelaars. Er was sprake van een verzameleconomie. Hermann stelde vast dat zijn directeur daarbij ook veel invloed had op de regering door zijn positie in het patriciaat waarvan hij deel uitmaakte en waarbinnen hij een vooraanstaande rol vervulde. Niet op de laatste plaats was Temminck de promotor van het publiceren van natuurhistorische werken. Hij had zelf belangwekkende publicaties geschreven, waarvoor hij geëerd was met twee doctoraten honoris causa.115 Hermann werd na aankomst rondgeleid door het gebouw. Hij zag de ruimten waarin voorwerpen waren tentoongesteld, maar ook de voorraadkamers en de laboratoria waar het handwerk van ontpakken, conserveren, prepareren en geschikt maken voor tentoonstelling werd uitgevoerd door preparateurs en bedienden. Hij maakte verder kennis met de administrateur van het Museum, J.A. Susanna (1795-1859), die in januari 1825 was aangetreden. Dit was een vriendelijk en erudiet man, die onder zijn collega’s door persoon en functie een centrale positie innam. Optredend als secretaris /archivaris beheerde hij de secretariaatsfunctie. Het Museum bestond uit drie afdelingen, elk onder leiding van een conservator. De paleontologische afdeling was niet onder de mineralogie ondergebracht, maar bij de afdeling zoölogie. De conservator hiervan was P. van Hoorn. Hij had gewerkt aan de Leidse universiteit bij professor Brugmans in het Natuurhistorisch Kabinet. Hij kwam met de collectie mee naar het Museum als conservator. De afdeling Evertebrata werd geleid door Wilhelm de Haan (1801-1855). Boie tenslotte was de conservator van de Vertebrata.116 Na deze introductie had Hermann een eerste indruk van het Museum en haar medewerkers. Nu moest hij voorzien in woonruimte, hetgeen gemakkelijk lukte omdat veel Leidenaren bereid 115 Doctoraten honoris causa C.J. Temminck: Groningen (1819) en Jena (1826). Vgl. J.A. Susanna, ‘Levensschets van Coenraad Jacob Temminck’, Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1858. pp. 47-78, aldaar p. 77. Vgl.: W. Vrolik, ‘Levensbericht C.J. Temminck’, voorgedragen in de gewone vergadering der Natuurkundige afdeling van de KNAW op 27 Januarij 1858, Jaarboek 1857, pp. 65-80. 116 L.B. Holthuis, 1820-1859. Rijksmuseum van Natuurlijke Historie, p. 26-31.

57


waren personeel en studenten te huisvesten in hun woningen. Over die eerste verblijfplaatsen bestaan slechts vage aanduidingen dat hij kamers had gevonden. Kennismaking met de stad Leiden Hermann wandelde door een stad die de sporen droeg van armoede en verpaupering die het gevolg waren van de neergang van de werkgelegenheid die de stad in de achttiende eeuw vooral in de textielnijverheid had getroffen. Het grootste deel van de bevolking was aangewezen op handenarbeid. Lage lonen, kinderarbeid, stukloon en losse arbeid zonder dienstverband bepaalden hun omstandigheden. De thuiswevers konden hun gezin niet voeden.117 Pauperisme en slechte hygiënische omstandigheden laten een beeld zien van grote malaise. De grachten stonken en waren vervuild. Oproer, hongersnood en epidemieën maakten slachtoffers. Bewoners van de stad die dat konden zochten een goed heenkomen. De bevolking die in 1749 nog 37.000 zielen bedroeg, was in1815 gereduceerd tot ca. 28.000. Dat was te zien aan leegstand en verval. In het eerste kwart van de negentiende eeuw leek het iets beter te gaan dankzij nieuwe nijverheidsimpulsen en de komst van massaproductie in de vorm van fabrieken die voor werkgelegenheid zorgden. Vestiging in de stad nam weer langzaam toe. Er kwamen door stoom aangedreven textielfabrieken; een conservenindustrie en nieuwe drukkerijen vestigden zich. Leiden had een slechte naam gekregen als gevolg van deze armoede en verpaupering. Bedelende kinderen in het straatbeeld en andere tekenen van armoede waren niet te maskeren. Er bestonden veel initiatieven om door liefdadigheid de nood van de allerarmsten te lenigen.118 Het andere Leiden bestond uit het meer welvarende deel van de bevolking verbonden aan de universiteit als hoogleraar of docent en de smalle bovenlaag van intellectuelen in vrijgevestigde beroepen of werkzaam in bestuurlijke kaders. Die bovenlaag behoorde voor een belangrijk deel tot het patriciaat. Hun wereld werd gefaciliteerd door de aan hen ondergeschikte dienstverlening van neringdoenden en ambachtslieden, van pensions en kamerverhuurders, barbiers voor de scheerbeurt, dienstmeiden, enzovoorts. Veel oude families kenden een lange geschiedenis van publieke dienstbaarheid. Dat was de belangrijkste bevolkingsgroep die de culturele voorzieningen in stand hield. Concerten werden gegeven in de Stadsgehoorzaal aan de Bre(de)estraat, gebouwd in 1826. Er waren muziekgezelschappen die deels bestonden uit medewerkers van de universiteit en uit studenten. De gezelschappen werden geleid door muziekleraren werkzaam in 117 H.D. Tjalsma, ‘Leidse Textielarbeiders in de achttiende eeuw’ in: J.K.S. Moes en B.M.A. de Vries (red.), Zeven eeuwen textielnijverheid, Leidsche Historische reeks 5 (Utrecht, Matrijs en Dick van Eck Stichting 1991) aldaar p. 93. 118 Gerardus Maria Pot, Arm Leiden: levensstandaard, bedeling en bedeelden 1750-1854. Academisch proefschrift. Hollandse Studiën 31 (Hilversum, uitgeverij Verloren 1994).

58


de stad. De Stadsschouwburg had in 1809 een nieuw onderkomen gekregen, waarmee de steedse toneeltraditie werd voortgezet. De studenten hadden hun eigen verenigingen. Minerva komt in de analen voor met de stichtingdatum 1814, anderen houden het op 1819 na afwikkeling van het faillissement van de eerste vereniging in 1818. Er waren sociëteiten en literaire bijeenkomsten. De zogenaamde Maskerades betekenden in Leiden feest voor de hele bevolking. De studenten hadden hun weerbaarheidkorps dat zich in die hoedanigheid graag in uniform liet bekijken door het publiek dat op het trommelgeroffel afkwam. Voor hen waren er de kroegen en de meisjes van plezier. Er was ook het plechtige cortège van de hoogleraren dat bekijks trok. In de plaatselijke kranten verschenen advertenties van ophanden zijnde concerten en voorstellingen. Hermann zag het als zijn taak er achter te komen hoe die gemeenschap in elkaar stak. Hij wilde leren op welke wijze hij zijn verblijf in Leiden tot een succes kon maken, van wie hij daarbij hulp kon verwachten en hoe het sociale weefsel in de stad er uit zag. Zijn werkwijze daarbij was bijna vergelijkbaar met de manier waarop zijn vader Johann David zich een positie had verworven in Altenburg. Het was hem duidelijk dat hij Nederlands moest leren, al was het ook opmerkelijk dat Duits veel gehoord werd in de salons, evenals Frans en in mindere mate Engels. Die salons, zo ontdekte hij spoedig, hadden hun eigen functie. De studenten gaven volgens vaste regels acte de présence bij hun hoogleraren op de thee. De hoogleraren hadden hun bijeenkomsten en de universiteit had de kalender van jaarlijks terugkerende tradities en plechtigheden. Al deze ontmoetingsplaatsen, de kroegen van de studenten daargelaten, hun disputen en ander serieuze en meer ludieke gewoonten moesten worden gekend om het leven in de stad te leren kennen. Hermann wist uit zijn leven in Altenburg, Dresden en Wenen hoe belangrijk netwerken waren en hoe standsbarrières moesten worden gekend om geen fouten te maken. Die noodzaakten de mores te kennen en de betekenis van gedragsvoorschriften. Hoe dat in Leiden in elkaar zat, moest hij voorzichtig ontdekken. Hij zocht daarom naar ingangen om met mensen in aanraking te komen die hem daarin wegwijs konden maken. Hij wenste met Temminck nader kennis te maken en het contact met de conservatoren in het museum te bevorderen. In zijn vrije tijd kon hij gebruik maken van de evenementen in de stad en zo kennismaken met mensen die van betekenis konden zijn om zich in Leiden thuis te voelen. Aan het werk Hermann ontdekte al snel dat Susanna, dagelijks in het Museum aanwezig, een stabiele factor was. Hij was een bron van informatie over wat de moeite waard is te weten over het museum en het leven in de stad. Met de andere medewerkers zocht hij contact op de werkvloer. Het 59


waren in aanvang toch zijn handen die moesten tonen wat hij waard was. Hij noteert in zijn autobiografie dat hij direct begon met het tekenen van slangen. Ik tekende alles wat merkwaardig was, deed zoveel mogelijk onderzoekingen op het skelet, vervaardigde ene gehele reeks preparaten van de zachte delen, en poogde bij voorkeur licht in het duister gebied der slangen te brengen. 119

Met dat onderwerp had hij in Wenen kennisgemaakt. Het sloot aan op het manuscript van Boie, ErpĂŠtolgie de Java. Dit bleek strategisch een goede zet en was bovendien nuttig voor de publicatie van Boie die door Hermann persklaar moest worden gemaakt. Het viel de medewerkers en Temminck op hoe vaardig hij was in het nauwkeurig tekenen van slangen. Het werd onderwerp van gesprek, zodat Hermann kon tonen dat hij uit de vrije hand een object kon tekenen waarbij hij trefzeker de maten van het voorwerp trof, oog had voor de kleinste details en snel werkte. Datzelfde vermogen bereikte hij in het prepareren. Temminck had een methode van prepareren ontwikkeld die navolging had gevonden, waarvan Schlegel op onderdelen afweek, daar hij een moderner versie had geleerd. Temminck was onder de indruk van de snelheid waarmee Hermann het voorwerp behandelde tot en met het zodanig opzetten van het dier, dat het op een manier in de verzameling kon worden opgenomen die het mogelijk maakte het van alle kanten goed te bekijken. 120 Hermann was zijn directeur hierin de baas. Deze manier van zichzelf presenteren blijkt een effectieve strategie. Het leek op het afleggen van proeven van bekwaamheid. Het halve jaar dat hij Boie in zijn nabijheid had, buitte hij uit door diens teksten over slangen die hij had beschreven grondig te bestuderen. Hij wist zo zeker in staat te zijn bij diens vertrek Boies werk verder af te ronden zodat het kon worden gepubliceerd, maar er moest nog wel het een en ander aan gedaan worden. Hij kreeg daarvoor van Temminck de vrije hand. Overigens was dat niet het enige werk dat hij te doen had als preparateur. Hij kon zijn ervaring in de verzameling van de NFGdO in Altenburg inzetten en zag zelf waaraan gewerkt moest worden. Hij ontdekte daarbij dat Temminck ten aanzien van de verzameling streng de hand hield aan zijn opvattingen hoe dat moest gebeuren. Snel leerde hij de werkwijze van de directeur kennen en te waarderen, zij het tot op zekere hoogte. Zijn wijze van leiding geven kon het best gekenmerkt worden als het bewaken van de grote lijn. Het uitvoeren liet hij aan zijn medewerkers over, binnen de door hem gemarkeerde grenzen. Hermann had geleerd boven hem geplaatsten zoals zijn vader, zijn bazen, de overheid enzovoorts, in ieder geval te respecteren,

119 120

G. Schlegel, Levensschets, p. 36. G. Schlegel, Levensschets, p. 33 noot.

60


maar in zijn denken was hij veel kritischer dan hij vaak liet merken. Hij stond in dat opzicht met beide benen op de grond, maar probeerde wel ruimte te creëren voor subtiele aanpassingen die hij altijd weer kon terugdraaien. Zijn strategie was voorzichtigheid in de porseleinkast te betrachten, gepaard aan zelfbewustheid. Al doende registreerde hij voor zichzelf wat hij in de verzameling anders zou willen. Met name de opstelling van de voorwerpen vond hij voor verbetering vatbaar, maar hij besefte dat pas te kunnen uitvoeren als hij voldoende gezag had ontwikkeld. Hij moest eerst een vaste aanstelling zien te verkrijgen, want bij aantreden was hij boventallig aan het werk gezet, zonder aanstelling als ambtenaar van het ‘sRMvNH. In een brief aan de minister van Binnenlandse Zaken (BiZa) motiveerde Temminck een verzoek om verruiming van het salarisbudget voor de ambtenaren. Hij brengt de minister op de hoogte hoe het personeelsbestand eruitzag. Binnen het personeelsbudget had hij genoteerd: ‘H. Schlegel, preparateur ornithologie 400 gulden op jaarbasis.’121 Dat bedrag was hem blijkens een bijgevoegde notitie in 1825 ook feitelijk uitbetaald. Een overzichtje van de salarissen in het Museum in 1821 leert het volgende: 

rang custos (werd later conservator) 600,-- gulden p.j. met vrije woning 700 p.j. zonder vrije woning.

preparateur 400,-- gulden p.j.

bediende 250 gulden p.j. met vrije woning, 200,-- zonder.122

De Rijksbegroting was een document voor een aantal kalenderjaren. Afwijkingen daarbinnen vroegen om expliciete toestemming van de koning, doorgaans in de vorm van een Koninklijk Besluit. Dat kon niet anders vanwege de looptijd van de rijksbegroting. Het voordeel was dat Temminck de bevoegdheid had binnen het geoormerkte budget te schuiven. Zijn beleid werd gekenmerkt door ‘plussen en minnen’ en als dat tot overschrijding zou leiden was er de uitweg de koning om toekenning van een budget te vragen voor een nauwkeurig omschreven uitgave. Het was zijn beleid om waar nodig buiten medeweten van de rijksbegroting personeel aan te stellen in de hoop die kosten bij een volgende begroting in het personele budget opgenomen te zien. Voor Hermann was het duidelijk dat hij zich vooralsnog binnen de bevoegdheden van een preparateur moest gedragen, met boven zich de conservatoren en de directeur. Daar precies bleek de ruimte aanwezig zich te profileren, zodat hij snel werd gezien als een mogelijke opvolger voor Boie. Het zou nog tot 3 december 1827 duren voordat Hermann door de minister 121 NL-HaNa, Rijksmuseum Natuurlijke Historie, 3.12.17, inv. nr.13, serie D concepten, kenmerk nr. 65, 9 juni 1825, zonder kenmerk en datum. 122 NL-HaNa, Rijksmuseum Natuurlijke Historie, 3.12.17, inv. nr.1, serie E officiële correspondentie, kenmerk van den kroon ii0, Den Haag, 12 april 1821.

61


provisioneel werd benoemd met ingang van 1 januari 1828 ‘tot conservator voor de Vertebrata, Osteologie en Fossielen’, de functie die Boie had, op een jaarwedde van 800 gulden.123 Dat had minder te maken met de kwaliteit van de preparateur Schlegel die door Temminck al snel gezien werd als beoogd conservator. De oorzaak was dat Boie door het Museum betaald moest worden uit het budget personeelskosten totdat hij en zijn medereizigers door de regering in de kolonie uit de begroting aldaar zouden worden betaald. Alhoewel Hermanns doel conservator te worden wel was bereikt, was dat tegen een veel geringere beloning. Zijn verdienste zette Temminck er toe aan de minister te verzoeken de honorering te brengen op het daarvoor geldende niveau van 1400 gulden per jaar (was 700).124 Die benoeming kwam op 19 november 1828, met ingang van 1 januari 1829.125 Dat tijdstip werd door Hermann ervaren als een te late beloning voor het werk dat hij in het Museum had verricht na een korte inwerkperiode. Hij maakte daarover zelf geen opmerking in de autobiografische tekst door Gustav bezorgd in de Levensschets. In Hermanns plaats deed Gustav dat wel in een noot waarin hij wijst op zijn vaders in 1826 gepubliceerde verhandeling over de vinvis.126 Waar Hermann zelf dat gevoel opzij had gezet vanuit strategische overwegingen die gebaseerd waren op begrip voor de positie van zijn directeur in diens afhankelijkheid van de subsidieverstrekker, zal hij deze gang van zaken niettemin hebben ervaren als onjuist. Daar kan ook het besef toe hebben bijgedragen nog veel te moeten investeren in studie en positie. Hoewel de tijd dat hij op bevordering moest wachten niet uitzonderlijk lang was, zegt het iets over de voorspoedige ontwikkeling van Hermanns carrière. Temminck had vanaf 1825 wel regelmatig uit het overschot in het personeelsbudget Hermann en soms ook anderen, een bonus uitbetaald. Dat Hermann zijn handen uit de mouwen stak, eigen initiatieven nam, daarbij niet terugschrok voor geheel nieuwe taken, werd gewaardeerd. Er was nog een reden om zich op het werk als conservator te concentreren. Met ontsteltenis was er gereageerd in het Museum op het overlijden van Boie in 1827, hij was het vierde slachtoffer onder de werkzame leden van de NTKCie sedert 1821. Vanaf de eerste uitzending naar Nederlands-Indië waren al drie natuurhistorische onderzoekers overleden. Hermann beschrijft zelf dat zijn enthousiasme voor het veldonderzoek in de kolonie afnam, hoewel hij in 1827 nog was voorgedragen aan de regering als natuuronderzoeker voor NTKCie op Java. Bovendien had Temminck

123 NL-HaNa, Rijksmuseum Natuurlijke Historie, 3.12.17, inv. nr.3, serie E officiële correspondentie, kenmerk 166, 3 december 1827. 124 NL-HaNa, Rijksmuseum Natuurlijke Historie, 3.12.17, inv. nr. 14, serie D concepten, kenmerk 71/322, 19 november 1828. 125 NL-HaNa, Rijksmuseum Natuurlijke Historie, 3.12.17, inv. nr. 3, serie E officiële correspondentie, kenmerk 39, 29 november 1828. 126 G. Schlegel, Levensschets, p. 26 noot met initialen G.S.

62


‘hem gesmeekt na het overlijden van Boie in het Museum te blijven werken.’ Hier ligt de verklaring voor de voorspoedige ontwikkeling van Hermanns carrière. Dat deze naar zijn mening nog niet snel genoeg ging, geeft aan hoe eerzuchtig Hermann was. Hij wijzigde zijn doelstelling ‘omdat hij begreep in het middelpunt der wetenschappen algemene diensten [te kunnen] bewijzen.’ 127 Hermanns eerste publicaties In het voorjaar van 1826 was volgens een krantenbericht een grote dode vinvis aangetroffen op zee, die door Katwijkse vissers werd meegenomen en op het strand van Wijk aan Zee werd gedeponeerd.128 Temminck was in verband met een familieaangelegenheid afwezig, zodat conservator de Haan en administrateur Susanna besloten dat het in de lijn van Temminck zou zijn een kijkje te gaan nemen of het Museum voor de vis interesse had. Het Museum bezat al een geraamte van een grote vinvis, maar als het een mooi en gaaf exemplaar was, zou dat exemplaar kunnen worden verkocht of geruild met andere musea. Hermann werd naar Wijk aan Zee gestuurd om poolshoogte te nemen. Het bood hem de gelegenheid geheel zelfstandig een opdracht uit te voeren die als het lukte een forse bijdrage was aan de welwillendheid jegens hem van zijn baas en conservatoren, al had hij geen idee waarvoor hij kwam te staan, anders dan dat een groot dier wellicht als aanwinst naar het Museum kwam. Susanna schreef direct aan het ministerie van BiZa dat in verband met het bederf waaraan het dier spoedig onderhevig zou zijn, haast was geboden. Hij zou de minister op de hoogte brengen als de verkenner zijn bevindingen had gerapporteerd. Susanna vroeg, nadat Hermann het dier had gezien en tevreden bleek over de staat ervan, aan de minister het dier te mogen aankopen met een extra budget van het departement. Het Museum kon dat niet uit het zeer beperkte jaarbudget voor aankopen betalen. De openbare verkoop zou op 17 april plaats vinden. Temminck was intussen op de hoogte gesteld en vond dat hoe dan ook moest worden geprobeerd de vis te verwerven. Hermann kreeg een schriftelijke opdracht mee om in naam van het Museum op te treden en het dier zo mogelijk aan te kopen. Temminck stond persoonlijk garant voor de kosten van aankoop, iets wat hij wel meer deed, met alle risico’s van dien. Voor de veiling had hij in situ een tekening van het dier

G. Schlegel, Levensschets, p. 25. Vgl. H. Schlegel, ‘Verhandeling over eenen, in het jaar 1826, aan de Noord-Hollandsche kust gestranden vinvisch.’ in: Nieuwe verhandelingen der Eerste Klasse van het Koninklijk-Nederlandsch Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten te Amsterdam, deel III, met 2 gravures door D. Sluyter naar tekeningen van H. Schlegel (Amsterdam, 1831). A.B. van Deinze, ‘Over de vinvisschen in de landen om de Noordzee gestrand tussen de jaren 1306 en 1918’, met 6 tekstfiguren, Zoölogische mededelingen, uitgegeven vanwege ‘s Rijks Museum van Natuurlijke Historie te Leiden, deel IV, afl.4, pp. 223-246. 127 128

63


gemaakt en was begonnen het prepareren van het kadaver voor te bereiden. Onder invloed van het getij moest het dier dat wegzakte in het zand ondergraven worden zodat het op de buik kwam te liggen. Het hele proces van voorbereidingen lokte veel bekijks ondanks de hevige stank van ontbinding die per dag heviger werd. Willem van den Hull, een kostschoolhouder in Haarlem, kwam met zijn pupillen voor een les natuurlijke historie naar het strand. Hij noteerde de gevolgen in zijn dagboek: ‘Wegens de ondragelijke hitte, stonk het dier zo geweldig, dat mijne klederen, nog verscheidene dagen achtereen, van die pestlucht doortrokken waren, schoon ik het dier niet had aangeraakt.’ 129 Het lukte Hermann het dier op de veiling te kopen. Met behulp van nog drie preparateurs werd onder zijn leiding met het conserveren begonnen. De bieders waren niet geïnteresseerd in het geraamte, maar wel in de traan. Ter plaatse werd de huid er afgehaald, het spek verwijderd waaruit de traan gewonnen werd door inderhaast ingehuurde traankokers. Het geraamte werd blootgelegd, gedemonteerd en vervoerd naar Leiden met de huid, om deze te prepareren en de beenderen te bleken. Het transport arriveerde in Leiden op 24 april. Hermann heeft het proces nauwkeurig beschreven. Hij toont er mee aan als preparateur in staat te zijn een opdracht te organiseren en uit te voeren. Hermann onderzocht het dier morfologisch aan de hand van literatuur die hij tot zijn beschikking had. Hij hoopte de vis taxonomisch te kunnen plaatsen. Zijn conclusie was dat naar zijn mening ‘alle vroegere beschreven vinvissen slechts tot één en dezelfde soort behoorden’, hij sloot daarbij aan bij de visie van Cuvier uit Parijs.130 Veel later, in 1870, komt hij op die visie terug en schrijft: ‘Er zijn met zekerheid slechts drie soorten van vinvissen bekend.’131 Het geraamte is later in het Parijse museum terechtgekomen. Het exemplaar dat het Museum al bezat, was beter. Opmerkelijk is dat de publicatie van zijn Verhandeling eerst in 1831 plaatsvond. Hij stelt zichzelf daarin aan de lezer voor als conservator van het ‘sRMvHN, hetgeen hij in 1826 nog niet was, maar vanaf 1829 wel. Als preparateur had hij wellicht geen kans gekregen zijn Verhandeling gepubliceerd te krijgen. Die kans deed zich in 1831 voor. Had hij daarop gewacht? Hij schrijft zijn verslag te onderwerpen aan het oordeel van de Eerste Klasse van het Koninklijk Nederlandsche Instituut van Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten te Amsterdam. Hij memoreert de dankbaar-

129 Raymonde Padmos, Willem van den Hull. Autobiografie (1778-1854), uitgegeven door Raymonde Padmos, met register van persoonsnamen van B. Sliggers (Hilversum, Verloren 1996) p. 559. 130 H. Schlegel, Verhandeling vinvisch, p. 2. 131 A.B. van Deinze, ‘Over de vinvisschen in de landen om de Noordzee gestrand tusschen de jaren 1306-1918’, met 6 tekstfiguren, Zoologische Mededelingen, uitgegeven vanwege het Rijks Museum van Natuurlijke Historie te Leiden, dl. IV, aflevering 4, aldaar p. 224.

64


heid van het Museum dat de Minister van BiZa en haar ambtenaar, de heer Van Ewijck, toestemming gaven het belangrijke object voor het Museum aan te kopen. Temminck zelf schreef in 1826 de minister over de succesvolle operatie die onder zijn leiding had plaatsgevonden.132 In die brief is Schlegel één van de vier preparateurs die het werk hadden gedaan zoals beschreven, nadrukkelijk tot zijn volle tevredenheid. Dit was formeel juist, maar Hermann had de leiding gehad en was daarmee ongetwijfeld in de achting van zijn directeur en collega’s gestegen! Waar Hermann in de inleiding van zijn Verhandeling laat weten dat hij het was die voor de operatie de verantwoordelijkheid droeg, lijkt dat een subtiele correctie van Temmincks claim, zonder dat het als een verwijt aan zijn directeur klonk. Hermann wist dat gezag en autoriteit gerespecteerd dienden te worden. Dat nam niet weg dat het gezegde ‘ere wie ere toekomt’ hem de ruimte verschafte naar dat beginsel te handelen. Enige publicaties over slangen In 1827 verscheen van Hermann een artikel in het tijdschrift Isis onder de titel Erpetologische Nachrichten.133 De Weense museumbioloog L.F.J.J.F. Fitzinger publiceerde in 1827 Neue Classification der Reptilien nach ihren natürlichen Verwandtschaften nebst einer Verwandtschafts-Tafel und einem der Reptilien Sammlung des K.K. Zoologischen Museum zu Wien. Dit boek had in het ‘sRMvNH aanleiding gegeven tot kritische noties. Zowel Temminck als Hermann kenden Fitzinger. Het Museum had zich in de persoon van Boie bezig gehouden met de auteur. Zij hadden van gedachten gewisseld. Boie had materiaal voorgelegd uit het slangenbezit in het Leidse ‘sRMvNH. Hij had het gebruikt in zijn studie die vrijwel gereed was voor publicatie. Over en weer was dat op een wijze gebeurd die in het Leidse Museum werd voorgestaan. Het beleid was over het onderzoeksmateriaal open te communiceren met collega’s in dienstbaarheid aan de wetenschap. De mores daarbij was dat men elkaars materieel en intellectueel eigendom respecteren moest. Er bestond toen echter geen – zoals later wel het geval zou worden – wettelijke bescherming op intellectueel eigendom. Hoewel roof van andermans gedachtegoed als verwerpelijk werd gezien, kwam het voor. Er lag een liberale houding aan ten grondslag in de veronderstelling dat men als wetenschapper de eigendomsrechten van onderzoeker en Mu-

132 NL-NaHa, Rijksmuseum Natuurlijke Historie, 3.12.17, serie D concepten, inv. nr. 2, kenmerk Particulier, Leiden, 22 april 1826. 133 H. Schlegel, ‘Erpetologische Nachrichten’, ISIS, oder Encyclopaedische Zeitung, vorzüglich für Naturgeschichte, vergleichende Anatomie und Physiologie von Lorenz Oken, Band XX, Heft I-XII (1827) pp. 281-295. In de overzichtslijst van publicaties in de Levensschets staat dit artikel als nummer 2 met de titel Erpetologische Notizen (ISIS,1827).

65


seum vanzelfsprekend zou erkennen. Een herenafspraak derhalve. Zo kon men over wetenschappelijke kwesties van taxonomische aard vragen stellen aan collega’s elders en mededeling doen over de aard van het onderzoek waarmee men bezig was, de stand van zaken ervan en over de wijze waarop men tot publicatie wilde komen. Fitzinger was op de hoogte dat het Leidse Museum de verzameling, door de natuuronderzoekers Kuhl en Van Hasselt bijeengebracht op Java, wilde beschrijven en publiceren. Boie was zoals bekend met die taak belast en Hermann was doende de publicatie een definitieve vorm te geven. Het boek van Fitzinger dat als een interessante aanvulling op de stand van zaken werd gezien en als zodanig verwelkomd was, gaf echter aanleiding tot verontwaardiging in het Museum, daar de inhoud rijkelijk was voorzien van onderzoeksgegevens afkomstig uit Leiden, maar zonder bronvermelding. Temminck had na kennisname van de roof aan Hermann gevraagd Fitzingers tekst te vergelijken met de concepttekst van Boie. De tekst bleek zich niet te beperken tot de slangenverzameling in Wenen, maar bevatte ook beschrijvingen van Javaanse slangen die door Boie van een taxonomische naam waren voorzien. Deze slangen waren in ruime aantallen aanwezig in Leiden, de doubletten daarvan had het Leidse museum geruild of verkocht aan verschillende musea in Europa of ze waren bij verzamelaars terechtgekomen, nog voordat ze beschreven waren. De taxonomische plaats in het rijk van de dieren moest nog volgens de geldende standaards tot stand komen. Nu bleek dat de door Boie gegeven naam soms was overgenomen zonder de bron te vermelden, in andere gevallen was de taxonomische naam van het dier veranderd én op naam gebracht van de Weense auteur. Temminck was hierover verontwaardigd. Daarbij kwam nog dat ook de latere hoogleraar J.J. Kaub uit Darmstadt, die enige tijd in het ‘sRMvNH werkte, hetzelfde had gedaan. Hij publiceerde vertrouwelijk gekregen informatie in Leiden als eigen vinding en zonder bronvermelding. Temminck besprak met de conservatoren deze gang van zaken. In het geval van Kaup had Boie afgezien van protest, hoewel verontwaardigd en teleurgesteld door het schenden van de regel onderzoeksmateriaal niet zonder bronvermelding te gebruiken. Temminck vond dat nu een protest noodzakelijk was. Hij vroeg Hermann die taak op zich te nemen middels een korte uiteenzetting in het tijdschrift ISIS. Hermann deed dit op een zakelijke, maar niet mis te verstane wijze. Hij gaf precies aan waar plagiaat was gepleegd, waar de naamgeving was aangepast en waar bronvermelding ontbrak. De ervaring met Kaup werd tevens aan de kaak gesteld. Diese Handlungsweise war umso tadelhafter, da Herren Boie‘s Arbeit bestimmt war, unter den Auspizien des Holländischen Gouvernements zu erschienen. [ ] Es wird den ersten Band eines

66


Großen Werkes, betitelt: Galerie zoologiques du Muséum des Pays-Bas, wovon in Kurzem der Prospekt ausgegeben werden soll, ausmachen. 134

Dit citaat wijst op een probleem dat rond de publicatie van Boie’s boek bestond. Het bleek lastig bekwame graveurs te vinden voor de aankondiging van de komst van het boek. Deze vooraankondiging had de functie belangstellenden attent te maken op het boek en uit te nodigen tot intekening. De markt voor dierkundige publicaties was klein, die voor publicaties van morfologische studies nog kleiner omdat de groep geïnteresseerde museumbiologen het geringst in omvang was en het onderzoek naar slangen pas in de kinderschoenen stond. In 1827 verscheen van Hermann nog een tweede artikel over eigen onderzoek, nu naar de speekselklieren van slangen, Onderzoekingen van de speekselklieren der slangen met gegroefde tanden, in vergelijking met die der giftige en niet giftige.135 Hermann baseerde zich in die studie op het werk van Boie. Zelf richtte hij zich op de structuur van de tanden en de beenderen van de schedel. Het moet voor Hermann en voor het Museum een teleurstelling zijn geweest dat de publicatie van Boie’s slangenwerk onder de voorgenomen titel Erpétologie de Java nooit verschenen is. De opdracht tot het drukken en het vervaardigen van gravures was bij een drukkerij in Antwerpen ondergebracht. Temminck hoopte dat de problemen met de kwaliteit van de gravures spoedig overwonnen zouden zijn. Het pakte verkeerd uit, doordat het werk stil kwam te liggen als gevolg van de Belgische Opstand in 1830. Hermann zou bezig blijven zijn slangenstudie gebaseerd op eigen onderzoek en dat van Boie alsnog uit te geven. Dat gebeurde uiteindelijk in 1837. Hermann zou er bewondering mee oogsten.136 Weddenschappen en prijsvragen als presentatie van zichzelf Naast zijn werk in het Museum schonk Hermann aandacht aan het opbouwen van een zodanig gestructureerd sociaal leven dat het kon bijdragen aan het realiseren van zijn plannen. Het was zijn strategie in de Leidse samenleving sociaal-maatschappelijk voet aan de grond te krijgen. Hij richtte zich daarom op kennismaking met mensen in kringen van de universiteit en het

H. Schlegel, ‘Erpetologische Nachrichten’, p. 282, noot 1 en 2. H. Schlegel, ‘Onderzoekingen van de speekselklieren der slangen met gegroefde tanden, in vergelijking met die der giftige en niet-giftige’ in: Bijdragen tot de natuurkundige wetenschappen, verzameld door H.C. van Hall, W. Vrolijk en G. Mulder, deel 2, 1ste stuk met 1 pl. (Rotterdam, Joh. van der Hey & Zoon 1827) pp. 536-550. Dit artikel verscheen ook in het Duits: H. Schlegel, ‘Untersuchungen der Speicheldrüsen bei den Schlangen mit gefurchten Zähnen in Vergleich mit denen der giftlosen und giftigen’ in: Academia Caesarea Leopoldino-Carolino Naturae Curiosorum, XIV 1, met 1 pl.; overdruk (Bonn 1828). 136 H. Schlegel, Abbildungen neuer oder unvollständig bekannten Amphibien, nach der Natur oder dem Leben entworfen, herausgegeben und mit einem erläut. Textet begleitet; 50 pl., 11 bl. tekst (Düsseldorf, Arnz 18371844). 134 135

67


maatschappelijke leven. Op een soiree waar hij uitgenodigd was, ging het gesprek over wat te doen om in de stad en het land zichzelf als buitenlander onder de aandacht te brengen. Het gezelschap adviseerde hem in te gaan op een prijsvraag uitgeschreven door een van de geleerde genootschappen in het land over een wetenschappelijk of literair onderwerp. Hermann vond dat een interessante gedachte. Hij stelde het gezelschap een weddenschap voor. Hij zou binnen veertien dagen het onderwerp inzenden aan de vraagsteller. Informatie bracht hem op het spoor van een prijsvraag uitgeschreven door de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen in Haarlem. Er werd een studie gevraagd over de vogeltrek, een onderwerp waarin hij zich wel had verdiept. In de Levensschets presenteert Hermann het als ‘een weddenschap met inzet van een goede fles wijn en oesters, te nuttigen tijdens een diner.’ Hij ensceneerde het geheel als een jolige afspraak tussen een groep mensen die een gezellige avond met elkaar doorbrachten, dat leek de boodschap te zijn die hij over wilde brengen. De informatie dat zijn huisgenoot Graaf van Limburg Stirum op zich nam toe te zien dat de prestatie onvervalst werd geleverd binnen de termijn, verraadt de geromantiseerde herinnering van de grijsaard. De graaf, zo heette het, sloot hem in zijn kamer op om te controleren dat hij de prestatie na twee weken al dan niet zou afleveren. Deze edelman, schreef Hermann, woonde op kamers in hetzelfde huis als waar hij woonde. Inderdaad slaagde hij in zijn opzet, waarna het diner plaatsvond en hij werd ingehaald aan de feestdis als ‘homo bislaureatus’.137 Omdat deze wijze van voorstellen herhaald zal worden in nog enkele weddenschappen lijkt het meer een frame te zijn om zichzelf bekend te maken in de Leidse gemeenschap. Hermann schreef inderdaad een studie over het fenomeen trekvogels, stuurde het onder motto aan het Haarlemse Genootschap in en wachtte de uitslag af. De prijsvraag was al in 1824 uitgeschreven door De Hollandse Maatschappij der Wetenschappen die de volgende vraag beantwoord wilde zien: Daar er nog veel duisterheid en verschil van gevoelens plaats heeft omtrent de gewesten, waarheen zich de bij ons bekend geworden trekvogels begeven, verlangt de Maatschappij bijeengebracht te zien, al hetgeen daaromtrent bij ondervinding of door verhalen van wel geloofwaardige schrijvers is bekend geworden.138

De Maatschappij bekroonde zijn inzending op 17 mei 1828 met de gouden Ereprijs en een premie van 150 gulden. Hermann schreef een literatuurstudie, waarin hij kritisch onderzocht

G. Schlegel, Levensschets, p. 34. H. Schlegel, ‘Verhandeling over het trekken van vogels’ in: Natuurkundige verhandelingen van de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem, 16e deel, tweede stuk (Haarlem, Wed. A. Loosjes Pz. 1828) pp. 129-292, aldaar titelpagina. 137 138

68


wat de stand van de kennis over dit fenomeen was. In de inleiding stelt hij dat de vraag niet volkomen beantwoord kan worden. Voor vele veronderstellingen die hij in de literatuur aantrof, ontbrak het bewijs, ‘maar dezelve door waarnemingen in de natuur te bewijzen blijft nog voor volgende reizigers bewaard.’ Hermann begint met een overzicht van schrijvers over de vogelkunde vanaf Aristoteles en besteedt aandacht aan de vele volksverhalen die eeuwen lang standhielden. ‘Het sprookje dat zwaluwen zich in de winter onder water of in de grond verbergen, dat de koekoek in de herfst in een “roofvogel” verandert, is zo algemeen geworden dat mannen van gezond verstand nu nog te vinden zijn die daar geloof aan hechten.’139 Dat de interesse voor de vele legenden, mythen en sprookjes rond vogels nog steeds pennen in beweging brengt, toont Lemaire aan in zijn recente cultuurgeschiedenis van vogels.140 Hermann koos ervoor zich te beperken tot de bevindingen van wetenschappelijke onderzoekers. Hij noteerde dat de reizen van natuurhistorische onderzoekers in Afrika het meest vruchtbaar zijn, maar tegelijk slechts dan als zij wetenschappelijk zijn gevormd en nieuwsgierig zijn naar het hoe en waarom van het fenomeen van trekvogels. De avonturiers onder de reizigers hadden meer oog voor de handelswaarde van hun jachtbuit en geen notie van de interessante vragen die om een antwoord vroegen. Het gevolg was wel dat de meeste ontdekkingen in het voorbijgaan waren gedaan en daardoor van betrekkelijke waarde, oppervlakkig en onbelangrijk.141 Hermann acht bewezen dat de vogeltrek wordt veroorzaakt door gebrek aan voedsel en geen vlucht was voor het winterse weer. Dat gold ook voor de roofvogels die met hun voorraad voedsel meetrokken. Dat bovendien de vogels vanuit het Europese continent overwegend naar Afrika trokken om er de winter door te brengen. Vogels die in de winter voldoende voedsel vonden, trokken niet weg. Hij reconstrueert de route die zij aflegden aan de hand van informatie van reizigers. Aangezien het binnenland van het Afrikaanse continent nog niet ontsloten was, bleven er veel vragen. Hermann baseert zich op antieke schrijvers en op nieuwe topografische inzichten die wijzen naar hoge bergketens ‘die Afrika als het ware door midden delen’, zodat de trek ongeveer bij de evenaar tot stilstand lijkt te komen. Veel was nog onbekend en daarom moet het fenomeen onderwerp van studie blijven om de vele geheimen waarmee het omkleed is, te ontsluieren. Volgens J.G. de Bruyn waren van de drie aanwezige beoordelingsrapporten er twee ondertekend, respectievelijk door Reinwardt en Van der Boon Mesch. De prijs werd aan Hermann toegekend.142 idem, p. 132. Ton Lemaire, Op de vleugels van de ziel. Vogels in voorstelling en verbeelding (Amsterdam, Ambo 2007). 141 H. Schlegel, ‘Verhandeling trekken van vogels’, p. 158. 142 J.G. de Bruyn, Inventaris van de prijsvragen uitgeschreven door de ‘Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen’ 1753-1917 (Groningen, H.D. Tjeenk Willink B.V. 1977) p. 186, nr. 280. 139 140

69


Een tweede prijsvraag waarop Hermann een antwoord onder motto opstuurde was in 1828 ook uitgeschreven door de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen. Geeft de ontleedkundige en physiologische kennis van het maaksel van den koekoek of de leefwijze van dezen vogel eenige gronden aan de hand, om te verklaren, welke de reden zij, dat deze vogel geen nest maakt, en zijn eieren niet zelf uitbroeit? Zoo neen, welke is dan de oorzaak van dit merkwaardige verschijnsel? 143

Hermann beschrijft met annotatie wat in het algemeen in de literatuur over deze vogel wordt gezegd, waar deze voorkomt en wat de geografische spreiding van hun leefgebied is. Hij analyseert het gedrag van de koekoek, hun schuwheid en de gewoonte de broedzorg aan andere vogels over te laten. Het legsel wordt besproken. Ten slotte gaat hij in op hun anatomische bouw. Hij tekent hun spijsverteringsorganen en beschrijft hun werking. De combinatie van de schuwheid van de vogel en diens afwijkend gedrag ten aanzien van de broedzorg heeft geleerden van vroegste tijden af bezig gehouden. Hermann legt de bevindingen uit de literatuur naast de eigen waarneming en die van contemporaine auteurs. Hij bespreekt zijn eigen bevindingen in het bestuderen van de vogel in de bossen van Thüringen, gebruik makend van de kennis van de Duitse ornithologen M. Bechstein en C.L. Brehm die Hermann ook hier als zijn leermeesters zag. Zij hadden aangetoond dat de koekoek niet anders kon dan zijn nakomelingen door anderen te laten uitbroeden. Anatomisch onderzoek maakte duidelijk dat de inwendige organen, met name de slokdarm en de maag in vorm en omvang afweken van vogels van vergelijkbare grootte, zelfs van aan hen verwante soorten. Hun reproductievermogen wordt bepaald door het langzaam rijpen van hun eieren. Duurde dat gemiddeld bij vogels niet langer dan enkele dagen, bij de koekoek was dat zes tot acht dagen. Ze legde slechts één ei in het nest van een kleinere zangvogel dan zijzelf dat zij zorgvuldig had geselecteerd. Was dat gelukt dan zocht ze een ander nest om het op dezelfde wijze te voorzien van een ei. Dat herhaalde zich als ze genoeg andere nesten kon vinden, vijf à zes keer per broedseizoen. Dat was genoeg om de soort in stand te houden. De koekoek is een trekvogel, zodat de tijd voor het paren, leggen van eieren, het uitbroeden en vervolgens de broedzorg te kort is om nakomelingen voor te bereiden voor het vertrek naar het zuiden om voldoende voedsel te vinden om in leven te blijven. Het was onmogelijk

143 H. Schlegel, ‘Verhandeling ter beantwoording der vrage: ‘Geeft de ontleedkundige en physiologische kennis van het maaksel van den koekoek of de leefwijze van dezen vogel eenige gronden aan de hand, om te verklaren, welke de reden zij, dat deze vogel geen nest maakt en zijne eijeren niet zelf uitbroeit? Zo neen welke is dan de oorzaak van dit merkwaardige verschijnsel?’’ in: Algemeene jaarlijksche vergadering van de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem op 22 mei 1830 (Haarlem, z.n. 1830) pp. 238-269.

70


om het zelf te doen zoals andere vogels dat deden. Hermann formuleerde voor deze verhandeling een aanvullende vraagstelling: Welke reden kan de Schepper wel gehad hebben om den koekoek door de langdurigheid van de tijd om zijne eieren te leggen, het opvoeden van zijn eigen jongen te ontzeggen? 144

Hermann schreef de uitzonderlijke positie van de koekoek ten opzichte van andere vogels toe aan de interdependentie tussen individu en omgeving, die hij als natuurwet zag. Haar kleine eieren moesten in het nest passen van de kleinere zangvogel die zij uitkoos. Daarbij kwam dat de behoefte aan voedsel zeer groot was. Haar voedsel bestaat uit rupsen, waarvan de voedingswaarde laag was, zodat ze dagelijks grote hoeveelheden moest verslinden. De gevulde maag voelde hard aan als gevolg van het langdurende verteringsproces. De harige huid van de rupsen was onverteerbaar, waardoor de maaginhoud door de bek werd uitgestoten, vergelijkbaar met de braakballen van vleesetende vogels. Zou het dier op eieren moeten zitten dan zou het zeker last ondervinden van het spijsverteringsproces. Bovendien vroeg het bevredigen van de behoefte aan voedsel vele uren per dag. De verwijzing naar de Schepper in Hermanns vraagstelling hield in dat de aanpassing van het reproductieproces naar zijn overtuiging in het scheppingsplan was voorzien. Zo had de orde in de natuur bewerkt dat de koekoek een andere werkwijze had om voor nageslacht te zorgen, zonder broedzorg en parasiterend op de kraamkamer van een andere vogel. Later zou Hermann ditzelfde argument gebruiken om zich als opponent van Charles Darwins theorie te manifesteren. Hij veronderstelt een scheppingsplan van een Creator, waarin strikte orde heerst. Het is goed denkbaar dat dieren zich aan omstandigheden aanpassen, maar altijd wel het beeld behielden dat zij van de Schepper hadden gekregen. Een interpretatie van het verschijnsel evolutie dat hij zijn levenlang als ultieme waarheid zou verdedigen. Hermanns inzending werd opnieuw beloond met goud. Er waren volgens De Bruyn vier verhandelingen ingezonden.145 De jury bestond uit Van der Boon Mesch, Van Breda, De Fremery, Van Marum, Temminck en Vrolik. C.G.C. Reinwardt was de ontwerper van de prijsvraag. De prijs bestond behalve een gouden medaille, uit een publicatie. Het bestuur maakte daarbij de volgende opmerking: bij de bekroning werd besloten ‘van de premie te zwijgen,

H. Schlegel, ‘Verhandeling koekoek’, p. 251. G. de Bruyn, Inventaris van de prijsvragen uitgeschreven door de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen 1753-1917 (Groningen, H.D. Tjeenk Willink B.V. 1977) pp. 213-214, nr. 321. 144 145

71


(aangezien) het onderwerp dezer verhandeling niet van groot belang is. Geen waardevrije wetenschap.’ Deze prijsvragen hadden het effect dat Hermann als winnaar naar buiten trad en zich zo als dierkundige kon presenteren. Dat effect hadden de volgende twee weddenschappen niet. Hij zag het zelf als een prestatie naar eigen zeggen in twee weken tijd van een schoorsteenveger Italiaans te leren. Bovendien in korte tijd het dubbeltongslagspel van de beroemde fluitist Drouet te evenaren dat weinig bijdroeg aan het vestigen van zijn naam. Het werd meer als grap ervaren. 146 Hermanns studieplan Na zijn kennismaking met het Museum, het binnenhalen van de aanstelling als conservator en het publiceren van enkele artikelen is het nuttig te onderzoeken hoe hij zijn voornemen realiseerde zich door studie als museumbioloog te kwalificeren. In de Levensschets gaat Hermann hier uitvoerig op in. Tengevolge van eene ingeschapen piëteit voor degelijke en oudere lieden, had ik mij dwepender wijze, de beroemde Leidsche Hoogeschool als het model voor alle dergelijke instellingen voorgesteld. 147

Wat volgde was een litanie van kritiek die in tegenspraak was met de verwachtingen waarmee hij de Leidse universiteit tegemoet was getreden. Gustav deed daar als bezorger van de autobiografie, waar hij dat nodig oordeelde, nog een schepje bovenop. Leander sloot zich daar later bij aan. Dat is een uiting van instemming en deelneming van de familie. Het zegt iets over de positie die zowel Hermann en later ook Gustav innamen in kringen van de Leidse universiteit. Omdat Hermann toen hij dat schreef inmiddels zelf behoorde tot de categorie ‘degelijke en oudere lieden’ is de vraag gerechtvaardigd waarom hij deze stijl gebruikte. Temeer daar hij in zijn brieven aan Leander de combinatie van degelijk en oud als synoniem ziet, voldeed de Leidse geleerdheid niet aan dat beeld. Toen uitzending naar Java van de baan was, concentreerde hij zich op een museumcarrière. Hermann had bij zijn vertrek uit het ouderlijk huis vogelpastor Brehm bezocht om afscheid te nemen. Deze had hem gezegd: ‘Blijf der wetenschap getrouw, zij zal u eer aanbrengen.’ Von Schreibers nam in Wenen afscheid van hem met de woorden: ‘Vertrek gerust! gij zult niet op

146 147

G. Schlegel, Levensschets, p. 36. G. Schlegel, Levensschets, p. 26.

72


eene der lagere treden van het ambtelijk leven blijven staan.’ Boie had uit Java aan Temminck geschreven: ‘Conservez ce jeune homme, il lira loin.’ 148 Deze ‘heenzendingen’ stonden Herman voor de geest als bemoediging voor zijn vaste voornemen een toekomst in de wetenschap van de natuurlijke historie te realiseren. De context waarbinnen Hermann deze terugblik plaatst, onthult enerzijds zijn vrees voor zelfoverschatting. Hij kende klaarblijkelijk het duiveltje van vrees voor eigen beperking. Anderzijds is het een statement over zijn edele motieven. ‘Ik had immers geen ander doel voor ogen, dan eene der wetenschap waardige instelling te scheppen, en dat dit eerst zeer laat naar mijn’ zin verwezenlijkt werd, is aan het noodlot te wijden.’ Leander zou veel later in zijn exemplaar van de Levensschets met potlood deze mantra’s een religieuze lading geven. Hij schreef in de marge: ‘en omdat het den Heer der heirscharen nu eenmaal behaagt, het volmaakte hier op aarde niet te gedogen’ werd het laatste restje van eigen oorzaak geheel weggevaagd naar het niveau van metafysische legitimatie. 149 Wat hier gebeurt, is dat Hermann onthult wat zijn eigenlijke doel was: het Museum in te richten naar zijn eigen inzichten. Temminck stond hem daarbij op den duur steeds meer in de weg en de universiteit dreigde dat in de persoon van de hoogleraar Jan van der Hoeven (1801-1868) een kwart eeuw later onmogelijk te maken, zoals verderop zal blijken. Het gezin, zijn vrouw Cornelia, Gustav, Leander en Cécilia hadden in dat lijden van hun vader gedeeld in de tijd waarin Hermann zich ‘de os voelde die tegen de berg opliep’, om een geliefde uitspraak van hem te parafraseren. Zijn herinnering aan de rondgang door de onderwijsinstelling en haar hoogleraren was als gevolg van deze littekens van diepe krenking doortrokken. De herdenkingsteksten na zijn dood memoreren slechts het duel tussen Van der Hoeven en Schlegel als een gevecht. Hij zelf toont in zijn autobiografie de vernedering en de afwijzing die hij moest ondergaan. De gevolgen voor de persoon werden kennelijk door geen van de scribenten gezien, of het werd om andere redenen genegeerd. Hermann zag de universiteit, enigszins gechargeerd, als een geduchte opponent, waarvan hij winnen wilde. Hoe meer pijn iets doet, hoe moeilijker het wordt er afstand van te nemen. Dat gold niet alleen voor Hermann maar kennelijk ook voor zijn zonen: wij tegenover zij! Hoe hij over de stand van de wetenschap in Saksen dacht, had hij na het verlaten van de burgerschool in Altenburg al opgemerkt. Daar ging het niet over de kwaliteit van het onderwijs, maar om het verbod van zijn vader natuurkunde te studeren. Zijn motief was dat deze de natuurlijke historie vooral zag als ongeschikte broodwinning. Hermanns afwijzing kreeg vorm in

G. Schlegel, Levensschets, pp. 25-26. G. Schlegel, Levensschets, p. 26. In de nalatenschap van Leander Schlegel werd deze tekst met aantekeningen aangetroffen door Dr. A.A. Botter te Haarlem. Het vergelijken van verschillende bronnen met het handschrift van Leander leidt tot de conclusie dat de opmerking in de marge van de Levensschets van zijn hand is. 148 149

73


het afzien van een andere studie. Als onderzoek van de natuur niet mocht, wees hij elk alternatief af. De theologie scheen mij te bekrompen [ ]; de Rechten te spitsvondig; bespiegelende wijsbegeerte te bodemloos. Filologie te schoolmeesterachtig, zuivere Mathesis te nuchter en te droog; Geneeskunde te duister, te tijdrovend. 150

Dat legitimeerde afdoende zijn keuze zijn vaders aanbod af te slaan om bij hem in de zaak te gaan. Bij zijn rondgang in de alma mater in Leiden klinken in zijn oordeel over het onderwijs, met hier en daar verkettering van hoogleraren, kwalificaties door als ondermaatsheid en oubolligheid. In Leiden kwam de theologie niet in aanmerking, want die kon zich niet ontwikkelen ‘in eene maatschappij, die elk vrij onderzoek met ketterij en ongeloof gelijk stelde.’ De filologie werd te veel gezien als middel en niet het doel om den geest en den smaak te vormen en een juist inzicht te verkrijgen in de kunstgeschiedenis der oude Grieken en in het leven en streven der ouden in het algemeen. 151

Zo loopt Hermann door de faculteiten. Het onderwijs in de Nederlandse taal was ondermaats. Fysica stond op het peil van een gymnasium. Na het overlijden van Brugmans (1819) werd een theoloog, volkomen onbedreven in de zoĂślogie belast met de colleges dierkunde, althans volgens Hermann. Weliswaar als theoloog een zeer geleerd man, maar ter zake van de vergelijkende biologie volkomen onbekwaam. Hermann noemt overigens de naam van deze geleerde niet. Het betreft hier Van der Hoevens leermeester J. Clarisse (1774-1846), inderdaad theoloog, maar zeker geen onbeschreven blad in de natuurlijke historie.

152

Hier hoor je Hermanns gan-

zenveer in boze verontwaardiging over het papier krassen bij de herinnering aan de strijd tegen de universiteit die hij geleerd had te zien als een bolwerk van trotse hovaardigheid en met een College van Curatoren (CvC) dat haast in eendracht met zijn professoren het gemunt had op de zelfstandigheid van het Museum. Naar het scheen in nauwe alliantie met hun inmiddels te goeder naam en faam bekend staande hoogleraar in de vergelijkende anatomie Jan van der Hoeven. Hermann verwoordde zijn motivatie zijn autobiografie op te nemen als inleiding op het boek dat hij als zijn magnum opus nalaten wilde, aldus:

G. Schlegel, Levensschets, p. 15. idem, p. 27. 152 W. Otterspeer, De wiekslag van hun geest, p. 196. 150 151

74


Mijne levensbeschrijving, die ik trouwens als lid der Academie niet ontgaan kan, had ik gaarne aan anderen overgelaten, indien niet zoveel van mijn daden in vergetelheid begraven waren. Het is wel is waar een stuitend gevoel, zich zelve op den voorgrond te moeten plaatsen, of zelf toe gezwaaide lof te moeten verkondigen, maar als ik het laatste gedaan heb, is dit met geen ander doel dan den bozen te leren hoe de goeden over mij gedacht hebben. 153

Positief is zijn oordeel over enkele leermeesters die voor hem van belang waren, althans zo schreef hij het op aan het eind van zijn leven. S.J. Brugmans (1763-1819) die hij ‘veelomvattend en scherpzinnig’ noemt, was het die veel ontvreemd materiaal dat in de Franse tijd naar Parijs was overgebracht, terug wist te halen naar het Leidse Museum. Hermann kwam bij wijze van spreken deze geleerde dagelijks in de verzameling tegen. De ontleedkunde van Gerard Sandifort (1779-1848) vond hij leerrijk, maar zijn colleges weefselleer en fysiologie liepen achter. De Zwolse arts en latere hoogleraar in Groningen, Isaäc van Deen (1805-1869), de alias van Isaäc Abrahamsen, liet hem deelnemen aan zijn fysiologisch onderzoek. Van Carl Gobée (18041857), die hij een wetenschappelijk gevormde geneesheer noemt, kreeg hij een privaatcollege over histologie en fysiologie. Caspar Georg Carl Reinwardt (1773-1854) was echter zijn favoriete leermeester die op ‘zeer zorgvuldige wijze doceerde.’ Hij had in zijn leeropdracht chemie en botanie, aanvankelijk ook nog mineralogie en geologie. Later zou Hermann zich nog verdiept hebben in de colleges van J.G.S. van Breda (1788-1867) in de geologie en de paleontologie. Hij nam ook van een privaatdocent Nederlandse les. Van wie is onbekend.154 Nergens is er enig houvast wanneer en hoe lang Hermann colleges volgde en ook ontbreken data. Gustav tracht daar enig licht in te brengen door uit de door zijn vader nagelaten portefeuilles testimonia te noemen ten bewijze dat colleges werden gevolgd, uitgereikt door de hoogleraren Peerlkamp, Sandifort, Jacob de Gelder en Reinwardt. Hij voegt daar veelbetekenend aan toe ‘enzovoorts’, zonder verklaring helaas.155 Hij vermeldt dat zijn vader ingeschreven werd aan de Leidse universiteit op 16 oktober 1830. Over uitschrijven is niets bekend. Of hij in dat jaar en de jaren daarna colleges volgde, is eveneens onbekend. In ieder geval was hij in het studiejaar 1830-1831 onder de wapenen geroepen in verband met de Belgische Opstand. Of hij in dat jaar colleges liep als hij met verlof was wegens onmisbaarheid in het Museum, is mogelijk. Zoveel onduidelijkheid over de betekenis van zijn academische scholing maakt het des te nuttiger te reconstrueren hoe het onderwijs in deze periode was georganiseerd, zodat de rondgang van Hermann door de universiteit in perspectief kan worden gebracht met zijn weergave. G. Schlegel, Levensschets, p. 3. De rondgang door de Leidse universiteit beschreef Hermann in: G. Schlegel, Levensschets, pp. 27-31. 155 G. Schlegel, Levensschets, noot p. 28. 153 154

75


De geschiedenis van het Leidse academisch onderwijs in de negentiende eeuw is door Otterspeer in beeld gebracht. Kenmerkend was de acceleratie naar een grotere dynamiek en nuancering binnen de curricula. Deze waren het gevolg van specialisering in de wetenschap. Hij onderscheidt drie perioden die ieder voor zich kenmerkend waren voor de stand van het onderwijs, er op wijzend dat het om een kunstmatige indeling gaat, te zien als een hulplijn in een ontwerp. De eerste periode tussen 1815 en 1845 typeerde hij als de ‘gemoedelijke wetenschap.’ Vervolgens beschrijft hij de periode 1845-1875 als de ‘wetenschap van de ervaring’, die overgaat in de periode 1875-1905 getypeerd als ‘wetenschap en waarde.’156 Hermann heeft in de eerste periode zijn kennis opgedaan. Het onderwijs was toen encyclopedisch van aard. Het impliceerde een eenvoudige structuur van de faculteit wiskunde, waar de hoogleraren in principe werden ingezet in het hele domein dat de faculteit bestreek. Er was nauwelijks sprake van specialisatie, die zou eerst een eigen gezicht krijgen in de volgende perioden. De vaagheid in Hermanns beschrijving zou daarin kunnen zijn gelegen dat over zijn leerperiode eenvoudigweg niet meer te zeggen viel. Zijn studieplan was meer naar eigen inzicht ingericht, een vergaande vorm van selectief winkelen. Blijkbaar hechtte Hermann er toch waarde aan over te brengen dat hij had gestudeerd en wel op zijn eigen wijze. Dat concluderend voldoet hij aan zijn persoonlijk adagium op eigen kracht en keuze zijn doel te bereiken om zijn werk als museumbioloog goed te kunnen doen. Hij zocht die kennis niet alleen binnen de universiteit, maar ook daarbuiten in de persoon van de Zwolse arts Isaäc van Deen, ver voor deze in 1851 hoogleraar in Groningen werd. In deze rij noemde hij ook Carl Gobée, hij was een publicerende militair geneeskundige die erkenning vond voor zijn klinische standpunten. Deze werd daarvoor geprezen, ook door Hermann. De lessen van Van Breda moeten na 1830 hebben plaatsgevonden, omdat deze toen zijn positie in Gent verloor als gevolg van de Belgische Opstand. Hij werd in 1831 in Leiden benoemd. Maar zijn favoriete leermeester was Reinwardt die in 1822 was teruggekeerd uit Nederlands-Indië waar hij in 1816 heen was gestuurd. Na de dood van Brugmans in 1819 werd Reinwardt benoemd als hoogleraar. Tijdens diens afwezigheid moest worden voorzien in het onderwijs in de zoölogie, waarvoor de (fysico-) theoloog Jan Clarisse (1770-1846) was gevraagd. Ad interim, want Reinwardt werd terugverwacht na het volvoeren van zijn opdracht in Nederlands-Indië. Clarisse deed wat veel theologen deden: de studie theologie kiezen, om de handen vrij te hebben zich met hun interesse in de natuur bezig te houden door in Gods tuin te arbeiden. 157 Hij had zijn leven lang botanie beoefend en ook nog het boek van William Paley 156 157

W. Otterspeer, De wiekslag van hun geest, pp. 190-294. Idem, p. 196.

76


vertaald.158 Ook Hermann had die weg kunnen volgen want de mogelijkheid in de natuurlijke historie een inkomen te genereren was te gering in de ogen van zijn vader, maar hij had dat geweigerd. De verhouding tussen het ‘sRMvNH en de universiteit Voor Hermann moet de ontstaansgeschiedenis van het ‘sRMvNH een ingewikkelde zijn geweest.159 Enerzijds werd hij geïnformeerd over de herkomst van de verzamelingen die bestonden uit samenvoeging van verschillende collecties in het land tot één nationaal museum. Anderzijds bleek de overheid het toezicht op het Museum ondergebracht te hebben bij het College van Curatoren (CvC) van de Leidse universiteit. Hoe waren precies de gezagsverhoudingen? Het werd hem al snel duidelijk dat de verhouding tussen Museum en universiteit problematisch was. Temminck klaagde daarover, de conservatoren ook. De legitimiteit van de verbinding tussen de twee rijksinstellingen was uitvloeisel van regelgeving, maar de gevoelstemperatuur in het Museum jegens de universiteit was onderhevig aan schommelingen die om het vriespunt lagen, soms daar wat boven, maar meestal daaronder. De directeur van het Museum moest zich volgens die spelregels via het CvC tot de regering wenden. Alle correspondentie met de overheid diende deze route te volgen, inclusief die over financiële zaken, kortom een toezichthouder die over de schouder van de directeur van het Museum meekeek. En die ook nog eens huisbaas was van de gebouwen waarin het Museum was gevestigd. Temminck had zo het gevoel onder curatele te staan. Hij ontdook dan ook met regelmaat de regels, werd gecorrigeerd en volhardde in eigenzinnigheid, dat aan de verdere verhoudingen ook weer geen goed deed. De hoogleraren dierkunde waren voor hun onderwijs aangewezen op het Museum, dat op haar beurt tot taak had het onderwijzend personeel en hun studenten te faciliteren. Hierin school de controverse die uitsteeg boven voorgaande fricties. Ze werkte als een smeulende veenbrand die het CvC moet hebben ervaren als lastig, het Museum als ‘levensbedreigend’ voor hun wettelijk verankerde zelfstandigheid, en die de hoogleraar Jan van der Hoeven tot wanhoop dreef. De juridische kant van de zaak is in het proefschrift van Gijzen uitvoerig gedocumenteerd. Aanleiding tot en uitwerking van de regels zijn minutieus weergegeven.160 L.B. Holthuis publiceerde in

158 William Paley en Johannes Clarisse, Natuurlijke godgeleerdheid, of bewijzen voor het aanwezen en de volmaaktheden der godheid, afgeleid uit de verschijnselen der natuur. Naar de zevende uitgave in het Engelsch vert. en met eenige bijvoegsels en aant. vermeerderd, door J. Clarisse (Amsterdam, Johannes Allart 1810); Oorspronkelijke titel: William Paley, Natural theology; or evidences of the existence and the attributes of the Deity, collected from the appearance of nature (Londen, J. Faulder 1802). 159 Agatha Gijzen,‘s Rijks Museum van Natuurlijke Historie 1820-1915. 160 idem, pp. 22-42.

77


1995 een studie waarin hij de geschiedenis van de medewerkers van het Museum voor het voetlicht bracht. Het had hem als museumbioloog bevreemd dat de betrokkenheid van de medewerkers vanaf de stichting van het Museum in publicaties niet of nauwelijks aandacht had gekregen, met uitzondering van de conservatoren. Hen recht te willen doen motiveerde hem hun grote betrokkenheid en veelal langdurige dienstverbanden, die tot dan geen aandacht hadden gekregen, vast te leggen. Hij liet ook niet na de verhouding tussen universiteit en Museum onder de aandacht te brengen als een reëel bestaande problematiek.161 Het CvC vertoonde ten opzichte van het Museum in zijn handelen een zekere ambivalentie. Dat voedde de vrees dat de zelfstandigheid van het Museum niet gegarandeerd was. De klaarblijkelijke twijfel aan de integriteit van de directie was een motor voor het levend houden van wantrouwen en irritatie. Temminck beleefde het alsof er aan zijn stoelpoten gezaagd werd, ondergangsvrees drukte zich uit in een mate van paranoia jegens de universiteit en haar – zo werd het ervaren – imperialistische neigingen. Een korte opsomming van de feiten die aanleiding waren voor het tot stand komen van in het land aanwezige verzamelingen van natuurhistorische voorwerpen is voor een goed begrip noodzakelijk, onder verwijzing naar de achterliggende bronnen, zonder hierop in detail in te gaan. Het gaat in deze studie immers om de positie van Hermann Schlegel in dat proces die in de geschiedenis van het ontstaan van het Museum binnen kwam toen de institutie haar grondslag had gekregen en al ongeveer vijf jaar operationeel was. Het duurde niet lang of hij had zich geïdentificeerd met het binnen het Museum algemeen gevoelen van dreiging. Een cruciale rol bij het tot stand komen van het Museum speelde haar directeur Temminck.

162

Deze Amster-

damse telg uit een regentengeslacht had de grote belangstelling voor natuurlijke historie van zijn vader voortgezet in een eigen verzameling die in zijn huis in Amsterdam kon worden bezocht. Hermann typeerde hem veelbetekenend als ‘hoveling’, een begrip dat hij maar al te goed kende uit zijn geboortestad Altenburg als hofstad. 163 Zijn verzameling bestond uit vooral ornithologische voorwerpen, daarnaast uit zoogdieren en insecten. Temminck had gedurende de afwezigheid van C.G.C. Reinwardt, toen deze verbleef op Java, tijdelijk het beheer gevoerd over de vertebraten verzameld onder gezag van Koning Lodewijk Napoleon (1806-1810). Die waren ondergebracht in het Trippenhuis in Amsterdam. Temminck was een gefortuneerd man, gewend in kringen van het staatsgezag te verkeren. Het gaf hem de gelegenheid zich over te L.B. Holthuis, 1820-1958. Rijksmuseum van Natuurlijke Historie, (1995) passim. W. Vrolik, ‘Levensbericht C.J. Temminck’ in: Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Jaarboek KNAW 1857 (Amsterdam), pp. 65-80. Vgl.: J.A. Susanna, ‘Levensschets van Coenraad Jacob Temminck’, Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1858. pp. 47-78 . 163 G. Schlegel, Levensschets, p. 24. 161 162

78


geven aan het bestuderen van de zoölogie, waarin hij ook als auteur een oeuvre opbouwde dat werd geprezen in kringen van verzamelaars. Temminck ijverde ervoor natuurhistorische verzamelingen in het land te bundelen in een ‘Koninklijk Nationaal Historisch Museum’ dat representatief zou zijn voor het land. Deze beweging had ook in andere landen, zoals Frankrijk, Oostenrijk en Groot-Brittannië, tot indrukwekkende verzamelingen geleid. Hij vond weerklank voor zijn plannen bij de pas aangetreden Koning Willem I die onder internationale welwillendheid de kroon verwierf van het Koninkrijk der Nederlanden na het herschikken van Europese naties in 1815, overeengekomen tijdens het Weens Congres. Ingezien werd dat Nederland zich als natie kon profileren in het buitenland, temeer daar haar door de Engelsen teruggegeven koloniale bezittingen een unieke kans boden om een grote toevoer van voorwerpen van natuurlijke historie te genereren en daarmee het koninkrijk aanzien te geven. Samenvoegen van alle verzamelingen in het land zou voorts verhinderen dat alle universiteiten en athenea eigen verzamelingen zouden aanhouden. Een kleine verzameling voor hun onderwijs kon uit doubletten worden verzorgd door het gecentraliseerde Museum als zelfstandige institutie. Deze rationalisatie van bezit, verspreid over kabinetten, beheerd door publieke instellingen als universiteiten, genootschappen en particulieren, won het pleit. De universiteit in Leiden had verschillende Kabinetten, beheerd door hoogleraren, in de loop van de eeuwen zien uitgroeien tot een aanzienlijke omvang. Koning Willem I droeg in 1815 professor Brugmans op de voorwerpen terug te halen die in de Napoleontische tijd naar Parijs waren gebracht, waartoe ook het bezit van het Kabinet van stadhouder Willem V in Den Haag hoorde. Brugmans slaagde daarin, maar niet alles wat de familie van koning Willem I had toebehoord, keerde terug. De compensatie voor de voorwerpen die de Franse regering niet wilde teruggeven had niet de kwaliteit die het achtergebleven stadhouderlijke bezit had. De koning besloot om die reden afstand te doen. Hij wilde deze gehavende collectie niet terug en schonk die aan de Leidse universiteit.164 Temminck was bereid zijn verzameling aan het rijk te verkopen en sloot een deal. Hij zou directeur worden van het te stichten nationale museum van natuurlijke historie, tegen een jaarlijkse vergoeding van 2000 gulden en een lijfrente op het leven van zijn echtgenote van 3000 gulden. 165 Zo kwamen de collectie Temminck, de verzameling van de Leidse universiteit en een deel van ‘s Lands Kabinet van Natuurlijke Historie bijeen, nog aangevuld met enkele kleinere verzamelingen.166

Agatha Gijzen, ‘s Rijksmuseum van Natuurlijke Historie 1820-1915, p. 26, KB 2 november 1815, nr. 58. L.B. Holthuis, 1820-1958, Rijksmuseum van Natuurlijke Historie, pp. 10-11. 166 KB 9 augustus 1820, nr. 75. KB 31 december 1820 werd de naam bepaald als ’s Rijks Museum van Natuurlijke Historie. 164 165

79


De positie van het CvC als toezichthouder van de rijksoverheid werd gecompliceerd doordat het Museum werd gevestigd in gebouwen die eigendom waren van de universiteit. Als beheerder van deze gebouwen moest voortdurend met de verhuurder tot overeenstemming worden gekomen en werd het college uitvoerder van beheerstaken. De toegewezen ruimte vertoonde vanaf de oprichting grote gebreken, voortdurend waren aanpassingen nodig ter bestrijding van ongemakken als schimmelvorming, achterstallig onderhoud en verbouwingen naarmate de verzameling in omvang toenam. Dat alles maakte de uitoefening van het toezicht er niet gemakkelijker op. Als er een budget kwam voor een aanpassing, moest de eigenaar van het gebouw instemmen met de verbouwing en die vaak ook laten uitvoeren, binnen het budget dat door de overheid daarvoor ter beschikking werd gesteld. Temminck was er de persoon niet naar zich lankmoedig daaronder te gedragen. Integendeel, hij gebruikte zijn maatschappelijke status om het CvC waar mogelijk te omzeilen en vervolgens rechtstreeks deuren te openen op zo hoog mogelijk niveau in de hiërarchie van het landsbestuur waar hij zijn relaties had. Vaak voelde hij zich letterlijk geknecht door de bureaucratie van CvC en overheid. Het was een rol die hem niet lag, alleen al niet omdat hij gewend was te bevelen in plaats van te gehoorzamen. Wat Temminck tegenstond, was dat de Nederlandse staat zijn persoonlijke verzameling ‘vereerd’ had aan de Leidse universiteit, weliswaar onder de conditie dat deze zou worden toegevoegd aan al datgene wat in het bezit van de universiteit over zou gaan naar het ‘sRMvNH. De universiteit bleef een beetje eigenaar van wat uit haar instelling was overgebracht. Die uitwerking van zijn deal met de staat beviel hem dus allerminst. Zijn vrees was geboren dat deze constructie de zelfstandigheid van het Museum zou uithollen, zo niet tot een farce zou maken. Aangezien het zijn voormalig familiebezit betrof, voelde hij dat als een persoonlijke bedreiging. In de dagelijkse praktijk kregen de conservatoren te maken met de spanning tussen wat de hoogleraar zoölogie zijn studenten wenste te tonen en wat de conservator van de betreffende afdeling op grond van diens instructie was toegestaan hen aan te bieden. De hoogleraar vergelijkende anatomie moest voldoen aan de voorwaarden voor het uit de kast halen van voorwerpen en de conservator moest er voor zorgen dat het niet door het van hand tot hand gaan tijdens colleges in het museum beschadigd werd en zelfs onbruikbaar zou worden. Een belangenconflict was geboren. Zo nu en dan werd duidelijk dat zowel het CvC als de hoogleraar vergelijkende anatomie elkaar konden vinden in de wens het Museum binnen de universiteit terug te brengen. Enig begrip daarvoor lag voor de hand, daar de ongemakkelijkheden waren ingebouwd in de definiëring van de institutie, wettelijk vastgesteld nog wel. Er is een brief bewaard gebleven waarin Temminck zijn nood klaagt bij zijn ‘Hoog Welgeboren Heer Vriend’, de Minister van BiZa, de heer Van Doorn. Temminck laat weten hoe zeer hij teleurgesteld is in de uitwerking 80


van zijn plan de verstrooide verzamelingen natuurhistorische voorwerpen bijeen te brengen in een onafhankelijk Rijksmuseum. Hij wil de bewindsman ‘zijn gevoelens over enige officieel behandelde punten’ vertrouwelijk meedelen. Zowel de laatste officiële missive, als door enige mij ter kennis gekomen berichten en handelingen is het mij ten duidelijkste gebleken, dat de wens, om ‘sRMvNH weder onder onmiddellijk beheer van Heren Curatoren te stellen, opnieuw ter sprake is gekomen, en zelfs, blijkens ons laatste mondgesprek met Uw Welgeb. enig veld bij het Ministerie schijnt gewonnen te hebben.167

De oorzaak daarvan is Temminck duidelijk. Hij ondervond al jaren teleurstellingen en onaangenaamheden van de zijde van het toenmalige Koninklijke Instituut onder koning Lodewijk Napoleon en het college van professoren ‘die hem wedijverend en afgunstig’ gezind waren. Dat was al duidelijk geworden toen koning Lodewijk Napoleon hem een aantal keren eerst opvoerde op de lijst van kandidaten voor ‘het te benoemen Instituut’ en later weer schrapte. De toenmalige koning zelf gaf de reden aan: Temminck werd als een halve geleerde gezien omdat hij geen academische opleiding had genoten. Zijn prestatie de verzamelingen in het land onder één instituut te brengen en het wetenschappelijk onderzoek naar natuurhistorische voorwerpen in de overzeese gebieden te bevorderen, kreeg niet de waardering die het verdiende. Fijntjes verwijst Temminck naar de twee doctoraten honoris causa die hij aan de universiteiten in Groningen en Jena verwierf. Helaas leidde dit niet tot erkenning in de academische wereld. En daar komt de knechting nog bij van de zijde van het CvC die hij ziet ‘als een republikeinse instelling bestaande te midden van het Koninkrijk.’ Hij wenste zich niet door ‘subalterne ambtenaren’ te laten koeioneren. Hij dreigde daarom zijn positie op te geven, om zich in alle rust aan zijn wetenschappelijke studie over te kunnen geven. Zo’n vaart liep het echter niet: Temminck zou tot zijn laatste adem verbonden blijven aan het Museum, maar niet probleemloos. De controverse van dilettant tegenover erkende academici bleef bestaan. Hermann Schlegel had hetzelfde etiket. Waar Temminck steeds minder ging publiceren, ging Hermann hem al snel overvleugelen. Zijn keuze indertijd om een opvolger te zoeken voor Boie, of hij nu een academische graad had of niet, deed niet ter zake. Het ging Temminck om de praktische vaardigheden die hij nodig had om het vele handwerk in het Museum te kunnen laten doen.

167 NL-HaNa, Rijksmuseum Natuurlijke Historie, 3.12.17, inv. nr. 11, serie E officiële correspondentie, kenmerk nr.210 b, van de Minister van BiZa G.C.J. van Reenen de dato 27 augustus 1853 met in bijlage, toegevoegd een kopie van de brief van C.J. Temminck aan de Minister van Biza H.J. Baron van Westcapelle, kenmerk vertrouwelijk op 29 april 1834.

81


Temminck noch Schlegel kwamen van de dilettantenstatus af. Het verschil tussen beiden is dat Hermann geen gebruik kon maken van de maatschappelijke status te behoren tot een patriciërsfamilie. Evenmin beschikte hij over vermogen in de vorm van een familiekapitaal. Hij kon ook niet bogen op machtige vrienden, maar moest het doen met zijn bekendheid met de Duitse natuurhistorische organisaties. Als burgerman zag hij het als een voordeel dat hij in Nederland minder last had van de zo strikte scheiding in standen als in Saksen het geval was. Hij kon zich in Leiden makkelijker een weg banen naar gelijkgestemden in kringen van natuurhistorisch geïnteresseerden en muziekliefhebbers. Vanzelfsprekend vond hij die in belangrijke mate onder landgenoten die zoals hij in Nederland terecht waren gekomen. Vriendschappen in Nederland Het was zijn wens zich in Leiden te presenteren teneinde een kennissenkring op te bouwen. Met het oog op die wens had hij met zijn beide inzendingen voor uitgeschreven prijsvragen gescoord. Hoe zijn sociale omgeving eruit zag is te herleiden aan de vriendschappen die hij opbouwde. Hermann bleek in staat mensen aan zich te binden. Hem wordt wel verweten vooral die contacten naar voren te brengen die zijn maatschappelijke positie illustreren. Hij toonde ermee aan op voet van gelijkheid om te kunnen gaan met vooraanstaanden. Dat kan geïnterpreteerd worden als het etaleren van een geslaagde stijging op de maatschappelijke ladder. Het kan zowel gebaseerd zijn op zelfinzicht als op gevoelens van minderwaardigheid. Het kan, tenslotte, ook dienstbaar zijn aan zijn doel zich een hogere positie in de samenleving te verwerven en kan als zodanig als een vorm van carrièrisme worden opgevat. De manier waarop hijzelf personen met wie hij omging in Altenburg en Wenen naar voren haalde, is te vergelijken met zijn beoordeling hoe dat in Leiden in zijn werk ging. Over de jaren in Dresden werd dienaangaande in de Levensschets niets vernomen. Hermann was daar klaarblijkelijk terug in het ambachtelijke milieu waaruit hij voortkwam. Hermann volgde het liberale standpunt van zijn vader. Hij was in Dresden leerling geelgieter en miste er de natuurhistorische contacten binnen de NFGdO. Dat leverde hem het gevoel op in deze stad niet verder te komen. In Altenburg liftte hij mee op de positie van zijn vader als geacht burger en ambachtsmeester in de kring van de Loge van vrijmetselaars waar de mannen van wetenschap en cultuur zijn vader als broeder hadden toegelaten. Leidend waren de idealen van de vrijmetselarij voor zover deze de plicht vertegenwoordigden ‘een goed mens’ te zijn, tolerant en de christelijke ethiek te praktiseren onder het gezag van het sapere aude dat boven het denken in standen uitging, hetgeen hem bijzonder aansprak. Via zijn contact met de vogelpastor en diens bekendheid in de wereld van de ornithologie was hij in aanraking gekomen met vooraanstaande personen in de natuurlijke historie. Bij het verlaten 82


van het ouderlijk huis kreeg hij aanbevelingsbrieven mee voor verdere contacten, zelfs één voor Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832). Hij zag ervan af deze te gebruiken omdat hij zelf vond dat de afstand tussen hem en deze beroemdheid vooralsnog onoverbrugbaar was. Het feit dat hij het opnam in zijn autobiografie spreekt voor zich. Hermann leerde gebruik te maken van zijn contacten in houding en gedrag, met het oog op het realiseren van zijn ambities. In Wenen waren zijn baas Freiherr Von Schreibers en diens vrouw van aanzienlijke familie. Hij liet weten hoe hij via deze familie in contact kwam ‘met een gedeelte van het hofleven, voldoende om het te doorzien en mij met het wezen en de gebruiken ervan vertrouwd te maken.’ Hermann maakte er kennis met Graaf Pethény, die mij met innige liefde opnam, innige vriendschap met mij aanknoopte, en mij, onder bedreiging van het verlies van onze broederschap, dwong huisvesting, kost en alles wat ik wenste te delen toen hij er achter gekomen was, dat ik, om geld voor boeken te sparen, mijn middagmaal tot een in eenzaamheid genoten stuk brood en dronk water had beperkt.168

Eenmaal in Leiden aangekomen memoreert Hermann de namen van personen met wie hij op goede voet kwam te staan. Mr. A.O.E. Graaf van Limburg Stirum (1803-1858) beschreef hij als ‘een edel, hoogst onbaatzuchtig man, die mij later, als burgemeester der stad en curator van de hogeschool, vooral in de museumkwestie, grote diensten bewees.’169 Baron Huysen van Kattendijke leerde hij in het jaar 1830 te velde kennen, toen gelegerd achter de linies in Brabant. Nadat beiden het uniform weer hadden uitgetrokken, woonden ze enige tijd in hetzelfde huis. Hij prees deze vriend vanwege zijn fijn beschaafd karakter en als kenner van muziek, waarvoor ook Hermann een grote passie had. Zij maakten samen wel grotere reizen. Deze vonden doorgaans in de zomer plaats. Hij waardeerde hem ‘als man vrij van vooroordelen, maar zeer gesloten, van helder inzicht, grote mate van matigheid en streng ordelievend.’ Hermann maakte via hem kennis met zijn vader die Hofintendant was en later Minister van Binnenlandse zaken werd. Deze richtte de verdienstelijke Hofkapel op. Een jongere broer werd Minister van Marine. Het was een muzikale familie. Een bijzondere band ontwikkelde Hermann met C.G.C. Reinwardt. Hij volgde zijn lessen die hij hoog schatte. Hermann bewaarde in de portefeuilles die Gustav onder bewaring en beheer kreeg, een in het Latijn gesteld document, waarvan de inhoud voor Hermann lovend was. Het was geschreven als een aanbeveling. Het document is niet gedateerd. Toen er zich een

168 169

G. Schlegel, Levensschets, p. 18. idem, p. 34.

83


gelegenheid voordeed ervan gebruik te maken, schreef Hermann dat niet gedaan te hebben. Of de tekst in zijn voorgenomen magnum opus een plaats zou hebben gekregen weten we niet, maar zeker is wel dat hij het gebruikte in zijn autobiografie. Hermann schreef: Bij het doorsnuffelen van oude, half of geheel vergeten schrifturen, vond ik een testimonium, dat Reinwardt mij gaf om daarvan bij een eventuele keuze van een Directeur des Museums gebruik te maken. Toen dit ogenblik vele jaren later aanbrak, hield ik het voor overbodig mij daarop te beroepen, maar laat het thans hier volgen, omdat het mij niet onverschillig is, dat men wete hoe deze gevierde man over mij dacht. 170

De welluidende Latijnse tekst laten we hier in Nederlandse vertaling volgen. 171 Bijna zes jaren geleden bereidden de zeergeleerde en deskundige heren natuurvorsers Henri Boié en H.G. Macklot een reis voor naar Oostindië, om de Natuurlijke Historie te bevorderen en om het koninklijk Historisch Museum waar Leiden zo trots op is te verrijken. Omstreeks dezelfde tijd kwam Hermann Schlegel naar deze stad, een zeer achtenswaardige man, beroepen uit Wenen, als hun opvolger en als adjunct-directeur van het Museum, om hier conservator te zijn en onderzoek te doen naar alle dingen in de natuur betreffende de gewervelde dieren; hij was uitstekend voorbereid om deze taak op zich te nemen, zowel door zijn nauwgezette studie van de natuurlijke historie als door de vele practica (proeven) van de experts in het Keizerlijk Museum van Wenen en tenslotte door het voorbeeld dat de superieuren van dit museum hem gegeven hadden. Hoe nu Schlegelius deze functie vervuld heeft, toont ons zowel de zeer rijke Zoölogische collectie waarin het Museum van Leiden uitmunt, met diens zorg kunstig en schitterend samengesteld, afgebeeld volgens het uiterlijk van het levende dier en ingedeeld naar de wetten van de kunst, en leert ons ook het enthousiasme van de directeur, een zeer beroemd man; tenslotte wordt dit bevestigd door de bewondering van allen die het Museum regelmatig bezoeken. Zoveel inspanningen als Schlegelius geleverd heeft, hoeveel kunstzinnigheid, inzet, zorg en kennis van de hele Natuurlijke Historie is geweest, kenners hoeven hieraan niet herinnerd te worden. En ook heeft hij werkelijk niets nagelaten dat of kon bijdragen om zijn ambt naar behoren uit te voeren, of waarmee hijzelf zijn kennis kon vergroten. Met de studie van de natuur combineerde hij zijn tekentalent, met zo’n vruchtbaar succes dat hij, als het ware levende afbeeldingen zelf van de levende dieren neerzet voor de ogen van zijn medewerkers om ze na te tekenen, en dat hij werkelijk al zijn observaties, met het uitwerken waarvan hij druk bezig is, illustreert met betrouwbare en zeer fraaie afbeeldingen.

G. Schlegel, Levensschets, p. 28-30. De Latijnse tekst is onder grote dank mijnerzijds vertaald door drs. Anny Krijne-Peters, drs. Marits NiestenMoulijn en dr. Frans Slits. Zie voor de Latijnse tekst bijlage 1. 170 171

84


Vervolgens heeft hij onafgebroken colleges gevolgd over wiskunde, fysica, chemie, anatomie en fysiologie van professoren in de Leidse academie, kortom die colleges waarmee de verschillende onderdelen van de natuurlijke historie raakvlakken hebben. Talen van verscheidene volkeren heeft hij zich dusdanig eigen gemaakt, dat hij die placht te gebruiken als zijn moedertaal en als het Nederlands (de inheemse taal). Onder al deze bezigheden verwaarloosde hij niet de studie van de humanistische letteren, zowel de klassieke als de meer recente, om zijn talent te polijsten en zich eigen te maken goed te schrijven in elegant proza. Omdat hij zich door dit alles een overvloed aan velerlei kennis verworven heeft vloeide daar evenzeer uit voort dat hij de (Literaire) kunst bevorderde en zijn inspanningen op dit gebied aanwendde ten voordele van de Natuurlijke Historie. Als bewijs dienen meerdere reeds verschenen publicaties van hem,waarvan er twee, aangeboden aan de zeer beroemde Haarlemse sociëteit van wetenschappen, om te antwoorden op de door deze sociëteit voorgelegde vragen,waardig zijn bevonden om met de hoogste beloning, vastgesteld voor de beste antwoorden, namelijk een gouden munt te worden gehonoreerd. Andere geschriften van hem zijn nog voorhanden in de allernieuwste boeken, die de Keizerlijke Leopold Academie van natuurvorsers en de eerste klasse van het Koninklijk instituut hebben uitgegeven. Bij al die overvloed aan geleerdheid die Schlegelius heeft, komen nog bij zijn zeer onbaatzuchtige en innemende manieren, en ook zijn milde behulpzaamheid; met al deze eigenschappen heeft hij zich gemakkelijk vrienden gemaakt, en heeft hij allen die regelmatig met hem omgingen voor zich gewonnen en tot huisvrienden gemaakt.

Reinwardt schreef deze tekst naar eigen zeggen ongeveer zes jaar nadat Boie en diens reisgenoten naar Nederlands-Indië vertrokken waren. De heren kozen zee in december 1825, zodat het vermoeden gerechtvaardigd is dat hij de tekst in 1831 schreef. Hij behoorde tot de bezoekers van de concerten die regelmatig ten huize van de Schlegels werden gegeven. Een eveneens levenslange vriendschap bestond er tussen Hermann en Abraham Hendrik (Ab) Verster van Wulverhorst (1796-1882). Deze patriciër kwam uit Brabant, maar werd in het huis van Baron Johan Meerman (1753-1815) opgevoed, te midden van een boekenschat die nog steeds te bewonderen valt in het Haagse Museum Meermanno Westrenianum. Hij had de functie van opperhoutvester en inspecteur-generaal van de Jacht in de Nederlanden. Verster van Wulverhorst had Hermann een brief geschreven over een natuurhistorische kwestie die uitgroeide tot een geregelde correspondentie. Ab nam na verloop van tijd het besluit dicht bij Leiden in Noordwijk te gaan wonen om zo niet alleen schriftelijk maar ook mondeling met Hermann van gedachten te kunnen wisselen. Beiden waren natuurliefhebbers en hartstochtelijke jagers. Ge-

85


durende hun tochten in de duinen en op het water onderhielden ze elkaar met langdurige filosofische gesprekken. Hun families raakten met elkaar verweven en bovendien speelde het Museum in beider leven een rol. Een zoon van Ab, Florentinus Abraham (Floor) Verster van Wulverhorst (1826-1923), werd op 1 januari 1860 administrateur-secretaris van het Museum. Evenals zijn vader vervulde hij in de Leidse gemeenschap zijn rol als lid van het patriciaat. Hij was rentmeester van het Hoogheemraadschap Rijnland, lid van de Gemeenteraad en penningmeester van het tekengenootschap Ars Aemula Naturae. Diens zonen Floris Hendrik (1861-1927) en Cornelis Willem (1862-1920) waren vaak te vinden in het ‘sRMvNH waar zij dieren tekenden. Floris ontwikkelde zich tot een belangrijk kunstenaar. Hendrik werd journalist en kunstcriticus. Hij werd directeur van het museum De Lakenhal. In de collectie van dat musem is veel werk van Floris bewaard, waaronder tekeningen gemaakt door hun ouders en de jongens zelf in hun kinderjaren.172 Vader Floor was voornemens een boek uit te geven over Nederlandse vogels; het bleef echter bij een voornemen. Ab Verster had een belangrijk aandeel in het fameuze boek op Olifantenformaat Traité de Fauconnerie.173 De vriendschap met Ab Verster was gebaseerd op een onderling sterke overeenkomst in karakter en belangstelling. Hermann beschreef wat hij in zijn vriend bewonderde in de Levensschets: Deze, in het huis van zijn’ oom Baron Meerman opgevoed, en die zijne vorming aan diens grote bibliotheek te danken had, had zijne volstrekt eigenaardige beschouwingen bewaard, en was, geruggensteund door een zeldzame gave, zo diep in het menselijke kennen doorgedrongen, dat hij, ook buiten zijn vak, hetwelk hij met Duitse grondigheid kende, in elke andere betrekking zeker een man van betekenis zoude geworden zijn, indien hij er niet de voorkeur aan gegeven had, om, door de vrije natuur omringd, het menselijke leven te bestuderen, ten einde zijn’ bijtende spot en ontkennende geest, in een geheel Mephistologisch karakter, den vrije loop had gelaten. 174

De beide families waren in elkaars leven een stabiele factor. Wat hen raakte en verbond was de gedeelde passie voor de natuur.

172 Joost de Wal (red.), Floris Verster (1861-1927), tentoonstelling van werken, 25 oktober 2002-3 maart 2003, Stedelijk Museum De Lakenhal in samenwerking met de stichting Groenoord, Oegstgeest (Leiden, 2002) pp. 1118. Bob van Zijderveld, ‘De Schilderkunst van Floris Hendrik Verster van de Wulverhorst (1861-1927)’, Locus. Tijdschrift voor studenten en docenten cultuurwetenschappen aan de open universiteit, nr. 13/2003 pp. 36-38. 173 H. Schlegel en A.H. Verster de Wulverhorst, Traité de Fauconnerie, planches par J.B. Sonderland et M. Wolf Imp. folio (Leiden, Arnz 1844-1853). Vgl. de facs. uitgave Londen 1979. 174 G. Schlegel, Levensschets, p. 42.

86


Een vriendschap die voortsproot uit het gezamenlijk volgen van lessen chemie door Hermann en Frederick Kaiser (1808-1872), ‘die aan astronomie deed’, was voor het leven.175 Hij was een wat stille teruggetrokken figuur die met aandacht de lessen volgde. Hermann maakte kennis met hem en kwam onder de indruk van zijn kennis van de sterrenkunde. Ze raakten bevriend, waren nagenoeg leeftijdgenoten. Frederick was van eenvoudige komaf die, tien jaar oud, zijn vader verloor die in Amsterdam onderwijzer Duits was. Dat maakte het bestaan voor het gezin niet eenvoudiger. Een oom die leraar wiskunde was en daarbij amateurastronoom, onderwees hem in dat vak. Na de dood van de oom nam hij, om in zijn levensonderhoud te voorzien, diens lespraktijk over. Zijn liefde ging echter uit naar de sterrenkunde. Hij werd op voorspraak van de Utrechtse hoogleraar Moll als talentvol gezien. Op diens aanbeveling werd Frederick in 1826 als observator toegevoegd aan de sterrenwacht, zonder medeweten van de verantwoordelijke lector J.P. Uijlenbroek. Zijn baas was vooral mathematicus en niet zo geïnteresseerd in de praktische sterrenkunde. Kaiser vond dat hij weinig perspectieven had in zijn functie, maar had nooit de hoop opgegeven ooit aan wetenschappelijk onderzoek toe te komen. Noch het verouderde, deels onbruikbare instrumentarium op de sterrenwacht, noch zijn baas deden er iets aan zijn perspectieven te verbeteren. In 1837 werd hij lector, in 1840 buitengewoon, en in 1845 gewoon hoogleraar. Al die jaren behoorde Kaiser tot de vriendenkring van de familie Schlegel. Hermann merkte over diens treurige omstandigheden op ‘ik had daarover wel willen wenen’.176 Kaiser zou veel later ook Gustav als leerling introduceren in de astronomie, die in zijn werk als sinoloog zich uitvoerig met de geschiedenis van de sterrenhemel zou bezighouden. De bewondering die Hermann voor Kaiser had is gebleven. In het gezin zal zijn inspanning om de Sterrenwacht te voorzien van deugdelijk materiaal op de voet zijn gevolgd. De nauwkeurige voorspelling die Kaiser deed van de dag en het uur waarop in 1835 de komeet Halley zou verschijnen bleek nauwkeurig: slechts een marge van 1,5 uur, hetgeen grote indruk maakte. Dat hij die waarneming deed met een geleende kijker, opgesteld op de zolder van zijn huis aan de Cellebroersgracht, waarvoor hij het dak moest openen, is heroïsch. Dat en zijn vermogen volle zalen te trekken voor lezingen om de sterrenkunde te promoten voor het gewone publiek, kreeg hartelijke instemming en bewondering van de Schlegels. Het waren diens doorzettingsvermogen, geleerdheid en vooral de overwinning van een dilettant die in de rangen van de geleerdenstand

Arno Schoenmakers, ‘Levensschets van F. Kaiser’, Leidsch Astronomisch Dispuut F. Kaiser, ftp://vg3.strw.leidenuniv.nl/pub/kaiser/kaiser_zelf.html (12 juni 2014). 176 G. Schlegel, Levensschets, p. 31. 175

87


opgenomen en geëerd werd, waar Hermann zich bij thuis voelde.177 De overeenkomsten in afkomst, carrière en ambitie lagen eraan ten grondslag, verwantschap in aard en geest waren de kenmerken. De vriendschap met Charles Lucien Bonaparte, Prins van Canino en Musignano (1803-1857) had als voedingsbodem het wederzijdse respect voor de collega ornitholoog met wie Hermann vakmatig had gecorrespondeerd. De prins was een zoon van van Lucien Bonaparte, een jongere broer van de Franse generaal Napoleon Bonaparte. De prins had biologie gestudeerd en was als zodanig in 1822 naar Amerika vertrokken. Van die correspondentie is niet veel teruggevonden, slechts tien brieven geschreven tussen 1837 en 1844.178 De inhoud is strikt zakelijk. Ze openen met ‘Mon cher Monsieur Schlegel’ en zijn ondertekend met ‘Charles, Prince Musignano.’ De brieven geven geen aanleiding de persoonlijke vriendschap te vermoeden die hen samenbond. Die is te lezen in de Levensschets, die de achtergrond van hun gezamenlijk contact duidelijk maakt. In 1841 bracht de prins zijn eerste bezoek aan het Museum. Hermann noteerde: ‘Ik koesterde voor hem eene warme vriendschap, en nog kort voor zijn uiteinde riep hij, zoals een der omstanders mij schreef, uit: ‘Schlegel was mijn beste vriend.’179 Hij beschreef de prins als een beminnelijk mens, grote kindervriend en in de familiekring een gewaardeerde gast. De politieke aspiratie van de prins Italië tot een republiek te smeden bracht hem in conflict met zijn neef, die in die tijd president van Frankrijk was, de latere keizer. Hij was actief als overtuigd republikein in de strijd Rome te verdedigen tegen diens leger. Zijn militie werd verslagen in 1849. Op de vlucht naar Frankrijk werd hij in Marseille tot persona non grata verklaard onder het regime van Napoleon III. Hij moest zijn heil buiten diens machtsinvloed zoeken. Hij zocht een heenkomen in Leiden, waar hij door het gezin Schlegel hartelijk werd ontvangen en hij was in het Museum niet minder welkom. De republikeinse instelling van de prins kon Hermann accepteren, maar niet waarderen. Tijdens hun wandelingen discussieerden zij over hun wederzijds beleefde gelijk. Bonaparte vond het de enig juiste regeringsvorm, Hermann vond Europa voor een republiek ongeschikt. Het volk had een leider nodig en kon zelf geen staatsgezag uitoefenen. Hermann verwees daarbij naar de Franse Revolutie, wat was daar niet voor onheil uit

Otterspeer, De wiekslag van hun geest, pp. 124-128. UBL Westerse Handschriften, BPL 2742, brieven VAN Charles Lucien Bonaparte, prins van Canino en Musignano AAN H. Schlegel, 5 brieven 1837-1840, resp. uit Londen, Florence en Rome; idem, BPL 2742, brieven VAN Charles Lucien Bonaparte, prins van Canino en Musignano AAN H. Schlegel, 5 brieven 1841-1844, resp. uit Londen, Marseille, Florence en Rome. 179 G. Schlegel, Levensschets, p. 48. 177 178

88


voortgekomen. Beide mannen konden goed met elkaar overweg en respecteerden elkaars standpunten. Dit verwijst naar de liberale levenshouding van Hermann die een gematigd standpunt innam ten opzichte van politieke constellaties. Hij stelde zich daarin afzijdig op. Hij was vaardig te overleven onder opgelegd gezag met een houding van leven en laten leven. Hermann liet Charles in zijn werkkamer aan zijn boek Conceptus Generum Avium werken, zodat zij de dagen in elkaars nabijheid waren.180 Samen schreven zij in die tijd de Monographie des Loxiens.181 Zijn vrouw en kinderen waren zeer gesteld op de gast; Charles kon dan ook delen in het gezinsleven van de Schlegels en de muzikale activiteiten in familiekring. De prins, zelf vader van twaalf kinderen, miste hen en zijn vrouw Zénaïde. Gustav voegde aan de tekst van zijn vader een noot toe die het kindvriendelijke karakter van de prins onderstreepte. Nog heden herinner ik mij uit mijne kinderjaren dezen beminnelijkste van alle vorsten. Hij kwam nooit ten onzent zonder iets voor de kinderen mee te brengen, en kreeg eens tranen in de ogen bij de vertoning van een chinees schimmenspel, dat hem zijne eigene jeugd, en die zijner kinderen in herinnering bracht, van welke hij door zijn ballingschap verwijderd werd gehouden. 182

Ook met deze persoon wist Hermann zich te verbinden. In hun relatie betoonde hij de bioloog die hij waardeerde om zijn ornithologische werk gastvrijheid en betrok hem bij zijn gezinsleven. Bovenstaande vriendschappen hebben gemeen dat ze Hermann er toe brachten deze personen, en zo ook zichzelf, in zijn autobiografie een podium te geven door hen met name te noemen. De kwaliteit van zijn netwerk toont Hermanns wens te laten zien dat hij niet van de straat was: toon mij uw vrienden en ik zeg wie u bent! Aan de weversjongens Kasper en Georg uit zijn jeugdjaren bewaarde hij een levendige herinnering. Dat gold ook voor de houtvester Geuther die hem leerde jagen. Van de glasblazer die hij naamloos opvoert, geeft hij aan geleerd te hebben de natuur nauwkeurig in al haar facetten te bestuderen en hoe voorwerpen te verzamelen. Hij bezocht hen nog aan het eind van zijn leven om herinneringen op te halen. In Wenen maakte hij contacten die profijtelijk voor hem waren bij zijn entree in Leiden. In Leiden koos hij een sociaal netwerk waarbinnen hij kon thuis raken. Door Marita Mathijsen is het karakter

180 Charles L. Bonaparte, Conspectus generum avium met medewerking van O.F. Finsch, dl. I 1850, dl II 1857, Index 1865 (Leiden /Düsseldorf, Arnz 1850). 181 C.L. Bonaparte en H. Schlegel, Monographie des Loxiens: ouvrage accompagné de 54 planches coloriées lith. après dessins de M. Bädeker(Leiden/Düsseldorf, Arnz 1850). 182 G. Schlegel, Levensschets, p. 45-46, noot.

89


van vriendschappen en de wijze van omgang in de negentiende eeuw in Nederland beeldend beschreven. Hermann past goed in haar visie op de negentiende eeuw: De negentiende eeuw is een burgermanstijd in de goede zin van het woord. De burger wordt mondig en neemt het heft in eigen hand. Het oude klassenonderscheid is vervaagd. De gewone burgerman kan voor het eerst sinds enige generaties van een dubbeltje een kwartje worden. 183

Strijd tegen problemen Naarmate Hermann beter ingevoerd raakte in het Museum kreeg hij steeds meer oog voor de beperkingen die het hoofd moesten worden geboden. Een korte inventarisatie van deze problemen leert dat het budget voor de exploitatie zo krap was dat voor elke onverwachte uitgave de overheid om additionele financiering moest worden gevraagd. Om het Museum operationeel te maken moesten de voorwerpen van verschillende herkomst geïnventariseerd, gecatalogiseerd en beschreven worden, en tenslotte geïntegreerd in de verzameling. Voor de afdeling Vertebrata kwam dat nu op Hermanns schouders terecht. Evenals zijn collega’s liep hij op tegen een chronisch gebrek aan ondersteunend personeel, noodzakelijk om het proces op een efficiënte manier te laten verlopen. Hij leerde daardoor, net als zijn collega’s dat deden, te roeien met de riemen die ter beschikking stonden. Ons doel is na te gaan welke strategieën hij gebruikte om toch zoveel mogelijk van wat hij als zijn verantwoordelijkheid zag te realiseren. Ook in zijn afdeling was er veel achterstallig werk. Verouderde, beschadigde, verkleurde voorwerpen moesten worden opgelapt of vervangen. Hij stond kritisch tegenover de wijze waarop de voorwerpen waren geëxposeerd, maar kon daar weinig aan doen, zolang geld voor ingrepen ontbrak. Nog belangrijker was dat Hermann door Temminck werd gehinderd veranderingen aan te brengen binnen zijn afdeling door hem de toegang te ontzeggen tot de voorwerpen waaraan hijzelf werkte. 184 Wenste hij verandering aan te brengen dan moest hij die bepleiten en bij afwijzing zich erbij neerleggen. Een escape daarvoor was paradoxaal genoeg zich te bepalen tot werk dat in de magazijnen op afhandeling lag te wachten. Hij richtte daarom zijn focus op juist die werkzaamheden waarbij hij zijn gang kon gaan. Het beoefenen van geduld en wachten op betere tijden vormden Hermanns belangrijkste strategie. Hoewel hij scherp waarnam hoe onbenaderbaar Temminck voor hem was, vermeed hij confrontaties die in zijn nadeel konden uitpakken. Wat dat betreft was Temminck als patriciër én als het gezicht van het Museum naar buiten een maat te groot voor hem. Hermanns pavloviaanse reactie van onderschikking aan het gezag speelde

183 184

Marita Mathijsen, Nederlandse literatuur in de romantiek 1820-1880 (Nijmegen, Vantilt 2004). G. Schlegel, Levensschets, p. 38.

90


hierin ook een rol. Maar ook de omstandigheid dat Temminck zelf distantie aan de dag legde, zoals hij kennelijk gewoon was om te doen, droeg bij aan het houden van afstand.185 Het verhinderde Hermann echter niet, waar dat kon, zich kritisch uit te laten over technische en wetenschappelijke aangelegenheden, afhankelijk van wat er aan de orde was. Zo kon hij aangeven wat volgens hem aan de verzameling mankeerde, zonder persoonlijk te worden. Hij volgde zijn plan naar het moment in de toekomst waarop hij zich vrij kon spelen om zijn eigen doeleinden te realiseren. Temminck was functioneel gezien daarin een cruciale factor. Tegelijk verschafte deze conflictmijdende houding hem de mogelijkheid zijn werkkracht daar in te zetten waar hij de minste weerstand ondervond. Hij besefte dat Temminck zijn inzet waardeerde en dat dit zijn positie ten goede kwam. De grote persoonlijke verzameling van Temminck bleef heel lang onuitgepakt. Temminck behield het te zijner tijd plaatsen ervan in de collectie aan zichzelf voor, zodat Hermann deed of die er niet was. Pas in 1838 kon de verzameling Temminck worden getoond aan de minister. Dat was achttien jaar na de aankoop door het Rijk! De voor de opstelling benodigde kasten mochten 6500 gulden kosten, maar dat bedrag was ontoereikend gebleken.186 Dus zag de minister ook toen nog niet de hele verzameling. De correspondentie over deze affaire beeldt de strijd uit die Temminck voerde om zijn verzameling in het Museum in te voeren op een wijze zijn voormalig bezit waardig. Telkens wanneer een minister vroeg waar die uitstalling toch bleef, wist hij hem te overtuigen dat het eenvoudigweg nog niet mogelijk was er ruimte voor te maken vanwege gebrek aan middelen. Hermann voelde zich als conservator in zijn werk door deze en andere belemmeringen beperkt. Veel tijd om daarbij stil te staan werd hem niet gelaten. De enthousiaste aanvoer van voorwerpen uit Nederlands-IndiĂŤ en van overal elders zorgde voor het ontstaan van een stuwmeer aan nog niet uitgepakte kisten. Het structureel tekort aan handen wreekte zich. Hermann wierp zich op het beschrijven van voorwerpen voor zijn afdeling. Het inpassen van noviteiten binnen de bestaande taxonomische regels vereiste veel studie, ook al omdat die regels nogal eens de neiging hadden te veranderen als gevolg van toegenomen kennis. De overheid drong er bovendien op aan dat de resultaten

W. Otterspeer, De wiekslag van hun geest, pp. 87-88. NL-HaNa, Rijksmuseum Natuurlijke Historie, 3.12.17, inv. nr. 18, serie D concepten kenmerk 45/844, 27 oktober 1838; idem, inv. nr. 7, serie E officiĂŤle correspondentie, kenmerk 176, 5 e afd., 3 november 1838. Archief Naturalis Biodiversity Center, Jaarverslagen, jaarverslag 1836-1838, kenmerk 14/868, 16 november 1839; idem, Jaarverslagen, jaarverslag 1828, kenmerk 8/341, 10 maart 1829; idem, Jaarverslagen, jaarverslag 1830, kenmerk 16/467, 29 augustus 1831; idem, Jaarverslagen, jaarverslag 1834, kenmerk 24/619, 1 juli 1834. 185 186

91


van het morfologisch onderzoek van voorwerpen afkomstig uit de koloniën werden gepubliceerd, hetgeen eenvoudiger was gezegd dan gedaan.187 Uitgevers wilden wel meewerken studies uit te geven, maar hielden hun investering, nodig om de publicatie op de markt te brengen goed in de gaten opdat er bij verkoop winst werd geboekt. De markt voor deze studies was, zoals reeds opgemerkt, niet groot. Het behoorde tot de taak van de conservatoren de door hen gewenste publicaties te begeleiden naar de markt door zelf een uitgever te zoeken. Als de uitgever meende dat de investering niet zou lonen, zag hij ervan af. Een beproefde methode was vooraf, via een brochure, geïnteresseerden te laten intekenen op een geplande studie, die als geheel of in afleveringen zou worden uitgebracht, nadat gebleken was dat er voldoende winst op kon worden gemaakt. De uitgave ging niet door als de intekening tegenviel of werd na enige tijd stopgezet. De uitgever vroeg meestal aan de auteur te bevorderen dat het Museum een aantal exemplaren voor eigen gebruik en distributie zou aanschaffen. Dat liet het geoormerkte budget van het Museum echter nimmer toe. Er moest in dat geval aan de regering een doelsubsidie worden gevraagd. Als Hermann het ministerie verzocht voor één van zijn publicaties in te tekenen op een aantal exemplaren op kosten van het rijk, kon Temminck een verzoek verwachten om advies. Een merkwaardige en bureaucratische werkwijze, die niet kon worden omzeild. Het kostte de directeur en de conservatoren veel hoofdbrekens de gewenste output in publicaties te bereiken. Hermann waardeerde dat Temminck hem vrij liet te publiceren. Dat zal hem hebben gestimuleerd de beperkingen in zijn bewegingsvrijheid binnen zijn afdeling te accepteren. Bovendien bevorderde publiceren zijn naamsbekendheid. Hermann voerde veel correspondentie met reizigers en verzamelaars. Zo onderhield hij contact met hen en gaf zijn wensen aan welke specifieke dieren hij nog niet of niet meer in de verzameling had. Hij ontmoedigde het zenden in het wilde weg van alles wat gevangen werd. Standaard adviseerde hij de reizigers hoe de kwaliteit van hun voorwerpen kon worden verhoogd, onuitputtelijk herhaalde hij de gulden regels voor preserveren, prepareren en verzenden. Het lezen van deze brieven dwingt bewondering af voor de stijl en de precisie waarmee hij formuleert. Hij heeft in zijn regelmatig handschrift en met een aangename dictie zijn brieven geschreven, meestal in het Duits of het Frans. Zijn stijl was die van een leraar die niet moe wordt boodschappen te herhalen, telkens op dezelfde geduldige toon. Een eigenschap overigens die ook naar voren kwam toen hij later ver-

187 NL-HaNa, Rijksmuseum Natuurlijke Historie, 3.12.17, inv. nr. 6, serie E officiële correspondentie, kenmerk 168, 21 oktober 1836 met opdracht van de koning te zorgen dat de verzamelresultaten van de leden van de NTKCie op Java worden gepubliceerd. Met bijlage: kenmerk 104, Buitenzorg, 27 februari 1836, wg. de GG. ad interim J.C. Baud

92


handelingen schreef over hoe hij het werk in het Museum graag geordend zag. Ditzelfde gebeurde in de correspondentie met zijn zoon Leander toen deze in Leipzig op het conservatorium verbleef. Een stijlverwantschap zo groot dat het als karaktereigenschap kan worden aangemerkt. Hij was het ook die reageerde op brieven die aan Temminck waren gericht en bij Hermann ter beantwoording terecht kwamen, omdat ze zijn afdeling betroffen. In dat werk ging veel tijd zitten. Hij gebruikte er de vroege ochtenduren tot het ontbijt voor, om daarna naar het Museum te gaan. Helaas zijn niet veel brieven die hij zelf schreef bewaard gebleven, wel veel die aan hem waren gericht. 188 Episode Leidse Jagers Politieke ontwikkelingen dienden zich aan in 1830 toen het zuidelijk deel van het koninkrijk in opstand kwam. De koning riep burgers op zich vrijwillig voor de krijg te melden om de problemen het hoofd te bieden. In Leiden waren het de studenten die met hun studentenweerbaarheid daarop intekenden. Hermann sloot zich bij hen aan. Zoals eerder vermeld werd, had hij zich laten inschrijven als student aan de Leidse universiteit.189 Het is waarschijnlijk dat hij deze inschrijving benutte om in het Korps Leidse Jagers te kunnen worden opgenomen als hij gehoor gaf aan de oproep van de koning. Dat was gunstig voor zijn conduitestaat, maar ook een garantie dat hij als student erkenning kreeg. Niet als gemeen soldaat maar met de status van de geprivilegieerden met eigen wapen en status. Hij was al wapendragend, doordat hij bij de stedelijke schutterij was ingedeeld om bij te dragen aan de bewaking van het Museum ter bescherming van het bezit tegen vandalen. Per brief bracht hij zijn directeur op de hoogte. Leiden, 7 Oktober 1830 Ik heb de eer, U WED.Gestrenge, bij deze te kennen te geven, dat ik sinds hedenmorgen lid der Mobiele Schutterij ben. Met permissie van den Commandant der zelve, zal ik echter, gemeenschappelijk met de Vrijwillige Jagers der studenten van de Hoge School alhier in de 9 e Afdeling der Nationale Infanterie worden ingelijfd. Daar ik niet weet of van mijne verbintenis enige kennis aan het Gouvernement zal behoren te worden gegeven, haast ik mij, om dezelve aan Uw WED Gest. mede te delen, met het beleefde verzoek voor deze notificatie te willen aannemen. wg. De

188 Hermann gaf aan op de aan hem geschreven brieven die hij in zijn studeerkamer aan de Vliet bewaarde dat hij deze beantwoord had. Er werden echter geen kopieĂŤn van antwoorden aangetroffen. Hermann beantwoordde zijn zakelijke brieven veelal vanuit zijn huis. Deze brievencollectie is bij Brill terecht gekomen en vandaar in 1967 overgedragen aan de UBL, Westerse Handschriften. Deze brieven ontbreken in het archief van het Naturalis Biodiversity Center. 189 Vgl. dl. I, pp. 72-77.

93


Conservateur voor de gewervelde dieren enzovoorts van ‘s Rijks Museum van Natuurlijke Historie, H. Schlegel.190

Temminck schreef daarop een brief aan de minister van BiZa waarin hij waardering uitsprak voor de keuze van Hermann. Hij wees er op dat Schlegel als buitenlander met zijn intekening blijk gaf van ‘de zucht die hem heeft aangespoord om aan te tonen dat hij de belangen van zijn aangenomen vaderland van ganser harte is toegedaan.’ Hij vroeg de minister om goedkeuring.191 In de afweging of hij deze stap zou zetten zal meegespeeld hebben dat het tonen van zijn betrokkenheid opgevat zou kunnen worden als een uiting van een succesvolle integratie. Wellicht speelde verder mee dat publicatie van het werk van Boie dat toch al onder een ongelukkig gesternte stond steeds maar werd uitgesteld door de Antwerpse drukker. De dreigende zuidelijke rebellie kon daaraan geen goed doen. Hermann vertrok uit Leiden met de Studentenweerbaarheid op 13 november 1830 richting het zuiden. Hij werd achter de linie gelegerd in afwachting van de strijd. Zover kwam het niet, althans niet voor Hermann. Hij verveelde zich al spoedig, had niets omhanden, was ingekwartierd en zocht voedsel voor zijn geest door ‘klassieke poëzie tot zich te nemen.’ Hij richtte met enkele strijdmakkers een kwartet op, waarin hij de baspartij zong.192 Al spoedig probeerde Temminck Hermann weer in het Museum te krijgen. De tijd die hij in Brabant in ledigheid doorbracht, kon beter besteed worden aan het vele werk dat in Leiden op zijn vaardige handen wachtte. Hermann bewaarde uit die tijd een brief van zijn vriend Reinwardt, die schreef: ‘Het komt nu op geduld aan en uw vrienden en ik hopen op uw spoedige terugkeer.’193 Hermann kreeg wegens onmisbaarheid in het Museum verlof. Hij keerde op 23 februari 1831 in Leiden terug. Temminck zorgde ervoor dat steeds op tijd verlenging werd aangevraagd die telkens werd toegestaan. Op 10 augustus 1831 kreeg hij bevel zich onmiddellijk bij zijn commandant te melden. De strijd, later bekend geworden als de Tiendaagse Veldtocht (2 tot 12 augustus), was begonnen. Begin september keerde hij definitief terug.194 Het is zeker dat deze periode veel stof heeft doen opwaaien en in meer dan één opzicht

190 NL-HaNa, Rijksmuseum Natuurlijke Historie, 3.12.17, inv. nr. 4, serie E officiële correspondentie, kenmerk geen, 7 oktober 1830. 191 NL-HaNa, Rijksmuseum Natuurlijke Historie, 3.12.17, inv. nr.15, serie D concepten, kenmerk 45/427, 11 oktober 1830. 192 G. Schlegel, Levensschets, pp. 36-37. 193 UBL Westerse Handschriften, BPL 2742, brieven VAN C.G.C. Reinwardt AAN H. Schlegel, brief nr. 1, dd. 1 februari 1830. Dit is klaarblijkelijk een vergissing de datum moet zijn 1 februari 1831. 194 Briefwisseling tussen het Museum en het Ministerie en vice versa tussen 11 oktober 1830 en 2 november 1831. Vgl. NL-HaNa, Rijksmuseum Natuurlijke Historie, 3.12.17, inv. nr. 15 en nr. 16, serie D concepten , tussen 11 oktober 1830 en 2 november 1831; inv. nr. 4 en nr. 5, serie E officiële correspondentie, tussen 19 oktober 1830 en 10 augustus 1831.

94


schadelijk was voor het land, hetgeen nog lang zou doorwerken en ook het Museum een hoop last zou bezorgen. Er werd aan de terugkeer van het Korps Leidse Jagers veel aandacht besteed in de stad en op de universiteit. Het academisch jaar begon wat later in opdracht van de koning op 3 oktober. Er was feestgedruis, een plechtige en feestelijke terugkeer en een herdenkingsgeschrift. 195 Hermann stond te boek als korporaal. Enkele echtgenotes van hoogleraren zorgden voor een herdenkingspenning in een fraaie doos, die ook nog een diploma bevatte. De Alma Mater toonde zich present en betrokken en de teruggekeerden verlangden naar het dagelijkse leven. Ook Hermann zal de regelmatig herhaalde herdenkingen beleven als een ontmoeting van oude strijdmakkers. Zijn bijdrage aan de strijd is bescheiden en dat laat hij in zijn Levensschets weten.196 Voor hem was geen heldenrol weggelegd en de doorstane ontberingen lagen meer in de orde van ongemak. Het zou nog jaren duren voordat de vrede met het nieuwe koninkrijk België werd getekend. Daarvoor was de halsstarrige houding van de Nederlandse koning verantwoordelijk. Deze weigerde dat eerder te doen, nadat in 1831 de grote mogendheden het koninkrijk België en het hertogdom Luxemburg al hadden verzelfstandigd, vastgelegd in het Protocol van Londen, al bleef het hertogdom onder het bestuur van de Oranjes. Pas in 1839 gaf de koning zich gewonnen, zodat de wapenstilstand kon worden omgezet in het officieel beëindigen van de oorlogstoestand. De vastlegging van deze ingrijpende gebeurtenis door Bel, Otterspeer en Van Zonneveld laten de historische beladenheid van deze episode zien gelet op de respons na de oproep van de koning het dreigende gevaar gewapenderhand te stoppen.197 De gevolgen waren voor het koninkrijk niet gering. Temminck, Hermann en iedereen die in die jaren ten zuiden van België moest zijn, werd gedwongen óm het koninkrijk België heen te reizen, daar de legers aan beide zijden de grens bewaakten en men zonder een vrijgeleide niet kon passeren. De strijd had zware financiële gevolgen voor het land. Er ontstond een ernstig tekort in de schatkist dat het betalen van salarissen en rekeningen in gevaar bracht.198 Afgekondigd werd dat de traktementen in rentedragend staatspapier zouden worden uitgekeerd, althans voor de categorie hoogst betaalde ambtenaren. Dat laatste bleef bij een voornemen en werd spoedig

195 J. Roemer, Gedenkschrift van den Veldtocht der Heeren Studenten van den Hoogeschool te Leiden, ten Heiligen Strijd voor Vaderland en Koning in de Jaren 1830-1831 (Leiden, C.C. van den Hoek 1831). 196 G. Schlegel, Levensschets, p. 36. 197 Jacqueline Bel, Willem Otterspeer, Peter van Zonneveld, De Leidse Jagers 1830-1831. Student-Vrijwilligers en de Belgische Opstand (Leiden, Academisch Historisch Museum 1981). W. Otterspeer, ‘De Nederlandsche eigendommelijkheid als Vrijwillig Jager’ in: De Leidse Jagers 1830-1831. Student-Vrijwilligers en de Belgische Opstand, pp. 9-40. Jacqueline Bel en Peter van Zonneveld, ‘Het Corps Vrijwillige Jagers van de Leidse Hogeschool en de Belgische Opstand’ in: De Leidse Jagers 1830-1831. Student-Vrijwilligers en de Belgische Opstand, pp. 41-116. 198 NL-HaNa, Rijksmuseum Natuurlijke Historie, 3.12.17, inv. nr. 5, serie E officiële correspondentie, kenmerk Circulaire 70/664 afd. Thesaurie,16 maart 1831.

95


weer ingetrokken. Een staand leger op de been houden is een kostbare aangelegenheid. De staatkundige reorganisatie kwam, lastig genoeg voor het Museum, op verlies van havenplaatsen te staan, zodat de aflevering van lading bestemd voor het Museum in Leiden stagnatie ondervond. Boie’s manuscript bij een Antwerpse uitgeverij ondergebracht kwam niet terug. Het zou nimmer uitgegeven worden. De kosten van in- en uitvoerrechten van en naar het verloren gebied stegen. Voorheen betaalde het museum deze rechten niet. Het omvangrijke internationale netwerk van reizigers en musea moest worden geïnformeerd. Hoe verder weg, hoe meer tijd dat vroeg. Kwamen er toch goederen in Belgische havens aan, dan ontstonden er problemen deze naar ons land te krijgen als gevolg van de vijandige houding over en weer. Soms werd de reis nodeloos verlengd, doordat de lading niet werd geaccepteerd en het schip naar haar volgende haven onderweg ging, soms weer heel ver weg, vaak tot schade van de kwetsbare voorwerpen bestemd voor het Museum. Werden vóór de Belgische Opstand door de koning aanvragen voor het toekennen van meer budget voor onvoorziene uitgaven van het Museum met welwillendheid behandeld, de precaire situatie van de staatshuishouding maakte dat daarna steeds moeilijker. De problemen waarmee het Museum te kampen had werden zo nog groter. Hermanns positie als museumbioloog Hermann was op 13 juni 1804, 3 dagen na zijn geboorte, in de ‘Evangelisch-Lutherische Kirche’ in Altenburg opgenomen.199 In Leiden stond hij te boek als behorend tot de Lutherse kerk. In hoeverre hij feitelijk deel uitmaakte van een kerkelijke gemeenschap in Leiden is onbekend. In de Levensschets komen dienaangaande geen mededelingen voor. In zijn werk sprak hij zich niet uit over vraagstukken van levensbeschouwelijke aard. Klaarblijkelijk vermeed hij zich in die debatten te mengen. De grote verscheidenheid in leven op aarde imponeerde hem vanwege haar rijkdom. Hij had eerbied voor de schepping en haar Schepper. Die houding was een vanzelfsprekendheid die hij niet ter discussie stelde. Hij was op de hoogte van de concepten die door beroemde natuurhistorische onderzoekers naar voren waren gebracht. Eerst door zijn leermeesters in Altenburg, daarna door studie van het werk van Georges Louis Leclerc, Comte du Buffon (1707-1788), Jean Baptiste Lamarck (1744-1829) en George Cuvier (1769-1832). Het debat in kringen van natuurhistorische onderzoekers werd geïnspireerd door het verlangen de

199 Beglaubigte Abschrift Hermann Schlegel, Auszug aus dem Tauf-Buch der Evang.-Lutherischen Kirchgemeinde, Altenburg, Thür. Gemeinde Kirchenrat, 18.08.1994.

96


geheimen van de natuur te ontraadselen. Dat debat bleef niet vrij van standpunten over de bedoeling van de schepping en de rol daarin van de Creator, zichtbaar in de overweldigende varieteit in leven. Uit eigen waarneming, schreef Hermann in zijn autobiografie, was hij al vroeg gestoten op het vermoeden dat er een relatie moest zijn tussen de morfologie van een dier en de habitat waarin het leeft. Maar vooral was het de betrekking der rupsen tot de planten, van de levende wezens in het algemeen tot elkander en tot het klimaat, de ligging en de hoedanigheid der plaats waar zij gevonden worden, die het uitgangspunt vormden van mijne naspeuringen omtrent de wetten der geografische verspreiding der dieren en planten, hunner grondvormen met betrekking tot hun samenstel, kortom naar de gezamenlijke oorzaken van elk afzonderlijk verschijnsel. 200

Deze visie heeft hij zijn leven lang vastgehouden. Hij was op de hoogte van in omloop zijnde verklaringsmodellen in het wetenschappelijke debat, waarbinnen het evolutiebegrip langzaam maar zeker onderwerp werd. Over de vraag in hoeverre dat te rijmen is met het levensbeschouwelijke dat deel uitmaakte van zijn wereldbeeld, zwijgen de bronnen. Ondanks dit spanningsveld dat veelvuldig aan de orde kwam, belette het geleerden niet door te gaan met te zoeken naar de ontsluiting van de geheimen van het leven. Wessels heeft in zijn Bron, waarheid en de verandering der tijden laten zien hoe het denken veranderde onder invloed van enerzijds afrekening met de middeleeuwse wetenschapsopvatting en anderzijds van het doorbreken van de moderne tijd, gemarkeerd door het denken van Descartes.201 De ontwikkeling in het denken tussen RenÊ Descartes (1596-1650) en Charles Darwin (1809-1882) manifesteerde zich als een wending die geleerden dwong in het reine te komen met de daaruit voortkomende consequenties. Geloofszekerheid werd, ook door geleerden, als houvast in hun bestaan gekoesterd, maar moest toch wijken voor een avontuur in het ongewisse en eindigen in onzekerheid. Deze onzekerheid kwam voort uit de vraag waarom verschijnselen die zich voordeden niet langer konden worden gearticuleerd binnen het schema van een onveranderlijke, vastliggende schepping. Onderzoek dat voorheen een deductief karakter had, uitgaande van vastliggende schema’s, werd onvermijdelijk inductief. Dat werkte uit als het stappen in een terra incognita met het doel te achterhalen volgens welke mechanismen de natuur was georganiseerd. Men begon te geloven

G. Schlegel, Levensschets, p. 5. L.H.M. Wessels, Bron, waarheid en de verandering der tijden. Jan Wagenaar (1709-1773), een historiografische studie, handelsuitgave van academisch proefschrift, Hollandse Historische Reeks XXVII, 1997. 200 201

97


dat het mogelijk was de geheimen van het leven zelf te ontsluiten. Gezocht werd naar verklaringen voor waargenomen veranderingen bij planten en dieren, deels als gevolg van manipulatie bij het fokken van dieren of rasveredeling in de plantenwereld. Waarheidsvragen moesten opnieuw worden geformuleerd. In de zeventiende eeuw was een fysico-theologisch debat ontstaan. Begonnen als een manier om de grootsheid van de schepping en haar Schepper te belijden, evolueerde deze beweging ge茂nspireerd door Gods scheppende werk, naar de overtuiging dat een nieuwe fase in de mensheid aanbrak, die tot doel had de geheimen van het leven te achterhalen. Theologen en natuurkundigen zochten een uitweg uit deze trend. Jan P.M. Bots heeft dit proces geanalyseerd in zijn studie Tussen Descartes en Darwin. Hij toont aan dat het concept fysico-theologie geen eenduidige lading dekt. Descartes zorgde ervoor dat een scheiding werd aangebracht tussen de natuur en de Gods-ervaring. Overal, maar speciaal in de protestantse landen, werd de fysico-theologie vorm gegeven, maar niet altijd op dezelfde wijze. Haar denkwijze drong door op alle levensterreinen. Het werd een combinatie van proefondervindelijke natuurwetenschap en theologie. Aanvankelijk in de vorm van een oprechte apologie, maar geleidelijk aan verworden tot stichtelijk gemoraliseer. Langs de weg van de pre-romantische natuurverheerlijking vloeide de verkoelende echte liefde een nieuw sentimenteel schijnleven toe.[ ] Tenslotte heeft Darwins ontdekking van het princiep van de natuurlijke selectie de beslissende stoot gegeven aan het uiteenvallen van een combinatie waaruit de eigenlijke bezieling al lange tijd was verdwenen. Toen werd het weer voor velen: natuur zonder geheim en schepping zonder God.202

Geloof en wetenschap kwamen op gespannen voet te staan. Halverwege die eeuw zorgde Darwin met zijn On the origin of species by means of natural selection, or the preservation of favoured races in the struggle for life (1859) voor een proces van polarisatie tussen v贸贸r- en tegenstanders. Geloof en wetenschap gingen ieder hun eigen weg.203 In deze ontwikkeling heeft Hermann afstand gehouden, maar hij ontkende niet dat in algemene termen levensvormen veranderden. Veranderingen als gevolg van hun habitat daarentegen waren evident. Het kon niet zo zijn dat een door God geschapen dier een ander schepsel werd. Iedere verandering in een dier was een variatie binnen de specifieke soort. Die veranderingen in kaart brengen zag hij als

202 J.P.M. Bots, Tussen Descartes en Darwin. Geloof en natuurwetenschap in de 18 e eeuw in Nederland (Assen, Van Gorcum & Comp. N.V. 1972) p. 161. 203 Charles Darwin, On the origin of species by means of natural selection, or the preservation of favoured races in the struggle for life (London, John Murray, Albemarle Street 1859).

98


de belangrijkste taak van het morfologisch dieronderzoek. De evolutiegedachte op zichzelf wees hij niet af. Hermann richtte zich op het in kaart brengen van verschillen tussen een soort die het gevolg waren van hun habitat en/of hun geografische spreiding. Hij wilde die variaties zoveel mogelijk bij elkaar in het Museum onderbrengen. Er moesten van een species series worden verzameld bestaande uit alle variëteiten. Bij het uitvoeren van zijn visie ondervond hij steun van collega’s. Hermann moest nog jaren wachten voordat hij dit uitgangspunt in de verzameling kon toepassen. Hij had daarvoor de instemming nodig van de directeur, die zich echter op dit punt wel terughoudend opstelde. Hij probeerde waar dat kon voor zijn inzichten ruimte te krijgen, maar was daarbij zich volledig bewust dat hij vooralsnog moest afwachten. Dat was de reden dat hij zich profileerde binnen zijn afdeling en er naar streefde zoveel mogelijk te publiceren. Publiceren als kerntaak In 1832 kreeg Hermann de doctorshoed van de universiteit van Jena honoris causa. In de Levensschets wordt merkwaardig genoeg geen woord aan dit feit gewijd. Dat ook Gustav als bezorger dit niet vermeld heeft, doet veronderstellen dat noch de vader, noch diens zoon het nodig vonden het te memoreren. Hermann gebruikte de titel overigens wel in zijn publicaties. Wellicht vond hij de waarde ervan relatief omdat niet verwezen kon worden naar zijn dissertatie. Dat hij de doctorsbul inderdaad heeft gekregen blijkt uit navraag die Rudolf Möller deed in het Archief van de universiteit van Jena. ‘Seine Arbeiten hatten inzwischen so viel Gewicht gewonnen, dass ihm die Jenaer Hochschule auf sein Ansuchen ohne Dissertation am 2.3.1832 in absentia den Doktorhut verlieh.‘204 Dietrich von Knorre noteerde ter gelegenheid van de viering van de feestelijke herdenking van het Brehm-Schlegel-Denkmal in 1994 dat het ere-doctoraat echter wel degelijk was gebaseerd op publicaties die met de aanvraag waren meegezonden, maar dat verdere informatie daarover niet meer te achterhalen was: Den Dekanats Akten der Philosophischen Fakultät der Universität Jena aus dem Jahre 1832 [UAJ Bestand M – Nr.268, S. 28-34, 68, 222] ist eindeutig zu entnehmen, dass Schlegel im Januar 1832 die erforderlichen Unterlagen zusammen mit einigen wissenschaftlichen Publikationen eingereicht hat. Leider fehlt ein genauere Aufgabe, um welche Veröffentlichungen es sich dabei

Rudolf Möller, ‘Hermann Schlegel, Altes und Neues aus seiner Biographie‘, Monatsschrift für Ornithologie und Vivarienkunde; Ausgabe a: ‘Der Falcke’; Sonderdruck, 15e Jrg. Heft 5 pp. 203-206. u. 6. pp. 152-157, 1968. S. 154 en de noten 11 en 12. Archiv der Jenaer Hochschule, Bestand M. 268, Bl. 28-32 u. S. 222. 204

99


gehandelt hat. Auf der Kopie seiner Promotionsurkunde (S. 222) ist als Datum der Promotion „Jena II Martii a 1832 vermerkt. 205

Publiceren ging in het leven van Hermann een steeds grotere plaats innemen. In 1831 had hij kennis gemaakt met Philipp Franz von Siebold (1796-1866). Temminck kende hem goed en was met hem bevriend. Von Siebold had de directeur gevraagd medewerking te verlenen aan het bewerken van zijn omvangrijke verzameling voorwerpen uit Japan en de Nederlandse koloniën. Zo gingen Temminck en zijn conservatoren aan het werk bijdragen te leveren voor Von Siebolds Fauna Japonica dat tussen 1833 en 1855 in losse afleveringen verscheen.206 Hermann kwam in de ban van de enorme kennis van Von Siebold van de Japanse planten - en dierenwereld. Von Siebold had Johann Joseph Hoffmann (1805-1878) in zijn gevolg naar Leiden meegebracht, bovendien een Chinees en een Maleier, die zich bezighielden met het vertalen van teksten en het thuis brengen van voorwerpen. Deze Hoffmann zou als huisvriend van grote betekenis zijn in de Schlegelfamilie, specifiek voor Gustav, die door hem zou worden opgeleid tot vertaler voor de in Nederlands-Indië verblijvende Chinezen. Er ontvouwde zich voor Hermann een schat aan kennis over Aziatische flora en fauna die volstrekt nieuw was. Bovendien konden Von Siebold en zijn medewerkers veel interessants meedelen over de vele etnografische artefacten die hij in zijn bagage had meegebracht.207 Hermann zal om die reden met genoegen hebben meegewerkt aan het tot stand komen van dit boek. Het paste perfect in zijn leerstrategie waarmee hij in Leiden was aangeland. Hij kreeg de taak de gewervelde dieren te beschrijven met uitzondering van de zoogdieren, die Temminck voor zijn rekening nam.208 Het eerste onderwerp dat Hermann voor de Fauna Japonica schreef verscheen al in 1833. Het beschreef de Reptilia en Amfibieën, steunend op wat zijn studie van Boie’s materiaal hem had gebracht bij zijn komst in het Museum. Holthuis nuanceert Hermanns aandeel in dit boek door na archiefonderzoek vast te stellen dat Schlegel geheel of gedeeltelijk de zeezoogdieren beschreef en

205 Dietrich von Knorre, ‘100 Jahren Brehm-Schlegel-Denkmal in Altenburg, 1.10.1994, Festansprache’, Mauritiana , Altenburg, 15, heft 2, 1995, pp. 67-72, aldaar noot 10, p.71. 206 Philipp Franz von Siebold (1796-1866), Coenraad Jacob Temminck (1778-1858), Willem de Haan (18011855), Fauna Japonica sive descriptio animalium, quae in itinere per Japoniam, jussu et auspiciis superiorum, qui summum in India Batava imperium tenent, suscepto annis 1823-1830, collegit, notis, observationibus et adumbrationibus illustravit / Ph.Fr. de Siebold; conjunctis studiis C.J. Temminck et H. Schlegel pro vertebratis, atque W. de Haan pro invertebratis elaborata; regis auspiciis edita. Deel I: Crustacea. (8 fasc.) - II: Reptilia : Chelonii, Ophidii, Sauri et Batrachii. (3 fasc.) – III: Mammalia. (3 fasc.) – IV: Pisces. (16 fasc.) – V : Aves. – (12 fasc.) (Lugdini-Batavorum, 1833-1850). 207 G. Schlegel, Levensschets, pp. 37-38. 208 idem, p. 37.

100


Temminck de landzoogdieren.209 Kennelijk wilde Hermann een andere boodschap in zijn autobiografie over deze zaak kwijt. Hermann klaagde er in de Levensschets over dat bewerking van de vogels van Japan hem zwaar was gevallen.210 Hij voelde zich tegengewerkt door Temminck omdat deze voorwerpen die hij voor zijn beschrijving nodig had achter slot en grendel had gehouden. Temminck had de kasten laten dichtplakken om insectenvraat te voorkomen. Hermann had veel moeite moeten doen om voorwerpen die hij voor zijn beschrijving nodig had te kunnen bestuderen. Daarop baseerde hij Temmincks kwade trouw, want vrees voor insectenvraat, hetgeen hij als reden kreeg te horen, was in Hermanns ogen een drogreden. Holthuis wijst er terecht op dat levende organismen in het Museumbezit een verwoestende werking hebben, zodat tot op de dag van vandaag een voortdurende strijd wordt gevoerd dat tegen te gaan door regulering van licht, klimaat en insectenpreventie. Er is inderdaad meer te zeggen over wat Hermann in de gang van zaken niet beviel. Temminck zou zich volgens Hermann buiten zijn eigen aandeel in het geheel niet met het boek hebben bemoeid, terwijl hij toch als redacteur van het geheel werd genoemd, terwijl de conservatoren een veel omvangrijkere bijdrage hadden geleverd dan Temminck. Hij vond dat misplaatst en gaf daaraan uiting in zijn autobiografie. Von Siebold financierde de uitgave van het boek zelf en betaalde Hermann voor zijn teksten en tekeningen.211 In een kattebelletje van Von Siebold aan Hermann treft deze een betalingsregeling. Hij stelt voor het honorarium voor tekst en tekeningen voortaan te betalen bij verschijnen van de aflevering.212 Hij schreef 30 afleveringen à 125 gulden en tekende er 230 platen à 15 gulden voor, tot een totaalbedrag van 7200 gulden nog te vermeerderen met 400 gulden door verkoop van auteursexemplaren.213 Hieruit kan worden afgeleid dat Hermann de inkomsten uit zijn penarbeid persoonlijk ontving.214 Het was klaarblijkelijk een gewoonte in het Museum dat conservatoren honoraria voor hun publicaties mochten beschouwen als aanvulling op hun inkomen. De overheid besloot na langdurig overleg tot het uitgeven van een ander groot werk over de werkzaamheden van de Natuurkundige Commissie in Nederlands Oost-Indië. Voor dit werk

L.B. Holthuis, T. Stakai, Ph.von Siebold and fauna japonica: a history of early Japanese zoology (Tokio, Academic Press of Japan 1970) pp. 74-75. 210 G. Schlegel, Levensschets, pp. 37-38. 211 G. Schlegel, Levensschets, pp. 72-73. 212 UBL Westerse Handschriften, BPL 2742, brieven VAN Ph.F.B. von Siebold AAN H. Schlegel,13 brieven, nr. 5, 23 januari 1843. 213 G. Schlegel, Levensschets, pp. 72-73. 214 idem, p. 72: ’[ ] maar Hermann had het een’ geleerde zo zeldzaam te beurt vallend geluk, met zijne werken geld te verdienen.’ 209

101


werd 36.000 gulden gereserveerd.215 Het moest in drie delen verschijnen, voorzien van tekeningen van voorwerpen en beschrijvingen van de vindplaatsen. De reizigers S. Müller en P.W. Korthals verbleven met verlof in Nederland voor het uitwerken van hun aantekeningen van het veldonderzoek in Nederlands-Indië. De conservatoren van het Museum werden ingezet voorwerpen te beschrijven die al in het Museum waren opgenomen. Van nieuwe voorwerpen die het Museum ontving, werden zij geacht de wetenschappelijke beschrijvingen te maken. De uitgave op quarto-formaat in een oplage van 250 exemplaren was bedoeld voor de internationale geleerde wereld, deels door verkoop en deels door schenkingen uit representatieve overwegingen. Het werk zou in afleveringen worden uitgebracht, hetgeen plaatsvond tussen 1839 en 1844. Directeur Temminck was belast met het uitgeven, J.A. Susanna redigeerde de teksten van de participerende auteurs, de conservatoren H. Schlegel en W. de Haan. Van Salomon Müller werden ook nog diens etnografische aantekeningen opgenomen, naast zijn bijdrage over de door hem verzamelde natuurhistorische voorwerpen en van Korthals diens botanisch materiaal.216 Dit werk moest de rijkdom van het Museum onder de aandacht van de buitenwereld brengen. Het was zowel een wetenschappelijke presentatie als een middel om het belang van Nederland en haar koloniën als natie te onderstrepen. Hoewel Hermann nauwgezet zijn aandeel aan het boek leverde, stoorde het hem dat Müller, Korthals, De Haan en hijzelf zelf slechts als medewerkers werden genoemd en de eer van het werk werd toegeschreven aan de koning die betaalde, de directeur van het Museum die verantwoordelijk was voor het uitgeven en Susanna die de redactie voerde en vertalingen verzorgde. Maar bovenal stoorde het hem dat de inhoudelijke verantwoordelijkheid geheel werd neergelegd bij de leden van de NTKCie te weten de heren prof. dr. C.G.C. Reinwardt, C.J. Temminck, prof. dr. C.L. Blume en prof. dr. J. van der Hoeven. De weergave in de Levensschets is in overeenstemming met de werkelijke stand van zaken. Hermann schrijft dan ook niet over onwaarheden, maar over zich tekort gedaan voelen. Zijn inspanning was immers opgelegd en vloeide voort uit zijn functie van conservator, maar het leverde minder op voor zijn conduitestaat dan zijn bedoeling was.

215 NL-HaNa, Rijksmuseum Natuurlijke Historie, 3.12.17, inv. nr. 7, serie E officiële correspondentie, kenmerk KB nr. 101, 10 februari 1839. Zie ook dl. I, p. 131 (noot 273). 216 C.J. Temminck, J.A. Susanna (red.), Verhandelingen over de natuurlijke geschiedenis der Nederlandsche Overzeesche bezittingen, door leden der ‘Natuurkundige Commissie in Indië’ en andere schrijvers. Uitgegeven op last van den Koning door C.J. Temminck, geredigeerd door J.A. Susanna. Deel I: Salomon Müller, Land- en volkenkunde – VIII, 472 pp., 86 pl. met reg.; Deel II: Zoölogie, Salomon Müller, Hermann Schlegel, Willem de Haan, 701 pp., 95 pl.; Deel III: Pieter Willem Korthals, Botanie, 259 pp. 70 pl. (Leiden, J.G. la Lau 1839-1844).

102


De regering liet welhaast de uitgaaf van het bekende werk over onze O.I. bezittingen voorbereiden. Ik werd met de bewerking der gewervelde dieren belast, waarvoor S.Müller zijne vele en onschatbare, in Indië gemaakte, waarnemingen beschikbaar stelde. Doch anderen hadden zich omtrent het plan van het boek bij de regering weten in te dringen, en wij moesten toezien hoe op den titel, ja zelfs in de voorrede, verschillende personen prijkten, die met de inhoud van het werk ook niet het geringste te doen hebben gehad, [ ] 217

Hermann noemt hier niet de namen van de personen die naar zijn mening onterecht met de eer van prominente aandacht werden begiftigd. Hij deelt zijn lezers mee dat als hij niet ernstig ingegrepen had ‘sommigen zelfs hinderlijk of zelfs verderfelijk gereageerd zouden hebben.’ Hier suggereert Hermann dat hij niet alleen stond in zijn verontwaardiging. Vervolgens neemt hij zijn toevlucht tot het geven van een voorstelling van zaken als zou hij hebben willen voorkomen dat de anonieme medeklagers over het gebeuren zich buiten de marges van het hiërarchisch georganiseerde fatsoen zouden begeven. Zijn agenda liet dat niet toe. Deze tekst heeft derhalve een retorische functie. Dat Hermann ondanks zijn behoedzaam acteren binnen zijn eigen voornemens, toch wel eens bot ving, werd door Holthuis teruggevonden in een papiersnipper, waar Temminck Schlegel een halt toeroept. Holthuis trof in het archief een briefje, ongedateerd en zonder geadresseerde, meer een kladje, dat hij aan Temminck toeschrijft. De boodschap is duidelijk. Vous auriez été plus franc et plus loyal en disant que vous rétractez ce que vous avez dit à mon sujet – Tant que je serai directeur (et ce sera probablement jusqu’à mon dernier souffle de vie) je ne souffrirai pas les empiétements et les menaces de ceux qui, conduit par les fantaisies et les intriques de prince de Canino [Ch. L. Bonaparte vZ], se sont imaginés qu’ils pourraient me supplanter ici par un servant.218

Cornelia Buddingh Ter hoogte van het najaar van 1831 onderbrak Gustav de tekst van de Levensschets van zijn vader en nam zelf het woord. ‘Ik moet hier de autobiografie mijns vaders een ogenblik afbreken, om enige gebeurtenissen uit zijn bijzondere leven op te halen, die hij daarin niet vermeld heeft.’219 Hermann maakte kennis met Cornelia Buddingh (17 juni 1815 - 2 december 1864).

G. Schlegel, Levensschets, pp. 38-39. L.B. Holthuis, 1820-1859 Rijksmuseum van Natuurlijke Historie, p. 22. 219 G. Schlegel, Levensschets, p. 39. 217 218

103


Zij woonde met haar moeder en zusjes op de Papengracht. Als Hermann van en naar het Museum ging, passeerde hij hun woning. Of Hermann tijdens de veldtocht kennis had gemaakt met haar broers die net als Hermann deel uitmaakten van de Vrijwillige Jagers van het Leidse studenten korps, vermeldt de geschiedenis niet. De beide studenten, Steven Adriaan jr. en Johan, studeerden theologie in Leiden. Het gezin was afkomstig van het eiland De Kaag, waar hun vader predikant was. Zijn vroege overlijden in 1824 had het gezin uit de pastorie verdreven en vanwege de toekomst van de jongens had hun moeder besloten zich in Leiden te vestigen (1826). De geschiedenis van de familie Buddingh mag kort worden samengevat. Steven Adriaan Buddingh jr. (1766-1824) was de zoon van de secretaris van Tiel, Mr. Steven Adriaan Buddingh sr., telg uit een geslacht van juristen en bestuurders. Hij studeerde theologie in Harderwijk en promoveerde aldaar.220 Hij trad in het huwelijk met Catharina Elisabeth Caspers – ook wel als Kaspers geschreven – afkomstig uit Den Haag (1778-1854) op 27 juni 1802. Hij werd predikant in Driebergen van 1789-1802. Vervolgens werd hij ontslagen omdat hij weigerde de eed van trouw aan het gezag af te leggen, zoals in de Bataafsche Republiek werd geëist. Het waren veelal Oranjegezinde predikanten die weigerden. Hun eerste kind, Adriaan Hendrik, werd er op 22 augustus 1802 gedoopt.221 Het gezin keerde terug naar Tiel, waar hij predikant buiten vaste bediening was. In 1804 werd hij beroepen op De Kaag, waar hij op 13 januari 1805 bevestigd werd. Hij zou er tot zijn overlijden in 1824 blijven. In de pastorie werden achtereenvolgens geboren Jan Cornelis, 7 november 1806; Louïza Margareta, 17 februari 1809; Steven Adriaan, 26 maart 1811; Jan (Johan, ook wel Joännes) op 7 mei 1813 en Cornelia, 17 juni 1815.222 Adriaan Hendrik Buddingh deed in 1821 belijdenis in de kerk van zijn vader.223 Hij werd militair, zou in Nederlands-Indië terecht komen en daar overlijden met achterlaten van

D. Buddingh, ‘Levensbericht van dr. Stephaan Adriaan Buddingh’ in: Handelingen van de algemeene vergadering van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, gehouden aldaar den 16den Juni 1870, in het gebouw der Maatschappij tot van Nut van ’t Algemeen (Leiden, E.J. Brill 1870) pp. 235-284, aldaar p. 236. http://www.dbnl.org/tekst/_jaa002187001_01/_jaa002187001_01_0021.php (21-01-2014). 221 Het Utrechts Archief, bewerker mv. G.W. Brouwer-Verheijen 1987, Driebergen, huwelijken op Declaratie van den Burgemeester 1674-1811: www.hogenda.nl/Docs/Attachment.aspx?Index=B (21-01-2014). a) huwelijksdatum van Steven Adriaan Buddingh en Catharina Elisabeth Caspers. b) Doop van Adriaan Hendrik Buddingh, Driebergen, dopen NG 1674-1824 (hiaat 1694-1701). 222 RA, DTB Al 15, Kerkboek Gemeente De Kaag, gem. Alkemade, Jan Cornelis, geb. 7 november 1806, doop 23 november 1806; Louïza Margareta, gem. Alkemade, 17 februari 1809, doop 12 maart 1809; Steven Adriaan, gem. Alkemade, 26 maart 1811, doop 6 april 1811. Geboorte register Alkemade 1813-1822: Jan, gem. Alkemade, 7 mei 1813, gedoopt als Joännes, 23 mei 1813; Cornelia, geb. 17 juni 1815, doop 2 juli 1815. 223 Dit staat in een kopie van het archief van de Nederlands Hervormde Kerk te De Kaag en Alkemade. Met aantekening dat Steven Adriaan sr. als predikant het originele kerkelijk archief dat door de overheid was opgeëist heeft overgeschreven, voorzien van confirmatie door de kerkenraad en van zijn handtekening uit het originele boek van lidmaten, huwelijk en overlijden. Met dank aan de heer Nico Biemond van de kerkenraad aldaar. 220

104


vrouw en kinderen.224 Adriaan Steven onderwees zijn kinderen zelf, al was er wel een onderwijzer op het eiland. De jongens Steven Adriaan en Johan bereidde hij voor op de studie theologie aan de Leidse universiteit. Cornelia was negen jaar oud toen haar vader overleed. De predikanten in Sassenheim en Lisse zetten vaders lessen in Grieks en Latijn voort. Het vaderloze gezin kon nog twee jaar in de pastorie blijven wonen met goedvinden van het kerkbestuur. Het dorpje lag geïsoleerd in het water van het Haarlemmermeer, zodat de jongens driemaal per week naar het vaste land moesten varen om hun lessen te volgen. Beiden slaagden erin zich in te schrijven aan de faculteit theologie.225 In 1826 verhuisde het gezin naar Leiden. Steven Adriaan jr. trok na zijn afstuderen in 1833 naar Nederlands-Indië, waar hij een succesvolle carrière opbouwde als predikant en als bestuurder in zendingsorganisaties. Hij werd daar onder meer inspecteur van het onderwijs. Hij werd in die kringen een geëerd man.226 Johan werd beroepen in St. Oedenrode (1839) en bleef er zijn leven lang predikant. De beide meisjes Louïza en Cornelia woonden bij hun moeder. Louïza vond haar eigen weg. Cornelia als jongste had een gebrekkige opleiding genoten. Of dat op het dorpsschooltje was of ook door haar vader werd verzorgd is onbekend. In 1831 zou Hermann met haar hebben kennisgemaakt.227 Zij was toen zestien jaar, Hermann zevenentwintig. Gustav schreef over zijn vaders beweegredenen in de Levensschets: [ ] Mijn vader besteedde dien tijd met de opleiding en vorming zijner aanstaande, die niet in staat was geweest een meer dan middelmatige opvoeding te genieten. Hij leerde haar niet alléén vreemde talen, muziek en tekenen, maar wijdde haar in alle natuurwetenschappen in, waarin zij weldra zo thuis werd, dat zij later aan de geleerde gesprekken, die ten huize haars mans plaats hadden, met gemak deel kon nemen. 228

De verloving duurde lang: zij huwden pas in 1837. Deze jaren gebruikte Hermann om Cornelia’s gebrekkige kennis aan te vullen. Het meisje was leergierig en hij kwam daaraan met plezier tegemoet door haar consequent te onderwijzen. Zijn doel was haar tot gesprekspartner te maken en haar voor te bereiden op haar taak als zijn echtgenote, moeder van hun toekomstige

224 Archief BHIC’s-Hertogenbosch, Akte 20, fol. 5 1/1, 3132, register a IV nr. 4653, 11 act. 70, Johan Buddingh, Memorandum van aangifte van de nalatenschap van mijne moeder Catharina Elisabeth Caspers, St. Oedenrode, 6 oktober 1854, overleden 12 april 1854, w.g. J. Buddingh. 225 Vgl. W. Otterspeer, De wiekslag van hun geest, pp. 429-430. In 1820 werd bij KB van 15 november 1820 bepaald dat theologiestudenten geen collegegelden betaalden. In 1836 werd deze maatregel ingetrokken. Predikantszonen konden naast vrijstelling een ondersteuning tegemoet zien van de Nederlands Hervormde Kerk. 226 D. Buddingh, ‘Levensbericht S.A. Buddingh’, pp. 235-284. 227 G. Schlegel, Levensschets, pp. 39-40. 228 G. Schlegel, Levensschets, p. 39.

105


kinderen en gastvrouw in zijn huis voor de vele contacten die hij onderhield in het Museum en daarbuiten. Hermann ontpopte zich als een geboren onderwijzer, die Cornelia wilde leren wat hijzelf had geleerd in zijn Altenburgse schooltijd en daarna. Boven alles wilde hij haar in zijn denkwereld invoeren. Cornelia was intelligent en muzikaal en liet zich in de Saksische/ Pruisische mores kneden voor zover het zaken van opvoeding en het maatschappijbeeld betrof. In Hermanns plan lag deze werkwijze voor de hand. Als autodidact naar eigen beleving moest de akker van hun gezamenlijke toekomst eerst ontgonnen worden. Hij trad op als haar persoonlijke gouverneur zoals hij wist dat goed gesitueerden zich gewoonlijk permitteerden. De autodidact die het zelf ontdekken tot levenshouding had geproclameerd, beoogde hetzelfde voor zijn toekomstige familie. Hij beoogde haar vertrouwd te maken met het patroon dat in Saksen was voorbehouden aan de Frauenzimmer, een begrip met een eigen plaatsbepalende connotatie in de hiërarchie van de toenmalige gezinnen in de Duitse landen. Zijn vrouwbeeld bleef zijn leven lang ongewijzigd. Het moest haar vaardigheden bijbrengen die tot de leefgewoonten van geleerden in deze universiteitsstad hoorden, met wie hij zich op één lijn dacht. Aangezien hem vooralsnog kapitaal ontbrak, moest hij zelf aanpakken wat niet op een andere wijze kon worden gerealiseerd. Het ontwikkelen van de geest als verlichtingsproduct betekende zowel kennisoverdracht als het overdragen van waarden die de verhouding tussen mannen en vrouwen in zijn ogen bepaalden. Met andere woorden, Hermanns vrouwbeeld werd overgedragen op Cornelia door haar op te voeden tot een waardige echtgenote van een geleerde museumbioloog. Cornelia werd voorbereid straks de geleerde wereld in huis te halen. Dienstbaar dus aan zijn ultieme doel eens de scepter over het Museum te veroveren. Zij moest hun toekomstige kinderen opvoeden in dat patroon, volgens de doctrines die hij bewaken zou door ook zijn nageslacht in Leiden binnen dat stramien zelf te gaan onderwijzen. Het zou lang duren voordat zijn kinderen een school van binnen zagen. Hij zag zich als de stamvader van de Leidse tak van een Saksisch geslacht Schlegels, dat het ambachtelijke burgerdom voorgoed achter zich zou laten. Nederland bood daarvoor een prima voedingsbodem, daar omgang met patriciaat en adel meer in het bereik lag, waar dat in Duitsland nog vrijwel onmogelijk was. We kunnen uit deze houding afleiden dat Hermann niet alleen wilde excelleren in zijn vak als dierkundige, museumbioloog en ornitholoog, maar ook een deftige burgerman met patricische ambities wilde zijn. De eisen die dat stelde aan hemzelf en zijn toekomstige familie moesten nauwgezet worden gedefinieerd en overgedragen. Niet alleen het innerlijk kompas, maar ook de uiterlijke presentatie waren daarvoor van belang. Het paste binnen de kaders van een bewust carrièrisme, waarin cultural fashioning een eigen rol vervulde. 106


Greenblatt heeft in zijn literair-sociologisch onderzoek van de zestiende en de zeventiende eeuw een benaderingswijze gekozen waarbij hij verbinding zoekt met het verleden vanuit het heden. Wat Shakespeare in zijn toneelstukken heeft uitgebeeld, ervaart hij als in het heden nog steeds herkenbare mechanismen. Hij heeft dit nieuw historicisme genoemd. De levens van de Schlegels dragen de kenmerken van een specifiek corpus van gedragingen en opvattingen die tezamen hun culturele identiteit uitmaakten. Dit komt tot uitdrukking in hun sociaal, wetenschappelijk en kunstzinnig gedragsrepertoire. De sterke nadruk op hun Pruisisch-Saksische achtergrond kan worden gezien als passend in hun streven naar zelfhandhaving. De publicatie van Hermanns autobiografie, bezorgd door Gustav in de Levensschets, is een sterk voorbeeld daarvan. Greenblatt wijst erop dat aan het genre autobiografie het bezwaar van ééndimensionaliteit kleeft met het gevolg opgesloten te raken in zelfrechtvaardiging die contraproductief is om in balans te komen met de omgeving. Nadelig voor de beeldvorming van de Schlegels was dat veel uit de inhoud van de Levensschets door latere auteurs klakkeloos is overgenomen. Deze tekst riep het beeld op van een zekere zelfgenoegzaamheid en ‘borstklopperij’. Het effect was paradoxaal genoeg het tegendeel van wat ze wilden bereiken. Self-fashioning in de renaissance ziet Greenblatt als een cluster van controlemechanismen die door de tijd heen zich steeds in nieuwe vormen manifesteren. 229 Hermann voegde wel iets toe aan het gebruikelijke stramien waarbinnen vrouwen in Saksische gezinnen hun eigen plaats hadden. Haar intellectuele vorming ging verder dan gewoonlijk en betrof ook kennis die in de mannenwereld thuishoorde. Een surplus dat voortkwam uit zijn liberale en rationele instelling. Hij introduceerde Cornelia wel in zijn mannenwereld, althans tot op zekere hoogte. Hetgeen echter niet betekende dat hij de vrouwenwereld vergelijkbaar vond met de mannenwereld. Integendeel, in zijn concept waren dat twee aparte werelden. De man vertegenwoordigde verstand en rationaliteit als krachtpool. De vrouw zag hij als het zwakke wezen, aangewezen op de bescherming van de man. Deze moest niet worden lastiggevallen met ‘het waanidee hen verstand toe te dichten.’ Zij beschikten volgens hem slechts over ‘instinct’, zoals hij oktober 1862 aan zijn zoon Leander schreef, toen deze in Leipzig op het conservatorium studeerde. Hij klaagde in die tijd steen en been over zijn eenzaamheid, nu er

229 Vgl. J.W.Oerlemans, Rousseau en de privatisering van het bewustzijn: carrièrisme en cultuur in de achttiende eeuw (Groningen, Wolters-Noordhoff 1988). Stephen Greenblatt, Renaissance self-fashioning: from More to Shakespeare (University of Chicago Press, 1980), pp. 1-9. Stephen Greenblatt, De Zwenking. Hoe de wereld modern werd (Amsterdam, de Bezige Bij, in vertaling van Arthur de Smet 2012).

107


alleen nog maar vrouwen in zijn huishouden waren, vrouw, dochter en doorgaans twee dienstboden die hem voor de voeten liepen, zoals later nog aan de orde zal komen.230 Hermann organiseerde na voltooiing van zijn onderricht (1835) een lange reis voor Cornelia die eerst voerde naar Kopenhagen en daarna in Altenburg zou eindigen om met zijn familie kennis te maken. De reis zou een jaar duren. Cornelia moest het milieu waaruit hij voortkwam zelf van binnenuit leren kennen. In Kopenhagen bracht zij een twee maanden durend bezoek aan de familie Melchior. Zij waren de ouders van Auguste Melchior, met wie Isaäc van Deen in 1835 was gehuwd. Van Deen had in Nederland die naam aangenomen, ter bescherming tegen de manifeste anti-joodse houding, die periodiek de kop opstak en zelfs regelmatig escaleerde in stevige repressie. Zijn eigenlijke naam was Isaäc Abrahamsen. Van Deen studeerde medicijnen in Kopenhagen en had daar zijn vrouw leren kennen. Zij was de dochter van één van zijn hoogleraren. Van Deen promoveerde later in Leiden. Hij vestigde zich in Zwolle als arts en fysioloog, waar hij zijn anatomisch onderzoek voortzette. Hermann had hem geassisteerd in diens opleidingstijd in Leiden. Als Van Deen voor zijn onderzoek in Zwolle anatomisch materiaal nodig had, voorzag Hermann hem daarvan. Van Deen die weer connecties had met Thorbecke, probeerde weer een aanstelling te krijgen aan de universiteit Groningen. Dat lukte pas in 1851 toen deze als minister van BiZa zijn aanstelling tot hoogleraar in de fysiologie ondertekende. Cornelia reisde gechaperonneerd door enige reisgenoten, bekenden van Hermann, onder wie een broer van Van Deen, Bernard Abrahamsen, die dierenhandelaar was. Cornelia werd gastvrij opgenomen in het gezin van professor Melchior in Kopenhagen. Het moet diepe indruk op haar hebben gemaakt. ‘Ze werd op feestelijke wijze onthaald, zodat ze nog op latere leeftijd met grote opgewondenheid over het Deense volk sprak.’231 Van Deen hield Hermann tussentijds op de hoogte zodra hij bericht van zijn broer ontving. Eind september schreef hij Hermann: ‘dat uw bruid in Hamburg is aangekomen onder leiding van Abrahamsen (zijn broer Bernhard), dr.Trier en zijn zwager dr. Günther.’ Het was een ware plezierreis geweest. ‘Zij had in Kopenhagen alle harten gewonnen.’ Van Deen bracht haar heldere verstand en aangename omgang jaren later nog eens naar voren in een terugblik op die reis. Tijdens een diner bij zijn schoonvader had Cornelia opgemerkt: ‘Ja Herr Von Deen ist ebenso ein Freidenker wie Herr Schlegel!’232 D.F. Esricht liet weten in een brief, gedateerd op 15 oktober 1835,

230 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brief VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, kenmerk 1862 10 07, brief van 7 oktober 1862, p. 4. Vgl. voor Hermanns vrouwbeeld dl. III, p. 322-323. 231 G. Schlegel, Levensschets, p. 40. UBL, Westerse Handschriften, BPL 2742, brief VAN I.van Deen AAN H. Schlegel, nr. 1, 29 september 1835. 232 UBL Westerse Handschriften, BPL 2742, brief VAN I. van Deen AAN H. Schlegel, nr. 4, 26 december 1845.

108


‘dat juffrouw Buddingh goed was aangekomen en dat ze al enkele uitstapjes hadden kunnen maken.’ De brief handelde verder over dierkundige zaken, waarbij de Deense anatoom J. Reinhardt was betrokken, aan wie Hermann later een publicatie opdroeg, als dank voor de medewerking van deze Deense natuurkundige aan een studie over slangen.233 Cornelia reisde na twee maanden in wisselend gezelschap door naar Berlijn en Leipzig en kwam tenslotte in Altenburg aan in het huis van haar schoonouders. Zij zou daar verblijven tot Hermann haar in het najaar van 1836 ophaalde. Cornelia heeft zo gezin en familie in Saksen goed leren kennen, wellicht zelfs beter dan Hermann zelf, die immers al zo vroeg het ouderlijk huis had verlaten. In ieder geval voelde hij zich, zoals eerder vermeld, slechts beperkt thuis in het gezin. Zijn jongste broer Franz en zusje Louise waren bij zijn vertrek nog niet geboren. Zijn broers waren nog te klein om als speelmakkers te kunnen worden aangemerkt. Met zijn zussen liet de geldende mores geen hartelijke verwantschap toe. In hoeverre hem dit heeft beïnvloed laat zich raden. Het zal echter hebben bijgedragen aan zijn neiging zijn eigen weg te gaan. Voor hij Cornelia bij zijn ouders ging ophalen bracht Hermann zelf enige tijd in München door, ‘waar hij langere tijd verbleef met het doel de architectuur te bestuderen.’ In Altenburg constateerde hij dat Cornelia een goede tijd had gehad in het huis van zijn ouders en met de familie over en weer goed overweg kon. Hij genoot van de vreugde welkom te zijn en oude vrienden van de NFGdO te ontmoeten die met respect over zijn succes in de natuurlijke historie spraken. Hermann had sedert zijn aantreden in Leiden regelmatig zendingen natuurhistorische voorwerpen gestuurd aan de NFGdO. Zelfs nu nog bevat het Mauritianum in Altenburg een vitrine met door Hermann gezonden vogels. Ook had men niet vergeten hoe hij, als kwajongen nog, zich ijverig verdienstelijk had gemaakt in de toen nog in opbouw zijnde verzameling, waarvan zijn vader de beheerder was. Het bestuur van het NFGdO bood Hermann en zijn Cornelia een afscheidsfeest aan. Bij die gelegenheid was de hofpredikant Christian Friedrich Heinrich Sachse (1775-1860) aanwezig. Hij genoot in zijn positie grote achting in Altenburg en was thuis in de loge van vrijmetselaars Archimedes zu den drei Reißbrettern. Het feest vond plaats in het gebouw van de vrijmetselaarsloge. Sachse was indertijd door Hermanns vader ingeschakeld diens godsdienstige vorming af te ronden. De balsturige Hermann werd op school uit de godsdienstlessen verwijderd nadat hij, zoals gezegd, de leraar een bijbeltje naar het hoofd had

233 UBL Westerse Handschriften, BPL 2742, brief VAN D.F. Esricht AAN H. Schlegel, nr. 2, 15 oktober 1835. Het handelt hier om de opdracht in de publicatie van H. Schlegel, Abbildungen neuer oder unvollständig bekannten Amphibien, nach der Natur oder dem Leben entworfen, Hrsg. und mit einem erläuternden Texte begleitet, 50 pl., 11 S. (Dusseldorf 1837-1844), Vorwort.

109


gegooid. Juist deze man op wie hij zeer gesteld was geraakt, had naar goede Saksische gewoonte een lied gecomponeerd. Sachse was een gewaardeerd dichter en tafelredenaar. Ik denk nog steeds met oprechte hoogachting aan deze zeldzaam rechtschapen man. Hoe hij en onze geestverwanten over mij dachten, sprak hij in een gedicht uit, hetwelk hij mij in latere jaren op een groot feest dat het Naturforschende Gesellschaft mij ter ere gaf, overhandigde. 234

Het feestlied werd ten gehore gebracht op het afscheidsfeest op16 november 1836. 235 Dit eerbetoon gold de verdienste van Hermann als museumbioloog in Leiden. Sachse’s tafellied was een meezinger waarin Hermann en zijn Cornelia werden geëerd. ‘Wie strömt von Seinem Ehrenplatz/ Auf uns aus Licht und Leben./ Wie viel gab Er aus seinem Schatz/ wie viel wird Er noch geben.’ Tenslotte een heenzending en heildronk : Zieht hin und baut ein warmes Nest

Jetzt gilt ‘s, der Freude Silberblick

Am feuchten Meeres Strande.

Im Glase zu erhaschen.

Der Segen folgt nach Nord und West

Wir trinken all’ auf Euer Glück,

Auch aus dem Osterlande.

Doch nicht aus Leydner Flaschen.

Lasst blühe’ n auf Hollands sichern Damm

Wie Fern Ihr zieht, Ihr bleibt uns nah;

Der Zweige viel von Davids Stamm!

Hoch Hermann und Cornelia!

Hoewel Hermann tijdens zijn kinderjaren voor de nodige problemen had gezorgd, was scepsis over wat van de eigenzinnige knaap terecht moest komen omgezet in erkenning. Het is duidelijk dat Hermann omtrent deze tijd in Altenburg al gold als een geslaagd en gearriveerd man, een waardering waarin nu ook Cornelia deelde. Inderdaad heeft de NFGdO tot op de dag van vandaag geen gelegenheid voorbij laten gaan ‘deze zoon van David Schlegels stam’ te eren.236 Als uiting van de Duitse gewoonte met samenzang een goede tafel op te luisteren, werd Cornelia ook in dit gebruik geïnitieerd. Hun waarde wordt uitgedrukt in het bewaren van deze teksten in het archief van het NFGdO. Hoe Sachse over Hermann dacht valt te lezen in een brief die hij aan Hermanns vader schreef in 1827. Johann David had zijn vriend Sachse op de hoogte gebracht hoe het met zijn zoon in Leiden verging. Sachse’s reactie hierop:

G. Schlegel, Levensschets, pp. 12-14, noot. Thüringisches Staatsarchiv Altenburg, inv. nr. 82, Tafellieder 1834-1836, nr. 62. 236 In Museum Mauritianum in Altenburg zag ik nog verschillende voorwerpen door Hermann in de loop van de jaren toegezonden uitgestald. In het archief van het Mauritianum bevindt zich een overzicht van zendingen opgesteld door Frau dipl.- Biologe Kathrin Worschech van door Hermann gezonden voorwerpen tussen 1826 en 1841. Bij ons onderzoek ter plaatse was de informatie van de directeur, dr. Mike Jessat, en van mevrouw Worschech van grote waarde. 234 235

110


Gewiss Ihr Hermann wird bei der glühenden Begeisterung für das Fach, dem er sich nun gewährest hat, bei der Tätigkeit u. Ausdauer, womit er seiner [onleesbaar vZ] bei dem bewunderungswürdigen Fleiße womit er alle Hilfsmittel zu seiner wissenschaftlich Vervollkommnung ausführt und benutzt, ein Mann werden, der, wenn Gott ihm Leben schenkt, seinen Eltern, seiner Vaterstadt u. seiner Vaterland Ehre macht, u. wohl dem, der Freude an seine Kindern lebt!

Sachse liet ook een waarschuwend woord horen. Hermann moest blijven werken aan het verdiepen van zijn kennis, daaraan veel aandacht besteden zodat zijn streven meer op diepgang dan op breedte was gericht. Jammer vond Sachse dat hij naar diens mening door zelfstudie alleen er niet in zou slagen de achterstand die hij in zijn leerweg had opgelopen te compenseren. Sachse sprak in deze brief ook spijt uit dat het niet anders was gelopen: Eins tut mir allemal weh, wenn ich nun Briefe von dem hochbegeisterten Jüngling lese, doppelt weh weil er es selbst zu fühlen scheint wenn auch nicht ganz in meinem Sinne. Zu was würde dieser talentvolle Feuerkopf leisten (sage ich mir oft) wenn er mit einer gründlichen, tüchtigen klassischen Bildung das Feld betreten hätte, das seine Liebe u. der Drang der Genius verratet hat! 237

Hermanns cultuurreizen Temminck had in 1835 twee redenen Hermann mee te nemen naar Parijs. Ten eerste bevonden er zich voorwerpen van het ‘sRMvNH die waren uitgeleend aan het Musée National d’Histoire Naturelle in Parijs. En wel aan de beroemde Georges Léopold Chrétien Frédéric Dagobert, baron Cuvier (1796-1832) ten behoeve van diens grote werk over vissen. Ondanks herhaald aandringen waren deze na diens overlijden niet teruggekomen. Temminck besloot ze dan maar te gaan halen. Hermann was nauwkeurig op de hoogte welke voorwerpen waren meegegaan naar Parijs en was dus onmisbaar om deze in de Parijse verzameling terug te vinden. De tweede reden was dat Temminck van mening was dat het voor Hermann goed zou zijn het Parijse nationale museum te leren kennen. Temminck vroeg daarvoor met succes een subsidie van het Ministerie van BiZa. Hermann zou zo contacten kunnen leggen met belangrijke Franse en Europese dierkundigen die zich in Parijs ophielden. Het was de bedoeling dat hij na afronding van de missie in Parijs door zou reizen naar Duitsland met hetzelfde doel. In het jaarverslag over de

UBL Leiden,Westerse Handschriften, BPL 2742, brief AAN D. Schlegel van C.F.H. Sachse, nr. 1, 1 maart 1827.

237

111


jaren 1834-1835 maakte Temminck melding van het slagen van de missie en ‘dat het subsidie voor Schlegel op allernuttigste wijze was besteed.’ 238 Hermann deed echter meer in Parijs dan uit de officiële stukken blijkt. Hermann schreef tijdens zijn verblijf brieven aan bekenden in Duitsland over zijn observaties buiten de museumbesognes in de Franse hoofdstad. De adressanten drongen er bij hem op aan zijn observaties in een boekje uit te geven. Zo verscheen Bemerkungen auf einem Ausflug nach Paris ihm Jahre 1835.239 In 1839 verscheen een vertaling van dit boekje in het Nederlands onder de titel Opmerkingen over Parijs, dat uit twee delen bestond. 240 Het eerste deel handelde over het verblijf in Parijs in 1835, dat door J.A. Susanna, administrateur van het Museum, was vertaald in het Nederlands. In het voorwoord deed Hermann uit de doeken dat op aandringen van de uitgever een verhandeling over een tweede reis naar Parijs die hij maakte in 1838 was toegevoegd. Hermann zelf schreef zijn brieven veelal in het Duits of het Frans, zelden in het Nederlands. Er is reden aan te nemen dat Susanna als vertaler voor hem optrad, een veronderstelling die ook van toepassing is op diens opvolger F.A. Verster (Floor). Het is opmerkelijk dat over het doel van de eerste reis niets werd gezegd, zodat de indruk ontstaat dat Hermann op reis was gegaan om het culturele leven in Parijs te leren kennen en niet met het doel uitgeleende bezittingen terug te halen. Hij beschreef uitvoerig hoe hij het Parijse culturele leven bezocht en rapporteerde over de kwaliteit van muziek, beeldende kunst en toneel. Zo tekende hij een tijdsbeeld van wat er in Parijs aan cultureel aanbod voorhanden was. Dat beide heren in Parijs waren, is zeker. Temminck, zijn echtgenote en knecht reisden met hun eigen reiswagen. Hij kreeg daarvoor een vrijgeleide van het militaire gezag om door de verdedigingslinie door België te reizen. Hermann reisde per boot om deze barrière letterlijk te omzeilen. Zijn reisverslag handelt uitsluitend over zijn culturele ervaringen. Eerder was in Temmincks gezelschap Boie meegereisd. Van deze contacten bestaan wel impressies die we hier slechts terzijde noemen.241 Of die contacten tijdens Hermanns verblijf in Parijs ook hebben plaatsgehad, is onbekend. Evenals hij in de Levensschets deed, legt hij ook bij deze publicaties de verantwoordelijkheid bij anderen die hem tot het schrijven hebben aangezet. In het voorwoord benadrukt hij dat zijn eerste reis (1835) als de weergave van individuele impressies moet worden gelezen, de tweede als een meer beschouwende (1838). Bij het verslag over de tweede

Archief Naturalis Biodiversity Center, Jaarverslagen, jaarverslag over 1834-1835, d.d. 11 juli 1836. H. Schlegel, Bemerkungen auf einem Ausflug nach Paris ihm Jahre 1835 (Altenburg, Exped. des Eremiten Fr. Gleich 1837). 240 H. Schlegel, Opmerkingen over Parijs (Leiden, D. du Mortier en Zoon 1839) voorrede p. iv. 241 A.M. van Lynden-de Bruïne, In vogelvlucht door Europa. De reisjournalen van Dionysia Catharina Temminck-Cau (1807-1824), bezorgd door A.M. van Lynden-de Bruïne (Walburg Pers, 2001). 238 239

112


reis betrekt hij zijn ervaringen die hij in Beieren had opgedaan. In aansluiting op Parijs verbleef hij enige tijd in München. In 1836 nog eens. Toen was hij onderweg om zijn bruid op te halen die in Altenburg met de familie kennismaakte. De tekst is interessant omdat daaruit blijkt hoe Hermann de Duitse cultuur vergeleek met de Franse. Juist in deze periode woedde er in Duitsland een groot debat waarin de voortreffelijkheid van de eigen Kultur werd gesteld boven de als oppervlakkiger ervaren Franse Zivilization. In het eerste deel zet hij de Duitse waarden af tegen de Franse ter vergelijking van het eigene met het vreemde. In het tweede deel van het boek onderbouwde hij zijn tekst met bespiegelingen, waarbij de nadruk lag op de culturele verschillen tussen de Fransen en de Duitsers. Hij spreekt er over het ‘volkskarakter’, de ‘volksgeest’ en het ‘volkseigen’. Hij stelt daarin de Saksische Duitser op de voorgrond. Hij maakt nadrukkelijk onderscheid tussen de Duitsers in het noorden, die overwegend protestant zijn en de overwegend rooms-katholieke bevolking in het zuiden. Hermann vergelijkt de reizen die hij in 1835 en 1836 naar München maakte met zijn Parijse indrukken in 1835 en 1838. Deze werkwijze representeert zijn persoonlijke observaties. Hij blijkt een scherp oog te hebben voor de architectonische vernieuwingen die juist in die tijd door de koning van Beieren, Ludwig I (1825-1848), tot stand werden gebracht. De Duitse landen beleefden een opleving in het tot uitdrukking brengen van de eigenheid van hun cultuur als hoogwaardiger dan die in andere landen. Deze koning deelde de bewondering voor de antieke Griekse cultuur die breed werd gedragen. Hij was een verklaard voorvechter van de Griekse vrijheidsstrijd. Lang hadden de Duitse landen zich de erfgenamen gewaand van de Romeinse beschaving, maar die had plaats gemaakt voor een oriëntatie op Hellas. Ludwigs tweede zoon, Otto I, was in 1832 zelfs ingehuldigd als de eerste koning van een onafhankelijk Griekenland. Koning Ludwig I wist zich te omringen met kundige bouwmeesters, onder wie Leo von Klenze (1784-1864) als hofarchitect. Onder zijn leiding ontstonden er ingrijpende veranderingen in het aanzien van de stad München en omgeving door de hand van de vorst en zijn architect. Wat Hermann in Beieren had gezien stak sterk af tegen zijn observaties in Parijs. Was in München de schoonheid van de Griekse oudheid in de architectuur teruggebracht, in Parijs ziet hij daarentegen ‘op alle kunstwerken van brons, porselein enzovoorts, op uurwerken en andere sieraden, de walgelijke figuren van een verwrongen natuurpralens.’242 De kunstsmaak van de Franse stedelingen ‘is de bonte, belachelijke van de eeuw der pruiken, der hoepelrokken en der stijf gesnoeide bomen.’ De Notre Dame en de Madeleine waardeert hij omdat daar de antieke stijl

242

H. Schlegel, Bemerkingen over Parijs, p. 13.

113


het minst geweld wordt aangedaan. 243 Was hij bij zijn eerste bezoek aan München gestoten op indrukwekkende bouwactiviteiten, in 1838 vond hij de stad gevorderd in de uitvoering van de vele plannen. In Beieren ging het veelal om nieuwe ontwerpen die gerealiseerd werden in een betekenisvol verband. De Glyptothek, de Alte Pinakothek en de Engelse tuin waren onder meer gereed. Hermann beschreef er paleizen en publieke gebouwen, kerken, musea en parken vanuit het gezichtspunt van de gebruikte bouwstijl met als criterium stijlzuiverheid. De Glyptothek was het huis voor alle klassieke bouwwerken van alle tijden. Het was een Griekse tempel gebouwd in Ionische stijl. Om ruimte te winnen waren grote zijvleugels aangebracht. Aan de buitenzijden sculpturen van grote kunstenaars. De lichtval werd gereguleerd door hoge vensters. De hof werd doorgaans aangeduid als de Nationale Schouwburg en gezien als Romeinse tempel. Hermann plaatste daarbij de kanttekening dat hij eerder verwacht had dat ook hier de Griekse bouwstijl zou zijn gevolgd. Het vooruitspringende portiek was weliswaar voorzien van Korinthische zuilen, maar niet stijlzuiver. Toneel was avondvermaak voor een klein publiek en geen groot volksfeest zoals in het oude Griekenland. Toen vond dat plaats onder de blote hemel en werd massaal bezocht. In de schepping van deze Nationale Schouwburg zag Hermann de volksaard van de Duitser tot uitdrukking gebracht. De geleerden in zijn tijd, verklaarde hij, legden de nadruk op een zo diepgaand mogelijke ontwikkeling van mens en samenleving, uitgedrukt in het Bildungsideal waarvan Wilhelm von Humboldt (1767-1835) een belangrijke representant was. Hermann was overtuigd dat in de laatste dertig jaar in Duitsland ‘haar ware grootheid aan de middeleeuwen werd ontleend.’244 Het ging te ver om te denken dat die tijden konden terugkeren. De tegenwoordige tijd is naar zijn mening verre van poëtisch, maar dat waren de middeleeuwen ook niet. Hij stelde vast dat zijn generatie onvoldoende oog had voor wat gedurende vele honderden jaren door voorvaderen tot stand was gebracht en op die grond ‘het verhevene en grootte alleen bij de Grieken en Romeinen zoekt.’ Wie doordringt tot de geest der middeleeuwen zal zich betrappen op een eenzijdige beoordeling die er toe leidde ‘dat men het verleden om het tegenwoordige vergeet of gering acht en blind wordt voor al de wetenschappelijke vooruitgang en beschaving.’245 Als lutheraan afkomstig uit het protestantse Saksen verbaasde Hermann zich over de in zijn ogen belachelijke riten in de rooms-katholieke kerk, zowel in München als in Parijs. Een monument van Deutschtum noemde Hermann het Walhalla nabij Regensburg, eveneens door Von Klenze ontworpen.

idem, pp. 15-16. idem, p. 128. 245 idem, p. 129. 243 244

114


Het Walhalla is één van de meest aanzienlijke monumenten, toegewijd aan beroemde Duitse mannen en vrouwen, die een buste krijgen. Gebouwd in het Donaudal bij Regensburg als een geheel marmeren tempel in de zuiver Dorische stijl en in grootse verhoudingen opgetrokken. Van de waterkant voeren treden naar boven, van de onderkant een eenvoudig pad door eikenwoud. Gevelvelden: allegorische voorstellingen van Duitsland, en één van de slag van Herrmann. Friesen en basreliëfs vertonen de zeden, gebruiken en volksverhuizingen van de oude Duitsers. Rondom de bustes de doden, in het ruim daaronder die der levenden. Idee van het Verhevene, waaraan de grootste onbaatzuchtigheid ten grondslag ligt. Zo sticht een kleine Duitse vorst voor heel Duitsland een monument voor het gemeenschappelijke vaderland. 246

Hermann gebruikte voor het vergelijken van de Franse bouwkunst, zoals hij die in Parijs observeerde, München als spiegel. De Franse bouwkunst streefde naar glans en pracht, tot het sierlijke geneigd. De Franse bouwmeester was daarom beoefenaar van een decoratieve kunst, met nadruk op het technische karakter. Voor wat Hermann ‘de wetenschappelijke kunst’ noemde, moest hij te rade gaan bij de kunstgeschiedenis. In Frankrijk trof hij hoogst zelden gebouwen aan die een zuivere stijl representeerden. Als dat wel het geval was dan was het navolging van de antieken. Gebouwd ‘nadat het verhevene of eenvoudige door zucht naar praal reeds verloren was gegaan.’247 Meestal werd er een eclectische stijl gebruikt. In private gebouwen is doorgaans de stijl van de renaissance te herkennen. Hoe anders was dat in Beieren. Daar kwam de geschiedenis van elk gebouw duidelijk tot uitdrukking. Wanneer afwijkingen werden aangetroffen dan berustten die op het doel dat aan het geheel ten grondslag lag. Dat was de reden dat in München de grootste verscheidenheid werd aangetroffen in de toepassing van stijlen in de verschillende gebouwen en tegelijkertijd de grootste eenheid in stijl in elk gebouw.248 München ziet Hermann als een staalkaart van wat bouwmeesters tot stand kunnen brengen. Daarnaast herinnert hij zich dat hen wel een gebrek aan vernuft verweten wordt. Daar is hij het niet mee eens. Hij merkte op dat de middeleeuwen als een barbaarse periode werden gezien. Bij het ontluiken van de wetenschap en daarmee de studie van de oudheid, ontstond er behoefte een moderne stijl te ontwikkelen. Dat resulteerde echter niet in een grootse stijl. Immers het grootste, wat de kunsten voortbrengen heeft men aan een verhevener belang, aan den Godsdienst te danken, en slechts met de ontwikkeling ener eigene eredienst, vermag de kunst een eigen oorspronkelijk karakter aannemen. Het is in de dienst aan de nijverheid dat ze haar

idem, pp. 146-147. idem, p. 169. 248 idem, p. 170. 246 247

115


hoogste bloei bereikt.[ ]ten laatste zullen wij beginnen in te zien, dat zij eeuwenlang onzen uitvindinggeest op een nutteloze proef hebben gesteld.249

Vijfentwintig jaar later zou hij in brieven aan zijn zoon Leander zijn kunstopvattingen uit zijn reisverslagen opnieuw bevestigen.250 In zijn gezinsleven zal zijn gehechtheid aan Kultur und Bildung een vooraanstaande plaats in nemen als hij optreedt als onderwijzer van zijn kinderen. De kunstzinnige kant zal permanent aanwezig zijn in het musiceren, het organiseren van soirees en het ontvangen van vele buitenlandse gasten die de gastvrijheid van het gezin zullen leren kennen. Hermann is klaar voor een nieuwe fase in zijn leven: het stichten van een gezin. Periode 1837 -1857 Huiselijk leven en gezinsvorming Op 22 juni 1837 was het eindelijk zover dat het paar in het huwelijk trad.251 Getuigen waren de moeder van de bruid Catharina Elisabeth Buddingh, geb. Caspers en voor de bruidegom C.G.C. Reinwardt, C.J. Temminck, Ph. F. von Siebold en Baron Karel Collot d’Excury. Over een bruiloft is verder niets bekend. Het enige cadeau dat gememoreerd kan worden werd door Siebold, mede namens zijn nicht die zijn huishouden voerde, bij het paar bezorgd. Het was een pendule die begeleid werd met de wens ‘dat de klok maar veel gelukkige uren mocht slaan.’252 Het paar woonde op de Langebrug, waar het eerste kind Cecilia (later werd het Cécilia, nog later Cécile), werd geboren op 27 april 1838.253 Het gezin verhuisde kort daarop naar het huis van Cornelia’s broer Johan op de Maredijk. Deze was als predikant naar St. Oedenrode vertrokken. Op 30 september 1840 zag Gustaaf (Gustav) het levenslicht.254 Het derde kind kreeg de naam Rudolph, geboren op 24 mei 1842. Het jongetje overleed nog maar net twee jaar oud op 26 juli 1844.255 Op 2 februari van dat jaar was

Figuur 8: Huis aan de Vliet, getekend door Gustav Schlegel

idem, p. 171. Vgl. dl. III, periode 1861-1863, p. 279-285, briefwisseling, passim. 251 RAL, BS ondertrouwregister Leiden, dd. 9 juni 1837; RAL, BS Oegstgeest en Poelgeest, trouwregister 1837, akte nr. 7, 22 juni 1837. 252 UBL Westerse Handschriften, BPL 2742, brief AAN H. Schlegel VAN Ph.F.B. von Siebold, nr. 2, 21 juni 1837. 253 RA Zuid-Holland BS Leiden, geboorteregister 1838, akte nr. 590. 254 RA Zuid-Holland BS Oegstgeest en Poelgeest, geboorteregister 1840, akte nr. 43. 255 RA Zuid-Holland BS Oegstgeest en Poelgeest, geboorteregister 1842, akte nr. 20; idem, overlijdensregister 1844, akte nr. 44. 249 250

116


Leander (Léandre) geboren.256 Kort daarop verhuisde het gezin opnieuw naar een ruimer en geriefelijk huis met tuin op de Vliet nr. 23, gelegen tussen het Rapenburg en de Bakkerssteeg.257 ‘Precies veertien jaren later, op 30 september 1854’, schreef Gustav in een voetnoot, ‘schonk zijn vrouw hem nog een dochtertje Betsy, dat slechts één dag leefde’. Op de geboorteaangifte werd het meisje echter als levenloos genoteerd.258 Gustav wijst er op dat deze verdrietige gebeurtenis op zijn veertiende verjaardag plaatsvond. In het gezin is Betsy niet naamloos gebleven. In het huis aan de Vliet werden de kinderen opgevoed. Hun moeder zou er overlijden. Voor Hermann betekende het gezinsleven vooralsnog het letterlijk en figuurlijk dagelijks heen en weer gaan tussen zijn huis en het Museum. Hij kon de zorg in die eerste jaren voor huis en haard nog overlaten aan Cornelia. Bij verhuizing naar het grotere huis lag Leander nog in de wieg, was Gustaaf vier jaar en Cecilia zes. Zijn focus richtte zich daarna ook steeds meer op het gezinsleven. We letten specifiek op de kenmerken van het gezin, voor zover van belang voor de toekomst van de kinderen. We proberen de interacties tussen ouders en kinderen te duiden. Zij betrokken daarbij hun sociale netwerk. Geheel in overeenstemming met de tijd waarin het gezin leefde, treffen wij weinig mededelingen aan over de emotionele en affectieve kanten van hun bestaan. Veeleer waren het conventies, standsbewustzijn, maatschappelijke positie en de voorschriften voortkomend uit de levensbeschouwelijke mores die prevaleerden. De Saksische leefgewoonten domineerden in het gezin, dat zich omringd wist door Duitsers. Het leven werd bepaald door de geïnternaliseerde gewoonten die Hermann tot Hermann hadden gemaakt en die hij overgedragen had op Cornelia in de periode dat hij haar schoolde. Er bleven contacten met de Duitse familie op afstand, maar ook met Cornelia’s broer, Johan Buddingh en diens kinderrijke gezin. Er is sprake van regelmatige logeerpartijen over en weer. De moeder van Cornelia verruilde Leiden voor Sint Oedenrode, waar zij tot haar dood in de pastorie van haar zoon zou blijven wonen. Hun sociale netwerk bestond voor een belangrijk deel uit in Leiden neergestreken Duitsers, werkzaam in universiteit of musea in de stad, onder hen ook enkele uitgevers. Natuurlijke historie, muziek en debat waren de onderwerpen die in de kennissen- en vriendenkring aan de orde kwamen. Muziek nam in het gezin een vooraanstaande plaats in. De ouders hielden beiden van zingen. Cornelia was tot na het overlijden van Rudolph lid van een koor van de plaatselijke Maatschappij voor Toonkunst (MvT). Deze muziekschool opende haar deuren in 1834. Het was een gevolg

RA Zuid–Holland BS Oegstgeest en Poelgeest, geboorteregister 1844, akte nr. 5. Het huisnummer is ontleend aan het Huisnommerboek van Leiden 1871. 258 G. Schlegel, Levensschets, p. 41, noot. RA Zuid-Holland BS Oegstgeest en Poelgeest, overlijdensregister 1854, akte nr. 845. 256 257

117


van particulier initiatief van de kant van stedelijke notabelen. De school bood muziekonderwijs aan gegeven door musici die in de stad gevestigd waren. Het muziekleven steunde op reeds lang bestaande muziekgezelschappen onder leiding van beroepsmusici en muziekliefhebbers. Er was in de stad een continu aanbod van concerten. Er was sprake van een muziektraditie. Cornelia speelde piano en zong liedjes met de kinderen. Ze speelde ook gitaar en had snel begrepen dat dochter Cécilia muzikaal was. De muzikaliteit van Leander overtrof aller verwachting. Hij viel als kleuter al op wanneer hij zijn moeder corrigeerde als ze haar gitaar onjuist stemde. Cécilia en Leander kregen al vroeg pianoles. Aanvankelijk van vader en moeder. Al spoedig legde Leander een schriftje aan waarin kleine muziekstukjes werden genoteerd, die hij opdroeg aan zijn moeder, leraren en vrienden van het gezin: Compositions Buch von Leander Schlegel. Het eerste stukje dateert uit 1850, hij was toen slechts zes jaar oud. De titel is: Elégie, composée et dédiée sa tendre mère par Léandre Schlegel. 259 Toen hij als ruim negenjarige de muziekschool betrad was hij geen tabula rasa, hetgeen resulteerde in een vliegende start. Ongetwijfeld zullen Cécilia en Leander zodra dat kon hebben deelgenomen aan de muziekavonden voor zover ze daartoe in staat waren. Eerst hebben ze passief geluisterd, geleidelijk werden ze meer actief, via zingen naar instrumentaal optreden. Gustav is de uitzondering, hij tekende liever dan dat hij interesse toonde voor de gemeenschappelijke voorliefde van zijn ouders, zus en jongere broer voor muziek. Gustav had talent voor tekenen. Van hem zijn tekeningen bewaard in een schetsboekje dat bestemd was voor zijn grootmoeder in Altenburg ter gelegenheid van haar verjaardag. Album von Leiden. Seiner lieben Großmutter zum Geburtstag 23. September. Het album bevat 12 kleine tekeningen van 44x81 mm. 260 Op de achterzijde is telkens de locatie genoemd. Vijf tekeningen hebben de stad Leiden en directe omgeving tot onderwerp. Elf afbeeldingen zijn in waterverf opgezet. De twaalfde, die meer een pentekening is, toont de Hooglandse kerk. Het is alsof Gustav met dit album zijn grootmoeder (Johanna Rosina Seiler) een rondgang door de stad en omgeving aanbood om haar op die wijze bekend te maken met de omgeving waar haar zoon en zijn familie woonden. Het eerste blad toont het huis aan de Vliet. Dit album kan

259 Nederlands Muziek Instituut Den Haag, Leander Schlegel, Compositions Buch von Leander Schlegel. Archief Leander Schlegel 1844-1913, openbaar leven II B componist inv. nr. 20, handgeschreven tekst. 260 R.E.O. Ekkart.’Gustav Schlegel en het Album van Leiden’, Leids Jaarboekje 1982. Leids Jaarboekje voor geschiedenis en oudheidkunde van Leiden en omstreken 1982, vierendertigste deel (Leiden, Beugelsdijk BV 1982) pp. 131-139. Annotatie van de 12 voorstellingen 44x81 mm. afb. 1: Schlegel Haus zu Leiden; afb. 2: Die St. Pancratius-Kirche von den Zinnen d. Brug (sic) zu Leiden aus gesehen; afb. 3: Die Haager Chaussée, vor Leiden; afb. 4: Leiden v. Westen aus gesehen; afb. 5: Leiden v. Osten aus gesehen; afb. 6: Wohnhaus Boerhave’s (sic) bei Leiden; afb. 7: Ansicht von Dorfe Rijnsburg, Wohnplatz Spinosa’s; afb. 8: Ruïne Teylingen, bei Leiden; afb. 9: Ruïne Deventer, lees Dever, bei Lisse Umgegend (sic) Leidens; afb. 10: Seeansicht bei Noordwijk (sic) 2 St. v. Leiden); afb.11: Die Kaag, Geburtsort von Cornelia Schlegel, geb. Buddingh; afb. 12: Ansicht der Gewässer u. Inseln an Haarlemmer Meer, von Zinnen der Leeghwater aus gesehen.

118


worden gezien als een vroege vingerwijzing naar de volwassen Gustav en de minutieuze observaties van etnografische en filologische aard die overvloedig voorkwamen in zijn latere publicaties als sinoloog. Hermann nam de scholing van de kinderen op zich, ongetwijfeld met steun van Cornelia. Tot dat onderwijs behoorde buiten de basisvakken aandacht voor de geschiedenis van kunst en cultuur, zelfs van muziektheoretische lessen als onderdeel van het Bildungsprogramm dat Hermann voor ogen had. Cécilia en Leander werden zo door hem gevormd tot gedegen musici. Gustav werd voorbestemd voor een carrière als geleerde. Muziek zou in de loop van de jaren veelvuldig in het huis aan de Vliet klinken. Een en ander groeide uit tot muziekavonden, die later werden aangeduid als soirees, toen muziek minder en het debat meer de boventoon ging voeren. Hermann omschreef deze bijeenkomsten als ‘bestemd voor de meer beschaafden in de Leidse samenleving.’261 Over deze soirees is niet veel meer bekend dan dat ze er waren. Onder meer in de archieven van de Leidse MvT zijn sporen terug te vinden in verband met het lenen van bladmuziek voor het koor dat in zijn huis repeteerde en waaraan hij ook zelf deelnam. Daarnaast zijn in het archief aan - en afmeldingen voor deze bijeenkomsten gevonden.262 Tot de intimi van de familie behoorden muziekliefhebbers bij wie Hermann zich thuis voelde. De taalkundige en latere hoogleraar japanologie J. Hoffmann, die ooit als toneelzanger was opgetreden, was er één van. Hij zou de leermeester worden van de toen negenjarige Gustav in de Chinese taal. Von Siebold bezocht het cultureel gebeuren in het gezin. Gustav vereerde diens kennis op etnografisch gebied. Samen met Hoffmann vertegenwoordigden zij de magische wereld van het Oosten. Hoogleraar Frederick Kaiser was eveneens een belangrijke identificatiefiguur voor Gustav. Hij volgde als kind bij hem lessen in astronomie, kennis die hij in latere studies als sinoloog gebruikte. Die status had ook Charles Lucien Bonaparte, prins van Canino en Musignano voor het hele gezin. Gustav bewaarde levenslang een brief van de Prins uit 1854.263 Professor C.G.C. Reinwardt was een andere huisvriend. Eén der conservatoren van het Museum, dr. J. A. Herklots, was jarenlang commissaris van Toonkunst, evenals de administrateur van het Museum, J.A. Susanna. Eén van de musici in de vriendenkring van de familie was Christoph Heinrich Wilhelm Schmölling (ca. 1828-30 november 1908) die veelvuldig optrad als cellist tijdens muziekavonden in huize Schlegel, al dan niet met genodigden. Hermann leefde met deze vriendelijke en zachtaardige man mee en steunde hem in zijn zoektocht naar

G. Schlegel, Levensschets, p. 36. RAL, archief Maatschappij voor Toonkunst, nr. 523, Register van notulen van gewone en buitengewone vergaderingen van commissarissen. 263 G. Schlegel, Levensschets, pp. noot 45-46. 261 262

119


een goede positie als musicus. De man zou levenslang met Leander bevriend blijven. Johann Heinrich Lübeck - ook geschreven als Lubeck - (1799-1865), was directeur van de Koninklijke Muziekschool, het latere Koninklijke Conservatorium in Den Haag. Hij was de vertrouwensman van Schlegel in muzikale aangelegenheden. Beide families gingen vriendschappelijk met elkaar om, dat leidde tot contacten met de twee zonen van Heinrich Lübeck, Ernst Hendrik (18291876) en Louis Theodor (1838-1904), beiden succesvolle musici. Zij speelden een belangrijke rol in het leven van Leander. De muziekavonden werden ook opgeluisterd door de ornitholoog Friedrich Heinrich Otto Finsch (1839-1917), een protégé van Hermann. Hij werkte gedurende twee jaar als assistent in het Museum. Vanzelfsprekend waren de Versters van Wulverhorst als de boezemvrienden van Hermann, onder wie diens zoon Floor, met hun gezinnen vaste bezoekers. In de loop van de jaren werd Hermann kritischer over de kwaliteit van het Leidse muziekleven. Dat werd in zijn ogen te sterk gedomineerd door muziekonderwijzers die volgens hem hun kleinsteedse beperkingen niet konden overstijgen in vergelijking met het hoge niveau van musici met een klassiek repertoire in Europa. In de kern van de zaak was zijn probleem dat de Nederlandse musici, dus ook de Leidse muziekonderwijzers, onvoldoende durchgebildet waren. Bovendien stond hij kritisch tegenover hun theoretische kennis. Zij hielden van muziek, hadden een zeker talent maar hadden een gedegen wetenschappelijke vorming in de muziek gemist. Hij vergeleek het niveau van Nederlandse componisten met dat van de klassieke componisten tot en met Beethoven onveranderd in het nadeel van de eerstgenoemden. Laatstgenoemde zag hij als de representant van de grote klassieke musici. Na hem was de neergang ingezet, die zich uitte in het inslaan van dwaalwegen. Teveel lag de nadruk op virtuositeit, niet in staat ‘de ziel’ van wetenschappelijke muziek te vertolken. Hij gebruikte deze kwalificatie om zich af te zetten tegen de eigentijdse componisten, die in plaats van de weg van de groten onder hen te volgen de voorkeur aan de dag legden zich van hen te willen onderscheiden. Deze composities konden niet beklijven omdat ze niet geworteld waren in de eeuwenlange muziekgeschiedenis van het hoogste niveau. Vertegenwoordigers van deze nieuwe stroming noemde hij consequent Die Neuen. Hij was er stellig van overtuigd dat alle muziek zich ontwikkeld heeft vanuit de koorzang. Hij nam in zijn lessen zijn kinderen mee op een virtuele reis door de tijd met het doel het eigene van de Duitse, Italiaans, Franse, Britse, Russische en Scandinavische muziek te typeren. Hij rangschikte de landen naar hun betekenis, waarbij de uitkomst onveranderlijk de Duitse

120


muziek als eerste aanmerkte en de Nederlandse als laatste.264 In zijn onderwijs aan zijn kinderen betrok hij hun muzikale vorming. Hij leerde hen luisteren en maakte inzichtelijk hoe muziek in elkaar stak, wetenschappelijke muziek wel te verstaan, voor de rest moest worden gewaarschuwd. Voor alle duidelijkheid: ‘wetenschappelijke muziek’ was voor hem synoniem aan de classicistische kunstopvatting die de kunstenaar niet zag als een arbeidsman, maar als een geleerde die de hoge verplichting had de in de voorafgaande eeuwen van haar geschiedenis verworven standaards door te geven en zo mogelijk te overtreffen. De vraag rijst in hoeverre Hermann de kwalificaties bezat de scholing van zijn kinderen tot musicus op zich te nemen. Hem kan niet worden ontzegd zich langjarig in muziektheoretische kwesties te hebben verdiept. Hij was in staat zijn kinderen de eerste beginselen van het musiceren bij te brengen, nu samen met Cornelia, als vrucht van zijn vorming. Hij volgde daarin de weg die hij zelf had afgelegd: dat wat hem interesseerde zich toe te eigenen met behulp van zijn vermogen door te dringen in vraagstukken die op zijn weg kwamen. Hij had voor zichzelf de aanduiding autodidact gereserveerd als geuzennaam. Zijn persoonlijke sensitiviteit voor muziek laat de verbinding tussen hoofd en hart zien als de weg om haar schoonheid in volle rijkdom te doorgronden. Vanuit die gedachte vertrouwde hij zichzelf de taak toe zijn kinderen te onderwijzen. De muzikale begaafdheid van de kinderen motiveerde Hermann hen de kans te geven hun talenten te ontwikkelen. Hij begreep dat hij hun instrumentale opleiding uit handen moest geven aan muziekleraren, al dan niet verbonden aan Toonkunst. Zelf poogde hij hen met zijn lessen te sturen in de richting die hij als enige ware zag. Hij had in zijn jeugd zichzelf thuis leren spelen op een fluit. Van die kennis had hij gebruik gemaakt toen hij in Leiden door weddenschappen de aandacht op zijn intellectuele potenties wist te vestigen. De grap van het evenaren van het dubbeltongslagspel à la Drouet was niet meer dan een staaltje bravoure voor een gezelschap vrienden. Hij speelde voor hen en kreeg applaus. Het prikkelde hem wel met het fluitspelen door te gaan, waarbij het ging ‘om de schone toon, vooral in de laagte.’ Maar het liefhebberen op eigen kracht verveelde hem. Hij besloot tot een andere aanpak: Tegelijkertijd echter, werd ik, ten einde wezenlijk nut van de muziek te hebben, lid van het orkest en het koor, maar liet alles weer lopen, toen ik mijn doel bereikt had om, door medewerking bij talrijke uitvoeringen, de gehele reeks van beroemde symfonieën, ouvertures, oratorio’s en koren

264 Vgl. dl. III, pp. 292-294 uitvoerig citaat hoe Hermann de Europese muziekbeoefening beoordeelt vanuit het gezichtspunt dat de Duitse muziek aan de top gaat. UBL Westerse handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1862 03 03, brief van 3 maart 1862, pp. 4-11.

121


in hun inwendige samenstel te leren kennen. Tot oefening schreef ik intussen van tijd tot tijd stukken voor muzikale nieuwsbladen.265

Deze aanpak is helaas niet nader gedocumenteerd, met uitzondering van een brief van dr. Florentinus Kist (1796-1863), redacteur van het muziektijdschrift Caecilia die hem uitnodigde van tijd tot tijd als correspondent aan zijn blad bij te dragen met een verslag van muziekuitvoeringen in Leiden. ‘Ik weet’, schreef Kist, ‘dat UWEdZ.gel. daarvoor volkomen zoude berekend zijn en het tijd[schrift vZ] door Uwe bijdragen op nieuws zoude winnen.’266 Deze recensies verschenen tussen 1853 en 1858.267 In hoeverre heeft vaders muziektheoretische deskundigheid enerzijds en zijn uitgesproken opvatting wat en hoe muziek behoort te zijn anderzijds, invloed gehad op zijn kinderen? De uitnodiging van Kist bezorgde Hermann een platform om zich uit te spreken over het muziekleven in Leiden en nog wel in het leidende contemporaine muziektijdschrift van Nederland. Hij kon er in kwijt hoe hij over de Leidse muzieksmaak dacht. Zou het concertpubliek aan zijn artikelen voorbijgaan omdat ze het tijdschrift niet lazen, de musici ter plaatse zeker niet, want die lazen het blad wel. Dit moet effect hebben gehad op Cécilia en Leander die beiden muzieklessen kregen. Leander op de muziekschool. Cécilia van een pianolerares en via deelname aan een koor. Het huisonderricht voor de twee muzikale kinderen was erop gericht hen te vormen tot goede musici. Leander als gedroomd componist en instrumentalist (viool, piano en orgel). Cécilia als pianiste, al was het niet de bedoeling dat zij daarvan haar beroep zou maken. Het doel van haar vorming beoogde haar toe te rusten voor het leven van huisvrouw, want daar lag de toekomst en niet in het uitoefenen van een beroep als kostwinner. Voor Leander moest het echter zijn inkomstenbron worden. Daarom werd hij op de muziekschool ingeschreven en Cécilia niet. Vaders visies en lessen namen zij mee naar hun leraren. Wat zij thuis leerden over muziek en de Idee waarop dit gestoeld was, leerden zij in woorden te beschrijven. Op de muziekschool ging het om het ontwikkelen van vaardigheid op één of meerdere instrumenten. Wat de leerling ervan terechtbracht, was ook sterk afhankelijk van zijn talent. De kinderen zullen hun in het gezin opgedane kennis tonen, zo niet expliciet dan wel impliciet tijdens de contacten met hun docent. Het toetsingskader voor het oordeel kwam voort uit vaders idee-

G. Schlegel, Levensschets, p. 36. Archief Naturalis Biodiversity Center, archief correspondentie, brief VAN dr. F.C. Kist AAN dr. H. Schlegel, Utrecht 28 mei 1844. 267 Vgl. Caecilia, algemeen muzikaal tijdschrift voor Nederland, waarin H. Schlegel tussen 1853 en 1858 negen verslagen over concerten in Leiden schreef. Vgl. dl. III, pp. 268-269. 265 266

122


enwereld. Het ging daarbij vooral over de vraag of het concert beantwoord had aan de standaarden die hij als eeuwig geldend beschouwde. Hij keek daarvoor als in een spiegel naar het verleden waar kunstexpressie in essentie was gebaseerd op onvergankelijke waarheidsaanspraken van het classicistisch ideaal dat door iedere componist en in iedere compositie opnieuw getoond moest worden. Het is denkbaar dat dit tot loyaliteitsproblemen kon leiden bij de kinderen jegens hun vader en dat dit identificatie met hun muziekonderwijzers in de weg kon staan.268 Deze onderwijzers werden gecontroleerd door de commissarissen van het bestuur van de MvT, soms zelfs door fysieke aanwezigheid bij de lessen volgens een roulerend schema. Zij oefenden op die manier vergaande controle uit op de gang van zaken in de school. Naast het geven van leiding aan het personeel gaf de directeur zelf ook lessen. Het bestuur bewaakte de uitvoering van de reglementen van de school. Zij namen examens af over de vorderingen, die op de jaarlijks te houden vergadering van de MvT werden gememoreerd . Er werd onveranderlijk een programma aangeboden waar leerlingen hun vaardigheden ten gehore brachten. Om die reden was het voor de onderwijzers ook niet makkelijk de kritische recensent Schlegel in hun vakblad Caecilia uitspraken te zien doen over concerten waaraan zij als musici hadden deelgenomen, hetzij als dirigent hetzij als instrumentalist. De Leidse orkesten bestonden uit beroepsmusici en dilettanten. Sommige muziekonderwijzers speelden in het studentenorkest Musis Sacrum (1828), onder leiding van A. le Lièvre, tevens directeur van Toonkunst. Het orkest Semper Crescendo (1831), stond onder leiding van A.J. Wetrens. Beide heren waren in verschillende functies verbonden aan de MvT. Daarnaast dirigeerden muziekonderwijzers koren die buiten de verantwoordelijkheid van Toonkunst stonden. Soms brachten zij in de concertzaal ook eigen composities ten gehore. Het gevolg van een en ander was dat de organisatorische verhoudingen tussen de verschillende muzikale organisaties in de stad gemakkelijk tot spanningen konden leiden. De Commissarissen van Toonkunst disciplineerden de muziekonderwijzers tot gedrag jegens hun kinderen dat zij in hun eigen stand gewoon waren, maar voor de onderwijzers was dat ongewoon. De verplichtingen die de muziekonderwijzers aangingen buiten hun lessen aan de muziekschool konden strijdig blijken te zijn met hun taak bij Toonkunst. Het bestuur moest daarop toezien. Het door elkaar lopen van verantwoordelijkheden, de ondergeschikte posities van de onderwijzers, hun deelname, in verschillende rollen, aan een aantal muzikale gezelschappen kon niet anders dan conflicten geven. Tussen 1854 en 1865 ontwikkelde zich een moeizame periode die in de pers wel is aangeduid

268

Vgl. dl. III, p. 268-269, waar deze vraag uitgediept wordt.

123


als de muziekcrisis. Er ontstonden elkaar onwelwillende facties, een bestuurscrisis bij Toonkunst en goede namen kwamen in opspraak. Hermann heeft niet openlijk in deze strijd geparticipeerd, maar behoorde wel tot de groep die Toonkunst geen goede school vond. Hermann zocht het in een de-escalerende houding waar het de school betrof. Hij hield zich verre van een actieve rol binnen de school. De ontwikkelingen in het Leidse muziekleven stootten hem af. Hij beperkte zich er in zijn muziekrecensies toe strikt zakelijk kritische geluiden te uiten en iedere partijdigheid te mijden: dezelfde strategie die hem ook in het Museum van dienst was door zich aan het gezag van de directeur te onderwerpen, conflict vermijdend, maar hij bleef wel door dik en dun vasthouden aan zijn eigen lijn. Hij ging even omzichtig om met de hiërarchische verhoudingen in het Museum als met die in Toonkunst. Bij de eerst genoemde om ongestoord aan zijn carrièrevoornemen te werken, bij de laatst genoemde vanwege zijn belang bij het muziekonderwijs aan Leander. Hij wist zich ook daar afhankelijk omwille van zijn doel voor zijn zoon gesteld. In het gezin werd hoog opgegeven van het talent van de benjamin. Hermann was ervan overtuigd dat de snelle vorderingen die Leander in de eerste jaren op de muziekschool maakte een belofte inhielden voor zijn toekomst als musicus. Vooral zijn vioolspel ontwikkelde zich tot een warme toon op het instrument. Zijn voordracht roerde Hermann vaak diep. Hij achtte zich in staat zijn kinderen de opvoeding te geven die hen zou maken tot dragers van de door hem zo bewonderde Duitse cultuur. Leander leverde de bewijzen voor zijn gelijk door op de voorspeelavonden op school onveranderlijk zijn vorderingen te laten horen. Zo werd hij voorbestemd aan het conservatorium van Leipzig zijn opleiding af te ronden. Zonder problemen verliep het leertraject niet. Leander bleek geneigd om de plezierige kanten van het muziek maken meer aandacht te geven dan de diepgaande studie die zijn vader noodzakelijk oordeelde om zijn talent tot bloei te brengen. Hermann hoefde Gustav nooit aan te sporen zijn werk naar behoren te doen en Leander altijd. Diens eigenzinnigheid bleek moeilijk te sturen. Daarbij kwam dat hij van de stimulerende kwaliteiten van de muziekonderwijzers geen hoge pet op had. Hij zag voor Leander een toekomst als componist en muziekdirecteur, niet als podiummusicus. Die konden het alleen maar bolwerken als ze als virtuoos konden schitteren en al helemaal niet als muziekonderwijzer. Een toekomst als muziekonderwijzer was uit den boze. Talent moest zich bewijzen door het uiterste te doen het tot zijn recht te laten komen. Hij hield zijn zoon voor dat hij zich vooral moest richten op het bestuderen van het werk van de grote componisten. Als Leander niet de juiste werkhouding zou ontwikkelen zou het project dat hij voor ogen had mislukken. Hij besefte dat de muziekonderwijzers in Leiden onvoldoende geëquipeerd waren om het beste uit Leanders talent te halen. 124


In contrast daarmee stond het vertrouwen dat Hermann had in Gustavs werkhouding, waarin hij veel van zijn persoonlijke wordingsgeschiedenis terugzag. Gustav ging, zoals hij zelf had gedaan, zijn eigen weg door huisvriend Hoffmann te vragen hem als negenjarige het Chinese schrift te onderwijzen. Zijn intelligentie was van dien aard dat hij als twaalfjarige met leeftijdsgenoten naar de burgerschool kon en een jaar later naar het gymnasium. Zeker, Hermann was trots op de jongen, maar op een andere manier aan hem gebonden dan hij aan Leander hing. In de laatste zag hij een groot musicus. De levens van zijn vrouw en dochter onttrokken zich voor een deel aan zijn wereld. Zij waren bezig met vrouwenactiviteiten, niet eens zozeer het huishouden, want daarvoor waren er twee dienstmeisjes over de vloer. Overigens accepteerde hij zonder commentaar hun wereld, anders dan de zijne, omdat deze volkomen paste in de orde der dingen. Vrouwen hadden tijd voor beuzelarijen, waar mannen hun mannenwerk moesten verrichten. Boos was het vrouwenkamp soms ook, om uiteenlopende redenen die de vrouwen alleen zelf begrepen, hijzelf in ieder geval niet. De jaarlijkse kermis, toch een hoogtepunt, mochten moeder en dochter het eerste jaar dat Leander in Leipzig doorbracht niet bezoeken, omdat het geld voor diens onderhoud in Leipzig nodig was. Het gevolg was een boycot van de dames in zwijgzaamheid en mokken. De strategie van het zwakke geslacht trof doel. Hermann schreef aan Leander: ‘Es ist auch still im Hause, man ist böse, dass ich kein Geld auf der Kirmes verwichsen will. ’269 Zo vergleden de jeugdjaren van de kinderen Schlegel. In deel II en III zullen we de ontwikkeling van de beide zoons volgen nadat zij het ouderlijk gezin verlieten. Voor Gustav was dat in 1858 toen hij voor zijn leerperiode naar Zuid-China vertrok. Voor Leander toen hij in 1860 naar het conservatorium in Leipzig verhuisde en voor Cécilia lag dat tijdstip in 1868. Cécilia speelde piano en was daar goed in, maar als vrouw kon zij in haar vaders ogen nooit een volwaardige musicus worden, al waren er wel voorbeelden van, maar geen van hen ontkwam aan zijn vooringenomenheid vanuit het perspectief van mannelijke dominantie. Moeder Cornelia bestierde het huishouden. Ze vergezelde haar man waar nodig bij officiële aangelegenheden. Zij zorgde goed voor de gasten. Voor Hermann bleef de vrouwenwereld vreemd. Hoe diep de omslag was in huize Schlegel toen beide zonen het huis hadden verlaten komt uitvoerig aan de orde in de brieven die hij aan Leander schreef. Dankzij deze brieven, moet gezegd worden, want de correspondentie met Gustav vanuit het huis aan de Vliet kon tot op

269 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, kenmerk 1861 07 26, brief VAN 26 juli 1861, p. 6.

125


heden niet worden achterhaald. In deze jaren omschreef hij zichzelf als oude man, die enigszins verbitterd klaagt dat hij gehoopt had in deze levensjaren vrij van zorgen te zijn. Ich muss mich halb Todt schinden um all das Geld was die Haushaltung u. Du kosten zu verdienen. Früh um 5, zuweilen um 4 aufstehen, dann geht‘s an die Arbeit bis Nachmittag um 4 Uhr, und ununterbrochen, denn ich komme gar nicht mehr zum Kaffeetrinken nach Hause. Nach Tisch ein Schläfchen, von ¾ S auf 7 bis The, vort (sic) bis halb 11 wieder oben arbeiten. Auch die Jagd habe ich aufgeben müssen, alle Gewehren verschachert usw. 270

Hermanns fysieke gesteldheid liet het jagen niet meer toe, jicht en andere klachten schakelden hem zodanig uit dat hij zich bewust was in een andere levensfase terecht te zijn gekomen. De suikerziekte speelde hem parten en viel niet langer te ontkennen. Eerder was hij in de jaren 1847/1848 al ziek geweest, geplaagd door hartklachten. Hij riep daarvoor de hulp in van zijn broer Franz die metterdaad als zijn lijfarts naar Leiden kwam en hem in dat jaar genas. 271 Wellicht heeft deze die gelegenheid te baat genomen om in het Museum zijn dierkundige kennis te vergroten wat de grondslag zou kunnen hebben gelegd voor het later opgeven van zijn dokterspraktijk in Altenburg ten gunste van de functie van directeur van de dierentuin in Breslau. Jaren van stagnatie De weg die Hermann voor zichzelf had uitgestippeld was succesvol geweest. Als conservator was hij geslaagd, als medewerker van het museum gerespecteerd en als museumbioloog internationaal erkend. Dit was echter voor hem niet voldoende. Hij besefte dat hij, zolang Temminck de leiding had, zou worden belemmerd in het realiseren van zijn plannen met zijn afdeling. Hij droeg waar hij maar kon in zijn publicaties uit dat natuurhistorische musea meer waren dan stapelplaatsen van zoveel mogelijk soorten waaraan de natuur zo rijk is. Taxonomische plaatsing in het dierenrijk maakte duidelijk dat verschillen binnen een soort bepaald werden door de habitat waarin zij leefden. Het gaat er daarbij om de aan de habitat gebonden verschijningsvormen in beeld te brengen. Ook kon niet betekenisloos zijn dat variaties binnen soorten werden aangetroffen in dezelfde leefomgeving. Het was de taak van de vergelijkende morfologie series dieren van een soort te verzamelen waarbinnen de variëteiten konden worden benoemd, gerangschikt naar habitat om de geofysische verschillen te tonen. Ook in Hermanns ogen moesten

UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, kenmerk 1862 09 09, brief van 9 september 1862, p. 4. 271 G. Schlegel, Levensschets, p. 75 noot; RAL, Gezinskaarten onder Schlegel, Franz. 270

126


evolutionaire ontwikkelingen alle aandacht krijgen. Hij was een bewonderaar van Charles Robert Darwin, maar kon hem niet volgen in zijn meest roemruchte studie, waarin hij beschreef dat het dierlijk leven zich uit primitieve vormen had ontwikkeld, On the origin of species by means of natural selection, or the preservation of favoured races in the struggle for life.272 Dat eerste principe wees hij af, het tweede onderschreef hij met de opmerking dat de best toegeruste dieren binnen een soort overleefden als gevolg van aanpassingen. Hij liet het ontstaan van nieuwe soorten over aan de Schepper en daarmee basta. God als de grote creator, als de ingenieur in ruste, kon de ontwikkeling wel bepalen volgens de wetten van de natuur, omdat Hij ook deze wetten bepaalde. Hij had voor zijn visie een museumopstelling nodig die de onderzoeker voerde langs al die variaties van levensvormen. Hij had binnen de toegestane marges al veel in het Museum bereikt, maar hem ontbrak de vrije hand om de zoölogische verzameling naar dit beginsel te reorganiseren. Bovendien was de huisvesting van het Museum ondoelmatig. De collectie werd daardoor voortdurend met verval bedreigd. Menskracht om alle aanvoer in de magazijnen naar behoren te bewerken schoot structureel ernstig tekort. De aanvankelijke welwillendheid van de overheid jegens het Museum was onder druk van economische beperkingen afgenomen en verslechterde nog steeds. De NTKCie die het vehikel was voor aanvoer uit Nederlands-Indië, liet het afweten doordat vele reizigers hun missie met de dood moesten bekopen als gevolg van ontberingen van het leven in het oerwoud. Zij bevonden zich vaak ook nog in een hen vijandige omgeving. De kosten die met het verzamelen gepaard gingen waren hoog en het rendement nam af. Hij nam waar dat in andere musea in de wereld handelaren en natuuronderzoekers voorwerpen aanboden afkomstig uit de Gordel van Smaragd, waardoor kostbaarheden die via Batavia hadden kunnen worden binnengehaald bij de concurrentie terecht kwamen. Het is onder die omstandigheden dat de regering besloot de NTKCie in 1850 op te heffen, overigens met volledige instemming van het Museum.273 Wel werd de mogelijkheid opengehouden om later, wanneer geschikte personen zich zouden aandienen, opnieuw voor kosten van het rijk natuurhistorisch onderzoek in de koloniën te laten verrichten. Het opnieuw op gang 272 Charles Darwin, On the origin of species by means of natural selection, or the preservation of favoured races in the struggle for life (London, John Murray, Albemarle Street 1859). In deze studie gebruikt: Charles Darwin, The origin of species by means of natural selection or the preservation of favoured races in the struggle for life, edited with an introduction of J.W. Burrow (London, John Murray, editie Pinquin Books 1986). 273 De Natuurkundige Commissie in Nederlands Oost-Indië werd opgericht bij KB. nr. 251 van 29 april 1820 en opgeheven bij KB. nr. 14, 17 april 1850. NL-HaNa, Rijksmuseum van Natuurlijke Historie, 3.12.17, inv. nr. 10, serie E officiële correspondentie, kenmerk Geheim, brief van Minister BiZa J.R. Thorbecke, 2 maart 1850; idem, instemming met voornemen tot opheffing van het NTKCie: inv. nr. 22 serie Concepten, kenmerk Geheim, 4 maart 1850; KB van opheffing: idem serie E officiële correspondentie inv. nr. 163, 5 e afd. OK&W kenmerk, 29 april 1850. Met afschrift van het KB no.14 tot opheffing van de NTKCie.; Vgl.: Archief Naturalis Biodiversity Center, Jaarverslagen, jaarverslag 1847-1850, kenmerk nr. 37/1409, 26 november 1851; idem, jaarverslag juli 1852-juni 1853, kenmerk vervolg, 15 juli 1853.

127


brengen van aanvoer uit de overzeese gebieden zou Hermann met wisselend succes blijven bevorderen. Het was niet alleen de hoge overlijdensratio van reizigers die parten speelde, maar ook de lange weg die voorwerpen moesten afleggen van vindplaats naar Museum was daar debet aan. Bovendien waren, zoals gezegd, meer exemplaren in de expositie nodig om de varieteiten binnen een soort in beeld te brengen in relatie met hun habitat. Het vervoer naar Leiden bracht verlies van veel materiaal met zich mee, door scheepsrampen of door het domweg kwijtraken van lading die in een vreemde haven werd achtergelaten. Wat wel het Museum bereikte, was soms dermate ten prooi aan verval dat het vernietigd moest worden. Wat bruikbaar was, was winst, maar dit verhulde niet dat het rendement niet groot was. Falende conserveringstechnieken, moeilijke omstandigheden in de jungle vanwege hitte en vochtigheid waren belemmeringen, die het verwerven van voorwerpen bemoeilijkten. Voor het Museum betekende het verlies van doubletten als gewilde handelswaar voor ruil, al dan niet in combinatie met verkoop, verschraling van de voorraad. Hiertegen heeft Hermann zich verweerd door onvermoeibaar de reizigers te instrueren hoe zij hun zendingen moesten conserveren en prepareren. Hij begon er thuis de dag mee, nog voor het ontbijt en zijn vertrek naar het Museum.274 Hij beantwoordde deze brieven, bemoedigde, adviseerde, was kritisch op de keuze van voorwerpen, gaf aan wat wel, wat niet, wat meer en wat minder gewenst werd. Bladerend door het omvangrijke archief van het Museum treft het de lezer hoe zakelijk, objectief, maar wel in klare bewoordingen één en ander werd aangestuurd vanuit de studeerkamer in huize Schlegel. Een deel van deze correspondentie bevindt zich niet in het archief van Naturalis Biodiversity Center. Het werd door uitgeverij Brill in Leiden gedoneerd aan de Leidse Universiteits Bibliotheek, toen een oplettende werknemer op de zolder van de uitgeverij een vergeten pakket aantrof.275 Een ander probleem werd veroorzaakt doordat het gouvernement in Nederlands-Indië de neiging had voorrang te verlenen aan het inzetten van natuurhistorische onderzoekers op onderwerpen waarvan economisch profijt werd verwacht, zoals onderzoek naar mineralen, mijnbouw en cultures met een hoge opbrengst voor het moederland.

274 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, brieven tussen 1861 en 1863, passim. 275 UBL Westerse Handschriften, BPL 2742, alfabetisch gerangschikte brieven van natuurhistorische onderzoekers aan H. Schlegel. Deze brievencollectie werd volgens mededeling van dr. A.Th. Bouwman, Conservator Westerse Handschriften van de UBL in het aanwinstenjournaal als schenking door de uitgeverij E.J. Brill NV. in Leiden op 12 augustus 1967 ingeschreven: 83 personen schrijven aan Schlegel 315 brieven, plus 14 brieven zonder afzender.

128


De realiteit was dat de ambities waarmee het Museum was gestart voortdurend werden bijgesteld in een neerwaartse spiraal die ontmoedigend werkte. In deze studie kan deze ontwikkeling slechts worden aangeduid en uitsluitend vanuit de doelstelling van dit onderzoek worden belicht. De focus in dit onderzoek beperkt zich immers tot de rol en betekenis van de familie Schlegel, zoals die naar voren komt in hun bijdrage aan de wetenschap, kunst en cultuur tussen 1804 en 1913. Dat laat onverlet dat een diepgaande studie van de geschiedenis van het ‘sRMvNH node wordt gemist. Dat onderzoek wordt met klem aanbevolen, zodat de bewogen geschiedenis van dit Museum over de periode 1820 tot heden gedocumenteerd kan worden. In 2010 werd het Museum omgevormd tot een organisatie waarin opnieuw, net als in 1820, bestaande verzamelingen in het land werden geïntegreerd in wat in 2012 Naturalis Biodiversity Center is gaan heten. Hermann zou hier zijn doelstelling gerealiseerd zien in een modern Museum en in een organisatie die ruime erkenning krijgt. Er is een hoogst belangrijk onderzoeksinstituut tot stand gebracht dat behoort tot één van de vijf grootste museale verzamelingen ter wereld. Dankzij al die volhardende medewerkers die tegen alle verdrukking in net als Temminck en Hermann en al hun opvolgers tot in de eenentwintigste eeuw is dit resultaat neergezet. Zij hebben het voorgenomen boek van Hermann als sluitstuk van zijn inspanningen in zekere zin gerealiseerd. Hermann werd op de hoogte gehouden van de teloorgang van de aanvoer van voorwerpen uit Nederlands-Indië, zonder dat hij er invloed op kon uitoefenen. De voortschrijdende leeftijd van de directeur baarde zorgen. Temminck gaf de bevoegdheden van het directoraat niet uit handen en Hermann moest afwachten tot het moment daar was dat zijn baas met pensioen zou gaan in de hoop en verwachting dat hij dan diens plaats kon innemen. Diens invloed op de overheid leek tanend te zijn. Temminck begon ook zijn gerenommeerde naam in de wetenschap te verliezen nadat er langere tijd geen nieuwe publicaties meer van zijn hand verschenen. In zijn zorgvuldig gevolgde carrièrestrategie zag Hermann zichzelf nog steeds als beoogd opvolger en meende dat bevestigd te zien in signalen die Temminck dienaangaande gaf. Hij zag met zorg de achteruitgang van het bezit van het Museum. Hij moest zich in toenemende mate verzetten tegen het gevoel een voortschrijdend negatief proces mee te maken dat Temminck niet meer kon ombuigen, laat staan stoppen. De aanvoer uit Nederlands-Indië was drooggelegd, de huisvesting van het Museum ongeschikt en het was er overvol. De expositie van bezit was dringend toe aan rationalisatie volgens de modernste inzichten die Hermann helder voor ogen stonden. Hij stond te trappelen aan die reorganisatie te beginnen, waarvoor hij al veel voorwerk had gedaan, maar voor de uitvoering waren zijn handen gebonden. In dit verband kan de satire die hij in 1854 publiceerde een uiting zijn geweest van zijn frustratie omdat hij zich toen al bijna 129


dertig jaar geheel voor het Museum had ingezet en ondanks dat de laatste barrière maar niet nemen kon. Hij moest zich inhouden totdat hij zijn voorgenomen carrièrestap kon realiseren. Wel bleef Hermann, overigens net als zijn collega-conservatoren, aan de output werken in de vorm van publicaties tussen 1826 en 1860. Op zijn lijst met publicaties staan zesenzestig publicaties. Het merendeel over dierkundige onderwerpen. Daarnaast twee publicaties over zijn cultuurreizen en één in satirevorm.276 De wolf onder de schapen Iets van rebellie jegens de wereld van geleerden valt op te maken uit een satirisch stukje proza gepubliceerd onder de rubriek Mengelingen in het Jaarboekje van Natura Artis Magistra (1854).277 Zijn vriend Ab Verster vervulde daarin de rol van de cynische observator van een gezelschap congresserende geleerden. Hij trad er in op als buitenstaander van die wereld met de blik van natuurvorser en jager. Zijn verschijning met de door weer en wind gebruinde huid van de buitenman in jagerskostuum en slobbroek, weitas, hoed met veertjes en aan de voeten juchtleren schoenen, stond in scherp contrast met de geleerde wereld, plechtig, bleek en voornaam. Hermann had al eerder zijn vriend neergezet in de rol van satiricus toen hij Ab Verster van Wulverhorst presenteerde in de Levensschets.278 Het verhaal ondertekende hij met een houten hamer, de afbeelding op zijn zegel, die verwijst naar zijn familienaam. Naar eigen zeggen was het afkomstig uit zijn familiewapen, waarvoor overigens geen bewijs is gevonden, wel voor de registratie van zijn zegel.279 Beide heren ontmoeten elkaar op een samenkomst van geleerden. Hermann beschrijft de bezoeker die hun aandacht trekt, waarop zijn metgezel deze persoon als verschijning karakteriseert, zoals een jager zijn prooi observeert. Het verhaal dat zich voortsleept langs aanduidingen en suggesties blijkt geheel voor rekening te komen van Mephistopheles uit Goethe’s Faust, ten tonele gevoerd door Ab Verster van Wulverhorst. Hermann hoort het aan, geeft informatie over de antecedenten van de personen en neemt ze op de korrel, maar laat alle oordeel over aan de duivel zelf. Twee dagen besteden zij aan dit spel. De ontknoping van de geschiedenis is dat het Hermann zelf was die de hele geschiedenis had gedroomd. Zijn eigen oordeel over de ontvangst van zijn proza was ‘dat het stukje niet goed werd begrepen,

G. Schlegel, Levensschets, aldaar Lijst van geschriften van Hermann Schlegel, pp. 86-95. H. Schlegel, ‘De wolf onder de schapen’ in: Jaarboekje van Natura Artis Magistra, 1854, pp. 97-128. 278 idem, vgl. p. 57. 279 idem, vgl. p. 9. 276 277

130


zelfs niet door diegenen, die er den sleutel van bezaten [ ].’280 Het mystificeren van de bedoeling van de observaties van Mephistopheles ontgaat de niet-ingewijde lezer. Snelleman kwam in het bezit van een exemplaar van het boekje waar in de kantlijn namen stonden geschreven op wie de opmerkingen van Mephistopheles van toepassing zijn. Hij noemt de volgende namen: ‘Schneevoogt, Mulder, J.R. Thorbecke, Harting, C.J.Temminck, Opzoomer, Karl Vogt, Kölliker, Schleiden, Jan van der Hoeven, Junghuhn en Brehm.’281 Snelleman noemde het ‘een zeer geestige beschouwing over de voornaamste destijds levende natuuronderzoekers, literatoren en politici.’ Dat Hermann het in zijn lijst van publicaties opnam, geeft aan dat hij er geen afstand van nam. Het is een weerslag van de manier waarop hij naar die wereld keek, met identificatie, maar ook met scepsis en mogelijk het gevoel er niet helemaal bij te horen. Hij herhaalde dat nog eens in de tekst van zijn autobiografie. Nog een prijsvraag Hermann reageerde in 1846 op een door het Teylers Genootschap in Haarlem uitgeschreven prijsvraag voor het vakgebied teken- en schilderkunst met als onderwerp de kwestie aan welke eisen natuurkundige tekeningen moeten voldoen.282 Hermann bracht in 1836 in Düsseldorf een voor zijn doen langere tijd door binnen de daar op dat moment bloeiende kunstenaarsgroep om over dit onderwerp te discussiëren.283 Zelf een verdienstelijk tekenaar had hij ook nog veel ervaring met het tekenen van dieren. Hij noemde dat ‘wetenschappelijk tekenen’ ter onderscheiding van het artistiek tekenen waarin esthetische maatstaven de boventoon voeren. ‘Wetenschappelijk tekenen’ was voor hem een dier zo tekenen dat de afbeelding geschikt was voor analyse door dierkundigen. Hij richtte zich op het achterhalen van de te stellen eisen aan deze tekeningen om irritaties te voorkomen tussen opdrachtgever en beeldend kunstenaar. Hermann had als dierkundige vastgesteld dat de esthetische benadering van de beeldend kunstenaar onbedoeld conflicteerde met de eisen te stellen aan een afbeelding. Een wetenschappelijke tekening van een dier vroeg om een eigen programma van eisen, al was het maar om te bevorderen

G. Schlegel, Levensschets, p. 42. Joh. F. Snelleman, ‘Hermann Schlegel’ in: Dr. E.D. Pijzel, Mannen van beteekenis in onze dagen, deel XV (Haarlem 1884) pp. 167-213, aldaar p. 206. 282 Archief Teylers Genootschap Haarlem, inv. nr. 1383, notulen vergadering van Teylers Tweede Genootschap, 23 december 1845. H. Schlegel, ‘Antwoord op de vraag: welke vereischten eene natuurkundige teekening moet hebben, om zowel den natuurkundige als den kunstenaar te voldoen, enz.’, in: Teylers Genootschap, Verhandelingen, uitgegeven door Teyler’s Tweede Genootschap, vijfentwintigste stuk. Bevattende een antwoord op de vraag: welke vereischten eene natuurkundige teekening moet hebben, om zoowel den natuurkundige, als den kunstkenner te voldoen? Met 16 afbeeldingen (Haarlem, Erven François Bohn 1849). 283 G. Schlegel, Levensschets, pp. 44-45. Vgl. Wend von Kalnein e.a., Die Düsseldorfer Malerschule, tentoonstellingscatalogus Kunstmuseum Düsseldorf (Düsseldorf, 1979). 280 281

131


dat in goede verstandhouding kon worden samengewerkt met tekenaars vanuit respect voor elkaars deskundigheid. Alleen als de beeldend kunstenaar kreeg aangereikt hoe het dier moest worden weergegeven door een dierkundige kon een vruchtbare samenwerking ontstaan. Hermann zond zijn verhandeling onder motto in onder de titel: ‘Antwoord op de vraag: ‘welke vereischten eene natuurkundige teekening moet hebben, om zowel den natuurkundige als den kunstkenner te voldoen?’ De tekst bestond uit een korte inleiding, gevolgd door twaalf hoofdstukken en een ‘korte opgaaf der voornaamste algemene regelen te volgen bij het vervaardigen van natuurkundige tekeningen, getrokken uit voorgaande verhandeling.’ In het eerste hoofdstuk zet hij uiteen wat de essentie is van een natuurkundige tekening. De tekening moet voldoen aan de weergave van de geringste details van het object in vorm, kleur, licht en schaduw. Het gevolg daarvan kan zijn dat de tekening een stijve, levenloze indruk maakt. De kunstenaar zal dat vermijden door details aan te brengen met het oog op het verlevendigen van het beeld. Zijn benadering is begrijpelijk, want schilderachtig. Hij had echter geen oog voor de morfologische details die niet gemist kunnen worden. Het is daarom noodzakelijk dat de geleerde zelf leiding geeft aan de kunstenaar. Hij werkt dit pleidooi tot samenwerking en specialisatie uit aan de hand van literatuur waarin hij wijst op fouten in afbeeldingen van dieren en planten. Hij beperkt zich in deze verhandeling tot het moeilijkste onderdeel van het tekenen van de hogere klassen, vooral zoogdieren en vogels. Een grondvoorwaarde voor een natuurkundige tekening is dat consequent gewerkt moet worden vanuit de gekozen methode. Hij stelt het perspectivisch tekenen tegenover de geometrische benadering. De eerste heeft zijn voorkeur. Een dooreenmengen van de twee wijst hij af. Goede tekeningen maken van zoogdieren veronderstelt kennis van hun leefwijze. Men moet bovendien in staat zijn kenmerken van hun karakter weer te geven. Karakteristiek voor het dier zijn de ogen, die dikwijls te veel op mensenogen lijken. Hij wees op het verval van kleur bij opgezette dieren, zodat het bijna niet mogelijk is hun een levendige aanblik te geven. Hermann benadrukt welke fouten vermeden dienen te worden. Het tekenen van vogels vereist dat te doen naar levende voorbeelden, meer nog dan bij zoogdieren. Opgezette vogels moeten worden getekend naar het voorbeeld van een levend exemplaar. Hier spreekt de specialist-ornitholoog en zijn grote ervaring in het tekenen van vogels. Joseph Wolf (1820-1899) roept hij uit tot de beste tekenaar van vogels naar het leven getekend. Door zijn vlijt en geduld, gevoegd bij zijn groot talent, slaagde hij er beter in dan zijn voorgangers om

132


de posities van iedere soort op te vatten, haar karakter treffend, en de verhouding aller delen met de grootste nauwkeurigheid terug te geven, en den rechten middelweg te vinden tussen die uitvoering, welke de natuurkundige, en de brede schilderachtige behandeling, die de kunstenaar verlangt. 284

In dit citaat kwalificeert Hermann zijn tekenvaardigheid als kwalitatief ondergeschikt aan dat van Wolf die hij naar Nederland haalde om in zijn Traité de Fauconnerie de grijpvogels te tekenen.285 Hij had er aan meegewerkt om voor Wolf in Engeland een goede betrekking te vinden en had hem afgestaan omwille van de zaak zelf. Een sprekend bewijs dat ook voor Hermann het eren wie ere toekomt gold, al prevaleert in zijn teksten in het algemeen het kritisch stelling nemen, vaak ook onomwonden afkeuring, boven lof voor andermans presteren. Ten aanzien van Wolfs talent doet hij het omgekeerde: hij neemt zijn door hemzelf al getekende vogels voor het boek terug omdat die van Wolf gewoon beter waren. De Verhandeling van Schlegel over de te stellen eisen aan wetenschappelijke tekeningen wordt volgens het Archief Naturalis Biodiversity Center te Leiden nog steeds door illustratoren gevolgd. Samengevat in ‘tien geboden, ontleend aan de tekst van Schlegels Verhandelingen’ zijn dat: 1. Het voorwerp moet zo nauwkeurig en natuurgetrouw mogelijk weergegeven worden. 2. De omtrekken van de tekening moeten duidelijk zijn. 3. De details van de tekening moeten uitvoerig behandeld worden. 4. Het voorbeeld moet afgebeeld worden aan de zijde die de minst mogelijke verkortingen geeft. Dat betekent meestal in streng profiel afbeelden. 5. Individuele afwijkingen en onregelmatigheden van het voorwerp moeten niet afgebeeld worden als het om de weergave van de kenmerken van de soort gaat. 6. De positie van de voorwerpen moet eenvoudig en natuurgetrouw zijn, nl. vogels zittend, zoogdieren staand, vissen met gespreide vinnen en insecten met gespreide vleugels. 7. De lichtval moet zo natuurlijk mogelijk zijn, liefst van de zijde invallend en zonder donkere schaduwen. 8. De wetenschapper die tekeningen laat maken, moet op de hoogte zijn van in de kunst gebruikte technieken en reproductiemethoden.

idem, p. 39. Vgl. H. Schlegel en A.H. Verster de Wulverhorst, Traité de fauconnerie; planches par J.B. Sonderland et M. Wolf; Imp. folio (Leiden, Düsseldorf, Arntz 1844-1853). idem, Traité de fauconnerie; planches par J.B. Sonderland et M. Wolf facsimile reprint of the First edition 1979 in limited edition of 270 numbered copies bound in half leather (Londen, Pion 1879). 284 285

133


9. De wetenschapper die wetenschappelijke illustraties maakt, moet op de hoogte zijn van de eigenschappen, houdingen en wetenschappelijke kenmerken van de voorwerpen die afgebeeld moeten worden. 10. Wetenschappelijke illustraties dienen onder leiding van een wetenschapper te worden vervaardigd. 286

Figuur 9: Afbeelding van Stenops Kukang van Java. Haarlem Teylers Genootschap 1849 (tekening Hermann Schlegel)

Deze met goud bekroonde inzending heeft kennelijk nog steeds waarde voor het wetenschappelijk tekenen van dieren. De bijbehorende tekeningen ‘zijn allen naar het leven of de natuur, en grotendeels door den schrijver zelf vervaardigd.’287 In een brief na prijstoekenning verzocht Hermann de druk van zijn verhandeling onder zijn controle in het Museum te mogen redigeren. Het genootschap stemde er mee in onder enkele voorwaarden, zoals welk papier zou worden gebruikt en welk budget er voor nodig was.288

286 Door Naturalis Biodiversity Center samengevat uit: Hermann Schegel, Verhandelingen over de vereischten van natuurkundige afbeeldingen, (Haarlem, Erven F. Bohn 1849). http://www.museumkennis.nl/nnm.dossiers/museumkennis/i002281.html (30 november 2013). 287 H. Schlegel, Verhandelingen NTK afbeeldingen, aldaar p. iii en iv. 288 Archief Teylers Genootschap Haarlem, inv. nr. 1583, brief VAN H.Schlegel AAN Teylers Museum van 8 november 1848 en brief van 5 januari 1849; idem, inv. nr. 1583, Van Teylers Museum AAN H. Schlegel, 5 januari 1849. De voorwaarden waren dat vooraf toestemming moest worden gevraagd welk papier werd gebruikt en welk budget er nodig was.

134


Periode 1857 - 1884 Wisseling van de wacht In 1857 was de gezondheidstoestand van C. J. Temminck zodanig verzwakt dat hij niet meer naar het Museum kon komen. Bij KB werd aan de heren Susanna en Schlegel opgedragen in de dagelijkse leiding te voorzien.289 In feite was dat een bekrachtiging van de situatie die al spoedig na het aantreden van Hermann het geval was bij afwezigheid van de directeur. Al jaren werden brieven aan Temminck gericht vaak door Hermann afgehandeld en beantwoord. Dit gold ook voor de andere conservatoren. Het was overigens de algemene gang van zaken dat de conservatoren de correspondentie voerden over hun afdeling. Veelvuldig werd in brieven van biologen, dierenhandelaren en museumbiologen verzocht de heer Temminck hun complimenten over te brengen. Bij afwezigheid van Temminck wees de overheid gewoonlijk beiden aan de honneurs waar te nemen. Temminck en Hermann hadden zich van meet af aan verzet tegen het aantasten van de onafhankelijkheid van het Museum als Rijksinstelling. 290 Hermann deelde de visie van zijn directeur voor zover de onafhankelijkheid van het Museum ook voor hem een conditio sine qua non was. Hij voelde zich niet vernederd zijn correspondentie volgens de hierarchisch bepaalde lijn te laten verlopen. Van kindsbeen af had hij de Saksische mores in deze, het respecteren van de bestaande hiërarchie, als gegeven beschouwd. Verzet daartegen was onmogelijk, handigheid in het opzoeken van de zwakke plekken erin een kunst. Van Hermann zou het CvC in dit opzicht niets te vrezen hebben. Zijn jaarverslagen zouden volgens voorschrift worden ingezonden en langs de gewenste route. Verzet tegen zulke trivialiteiten vond hij zinloos. Door Hermann werd de hoogleraar Jan van der Hoeven, die voordat Hermann aantrad in 1823 kort in het Museum werkte, meer gevreesd.291 Eenmaal benoemd tot hoogleraar in de dierkunde in 1826 bleef hij dat tot zijn overlijden in 1868. Hij doceerde vergelijkende anatomie binnen de faculteit wis- en natuurkunde. Hij had bij het CvC aangedrongen een eigen verzameling te mogen aanleggen die hij nodig had voor zijn onderwijs.292 Het tot stand komen van het ‘sRMvNH had dit verlangen onmogelijk gemaakt. Hij moest voor zijn colleges gebruik maken van de verzameling in het Museum, waar hij een kamer gebruikte van waaruit hij zijn studenten lesgaf, meestal in de verzameling zelf. Wat Van der Hoeven stak, was dat hij de medewerking

289 NL-HaNa, Rijksmuseum Natuurlijke Historie, 3.12.17, inv. nr. 12, serie E officiële correspondentie, kenmerk nr. 102, 30 juni 1857. 290 Vgl. dl. I, pp. 77-82. 291 L.B. Holthuis, 1820-1958 Rijksmuseum van Natuurlijke Historie, p. 32. 292 Jan van der Hoeven doceerde zoölogie, mineralogie en geologie, maar veroverde internationale faam door zijn studie van de vergelijkende anatomie en publicaties over dierkunde.

135


nodig had van de conservatoren uit wiens afdeling hij materiaal wenste te gebruiken voor zijn onderwijs. Hij vond dat hij moest beschikken over een eigen kabinet onder zijn beheer. Dat werd hem een- en andermaal niet toegestaan door de overheid, waarbij hij zich nooit had neergelegd. In die zin was ook hij slachtoffer van het hogere beginsel dat aanleiding was geweest tot het stichten van het Rijksmuseum. Hem stond datzelfde Museum echter wel tot zijn beschikking. Dat was voor hem de omweg die hij nodeloos achtte en grievend bovendien. Van der Hoeven greep iedere gelegenheid aan zijn hartenwens onder aandacht van CvC en de minister te brengen. Er was hier sprake van een complexe conflictstof die inmiddels over een periode van meer dan dertig jaar in stand was gebleven. Eerder vergeleken we deze status quo met een veenbrand. Dat bleek ook nu weer, nu het overlijden van Temminck aanstaande was. Susanna en Schlegel handelden overeenkomstig hun opdracht. Zeven maanden later stierf Coenraad Jacob Temminck, 79 jaar oud op 30 januari 1858. Susanna en Schlegel schreven de Minister: Wij voldoen aan eene treurige plicht met Uwe Exc. kennis te geven dat de Heer Coenraad Jacob Temminck, directeur van het ’s Rijksmuseum van Natuurlijke Historie hedenochtend in dezer wereld is overleden. Hoezeer dit sterfgeval reeds lange tijd tegemoet werd gezien en zelfs ook ter wille van deze afgeleefde grijsaard werd gewenst, laat het toch niet na, ene droeve gewaarwording te veroorzaken ons, na gedurende een tijdvak van drie en dertig jaren onder zijn beheer geplaatst te zijn geweest, en hem in zijn ontwerpen en verrichtingen met ijver en trouw steeds terzijde te hebben gestaan, is ontvallen. De geschiedenis van het ’s Rijks Museum van Natuurlijke Historie is aan Uwe Exc. wel bekend, dan dat het nodig zoude zijn de lof van diens Stichter in het brede te vermelden, zolang dien instelling den roem blijft handhaven, welke zij onder leiding van de nu wijlen, onze Directeur, verkregen heeft, zolang ook zal de naam van Temminck ook in de beschaafde wereld met ere vermeld en tot nakomelingschap overgedragen worden. Wij wensen vurig, dat het ons gegeven zal zijn onze nog overgebleven dagen, evenals de ontslapene, geheel aan het nut en de bloei van het Museum te kunnen toewijden en daarbij in de eerste plaats op de bescherming, ondersteuning en medewerking van Uwe Exc. te mogen rekenen. wg. J.A. Susanna en H. Schlegel.293

De tekst van deze brief is perfect in overeenstemming met de wijze waarop de beide heren het Museum hadden gediend. Ze stelden zich beschikbaar hun werk in het Museum voort te zetten. De briefschrijvers waren (nog) niet op de hoogte dat bij het CvC op 29 januari 1858 een brief

293 NL-HaNa, Rijksmuseum Natuurlijke Historie, 3.12.17, inv. nr. 24, serie D concepten, kenmerk nr. 1/1673, 30 januari 1858.

136


was binnengekomen waarin professor Jan van de Hoeven liet weten aanspraak te maken op de komende vacature van directeur van het ‘sRMvNH, nu het spoedig overlijden van deze onafwendbaar was.294 Vanuit zijn standpunt gezien een niet geheel onbegrijpelijke, maar weinig fijnzinnige timing. Hermann was na bekend worden van deze aanslag op zijn kansen voor de toekomst verbijsterd: Ik moet thans tot het jaar 1858 terug keren, het treurigste mijns levens, het jaar waarin mijn levensdoel, ene der wetenschap, zoals ik ze opvatte, waardige inrichting te stichten, op het punt stond schipbreuk te leiden.295

Hij realiseerde zich dat het voortbestaan van het Museum als nationale stapelplaats van wat de natuur aan soortverscheidenheid te bieden heeft, bedreigd werd als het onder de directie van de hoogleraar in de anatomia comparata zou worden geplaatst. In dat geval zou ook zijn doel met de verzameling onmogelijk gerealiseerd kunnen worden. Het Museum inrichten naar de inzichten van de systematische biologie van zijn tijd, waaraan hij al zoveel jaren voorbereidend had gewerkt, zou niet uitgevoerd kunnen worden. De uitvoering werd tot dan toe gehinderd door de grenzen van zijn mandaat als conservator voor de hogere dieren onder Temminck. Naar dit moment had hij toegewerkt, overigens in volstrekte loyaliteit, voor zijn gevoel vertoevend in de wachtkamer. Hij moet zich hebben gevoeld als Mozes voor het beloofde land. Van der Hoeven had zich meer dan eens uitgesproken over het primaat van zijn dierkundig onderzoek boven het taxonomisch en morfologisch onderzoek van de systematische dierkunde. Daarmee wees hij het verzamelconcept dat het Museum volgde af.296 Van der Hoeven had zich, zoals later blijken zal, ook terdege voorbereid op wat hij als zijn ultieme kans zag alsnog op de plaats terecht te komen die hem naar zijn oordeel zelfs de jure toekwam. In het Organiek Besluit van 1815 stond met zoveel woorden dat het onderwijs in de natuurlijke historie over een kabinet diende te beschikken en dat was niet het geval.297 Ook Hermann was binnen de grenzen van zijn mandaat voorbereid op de tijd dat hij zelf zijn wetenschappelijke visie zichtbaar kon maken in wat dan zijn Museum zou zijn. Hermann besloot zich te verzetten tot het uiterste, maar besefte tegelijkertijd dat zijn positie zwakker was dan die van Van der Hoeven. Deze, zo constateerde

NL-HaNa, Archief Binnenlandse Zaken, inv. nr. 282, kenmerk nr. 94, 3 februari 1858. G. Schlegel, Levensschets, p. 57. 296 Vgl. H. L. de Jonge, ‘Macht, machinaties en musea, Jan van der Hoeven, Hermann Schlegel en hun strijd om het Rijksmuseum van natuurlijke historie in Leiden’, Bijdragen en mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden, 120e jrg., afl. 2, 2005, pp. 177-206. 297 Vgl. W. Otterspeer, De wiekslag van hun geest, p. 75. 294 295

137


De Jonge in zijn artikel ‘Macht, machinaties en musea’, had voor zijn claim meer dan eens een welwillend oor gevonden bij het CvC.298 Tot dusver toch nog zonder resultaat, omdat zijn plannen het ministerie niet overtuigden, maar de dreiging bleef. Het CvC realiseerde zich met beider standpunten te moeten rekenen, al was het maar om escalatie te voorkomen die zou kunnen leiden tot een onwerkbare situatie in het Museum. Zij had te rekenen met de reputatie van professor Van der Hoeven die in zijn vakgebied een gerespecteerd hoogleraar was met een uitstekende internationale reputatie. Zijn belangen konden niet zomaar terzijde worden geschoven. Zijn claim op de directeursfunctie in zijn brief was gebaseerd op juridische gronden, ontleend aan het Organiek Besluit uit 1815, zoals opgemerkt, waarin de betreffende hoogleraren verplicht waren voor hun onderwijs een kabinet aan te houden. 299 Hadden alle andere hoogleraren op die grond een kabinet waarover zij de directie voerden, Van der Hoeven had moeten gedogen zijn belangen ondergeschikt gemaakt te zien aan die van het ‘s Rijksmuseum van Natuurlijke Historie. Dat dit zo gelopen was kon hij billijken vanwege de uitzonderlijke positie dat het Rijksmuseum in Leiden was gevestigd en het bestuur van de universiteit was belast met het toezicht, mede op al die voorwerpen die eertijds vanuit de universiteit in de collectie van ‘sRMvNH waren ingebracht. Het CvC had in een brief aan de Minister van BiZa geclaimd dat deze overdracht niet betekende dat daarmee ook het eigendomsrecht was overgedragen. Daarmee was haar standpunt zeker gesteld.300 Van der Hoeven voelde zich ‘geslachtofferd’ in zijn recht door de zakelijke transactie tussen het rijk en Temminck. Nu die verbintenis door de dood was ingehaald, vond de hoogleraar dat hij aan de beurt was. Het buiten werking stellen van de bepalingen in deze kwestie van het Organiek Besluit diende ongedaan te worden gemaakt. Beide heren konden bogen op een gerespecteerde plaats, respectievelijk in de vergelijkende anatomie en de systematische biologie. Beiden beschikten over een krachtig netwerk van waaruit zij ondersteuning konden genereren. De eerste op grond van verdienste voor zijn wetenschappelijk werk, onder verwijzing naar de wet. De ander op grond van zijn verdienste als museumbioloog en een uitgebreid netwerk van liefhebbers van de natuurlijke historie, reizigers, jagers, contribuanten aan het Museum, kortom de wereld van bewonderaars van de soortenrijkdom. Daaronder bevonden zich prinsen en adellijke personen,

298 Vgl. H. L. de Jonge, ‘Macht, machinaties en musea, Jan van der Hoeven, Hermann Schlegel en hun strijd om het Rijksmuseum van natuurlijke historie in Leiden’, Bijdragen en mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden, 120e jrg. 2005, afl. 2, pp. 177-2005, aldaar p. 182, noot 16: dit was het geval in 1828, 1829, 1831, 1843 en 1846. 299 Het Organiek Besluit van 2 augustus 1815, Artikel 95: ‘Het bestuur dezer Kabinetten behoort aan den hoogleraar in de natuurlijke historie. Curatoren der respectieve hoge scholen zullen daartoe de behoorlijke lokalen aanwijzen.’ 300 A. Gijsen,‘sRMvNH 1820-1915, pp. 17-22.

138


alsmede vele hooggeplaatsten. Hermann was trots op zijn relaties en liet geen gelegenheid voorbijgaan om zichzelf in deze titelrijke omgeving te koesteren. Voor Hermann was de kring waarin hij zich bewoog instrument om die plaats te veroveren die kon helpen zijn doelen te realiseren. Het sprak vanzelf dat beiden hun reputatie in stelling brachten. Zij hadden hun schaakstukken in slagorde opgesteld. Feit was dat de minister die de benoeming inzake de vacature Temminck moest doen niet direct enthousiast was om Van der Hoeven aan te stellen. Het CvC zag er om verschillende redenen wel wat in. Hun ervaring met hun toezichthoudende taak had in het verleden problemen gegeven waarvan zij wel afwilden. Het toezicht zou soepeler geregeld kunnen worden als het Museum en de universiteit verenigd werden. Het CvC steunde daarom Van der Hoevens claim. De minister echter vreesde dat Van der Hoevens werk als hoogleraar moeilijk te verenigen zou zijn met het voeren van de directie over zo’n grote instelling als het ‘sRMvNH. Besluiten voor de een of de ander zou problemen oproepen. De minister besloot het CvC op te dragen met een oplossing te komen. Die oplossing droeg het perfecte kenmerk van een besluit dat de kool en de geit spaart. Het KB van 16 juni 1858 benoemde professor Jan Van der Hoeven tot Opperdirecteur en Hermann Schlegel tot Directeur van het ’s Rijks Museum van Natuurlijke Historie.301 Van der Hoeven kreeg een traktementsverhoging van 600 gulden per jaar naast zijn bezoldiging als hoogleraar. Hermann kreeg op zijn salaris van conservator een verhoging van 1200 gulden. Zijn inkomen werd daarmee 2800 gulden per jaar. Hermann kreeg bovendien, mogelijk vanwege de symmetrie met zijn rivaal, het recht de titel ‘professor’ te voeren. Gustav interpreteerde deze geste in een noot in de Levensschets als:‘ [ ] men trachtte die miskenning zijner verdiensten goed te maken door hem de titel van hoogleraar te verlenen.’302 Daarmee gaf hij ongetwijfeld ook de mening van zijn vader weer. Dat Hermann het er niet gemakkelijk mee had, valt op te maken uit een brief die hij Leander in 1860 schreef. Zijn vader gaf zijn zoon instructies hoe hij in de Altenburgse familiekring genoemd wilde worden: Wenn man Dich nach mir fragt, nennst Du mich: Prof. an der Universität zu Leiden, und Dir. des König. Niederl. Museums. Professor schlichtweg bedeutet nichts, eben so wenig Direktor. Du begreifst dass ich Dir dieser wegen frage dass Du gleich eine gewisse Stellung einnimmst. 303

301 NL-HaNa, Rijksmuseum Natuurlijke Historie, 3.12.17, inv. nr. 12, serie E officiële correspondentie, kenmerk nr. 11, van Curatoren van Hooge School, dd. 21 januari 1859, afschrift van KB van 16 juni 1858. 302 G. Schlegel, Levensschets, pp. 60-61, voetnoot. 303 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, kenmerk 1861 09 26, brief van 26 september 1861, pp. 3-4.

139


Bij Hermann was er klaarblijkelijk toch ook sprake van persoonlijke krenking. Zijn tekst over deze gebeurtenis in de Levensschets geeft daarvan blijk. Als stijlmiddel hanteerde hij naar gewoonte een scherpe analyse van de kwalijke strijdmiddelen van de persoon die zijn tegenstander was, waarboven hij zichzelf uiteraard verheven voelde. In zijn autobiografie schreef hij, nadat het gevaar bezworen was en hij nog tot zijn overlijden in 1884 de begeerde post zou houden, een vernietigend oordeel over zijn rivaal, maar memoreerde ook diens verdiensten.304 In de benoemingsbrieven werd aangekondigd dat de taakomschrijving voor beider functie zou volgen. De benoeming ging met onmiddellijke ingang in. Het was een voortreffelijke opmaat voor een volgend conflict over hoe de macht tussen de twee werd verdeeld. Er volgde een weinig respectvolle afhandeling vanuit de overheid. Beide conflictanten moesten zich maar voegen naar een interpretatie van de hen opgelegde titels, zonder instructie. Wie bevoegd was tot wat bleef onuitgesproken. Die instructie kwam er wel, maar pas bij schrijven van 21 januari 1859, doorgestuurd door het CvC, door alle zes leden ondertekend, dat wel. 305 De inhoud bepaalde de jurisdictie van beiden afzonderlijk. Hermann kreeg de titel van directeur belast met de dagelijkse gang van zaken in het Museum. De formele route op grond van de bestaande regelgeving via het CvC in de richting van de overheid lag in handen van Van der Hoeven. Laatstgenoemde kreeg de sleutels van alle kasten als expressie van zijn macht: zonder hem kon geen deur open. Een regeling die grotesk aandoet. Hermann had de dagelijkse leiding over personeel, collectie en aankoop. De route naar de overheid was verlengd met de Opperdirecteur als startpunt, maar bleef ook voor die functionaris via het CvC lopen. De wijze waarop Hermann op deze gang van zaken terugkeek en in zijn autobiografie beschreef, hier en daar onderbroken door een aanvullende opmerking van Gustav, kan Jan van der Hoeven niet meer persoonlijk hebben geraakt. Hij overleed op 10 maart 1868. Diens leed was echter groot geweest. Hij was ontgoocheld, teleurgesteld, gewond dat zijn langjarige inspanning zijn studenten te onderwijzen niet alleen in de zoölogie, vergelijkende anatomie, maar ook nog zijn lessen in antropologie, mineralogie, geologie en soms de botanie, van generlei waarde was gebleken. Van der Hoeven was een overlever uit de wetenschappelijke periode die Otterspeer omschreef als ‘de gemoedelijke wetenschap’. Het encyclopedische onderwijs dat stapeling van vakken als kenmerk had, werkte niet meer. Van der Hoeven was een gerespecteerd geleerde die het ook niet kon helpen

G. Schlegel, Levensschets, pp. 60-63. NL-HaNa, Rijksmuseum Natuurlijke Historie, 3.12.17, inv. nr. 12, serie E officiële correspondentie, kenmerk nr. 11, van Curatoren Hooge School, dd. 21 januari 1859, brief van de Minister van BiZa, kenmerk nr. 173, 5 e afd., Den Haag, 7 januari 1859 met de instructie voor de Opperdirecteur en de Directeur van het ‘sRMvNH. 304 305

140


dat zijn colleges zoölogie geen status hadden, omdat de studenten slechts aanwezig hoefden te zijn en geen tentamen hoefden af te leggen. Het mag dan ook geen wonder heten dat de instructie van januari 1859 in het Museum niet als vredesverdrag werd ontvangen. Hermann had het personeel achter zich, hij is het hemd dat nu eenmaal nader is dan de rok. Hun baas naar wiens orders zij te handelen hadden, telde en dat was Hermann. Zij waren het erover eens dat de vijand van buiten kwam. De directiekamer, nu de plaats van waaruit Van der Hoeven poogde zijn directie vorm te geven, werd tot buitenterritoriaal gebied verklaard waarmee zij niets te maken hadden in de uitoefening van hun functie. Dat kwam neer op negeren, de meest wrede vorm van exclusie. Hermann stelde zich in die zin loyaal aan het hoofd van zijn personeel. Hij volgde daarin de formele gang van zaken. Als vroeger legde hij zich neer bij de regels. Geen jaarverslag zou te laat de deur uit gaan en geen opdracht van het bevoegd gezag werd onbeantwoord gelaten. Wanneer nood hem dwong, besloot hij niettemin zich rechtstreeks tot de minister te wenden. Anders dan Temminck zette hij de noodzaak daartoe met argumenten uiteen en nam er de volledige verantwoordelijkheid voor. Hermann kreeg opdracht van de Opperdirecteur de inrichting van het Museum te reorganiseren volgens het concept dat volgens deze ook door de directeur van het museum van natuurlijke historie in Londen, Richard Owen, werd voorgestaan. Owen werd aldus beloond voor diens aanbevelingsbrief die hij ten gunste van de benoeming aan zijn vriend Van der Hoeven op diens verzoek had geschreven. Van der Hoeven had dit schrijven als bijlage bij zijn sollicitatiebrief naar de functie van directeur van het ‘sRMvNH gevoegd. Zijn opdracht aan Hermann tot reorganisatie hield in dat het Museum opnieuw moest worden ingericht volgens het beginsel van de orde in het dierenrijk: van de laagste leefvormen opstijgend naar de hoogste. Langs die lijn had Van der Hoeven ook zijn dierkundig handboek ingedeeld. Voor Hermann was de uitvoering overbodig en onzinnig. Bovendien was hij vast van plan du moment zijn opponent zou zijn verdwenen hij op zijn beurt de boel naar eigen inzichten opnieuw zou inrichten, maar dan langs het indelingsbeginsel van soorten en hun geografische verspreiding met hun variëteiten. Uitvoeren van de opdracht zorgde er in ieder geval voor dat het gevolg was dat hoe hoger de plaats van een voorwerp in de taxonomie van het leven was geplaatst, hoe meer traptreden bestegen moesten worden. Gaandeweg openbaarde zich de verborgen agenda van Van der Hoeven. Hij was al vooruitlopend op de komende vacature aan de slag gegaan om de hand te leggen op een omvangrijke collectie materiaal voor de vergelijkende anatomie, het vak dat hem uiteraard het meest na aan

141


het hart lag.306 Zou het lukken de verzameling van skeletten uit het Museum der Anatomie van de universiteit naar het ‘sRMvNH te krijgen dan zou hij zijn wens een eigen verzameling voor zijn onderwijs te bezitten hebben gerealiseerd. Die uitstalling zou prominent aan het einde van de soortendiversiteit worden uitgestald, precies waar de homo sapiens thuishoort, op de bovenste verdieping. Het ging hem om de oude verzameling, bijeengebracht door de hoogleraar Brugmans (†1819), die verdeeld was geraakt doordat het CvC toentertijd bij de stichting van het Museum besloten had de verzameling op te splitsen. Alle voorwerpen die relevant waren voor de studie van de menselijke anatomie gingen toen naar het anatomisch theater, de rest naar het ‘sRMvNH. Het was op die verzameling menselijke skeletten waarop Van der Hoeven zijn oog had laten vallen. Hij wist dat zijn collega Halbertsma niet direct geïnteresseerd was dat materiaal mee te verhuizen naar zijn nieuw ingericht anatomisch theater. Halbertsma zou instemmen met het overdragen van de menselijke skeletten aan het ‘sRMvNH. Op die manier zou Van der Hoeven zijn hartenwens vervuld zien en de fout uit het verleden, althans in zijn ogen, deze omvangrijke en kostbare verzameling voor de vergelijkende anatomie te splitsen, ongedaan hebben gemaakt. Van der Hoeven hield een en ander onder zijn toga. Ter voorbereiding verzocht hij de minister van BiZa eerst een oude bepaling op te heffen. Deze verbood het ‘sRMvNH fysiologische- en pathologische preparaten van dieren in het Museum op te nemen ten gunste van het onderzoek van de anatomica comparata, die voor de studie van de menselijke anatomie onontbeerlijk was. Inderdaad stemde de Minister met dit verzoek in op grond van het advies van het CvC.307 Pas toen de instructie voor de Opperdirecteur en de Directeur getekend en ontvangen was, dus kracht van wet had, werd duidelijk dat Schlegel de verantwoordelijkheid droeg voor het beheer, het aankoopbeleid en de expositie in het Museum. Zonder instemming van Schlegel zou Van der Hoevens plan niet kunnen worden uitgevoerd. Dat bleek inderdaad het geval. Op argumenten ontzegde Hermann zijn medewerking aan dit voornemen. Uiteindelijk zou deze teleurstelling Van der Hoeven duidelijk maken dat hij niets bereikt had met zijn ultieme poging zijn recht te halen op een eigen kabinet vergelijkende anatomie. Van der Hoeven reageerde op de instructie via het CvC. Hij verzocht de Minister de instructie voor de functie van Opperdirecteur en Directeur in te trekken en te vervangen door een andere, waarin het hem feitelijk werd mogelijk gemaakt zijn functie naar behoren uit te oefenen als eerst verantwoordelijke voor het geheel van het ’s Rijksmuseum van Natuurlijke Historie, met Hermann Schlegel als hoogste

306 307

UBL Westerse Handschriften, BPL 1938, brief VAN J. van der Hoeven Aan P. Harting, 1 januari 1858. NL-HaNa, Binnenlandse Zaken, inv. nr. 326, 6 aug. 1859, nr. 152.

142


ondergeschikte. De instructie die nu geldigheid had, was voor hem onaanvaardbaar. Op dat verzoek ging de minister niet in, wel aanvaardde hij de consequentie die Van der Hoeven in het vooruitzicht had gesteld. Bij afwijzing van zijn wens zou hij zijn functie ter beschikking stellen. De Minister wees zijn verzoek tot herziening af, bijgevolg hij Van der Hoeven ontslag op eigen verzoek verleende.308 Van der Hoeven trok zich terug in zijn studeerkamer en meed het ‘sRMvNH tot aan zijn dood. Hermann ontving op 23 juni 1860 de ontknoping van het drama: Wij hebben de eer U, hooggeleerde, te kennen te geven dat bij Koninklijk Besluit van 16 juni 1860, nr. 61 aan den heer J. van der Hoeven, op zijn verzoek eervol ontslag is verleend uit de betrekking van Opper Directeur van ‘s Rijks Museum van Natuurlijke Historie te Leiden, met dankbetuiging voor bewezen diensten door zijne Hooggeleerde in die betrekking bewezen, terwijl wij U uitnodigen, om u voorlopig met de functie van Opperdirecteur te willen belasten, Curatoren van de Hoge School Leiden, namens deze de secretaris.309

Ook deze keer liet de instructie op zich wachten. Eerst op 31 mei 1861 (!) ontving Hermann de instructie voor de Directeur van het ‘sRMvNH. Hierin was geen sprake meer van de functie van Opperdirecteur. Hiermee was de formele benoeming van Hermann naar behoren geregeld en was zijn doel uiteindelijk bereikt. Eindelijk kon Hermann zijn plannen realiseren. Hij heeft zich in officiële stukken niet over de gang van zaken uitgelaten. Natuurlijk heeft hij zijn relaties betrokken bij de ontwikkelingen die hij doormaakte op de hoogte gehouden, maar hij deed dat op een manier die door De Jonge werd geduid als cliëntisme.310 Volgens De Jonge was Schlegel met zijn wijdvertakt patronagenetwerk tot in de hoogste kringen ver in het voordeel in vergelijking met Van der Hoeven. Het ligt in de rede dat hij onder zijn vrienden medestanders had van wie hij ondersteuning kon verwachten. Naar ons oordeel was dat, als het al het geval was, slechts in beperkte mate en op voorzichtige toon. Schlegel had al vroeg begrepen dat hij zijn weg door het leven moest zien te vinden in een sociale structuur die hij van huis uit niet kende. Zijn wortels lagen in een solide milieu van handwerkers. Zijn identificatiefiguren waren steeds personen die qua maatschappelijke positie boven hem stonden. Zij vertegenwoordigden een wereld waartoe hij wilde behoren. Juist de natuurlijke historie verschafte hem entree tot kringen

KB van 16 juni 1860, nr. 61. NL-HaNa, Rijksmuseum van Natuurlijke Historie, 3.12.17, inv. nr. 29, officiële correspondentie, kenmerk nr. 4042, Notificatie, 23 juni 1860. 310 H.L de Jonge, ‘Macht , machinaties en musea’, pp.187-188 en 204. 308 309

143


waarin hij zich thuis voelde, te beginnen bij de vogelpastor Brehm tot in de hoogste kringen. Onder verzamelaars waren voldoende geestverwanten met wie hij zich identificeerde. Temminck is hem nooit vertrouwd geworden. Het standsverschil was waarschijnlijk te groot, maar hij respecteerde hem als zijn bovengeschikte met grote loyaliteit. Allerlei goede jagers en grondbezitters verschaften hem entree in hun wereld. Hij verdiende hun respect door zijn kennis van de systematische biologie en genoot hun vertrouwen. Het was dezelfde identificatie die hij ook etaleerde in zijn autobiografische notities. Gustav schreef daarin mee vanuit zijn perspectief van verheven deftigheid. Het zou eveneens het kenmerk zijn van diens broer Leander. Ook anderen zouden hun houding als ‘deftig’ omschrijven. De Schlegels waren echter geen straatvechters, hetgeen niet altijd hun weerbaarheid ten goede kwam. Vanwege hun afkomst zou dat overigens ook niet zijn geduld. In deze moeilijke tijden was Hermann er in geslaagd in de luwte te blijven. Al onder Temminck had hij voortdurend met de grenzen van de hem toegestane speelruimte rekening moeten houden. Dankzij enkele brieven die in de openbaarheid kwamen vertelt Hermann hoe zijn positie in deze moeilijke jaren was. Hij schreef professor Blasius in Braunschweig een brief op 19 juni 1858. Wertester Freund! Ihr Besuch wäre mir gewiss das erfreulichste Ereignis, aber darf ich Ihnen anraten, jetzt nach Leiden zu kommen? Ich bin zwar Direktor geworden, mein Gehalt ist verdoppelt, allein man hat die Infamie gehabt, eine Oberdirektor, den Van der Hoeven, zu erwählen und somit bin ich eigentlich nichts weiter als früher: der Sklave eines anderen. Da ich mit diesem Menschen auf den gespanntesten Fuße stehe und alle unnötige Berührung mit ihm vermeide, so darf ich Sie nicht in Verhältnisse Mengen, die für uns beide unangenehm werden könnten. Ich schreibe Ihnen dies mit blutendem Herzen. Man hat mich moralisch und wissenschaftlich getötet und glaubt dennoch, viel getan zu haben, wenn man mich mit elendem Metall abfertigt. Ich bin eigentlich nur das Opfer der Handelsweise des verstorbenen Direktors und der Eifersucht der Kuratoren der Universität gegen mich. Diese haben das Reichsmuseum an sich gezogen, es zu einer akademischen Einrichtung gemacht und ihm nur den Titel gelassen. Gleichsam zum Hohn, verleiht man mir noch den Titel Professors. [ ] Mein Leben wird natürlich nun ein anderes. Ich werde noch eine Deutsche Ausgabe meiner kleine Schriften veranstalten und eine allgemeine Einleitung zur Wissenschaft schreiben und ihr dann Lebewohl sagen müssen. Ich schreibe Ihnen gewiss bald wieder, da ich auch Ihren Rat für meine Zukunft nötig habe.311

311 Rudolf Blasius, Festrede, des Herrn Prof. Dr. Rudolf Blasius gehalten bei der Einweihung des Brehm-Schlegel-Denkmals zu Altenburg, am 30 September 1894 (Altenburg, Pierer’sche Hofdruckerei, Stephan Geibel & Co. 1895) p. 24. Op de omslag van dit artikel staat geschreven: Mej. A. Schlegel dedit, Zijlweg 177, Haarlem, februari 1960. Op dit adres woonden L. Schlegel en zijn gezin. Zijn dochter Aleida bleef er wonen tot haar dood in 1964.

144


Op 4 september 1860 schreef Hermann aan Blasius: Er (nämlich Van der Hoeven) wollte sich bei der Regierung eine bessere Stellung erzwingen und drohte mit seiner Abschiede. Die Regierung ging auf ersteres nicht ein und schenkte Ihm letzteren. Er ist wütend, schreibst darüber, aber das ist vox in deserto. Wir antworten nicht, sondern singen unser Requiescat in pace als Freudenlied, dass wir diese Käfer- und Maulwurfsseele los sind.312

In officiële correspondentie liet Hermann zich uiteraard niet op deze wijze uit. In de Levensschets was zijn toon ook minder scherp. Ik werd gesteld tegenover zulk een man die niet het minste begrip van den aard ener zodanige inrichting had, en dien evenmin den wil bezat ze te leren kennen; een man, die de hoge mening, welke hij van zichzelf koesterde, onder het masker van ene ootmoedige bescheidenheid wist te verbergen.313

Aan de directeur van het natuurhistorisch museum in Berlijn, Wilhelm Karl Hartwig Peters (1815-1883), tevens hoogleraar aan het Zoologische Museum in Berlijn, schreef Hermann op 18 februari 1859: Indessen hat man mir Herrn [Van der Hoeven vZ] zur Seite gesetzt und das wird mancherlei Reibung geben. Und warum geschah es? Wahrscheinlich aus einer Art Rachsucht der Kuratoren der Universität (worunter drei frühere Minister), welche Temminck fortwährend, selbst seine Pflichten nicht achtend, zurückgesetzt hatte. Da nun das frühere Akademische ins Reichsmuseum verschmolzen ist, so wollten die Kuratoren das Museum als Akademische Anstalt betrachtet haben, und dann hat allerdings V.d.H. kraft des Gesetzes vollkommenes Recht auf die Direktorstelle. Da die Kammer aber nicht geduldet hätte, dass das Reichsmuseum zum Akademischen Museum erklärt wurde, und erklärte es für eine Anstalt mit gemischter Art: deswegen die doppelte Ernennung, ich das Reich repräsentierend, mit dem Titel Professor, Van der Hoeven die Universität repräsentierend, mit den Titel Oberdirektor. Wie dem auch sei, ich habe meine Person sogleich in den Hintergrund gesetzt, und nur die Sache, nämlich nur die Erhaltung und Blüte des Museums vor Augen.314

idem, pp. 24-25. G. Schlegel, Levensschets, pp. 60-61. 314 Archief Zoologisch Museum Berlin, brief VAN H. Schlegel AAN Wilhelm Carl Hartwig Peters (1815-1883) zonder datum, datum postmerk: verzonden 18 februari 1859 uit Leiden. Geciteerd naar: Rudolf Möller, ‘Hermann Schlegel, Altes und Neues aus seine Biographie‘, Ausgabe A „Der Falke“, Monatsschrift für Ornithologie 312 313

145


Door De Jonge is de bemoeienis van het parlement met de gang van zaken geïnterpreteerd als een daad van cliëntisme. Hij doelde op de behandeling van de kwestie die niet alleen in de stad Leiden een tijdlang het gesprek van de dag was, maar ook het parlement bereikte. Met evenveel recht kan dat worden gezien als kritiek op het overheidsbeleid inzake de opvolgingskwestie toen parlementariërs lieten weten de gang van zaken bij het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie problematisch te vinden. Meer nog dan een conflict tussen twee personen handelde de affaire over het verschil in wetenschappelijke opvattingen wat een museum van natuurlijke historie behoort te zijn: vergelijkende anatomie volgens Van der Hoeven of systematische biologie à la Schlegel. Van der Hoeven zag het als het paradijs voor de vergelijkende anatomie. De systematische biologie richtte zich op taxonomische ordening van de drie rijken in de natuur in haar gelaagde diversiteit tussen en binnen soorten. Van der Hoeven vond dat dit concept binnen de universiteit thuis hoorde en niet in dilettantenhanden erbuiten. De overheid steunde hem daarin, verwijzend naar het Organiek Besluit uit 1815. Hij zag voorbij aan het feit dat al spoedig kritiek op dat Besluit was ontstaan waardoor de tekst steeds meer dode letter werd. Uiteindelijk zou in 1867 een Wet op het Hoger Onderwijs de dode letter uit 1815 vervangen. Feit blijft dat Jan van der Hoeven heeft gepersisteerd in zijn mening en alles heeft gedaan om het gelijk aan zijn zijde te krijgen. De wijze waarop Hermann hierin heeft geacteerd was voorzichtiger en ook meer onzichtbaar dan die van zijn rivaal. Hij bleef staan voor zijn visie en hield vast aan zijn doel dat hij vanaf de eerste dag in het Museum had nagestreefd. Zijn strategie was meer gebaseerd op het gezegde: ‘als men geschoren wordt, moet men stil zitten’, dan dat hij de barse Duitse bullebak was, die doorgaans in ronde bewoordingen voor zijn mening uitkwam. Zo hebben we in deze kwestie Hermann niet zien opereren. Het waren die paar brieven aan goede vrienden aan wie hij schreef wat hij er van vond. Het resultaat telt, schreef hij aan Peters, dus aan de slag, maar nu bevrijd van die bedreiging. Zijn uiteindelijke resultaat is omgekeerd evenredig aan het absolute verlies dat Jan van der Hoeven moest ondergaan. Het artikel van De Jonge is van waarde omdat hij de kant van Van der Hoeven toelicht aan de hand van correspondentie die deze voerde met zijn zoon. Daaruit blijkt de enorme betekenis die hij hechtte aan het krijgen van zijn gelijk. Maar meer nog blijkt hoe hij als mens werd geraakt in zijn gevoel van eigenwaarde en zijn zelfrespect.

und Vivarienkunde, 15. Jrg. Heft 6, Band I (Veröffentlich unter der Lizenznummer 1260 des Amtes für Literatur und Verlagswesen der deutsche Demokratischen Republik, 1968) pp. 152-157, aldaar p. 157.

146


Stand van zaken in het Museum Hermann begon te inventariseren welke werkzaamheden in het Museum moesten worden verricht nu zijn doel was bereikt en de functie verworven was waarnaar hij bijna vanaf zijn aankomst in het Museum in 1825 had toegewerkt. Hem was al lang duidelijk hoe groot de voorraad voorwerpen was en hoe gering het aantal preparateurs om daaraan een eind te maken. Hij ging aan het werk personeelsuitbreiding te realiseren om met het stuwmeer aan voorwerpen af te rekenen. Spoedig werd duidelijk dat zijn voorstellen door het ministerie niet werden gehonoreerd. Het overlijden van Susanna in 1859 maakte de benoeming van een nieuwe administrateur nodig. Benoemd werd Florentinus (Floor) Verster (1826-1923) - we wezen daar al eerder op. Hij was een zoon van zijn vriend Ab Verster van Wulverhorst. Omdat Floor nog een andere functie had, vond Hermann dat zijn aanstelling op de helft van de jaarwedde van Susanna kon worden gesteld. De minister had geen bezwaar. De bespaarde achthonderd gulden die daardoor binnen de rijksbegroting beschikbaar kwamen, konden worden besteed aan andere personele uitgaven. Voor dat bedrag wilde hij een assistent benoemen op zijn afdeling. Hij wilde conservator van zijn afdeling blijven om de reorganisatie zoals hij die zich voorstelde te realiseren. In 1859 werd A.A. van Bemmelen, die geen onbekende in het Museum was, benoemd voor zeshonderd gulden per jaar. Hij werkte al tien jaar zonder enige honorering in het Museum, omdat hij het vak wilde leren. In 1867 werd hij directeur van de dierentuin in Rotterdam. Tot 1875 volgden nog enkele assistenten elkaar op. Toen gaf Hermann het op. De assistenten gebruikten hun aanstelling als tussenstap en springplank. Zij vertrokken zodra zij een beter betaalde functie wisten te bemachtigen, overigens met begrip van de kant van hun directeur. In de keuze van medewerkers streefde Hermann naar het aanstellen van goed opgeleide krachten. Pas in 1875 besloot hij om te zien naar een conservator voor zijn afdeling, het werd dr. A.A.W. Hubrecht (1853-1915), de latere hoogleraar in Utrecht. Naar hem is het hedendaags laboratorium voor ontwikkelingsbiologie genoemd. Na Hubrechts vertrek trad dr. F.A. Jentink aan, die Hermann zou opvolgen als directeur van het ‘sRMvNH in 1884. Vanaf de aanvang van zijn directieperiode legde Hermann de verantwoordelijkheid voor hun afdeling bij de conservatoren neer. Hij liet hen jaarlijks het verslag over hun werk indienen en nam dat op in het jaarverslag. Holthuis heeft er op gewezen dat Hermanns belangstelling voor andere afdelingen dan de zijne niet groot was. Dat betekent niet dat hij geen waardering had voor het werk van het personeel. Onze focus kan in dit opzicht tot enige vertekening leiden daar we ons beperken tot Hermanns eigen werk als conservator, naast zijn eindverantwoordelijkheid voor het management in de instelling en de representatie naar buiten. Het algemene beeld van zijn omgang met medewerkers vertoont 147


een zekere grilligheid. Zo kon hij weinig sympathie opbrengen voor de afdeling van de ongewervelde dieren, zodat de daar werkzame conservatoren van hun directeur weinig support konden verwachten. Echter, hij heeft bijvoorbeeld tekenaars als Wolf en anderen die hij hoog waardeerde geholpen in Engeland emplooi te vinden tegen een aanzienlijk hoger inkomen dan hij kon bieden. 315 Reorganisatie van de verzameling In het werk van alledag vroeg de jarenlange verwaarlozing van de opstelling in de galerijen om ingrijpen. Er moest lijn worden gebracht in de opstelling ‘nodig voor het oog, het gevoel en de harmonie en het doen uitkomen van de voorwerpen.’ De overvloedige krullijnen naar Franse bedorven smaak, kunstmatig gekrulde krukken waarop de meeste schedels en kleine dieren geplaatst worden, moesten worden vervangen door vierkante blokjes. [ ] Hiermede was al een begin gemaakt door de bruine verf der kasten stolpen enz., zoals de boven alles uitstekende rode verf der deksels der flessen te doen vervangen door een grijs getemperd wit. [ ] In de laatste jaren waren alle takken en krukken waarop de meeste vogels of zoogdieren geplaatst waren, ongeveer 10.000, met lijmverf gewit, waardoor de verzameling een veel helderder aanzien kreeg, de zindelijkheid werd bevorderd. Allengs werden de etiketten ontkleurd, teneinde alle dieren, uit een geheel kleurloze omgeving in hunne natuurlijke kleuren te doen uitkomen.316

Hermann presenteerde deze verandering als een nieuw concept dat jaren tijd zou vragen om het te realiseren. Nu hij in de positie was naar de eisen van de huidige tijd de voorwerpen in het Museum te rangschikken, realiseerde hij zich dat eerst een geweldige achterstand in onderhoud en beheer moest worden ingehaald. Dit kon alleen worden uitgevoerd als er geld beschikbaar kwam. Kasten moesten worden vervangen door grotere en hogere dan in de oude opstelling. ‘De expositie van voorwerpen moest zo worden ingericht dat een Museum even klaar voor ogen staat en met evenveel gemak kan worden doorlopen als een boek.’ In zijn afdeling plaatste hij zoveel mogelijk één vogel van een soort in het middelpunt en groepeerde andere variëteiten van de zelfde soort er omheen. De in het midden geplaatste vogel representeerde de soort. De hoofdetiketten leidde de bezoeker naar de groep die hij wilde zien. De kleinere etiketten bevatten de naam van het geslacht. Hermann had dit concept met grote volharding jarenlang voorbereid. In de jaarverslagen van het Museum ging het sedert jaar en dag steeds om terugkerende thema’s:

315 316

L. B. Holthuis, 1820-1959, Rijksmuseum van Natuurlijke Historie, p. 44. Archief Naturalis Biodiversity Center, Jaarverslagen, jaarverslag nr. 44, juli 1859-juni 1860, 30 juni 1860.

148


de staat van het gebouw, vocht, schimmel, lekkage, gebrek aan ruimte en de noodzaak tot herschikking van de steeds maar groter wordende verzameling. Het al bestaande stuwmeer werd nooit kleiner, integendeel voortdurend groter. De conservatoren kregen de taak orde op zaken te stellen in het kader van het gevolgde uitgangspunt. De verzamelstrategie vroeg ook om een andere aanpak. De beschrijving van een soort moest de verspreiding over de aarde in kaart brengen, met de variëteiten die een gevolg waren van de geofysische en klimatologische omstandigheden van hun habitat. Ook Alexander von Humboldt (1769-1858) had daarop gewezen. Hermann volgde dit concept met vele musea van natuurlijke historie. Hij had aan de uitwerking zelf substantieel bijgedragen in zijn publicaties. Om dit te realiseren moest de aanvoer van voorwerpen worden opgevoerd. Hij hoopte dat als de verschillen tussen dieren behorend tot eenzelfde soort in uiteenlopende verspreidingsgebieden in kaart waren gebracht, het soortenvraagstuk zou zijn opgelost. Niet langer kon worden volstaan een catalogus samen te stellen van soorten, waarbij men slechts enkele voorbeelden toonde. Voor het Museum had dit als consequentie dat veel meer exemplaren van een soort in onderzoek en expositie betrokken moesten worden. Dit had gevolgen. Dubbelen betekenen heel iets anders dan vroeger. Om zich een goed beeld van een soort te maken dient zij in het Museum vertegenwoordigd te zijn door een reeks van voorwerpen, van verschillende sekse, leeftijd, jaargetijden en van de voornaamste plaatsen waar zij vóórkomen, omdat de soorten naarmate de streek welke zij bewonen, niet zelden aanmerkelijke afwijkingen bieden.317

De os zag zich voor de berg geplaatst Hermann zag het als zijn taak de financierende overheid voor de consequenties van deze veranderingen te winnen. Al spoedig moest hij onder ogen zien dat zijn gelijk alleen in de wereld van de museumbiologen was te halen. Legde hij het aan het ministerie uit, dan verwees men hem laconiek naar het budget voor het ‘sRMvNH op de rijksbegroting, waarin de financiering en de exploitatie waren opgenomen. De mogelijkheid om buiten deze vaste posten geld te genereren voor zaken die inhoudelijk van groot belang waren, maar waarin het budget niet voorzag, bestond nauwelijks meer. Het Museum moest maar zien met het budget uit te komen. De inhoudelijke verantwoordelijkheid voor het Museum lag bij de directeur en het toezicht bij het CvC. Het enige voordeel was dat er enige ruimte was binnen het budget met geld te schuiven. Ook Hermann maakte daarvan gebruik. Bij aankomst in 1825 was hijzelf ook boventallig uit

317 NL-HaNa, Rijksmuseum Natuurlijke Historie, 3.12.17, inv. nr. 24, serie D concepten, kenmerk nr. 6/1713, 29 maart 1859.

149


het personeelsbudget betaald, en na hem vele anderen, een manier van doen die kan worden gekenschetst als ‘onderuitputting’ om in een toegestaan budget hetgeen overblijft een andere bestemming te geven. Nu zijn doel was bereikt eindelijk zijn plannen tot uitvoer te brengen, liep Hermann aan tegen de weerbarstige grenzen van een te krap budget. Opnieuw zag ‘de os zich voor de berg geplaatst.’ Het moet Hermann nagegeven worden dat hij alles probeerde om zoveel mogelijk zijn plannen alsnog te realiseren. De periode van zijn directie tussen 1860 en zijn overlijden in 1884 is om een aantal redenen geen triomftocht geworden. Stand van zaken in het huis aan de Vliet In zijn persoonlijk leven speelden ingrijpende veranderingen een rol. Op 2 december 1864 werd hij getroffen door het plotseling overlijden van Cornelia. Van zijn gezinsleven bleef steeds minder over. Gustav verbleef vanaf 1857 respectievelijk in China en Nederlands-Indië. Hij keerde pas in 1872 terug om zijn carrière in Nederland voort te zetten.318 Leanders studie aan het conservatorium in Leipzig was geen succes. Hij was in 1863 teruggekomen en vond werk op de Leidse muziekschool van Toonkunst, een toekomst die Hermann juist had willen voorkomen.319 Cécilia was, toen haar moeder stierf, nog tot Hermanns last.320 Het huiselijk leven was in de voorgaande jaren steeds verder verschraald, de muziekavonden en de soirees behoorden tot het verleden, soms werd er nog muziek gemaakt, maar niet meer zoals vroeger, tot ook dat stopte. Leander en Cécilia zochten hun eigen weg.321 Het huwelijk van Hermann Schlegel en Albertina Pfeiffer Een lichtpunt in de jaren na het overlijden van Cornelia zal voor Hermann, achteraf bezien, het vinden van een partner zijn geweest, waarvan zoals verderop zal blijken, ook het Museum voordeel zou hebben. Na het overlijden van de Utrechtse hoogleraar Theodorus Gerardus van Lidth de Jeude (1788-1863) spande Hermann zich in om kostbare stukken uit diens verzameling natuurhistorische voorwerpen voor het Museum te verwerven, hetgeen slechts zeer ten dele was gelukt. Tussen Hermann en een dochter van Van Lidth de Jeudes tweede echtgenote, Albertina Catharina Petronella Pfeiffer (1829-1894), ontstond genegenheid. Albertina was een dochter

Vgl. dl. II, Periode 1872-1903, pp. 225 ev. Vgl. dl. III, Periode 1863-1878, pp. 304 ev. 320 idem. 321 Vgl. dl. II, p. 173, Gustav verlaat het huis. Dl. III, p. 306, Leander verlaat het huis en p. 306, Cécilia gaat uit huis. 318 319

150


van Johannes Philippus Pfeiffer en Johanna Elisabeth Ledeboer.322 Hermann gaf aan zijn genegenheid voor haar uitdrukking door een nog niet beschreven vogel naar haar te noemen: de Charitoris Albertinae. Hij trad met haar in het huwelijk in 1869.323 Albertina nam ook haar oudere zus Ægidia Johanna (1823-1905) mee naar Leiden. Hermann en Albertina brachten hun huwelijksreis door in Parijs, blijkens een aanvraag voor verlof, het eerste overigens dat Hermann na zijn aantreden als directeur aan het ministerie aanvroeg.324 Het paar ging wonen op de Breestraat nr. 109. Albertina’s zuster Ægidia op nr. 105. Over de jaren van hun samenzijn is vrijwel niets bekend. Albertina werd na haar overlijden in het graf van Hermann Schlegel bijgezet op de begraafplaats Groenesteeg in Leiden.325 Dat was ook het geval met Albertines zuster Ægidia. 326 Op zoek naar nieuwe aanvoer van voorwerpen uit de koloniën In 1861 kreeg Hermann bezoek van de toen juist benoemde Gouverneur Generaal (GG) Ludolf Anne Jan Wilt Baron Sloet van de Beele (1861-1866). Hermann deed er verslag van aan Leander. 327 Hij had er zich grondig op voorbereid. Een uitvoerig document lag klaar om aan de GG te overhandigen.328 Hij riep diens hulp in om de vastgelopen aanvoer van voorwerpen uit Nederlands-Indië weer op gang te brengen. Inderdaad deed Sloet van de Beele een voorstel aan de minister van Koloniën. Naar zijn mening moest het ‘sRMvNH in de gelegenheid worden gesteld jonge en ter zake kundige natuuronderzoekers in Leiden op te leiden en vervolgens naar de kolonie te sturen. Zijn plan werd echter door het Ministerie van Koloniën en BiZa als te kostbaar afgewezen. Teleurgesteld nam Hermann dan maar zelf het initiatief. Hij slaagde er in dr. Heinrich Agathon Bernstein (1828-1865) als natuurkundig reiziger aangesteld te krijgen. Via Ternate bereisde deze de westkust van Papoea Nieuw-Guinea. In 1861 kwam een eerste zending binnen. Helaas viel ook Bernstein ten prooi aan de ontberingen en stierf in 1865. De gouverneur stelde daarop Baron von Rosenberg, een voormalig cartograaf in rijksdienst in de

Utrecht, BS geboorteregister 1829, akte nr. 1163. Utrecht, BS trouwregister akte nr. 36, 11 februari 1869. 324 NL-HaNa, Rijksmuseum Natuurlijke Historie, 3.12.17, inv. nr. 38, officiële correspondentie, kenmerk nr. 12, exhib. 4 februari 1869. 325 Leiden, BS overlijdensregister, Albertina Cornelia Petronella Pfeiffer, akte nr. 285, 12 maart 1894, overleden op 10 maart 1894. Zij werd bijgezet in het graf van Hermann Schlegel op de begraafplaats Groenesteeg in Leiden, graf nr. 117B. 326 Leiden, BS overlijdensregister, akte nr. 72 Ægidia Johanna Pfeiffer, overleden op 29 januari 1905. Zij werd in het graf van H. Schlegel op Groenesteeg, waar ook haar zuster Albertina Petronella Pfeiffer was bijgezet, graf nr. 117B. 327 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, kenmerk 1861 07 26 b, brief van 26 juli 1861, p. 6-8. 328 Archief Naturalis Biodiversity Center, map H. Schlegel, kenmerk nr. 22, 7 augustus 1861. 322 323

151


gelegenheid natuurhistorische voorwerpen te verzamelen. Hij zond vanaf 1860 zendingen naar Leiden tot aan zijn pensioen in 1872. Hermann trok de conclusie dat het niet langer opportuun was te rekenen op uitbreiding van het budget voor het Museum. Er was teveel verwijdering gekomen tussen zijn gedrevenheid en toewijding aan het Museum enerzijds en de bezorgdheid van de overheid dat het Museum zonder ophouden in omvang toenam anderzijds. De welwillendheid uit het verleden jegens het Museum was verdwenen. Om die reden paste Hermann zijn strategie aan. Hij ging personen die welwillend stonden tegenover uitzending als natuurkundig reiziger zelf stimuleren en faciliteren. In zekere zin volgde hij het advies op van Sloet van de Beele. Over het aanbod van een jonge man die zich bij hem gemeld had schreef hij aan Leander: Ein junger Mensch, [François vZ] Pollen aus Rotterdam, etwas vermögend, will durchaus reisender Naturforscher, wenn auch auf Privat-kosten, werden. Nach einem Familien Consult wurde beschlossen, ihn als Volontär, ohne Gehalt, aber mit allen Verpflichtungen eines Beamten, am Museum eintreten zu lassen. Es ist wirklich eigentümlich: Alles was am Museum in meinem Kreis kommt, bleibt wie der Fisch an der Angel hangen. 329

François ging in de leer. Hij werd grondig voorbereid. Hij vond in D.C. van Dam een leeftijdgenoot die op zijn kosten met hem mee wilde reizen. Na ongeveer anderhalf jaar voorzag Hermann hen van uitrusting en aanbevelingsbrieven voor de autoriteiten op Madagascar. Het was een gebied dat een grote variatierijkdom aan dieren bezat die in het Museum ontbraken. De door hen verzamelde voorwerpen werden in het Museum bewerkt, gedetermineerd en beschreven. Holthuis schreef over deze vruchtbare expedities: dat zonder Schlegels aanmoediging de jonge François de reis tussen 1863 en 1866 nooit zou hebben ondernomen en op die wijze het Museum verrijkt hebben met een der belangrijkste Vertebrata collecties ter wereld van dat eiland. 330

Hermann was door zijn huwelijk met Albertina, het wegvallen van de kosten voor Leander in Leipzig en de verdubbeling van zijn jaarinkomen na benoeming tot directeur van het Museum in een ruimere financiële positie geraakt. Zo heeft hij ook uit eigen middelen een onderzoeker met assistent uitgerust om in Liberia te verzamelen. Deze Johann Büttikofer (1850-1927) zou het Museum eveneens verrijken met kostbaar materiaal.

329 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, kenmerk 1862 05 27, brief van 27 mei 1862, p. 6. 330 L.B.Holthuis, 1820-1859 Rijksmuseum van Natuurlijke Historie, p. 43.

152


Hermanns publicaties 1860-1884 In zijn periode als eindverantwoordelijk directeur publiceerde Hermann 68 werken: negen grotere stonden tegenover 59 kleinere. Tussen 1874 en 1878 verschenen er geen publicaties van zijn hand. Tussen 1879 en 1882 verschenen er nog eens twintig. 331 Hermann had vanaf de stichting van Artis in 1836 een relatie ontwikkeld met Gerardus F. Westerman (1807-1890), directeur van het Genootschap Natura Artis Magistra (Artis) in Amsterdam. De geschiedenis van Artis is door Mehos in haar dissertatie beschreven.332 Voor het Museum was de dierentuin partner, omdat aan haar geschonken levende dieren er ter verzorging konden worden ondergebracht. Na overlijden werden deze aan het Museum in Leiden afgestaan. De persoonlijke relatie tussen beide heren verschafte Hermann entree tot de tuin, waar hij veel in situ tekende. Het observeren van dieren was een welkome aanvulling op zijn kennis van hun gewoonten, gedragingen en karakter. Westerman, die onder meer uitgever was, wilde wetenschappers aan zich binden. Om die reden richtte hij de Zoölogische Commissie op. Deze bestond uit personen die de doelstelling van het Genootschap Natura Artis Magister konden ondersteunen. Naast Westerman zelf hadden Hermann Schlegel en Willem Vrolik (1804-1863) er een plaats. Laatstgenoemde was hoogleraar vergelijkende anatomie aan het Amsterdamse Athenaeum Illustre. De Zoölogische Commissie was het vehikel om door wetenschappelijke publicaties een internationaal platform te creëren. Het Tijdschrift Bijdragen tot de Dierkunde kwam er uit voort dat op kosten van het genootschap verscheen tussen 1848 en 1854. Hermann schreef er negen bijdragen voor. Vervolgens zag het Nederlandsch Tijdschrift voor dierkunde het licht onder redactie van P. Bleeker, H. Schlegel en G.F. Westerman, ook op kosten van het genootschap. Het verscheen tussen 1863 en 1884 in slechts vijf afleveringen. Beide tijdschriften werden opgeheven wegens gebrek aan debiet. Al in 1842 schreef Hermann over de dieren in de Amsterdamse dierentuin.333 In 1872 verscheen een nieuwe en vermeerderde druk over Artis. Het werd voorzien van oorspronkelijke

G. Schlegel, Levensschets, aldaar Lijst van geschriften van Hermann Schlegel, pp. 86-95. Donna Christina Mehos, Science displayed, nation and nature at the Amsterdam zoo Artis, dissertatie history and sociology of science (Pennsylvania University, 1997). Gebruikte handelsuitgave: Science and culture for members only: the Amsterdam Zoo Artis in the nineteenth century (Amsterdam, University Press 2006). 333 H. Schlegel, De diergaarde en het Museum van het Genootschap Natura Artis Magistra te Amsterdam, in afbeeldingen voorgesteld en beschreven (Amsterdam, Westerman 1842). 331 332

153


houtgravuren gemaakt door W. Hekking jr., G.J. Bos en J. Smit.334 Hermann liet de lezer kennismaken met een aantal dieren uit de diergaarde en het eraan verbonden Museum van het Genootschap. In zijn Museum in Leiden stond Hermann negatief tegenover de openstelling voor bezoekers, dat overigens een niet te ontlopen statutaire verplichting was. Hij zag er slechts door stof en vuil beschadigingen van voorwerpen uit voortkomen. Naar zijn mening waren musea van natuurlijke historie geen ‘galanteriewinkels of kermistenten, zij zijn voor de geleerden een natuurlijke bibliotheek en niet een rarekiek voor het gewone publiek.’335 Het Museum was er voor geleerden. Voor het ‘profanum vulgus’ was een apart ingericht tentoonstellinkje voldoende, omdat het moest. Het gevederde volkje had Hermanns bijzondere aandacht. Hij baseerde een studie op het bijeen brengen van de namen van vogelsoorten die in Nederland werden waargenomen, samengesteld door conservator dr. J.A. Herklots.336 Het ornithologische zakboek dat hij wilde publiceren moest in de plaats komen van verouderde opsommingen van waarnemingen zoals die van Nozeman en Sepp.337 Ook een soortgelijk werk van Bennet en Van Olivier voldeed niet meer.338 Hermann werd mede geïnspireerd door de nieuwe Jachtwet van 6 maart 1852, waarin nieuwe regels waren opgenomen ten aanzien van overtredingen en verbodsbepalingen. Hij schreef in het voorwoord: ‘Het is te verwachten dat door deze wet de middelen of belemmerd of afgesneden worden, om in de toekomst behoorlijke en omvattende onderzoekingen over onze inlandse vogels in het werk te stellen.’ Zo kwam De vogels van Nederland beschreven en afgebeeld door H. Schlegel, met 362 platen tot stand. Het materiaal was gebaseerd op Herklots bouwstenen.339 Dit boek werd een succes en was in enkele jaren uitverkocht. In 1878 verscheen een tweede H. Schlegel, P.H. Witkamp, W. Hekking jr., G.J. Bos, J. Smit, De dierentuin van het Koninklijk Zoölogisch Genootschap Natura Artis Magistra te Amsterdam. Zoölogisch geschetst door H. Schlegel, met historische herinneringen van P.H. Witkamp; oorspronkelijke houtgravuren voor dit werk uitsluitend vervaardigd door W. Hekking jr., G.J. Bos en J. Smit (Amsterdam, G.J. van Es 1872). 335 G. Schlegel, Levensschets, p. 65. 336 H. Schlegel, ‘Naamlijst der tot heden in de Nederlanden in den wilden staat waargenomen vogels’ in: J.A. Herklots (red.), Bouwstoffen voor ene fauna van Nederland; onder medewerking van onderscheiden geleerden en beoefenaars der dierkunde, 3 dln. (Leiden, Brill, 1853-1866), aldaar dl. 1, 2e stuk pp. 58-121. 337 Cornelis Nozeman, Martinus Houttuyn, J.C. en Christiaan Sepp, Nederlandsche vogelen volgens hunne huishouding, aert en eigenschappen beschreven door Cornelius Nozemann en verder na zijn overlyden, door Martinus Houttuyn, alle naar ’t leeven geheel nieuw getekend, in ’t koper gebracht, en natuurlijk gekoleurd door en onder toezicht van Christiaan Sepp en zoon, 5 dln. (Amsterdam, Jan Christiaan Sepp, 1770-1829). 338 J.A. Bennet en G. van Olivier, ‘Verhandeling ten beantwoording van de vrage: eene naauwkeurige naamlijst der zoogende dieren, der vogelen en der amphibien, die natuurlijk (en niet van elders overgebragte) inwoonders dezer landen zijn, met bijvoeging van derzelver verschillende namen in verschillende Nederlandsche gewesten, en de geslachts en soorts kenmerken volgens het Linneaansche stelsel zeer kort gesteld en met aanwijzing van een of meer der beste afbeeldingen van elk dier?’ in: Natuurkundige Verhandelingen van de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem, dl. XI, 2 (Haarlem, Wed. A. Loosjes Pz 1822). 339 H. Schlegel, De vogels van Nederland beschreven en afgebeeld, 3 dln, met 362 platen (Leiden, Trapp 18541858). 334

154


uitgave, overigens zonder Hermanns medeweten, hij was over de kwaliteit ervan ontevreden. Hierover zegt hij: ’Mijn enige voldoening is, dat de eerste editie van het boek, als het toevallig eens onder de hamer kwam, met het dubbele van de oorspronkelijke prijs betaald werd.’340 Dit werk is opmerkelijk waar het de vogels van Nederland betreft. Men vat gewoonlijk, en het kan wel niet anders, de grenzen van een fauna in politieke zin op. Ik trachtte aan te tonen, dat juist ons kleine landje een groot getal, onderling zeer verschillende fauna’s bezit, zoals ook door verschillende lokaliteiten gevorderd wordt. Om dit duidelijk te maken, schetste ik ene toepasselijke reeks van landschappen, gestoffeerd met de meest opvallende vertegenwoordigers der vogelwereld, van iedere bijzondere lokaliteit. Op deze wijze ontstonden plaatjes, ontleend aan stad en dorp, weiland en heide, veld en bos, riviermondingen en binnenwateren, aan de onderling zeer verschillende duinstreken, aan het zeestrand in den zomer en den winter en aan de eenzame zee-eilanden. Voor het juiste begrip der iedere soort kenschetsende fysionomie, voegde ik bij dit werk de daarbij behorende, vroeger opgenoemde, naar het leven ontworpen, studies van vogelkoppen. 341

Figuur 10: Vogelkoppen uit ´De Natuurlijke Historie van Nederland´, getekend door Hermann Schlegel, p. 154

In de bibliotheek van Naturalis Biodiversity Center bevindt zich een exemplaar waarin de door Hermann bijgestelde nomenclatuur op zijn beurt steeds weer werd bijgesteld, blijkens de vele, klaarblijkelijk in de loop van de jaren, met de pen aangebrachte uitbreidingen en aanvullingen.

340 H. Schlegel, Natuurlijke Historie van Nederland: de dieren van Nederland: gewervelde dieren, 2 bnd., in 4 dln: I en II Vogels (1860-1861), III Zoogdieren (1862), IV Kruipende dieren (1862), V Visschen (1862). (Haarlem, Kruseman 1860-1862). Een goedkopere uitgave van deel III van dit werk verscheen in 1870 zonder medeweten van Hermann bij uitgeverij Funke in Amsterdam, vgl. Levensschets, p.54. 341 G. Schlegel, Levensschets, p. 55.

155


Hermanns boek kreeg dankzij de attente museumbiologen een historisch belang, doordat de dynamiek van wetenschappelijk onderzoek erin verbeeld werd. Het zegt ook iets over de relatieve betekenis van taxonomische naamgeving. Deze hield gelijke tred met de voortdurende veranderingen binnen de wetenschap. Tussen 1862 en 1876 bracht het Museum monografieën uit onder de titel Muséum d’histoire naturelle des Pays-Bas. Revue méthodique et critique des collections déposées dans cet établissement. 342 Hermann beschreef in totaal 20.000 voorwerpen. Hij voldeed hiermee aan de verplichting in het Museum een catalogus beschikbaar te hebben van alle bewaarde voorwerpen. Hermann schreef op 12 augustus 1862 aan Leander: ‘Ich bin sehr mit dem Katalog des Museums beschäftigt, und wird mit dem Druck daran dieser Tage begonnen (sic).’ 343 In 1879 verzocht Hermann de minister de monografieën te mogen beëindigen, daar de ontwikkeling in de taxonomie zo snel ging, dat het niet zinvol was ermee door te gaan, mede door het grote tijdsbeslag dat het vroeg. De minister wees dit af.344 Per kerende post zond Hermann de minister een pleitrede om in plaats van de monografieën jaarlijks de verworven noviteiten te rapporteren die in de collectie van het Museum waren opgenomen. Er was al enige ervaring mee opgedaan onder de titel Notes on the Leyden Museum; Notes from the Royal Zoological Museum of the Netherlands at Leyden (Notes). Hij stuurde een exemplaar van het meest recente nummer mee (aflevering 11). De minister wees ook dit voorstel af. Eerst moest de catalogus af, voordat een nieuw periodiek kon worden uitgegeven. De kosten daarvoor moesten worden betaald uit het budget van het Museum. De Notes waren echter volgens Hermann, het enige juiste antwoord op de ontwikkelingen in de zoölogie en daarmee basta! De Notes konden door de conservatoren worden gemaakt. De conservatoren onder leiding van Hermann garandeerden uitgeverij Brill gezamenlijk de afname van tachtig exemplaren per aflevering, die daarop instemde de publicatie van De Notes te continueren. Tot 1914 zijn deze verschenen. 345 Hermann en zijn conservatoren hadden een omweg gevonden toch te realiseren wat zij nodig oordeelden.

342 H. Schlegel, Muséum d’histoire naturelle des Pays-Bas: revue méthodique et critique des collections déposées dans cet établissement. Vol. 1: 1862-vol 14: 1876 (Leiden, Brill 1862). 343 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brief VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, kenmerk 1862 08 12, 12 augustus 1862, p. 4; idem kenmerk 1862 09 09, 9 september 1862, p. 5; idem, kenmerk 1862 10 07, 7 oktober 1862 p. 6. 344 NL-HaNa, Rijksmuseum Natuurlijke Historie, 3.12.17, inv. nr. 48, officiële correspondentie, kenmerk 25, 20 maart 1879; idem, inv. nr. 48, kenmerk nr. 79, officiële correspondentie, kenmerk nr. 27/171, 9 april 1879 afschrift brief ministerie BiZa aan het CvC Leiden, kenmerk lett. P, 1 april 1879. 345 Rijksmuseum van Natuurlijke Historie, Notes from the Leyden Museum; Notes from the Royal Zoological Museum of the Netherlands at Leyden, 1879-1914.

156


Zicht op nieuwbouw? De permanente klachten over de huisvesting van het Museum, de gevaren voor het verval van de voorwerpen en het toenemende plaatsgebrek voor nieuwe voorwerpen in het Museum waren vrijwel in elk jaarverslag aan de orde gesteld, in vele brieven uiteengezet en met evenzoveel noodoplossingen slepend gehouden, toen er toch een oplossing in zicht kwam. In het jaarverslag 1872-1873 schreef Hermann: [ ] dat hij [dit keer vZ] niet op de ongeschiktheid van het gebouw hoefde te wijzen daar er uitzicht was geboden op het bouwen van een nieuw Museum op de Ruïne zoals door de Vertegenwoordiging was voorgesteld. Hij zal dat zelf wel niet meer meemaken, wilde wel kwijt dat naar zijn mening deze plannen die hem bijzonder ter harte gaan in de eerste plaats wetenschappelijk en architectonisch verantwoord moesten zijn.346

Hermann doelde op een motie van parlementariër Mr. J.B.A.J.M. Verheyen in het zittingsjaar 1872-1873, waarin hij de regering vroeg te besluiten voor de universiteit een nieuw academiegebouw en voor het ‘sRMvNH een nieuw Museum op de Ruïne te bouwen. Deze motie kreeg een meerderheid en werd derhalve aangenomen. Er werd een prijsvraag uitgeschreven onder architecten om een ontwerp voor een Academiegebouw te maken. Niet voor het Museum. Alhoewel Hermann geen architect was, meende hij, door het indienen van een schetsmatig ontwerp van het Academiegebouw, aan te moeten geven dat op de Ruïne zowel het Academiegebouw als het Museum konden worden gerealiseerd. Hij had daarbij voor ogen dat de beschikbare ruimte van het bouwkavel op de Ruïne beperkt was en dat hij er belang bij had genoeg ruimte te krijgen voor het realiseren van zijn Museum: het moest immers in zijn ogen ‘wetenschappelijk en architectonisch verantwoord zijn.’ In dat spel moet zijn poging worden gezien zijn schetsplan voor het academiegebouw in te sturen. Hij kreeg er nimmer een reactie op. Tezelfdertijd stelde de minister een commissie samen onder voorzitterschap van Mr. Verheyen, de bekende architect P.J. Cuypers en dr. A.A.W. Hubrecht, voormalig medewerker van het Museum en toen hoogleraar in Utrecht. Haar opdracht was aan de hand van een onderzoek naar enkele musea van natuurlijke historie in Europa de minister te adviseren over de voorgenomen nieuwbouw voor het ‘sRMvNH. In 1878 verscheen hun rapport.347 Hermann zag tot zijn schrik

Archief Naturalis Biodiversity Center, Jaarverslagen, jaarverslag juli 1872-juni 1873, nr. 46. J.B.A.J.M. Verheyen, P.J.Cuypers en dr. A.W. Hubrecht, Rapport over de inrigting van eenige voorname musea van natuurlijke historie in het buitenland: naar aanleiding van de voorgenomen stichting van een nieuw gebouw voor ’s Rijks Museum van Natuurlijke Historie te Leiden, uitgebracht door de commissie benoemd bij KB van 10 juli 1877, nr. 12, uitgegeven op last van Z. Exc. den Minister van Binnenlandse Zaken (E.J. Brill, Leiden 1878). 346 347

157


dat het ontwerp van de façade zoals Cuypers deze voor zich zag, niet overeenkwam met zijn visie. Hij vond het ‘als protestant veel te rooms.’ Te veel tierelantijntjes, terwijl hij een streng classicistisch gebouw op het oog had. Hij besloot daarop zijn schetsplan voor een ontwerp voor het academiegebouw op eigen kosten uit te geven, als een ultieme poging medestanders te vinden voor zijn denkbeelden. Dit geschrift bestond naast schetsen uit uitleg over zijn kunsttheoretische uitgangspunten.

348

Het hielp echter niet. Ook deze poging lokte geen reactie uit van

bevoegde zijde. Wat zijn tekst wel duidelijk maakte, was dat hij steeds meer verstrikt raakte in de netten van het eigen gelijk. De gebrekkige respons op zijn pogingen ervoer hij als een onverschillig schouderophalen. Zijn kunstopvatting werd gedegradeerd tot een mening en genegeerd. Hermann liet er geen misverstand over bestaan dat het Museum een nieuwbouw moest krijgen die bij de opening alles kon herbergen dat tot haar bezit behoorde, maar ook nog eens berekend was op een groei die even groot was als de omvang van het grootste getal voorwerpen per jaar in haar glorietijd. De overheid wenste echter niet mee te werken aan de als megalomaan beoordeelde opvatting van Schlegel. Gedreigd werd medewerking aan de nieuwbouw in te trekken als er niet een meer realistisch plan ter tafel kwam. Het is waarschijnlijk dat het CvC en het ministerie van BiZa op de hoogte waren van de lichamelijke conditie van Hermann. Diens gezondheid was sluipend achteruit gegaan als gevolg van een toenemende verslechtering van zijn gezichtsvermogen. Dit proces is waarneembaar in zijn handschrift in april 1877. In de loop van de tijd werden zijn letters steeds groter. Op het einde van zijn leven schreef hij met krijt zeer grote letters. In die jaren was het zijn assistent die opschreef wat hem gedicteerd werd. Hij liet zich door hem voorlezen en tekeningen maken onder zijn aanwijzingen. Hij leed aan de gevolgen van zwaarlijvigheid en diabetes met onder andere cataract tot gevolg, waarvoor hij meermaals werd geopereerd. Helaas zonder succes. Hij bleef zo lang mogelijk naar het Museum gaan, eerst te voet, later per rijtuig. Hij dicteerde lange beschouwingen aan de overheid over hoe het Museum er uit zou moeten zien. Andere beschouwingen handelden over voorstellen de aanvoer uit de Gordel van Smaragd weer opgang te brengen. Hij voerde daarin onvermoeibaar argumenten aan die de geadresseerden allang van hem kenden. Hij herhaalde ze, zoals hij ook onvermoeibaar was in het repeteren van zijn instructies aan reizigers. Een laatste opdracht die hij van het ministerie kreeg via het CvC in 1882 was een inventarisatie te maken van het bezit van het Museum. Hij voldeed aan dit verzoek. Het waren 220.815 voorwerpen. Deze waren ondergebracht in 920 kasten, gem. 2,75 m hoog, 2 m. breed

348 H. Schlegel, Entwurf eines neuen Gebäudes für die Universität zu Leiden: mit Plänen und fünf Tafeln (Leiden, Brill 1881).

158


en 0.60 m diep, met een totale lengte van 1840 m. Voorwerpen waren geplaatst op de balustraden en hingen aan de plafonds. Ze namen een ruimte in van 700 vierkante meter. Het Museum was oud, ongeschikt en overvol! Een stap terug in de tijd Hermann overleed op 17 januari 1884. Gustav heeft hem in zijn laatste jaren langzaam zien wegglijden. Hij bezocht hem vaak, lang konden ze ‘s avonds van het Museum naar zijn huis in de Breestraat wandelen. In deel II en III wordt onderzocht hoe het Gustav, Leander en CĂŠcilia op hun levensweg is vergaan. De focus richt zich op de vraag wat hun betekenis was voor maatschappij, kunst en wetenschap en welke strategieĂŤn zij gebruikten hun doelen te bereiken. Wat waren de overeenkomsten en de verschillen tussen hen en wat kenmerkte hen als leden van de familie Schlegel in Leiden en Haarlem? En in hoeverre hadden de kinderen bij het realiseren van hun professionele ambities profijt van de onderlinge familieverbanden, met name van de inspanningen van hun vader en het gebruik van diens netwerken?

Figuur 11: Handschrift Hermann Schlegel in brief aan Leander van 26 juli 1861, p. 3

159


Figuur 12: Prof. Dr. Gustav Schlegel, 1840-1903

160


DEEL II - Gustav Schlegel (1840-1903) Periode 1849 -1862 Gustavs opleiding tot tolk Eerder is beschreven hoe Gustav op negenjarige leeftijd het initiatief nam naar huisvriend dr. J.J. Hoffmann te gaan met het verzoek hem de betekenis van Chinese karakters te leren. 349 Zijn fascinatie maakte hem vanaf de eerste les een ijverige leerling. Uit de vele mensen binnen het netwerk van zijn vader die in het huis aan de Vliet op visite kwamen, koos hij Hoffmann uit. Hij was zich welbewust dat híj het was die hem de betekenis van de Chinese karakters kon leren. De huisvriend had zich gespecialiseerd in de Japanse taal waarvan het karakterschrift grote overeenkomst vertoonde met het Chinese schrift. Hij was in 1846 door de regering aangesteld als vertaler van Japanse teksten.350 Wellicht speelde mee dat Gustav evenals zijn vader van tekenen hield. Als hij luisterde naar de verhalen van de bezoekers waren het vooral die van Hoffmann en Von Siebold die hem betoverden. Ook de professor van de sterrenwacht Kaiser kon op zijn belangstelling rekenen. Hij kon zo boeiend vertellen over alles wat aan het firmament te zien is. Hij leerde al vroeg hoe groot de wereld was en hoe immens het universum. Dat gold ook voor de diversiteit in het Museum van zijn vader, waarin de wereld werd getoond in de variatie van dieren over de wereld verspreid. Hij luisterde naar wat Hoffmann en Von Siebold vertelden over leefgewoonten, gebruiken en voorwerpen die in Leiden totaal onbekend waren. De kinderen in het gezin werden voor een belangrijk deel door hun vader onderwezen, behoudens muziekonderwijs. Zij hadden het voordeel thuis van kinds af aan Duits en Nederlands te spreken. Het Nederlands was hen bijgebracht door hun moeder en dat was vertrouwd geworden in de dagelijkse omgang met Leidenaren en familie. Frans en Engels hoorden ook tot het lespakket van vader. Dat onderwijs werd ondersteund door de veelvuldige muziekavonden in huize Schlegel. Over en weer bezochten hun ouders en hun Leidse vriendenkring elkaar, daarnaast was er het frequente bezoek van geleerden. Het verzoek aan huisvriend Hoffmann was Gustavs persoonlijk initiatief, hij had er zijn ouders niet in gekend. Hoffmann waardeerde

Vgl. dl. I, p. 100; idem, p. 119. H. Kern, ‘Levensbericht van J.J. Hoffmann’, Jaarboek KNAW 1878 (Amsterdam) pp. 1-21. www.dwc.knaw.nl/DL/levensberichten/PE00000889.pdf (12-2-2014) 349 350

161


de interesse van de jongen en had er plezier in hem de eerste beginselen van het Chinese karakterschrift te onderwijzen. In november 1849 begonnen de lessen.351 Spoedig bleek Gustav deze goed te kunnen volgen. Hij beschikte over een uitgesproken visueel geheugen en toonde een grote leergierigheid. Dat alles maakte het lesgeven voor de docent tot een plezier. De lessen gingen dan ook door, met medeweten en instemming van zijn ouders. Hij ging als elfjarige een jaar naar de burgerschool, het jaar daarop naar het gymnasium. Gustav herinnert zich dat zijn klasgenoten hem ‘de Chinees’ noemden. Thuisonderwijs en zijn Chinese lessen maakten hem uitzonderlijk. Hij was zijn leeftijdgenoten voor en liep het gevaar als buitenbeentje te worden beschouwd. Uit niets blijkt dat hij zich druk maakte over zijn uitzonderingspositie. Gustav omschreef deze ontwikkeling jaren later bij gelegenheid van zijn oratie in 1877 tot hoogleraar in de Chinese taal als volgt: De leerrijke gesprekken die ik als negenjarige knaap, zowel van hem als ook van dr. Von Siebold hoorde, wekten in hoge mate mijne lust op om de Chinese taal te leren kennen, en op zekeren dag, in de maand November van het jaar 1849, begaf ik mij, zonder mijne ouders iets daarvan te hebben medegedeeld, naar dr. Hoffmann en verzocht hem mij Chineesch te willen leeren. Met vriendelijkheid ontving den meester den knaap, en lust tot den zaak en het uitstekende onderwijs van den geliefde leermeester deden mij spoedig in de kennis van de Chineesche taal zoodanige vorderingen maken, dat dr. H. in November 1853 aan den Minister van Koloniën mededeeling daarvan deed en hem in overweging gaf mijne studiën te ondersteunen. Bij besluit van 17 Januari 1854 gaf de Minister aan dit voorstel gehoor door mij eene maandelijkse toelage toe te kennen, die mij in staat stelde het tijdrovende onderwijs op het stedelijke gymnasium door privaatlessen te vervangen en dus mij meer tijd voor de studie van de Chineesche taal overliet. 352

Iets meer dan een kwart eeuw had Gustav dan al de weg vervolgd waarvoor hij in november 1849 met zijn bezoek aan de professor de eerste stap had gezet. Deze curieuze loopbaan roept twee vragen op. Ten eerste naar de kindertijd van de jongen die zich wel erg vroeg overgaf aan een toekomst als tolk in een land ver weg van het huis aan de Vliet. Hij had daar het verlangen ontdekt dat achter hun geheimzinnige karakterschrift verborgen volk te leren kennen door te luisteren naar de verhalen die bezoekers aan het gezin vertelden. Gustav kwam al vroeg in de volwassenen wereld terecht, terwijl hij daar qua leeftijd nog lang niet thuis hoorde. Ten tweede

351 Vgl. G. Schlegel, Over het belang der Chineesche taalstudie. Redevoering bij de aanvaarding van het hoogleeraarsambt aan de Hoogeschool te Leiden, uitgesproken den 27sten October 1877 (Leiden, E.J. Brill, 1877) pp. 12-13. 352 idem, pp. 12-13.

162


is er de vraag naar de omstandigheden die deze ontwikkelingsgang van Gustav verklaren. Helaas kan over de eerste kwestie slechts worden gespeculeerd, omdat er in het bronnenmateriaal niet meer over wordt prijs gegeven dan dat zijn beroepsvorming op negenjarige leeftijd begon, tot verrassing van zijn leermeester en zijn ouders. Hoffmann werd door de regering uitgenodigd zijn opvattingen kenbaar te maken hoe te komen tot het in het leven roepen van een opleiding voor tolken in de Chinese taal. Het gouvernement wilde in Nederlands-IndiĂŤ beschikken over tolken ter ondersteuning en handhaving van hun rechtsorde. Het doel was beter greep te krijgen op de qua aantal aanzienlijke minderheid Chinese migranten. Zij kwamen voor het merendeel sedert jaar en dag uit het zuidoostelijk deel van China, met name uit de kustprovincies. Velen van hen bleven generaties lang in de kolonie wonen. Zij pasten zich aan maar behielden in vele opzichten ook hun eigenheid. De mannen huwden in groten getale inheemse vrouwen, ook van niet-Chinese afkomst, maar bleven hoe dan ook hun Chinese achtergrond trouw. Dat kwam tot uitdrukking in hun manier van leven. Centraal daarin stond de instandhouding van hun Chinese cultuur. Zij brachten daarom hun nakomelingen groot volgens de gewoonten en gebruiken van hun moederland. Het Nederlandse gouvernement liet hun status aparte in die zin toe dat zij vrijgelaten werden hun leven in te richten naar hun cultuur van herkomst. Hoewel het merendeel Maleis verstond, communiceerden zij onderling in hun moedertaal, die hun inheemse echtgenoten eveneens leerden spreken. Over het algemeen spraken zij nauwelijks Nederlands. De koloniale machthebbers gunden de Chinezen het toepassen van hun gewoonten waar het zaken van het gezins-, familie- en handelsrecht betrof, alsmede in de rituelen van religieuze aard naar Chinese modus. Tot 1855 vielen deze zaken nog onder het Indische recht, waarvan het familierecht was uitgezonderd omdat het tot het recht van beperkt zelfbestuur voor ingezetenen van Chinese herkomst werd gerekend.353 Vanaf dat jaar had het Koninkrijksgezag kennis van hun leefwijzen nodig om hen bij geschillen recht te doen. De omvang van de Chinese minderheid werd op 300.000 zielen geschat. Het landsbestuur meende door hen in hun landstaal te kunnen aanspreken beter zijn gezag tot uitvoering te kunnen brengen en te handhaven. Ingezien werd dat daarvoor tolken nodig waren. In een recente studie van Chen Menghong is een gedetailleerd beeld gegeven van het zelfbestuur van Chinezen in Batavia gedurende de periode 1843-1865. 354

353 Leonard BlussĂŠ & Floris Jan van Luyn, China en de Nederlanders; geschiedenis van de Nederlands-Chinese betrekkingen (1600-2007), (Zutphen, Walburg Pers 2008) p. 146. Vgl. P.G. von MĂśllendorff, Das Chinesische Familienrecht (Shanghai, zn. 1895). 354 Chen Menghong, De Chinese gemeenschap van Batavia, 1843-1865. Een onderzoek naar het Kong KoanArchief, academisch proefschrift (Leiden, 2009).

163


Hoffmann stelde op verzoek van de minister van Koloniën, Charles Ferdinand Pahud (18491856), voor om onder zijn leiding zulk een opleiding te organiseren.355 Hij lichtte toe dat het voldoen aan het verzoek de nodige implicaties met zich meebracht. Eerst moest de betekenis worden geleerd van de vele duizenden karakters van deze taal. Vervolgens diende men de uitspraak van deze klanktaal onder de knie te krijgen. Het gebrek aan goede woordenboeken was daarbij een verzwarende factor. Op het immense grondgebied dat tot China werd gerekend, woonden veel volkeren van te onderscheiden etnische stam. Er werden verschillende talen gesproken en enkele honderden dialecten. Hoewel meestal wel verwant, werden deze veelal door een andere uitspraak onderling in het geheel niet of gebrekkig verstaan. Een tolkenopleiding zou daarom aan deze heterogeniteit aandacht moeten besteden. Eerder had de Gouverneur Generaal van Nederlands-Indië voorgesteld twee tot drie Europese jongelieden te verbinden aan het Nederlandse consulaat in Kanton om de daar gesproken dialecten te leren spreken en te verstaan. Kanton lag immers in de streek vanwaar zich door de eeuwen heen de meeste emigranten in de kolonie gevestigd hadden. Hoffmann kon zich niet vinden in het voorstel van de GG. Hij achtte het doelmatiger een vierjarige opleiding aan te bieden voor vier of vijf jonge mensen. De meest geschikte leeftijd om deze taal te leren was tussen het dertiende en vijftiende jaar. Op die leeftijd kon gerekend worden op een optimale opbrengst aan taalkennis. Wanneer de eerste groep jongens drie jaar les had gehad, kon worden begonnen met een tweede groep, zodat de opleiding steeds kon zorgen voor voldoende nieuwe aanwas. In zijn advies aan de minister kwam Hoffmann met een verrassing: [Hoffmann wees vZ] op eene jongeling, zoon van dr. H. Schlegel te Leyden, die sedert eenige jaren lessen van hem ontvangen heeft in de Chineesche taal en daarin bijzondere vorderingen maakt. Hij geeft ter overweging om ten blijke van goedkeuring der Regeering, een zoo jeugdig talent, door eene geldelijke bijdrage te ondersteunen en aan te moedigen, en hem, zoodoende, in verpligting te brengen om zijne kundigheden, in de toekomst, uitsluitend ten dienste van het vaderland te wijden. 356

Gustav had al vier jaar studie achter de rug toen Hoffmann dit in 1854 schreef. Hij was toen al in staat Confucius te lezen. De minister verklaarde zich voorstander van dit idee ‘omdat daardoor wellicht eventueel zal zijn voorzien in eene opvolging van den heer Hoffmann, bijaldien

355 NL-HaNa, Ministerie van Koloniën 1850-1900, toegangsnummer 2.10.02, inv. nr. 309, 7-11 januari 1854, nr. 6, brief van J.J. Hoffmann tot het instellen van een tolkenopleiding, Leiden, 9 december 1853. 356 idem, toegangsnummer 2.10.02, inv. nr. 309, 7-11 januari 1854, nr. 6 brief van J.J. Hoffmann tot het instellen van een tolkenopleiding, Leiden, 9 december 1853.

164


hij om deze of gene reden, als Japanse translateur van het Nederlands Indische Gouvernement, mocht aftreden.’ Deze veronderstelling zou, zoals later zou blijken, hout snijden. De minister stelde aan de koning voor Gustav een toelage toe te kennen van vijfentwintig gulden per maand. Hoffman had in zijn brief aan de minister de zaak enigszins anders voorgesteld. Hij schreef: Gustav zou om naar de Hooge School te kunnen nog 5 ½ jaar moeten leeren op het gymnasium. Als dat onderwijs door privé leeraren wordt gegeven dan zal hij deze opleiding in drie jaar kunnen doen en zou hij tijd hebben voldoende Chinees onderricht te krijgen en tot de studie van de Japanse taal over kunnen gaan. 357

Hoffmann calculeerde de kosten van deze toelage op driehonderd gulden per jaar voor dagelijkse lessen in oude talen, in de mathesis en in de nieuwe talen, met name Engels en Frans. Voor de aankoop van boeken stelde hij tweehonderd gulden voor, zodat jaarlijks vijfhonderd gulden nodig was. In de kantlijn van deze brief krabbelde de minister: ‘300 gulden is wel genoeg!’ Hij had tolken nodig in de kolonie en Japans leren was voor hem niet interessant. En zo gebeurde. De minister stelde de koning voor aan dit plan goedkeuring te verlenen. De kosten konden ten laste van de Indische begroting worden gebracht. De koning stemde per kerende post met het voorstel in.358 Met deze autorisatie kon Hoffmann aan de slag. Zelf schreef Gustav over zijn leerweg in de schets van zijn leven die bijgevoegd was bij de aanvrage voor zijn promotie in 1869: Der Universitätsprofessor Dr. J. Hoffmann gab mir vom 9. bis 17. Lebensjahre wöchentlich zweimal Unterricht in Chinesisch. Da mir aber das Gymnasium zu wenig Zeit für das Studium der chinesischen Sprache ließ, ging ich von der Schule ab, nahm Privatstunden in den Alten Sprachen und in der Mathematik. Die übrigen Fächer des Gymnasiums trieb ich selbständig. Nach gut bestandenem Examen wurde ich am 19.9.1857 von der Leidener Universität als Student angenommen. Da bekam ich von den Regierung ein jährliches Stipendium von 300 Gulden, um

357 idem, toegangsnummer 2.10.02, inv. nr. 309, 7-11 januari 1854, nr. 6 bijlage 4, brief van J.J. Hoffmann tot het instellen van een tolkenopleiding, Leiden, 9 december 1853. 358 NL-HaNa, Ministerie van Koloniën 1850-1900, toegangsnummer 2.10.02, inv. nr. 309, 7- 11 januari 1854, nr. 6. 1ste Brief aan de Koning van de Gouverneur Generaal Nederlands-Indië nr. 570/3, nr. 27 dd. 18 september 1835. 2e bijlage brief van de wnd. Directeur-Generaal Ministerie van Koloniën van 25 november 1853, nr. 945. 3e bijlage brief J.J. Hoffmann translateur van het land van Nederlandsch-Indië te Leyden dd. 12 dec. 1853, nr. 15. 4e bijlage brief J.J. Hoffmann, Leyden 9 januari 1854.

165


die chinesische Sprache an der Quelle selbst zu studieren. Ich müßte aber versprechen, nach Abschluß dieser Studien in den Dienst der Regierung zu treten. 359

Gustavs naam komt voor in het herdenkingsboek van het Leidse Gymnasium, voorzien van een sterretje dat staat voor schoolbezoek zonder diploma. 360 In hoeverre Hoffmann Hermann Schlegel bij deze plannen heeft betrokken is onbekend. In hoeverre beiden aan Gustav hebben duidelijk gemaakt wat van hem verwacht werd in ruil voor het maken van tempo is onduidelijk. Het zou neerkomen op een langjarige verplichting om de investering in zijn opleiding door de overheid terug te betalen. Feit is dat Gustav in dit traject mee moest en dat hij dat ook deed. De beweegreden de slimme jongeman als tolk aan zich te binden voor de toekomst, zelfs de mogelijkheid open te houden dat hij later Hoffmann’s plaats zou kunnen innemen als diens opvolger voor de opleiding, maakte de overeenkomst voor de overheid aantrekkelijk tegen relatief geringe kosten. Gustav kwam terecht in een project dat het overheidsbelang diende, maar betwijfeld kan worden of het voor zijn persoonlijke ontwikkeling gunstig was weer terug te vallen op privéonderwijs dat zou eindigen in de functie van tolk in dienst van het gouvernement. Ervan uit gaande dat zijn fascinatie voor de Chinese taal onverminderd bleef, lijkt deze weg in meer dan één opzicht op de keuze die zijn vader eerder maakte voor diens toekomst. Als oudste in het gezin in Altenburg was Hermann gedurende zijn kinderjaren op vergelijkbare wijze weinig met leeftijdgenoten in aanraking gekomen. Daarentegen had hij veel contact met geestverwanten die betekenis voor hem konden of zouden kunnen hebben in relatie tot het opdoen van kennis over natuurlijke historie. Voor zover er sprake was van andere kinderen was dat, zoals eerder al beschreven, in een ondergeschikte rol, bijvoorbeeld als handlanger of hulpje. Uit zijn schooltijd noemde Hermann slechts twee namen van in zijn ogen bewonderenswaardig presterende klasgenoten, onder vermelding van de reden, die strikt prestatiegelieerd was. Hase onderscheidde zich als kerkdienaar, Förster werd een beroemd ‘wetenschappelijk’ kunstenaar. Opvallend was dat beiden al van school waren toen Hermann leerling werd. 361 Als gevolg van de nadruk op zijn beroepsopleiding vertrok Gustav van het gymnasium in ruil voor privélessen in de hiervoor genoemde vakken en hij trad toe tot het klasje van Hoffmann. Naast hem namen

Franz Thierfelder, ‘Hermann Schlegel’ in Abhandlungen und Berichte des Naturkundlichen Museums „Mauritianum“ Altenburg, Band 3, 1963, aldaar pp. 59-61 en noot 15 p. 62 Aktenband vom Universitätsarchiv Jena, Phil. Fakultät. Dekanats-Akten von Snell. Sommersemester 1869, Bestand M 408. 360 A.M. Coebergh van den Braak, Meer dan zes eeuwen Leids Gymnasium, herziene tot 1997 bijgewerkte uitgave, 2e editie (Leiden, zn. 1997). 361 G. Schlegel, Levensschets van Hermann Schlegel. Aangeboden door Dr. G. Schlegel te Leiden. Overgedrukt uit het Jaarboek der Koninklijke Akademie van Wetenschappen 1884 (Amsterdam, Johannes Müller), p. 11. 359

166


J.J.C. Francken en M. Schaalje, beiden leeftijdgenoten, daaraan deel en de militair apotheker C.F.M. de Grijs die een stuk ouder was dan de jongens. De Grijs werd voorbereid om zich in China bezig te houden met het verzamelen en beschrijven van botanisch materiaal met als standplaats het Consulaat van het Koninkrijk der Nederlanden in Kanton. Hij zou in China worden belast met het toezicht op de élèves, zoals de jongens genoemd werden. Over hun onderlinge samenwerking tijdens de opleidingsjaren is nauwelijks iets bekend. Ze namen deel aan de lessen, maar hoe zij elkaar waardeerden en of zij buiten de lessen met elkaar omgingen is onbekend. In ieder geval had Gustav het drukker dan zijn medestudenten omdat hij ook een lesprogramma volgde buiten het klasje. Op eigen initiatief volgde hij bovendien nog lessen in astronomie bij huisvriend Kaiser. In het groepje nam hij een bijzondere positie in. Zoals Hermann zijn sociale netwerk organiseerde op basis van functionele motieven, zo maakte ook Gustav de indruk aan functionele contacten met een even instrumenteel karakter de voorkeur te geven. Dat zou zo blijven. Was de impressie van het jongetje Hermann er één van een op zijn eigen wereld gefixeerd kind, bij Gustav was dat niet veel anders. Beiden volgden levenslang hun persoonlijke belangstelling. Zij was voor beiden bepalend met wie zij omgingen, niet zelden waren dat personen ouder tot veel ouder dan zijzelf. In het klasje élèves gingen de lessen drie jaren lang voort en er werd stevig gewerkt. Hoffmann kreeg in 1855 bij KB de titel van professor.362 In 1857 kon Hoffman aan de minister van Koloniën laten weten dat het onderwijs aan zijn leerlingen succesvol verliep. Hij rapporteerde dat Gustav, toen net zestien en een halfjaar oud, met de studie Chinees klaar was, en dat hij gereed was om zich in te schrijven aan de universiteit ‘om een vak te kiezen waarin hij op rijpere leeftijd zou kunnen promoveren.’ Hieruit blijkt dat Hoffmann diens opleiding nog niet voltooid achtte. Er zouden, zo leek het plan, nog vier leerjaren volgen voor een academische studie. Echter na overleg met de ouders van Gustav had Hoffmann hen aangeraden toestemming te geven Gustav naar China te zenden voor het vervolmaken van zijn opleiding tot tolk om in de daar gesproken talen te worden onderwezen door plaatselijke leraren. Zijn ouders hadden daarmee ingestemd. Het betrof het Hokkian en het Hakka dialect. Zonder die praktijkervaring zouden de élèves niet in staat zijn de uit zuidoost China afkomstige immigranten in Nederlands Oost-Indië te verstaan. Hoffmann typeerde Gustav in zijn rapportage aan de minister van Koloniën als een zeer goede leerling:

362

G. Schlegel, Over het belang der Chineesche taalstudie, p. 12.

167


Zijne liefde voor den Chineesche taal, de aanleg, de ijver en vlugheid, die hij voortdurend in hare beoefening aan den dag legt, strekken tot waarborg, dat hij in den omgang met Chinezen deze taal ten volle meester zal worden. In de nieuwen talen Fransch en Engels, is hij zeer te huis en met betrekking tot algemene kundigheden ontwikkeld. 363

J.J.C. Francken, Gustavs achttienjarige klasgenoot, genoot eveneens de lof van Hoffmann. Ook hij werd toegelaten tot de universiteit. Het laatste jaar legde hij zich bovendien toe op de botanie bij professor W.F.R. Suringar. De derde leerling was Maurits Schaalje, evenals Gustav zestien en een halfjaar oud. Hij was nog niet zover als beide anderen, op grond waarvan Hoffmann adviseerde hem nog een jaar langer te onderwijzen, vooral om zijn gevoeligheid voor etymologische interpretaties van teksten verder te verdiepen. Hij zou met dat doel voor ogen nog een jaar Latijn kunnen leren. Over de apotheker 3e klasse C.F.M. de Grijs vermeldt Hoffmann dat hij hem op weg had geholpen enigszins thuis te raken in de Chinese taal. Daarnaast had deze zich enkele maanden georiënteerd op de natuurlijke historie in het ’s Rijks Museum van Natuurlijke Historie. Voor de minister van Koloniën was de uitkomst duidelijk. Hij wilde niet horen van uitstel van uitzending naar Oost-Indië, omdat er nog een vervolgstudie wachtte in China zelf, alvorens zij effectief als tolken in de kolonie konden optreden. Hun verblijf in China was voor kosten en verantwoordelijkheid van het gouvernement in Nederlands-Indië. De minister van Koloniën bracht de GG aldaar op de hoogte.’De heren G. Schlegel en J.J.C. Francken zullen overeenkomstig de afspraken met toekenning van vrij transport naar Batavia reizen als gouvernementspassagiers der eerste klasse onder het genot van scheepsvoeding.’ De kosten voor de extra kajuittafel zou, als ze daarvan gebruik wilden maken, voor hun eigen rekening komen. Voor hun uitrusting stond 600 gulden per persoon ter beschikking die ten laste kwamen van de koloniale fondsen. De gratificatie zou worden uitbetaald na vertrek van het schip. De maandelijkse tegemoetkoming van Gustav verviel op de laatste dag van de maand waarin het schip vertrok.364 De minister wilde niet wachten met het uitzenden van de élèves-translateurs vanwege de op dat moment gespannen politieke situatie in de wateren van zuidoost China. Er woedde een conflict tussen Franse en Engelse troepen in de regio en het Keizerrijk. Inzet van de strijd was het vrijgeven van de havens langs de kust om hun handelswaar af te zetten, hetgeen

363 NL-HaNa, Ministerie van Koloniën 1850-1900, toegangsnummer 2.10.02, inv. nr. 613, 16 juni 1857, nr. 1, lett. A 1/662. Bijlage brief aan Z.E. de GG. van Nederlands-Indië van 21 april 1856, lett. A, nr. 19/373, waarin bijgesloten de brief van prof. dr. J.J. Hoffmann aan de GG. van Nederlands-Indië van 26 september 1856, nr. 704 a/z met bijlage brief van J.J. Hoffmann van 31 januari 1857, nr. 8, betreffende Gustav Schlegel, J.J.C. Francken en Maurits Schaalje. 364 NL-HaNa, toegang 2.10.02, Minister van Koloniën 1850-1900, inv. nr. 613, juni 15-17, Letter A 1/662 nr. 1, 16 juni 1857.

168


de Chinese regering juist wilde voorkomen. Het beleid van de regering van het Keizerrijk was slechts enkele havens aan hun lange kustlijn open te stellen voor schepen ‘van de barbaren’ voor de import van goederen die de Chinese samenleving nodig hadden en voor afzet van binnenlandse producten. Een belangrijk motief daarvoor was de handel in opium te bemoeilijken. Het gebruik van dit narcoticum was in heel China uitgegroeid tot een verontrustend verslavingsprobleem. Het onderwijs van Hoffmann was gebaseerd op de taal die in de omgeving van de hoofdstad Peking werd gesproken. Dit had zich gaandeweg ontwikkeld tot de bestuurstaal van het rijk. De opleiding van bestuursambtenaren en intellectuelen kende als afronding een door de overheid geregisseerd staatsexamen. Geslaagden voor dit examen waren bestemd voor functies in het overheidsbestuur en de wetenschap. Daar waren de meest begeerde functies te verwerven. Hoffmann was van mening dat deze taal het eerst moest worden geleerd om pas daarna zich de dialecten eigen te maken die nodig waren om met Chinezen in Indië te kunnen communiceren. Bovendien sprak hij die dialecten zelf niet. Zijn onderwijs was er op gericht de schatten bereikbaar te maken van de Chinese cultuur, haar literatuur, geschiedenis en gewoonten. Zij moesten de dialecten leren spreken die in de provincie Fukien werden gesproken, het Hokkian en Hakka. Deze dialecten hadden overeenkomsten, maar gebruikers van het ene dialect verstonden het andere niet en vice versa. Dat was de reden de élèves eerst naar Kanton en Amoy te sturen om aldaar deze dialecten van plaatselijke onderwijzers te leren. Hiervoor werd vier jaar uitgetrokken. Zij zouden gedurende die opleiding een woordenboek moeten samenstellen, zodat latere aspirant- tolken daarmee geholpen zouden zijn. Een beeld van hun opleiding Johann Joseph Hoffmann werd in Würzburg geboren in 1805.365 Hij studeerde filologie. Hij had bijzondere belangstelling voor de toonkunst en beschikte over een prachtige stem. Hij vond in eerste instantie tussen 1825 en 1830 een werkkring als toneelspeler. Hij was de opera zeer toegedaan. Hij wilde zich in de Nederlanden vestigen in de verwachting daar werk te vinden als taalkundige. Bij toeval ontmoette hij Von Siebold in Antwerpen die hem voorstelde met hem naar Leiden te reizen om hem te helpen met het ordenen van zijn uitgebreide verzameling natuurhistorische en etnografische voorwerpen, verzameld in Japan en Oost-Indië. Von Siebold had uit Batavia een kundige Chinese schrijver meegenomen, die Maleis sprak. Via deze Ko-

365

H. Kern, Levensbericht J.J. Hoffmann in: Jaarboek 1878 van KNAW, pp. 1-20, aldaar pp. 2-3.

169


tsing-tsang zette Hoffmann de eerste stappen in het leren ontcijferen van Chinese karakters. Hij gebruikte daarvoor de Chinese grammatica geschreven door Jean Pierre Abel Rémusat (17881832).366 Von Siebold droeg hem op hem te helpen Japanse teksten te vertalen ten behoeve van zijn Nippon-Archief. Ko-tsing-tsang kalligrafeerde de Chinese karakters op steen, zodat deze konden worden afgedrukt. Hoffmann moest met beperkt ondersteunend materiaal aan de slag. In Leiden had hij contact met aan de universiteit verbonden filologen. Daarnaast zocht hij contact met taalkundigen in de Chinese en Japanse taal in Europa die elkaar kenden en als vraagbaak konden dienen. Jarenlang bestudeerde hij de Japanse taal. Helaas werd de samenwerking met Von Siebold zo slecht dat Hoffmann overwoog met het werk waarmee hij intussen al meer dan vijftien jaar bezig was, te stoppen. Gelet op het zachtmoedige karakter van Hoffmann is de krachtdadige en bazige Von Siebold waarschijnlijk de oorzaak van de onderlinge verwijdering. Dankzij Hoffmanns connecties onder taalkundigen in Europa diende zich een oplossing aan in de vorm van een aanstelling als hoogleraar aan het Kings College in Londen. Met een bezwaard hart wilde hij het aanbod accepteren, maar was intussen zo ingenomen met zijn Leidse inburgering dat een mogelijk emplooi in Londen voor hem toch tweede keus was. Zijn redding was de minister van Koloniën, J.C. Baud (1848-1849). Deze was erover geïnformeerd dat de enige Nederlandse filoloog in de Japanse taal voor ons land dreigde verloren te gaan. Hoffmann werd aangesteld als ambtenaar in rijksdienst met een jaarwedde van 1800 gulden. Deze actie had tot gevolg dat hij met zijn werk kon doorgaan, los van Von Siebold als broodheer. De spijt die hij had gevoeld na zoveel jaar uit Leiden te moeten vertrekken kwam mede voort uit zijn sociale contacten in de stad. Het is tevens te duiden als een gevoel van gebondenheid aan zijn Leidse leefomgeving dat hem in de nabijheid hield van vakgenoten aan de Leidse universiteit. Hij was ook opgenomen in het sociale weefsel van de stad. Een kattebelletje van Von Siebold aan Hermann Schlegel tekent diens beschikkingsmacht over Hoffmann. Deze schreef: Herr Hoffmann vraagt mij hem te verontschuldigen, dat hij uw besloten concert niet heeft kunnen bijwonen, omdat ik hem daarvan afhield, vanwege dringende arbeid. Neem zijn verontschuldiging aan dat hij daaraan geen schuld heeft. 367

Beiden waren bevriend met de Schlegels, namen deel aan hun soirees en muziekavonden. Toen Gustav de huisvriend opzocht in 1849 was Hoffmann al uit de gevarenzone en had hij afscheid

366 Jean Pierre Rémusat, Eléments de la grammaire chinoise, ou principes généreux du Kou-wen ou style antique, et du Kouan-hoa, c’est-à-dire, de la langue commune généralement usitée dans l’empire chinois (Paris, Imprimerie Royale 1822). 367 UBL Westerse Handschriften, BPL 2742, brieven VAN Philip Franz Balthazar von Siebold (1835-1849) AAN Hermann Schlegel, brief. nr. 12, zp, zd. Mittwoch.

170


kunnen nemen van Von Siebold. Gustav is vanaf 1849 met Hoffmann, voor wie hij grote bewondering had, verbonden geweest en gebleven. Interessant is dat de tolkenopleiding in Leiden verre van een gespreid bed was. De studenten leerden te werken met het weinige documentatiemateriaal dat voorhanden was. Veel studiemateriaal verscheen in het Frans, Engels en Duits. De sinologen waren in het westen gering in getal en iedereen kende elkaar. Door gebruik te maken van elkaars studies leerden zij de weg kennen in de uiteenlopende uitspraakadviezen die de Chinese karakters in teksten kregen, naargelang de taal waarin ze waren overgezet. Het veroveren van de Chinese taal en cultuur gaf een verbondenheid tussen docent en studenten. In 1855 werd de waardering voor de leermeester uitgedrukt in diens benoeming tot honorair hoogleraar aan de Leidse universiteit. Hoffmann heeft zich voor de tolkentraining volledig ingezet, al bleef zijn onderzoekswerk als filoloog in de Japanse taal en cultuur zijn persoonlijk onderzoeksdomein. Taalverwantschap tussen het Chinees en Japans en overeenkomst in het gebruikte karakterschrift maakte mogelijk deze talen beide te bestuderen. Later zal blijken dat tussen de publicaties van Gustav en Hoffmann overeenkomsten zijn aan te wijzen, waarnaar Gustav dikwijls met instemming verwees en met een mildheid die, in vergelijking met diens kritische benadering van collega’s in het taalkundige debat, de diepe vriendschap tussen beiden als achtergrond heeft. Hoffmanns biograaf citeert uit de necrologie die Gustav over zijn leermeester schreef. Hoffmann was one of the most modest and unpretending of scholars, an enemy of all ostentation; never boasting of his accomplishments, and always ready to put aside his own work in order to aid his disciples.368

Hoffmann genoot ook ten volle de medewerking van de Koninklijke Academie. Hem moet een ander belangrijk initiatief worden toegeschreven met verstrekkende gevolgen voor de studie van de Chinese taal. Voor de ontwikkeling van deze studie was het noodzakelijk te beschikken over matrijzen met Chinese karakters om drukwerk te verzorgen van onderzoeksresultaten, te presenteren in het Nederlands en in het Chinees. Met medewerking van de overheid kon hij door bemiddeling van C.F.M. de Grijs de letterkast met Chinese karakters kopen van de London Mission Printing Office te Hongkong. De investering bedroeg 12.046 guldens.369 Dit is de basis

H. Kern, Levensbericht, p.12. Kern verwijst naar het Tijdschrift Atheneum, dd. 9 februari (1878, zn, zp.). J. Hoffmann, Mededeeling van J. Hoffmann aangaande de Chineesche matrijzen en drukletters, krachtens magtiging van Z.M. de Koning en op last van den Hooggeleerde, translateur van het Nederlandsch-Indisch Gouvernement voor de Japansche en Chinesche talen, dr. J. Hoffmann, uitgegeven door de Koninklijke Academie van Wetenschappen (Amsterdam, C.G. van der Post 1860). 368 369

171


voor het in druk verspreiden van Chinese teksten in Europa die de bestudering van de taal en cultuur van China sterk bevorderen zal. Nergens anders was dit in Europa mogelijk! In 1890 zou Gustav de eindredactie voeren van het ook nu nog bij de uitgeverij Brill te Leiden verschijnende zeer gerespecteerde periodiek T’oung pao (in vertaling Mededelingen) dat verderop wordt besproken. De kern van de opleiding was gebaseerd op het leren van de Chinese karakters en het lezen van teksten in het klassieke Chinees. Ook het schrijven van de karakters maakte onderdeel uit van de opleiding. Het kalligraferen van de letters volgens de Chinese traditie zou tijdens de leertijd in China aandacht krijgen. Vanzelfsprekend werd in de lessen aandacht geschonken aan de rijke geschiedenis van Europese bemoeienis met China, in het bijzonder die van Nederland. De studenten gebruikten bestaande bronnen van Europese onderzoekers die het land hadden bereisd of er langere tijd verbleven en in ieder geval de studie van de Chinese taal als specialisme beoefenden. Gedegen kennis van de ‘nieuwe talen’, waarmee Frans en Engels werden aangeduid, was noodzakelijk. Het is een gegeven dat het transcriberen van Chinese teksten in het Romeinse schrift volgens de schrijfwijze van de uitspraakklanken in de taal van de vertaler tot een schrijfwijze leidde die per taal verschillend is. Dit luisterde nauw omdat het Chinees een klanktaal is waar de klankaccenten bepalend zijn voor de betekenis van het karakter, zoals eerder werd opgemerkt. Langdurige oefening in de juiste klankaccenten was wezenlijk voor de verstaanbaarheid en het juist kunnen vertalen van gesproken tekst. Het Chinees kent geen alfabet. De betekenis van een karakter kan alleen worden begrepen als men het beeld waarvoor het staat kent en als het zinsverband sturing geeft aan de betekenis door interpretatie. Elke taal kent het moduleren van klanken in relatie met de betekenis van een mededeling, maar het Chinees in het bijzonder, omdat niet alleen modulatie maar ook betekenis op meer indringende wijze bepalend is dan doorgaans het geval is. De studenten leerden gebruik te maken van al het beschikbare materiaal variërend van grammatica’s, woordenboeken, filologische verhandelingen en teksten. Hierin had de kleine groep Europese specialisten een belangrijk aandeel. Men kende elkaars werk en gebruikte dat ook. Volgens de emeritus hoogleraar Europese en Aziatische relaties Leonard Blussé (van Oud Alblas) waren de belangrijkste onder hen Robert Morrison, Walter Medhurst, Karl Gützlaff en Harry S. Parker.370 Resteert nog de vraag waarom in Nederlands-Indië zelf geen Chinezen konden worden gevonden om in dienst van het Gouvernement tolken op te leiden. Die discussie werd wel gevoerd, 370

L. Blussé, ‘Of hewers of wood and drawers of water: Leiden University's early Sinologists (1835-1911)’ in: W. Otterspeer ed., Leiden Oriental connections 1850-1940 (Leiden, E.J. Brill/ Universitaire Pers) pp. 317-354, aldaar p. 327.

172


maar ontmoette specifieke moeilijkheden. Het aantal Europeanen in Oost-Indië dat een dergelijke opleiding ambieerde was gering, de meesten gingen voortijdig naar Nederland om daar te studeren. De Chinezen zelf lieten uit China onderwijzers komen om hun kinderen te onderwijzen in de cultuur van het Chinese volk. Hen werd geleerd zich Chinees te gedragen en te voelen. Het ging daarbij om overdracht van de Chinese cultuur, het gezinsleven, de voorouderritus, de godsdienstige concepten en dergelijke. De meeste migranten uit China behoorden tot de laaggeschoolden, al was er ook binnen deze gemeenschappen over generaties wel sprake van sociale stijging. Wat hetzelfde bleef was het koesteren van hun identiteit tegenover alle anderen die ondergebracht waren in de categorie ‘barbaren’. Hun onderwijs in Nederlands-Indië door in China opgeleid onderwijzers had niet tot doel hun kinderen op te leiden voor een beroep, dat deden hun ouders zelf wel, daar het merendeel werd ingeschakeld bij het werk van hun ouders. Het was de regering eerder gelukt twee in Nederlands-Indië geboren jongemannen na hun taalstudie in Batavia naar Kanton te sturen om zich aldaar onder de regie van het Nederlandse Consulaat te bekwamen in de dialecten van het zuidoosten van China. Het waren J.C. Albrecht en M. von Faber die later met Gustav zouden samenwerken. Ook Gustav zelf zou in Batavia betrokken worden bij een opleiding voor tolken, zoals in het vervolg zal blijken. Vertrek uit Nederland Het afscheid van Gustav liet het gezin niet onberoerd. Hermann en Cornelia voelden de afwezigheid van Gustav als een pijnlijke periode in hun leven. Zus en broer moesten wennen aan de lege plaats in het gezin. Zijn vertrek en afwezigheid hadden zij ervaren als een verdrietige en zorgelijke aangelegenheid. Bij het vertrek van Leander vier jaar later naar Leipzig schreef zijn vader in de eerste brief daags na diens vertrek hoe het voelde. ‘Deine Abreise hat die alten, zwar vernarbten, aber nicht geheilten Wunden, die mir mit den Abschied van Gustav schlug wieder aufgerissen.’371 Er zou een trouwe en langdurige correspondentie worden gevoerd tussen Hermann en Gustav uit voortkomen die helaas, voor zover bekend, niet bewaard is gebleven. Vanaf het vertrek in 1857 tot de terugkeer in 1872 bleef dit zo op het ritme van de mailboot van en naar Azië. In 1862 telde Hermann al meer dan 200 brieven van Gustav!

372

In vaders

brieven aan Leander tussen 1861 en 1863, die wel bewaard zijn gebleven, wordt ook gerefereerd aan het wel en wee van Gustav. De dames in het gezin zullen in afwachting van het vertrek van

371 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brief VAN H. Schlegel AAN L.Schlegel, orthografische tekst, kenmerk 1861 07 08 van 8 juli 1861, p. 1. 372 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brief VAN H. Schlegel AAN L.Schlegel, orthografische tekst, kenmerk 1862 07 30, van 30 juli 1862, p. 4.

173


Gustav met zijn kleding bezig zijn geweest. Hermann zelf had de taak Gustav te instrueren wat het Museum van hem aan natuurhistorische voorwerpen zou willen ontvangen. Eerst uit China, daarna uit Nederlands-Indië. Die instructie bleek effectief, gemeten aan de zendingen die Gustav uit China verscheepte. Hij kreeg van zijn vader een boek mee, geschreven door Charles Darwin. Vermoedelijk moet het een uitgave zijn geweest van The voyage of the Beagle uit 1839, samengesteld door haar kapitein Robert Fitzroy, waarvan het derde deel ook onder de naam van Darwin zelf in 1839 verscheen als een op zichzelf staande uitgave.373 Gustav was voldoende thuis in de jacht en de instructie van zijn vader leidde tot een grondige handleiding hoe te verzamelen. Zijn vader was, zoals opgemerkt, in dit opzicht perfectionistisch, zeer geoefend in het op afstand instructies geven aan verzamelaars, hen voorzien van gedegen informatie en in het leveren van commentaar op de kwaliteit van de uiteindelijk toegestuurde specimen. Gustav zegde zijn medewerking toe. Hij wilde zijn vader graag aan een nieuwe bron van natuurhistorische voorwerpen helpen. Op 16 juni 1857 kreeg Gustav zijn aanstelling bij het gouvernement in Nederlands OostIndië, tegelijk met Johannes Francken en Maurits Schaalje als élèves voor de Chinese taal. Laatstgenoemde zou pas een jaar later de overtocht maken.374 Ingescheept werd op de bark Commissaris des Konings Van der Heim, onder gezagvoerder A. Hoogstraaten. Het schip lichtte de ankers op 24 oktober 1857. Gustav was net een maand zeventien jaar oud. Op 5 februari 1858 bereikte het schip, na de ronding van Kaap de Goede Hoop, Batavia. Na oponthoud in Batavia reisden zij naar Hongkong. Vervolgens na enige tijd verder naar Macao. Daar moesten zij nog wachten op een schip naar hun eindbestemming, de havenstad Amoy. Zij ontscheepten er op de eerste juni. Zij meldden zich bij De Grijs, die inmiddels vice-consul was. Hij was belast met het toezicht op de élèves. Gustav had de tussenstop in Hongkong aangegrepen om de beroemde sinoloog, James Legge (1815-1897) te ontmoeten, die hij uit diens publicaties kende. Deze eminente geleerde had zichzelf in de leeszaal van het Londense British Museum de eerste beginselen van het Chinees bijgebracht. Hij reisde daarna naar Malacca en vestigde zich in 1842 in Hongkong. Voor Gustav was Legge een rolmodel met wie hij tot diens dood in regelmatig briefcontact bleef. Hij verwees hiernaar in de necrologie die hij na het overlijden van Legge schreef.375

373 Charles Darwin, ‘Journal and remarks, 1832-1836’ in: Robert Fitzroy, Narrative of the surveying voyages of His Majesty’s ships Adventure and Beagle, between the years 1826 and 1836: describing their examination of the southern shores of South America, and the Beagles circumnavigation of the globe, vol. III (London, H. Colburn, 1839, separate copy 1839). 374 NL-HaNa, toegang nr. 2.10.02, Ministerie van Koloniën 1850-1900, Stamboek M, A 905. 375 G. Schlegel, ‘Nécrologie James Legge’, T’oung pao, jrg. IX 1898, pp. 59-64.

174


Studie in Amoy van 1 juni 1858 - 7 juli 1861 Op Gustav en Johannes Francken maakte de havenstad een rommelige indruk door de structuurloze opeenhoping van nauwe straten en stegen. Het was er vuil en rumoerig door alle activiteiten gerelateerd aan de haven. Er waren veel gelegenheden voor vermaak van passanten en een imponerend aantal bordelen. Verder hotels en gasthuizen waar avonturiers verbleven, onder wie veel sjofele koelies. Zij waren in afwachting van een gelegenheid te kunnen uitzeilen naar een plaats ergens in het eilandenrijk waar zij emplooi dachten te vinden. Chinese handelaren moesten hun koopwaar ophalen of brengen. Welgestelde passagiers die in het achterland zaken deden, doodden er hun tijd met wachten op het schip dat hen verder moest vervoeren. Amoy was één van de vier havens die sedert 1842 waren aangewezen als plaatsen waar koopvaardijschepen van buiten China met hun handelswaar konden binnenlopen om hun goederen te lossen en nieuwe lading in te nemen voor verder transport over de wereldzeeën. In een ver verleden onder de Song Dynasty (960-1279), was Amoy al een haven waar schepen van buiten het Keizerrijk mochten binnenlopen. In 1387 was onder de Ming Dynasty (1368-1644) het fort gebouwd dat de jongemannen gingen bekijken, zoals ze alles observeerden wat zij tegenkwamen, veelal zonder te kunnen verklaren wat zij zagen. Enige achtergronden leerden zij kennen via De Grijs en via ontmoetingen met Europeanen. Ze verkenden de bezienswaardigheden zoals de tempels, de Chinese architectuur en de sporen van westerse bouwsels, waaronder kerken van christelijke zendingsorganisaties. Al in 1541 was Amoy een bekende haven voor schepen onder Portugese vlag. Na het doorbreken van de hegemonie van de Portugezen waren het de VOCvloot en schepen uit andere Europese landen, met name Engeland en Frankrijk, die handel wilden drijven. Vooral thee werd als handelswaar geëxporteerd. Het Chinese woord ‘Thia’ voor de blaadjes van de theestruik kwam in het westen terecht als leenwoord uit het Hokkian dialect.376 Ook andere handelswaar vond haar weg buiten het keizerrijk, of werd verscheept over zee naar andere plaatsen in het grote rijk. Thee was een ‘streekproduct’ van het subtropische klimaat in het zuiden en had Europa veroverd. China had een heel lange kustlijn en had zich ingespannen de import uit westerse landen aan banden te leggen, in ieder geval te proberen die onder strikte controle te houden. Dat gebeurde van oudsher door een tribuutsysteem in te voeren dat onder voorwaarden ontheffing van het invoerverbod verleende in ruil voor het betalen van een schatting aan de heerser. Deze geslotenheid probeerden westerse landen juist te doorbreken,

376

G. Schlegel, ‘First introductions of Tea into Holland’, T’oung pao, jrg. 1900, pp. 468-472.

175


vanwege het beginsel dat de zee van iedereen is en het niet aangaat de in het zeerecht vastgelegde regels ter regulering van het verkeer over zeeën naar de willekeur van een staat aan te passen om handel te beletten. Sommige westerse landen sloegen de handen ineen om dit beginsel van vrijhandel desnoods gewapenderhand af te dwingen. De élèves zouden met dit gegeven in aanraking komen. Westerse landen waaronder Engeland, Frankrijk en Nederland bezaten koloniale bezittingen in de regio die zij als pleisterplaats gebruikten voor het van daaruit slijten van hun handelswaar op de Chinese markt. Het meest lucratieve, zo had Hoffmann al voorgehouden in zijn lessen, was de handel in thee en opium, die in grote hoeveelheden door schepen onder Franse en Engelse vlag werd afgeleverd. De opium had zoveel verslaafden opgeleverd, dat dit door de keizerlijke overheid als een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid werd gezien. De verwoestende werking van deze drug werd steeds duidelijker zichtbaar in de samenleving. In het westen werd de handel vanwege de grote winsten die ermee te behalen vielen gezien als lucratief. Het werd ook gezien als een schadelijke behoefte van de Chinezen, zeker, maar ook dat deze niet van het gevaarlijke goedje konden afblijven. Dat ‘niet zonder kunnen’ werd de legitimering de hopeloos verslaafden er dan maar in tegemoet te komen. Daarbij nam het wederrechtelijk verkrijgen van middelen om de drugs te kopen of deze te stelen toe. Het verstoorde de openbare orde en veroorzaakte een toename van criminaliteit. Bovendien werd de mogelijkheid voor de verslaafden om geld te verdienen gereduceerd, zodat zij vervielen in een schimmig bestaan waarin alleen plaats was voor de verdoving. De overheid trof maatregelen het bezit van en de handel in opium strafbaar te stellen, maar zonder veel resultaat. Uit protest tegen deze maatregelen probeerden Engeland en Frankrijk als handelsnaties met geweld toegang tot de Chinese havens te krijgen. Voor hen was de Chinese markt groter dan de levering van opium en de export van thee naar Europa. Deze strijd mondde uit in de Opiumoorlog van 1842, die eindigde met het verdrag van Nanjing in augustus van dat jaar. Het bleef echter onrustig in de regio en op zee. Wel was het doel van de westerse mogendheden bereikt toegang tot enkele havens te verkrijgen om de Chinese markt van producten te voorzien die in China niet voorhanden waren. Deze oorlog, die gekenmerkt werd door een kat en muisspel van incidenten en gewelddadig treffen, was met de overeenkomst van Nanjing niet werkelijk voorbij. De sfeer in de stad was bijgevolg vreemdeling-onvriendelijk. Franse en Engelse oorlogsschepen vertoonden in de Chinese zee voortdurend hun macht, hetgeen regelmatig tot schermutselingen en andere vijandigheden leidde en dus voor last en onveiligheid zorgde. De beide jongemannen werden gehuisvest op een klein eilandje, Ku Langsu geheten, dat de aangewezen plaats was voor het verblijf van vreemdelingen. Dit eilandje was net geen twee vierkante kilometer groot. Het was er minder vuil in vergelijking met Amoy en ook rustiger. Het was heuvelachtig en 176


schilderachtig gelegen vanwege de vele huizen in Europese stijl, naast de huizen die volgens Chinese tradities waren gebouwd. Het was een mix van plaatselijke en koloniale bouwstijlen, waaronder de Victoriaanse stijl. Nog steeds is het eilandje een toeristische trekpleister dat thans als Gulangyu op de kaart staat. Er waren sedert jaar en dag vele consulaten gevestigd, een zeer oude tempel, maar ook enige christelijke kerken, toentertijd vestigingen van missionarissen. Het leven op dat eilandje was vooral saai en duur, met name door de afwijkende eetgewoonten van de westerlingen. Gustav en Johannes Francken moesten er leven van hun toelage van 100 Mexicaanse dollars per maand. Dat was te weinig, zoals al spoedig bleek. Gustav en Johannes maakten kennis met de hen toegewezen leraar. Van hem moesten zij het dialect in de provincie Fukien leren te verstaan en te spreken. Er werd overwegend het Hokkiandialect gesproken. Dat was hun eerste opdracht. Zodra zij enig begrip kregen van die taal moesten zij beginnen een woordenboek aan te leggen. Gustav zou zich bezig gaan houden met het samenstellen van een woordenboek Nederlands - Chinees in het Hokkian dialect en Francken met een Chinees – Nederlands woordenboek in dat dialect. Zij beschikten over een Engels Chinees en een Frans - Chinees woordenboek, beide in het Mandarijn, de officiële taal van de bestuursaristocratie en geleerden. In de meegebrachte woordenboeken waren zij door hun lessen in Leiden al goed thuis. De beide jongemannen vervulden in deze een pionierstaak, die het werk van toekomstige tolken voor de Indische Archipel zou moeten vergemakkelijken. Gustav zou vele jaren aan zijn deel van het woordenboek blijven werken. Dat was Francken niet gegeven. Hij overleed in 1863 in Soerabaya. In Kanton, waar de studenten na hun verblijf in Amoy naar toe zouden gaan, wachtte hen dezelfde taak maar dan om het verwante Hakka-Chinees te leren. Die taal was gemakkelijker te leren vanwege de verwantschap met het Hokkian waarin zij in Amoy reeds waren getraind. In China werden ongeveer 250 dialecten gesproken, die tot veertien taalgroepen behoorden. De karakters waren gelijk, maar de verschillen in schrijfwijze en uitspraak waren groot. Over het drie jaar durende verblijf van de élèves in Amoy is niet veel bekend. Zij leerden de taal, werkten aan hun woordenboek, ieder aan zijn deel. Hun leraar was Ang-sien-si die al eerder in deze rol had gewerkt en dat nog lang na vertrek van deze élèves zou blijven doen. Ook De Grijs nam aan diens lessen deel. Voor hem was het van betrekkelijk belang, daar het zijn verantwoordelijkheid was als militair- apotheker de flora en fauna van de streek in kaart te brengen. Naast het consequent spreken van het Hokkian-dialect werden teksten gelezen met uitleg van de leraar, een voortdurende introductie in de uitdrukkingswijze van de Chinees die verder strekte dan het Hokkian. Het ging over het culturele palet waarvan de geschiedenis van China 177


doortrokken was met beelden waarin het verleden en heden tot uitdrukking kwamen en de Chinese mentaliteit en gevoelswereld vertegenwoordigde. Het bestond uit een stelsel van overlevering en tradities, geworteld in de vooroudercultus, relevant voor een goed tekstbegrip en het verstaan van zegswijzen. Het maatschappelijk weefsel was doortrokken van een strakke hiërarchie als ordeningsprincipe. Dit uitte zich in grote en kleine zaken. Gustav zelf is niet erg spraakzaam over de lessen die hij genoot. Toch zou hij gedurende zijn leven in zijn publicaties vaak teruggrijpen op de jaren doorgebracht in Amoy en Kanton. Het zijn puzzelstukjes die inzicht geven hoe hij alle informatie, die hij in deze voor hem zo andere wereld bijeensprokkelde, van betekenis voorzag. Het werd een voortdurend observeren van gedrag en speuren naar de betekenis. Blussé citeerde de beleving van de tolk Henri Borel die tijdens zijn verblijf in Amoy les had gehad van een zekere Sien Sing Tio Siao Hoen. Die lessen vonden in de jaren na 1890 plaats en verliepen niet veel anders dan die Gustav eerder zelf had ondergaan. Borel had over zijn Chinese onderwijzer een boekje opengedaan dat kan gelden als een goede sfeertekening. Interessant is dat Borel door Gustav was opgeleid.377 In de eerste alinea van het verhaal wordt duidelijk dat de auteur zijn leermeester in Leiden in scherp contrast tekende met diens leraar in Amoy. De Leidse leermeester was er naar zijn mening niet in geslaagd te bewerken wat Borels leraar in Amoy hem had geboden en ‘deze was maar een onderwijzertje’ geweest. Deze contrasttekening schetste de tegengestelde werelden in Europa en China. Vervolgens tekende Borel de persoon van zijn leraar en karakteriseerde hem als waardig en wijs en op vilten pantoffels. Borel zag er de vader-kind verhouding in. In Leiden was die relatie gebaseerd op afstand, met kenmerken als ‘deftigheid’, ‘groot huis’ en ‘het gevulde knoopsgat met Koninklijke waardering.’ Voor Borel was het onderwijzertje zijn geestelijk vader, de wijze tegenover het onwijze kind. De status van de onderwijzer in China wordt uitgedrukt in de aanspreektitel Sien Sing, dat ‘eerstgeborene’ betekent. In de manier waarop hij zich voortbewoog, de plechtstatigheid hoe hij plaats nam en de plooien van zijn mantel liet afhangen, leek hij een beeld. In roerloze rust imponeerde hij als op zijn troon gezeten, met aan zijn voeten de leerling. Houding en gebaren leerden Borel dat hij zich te onderwerpen had aan zijn geestelijk vader en dat hij zich als diens kind had te gedragen. Hij beschrijft het effect dat deze meester op hem had door de eenvoudige wijze waarop hij, ‘met enkele machtig geladen woorden, en veelzeggende stijlvolle gebaren imponeerde, zoals geen hooggeleerde Europese professor het ooit had kunnen doen, de wijsheid te openbaren van Confucius en die van Lao Tsz’. Ook hierin spreekt de hiërarchie haar eigen

377 Henri Borel, ‘De eerstgeborene’ in: Van leven en dood. Verhalenbundel (Amsterdam, L.J. Veen, 1925), aldaar pp. 31-38.

178


taal. Niet alleen het leren van de taal, maar vooral het ontsluiten van de wereld van betekenissen achter de karakters, die daardoor hun geheimen prijsgaven, was de uitdaging. Borel leerde het onderscheid tussen ‘kennen’ en ‘verstaan’. Dit laatste was voorbehouden aan ingewijden in de Chinese cultuur, door de generaties heen overgedragen en doorgegeven met de kracht van autoriteit en wijsheid. ‘Alles wat ik later’, zegt Borel, ‘ooit over Wijsheid en Schoonheid in Indië geschreven heb, dank ik eigenlijk dit schoolmeestertje.’ Borel ontdekte dat in Chinese teksten ‘wat er niet staat véél gewichtiger is dan wat er staat en in zwijgen moet ontvangen worden.’378 Deze ervaring zal ook het werk van Gustav kenmerken, hetgeen in zijn oeuvre op talloze plaatsen tot uitdrukking wordt gebracht. Waar Borel verwijst naar het mystieke in de Chinese manier van communiceren, zal Gustav op onderzoek gaan om de essentie van de verborgen betekenissen te analyseren. Borel leert zijn Sien Sing ook op andere wijze kennen. Deze ontpopt zich als de bekwame organisator van zijn huishouding, waarbij hij de belangen van zijn eigen familie, ook in materiële zin, niet uit het oog verloor. Hij wist zich in het leven van Borel binnen te dringen door hem bedienden aan te bevelen die aan hem procenten betaalden van het overeengekomen loon. Sien Sing dreef in de winkels waar hij Borel zaken aanbeval de prijs op en verdiende er zo aan. Hij slaagde er voortdurend in hem te overtuigen dat hij zeer voordelige transacties had geregeld. Borel was vooral betrokken op de belevingswereld van de Chinees die hij zeer bewonderde. Voor Gustav was zijn taalonderzoek gericht op het verklaren en betekenis geven. Borel was bewonderaar, Schlegel analyticus. Een onverwachte oefening in tolken Een interessant voorval was een gelegenheid waarbij de élèves hun kennis van het Chinees konden toepassen. Ze deden verslag van een gebeurtenis in 1860 die voor een spannende onderbreking van hun saaie leven van lessen in Amoy en hun verblijf op Ku Langsu had gezorgd. Deze geschiedenis is door Cordier besproken in de necrologie die hij in 1903 over Gustavs leven schreef. 379 Een transportschip van de Franse marine, de Isère, met aan boord bevoorradingsgoederen voor de Franse patrouilleschepen in de regio was zo onfortuinlijk op een onder water gelegen rots te stoten in de monding van de haven van Amoy, vlakbij het eilandje Ku Langsu. Het kwam onwrikbaar vast te zitten. De kapitein van de Isère had machines en munitie aan boord, alsmede proviand voor het leger van de Frans-Engelse coalitie. Hun militaire missie

378 379

idem, p. 32. Henri Cordier, ‘Nécrologie le dr. Gustave Schlegel’ met foto, T’oung pao, serie II, vol. IV 1903, pp. 405-415.

179


was de afgedwongen vrije toegang tot havens in het gebied voor koopvaardijschepen te garanderen, vastgelegd in het verdrag van Nanjing in 1842. Bovendien bewaakten zij de koopvaardijschepen tegen aanvallen door zeerovers, die in dat gebied een ware plaag vormden. De kapitein, M. Allègre, wilde tot elke prijs zijn lading behouden. Op een klein eilandje vlakbij het vastgelopen schip, niet meer dan een stuk rots dat boven water stak, wist hij de lading in veiligheid te brengen en te bewaken. Het duurde maanden voordat het schip ontladen en ontmanteld was. Alle pogingen het lege schip alsnog vlot te trekken mislukten. Veel bemanningsleden werden ziek met hoge koortsen tot gevolg. Er moest voor hun verpleging een hospitaal worden ingericht. De kapitein huurde daarvoor een huis op Ku Langsu en liet het inrichten als hospitaal. Dankzij Gustav en Johannes kon met de Chinezen ter plaatse onderhandeld worden. Van de ongelukkige schipbreuk af hadden zij opgetreden als tolken, daar zij beiden Frans spraken en intussen goed op weg waren het Hokkian Chinees te verstaan en te spreken. Het Franse gezag had in de buurt geen diplomatieke post waaraan tolken waren verbonden. Nog een voordeel voor de Fransen was dat de studenten al twee jaren op het eiland woonden, zodat zij van de plaatselijke gemeenschap een goed beeld hadden en door de bevolking gekend werden. Belangrijk waren hun persoonlijke contacten waarop een beroep kon worden gedaan. De vele consulaten hadden ieder hun eigen gewapende bewakers en alles tezamen waren de Chinezen en de vreemdelingen in staat in relatieve vrede met elkaar te leven. De Fransen waren onder de Chinezen minder geliefd, daar zij geïdentificeerd werden met de oorlog die zij samen met de Engelsen tegen de Chinezen voerden. Maar los van deze actuele problemen was het Chinese volk van nature xenofoob: de ‘anderen’ waren in hun ogen barbaren uit het westen. De zieke matrozen konden door hun eigen medisch personeel behandeld worden. Niet alleen zij, maar de eerste chirurgijn M. Bonnard, behandelde op verzoek ook lokale zieken, waardoor de welwillendheid van de bevolking jegens hen toenam. Gustav was de bemiddelaar en tolk. Hij ging mee op huisbezoek en was behulpzaam bij het vertalen van de klachten van patiënten en het communiceren over de behandeling die zij nodig hadden. Van Franse zijde werd de hulp van Gustav en Johannes gewaardeerd en door de commandant van de vloot in het gebied nauwlettend en met instemming gevolgd. Een ander gevaar in de regio was de activiteit van rondtrekkende Chinese bendes die overvallen pleegden op gemeenschappen om alles wat ze konden gebruiken te roven. Op een nacht vond er zo’n overval plaats, gericht tegen de inwoners van het eilandje. Ook het huis waar de commandant en de officieren waren gehuisvest werd belaagd. De État-major wist de aanval gewapenderhand af te slaan. Met behulp van de élèves besloot de commandant notabelen onder de eilandbewoners in gijzeling te nemen. Met hen als breekijzer wilde hij achter de identiteit van de bendeleden komen. Dat gebeurde onder aanwijzing van Gustav en Johannes, 180


zij wisten hoe de hazen in de Chinese gemeenschap liepen. Zij wezen een dozijn sleutelfiguren aan. Het gevolg was dat de Chinese autoriteiten op aanwijzing van deze gegijzelden de daders konden achterhalen, gevangennemen en voor de rechter brengen. De gijzelaars werden daarna onmiddellijk vrijgelaten. Deze affaire ging gepaard met het voeren van correspondentie tussen de Franse en Chinese autoriteiten, tussen de commandant van de Isère, het consulaat van Frankrijk in Amoy en de Chinese autoriteiten. Voor de beide Nederlanders was dit een gewichtige praktische oefening in hun toekomstig beroep. De eerste officier van de Isère, M. Eugène de Malleville, was ziek geworden en ernstig verzwakt. Met toestemming van het Nederlandse consulaat stond Gustav gedurende vele weken zijn appartement af. Dit alles leidde ertoe dat de officieren van de Isère hun dank betuigden voor al de hulp verkregen van de beide Nederlandse tolken in spé en van het Nederlandse consulaat. In 1885 ontving Gustav alsnog een onderscheiding voor zijn dienstverlening en optreden. Hij werd benoemd tot Commandeur de l’Ordre Royal Cambodge. Johannes Francken heeft dat door zijn vroegtijdig overlijden niet meer meegemaakt.380 Protestactie van de ouders Als gevolg van het feit dat het verblijf op Ku Langsu duur was, waren de honderd Mexicaanse dollars per maand ontoereikend voor hun levensonderhoud. De ouders van de élèves schreven daarover aan de overheid een protestbrief.381 Inmiddels had ook Maurits Schaalje in 1859 zich bij de andere twee gevoegd. De minister van Koloniën had de brieven van de ouders voorgelegd aan de GG van Nederlands-Indië met een positief advies hun financiële positie in Amoy te verbeteren. Volgens afspraak zouden alle kosten verbonden aan de aanstelling van tolken ten behoeve van het gouvernement voor rekening komen van de Indische begroting. In zijn brief stelde Hermann Schlegel aan de orde dat zijn zoon klaagde over de duurte van het leven op het pittoreske eilandje. Ook hun toezichthouder, vice-consul De Grijs, bevestigde dat de toelage voor levensonderhoud onvoldoende was. Daarbij kwam nog dat de wisselkoers van dit geld in

380 G. Schlegel, Hô Hoâ Bûn-Gî Luì Ts’am, Nederlandsch-Chineesch Woordenboek met de transcriptie der Chineesche karakters in het Tsiang-Tsiu dialekt. Hoofdzakelijk ten behoeve der Tolken voor de Chineesche Taal in Nederlandsch-Indië, bewerkt door Dr. G. Schlegel, Hoogleeraar in de Chineesche Taal- en Letterkunde aan de Rijks-Universiteit te Leiden. Uitgegeven met ondersteuning van het Ministerie van Koloniën. Deel I 1886, Inleiding (Leiden E.J. Brill 1886) p. 2. 381 NL-HaNa, toegang 2.10.02, Ministerie van Koloniën 1850-1900, inv. nr. 1029, minuut 8-9 februari 1861, inv. nr. Litt. A 33/172 met 3 bijlagen: brief 1 van M. Schaalje te Zoeterwoude van 25 augustus 1860, nr. 56; brief 2 van H. Schlegel te Leiden, 1 november 1860, nr.17; brief 3 van de weduwe J.J. Francken geb. Hoogestraaten, 5 december 1860, nr.36.

181


lokale munt een waardeverlies betekende van zeventien tot twintig procent. Hermann Schlegel schreef: Eindelijk zijn er verscheidene benoodigdheden, zoo als bv. laken kledingstukken enz. in het geheel niet te verkrijgen, en heb ik mij in de noodzakelijkheid gezien, aan mijn zoon bij herhaling, vanuit hier deze en andere artikelen toe te zenden, hetgeen bovendien steeds met grote moeielijkheden gepaard gaat vermits er geen rechtstreekse vaart van hier op Amoy bestaat en daarentegen het getal der schepen die naar Singapore en Hongkong vertrekken, zeer beperkt is. De buitengewone uitgaven die ik mij derhalve, (het stellen van eene plaatsvervanger niet mede gerekend) gedurig heb moeten getroosten en die ik nog telkens moet maken ten einde in het onderhoud van mijn zoon te voorzien, vallen mij des te harder, naar mate ik die niet had verwacht toen mijn zoon zich ten dienste van het Rijk verbond. Mijn zoon immers van zijn dertiende jaar af en dus de oudste leerling voor de Chineesche taal, heeft in Europa, vanwege de Regeering, slechts de helft der tegemoetkoming, die aan de latere leerlingen werd toegekend [ontvangen vZ]. Deze tegemoetkoming hield op bij zijn vertrek naar Oost-IndiĂŤn en eerst bij zijn aankomst aldaar, werd in zijn onderhoud opnieuw voorzien, evenwel op eene, zoo als ik het hierboven aantoonde, ontoereikende wijze, die door hem des te meer gevoeld werd, naarmate hij de schoonste jaren zijner jeugd nagenoeg op eene eenzame, ongezellige en allesbehalve aangename plaats moet slijten. Leiden, 1 november 1860.

En passant leren we hier dat Gustav voor zijn militaire verplichtingen niet uitgeloot was, zodat voor hem een plaatsvervanger moest worden gezocht en betaald, hetgeen het gezinsbudget bijgevolg extra had belast.382 De brieven van de vader van Schaalje en de moeder van Francken hebben beide een andere invalshoek. Schaalje wees er op dat zijn zoon het gedurende de vijf maanden durende overtocht zonder groenten moest doen omdat slechts scheepskost werd verstrekt. De toelage van twaalfhonderd gulden die hij daarvoor kreeg en de driehonderd gulden voor boeken bleken ontoereikend te zijn. De honderd Mexicaanse dollars per maand voor het levensonderhoud van zijn zoon bleken in verband met de hoge kosten eveneens ontoereikend. Hij vroeg voor zijn zoon een tegemoetkoming van vierhonderd gulden. Vader Schaalje merkte in zijn brief op dat De Grijs aan de consul-generaal Van der Hoeven had gevraagd een verhoging te bewerkstelligen, waarbij hij zich aansloot. Zijn brief was gedateerd 25 augustus 1860.383 De moeder van Francken had zich in de schulden moeten steken om haar zoon in staat te stellen tijdens de reis aan de passagierstafel aan te zitten. Gebleken was dat de toegekende som

382 383

idem, brief H. Schlegel, Leiden, 1 november 1860, nr. 17. idem, brief M. Schaalje, Zoeterwoude, 25 augustus 1860, nr. 56.

182


van twaalfhonderd gulden voor uitrusting en boeken onvoldoende was. Daarom gaf zij hem vierhonderdveertig gulden mee, in de veronderstelling dat zijn maandelijkse uitkering van vijftig gulden zou worden gecontinueerd. Mevrouw Francken geb. Hoogestraaten moest nog vierhonderd gulden van de aangegane lening afbetalen, hetgeen haar als weduwe met zes kinderen niet lukte. Haar brief was gedateerd 5 december 1860.

384

De klagers smaakten het genoegen

dat hun pleidooi de levensomstandigheden van hun kinderen in China te verbeteren, gehoor vond. Bevestigd werd dat hun toelage bij afvaart uit Nederland was stopgezet. Koloniën adviseerde deze alsnog uit te betalen. Dat zou ook voor Francken moeten, die in Nederland geen toelage had gekregen. De minister liet de beslissing over aan de GG. Gustav kreeg alsnog zijn toelage, die bij vertrek was stopgezet, groot vijfentwintig gulden per maand bij beschikking van de Indische Raad van 9 februari 1861.385 Gustav als verzamelaar Tot de taak van de élèves in Amoy behoorde ook het assisteren van De Grijs bij zijn werk de flora en fauna ter plaatse in kaart te brengen. Gustav had verder van zijn vader de specifieke opdracht meegekregen natuurhistorische voorwerpen te verzamelen. Hij nam die opdracht serieus, wetend dat het ‘sRMvNH niet veel voorwerpen bezat die afkomstig waren uit zuidoost China. Gustav had al snel na aankomst kennisgemaakt met Robert Swinhoe (1836-1877), werkzaam bij het Britse consulaat. Hij was in Calcutta geboren en kreeg zijn opleiding in Engeland. Hij vestigde zich in 1854 in Hongkong, waar hij Chinees studeerde en zich verdiepte in de natuurlijke historie. Van daaruit kwam hij terecht bij het consulaat van de Britten in Amoy. Hij had naast zijn werk voor het consulaat een studiegenootschap opgericht, The literary and scientific Society of Amoy (1856). De leden van het genootschap hielden zich bezig met het wetenschappelijk onderzoek van het dierenleven in Amoy en omgeving.386 De beide mannen van ongeveer gelijke leeftijd werden vrienden. Swinhoe maakte snel carrière in de diplomatieke dienst, reisde veel en was maar zo nu en dan in Amoy. Hij bracht het tot consul op Formosa. Robert werd mede door zijn natuurhistorische publicaties over de fauna van zuidoost Azië een erkend dierkundige. 387 Hij had een grote verzameling waarvan hij de duplicaten verkocht aan

idem, brief J.J. Francken geb. Hoogestraaten, Leiden, 5 december 1860, nr. 36. NL-HaNa, toegang 2.10.02, Ministerie van Koloniën 1850-1900, Stamboek M, A 905, nr. 13. 386 Over de levensloop van Swinhoe zie: http://academic.reed.edu/formosa/texts/swinhoebio.html (1 december 2013). 387 Swinhoe, R., ‘Cataloque of the birds of China, with remarks principally on their geographical distribution’, Proceedings of the Zoological Society of London (1863) pp. 259-339. 384 385

183


een Londense dierenhandelaar. Swinhoe bezorgde het ‘sRMvNH in Leiden in 1863 vogels en nesten in ruil voor andere voorwerpen voor zijn verzameling. In de catalogus van de boekenveiling van Hermann Schlegel komen twee publicaties van Swinhoe voor tezamen met enkele van Gustav. 388 Het zijn de stille getuigen van deze vriendschap die voor Gustav in die tijd van grote betekenis was. Met Swinhoe zal Gustav veel zoektochten hebben ondernomen om voorwerpen te verzamelen voor het Museum. Maar ook met De Grijs bracht hij veel tijd door. Over deze verzamelactiviteiten schreef Gustav in de Levensschets van zijn vader. De daar gemaakte opmerkingen gaven openlijk blijk van teleurstelling over de verwaarlozing van zijn zendingen uit China door het Museum in Leiden. Hij had zich ingespannen voor het Museum nieuw materiaal te verzamelen, hetgeen niet altijd gemakkelijk was. Mede dankzij de kennis van Swinhoe was hij daarin geslaagd. ‘Ik was’ schreef Gustav ‘indertijd in China, van waaruit ik hem eene door mij gemaakte rijke verzameling van Chineesche dieren, hoofdzakelijk vogels, visschen, insecten en mineralen toezond; eene verzameling des te rijker en nuttiger, daar ik mij, op verzoek van mijn vader, er op toegelegd had, zoveel mogelijk van elke soort volledige seriën te verzamelen, want volgens hem was dit de eenige, ware methode van het verzamelen [ ].’ 389

In het archief van het ‘sRMvNH werden de geregistreerde voorwerpen die Gustav in China aan het Museum zond aangetroffen. Daaruit blijkt dat de eerste zending op 2 november 1859 in Leiden aankwam en de laatste in 1862, totaal drie zendingen. De inhoud wordt door Gijzen als van goede kwaliteit omschreven die veel noviteiten bracht. De status van de zendingen was die van, ‘correspondent’ met het kenmerk ‘geschenk.’390 Gustavs vader schreef in zijn jaarverslag over de periode juli 1859-juni 1860: Mijn zoon, G. Schlegel, die zich sedert enige jaren te Amoy in China bevindt, en zich in zijn vrije uren bezig houdt met de studie der natuurlijke historie van deze streken, heeft aldaar, voor zover het zijne geringe middelen in dit dure land toelaten, een verzameling aan voorwerpen van natuurlijke historie bijeen gebracht van welke hij enige duplicaten aan het Museum overgemaakt

Brill, E.J., Bibliothèque de feu M. le Dr. H Schlegel, (Leiden, E.J/. Brill 1884), aldaar p. 26, kavel 453: R. Swinhoe, Notes on the islands of Formosa, 2 pl. (1863); idem: on a visit of Hainan (1872). 389 G. Schlegel, Levensschets, pp. 63-65. 390 Agatha Gijzen, ’s Rijks Museum van Natuurlijke Historie 1820-1915, academisch proefschrift (Rotterdam, W.L. & J. Brusse’s Uitgeversmaatschappij N.V.1938) p. 328. 388

184


heeft. Te weten 100 stuks vogelhuiden, enkele honderden insecten, hoorns en schelpen, 60 kreeftdieren op liquor en kleine rots- en aardesoorten.391

Hermann was zich bewust van de krappe financiële situatie van Gustav. Hij begreep dat hij onmogelijk in staat was zich voldoende te voorzien van materiaal om de jachtoogst te prepareren voor verzending. Hij vroeg als lid van de Natuurkundige Vereniging in Indië om hulp. Gustav had dringend een klein vaatje spiritus nodig ‘van ongeveer twintig kan’ dat via het Rijksmagazijn in Batavia naar het consulaat in Amoy moest worden verzonden. Het was noodzakelijk om het door Gustav verzamelde materiaal naar Leiden te kunnen zenden.392 Een actie die hij overigens voor iedere verzamelaar Figuur 13: Door Gustav Schlegel ontdekte vogel ´Anthus Gustavi´ 393

den.

zou ondernemen om zich te voorzien van nieuwe aanvoer. Gustav zelf omschreef welke verzamelfeiten op zijn naam ston-

Hij vermeldt het schieten van een Lobivanellus inornata, waarvan in heel Europa maar

één exemplaar uit Japan in het ‘sRMvNH aanwezig was onder de naam Muscicapa Mugimaki. De door hem ontdekte niet eerder beschreven soort kreeg de naam Anthus Gustavi. Hij voegde er nog twee novae aan toe van pennatuliden: Pteroides Chinense en Holosceptrum Gustavianum Muscicapa. Ze werden door de conservator dr. Herklots beschreven. Verder noemt Gustav ‘een menigte nieuwe vissen’, waarvan Bleeker er vier beschreef de Pteroplatea Schlegeli, de Pseudosciaena amblyceps, de Pseudosciaena amoyensis en de Arius Schlegeli. Na deze proeve van verdienste voor het Museum eist Gustav als bezorger van zijn vaders autobiografie plaats op om op geheel Schlegeliaanse wijze aan de kaak te stellen welke onrechtvaardige behandeling zijn inspanningen hebben ondervonden. Overtuigd dat zijn vader precies zo zou hebben gehandeld. Mijn vriend, de bekende, thans overleden zoöloog, Rob. Swinhoe, die zich destijds met mij in China bevond, en eveneens verzamelde, zond de duplicaten zijner vogelverzameling, die niet zo rijk was als de mijne, daar ik daaronder hoogst zeldzame exemplaren bezat naar Londen, waar hij ze aan een’ handelaar in naturaliën voor duizend pond sterling (zegge twaalfduizend gulden) verkocht. Voor de door mij aan de regering geschonken rijke verzameling ontving ik nooit den minste dank; en vond ik, toen ik tien jaar later in Leiden terugkwam, het grootste gedeelte mijner

Archief Naturalis Biodiversity Center, Jaarverslagen, jaarverslag juli 1859- juni 1860. NL-HaNa, Rijksmuseum van Natuurlijke Historie, 3.12.17, inv. nr. 24, serie D concepten, kenmerk nr. 32/1740, 14 augustus 1859. 393 G. Schlegel, Levensschets, p. 63 noot a. 391 392

185


huiden nog onopgezet in de magazijnen liggen. Zulke handelswijze van de zijde van de Regeering en der nationale instellingen is niet geschikt om den ijver van ambtenaren of particulieren in onze koloniën aan te moedigen; en mag het dan ook wel geen wonder baren, dat deze hunne collecties liever aan vreemde instellingen of Musea zenden, die zulke, met veel moeite en kosten bijeengegaarde schatten een’ beteren dank waardig keuren, dan, zoo als ten onzent geschiedt, eene droge vermelding in de ‘Staatscourant’ of de nog treuriger toekenning van de medaille voor verdienste. wg. G.S. 394

In bovenstaand citaat legt Gustav de vinger op de wonde. Hij moet zich plaatsvervangend hebben gegeneerd dat zijn vader niet bij machte was gebleken zijn ambitieuze doelstelling met het Museum te realiseren in het ongeschikte museumgebouw, met te weinig personeel en een te krap budget. Daarvoor was niet zijn vader te blameren, maar de overheid die naliet de ambities van het museum in voldoende mate te faciliteren. Gustav zou in 1870 in het Bataviaasch Handelsblad zijn verontwaardiging publiek maken over de behandeling die schenkers van voorwerpen van de Nederlandse regering moesten ondergaan. Hij deed dit in een ingezonden stuk en ondertekende dat met X, maar hief de anonimiteit op in de lijst met publicaties geplubiceerd in 1902.395 In hoeverre Gustav was geïnformeerd over de zware jaren die zijn vader achter de rug had na het overlijden van directeur Temminck is onbekend. De intensieve briefwisseling tussen vader en zoon zal sporen hebben gedragen van deze periode die deze zelf omschreven had als ‘de moeilijkste tijd van zijn leven.’ Nu dat geresulteerd had in zijn benoeming tot hoogleraar titulair en hij uiteindelijk vanaf 1860 toch voluit de directie over het Museum mocht voeren, brak er een periode aan waarin hij leiding kon geven aan een grondige reorganisatie van de expositie en van het bezit. Hij werd gedwongen eerst de achterstand in te halen die ontstaan was tijdens de jaren onder de vorige directeur. Tegelijk moest hij met man en macht proberen de aanvoer van voorwerpen uit de Nederlandse koloniën weer op gang te brengen. Al met al een cumulatie van remmende factoren: de overheid, het toenmalig beleid en het stilvallen van aanvoer uit de Oost. Eenmaal terug in Nederland in 1872 zag Gustav het resultaat daarvan in een troosteloos stuwmeer van onuitgepakte en niet beschreven voorwerpen, waaronder ook die

idem, Levensschets, p. 63-64, noot a. G. Schlegel, ‘Over de onverschilligheid der Nederlandsche Regeering voor geschenken aan Musea gedaan, (Bat. Handelsblad, 13e jrg. nr. 192, 21 december 1870). G. Schlegel, Liste chronologique des ouvrages et opuscules, publiés par Dr. G. Schlegel, Professeur de Langue et de Littérature chinoises à l’Université de Leide 1862-1901. En Vente chez La Maison ci-devant E.J. Brill, Libraires-Editeurs à Leide 1902, aldaar p. 3, nr. 34. 394 395

186


hijzelf in de periode 1859-1862 had verstuurd. Zijn boosheid daarover was geladen met verontwaardiging. Hij verweet de overheid haar taak ten opzichte van dit nationale bezit onvoldoende te hebben uitgeoefend door het Museum noch de juiste huisvesting te verschaffen, noch de middelen om het verzamelde op een verantwoorde manier te bewaren voor de toekomst, met alle gevolgen van dien. Hij blameerde de autoriteiten voor hun ongeïnteresseerde houding. Gustav heeft zelf een berekening gemaakt van de economische waarde van zijn zendingen aan de hand van een brief die zijn vader hem in 1862 zond. Daaruit bleek dat hij in totaal 1922 voorwerpen had gezonden die een gemiddelde waarde hadden van vijf gulden per stuk, zodat zijn verzameling voor het Museum 9.610 gulden waard was. 396 Gustav schreef zijn eigen interpretatie op de achterzijde van deze opsomming, die zijn vader maakte en die in het archief van het ‘sRMvNH wordt bewaard.397 Deze opsomming kwam overeen met de opsomming in de Levensschets.398 Naar zijn mening was de waardebepaling van zijn vader te laag. Hij baseerde dat, zoals opgemerkt, op het bedrag dat zijn vriend Swinhoe destijds bij verkoop van zijn duplicaten in Londen ontving ten bedrage van 1000 pond sterling, omgerekend 12000 gulden. In zijn jaarverslag over de periode juli 1861-juni 1862 verantwoordde Herman de zending van Gustav en bevestigde dat dit ook de laatste was. Gustav was verhuisd naar Kanton en volgens zijn vader te klein behuisd om nog te verzamelen. Hermann vond dat jammer, want er zou uit dat gebied nog veel goeds te verwachten zijn. Met spijt tekende hij daarbij aan dat dit te betreuren was voor de wetenschap.399 De familie in Leiden ontvangt aan het einde van de leertijd van Gustav in Amoy een brief van een zekere Linden. Deze schreef een portret van Gustav dat in de familie, onder vrienden en in het Museum veel teweeg bracht. Gustav was net 17 jaar toen hij vertrok naar China en zou dezelfde maand waarin de brief was geschreven 21 jaar worden. Ihr Sohn Gustav, der, als er Holland verließ, fast noch ein Kind gewesen sein muss, ist zum kräftigen Mann herangereift. Sie werden wohl ein ganz neue Bekanntschaft zu machen haben, wenn Sie ihn wiedersehen, und wenn er sich bis dahin nicht wieder sehr verändert, so wird dies eine sehr angenehme Bekanntschaft für Sie sein. Jetzt ist Ihr Sohn ein körperlich und geistig gesunder, ein angenehmer und liebenswürdiger Junger Mann, Treue, Ehrlichkeit und Wahrheit stehen ihm auf der offenen Stirn geschrieben, und blicken ihm aus dem klaren, ernsten Augen.

396 Archief Naturalis Biodiversity Center, map H. Schlegel document g, betreffende de zendingen van G. Schlegel ontvangen uit Amoy in China: de 1ste verzonden 2 november 1859, aangekomen 2 juni 1860; de 2 de verzonden 2 juni 1860, ontvangen 6 april 1861; de derde werd ontvangen 20 februari 1862. 397 Archief Naturalis Biodiversity Center, map H. Schlegel notitie gebaseerd op een brief van H. Schlegel aan G. Schlegel, 23 februari 1862, no. 92. 398 G. Schlegel, Levensschets, p. 63-64. 399 Archief Naturalis Biodiversity Center, Jaarverslagen, jaarverslag nr. 57. juli 1861- juni 1862.

187


Ich halte ihn, denn ich bin überzeugt, dass junge, unverdorbene Naturen rasch beurtheilt werden können, für einen gutmüthigen, ordentlichen, höchst verständigen, ganz zuverlässigen, gebildeten, lernbegierigen, und etwas melancholischen jungen Menschen. Die Große Einsamkeit, in der Jedermann in China lebt, mach ihm wohl manchmal das junge liebende Herz etwas schwer machen. Ein Mensch der sich in China ganz wohl und munter befinden kann, dem dort nichts fehlt, dem das Leben dort alles gibt, was er verlangt: ein solcher Mensch muss wahrlich, ein trauriges Subjekt sein. Ich bin über Gustav’ s poetische Jahre längst hinaus, und Melancholie und ich stehe in keinem regen Verkehr, aber die vollkommene geistige Einsamkeit, in der ich seit zwei Jahre Lebe hat auch mich leidlich niedergeschlagen. 400

Deze brief ademt de zware omstandigheden van het leven in China. Linden zegt niets over de kwaliteit van de contacten met de andere élèves. Slechts één vriend (Swinhoe) komt naar voren in diens omschrijving van een zowel emotioneel als functioneel contact. De Grijs blijft toezichthouder en jachtgezelschap, Francken is partner in zijn aandeel in het maken van het woordenboek in het Hokkian-dialect. Schaalje is gearriveerd volgens schema maar blijft volledig onzichtbaar. Tijdens het begeleiden en tolken voor de Franse militair geneeskundigen is Gustav de eerste persoon en Francken blijft figurant, hoewel hij wel bij name genoemd wordt in relatie tot zijn aandeel in het tolkenwerk voor de bemanning van het Franse oorlogsvaartuig. De enige stabiele informatiebron over het wel en wee van Gustav is de correspondentie tussen Gustav en zijn vader, althans voor zover Hermann daaruit citeert in zijn latere brieven aan Leander. Noch in de brieven aan Gustav, noch in die van Gustav, konden wij buiten deze bron iets achterhalen. Via zijn vader en moeder maant hij verschillende keren zijn zus en broer hem te schrijven. Zo rijst het beeld op van een jongeman en zijn vader die elkaar taakgericht en functioneel op de hoogte houden. Inmiddels verstreek hun tijd in Amoy en kregen zij opdracht zich gereed te maken voor vertrek naar Kanton. Leertijd in Kanton 1861-1862 De verplaatsing van Amoy naar Kanton vond per schip plaats op 7 juli 1861. Het was in China gebruikelijk zich te verplaatsen over zee en meer landinwaarts over het dichte netwerk van bevaarbare rivieren. De eerste dag ging de tocht van Amoy naar Swatou en van daaruit naar Honkong. Vervolgens reisde men naar Macao, aldaar de Parelrivier op naar Kanton, thans Guangzhou geheten. ‘Überall stieß das Auge auf die schrecklichsten Verwüstungen des letzten

400 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brief VAN H. Schlegel AAN L.Schlegel, orthografische tekst, kenmerk 1861 09 18, brief van 18 september 1861, p. 7.

188


Krieges.’ Zo bereikten zij hun nieuwe huis in de stad, gelegen aan de Parelrivier. Over de stad waren zij enthousiast. Het was een grote overgang met wat zij de laatste jaren gewend waren. ‘Diese ist prachtvoll, zumal die Läden, die alles übertreffen, was Europa hierin aufzeigen kann.’ Gustav schreef naar huis dat de nieuwe omgeving veel te bieden had. Met name de markten waren indrukwekkend. Hij zag een ivoorsnijder aan het werk die kans zag achttien ballen minutieus in elkaar te passen, allemaal voorzien van de fijnste figuraties. Het was te koop voor slechts 50 Taler.401 In Kanton was het consulaat-generaal gevestigd, van waaruit leiding aan hen gegeven zou worden. Zij werden geacht hun taak voort te zetten om het woordenboek samen te stellen, maar er nu ook het Hakka-dialect aan toe te voegen. Het was verwant aan het Hokkian dat zij inmiddels goed onder de knie hadden. Ook daar kregen zij les van een hen toegewezen leraar. Zij moesten vooral leren converseren in dit dialect. Zij begaven zich zoveel mogelijk tussen de bevolking. Dat was voor de jongelieden een prettige bijzonderheid na de jaren van hun betrekkelijk geïsoleerd leven op het eilandje Ku Langsu en de, in vergelijking met Kanton, veel kleinere havenstad Amoy. Dit jaar was bovendien belangrijk om meer te leren van de Chinese gewoonten, buiten de informatie die hun leraar hen gaf. Voor hun spraakvaardigheid was dat een goede test. Gustavs tekentalent kwam hem goed van pas. Hij kon decoraties tekenen die hij aantrof op artefacten van allerlei aard, nuttig om de iconografische betekenis te bestuderen zodat hun betekenis beter begrepen kon worden. Deze waren veelal karakteristiek voor de Chinese manier van zich uitdrukken in woord, maar ook in beeld. Dit lijkt op het schetsboekje van zijn vader tijdens zijn jachtdagen, waaruit mooie publicaties voortkwamen zoals over het leven van vogels in Nederland in hun habitat getekend.402 Niets in dat wonderlijke land leek ‘zomaar’ te worden afgebeeld. Het was altijd weer, zelfs in de karakters van het schrift, ontleend aan de rijke geschiedenis van land en volk. Het was voor Gustav niet een kwestie van vaststellen wat hij zag, hij was nieuwsgierig naar de verklaring die nooit zomaar prijsgegeven werd. Als kind maakte hij, zoals eerder beschreven, tekeningetjes van Leiden en omgeving ter gelegenheid van een verjaardag van zijn oma Seiler in Altenburg, om haar te informeren over hun leven in Leiden, ook niet ‘zomaar.’ Hij maakte zijn Leidse wereld aan haar duidelijk, waarvan ze te midden van de velden en wouden van Saksen geen idee had. Gustav had thuis vele verhalen aangehoord op basis van reisdagboeken, afkomstig uit alle werelddelen, uit de mond

401 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brief VAN H. Schlegel AAN L.Schlegel, orthografische tekst, kenmerk 1861 09 28, brief van 28 september 1861, p. 8. 402 H. Schlegel, De vogels van Nederland beschreven en afgebeeld, 3 dln., met 362 platen (Leiden, Trapp 18541858). Vgl. dl. I, p. 154-155.

189


van bezoekers in vele spannende en tot de verbeelding sprekende anekdotes. Hij kreeg de gelegenheid deze in te zien, verluchtigd met schetsen die in situ waren gemaakt over mensen, dieren, de vegetatie en de wonderlijkste voorwerpen als hulp bij hun dagelijkse leven. Zijn vader verluchtigde zelf zijn brieven ook wel: bijvoorbeeld door niet alleen over zijn loopfiets (1816) als nieuw fenomeen te schrijven aan zoon Leander, maar die ook te tekenen als illustratie bij zijn tekst over

deze

toenmaals

nieuwe uitvinding, waarmee hij als kind eens had geprobeerd van Altenburg naar Schmölln te gaan, waar

zijn

woonden.

403

grootouders Gustav had al

vroeg leren observeren, Figuur 14: winkelstraat in Singapore, met uitleg van wat er zich afspeelt. Tekening van Gustav Schlegel.

analyseren en visualiseren. Met deze bagage ver-

schafte hij zich nu toegang tot uitingen van de Chinese cultuur. Hij beschreef een drukke winkelstraat in Singapore met een legenda welke ambachten er werden uitgeoefend, wat de kleding van de personen die zich door de straat bewogen over hen vertelde, wat de uithangborden betekenden, kortom hij presenteerde een beeld van het dagelijks leven met alle bijzonderheden die daarbij horen. Hij deed dat aan de hand van een model van papier-maché dat op de wereldtentoonstelling in Londen in 1888 was getoond en daarna was geschonken aan het Etnografisch Museum in Leiden.404 Het is niet onbelangrijk hier op te merken dat deze attitude hem in zijn leven zou onderscheiden van vakgenoten, tolken en later van filologen, als hij zich ontpopt als onderzoeker van de dynamiek van het samenleven van mensen in allerlei verbanden. Hij maakte in Kanton een tekening van het verschijnsel ‘flower boat’. Het was een observatie van de vele drijvende café-chantants die in de rivier aan de kade lagen afgemeerd, tot vermaak van de plaatselijke bevolking. Hij ontwikkelde al doende een interdisciplinaire grondhouding die hem zou 403 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brief VAN H. Schlegel AAN L.Schlegel, orthografische tekst, kenmerk 1861 07 26, brief van 26 juli 1861, pp. 2-3. Zie afbeelding deel I, p. 159. 404 G. Schlegel,’A Singapore streetscene’, I nternationales Archiv für Ethnographie, Separat-Abruck, Band I, 1888, met plaat IX auctor fecit, lith. van P.W.M. Trap (Leiden, Etnografisch Museum 1888). pp. 121-129. Vgl. idem, ‘On Chinese signboards and house sentences’, T’oung pao 2, 1890, aldaar pp. 118-136.

190


maken tot een onderzoeker van de Chinese cultuur in al haar facetten. Tegelijkertijd zou hij ervaren dat een enkel mensenleven ontoereikend is en het nodige onbereikbaar blijft voor nader onderzoek. De grens tussen bewezen feiten en veronderstellingen werd gemakkelijk uit het oog verloren, met het gevolg dat later door derden zijn interpretaties als producten van een rijke fantasie werden gezien en niet als resultaat van serieus cultuurhistorisch, etnografisch en filologisch onderzoek. Het zou tot het verwijt aan zijn adres leiden dat hij zijn interpretaties oplegde aan zijn lezers. De veelzijdigheid van zijn aanpak stuitte bij hen op weerstand omdat naar hun oordeel veel van zijn bevindingen het karakter van een bewering niet overstegen. Het kwam hem op veel weerstand in filologenkring te staan. De élève in de Chinese taal was aan zijn fascinerende arbeid begonnen. Zijn observatie van een bloemenboot had als eerste proeve van een impressie weinig om het lijf. Al wandelend langs de kade viel het de jongemannen op hoeveel van deze gelegenheden er waren. Tegelijk kregen zij voorgehouden dat ze er langs mochten lopen, maar dat vreemdelingen eigenlijk ongewenst waren. Dat prikkelde hun nieuwsgierigheid. Via een vraag om een vuurtje voor hun sigaren aan een bediende op één van de boten lukte het hen een oude man die in een cabine zijn opiumpijp genoot in beweging te krijgen. Hij kon zijn oren niet geloven Hakka te horen spreken, kennelijk door vreemdelingen. Het was voor het eerst dat hij barbaren zijn taal hoorde spreken. Gustav en Johannes legden het de man uit: hun regering had hen gestuurd om hun taal te leren. Dat waren geloofsbrieven waarvan de man niet terughad. Hij nodigde hen uit aan te schuiven bij

Figuur 15: Bloemenboot, tekening van Gustav Schlegel

het

gezelschap

dat

plezier

maakte, een glas dronk en vermaakt

werd met muziek en dans, uitgevoerd door lieftallige dames in het gezelschap. Het geluid op de kade kon nu in verband gebracht worden met hoe de boot er van binnen uitzag. Dat was hun 191


kennismaking met de mooie boten vol schrijnwerk en kleurige decoraties, waar muziek werd gemaakt en gedanst, duidelijk hoorbaar op de kade. Gustav zou deze tekening pas in 1894 publiceren en van een beschrijvende tekst voorzien. Daarin besprak hij de betekenis van de gebruikte iconografie, hun aard en betekenis als verschijnsel in de Chinese uitgaanscultuur.405 De manier waarop hij het avontuur en de gekozen entree tot de voor vreemdelingen verboden boten beschreef, kan een stijlkenmerk zijn geweest, een literaire introïtus hoe het ontoegankelijke werd veroverd. Het zal blijken hoe dit onderwerp in zijn nagelaten oeuvre terugkeert in studies naar de man/vrouw relatie. Het leidde tot observaties van het leven van mannen en vrouwen in relatie tot hun maatschappelijke status. Erotiek en seksualiteit spelen er een belangrijke rol. De jongemannen, zelf nog ongevormd in de volwassen wereld, zagen door gesprekken in dat jaar kans een indruk te krijgen van de Chinese stedelijke samenleving die zij straks goed zouden kunnen gebruiken als zij hun taak als tolk gaan vervullen in de Nederlandse kolonie. Ze waren er overigens aan toe; zeker na de zeer koude winter in hun onverwarmde kleine huis in Kanton kreeg het uitzicht op de tropische warmte van Java iets paradijselijks.406 Toen na hun leertijd het bericht kwam dat zij zich klaar moesten maken voor de reis naar Batavia, besloten zij hun leermeesters een afscheidssouper aan te bieden op een bloemenboot. Het kostte moeite er één te vinden die bereid was de barbaren gelegenheid te bieden, maar het lukte. The girls who attend these pleasure-parties in Canton are not to be had by the foreign barbarians whom they too much despise; and we had the greatest difficulty to arranging one evening an eight-genii supper in one of these smaller flower-boats with our two Chinese teachers, one a Cantonese and the other from Amoy. After a quarter of an hour, however, all hatred and shyness had disappeared, when the damsels perceived that the two foreign devils spoke as good Cantonese as their Canton teacher, and far outrivaled the poor Amoy-teacher, who could scarcely manage to speak one or two words in this dialect, though he had been just as long in Canton as we.407

Het was een waardig slot van hun leertijd. Als tolken in dienst van het Gouvernement in Nederlands-Indië verlieten zij Kanton.

405 G. Schlegel , ‘A Canton Flower-Boat ’, Separat-Abdruck, Internationales Archiv für Ethnographie, Bd. VII, 1894 met plaat auctor fecit, lit. van P.W.N. Trap (Leiden, E.J. Brill 1894) pp. 1-9. 406 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, 1862 02 26, orthografische tekst, brief 26 februari 1862, p. 3; idem, 1862 03 18, brief van 18 maart 1862, p. 1. 407 G. Schlegel, ‘A Canton Flower-Boat’, p. 7.

192


Periode 1862-1872 Standplaats Batavia De reis ging over Hongkong waar zij een tussenstop moesten overbruggen van tien dagen die zij overigens op aangename wijze doorbrachten. Ze werden onthaald in de Duitse Club en zagen het als vakantie. Gustav meldde zijn aankomst in Batavia in een brief aan Hermann. Op zijn beurt gaf deze het feit door aan Leander in Leipzig: [ ] dass Gustav auf Java angekommen, dass er Siebold getroffen und sehr freundlich von ihm aufgenommen, dass Herr de Bruin abwesend war und seine Frau in Wochenbette lag; dass er im Martine-Hôtel logiert; dass Rochussen abwesend und krank ist, dass er aber noch nicht auf der Audienz des Gouverneur-General war.408

Gustav had zijn opwachting willen maken bij deze personen die zijn vader kende en met wie deze had samengewerkt in het belang van het Museum. Gustav moest nu wachten op een gelegenheid om door de GG, met wie zijn vader eveneens een hartelijk contact had, te kunnen worden ontvangen. Gouverneur L.A.J.W. baron Sloet van de Beele (1861-1866) was voor zijn vertrek naar zijn nieuwe baan uitvoerig op bezoek geweest in het Museum. Hermann had hem een memorandum meegegeven over zijn visie hoe in Nederlands-Indië het verzamelen van natuurhistorische voorwerpen weer op gang kon worden gebracht. Dit contact had Hermann als zeer beloftevol gezien. Zich bewust overigens dat dit tevens een mooie opstap was voor Gustav met de GG kennis te maken.409 Gustav verwachtte in Batavia ook Mr. R.C.W. Bake te verwelkomen die met zijn gezin op de Medea was ingescheept. Hermann had deze keer Bake een memorandum meegegeven om aan de GG te overhandigen. Bake was consul in Leipzig geweest, nadat hij eerder uit Batavia was teruggekeerd naar Nederland. Hij vervulde er toen de functie van ‘Advocaat en Procureur’ bij het Hooggerechtshof. Gustavs broer Leander maakte in de periode dat hij in Leipzig woonde gebruik van de gastvrijheid van deze familie en was bevriend geraakt met hun zoon. Hermann kende de familie doordat zij beiden deel uitmaakten van het Korps Leidse Jagers in 1830-1831. Op datzelfde schip Medea was het gezin Havenga ingescheept. Hij was een aangetrouwde neef, gehuwd met een nicht van Cornelia, die regelmatig bij de

408 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, 1862 09 16, orthografische tekst, brief 16 september 1862, p. 1. 409 Zie dl. I, pp. 151.

193


Schlegels logeerde. Hij was militair in de rang van luitenant, werkzaam in een administratieve functie. Zij kwamen uit Ellemeet in Zeeland.410 In Nederlands-Indië kon Gustav nog meer familieleden treffen. De oudste broer van Cornelia, Adriaan Hendrik, was in de kolonie gelegerd. Zijn oom had er een gezin met kinderen, waarover in Leiden niet veel bekend was. Naar hem kon Gustav uitkijken. Een andere broer van Cornelia, Steven Adriaan Buddingh (1811-1867), was als predikant werkzaam geweest in Batavia. Hij was verbonden aan het zendingswezen en had een zeer goede naam opgebouwd; hij was in 1857 met echtgenote naar Nederland teruggekeerd. De familierelatie met deze bekende voorvechter van goed onderwijs aan de bevolking in Nederlands-Indië kon deuren voor Gustav openen in kringen rond het koloniale bestuur. Tenslotte kwam ook Gustavs neef Jan Buddingh naar Batavia om, zoals hij, te worden gestationeerd als tolk Chinees. Hij was een zoon van Johan, de broer van Cornelia die in St. Oedenrode predikant was. Met dit gezin onderhielden de Schlegels in Leiden, zoals gezegd, een intensief contact. Neef Jan was nog bezig met zijn opleiding tot tolk en had Gustav bezocht toen hij in Amoy en Kanton stage liep. Daar was gebleken dat de beide jongemannen zulke uiteenlopende karakters hadden dat daarvan niet veel positiefs te verwachten viel. Gustav was volgens Hermann niet opgewassen tegen het luchthartige karakter van neef Jan. Hij schreef daarover aan Leander: ‘Diese beide Naturen, die eine [Gustav] innerlich und praktisch, die andere [Jan] äußerlich u. höchst banal, können aber auch nicht sympathisieren.’ 411 In latere jaren zou Gustav in het domineesgezin in St. Oedenrode zijn bruid vinden. Vooralsnog moest Gustav wachten op de dienstopdracht om met zijn werkzaamheden te kunnen beginnen. Hij hoopte sinds jaar en dag op een plaats bij het Hooggerechtshof in Batavia. Door kennismakingsbezoeken te brengen aan ambtenaren van het Gouvernement, zowel officiële als informele, probeerde hij zijn voorkeur onder de aandacht te brengen. Hij nam actief deel aan het gezelschapsleven in Batavia, werd zelfs lid van een koor. Hij werd er als nieuwkomer verwelkomd. Groot was zijn teleurstelling toen bleek dat hij als tolk in Riouw was geplaatst. Gustav hat einen harten Stand bei seiner Ankunft in Java gehabt. Der Beschluss, ihn nach Riouw zu schicken, war schon ausgefertigt. Er hat aber das Falsche der Maatregel(sic), die Sinologen

410 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L.Schlegel, 1862 08 18, orthografische tekst, brief van 18 augustus 1862, p. 4. 411 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L.Schlegel, 1862 05 27, orthografische tekst, brief van 27 mei 1862, p. 6.

194


auf Buitenposten (sic) zu bannen, in einem kurzem Aufsatz angezeigt, und sich selbst nach Buitenzorg begeben, um seine Sache mündlich zu verteidigen. Obgleich er den Gouverneur-General selbst nicht sprechen konnte half das dennoch, und er kriegte seine jetzige Stelle. 412

Gustav werd dankzij zijn actie alsnog aangesteld bij het Hoog Gerechtshof in Batavia met een bezoldiging van driehonderd gulden per maand met een tweejarige traktementsverhoging van vijftig gulden. Op die wijze zou hij bij een twintigjarig dienstverband gedurende de laatste twee jaren het maximale traktement van achthonderd gulden per maand ontvangen. Daarna kon hij een pensioen tegemoet zien naar evenredigheid van het genoemde maximum. Zowel aan Gustav als aan zijn directe collega, die tegelijk met hem was benoemd, M. von Faber, werd een Chinese schrijver toegevoegd, respectievelijk Ti Tik Khing en Oe Tsoe Khing.413 Von Faber was op Java opgeleid, had een stage doorgebracht in China en werkte als tolk in Monterado aan de westkust van Borneo. In Leiden werd het bericht van de aanstelling met vreugde ontvangen. ‘So eben kommen lange Briefe von Gustav! Wohl! Angestellt! Amtseid getan! Bleibt auf Batavia! Hat aber grossen Kampf gekostet, darüber das volgende (sic) Mal.’ 414 Al in een volgende brief wist Hermann Leander te vertellen hoe zijn broer zich amuseerde. Hij was door de GG vriendelijk ontvangen. Ze hadden over het Museum gesproken. Gustav bracht de dank over van zijn vader voor de welwillendheid van de GG. Gustav ontving gelijk een uitnodiging voor een op handen zijnde bal van de GG.415 Gustav voorkomt een gerechtelijke dwaling Gustav was nog maar kort aan het werk toen hij een geruchtmakende heropening adviseerde van een rechtszaak tegen veertien zeerovers die allen ter dood waren veroordeeld. De casus werd voorgelegd aan Gustav die op onregelmatigheden stuitte in de processtukken, met name op tegenstrijdigheden in de verbalen van de verhoren, zo ook in de verslagen van de Chinese tolken. Hij constateerde dat niet alle beschuldigden feitelijk aan de ten laste gelegde piraterij hadden deelgenomen. De verbalen van de door hem ingestelde verhoren van de reeds veroordeelden brachten aan het licht dat één persoon niet aan de moordpartij had meegedaan en dat

412 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L Schlegel, 1862 10 20, orthografische tekst, brief van 20 oktober 1862, p. 5. 413 NL-HaNa, toegang 2.10.02, Minister van Koloniën 1850-1900, inv. nr. 7333, 2e band, minuut 20 augustus 1862, kenmerk f 428. Vgl. Leonard Blussé, ‘Hewers of wood and drawers of water’ in: Willem Otterspeer ( Ed.), Leiden oriental connections, 1850-1940 (Leiden, E.J. Brill, Universitaire Pers) pp. 317-354, aldaar p. 335. 414 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, 1862 12 10, orthografische tekst, brief van 10 december 1862, p. 6. 415 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, 1862 10 28, orthografische tekst, brief van 28 oktober 1862, p. 1.

195


twee anderen aan de hele gebeurtenis onschuldig waren. Zij waren zelf slachtoffer van een kaping en waren onder ede gedwongen als gevangenen met de roversbende mee te werken. Beiden waren kapper van beroep. De heropening van het proces had als resultaat dat van de veertien ter dood veroordeelden er elf het vonnis bevestigd zagen. Zij werden geëxecuteerd door ophanging. Eén werd veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf en de twee kappers werden vrijgesproken. Omdat deze rechtsgang opzien baarde, werd er verslag van gedaan in de kranten. Zo vestigde Gustav de aandacht op zijn deskundigheid als tolk alsmede op zijn forensische kwaliteiten. Het werkte als een meesterproef. Gustav schreef over deze zaak in een brief aan zijn vader, die op zijn beurt de omstandigheden en het onderzoek uit Gustavs brief overnam en Leander opdroeg de gebeurtenis in extenso aan de familie in Altenburg voor te lezen. Hermann voegde aan het sobere, feitelijke verslag van zijn zoon zijn persoonlijke interpretatie toe. Deze zaak was goed voor Gustavs reputatie, niet alleen bij zijn superieuren, maar in het algemeen door de aandacht die de pers voor deze zaak had. Blijkbaar waren ook de Chinezen met hem ingenomen.‘Auch für seine materiellen Angelegenheiten sind noch allerlei Voraussichten entstanden.’ De Chinese gemeenschap wist hem te vinden met verzoeken vertalingen voor hen te verzorgen: ‘und das lässt er sich natürlich gut bezahlen, z.B. die Übersetzung einer Quittung, die nur ein paar Minuten kostet 1 Louis d’or, usw. ’ Hermann verwacht dat Gustav op die manier jaarlijks een paar duizend Taler bij kan verdienen, zonder enige inspanning. Er zou bovendien sprake van zijn dat hij via bemiddeling van P. Diard zou worden uitgenodigd Chinese taal te onderwijzen aan het Bataafse lyceum.416 P. Diard was lid van de NTKCie in Batavia. Hij was een natuuronderzoeker van wie het Museum veel voorwerpen had ontvangen. Hij complimenteerde Hermann met Gustav. ‘Ich habe in ihm eine liebenswürdigen, schönen jungen Menschen kennengelernt, der allen Stoff in sich hat zu einem weisen und tüchtigen Staatsdiener. ’ Tenslotte voorspelt Hermann zijn familie dat hij spoedig zal verhuizen naar een eigen huis met paarden en een wagen om zich te verplaatsen en bedienden om hem te verzorgen. 417 De gouverneur zelf deed ook een duit in het zakje. Hij schreef naar Hermannn in Leiden een vriendschappelijke brief, waarin hij zich tevreden toonde over het werk van Gustav, die de regering goede diensten verleende.418 Niet lang daarna liet Gustav zijn vader weten dat er overleg werd

416 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, 1862 12 30, orthografische tekst, brief van 30 december 1830, p. 5. 417 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, 1862 12 30, orthografische tekst, brief van 30 december 1862, pp. 2-5. 418 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, 1863 02 10, orthografische tekst, brief van 10 februari 1863, p. 4; idem, 1863 02 17, brief van 17 februari 1863, p. 8.

196


gevoerd hem te benoemen als adviseur van het gouvernement in zake Chinese aangelegenheden. Zolang dat niet officieel was afgekondigd, werd zwijgplicht opgelegd. 419 Het jeugdig enthousiasme van de tolk leidt tot dit soort opgewekt genieten in de juist betreden professionele wereld serieus te worden genomen. De samenwerking met zijn naaste chef was aanvankelijk enigszins aftastend en zoekend naar de juiste toon. De Resident van Batavia bleek in de omgang een trotse, niet erg toeschietelijke man te zijn. Zijn aanvankelijke reserves liet hij snel varen, naarmate hij Gustav beter leerde kennen. Dat kwam omdat Gustav zijn baas consequent de hem toekomende eer bewees, zonder zijn eigen karakter te verloochenen. Zijn strategie in deze was alles wat hem werd opgedragen correct uit te voeren.420 Kritisch lezen van de brieven van Hermann aan Leander doet vermoeden dat de vader een bedoeling had om over Gustavs succes en optreden hoog op te geven in diens brieven aan Leander. Hij stelde hem ten voorbeeld aan de veel weerbarstiger jongste in de familie. Hij plaatst de succesvolle en volgzame Gustav tegenover zijn jongere broer die in Leipzig afkoerste op een volledige mislukking, althans in de ogen van zijn vader. Voorkeur voor sinologische studies De Chinese gemeenschappen op Java vertoonden een treffende gelijkenis met de gedragspatronen die hij in China had leren kennen als typerend voor hun culturele make-up. Het maakte geen verschil of er sprake was van families die generaties lang in de archipel verbleven of zich er als eerste en tweede generatie in gezinsverband bevonden. Zij bleven zich herkenbaar als Chinezen gedragen. Klaarblijkelijk wisten zij zich in de Indische samenleving te handhaven met behoud van hun cultureel erfgoed. Dat kwam vooral tot uitdrukking in hun omgangsvormen, godsdienstige reflecties en leefpatronen. Gustav raakte door deze vaststelling ge誰nspireerd zijn intellectuele belangstelling te richten op het bestuderen van hun gedragingen alsmede te speuren naar de historische wortels waaruit deze voortkwamen. Kennis daarvan, zo meende hij, zou leiden tot een beter inzicht in hun wijze van leven. Het zou verklaren hoe zij als minderheid kans zagen hun leven in te richten wanneer zij zich buiten het Chinese imperium vestigden. Aanpassing aan plaatselijke gewoonten vonden plaats, maar altijd wel op een manier die hen toestond naar eigen aard hun leven in te richten, zonder in conflict te komen met andere bevolkingsgroepen, die hun inspiratie ontleenden aan andere bronnen. Er vond geen transformatie

419 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, 1863 03 02, orthografische tekst, brief van 2 maart 1863, p. 4. 420 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, 1863 03 02, orthografische tekst, brief van 2 maart 1863, p. 5.

197


plaats die over generaties heen zou hebben geleid tot assimilatie. Hun zelfhandhaving bestond uit aanpassing aan de wetten en regels van het verblijfsland, met behoud van distantie. Hun taal was daarbij een belangrijk element. Om hun kinderen de weg te leren kennen in die taal lieten zij – we hebben het eerder gemeld – schoolmeesters overkomen uit China. Zij moesten hen introduceren in de waarden en de daaruit voortkomende gedragspatronen, met andere woorden hen vormen tot Chinezen. Hun participatie aan de samenleving werd er door gekenmerkt. Huwelijken met lokale vrouwen eisten een leven volgens de gewoonten en regels van hun Chinese echtgenoten. Ook de kinderen uit deze gemengde huwelijken werden opgevoed volgens de tradities van het land van herkomst van de vader. Gustav wilde de verschijnselen van deze Chinalisering als levens- en opvoedingsprincipe beschrijven met het doel de gedragspatronen en het waardecomplex die daaraan ten grondslag lagen te onderzoeken en te beschrijven. Niet alleen door een filologische speurtocht naar de wortels van hun taal, maar door alle uitingen van hun Chinese identiteit daarbij te betrekken, zowel materiële als immateriële. De historische component was daarbij een belangrijk gegeven. Hij onderwierp oude teksten aan historiografisch onderzoek en bracht ze in verband met de bevindingen van andere onderzoekers. De Chinese cultuur beschikte over een rijk corpus aan literaire, staatkundige, wetenschappelijke en historische werken. Om die reden onderzocht hij de geschiedenis van het Chinese rijk zelf. Hij vergeleek de uitkomsten met wat hij in buitenlandse gemeenschappen aantrof waar Chinezen als minderheid leefden. De studie van hun wijze van leven die zij in Nederlands-Indië hadden weten te organiseren, zelfs in samenwerking met de koloniale overheid van die dagen, werd het venster van waaruit Gustav zijn onderzoeksveld definieerde. Hij zag in dat dit studieprogramma onderscheid moest maken tussen het dagelijks leven van de massa, die veelal laaggeletterd was, en die van de kleine groep geschoolden. De succesrijken bekleedden gedurende hun carrière sturende functies in de Chinese gemeenschap. Zij vervulden de rol van intermediair tussen de Chinese gemeenschap en de koloniale machthebbers. Zij traden regulerend op als bewakers van het culturele erfgoed. Het complex van zeden en gewoonten was hen, geletterd of ongeletterd, eigen. Het was de basis voor hun handelen en daardoor nadrukkelijk aanwezig in hun levens. In deze vervulden de in China opgeleide onderwijzers een belangrijke rol. Zij moesten de klassieke waarden en de daarmee samenhangende normen overdragen. De methode van hun onderwijs was gebaseerd op klassikaal reciteren, inprenten en reproduceren, veelal aan de hand van uitingen van vereerde leermeesters uit de rijke geschiedenis van het land. De gedragsregels waren doordrongen van respect voor de leraar in overeenstemming met het principe van respect voor ouderen en de deugd van gehoorzaamheid. De kinderen werd geleerd te wachten tot ze de betekenis van wat hen was geleerd konden begrijpen, naarmate zij ouder werden en teruggrepen 198


op hun ‘hoe hoort het eigenlijk’ dat veel verder ging dan voorschriften over etiquette. Gustav wilde met zijn onderzoek bijdragen aan het begrip in de kolonie voor deze burgers van Chinese afkomst. Publicaties in Batavia Vanaf zijn aankomst in Batavia tot aan zijn vertrek in 1872 gaf Gustav 36 publicaties uit. Een door Brill gepubliceerde chronologische lijst biedt een bruikbaar overzicht.

421

Dit oeuvre

draagt de kenmerken van de hierboven aangegeven onderzoeksonderwerpen. Het waren artikelen in tijdschriften, dag- en weekbladen en twee boeken. Gustav koos voor een onderzoeksveld dat duidelijk veel breder was dan strikt genomen noodzakelijk was om als tolk voor het Hoog Gerechtshof op te treden. Dit zou karakteristiek blijven voor zijn toekomstig wetenschappelijk onderzoek. Hij begreep dat als hij zich in zijn werk wilde onderscheiden deelname aan het debat in de samenleving over maatschappelijke vraagstukken in de kolonie noodzakelijk was. Gustav vond een forum in een aantal in Batavia gevestigde genootschappen die zich met samenleving en cultuur bezighielden. Zijn vader had, toen hij zich in 1825 in Nederland vestigde, zich op ongeveer dezelfde wijze toegang verschaft tot het maatschappelijk leven in Leiden. Deze schreef in op prijsvragen over biologische onderwerpen, daartoe aangespoord door zijn prille vriendenkring in 1825. 422 Gustavs uitgangspositie was gunstig, hij had de status van gouvernementsambtenaar en tolk. Van daaruit kon hij beginnen met het publiceren van mededelingen aan het juridische personeel in dienst van het landsbestuur. In 1862 verschenen in het Het Regt in Nederlandsch-Indië een artikel gewijd aan Chinese testamenten, donaties en erfopvolging. 423

In hetzelfde jaar volgde een bijdrage over huwelijken in China.424 In 1863 schreef hij over

de Chinese eed.425 In 1867 publiceerde hij in Het Indisch Weekblad van het Regt, ‘Staaltjes van Chineesch-Regterlijke scherpzinnigheid medegedeeld uit den Wijsheidsbuidel.’426 In deze bijdragen ging het om onderwerpen over het Chinese recht, in relatie tot de rechtspraak in de kolonie. De overige publicaties in zijn Indische jaren zijn beknopte beschrijvingen van een verschijnsel. Ze hebben een informatief karakter. Het recept was steeds een thema centraal stellen, dat vervolgens analyseren en presenteren naar kenmerken, oorsprong en reikwijdte. Zij hadden G. Schlegel, Liste chronologique des ouvrages et opuscules publiés (Leiden, E.J. Brill 1902). Vgl. dl. I, Weddenschappen en prijsvragen, pp. 67-72. 423 G. Schlegel, ‘Chineesch regt. Iets over Chineesche testamenten, donatiën en erfopvolging’, Het Regt in Nederlandsch-Indië, nr. 11 en 12 (Batavia, september 1862). 424 G. Schlegel,‘Wettelijke bepalingen omtrent de huwelijken in China en beschrijving der daartoe gebruikelijke plegtigheden’, Het Regt in Nederlandsch-Indië (Batavia, november 1862). 425 G. Schlegel,‘De Chineesche Eed’, Het Regt in Nederlands-Indië (Batavia, mei 1863). 426 G. Schlegel, ‘Staaltjes van Chineesch-Regterlijke scherpzinnigheid medegedeeld uit den Wijsheidsbuidel’, Indisch weekblad van het Regt, 9 en 23 juli, 3 september, 1 en 29 oktober, 24 december 1866 en 15 januari 1867. 421 422

199


veelal een opsommend karakter, te beschouwen als een beknopte schets van een stand van zaken. Gebruiken, zeden en gewoonten, met name prostitutie, het verschijnsel vrouw en de man/vrouw verhouding zijn thema’s die regelmatig aan de orde kwamen in zijn publicaties. Gustavs strategie was klaarblijkelijk zich te profileren als onderzoeker van het Chinese gemeenschapsleven. Door te publiceren vestigde hij de aandacht op zich als onderzoeker van de Chinese cultuur. Meer nog dan de juridische kwesties die hij in zijn werk als tolk aantrof, ging het hem om de leefpatronen van de Chinezen in het grote rijk in vergelijking met de wijze waarop zij in de diaspora hun levenswijze handhaafden. Los van de inhoud van zijn publicaties richt de focus van deze studie zich op de vraag op welke wijze Gustav er in slaagde zich een plaats te verwerven als sinoloog. Hij wilde zich profileren als taalkundige en als kenner van de Chinese cultuur en geschiedenis, daarmee uitstijgend boven zijn werk als tolk aan het Hooggerechtshof. Formeel had hij zijn positie verworven, maar zijn persoonlijke agenda dreef hem verder dan dat. De centrale vraag in dit onderzoek is op welke wijze Gustav zijn voornemen realiseert. In hoeverre slaagt hij erin ruimte te creëren om aan zijn persoonlijke agenda te werken? Met het oog daarop is het voldoende slechts die publicaties te onderzoeken die daarop betrekking hebben en dan nog niet eens naar letterlijke inhoud, maar in hoeverre zij illustratief zijn voor de manier waarop Gustav zijn leven als wetenschapper gestalte wilde geven. Zijn nieuwe ambitie is zich te profileren als taalkundig wetenschapper. Overlijden van Gustavs moeder Op 2 december 1864 overlijdt Gustavs moeder in Leiden na een kort ziekbed. De teraardebestelling vond pas in januari daaropvolgend plaats ‘vanwege de vele buitenlandse betrekkingen.’ Een dankbetuiging voor de belangstelling werd op 29 januari 1865 in Leidse kranten geplaatst.427 Dat alles was nog te snel om Gustav de gelegenheid te geven daarbij aanwezig te zijn. Hoe hij dit verlies heeft verwerkt is onbekend, rouwen zal per brief hebben plaatsgehad. Zijn vader hield niet van de dood en heeft zelf ook nauwelijks zijn mening daarover nagelaten. Het moet de vierentwintigjarige hebben geraakt, maar ook van hem ontbreekt in ons materiaal elk spoor over deze ingrijpende gebeurtenis. Slechts in de bezorging van zijn vaders autobiografie schrijft hij dat zijn vader niet over de dood van diens echtgenote wilde spreken. Hermann zelf memoreerde haar overlijden in een brief aan de commandant van het Japanse détachement

427

Centraal Bureau Genealogie te den Haag, Familieannonces. Vgl. Archief MvN, in mijn bezit.

200


in Den Haag, waarin hij zich vanwege ‘een droevig sterfgeval in huiselijke kring’ verontschuldigt voor de lange tijd dat deze moest wachten op een wevervogel die hem was toegezegd door het Museum.428 In de Levensschets geeft Gustav plaatsvervangend dit zwijgen een reden: ‘Omtrent zijn inwendige gemoedsaandoeningen was hij (Hermann vZ) zeer gesloten; hij liet zich daarover zelden uit, al gevoelde hij ze toch diep.’429 Het is mogelijk dat Gustav hier voor hen beiden sprak. Het verschijnsel prostitutie Klaarblijkelijk heeft het zedelijke gedrag dat Gustav in China had geobserveerd diepe indruk op hem gemaakt. Nog maar net achttien jaar oud was hij in aanraking gekomen met de gebruiken in de Chinese havensteden. Hij constateerde niet alleen een zeer ongelijke man- vrouwverhouding (ten detrimente van de positie van de vrouw), maar ook dat de man - vrouw verhouding werd gekenmerkt door in zijn ogen zedeloze opvattingen die strijdig waren met wat hij in Leiden had waargenomen ten aanzien van de relatie tussen de geslachten. Als zesentwintigjarige had hij zich inmiddels een oordeel gevormd over het zedelijk gedrag van de Chinees en de plaats van bordelen in hun gemeenschap. Hij achtte zich gerechtigd daarover de pen te voeren nadat hij had vastgesteld dat daarover nauwelijks door westerlingen was gerapporteerd. Vrijwel alle publicaties zijn ‘het tedere punt van zedelijkheid met stilzwijgen voorbijgegaan of hebben het slechts even aangeroerd.’430 Wat hij in China aantrof, vergeleek hij met de ondergang van het Romeinse Rijk. ‘De veilheid van het Romeinse volk had het verzwakt en gesplitst, niet meer in staat de helm en het harnas te dragen, of het zwaard ter verdediging van het vaderland te voeren.’ Het keizerrijk leed onder een wrede burgeroorlog die al meer dan vijftien jaar aan de gang was. Buitenlandse vijanden hadden het land bestookt en zouden ‘aan deze zoo hoogmoedige natie voor haar aller vernederendste voorwaarden hebben opgelegd. De vroeger zo geharde krijgsbenden waren laffe verwijfde wellustelingen geworden.’ Gustav neemt hier een politiek standpunt in. Enerzijds wijst hij historisch-psychologiserend op de gevolgen van de overheersing van het Tartaarse nomadenvolk in het keizerrijk en anderzijds op de Engels - Franse coalitie die koste wat kost de vrijhandel wilde afdwingen voor hun handelswaar. Gustav zag als

428 NL-HANa, Rijksmuseum Natuurlijke Historie, 3.12.17, inv. nr. 34, officiële correspondentie, kenmerk nr. 4, 11 januari 1865. 429 G. Schlegel, Levensschets, p. 83. 430 G. Schlegel, Iets over de prostitutie in China, overdruk uit de verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, XXXIIste deel (Batavia, Lange & Co. 1866) pp. 5-25.

201


oorzaak ervan ‘het grenzenloze zedenbederf dat alle standen in China verpest heeft.’ Hij zag zijn opdracht als moeilijk, want de pen weigert dikwijls de grove onzedelijkheden neder te schrijven, die de schrijver wenscht bekend te maken, en de nieuwere talen lenen zich moeielijk tot de beschrijving van de, het kuisheidsgevoel kwetsende handelingen. 431

Hij stelde de lezer gerust in zijn tekst binnen de grenzen van het welgevoeglijke te blijven. Hij geeft aan voor termen die hij niet in het Nederlands kan opschrijven de Latijnse benaming te gebruiken. Gustav houdt zich aan dat voornemen. Hij volstaat met uiteen te zetten hoe prostitutie was georganiseerd. Het was niet verboden, maar kon wel worden bestraft met honderd stokslagen, waarvan niemand zich iets aantrok. Kennelijk was het verbod een dode letter. Prostituees werden ‘bloemenmeisjes’ genoemd die door de eigenaresse van het bordeel werden gevoed, gekleed en getraind voor de belangrijke entertainmentfunctie van een lustvolle omgang. De werelden van mannen en vrouwen waren in China strikt gescheiden. Vrouwen leefden binnen hun familie tot zij werden uitgehuwelijkt om daarna in die van haar echtgenoot te worden opgenomen. Het bepaalde ook de omgangsvormen. Meisjes werden al op zeer jonge leeftijd uit heel China door handelaren geronseld, die hen kochten of ontvoerden. Ze waren hun ouders tot last als die arm waren. Om te kunnen trouwen moest een bruidsschat worden betaald. In feite waren zij kansloos als de armoede het niet toeliet te trouwen. Ze moesten zeer geleidelijk worden geïntroduceerd in hun latere beroep. Eerst moesten ze leren zich te gedragen als verleidsters en gekneed worden in het vermaken van bezoekers met muziek en dans en het reciteren van poëzie. Als het meisje dertien jaar oud was, kwam zij in de aanbieding als maagd die tegen een hoog tarief haar onschuld verloor. Dat maakte hen verder ongeschikt voor de huwelijksmarkt. Het werd de ‘bloem regelen’ genoemd. Daarna bleef haar prijs hoog tot ze als vijftienjarige ter beschikking van klanten stond, dat met ‘bloem plukken’ werd aangeduid. De straten waar deze gelegenheden waren gevestigd werden ‘bloemstraten’ genoemd’ of ‘wilgenlanen’. Vaak werden de dames mishandeld door de bordeelhoudster. Zodra zij geen ‘marktwaarde’ meer hadden, werden ze verkocht aan bordelen van mindere standing, om als uitgestotenen te eindigen in een uiterst kwetsbare situatie. Gustav meende dat de zedelijke en morele standpunten van de vrouw in China in het algemeen beter waren dan die van de mannen. Seksuele gemeenschap werd gelegitimeerd onder ‘het zegel van de goedkeuring van eene geheime huwelijkseed.’ Deze werd als rechtsgeldig

431

idem, p. 6.

202


beschouwd. Ontucht in kloosters was een geliefd onderwerp in bellettrie. Als voorbeeld noemt hij een novelle met de titel Erotica in de Jaspis-toren. Daarin werd een tafereel uit de doeken gedaan ‘zo vuig onzedelijk wellustig, als geen Boccaccio het ooit heeft geschetst’. Tegennatuurlijke wellust bestond ook. Gustav schrijft dit toe aan de strikte scheiding tussen mannen en vrouwen in combinatie met de strenge straffen die op overspel stonden, althans van de vrouw. In sommige gebieden in Zuid-China waren er dorpen die geheel zonder mannen waren. Alle mannen waren vertrokken om als koelies op één van de eilanden in hun levensonderhoud te voorzien. De vrouwen in het plaatsje ‘Sam-to zijn er slechts op bedacht mannen te krijgen, en wee den onnozele reiziger die aan de sirenen gehoor geeft.’ Vrouwen kenden het gebruik van een kunstpenis, vervaardigd van zacht leer of dun hoorn opgevuld met watten. Onder mannen kwam ‘tegennatuurlijke seks’ ook veel voor. Pedofilie werd openlijk getoond. Volwassen mannen kochten jonge jongens voor hun vertier, om ze te verstoten zodra ze vijftien jaar werden. Zij werden de latere prostituees. In de omgeving van Peking hadden Franse en Engelse troepen instituten aangetroffen waar jongetjes werden voorbereid op dit leven vanaf hun elfde jaar. Ze werden vaak gecastreerd en als meisjes gekleed. Geslachtsziekten kwamen uiteraard veelvuldig voor. Hoewel Gustav veel bewonderde in de Chinese cultuur was hij er van overtuigd dat het land ten prooi was aan zedenbederf. Hij vond dat het westen een beschavingsoffensief moest entameren. In zijn latere werk komen nog enkele studies voor over het familieleven en over de rollen van mannen en vrouwen ten opzichte van elkaar. Het zijn vooral toelichtende teksten om in de context van hun cultuur de achtergronden van het gedrag te verklaren. In het artikel over prostitutie heeft de verbazing de overhand, hand in hand met bezorgdheid dat niet de westerlingen barbaren zijn, maar de Chinese samenleving van barbarisme is doortrokken. Dit artikel somt zijn waarnemingen op. Gustav ziet over het hoofd dat het zedelijk niveau in havensteden niet zomaar kan worden gegeneraliseerd. Het zal niet bij deze studie blijven. Andere zullen volgen die het zedelijk leven tot onderwerp hebben, prostitutie beschrijven en handelen over de positie van vrouwen en mannen in de Chinese samenleving. Naar inhoud spiegelen ze de hier besproken studie.

203


Hoa Tsien Ki, roman In 1865 verscheen van de hand van Gustav een vertaling van een veel gelezen liefdesgeschiedenis, Hoa Tsien Ki.432 In de Voorrede plaatst hij de roman in een reeks aangeduid als ‘Achtste van de tien schrijvers van genie, één van de meest populaire romans van het Middenrijk.’ De veel gelezen tekst richt zich op een breed publiek. Het boek was in Nederlands-Indië in bibliotheken beschikbaar. Gustav motiveerde zijn keuze juist deze roman te vertalen omdat dit verhaal veel vloeiender geschreven is dan doorgaans in dit genre het geval was. Hij waarschuwt de lezer niet te verwachten een meeslepend verhaal te zullen lezen van ‘wanhopige liefde, moorddadige jalousie of schrikwekkende ontmoetingen.’ Bij de flegmatieke Chinezen verklaart hij deze gemoedsaandoeningen onbekend. Eerder verwacht hij dat de lezers zijn vertaling stijf en te beknopt zullen vinden. Chinezen schrijven proza in metrische regels ‘van gemiddeld zeven woorden per regel.’ Een vrijere vertaling was niet mogelijk omdat daardoor de oorspronkelijke tekst teveel geweld zou worden aangedaan. Het gevolg zou zijn dat de tekst een ‘Hollandse omwerking zou zijn geweest.’ Hij vond dat vanuit een wetenschappelijk oogpunt bovendien niet geoorloofd. Gustav wijst erop dat de namen van personen en plaatsen volgens de Franse schrijfwijze zijn vertaald ‘want zolang geen algemeen aanvaard alfabet voor de klanknabootsing van vreemde talen is ingevoerd, leidt het gebruik van verschillende vertaalwijzen slechts tot een hopeloze verwarring.’ Ook motiveert hij waarom hij bij zijn vertaling de tekst in het Chinees niet bijvoegt, hoewel hij dat meestal wel doet om zijn collega-filologen de gelegenheid te geven zijn vertaling onder kritiek te stellen. De reden is dat het beoogde lezerspubliek voor deze romannetjes toch geen woord Chinees leest. Het verhaal gaat over een jonge man, Liang, die studeert voor het centrale overheidsexamen. Hij moet daarvoor slagen, wil hij zijn toekomst in het openbaar bestuur of de wetenschap vinden. Hij was de zoon van een rijkskanselier. Het meisje is de dochter van een hoofdofficier. De wederwaardigheden van hun liefdesgeschiedenis wordt in achtentachtig bladzijden verteld. Gustav vergemakkelijkt het begrijpen van de tekst door in ‘nota’s’ tekstverklaring toe te voegen. Het zijn er totaal eenenzestig. Ze bestaan uit historische verwijzingen naar de oorsprong van de beschreven geschiedenis, toelichting op het taalgebruik, de zeden en gewoonten. Voor zover de beschrijving gebaseerd is op bestaande mythen, legenden en sprookjes verduidelijkt

432 G. Schlegel, ‘Hoa Tsien Ki of Geschiedenis van het gebloemde briefpapier. Chinese roman’, uit den oorspronkelijke tekst vertaald door G. Schlegel, translateur voor de Chinese taal, lid van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen en van het Koninklijke Instituut voor Taal- Land- en Volkenkunde van Nederlandsch-Indië’ in: Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, deel 32, 1ste stuk, overdruk (Batavia, Lange & Co. 1865) voorrede - VI, inhoudsopgave VII en VIII, 101 pp. Errata en advertentie voor het boek van G. Schlegel: The Hung- League dat in 1866 zou verschijnen.

204


hij de inhoud en plaatst ze in de tijd. Voor het begrijpen van de tekst acht hij deze informatie onmisbaar. Hij verklaart met name de betekenis van de veelvuldig voorkomende verhullende beeldspraak. Het verhaal bestaat uit vijftig korte hoofdstukjes. De verteller blijft als personage in het verhaal anoniem. Hij moet als externe verteller de lezer informeren wanneer het vertelperspectief wisselt. De verhaallijn beweegt zich rond het thema van een opbloeiende liefde en alle complicaties die overwonnen moeten worden om aan het einde in een goede afloop voor alle partijen te eindigen. De lezer heeft dan meegemaakt hoe de student en het meisje, beiden behorend tot de bestuurskaste in het keizerrijk, verliefd worden, dat dit wederzijds is en dat binnen de regels van de gemeenschap tot een huwelijk wordt gekomen. Het daarbij horende spel van het hof maken vraagt om het doorbreken van de onbenaderbaarheid van het meisje dat leeft in afzondering in haar eigen woonafdeling, omringd door kameniersters, strikt volgens de regels, in afwachting van het besluit van haar ouders haar te gunnen aan een zoon van een familie van gelijke of hogere stand. De lezer leert hoe dat in zijn werk gaat. Het fenomeen van de gebonden voeten van meisjes dat hun loopfunctie ernstig beperkt, werd bijvoorbeeld beleefd als een erotiserend object. De verminkte voetjes werden eufemistisch aangeduid als ‘gouden leliën’.433 Gustav koos dit boekje niet vanwege het verhaal, maar als filoloog omdat het hem in de gelegenheid stelde de betekenis van de tekst te verduidelijken en uitleg te geven over de achtergrond van het in de cultuur verankerde gedragspatroon en de wijzen van spreken. Voor lezers die geen Chinees kunnen lezen was het een mogelijkheid geïnformeerd te worden hoe het leven in China werd geregeerd door conventies. Zijn bedoeling was de achtergronden daarvan te tonen en zo bij te dragen aan beter begrip van het Chinese volk en hun cultuur. Daarvoor kon naar zijn mening dit simpele verhaaltje dienen. Deze werkwijze zou hij gedurende zijn leven steeds toepassen. Hij wilde tonen hoe het Chinese leven in elkaar stak, met respect en soms zelfs onverbloemd met bewondering. Deze inspanning was geen toevoeging aan zijn deskundigheid als tolk. Het paste wel in zijn strategie door taalkundig onderzoek de Chinese cultuur te ontsluiten. In 1877 publiceerde Gustav Le vendeur d’huile qui seul possède la reine-de-beauté.434 In deze roman gaat het om een olieverkoper die een prostituee uit haar benarde positie redt. Het beschrijft de treurige omstandigheden van dat leven. Een onversneden liefdesgeschiedenis.

G. Schlegel, ‘Geschiedenis van het gebloemde briefpapier’, p. 12. G. Schlegel, Le vendeur d’ huile qui seul possède la reine-de-beauté , ou splendeurs et misères des courtisanes chinoises, roman chinois, traduction pour la première fois sur le texte original par Gustave Schlegel (Leiden, Brill 1877 et Paris, Maisonneuve). 433 434

205


Het verschijnsel geheime genootschappen Gustavs streven om naast zijn werk als tolk zich te richten op het bestuderen van de Chinese cultuur en samenleving vond een nieuwe uitdaging in een onderzoek naar het verschijnsel van geheime genootschappen in China en India. In 1866 verscheen in Batavia de eerste druk van Thian-ti-hwui, the Hung League or Heaven-Earth-League.435 Gustav kreeg toestemming voor deze studie van het Gouvernement omdat geheime genootschappen door hun verborgen bestaan omgeven waren met veel geheimzinnigheid en allerlei onbewezen uitspraken over hun duistere activiteiten deden ongecontroleerd de ronde. Verhalen over gewelddadigheid, moord, diefstal en repressie van slachtoffers waren er te over, evenals theorieĂŤn over de aard en organisatie van deze genootschappen. Niemand wist precies wat hun aard en werking was, maar wel dat er zulke geheimzinnige verbanden bestonden, waarvan een zekere dreiging uitging voor de openbare orde. De aanleiding tot zijn onderzoek was het in beslag nemen van documenten door de politie in Padang (Sumatra) bij een huiszoeking in verband met onderzoek naar een man, die verdacht werd van diefstal en lidmaatschap van een geheim genootschap. In the spring of the year 1863, a lot of books were, very accidentally, found by the police in the house of a Chinaman suspected of theft at Padang (Sumatra), which proved the existence of a secret society at that place, numbering about 200 members. 436

Gustav kreeg de processtukken over deze zaak met het doel ze te vertalen uit het Chinees in het Nederlands, en ter rechtszitting op te treden als tolk. Omdat de zaak al op de rol van de rechtbank stond, had hij onvoldoende tijd de documenten te vertalen. Hij verzocht hem daarom alle informatie over geheime genootschappen waarover de rechtbank en het gouvernement beschikten voor bestudering toe te sturen. Zo gebeurde. De documenten die hij ontving, handelden over de statuten van een geheim genootschap waaronder teksten van onder ede afgelegde beloften zich te onderwerpen aan de reglementen van dat genootschap. De in beslag genomen tekst bestond uit een handleiding die organisatie en werkwijze blootlegde in een gesloten systeem van reglementen. Hij trof er de initiatieriten aan voor nieuwe leden en gedetailleerde informatie over hun beginselen, in de tekst ‘catechismus’ genoemd, een opsomming van geboden, verboden en sancties daarop. Verder was er informatie over alle symbolen waarvan de organisatie zich bediende en over geheime codes die werden gebruikt, alsmede de parafernalia, met uitleg

435 Gustave Schlegel, Thian-ti-hwui. The Hung-League or Heaven-Earth-League. A secret society with the Chinese in China and India (Batavia, Lange & Co. 1866). Idem, Facs. ed. (Tynron Press Schotland), ed. van de uitgave in Batavia, Lange 1866). Idem: http://library.uoregon.edu/ec/e-asia/read/tihui.pdf (2-12-2013). 436 idem, The Hung-league, pp. V-VI Preface.

206


van hun betekenis en gebruik. Tenslotte werden de attributen opgesomd die voor hun voorgeschreven bijeenkomsten vereist waren en werd hun ontmoetingsplaats beschreven. In het kader van deze familiegeschiedenis beperken we ons tot een globale samenvatting van de inhoud, met weglaten van de vele details die het boek ook nu nog tot een inzichtgevend werk maakt. Het onderzoeksmateriaal waarover Gustav beschikte bestond, naast de vondst in Padang, uit een boek afkomstig uit Japara (Java) gevonden in1851, inhoudend de statuten van het Shantung Genootschap met tekst en tekeningen. Daarnaast beschikte hij over een herdenkingsboek van zeven verenigingen in Palembang. Deze organisatie functioneerde in volledige openbaarheid. Het waren gezelschappen die een maatschappelijke functie hadden binnen de Chinese gemeenschap. Ze waren door het gezag en de bevolking erkend. Het meest waardevol vond Gustav twee Chinese manuscripten die J.E. Teysman uit Buitenzorg had geschonken aan het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, die eveneens tot in bijzonderheden informatie bevatten over aard en werkwijze van het genootschap vergelijkbaar met dat in Padang. Gustav beschikte eveneens over Milne’s beschrijving van de Triad- Society. Tenslotte voegde hij zeven andere studies toe van auteurs die zich met dit verschijnsel bezighielden.437 Geheime genootschappen kwamen niet alleen voor in China en Nederlands-Indië. Ze werden in heel Azië aangetroffen, zoals ook in de westerse wereld. Gustav wilde het bestaande materiaal grondig onderzoeken, niet in de laatste plaats om het Gouvernement te tonen dat hij naast een goede tolk ook als wetenschapper iets toevoegde aan kennis over de Chinese cultuur. Het was duidelijk dat noch in China, noch daarbuiten kon worden gerekend op openhartigheid van al dan niet zelf bij dit fenomeen betrokken Chinezen. Het merendeel van de migranten in de Archipel was laaggeschoold. Hun onderwijzers en priesters in hun tempels hadden nauwelijks

437 idem, The Hung-League, pp. VI I Preface, noot 1: I: W. Milne, ‘The Triad-Society’, Transactions Royal Society of Great Britain and Ireland, read by Rev. R. Morrison at February 5, Transactions Royal Academy of Science of Great Britt. and Irel. Vol. I, 1825, p. 240. II: R. Morrison, ‘A transcript in Roman characters with translation of a manifesto in Chinese language, issued by the Triad-society’, Journal of Asian studies, read 4th April 1829, Vol. I, p. 93. III: Newbold & Wilson,‘The Chinese Triad-society of the Tien-ti-hui’, Journal of Asian studies, Vol. VI, p. 120. IV: E. H. Röttger, Thien-ti-hoih. Geschichte der Brüderschaft des Himmels und Erden der communistischen propaganda China’s ( Berlin, 1852). V: J. Hoffmann, ‘Het hemel en aarde verbond. Een geheim genootschap in China en onder de Chinezen in Indië.’ Milnes and Morrisons mededelingen dienaangaande herzien, aangevuld, gehandhaafd tegen E.H. Röttgers, ‘Geschichte der Brüderschaft des Himmels und Erden’in: Verhandelingen van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde, nr. 3, 1853. VI: E. Braddel, ‘Hikojat Abdallah ibn Abdelkader Moensji’, Journal of the Indian Archipelago and Eastern Asia, September 1852. VII: J. Hoffmann, ‘Bijdragen tot de kennis der geheime genootschappen onder de Chinezen, bepaaldelijk het Thien-ti-hoei’ in: Verhandelingen van het Koninklijke Instituut voor Taal- Land- en Volkenkunde in Nederlandsch-Indië, Vol. II, p. 292. Dit artikel werd mede beïnvloed door de tekst van Abraham Betting van Campen, The overland China mail, 1853. Vgl. The Chinese Repository, Vol. XVIII, juni 1849.

207


benul van de herkomst van het stelsel van gewoonten en gedragsvoorschriften waarop het leven van de Chinese gemeenschap was gebouwd. Daarbij kwam dat: The greater part of the members, consisting to the lower orders of the population are not sufficiently versed in their own language and history, or initiated into the secrets of the league to be able to give any explanation of the symbols, etc. 438

Om tot begrip te komen moest Gustav bij zijn onderzoek als informatiebron goed geschoolde geleerden uit China betrekken. Ook onder hen trof hij grote terughoudendheid aan om van gedachten te wisselen over dit onderwerp, als ze er al iets van afwisten. A second difficulty is found in the unwillingness of Chinese literati to investigate any book treating on this subject. If they are members, and are initiated into the secrets, they are afraid to tell them for, both in China and in the colonies, the league is forbidden by severe laws. 439

Het gevolg was dat iedereen die ernaar werd gevraagd of zij over informatie beschikten, ontkende er iets van te weten. De leidende gedachte daarin was dat loslippigheid tot grote problemen kon leiden. Beschuldigd worden van lidmaatschap bracht de persoon voor het gerecht en er volgden sancties. Het kon het leven van de persoon bedreigen die zijn eed tot zwijgplicht verbrak en zelfs diens familie in gevaar brengen. De vorm waarin deze organisaties waren verankerd was de uitwerking van de idee van broederschap op basis van een eed van trouw aan wetten en reglementen. De overheid verbood ze. In reactie hierop functioneerden deze ondergronds. Met dit materiaal ging Gustav aan de slag. Hij vergeleek de teksten over de Hung-league met de regels en gebruiken van andere broederschappen. Gustav wees er op dat het onder ede beloven elkaar bij gevaar te hulp te komen zich in een ver verleden ontwikkeld had. Nomaden die in stamverband rondtrokken konden zich enigszins beschermen door steun te zoeken bij andere stammen die zij vertrouwden met het doel gezamenlijk moeilijkheden het hoofd te bieden. Het is een oude vorm voor het organiseren van niet vrijblijvende samenwerking. It may be, that it was born of the system of clans, which gave the people the spirit of association. In antiquity the Chinese counted only one hundred families, and till the present day do not possess many more names. [ ] the members of each family having the same origin and name, would of course consider each other as brothers. 440

idem, The Hung-league, p. VI preface. idem, The Hung-league, p. VI preface. 440 idem, The Hung-league, H. I, p. 2. 438 439

208


Het duurde niet lang of Gustav kreeg de indruk dat organisatie en inrichting van Chinese geheime genootschappen overeenkomst vertoonden met de even geheime organisatie van de Orde van Vrijmetselaars in het westen. Volgens Schauberg is deze evident. [ ] die geheimen Gesellschaften im heutigen China, welche überhaupt in ihren Einrichtungen den Freimaurer ähnlich sind, besondere eigene Erkennungszeichen und Erkennungsworte haben, und einen innigen Bruderbund bilden, den 5eckigen Stern mit versetzten Chinesischen Charakteren zum Siegel. 441

De opbouw van de organisatie in de vorm van Loges was eveneens gebaseerd op beloften van trouw en geheimhouding ondergebracht in een stelsel van afspraken, rituelen en symbolen. Informatie over deze beweging in het westen was voor buitenstaanders even moeilijk te krijgen, als over de Hung-league in Azië. In het westen leidde het ontbreken van kennis over handel en wandel precies zo tot veel onbewezen veronderstellingen.442 Tussen de oosterse en westerse geheime genootschappen bestond zoals Gustav vaststelde op tal van punten overeenkomst. Zelf kende hij de vrijmetselarij als beweging van nabij. Zijn opa, Johann David, was in Altenburg lid geweest van een van de de Altenburgse loges.443 Aan zijn vader was het lidmaatschap aangeboden. Hij wees net als Gustav zelf de geheimzinnigheid af die uit de geheimhoudingsplicht voortkwam.444 Zijn vader dacht met dankbaarheid terug aan de loge in Altenburg die zoveel voor hem had betekend. Zijn opa, Johann David, was in 1830 uit de loge getreden. De reden daarvan is niet bekend.445 Het ontstaan van de NFGdO in Altenburg was te danken aan het initiatief en de hulp van deze loge. Zo spiegelde hij zijn bevindingen uit het onderzoeksmateriaal aan studies over de westerse vrijmetselarij. Kernwoorden in die teksten zijn toewijding aan de organisatie en een door een eed geborgde trouw. De broederschap van de Hung-league werd er voortdurend aan herinnerd waar hun genootschap voor stond. ‘Gehoorzaam de Hemel en handel rechtvaardig’ stond in hun loge prominent op een muur.446 Merzdorf noemde als kernwaarde van de vrijmetselarij in het westen ieder lid als broeder te zien, niemand uit te sluiten

idem, The Hung-league, introduction, p. IX en noot 1. Schlegel verwijst naar: Josef Schauberg, Vergleichendes Handbuch der Symbolik der Freimaurerei, mit besondere Rücksicht auf die Mythologieen und Mysterien des Alterthums, Band I (Schaffhausen, Fr. Hurter, 1861), Bnd. I, p. 178. 442 Gustav Schlegel, The Hung-league, preface, p. VII. 443 Vgl. dl. I, p. 45. 444 Vgl. dl. I, p. 51-52. G. Schlegel, Levensschets, p. 23, noot. 445 Hartmut Baade, ‘Freimaurer in der NFGdO – ihre Stellung, ihre Leistungen‘, NFGdO. Naturwissenschaftliches aus dem Osterlande, Heft 3, 1992, Altenburg 1993, aldaar p. 26. Vgl. dl. I, p. 51-52. 446 Gustave Schlegel, The Hung-league, Introduction p. XII. 441

209


die gelooft in God, in moraliteit en onsterfelijkheid.447 Het vaak aangetroffen ‘Obey Heaven and act righteously’ trof Gustav ook aan in het constitutieboek van de vrijmetselaars loge Archimedes zu den Drei Reißbrettern in Altenburg. 448 Met deze en vele andere voorbeelden heeft Gustav zijn studie opgebouwd. Hij zocht in het gedragsrepertoire overeenkomsten en verschillen binnen deze bewegingen. Gustav gebruikt bijvoorbeeld het woord ‘loge’ voor de ontmoetingsruimte van de Hung-league. Het Chinese karakter voor huis is ‘Fang’ dat voor vierkant staat. Het duidt op een beschermde ruimte of huis. Het bestaat uit twee karakters. ‘Hu’ dat staat voor bescherming en ‘Fang’ voor vierkant. De symbolische betekenis van het zwaard kennen beide organisaties. In de Hung-league staat het voor de verdediging van de verering van het licht tegen de duisternis dat overeenkomt met het westerse gebruik. Een aantal gebruiken in de toetredingsrituelen komt overeen met die in de westerse loges van de vrijmetselarij. Bij intrede van een nieuw lid vormen de broeders een ereboog van zwaarden waar het nieuwe lid onderdoor loopt. Het is het kenmerk van een bekeringsritueel om vanuit het duister in het licht van de waarheid te treden. Deze en vele andere overeenkomsten heeft Gustav in zijn studie bij elkaar gebracht. Daarbij moet in het oog worden gehouden dat zijn bewerking van het materiaal gericht was op het ontsluiten van de betekenis van de symbolen en rituelen die werden gebruikt. Het doel was te toetsen in hoeverre de veronderstelde overeenkomst met de vrijmetselarij in het westen standhield. Gustav liet zich bovendien leiden door nog een uitgangspunt, dat voortkwam uit zijn persoonlijke overtuiging. ‘Als de theorie van de eenheid van het mensenras correct was’, zo formuleerde hij, ‘dan zou het minder verwondering wekken dat tussen deze genootschappen veel meer overeenkomsten zouden bestaan dan gedacht.’449 Vervolgens kon beter worden begrepen dat de mensheid zich over de wereld had verspreid zowel in oostelijke als in westelijke richting vanuit de vlakten van midden Azië. Het was hem duidelijk dat de Chinezen heel vroeg het westen hadden verkend. Hij verwees naar de grafvondsten in Egypte waarin Chinese ‘eyelash-vases’ gevonden waren die dateerden uit de tijd van de 18e en 20ste dynastie (1800-1100 v. Chr.). Hij zou in deze en andere publicaties ervan blijk geven dat de Chinese cultuur ten opzichte van de westerse, in de tijd gerekend, verreweg de oudste beschavingsvorm was. Hij vond steun voor deze gedachte bij Schauberg die een verband zag tussen de middeleeuwse bouworden met hun riten en symbolen en de veel oudere Griekse en Romeinse bouwgeheimen, die op

447 Gustave Schlegel, The Hung-league, Introduction, p.12, citaat uit Merzdorf, The symbols of history, laws, and objects of Masonry (Leipzig, 1836). 448 idem, The Hung-league, H.I, History of the Hung-league, p. 2. 449 idem, The Hung-league, introduction, p. IX.

210


hun beurt veel eerder in de tijd waren voortgekomen uit Fenicische en Egyptische gebruiken. Deze hadden invloed ondergaan van de lichtcyclus van Zoroaster en van het boeddhisme. Vrijmetselarij had zich volgens Schauberg gesplitst in een oosterse en westerse variant.450 Ondanks de vele overeenkomsten erkende Gustav het fundamentele verschil in de werking van de Hungleague in vergelijking met die van de westerse vrijmetselarij. De eerste was een organisatie waarin geweld en strijd de boventoon voerden, de tweede kenmerkte zich juist door vredelievendheid en het koesteren van hoge morele waarden. Gustav meende dat de Hung-league haar reputatie van verdachte organisatie dankte aan het vele geweld dat haar kenmerkte als gevolg van politieke conflicten, waarin zij als antagonisten van de gevestigde macht de confrontatie zochten. It will, probably, be objected that the working of the Hung league and of the society of free masons are quite different, that the object of the latter is thoroughly peaceful, whilst the Hungleague has carried civil war and murder where ever it went. We do not deny these facts, but we must bear in mind that the circumstances have forced the brotherhood to become a political body, and that it is impossible for any society to be held responsible for the act of all its members. 451

Dat haar geschiedenis regelmatig een gewelddadig karakter kreeg, gericht tegen leven en goed van anderen, viel niet te ontkennen. Perioden van moreel verval met opererende roversbenden en misdaadsyndicaten werden meermaals gevolgd door perioden van zuivering van amoreel gedrag en terugkeer naar de ideĂŤle grondslagen van de broederschap. Had niet ook de vrijmetselarij in het westen ruimte geboden aan politieke actie en was het ook niet zo dat in westerse loges leden schuil konden gaan die gedreven werden door bedoelingen die niet door de beugel konden? Het geheimzinnige werd daarbij ook nog eens gemakkelijk geĂŻnterpreteerd als bedreiging van de gevestigde orde. In het eerste deel van zijn beschrijving van de Hung-League baseert Gustav zich op oude geschriften waar over eedverbonden wordt gesproken. Het zijn verhalen van strijd en opstanden, vol met wonderbaarlijke ingrepen toegeschreven aan de hemel en de goden. Aan deze compilatie van orale historie en kronieken kan niet te veel werkelijkheidswaarde worden toegekend al bevatten ze wel een boodschap, die door hun beschrijving van legenden en mythen, bewaard is in het collectieve geheugen. Naast de beschrijving van wat als weerslag van de eeu-

450 451

idem, The Hung-league, introduction, p. X. idem, The Hung-league, introduction, p. X.

211


wen in de herinnering is achtergebleven, geeft Gustav ook aandacht aan de politieke geschiedenis van de Hung-league. Deels doet hij dat door de tekst die zijn leermeester J.J. Hoffmann daarover schreef op grond van zijn onderzoek aan te vullen.452 Gustav begint zijn onderzoek naar de situatie omstreeks 1714 onder de regering van Keizer Khang-hi (1661-1722 AD). Het stichtingsverhaal, dat in het Handboek over de league werd gepresenteerd, week op onderdelen af van de ‘oergeschiedschrijving’, hetgeen leidde tot Gustavs besluit om de daarvoor relevante teksten te beschrijven en deze letterlijk te vertalen. In het notenapparaat geeft hij commentaar door het aanhalen van andere bronnen tezamen met het opnemen van achtergrondinformatie. De dreiging kwam uit het westen waar Mongoolse stammen, de Oelots of Eleuths het keizerlijk gezag wilden verdrijven. De kern van het verhaal is dat de regerende keizer een oproep deed uitgaan naar de bevolking hem te helpen de westelijke horden Tartaren te verdrijven. Hieraan werd gevolg gegeven door de abt van een boeddhistisch klooster in de provincies Kanton en Fukien. De monniken stemden in met de oproep en trokken ten strijde. Velen werden gedood, slechts vijf overleefden. Zij besloten zich te wreken en zwoeren ‘dat de Tsing-dynasty (16441911) zou worden verdreven en de Ming-dynasty (1368-1644) hersteld.’ Zij slaagden erin een leger te formeren, met paarden en wapens. 453 Na deze wordingsgeschiedenis van de Hungleague volgt een uitvoerige bespreking van het onderzoeksmateriaal voorzien van toelichtende noten en afbeeldingen. Alle door hem uit het Chinees in het Engels vertaalde teksten kwamen zo beschikbaar voor onderzoekers. Bovendien gaf hij naast de vertaling van de poëzie ook de brontekst in het Chinees weer.454 De gedachte daarachter was dat hij zijn lezers de gelegenheid wilde geven zijn vertaling te toetsen, waartoe hij hen ook expliciet uitnodigde. Dat zou in al zijn publicaties in principe het geval zijn. De studie over de Hung-league werd lang beschouwd als een belangrijk inzichtgevend werk in het verschijnsel van Chinese geheime genootschappen in Nederlands-Indië. Het kreeg herdrukken tot in de vorige eeuw. Ook in dit boek bleek Gustav waarde te hechten aan het visualiseren van de riten en de gebruikte symbolen. Hij heeft alle afbeeldingen zo nauwkeurig zelf op steen gebracht dat het lijkt alsof zij direct uit de bron zijn gereproduceerd. Hij gebruikte er doorzichtig papier voor. Daarnaast liet hij houtsneden volgens tekening maken. Dat alles is in zijn boek terug te vinden. Hij heeft er een belangrijke stap mee gezet in het beschrijven van de cultuurhistorische achtergronden van de Chinezen. Zijn werkwijze is hierom nuttig omdat hij

J.J. Hoffmann, vgl. dl. II, p. 207, noot 437, Preface, p. VI noot 1, onder nrs. V en VII. Gustave Schlegel, The Hung-league, H I, ‘Political history of the Hung-league’, pp. 1-20, aldaar: ‘overturn the Tsing (1644-1911), restore de Ming, p. 14. 454 idem, The Hung-league, preface, p. VII. 452 453

212


voortdurend dat wat hij aantrof in zijn onderzoek naar geheime genootschappen vergelijkt met het complex van ritualiseringen in de Hung-league en het verschijnsel van de westerse vrijmetselarij in de achttiende en negentiende eeuw in Europa. Enkele hedendaagse studies naar het verschijnsel vrijmetselarij hebben als gids gediend, deels ter informatie en deels vanwege de beschrijving van de maçonnieke beweging in de negentiende eeuw in Europa in meer recente literatuur. De Nijmeegse hoogleraar dr. Anton van de Sande en Joost Rosendaal onderzochten met een groep historici de politieke en culturele betekenis van de vrijmetselarij waarover zij rapporteren in: Een stille leerschool van deugd en goede zeden, vrijmetselarij in Nederland in de 18e en 19e eeuw.455 Geen van de onderzoekers, zo wordt verklaard, was vrijmetselaar.456 Die mededeling in het voorwoord gedaan verwijst naar wetenschappelijke onbevooroordeeldheid enerzijds, en anderzijds geeft het steun aan hun bevinding dat de nationale organisatie van vrijmetselaars in Nederland met bibliotheek en museum het ernst is de geur van geheimzinnigheid die zo kenmerkend was in het verleden om te buigen naar transparantie over organisatie, aard en ideële fundering. Daarnaast is de met veel afbeeldingen verrijkte studie van Van de Sande, Vrijmetselarij in de Lage Landen. Een mysterieuze broederschap zonder geheimen, interessant vanwege de bevestiging van Gustavs en Schauberg analyse hoezeer de Hung-league verwant was aan de Europese vrijmetselarij in organisatie, rituelen en ideële achtergronden. Klaarblijkelijk hangt niettemin om het gedachtegoed van de vrijmetselarij nog steeds een zweem van geheimzinnigheid, waardoor het nog steeds inspireert tot ongefundeerde oordelen. De studies hier aangehaald dragen er toe bij deze broederschappelijke organisatie te ontmythologiseren. 457

Dissertatie over China en het Westen In 1869 promoveerde Gustav in Jena op een dissertatie Chinesische Gebräuche und Spiele in Europa.458 Franz Thierfelder bericht over deze promotie in afwezigheid van de promovendus dat deze geïnitieerd werd door zijn oom dr. Franz Schlegel, jongste broer van zijn vader, die

455 Anton van de Sande en Joost Rosendaal (Red.), Een stille leerschool van deugd en goede zeden. Vrijmetselarij in de 18e en 19e eeuw (Hilversum, Verloren 1995). 456 idem, p. 10. 457 Anton van de Sande, Vrijmetselarij in de Lage Landen. Een mysterieuze broederschap zonder geheimen (Zutphen, Walburgpers 2001). 458 Gustav Schlegel, Chinesische Bräuche und Spiele in Europa. Inaugural-Dissertation der philosophischen Fakultät der Universität zu Jena zur Erlangung der Doktorwürde in der Philosophie vorgelegt von Gustav Schlegel, interpret der chinesischen Sprache beim Niederl. Ostind. Gouvernement zu Batavia ( Breslau, Druck von Robert Nischkowsky 1869). C.P.K. Winckel, ‘Gustav Schlegel, Gebruiken en spelen in China en Europa, academisch proefschrift; vertaling in het Nederlands door mr. C.P.K. Winckel’, Bataviaasch Handelsblad van 20, 23 en 27 oktober 1869.

213


toen directeur was van de dierentuin in Breslau. Deze stuurde aan de filosofische faculteit van de universiteit van Jena het proefschrift op, vergezeld van aanbevelingen van prof. J. Hoffmann van de universiteit in Leiden en prof. Schrott in Berlijn, bovendien enkele niet met name genoemde publicaties. Auf dem Umlaufschreiben des Dekans Prof. dr. Snell vom 3.4.1869 sprachen sich sowohl der Dekan, die beiden Gutachter und die übrigen Mitglieder der Fakultät – unter ihnen Ernst Haeckel – für die promotion des Gelehrten aus.459

Zoals beschreven had zijn vader in 1832 van dezelfde universiteit de doctorstitel honoris causa verworven. Toen werd niet duidelijk op grond van welke publicaties dat gebeurde en door wie geïnitieerd.460 Gustav vergelijkt cultuurhistorische gebruiken, uitvindingen en gezelschapsspellen in het oude China met dezelfde spellen die ook in het Westen bekend waren. Zijn hypothese was dat deze hun oorsprong in Azië hadden, met name in het Chinese rijk. China kon bogen op een lange traditie in het vastleggen van historische gebeurtenissen die al sedert een ver verleden waren opgetekend en bewaard: China, das ewige Reich, welches seit mehr als viertausend Jahren, wie oft auch durch Bürgerkriege zerrüttet, als ein großes Ganze sich erhalten, und seine Zivilisation über alle östlich angrenzenden Länder verbreitet hat, dessen Sprache die offizielle und Gelehrten Sprache Japan’ s, Siam’ s und Korea’ s ist, hat auch nach Westen hin seinen Einfluss, obgleich weniger offenkundig als im Osten, geltend gemacht. 461

In zijn dissertatie ontleent Gustav voor zijn betoog deels argumenten aan literaire bronnen, deels zijn ze gebaseerd op mondelinge overleveringen die in de loop van de eeuwen werden opgetekend. Centraal staat de Chinese beschaving die ver voor de westerse tot hoge ontwikkeling kwam. Bijvoorbeeld, zo tekent hij op, werd in Zwitserland door archeologen een paalwoning blootgelegd die vijf- à zesduizend jaar oud bleek. Op die locatie werd onder meer een kleine bijl gevonden, gemaakt van jade (nefriet). Dit mineraalgesteente werd in Oost-Azië gevonden. Het werd onder andere gebruikt voor het vervaardigen van gereedschap. In Europa komt deze mineraalsoort nergens voor, wel op het Amerikaanse continent. Volgens Lubbock moest dit

459 Franz Thierfelder, ‘Hermann Schlegel’, Abhandlung und Berichte des Naturkundlichen Museums „Mauritianum“, Band 3 (Altenburg, 1963), aldaar p. 61. 460 Vgl. dl. I, p. 99. 461 idem, Chinesische Braüche, p. 1.

214


bijltje in China gemaakt zijn. Hoe het daar terecht kwam, is onbekend.

462

Op dezelfde wijze

als het bijltje kwamen ook Chinese religieuze gebruiken uit China naar Europa. Zo vereerde de bevolking van China de haas als heilig dier, dat men om die reden niet wilde doden om tot voedsel te dienen. Deze dieren werden door astrologen geduid als ‘de essentie van de volle maan of aardegeest.’ In tegenstelling tot de vos, als dat sterrenbeeld aan de hemel stond, was de tijd aangebroken de giftige gassen die uit de moerassen opstegen te bestrijden, juist door vossenvlees te consumeren. Zij werden daardoor immuun voor het dodelijk miasma dat uit moerassen opsteeg. Deze en andere voorbeelden met betrekking tot gewoonten en gebruiken in China werkte Gustav uit. Hij verklaart de historische achtergrond ervan, alsmede de er aan ten grondslag liggende betekenissen en belevingsaspecten zoals deze in de Chinese cultuur functioneren. In verband met onze focus beperken we ons tot het uitlichten van de essentie van zijn betoog. Gustav zocht naast zijn werk bij het hooggerechtshof een nieuwe uitdaging als onderzoeker van de Chinese cultuur. Hij brengt overeenkomsten en verschillen in beeld tussen de gewoonten en gebruiken in China en die in het westen. Bijvoorbeeld de betekenis van het eten van hardgekookte eieren en het ontsteken van vreugdevuren in het voorjaar dat zowel in China als in Europa voorkomt. So feiert die Kirche noch heute das Osterfest und werden bei uns zu Ostern hartgesottene Eier gegessen, die bald einfach bunt gefärbt, bald künstlich bemalt, bald in Perlmutter oder edlem Metalle mit allerlei Zierrat gearbeitet sind. Kann man auch den Ursprung des Osterfeure als Anspielung auf das wieder erwachsende Feuer der im Frühling Alles neu belebenden Sonne erklären, so findet man doch darin keine Erklärung für den merkwürdigen Brauch, hart gesottene Eier zu essen. 463

Gustav vond in de literatuur aanwijzingen te over dat het beschilderen van hardgekookte eieren tussen 21en 23 maart in China al 3500 jaar bekend was. Deze gewoonte zou zich via Perzië in Europa hebben verspreid. De stam van het woord Ostara, de naam van de Saksische godin van het voorjaar, is ‘ost’ dat ook in het Chinese karakter voor ‘voorjaar’ voorkomt. 464 Gustav brengt naar voren dat zowel in China als in het westen oude gewoonten en gebruiken de vreugde van het voorjaar tot uitdrukking brengen. ‘De dagen van het koude eten’ werden beschreven door Tscheu-Li in het jaar 1100 voor Christus.465 In het voorjaar moesten alle vuren in het hele rijk

idem, p.1, geciteerd naar Sir John Lubbock, Man before history, Chap. V. idem, p. 5. 464 idem, p. 8. vgl. Shoo-king, Arbeiten des Ostens, vol. I., aldaar p. 19. 465 idem, p. 6. 462 463

215


worden gedoofd. Dit gebod stoelde op een astronomisch gebeuren. De equinoctiale zon van het voorjaar was de vernieuwing van de natuur. Zoals het vuur van de zon in dit jaargetijde zich vernieuwde en door haar kracht de natuur tot leven bracht, zo ontstak het volk een nieuw aards vuur. Daarvoor moest eerst alle vuur in het land gedoofd zijn. In deze vuurloze dagen was het eten van hardgekookte eieren voedsel dat enige dagen bewaard kon worden, bijgevolg een praktische oplossing. In China werden op de dag van de zonnewende, 21 juni, de gestorvenen herdacht. In De Hal van overledenen werd een familiemaal aangericht. Het principe van de strijd tussen licht en duisternis is gebaseerd op de oude kalender van Li-Ki in het Buch der Riten waaruit Gustav citeert: In dieser Jahreszeit [ ] fängt das Prinzip der Finsterniss und der Kälte an sich zu regen, wird aber noch durch das Prinzip des Lichtes und der Wärme zurückgedrängt. Deshalb findet ein Kampf zwischen den Ausströmungen dieser zwei auf einander stoßenden Kräfte statt, Licht und Wärme aber gebären das Leben, Kälte und Finsternis den Tod. 466

De wilg was het symbool van eeuwigheid en onvergankelijkheid. Deze boom werd vereerd als zonneboom.467 Gustav concludeerde dat veel gewoonten in China in de een of andere vorm ook in Europa werden gekend, hetgeen hij illustreert met voorbeelden. Datzelfde was het geval met uitvindingen die in Europa veel later waren ‘ontdekt’ en als Europese vindingen werden gepresenteerd, terwijl deze in China al lange tijd bekend waren. Hij noemt expliciet de uitvinding van de boekdrukkunst, het buskruit en het kompas.468 De sinoloog Stanislaus Julien (17971873) dateert de stereotypedruk in 593 als Chinese uitvinding, alsmede de drukmethode met bewegende letters in 1040.469 De sinoloog Jean Pierre Abel Rémusat (1788-1832) vond het bewijs dat het buskruit en het kompas, maar ook de wissel- en handelsbanken Chinese vindingen waren, waarvoor hij oude teksten raadpleegde.470 Veel gebruiken hadden een astrologische herkomst. Mythen en legenden die van generatie op generatie werden doorgegeven waren voor de filoloog tastbare bewijzen van de eerbiedwaardige ouderdom van veel van deze verhalen. Een ander thema betrof de in China beschikbare spellen tot vermaak. Gustav plaatste deze in een historisch kader en vergeleek dit met de spellen die ook in het westen bekend waren.

idem, p. 8. idem, p. 9. 468 idem, pp. 11 en 31. 469 idem, p. 11. Vgl. Stanislaus Julien, ‘Comptes rendus de l’Académie des sciences’, Journal asiatique de Paris, 1847, Tome 24, p. 1002. 470 idem, p. 11. Vgl. Abel Rémusat, Mémoire sur les relations politiques des Princes Chrétiens et particulièrement des rois de France avec les empereurs Mongols (Paris, Imprimé royale 1824). 466 467

216


Achtereenvolgens besprak hij het damspel, het schaakspel, het dominospel, het kaartspel, tricktrack, de drakenvlieger en het poppen- en schimmenspel. Gustav vond ook daarover literatuur in Morrison’s chinesisch-englisches Wörterbuch. Helaas geeft Gustav geen volledige annotatie van zijn bron. Uit de verwijzingen in zijn tekst bleek dat het om een woordenboek moest gaan waarin naast uitleg van de woordbetekenis ook verwijzingen voorkwamen naar Chinese bronteksten, alle voorzien van een nummer voor het betreffende lemma. 471 Vele geleerden in Azië hadden lange tijd uiteenlopende lemma’s voor hun rekening genomen, zodat de informatie op die wijze verkregen een rijke bron van kennis was. Voor het beschrijven van de Europese spellen gebruikte Gustav voornamelijk het werk van Joseph Strutt, Sports and pastimes of the people of England, included the rural and domestic recreations, May games, mummeries, shows, processions, pageants, and pompous spectacles, from the earliest period to the present time. 472 Het viel wederom op dat inderdaad de herkomst vrijwel altijd werd voorbehouden aan Azië. Bovendien maakte hij aannemelijk dat tussen Oost en West veel gemeenschappelijks in de geanalyseerde spellen aan te wijzen viel. Voorzichtige interpretatie van Gustavs werkwijze is geboden vanwege eenzijdigheid in het bronnengebruik dat voornamelijk aan Robert Morrison werd ontleend in zijn Morrison’s Chinesisch-englisches Wörterbuch. Voor de Europese wereld kwam de informatie van Strutt. Gustav voert in zijn tekst een aantal sinologen ten tonele uit wiens werk hij citeert. In zijn tekst spelen Édouart Biot (1809-1850), Jean Marie Amiot (17181793), Charles-François Dupuis (1742-1809) J.J. Hoffmann, Julien Stanislas en Jean Pierre Abel Rémusat een rol, een lijstje van gerenommeerde Chinakenners. De opzet van zijn betoog en uitwerking passen in zijn ambitie zich te presenteren als onderzoeker van de Chinese cultuur. Zo had zijn vader de wetenschappelijke prijsvragen als vehikel gebruikt om zijn visitekaartje als museumbioloog onder de aandacht van zijn nieuwe omgeving te brengen. Het lijkt erop dat Gustav zijn dissertatie schreef vanuit het gezichtspunt dat over dit onderwerp in het westen weinig bekend was. Zo bezien was het een reële poging aandacht te geven aan de Chinese cultuur en kritisch te staan tegenover toeschrijving van belangrijke uitvindingen aan Europeanen. Het is opmerkelijk dat Gustav weinig moeite doet zijn bronnen volledig te annoteren. Mede hierdoor werd zijn dissertatie marginaal geciteerd en gezien als weinig belanghebbend. De

471 Vermoedelijk maakte Gustav gebruik van: R. Morrison (1782-1834), A dictionary of the Chinese Language in three parts (Macao, East Indian Company’s Press 1815-1823). 472 Joseph Strutt, Sports and pastimes of the people of England, including the rural and domestic recreations, May games, mummeries, shows, processions, pageants, and pompous spectacles, from the earliest period to the present time. ill. oorspronkelijke uitgave 1801, nieuwe editie en index by William Home (Londen, William Reeves 1801, herziene uitgave 1830).

217


Leidse emeritus hoogleraar Blussé stelde vast dat Gustavs dissertatie weinig van doen had met zijn werk als tolk aan het Hooggerechtshof in Batavia. Mogelijk waren het, zo suggereert hij, de vele botsingen tussen de koloniale overheid in Nederlands-Indië en de Chinezen met hun opvallende voorkeur voor gokspelen die Gustav op dit spoor hebben gezet. Blussé noemde de studie ‘a rather trifling study’, overigens in vergelijking met andere studies die naar zijn oordeel wel betekenis hadden voor de ontwikkeling van de sinologie als wetenschap.473 Opleider van tolken Blussé beschrijft hoe het de autoriteiten was opgevallen dat het tolkenwerk hem niet geheel in beslag nam. Het Gouvernement was niet geheel tevreden over de opleiding die Hoffmann in Leiden verzorgde. Reden om Gustav voor te stellen samen met zijn collega Von Faber de opleiding in Batavia te ontwikkelen.474 Gustav zelf had, zoals vermeld, in een brief aan zijn vader in augustus 1862 bericht dat hij waarschijnlijk aangesteld zou worden aan het lyceum te Batavia om les te geven in het Chinees.475 Dat is toch nog iets anders dan een tolkenopleiding organiseren. Het verzoek om een voorstel voor een opleiding in Batavia paste goed in zijn voornemen het tolkenwerk als opstap te zien voor een toekomstige wetenschappelijke carrière. Zijn collega Von Faber had een al wat langere ervaring in het vak dan Gustav. De twee maakten een voorstel waarin onder hun directie de totale opleiding vijf jaar zou duren, vier in Batavia en één jaar in China voor praktische oefening van de dialecten in Kanton en Amoy. Zij hadden voor hun opleiding Chinese docenten nodig voor dagelijkse lessen in het spreken van de taal. Gustav en Von Faber zouden een salaris van honderd gulden per maand ontvangen, uiteraard bovenop hun inkomen als gerechtstolk. Blussé merkte op dat het voorgestelde lesmateriaal nieuwe titels bevatte in vergelijking met het materiaal dat Hoffmann gebruikte. Op zijn lijst stonden nieuwere uitgaven, zoals van Wells Williams, Tonic dictionary of the Canton dialect en Essay lessons in Chinese. Ook Medhurst’s Dictionary stond erop. In vergelijking met de lijst die door Hoffmann tien jaar geleden was opgesteld en waarvan Gustav gebruik had gemaakt, was dat een stap vooruit. Chinese teksten die gelezen zouden worden waren: The sacred edict of Kanghsi, de Three Character Classic, en de Thousand Characters Classic, de Romance of Three Kingdoms en The Four Books. Deze werken zouden volgens Blussé ook nu nog in het onderwijs in de Chinese taal in Leiden worden gebruikt.476 Een vergelijking van de kosten voor de opleiding in L. Blussé, ‘Of hewers of wood’, p. 336. L. Blussé, ‘Of hewers of wood’, p. 337. 475 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, 1862 12 30 orthografische tekst, brief van 30 december 1962, p. 5. 476 L. Blussé, ‘Of hewers of wood’, p. 337. 473 474

218


Leiden en de voorgenomen opleiding in Batavia leerde dat de doelstelling de Indische opleiding goedkoper te maken dan de Leidse niet werd gehaald. Waar in Leiden de opleiding zes jaar in beslag nam, werd die in Batavia begroot op vijf jaar. Toch was de Leidse opleiding 4326 gulden goedkoper. Dit verschil was onder meer het gevolg van de lagere toelagen die de Leidse élèves ontvingen. Intussen bleek dat er voldoende tolken werkzaam waren. Schlegel en Von Faber besloten te starten met één leerling na de dood van Francken in februari 1864. 477 Zijn neef Jan Buddingh overleed in 1870 in Padang.478 De tolk De Breuk stierf eveneens in het harnas. Toen ook Gustav zijn werk wegens ziekte in 1872 moest opgeven was er weer behoefte aan nieuwe tolken. Sinico-Aryaca, een studie in de vergelijkende filologie Gustavs laatste publicatie in Batavia verscheen in 1872. Het was een studie in de vergelijkende filologie. Sinico -Aryaca was zijn eerste proeve in dat metier. In het voorwoord zet de auteur kort zijn bedoeling uiteen.479 De studie naar de oorsprong van de Chinese taal verheugde zich in die jaren in een toenemende belangstelling van sinologen. Er werd druk gezocht naar sporen van andere talen verscholen in Chinese woorden, waarmee de vergelijkende filologie zich in toenemende mate bezighield. Rev. John Chalmers (1825-1899), missionaris van protestantse denominatie in Kanton, ondernam een poging aan te tonen op welke wijze westerse talen van invloed zijn geweest op het Chinees.480 Eind achttiende eeuw was een boek verschenen van John Barrow (1764-1848) dat bestond uit notities over woordgebruik en betekenis van Chinese woorden en uitdrukkingen. Het waren door hem opgetekende uitspraken van Chinezen die hij ontmoet had tijdens zijn reizen als secretaris van Macartney (1737-1806) vanuit de Engelse ambassade in Peking tussen 1792 en 1794.481 Barrow’s pennenvrucht werd lange tijd door sinologen gebruikt. Gustav was van mening dat het werk geen aanspraak kon maken op wetenschappelijke waarde. Joseph Edkins (1823-1905) publiceerde in 1871 zijn China’s place in

NL-HaNa, toegang 2.10.02, Ministerie van Koloniën, Stamboek M, A 905. Beschikking 122/469, april 1867. NL-HaNa, toegang 2.10.02, Ministerie van Koloniën, Stamboek M, A 905. 479 G. Schlegel, ‘Sinico-Aryaca ou recherches sur les racines primitives dans les langues chinoises et aryennes’, Étude philologique in: Tirage à part du XXXVIe Volume des Transactions de la Société des Arts et des Sciences, (Batavia, Bruining & Wijt, 1872). 480 J. Chalmers, The origin of the Chinese; an attempt to trace the connection of the Chinese with the Western Nations in their religion, superstitions, arts, language and traditions (Hongkong, de Sonza & Co.1866). citaat in: G. Schlegel, ‘Sinico-Aryaca’, p. XI. 481 John Barrow, Travels in China: containing descriptions, observations and comparisons, made and collected in the course of a short residence at the Imperial Palace of Yuen-Min-Yuen (Londen, T. Cadell and W. Davies 1804).Vgl. John Barrow, Travels in China. Philadelphia: W.F.M.Laughlin, 1805. http://openlibrary.org/books/OL24654538M/Travels_in_China (2-12-2013). 477 478

219


philology. 482 Hierin presenteerde hij nieuw bewijs dat tussen de Chinese en de Arische talen overeenkomsten vielen aan te wijzen. Dit boek werd in filologenkring als leidend beschouwd. Deze studie had naar het oordeel van Gustav echter belangrijke beperkingen. Edkins baseerde zijn onderzoek op zestig jaar eerder gepubliceerd werk, daarnaast op publicaties van August Friedrich Pott (1802-1887), Georg Curtius (1820-1885), Franz Bopp (1791-1867) en Carl Gottlob Kühn (1754-1840) en het tijdschrift voor vergelijkende filologie onder redactie van Theodor Aufrecht (1823-1905) en Kühn. Edkins zag in zijn boek over het hoofd hoe verschillend woorden in Chinese dialecten zijn. Hij onderzocht deze niet, evenmin de invloed van primitieve Indo-Europese talen in vergelijking met oude stamwoorden in de Chinese taal. Gustav gaf hiervan enkele sprekende voorbeelden. Hij beperkte zich tot het bespreken van de door Edkins ten onrechte gepresenteerde etymologische verklaringen. Gustav waardeerde Edkins wetenschappelijke bijdrage en prees zijn onvermoeibare ijver die hem terecht hoog plaatste in de rangen van vakgenoten. Zijn studies lieten echter de Duitse filologische school buiten beschouwing. Hij was daardoor niet in staat rekening te houden met de invloed van zowel Indische als Arische talen die in de Chinese taal sporen hadden achtergelaten. Gustav benadrukte dat Edkins niets te verwijten viel. Hij was zich bewust ‘hoe gemakkelijk de filoloog verdwalen kon in de doolhof van Semitische en Polynesische talen en in nog vele andere talen meer.’ Gustav concludeerde dat Edkins het slachtoffer werd van het spreekwoord: ‘wie teveel wil doen, doet niets goed.’ Gustav volgde in zijn studies wel de Duitse filologische school. Dat hij hierin werd gestimuleerd door de bekendheid met de Duitse cultuur die hij als de zijne beschouwde, ligt voor de hand. Veel vergelijkingen betroffen die van het oude Chinees met de oude talen. Gustav gebruikte voor zijn bronnenonderzoek teksten uit de bibliotheek van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Batavia. Met name raadpleegde hij het woordenboek Sanskriet geschreven door Benfey (1809-1881)483, de woordenlijst en de vergelijkende grammatica van Bopp484 en het Zeitschrift für vergleichende Sprachforschung.485 Vervolgens nog de etymologische oefeningen van Pott486 en Curtius487. Gustav positioneert zichzelf als beoefenaar 482 Joseph Edkins, China’s place in philology: an attempt to show that the languages of Europe and Asia have a common origin (Londen, Trübner & Co. 1871). 483 Theodor Benfey, Vollständige Grammatik der Sanskritsprache: zum Gebrauch für Vorlesungen und zum Selbststudium, 2 delen, 3 banden (Leipzig, Brockhaus 1852-1854). 484 Franz Bopp, Vergleichende Grammatik des Sanskrit, Send, Armenischen, Griechischen, Lateinnischen, Littauischen, Altslavischen, Gotischen und Deutschen, 3 Bnd. (Berlin, Dümmler 1868-1871). 485 Zeitschrift für vergleichende Sprachforschung (Berlin, Dümmler vanaf 1852). 486 August Friedrich Pott, Etymologische Forschungen auf dem Gebiete der Indo-Germanischen Sprachen, mit besonderen Bezug auf die Lautumwandlung im Sanskrit, Griechischen, Lateinischen, Littauischen und Gotischen, Bnd. I. 1833, Bnd. II. 1836 (Lemgo, Mener). 487 G. Curtius, Die Sprachvergleichung in ihrem Verhältnis zur klassischen Philologie dargestellt (Berlin, W. Besser 1845).

220


van de comparatieve filologie. Zijn werkwijze is zijn filologische analyse te plaatsen in een historisch interpretatief kader. Deze hermeneutische benadering zal voor een confrontatie zorgen met die filologen die deze werkwijze afwijzen. Gustav legt zijn collega filologen zijn benaderingswijze voor met vermelding van zijn argumenten. Hij nodigt zijn collega’s uit hun zienswijze over zijn tekst ten behoeve van het wetenschappelijk debat bekend te maken. Zijn tekst, zo benadrukt Gustav, was niet tot stand gekomen zonder de hulp van de Chinese letterkundige Toan-ta-ling: Cette étude nous aurait été impossible, sans les recherches profondes sur l’ancienne prononciation des mots chinois, faites, dans le commencement de se siècle, par le lettré Toan-ta-ling, natif de la province de Kiang-su. C’est le même que M. Edkins nomme dans sa Grammaire mandarine Toan you thsai.488

Diens onderzoek gaf geen aanwijzingen voor de juiste uitspraak, met uitzondering van die gevallen waarin het woord was ontleend aan andere talen dan het Chinees. Als tekst gebruikte Gustav Le Livre des Odes (Chi-King). ‘Het is de oudste bewaarde verzameling liederen uit de tiende tot de zeventiende eeuw v. Chr., de eerste eeuwen van de Zhou-dynastie.’489 In iedere tijd, schreef Schlegel, slaagde men erin woorden in het Chinees met behulp van het Sanskriet op te helderen. Ondanks dat presenteerde Benfey nog 4000 ongeautoriseerde woorden. Gustav verklaarde tot zijn tevredenheid dat in zijn studie reeds vele daarvan waren thuisgebracht. Nieuw onderzoek naar de stam van woorden in de Chinese taal moest met de middelen die voorhanden waren ongetwijfeld leiden tot het oplossen van de herkomst van woorden die ook nu nog niet konden worden verklaard. Hij meende dat stellig verschillende oplossingen zouden worden aangedragen door voortgezet filologisch onderzoek van grammaticaspecialisten in de Indische talen. Gustav prees zich gelukkig daaraan met zijn publicatie een bijdrage te leveren. Hij beschouwde de vergelijkende filologie als de enige gids naar het leren ontsluiten van de geschiedenis van de voorhistorische mensheid. Met het innemen van dit standpunt stelde hij voor het tot dan gangbare filologisch onderzoek op de leest te schoeien van de comparatieve filologie die uitgaat van het analyseren van de stam van een woord en probeert de oudste vorm daarvan te vinden om vervolgens te bestuderen hoe de ontwikkelingsgeschiedenis van dat

G. Schlegel, ’Sinico-Aryaca’, p. XIII en noot 3. Vgl.: W.L. Idema, Spiegel van de klassieke Chinese poëzie: van het Boek der Oden tot de Quin-dynastie (Amsterdam, Meulenhoff, 5e druk 1993) pp. 23-73, aldaar p. 25. 488 489

221


woord is geweest. Hij verwacht dat het onderzoek het veld van de Indo-Germaanse talen bestrijkt. In zijn ogen is dat vernieuwend. Impliciet wijst hij op het voorwerk dienaangaande dat reeds door filologen werd gedaan. In zijn conclusie voegde Gustav nog een uiteenzetting toe over de betekenis van de semasiologie (leer van de woordbetekenis). Etymologen waren ten strijde getrokken tegen deze methode van onderzoek. Vooral Reisig (1792-1829) had beargumenteerd in zijn Lectures sur la philologie Latine dat het hier om een ongeschikte methode ging voor filologen die de retoriek bestudeerden voor hun filologische analyses van de grammatica. Curtius (1820-1885) had met instemming van Gustav benadrukt dat niet alleen de veranderingen in de klanken van een taal, maar ook die van hun betekenis moesten worden onderzocht. Daarbij zou teruggegaan moeten worden tot het woordgebruik in een primitieve staat van de taalontwikkeling. Dat hield in dat de weg terug moest worden afgelegd naar de oervorm van het woord en haar betekenis. Zo leerde men de bestaande klanken en hun modificaties kennen. De stam van woorden was het uitgangspunt. In de Arische talen is de stam van een woord vaak dezelfde. Maar de betekenis en uitspraak hebben eigen modificaties. Bij zulk onderzoek viel op dat veel woorden een zelfde grondwoord hebben en een gelijke stam met verschillende achtervoegsels. De Chinese taal had over meer dan vierduizend jaar gebruik gemaakt van dezelfde grondvorm in hun ideografisch schrift. Hun taal was daardoor minder beïnvloed door in de tijd opgetreden modificaties. In het Chinees is het achterhalen van de betekenis van de karakters gecompliceerd. De provincies Fuhkien en Kanton zijn vele eeuwen onafhankelijk geweest doordat de bergen contacten met het noorden bemoeilijkten. Zo werd de uitspraak in hun taal lang bewaard voor bederf door vreemde invloeden. Met name voor het Koean-wa, of de taal van de mandarijnen die de officiële taal van het land werd. Toekomstig vergelijkend filologisch onderzoek moet zich daarom op oude dialecten richten. Zonder deze oude dialecten is het onmogelijk een goede vergelijking te maken met andere talen. Gustav pleitte met nadruk voor de verdere ontwikkeling van de comparatieve filologie op de wijze door Curtius en hemzelf vormgegeven. Gustav sluit af met een citaat van de door hem naar eigen zeggen zeer vereerde filoloog August Schleicher (1821-1862) over de onomkeerbaarheid van hun beider benaderingswijze van de vergelijkende filologie: ‘Ein zurückgehen bis zur Form der Einsilbigkeit, halten wir aber zur Erkenntnis der höher organisierten sprachen nicht nur für möglich, sondern auch für durchaus notwendig.’490

490 G. Schlegel, ‘Sinico-Aryaca’, p. 179. Citaat uit A. Schleicher, H. Kuhn, Beitrage zur vergleichenden Sprachforschung auf dem Gebiete der Arischen, Keltischen und Slawischen Sprachen, Band I (Berlin, Dümmler, 1876) p. 6.

222


Blussé besprak in enkele regels de ontvangst van het boek onder vakgenoten: ‘A comparative study of Chinese and Sanskrit, in which Schlegel attempted to apply Darwinistic theories to comparative linguistics, drew less enthusiastic response from his contemporaries.’ Blussé citeerde de mening van de taalgeleerde Herman Neubronner van der Tuuk (1824-1894) die het werk besprak in het Algemeen Dagblad van Nederlandsch-Indië onder de kop: ‘Fancy op Taalkundig gebied.’ Hij maakte met Gustavs opvattingen korte metten: ze stonden recht tegenover de zijne.491 Sinico-Aryaca werd ook besproken in de Saturday Review (augustus 1872): We find Dr. Schlegel displaying a high degree of acuteness, combined with original research, in the comparison of significations as well as of sounds in Chinese and Aryan roots…..there can be no doubt that Dr. Schlegel’s scholarly and suggestive work will stimulate research in this important field of study.

492

In 1875 schreef Ban-Zai-Sau over deze studie: En passant au livre de M. le docteur Gustave Schlegel, il nous faut avant tout le remercier d’avoir appliqué les lois sévères de changement et de transformation de consonnes telles que l’ont fait les maîtres de la science philologique et linguistique, MM. Bopp, Grimm, Schleicher. Il y montre un vaste savoir, un esprit ferme et un tact sûr, conditions essentielles pour réussir dans ces recherches. 493

Gustav zag zich genoodzaakt inschikkelijkheid van de lezer voor de vele typografische fouten in dit boek te vragen. Deze kwamen geheel voor rekening van de Chinese samenstellers die geen woord Frans spraken: L’état de notre santé nécessitant un prompt départ pour l’Europe, nous avons été forcé de hâter l’impression de ce mémoire, de sorte que plusieurs fautes ont dû nous échapper pendant la correction. Ceux qui connaissent les difficultés qu’on éprouve dans l’extrême Orient à faire imprimer correctement un ouvrage, nous absoudront, à ce que nous espérons. 494

In deze publicatie is het van betekenis dat Gustav in zijn vader een vereerder van Darwin zag. Hij herinnerde zich de discussies in huize Schlegel over de evolutiethese die veld won in de studies naar de oorsprong van de soorten binnen het concept van een Schepper en Zijn schep-

L.Blussé, ‘Of hewers of wood’, p. 336. Vgl. G. Schlegel, Liste Chronologique, p. 4, nr. 36. Geciteerd uit Saturday Review, august 1872. 493 Vgl. G. Schlegel, Liste Chronologique, p. 4. nr. 36. Geciteerd uit Ban-Zai-Sau, 1875, aldaar p. 112). 494 G. Schlegel, ‘Sinico-Aryaca’, p. XVI. 491 492

223


ping. Bewondering en eerbied waren stevig metafysisch verankerd. Veranderingen binnen soorten werden als aanpassingen gezien. Zo begreep hij dat zijn vader hem Darwins studie meegaf bij zijn vertrek naar China als handboek voor zijn verzamelwerk. Hij wist dat deze het accent in zijn onderzoek als museumbioloog toegespitst had op het verklaren van de fysiologische en morfologische aanpassingen van dieren vanwege eisen die hun habitat aan hen stelde. Zijn inzet was dat uit de studie van de verspreiding van soorten over de aarde de variatierijkdom binnen soorten kon worden verklaard. Hij verwachtte dat zijn vader zijn studie Sinico-Aryaca vanwege de overeenkomst met wat hem als bioloog bezighield zou waarderen. Gustavs vertrek uit Batavia De tien jaren die Gustav als tolk in Batavia had doorgebracht kwamen vanwege gezondheidsproblemen abrupt tot een eind. Het enige ongemak waarover hij sprak was een ongeluk met zijn rechteroog. Hij memoreert het jaren later in een publicatie.495 Diabetes kan ermee verband houden, een kwaal waaraan ook zijn vader leed. Het leidde aan het eind van Gustavs leven tot blindheid. In de loop van de komende jaren zal hij zich regelmatig over de gevolgen van deze sluipende ziekte uitspreken. Hij kreeg verlof naar Nederland terug te keren voor herstel.496 In de jaren als tolk heeft hij successen geboekt als onderzoeker van de Chinese cultuur in het algemeen en van de Chinezen in Nederlands-Indië in het bijzonder. Door zijn publicaties hoopte hij een naam te krijgen als sinoloog, een perspectief dat hem paste. Beter dan de tolkwerkzaamheden lagen hem de adviserende werkzaamheden in kwesties die betrekking hadden op de wijze waarop de Chinese bevolking als minderheidsgroep in de Nederlands-Indische samenleving functioneerde. Gustavs ervaring met het opleiden van tolken is niet goed uit de verf gekomen doordat lange tijd alle tolkenplaatsen in Nederlands-Indië bezet waren. Op het moment dat hij met verlof ging, bestond er echter weer behoefte aan aanvulling van het korps. Gustav was succesvol geweest in het profileren van zichzelf als tolk en als filoloog. Zijn interesse lag bij het onderzoek van de Chinese cultuur in het grote rijk, maar ook in de diaspora. Hij zou zich verder ontwikkelen tot filoloog en zich bezighouden met comparatieve studies, waarin het taalkundig, historisch en etnografisch onderzoek hand in hand gaan.

495 G. Schlegel, ‘De oorsprong van den vreemdenhaat der Chinezen’, Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap, september 1901, overdruk (Leiden, boekhandel en drukkerij v/h/ E.J. Brill, 1901) p. 11. 496 NL-HaNa, toegang 2.10.02, Ministerie van Koloniën, Stamboek M, A 905. Besluit van 8 juli 1872, no. 47.

224


Periode 1872 -1903 Een nieuwe start Na vijftien jaar afwezigheid keerde Gustav in 1872 naar Nederland terug en vestigde zich in Leiden. Er was voor hem alle reden zich af te vragen hoe hij de stad en zijn familie zou aantreffen. Na het overlijden van zijn moeder in 1864 was zijn vader verhuisd, aanvankelijk nog met Cécilia en Leander, naar de Breestraat 109. Cécilia vertrok in 1866 naar Duitsland en Leander ging begin 1867 naar het buitenland voor een podiumtournee. Zijn vader huwde in 1869 Albertine Pfeiffer. 497 Geen van de kinderen Schlegel was gehuwd. Gustav vestigde zich na terugkeer in Nederland in Leiden aan de Papengracht.498 Zijn vader was nog het enige in Leiden aanwezige lid van het oorspronkelijke gezin. Gustav maakte er kennis met diens tweede echtgenote. Gustav bezocht het Museum en stelde vast hoeveel van zijn toegestuurde voorwerpen uit China nog in de magazijnen lagen te wachten om in de verzameling te worden opgenomen. Hij kreeg bevestiging van hetgeen hij al wist uit brieven van zijn vader, maar toch trof hem dat opnieuw met ongeloof en boosheid tot gevolg. Zijn vader was nog vol plannen. Hermann schetste de stand van zaken in het Museum, vertelde dat hij in deze jaren de nadruk legde op het ontwikkelen van eigen initiatief met het doel de desinteresse van de overheid om te buigen in de richting van besluitvorming dat er nieuwbouw voor het Museum moest komen. De regering was het Museum steeds meer als kostenpost gaan zien. Het gevolg was dat het ‘sRMvNH niet meer op een vooraanstaande plaats in de museumwereld kon bogen. Andere musea waren het zijne voorbijgestreefd. Hij was er de man niet naar het moede hoofd in de schoot te leggen. Gustav constateerde dat zijn vader zijn ambitie niet had opgegeven. Per slot van rekening was hij de systematische bioloog die handelen moest volgens de mores van zijn wetenschappelijke overtuiging. Hij steunde bovendien op erkenning van en bewondering voor zijn vakmanschap. Het motiveerde hem door te gaan en alles te doen om het Museum haar vooraanstaande plaats in de wereld terug te bezorgen. Gustav leende hem daarvoor een luisterend oor, bemoedigde hem en steunde zijn vader onvoorwaardelijk. Deze kwestie stond vanaf zijn terugkeer in Nederland centraal in hun veelvuldige contacten die toenamen naarmate de gezondheidstoestand van Hermann achteruitging. Het kwam uiteindelijk neer op een vrijwel dagelijks contact. Het zou Gustav tot de logische bezorger maken van zijn vaders nalatenschap, materieel en intellectueel.

497 498

Vgl. dl. I, p. 151 en dl. III, p. 306. RAL, Bevolkingsregister Leiden, 1872, folio 324.

225


Over Darwin: een harde botsing tussen zoon en vader Vrijwel direct na terugkeer had Gustav een ernstig meningsverschil met zijn vader. Hij gaf hem een exemplaar van het juist gepubliceerde Sinico-Aryaca. Hij prees zijn vader door er op te wijzen dat deze in feite de aanleiding was dat hij als taalkundige werd geïnspireerd zich aan te sluiten bij een nieuwe richting in de filologie. Mijn vader was een groot vereerder van Darwin, zodat hij niet alleen aan mij, bij mijn vertrek naar China in 1857, maar veel later nog aan Büttikofer, toen deze naar Liberia vertrok, als ook aan Pollen op zijne reis naar Madagascar, Darwin’s reizen als model mede gaf, waarnaar wij ons bij het waarnemen der natuur moesten gedragen.499

Geheel in lijn met de vaderlijke adhesie voor deze geleerde had Gustav het in 1859 verschenen On the origins of species by means of natural selection or the preservation of favoured races in the struggle for life aangeschaft.500 Het inzicht dat leven op aarde zich geleidelijk zou hebben ontwikkeld was ontleend aan de evolutietheorie in de biologie die hij in zijn taalkundig onderzoek als comparatieve filologie was gaan toepassen. Hij zocht naar de ontwikkeling van de Chinese taal en de invloed daarop van Indische en Arische talen. Deze talen hadden zich ontwikkeld in een langdurig evolutieproces vergelijkbaar met ontwikkeling van soorten in flora en fauna. Analoog daaraan moest men, als men wilde weten hoe een woord zich in een taal had ontwikkeld, teruggaan naar de oervorm van dat woord en het in de tijd volgen. Op die wijze werd de ontwikkelingsgeschiedenis blootgelegd. Gustav werd bij terugkeer onverhoeds geconfronteerd met de volstrekte afwijzing van Darwins meesterwerk door zijn vader. Behoef ik te zeggen, dat ik, in 1872 uit Indië teruggekeerd, weldra met mijn’ vader in de strijd over deze kwestie geraakte, om ten laatste voor zijn overtuigende betogen te zwichten en weder een illusie armer te worden. A priori had hij geen bezwaren tegen de leer, en hij zeide mij herhaaldelijk, dat hij zich er bij zou neerleggen wanneer men hem slechts een enkel geconstateerd bewijs van overgang in de natuur, waaruit zich weder een constante had ontwikkeld, kon voorleggen. Dat door toedoen van den mensch, zoals bv. het geval is met de veefokkers en duivenkweekers, de eerste en eigenlijke leermeesters van Darwin, zulke species kunnen voortgebracht worden, viel niet te loochenen, maar hij ontkende ten sterkste, dat dit ooit in de vrije natuur, buiten de inmenging van de mensch, plaats greep. Het groote verschil tussen hem en de

499 500

G. Schlegel, Levensschets, p. 79. Vgl. dl. II, p. 174.

226


school van Darwin bestond in de opvatting van de natuurverschijnselen. Hadden bv. de moerasvogels, volgens de leer van Darwin, lange pooten gekregen door langzame ontwikkeling uit kortere pooten, naarmate de bodem moerassiger werd, zoo hadden, volgens mijn’ vader, die vogels van den beginne af aan zulke lange pooten bezeten, omdat zij in moerassige plassen leven moesten.501

In dit citaat toont Gustav zijn respect voor zijn vader als persoon en als bioloog. Hij voegde bij het bezorgen van diens autobiografie in de Levensschets aanvullende informatie toe waar het hemzelf als persoon betrof. Hij erkende dat zijn vader hem overtuigde van diens standpunt in deze en hem ‘van een illusie’ had beroofd. In zekere zin moest hij de visie van zijn vader opvatten als kritiek op het onderzoeksmodel dat hij in zijn Sinico-Aryaca studie had toegepast. Klaarblijkelijk gaf hij zich in dit debat slechts in die zin gewonnen dat hij week voor het standpunt van zijn vader. Gustav bleef echter wel zijn onderzoek organiseren volgens de methode van de comparatieve filologie. Dat kon hij doen omdat zijn vader een genuanceerd standpunt naar voren bracht waaraan diens overtuiging van een Schepper die voor alle leven verantwoordelijk was de grondslag was. Het had ook Darwin persoonlijk moeite gekost om zich van dit physico-theologische standpunt te bevrijden.502 Elk schepsel droeg volgens Hermann de signatuur van zijn Schepper, maar verder dan aanpassingen aan de omstandigheden in de habitat ging dat niet. Dat gold klaarblijkelijk niet voor Gustav. Hij was en bleef onder de indruk van het concept dat overleven de ultieme drijfveer was van alle schepselen: Geen wonder dus, dat toen Darwin met zijne theorie omtrent het ontstaan van soorten voor den dag kwam, ik weldra een vurig aanhanger dezer leer werd, daar zij mij toescheen het scheppingsproces veel te vereenvoudigen en verschillende, onbegrijpelijke factoren op te helderen. 503

Het was tussen Gustav en zijn vader geen discussieonderwerp meer. Toch is dit incident veelzeggend. Enerzijds is er een hoge mate van loyaliteit tussen vader en zoon, aan de andere kant is er klaarblijkelijk toch ruimte over en weer elkaar in eigen waarde te laten.

G. Schlegel, Levensschets, pp. 79-80. Charles Darwin, De autobiografie van Charles Darwin; de oorspronkelijke versie in de vertaling van Fieke Lakmaker (Amsterdam, Uitgeverij Nieuwezijds 2008). Adrian Desmond & James Moore, Darwin, de biografie, in de vertaling van Henk Moerdijk (Amsterdam, Nieuw Amsterdam Uitgevers 3 e druk april 2009). 503 G. Schlegel, Levensschets, p. 79. 501 502

227


Gustavs strategie zich als filoloog in Leiden te kwalificeren Gustav bezocht uiteraard zijn leermeester Hoffmann. Hij voelde veel sympathie voor de huisvriend van de familie die aan de basis stond van zijn interesse voor het Chinese karakterschrift. Hoffmann was op de hoogte van de activiteiten van zijn voormalige leerling in Batavia. Hij wist ook van Gustavs nevenactiviteiten die hij met belangstelling had gevolgd. Hoffmann had verwacht dat Gustav als voortreffelijke leerling in de twee Zuid-Chinese dialecten grote kennis had opgebouwd. Ook het Oost-Indische Gouvernement had vastgesteld dat zijn kennis die van zijn leermeester overtrof. Hoffmann had zich van meet af aan gericht op het Japans, de taal waarin zijn geleerdheid onomstreden was. Hij maakte er geen geheim van dat hij niet treurde over het langzaam opdrogen van de Leidse opleiding van tolken Chinees voor het bestuur in de Oost. Op zijn beurt praatte Gustav Hoffmann bij over zijn voorliefde voor de Chinese taal- en letterkunde en liet blijken daarin zijn toekomst te zien. Het werd hem duidelijk dat Hoffmann het zou toejuichen als Gustav er in zou slagen een carrière te realiseren waarin naast het opleiden van tolken ruimte zou zijn om zich bezig te houden met onderzoek naar de Chinese cultuur. Hoffmann zou alles in het werk stellen om waar hij kon hem te helpen dat doel te bereiken. Gustav vernam dat een nieuwe Wet op het Hoger Onderwijs in de maak was. Daarmee hing een langlopend proces van veranderingen samen in de inrichting en het bestuur van de universiteit. De faculteiten zouden een grotere zelfstandigheid krijgen. Dat moderniseringsproces voor het onderwijs was al aan de gang toen Gustav naar China vertrok en was bij diens terugkomst nog niet volledig uitgekristalliseerd. De beoogde richting binnen de faculteiten was taakdifferentiatie. In de letterenfaculteit werd onder meer gesproken over lessen vaderlandse geschiedenis en Sanskriet. Al deze toekomstgerichte activiteiten lieten het bestuur van de academie niet onberoerd. Het had gevolgen voor de posities van hoogleraren in het bestuurlijk proces en voor het personeelsbeleid bij uitbreiding en benoemingen. Otterspeer beschreef dit proces naar vorm en noodzaak. Het college van Curatoren werd een conservatieve kongsi die zich door coÜptatie aanvulde en die zich nadrukkelijk pragmatisch opstelde. Curatoren werden een doorgeefluik, reagerend op de voorstellen van de senaat en de verlangens van de professoren, zich conformerend aan de richtlijnen van het ministerie. Ze liepen daarmee vooruit op hun taak in de nieuwe onderwijswet van 1876. Bij de benoeming van professoren werd dat duidelijk zichtbaar: curatoren gaven het initiatief min of meer uit handen, de hoogleraren, de emeritus, de faculteit en de minister werden bepalende factoren in het spel. De benoemingen vonden nog steeds plaats in de faculteit, maar

228


zo iets als het systeem van leerstoelen tekende zich af, evenals, om het anachronistisch te zeggen, dat van een wetenschappelijke staf. 504

Tegen de achtergrond van al deze veranderingen begreep Gustav dat het een brede oriëntatie nuttig kon zijn. Hij maakte zijn opwachting in de kring van vrienden van de familie, zoals bij Hoffmann en anderen, die hem konden bijpraten over de ontwikkelingen tijdens zijn afwezigheid. Via aanbeveling hoopte hij voorts contacten te leggen in de letterenfaculteit. Hij wilde zich een beeld vormen hoe hij het aan zou moeten pakken om aan de universiteit onder zijn leiding een gemoderniseerde tolkenopleiding te realiseren. Hij hoopte daarbij op steun en instemming van Hoffmann. Gustav besloot metterdaad de minister van Koloniën te benaderen. Hij was met ziekteverlof en dat legitimeerde voldoende op audiëntie te gaan, vertrouwend op zijn staat van dienst. Gustav kende de brief waarin minister Pahud toentertijd voorstelde Gustav toe te laten tot het tolkenklasje van Hoffmann. In die brief schreef de minister aan de koning dat een investering in de opleiding van Gustav van nut kon blijken ‘omdat daardoor wellicht eventueel zal zijn voorzien in eene opvolging van de heer Hoffmann, bij aldien hij om deze of gene reden, als Japans translateur van het Nederlandsch-Indische Gouvernement, mocht aftreden.’505 Intussen bestond de noodzaak werk te maken van het opleiden van tolken in Nederlands-Indië, waaraan opnieuw dringend behoefte was vanwege het overlijden van de tolken De Breuk en neef Jan Buddingh en door Gustavs vertrek naar Nederland vanwege ziekteverlof. Daarbij kwam dat de opleiding in Batavia duurder was gebleken dan die door Hoffmann in Leiden werd verzorgd. Gustavs actie kwam op het juiste moment. Het gouvernement op Java pleitte voor een opleiding in Leiden om het ontstane tekort aan tolken zo snel mogelijk aan te zuiveren. Al in het najaar van 1873 kon Gustav beginnen met een klasje bestaande uit drie studenten binnen de universiteit Leiden. In 1875 kwamen daar nog drie studenten bij. In dat jaar werd hij benoemd tot buitengewoon hoogleraar. Gustavs toekomstvisie voor de opleiding van tolken onder zijn leiding hield in dat hij dit onderwijs wilde baseren op de Chinese taal- en letterkunde. De vorming van de tolken ging verder dan zijn studenten vaardigheden bij te brengen in het vertalen van wat Chinezen in Nederlands-Indië naar voren brachten in hun contacten met de overheid en vice versa. Het bestuderen van de Chinese cultuur aan de hand van hun geschiedenis en literatuur voegde hij aan het

W. Otterspeer, De wiekslag van hun geest, p. 73. NL-HaNa, Ministerie van Koloniën 1850-1900, toegangsnummer 2.10.02, inventarisnummer 309, 7-11 januari 1854, rapport aan de Koning met voorstel tot aanstelling van leerling tolken onder leiding van J.J. Hoffmann. Vgl. dl. II, pp. 164-165. 504 505

229


curriculum toe. Hij legde de nadruk niet op het leren van de grammatica, maar op het lezen van teksten, zowel uit het verleden als contemporaine. Door zich te verdiepen in hun cultuur leerden zijn studenten de eigenheid van de Chinese ziel te benaderen in al haar specificiteit en gelaagdheid. Hij zou daarvan later getuigen in zijn oratie.506 Meer nog dan in te gaan op de materiële inhoud van de opleiding zoals hij die voor ogen had, richt het onderhavige onderzoek zich op de wijze waarop Gustav zijn professionele leven in Leiden wenste in te richten en te realiseren. Zijn persoonlijke beweegredenen worden onderzocht in verband met de vraag in hoeverre hij met zijn ambities en strategieën past in de familiegeschiedenis. Het lijkt niet overdreven Gustavs visie en aanpak te relateren aan de Duitse cultuur met Pruisische kenmerken die zijn vader meebracht als ‘kwartiermaker’ in Leiden, gebaseerd op het culturele waarden- en normensysteem waarin hij zelf in Saksen was gevormd. Hij had met de vorming en onderwijs van Cornelia een bodem gelegd voor de opvoeding van zijn kinderen. Het verklaart mede de voorkeur in de huiselijke kring zich in sterke mate te omringen met landgenoten en anderen tegen wie hij opkeek. Het was dit ‘sociale en culturele kapitaal’ in termen van Bourdieu dat het gezinsleven bepaalde en dat terug te vinden is in de levens van de drie kinderen. De vader had als huisleraar invloed op de opvoeding van de kinderen en kon daardoor bijdragen aan hun ontwikkeling. Het bezorgde hen vertrouwdheid en vaardigheden zich in een internationaal georiënteerd gezelschap te bewegen, zich bewust van hun eigenheid. Hermann deed dat met hulp van Cornelia als veelgeprezen gastvrouw. Voor Gustav waren Hoffmann, Von Siebold en Kaiser als identificatiefiguren specifiek van belang. Zij zorgden ervoor dat hij zich al vroeg met zijn toekomst ging bezighouden. Het gezin als leerschool bood hem een surplus naast het aangewezen zijn op huisonderwijs van zijn vader, die hij om zijn inzet en kennis bewonderde. Dat hij al als negenjarige de dappere stap nam om vorm te geven aan zijn ontwikkeling door vaders vriend Hoffmann te benaderen, zegt iets van zijn onafhankelijke geest. Vaders vriend werd ook Gustavs vriend voor het leven. Het was het eerste dat hem van zijn polyglotte vader onderscheidde, die immers geen Chinese karakters kon lezen. Dat wilde hij nu juist wel. Durf sprak uit het feit dat hij zonder zijn ouders erbij te betrekken op bezoek ging bij Hoffmann. Hij heeft ervaren dat van de zijde van zijn ouders vervolgens geen drempels werden opgeworpen. Hermann zal de taalgevoeligheid van zijn zoon hebben ingeschat en ook zijn wil hebben onderkend waarin hij zijn eigen karakter zag weerspiegeld. Het kan haast niet anders dan dat hij bij het uitzwaaien van de zeventienjarige naar China aan zijn eigen jeugd

506 G. Schlegel, Over het belang der Chineesche taalstudie. Redevoering bij de aanvaarding van het hoogleraarsambt aan de Hoogeschoool te Leiden, uitgesproken 27sten oktober 1877 (Leiden, E.J. Brill 1877).

230


dacht en hoe hij zelf het ouderlijk huis verlaten had. Achteraf gezien voorgoed. De jaren van afwezigheid werden overbrugd door een strak gereguleerde correspondentie tussen vader en zoon. Eenmaal terug in Leiden kon de volgende stap worden gezet. De vader achtenzestig jaar oud jaar oud, de zoon tweeëndertig. Een studie over sterrenkundige kwesties In 1875 publiceerde Gustav Uranographie Chinoise, een studie over de herkomst van de namen van hemellichamen, opnieuw gebaseerd op de methode van de vergelijkende filologie. 507 De studie onderzocht eerst de stand van de wetenschap over deze oorsprongsvragen. Het waren studies op het gebied van de taalkunde, de astronomie en de chronologie die hij nodig had voor dit onderwerp.508 Zijn kennis had hij deels opgedaan in de lessen van professor Frederick Kaiser op de Sterrenwacht in Leiden, daarna had hij zijn kennis door zelfstudie uitgebreid. Het was hem opgevallen dat de geleerden die zich met dit onderwerp bezighielden het voornamelijk oneens waren over de vraag aan welk volk als eerste de naamgeving van de hemellichamen toegeschreven moest worden. Dupuis zag Egypte als de bakermat, Letronne de Grieken en Ideler de Chaldeeën. Deze geleerden hadden ondanks hun ‘intelligent en zorgvuldig onderzoek’ met hun naspeuringen weinig succes. Ze bleven gevangen in de wereld die zij kenden, reden om het niet met elkaar eens te worden. Gustav verzette de bakens in zijn onderzoek door zich te richten op het zoeken naar een rationele verklaring voor de in hiëroglyfen geschreven namen van de hemellichamen aan de antieke Chinese hemel, zoals de astronomen en astrologen in China deze in hun nagelaten werken gebruikten. Hij was niet bang voor ongewone stappen. Expliciet neemt hij de astrologie als uitgangspunt. Hij was zich ervan bewust hoe de geleerde wereld over de astrologie dacht, meende niettemin dat juist daar de gebruikte symbolen en namen bewaard waren. ‘Helaas’, verzuchtte Gustav, ‘bleef deze kennis verborgen voor de zeer geleerden, die alles minachtten wat ze niet begrepen en kenden.’ Ter verschoning van zijn houding merkt hij op ‘dat het de gemakkelijkste weg was zich af te wenden van alles wat absurd overkomt omdat het per definitie als onzin bestempeld wordt.’ Om de grondbetekenis van deze

Gustav Schlegel, Sing Chin Khao Youen. Uranographie chinoise ou preuves directes que l’astronomie primitive est originaire de la Chine, et qu’elle à été empruntée par les anciens peuples occidentaux à la sphère chinoise; première partie préface I-XI, 646 pp., seconde partie pp. 647-928 ; ouvrage accompagné d’un atlas céleste chinoise et Grec (Den Haag, Martinus Nijhoff en Leiden, E.J. Brill 1875). 508 idem, Uranographie chinoise, voorwoord. Gustav gebruikte de volgende studies voor zijn onderzoek: van de astronomen Jean-Sylvian Bailly (1736-1793) en Charles François Dupuis (1742-1809); de archeoloog Jean-Antoine Letronne (1767-1845); de taalkundige en literator August Wilhelm von Schlegel (1767-1845); de astronoom en chronoloog Christian Ludwig Ideler (1766-1846); de filoloog en Sanskriet-specialist Adolf Holtzmann (1810-1870). 507

231


namen van hemellichamen te vinden, bestudeerde Gustav ze in hun meest primitieve vorm. Naast werken van astronomen gebruikte hij veelvuldig Chinese werken over astrologie, maar bovendien verhandelingen over natuurlijke historie, de oude offeranden, gewoonten, gebruiken en Chinese kleding. Deze informatie vond hij in oude en nieuwe encyclopedieën teneinde in het kader van zijn onderzoek een woord zover mogelijk terug in de tijd naar hun oorsprong te kunnen volgen. Zo kon hij 760 namen van sterrenclusters traceren in de naamgeving van sterrenbeelden aan de westerse hemel die ontleend waren aan de Chinese benamingen. Hij deelt in het voorwoord direct mee, dat geen van de namen gegeven door onderzoekers van de westerse hemel overeenkwamen met die aan de Chinese hemel. Gustav verbindt er de conclusie aan dat de Chinese astronomie en astrologie in het westen vrijwel onbekend waren. Om die reden meende hij ‘dat het toeschrijven van de benamingen het vindingrijke volk van boven-Azië toekwam.’509 Het tweede deel van zijn studie richt zich op het geven van argumenten waaruit moest worden afgeleid dat het Chinese volk kon bogen op een veel hogere ouderdom. Hij vond het alleen al hierom noodzakelijk zijn lezers te informeren omdat hij er van uitging dat zijn bewijsvoering door geleerden in het westen zou worden afgewezen. Als algemeen geldend werd in christelijke Europa aangenomen dat volgens de exegese van de Bijbel de ouderdom van de aarde werd geschat op 4600 jaar. In het contemporaine wetenschappelijk debat in het westen werd die aanname regelmatig ter discussie gesteld. Geofysisch onderzoek wees in de richting van een evolutiehypothese, die steeds nadrukkelijker ingang vond. Met als gevolg dat de leeftijd van de aarde op grond van beschikbare wetenschappelijke studies aanzienlijk ouder moest zijn. Bronnenonderzoek leverde op dat sporen van de Chinese cultuur waren teruggevonden in woord, geschrift en artefacten die in ouderdom ver boven de westerse aanname uitgingen. Op die grond moest hij toegeven dat het ook hem niet zou lukken overtuigend bewijs te leveren voor de juistheid van zijn onderzoeksresultaten. Hij hoopte dat de geesten er eens rijp voor zouden zijn. Hij citeerde een uitspraak van Agassiz waaruit hij hoop putte dat eens zijn studie alsnog op haar waarde zou worden geschat. ‘Whenever a new and startling fact is brought to light in science, people first say: it is not true, then that is contra religion, and lastly that everybody knew it before.’510 Inderdaad werd zijn onderzoek onder kritiek gesteld. Blussé schreef in retrospectief:

509 G. Schlegel, Uranographie chinoise, voorwoord, p. X. Jean Louis Rodolphe Agassiz (1807-1873) was een vooraanstaand paleontoloog, geoloog en naturalist. 510 idem, p. X.

232


This was a pioneering study which was hotly debated on account of the author’s somewhat stretched imagination. Nowadays the authority Joseph Needham agrees with those critics who said then that part of the theoretical groundwork of the book was shaky because Schlegel attempted to prove that Chinese astronomy was the origin of all astronomy. He still deems in the most important reference work available on Chinese positional astronomy. 511

Gustav zelf neemt in een overzicht van zijn publicaties een adhesiebetuiging op van een bewonderaar van zijn studie: Wenn wir an unserem stets festgehaltenen Prinzip, dass das Natürliche auch das Ursprüngliche ist in jeder kulturhistorischen Entwicklung, wenn wir an diesem Prinzip auch hier festhalten, so müssen wir sagen, der Verfasser hat seinen Hauptsatz, dass die griechische Sternbilderlehre weder von den Griechen selbst erfunden ist, noch von Ägypten oder Chaldäa stammt, sondern dass sie aus China herkommt, in wirklich überzeugender Weise bewiesen, und die Phantasien von Letronne, Ideler und Buttmann können hinfort als großenteils antiquiert gelten.512

Gustav wachtte vijf jaar met te reageren op de kritiek op zijn Uranographie, met zijn Réponse aux critiques de l’Uranographie Chinoise.513 Binnen de focus van deze familiegeschiedenis past het, zij het terzijde, enige aandacht te geven aan een opmerkelijke ontboezeming van hem in de context van zijn Réponse. Hij bracht verontwaardigd ter sprake dat hij in 1875 gepasseerd was bij de eerste uitreiking van de Prix de Stanislas Julien (1797-1873). Deze prijs voor het beste gepubliceerde onderzoek in een jaar had naar Gustavs mening bij hem terecht moeten komen. De eerste prijsuitreiking was echter gegund aan de éminence grise van de sinologie, James Legge (1815-1897). Dat gunde Gustav de laureaat van harte, maar hij werd echt boos toen hij het jaar daarop de prijs weer niet kreeg. Zijn studie Uranographie was de enige studie die dat jaar verscheen en daarom voor deze prijs in aanmerking kwam. Hij trekt een vergelijking met datgene wat Jean-Jacques Rousseau overkomen was toen deze een verhandeling inzond Discours sur l’origine et les fondements de l’inégalité parmi les hommes.514 Zijn studie viel Leonard Blussé, ‘Of hewers of wood’, p. 336. Citaat uit J. Needham, science and civilization in China, vol. 3 (Cambridge, 1954-1984) p. 183. 512 Jahresbericht über die Fortschritte der klassischen Altertumswissenschaft (Berlin, S. Calvary & Co. 1877) p. 312, geciteerd door G. Schlegel in: Liste chronologique des ouvrages (Leiden, E.J. Brill 1902) p. 4, nr. 37, ontleend aan: Chin. Recorder VI, p. 442-447; Cordier, p. 683; La Rivista Europea, 1 juni 1875; Tijdschrift voor Nederlands-Indië, februari 1876. 513 G. Schlegel, ‘Réponse aux critiques de l’Uranographie chinoise’, Tirage à part des contributions à la philologie, la géographie et l’ethnographie des Indes Orientales Néerlandaises, 4me série, Vol. IV, 2me livraison, 1880 (Den Haag, Martinus Nijhoff 1880) pp. 350-372. 514 idem, p. 359. Zie : Jean Jacques Rousseau, Discours sur l’origine et les fondements de l’inegalité parmi les hommes (Amsterdam, Marc Michel Rey 1755). Vgl. J.W. Oerlemans, Rousseau en de privatisering van het bewustzijn. Carrièrisme en cultuur in de achttiende eeuw (Groningen, Wolters Noordhoff 1988). 511

233


buiten de prijzen omdat de Académie van Dijon zijn inzending terzijde gelegd had vanwege de overschrijding van de toegestane lengte. Hij gaf het werk zelf uit in 1755. In werkelijkheid, zo oordeelde Gustav, zou de jury zijn teruggeschrokken voor het radicale karakter van de inhoud. In zijn geval zou echter iets anders een rol hebben gespeeld. Het kon niet gelegen hebben aan de kwaliteit van zijn onderzoek, maar was het gevolg dat men de eerste prijsuitreiking na het overlijden van Stanislas Julien aan deze icoon van de sinologie wilde geven als een eerbetoon post mortem. Zijn criticasters hadden ten onrechte het uitblijven van de prijs aan het ontbreken van kwaliteit geweten. Dat misverstand is snel uit de weg geruimd doordat een ieder kan nagaan, aldus de auteur, dat hem voor deze studie in 1875 tijdens het Congrès Géographique in Parijs de gouden medaille was toegekend. Hier toont Gustav zich verongelijkt en tekortgedaan, zowel door de jury van de Prix de Stanislas Julien als door zijn collegae die er vanuit zijn gegaan dat het aan de kwaliteit van zijn onderzoek zou liggen. Het lijkt een familie-eigenschap tegen de beleving van onrecht op te treden, zeker als het hen zelf betrof. Leidse tolkenopleiding onder Gustavs leiding De beginjaren van de nieuwe Leidse tolkenopleiding werden gehinderd door het ontbreken van een goed woordenboek Nederlands - Chinees en Chinees - Nederlands. De beschikbare woordenboeken lieten volgens Gustav niet meer toe dan het vertalen van traktaten en leerreden. De taalkennis van de tolken schoot tekort als het ging om het vertalen van officiële mededelingen en voorschriften. Schlegel en Francken hadden beiden verder gewerkt aan het samenstellen van het woordenboek in het Changchou dialect waarmee ze in Amoy begonnen waren. J.J.C. Francken deed dit tot zijn dood in 1863. Zijn nagelaten manuscript werd door De Grijs afgemaakt. Inmiddels lag het al jaren bij de landsdrukkerij in Batavia. Er mocht alleen aan gewerkt worden door drukkers die bereid waren dat na hun dagelijkse werk te doen. Omdat de capaciteit van de drukkerij onvoldoende was, gingen officiële documenten voor. Gustav stelde vast dat nog maar zestien vel was gedrukt zodat het nog jaren zou duren voordat het woordenboek af zou zijn. En dan, voegde hij toe, was het woordenboek bij verschijning achterhaald.515 Hij wilde zijn Nederlands - Chinees (Changchou) woordenboek zo snel mogelijk afmaken, zodat het in Leiden kon worden gedrukt. Gustav investeerde eerst veel tijd in het weer operationeel maken van de drukkerij op basis van de letterkast uit China die Hoffmann had gekocht. Hoffmann had de drukkerij ondergebracht bij uitgeverij Sijthoff in Den Haag, maar deze functioneerde nauwelijks. Schlegel besloot het materiaal over te brengen naar uitgeverij Brill in Leiden. Karakters moesten

515

L. Blussé, ‘Of hewers of wood’, p. 339.

234


worden vervangen en ontbrekende aangevuld. Gustav hield zich intensief bezig met het instrueren van de letterzetters in de drukkerij om met de Chinese karakters om te gaan en ze te kunnen identificeren. Het was min of meer een tweede opleiding die de hand van de leraar niet kon ontberen. De eerste proeve was de uitgave van zijn Uranographie Chinoise die in 1875 bij Brill verscheen. Het bleek een goede investering, want Brill zou de huisdrukker blijven van vele teksten in het Chinees, decennia lang zelfs als monopolist in Europa. Het merendeel van Gustavs publicaties werd door deze firma uitgebracht, naast die van vele andere auteurs uit dit continent. Vanaf 1890 werd ook het internationale tijdschrift T’oung pao uitgegeven dat vandaag de dag nog verschijnt.516 Dit kan worden beschouwd als een belangrijke verdienste van Gustav die er voor zorgde dat werken over en in de Chinese taal konden worden verspreid in Europa. Benoemd tot hoogleraar Gustav hield zijn inaugurale rede op 27 oktober 1877 als hoogleraar in de Chinese taal en letterkunde. Hij had een positie veroverd die hem in staat stelde naast het opleiden van tolken zich in de Chinese cultuur in brede zin te verdiepen. Zijn familie kan bij de plechtigheid aanwezig zijn geweest, want Leander en Cécilia waren beiden weer terug in het land. Hermann zal met trots hebben gezien dat zijn zoon de toga droeg. Hij moet zich daarbij bewust zijn geweest van zijn eigen positie als geslaagde museumbioloog. Wat overheerste, was het gevoel dit alles op eigen kracht en intellect te hebben bereikt. Het storende keurmerk van dilettant was, zo niet vergeten, dan toch op de achtergrond geraakt. Dat nog vele problemen op dat moment met de financiering en de penibele huisvesting van het Museum buiten zijn macht lagen, kon hem persoonlijk niet aangerekend worden. Zijn zoon bevestigde en versterkte de status die zijn familie inmiddels in de stad had veroverd. Gustavs oratie kreeg de titel Over het belang van de Chinese taalstudie.517 Voor de eerste maal in de geschiedenis der Nederlandsche Hoogescholen zal men het feit vermeld vinden, dat aan ééne daarvan een leerstoel voor den Chineesche Taal werd opgericht; en dat dus ons vaderland het voorbeeld van Frankrijk, Duitsland, Rusland en Engeland heeft opgevolgd. Het mag dan ook niet ongepast schijnen, de redenen die tot de oprichting van deze leerstoel geleid hebben, te ontvouwen en toe te lichten;[ ]. 518

Vgl. dl. II, p. 172. en pp. 248 waar dit tijdschrift wordt besproken. G. Schlegel, Over het belang der Chineesche taalstudie. Redevoering bij de aanvaarding van het hoogleeraarsambt aan de Hooge School te Leiden, uitgesproken den 27sten October 1877(Leiden, E.J. Brill 1877). 518 G. Schlegel, Het belang van de Chinese taalstudie, p. 3. 516 517

235


Gustav laat de geschiedenis van de studie van de Chinese taal beginnen met nestoriaanse missionarissen gedreven door ‘de zucht het machtige Aziatische rijk met zijn miljoenen inwoners tot de christelijke leer te bekeren.’ Slechts één grafmonument (781 AD) herinnert er nog aan. Achthonderd jaar later in 1583 bezocht de jezuïet Mattheo Ricci (1552-1610) China. Hij kreeg voet aan de grond in Peking waar het aantal ordegenoten snel toenam. Zij wisten door hun geleerdheid indruk te maken op de bestuurskringen in Peking. Toch bleven zij barbaren uit het westen die onverminderd gewantrouwd werden. Er ontstonden problemen tussen hen en missionarissen van andere orden, onder andere van de orde van de Dominicanen. In Rome zag de paus met lede ogen aan dat de jezuïeten een geheel eigen opvatting hadden over het verkondigen van de rooms-katholieke heilsleer. De predikheren maakten de paus er op attent dat de jezuïeten toestonden dat door hen bekeerde Chinezen hun heidense godsdienstige opvattingen naast de rooms-katholieke doctrines bleven uitoefenen. De Chinese regering ontdekte dat de bekeerlingen die werden gemaakt met naam en toenaam in de administratie van Rome werden opgenomen. Toen ook nog missionarissen in Japan beschuldigd werden de hand te hebben in een opstand, was de maat vol en werden preventief alle missionarissen het land uitgezet uit vrees voor een opstand op eigen bodem. In Rome werden ook maatregelen genomen. In 1773 werd bij pauselijk decreet de orde van de jezuïeten opgeheven. Na enige tijd namen missionarissen uit Groot-Brittannië de plaats in van de kerk van Rome. Zij waren protestantse zendelingen. Dezen slaagden er zelf nimmer in Chinees te leren. Het was Robert Morrison die als eerste westerse missionaris de taal leerde spreken. In 1823 publiceerde hij het eerste Engels - Chinees woordenboek. Morrison gaf leiding aan het Anglo-Chinese-College in 1818 opgericht in Malakka. Daar kwamen goed opgeleide geleerden vandaan, zoals Milne (1785-1822), Samuel Kidd (1804-1843), Jacob Tomlin (1793-1880) en James Legge. In 1844 werd het college overgebracht naar China. Gustavs kennis steunde in belangrijke mate op het werk van deze geleerden.519 Hij beschouwde hen als zijn leermeesters. De studie van de Chinese taal was tot Azië beperkt. In Europa was er weinig belangstelling voor. Slechts hier en daar werden Aziatische talen bestudeerd. Pas nadat de Franse sinoloog Abel Rémusat tot hoogleraar in de Chinese taal en literatuur werd benoemd aan het Collège de France ontstond er op meer plaatsen in Europa belangstelling voor de Chinese taal en cultuur. Na Rémusat trad Stanislas Julien in 1832 aan. Hij schreef een grammatica die nog tijdens Gustavs oratie in gebruik was en dat ook nog lang zou blijven. Frankrijk bouwde zo aan een traditie van geleerde sinologen die de taal, bellettrie,

519 Het Anglo-Chinese-College was de leverancier van de letterkast met Chinese karakters die door bemiddeling van De Grijs naar Hoffmann in Leiden was gestuurd.

236


oudheidkunde en geschiedenis bestudeerden. Ook in Duitsland bestond enige beweging, maar men richtte zich meer op de studie van het ‘zoveel poëtischer en mystieke Sanskriet.’ Duitsland had geen belangen in China, noch economische, noch politieke, zodat de studie van het Chinees niet bevorderd werd. De prikkel van economisch gewin ontbrak. In Rusland lag de zaak geheel anders. Al in 1727 werd in Peking een missie gesticht door graaf Vladislavitch, waar zowel Chinees als Mandschoes werd onderwezen. Deze opleiding was uitstekend georganiseerd. De studenten die naar China wilden, moesten gepromoveerd zijn en daarnaast nog een examen afleggen in de Chinese en Tartaarse taal. In Engeland zelf verliep de ontwikkeling van de sinologie betrekkelijk traag. Pas in 1875 kreeg Oxford een hoogleraar in de persoon van James Legge. Hij was de beroemdste taalkundige in het Chinees. In China zelf voerde de hoogleraar Sir Thomas Wade een groep taalgeleerden aan. Hij was gevolmachtigd minister van de Britse kroon in Peking. Hij wist de gewoonte te doorbreken op diplomatieke posten uitsluitend Lords te benoemen, door deze functie ook voor tolken open te stellen. Voor tolken was dat een aantrekkelijke carrièremogelijkheid. Gustav memoreerde dit in zijn oratie omdat ook in Batavia en op de buitenposten heel goed tolken als resident of assistent-resident zouden kunnen worden benoemd. In Noord-Amerika werkte slechts één sinoloog, Wells Williams, die het Chinees Engelse woordenboek samenstelde dat Gustav het beste en het volledigste noemde. Zo zag de wereld van de sinologie-in-opkomst eruit, die het werkveld van Gustav zou vormen gedurende de komende jaren als Leidse hoogleraar in de Chinese taal en letterkunde. Gustav zag het vooralsnog als zijn belangrijkste taak ervoor te zorgen dat er een Nederlands - Chinees woordenboek zou komen. Dit zou het werk van de tolken in Nederlands-Indië aanzienlijk verlichten. Hij realiseerde zich dat de betreffende publicatie niet zonder overheidssteun kon worden uitgegeven, vanwege de hoge kosten die het met zich meebracht. Hij zou er alles aan doen het werk zo spoedig mogelijk af te ronden. De voorwaarden daarvoor waren aanwezig. Uitgeverij Brill was met haar zetterij van Chinese karakters in staat om het op de markt te brengen en Gustav was in de buurt om het drukproces te volgen, te controleren en te corrigeren. Gustav kende aan het bestuderen van de Chinese taal een bijzonder belang toe. Als men de taal van een volk kende, had men ook kennis gemaakt met ‘zijne godsdienstige en maatschappelijke begrippen en vooroordelen, met zijne karakter, zijne ontwikkeling en zijne neigingen.’ Niet ten onrechte werd gezegd: ‘de tael is gansch het volk.’520 Gustav haakte aan bij een alge-

520 Gustav citeert hier de dichter Prudens van Duyse (1804-1859), één van de oprichters van het Vlaams Genootschap: De tael is gansch het Volk (1834).

237


meen gevoelen onder de hoogleraren van de letterenfaculteit, dat empirisch onderzoek vanzelfsprekend vereiste dat werd gewerkt aan de totstandkoming van goede grammatica’s, woordenboeken en vergelijkende taalstudies die noodzakelijk waren om een dieper inzicht in de bestudeerde taal te krijgen. Otterspeer heeft er op gewezen ‘dat een grote behoefte bestond aan een veralgemenisering van de grenzen die het empirisme te buiten ging.’ Gustavs conclusie dat vanwege de Chinese minderheid in Nederlands-Indië de kennis van de Chinese taal onmisbaar zou zijn noemt Otterspeer ‘een nogal specifieke uitleg voor de wijze waarop die studie speciaal in Nederland wetenschap en nuttigheid kon verenigen.’ Hij acht de uitspraak ‘eerder ontleningen aan een romantisch taaleigen en vereisen een minder ontmoedigende bewijslast.’521 Gustav lijkt zich aan te sluiten bij het primaat van de empirische wetenschap, maar is van mening dat daarbij een cultuurhistorische oriëntatie niet gemist kan worden. Hij dekt zich in voor kritiek die hij kende als zou zijn onderzoek worden gekenmerkt door een fantasierijke interpretatie. Deze studie richt zich niet primair op beoordeling van de opbouw en inhoud van het studieprogramma dat hij als hoogleraar tot stand bracht en zou uitvoeren. Wel kunnen we vaststellen dat Gustav erin geslaagd is zich de positie te verwerven die hem in staat stelde zijn wetenschappelijk programma uit te voeren. Opvallend is hoe dicht hij gedurende al die jaren bij zijn aanvankelijke keuze is gebleven. Het begon met de contacten met de vrienden uit het netwerk van zijn ouderlijk gezin in de personen van Hoffmann, met Von Siebold en Kaiser als identificatiefiguren, daarnaast en a fortiori zijn vader zelf, die ook in deze jaren centraal bleef staan in zijn bestaan. Deze mannen zijn bepalend in zijn leven, al is het vooral in functionele zin. Het is niet moeilijk daarin de opstelling en handelwijze van de vader te herkennen, met dit verschil dat Gustav een opleidingstraject volgde dat hem binnenleidde in een omgeving waarin het bestuderen van de Chinese cultuur in brede zin zijn onderzoeksterrein werd. Hij omschreef dat als volgt: Heren Curatoren, Door mijne benoeming aan deze hoogeschool is voor mij eene zuiver wetenschappelijke loopbaan geopend, en hoewel ik niet betreur een vijftiental jaren in China en Indië in eene andere betrekking te hebben geleefd en gewerkt, daar het verblijf aldaar mij er toe geleid heeft mijne lust tot de studie van het Chineesch gaande te houden en aan te vuren, zo beschouw ik het toch voor mij als een groot geluk, thans in staat gesteld te zijn mijne krachten onverdeeld aan de wetenschap te kunnen wijden. [ ] Vooral U, Baron Sloet van de Beele, die zich mijner steeds zoo

521

W. Otterspeer, De Wiekslag van hun geest, p. 271.

238


hulpvaardig en belangstellend hebt aangetrokken, betuig ik hier nogmaals openlijk mijne dank.522

Hermann zal de dankbaarheid jegens Sloet van de Beele ongetwijfeld hebben gedeeld. Familiaal intermezzo; omgangsvormen en presentatiestijl In 1878 trad Gustav in het huwelijk met Catharina Elisabeth Gesima Buddingh (9 augustus1857).523 Zij was een volle nicht van moederszijde en de jongste dochter van zijn oom Johan Buddingh, predikant in St. Oedenrode en zijn tante Christina Cornelia Elisabeth Marijt. De Brabantse familie en de Leidse onderhielden hartelijke contacten. Het is mogelijk dat Gustav voor zijn vertrek naar China in oktober 1857 op kraamvisite ging. Gustavs oma van moederszijde, Catherina Elisabeth Buddingh-Caspers, woonde in de pastorie met het gezin van haar zoon Johan tot zij in 1854 overleed. Na zijn terugkeer uit Nederlands-Indië zal hij zijn oom en tante een bezoek hebben gebracht, die nog treurden om het verlies van hun zoon Jan die als tolk in 1870 in Padang was overleden.524 Gustav zal weinig te melden hebben gehad. Hun wegen kruisten zich niet, ook omdat hij niet goed met zijn neef overweg kon.525 Bij dat bezoek aan de pastorie was Catharina in haar vijftiende levensjaar. In 1873 overleed oom Johan en in 1874 tante Christina Marijt. Zij lieten twee dochters verweesd achter.526 In april 1876 vertrokken Catharina en haar oudste zuster Christina Cornelia (1841) uit St. Oedenrode en vestigden zich in Leiden.527 Of de verhuizing van de nichtjes verband hield met het ophanden zijnde huwelijk, is onduidelijk. Het huwelijk tussen Gustav en Catharina werd op 9 mei 1878 gesloten in het stadhuis van Leiden.528 Getuigen waren de vader van de bruidegom en zijn broer Leander. Gustav telde achtendertig jaren, zijn bruid twintig lentes. Het paar ging wonen aan het Rapenburg

G. Schlegel, Het belang der Chinese taalstudie, p. 23. L.A.J.W. Baron Sloet van de Beele (1806-1890) was curator van de Hogeschool van 1876-1890. Hij was GG in Nederlands-Indië van 1861-1866. 523 Archief BHIC, ’s Hertogenbosch. Register BS St. Oedenrode, geboorteakte nr. 75 van Catharina Elisabeth Gesima Buddingh, geboren op 9 augustus 1857. 524 Vgl. dl. II, p. 224 en noot 496. 525 Vgl. dl. II, p. 194 en noot 411. 526 Archief BHIC ’s Hertogenbosch. Register BS van St Oedenrode, overlijdensakte nr. 79, van Johan Buddingh, overleden 6 oktober 1873; idem, Register BS van St. Oedenrode, overlijdensakte nr. 30, van Christina Cornelia Marijt, overleden op 17 april 1874. 527 Archief BHIC ’s Hertogenbosch, Register BS St. Oedenrode, uitschrijving als inwoner, blad nr. 110 van Catharina Elisabeth Gesina Buddingh, geb. 9 augustus 1857, vertrok naar Leiden op 26 april 1876. Idem, Register BS, blad nr. 110 uitschrijving van Christina Cornelia geb. 3 november 1841 vertrok op 26 april 1876 naar Leiden. 528 RAL, BS. Huwelijksregister 1878, akte nr. 90. 522

239


51. In de krant verscheen een dankadvertentie voor alle bij hun huwelijk ondervonden belangstelling.529 Gustav kocht in 1878 het huis aan het Rapenburg 51voor achtduizend gulden, belast met een hypotheek van drieduizend gulden.530 Bij testamentaire beschikking benoemde ieder de ander als enige erfgenaam.531 Het was een ruim huis met drie benedenkamers, waarvan één een ruime zaal. Er waren boven acht kamers en een droog- en turfzolder. Alle kamers hadden een stookgelegenheid. Een marmeren gang gaf toegang tot de kamers en de ruime keuken op de begane grond met pomp en regenwaterkelder, een binnenplaats en tuintje.532 Over het echtpaar en hun levenswijze zwijgen de bronnen. Het huwelijk bleef kinderloos. Hun huwelijk werd in 1890 door scheiding van echt ontbonden, bepaald opmerkelijk voor die tijd, al was het toch niet meer zo uitzonderlijk. Gustav bleef in het huis wonen en Catharina vestigde zich in ’s Heerenberg, waar zij in 1897 overleed. 533 Uit allerlei voorbeelden blijkt dat Gustav vanwege zijn persoonlijke eigenschappen, gebrek aan empathie en zijn Pruisisch temperament, voor zijn studenten en zijn collegae een moeilijke man was in de omgang. Voor zijn jonge echtgenote zal dit waarschijnlijk niet anders zijn geweest. Het is veelbetekenend dat Gustav zelf nergens in zijn teksten aan zijn vrouw of huwelijk refereert. De echtscheidingsakte en de testamenten die Gustav achterliet, zijn de enige documenten die aan de jaren van zijn huwelijk herinneren. In zijn onderwijs slaagde Gustav er niet in warme gevoelens voor zijn persoon op te roepen bij zijn studenten. Hij eiste van hen wat hij van zichzelf eiste: gedegen werk en goed opletten. Blussé merkte er weinig welwillend over op: ‘But as a tutor Schlegel was not quite the success he made himself out to be: his inflammable temper and priggish behavior did not endear him to his students.’534 Hij gebruikte een directe stijl, wars van eufemistisch taalgebruik, zeer direct en uitgesproken in zijn afkeuring van het werk van anderen. Gustavs handelen lijkt in dit opzicht helemaal op de stijl die het optreden van zijn vader kenmerkte, al had deze zich om tactische redenen nog wel eens ingeperkt. Bij Gustav lijkt daarvan, zeker na zijjn benoeming tot hoogleraar, nauwelijks sprake. Deze stellige manier van presenteren wekte irritatie. Het werd ervaren

Archief M. van Niel, Krantenknipsel zonder bronvermelding. NL-LdnRAL, Notarissen ter standplaats Leiden (Nieuw Notarieel archief) 1843-1895, nr. toegang 507A, inventarisnrs. 335-376, notaris Albertus van Leeuwen, inv. nr. 363, met hypothecaire akte Rapenburg 51. 531 NL-LdnRAL, Nieuw Notarieel Archief 1843-1905 (Leiden), 507A, inv. nr. 363, akte nr. 61 testament van G. Schlegel, 1 mei 1878. Idem, inv. nr. 363, akte nr. 62 testament van Catharina Elisabeth Gesina Buddingh. 532 Th. Lunsingh-Scheurleer, C. Willemijn Fock en A.J. Dissel, Het Rapenburg. Geschiedenis van een Leidse gracht (Leiden, Rijksuniversiteit 1992) dl. I p. 50, deel III p. 152, 721 en deel IIIb p. 734-735. 533 RAL, BS, Huwelijksregister 1878, akte nr. 90. In deze akte is in de marge het echtscheidingsvonnis vermeld. 534 Leonard Blussé, ‘Of hewers of wood’, p. 341. 529 530

240


als vergaande gelijkhebberij. Waar zijn opponenten ingingen op de uitnodiging om zijn publicaties kritisch te beoordelen, zullen zijn studenten uit zelfbescherming er voor gekozen hebben discussie te vermijden om niet neergesabeld te worden. Het was meer in hun belang hun docent in de waan te laten dat hij gelijk had. Had hij zelf kritiek op een publicatie dan werd dat op een harde en rechtlijnige manier gedaan om te onderstrepen hoezeer de scribent het bij het verkeerde eind had. Het had meer weg van ‘aanblaffen’ dan op een elegante wijze oppositie voeren die het lijdend voorwerp in zijn waarde liet. Schlegel maakte er bepaald geen vrienden mee. Gustav verkoos de vergelijkende filologie toe te passen op de wijze waarop zijn Sinico-Aryaca was uitgewerkt.535 Blussé plaatste Gustav in veel opzichten in de traditie van de Verlichting. Dat verklaart dat hij zich bezighield met vele uiteenlopende onderwerpen, zoals dat door sinologen na hem niet meer zou worden gedaan.536 Hij was tegelijk onmiskenbaar een kind in de traditie van zijn vaders hang naar het verleden, opgevoed in het Duits romantische gedachtegoed. Hier kan worden gewezen op de mogelijke invloed van het huisonderwijs dat zijn vader hem gaf. Dat opvoedingsmodel was in belangrijke mate geschoeid op de Pruisische leest van de achttiende eeuw. In het frame van dit gedachtegoed hield Gustav zich bezig met het professioneel in kaart brengen van overleveringen, sprookjes, mythen en legenden, waaraan een eigen werkelijkheid werd ontleend. Hij stond in de traditie waaruit onder meer Johann Gottfried Herder (1744-1803) al een eeuw eerder putte. Overleveringen uit de schriftloze oudheid spoorde hij op en gaf ze de status van gebeurtenissen, citeerde eruit en verwees er naar. Hij herschiep ze tot feitelijke gebeurtenissen met een overtuiging die meer dan eens door al dan niet boze opponenten fabuleus werd genoemd. Protest was zijn deel als hij zijn gepostuleerde werkelijkheid in de strijd wierp om tegenstanders van hun ongelijk te overtuigen door niet hun teksten, maar de zijne als de juiste aan te wijzen. Hij herhaalde eenvoudig zijn interpretaties en verklaarde die van zijn opponenten als onjuist. Hij zat in dit opzicht gevangen in een zich herhalend patroon, die vele serieuze opponenten tot wanhoop moet hebben gebracht. Vaak kanaliseerde zich dat in boosheid en/of machteloze afwending van de oppositie.

535 536

Vgl. dl. II, p. 219-224, noot 479. Leonard Blussé, ‘Of hewers of wood’, p. 345.

241


Nederlandsch - Chineesch woordenboek Schlegels Nederlandsch - Chineesch woordenboek verscheen in vier delen tussen 1884 en 1890.537 Het kostte nog altijd tachtig gulden, ondanks een subsidie van het ministerie van Koloniën. Blussé noemde het Gustavs magnum opus en zo zag Gustav het zelf ook. De Franse Académie bekroonde het met de Stanislas Julien prijs. Dit keer kreeg hij deze prijs dus wel. Het onrecht, zijn Uranographie chinoise aangedaan, was gecompenseerd. Dit woordenboek, zo verklaarde Gustav in de inleiding, was speciaal bestemd voor de tolken in Nederlands-Indië, maar kon ook door anderstalige sinologen worden gebruikt, omdat de aan de Chinese literatuur ontleende zinnen alle klassiek waren en niet eigen aan een specifiek dialect. De meeste woordenboeken waren slechts vertaalde woordenlijsten. Het zijne was gebaseerd op filologische, literaire, historische en etnografische kennis uit de schatkamers van de Chinese cultuur. Ons woordenboek dient niet zozeer om een’ Chinees, die Hollandsch zou willen leeren, de vertaling der Nederlandse woorden in het Chineesch te leveren, maar is bestemd om een’ Nederlander (of ander Europeaan), die uit het Nederlandsch (of eene andere Europeessche taal) in het Chineesch vertalen wil of moet, het werk gemakkelijk te maken. Van daar, dat wij in ons Woordenboek er naar gestreefd hebben, om altijd het echt Chineesche equivalent voor de Hollandsche uitdrukking te geven; en in de tweede plaats, geheele zinnen, waaruit men het gebruik van het woord, en de onderhavige nuance der beteekenis kan leeren, op te nemen. Wij koozen daarvoor, zoveel mogelijk, analoge passages uit Chineesche en Europeesche schrijvers; [ ] 538

Hij vond het van belang er op te wijzen dat zijn woordenboek in vergelijking met andere ‘de superioriteit van zijn systeem zal bewijzen.’

539

Het is mogelijk weer een indicatie van zijn

neiging tot gelijkhebberij, hetgeen Gustav meermaals door vakgenoten verweten werd. Elke uitdrukking werd steeds in de juiste context geplaatst. Hij nam er courante gezegden in Europese talen in op, waarvoor het Chinees meestal goede equivalenten had. Gustav gebruikte zinnen waarin ook mythologische namen en namen van goden en personen voorkwamen, waarvoor hij het Chinese equivalent gaf. Hij wilde er mee aantonen dat het Chinese denken niet veel van het westerse verschilde. Deze opvatting zou hij in vele van zijn publicaties herhalen.

537 G. Schlegel, ‘Hô Hoâ Bûn-Gî Lui Ts’am‚ Nederlandsch-Chineesch woordenboek met de transcriptie der Chineesche karakters in het Tsiang-tsiu dialekt. Hoofdzakelijk ten behoeve der tolken voor de Chineesche taal in Nederlandsch-Indië. Bewerkt door G. Schlegel, Hoogleeraar in de Chinesche taal en letterkunde aan de Rijksuniversiteit in Leiden. Uitgegeven met ondersteuning van het Ministerie van Koloniën, deel I (1886) 1470 pp. deel II (1887) 1132 pp., deel III (1884) 1212 pp., deel IV (1890) 1403 en 61 pp. (Leiden, E. J. Brill 1884-1890). 538 G. Schlegel, Nederlandsch-Chineesch woordenboek, deel I, p. 17. 539 G. Schlegel, Nederlandsch-Chineesch woordenboek, deel I, p. 19.

242


Ondanks het feit dat zijn werk lovende recensies kreeg en een grote prestatie werd genoemd, zag hij eerst vol ongeduld, maar allengs met verbijstering, dat zijn woordenboek door tolken in Nederlands-Indië nauwelijks werd gebruikt. Bovendien werd het door niet-Nederlandse sinologen vrijwel niet opgemerkt. Blussé verwees naar een lezing die Gustav hield op het 6e Congrès International des Orientalistes (1883) : Sur l’importance de la langue hollandaise pour l’ interprétation de la langue chinoise.540 In deze presentatie hield hij zijn collega’s voor dat zijn woordenboek vanwege de opzet uitermate geschikt was om te gebruiken met behulp van een woordenboek Nederlands - Frans of Nederlands - Engels.541 Dat moest iedere filoloog toch kunnen. Het had het voordeel dat er tussen het Nederlands en het Chinees in het gebruik van uitdrukkingen merkwaardig veel overeenkomst bestond. Niet alleen waren beide landen vertrouwd met water, zij maakten van de vaarwegen in hun landen een intensief gebruik. Voor Gustav was dat nog een reden het in het Nederlands uit te geven, buiten dat het voor de in het Nederlands opgeleide tolken was geschreven. Blussé oordeelde daarover: Of course, these words were to no avail, and Schlegel actually would have made quite a fool of himself, had not everybody in the audience understood the drama behind it all. 542

Met compassie voor het droevig lot dat Gustav over zich afriep, deed Blussé hem postuum toch recht door vast te stellen dat hedendaagse studenten Chinees veel profijt zouden hebben bij het gebruiken van diens woordenboek bij het bestuderen van archivalia in het Rijksarchief, of bij het ontcijferen van historische teksten uit Zuidoost-Azië en Indonesië.543 Gustav kwam overigens zelf ook tot het inzicht dat hij een kapitale misrekening had gemaakt door aan te nemen dat zijn woordenboek in een behoefte zou voorzien van de internationale gemeenschap van Chinese tolken en sinologen. Hij kwam daarmee naar buiten naar aanleiding van de publicatie van The religious system of China (1892), geschreven door zijn oud-leerling Jan Jacob Maria de Groot (1854-1921) over het godsdienststelsel in China.544 In het Indisch Weekblad besprak Gustav het eerste deel van dit werk.

545

Hij opent zijn bespreking met De Groot in deze te

540 G. Schlegel, ‘Sur l’ importance de la langue Hollandaise pour l’ interprétation de la langue Chinoise’, in : Actes du 6e congrès International des Orientalistes, 4ième partie, Extrème Orient, overdruk (1883), pp. 121-142. Vgl. Leonard Blussé, ‘Of hewers of wood’, p. 341. 541 idem, p. 142. 542 Leonard Blussé, ‘Of hewers of wood’, p. 341 543 idem, p. 341. 544 J.J.M. de Groot, The religious system of China: its ancient forms, evolution, history and present aspect. Manners, customs and social institutions connected therewith, Vol. I : Disposal of the dead (Leiden, Brill 1892). 545 G. Schlegel, ‘Het godsdienststelsel van China’, boekbespreking, van J.J.M. de Groot in De Indische Gids, staat en letterkundig maandschrift, Jrg. XIV, Vol. I, Book I, Disposal of the dead; Part. I, Funeral rites; Part. II, The ideas of resurrection (Leiden, Brill 1892) pp. 1132-1138.

243


verdedigen en erkent tegelijkertijd publiekelijk het zelf bij het verkeerde eind te hebben gehad door zijn woordenboek wel in het Nederlands te publiceren. Waarlijk wij zouden het betreuren indien dit werk in de Nederlandsche taal ware geschreven. Referent [G.S.] heeft de zwakheid gehad zijn hoofdwerk, een volledig Nederlandsch-Chinees woordenboek uit vier quarto delen, elk ca. 1400 dubbele bladzijden beslaande in de Nederlandsche taal uit te geven. Van geen zijner werken heeft hij minder voldoening gehad dan van dit. De ontzaglijke schat van ethnografische en andere wetenswaardigheden liggen er in begraven omdat de Duitscher, Engelschman of Rus geen Hollandsch leest. En [ ] dat het in Nederland in het geheel niet gelezen wordt. Dat noch het Handelsblad, noch eene der andere groote Nederlandsche Couranten zich vervaardigd heeft daarvan notitie te nemen, en referent dus dit woordenboek, dat eveneens door een groot regeringssubsidie werd gesteund, evengoed in het Turksch of Kamtschandaals had kunnen uitgeven. Had hij het in het Engels geschreven dan zou het een heel wat ruimer debiet hebben gehad, maar ook beter bekend en gewaardeerd zijn geworden. 546

Voor Gustavs Chineesch - Nederlandsch Woordenboek keerde het tij nimmer. Een groot aantal onverkochte exemplaren van het werk bleef bij Brill in het magazijn, om volgens Blussé pas in de jaren 1970 in de papierversnipperaar terecht te komen.547 Het exemplaar geraadpleegd in de bibliotheek van de Leidse opleiding Sinologie zag er oud en vooral ongebruikt uit. Een mooi voorbeeld van westerse stijlkritiek Alvorens in te gaan op de tekst La loi du parallélisme en style chinois is het van belang het verband te bespreken tussen deze publicatie en eerder werk van Gustav. In 1892 publiceerde hij een artikel ‘La stèle funéraire du Téghin Giogh.548 Voor deze studie vergeleek hij zijn vertaling van de Chinese tekst op dit grafmonument met die van de sinoloog Georg von der Gabelentz (1840-1893). In 1896 verwijst Gustav naar dit artikel, waarin hij voor het eerst de toepassing van wat hij noemde ‘de waarde van het gebruik van parallellisme als stijlfiguur in de Chinese taal’ beschreef. In zijn La loi du parallélisme en style chinois werkt hij deze stijlfiguur uit. 549

Deze in het Oosten veel gebruikte literaire stijl is veelvuldig onderzocht. Een kenmerk hier-

van is de toepassing van allusies ter versterking van de boodschap. Gustav toonde het nut van dit stijlmiddel aan bij het vertalen van een sterk gemutileerde tekst. Het hielp hem ontbrekende G. Schlegel, ‘Het godsdienststelsel van China’, p.1133. L. Blussé, ‘Of hewers of wood’, p. 341. 548 Gustave Schlegel, ‘La Stèle funéraire du Téghin Giogh, copistes et traducteurs chinois, russes et allemands’, Extrait du Journal de Société Finno-Ougrienne de Helsingfors (Leiden, E.J. Brill 1892). 549 Gustave Schlegel, La loi du parallélisme en style chinois. Démontrée par la préface du Si-yü Ki, la traduction de cette préface par feu Stanislas Julien défendue contre la nouvelle traduction du Père A. Gueluy (Leiden, E.J. Brill 1896). 546 547

244


woorden beredeneerd te kunnen aanvullen dankzij het nauwkeurig analyseren van in de tekst gebruikt parallellisme. Tot dan hadden sinologen geen specifieke aandacht besteed aan de wetmatigheden die in een parallelle tekst in China worden gebruikt. Gustav past het in 1896 opnieuw toe in zijn La loi du parallélisme en style chinois. Hij deelt de lezer in de inleiding mee dat zijn La stèle funéraire uit 1892 tot zijn vreugde positieve reacties van de zijde van zijn collega’s kreeg, waardoor hij zich bemoedigd voelde op deze weg door te gaan.550 Blussé kwalificeerde dit werk als ‘een belangrijke westerse studie naar het klassieke Chinees.’551 Hij rekent het tot het beste wat Gustav schreef, samen met zijn onderzoek naar de Hung-league en zijn Uranographie. La loi du parallélisme is de beschrijving van een kritisch onderzoek naar de vertaling uit het Chinees in het Frans van een werk van Si-yü Ki door de sinoloog Julien.552 In 1894 verscheen een geheel nieuwe vertaling van de introductie van het boek van Si-yü Ki geschreven door de missionaris Albert Gueluy (1849-1924), met voorbijzien aan de reeds bestaande vertaling door Julien in 1857.553 Gustav wijst er op dat het in filologenkringen ongebruikelijk is een bestaande vertaling van een collega sinoloog terzijde te leggen, hetgeen Gueluy in zijn vertaling van het boek van Si-yü Ki wel deed. Gustav verwijst naar de mening hierover van L. de Rosny, dat als er sprake is van onjuistheden in een vertaling, hierop kon worden ingegaan in een kritische filologische studie, maar wel aan de hand van een bestaande vertaling die bijgevolg onaangetast blijft. 554 Gueluy schreef echter een geheel nieuwe vertaling van het voorwoord en publiceerde deze onder de titel A propos d’une Préface in het tijdschrift Museon.555 Gustav verwijst naar de verklaring die Julien gaf in zijn vertaling van de duistere tekst in het voorwoord in het boek van Si-yü Ki. Deze schreef: ‘J’ai traduit’, dit-il, ce morceau aussi fidèlement que possible sans me flatter de l’avoir compris d’un bout à l’autre.’556 Julien liet dus de hermetische tekst haar karakter behouden, al was het hem een raadsel welke betekenis er achter schuil ging. Hij gaf slechts aan dat hij de tekst naar beste vermogen had vertaald, maar in het duister tastte over de betekenis. Gustav beschrijft hierop wat hem zelf was overkomen toen hij van zijn Chinese leraar in Amoy een brief moest beantwoorden in het Chinees geschreven. idem, p. 2. Leonard Blussé, ‘Of hewers of wood’, p. 341. 552 Stanislas Julien, Mémoires sur les contrées occidentales, tome I, p. XXX (Paris, imprimerie imperiale18571858) Geciteerd in: Gustave Schlegel, La loi du parallélisme en style chinois. (Leiden, E.J. Brill 1896) p. 2. 553 A. Gueluy, ‘A propos d’une Préface’, Museon, tome XIII, Novembre 1894. 554 Gustave Schlegel, La loi du parallélisme en style chinois. (Leiden, E.J. Brill 1896) p. 3; Gustav verwijst naar L. de Rosny, in: Actes du 1er Congrès international des Orientales à Paris, Vol. I, p. 386. 555 idem, La loi du parallélisme en style chinois, p. 3. 556 Stanislas Julien, Mémoires sur les contrées occidentales I, p. XXX. 550 551

245


Un jour, en Chine, ayant répondu en Chinois à une lettre chinoise, mon professeur chinois me dit: ‘Cela ne va point. Ce n’est pas assez profond [ Chinees karakter]; c’est trop clair. Je vais vous écrire pour lui une lettre dont il ne comprendra rien.’ Sur ma remarque que je voulais justement que mon correspondant me comprisse, il répliqua :’Cela ne fait rien; vaut mieux qu’il n’y comprenne rien, que qu’il y comprenne tout.’557

Gustav leerde hiervan hoe het voorwoord in een Chinese tekst moet worden begrepen: de auteur wil niet dat de lezer zijn woorden begrijpt. Hoe duisterder een tekst is, des te meer zal de ontvanger ervan overtuigd zijn dat hij te maken heeft met een tekst die geleerdheid bevat en die hij hoopt te ontdekken tijdens het lezen van het boek. In zijn onderwijs heeft Gustav zijn studenten herhaaldelijk dit voorval voorgelegd. Het had hem overtuigd dat alleen het schrijven van brieven in het Chinees de student kan leren te denken als een Chinees. Werken aan de ontleding van een tekst, zo leerde Gustav, is te vergelijken met het werk van een chemicus die onderzoek doet naar de samenstelling van een stof om er achter te komen uit welke elementen deze bestaat. Daarvoor zal het mengsel moeten worden geanalyseerd, hetgeen veel kennis van zaken vereist. Een Chinese auteur plundert voor het voorwoord van zijn studie een honderdtal teksten van oude schrijvers en leent daaruit stukjes die hij vermengt met zijn persoonlijke fraseologie. Het resultaat is dat, als het al aardig klinkt, het toch niet veel zegt. De lezer zal het verheimelijken dat de auteur nastreeft opvatten als de boodschap en die als zodanig respecteren. Het werk van de filoloog bestaat er uit te achterhalen van welke oudere auteurs de schrijver gebruik heeft gemaakt, precies zoals de chemicus doet, en wel door alle elementen van een mengsel waaruit de substantie bestaat stuk voor stuk te identificeren. Vervolgens zal hij vaststellen wat het mengsel is, waarvoor het dient en hoe het te gebruiken. De filoloog zal op zijn gebied deze analyse moeten maken. Juist op dit punt onthult Gustav ons welke betekenis er moet worden gehecht aan zijn methode van onderzoek. Toepassing ervan behoort tot zijn instrumentarium om door te dringen in teksten. Zijn schatgraverij gaat terug naar deze oude teksten en die onthullen de verheimelijkte uitingen waaruit de onderzochte tekst in het voorwoord bestaat. Deze voor Schlegel uiterst serieuze exercitie vond haar weg in filologenkringen en werd op haar beurt onder kritiek gesteld. Binnen het kader van dit onderzoek bepaal ik mij tot de receptie van zijn bevindingen. Gustav neemt het op voor Juliens vertaling, en wijst er op hoe Gueluy de gedragscode onder filologen met voeten trad door de vertaling van Julien geheel te herschrijven. Blussé had al gewezen op negatieve reacties van collega’s op Gustavs filologische studies. Daaraan

557

Gustave Schlegel, La loi du parallélisme en style chinois, p. 2-3.

246


verbond hij de opvatting dat onder filologen eerder een harde opstelling jegens elkaar de gewoonte was, dan het met respect behandelen van elkaars gezichtspunten, volgens de regels van een academische discussie.558 Bij Gustav speelde zijn neiging een rol om op te komen voor de juistheid van zijn bevindingen in taalkundige kwesties, evenals zijn onverbloemde wijze van het bekritiseren van werk van collegae. Ook hij koos voor een directe en confronterende stijl. Blussé noteerde: ‘[ ] Sinologists have never been noted for being very friendly or sympethatic towards each other, and Schlegel, who was always ready to criticize others, may even have asked for it.’559 Erwin Ritter Von Zach (1872-1942) had enige tijd deelgenomen aan lessen van Gustav en ook van diens leerling J.J.M. de Groot. Deze Von Zach, die zelf een reputatie had genadeloos om te gaan met filologische studies van collegae, had het ook op het werk van Gustav voorzien. Hij beoogt met zijn kritische analyse van Schlegels Kara Balgassum Inschrift en diens La loi du parallélisme het volledig falen aan te tonen van Gustavs competentie als sinoloog. In zijn Einige Worte zu Prof. Gustav Schlegels‚ La loi du parallélisme en style chinois beperkt Von Zach zich tot het corrigeren van notoire onjuistheden. ‘Diese Beispiele können beliebig vermehrt werden, da in der genannten Schrift auch nicht ein chinesischer Satz richtig übersetzt ist.’560 In Weitere Beitrage zur Richtigen Wuerdigung zur Prof. Schlegels gaat Von Zach met zijn kritiek verder: Der Gedanke, der hier mich leitet, ist jedoch nicht, ihm den Glauben an seine Unfehlbarkeit zu nehmen: diese seine Wahnidee ist ein chronischer Irrtum, der einer besseren Einsicht unzugänglich ist. Wenn ich mich der undankbaren Mühe unterziehe, nochmals seine Arbeiten kritisch durchzugehen, so geschieht dies nur, um die wissenschaftliche Welt über einen Verrat an der Wahrheit des geistigen Schaffens aufzuklären und um einem Missgriffe, ähnlich dem der Wiener Academie, die ihn vor kurzem zum Mitglied ernannt, in Zukunft vorzubeugen. An der Hand der folgenden Beispiele hoffe ich die Oberflächlichkeit, Verworrenheit, Sinnlosigkeit seiner Übersetzungen, die an Unreife streifende Dreistigkeit und Frivolität seiner Kritik, die ganze Verwerflichkeit seines Dilettantismus, aber auch die Schmach aufzudecken, die sich in der Anerkennung und Ehrung dieses wissenschaftlichen Gauklers verbirgt. 561

Leonard Blussé, ‘Of hewers of wood’, p. 340. idem, p. 340. 560 E. von Zach, Einige Worte zu prof. Gustav Schlegel’s‚‘La loi du parallélisme en style Chinois’ (Peking 1902, Leipzig, W. Drugulin) pp. 1-7. 561 E. von Zach, Weitere Beiträge zur Richtigen Wuerdigung prof. Schlegel’s (Peking 1902, zn.) pp. 1-2. 558 559

247


Het is duidelijk. Von Zach verwierp volledig Gustavs competentie als filoloog. Er volgt correctie en hertaling. Gustav hield zich afzijdig in dit debat, slechts noterend dat zijn La loi du parallélisme en style chinois brede erkenning vond. Bovendien was hij op de hoogte van Von Zach’s wijze van kritiek leveren, die hem als sinoloog isoleerde van zijn collega’s. Geboorte van een internationaal tijdschrift In de periode tussen 1890 en 1903 stond Gustavs medewerking aan het in Parijs uitgegeven tijdschrift T’oung pao (Mededelingen) centraal. Dit tijdschrift was de uitwerking van een plan dat gedurende een treinreis tussen Stockholm en Christiania (thans Oslo) werd beklonken. De Franse sinoloog Henri Cordier (1849-1925), Gustav Schlegel en twee uitgevers van Brill verplaatsten zich van het ene naar het andere congres van Oriëntalisten (1889). Brill was voortvarend in het publiceren van teksten onder andere in Oosterse talen, waaronder Chinees, en had daarin inmiddels een goede reputatie verworven. Gustav had in die ontwikkeling een belangrijke rol vervuld. De drukkerij had hij intensief bijgestaan met de opleiding van zetters voor het drukken van teksten in het Chinees in navolging van Hoffmanns inspanningen. De vrucht van de reis was dat werd overeengekomen bij Brill een tijdschrift uit te geven. Het werd T’oung Pao. Archives pour servir à l’étude de l’histoire, des langues, de la géographie et de l’ethnographie de l’Asie Orientale (China, Japon, Corée, Indochine, Asie Centrale et Malaisie). 562 T’oung pao richtte zich op de internationale gemeenschap van sinologen. Het moest een tijdschrift zijn dat aan een hoge wetenschappelijke standaard zou voldoen. De redactie bestond de eerste periode uit Henri Cordier uit Parijs en Gustav Schlegel. Cordier was professor aan l’ École speciales des langues orientales in Parijs. Gustav had het toezicht op het uitbrengen van elk nummer van het tijdschrift bij Brill. Het werd gewoonte dat hij in het begin van de academische vakanties enige tijd bij Cordier in Parijs doorbracht voor het uitvoeren van redactionele werkzaamheden. Zo bleef dat tot zijn overlijden in 1903. Vanaf de jaargang 1904 nam de sinoloog Edouard Chavannes (1865-1918), professor aan het Collège de France, Gustavs taak in de eindredactie over naast Henri Cordier. Gustav vond in dit tijdschrift een platform om zich in eigen bijdragen uit te spreken over uiteenlopende onderwerpen, waaronder veel die een zakelijk en voorlichtend karakter hadden. Al spoedig kreeg T’oung pao een kenmerkende layout die bestond uit de rubrieken: articles de fonds; mélanges; variétés; chronique; nécrologie; bulletin 562 Gustave Schlegel, Henri Cordier, T’oung pao. Archives pour servir à l’étude de l’histoire, des langues, de la géographie et de l’ethnographie de l’Asie Orientale (Chine, Japon, Corée, Indo-chine, Asie Centrale et Malaisie). Rédigées par MM. Gustave Schlegel, professeur de Chinois à l‘Université Leide et Henri Cordier, professeur à l’École spéciale des langues orientales vivantes et à l’ École libre des sciences politiques à Paris. (Leiden, E.J. Brill 1890 - heden). Van 1890-1900 verschijnt T’oung pao eenmaal per jaar, daarna tweemaal per jaar).

248


critique; bibliographie; correspondance; notes en queris. Gustav meest uitvoerige bijdragen waren artikelen met de titel Problèmes geografiques. Deze boden doorgaans een poging tot reconstructie van de herkomst van volkeren voor hun vestiging op een vaste woonplaats, de ontwikkeling van hun cultuur, de wijze waarop en de mate waarin zij integreerden in het Chinese rijk. Het ging vooral om het analyseren van de in de Chinese taal achtergebleven sporen van de herkomst van deze volkeren in Azië. Hij onderzocht hun taalgebruik in streekgebonden dialecten en hun relatie tot cultuurkenmerken in brede zin. Gewoonten, kleding, werktuigen, muziek, dans en hun godsdienstige opvattingen, hun zeden en gewoonten hadden zijn aandacht. Het was een vergaand interpreteren. Zijn zoektocht gaat verder dan toetsbare overleveringen. Orale overlevering, mythen en sagen worden als empirische onderbouwing gepresenteerd. Dit leidde tot groeiende irritatie bij zijn opponenten die deze werkwijze als ‘beweringen’ van hun collega, steeds krachtiger van de hand wezen. Het waren niet langer studenten die onaangename herinneringen aan hun leermeester hadden maar ook oud-studenten en collega’s lieten weten hoe ze over hem dachten. De zoon ervaart hier wat ook de vader veelvuldig verweten werd, een mate van gelijkhebberigheid en stelligheid, die geen vrienden maakt, maar vervreemdend werkt en weerstand oproept. Het prikkelde slechts Gustavs strijdlust om voor zijn onderzoeksresultaten te staan. Steeds weer nam hij opponenten de maat. Het was communicatie op het scherp van de snede, met geringe opbrengst en onevenredig grote risico’s in persoonlijke verhoudingen. ‘De oorsprong van den vreemdenhaat der Chineezen’ In de loop der jaren werd Gustavs toon in publicaties grimmiger. In deze lezing (1894) analyseerde hij de toenmalige vetes tussen enerzijds China en Japan en de westerse wereld anderzijds. Mijne opvatting omtrent de gebeurtenissen in China staat gewoonlijk lijnrecht tegenover die van de meerderheid der Europeesche maatschappij, en toen ik in eene in November 1894 in de Kon[inklijke] Akad[emie] te Amsterdam gehouden voorlezing bij de grote mogendheden aandrong om, in hun eigen, welbegrepen belang, de Japanners desnoods met wapengeweld, te dwingen China niet langer te molesteeren, daar ons van de kant van het vredelievende Chineesche volk geenerlei gevaar dreigde, en wij door onze interventie de genegenheid van het Chineesche volk zouden winnen, was mijne stem die des roependen in de woestijn. 563

563 G. Schlegel, ‘De oorsprong van den vreemdenhaat der Chinezen’, Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap, september nummer 1901, overdruk (Leiden, Boekhandel en drukkerij voorheen E. J. Brill, 1901) p. 1.

249


Dit gezegd hebbend verlaat Gustav zijn internationale politieke analyse en identificeert hij zich met de Chinees. Hij had hen in zijn jaren als tolk in Nederlands-Indië onpartijdig gediend in hun relatie met de overheid. Als bewijs voerde hij daarvoor een persoonlijke ervaring aan. ‘Nadat mij een ongeluk was overkomen aan mijn rechteroog ontving ik een brief van een Chinees uit Soerabaja die mij genezing toewenste en dagelijks voor mij bad.’ Fijntjes wees Gustav erop dat deze hooggeplaatste Chinese mensenvriend geen christen was, maar overtuigd confucianist ‘en wiens leer geheel berust op Dzin, de menslievendheid, minus de intolerantie jegens anderen.’ 564 Gustav houdt het westen hun opportunistische en imperialistische gedrag voor dat gebaseerd was op eigenbelang, zelfverrijking en repressie. Hij ziet het Chinese volk als slachtoffer daarvan. Handelsbelangen, missie en later de zending waren de veroorzakers. Gustav lardeert zijn donderpreek met voorbeelden uit de geschiedenis van het Chinese rijk. In essentie stelt hij het westen verantwoordelijk voor de misdaden die zij in Azië hebben begaan. Met name de cynische handelswijze China volop van opium te voorzien, waarvoor de westerse kooplieden smokkelpraktijken niet schuwden. Hun handelswaar, in China zelf verboden, dropten zij desnoods op de kust of droegen het over aan smokkelaars op zee. De meereizende zendeling Gützlaff deed er in het Chinees vertaalde Bijbels bij. Voordat westerse kooplieden opium en zendelingen naar China brachten, waren de betrekkingen met dit rijk vriendschappelijk geweest. Reeds lang voor de Europeanen zich in de gordel van smaragd vertoonden, waren de Chinezen er al als handelaren aanwezig. Gustav verklaart het gedrag van het westen ten aanzien van China als gelegen in hun godsdienststelsel. ‘Onverdraagzaam zoals alle stichters van monotheïstische godsdiensten zijn, die, elk voor zich, vermeenen dat er, buiten hun dogma, geen heil mogelijk is.’565 Daartegenover stelt hij dat de Chinese religie door het woordje piëteit is gekenmerkt. Het toekomstperspectief dat Gustav schetst is somber: De moorden op de Christenen zullen weldra weder worden hervat, totdat de laatste zendeling zal verdreven zijn. Het enige wat de grootte mogendheden met hunne expeditie zullen bereikt hebben, zal een grenzenloze haat der Chinezen zijn, die zich in allerlei uitspattingen zal kond doen en vroeg of laat weder tot nieuwe conflicten aanleiding zal geven, want men kan, in billijkheid, niet verlangen, dat een groot en beschaafd rijk van 400 miljoen inwoners, zich de wet zal laten voorschrijven. China mag en zal dat nooit dulden.566

idem, p. 11. idem, p. 9. 566 idem, p. 13. 564 565

250


Gustav calculeerde in dat zijn presentatie op weerstand zou stuiten, maar volgens de idee dat de waarheid moet worden gezegd, zag hij dit als zijn plicht.

Het raadsel vrouw In La femme chinoise (1896) besprak Gustav de positie van de Chinese vrouw. 567 Door het anekdotische en opsommende karakter en de vele voorbeelden die hij aanvoerde in zijn betoog is er geen sprake van consistentie. Het thema gaat over onderdrukking van vrouwen door mannen en, in andere gevallen, van mannen door vrouwen. Het verhaal zwerft door de geschiedenis van de oudste tijden naar contemporaine voorvallen. Halverwege vat Gustav zijn betoog samen en trekt de conclusie dat de Chinese vrouw altijd van de achting van de man heeft geprofiteerd en dat het alleen maar in geval van excessen nodig was geweest van overheidswege in te grijpen door decreten en wetgeving inclusief in het vooruitzicht gestelde straffen bij overtreding. Hij slaagde er niet in ‘het raadsel vrouw te ontsluieren.’ In het tweede deel van het betoog lukt dat evenmin. Een merkwaardige en veelzeggende vergelijking tussen de Duitse en de Chinese vrouw leidt tot de vaststelling dat ze beiden hetzelfde doen in hun leven. ‘Ze maken de groenten schoon, poetsen het appartement, zetten de meubels in de was, maken de bedden op en zorgen voor de boodschappen voor het bereiden van de maaltijd.’ Het enige verschil tussen hen is dat de Duitse vrouw haar boodschappen zelf draagt, terwijl die voor de Chinese vrouw worden thuisgebracht. Gustav sluit zijn lezing af met een citaat uit de Faust van Goethe. Margarete beklaagde zich er tegenover Faust over hoe zwaar het huishouden was. Ook daarin week de Chinese vrouw niet af van haar Duitse zuster. Na de dagelijkse arbeid kwam de beloning: ‘doch schmeckt dafür das Essen, schmeckt die Ruh.’568 Gustav geeft in deze publicatie aan dat zijn culturele oriëntatie aan zijn Duitse afkomst is gebonden. Hij ontleent zijn parallelle voorbeelden en verwijzingen aan de Duitse cultuur en dat in een tijd dat het nieuwe Duitse Keizerrijk (sinds 1871) internationaal steeds meer als een bedreiging werd ervaren, waarvan in zijn teksten evenwel niets blijkt.

567 G. Schlegel, ‘La femme chinoise’, Extrait des Actes du X Congrès International des orietalistes session de Genève, 1894, section V - extrême Orient (Leiden, E.J. Brill 1896). pp. 115-139. 568 G. Schlegel, ‘La Femme Chinoise’, pp. 134-139. Vgl. J.W. von Goethe, Faust; der Tragödie erster und zweiter Teil; Urfaust, herausgegeben und kommentiert von Erich Trunz (München, Verlag C.H. Beck 1986, Jubiläumsausgabe 2007) pp. 99-100, nrs. 3109-3114 en 3144-3149.

251


Bijna blind Nadat Gustav had meegemaakt hoe de gezondheid van zijn vader in de laatste jaren van diens leven was gekenmerkt door suikerziekte, zwaarlijvigheid en het verlies van zijn gezichtsvermogen, ondervond hij ook zelf in toenemende mate de last van deze ziekte. Ook bij hem had dit tot gevolg dat zijn gezichtsvermogen achteruitging. Bovendien werd hij geplaagd door regelmatig optredende infecties. In hoeverre zijn rechteroog na het ongeluk zonder schade was genezen, is onbekend. Bestuderen van een foto omstreeks 1886 genomen geeft geen uitsluitsel over de vraag of dit oog blijvende schade had opgelopen. Indertijd had hij zijn vader proberen te bewegen de suikerinname te beperken, maar daarvan had Hermann niets willen weten. Ondanks Gustavs dieettrouw namen de klachten bij hem toe. Hij had het proces van neergang intensief meegemaakt doordat hij als enige van de drie kinderen in zijn nabijheid verbleef. Het was meer dan de plicht van de zoon tegenover diens vader, want zij hadden een diepe band met elkaar, gebaseerd op vertrouwdheid in denken en doen. Gustav was van de drie kinderen zo het meest voorbestemd zijn vader in diens levenseinde te begeleiden en op te treden als de bezorger van diens autobiografie. Ontboezemingen in een briefwisseling Gustav was gewend nadat hij ‘s zomers naar gewoonte in Parijs met Cordier de zaken had geregeld voor het tijdschrift T’oung pao enige tijd in een kuuroord door te brengen in Bad Kreuznach a/d Nahe. Soms sloot zijn broer Leander zich bij hem aan. Voorts bezocht hij meermaals de familie in Altenburg en nam deel aan congressen. In september keerde hij weer terug naar Leiden. Tijdens Gustavs afwezigheid was het zijn vriend Johann Dietrich Eduard Schmeltz (1839-1909), conservator en vanaf 1896 directeur van het Etnografisch Museum in Leiden, die zorgde voor het doorsturen van zijn post. Als gevolg daarvan ontstond er een correspondentie tussen Gustav en Schmeltz die bewaard is gebleven. Deze brieven zijn vanuit de invalshoek van onze studie van betekenis. Na terugkeer uit Batavia was Gustav bevriend geweest met de directeur van het Etnografisch Museum, Lindor Serrurier (1846-1901). Deze vriendschap vond zijn einde in een conflict tussen beiden. Dat nam niet weg dat Gustav met Schmeltz, in zijn functie van conservator en oprichter van het Internationales Archiv für Ethnographie, waarvan Gustav in die tijd redactielid was, samenwerkte en bevriend was. Daaraan danken we enige informatie over het persoonlijk leven van Gustav. In een brief beklaagde Gustav zich erover in Leiden zo gehaat te zijn. Hij zette dat af tegen de warme ontvangst die hem ten deel viel als hij in Kreuznach neerstreek. 252


Ich amüsiere mich hier köstlich. Meine jungen Freunde stießen ein Jubeljoh aus als sie mich sahen. Auch meine Dame Bekanntschaften waren sehr erfreut mich wieder zu sehn. Sogar die gemütlichen Briefträger war offenbar froh mich wieder hier zu sehen. Weshalb sind doch die verfroren Holländer so steif wie eine Mecklenburger. Es muss doch wohl an ihnen und nicht an mir liegen, dass ich hier so beliebt (auch in Frankreich) und in Leiden so verhasst bin. 569

Gustav beloofde elk jaar opnieuw alle postzegels op de post die hij van Schmeltz nagezonden kreeg te bewaren voor zijn vriend en daarbij alle spannende avonturen die hij beleefde met de moeders en hun jonge dochters voor zich te houden tot de lange winteravonden om dan samen te kunnen nagenieten van de wonderbaarlijke effecten van zijn verblijf in Bad Kreuznach. Hij werd, naar zijn waarneming, in het kuuroord wel gezien als een Don Juan. Hij bekende te genieten van de afgunstige blikken in de richting van zijn op dat moment favoriete gezelschap.570 Het viel ook wel eens tegen: Frau Berger ist nicht mehr hübsch. Die Heirat hat sie wie so manche Frauen verdorren. Es ist kurios dass die Weiber, wenn sie einmal ihren Zweck erreicht haben, sich vernachlässigen und dann schnell alt werden.571

Zou Gustav dergelijke opvattingen tijdens zijn huwelijk ook tegen zijn echtgenote hebben geuit? Zo ja, dan zal dit hun huwelijksgeluk niet hebben gestimuleerd. We kennen hoe dan ook hiervan de afloop. Gustav kan klaarblijkelijk duidelijk zijn over emoties die in hem omgaan binnen de vertrouwelijkheid van zijn correspondentie met Johann Schmeltz. ‘Zuerst überall mit Freude empfangen, habe alle bekannten wieder gefunden, neue gemacht, und fühle mich wieder Mensch, und nicht wie in Leide, wie ein geboycotten (sic), irländischen Pächter.’

572

Vrijwel jaarlijks ver-

zuchtte hij dat Bad Kreuznach het hem mogelijk maakte zich over te geven aan sociaal en vriendschappelijk verkeer dat hij nodig had om de druk die hem in Leiden na terugkeer wachtte te kunnen doorstaan. Dat zegt veel over het ongemak dat hij in Leiden als professor over zich heen kreeg en dat hij al dan niet zelf over zich afriep vanwege zijn gedrag. Klaarblijkelijk was hij in het uitoefenen van zijn dagelijks werk geblokkeerd om deze kant van zijn persoonlijkheid

569 UBL Westerse Handschriften, BPL 2404, juli - december 1896, brief nr. 6434b, VAN G. Schlegel AAN J.D.E. Schmeltz, Kreuznach a/d Nahe, 2704. Dit pakket brieven is geschreven tussen 1883 en 1899. 570 UBL Westerse Handschriften, BPL 2404, juli - december 1895, brief nr. 5543, Van G. Schlegel AAN J.D.E. Schmeltz, Kreuznach a/d Nahe, 28 juli 1893. 571 UBL Westerse Handschriften, BPL 2404, juli - december 1893, brief nr. 4126, VAN G. Schlegel AAN J.D.E. Schmeltz, Kreuznach a/d Nahe, 11 juli 1895. 572 UBL Westerse Handschriften, BPL 2404, juli - december 1895, brief nr. 5542, VAN G. Schlegel AAN J.D.E. Schmeltz, Kreuznach a/d Nahe, 11 juli 1895.

253


te tonen. Hij leed klaarblijkelijk onder de druk van zijn verantwoordelijkheden, althans zo lijkt het. Ook zijn vader had bij leven vaak te kampen gehad met een beeld van zichzelf als een strijdvaardige, soms intolerante, soms vileine gesprekspartner met een scherpe pen en gewend de eigen opvattingen met schild en kuras te verdedigen. Aan het eind van zijn leven ontleende hij er zijn motivatie aan zijn autobiografie te schrijven: ‘om den boze te leren, hoe de goeden over mij gedacht hebben.’573 Zelfs na diens overlijden, wenste de vader zijn gelijk te onderstrepen. Ook Gustavs gezondheidstoestand ging ernstig achteruit. Dat blijkt uit het voorbehoud in 1890 bij zijn toetreding tot de redactie van het Internationales Archiv für Ethnographie onder de conditie ‘voor zover zijn gezondheidstoestand dat toeliet.’574 Hij schreef in 1895 Schmeltz die met zijn vrouw op vakantie was, dat hij door oogproblemen nog niet had kunnen werken. ‘An ersten Stelle besten Dank für den schönen Hummer, den ich mit großen Wohlgefallen verspeist habe, obgleich ohne Cabinet particulière, Sekt und einer jungen Cocotte: aber man kann nicht alles haben.575 Uit Kreuznach schreef hij: ‘Ich sitze wieder zu Hause mit einem geschwollen Fuß, und muss Ruhe halten; wenn es sich nicht schnell legt, komme ich vielleicht eher nach Hause. Die Zuckerkrankheit überrascht mich jedes Mal mit neuen Symptomen.’576 Hoewel wij over de verhouding tussen Gustav en zijn broer Leander in hun kindertijd nauwelijks iets vernomen hebben, zorgde hun vader daarna voor het doorgeven van informatie tussen de broers. Leander moest gestimuleerd worden te schrijven naar zijn broer in Indië en Gustav klaagde tegen zijn vader dat hij maar niets hoorde van Leander, anders dan flauwe grappen, maar niet hoe hij het echt maakte. Nu, jaren na de dood van Hermann, schrijft Gustav aan Schmeltz dat zijn broer hem zo nu en dan enige tijd gezelschap houdt. De heren pleegden dan het glas te heffen op hun kuuroord dat zij omdoopten tot Schneuzkrach a/d Nase.577 Ook kwam zijn neef uit Altenburg, Hugo Köhler, hem opzoeken, de industrieel, groot geworden in de naaimachines en mecenas in de stad. Cordier beschrijft in zijn necrologie voor Gustav dat zijn inzet voor de Chinese taal en cultuur groot was.578 Hij ontving nooit enig honorarium voor zijn redactionele arbeid, noch van

Vgl. dl. I, p. 75, noot 153. UBL Westerse Handschriften, BPL 2404, map januari - juni 1890, brief nr. 1877, VAN G. Schlegel AAN J.D.E. Schmeltz, zd, zp. 575 UBL Westerse Handschriften, BPL 2404, map januari-juni 1895, brief nr. 5541, VAN G. Schlegel AAN J.D.E. Schmeltz, zd. vermoedelijk uit zijn huis in Leiden verzonden. 576 UBL Westerse Handschriften, BPL 2404, map januari-juni 1896, brief nr. 6438 b,VAN G. Schlegel AAN J.D.E. Schmeltz, Kreuznach a/d Nahe, 19 augustus 1896. 577 UBL Westerse Handschriften, BPL 2404, map juli-december 1893 brief nr. 4129, VAN G. Schlegel AAN J.D.E. Schmeltz, Kreuznach a/d Nahe, 9 augustus 1893. 578 Henri Cordier, ‘Necrologie Gustave Schlegel’ met foto, T’oung pao, serie II, vol. IV, 1903, pp. 405-415. 573 574

254


het tijdschrift, noch van uitgever Brill. Bij het naderen van het levenseinde en door zijn steeds verslechterend gezichtsvermogen viel het hem steeds moeilijker dit werk te doen. Hij bleef toch doen wat hij kon. Als wetenschapper had Gustav gedurende zijn leven veel oppositie ondervonden tegen zijn linguïstische interpretaties. Cordier zag daarin zijn strijdbare persoonlijkheid terug die het conflict niet uit de weg ging. Hij eiste van anderen dat zij kritiek op hun wetenschappelijk werk als filologen moesten kunnen verdragen. Het leverde hem veel vijanden op. Cordier stelde daar tegenover dat Gustav volledig bereid was diensten te verlenen aan anderen, wat hij altijd op een aangename en loyale wijze deed. Zijn activiteiten tijdens de congressen van oriëntalisten zijn daarvan het bewijs. Zijn wetenschappelijke werken riepen, zoals eerder aangegeven, weerstanden op vanwege hun speculatieve karakter. Zijn studies op het gebied van de comparatieve filologie werden dikwijls ronduit als fantasieën afgedaan. Hij beantwoordde deze kritiek met scherpe tegenaanvallen die nog al eens waren gericht op de integriteit van zijn tegenstanders. Cordier vindt daarom de grootste verdienste van Gustav dat hij het tijdschrift samen met de heren F. van Stoppelaar en A.P.M. van Oord van uitgeverij Brill heeft helpen vorm te geven. Als curieus feit memoreert hij het ontstaan van het hierboven gememoreerde plan dat tussen Stockholm en Christiania tot stand kwam. Het werd zo uitgevoerd als afgesproken, zonder contracten of overeenkomsten. Het eerste nummer verscheen in 1890. Cordier en Schlegel leverden de kopij aan en Brill zorgde voor de opmaak en druk, Gustav beoordeelde het eindresultaat. Gustavs methode van lesgeven aan studenten Chinese taal en letterkunde was niet gebaseerd op het bestuderen van de grammatica en de daarin gevolgde wetmatigheden. Gustav legde het zwaartepunt in zijn onderwijs op lezen, veel lezen. Hij vertelde de anekdote graag aan zijn studenten hoe hij met trots zijn eerste gekalligrafeerde woord had getoond aan zijn leraar Angsien-si in Amoy, die het afkeurde. Hij bood aan zelf het woord te kalligraferen. Het resultaat daarvan kon Gustav niet thuis brengen, het had in zijn ogen niets van doen met het geschreven woord dat Gustav verwachtte. Zijn leraar riposteerde: ‘dat doet niets ter zake, de geadresseerde hoeft niet te weten wat de inhoud van het woord is.’579 Sedertdien was het leerdoel van Gustav zijn studenten te leren denken als een Chinees, waarvoor de leidende mantra was: ‘Lisez! Lisez! Jetez le grammaire!580 Als Arendt zijn nieuwe grammaticaboek in T’oung pao publiceert, rekent Gustav af met dat werk en en passant met alle nieuwe grammaticaboeken die er verschijnen:

579 580

Leonard Blussé, Of hewers of wood’, p. 332. Vgl. http://www.umass.edu/wsp/sinology/profiles/schlegel.html (17-12-2013).

255


Es fehlt uns nicht an Lehrbüchern, sondern an Material zur Kenntnis des chinesischen Volkes in ethnografischer, religiöser, geschichtlicher und geographischer Hinsicht. Und das merkwürdigste bei den Verfassern derartiger Grammatiken ist, dass sie, im Großen und Ganzen, gerade nicht zu den besten Übersetzern gehören, und, mit ihrer Grammatik in der Hand, die abscheulich Verstöße gegen den Geist der Chinesischen Sprache in ihren Übersetzungen machen, und demzufolge zeigen, dass ihnen ihre grammatikalischen Kenntnisse nicht nützen. 581

Op deze wijze heeft Gustav gestaan voor zijn overtuiging. Hij had zelf de eenzijdige gerichtheid op de grammaticale regels vervangen door een interdisciplinaire onderzoeksmethode te prefereren die zou leiden tot het leren denken als een Chinees. Dit lokte zoals meermaals het geval was een weerwoord uit van de aangeklaagde auteur in de vorm van een open brief aan Schlegel, waarin het ongelijk van de laatst genoemde aan de kaak werd gesteld. 582 Levenseinde Gustav heeft het einde van zijn leven voelen naderen. Zijn testament heeft hij op 1 oktober 1903 bij notaris H.L.A Obreen voor het laatst gewijzigd.583 Bepaald werd dat zijn broer Leander samen met de door Gustav aangewezen Mr. Was als executeur-testamentair zijn nalatenschap moesten afwikkelen. Hij benoemde zijn nichtje Aleida Schlegel, dochter van Leander Schlegel, directeur van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst te Haarlem en diens echtgenote Emma de Waal Malefijt tot erfgename, onder de last van vruchtgebruik door haar ouders. Gustavs huishoudster, mejuffrouw Charlotte Angelica Akersloot-van Houten, kreeg in het geval zij bij zijn overlijden nog deze functie vervulde een legaat groot vijfhonderd gulden vrij van successierechten. Gustav bepaalde voorts dat vijfhonderd gulden uit zijn nalatenschap moest worden besteed aan het vervaardigen van een portret in olieverf in lijst ‘volgens het model van de in de Senaatskamer der Leidsche Academie aanwezige portretten van hoogleraren en dat vervolgens ten geschenke zullen aanbieden aan de Rijksuniversiteit voor en ten behoeve van de Senaatszaal.’ Leander liet daadwerkelijk een portret vervaardigen door Thérèse Schwartze

581 G. Schlegel, ‘C. Arendt, Handbuch der nord-chinesischen Umgangssprache mit Einschluss der Anfangsgründe des neuchinesischen offiziellen und Briefstils von Prof. Carl Arendt, Erster Theil.’ (Stuttgart Berlin, W. Spemann, 1891) boekbespreking in T‘oung pao, Vol. 3, 1892, pp. 196-199. 582 C. Arendt, ‘Offener Brief an Herrn Dr. G. Schlegel, Professor des Chinesischen an der Universiät Leyden, Mitherausgeber der T‘oung-pao, nebst Nachschrift der Redaction’ in T’oung pao , 1892, Vol. 3, pp. 564-569. 583 RAL, Notarissen ter standplaats Leiden, nieuw notarieel archief 1842-1891, inv. nr. 363, notaris Louis Adriaan Obreen, akte nr. 86, testament van G. Schlegel de dato 3 juli 1890 verbonden met de wijzigingsakten: a) bij akte van notaris Johann Friedrich Meiners, akte nr. 243 nadere uiterste wil op 18 september 1903 en b) bij akte notaris Johan Frederik Meiners, akte nr. 256 nadere uiterste wil de dato 1 oktober 1903.

256


(1851-1918), die bekendheid genoot als portretschilderes, dat hij overdroeg aan de Leidse Universiteit.584 Gustav legateerde duizend gulden vrij van het recht van successie aan het Universiteitsfonds te Leiden ‘onder de bepaling dat de renten daarvan speciaal moeten worden gebruikt tot aanmoediging van de beoefening van het Chinees in Nederlands-Indië door Nederlanders.’ Tenslotte legateerde hij vijfhonderd gulden aan zijn zuster Cécilia in Amsterdam. Publieke waardering kreeg Gustav pas in de laatste decennia van zijn leven. De koning benoemde hem tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw (1890). Frankrijk benoemde hem tot Commandeur de l’Ordre Royal Cambodge, vanwege zijn hulp aan de Franse marine op de vastgelopen oorlogsbodem de Isère op Ku-Langsu (1885). De vorst van Saksen-Coburg-Gotha benoemde hem tot ridder van de Ernestinische huisorde voor zijn verdiensten als sinoloog. China beloonde hem met de Orde van de dubbele draak (1897) vanwege de voortreffelijke vertaling van het Chinees in het Tijdschrift T’oung pao. Gustav werd in 1888 benoemd tot lid van de Koninklijke Academie van Wetenschappen in Nederland (in 1871 als correspondent, vanaf 1888 als lid). Daarnaast was hij lid van geleerde genootschappen en van buitenlandse academies, waaronder het Koninklijk Instituut voor Philologie, Geographie en Etnologie in Nederlands-Indië; het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen en de Kaiserliche Akademie der Wissenschaften Wenen. Gustav overleed op 15 oktober 1903. Hij werd begraven op de begraafplaats Groenesteeg in Leiden.585 Gustavs plaats in de familiegeschiedenis Op welke wijze heeft Gustav zijn leven ingericht? Welke strategieën gebruikte hij om de door hem zelf gestelde doelen te realiseren? In hoeverre maakte hij daarbij gebruik van de hulp en de netwerken van zijn vader? Wat was de rol en de betekenis van zijn eigen netwerk? Als lid van de kleine familie Schlegel in Leiden en Haarlem waren er opvallende overeenkomsten tussen hem en zijn vader, maar er waren ook verschillen. De grote liefde van zijn vader voor de muziek deelde hij niet. Tijdens zijn kinderjaren tot aan zijn vertrek naar China was hij in het familieverband aanwezig, maar de figuur van de vader overschaduwde toch alles en was de belangrijkste verbindende schakel in de familie. Gustav maakte weliswaar als kind al zelf keuzes. Voorbeelden zijn diens tekeningen voor zijn oma Seiler in Altenburg, de bewondering voor

584 Gustav Schlegel, schilderij door Thérèse Schwartze, olieverf op doek 77x63 cm. Op de lijst bovenaan: Gustavus Schlegel. Onderaan lijst Nat. in pago Oegstgeest 30 sept. 1840- phil. doct. in Univ. Lugd. Bat. Ling. Sin. prof. 27 oct. 1877. Ob. Leidae 15 oct. 1903. Zie hierboven, p. 163 (figuur 12). 585 RAL, BS Leiden, overlijdensakte nr. 872, 15 oktober 1903.

257


de prins van Canino en Musignano en vanzelfsprekend voor Hoffmann en Kaiser als leermeesters. In de Indische jaren schreef hij aan zijn vader hoe hij in Batavia werd opgenomen in het uitgaansleven, wat in de familie met welgevallen en trots werd besproken. Na zijn terugkeer in Leiden in 1872 bleef de wijze waarop Gustav zich door het stedelijke culturele leven bewoog, verborgen. In hoeverre hij überhaupt gebruik maakte van het culturele aanbod in de stad is onduidelijk. Van vriendschappen is weinig bekend. Voorzover er correspondentie bewaard is gebleven, had die over het algemeen betrekking op zijn beroepsbezigheden. Uitzondering daarop is de correspondentie met Schmeltz, waarin zo nu en dan een persoonlijke toon die vertrouwelijkheid suggereert om de hoek komt kijken. Hier komt op bijna informele wijze aan het licht hoe Gustav in het leven stond en zijn leven in Leiden beoordeelde. Duidelijker is zijn profiel als wetenschapper, geheel opgaand in zijn missie de Chinese samenleving voor de westerse wereld toegankelijk te maken. De bronnen geven wel het een en ander prijs over de contacten die Gustav met zijn familie onderhield, al blijft deze informatie terloops. Wat bewoog bijvoorbeeld de twee nichtjes uit St. Oedenrode naar Leiden te komen? Was dat omdat zij de pastorie uit moesten toen na hun moeder ook hun vader Johan Buddingh overleed? Precies zoals het hun oma Buddingh was overkomen na de dood van haar vader op de Kaag in 1824. Gustav zocht de familie van zijn moeder in St. Oedenrode geregeld op en vond er zijn bruid. Hij onderhield eveneens contacten met de familie in Altenburg. Zijn testament wijst zijn nichtje Aleida als erfgename aan. Voor zijn zus Cécilia die slechts twee jaar ouder was dan hij bestemde hij een relatief klein legaat, terwijl zij toch als pianolerares een kommervol bestaan leidde. Het roept de vraag op over aard en vorm van de contacten met haar. Zijn hobby was van kindsbeen af het verzamelen van postzegels geweest en hij had grote belangstelling voor numismatiek.586 Hoe hij verder zijn sociale leven vorm gaf, blijft onduidelijk. Zijn professionele belangstelling ging uit naar het beschrijven van artefacten, straatscènes, folklore en tradities binnen de Chinese cultuur in verleden en heden. Bij hem leidde dat niet tot overmatige identificatie en bewondering of verering zoals zijn leerling Borel is aangewreven. Gustav was meer observator dan analist, meer generalist dan specialist. Zijn leerling De Groot koos als thema voor zijn onderzoek een onderwerp van godsdienstsociologische aard. Gustav zocht naar de rijkdom van de Chinese cultuur in historisch perspectief. Hij bleef daarbij Europeaan, denkend en opererend vanuit de

586 G. Schlegel, Levensschets, p. 46 noot: ‘[ ] Charles Lucien Bonaparte wist dat ik [Gustav vZ] toen ene munten postzegelverzameling had, en daarom had hij zijn aan mij gerichte brief opzettelijk met een zeer zuiveren afdruk van zijn cachet verzegeld.’ Vgl. G. Schlegel, ‘Notes pour servir à la recherche et ou classement des monnaies et médailles de l’Annam et de la Cochinchine française’ in De la Revue belge du numismatique (1883, 4). Vgl. idem, ‘Siamesische und Chinesische-Siamesische Münzen’ in Internationales Archiv für Ethnographie, Band II (1889) aldaar pp. 241-243.

258


waarden die hij in zijn opvoeding had meegekregen. Meest kenmerkend voor hem binnen het familieverband was de identificatie met de Duitse cultuur van zijn vader (en diens familie in Altenburg) die door beiden superieur werd geacht. Van de gezinsleden stonden Hermann en Gustav qua gedrag het dichtst bij elkaar. Zijn moeder en zus stonden het verst van hem weg. Hun mannenwereld onderscheidde zich naar het schijnt teveel van de vrouwenwereld. Zijn relatie met zijn broer Leander krijgt pas in zijn laatste levensfase enig reliëf. Gustavs publicaties zijn goed toegankelijk bewaard gebleven. Een door de drukkerij Brill uitgegeven catalogus vermeldt 265 titels die bij hen verschenen waren en te koop werden aangeboden. 587 De focus van dit onderzoek richt zich op de wederwaardigheden van de familie Schlegel en zonen in Leiden en Haarlem vanaf hun vestiging in Leiden in 1825. Kenmerkend voor het familieverband van deze Leidenaren was dat zij zich gedroegen als Saksische Nederlanders. Zoals eerder is gesteld, richt het achterhalen van hun familiegeschiedenis zich ook op de strategieën die de familie ontplooide om in de Nederlandse samenleving een plaats te veroveren. Hermann was loyaal aan het Koninkrijk der Nederlanden. Hij heeft zich echter nimmer laten naturaliseren. Vrouw en kinderen hadden de Nederlandse nationaliteit. Gustav toonde een zelfde identificatie met de Saksische cultuur als zijn vader, maar gedroeg zich eerder als Europeaan dan als Nederlander in zijn zoektocht de betekenis te doorgronden van de Chinese cultuur in vergelijking met de westerse. Gustav koos zijn beroep, vervolgens gaf hij daaraan inhoud door zich te profileren als wetenschappelijk onderzoeker van de Chinese cultuur. Daarbij was hem een onmiskenbaar carrièrisme, in de zin van een doelbewust streven zich te profileren in een gewenste richting, niet vreemd. Hij heeft optimaal gebruik gemaakt van de door velen als onbekend ervaren Chinese cultuur. Soms leek het erop dat hij alleen maar bezig was uit te leggen wat hij als wetenswaardigheden zag, vooral in zijn kleinere publicaties. Hij zocht in deze onbekendheid zijn weg door van meet af aan uit te leggen dat de Chinese wijze van leven grote overeenkomsten vertoonde met de westerse levenswijze. Hij was ervan overtuigd dat hun zeer oude cultuur die van het westen overtrof en dat bijgevolg daarvan veel kon worden geleerd. Tegelijkertijd hield hij afstand tot de Chinese samenleving. Zoveel is duidelijk dat zijn karakter hem heeft verhinderd zich in de Nederlandse samenleving te ontwikkelen tot een gewaardeerd persoon. Dat bereikte hij schijnbaar alleen in het wereldje van zijn zomers kuuroord, zijn ervaring daar stond in scherp contrast met de bejegening die hem in Leiden ten deel viel.

587

G. Schlegel, Liste chronologique des ouvrages (Leiden, 1902).

259


Figuur 16: Leander Schlegel, 1844-1913

260


Deel III - Leander Schlegel (1844-1913) Periode 1844-1861 Leanders vorming tot musicus Van de beide zonen, Gustav en Leander, leek Gustav op het eerste gezicht qua karakter en de wijze waarop hij zijn ambities realiseerde het meest op Hermann. Er was een belangrijke uitzondering. Hij had niet het muzikale talent van zijn vader, Cécilia en de jongste zoon Leander daarentegen des te meer. In dit deel staat de vraag centraal of en in hoeverre Leander als jongste lid van de familie er in slaagde zijn muzikale aanleg als beroepsmusicus tot ontplooiing te brengen. Zijn familie koesterde hoge verwachtingen van zijn muzikaliteit wanneer deze tot volle ontwikkeling zou komen. Dit legde echter de nodige druk op zijn schouders. Vaders liefde voor en opvattingen over toonkunst, moeders muzikaliteit, de aanleg voor de piano van Cécilia, de muziekavonden en besloten concerten in huize Schlegel: dit alles tezamen vormde een mix die voor de benjamin in het gezin een cocktail brouwde. 588 De ingrediënten zijn het gezin en het stadse muziekleven, die elk voor zich en in verbinding met elkaar de weg plaveiden die Leander niet zonder moeite zou bewandelen. Anders dan Hermann zelf en Gustav die beiden al vroeg de regie over hun toekomst ter hand namen, was Hermann gericht op de ontplooiing van het talent dat hij aanwezig wist bij Leander. Zijn onderwijs aan hem was er van doortrokken. Gustav was, zoals zijn vader eerder, meer zijn eigen weg gegaan, zonder muzikaal talent naar het scheen – in dit opzicht was hij het buitenbeentje van het gezin – maar wel toegerust met een buitengewone tekenvaardigheid waarin Hermann zichzelf herkende. Bovendien deelden zij hun belangstelling voor geschiedenis en taalkunde. Beiden waren gedisciplineerd en hadden een taakgerichte attitude. Gustav zal ongetwijfeld het nodige hebben opgestoken van vaders verhalen over muziek, maar hij deed er verder niet veel mee. Cécilia en Leander kregen op veel indringender wijze met vaders toewijding aan de muze te maken. Zij werden verondersteld zijn theoretische lessen op hun instrument toe te passen. De muzikaliteit van moeder Cornelia en Cécilia werden daarbij door Hermann beoordeeld vanuit een andere invalshoek. Diens vrouwbeeld ontkende per definitie rationaliteit bij vrouwen, waardoor zij ongeschikt waren voor elke andere bezigheid dan vrouw te zijn, bestemd voor gezin en huishouden. Cécilia’s muzikaliteit en die van Cornelia waren niettemin onomstreden. Zij het dat naar het oordeel van de vader voor hen de schoonheid van het scheppen

588

Vgl. dl. I, pp. 117-118.

261


van ‘wetenschappelijke muziek’ onbereikbaar was en door hem dan ook niet werd gestimuleerd. Fysiek noch mentaal waren vrouwen toegerust hun instrument te laten zingen in alle nuances waarvan Hermann zo hield, al gaf hij toe dat zo nu en dan een begiftigd musicienne de uitzondering op die regel te scheen te zijn. Ondenkbaar bleef het voor hem dat vrouwen in de muziek zouden kunnen excelleren. Leanders positie was een andere. Hij was een man en zijn talent kon worden gevoed, gemodelleerd en zorgvuldig vorm gegeven door hem vertrouwd te maken met de classicistische opvatting in de toonkunst. Niet als handwerk, maar als wetenschappelijke bezigheid, navolgend wat in de loop der eeuwen was opgebouwd door de grootste componisten en uitvoerende musici. Hermanns doel was Leander tot een groot musicus te maken. Kracht en doorzettingsvermogen moesten hem de Olympus op voeren. Voor Leander gold: geen carrière zonder uitgerijpt talent. Hermann zag in de taak die voor hem lag verschillende problemen die zijn streven in de weg konden staan. Het lastige was dat deze voor een deel buiten zijn invloedsfeer lagen. Op de eerste plaats was zijn oordeel over de kwaliteit van de muziekonderwijzers in de stad negatief. Op enkele uitzonderingen na gold dat naar zijn mening overigens voor alle beroepsmusici in het land. Nederland was in zijn opvatting geen muziekland. Geen van de musici in Leiden kwam door zijn ballotage ter toelating tot zijn gilde van ausgebildete Künstler. Nederland had ze eenvoudig niet of ze moesten van Duitse origine zijn. In de tweede plaats vormde zijn matige inkomen een barrière een gedegen muzikale opleiding voor zijn zoon te financieren, anders dan met de grootste moeite. De opleiding van Gustav was relatief goedkoop geweest. Ook had Gustav Hoffmann gevonden om zijn keuze te realiseren en had de overheid bijgedragen aan zijn opleiding. Het talent van Leander vroeg een jarenlange investering voor lessen in de techniek om het instrument goed te kunnen bespelen. Er zat niets anders op dan dat hij ook gebruik zou maken van de stadse muziekschool, inclusief de daar geldende regels. Dat bracht het risico met zich mee dat hij onder invloed kwam van de in vaders ogen onbekwame onderwijzers. Cécilia kreeg privélessen op de piano buiten het verband van de Maatschappij voor Toonkunst (MvT) van een vriendin, C.J. Froschart. Zij was een leeftijdgenoot van haar, zelf behorend tot een muzikale familie. Een grotere investering was voor Cécilia niet nodig. Haar levensbestemming lag niet in het uitoefenen van een beroep. Hermann besloot daarentegen alles in het werk te stellen het talent van Leander toe te rusten met al datgene wat zijn muziekonderwijzers hem niet konden geven. Het zelf aanpakken dat hij zo succesvol voor zichzelf had toegepast, moest nu voor Leander werkzaam zijn. Cécilia kon met Cornelia de muzikale potentie in het gezin dienen. Hermann zou zich geheel moeten inzetten Leander te begeleiden naar het beoefenen van wetenschappelijke muziek volgens de historische 262


lijnen van de groten onder de musici. 589 Leander moest om die reden tegen de waan van contemporaine componisten worden beschermd. Deze zouden de gulden regels van het componeren overtreden, zoals die in de loop der eeuwen waren ontwikkeld. Zo bouwde iedere volgende generatie voort op de gestolde kennis van alle voorgaande. Hermann besloot zich te richten op een glanzende carrière van Leander als musicus. Die zou gewijd moeten zijn aan componeren, dirigeren en musiceren, met de viool als hoofdinstrument. Het legde Hermann de zware taak op er voor te zorgen dat de invloed van de Leidse muziekschoolonderwijzers op Leander beperkt bleef. Hermann had de oprichting van de MvT in 1834 op afstand gevolgd. Deze zou in Leiden een belangrijke, zij het niet onomstreden rol krijgen. Haar positie in het muziekleven van de stad had het karakter van de spin in het web door de verwevenheid van haar leraren met het participeren in muzikale optredens in de stad. Zij was medebepalend voor de kwaliteit van de muziekbeoefening ter stede. Een korte recapitulatie van Leidens muziekgeschiedenis en de positie van Hermann daarin is voor een goed begrip nuttig. In de stad woonden al vele jaren muziekleraren die er een lespraktijk hadden. Aan de universiteit was een kapelmeester verbonden, Christiaan Friedrich Rüppe. Hij was lector in de toonkunst en kapelmeester. In 1826 werd hij opgevolgd door G. Knippenberg die als schermmeester aan de hogeschool verbonden was. Hij bleef dat tot zijn overlijden in 1842. Vervolgens werd dit vak op de universiteit wegbezuinigd. De laatste onbezoldigde kapelmeester was Nicolaas Joseph Wetrens.590 Hij was directeur van het studentenmuziekgezelschap Sempre Crescendo, dat was opgericht na terugkeer van de studenten van de Tiendaagse Veldtocht op 8 december 1831. Volgens Klikspaan, door Otterspeer geciteerd, gebeurde dat ‘door enige kwakken [leerlingen van Latijnse scholen], die zich te ’s Hage met eenig gelukkig gevolg op de beoefening der toonkunst hadden toegelegd.’591 De muzikale familie Wetrens was met een aantal personen in het Leidse muziekleven actief. Dit gezelschap bleef opgenomen in het organogram van het Leidse muziekleven. In 1828 was Musis Sacrum opgericht door de toonkunstenaar A. le Lièvre.592 Een derde organisatie was Vermaak door Toonkunst, opgericht in 1839.593 Naast deze verenigingen waren er in de stad zangkoren actief al dan niet gelieerd aan kerken. Er was

Vgl. dl. I p. 124. W. Otterspeer, De wiekslag van hun geest, p. 47. 591 W. Otterspeer, De wiekslag van hun geest, p. 459. 592 Nl-LdnRAL: G6D35 bibliotheek. H. van Hoogdalem, Musis Sacrum: Muziekvereniging in Leiden 1828-1929, doctoraal scriptie muziekwetenschap. (Utrecht, 2007). 593 Nl-LdnRAL, Archief van de Maatschappij voor Toonkunst, LB 76800, portefeuille, Wetten van het Muzijkgezelschap onder de zinspreuk: Vermaak door Toonkunst, te Leiden opgericht 1839. 589 590

263


ook een liederentafel, De Avondster, waarvan N.J. Wetrens eveneens de leiding had. Deze betrekkelijke lappendeken is goed te reconstrueren dankzij de rechtspersoonlijkheid die deze organisaties bezaten. Het wel en wee ervan is voor een groot deel in archieven vastgelegd, als voorbeeld van goed bewaarde verenigingsgeschiedenis. Nadere studie zou een interessant licht werpen op de vermeende achterstand op toonkunstig gebied in Nederland in vergelijking met andere Europese landen. Universiteit en particulier initiatief waren in Leiden de kurk waarop dit verenigingsleven dreef. In dit onderzoek blijft die onbesproken, tenzij het direct van betekenis is voor deze familiegeschiedenis. Voor het onderhavige onderzoek is relevant of er vanuit het gezin Schlegel al dan niet samengewerkt werd met dilettanten en beroepsmusici. Hermann lette vooral op de beperkingen die voortkwamen uit de in zijn ogen onmiskenbare achterstand, die Nederland had ten opzichte van het buitenland, met name op de Duitssprekende landen. Behalve een zekere vooringenomenheid in deze had hij beslist een punt. Ook Nederlanders vonden dat de jansaliegeest moest worden bestreden. Het stond voor Hollandse lamlendigheid die tot inertie leidde. Potgieter richtte in 1837 het literaire tijdschrift De Gids op samen met Bakhuizen van den Brink, Jan Pieter Heije en Aarnout Drost. Zij trekken ten strijde tegen de Nederlandse kleinburgerlijkheid die deed terug verlangen naar de roemrijke zeventiende eeuw. In 1834 werd in Leiden door enkele notabelen in de stad het initiatief genomen tot oprichting van de Maatschappij voor Toonkunst (MvT). Dit initiatief sloot aan op de toenemende belangstelling in het land muziekonderwijs te organiseren. De initiatiefnemers in Leiden wilden dit ook voor hun kinderen bereikbaar maken. Zij wilden bovendien de kwaliteit van dat onderwijs kunnen toetsen. In een circulaire werd hun voornemen onder woorden gebracht. Tot de kunsten, waarvan de beoefening den mensch niet alleen tot sieraad verstrekt, maar tegelijk medewerkt tot de verfijning en veredeling van zijn zedelijken zin, behoort ongetwijfeld de Toonkunst. Het zintuig des gehoors op te wekken en te scherpen; de voorstelling van gedachten en gewaarwordingen in welluidende klanken te leren begrijpen, en ze door eigen bedrevenheid voor zich zelven mogelijk en bereikbaar te maken; zich daardoor een milde bron te openen van onschuldig en waarlijk zedelijk genot van alles wat eenvoudig, zinrijk, lieflijk, of verheven wordt voorgedragen; dit alles is geenszins te versmaden voor hen, wier aanleg of stand het hun tot pligt maakt, naar echte beschaving te streven.594

594 Nl-LdnRAL, Archief van de Maatschappij voor Toonkunst 1834-1982, 523, Rubriek II.1.1, inv. nr. 62, Circulaire aan de bevolking van Leiden over een op te richten muziekschool.

264


De circulaire wees er op dat in ons land werd ingezien dat de vorming van muzikaal talent en van smaak kan bijdragen ‘tot waarlijke verbetering van ’s mensen leven in bijkans iedere stand.’ Daarvan getuigde ‘de uitmuntende verbetering van het toonkunstonderwijs in menige onzer armenscholen en andere inrichtingen van onderwijs.’ Er waren reeds soortgelijke genootschappen werkzaam, maar ‘toch is ons vaderland in dit opzicht nog steeds achterlijk, in vergelijking met andere landen.’ Den Haag had in 1826 haar Koninklijke Muziekschool gekregen, gesticht door koning Willem I. Het muziekonderwijs in Amsterdam en Den Haag werd financieel ondersteund door de provincie. In kleinere steden werden muziek- en zangscholen opgericht, deels met steun van de gemeenten, deels op basis van particulier initiatief van ingezetenen. De ondertekenaars waren van mening dat ook in Leiden behoefte bestond aan een muziekschool. Zij zijn, na rijpe overweging, tot de vaste overtuiging gekomen, dat een openbaar, gelijktijdig, geregeld en onder behoorlijk toezicht staand onderwijs, aan de jeugd te geven, meer dan enig ander middel in staat is om de voordeelen van een muzijkale beschaving, zo veel mogelijk door de hele maatschappij te verspreiden [ ]; vermits vooreerst niet volstrekt ontkend kan worden, dat het bijzonder onderwijs voor velen te kostbaar is, en het, in de tweede plaats meermalen blijkt, dat zulk een onderwijs steeds in meerdere of mindere mate van wispelturigheid of zorgeloosheid onderworpen is, en door gemis van noodigen wedijver, of ook wel van behoorlijke regel en toezigt, volkomen het doel mist.595

Het exploiteren van een muziekschool zou voor huishoudens die voor hun kinderen muziekles wensten het voordeel hebben van kostenbeheersing. Bovendien kon men door zorgvuldig toezicht op het werk van de muziekonderwijzers de kwaliteit van de gegeven lessen onder constante controle houden. Hermann zal goedkeurend hebben gereageerd toen hij dat las, maar er tegelijk sceptisch bij gekeken hebben. Ook aan minvermogenden werd gedacht. Zij konden na gebleken begaafdheid in aanmerking komen voor gratis onderwijs. Het was de initiatiefnemers bekend dat een landelijk werkende organisatie opgang maakte onder de naam Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst (MtBvdT). Ook organiseerden een aantal departementen van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen (MNA) in veel plaatsen zangkoren en andere activiteiten met als doel de verheffing van het volk. De Leidse initiatiefnemers hadden hun eigen redenen zich niet aan te sluiten bij deze organisaties. Hun status in de samenleving overtuigde hen dat het in hun eigen belang was hun kinderen in een omgeving te

595 NL-LdnRAL, MvT, 523, inv. nr. 62. De term ‘bijzonder onderwijs’ moet worden gelezen als ‘specifiek muziekonderwijs’.

265


brengen die zij thuis gewoon waren. Daaraan ontbrak het te vaak, zodat voorkomen moest worden dat niet goed opgeleide muziekleraren vanwege gebrek aan beschaving verkeerd interfereerden op hun nageslacht. Het bestuur legde de organisatie en werkwijze vast in statuten en reglementen.596 Muziekonderwijzers werden in dienst genomen die daartoe bevoegd waren en die bovendien de pedagogische geschiktheid werden toegedacht de kinderen in het bespelen van een instrument te begeleiden. Het bestuur dacht de touwtjes zelf in handen te kunnen houden door actief toezicht uit te oefenen op de leraren en op de door hen gevolgde methode van onderwijs. Dat zou in hun ogen ongetwijfeld tot verbetering leiden. Het personeel dat in dienst trad van de kersverse MvT kwam te staan onder directie van Abraham le Lièvre, die tevens de zang en het klavier in portefeuille had. Aan N.J. Wetrens jr. werden de vioollessen toevertrouwd, terwijl H.M. de Graaf leraar violoncel werd. Knippenberg kreeg het klarinetonderwijs. Hij was sedert 1826 archisymphonicus van de Academie. Vinkestüde gaf fluitles. De fagot werd toevertrouwd aan Schröder. De methode voor het muziekonderricht werd bepaald en muziekhandel Dozy werd met de levering van de muziekbladen belast. De school opende haar deuren op 2 augustus 1834. Het Stadsgebouw bood onderdak voor de lessen.597 De commissarissen beseften dat de school belang had bij goede contacten met de muziekgezelschappen Musis Sacrum onder leiding van Le Lièvre en Sempre Crescendo met N.J. Wetrens jr. op de bok. Commissaris Adriaans vertegenwoordigde de school in het bestuur van Musis Sacrum en, na enige tijd, was het C. Leemans die Sempre Crescendo in zijn portefeuille had. De bedoeling was langs die lijn bestuurlijke invloed uit te oefenen op het toonkunstige aanbod in de stad. 598 De eerste tien jaren van het bestaan van de school bezorgden de commissarissen handenvol werk. Dat werd veroorzaakt door hun op paternalistische ideeën gestoelde directe bemoeienis met de gang van zaken op de school, het toezicht op het gedrag en de kwaliteit van de onderwijzers en hun verantwoordelijkheid bij het afnemen van de examens inzake de voortgang van de leerlingen. Zij organiseerden de voorspeelavonden en gingen over de toekenning van prijzen. Er was een commissaris van dienst bij toerbeurt op woensdag in de school aanwezig. Zij controleerden de gang van zaken en rapporteerden in de bestuursvergadering. Controleren en corrigeren was het devies. ‘Klachten over de directeur en de heer Wetrens als meenende niet de beleefde behandeling omtrent de kinderen in acht te nemen, als welken behoorlijk is’, waren 596 NL-LdnRAL, MvT, 523, inv. nr. 1.3, nr. 47 ‘Wetten’, statuten van de Maatschappij voor Toonkunst en haar instellingen doorschoten (1842). Gedrukt. Met bijgeschreven wijzigingen, 1842-1853. 597 NL-LdnRAL, MvT, 523, inv. nr. 001, notulen bestuur, 11 juni 1834. 598 NL-LdnRAL, MvT, 523, inv. nr. 001, notulen bestuur, 11 november 1834; idem, inv. nr. 001, notulen bestuur, 10 december 1834.

266


meermalen aanleiding hen op het matje te roepen. De commissaris vice-president Bake had de taak een berisping uit te delen, waarvan in de volgende bestuursvergadering verslag werd gedaan. De onderwijzers hielden zich vaak niet aan hun verplichtingen en overtraden aan de lopende band de reglementen. Het verbod op roken en alcoholgebruik tijdens de lessen werd bijvoorbeeld genegeerd. Of zij gaven een niet ingeschreven leerling les in schooltijd zonder daarvan kennis te geven aan het bestuur. Of ze kwamen niet opdagen omdat ze op een andere plaats voor hun orkestwerk nodig waren. Dan weer gingen zij te ver in de bejegening van hun leerlingen die niet gewend waren op een grove manier aangesproken te worden en die steun zochten en vonden bij hun ouders. 599 Deze en andere klachten van dezelfde aard waren hardnekkig. Het begon er op te lijken dat de commissarissen voortdurend overhoop lagen met onwillige docenten. Het concept dat aan de Maatschappij voor Toonkunst ten grondslag lag, was gebaseerd op reglementen. Blijkbaar konden die niet met succes gehandhaafd worden. Steeds bleek dat het met name de directeur en de eerste leraar viool waren die blijk gaven niet zonder strenge sturing te kunnen. Zeker, zij oogstten waardering bij de leerlingen en scoorden op de voorspeelavonden. Zij werden als musici tijdens stedelijke concerten met applaus beloond. De commissarissen bleven het echter als hun taak zien door onderschikking de onderwijzers te disciplineren. Hun ondergeschikten zelf waren evenwel een andere mening toegedaan. Zo zij als werknemers al niet meenden boven de commissarissen verheven te zijn, dan dachten zij zichzelf toch minstens nevengeschikt. Zij veroorloofden zich vrijheden als zouden zij de dragers van het muziekleven in Leiden zijn. Hierin speelde mee dat hun zelfbewustzijn in grotere mate werd ontleend aan hun successen als musicus, dirigent en soms ook als componist. Het lesgeven droeg bij in hun levensonderhoud, zelfs in belangrijke mate, maar hun beroepsidentiteit was de muze toegewijd en aan de muze zelf ontleend. Deze spanning zou nog veel narigheid met zich mee brengen, zelfs leiden tot een bittere muziekvete die deels in de pers werd uitgevochten, maar vooral op straat lag en veelvuldig onderwerp van gesprek was in de Leidse salons. Leerling muziekschool Leander werd, ruim negen jaar oud, in het schooljaar 1853-1854 leerling van de muziekschool van de MvT. Hij maakte een vliegende start.600 Het was voor hem een grote gebeurtenis, hij had immers nog nooit een school van binnen gezien. Hij zou de school in 1861 verlaten. De muziekschool was voor Leander in zekere zin vertrouwd terrein. Het huisonderwijs van zijn

599 NL-LdnRAL, MvT 523, inv. nr. 001, notulen bestuur, 14 februari 1837; idem, inv. nr. 001, notulen bestuur, 11 april 1837. 600 Vgl. dl. I, p. 122.

267


vader ging voor een belangrijk deel over muziek. In feite over alles wat nodig was om als musicus door het leven te gaan. Daarbij hoorde het leren van ‘de nieuwe talen’ die hij nodig had om zich internationaal te kunnen bewegen. Leander profiteerde van zijn milieu waarin hij voortdurend in contact kwam met mensen die geen Nederlands verstonden. Het werkte als een soort talenpracticum. Muziek was prominent in zijn bestaan en hij hield ervan. Ook dat was in het gezin alsof het zo hoorde. Zijn moeder had in één van de koren van de MvT gezongen. Na de dood van haar zoontje Rudolph († 24 mei 1842) had zij haar lidmaatschap opgezegd. Zijn oudere zusje Cécilia kreeg pianoles, als gezegd, van haar vriendin juffrouw Froschart. Cécilia nam haar pianostudie zeer serieus. Leander bewonderde zijn vader om zijn kennis over muziek. Hij was lid van een mannenclub voor klassieke zang, waarvoor het clubje de bladmuziek leende van de MvT. De commissarissen van de muziekschool hadden er bij de heren op aangedrongen zich bij de muziekschool aan te sluiten. Omdat zij onafhankelijk wilden blijven, hadden zij dat geweigerd. 601 Leander wist dat er thuis kritisch gesproken werd over de MvT. Soms vroeg het bestuur zijn vader mee te zingen bij een uitvoering van één van de koren om de basstemmen te versterken.602 Leander was zeker geen onbeschreven blad toen hij met zijn muzikale vorming buiten het gezin begon. Hij had al leren spelen op de piano, en zijn eerste kleine stukjes gecomponeerd.603 Hij had de discussies meegemaakt tussen zijn vader en diens vrienden over muziekaangelegenheden. Hij wist dat zijn vader naar concerten ging en daarover in het muziektijdschrift Caecilia schreef. 604 Leander had een voorsprong op andere kinderen die bij wijze van spreken nog geheel moesten beginnen met de meest elementaire verkenning van hun instrument. Hij was thuis gewend vanwege zijn talent bewonderd te worden. Hij was in staat zijn leraar direct te tonen wat hij al van muziek wist. Onbevangen speelde hij zijn eigen kleine composities voor. Ook kon hij uitleg geven over de bedoeling die hij er mee had gehad. Eerder werd gewezen op de consequenties van deze bijzondere positie in deel I.605 De vraag kwam aan de orde wat het effect van de overdracht van vaders muziektheoretische kennis op zijn kinderen en diens visie op het stedelijke muziekleven kon hebben in hun contact met hun docenten. Zou het bij de kinderen Schlegel tot loyaliteitsproblemen kunnen leiden jegens de vader? Zou het ook hun identificatie met hun docenten in de weg kunnen staan? Op het eerste gezicht logisch,

NL-LdnRAL, MvT, 523, inv. nr. 001, notulen bestuur, 23 november 1852 en 25 januari 1853. NL-LdnRAL, MvT, 523, inv. nr. 001, notulen bestuur, 17 januari 1851 en 17 april 1851. Vlg. dl. I, p. 123. 603 Nederlands Muziekinstituut Den Haag, archief van Leander Schlegel 1844-1913, toegangsnummer 114, inv. nr. 20, openbaar leven II B componist inv. nr. 20: Compositions Buch von Leander Schlegel, schriftje handgeschreven met 18 kleine composities van Leander Schlegel. 604 Vgl. dl. I, pp. 124. 605 Vgl. dl. I, p. 126. 601 602

268


maar opnieuw roept het de vraag op wat het met het jongetje deed zijn medeleerlingen in de beginklas zo ver de baas te zijn. Hoe het eerste halfjaarlijkse rapport er uitzag, is illustratief. Na vijf maanden vioolles werd zijn presteren voor het eerst officieel door de commissarissen beoordeeld: Commissaris dr. C. Leemans: aller zeldzaamst, in zeer korte tijd; belooft alles. Commissaris J.A. Susanna: goede houding, zuiver, vaardig, met begrip en gevoel. Commissaris prof. dr. H. Halbertsma: superieur in alles. Commissaris dr. J. Herklots: geboren musicus.606

Dit succes zal Leander vertrouwen hebben gegeven in zijn talent waarover iedereen het eens scheen. Vanzelfsprekend werd de mening van zijn vader meegenomen in de les. Hij leverde zijn zoon bij de deur van de muziekschool af, maar volgde hem als een schaduw naar binnen. De docenten van de school hadden rekening te houden met dit jongetje en zijn zelfbewuste vader. Zij kenden Schlegel als een criticaster die zijn mening niet onder stoelen of banken stak. Hij onderwierp zelfs hun openbare optredens aan kritiek en schreef er ook nog over in hun eigen muziekblad Caecilia.607 Zo werd de Figuur 17: Leander Schlegel, Composition opus 1. ElĂŠgie, opgedragen aan zijn moeder

entree van Leander gekenmerkt door de status die hij meebracht. Voor de docent is het zeker aangenaam met lessen te beginnen op een goede ondergrond. In hoe-

verre stond dit mogelijk een goed contact met andere kinderen in de weg? Was het voor zijn socialisering eigenlijk een minpunt te nadrukkelijk als een groot talent te worden gezien, die aan de lessen eigenlijk niet meer deed dan toe te passen wat hij al geleerd had in de voorgaande

606 NL-LdnRAL, MvT, 523, inv. nr. 175, staat van beoordelingen door commissarissen van de leerlingen op het voorjaarsexamen, 10, 11 en 12 april 1854. 607 Vgl. dl. I, p. 123.

269


circa vijf jaren thuis? Geen enkel kind had zo’n ‘voorscholing’ meegekregen. Alle commissarissen-examinatoren kenden de jongen middels zijn vader. Twee van hen waren werkzaam in het ‘sRMvNH en de andere twee respectievelijk in het Museum van Oudheden en aan de universiteit. Tussen 1853 en 1858 schreef Hermann zijn recensies van concerten in Leiden. Het is aannemelijk dat Leander al heel vroeg, nog voor hij op de muziekschool begon, het schrijven van muziek had geoefend als onderdeel van de lessen van zijn vader, bij wijze van schrijfoefening. De mare van Leanders talent kreeg vleugels. Leander voelde zich er wel bij, hij bracht naar zijn leraar zijn eerste composities mee. Hij hield een schriftje bij waarin hij zijn scheppingen noteerde en van een opdracht voorzag. Helaas is niet bekend wanneer deze werkjes tot stand zijn gekomen. De opdrachten verwezen naar personen in zijn onmiddellijke omgeving: familie, leraren en vrienden. Hem werd geleerd zijn composities te voorzien van een opus nummer. Hij had enig inzicht in de regels van muzieknotatie en hij kende het gebruik een werkje aan iemand op te dragen. Het bewaarde schriftje vermeldt in de index achttien kleine werkjes vaak van enkele regels, ook wel wat langere. De oudste titel is waarschijnlijk: ‘Elégie / composé et dédiée à sa tendre mère /par / Léandre Schlegel/ op. 2, manuscript.’ Het bestaat uit twee muziekblaadjes. Op het eerste blad staat de aanwijzing ‘Andante con molto espressione, legato.’ Op het tweede blad is in potlood geschreven: ‘Wahrscheinlich componirt im Sommer 1850, im 6.ten Lebensjahre; mir erinnerlich während eines Gewitter, Vliet, in Leiden.’608 Hierin is de sturende hand van zijn vader te herkennen. Het geheel nog in kinderlijk handschrift, later in volwassen hand aangevuld met de herinnering aan het ontstaan van zijn Elégie. Dat handschrift is onmiskenbaar van Leander.609 Inderdaad heeft zijn vader hem consequent gestuurd in het ordelijk registreren van zijn composities in een portfolio en hem er gedurende zijn opleidingsjaren steeds op gewezen dat zijn autograven met zorg moesten worden gearchiveerd en veilig beheerd. Ieder jaar speelde Leander tijdens de jaarlijkse algemene jaarvergadering van de school. Met behulp van de programma’s kunnen de vorderingen worden afgelezen uit het toenemen van de moeilijkheidsgraad van het gepresenteerde, zoals het solospelen op de viool, het begeleiden van solospelers en het samenspelen met anderen. Het pianospel kwam er op een

608 Leander heeft in het exemplaar van G. Schlegel, De Levensschets van Dr. Hermann Schlegel (1884) over zijn vader op blz. 9 en 10 in de marge resp. onderaan en bovenaan het blad een tekst geschreven. Dat handschrift komt overeen met dat in het schriftje. Dit exemplaar was in het bezit van Dr. A.A. Botter te Haarlem, die het aantrof in een verzameling papieren nagelaten door Aleida Schlegel in 1964. Vgl.: UBL, Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, kenmerk 1861 07 29, p. 3, waarin verwijzing naar een bijgelegde tekst van 2 pp. geschreven door Leander gedateerd op 26 juni 1911: Einlage zum Briefe meines Vaters vom 29 juli 1861, w.g. H. Schlegel. 609 G. Schlegel, Levensschets, p. 9, p. 26.

270


moment bij en twee keer speelde Leander composities van eigen hand. Ook de zangklassen doorliep hij. In 1854 presenteerde hij in de tweede afdeling Introductie en variaties voor viool, geschreven door zijn leraar N.J. Wetrens jr.610 In 1855 stond hij in het programma van de eerste afdeling. Hij speelde samen met de leerling Th.Vos Fantasie voor piano en viool van J. Herz en P. Lafont. Th.Vos bespeelde op de piano en Leander de viool.611 Het jaar daarop, 1856, werd het Quartet voor twee violen, alt en violoncel uitgevoerd van J. Haydn, gespeeld door L. Schlegel, N.M. en P.J. Perrin en W.F. Leemans in de eerste afdeling. In de marge van het programma staat met de hand geschreven de kwalificatie ‘goed’. Vervolgens speelt Leander La Sentinelle, fantasie en variaties voor piano, viool, violoncel, solozang en koor, uitgevoerd door M.P.A.S. Merz, L. Schlegel, W.F. Leemans, J.C. de Sturler en de tweede en de derde zangklasse. Achter deze performance stond de kwalificatie ‘redelijk’ geschreven.612 In 1857 speelde Leander in de tweede afdeling Fantasie Concertante voor piano en viool van J. Osborne en C. de Beriot, uitgevoerd door Th. Vos en L. Schlegel.613 In 1858 staat Leander zowel in de eerste als de tweede afdeling op het programma. Hij speelde Notturno voor viool en piano, ‘gecomponeerd door de leerling L. Schlegel, begeleid door de leerling Th. Vos.’ In de tweede afdeling speelde hij Concertante voor twee violen van J.W. Kalliwoda samen met N.M. Perrin.614 In 1859 speelde Leander in de tweede afdeling, eerst Sehnsucht van A. Romberg, voor sopraan en obligaatviool, gezongen en uitgevoerd door H.M. Heesterman en L. Schlegel. Vervolgens nog Air Varié van M. Singer.615 In 1860 speelde hij in de eerste afdeling voor het eerst op de piano, La harpe Eoliënne van W. Krüger. In de tweede afdeling speelde hij Air varié voor viool van H. Vieuxtemps. 616 In deze opsomming spiegelen zich de jaren die Leander op de MvT doorbracht. We zien hoe hij in verschillende samenstelling op de voorspeelavonden zijn kunnen toonde. Meestal op de viool en later ook op de piano. Hij speelde als componist ook een eigen werk. Als sluitstuk

NL-LdnRAL, MvT, 523, inv. nr. 189 kopieën van programma’s en teksten van muziekstukken uitgevoerd door leerlingen 1839-1869, Algemeene Vergadering der Maatschappij op 28 oktober 1854. 611 NL-LdnRAL, MvT, 523, inv. nr. 189 kopieën van programma’s en teksten van muziekstukken uitgevoerd door leerlingen 1839-1869, Algemeene Vergadering der Maatschappij op 27 oktober 1855. 612 NL-LdnRAL, MvT, 523, inv. nr. 189 kopieën van programma’s en teksten van muziekstukken uitgevoerd door leerlingen 1839-1869, Algemeene Vergadering der Maatschappij op 30 oktober 1856 613 NL-LdnRAL, MvT, 523, inv. nr. 189 kopieën van programma’s en teksten van muziekstukken uitgevoerd door leerlingen 1839-1869, Algemeene Vergadering der Maatschappij op 29 oktober 1857. 614 NL-LdnRAL, MvT, 523, inv. nr. 189 kopieën van programma’s en teksten van muziekstukken uitgevoerd door leerlingen 1839-1869, Algemeene Vergadering der Maatschappij op 30 oktober 1858. 615 NL-LdnRAL, MvT, 523, inv. nr. 189 kopieën van programma’s en teksten van muziekstukken uitgevoerd door leerlingen 1839-1869, Algemeene Vergadering der Maatschappij op 29 oktober 1859. 616 NL-LdnRAL, MvT, 523, inv. nr. 189 kopieën van programma’s en teksten van muziekstukken uitgevoerd door leerlingen 1839-1869, Algemeene Vergadering der Maatschappij op 27 oktober 1860. 610

271


kreeg hij lessen op het orgel van de Koninklijke Muziekschool in den Haag en hij studeerde op het krakkemikkige orgel van de MvT in Leiden. Hermanns collega-conservator Herklots had als commissaris van het bestuur gevraagd of Leander toestemming kon krijgen orgel te studeren in lokaal 15. Hermann had zich bereid verklaard de kosten van de reparatie van het orgel te dragen. Hij kreeg toestemming en betaalde de dertig gulden die dat vroeg.

617

Leander had lof

geoogst op een voorspeelavond in Den Haag in 1860 toen hij zijn compositie Concert Allegro op het orgel voordroeg. Deze lessen werden door W.F.G. Nicolai gegeven die inmiddels verbonden was aan de Haagse muziekschool.618 Zo liep de opleiding van Leander in Leiden ten einde, maar hij bleef ingeschreven aan de MvT in Leiden tot het voorjaar van 1861, om op het orgel te oefenen met Nicolai als leraar. Nu Leander aan de MvT in Leiden uitgestudeerd was, had Hermann behoefte aan advies op welke wijze de vervolgstudie voor Leander moest worden georganiseerd. Zijn eigen voorkeur ging uit naar het conservatorium in Leipzig. Naar zijn mening beloofde Leanders vioolspel veel goeds voor de toekomst in combinatie met componeren en dirigeren. Hermann vroeg advies aan Johann Heinrich Lübeck (1799-1865), directeur van de Koninklijke Muziekschool in Den Haag. De beide families waren bevriend. Diens muzikale zonen Louis Theodor en Ernst Heinrich kwamen regelmatig naar Leiden om mee te spelen in de huisconcerten en de soirees. De vraag aan Lübeck was of Leander voldoende was gevorderd om het toelatingsexamen op het Conservatorium in Leipzig met goed gevolg af te leggen. Hij stelde er prijs op te vernemen hoe Lübeck over zijn prestaties dacht. Leander kon twee zomers terecht bij Lübeck om op zijn presteren beoordeeld te worden. Hermann kreeg een brief over diens bevindingen. Verehrter Herr Dr., Ihr Leander ist ein lieber Junge der uns Freude gemacht und an dem Sie auch gewiss viel Freude erleben werden. Er besitzt Fertigkeiten, hinreichend um Tüchtiges zu werden, das Ausgezeichnet zu erreichen. Mir scheint indes das Seine Körperliche Anlagen mehr zum Clavier als zum Geige hinwiesen; auf dem Clav. scheint er auch mehr zu Hause zu sein als auf der Geige. Es scheint ihm leichter zu erwerben, ich habe auch nichts zu tadeln. Bei der Geige findet sich ein Hauptfehler vor, dieser liegt in der rechter Hand. Die Bogenstange zieht sich bei der Führung des Bogens zurück bis ins und über das 2.te Gelenk des Zeigefingers. Mit dieser Haltung und Führung des Bogens ist ein gleicher und Kräftiger Ton unmöglich. Die Ursache scheint zu liegen, hauptsächlich in Seinem zu Kurzen Arm. Der Bogen muss entweder nicht frei zum Ende geführt

NL-LdnRAL, MvT, 523, inv. nr. 001 notulen bestuur, 22 maart 1859 en 26 maart 1859. NMI Den Haag, archief van Leander Schlegel 1844-1913, toegang 114, inv. nr. programma’s, programma voorspeelavond, Leander Schlegel speelt op het orgel van de Koninklijke Muziekschool in Den Haag zijn compositie Concert Allegro op 4 juli 1860; in handschrift toegevoegd: 1 ste uitvoering. 617 618

272


werden, oder noch ein 5e-tel kürzerer dazu, dann muss die Biegung des Handgelenks abrutschen eintreten und dadurch der Fehler verschwinden. Die Haltung des Daumens würde ich auch anders anraten; zuerst spielen viele und haben viele dieses Haltung, ich selbst hatte sie in jungen Jahre ebenso, aber die Haltung wie Sie Baillot vorschreibt, ‘der Daume soll einige Linien über der Stange hervorragen’ ist günstiger, gibt mehr Kraft. Ich habe dem Leander die Daumkurzes mitgeteilt, er wird sie wohl sich gemacht haben. Wenn mein Louis in Leiden spielt hoffe ich hinzu kommen und können wir dann dessen Gegenstand noch einmal besprechen. Ich glaube das er sich gut amüsiert hat aber von Studieren kommt nicht viel, deshalb habe ich auch nicht auf ein langer hierbleiben angedrungen, im nächsten Sommer aber hoffe ich, aber wir hoffen es das Sie ihm noch einmal die Bewilligung, hierher zu kommen, geben wollen. Empfehlen Sie mich bestens der lieben Ihrigen und halten Sie in guten Andenken, Ihnen, in Eile. (w.g.:J.H. Lübeck, 9. Jenner 1859). 619

Hermann zal dit bericht als schokkend hebben ervaren. Dat een fysieke belemmering in het tweede gewrichtje van de wijsvinger van de strijkhand hem zulke beperkingen zou opleggen achtte hij in flagrante tegenspraak met de prachtige klankexpressie die Leander aan zijn instrument wist te ontlokken. Overgaan op de piano als hoofdinstrument vond hij een slecht idee. In de tweede plaats was hij niet blij met het oordeel dat Leander maar moeilijk aan het studeren was te krijgen, al kwam dat overeen met zijn persoonlijke waarneming. Het was hem – zelf zo gedisciplineerd – onaangenaam bevestigd te worden in zijn oordeel dat Leander veel van spelen hield maar minder van studeren.620 Hermann raadpleegde huisvriend Schmölling hierover. Die zag het niet zo zwaar in. Hij verwachtte dat het wel goed zou komen. In Leander school naar diens mening een beroepsmusicus. Als Lübeck persoonlijk hetzelfde probleem overwonnen had, kon Leander dat ook. Hermann bleef bij zijn voornemen Leander naar Leipzig te sturen en Leander was daar niet op tegen. Ook in Leipzig zou hij de viool als hoofdinstrument nemen en piano als tweede, aangezien een dirigent ook met de piano overweg moest kunnen. Hoewel de kosten die dat met zich meebracht een zwaar beslag zou leggen op zijn middelen, hoopte Hermann met steun van de familie in Altenburg de financiële last te kunnen opbrengen. Ter bestrijding van de kosten zou hij gedwongen zijn zelf zoveel mogelijk te publiceren. Op zijn schouders lag de taak Leander over zijn zwakke punten heen te begeleiden. Hij was vast voornemens daar alles aan te doen. De krachtproef die hem wachtte, was zijn zoon afstand-onderwijs te geven avant la lettre. Hij verheugde zich er op Leander van dag tot dag te volgen en hem van goede 619 NMI Den Haag, archief van Leander Schlegel 1844-1913, toegang 114, inv.nr. II-A nr. 7, brief van J.H. Lübeck aan Hermann Schlegel betreffende Leander Schlegel. 620 Vgl. dl. I, p. 124.

273


raad te voorzien. Hij kende immers de Duitse manier van leven en denken. Leander kon baat hebben van zijn kennis van het onderwijs in Saksen. Hij zou geconfronteerd worden met de Duitse onderwijsmores, waar aanpassing aan de hiërarchische structuur grondregel was. De manier van omgang met zijn onderwijzers op de MvT ging in Duitsland niet op. Naast een stugge hiërarchie waren er ook nog de strikt formele regels die voor een goede communicatie in acht genomen moesten worden. Natuurlijk kende Leander de verschillen in mentaliteit tussen Saksen en Nederland wel, maar hij was er alleen binnen de familie- en vriendenkring mee geconfronteerd. In lange gesprekken werden afspraken gemaakt waarin hem werd voorgehouden wat hem te wachten stond. Leander zou wekelijks op een vaste dag een brief posten. Hij moest daarin zo nauwkeurig mogelijk verslag doen over wat hij had meegemaakt, wat hij had geleerd, hoe de contacten met medestudenten verliepen en wat hij van de docenten vond. Voorts werd hem voorgehouden hoe hij zich in en jegens de Altenburgse familie moest gedragen en wat zijn ervaringen waren met het leven op kamers in Leipzig. Vader was al druk doende aanbevelingsbrieven te schrijven aan zijn uitgebreide netwerk in de Duitse landen. Zijn moeder en Cécilia waren bezig zijn kleding te verzorgen en gaven hem goede raad hoe gezond te blijven. Het komende vertrek van de benjamin zorgde voor een nerveuze sfeer, niet in het minst bij Hermann die er als een berg tegen opzag. Na Gustav zou hij nu ook zijn laatste mannelijke gesprekspartner uit het gezin zien verdwijnen. Hij ervoer dat als leven in een huis zonder aanspraak op niveau, overgeleverd aan het gepalaver van de vrouwen. Hermann bleef er onveranderd van overtuigd dat het niveau van de Leidse beroepsmusici benedenmaats was. Wilde Leander als musicus door het leven gaan dan moest er in zijn ogen nog veel gebeuren. Er was hem veel aan gelegen zijn jongste zoon er op te wijzen dat zijn Leidse leraren dragers waren van de muzieksmaak van hun generatie. Deze moest kritisch worden beoordeeld door die te vergelijken met het muziekaanbod in andere landen. Dat pakte dus onveranderlijk uit in het nadeel van de kwaliteit van het Nederlandse muziekleven. Alleen de Duitse muziekpraktijk stond boven kritiek verheven. Hij had dit in zijn lessen aan de kinderen keer op keer duidelijk gemaakt door aan te tonen hoe verheven de muziekontwikkeling overal elders was ten opzichte van die in Nederland. Muziekleraren in Nederland zag hij als ‘Halbgebildete unwissenschaftliche Leute wie Holl, Coenen, Nicolai, Verhulst u.s.w.’621 Dit besef had de initiatiefnemers die de MvT hadden gesticht geïnspireerd het beschavingsverschil tussen hun

621 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1861 11 09, brief van 9 november 1861, p. 3.

274


stand en die van de muziekonderwijzers te compenseren door persoonlijke sturing ter bescherming van hun kinderen. Het muziekaanbod in de stad was ernaar. Het was voor Hermann een tweestrijd zijn kinderen te begeleiden in een richting die in Nederland eigenlijk niet voorhanden was. Dit thema was in de briefwisseling tijdens de jaren in Leipzig prominent aanwezig. Hij wees voortdurend naar het hogere als het betere. Het was uitsluitend te vinden onder de allergrootste musici die in de traditie stonden van de classicistisch georiĂŤnteerde muziekstijl. In de loop van de jaren groeide er onenigheid tussen vader en zoon over de werkhouding van Leander. Vader verweet hem dat hij in de jaren op de muziekschool ondanks alle vermaning daartoe, beslist onvoldoende op de diepere betekenis van muziek had gestudeerd. In plaats daarvan had hij zijn tijd verdaan met het spelen van muziek alsof het alleen maar ging om het verklanken van wat hem aansprak. Kennelijk vonden zijn leraren in Leiden dat de lat van hun onderwijs hoog genoeg lag om de status van beroepsmusicus te bereiken. Hermann was ervan overtuigd dat die lat te laag lag. Hun onderwijs was in zijn ogen niet meer dan instrumentbeheersing en techniek. Het resultaat was dat Leander geen sturing had gekregen in de richting van de grote namen in de muziekgeschiedenis. Hermann vond dat representatief voor het falen van deze leraren. Hun kennis van de muziek was niet ‘durchgebildet’, dus konden zij hun leerlingen niet leren te verstaan dat wetenschappelijke muziek historisch was gegroeid uit de koorzang die zich door de eeuwen heen tot grote hoogte had ontwikkeld. Zij stimuleerden hun leerlingen niet een meer diepgaande studie van de muziekgeschiedenis te ondernemen. Bovendien moest hij telkens pijnlijk ervaren dat Leander geen blijk gaf open te staan voor zijn theoretische beschouwingen. Zeker, de jongen hield van muziek, speelde graag, maar dat was het dan. Op de muziekschool waren de leraren altijd tevreden over hem geweest, hij hield zich liever aan hen vast. Inderdaad werden Leanders vorderingen gedurende de bijna acht jaren van zijn schooltijd doorgaans afgesloten met een eervolle vermelding van zijn vorderingen. Meermaals had zijn naam gestaan in de Leidsche Courant onder de best presterende leerlingen.622 Leander werd op 3 mei 1861 uitgeschreven als leerling van de MvT. 623 In de jaarlijkse vergadering van het bestuur werd zijn vertrek met tevredenheid en trots vermeld.

622 NL-LdnRAL, MvT, 523, inv. nr. 320 krantenknipsels Maatschappij voor Toonkunst 1841-1889, verslagen van jaarvergadering: Leidsche Courant 4 november 1857, 10 november 1858, 9 november 1859 en 4 november 1861. 623 NL-LdnRAL, MvT, 523, inv. nr. I, 1-18, register van Notulen van gewone en buitengewone vergaderingen van commissarissen, 1834-1972.

275


Ofschoon het de gewoonte niet was, melding te maken van de namen der leerlingen die de school hadden verlaten, was het echter door de commissarissen niet ongepast geoordeeld, om eene uitzondering te maken met betrekking tot den leerling Leander Schlegel, die na een verblijf van bijna acht jaren de school verlaten had, en ten einde zijne studiën verder voort te zetten zich naar het conservatorium in Leipzig had begeven, alwaar hij voor den met 1 oktober begonnen cursus was ingeschreven. Commissarissen, die ten allen tijde over de uitstekende en buitengewone vorderingen van Schlegel waren voldaan geweest, en het zich tot een wezenlijk genoegen rekenden, hem onder de leerlingen der muziekschool te mogen tellen, hadden niet geaarzeld hem bij het verlaten der school een getuigschrift ter hand te stellen, waarin zoowel omtrent zijne ijverige studiën aan de muziekschool, als omtrent zijn gedrag, de loffelijkste verklaring gegeven. Het verheugde commissarissen, dat gunstige berigten omtrent zijn verblijf en zijne studiën te Leipzig ontvangen waren.624

Het mag geen wonder heten dat Leander deze lofprijzing als een bemoediging zag de stap oostwaarts te hebben gezet. Zijn vader zond hem de krant toe. Zijn verzoek om een getuigschrift werd gehonoreerd.625 Ook Lübeck schreef een getuigschrift voor de portfolio van Leander ten behoeve van het conservatorium in Leipzig. Das Directorium der Königliche Musikschule im Haag (Königreich der Niederlanden) erteilt hiermit den Herrn Leander Schlegel aus Leiden das Zeugnis, dass derselbe während zwei Jahren obige Musikschule besucht, an dem Unterricht der Höchsten Klassen in den Theorie- und Kompositionslehre, in den Pianoforte- und Orgelspiel mit Eifer und Fleiß teilgenommen, und bei der öffentliche Prüfungen mit Anerkennung als Pianoforte- und Orgelspieler wiederhalt aufgetreten ist. Haag, den 1. August 1861. Das Directorium der K. Musikschule, in Name derselben, wg. Präsident. 626

Dit getuigschrift spreekt van lessen die hij in Den Haag gevolgd zou hebben als leerling. Zijn naam werd niet teruggevonden in het register van leerlingen in die jaren.627 Wel zullen die Haagse jaren vrijwel standaard worden gememoreerd als zijn opleiding wordt vermeld. Lübeck spreekt in het geheel niet over de viool, maar van Lübeck kreeg hij in Den Haag geen onderwijs

624 Leydsche Courant, no.132, maandag 4 november 1861, ‘Binnenlandsche Berichten, bericht van de jaarlijkse Algemeene Vergadering van de MvT’, p. 1.; UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1861 11 09, brief van 9 november 1861, p. 1. 625 NL-LdnRAL, MvT, 523, inv. nr. I, 1-18, register van notulen, getuigschrift voor L. Schlegel opgemaakt, getekend en toegestuurd, 31 mei 1861. 626 Archief Koninklijk Conservatorium, ’s-Gravenhage, inv. nr. 29. 627 Vgl. Archief M. van Niel-Spaanderman, kaartenbak waarin zij noteert dat in het leerlingenregister van de Kon. Muziekschool in Den Haag de naam van Leander Schlegel niet voorkomt.

276


op de viool, maar slechts advies van de directeur. Leander was klaar voor vertrek. De vrijheid tegemoet? Wat hij achterliet was een muziekschool in opspraak. De Maatschappij voor Toonkunst onder druk Het gonsde al geruime tijd in de stad van geruchten dat de MvT in zware organisatorische problemen verkeerde. Het leerlingenaantal liep terug. De afdeling zang en koren liep leeg. De klachten over het functioneren van de onderwijzers namen toe. In 1860 overleed directeur A. le Lièvre, die zelf voor veel moeilijkheden had gezorgd die zijn reputatie aanmerkelijk hadden geschaad. Er werd een nieuwe directeur aangesteld, de heer François Hageman. Dat leidde er toe dat Leanders vioolleraar A.J. Wetrens weigerde zich onder diens gezag te plaatsen. Als directeur van het studentenorkest Sempre Crescendo met zijn jarenlange ervaring als musicus en leraar voelde hij zich ver verheven boven de rigide regels van de commissarissen en de nieuwe directeur van de school. De zaak escaleerde en Wetrens werd, weliswaar met het predicaat eervol, ontslagen in september 1860. Maar Hageman zou het ook niet redden. Hij vertrok. Toonkunst werd langzaam maar zeker naar de afgrond gedreven. Het had zijn weerslag op de school en liet het muziekleven in de stad niet onberoerd. Het bestuur desintegreerde. Commissarissen kwamen en gingen, kortom het was een ernstige crisis. Steeds meer mensen in de stad zagen nog als enige oplossing het sluiten van de MvT.628 Het waren diepgaande meningsverschillen, gevoed door facties van voor- en tegenstanders. De kranten schreven er over, burgers reageerden met hun meningen. Er was naar het oordeel van Hermann, sprake van een heuse muziekvete. Deze zou aanhouden totdat in 1866 A.J. Wetrens in wanhoop werd gevraagd de directie van de muziekschool weer op zich te nemen, nadat een geheel nieuw bestuur was aangetreden, onder het gezag van aangepaste reglementen.629 Hij smaakte het genoegen, gevraagd nog wel, terug te keren. En inderdaad, de school begon daarna aan een periode van herstel. Hermanns positie was gekleurd door zijn duidelijke aversie tegen het niveau van de muziekonderwijzers, althans de smaakmakende onder hen. ‘Zwarte Janus’, zoals Wetrens werd genoemd kon geen goed doen in zijn ogen. Hermann hield Leander op de hoogte van de stand van zaken vanuit zijn perspectief. Der Musik-Crisis in Leiden, die man selbst Musik-Fehde nennen konnte, ist noch fortwährend im Status-quo, und wird es wohl bleiben. Übrigens höre und sehe ich nichts von Allem. Seit

628 G. W. Groen, Ons Eeuwfeest 1834-1934 Maatschappij voor Toonkunst Leiden (Leiden, Mij. voor Toonkunst 1834) p. 17. 629 NL-LdnRAL, MvT, 523, inv. nr. I, 1-18, register van notulen, vergadering bestuur, 25 november 1866.

277


deiner Abreise ist mir die Musick so verleidet, dass ich gar keine mehr hören mag. Wenn Cecilia spielt laufe ich fort, und versließe mich auf mein Zimmer, damit kein Klang zu mir dringen kann. Wenn Deine Sachen einmal herauskommen, wird es wohl wieder besser werden. Wetrens bleibt der alte, dumme Esel: ik liep hem dezer dagen, op Zomerzorg tegen het lijf (sic), brachte ihm Deine Grüße, und erzählte ihm mit ein paar Worten wie es Dir geht. Er ist immer höflich, sieht aber dabei eine freundliche Grimasse. Lass Dir es zur Lehre sein. Dich nie mit Leuten ohne Erziehung in freundschaftliche Verhältnisse einzulassen. 630

In Leiden had Leander een ouverture geschreven, die tijdens de muziekavonden bij de Schlegels veelvuldig werd gespeeld. Deze compositie bevond zich in zijn portfolio. Leander zou in Leipzig merken dat het eerste blad ontbrak. Hermann ging op zoek in het huis aan de Vliet. Hij schakelde de vioolleraar De Graaf in, maar zonder resultaat. Hij had er Nicolai per brief op aangesproken. Hermann schreef aan Leander hoe hij de oorzaak van het zoekraken bij Nicolai neerlegde: Dein Rothes Studienbuch ist nirgends zu finden; das ganze Haus durchsucht. Nicolai sagt, wir haben durchaus kein Quartett (1. Satz) von Dir. Was kann ich nur weiter machen. Er ist einer gemeiner Mensch, und damit basta.

Even verderop in dezelfde brief geeft hij in felle bewoordingen weer hoezeer zijn verhouding met sommige muziekdocenten van de MvT was: Ich war gestern auf Semper, und musste, selbst Robert und Overdijk von dir erzählen. Alle lassen sich dir empfehlen. Louis [Lübeck] obenan. Alles frug nach Dir, außer Wetrens, dem ich doch nicht immer nachlaufen kann. Louis sagt mir, dass N[icolai] mir nicht geantwortet habe, weil mein Brief nicht höflich genug gewesen sei. Du siehst, wie unrecht man tut, wenn man dergl. Aufgeblassen Krämerseelen und Bürgerleuten wie seines gleichen behandelt. W. und N. sind wie Schinderhannes und Alexander einer kein Haar besser als der andere. Unseres zwar ist dergleichen Gesindel nicht wert und der Adel hat am Ende ganz recht, wenn er sich gegenüber Minderen zuknöpft er läuft dann nie Gefahr sich mit ihnen zu brouillieren. Schreib Dir das hinters Ohr! Humaner als ich, kann ja wohl niemand sein, und nur meiner Humanität verdanke ich die Flegelei jener beiden Herren. 631

630 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1861 08 14, brief van 14 augustus 1861, pp. 3 en 4. 631 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst,1861 10 16, brief van 16 oktober 1861, pp. 3 en 7.

278


Deze tekst maakt duidelijk hoe diep de aversie van Hermann was tegen het Leidse muziekonderwijs. Hij achtte de invloed van Wetrens op Leander desastreus en zag dit telkens weer bevestigd. Teksten op scherpe toon als deze komen ook in zijn autobiografie voor ten aanzien van onder meer Van der Hoeven en Thorbecke. Otterspeer noemt dat ‘een haatportret waarop [H.] Schlegel het octrooi had’.632 Het waren niet alleen de door hem verachte muziekonderwijzers, maar ook gerenommeerde geleerden en politici die hij meende de maat te kunnen nemen. Het lijkt een persoonskenmerk waarvoor Leander uit de weg ging. Zijn eigen relatie met de MvT en zijn leraar viool was positief. Hij kon zich met hem als mens en musicus identificeren. Hij was bovendien loyaal aan de school. Tijdens zijn verblijf in Leipzig zal hij in de correspondentie de aanvallen op zijn Leidse leraren negeren als onderdeel van zijn strategie zijn vaders mening in deze te laten voor wat het is. Periode 1861-1863 Studie conservatorium Leipzig Leander vertrok op 5 of 6 juli 1861 en schreef volgens afspraak een brief met zijn verblijfadres en waar hij naar op weg was. Hermann toont in zijn eerste brief aan Leander zijn emotie over het afscheid, eerst van Gustav en nu van Leander. Er was een gevoelige snaar geraakt. Deine Abreise hat die alten, zwar vernarbten, aber nicht geheilten Wunden, die mir den Abschied von Gustav schlug, wieder aufgerissen, und nur die Hoffnung dass Du Dich immer gut betragen und unsern Namen Ehre machen wirst, damit ein tüchtiger Mensch aus Dir werde, macht Deine Abwesenheit erträglich.633

Deze brief is een reactie op de eerste brieven die hij van Leander ontving respectievelijk uit Oberhausen en uit Oster-Nienburg, op weg naar Altenburg in Saksen, met eindbestemming Leipzig. Leander zou op de eerste oktober geïnstalleerd moeten zijn om het toelatingsexamen af te leggen. De aanlooptijd gaf hem de gelegenheid te acclimatiseren. Het was de bedoeling ook in Duitsland rond te kijken en kennis te maken met de dagelijkse gang van zaken. Het stelde hem in staat de tijd te nemen met de familie in Altenburg kennis te maken die zich bereid had verklaard de neef uit Leiden op te vangen. Het werd zijn uitwijkadres in vakanties. Hij kon

W. Otterspeer, De wiekslag, pp. 223-224. UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1861 07 08, brief van 8 juli 1861, pp. 1-2.

632 633

279


gebruik maken van aanbevelingsbrieven aan personen uit vaders uitgebreide netwerk in kringen van de natuurlijke historie. In de eerste brief van Hermann aan Leander staan drie opdrachten. Ten eerste moet hij betere inkt gebruiken, omdat het lezen van zijn brief niet zonder loep mogelijk bleek. Speelden hier al de eerste tekenen van slechtziendheid een rol? Zeker is dat het flinterdunne papier zorgde voor het doordrukken van de inkt dat het lezen van de originelen zeker bemoeilijkt zal hebben. De brieven mochten verder niet langer zijn dan 1/4 vel per zending.634 Leander moest zich in zijn brieven beperken tot informatie over zijn studie. Dat was nodig, schreef Hermann, om hem de ondersteuning te kunnen geven die hij op zich genomen had. Hij wil zelf brieven in het Duits schrijven en ontvangen. Hij draagt Leander op aan zijn moeder en zus in het Engels of Frans te schrijven. Alle zaken buiten de muziek moest hij aan zijn moeder, broer en zus schrijven. Dat was goed voor het bijhouden van zijn talenkennis die hij als musicus nodig had om met vakgenoten te communiceren. Een musicus had een internationale oriëntatie nodig. Hij moest in die talen blijven oefenen. De tweede opdracht is zijn brieven op vrijdag te posten. Die komen dan op zaterdag aan. Zijn vader kan dan op maandag de brief beantwoorden. Zo is het briefverkeer ordelijk geregeld. De derde opdracht is een dagboek bij te houden, om voortdurend alles te noteren dat voor zijn studie van belang is, wie hij ontmoet heeft en vooral wat hij over muziek in het algemeen had mee te delen. Dat gold ook voor zijn uitgaven die hij verantwoorden moest. De leraar laat aldus de leerling weten hoe hij zijn bemoeienis wenst in te richten. Hij legt uit dat dit was om als ‘oudere gerijpte man’ in de academische kunstopvatting zijn zoon tot gids te zijn. Hermann vreesde dat Leander zou worden meegesleept, aangestoken door nieuwlichterijen van contemporaine musici, met als gevolg dat hij buiten het kamp van de academische kunstopvatting kwam te staan. Een thema dat als een rode draad door de correspondentie loopt is de aansporing zo zuinig mogelijk te zijn. De kosten die zijn studie met zich meebracht betekenden een grote belasting voor het gezinsbudget. Hermann zelf vreesde dat die kosten te groot zouden blijken. Dat zou tot schulden kunnen leiden. Het dwong Hermann tot publiceren om zo extra inkomsten te genereren. Het zou een heikel punt blijven dat hem voortdurend aanzette Leander tot spaarzaamheid aan te sporen, hetgeen hij ook verwachtte van zijn vrouw, dochter en hun huishoudelijke hulpen. Het verbitterde hem dat naar zijn mening noch Leander, noch zijn huishouden zich daar iets aan gelegen lieten liggen. Leander moest om die reden toewerken naar een zo spoedig mogelijke afronding van zijn opleiding tot musicus. Leander wist hoe zijn vader over hem dacht

634

Uit 1 vel papier gaan 4 A4tjes.

280


en wat hij als zijn zwakke punten zag. Hermann hield Leander voor dat hij de pianostudie had verwaarloosd en dat hij die achterstand nu moest inhalen. Het zou in de komende jaren op nummer één moeten staan. Hij zag dit als een betreurenswaardig feit, daar hij zo vaak tevergeefs had aangedrongen de pianostudie meer aandacht te geven. Hij mocht echter de vioolstudie er ook niet onder laten lijden. Er zat niet anders op dan zijn tijd goed te gebruiken ten koste van vrije tijd en pleziertjes. Leander bracht enige tijd door bij de familie van dr. E. Baldamus in Oster-Nienburg, die als predikant werkzaam was en daarbij een vermaard ornitholoog. Hij was de penvoerder van het Duitse ornithologische tijdschrift Naumannia. Zij zouden samen in Thüringen uitstapjes maken. Hermann reageerde op Leanders brieven ook als corrector. Hij verbeterde de schrijffouten geschreven in de Duitse, Franse en Engelse teksten en citaten. Iedere fout schreef hij met correctie volledig uit. Hij verweet Leander slordigheden die te wijten waren aan onachtzaamheid. Passages over kunsthistorische objecten die hij bezocht en waarover hij enthousiast vertelde, werden door Hermann beantwoord met uitleg hoe bouwstijlen in de loop van de tijd zich hadden ontwikkeld. Ter illustratie voegde hij soms kleine schetsjes toe. Ook corrigeerde hij gedragingen van Leander die hij als onwenselijk zag. ‘In gezelschap van vrouwen hoorde hij op straat niet te roken.’ Frau Chemnitz met wie hij wandelde had hem terecht gecorrigeerd, toen hij dat al rokend deed. Zij keurde dit af, waarop Leander ‘als een republikein had gereageerd.’ In aanraking met de adel moest hij zich extra in acht nemen. ‘Sei ernst, aber höflich, dränge Dich nie auf, suche sie nicht auf, laufe ihnen nie nach, sei vorsichtig, zurückhaltend und tritt immer als Mensch auf, der seine Würde kennt, aber auch keinen andern herabsetzen will. ’ 635 Op 29 juli 1861 prees Hermann Leander in een brief dat het hem lukte vroeg op te staan. Deze brief is de meest bijzondere uit de omvangrijke correspondentie uit de jaren 1861-1863. Het deed Hermann goed dat Leander hem schreef alles uit zijn hoofd te spelen. De brief was op milde toon gesteld. Leander reageerde erop in 1911, vijftig jaar later, dan 67 jaar oud, twee jaar voor zijn overlijden. Met een accolade in de marge markeerde hij vijf regels uit het handschrift, hieronder in het citaat aangegeven met sterretjes. Achter het afsluitende sterretje zet het betoog zich voort tot einde citaat. [ ] *fleißig studierst, eine neue Richtung in der Composition erfunden und Dich wie ein Beethoven bis zum Himmel schwingen willst (beide letzten Punkte muss ein Geheimnis zwischen uns beiden bleiben) und dergleichen mehr.* Der Mensch muss sich ein großes Ziel stecken aber er

635 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1861 07 20b, brief van 20 juli 1861, p. 2 en pp. 3-5.

281


muss viel arbeiten um es zu erreichen. Der liebe Gott hat Dir so viele schöne Gaben verliehen: es wäre also eine Profanation sie zu vernachlässigen, und Du würdest ein ganz nichtswürdigen Wesen sein, wenn Du nichts weiteres als so viele tausend ehrbare Spießbürger, die alles getan zu haben glauben, wenn sie ihr Brodt [sic] verdienen und in Stadt und höchstens Ländchen bekannt angesehen sind. 636

De accolade verwijst naar een notitie die Leander zelf schreef en dateerde op 26 juni 1911 die hij oplegde bij de tekst van deze brief: EINLAGE ZUM BRIEFE MEINES VATERS VOM 29 JULI 1861 Diesen Unsinn schrieb ich (im vollsten Bewusstsein, dass mein, wenn auch hübsche Begabung, durchaus keinen Anlass bot, um anzunehmen, dass sie sich zum Höchsten herausbilden könnte) nur meinem Vater hin, um denselben zu überzeugen, dass es mir nicht an Selbstvertrauen, vulgo nicht an Eifer um rastlos weiter zu streben, mangelte. Ich war nie eitel; bin es nach 50 Jahren noch nicht. Im Gegenteil, ich glaube, einem wahren Talent muss Alles von selbst zufallen; und da ich wahrnahm, dass das bei mir keineswegs der Fall war, verbummelte ich leider viel, viel Zeit mit Planlosem Phantasieren um Arbeiten. Ich war das goldenen Spruches gänzlich unbewusst, dass Übung den Meister macht, und alle Vergleiche, die ich mit den großen Meistern u. mir anstellte, vielen so unmäßig erbärmlich f. den letzteren aus, dass ich den Kopf hängen – und anderen Halbbegabten Stolz, Eigendünkel und Großen Wahn überließ. Ich bleib ein Kind (bin es heute mit 67 Jahren eigentlich noch) und bilde mich heute noch nicht viel ein, trotz das, mir von Kalbeck gewidmeten: Schlegel, der Harlemer Brahms. Overveen, 26 juni 1911.637

Deze ontboezeming kan worden beschouwd als de sleutel die de inhoud van de brieven van zijn vader in perspectief zet. Het zegt bovendien veel dat Leander vijftig jaar later zich nog steeds ten opzichte van de vader en diens opvattingen en ambities wenst te positioneren. Leander heeft overigens alle brieven uit de conservatoriumtijd zorgvuldig bewaard. Na het overlijden van haar ouders deed ook diens dochter Aleida dat. Voor deze familiegeschiedenis zijn ze van grote betekenis doordat ze de geslotenheid doorbreken die de familie Schlegel kenmerkte als het om persoonlijke zaken gaat. Zonder het brievenpakket zou het verblijf van Leander in Leipzig in nevelen gehuld zijn gebleven. Dankzij deze brieven is te reconstrueren hoe zijn verblijf op het conservatorium voor zowel Leander als zijn vader een kwelling werd. De aard ervan was voor

636 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1861 07 29, brief van 29 juli 1861, p. 3. 637 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1861 07 29, bijlage ingevoegd bij brief van 29 juli 1861, geschreven door Leander Schlegel op 26 juni 1911, Einlage zum Briefe meines Vaters vom 29 Juli 1861, 2 pagina’s.

282


de zoon anders dan voor de vader. Hermann slaagde er niet in, alle goede bedoelingen ten spijt, zijn jongste zoon in zijn gareel te krijgen. Hij zal het ervaren hebben als ‘de os die de berg tegenkomt.’ Echter veel meer dan op de teksten van zijn vader richt onze focus zich nu op Leander zelf. We doen dat door zijn verblijf in Leipzig te bezien vanuit de boodschap in zijn terugblik uit 1911, inmiddels in ouderdom en met zijn leven als musicus goeddeels achter de rug. De context van zijn ontboezeming was de nacht die na gedane arbeid was gereserveerd voor bespiegeling. Hij was dan alleen in zijn eigen wereld die samenviel met zijn innerlijk leven. Een wijze van zijn die hij ook uitleefde als hij zich overgaf aan het omzetten van zijn gedachten en emoties in de tonen van een lied. Nachtgedachten gaat hij het noemen. In retrospectief toont het de onmacht van het kind. Hij wilde enerzijds voldoen aan wat zijn vader hem opdroeg, maar was anderzijds niet bij machte het hem toegeschreven talent werkzaam te krijgen. Hij steunde op de lof hem toegezwaaid door de commissarissen van de MvT in de Leydsche Courant die zijn vader hem nazond.638 Dat talent moest zichzelf manifesteren. Het zou hem vanzelf toevallen als de tijd er rijp voor was. Tot het zover was, moest hij zien te overleven. Het conservatorium zou hem uit deze droom helpen. Voor hem stond vast dat hij musicus wilde worden. De brandende kwestie was hoe daaraan vorm te geven zolang zijn talent zich niet manifesteerde. Het resulteerde in een gevoel van stuurloosheid, nog versterkt door druk van zijn vaders kant en verder van iedereen in en buiten de familie die zulke grote verwachtingen van hem had. Op 19 augustus 1861 ontvangt Hermann een brief van Leander uit Altenburg. Hij maakte er kennis met zijn familie en de stad. Er werden afspraken gemaakt met oom Franz en ‘tante Franz.’ Zijn oom moest toezicht houden op zijn verblijf in Leipzig. Hij vertegenwoordigt zijn broer en beheert het geld dat deze voor het onderhoud van zijn zoon zendt. Oom Franz moet hem begeleiden bij het vinden van een kamer in Leipzig. Leander krijgt voor zijn verblijf in Altenburg een kamer bij tante Augustine Köhler-Schlegel en haar man Hermann Köhler.639 Deels is de kennismaking met deze familie nieuw, alleen met zijn oom Franz heeft hij eerder contact gehad toen deze in 1847 en 1848 als arts van zijn vader in Leiden verbleef. 640 Leander gebruikt dit verblijf om kennis te maken met de Altenburgse familie en hun gezinnen. Hij zal

638 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1861 11 09, brief van 9 november 1861, p. 1. 639 Vgl. bijlage 2, genealogie familie Johann David Schlegel in Altenburg, p. 391. 640 G. Schlegel, Levensschets, p. 75 noot.

283


in de maand september zijn zaakjes moeten regelen, want het toelatingsexamen voor het conservatorium vindt plaats op 3 oktober. Hij zal zich daarop goed moeten voorbereiden. Hermann houdt hem voor: Zu Leipzig muss es ganz ernst hergeben wie talentvoll und genial Du auch seist, alles bedeutet nichts ohne neue, ganz gründliche Studien. Lass Dir der Tadel Deines Lehrers lieber sein als der Lob der Unverständigen.641

Leander was van plan om op het examen het Capriccio van Mendelssohn Bartholdy te spelen in een aangepaste vorm om het voor zijn kleine handen mogelijk te maken het stuk foutloos te spelen. Desgevraagd vond huisvriend Schmölling, zelf alumnus van het conservatorium in Leipzig, dat geen goed idee. Leraren houden niet van het aanbrengen van veranderingen in composities. Zonder toestemming van de leraar moet Leander dat niet doen. Hermann herinnerde Leander er aan dat hij hem eerder ontraden had Mendelssohn te spelen om reden dat deze componist ontsnapt was aan het aloude klassieke concept en bijgevolg niet thuis hoorde in de klassieke muziek die hij als de meest volmaakte zag. Maar mocht Leander bij zijn keuze blijven, dan legde hij zich er bij neer.642 Hermann schreef Leander een abonnement te hebben genomen op de Signale für die Musikalische Welt dat wekelijks verscheen. Dit tijdschrift had bijzondere aandacht voor alle uitvoeringen van het conservatorium. Het nam de muziekagenda op en besprekingen van concerten lokaal en internationaal. Het had een wereldwijd abonneebestand. Ook de zogenoemde Abendunterhaltungen van studenten die onder leiding van de docenten plaats vonden, alsmede de concerten die in het Gewandhaus werden gegeven, werden vermeld.643 Het tijdschrift bood Hermann de mogelijkheid om goed op de hoogte te blijven van wat er op het conservatorium plaats vond. Zijn hoop Leanders naam er vaak in te zullen aantreffen, zal de druk op de schouders van zijn zoon hebben verhoogd. Hij drong er in vrijwel elke brief op aan te rapporteren wat hij over muziekaangelegenheden in Leipzig waarnam, zowel in het conservatorium als in de concertzalen. Leander wees zijn vader erop dat hij dat toch allemaal zelf kon lezen. Zijn vader wilde evenwel van hem zelf horen wat hij er van vond. Het bleek een controle-instrument dat Leander als vrijheidsbeperkend zag. Het zou zijn tijd in Leipzig blijvend belasten. Het doel 641 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1861 08 24, brief van 24 augustus 1861, p. 2. 642 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1861 09 09, brief van 9 september 1861. pp. 1-2. 643 Signale, für die Musikalische Welt, onder redactie van B. Senf (Leipzig, Expedition der Signale).

284


dat hij zijn zoon voorhield stond voor hem vast. ‘Die Hauptsache muss aber immer bleiben, dass Du gediegener Componist, großer Werke wirst, gute Partitur Spieler, und gute Direktor [ ].’644 Dat was het dat Leander bij afwezigheid van het hem toegeschreven talent in verwarring bracht. Het zou leiden tot een toenemende onzekerheid die tot uitdrukking kwam in lichamelijke klachten. Intussen vond hij een appartement in Leipzig, huurde een piano en studeerde voor het komende examen op 3 oktober. Hij schrijft er over naar huis dat het goed is afgelopen. 645

Hij wordt toegelaten tot de studie piano, viool en voor een deel voor de muziektheorie. Hij

werd direct in de eerste klasse geplaatst. 646 Leiden zag haar verwachtingen beloond, zowel in het huis aan de Vliet als bij de MvT. De laatste moet ook weer druk hebben gelegd op de schouders van Hermann zelf, indachtig diens kritische bejegening van de MvT mocht zijn zoon in Leipzig zeker niet falen. De confrontatie In grote lijnen kenmerkt Leanders leertijd aan het conservatorium zich door confrontatie met muzikale talenten van docenten en studenten waarbij het zijne ten achter bleef. Niet bij allemaal, maar het aantal was wel zodanig dat hij zich realiseerde achteraan te moeten sluiten bij grotere talenten dan het zijne. Bovendien vond hij degenen die net als hij achterbleven in begaafdheid oninteressante lieden. Zij deden alsof ze begaafd waren, waarvoor hij geen waardering had. Leander laat zich hierin kennen als bewonderaar van de in zijn beleving echt begaafden die hij met blijdschap opmerkte en met bewondering wil volgen. Hij genoot van hun talent dat hij hen van harte gunde. Dat was het geval voor de tegelijk met hem aangetreden jonge Rijnlander, August E.D.F. Wilhelmj (1845-1908). Zijn minder presterende klasgenoten wentelden zich in hun zelfoverschatting. Leander wees dat af. Wilhelmj’s talent was zoveel verhevener dan het zijne dat hij besloot af te zien van een carrière als violist. Mogelijk speelde hierin het oordeel van Heinrich Lübeck mee. Wilhelmj’s talent was zoveel meer dan technische beheersing, met in het verlengde daarvan diens virtuositeit. Wilhelmj’s muziek bracht Leander de betovering van een Elysisch landschap. Hij noemde dat verheven kunst en uitsluitend bereikbaar voor de begenadigden volgens Leanders interpretatie van talent dat zich ongevraagd zou openbaren. Precies zo verwachtte hij dat het hemzelf zou worden ingegeven. Leander zou met deze violist

644 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1861 10 05, brief van 5 oktober 1861, p. 3. 645 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, brief van 1861 10 05, brief van 5 oktober 1861, Adres: Dresdner Strasse nr. 54, 3 Treppen hoch. 646 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1861 10 16, brief van 16 oktober 1861, p. 3 randschrift links.

285


bevriend blijven. Hij zou als pianist tussen 1864 en 1878 regelmatig samen met hem optreden. Wilhemj zou in zijn leven door hem bewonderd blijven. Zijn vader vroeg over Leanders besluit nadere informatie: Wenn Wilhemj ein so trefflicher Mensch und Geiger ist als Du schreibst, kannst Du ein Beispiel an ihm nehmen. Aber ich weiß immer noch nicht, ob er der Blasse, langhaarige, todstudierte Jüngling ist, der Dir auf der Prüfung so auffiel. Was kann Euer Cellist und ist er auch Schüler des Conservatoriums? 647

Leander beschreef zijn eerbied voor dit talent zo dat zijn vader nieuwsgierig werd wie die jongeman kon zijn. Leander had niets toe te voegen aan wat hij al geschreven had en zweeg erover. Het was diens talent waarvoor hij boog en dat was wat hij had laten weten. Dit zal hij overigens zijn hele leven blijven doen, hetgeen nog meermaals zal blijken. Wel kwam het voor Leander zelf hard aan dat zijn begaafdheid in Leipzig niet, zoals hij gewend was, per definitie werd opgemerkt. De leraren legden tot zijn verbazing zijn portfolio naast zich neer. Ze reageerden zelfs niet op zijn composities in zijn portfolio, en het voorspelen van eigen werk ontlokte ook al geen bewondering. Het was een confrontatie met een benadering zo anders dan die hij op de stadse muziekschool gewend was. Hij had snel beseft zich in Leipzig niet in de voorste rijen te bevinden. Hij legde zich er direct bij neer. De basis daarvan was dat hij muziek wilde blijven maken naar vermogen. Hij moest op zoek naar wat passend voor hem was, en dat moest hij zelf uitvinden. Zijn zoektocht werd de reden dat hij in de nog geen twee jaar durende tijd die hij op het conservatorium doorbracht, behoudens het toelatingsonderzoek, aan geen enkel examen meer zou deelnemen. Hij zou bij gevolg het conservatorium in het voorjaar van 1863 verlaten zonder getuigschrift. Alsof hij er niet geweest was en tot wanhoop van zijn vader. Terwijl in Leiden de MvT en de familie Schlegel hun grote verwachtingen bleven koesteren, moest Leander orde op zaken stellen binnen de realiteit die hij niet kon en ook niet wilde ontlopen. Daarvoor was zijn liefde voor de muziek te groot. Hij hoorde en voelde hoe groot de verschillen in vertolking van een compositie konden zijn. Dat varieerde in de mate van technische bekwaamheid, maar vooral in de wijze waarop de musicus zich identificeerde met de compositie en de gevoelswaarden die hij er in hoorde, overbracht. Hij wilde er hard voor werken de technische kanten van het spelen te verbeteren. Tegelijk erkende hij de grenzen aan zijn mogelijkheden in vergelijking met in zijn ogen echt getalenteerde studenten. Hij was zich scherp

647 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1861 11 22, brief van 22 november 1861, p.1.

286


ervan bewust dat als zijn talent doorbrak, hij dat onmiddellijk zou ervaren. Hij vreesde het oordeel over zijn presteren uit het huis aan de Vliet, bovenal dat van zijn vader. Leander raakte erdoor uit zijn evenwicht. Hij liet dat blijken in zijn brieven naar huis. Het gebrek aan zelfvertrouwen – zo anders dan zijn jaren aan de MvT – deed hem twijfelen aan zijn mogelijkheden. Het manifesteerde zich als ten prooi vallen aan onzekerheid. Dat hinderde hem zijn plaats te vinden op het conservatorium. Leander schreef naar huis dat hij twijfelde aan zijn aanleg tot componeren. Zelfs dacht hij erover dat dan ook maar niet meer te doen. Hij zou zich kunnen toeleggen op een carrière als soloviolist. Hij hoopte dat zijn vader dat zou steunen. Na enige tijd dacht hij echter het te moeten zoeken in een carrière als solopianist en wilde hij juist de viool geheel aan de wilgen hangen. Zijn vader ging op die wisselingen in zijn voornemens in vanuit het beginsel dat Leander ‘naar hem moest luisteren, dan zou alles goed komen.’ Het begon met Leanders reactie na het toelatingsexamen, waarin hij zich geïntimideerd voelde door de hoofdleraar viool Ferdinand David (1810-1873). Hermann wuifde diens vrees voor deze begaafde violist weg. ‘Aber wie kannst Du betreten sein vor David? Denke nur immer Bange machen gilt nicht. [ ] Jedenfalls gilt es nun, mit Eifer und Muth an das Studium gehen.’ 648 De volgende ontmoediging school in het lesrooster dat hij zou moeten volgen. Hij trof er een in zijn ogen overdreven hoeveelheid lessen in aan die weinig ruimte lieten om muziek te maken. Met dat doel was hij immers naar Leipzig gekomen. Het was in zijn ogen weinig spelen en veel leren over zaken die hij thuis al aanbevolen kreeg, maar naast zich had neergelegd. Hij zag er de betekenis niet van in. Zijn intenties spoorden niet met die van zijn vader. Hij voelde zich beter thuis bij zijn leraar viool N. J. Wetrens in Leiden die hem meer ruimte bood te doen wat hij wilde: genieten van muziek maken. Leander betreurde diens vertrek uit de muziekschool. Al snel werd het hem duidelijk dat hij zich op het conservatorium niet thuis voelde. Ook dat liet Leander zijn vader expliciet weten. Hij klaagde over teveel werkbelasting, over leerlingen die veel beter waren dan hij en over de in zijn ogen onbenaderbare leraren. Hij pakte alleen datgene aan wat hem na aan het hart lag. Hij begon zijn dagen te vullen met het inhalen van de achterstand op de pianoforte. Zo gehoorzaamde hij op zijn manier aan wat hem verder regelmatig, eerst thuis en nu in brieven door zijn vader werd voorgehouden. Echter slechts voor zover hij achter de toetsen in zijn appartement zat, was hij bezig de achterstand in te halen. Daar had hij het conservatorium niet bij nodig. De piano werd het instrument waarop hij zijn vaardigheid zag groeien.

648 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1861 10 05, brief van 5 oktober 1861, p. 5.

287


Ich habe Dir immer gepredigt, dass Pianoforte die Hauptsache sein soll, aber Du hättest Du hier anders studieren sollen, und lange hinter den Rücke haben, womit Du Dich jetzt herumplagst. [ ] Mache also keine Dummheiten, sondern behalten Folgendes im Auge. Studiere Klavier zu viel Du kannst, lerne aber auch alles, was auf der Geige zu lernen ist. Hauptsache bleibt auch gründliche Theorie-Studien, Direktions-Übung, Partitur spielen, usw., überhaupt alles was zur Kenntnis eines Direktors nötig ist: solche stellen muss man im Auge halten, und zwar die Höchsten, und dafür kommt außer jenen Kenntnissen, besonders durch Componieren. 649

De carrière die zijn vader voor ogen had, nam Leander voor kennisgeving aan. Hij schrok wel heftig terug voor alles wat hij zou moeten doen buiten het maken van muziek. Leander had dezelfde liefde voor de muziek, maar niet de discipline van zijn vader. Zolang hij spelen kon voelde hij zich op vertrouwd terrein. Hij dacht ook na wat hij zou willen componeren, maar niets welde spontaan op en dat ontmoedigde hem. Hij wachtte ongeduldig op het moment dat de klanken hem zouden worden ingegeven, zodat hij ze kon opschrijven. Het legitimeerde hem zolang dat niet het geval was er zelf niets aan te doen. Zo ontstond er zijnerzijds een selectieve berichtgeving aan zijn vader. Op zijn klacht over het lesrooster reageerde deze met het toezenden van een ordelijk schema. Hierin vond hij lessen en huiswerk terug, inclusief vrije uren per dag en in het weekend. Hermann stelde tot slot vast dat het rooster niet drukker was dan dat van een student op de universiteit in Leiden. De mogelijke oorzaak dat Leander al op de voorhand het lesrooster onmogelijk vond, was naar zijn mening dat hem elke ervaring met geregeld onderwijs in klassikaal verband ontbrak. 650 Had hij die ervaring wel opgedaan, dan zou hij niet zo ontmoedigd hebben gereageerd. Gaf Hermann hier impliciet aan dat zijn huisonderwijs ook nadelen had? Hermann schreef over Leanders uitspraak als componist onvoldoende aanleg te hebben: Wehe tut es mir, dass Du an Deiner Compositions-Gabe zweifelst und ausschließlich ein Geiger ! werden willst. Das hättest Du ja überall werden können; dazu brauche ich nicht das viele Geld für Leipzig wegzuwerfen. [ ] Eine Stelle als Direktor ist die wahrhaft Ehrenrolle für Dich, und dann mußt Du Componist dabei sein.651

649 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1861 12 21, brief van 21 december 1861, pp. 3-4. 650 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst,1861 10 09, brief van 9 oktober 1861, p. 4. 651 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst,1861 10 09, brief van 9 oktober 1861, p. 2.

288


Ook hier marcheert de vader zonder op of om te zien langs de boodschap van zoonlief door hem te wijzen op zijn opvatting over de uitkomst van zijn studie in Leipzig. Leander vond het nodig zijn vader nog eens deelgenoot te maken van zijn onzekerheden. Folge Deinem Vater, vertraue auf dich, fasse vorzugsweise Theorie, am Blatt und Partitur spiel ins Auge, stelle die Composition und Direktion als Endziel, sei fortwahrend Fleißig und alles wird sich geben. Und dann Deine sonderbare Bemerkung:‘ ich kann durch Krankheit daher kommen, dass ich Unordentliches componiere!‘ [ ] Und welche Errechnung der Eventualitäten ist das? Dann kannst Du auch gelähmt werden, oder den Arm brechen, und nicht mehr schreiben können, oder blind werden, oder taub! Also keine solchen Dummheiten mehr, sondern ruhig und fest fortarbeiten: es wird sich alles geben. [ ].652

Leander schreef afkeurend over de muziektheorielessen van Franz Brendel (1811-1861) en het spel van Ignaz Moscheles (1794-1870). De boeken van beide leraren herlas Hermann om er met zijn zoon over te debatteren.653 Leander vond Brendel ouderwets. Moscheles vond hij afschuwelijk, vooral zijn theatraal heffen van zijn handen bij het pianospelen stonden hem tegen. Maar Hermann wees er op dat zijn techniek uitmuntend was. Leander kon daar veel van leren als hij zich er voor open stelde. ‘Lees het boek van Brendel mee’, was zijn advies, maar zonder je eigen oordeel op te geven. ‘Freilich vergessen sie dass das Neue nichts bedeutet, wenn es gegen die Ware Kunst sündigt, was doch der Fall ist mit allen neuen Richtungen nach Beethoven und Mendelssohn.’654 Zo werd dit een patroon dat een verontrustende omvang kreeg. Het leek er op dat Leander geen raad wist met het regime van het conservatorium. Hij ging zich steeds meer isoleren. Hoe onzichtbaarder hij was hoe minder hij zich bedreigd voelde. Hermann probeerde lang door het stellen van veel vragen over van alles en nog wat greep te krijgen op het verloop van de studie. Er was echter teveel waarop het antwoord uitbleef. Vaak reageerde Leander pas na herhaald aandringen min of meer, maar zo dat het tot nieuwe vragen leidde. Het werd steeds duidelijker ontwijkend gedrag. De afstand tussen Leipzig en Leiden was Leander daarbij behulpzaam. Er ontstond veel strijd tussen beiden. Hermann bleef herhalen 652 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1861 10 09, brief van 9 oktober 1861, p. 2. 653 Franz Brendel, Grundzüge der Geschichte der Musik. Eingeführt bei den Conservatorium der Musik zu Leipzig und Prag (Leipzig, H. Matthes, 1841); Franz Brendel, Grondtrekken van de muziekgeschiedenis der muzijk door F. Brendel; uit het Hoogduitsch naar de tweede vermeerderde uitgave in het Nederduitsch vertaald door F.C. Kist (Utrecht, Dannenfelser en Doorman 1851); Vgl. E.J. Brill, Bibliothèque de feu M. Le Dr. H. Schlegel (Leiden, E.J. Brill 1884) aldaar nr. 2638, p. 156: Moscheles u. Fétis, Die vollständigste Piano-Forte Schule. deutsch und franz.Text (Berlin, z.u.). 654 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst,1861 10 27, brief van 27 oktober 1861, pp.1-5.

289


dat de afspraken niet werden nageleefd. Met grote vasthoudendheid drong hij aan te reageren op eerder onbeantwoorde vragen. Steeds koppelde hij aan die eis het uitspreken van vertrouwen in de goede wil van Leander. Zijn vader kende immers Leanders zwakke punten als geen ander. Hij wist maar al te goed van doen te hebben met diens eigenzinnige koppigheid. Meestal schreef hij geduldig uit hoe hij het hebben wilde, soms teleurgesteld en een enkele keer boos. Hermann ging over tot het onderstrepen van vragen met rood potlood die absoluut benantwoord moesten worden. Ook dat hielp niet. Leander werd een meester in het ontduiken van de verplichting van het schrijfschema, zodat de periode tussen schrijven en antwoorden soms met weken werd verlengd. Uitval op grond van gezondheidsklachten werd als het niet anders kon als reden opgegeven. Leander wist ook dat hij zijn ouders trof in hun verlangen op de hoogte te blijven hoe hun zoon het maakte. Bleven brieven volgens het schema uit dan werd daar heftig op gereageerd met ongerustheid over zijn welzijn. Leander had een machtsmiddel ontdekt in zijn relatie met het ouderlijk huis. Zijn vader, van zijn kant, hield zich aan het sturen van brieven volgens afgesproken schema. Leander vertraagde het schema voortdurend. Het eerste bewijs dat de familie ontving over Leanders presteren kwam in de vroege zomer van 1862 toen hij meespeelde in een concert in aanwezigheid van de koning en koningin van Pruisen. Zijn naam prijkte op het programma in de groep van achtentwintig violisten. Het was het enige tastbare bewijs van zijn aanwezigheid als student op het conservatorium.655 Wel had de familie vastgesteld dat Leander bij de tussenbeoordeling met Pasen niet had deelgenomen aan het voorjaarsexamen. Dat bestond uit het voorspelen van voorgeschreven werken. Zijn naam kwam niet voor in het verslag in De Signale. Hij was toen opnieuw ziek, hij had last van darm- en luchtwegklachten. Vanaf zijn toelating traden deze met regelmaat op. Het leidde tot een opvallend hoog lesverzuim. Hij wist dat het bericht over zijn ziek zijn beantwoord werd met grote bezorgdheid, niet alleen van de kant van zijn moeder en Cécilia, maar ook door zijn vader, vol vrees en goede raad. Het leek er op dat zo’n periode Leander rust bracht, doordat even niet op zijn presteren werd gelet, maar op zijn welzijn. Het niet kunnen voldoen aan de verplichting van het voorspelen als voortgangstoets kon uitsluitend worden geaccepteerd als hij

655 Conservatorium der Musik zu Leipzig, Musikalische Aufführung im Saale des Gewandhauses. Donnerstag den 3. Juli 1862. Abend 8. Uhr. In Gegenwart Sr. Majestät des Königs, Ihrer Majestät der Königin und Ihrer Königl. Hoheit Prinzess Sophie. Programm: Ouvertüre für Orchester von Joh. Sebastian Bach. (Die Solo-Violine gespielt von Herrn Woldemar Reisner aus Sangerhausen). Chor mit Orchester Begleitung von W. A. Mozart. Concert für die Violine von F. Mendelssohn-Bartholdy (2ter u. 3ter Satz, gespielt von Fräulein Franziska Friese aus Elbing. Ballade für Pianoforte solo von F. Chopin (As Dur), gespielt von Herrn Edward Dannreuther aus Cincinnati. (Leipzig, Breitkopf und Härtel 1862).

290


door ziekte er niet toe in staat was.656 Met zoveel woorden had Hermann zelf dit excuus aan Leander aangedragen. Het maakte deel uit van Leanders strategie het ouderlijk huis selectief te informeren. Pas na het einde van het eerste cursusjaar in de vroege zomer van 1862 werd een rapportage van het conservatorium aan de Vliet bezorgd. Leander werd door zijn vader in brieven erover geïnformeerd.657 Daaruit bleek dat Leanders mededelingen niet overeenkwamen met het oordeel over hem van het conservatorium. Het bericht over diens presteren was uitgesproken negatief. Hermann las dat Leander veel verzuimde. Hij was zonder zich af te melden niet verschenen op het voorjaarsexamen. Dit stond geboekt als ongeoorloofd verzuim. Leander werd gezien als een trotse en zeer gesloten jongen, waarop de docenten geen vat konden krijgen. Het conservatorium oordeelde dat hij volgens de docenten lichamelijke ongemakken simuleerde, om zich aan zijn verplichtingen van het onderwijs te onttrekken. De schriftelijke beoordeling van de hoofddocent David voor viool en van Alexander Dreischock (1818-1869) voor pianoforte stelden diep teleur. Leander was na de paasvakantie in 1862 inderdaad langer weggebleven zonder opgave van reden. Hermann had dit vermoeden al, maar had op zijn vragen waarom de paasvakantie zo lang duurde, geen antwoord gekregen. Leander had naar huis geschreven dat hij zoveel plezier beleefde aan de lessen van de docent Ernst Ferdinand Wenzel (1808-1880). Maar die docent verklaarde niet één les aan Leander te hebben gegeven. De toon van Hermanns brieven werd scherper. Hermann deed een ultieme poging het gedrag van Leander bij te sturen door hem nog preciezer op te dragen wat hem te doen stond. Gekwetstheid voegde zich als thema in de brieven, maar wel met uitgestoken hand. Telkens verklaarde Hermann zijn vertrouwen in Leander te blijven houden, zoals dat eerder ook het geval was. Leander moest excuses maken bij alle docenten en vooral ook bij de directeur. Hij deed dat precies en uitvoerig en sloot de zeven pagina’s tekst af met scherp geformuleerde opdrachten aan Leander hoe zijn slechte naam door persoonlijke contacten met de docenten moest worden verbeterd. Leander bleek niet in staat daaraan gevolg te geven. De brieven die Hermann schreef waren een directe reactie op Leanders brieven die, naar mate de tijd vorderde, steeds op dezelfde thema’s uitkwamen. Hermann reageerde systematisch op signalen van een ontwikkeling in Leanders muzieksmaak in een voor hem onaanvaardbare richting. Leander stak niet onder stoelen of banken dat zijn voorkeur uitging naar wat hij als

656 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1862 07 22, brief van 22 juli 1862, p. 5. 657 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1862 07 28, brief van 28 juli 1862, pp. 1-7.

291


vernieuwingen in de muziek beschouwde. Zijn voorkeur ging uit naar smaakmakende contemporaine componisten als Felix Mendelssohn Bartholdy (1809-1847), Robert Schumann (18101836), Franz Liszt (1811-1886), Richard Wagner (1813-1883) en Johannes Brahms (18331897). Tegenover zijn vaders standvastigheid in opvattingen stelde hij zijn eigen opvattingen en hield daar even beslist de hand aan als zijn vader: een karaktertrek die de familie Schlegel niet vreemd is. Zijn vader zal dit herkend hebben en ook Leander de karaktervastheid van zijn familie toekennen. Hij herkende die ook bij Gustav en Cécilia. Een terugkerend thema was het gemis van Leander in het gezin. Een ander betrof de financiële belasting die het onderhouden van Leander in Leipzig met zich mee bracht. Het leek erop dat die problemen nijpender werden naarmate de tijd verstreek. Wat Hermann tergde was het weigeren van zijn huishouden, in casu zijn vrouw en dochter, het zuinig aan te doen. Het aan Chesterfield toegeschreven gezegde ‘Take care of the pence, and the pounds will take care for themselves’, keert voortdurend terug.658 Leander werd daarop gewezen telkens wanneer zijn uitgavenpatroon voor bier en sigaren moest worden gereduceerd. Wel smaakte Leander het genoegen dat het protest van zijn vader tegen het laten vallen van de vioolstudie uitdoofde in ruil voor concentratie op de pianostudie. In dit verband provoceerde Leander hem door te schrijven waarom zijn keuze voor piano hem zo goed beviel. De eerste reden was zijn uitgesproken aanleg voor dat instrument. Hij werd daarnaast niet gehinderd door het anatomisch gebrek bij het vioolspel waarop J.H. Lübeck had gewezen. Tenslotte zag hij als groot voordeel dat hij tijdens het spelen kon roken.659 In deze provocatie was de belhamel aan het woord. Nog niet duidelijk was of Leander zijn vader zou volgen zich te richten op een toekomst als dirigent en muziekdirecteur en componist. In een met onderbreking geschreven brief in maart 1862 geeft Hermann daar een uitvoerige motivering voor. [ ] Du musst durchaus jede Minute auf Studium des Pianofortes, Der Geige und der Theorie verwenden, willst Du etwas ordentliches werden. Hättest Du früher hier als Schüler vom Fache und nicht als Liebhaber studiert, so würdest Du jetzt Manches andre tun können. So aber hast Du zu viel einzuholen [ ] Wir freuen uns aber so sehr auf den Augenblick des Wiedersehens als Du, aber was denn? Hier kann Deines Bleibens auf die Dauer nicht sein. Holland ist kein Land für Musik und Künstler! Indessen muss man die Lösung dieser Frage der Zukunft überlassen. Mit der Zeit wird Rath kommen. (Tempus dabit!) Die Zukunftler (sic) werden alle wie Draeseke [F.A.B. Draeseke,1835-1913 v.Z], (der Eine früher, der Andre Später) fallen. Alle ihre Musik,

658 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1861 12 12, brief van 12 december 1861, p. 4, passim. 659 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1862 06 03, brief van 3 juni 1862, p. 1.

292


selbst vieles von Schumann, ist ganz oder teilweise unverdaulich, wenigstens unbehaglich. Einem wahrhaft gebildeten Menschen kann selbst das Schumannsche Quintet nicht behagen. Der Gebildete liebt weder Quälerei noch Lärmen. In allen Künsten, in der Literatur, überhaupt in allem, was auf ein künstlerisches Ganzes Anspruch machen will, gelten immer gleiche Regeln. Sparsamkeit im Gebrauch der Mittel (die Goldregel), mit wenig Mitteln viel Effekt hervorbringen; klare Vorstellung des Gegenstandes, und vollkommene Klarheit in der ganzen Ausführung; mit dem Gefühl schaffen; das Geschaffene mit dem Verstande regeln; organische Notwendigkeit aller Theile zu einander; vollkommene Abrundung aller Theile zu einem Ganzen; im Schönen immer steigernd, fortwährend neue und schönere Gedanken, über jeden auf der rechten Stelle anbringen. Bei Beethoven, der doch am Ende der Größte aller Componisten ist, liegen alle Effekte in den schönen Gedanken, und in der Sparsamkeit der Mittel: eine einzelne Note vom Horn, einige vom Alt u.s.w. schlagen oft alles Andre Tod. Mit Mendelssohn ist die jodelnde Leierei in die Welt gekommen; da gibst keine Pausen mehr für einzelne Instrumente: fortwährender Lärm! Nur Scherzo’s und Gesangstellen gelingen ihm: das übrige ist schwacher Lärm mit jodelnder Sentimentalität. Auf jede gesunde Natur muss er diesen Eindruck machen. Hinreißen kann er nur Schwärmer oder Befangenen. Das Urteil mag herbe sein, aber es ist wahr, und wird, wenn wieder einmal wirklich große Componisten kommen, allgemein werden. Ich schreib Dir dies übrigens bloß, um Dich darauf aufmerksam zu machen, dass der Punkt des Anknüpfens für den jetzigen Componisten nur in Beethovens besseren Sachen bis etwa Opus 100 liegt. Das ist die vollkommenste Form: man soll das studieren, um zu sehen, was die wahre Kunstform ist und was Effekt in der Kunst ist. Ihn nachahmen soll und kann man nicht.

Hermann vervolgde na onderbreking: Es lässt sich aber auch unendlich viel Neues in dieser Richtung schaffen; man muss nur etwas mehr als Musiker: man muss nur ein in der classischen Schule Gebildeter Mann, und klarer, nicht durch Philosophie verschraubter kopf sein. Selbst für den Virtuosen ist das eigentlich nötig, und wenn der Zuhörer nicht ebenfalls auf diesem Standpunkt steht, wird er nie ein richtiges, absolutes Urteil das Gehörte erlangen. Diese letzten sechs Zeilen schrieb ich heute, (Mittwoch, früh 6 Uhr) nachdem ich gestern Abend Vieuxtemps gehört hatte. Vieuxtemps hat immer noch seine gewohnte, riesige Technik; er spielt eminent rein; violirt (sic) seine Violine nicht mehr wie früher, macht ein echtes ganz vortreffliches Staccato; und geht ins Zeug, dass alles erbebt. Bloß seine Rhythmik und Gliederung erreicht nicht immer vollkommen die Höhe des Spieles von Servais. Das Formelle in seinem Spiele wird durch jene Eigenschaften fast ganz verwischt. Ebenso vergisst man dadurch, dass zuweilen Prätentiöse und Gespreizte in seinen Compositionen. Nun aber spielte er nichts als Phantasien auf Opern-thema’s, und trug die bekannte Heul-Schmacht-Arie aus der Lucia [di Lammermoor, vZ] mit allen dem falschen Pathos der affektierten Sentimentalität, der zerrissenen Verzweiflung einer von der furia francese ergriffenen Schauspielers vor. Mir zerreißen die schauderhaften Urlato‘s, welche die jetzige Welt, u. Sancta Simplicitas, Portamento nennt, Ohren und Herz. Solche Töne bestehen in der Musik nicht: es kann sie nur ein

293


Hund hervorbringen, wenn ihm gewisse Tiere heulen machen. Und dann wird es einem ja zuwider, die wenigen Kunststückchen , wie den Carneval von Venedig & Cp. zu hören, oder gar noch Ärger, denn der Carneval ist am Ende doch geistreich und vernünftig, weil das was er gibt [sic], auf dem richtigen Platz steht. All diese Seiltanzereien machen immer einen peinlichen Eindruck, weil der Virtuos doch am Ende jeden Augenblick Gefahr läuft zu straucheln (was denn in der Tat auch immer geschieht), und weil es ein schreckbarer Gedanke ist, Einen von einem Kirchturm herab fallen zu sehen. Aber so geht es, lieber Junge; nirgends Vollkommenheit: nicht etwa, weil sie außer den Kräften liegt, sondern weil man mit hartnäckiger Dummheit, durch solchen Geschmack geleitet, lieber auf den Rath der Narren als der Weisen hört. Mit dem Gesange ist‘s auch so. Die formelle Italiener und gescheite Norddeutsche gehen fast nie ins Zeug; der hitzige Wiener geht dagegen so hinein, dass es Einem vor lauter Beben und Trompeten ganz ängstlich wird. Und doch gehört nur wenig Bildung dazu, um das rechte Maas [sic] zu treffen. Man muss nur seinen Geschmack nicht bilden nach den Backfischen und Lümmeln, die Einem, ohne eigentlich zu wissen warum mit offenen Maul anklatschen und gerade dann erst elektrisiert werden, wenn man einem Gemeinplatz im schlechtesten Geschmack vorträgt. Ich sehe aber wohl, dass das nicht besteht, was ich für vollkommene Musik halte, und deswegen habe ich auch genug von der Musik. Wenn Du mir mit solchem Zeug ankommst, laufe ich wahrhaftig fort. 660

Leander had niet eerder zulk een uitvoerig antwoord gekregen hoe zijn vader zijn toekomst zag. Hermann had al eens in een brief Leanders gemoedstoestand vergeleken met een bootje dat op drift was geraakt en hoge eisen stelt aan de roeier, die alle klippen moest zien te omzeilen om uiteindelijk in veilige haven te komen.661 Toch leek Leander gaandeweg zijn koers te vinden, zijn persoonlijke wel te verstaan. Hier kan gewezen worden op de houding van zijn vader toen deze in zijn autobiografie beschreef hoe zijn leerroute aan de Leidse universiteit geheel bepaald werd door zijn persoonlijke selectie. Gustav toonde vergelijkbaar vertrouwen in eigen oordeel. Het lijkt er op dat Leander eveneens zijn eigen weg zoekt en vindt. Hermann kwam er rond vooruit dat hij weliswaar het technisch kunnen van de docenten in Leipzig waardeerde, maar dat hij hen vond falen doordat zij dwaalwegen bewandelden naar de mode van hun tijd. Waar het publiek vooral virtuozen beluisterde, ging de ware toonkunstminnaar op zoek naar het l’art pour l’art. Het publiek aanbad het technisch vernuft, de ware muziekliefhebber de schoonheid van muziek die gebaseerd was op de Idee dat het verhevene van de Romantiek representeert. In dat opzicht vond Hermann Leander

660 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1862 03 03, brief van 3 maart 1862, pp. 4-11. 661 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1861 10 16, brief van 16 oktober 1861, pp. 1-2.

294


aan zijn zijde, die dat beginsel ook in zijn leven zou volgen. Leander moest vooral niet spelen naar de luimen van het grote publiek. Het is niet zonder belang op te merken dat de brieven van Hermann voor het merendeel zijn geschreven in reactie op wat Leander zelf in de zijne over zijn leven prijsgaf. Weliswaar subtiel, maar herhaaldelijk schetste deze toch zijn positie in Leipzig. Hij neemt de verantwoordelijkheid voor zijn leerdoelen in eigen hand. Hij loopt dus niet zo zeer weg voor het nemen van zijn verantwoordelijkheid, maar kiest sluipwegen om aan zijn persoonlijke doelen te kunnen werken. Zo kondigt hij aan met enkele medestudenten het Normannische trio in te studeren om het op een Abendunterhaltung te spelen. Ondanks voortdurend vragen van Hermann naar de stand van zaken komt het niet tot uitvoering. Leander speelde dit Normannische Trio al in Leiden. Hermann refereert er aan hoe zij het thuis speelden en hoe hij en zijn moeder tot tranen bewogen werden. Schmölling war diese Woche hier: Da wurde im Duo das Normannische Trio gemacht, und Cecile sang die Geigenpartie dazu. Mama und ich haben geweint, weil es uns die Zeiten vor den Geist rief, wo Du an der Geige saßest, und da hatten sie aufgehört zu spielen. 662

Nog in twee gevallen beschreef Hermann deze zeer menselijke emotie. Eerst waren het tranen over het droevig lot van sterrenkundige Kaiser die niet op waarde werd geschat.663 De tweede keer vond plaats op de Cimetière du Père Lachaise waar Hermann een bezoek had gebracht in 1835. Geheel passend in het idioom van de vroege romantiek schreef hij hoe hij bij het zien van een gezin dat rondom een pas gedolven graf treurt ‘zijn eigen tranen vermengt met de hunne.’ Bij het zien van dat leed, had hij, overmand door eigen emoties, de begraafplaats snel verlaten.664 Kennelijk zag Hermann het tonen van emoties als een teken van zwakte. Leanders composities in Leipzig In de brieven komt voortdurend de vraag aan de orde hoe het stond met Leanders scheppend werk. Dat bleef lang zonder succes. Eindelijk ontvangt Hermann in april 1862 een pakje waarin een compositie van Leander. Het droeg de titel Impromptu.665 Het werd aan de Vliet met blijdschap ontvangen. Cécilia kreeg opdracht het stuk in te studeren. Die eerste verklanking viel niet 662 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1861 12 27, brief van 27 december 1861, p. 2. 663 Vgl. dl. I. p. 87, noot 176. 664 H. Schlegel, Opmerkingen over Parijs (Leiden, Du Mortier & Zoon 1839). pp. 60-61. 665 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1862 04 28, brief van 28 april 1862, pp. 1-4.

295


mee. Het stuk zat, ook naar het oordeel van Schmölling,vol fouten. ‘Dat is ernstig, want fouten zijn fouten’, schreef Hermann, ‘ook als ze uit onwetendheid worden gemaakt of uit lichtvaardige nalatigheid ontstaan, zoals dat bij Leander het geval was.’ De kritiek was dat het Impromptu lichtheid miste en dat het aan Cécilia’s neiging tot swingend spelen was toe te schrijven dat het aangenamer klonk dan de muzieknotatie rechtvaardigde. Leander weerlegde deze kritiek met verve, maar legde die tevens naast zich neer. Hermann prees Leanders reactie op zijn kritiek en weerlegde die op zijn beurt. Het stuk was geschreven in kwartnoten in plaats van in 1/8ste. Het metronoomtempo was niet aangegeven. Het was onvoldoende er alleen ‘vivace’ boven te zetten. Die term verwijst meer naar de geest van het stuk in de voordracht, dan dat het over het tempo gaat. De zestiende noten aan het einde en enige figuren in het middendeel waren voor een temposuggestie niet leidend. Het bleef raden hoe snel het stuk gespeeld moest worden. Hermann vond de compositie op het eerste gezicht origineel. Louis Lübeck was van mening dat er sprake was van invloed van Gounods Faust, maar er was geen sprake van nadoen. ‘Es ist tief gedacht, kontrapunktisch, verwickelt, aber dennoch klar; wie alles Neuere sehr rhythmisch und voll van gebrochenen Rhythmen, und überhaupt sehr prägnant.’666 Hermann voegde hier aan toe dat hij het middengedeelte als leeg had ervaren, wat in Leanders composities vaak het geval was. In het middengedeelte moet een mooie melodie klinken. Om die tot gelding te laten komen moet de harmonisering niet overdreven worden, maar beperkt zijn tot fijne versieringen. Het geheel is te veel gezocht, teveel uit op het nieuwe en ongebruikelijke. Dat was beter in de finale van het Trio, maar niet in het Impromptu, evenmin in de Sonate. Hermann benadrukt niet met het verstand te componeren, maar af te gaan op het gevoel. Hij noemde het ‘een niet te verdragen idee als Leander ging componeren als Schumann, Wagner en consorten.’ 667 Hij vreest de beïnvloeding van Leanders muzieksmaak door de Neuen en die zullen geen blijvende plaats krijgen in de muziekwereld. Papa Lübeck kwam naar Leiden en beluisterde Leanders Impromptu. Zijn oordeel was dat het een vrije compositie was, doordacht, mooi gemaakt, vriendelijke melodie. Jammer dat de vleugel in huize Schlegel zo slecht was. Hermann was het daarmee eens, hoewel hij Cécilia er mede verantwoordelijk voor achtte. ‘Ein Frau, außer der Schumann, kriegt dieses Stück nicht heraus: es gehört Kraft, Feuer, Leidenschaft dazu.’ 668 Hermann

666 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1862 04 28, brief van 28 april 1862, p. 2. 667 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1862 05 06, brief van 6 mei 1862, pp. 1-2. 668 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1862 05 10, brief van 10 mei 1862, p. 2.

296


komt nog regelmatig terug op het Impromptu, handhaafde niettemin zijn kritiek. Eigenlijk sprak het laatste deel hem het meeste aan. Het eerste deel vond hij het minst origineel. 669 Ook Schmölling vond nog onregelmatigheden.670 Leander gaf zich niet snel gewonnen, hij bleef achter zijn compositie staan. Dus werden oppositie en verdediging voortgezet. Hermann onderstreepte nog eens in een brief begin 1863 dat Leanders composities de toets der kritiek niet konden doorstaan. ‘Dein Impromptu gefällt (sic) niemand’. 671 Het is origineel, aldus Hermann, zeker nu het slot vervangen is, terwijl dat het enige was dat effect sorteerde. Na verwijdering van het laatste deel is het ronduit onaangenaam. Wanneer Leander weer eens heeft aangekondigd dat hij een trio componeert, vraagt Hermann hem waar het toch blijft! Ook de meermalen aangekondigde ouverture had hij nooit gezien. Hij waarschuwt Leander ook. ‘Mach nicht Zuviel, und dieses nur in Nebenstunden. Es komt sonstig nichts Gutes dabei.’ Het lijkt hem verstandiger eerst nog twee fantasiestukken te maken. Deze drie zouden bijeengenomen kunnen worden en de titel Kleinigheden dragen. ‘Maar, speel alles eerst op de Abendunterhaltungen, zonder officiële titel’.672 Eerst eind december 1862 komt Leanders medestudent Timmermans inderdaad twee composities bij de Schlegels afleveren.673 Hij bracht de groeten van Leander over. Hij vertelde dat hij Leander ziek aangetroffen had. Deze aanvallen van onwel zijn, variërend van luchtwegproblemen tot buikkrampen, volgden elkaar met steeds kortere tussenpozen op. Cécilia probeerde de beide composities te spelen. ’s Avonds onder de thee, tussen zeven en negen uur namen ze de muziek door. Ter inleiding werd eerst het Impromptu opnieuw gespeeld. Daarna probeerde zij de twee nieuwe stukken te spelen, hetgeen haar gemakkelijk lukte. Beide klavierstukken spraken Hermann zeer aan ‘meer dan enkele honderden van de Neuen.’ Hij noemde ze karakteristiek, daardoor kenmerkend voor de componist. Ze toonden veel diepte en zijn naar alle richtingen doordacht. Ze bevatten veel verrassende wendingen, die op de juiste plaats waren aangebracht. Er vielen mooie melodieën te beluisteren die in de compositie goed waren ingepast. Er werd niet gezondigd tegen het gekozen ritme. Kortom de familie was vol lof bij de eerste uitvoering. Over

UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1863 01 06, brief van 6 januari 1863, p. 5. 670 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1862 06 23, brief van 23 juni 1862, p. 2. 671 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1863 01 06, brief van 6 januari 1863, p. 5. 672 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1862 08 03, brief van 3 augustus 1862, p. 4. 673 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1862 12 20, brief van 20 december 1862, p. 1. 669

297


het tweede klavierstuk schreef Hermann: ‘Zie hier enige rapsodische gedachten! In de tweede compositie zijn de contretemps [tegenslag, kleine afwijking, grapje] en de maatwisseling op de spits gedreven. Zoals je het gedaan hebt is het goed, maar niet meer.’ Tevreden schreef Hermann dat Leander nu wel nooit meer zou hoeven twijfelen aan zijn vermogen mooie muziek te componeren. Hij beloofde in de reguliere volgende brief op de pianostukken terug te komen.674 Deze lof moet Leander als balsem hebben gevoeld. Later reageerde Hermann nog eens op het Impromptu, waarbij hij zijn kritiek overeind hield.675 De Leidse muziekvrienden Gericke, Schmölling en Herklots vonden je pianocomposities mooi en spraken er met waardering over.676 Hermann ging er mee op bezoek bij papa J.H. Lübeck en mevrouw C. Geel in Scheveningen. Mevrouw Geel was er verrukt over. Papa Lübeck uitte ook zijn tevredenheid. Helderheid, goede vorm, mooie melodieën. Mooi gemaakt volgens de regels van de harmonieleer. Anderen die hij het liet horen hadden dezelfde mening. Na deze algemene lof richtte Hermann zich op het praktische nut van deze composities voor de toekomst van Leander. Lübeck, Herklots u. ich erinnern jedoch einstimmig Folgendes: 1.) Bringe nicht, wie Du die Gewohnheit hast, in allen Deinen Stücken, Arpeggio an: sie sind die starke Seite Deines Spieles, und ein Künstler soll keine starke Seite haben, sondern alle Seiten sollen stark sein. Sie würden auch Deinen Compositionen einen Familienzug geben, was ein großer Fehler wäre. 2.) Hüte Dich dafür, nicht immer Stücke, wie Dein Nr. 2. und Dein Impromptu, mit abgerissenen Motiven zu componieren, sondern verbinde sie. 3.) Deine beiden Stücke passen nicht in ein Heft, also nicht zusammen. Das Erste, ihren Mittelsatz, wäre etwa ein Lied ohne Worte; das Zweite kann selbständig dar stehen, und etwa als Impromptu gelten. Zum Ersten solltest Du noch wenigstens zwei, besser fünf andre, etwa in geleichen Umfang, oder einige ein wenig länger Componieren, und sie zu einem Hefte vereinigen. Der Titel Lieder ohne Worte und Impromptu müssten natürlich bei der Herausgabe durch andere ersetzt werden, weil sie verbraucht sind, worüber später das Nähere. Lübeck, Herklots u. ich geben, ohne etwa No. 1. im geringsten zurücksetzen wollen, einen gewisse Vorzug an Nr. 2., vielleicht weil es munterer, pikanter u. länger ist als Nr. 1., oder unserem Naturell mehr zusagt. Dies wäre Alles, was wir jetzt hierüber zu sagen hätten. 677

674 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1862 12 20, brief van 20 december 1862, pp. 5-11. 675 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1862 12 23, brief van 23 december 1862, p. 5. 676 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1862 12 30, brief van 30 december 1862, pp. 5-6. 677 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1862 12 30, brief van 30 december 1862, pp. 6-7.

298


Nog is de discussie niet verstomd over het veel bekritiseerde Impromptu. Leander bleef erbij dat het zijn beste compositie ooit was, hetgeen Hermann niet kon begrijpen. ‘Iedereen hier vindt dat van dat stuk niets meer te maken was.’ Na deze composities zullen er geen nieuwe meer komen. Waar ze gebleven zijn, onthult het nagelaten archiefmateriaal niet. Leander bleef zich onttrekken aan de lessen. Hij wilde alleen datgene bestuderen wat voor hem toegevoegde waarde had. Dat wil zeggen voorzover hij naar zijn persoonlijk oordeel nog tekortschoot. Het ziekte-etiket dat hij zich ter legitimering had toegeëigend was zijn antwoord op het beheersbaar houden van de eisen die zijn vader aan hem stelde. Leander bereikte wel dat zijn vader zich in zijn eisen jegens hem matigde. Hij toonde zich beslist zelfbewuster dan in het begin van de briefwisseling. Had zijn vader het te bont gemaakt naar zijn smaak dan stelde hij zich tegenover hem op en gaf hij zijn mening. Zijn vader reageerde daarop doorgaans met zich te verontschuldigen vanwege gedoe op het Museum. De oorzaak lag in tegenslag in het bijeenschrapen van geld om Leander in Leipzig te onderhouden. Of in aanvallen van teleurstelling omdat zijn huisgenoten niet bereid waren door de geringste bezuiniging in uitgaven bij te dragen aan de financiële nood. Of de vermoeidheid vroeg zijn tol die het vele publiceren van dierkundige verhandelingen veroorzaakte. Had het stimuleren van zuinigheid aanvankelijk het karakter de onervaren jongeling te leren hoe met geld om te gaan, al gauw werd de Chesterfieldse spreuk herhaald ter onderstreping van de noodzaak tot spaarzaamheid. Naarmate de tijd vorderde, werd de geldnood in huize Schlegel nijpender. Leander kon ondanks de vele teleurstellingen die zijn verblijf in Leipzig kenmerkten, blijven rekenen op de steun van zijn ouders. Het eerste breekpunt kwam toen aan het einde van het eerste schooljaar, zomer 1862, de visie van de zijde van het conservatorium over Leander geheel niet overeenkwam met het beeld dat zijn ouders zich hadden gevormd over zijn prestaties. Zij hadden hun mening gebaseerd op Leanders brieven. Het tweede breekpunt was het ongemak als gevolg van de hardnekkige gezondheidsklachten. Dat riep steeds bezorgdheid op. Uitvoerige adviezen werden uitgeschreven en herhaald werd hoe wel en hoe niet te handelen. De Leidse huisarts Van Kaathoven werd geraadpleegd en medicijnen werden gestuurd. Kortom hun zorg over zijn fysieke ongemakken resulteerde in warm medeleven uit oprechte genegenheid voor hun benjamin. Dat werkte als een placebo voor zijn onmacht bij alle gemis van zijn ouderlijk huis, moeder, Cécilia en vader. Hij zal die blijken van liefde nodig hebben gehad. Die gingen vergezeld van zijn vaders oproep zich als een Schlegel te gedragen op de succesvolle wijze waarop Schlegels dat altijd deden. Hijzelf en Gustav konden Leander als voorbeeld dienen. Hij zou dan merken dat alles op zijn pootjes terechtkwam. Dit vanzelfsprekende beroep op de kracht van de familienaam werkte niet. Leanders houding bestond uit zich zo onzichtbaar en onbereikbaar mogelijk te maken als 299


verdediging tegen te hoge druk van buiten. Zowel richting Leiden als binnen de muren van het conservatorium was dat een vorm van zelfbescherming. Voor hem en vele anderen met hem was het ontwikkelen van lichamelijke klachten daarvoor de ultieme remedie. Er was erkenning van dit reactiepatroon in de samenleving in de vorm van heilzame kuren van allerlei aard in comfortabele kuuroorden. Leanders oom, de geneesheer Franz was van deze methoden op de hoogte. Hij zal Leander met begrip voor zijn lichamelijke gesteldheid hebben geïnformeerd hoe met al dat fysieke ongemak om te gaan. De aandoening werd zenuwzwakte genoemd, later neurasthenie, waartegen werd opgetreden door dokters en kwakzalvers met allerlei middelen. Oom Franz had in 1853 in Altenburg een serie lezingen gehouden over geneeskundige methoden onder de verzamelnaam Heilkunst. Hij besprak daarin achtereenvolgens de Allopathie, de Hydropathie, de Homöopathie, Sympathie, Diätetick, Dynamische Heilmethode, Volksmedicin, Mystische Heilmethoden en de Heilkraft der Natur.678 Het was juist die neiging tot irrationele opvattingen van oom Franz die Hermann het meest in verlegenheid bracht, zonder dat het ten koste ging van zijn verhouding met en zijn loyaliteit jegens zijn jongste broer. Ook hier had hij zijn persoonlijk mechanisme om wat ongewenst is aan de kaak te stellen als een afwijking van de rechte weg die deze intelligente man op zijpaden had gebracht. Er stond tegenover dat hij nooit vergeefs een beroep op die broer had gedaan. Eerst tijdens Hermanns hartkwaal in de jaren veertig en nu als representant van zijn ouderlijk gezag over Leander. Hij was er trots op dat Franz later in de wereld van de dieren terecht zou komen als directeur van de dierentuin in Breslau. Hij gaf zijn geneeskundige praktijk in Altenburg er voor op. Hermann drukte zijn teleurstelling uit dat Leander zo vasthield aan zijn eigen mening. Tegelijkertijd herkende hij deze karaktertrek. Zijn kinderen leken op hem. En dat was logisch: het waren Schlegels! Hij bleef Leanders oordeel bestrijden dat diens eerste composities voortreffelijk waren. Hij wees af dat de opera Tannhäuser het ultieme was in de muziek. Hermann schreef dat hij onrustig werd bij de gedachte dat Leander Wagner tot voorbeeld zou nemen en daarmee alle nieuwlichterij zou omarmen.’679

Franz Schlegel, Die verschiedenen Methoden der Heilkunst: Populäre Vorträge von Franz Schlegel. Doctor der Medicin. Allopathie, Hydropathie, Homöopathie, Sympathie, Diätetick, Dynamische Heilmethode, Volksmedicin, Mystische Heilmethoden und Heilkraft der Natur (Leipzig, Otto Wigand 1853). 679 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1863 03 02, brief van 2 maart 1863, p. 1. 678

300


Eindspel verblijf in Leipzig Hermanns strategie jegens Leander veranderde tenslotte radicaal. Hij gaat zich richten op het ultieme doel: zorg dat je het examen doet, zodat je met een getuigschrift het conservatorium kunt verlaten.680 Hij belooft dat als dat lukt hij er voor zal zorgen dat er een goede vleugel in huis staat om te studeren. Een week later, op 9 maart 1863, hakt Hermann de knoop door. Es schmerzt mich, dass ich Dir zuweilen mit Anmerkungen oder durch den Ton meiner Briefe wehe getan habe; Du musst dies aber lediglich dem Unmut zuschreiben, den mir die Zustände des Conservatoriums in Bezug auf Dich eingeflößt haben. Ich glaube vom Herzen gern, dass Du Leipzig dicke hast; aber so dicke, wie ich, kannst Du es unmöglich haben. Ich habe bei Richter alles versucht, bei Schleinitz gebeten als Vermittler bei David aufzutreten: der Eine schreibt mir unerklärliche Phrasen, der Andre schweigt, und David scheint ebenfalls keine Lust zu haben, auf Bitten hören zu wollen. Unter solchen Umständen fernerhin zu beruhen, wäre geradezu Blödsinn. David, von dem doch am Ende alles abhängt, wird Dich weder im Quartett noch Ensemblespiel zulassen, denn Versprechungen von Wilhelmj, Reissner oder wem auch können ja gar nichts helfen. Ich aber kann es nicht verantworten, die schweren Opfer für Deinen Aufenthalt in Leipzig zu bringen, wenn ich sehe, dass der Zweck Deines dortigen Aufenthaltes nichts erreicht wird. Und drum ist jetzt umso weniger zu denken, da Dir die Lust benommen, und mir die Freude verdorben ist. Es muss daher der Sache ein Ende, und schwer ein schnelles Ende gemacht werden. Du hast Dich also unwiderruflich nach folgenden Verfügungen zu richten.

681

De brief vervolgt met een nauwkeurige opsomming wat Leander nog moest doen en welke maatregelen hij nemen moest om direct na het afleggen van het examen naar huis terug te keren. In deze opsomming stelde hij dat de datum van vertrek bepaald wordt door de dag waarop de vakantie begint, dan wel door het al dan niet deelnemen aan het examen. Hier laat zijn vader de keuze expliciet aan Leander en legitimeert hij vooraf dat Leander die beker aan zich voorbij kan laten gaan. Als hij het proefspelen zou meemaken, dan laat hij hem bovendien geheel vrij wat hij spelen zal, terwijl hij voorheen zijn uiterste best deed Leander zover te krijgen dat hij zowel op de viool als op de piano zou laten horen wat hij op deze instrumenten presteren kon. Hermann besluit zijn opdracht aan Leander met instructie wat hij moet doen om Leipzig bepakt en bezakt te verlaten, inclusief aanwijzingen over de route terug naar huis, gebaseerd op het goedkoopste vervoer. Hij toonde zich opgelucht dat de zaak geregeld was. Hij voelde het,

680 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1863 03 02, brief van 2 maart 1863, p. 4. 681 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1863 03 09, brief van 9 maart 1863 p. 1.

301


schreef hij, als was er een steen van zijn hart gevallen. Opgelucht was hij ‘dat zijn laatste levensjaren niet langer vergald zouden worden door verbittering over de gang van zaken op het conservatorium.’ Niet Leander was de boosdoener in deze affaire, maar het conservatorium en haar docenten. Zij hingen de nieuwlichterijen aan waarvan hij zo afkerig was. Hij verzekerde Leander dat hij met open armen thuis ontvangen zou worden.682 Niet langer stond het falen van Leander centraal, maar het falen van het onderwijssysteem aan het conservatorium dat net zo teleurstellend was als het onderwijssysteem dat hij aan de Leidse universiteit tegemoet was getreden. Hermann stelde zich voor dat Leander de zomer in Leiden zou doorbrengen. Hij moet er een teruggetrokken leven leiden, zonder een leraar voor de piano. Hermann neemt zich voor zijn persoonlijke kennis van de muziektheorie en kunstgeschiedenis te toetsen om zijn zoon tot gesprekspartner te zijn. Als er dan nog tijd overblijft, kon aan muzieklessen op de viool en piano worden gedacht. Dat zouden privélessen worden. Maar Hermann hield nog een slag om de arm, omdat hij eerst zelf wilde vaststellen wat Leander in Leipzig had geleerd. Hij schreef Leander hoe blij hij was dat hij weer terugkwam en hoe hij zich er op verheugde samen aan het werk te gaan. Dat hij straks terug is, weegt op tegen alle narigheid die zijn afwezigheid had veroorzaakt, schreef hij als liefhebbende vader. En passant wees hij Leander er in deze brief op dat mama nog niets van al deze plannen wist. Hij had zijn voornemen alleen besproken met conservator Herklots van het ‘sRMvNH, tevens commissaris van MvT. Hij zou zijn mond erover houden. Blijkbaar besprak hij toch de inhoud van zijn brief met Cornelia en Cécilia. Moeder en dochter stemden in: hier ist nichts weiter zu tun als Leander zurückkommen zu lassen.’ Auch Cécile ist ganz damit einverstanden. Wir rechnen freilich darauf, dass Du ein Kerl bist wie ich u. Gustav, die ihren Weg ohne Jemandes Hilfe gemacht haben, und das kannst Du mit Deiner Anlage, wenn Du nur willst. Und das Du willst, davon bin ich überzeugt. Außerdem: haben ja so Viele schon ihren Weg, ohne Conservatorium, gemacht, warum solltest Du nicht das Bisschen was übrig bleibt, auf anderem Wege machen können. 683

Op bovenstaand arrangement van zijn vader om de terugkeer van Leander ordelijk te laten verlopen, bleef een reactie uit. Acht dagen later schreef Hermann hem dat hij de directie van het

682 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1863 03 09, brief van 9 maart 1863, p. 5. 683 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1863 03 09, brief van 9 maart 1863, p. 5.

302


conservatorium op de hoogte had gebracht van zijn vertrek. Als reden gaf hij ‘dringende familieomstandigheden’ op, een eufemisme voor geldnood. Hij drong er bij Leander op aan per omgaande van zich te laten horen al was het maar om de financiële zaken te kunnen afwikkelen. Hij dringt aan op een overzicht van de kosten die nog moesten worden betaald.684 Een dag later komt er een brief van Leander, maar die geeft geen uitsluitsel of hij wel of niet op het examen zal spelen. Cécile was van mening dat hij minimaal zijn drie composities zou moeten spelen. Haar argument was dat anders zou kunnen worden gedacht dat hij van het conservatorium weggestuurd was. ‘Als je speelt’, schreef Hermann, ‘staat dat in de Signale en heb je zo een bewijs dat je op het conservatorium hebt gestudeerd.’ Hermann gaf toe dat hij Leander overvallen had met zijn besluit hem terug te laten komen. Voor Hermann zelf was het een langzaam gerijpt inzicht. Verder verblijf zou niets opleveren. Vioolstudie kun je hier ook doen en de theoretisch studie kun je zonder het conservatorium. Als argument wijst Hermann op Richter die nooit een conservatorium bezocht had en alles zichzelf aanleerde. Ich hatte längst einsehen sollen dass die hausbackenen, kleinbürgerlichen Verhältnisse solcher Leute nicht für uns taugen. Aber genug hiervon. David scheint wie Thorbecke zu sein: er duldet neben sich bloß Trabanten oder Schmeichler. 685

Leander zal inderdaad geen enkele proef afleggen. De examendagen gingen voorbij en nog keerde Leander niet naar huis terug. Zijn vader stuurde hem het geld dat nodig was om met opgeheven hoofd Leipzig de rug toe te keren. Hij was onkundig gehouden dat Leander schulden gemaakt had. Ook die teleurstelling nam hij toen Leander ermee voor de dag kwam. Hij stuurde voor de laatst keer geld ter verevening. De laatste brief aan Leander is gedateerd op 18 april 1863. Hermann klaagde dat hij nog steeds niet wist wanneer zijn zoon van plan was terug te keren, hoewel zijn opdracht daartoe niets te raden overliet. Zo eindigde de correspondentie tussen vader en zoon, die ontstaan was naar aanleiding van de brieven van Leander, die steeds met zorg beantwoord werden, altijd met hartelijke slotwoorden, meestal gepaard gaande met omarmingen! Meermaals ‘duizendvou-

684 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1863 03 17, brief van 17 maart 1863, p. 1. 685 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1863 03 18, brief van 18 maart 1863, p. 2.

303


dige!’ Tussen het ‘Lieber Leander’ en ‘1000 Umarmungen’ werd systematisch druk uitgeoefend op de zoon. In de brief die hij op 5 april 1863 uit Leiden verzond, liet Hermann zich het meest in het hart kijken: Wir grüßen Dich übrigens alles bestens, und es wird uns freuen, wenn wir Dich wiedersehen als den kranigen (sic), frischen, unseren dirbaren [sic] Léandre, wie wir ihn ins Fremde schickten mit einem Herzen von weinen u. meiner Liebe, Dein Vater. 686

Vooral de brieven die zijn geschreven nadat de vader had besloten Leander terug te laten komen, bevatten informatie over hoe hij het Leipziger conservatorium beoordeelde. Deze wekken de indruk dat hij Leanders verzet tegen het gebruik maken van het verplichte lessenpakket herkende van zijn eigen leerweg, die op dezelfde wijze was verlopen als die van Leander. Beiden hadden alleen dat willen doen wat paste in hun strategie en persoonlijke opvatting. In dat perspectief geplaatst was Hermann trots op de eigengereidheid van zijn zoon, ook waar deze hardnekkig bij zijn eenmaal ingenomen standpunten bleef. Vader en zonen bewezen daarmee echte Schlegels te zijn. Of Hermann begrip en ook nog waardering kon opbrengen voor het weinig Schlegeliaanse gedrag van Leander zich door lichamelijk ongemak aan verplichtingen te onttrekken, kan worden betwijfeld. Maar het is wel begrijpelijk in het licht van de kwetsbare jongeman die onverhoeds op eigen benen moest staan, zoals vader zelf ook had meegemaakt. Leander kreeg zijn zegen op eigen kracht verder te gaan zijn toekomst in te vullen als musicus. Zo was het hemzelf ook vergaan toen hij het geschil met zijn vader bijlegde op reis naar Leiden om te gaan doen wat hij als zijn bestemming zag. Zo ging ook Gustav zijn eigen weg langs ongebaande wegen en met succes. Nu Leander nog. Hermann hoopte dat die kans kwam als hij straks terug was en zij samen aan zijn verdieping als musicus konden werken. Periode 1863-1878 Muziekleraar in Leiden Leanders thuiskomst werd ook opgemerkt op de muziekschool van de MvT. Hij werd er vriendelijk onthaald en kreeg gelegenheid te vertellen over zijn ervaringen. Er werd naar zijn composities geluisterd die hij uit Leipzig had mee gebracht. Deze prestaties en verhalen toonden aan dat Leander in Leipzig het nodige had opgestoken. Hij vertelde over de vernieuwingen in de muziek die hij er had aangetroffen. Over talentvolle studenten van wie hij overtuigd was nog

686 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1863 04 05, brief van 5 april 1863, p. 3.

304


veel te zullen horen, ook in Nederland. Hoe hij genoten had van de smaakmakende vernieuwers in de muziek met wie hij was omgegaan. Hoe hij zijn keuze had gemaakt welke van deze vernieuwers in de muziek hem imponeerden en welke niet. Hij wilde niets liever dan die nieuwe muziek ook naar Leiden brengen. Hij had er genoten van het niveau van het muziekleven in die grote stad en was vol bewondering over het rijke aanbod van concerten en opera’s. Hij had vooral daarvan veel geleerd. Terug in Leiden voelde hij zich erkend als musicus. Al die ervaringen die hij aan zijn familie had laten weten in zijn brieven waren door zijn vader overwegend vooral bekritiseerd, maar elders in Leiden ontmoette hij interesse en waardering voor wat hij te vertellen had. Bij zijn Leidse muziekbroeders vond hij een gehoor dat hij in Leipzig zo gemist had. Het gaf hem het gevoel het applaus terug te vinden dat zijn deel was voor zijn vertrek in 1861. Leander werd door directeur F. Hageman gevraagd in een vacature te voorzien. Hij trad met ingang van 1 november 1863 in dienst van de MvT als leraar viool en pianoforte. 687 Het droeg er toe bij dat hij zichzelf kon zijn, zich gewaardeerd wist en als een gezond jong mens kon functioneren. Lang was gedacht dat Leander te klein van stuk was voor de militaire dienst, maar dat bleek niet het geval, zodat een remplaçant moest worden gevonden, hetgeen lukte. Zijn vader had er eerder voor Gustav voor gezorgd en er voor betaald, nu nog voor Leander. Zo stond die verplichting zijn carrière niet in de weg.688 Leander kwam naar eigen keuze precies daar terecht waar zijn vader hem niet had gewild: als muziekonderwijzer. Zo begon Leander zijn carrière als musicus. Hij zou deze functie met plezier vervullen. Hij kon weer muziek maken waarvan hij naar hartenlust genoot, 20 jaar oud en hij voelde zich op zijn plaats. In 1864 staat zijn naam op het programma van een concertsoiree onder leiding van violist N.J. Wetrens en met A. Oudshoorn uit Wiesbaden als solist, begeleid door Leander op de piano. Hij speelde zijn compositie Klavierstück, hetgeen in Caecilia werd gememoreerd.689 Rampspoed kwam over het huis aan de Vliet. Cornelia Schlegel-Buddingh overleed op 2 december 1864.690 Zij werd op 29 januari 1865 begraven. Noch Leander, noch Cécilia laten zich over dit verlies uit. Na haar overlijden werd het grote huis aan de Vliet verlaten. Hermann, Cécilia en Leander verhuisden naar de Breestraat 109.691 Cécilia vertrok naar Duitsland in 1866. Zij keerde naar Nederland terug in 1872. Leander ging in 1867 op concerttournee voor enige

687 NMI Den Haag, archief van Leander Schlegel 1844-1913, toegang 114, inv. nr. 20, openbaar leven, B. 3a., in dienst van de MvT in Leiden als leraar piano en viool, 1863-1867. 688 Noord-Hollands Archief, akte Nationale Militie no. 144 waaruit blijkt dat Leander Schlegel een plaatsvervanger heeft gesteld. 689 Schlegel, L., Compositie Klavierstück, Caecilia algemeen muzikaal tijdschrift van Nederland, jrg. 21, nr. 5, 1 maart 1864, p. 61. 690 Vgl. dl. I, p. 150 en dl. II, p. 200; G. Schlegel, Levensschets pp. 71-72. 691 GA Leiden, bevolkingsregister 1860-1870, folio 278.

305


jaren, onder andere als concertpianist en muziekdirecteur. Hermann trad op 11 februari 1869 in het huwelijk met Albertina Petronelle Pfeiffer. Al deze omstandigheden tonen een grondige transformatie binnen het familieverband. Het ouderlijk gezin had opgehouden te bestaan. Vader en kinderen gingen hun eigen weg. Leander reist door Europa Begin 1867 vroeg en verkreeg Leander eervol ontslag als leraar van de MvT.692 Hij ging naar het buitenland met de bedoeling er als pianist te gaan werken. Deels als begeleider van solisten, deels als orkest- en solopianist. Het leidde tot een min of meer zwervend bestaan dat duurde tot 1871, het jaar dat hij zich in Haarlem verbond aan de muziekschool van de Maatschappij tot bevordering van de Toonkunst (MtBdT), afdeling Haarlem. In hoeverre het uiteenvallen van het gezin door het overlijden van Cornelia, de verhuizing van de Vliet naar de Breestraat en het vertrek van Cécilia naar Duitsland hem inspireerde ook zijn vleugels naar elders uit te slaan, is onbekend. Leander ging eerst naar de familie in Altenburg die hem opnieuw gastvrijheid verleende. Hij volgde daarmee alsnog de raad van zijn vader op om naamsbekendheid op te bouwen in Duitsland als muziekland vanuit de streek waar de familie bekend was. ‘Du musst überhaupt Dir irgendeine Plan für Deine Zukunft machen. Ich glaube, es ist am besten, Du bleibst in Leipzig [ ].’693 Het idee was hier en daar concerten en mogelijk wat lesgeven. Leander ging nu zelf beoordelen of zijn toekomst in Nederland lag of dat zijn perspectieven in Duitsland beter zouden blijken. Hij kon nu reizen waarheen hij wilde en zijn leven inrichten zoals hij dat verkoos. Het bleek in zijn voordeel dat hij vanuit en in Altenburg gebruik kon maken van de kennis van het muziekaanbod in Saksen-Anhalt. Voordeel was bovendien dat hij onder musici in Leipzig bekenden had. Dat bood kansen ook via hun netwerk aan werk te komen. Het lukte Leander van de muziek te leven. Hij verplaatste zich gemakkelijk door Duitsland en verbleef enige tijd in Parijs. Het spoor van zijn optredens in die jaren is te volgen aan de hand van programma’s en besprekingen van concerten in de media van de plaatsen waar hij optrad. Hij speelde eigen composities, aangevuld met die van anderen. Op 7 december 1867, speelde hij bijvoorbeeld tijdens een groot muzikaal soiree ‘unter gütiger Mitwirkung der Herrn Kapellmeister E. Toller’ zijn Impromptu en Klavierstück. Er werden verder werken uitgevoerd van A. Rubinstein, C. Reinecke, L.von Beethoven en F. Mendelssohn Bartholdy, componisten wier werken hij zijn

NL-LdnRAL, MvT, 523, inv. nr. 209, register van notulen, vergadering bestuur, februari 1864, concept. UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1862 05 10, brief van 10 mei 1862, p. 5. 692 693

306


leven lang zou blijven uitvoeren. Leander zocht de Kapelmeester Toller in Dresden op. Hij speelde in Darmstadt (8 augustus 1868), daarna in Karlstadt. In Wiesbaden speelde hij zijn pianocomposities. Daarnaast werk van Robert Schumann het concert voor piano in A mol met begeleiding van het orkest.694 Leander maakte enkele tournees mee ter begeleiding van violist August Wilhelmj, met wie hij tot diens dood bevriend bleef. Zijn bewondering voor diens talent bleef onverminderd groot.695 In dezelfde rol speelde hij als pianist met Louis Lübeck als solist, behorend tot de oude vertrouwde huisvrienden uit de tijd aan de Vliet. Jaren later zou Louis hem in een brief herinneren aan de prettige tijd die ze samen in Hamburg hadden doorgebracht. In dezelfde bief memoreerde Lübeck hoe geschokt hij was door het recente overlijden van Johannes Brahms op 3 april 1897. Hij verwees ‘naar hun gezellig leven met hem in Hamburg in 1870-1871, dat zo echt musikalisch en goed was.’696 Viotta signaleerde Leander nog als concertmeester in Leipzig, zonder nadere specificatie.697 Op 10 december 1870 duikt Leanders naam weer op in Nederland. Als pianist treedt hij op tijdens een concert van de Haarlemse liedertafel Zang en Vriendschap, toen onder directie van huisvriend Schmölling die hem deze uitnodiging had bezorgd.698 Verder speelde hij op 29 december 1870 in Breda waar hij in eerste uitvoering twee pianocomposities uitvoerde in een concert gegeven door de Zangvereniging Aurora.699 Schlegel uit Brunswijk speelt het trio D-moll van Mendelssohn. Schlegel deed zich kennen als een zeer goed pianist. Wat wij in de eerste plaats roemen hoe hij, niet aan zichzelf denkend, uitsluitend probeert de gedachten van de compositie weer te geven. Hij kan de piano laten zingen; speelde twee Klavierstücke van eigen compositie. Tenslotte de Ballade van Chopin in As-dur. Als toegift volgde de moeilijke sonate van Scarlatti in As-dur.700

Op 24 januari 1871 staat Leander op het programma van Sempre Crescendo in Leiden. De recensent noteerde: ‘Over het Allegro van Leander Schlegel durven wij na een eerste auditie geen oordeel uit te spreken; aanvankelijk was het ons niet helder; de Ballade van Chopin werd

NMI Den Haag, archief van Leander Schlegel, toegang 114, inv. nr. B, uitvoerend kunstenaar 83-84. Jos de Klerk, Haarlems muziekleven in de loop der tijden, (Haarlem, Tjeenk Willink & Zoon 1965) p. 257. 696 NMI Den Haag, archief van Leander Schlegel, toegang nr. 114, inv. nr. 30, brief VAN Louis Lübeck AAN L. Schlegel, Berlijn, 19 april 1897, p. 4. 697 Mr. Henri Viotta, Lexikon der toonkunst. Met medewerking van vele voorname toonkunstenaren, deel III (Amsterdam, P.N. van Kampen & Zoon, 1885) p. 332. 698 Gedenkboek uitgegeven ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan der Koninklijke Liedertafel “Zang en Vriendschap” te Haarlem 1830-20 februari1930, samengesteld door K. van Eden en C. Montauban (Haarlem, De Liedertafel 1930). 699 Caecilia, algemeen muzikaal tijdschrift van Nederland, jrg. 28, nr. 3, 1 februari 1871, p. 29. 700 Caecilia, algemeen muzikaal tijdschrift van Nederland, jrg. 28, nr. 3, 1 februari 1871, p. 29. 694 695

307


aller heerlijkst voorgedragen.’ Die opmerking zou Leander meer krijgen wanneer hij nieuwe eigen composities gaat spelen. Het duidt er op dat het werk niet gemakkelijk toegankelijk is. Klaarblijkelijk vereist het aandachtig en herhaald luisteren om door te dringen tot de betekenis, ook voor een geoefend luisteraar. Ook dat blijkt een signaal te zijn dat in zijn toekomstig werk terugkeert. Leander werd ook nog in Braunschweig gesignaleerd als muziekdirecteur. In een bericht hierover wordt aangekondigd dat hij op de terugweg is om in Nederland aan de slag te gaan, een volgende fase in zijn leven. Onze talentvolle landgenoot de heer L. Schlegel, thans te Brunswijk werkzaam, heeft de benoeming als directeur der muziekschool van de hier [Haarlem, vZ] bestaande afdeling der Mij. tot bevordering der toonkunst aangenomen en zal zich eerlang hier vestigen. 701

Deze buitenlandse periode bezorgde Leander podiumervaring die hij op het conservatorium niet opdeed door vrees te falen. Interessant is vast te stellen dat hij nu zijn eigen invulling kan geven zonder de directe sturing van zijn vader. Hij kan er zich aan overgeven om met plezier muziek te maken. De appreciatie die hij had ondervonden tijdens zijn tournee ervaart hij als bewijs van zijn vakmanschap. Blijkens de reacties in het muziektijdschrift Caecilia heeft de muziekwereld hem ontdekt. Hij is klaar voor het oppakken van zijn nieuwe functie in Haarlem. Zijn vader had het opgegeven hem de weg te wijzen en Leander voelde zich daar wel bij, nu deze niet langer zijn schaduw over hem wierp. Een oude vriend als kwartiermaker 702 Inmiddels had bij coïncidentie huisvriend Willem Heinrich Christoph Schmölling (1828-1908) ook in Haarlem domicilie gezocht. 703 Hij speelde vaak mee in de huisconcerten aan de Vliet. Zelfs bracht hij in 1862 zijn zomervakantie in Leipzig door. Dat was op verzoek van Hermann om zich op de hoogte te stellen van de stand van zaken van Leanders studie aan het conservatorium.

704

De beide mannen waren op elkaar gesteld. Schmölling was van februari 1862 tot

november1863 aan de MvT in Leiden leraar viool. Leander volgde hem op in die functie. Schmölling was van daar naar Roorthey in Voorschoten vertrokken, de kostschool voor de beter

Caecilia, algemeen muzikaal tijdschrift van Nederland, jrg. 28, nr. 19, 1 oktober 1871, eerste uitvoering van de Bachvereeniging. 702 Vgl.: dl. I, p. 119. 703 J.W. Enschedé, ‘Wilhelm Heinrich Christoph Schmölling’, necrologie, Caecilia, algemeen muzikaal tijdschrift van Nederland, jrg. 66, pp. 29-31. 704 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1862 07 10 brief van 10 juli 1862, p.1; idem, 1862 07 22, brief van 22 juli 1862, p. 1. 701

308


gesitueerde jeugd onder directie van Petrus de Raadt. Hij werd in 1866 muziekleraar aan de Rijkskweekschool en als organist verbonden aan de Bakenesserkerk in Haarlem. Het zal beide mannen goed gedaan hebben elkaar in Haarlem opnieuw te ontmoeten. Schmölling had kans gezien naast zijn werk aan de kweekschool actief te zijn in het Haarlemse muziekleven. Hij richtte onder meer een Liedertafel op naar Duitse snit, die ook in Nederland populair was. Hij vervulde zo min of meer de functie van kwartiermaker voor Leander. Deze Duitser werd in Haarlem benijd om de snelle groei van zijn zanggezelschap dat als concurrent werd gezien van de sinds 1830 bestaande mannen zangvereniging Zang en vriendschap. Het motto dat zij voerden, was: ‘het doel van ons vereenigd poogen / is zang door vriendschap te verhoogen.’ Voorzitter van deze zangvereniging was de goedgestemde smid J.E. Schmitz die in zijn werkplaats in de Grote Houtstraat voor zijn liefde voor de zangkunst reclame maakte door voorbijgangers met een lied te begroeten op het ritme van de smidshamer. De koordirecteur R. Roosdorp onderkende het gevaar van de terugloop van leden en was zich ervan bewust dat het die vermaledijde Duitser van de kweekschool was die hen met zijn Liedertafel de das om deed. Schmöllings Liedertafel was als alle anderen: om de tafel gezeten liederen zingen vanwege de gezelligheid, de dichtkunst beoefenen bij het maken van nieuwe liederen en elkaar verhalen vertellen. Muziek als alibi voor vriendschappelijke bijeenkomsten. Het niveau was afhankelijk van het stembereik van de tafelgenoten. Het doel was zich te vermaken en eens per jaar familie en vrienden te trakteren op een avond genieten van hun gezang. Grootste probleem was voldoende eerste tenoren te vinden. Zolang het publiek zich amuseerde bleef het komen, maar als de bijeenkomsten sleets raakten, bleven de bezoekers weg. Schmöllings zanggezelschap bloeide en werd in de traditie van het romantische Des Knaben Wunderhorn-repertoire door hem begeleid.705 Het kwam zover dat aan Schmölling werd voorgesteld de leiding van Zang en Vriendschap op zich te nemen onder de voorwaarde dat hij zijn leden van zijn Liedertafel zou meenemen. Zijn succes drong het oude, oer-Haarlemse gezelschap in het defensief. Dit plan slaagde en Schmölling kwam met zijn leden Zang en Vriendschap versterken en trad als koorleider op. Op 5 september 1867 was de eerste repetitie. Schmölling hield de touwtjes in handen tot hij in 1883 ontslag nam. Formeel vanwege zijn gezondheid, in werkelijkheid vanwege het algemeen gevoelen onder de koorleden met de aimabele Schmölling op dood spoor te zijn gekomen. Het oude vuur

Ludwig Achim von Arnim, Clemens Brentano, Des Knaben Wunderhorn, Alte Deutsche Lieder gesammelt (Heidelberg, 1806-1808), nach der Original Ausgabe neu herausgegeben von Friedrich Bremer ( Leipzig, Phillip Reclam juni, 1878). 705

309


moest terugkomen. Na Roosdorp was nu de houdbaarheidsdatum van Schmölling verlopen.706 Het gezelschap, in 1890 koninklijk geworden, is een begrip in Haarlem tot op de dag van vandaag. Haarlems economische positie in de negentiende eeuw Toen Hermann in 1825 kennismaakte met Leiden trof hij een stad aan in grote armoede. Pauperisme, werkloosheid, verloedering. Het merendeel van de stadsbevolking had te lijden onder verval van krachten. Hermanns positie in de stad bracht hem in de categorie burgers en in het universitaire milieu, waarin hij thuis wilde raken. Zijn strategie bood hem bescherming tegen het lot van het overgrote werkloze deel van de stadsbevolking. Leander maakt zesenveertig jaar later in 1871 kennis met de stad Haarlem. Hij had de langzame sociaal-economische verbeteringen in Leiden zelf meegemaakt, zij het door het venster van een sober bestaan als gerespecteerde ingezetene, meeliftend op de positie van zijn vader. De verbetering van de infrastructuur in stad en land en de opkomst van door stoom aangedreven machines voor massaproductie zorgden ook in Leiden voor uitbreiding van de werkgelegenheid.707 Dit alles hoorde tot de buitenkant van Leanders bestaan, want hij had van de verpaupering en alle daarmee samenhangende ellende gehoord, maar deze niet aan den lijve ondervonden. De sociale en economische geschiedenis van de stad Haarlem is door F.A.M. Messing uitvoerig beschreven in zijn proefschrift Werken en leven in Haarlem (1850-1914). Een sociaal-economische geschiedenis van de stad.708 Omstreeks 1850 was Haarlem economisch een vrijwel dode stad en sociaal onderontwikkeld. Na 1870 begon, zoals in het gehele land, de industriële ontwikkeling en in de jaren negentig kreeg dit proces de allure van een expansie. 709

Wat Leander aantrof in 1871 in Haarlem was voor hem herkenbaar. Het milieu van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst (MtBdT) was zijn wereld, evenals het culturele leven

706 Gedenkboek uitgegeven ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan der Koninklijke Liedertafel ‘Zang en Vriendschap’ te Haarlem 1830-1930 (Haarlem, de Liedertafel 1930) p. 30 en 26. W. Helversteijn, Honderdvijftig jaar ‘Zang en Vriendschap’ te Haarlem. Zangminnend gezelschap tot Koninklijk Toonkunst Mannenkoor onder de zinspreuk ‘Het doel van ons vereenigd poogen is zang door vriendschap te verhoogen (Haarlem, Zang en Vriendschap) pp. 19-48. 707 Vgl. dl. I, pp. 58-59. 708 Franciscus Antonius Maria Messing (31 augustus 1935- ), Werken en leven in Haarlem (1850-1914) een sociaal-economische geschiedenis van de stad, academisch proefschrift (Haarlem reeks nr. 8, z.u., ongewijzigde reprint 1989). 709 idem, p. XV.

310


in de stad dat veel herkenbaars voor hem had. Hier hoorde de stank van de grachten bij die evenals in Leiden een open riool waren waarin de excrementen tezamen met ander afval en dode dieren terechtkwamen. Toch was het gemeentebestuur in Haarlem al in 1859 begonnen de grachten te dempen, hetgeen een bijdrage was aan stankvermindering.710 Pas in 1878 besloot het gemeentebestuur een systeem van wisseltonnen in te voeren, zodat de fecaliën tweemaal per week werden afgevoerd.711 ‘Evenals de gemiddelde Nederlander was de Haarlemmer in die tijd: traag, onbekwaam om werk te verrichten, klein en krachteloos.’ Ongeveer één derde van de dienstplichtigen voor de krijgsmacht was kleiner dan 1,57 m en werd afgekeurd. 712 Kindersterfte veroorzaakt door ‘mazelen, diarree en kinderpokken trof een kwart van de zuigelingen.’713 Het trof vooral het armste deel van de bevolking dat slecht gehuisvest en ondervoed was. In 1871 werd de stand van zaken in economisch opzicht bovendien negatief beïnvloed door de duurte van levensmiddelen als gevolg van de Duits-Franse oorlog (1870-1871).714 De gemiddelde levensverwachting in Nederland bedroeg volgens Messing voor mannen in de periode 1870-1879 nog 38,4 jaar en vrouwen 40,7 jaar. In 1900 was deze opgelopen voor mannen tot 51 jaar en voor vrouwen 53,4 jaar.715 De tweede helft van de negentiende eeuw bracht in Nederland verbetering in de levensomstandigheden met zich mee, maar onveranderd waren het de sociaaleconomisch zwaksten aan wie de verbetering in de bestaansomstandigheden goeddeels voorbijgaat. Zij leden onder de verkrotting van de beschikbare huizen en het gebrek aan werk. Auke van der Woud noemde Nederland niet voor niets een ‘Koninkrijk vol sloppen.’716 De studie van Messing schetst de neergang van de bedrijvigheid, de teloorgang van de textielindustrie en de bierbrouwerijen die al in de zeventiende eeuw was begonnen. Pas in de tweede helft van de negentiende eeuw kwamen industrie en nijverheid in economisch gunstiger omstandigheden te verkeren. In die tijdspanne was de crisis diep en zou de weg naar groei van werkgelegenheid moeizaam en traag verlopen. Leander zag nu in Haarlem de nodige bouwactiviteit in de vorm van het opruimen van krotten, dempen van grachten, slopen van stadspoorten en zo meer.717 Met de textielindustrie is het in Haarlem nooit meer goed gekomen, ondanks de

idem, p. 91. idem, p. 24. 712 idem, p. 21. 713 idem, p. 17. 714 idem, pp. 17-18. 715 idem, p. 18. 716 Auke van der Woud, Koninkrijk vol sloppen. Achterbuurten en vuil in de negentiende eeuw (Amsterdam, Bert Bakker 2010). 717 F.A.M. Messing, Werken en leven in Haarlem (1850-1914), pp. 90-91. 710 711

311


protectionistische economische politiek van de regering. Twente en Brabant wonnen, het westen verloor. Transitie naar andere bronnen van inkomsten verliep niet succesvol. In 1850 bedroeg het percentage van de bevolking dat van de bedeling leefde in Haarlem nog 29,2 %, in 1859 50,7 % .718 De afbraak van de textielnijverheid zette door, die van de kledingnijverheid bezweek onder de moordende concurrentie in eigen land en uit het buitenland. In de jaren zeventig van de negentiende eeuw was het bijna gedaan met deze bedrijfstak. 719 Geleidelijk vestigden zich in Haarlem bedrijven die gingen bijdragen aan het stijgen van de welvaart. De metaalnijverheid kreeg nieuwe impulsen met de ontwikkeling van producten waar vraag naar was. De rijtuigenfabriek van J.J. Beijnes kreeg in 1871 van de Staatsspoorwegen opdracht 100 wagons te leveren! Goed voor werkgelegenheid voor 150 mensen. De machinefabriek van de gebroeders FigÊe leverde in 1871 de eerste hefkraan met een vermogen van 500 pk. aan de opdrachtgever. In 1873 volgde de eerste baggermolen en in 1876 het eerste stoomgemaal bestemd voor Jutland. 720 De grafische industrie kreeg ook groeikansen, zelfs betere dan in de rest van het land.721 Met dit alles had Leander niet veel van doen. Hij had werk en een inkomen waarmee hij uit de voeten kon. Hij leerde Haarlem en ongetwijfeld de Haarlemse problemen kennen via de bezoekers aan de muziekschool van de MtBdT. Zijn leerlingen en muziekbeoefenaren deelden een gemeenschappelijke belangstelling. Het leek er op dat Haarlem hem met open armen ontving. Hij zou er zijn verdere leven doorbrengen. Leander vestigt zich in Haarlem Leander trad in dienst van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst, opgericht in 1829 in Amsterdam naar analogie van de in 1784 in het leven geroepen Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. Haarlem was een plaatselijke vestiging van deze landelijk actieve organisatie, waarbij overigens de Leidse MvT (1834) zich niet had willen aansluiten, maar voor een eigen model koos. Kenmerkend in Leiden was de op paternalistische leest geschoeide organisatie, waar disciplinering van de onderwijzers beoogde hen beter geschikt te maken voor het geven van onderricht aan de kinderen van haar bestuurders. Het model legde uitvoerende taken in het muziekonderwijs in handen van het bestuur. De commissarissen hadden een actieve controlerende functie, zoals de regelmatige aanwezigheid in lessen, en bemoeienis met de examens. In Haarlem was de focus van het lokale bestuur van de MtBdT bij het aantreden van Leander in 1871

idem, p. 61. idem, p. 55. 720 idem, pp. 71-74. 721 idem, p. 81: de personeelsbezetting in de grafische nijverheid steeg in de periode van 1849-1909 met 505 %. 718 719

312


als directeur van de Haarlemse afdeling gericht op het muziekonderricht zelf. Het bestuursmodel was gebaseerd op eenvoudige regels die er op neerkwamen dat het onderwijzend personeel werkte onder leiding van de directeur die van zijn beleid verantwoording aflegde aan het bestuur. Dat scheelde heel veel conflicten in vergelijking met de geschiedenis van de Leidse MvT. Nadruk in het Haarlemse bestuur lag op het voorwaardenscheppend karakter van hun werk. De afdelingen van de MtBdT in het land hadden grote autonomie. De bestuurders hadden geen directe bemoeienis met het onderwijs. Dat pakte zo uit dat in plaats van het disciplineren van de onderwijzers in het Leidse model, de Haarlemse onderwijzers ruimte kregen zich te ontwikkelen in samenspraak met collega’s van andere vestigingen in het land. Dit model liet hun gevoel van eigenwaarde ongemoeid met het gevolg dat zij zich als toonkunstenaars erkend wisten. De onderwijzers namen naast hun werk net als in Leiden deel aan het stadse muziekleven. Leraren van beide scholen hadden in de plaatselijke muziekgezelschappen een sturende hand. Het Leidse model werkte demotiverend op de onderwijzers, de werkwijze van de scholen van de MtBdT juist stimulerend. De laatstgenoemden werden aangesproken op hun eigen verantwoordelijkheid als vakleerkrachten. Zij voelden zich in staat te kunnen inspelen op de muzieksmaak van de concertbezoekers in de stad. Hun concerten werden professioneler, de mogelijkheden om solisten in te schakelen groter en beroepsvocalisten konden worden geëngageerd als dat wenselijk was. Veelal visten zij in de kennisvijver van de aangesloten afdelingen van de MtBdT in het land. Ten tijde van de oprichting van de MtBdT kwamen er muziekscholen in Amsterdam, Haarlem, den Haag, Rotterdam, Dordrecht en Utrecht. Reeds bestaande toonkunstkoren sloten zich aan via het principe ‘zwaan kleef aan.’ Op zichzelf had de MtBdT een meerwaarde doordat haar werk een stimulerende effect had op de promotie van een rijker geschakeerd muziekleven. Het lag immers voor de hand gebruik te maken van elkaars netwerken. Dat kwam tot uitdrukking bijvoorbeeld in het organiseren van muziekfestivals, die een samenbundeling waren van de muzikale krachten binnen het landelijke netwerk.722 In dit onderzoek ligt de nadruk op Leanders werk als toonkunstenaar in de stad in het raam van deze familiegeschiedenis. Dat neemt niet weg dat de ontwikkeling van de toonkunst in de Spaarnestad om een korte historische beschrijving van haar wederwaardigheden vraagt. Belangrijk werk werd in Haarlem verricht door notoire liefhebbers van de toonkunst in de stad. Prof. dr. C.G. Voorhelm Schneevoogt (1802-1878) nam het voortouw, samen met de bekende Haarlemmers Van Herkerath, Obermüller, Loosjes, Van der Vlugt, Quarles van Ufford en Ni-

722

Jos de Klerk, Haarlems muziekleven in de loop der tijden, pp. 233-265.

313


colaas Beets. Het eerste resultaat van hun initiatief was een zangschool. In 1830 werd P.J. Prinsen (1780-1854) er als eerste leraar benoemd. Hij was directeur van de Rijkskweekschool in de stad. Hij nam de lessen notenleer, theorie, enige muziekgeschiedenis en de zang voor zijn rekening. De directie van de zangschool kwam in handen van Wigboldt Balthazar Weidner (18141901), de zangafdeling stond onder leiding van G.W. Derx. De ontstaansgeschiedenis was niet vrij van kleinsteedse conflicten. Schneevoogt aarzelde in 1868 niet te investeren uit eigen vermogen in het van de grond tillen van een particuliere school, naast de zangschool van de MtBdT, waar instrumentaal onderwijs zou worden gegeven. 723 Het eerste publieke optreden van de zangschool vond plaats in 1838 onder begeleiding van het orkest Kunst en Vermaak onder leiding van dirigent Weidner. In 1850 was de MtBdT in Haarlem de organisator van het vijfde driedaagse Haarlemse Muziekfeest. Muziekfeesten waren in den lande memorabele gebeurtenissen. In de geschiedenis van de stad Haarlem moest voor het laatste Landjuweel in de stad worden teruggegaan tot het jaar 1606. De MtBdT kreeg voet aan de grond in het Haarlemse culturele leven en ontwikkelde zich tot een gerespecteerd instituut. De MtBdT nam eerst de Zangschool over, daarna ook de particuliere Muziekschool van Schneevoogt. Beide kwamen, dankzij het huren van een huis, dat eigendom was van Schneevoogt, in de Lange Veerstraat onder één dak. Na zijn overlijden liet Schneevoogt een legaat na dat sedertdien in Haarlem bekend staat als het Haarlemse Muziekfonds.724 Leander Schlegel werd in 1870 gevraagd de leiding van de muziekschool op zich te nemen toen hij een concert gaf in Haarlem. Hij was in die tijd werkzaam in Braunschweig. Hij volgde H. van der Eyken op als directeur van de MtBdT, die dat slechts één jaar was geweest.725 Naast directeur van de school was hij leraar piano, viool en zang. In 1871 kreeg Leander eveneens de leiding van de Zangvereniging van de MtBdT.726 Aan de muziekschool werkten toen Henri Vink als pianoleraar, W.H.C. Schmölling gaf er theorie en L.F. Berckenhof stuurde de samenzang. Ernst Appy was leraar cello. Leander was snel thuis in de stad. Hij vond er voldoende kunstvrienden om zich gelukkig te voelen. Hij werd pas op 2 februari 1872, zijn verjaardag, als inwoner van Haarlem ingeschreven. In de gemeentelijke administratie staat hij te boek als afkomstig uit Pruisen, zonder nadere aanduiding. In 1873 voegde Cécilia zich bij hem. Zij keerde uit Duitsland terug en vond bij

idem, p. 245. idem, p. 265. 725 idem, p. 246. 726 idem, p. 257. 723 724

314


Leander onderdak, mogelijk bestierde zij hun huishouden. Zij zouden nog twee keer verhuizen respectievelijk naar de Parklaan 6 en de Begijnenstraat 22.727 Dit bleef zo totdat Leander in 1878 in het huwelijk trad. Haarlem beschikte over verschillende locaties waar muziekuitvoeringen plaats hadden. In 1849 werd de Stadsschouwburg aan de Jansweg geopend die tot 1945 dienst deed. Zang en Vriendschap had haar eerste concert in de Concertzaal aan de Kruisstraat gegeven.728 De voormalige oude kerk van de Doopsgezinden aan de Kruisstraat nr.10 stond ter beschikking van concerten en werd overgedragen aan de concertvereniging Kunst en Vermaak. Na opheffing in 1855 werd het pand verbouwd en tooide zich met de naam Concertzaal. Het gebouw van De Vereniging en meerdere kerken in de stad boden onderdak aan toonkunstgezelschappen voor instrumentale uitvoeringen en zanggezelschappen. Er was sprake van een breed aanbod in vooren najaar. In deze eerste jaren wijdde Leander zich aan zijn leerlingen en de werkzaamheden die daarmee samenhingen. Daarnaast was hij zeer actief als koorleider en uitvoerend musicus. Hij nam deel aan het Haarlemse muziekleven, hetgeen goed was voor zijn naamsbekendheid. Als zodanig is zijn spoor te volgen van zijn openbare optredens. Hij werd vrijwel onmiddellijk lid van de Bachvereeniging, een landelijke vereniging, opgericht op 9 september 1870 door enkele liefhebbers van de muziek van de grote Johann Sebastian Bach (1685-1750). Het initiatief werd genomen door S. de Lange te Rotterdam en J.A. de Klerk te Delft. In Haarlem werd bijgevolg op 16 december 1871 tijdens een vergadering in de Korenbeurs een afdeling opgericht. Het Haarlemse bestuur bestond uit de heren D.L.van der Heide, president, E.A. Kruseman, secretaris/penningmeester en J. Bastiaans, commissaris. Tot 11 oktober 1875 werkte de afdeling volgens de statuten van de landelijke Bachvereniging. Leander bleef zijn verdere leven een actief lid. De praktijk leerde dat de belangstelling toentertijd voor Bach in het land onder het concertpubliek niet groot was. In Haarlem leidde dat tot beraad wat te doen. [ ] toen bleek dat er over het algemeen weinig sympathie voor de Bach muziek bestond en de meeste afdelingen zich al hadden teruggetrokken, werd op 8 december 1875 besloten zich ook te onttrekken aan de verplichtingen tegenover het Hoofdbestuur en voortaan concerten te geven die meer in den geest van het algemeen zouden vallen, namelijk, door ook van andere componisten door onze eerste artiesten werken ten gehore te brengen. 729

Bevolkingsregister Haarlem, 1860-1900; Adressenboek Gemeente Haarlem. idem, p. 242-257. 729 Gemeente Archief Haarlem, Archief HBV, inv. nr.2, Notulen van de Haarlemsche Bachvereniging 18711884, notulen van de algemene vergadering van 24 februari 1875. 727 728

315


Het gevolg was dat de Haarlemse afdeling verzelfstandigde en erkenning vond. Er werden doorgaans vier concerten per jaar gegeven. Over het algemeen kregen die positieve recensies in dagblad- en toonkunstpers. Geleidelijk aan werd in recensies gesproken van De Haarlemse Bachvereniging. Dankzij het grote getal van leden en donateurs konden zij toonkunstenaars engageren van naam, mede dankzij de kennis van Leander van het muzikale leven in Duitsland. 730

Op 13 december 1873 werd een kunstenaarsfonds gesticht. Het bestuur bestond uit de direc-

teur van de vereniging D.L. van der Heide, tevens 1ste voorzitter, D. Mertens, 2e voorzitter, E.A. Kruseman, secretaris, W.H.C. Schmรถlling (bibliothecaris) en de leden W. Robert, J. Steenman en L. Schlegel. Het fonds beoogde door kapitaalvorming uit contributies van de leden en de batige saldi van de concerten, vermeerderd met donateurs bijdragen en renten in voorkomend geval in nood verkerende toonkunstenaars financieel tegemoet te komen. Tot het fonds traden op dat moment slechts vijf toonkunstenaars toe: L. Schlegel, E.A. Kruseman, W.H.C. Schmรถlling, W. Robert en J. Steenman. In 1875 werd de eerste uitkering gedaan na het overlijden van een lid-kunstenaar.731 Het fonds was bedoeld als appeltje voor de dorst bij tegenslag in de families van de leden, een vorm van verzekering door collectief sparen uit de opbrengsten van hun concertactiviteiten. Hiermee is het speelveld gemarkeerd waarbinnen het Haarlemse muziekleven plaatsvond en waarin Leander een actief aandeel had. Leander nam vaak deel als pianist aan de uitvoeringen van Zang en Vriendschap onder leiding van Schmรถlling, daarnaast nog aan andere concerten in het land. In 1873 richtte Leander als bewonderaar van Richard Wagner een vereniging op die zich met de studie van diens muziek ging bezighouden. Helaas was dat voor het Haarlemse publiek een stap te ver, zodat dit initiatief na enige tijd weer verdween. Leander zou zich wel blijven interesseren voor deze componist. 732

Meerdere malen bezocht hij muziekfestiviteiten in Bayreuth.

Het muziekfeest in Haarlem, 1875 Leanders eerste grote uitdaging kwam toen hem de organisatie van het muziekfeest van de MtBdT in 1875 in Haarlem in handen werd gelegd. Hij was samen met de musici Johan H.

730 Gemeente Archief Haarlem, Archief HBV, inv. nr. 2, Notulen van de algemene vergadering van 24 februari 1875, kort verslag omtrent den toestand van de Haarlemse Bachvereeniging 1871-1884, pp. 1-5, handschrift secr.-penningmeester E.A.Kruseman. 731 NMI Den Haag, archief van Leander Schlegel, toegang 114, inv. nr. 96a, geschiedenis van de Bachvereeniging 1872-1892, p. 5. 732 Caecilia, algemeen muzikaal tijdschrift van Nederland, jrg. 30, nr. 24, p. 188.

316


Verhulst en Frans Coenen muziekdirecteur. Het feest vond plaats in het gebouw van De Vereniging. Het programmaboekje greep terug op het muziekfeest dat vijfentwintig jaar eerder in Haarlem onder auspiciën van de MtBdT plaatsvond. Tussen 1850 en 1875 is de wijze van feestvieren wel veranderd, maar ‘[ ]men is die feesten blijven beschouwen – niet louter om zich zelfs wille na te jagen doel – maar als een middel om het kunstgevoel op te wekken en levendig te houden [ ].’733 De eerste dag werden het Schicksalslied van Johannes Brahms en Das Paradies und die Peri van Robert Schumann ten gehore gebracht. De dag daarop twee werken van Nederlandse componisten. Van Joh. H. Verhulst zijn bekroonde Symphonie in E-moll en van F. Coenen Maria Magdalena. Op de laatste dag werd ter afsluiting het kunstenaarsconcert gegeven. Leander speelde er het door hem gecomponeerde Fantasie Impromptu. Verder stond op het programma Ein Geistliches Abendlied van Carl Reinecke, professor compositieleer en piano aan het conservatorium in Leipzig. Hij was tevens de leider van de concerten in het Gewandhaus. Tenslotte werd de inleiding van de Opera Die Meistersinger von Nürnberg (1867) van Richard Wagner gespeeld. Deze muziekfeesten kregen steeds ruime aandacht in muziekbladen en de plaatselijke pers. Na het feest in 1875 werden de muziekfeesten soberder en korter. Uiteindelijk vond in 1907 het laatste door de MtBdT gehouden muziekfeest plaats. Koor-en muziekschool, concertpraktijk Leander zette ook met succes het koor van de zangschool op het concertpodium. Interessant is dat hij gedurende deze jaren qualitate qua in aanraking kwam met de dragers van de muziekcultuur in Nederland. Alle vooringenomenheid over de geringe betekenis van de Nederlandse composities waarmee hij was grootgebracht had op hem geen aanwijsbaar negatief effect gehad. Hij werkte met tal van Nederlandse toonkunstenaars samen. Hij voelde zich aan hen verwant en toonde hen zijn respect. Zelf speelde hij over het algemeen hun werken niet. In zijn persoonlijke muziekkeuze die hij tijdens concerten in het land ten gehore bracht, werd zijn voorkeur voor kamermuziek prominenter. Hij speelde naast klassieke werken ook werk van contemporaine componisten. Zijn voorkeur was Duits georiënteerd. Het is denkbaar dat zijn vader afstand van de musicus Leander had genomen omdat hij diens muzikale keuze voor de Neuen onverdraaglijk vond. Dat had hij in ieder geval zelf aangekondigd in het geval Leander toch de Neuen zou volgen.734 Onbekend is of dit dreigement is geëffectueerd. In deze jaren stond Leanders 733 NMI Den Haag, archief van Leander Schlegel, toegang 114, inv. nr. II B openbaar leven nr. 18, Programmaboekje Tweedaagsch Muziekfeest Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst Kunstenaarsconcert te Haarlem op 4, 5 en 6 juni 1875 (Haarlem, Met en Meijelink 1875) p. 1. 734 Vgl. dl. III p. 296 en nt 667; UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L.Schlegel, orthografische tekst, 1862 05 06, brief van 6 mei 1862, p. 1-2.

317


componeren op een laag pitje. Maar het spelen van eigen composities nam gestaag toe. Pas na 1890 zou hij als componist meer naar voren treden. In de jaren zeventig was hij nog vooral bezig met de leiding van de school en het geven van lessen, daarnaast ontwikkelde hij een concertpraktijk in de stad en daarbuiten. In recensies over zijn muzikale optredens werd veelvuldig waarderend over hem gesproken. Dit was het geval na een concert onder leiding van B. Weidner waar hij van Beethoven het concert in Es-dur voor piano speelde: De buitengewone techniek van deze pianovirtuoos blonk in dit concert heerlijk uit en droeg er het hare toe bij om aan het bewonderenswaardige kunstwerk recht te doen wedervaren. Wij hadden reeds vroeger gelegenheid, het talent van de heer Schlegel te bewonderen, nl. op de soirees van de heer Appy, zowel in ensemble als in solostukken en achten onze stad gelukkig, dezen kunstenaar te bezitten, ook in het belang van de muziekschool waarvan hij directeur is en die daardoor nieuw leven heeft gekregen. Is het muziekleven in de laatste jaren hier zeer aangewakkerd, gewis zal het hier onder zijn invloed toenemen. Wij danken het bestuur van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst voor den genotrijke avond, die niet licht uit ons geheugen zal gaan.735

Tot 1879 organiseerde de reeds genoemde Charles Ernest Appy (1834-1895) vier maal per jaar voor eigen rekening abonnementsconcerten, daarna tot 1887 samen met Leander. Toen was het nog niet gedaan met deze succesformule. Leander zette de concerten tot 1896 voort samen met Henri Vink als violist, die eerder aan de muziekschool pianoleraar was. Hier komt de ondernemingsgeest van de muzikanten om de hoek kijken. Ze deden het graag en hadden de inkomsten nodig voor hun levensonderhoud. De concerten vonden plaats bij Funckler, in de Kroon of de Vereniging.736 Gelet op de veelvuldig aangetroffen lovende recensies in de pers moeten het concerten zijn geweest die door het Haarlemse publiek werden gewaardeerd. Appy was in 1871 met zijn werk bij de MtBdT begonnen als celloleraar. Muziekliefhebbers zagen hun behoefte aan goede concerten steeds beter gehonoreerd. Zij waren niet blind voor het algemeen oordeel dat de gemiddelde muzieksmaak in Haarlem ten achter liep bij de wensen van de kleine groep uitgesproken muziekbewonderaars. De concertgevers beseften maar al te goed dat zij visten in een vijver die hen beperkingen oplegde. Hun strategie was het publiek met zachte hand de gelegenheid te geven composities te beluisteren die nog niet eerder waren voorgedragen. Ze waren voorzichtig om te voorkomen dat het publiek bij een overmaat aan voor hen onbekende werken, zou afhaken. Dit gedoseerde aanbod van nieuwe composities en moderne werken vroeg om

735 736

Caecilia, algemeen muzikaal tijdschrift van Nederland, jrg. 29, nr. 4, 15 februari 1872, p. 32. Jos de Klerk, Haarlems muziekleven in de loop der tijden, p. 258.

318


strategische keuzes. Het nieuwe werd aangehoord en bij herhaling herkend en werd soms vertrouwd. Soms konden de concertgevers vaststellen dat de muzieksmaak van de concertbezoekers zich ontwikkelde. Niet alleen instrumentaal werk, maar ook de liedkunst kreeg een plaats op hun podia. Datzelfde gold voor de uitvoeringen van de Haarlemsche Bachvereniging. De concertgevers gaven blijk zich bewust te zijn van hun educatieve taak. Leander probeerde daaraan in zijn muziekonderwijs bij te dragen. Tegelijk streefde hij er in de steedse muziekpraktijk naar een doordacht aanbod te bevorderen. De muziekschool organiseerde jaarlijks voorspeelavonden zoals overal elders. Hierdoor kon het publiek kennismaken met de vaardigheden van de leerlingen. De muziekschool was toegerust met leraren die elkaar en hun vak verstonden, waarbij aandacht voor kwaliteit en kundigheid zwaar wogen. Ook die omstandigheid deed de zaak van de muziek goed. De zangafdeling van de MtBdT droeg bijvoorbeeld in 1873 Mendelssohn’s Paulus voor onder directie van Leander. Solisten waren Josefine Weysinger (sopraan) uit Rotterdam, Karl Schneider uit Keulen (tenor) en Carl Hill uit Schwerin die de baspartij zong. De koren werden met veel aplomb en kracht waar nodig met onberispelijke bescheidenheid en reinheid, en steeds met zekerheid gezongen; de voordracht getuigde niet alleen voor de gelijke, eenvoudige ware opvatting van den dirigent, maar ook voor de uitnemende krachten (vocale) die in alle partijen ruimschoots vertegenwoordigd zijn. Het orkest bestond uit Haarlemse en Amsterdamse krachten.737

Het van buiten halen van solisten was in het land steeds meer gebruik geworden. Leander kende dat al van Musis Sacrum en Crescendo in Leiden. In Haarlem had men het voordeel onder de rook van Amsterdam goed bereikbaar te zijn. Solisten uit het buitenland arrangeren stuitte veelal op bezwaren vanwege de reistijd die dat vroeg in combinatie met de lage honorering. In Haarlem, zo schreef een recensent , werden echter ‘de ijverige zorgen van kunstvolle stadgenoten de heren Appy en Schlegel beloond door het slagen van een fraai concert.’ Er hadden zich verbazend veel bezoekers aangemeld en dat na de drukke kermistijd! Opnieuw waren Carl Hill en W.A. Stickler geëngageerd. Schlegel en Appy lieten hun ‘flinke opvatting en nauwkeurige voordracht’ van het Grand Trio opus 49 voor piano, viool en violoncel van Mendelssohn klinken onder grote aandacht van het publiek. Naast enkele instrumentale werken stonden vooral liederen op het programma op muziek van Robert Schumann en Franz Schubert. Voor de liederen van Schumann had Hill de voorkeur gegeven te worden begeleid door Leander Schlegel.

737

Caecilia, algemeen muzikaal tijdschrift van Nederland, jrg. 30, nr. 11, 1 juni 1873, p. 90.

319


Hij zong enkele liederen uit Leanders Dichterliebe. Leander zou het accompagneren van vocalisten en instrumentale solisten verder uitbouwen en daarin een naam opbouwen. Een recensent signaleerde in het Algemeen Handelsblad: Deze kunstenaar, in Haarlem gevestigd, bezit een aanslag zo schoon als wij die maar zelden hebben ontmoet, en de aanslag wordt vergezeld door een keurige en getrouwe opvatting der werken zijner keuze, door een grote virtuositeit, die geen moeilijkheden acht, door een boeiende, warme sympathieke voordracht. 738

Zoals opgemerkt ontwikkelde Leander een opvallende voorkeur voor kamermuziek. Hij maakt daarbij ruim gebruik van zijn Duitse contacten, zowel uit Leipzig als elders opgedaan tijdens zijn tournee. De orkestvereniging Euterpe had in Haarlem W.B. Weidner sedert jaar en dag als orkestmeester. Na diens vertrek kwam Euterpe onder de MtBdT te vallen en werd Leander op 1 januari 1875 dirigent.739 Dit heeft hij slechts één jaar gedaan. Hij droeg de dirigeerstok over aan Willem Robert Sr.(1847-1914) die in dat jaar als leraar aan de muziekschool aantrad. Schlegel en Robert zijn van cruciale betekenis geweest voor de ontwikkeling van de toonkunst in Haarlem. Jos de Klerk beschreef de kwaliteit van de belangrijkste musici in zijn Haarlems Muziekleven. De periode1870-1914 is voor een groot deel bepaald door twee zeer verschillende naturen, de introverte Schlegel en de extraverte Robert, de poëtische artiest naast de dynamische vakman, de gereserveerde aristocraat tegenover de gemeenschapsmens. Zij doorkruisten elkaars bedrijvigheid zonder die te beïnvloeden; tezamen maakten zij Haarlem vrij van de heerschappij der dilettanten en der middelmatige beroepsmuzikanten. 740

Willem Robert had zowel in het orkest Felix Meritis als in het Paleis Orkest in Amsterdam gespeeld als altist en violist. Hij had ervaring als dirigent van een mannenzangkoor. Jos de Klerk onthult in bovenstaand citaat de tegenstelling tussen beide musici. Deze werd geïnterpreteerd in termen van een goede samenwerking tussen twee elkaar tegengestelde persoonlijkheden. Het lijkt erop dat Schlegel week voor de dynamiek van Roberts persoonlijkheid. Hij erkende in hem de man die in staat was voor de troepen uit te gaan en Leander wist heel goed dat hij zelf daar niet zo van hield. Hij bleek in staat zodra de mogelijkheid zich voordeed aan Robert

738 Vgl. Caecilia, algemeen muzikaal tijdschrift van Nederland, jrg. 31, nr. 1, 1 januari 1874, p. 6. Vgl. Anoniem, Algemeen Handelsblad, van 16 december 1873, muziekrecensie. 739 Jos de Klerk, Haarlems Muziekleven in de loop der tijden, p. 260. 740 Jos de Klerk, Haarlems Muziekleven in de loop der tijden, p. 257.

320


ruim baan te geven in ruil voor het zoeken van voldoening in het verkeren in zijn binnenwereld. Het stelde hem immers in de gelegenheid zijn persoonlijke voorkeuren beter te volgen. De introverte, poëtische rol leek hem op het lijf geschreven te zijn. Leander had de muziekschool aangetroffen verkerend in een neerwaartse spiraal. Hij slaagde er spoedig in het tij te keren. Hij heeft zich zeer ingezet aan zijn verplichtingen bij de muziekschool te voldoen. Al in 1875 stond het leerlingenaantal op 166. Het zou in de loop van de jaren oplopen tot meer dan driehonderd. Hij was er in geslaagd zich als persoon geliefd te maken, zowel in als buiten de school door zijn vriendelijkheid te hullen in aristocratische waardigheid. Dit zou hem zijn hele carrière begeleiden. Even opmerkelijk is dat iedereen die hem meer dan oppervlakkig observeerde, zag dat zijn naar binnen gekeerde blik nadelen had. Bijvoorbeeld als het ging om het stimuleren van de koorleden en om het leiden van de muziekschool langs de kronkelige paden van dagelijkse beslommeringen. Het leiding geven aan en het sturen van het personeel vroeg om meer dan vriendelijke distantie. Zijn verdienste was dat hij niet voor zijn verantwoordelijkheid wegliep. Er is de mentaliteit van de Schlegels in te herkennen. Leanders passie lag echter bij de muziek zelf. De Klerk somt in zijn studie op binnen welk spectrum diens keuzes lagen van werk dat hij voordroeg, hetzij op de bok voor het koor of orkest, hetzij als musicus in een muziekgezelschap. Onder zijn leiding werden werken van Bach, Beethoven, Brahms, Bruch, Chopin, Gade, Händel, Hill, Mendelssohn, Mozart, Rubinstein, Schubert en R. Schumann uitgevoerd. Hij bracht 250 zangers en zangeressen op het podium tijdens het muziekfeest in 1875, ruim honderd uit Amsterdam samen met het orkest van Stumpff uit die stad. Het telde zeventig zangers, nodig voor het uitvoeren van Brahms Schicksals Lied en Schumanns Das Paradies und die Peri.741 Die keuze toont Leanders voorkeur voor Duitse componisten. Zo werd hij gekend en bekend in de muziekwereld. Jeugd en opvoeding droegen het stempel van zijn Saksische wortels. Zijn eigen composities zouden datzelfde stempel dragen. Intermezzo: het leven van Cécilia Leander en Cécilia hebben in Haarlem gezamenlijk een huishouden gevoerd tussen 1873 en 1878.742 Deze periode geeft de gelegenheid stil te staan bij het leven van het oudste kind in de familie. Zij liet zich in de loop van de jaren ook wel Cécile noemen. De verfransing van de namen van de kinderen treffen we eveneens aan bij Gustaaf naar Gustav en Gustave. Bij Leander werd het Léandre zij het in mindere mate. Er is geen aanwijzing gevonden wanneer de

741 742

Vgl. dl. III, p. 317. Vgl. dl. III, p. 314.

321


verfransing van hun namen plaats had. Geboren in 1838 is over Cécilia niet veel meer bekend dan dat zij genoemd wordt in het brievenpakket dat haar vader aan Leander in Leipzig schreef. Slechts één door haar zelf geschreven brief is bewaard gebleven. Daarnaast nog enkele vermeldingen in de pers met haar initialen als zij op een concert piano speelde. Meermaals werd gewezen op de expliciete opvatting van Hermann over vrouwen, zonder daar nader op in te gaan. Nu Cécilia aan de orde komt, is het nuttig Hermann hierover eens expliciet aan het woord te laten. In een brief aan Leander refereerde hij aan het conflict dat zijn broer Robert (1817) er toe gebracht had in 1849 Saksen te ontvluchten nadat zijn huwelijk op de klippen was gelopen en zijn schulden hem dwongen het hazenpad te kiezen. 743 Hij vluchtte naar Amerika en niemand heeft meer iets van hem vernomen. Kennelijk is Leander over deze affaire geïnformeerd in de Altenburgse familie. In zijn reactie op vragen hierover van Leander verraadt Hermann onomwonden zijn vrouwbeeld: Der Robert ist freilich ein prächtiger Kerl, wird aber nun wohl in diesem furchtbaren Krieg zu Grunde gehen. Dass er sich von seiner Frau so Anschmieren ließ, zeigt dass er ein schwacher Charakter ist. Den Frauen muss man nicht das Geringste vergeben, sonst ist man verloren: ihr Verstand und Gefühl sind nichts als Instinkt, und ihre Liebe ist bloß Eigenliebe; sie haben weder Kopf, noch Herz; kennen weder Liebe noch Freundschaft. Eigensinn leitet beim Guten wie beim Bösen. An Pfiffigkeit ist jedes Mädchen dem gescheitesten Mann überlegen! Sie müssen daher regiert werden nach den Gesetzen des blinden Gehorsams. Sobald sie sich emanzipieren, ruinieren sie nicht nur sich selbst, sondern was sie umringt. Wer seine Frau zur Vertrauen, zur Freundin macht, ist ein Esel: das Höhere in der Welt begreifen sie nun einmal gar nicht. Putzsucht, Gefallsucht, Bequemlichkeit, Herrschsucht: das ist ihr Streben! Es ist ein hartes Wort aber wahr, wenn man der Sache nur auf dem Grund zu sehen versteht. Der Mann, der es nicht so weit bringen kann das ihm seine Frau blind Verehrt ist verloren. Was singt der Dichter Scussie: „Geb mir Dein ganzes Herz!“ Was singt Vater Cats: „de muts, het bed, de koffijpot, dat is der vrouwen hoogste lot.” Amen! 744

Het is duidelijk wie in deze affaire de schuldige is: Roberts echtgenote Christiane Auguste Heimer met wie hij in 1843 gehuwd was.745 Zij is klaarblijkelijk, omdat zij een vrouw is, de oorzaak van het leed dat Robert Schlegel overkwam. Dat is ongerijmd. Deze tekst geeft

743 Franz Thierfelder, ‘Hermann Schlegel’, Abhandlungen und Berichte des Naturkundlichen Museums „Mauritianum“ Altenburg, Band 3 (Altenburg, 1963). p. 42. Vgl. dl. I, p. 31. 744 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1862 10 07, brief van 7 oktober 1862. pp. 4-5. 745 Vgl. gezinssamenstelling familie Johann David Schlegel 1759 – 1850 x Johanna Rosina Seiler (? – 1869) bijlage 2, p.391

322


te denken als het over de positie van de vrouwen in huize Schlegel gaat. Deze was gedefinieerd in termen van wezenlijk onderscheid tussen de mannen- en de vrouwenwereld. Het zal in de bejegening over en weer tot uitdrukking zijn gebracht. Het imponeert als een onoverbrugbare kloof tussen de geslachten. We zagen dat ook al naar voren komen toen het huwelijk werd gememoreerd van Gustav met zijn nichtje Catharina Buddingh, waarover de bronnen wel erg zwijgzaam zijn.746 Het waren de vrouwen die niet spaarzaam wilden zijn toen dat ter wille van Leanders verblijf in Leipzig noodzakelijk was. De moeder en dochter waren het die de nieuwtjes en roddels moesten schrijven aan Leander in het Engels of het Frans. Voor de enige dochter geen lessen aan de MvT, wel kreeg Cécilia in 1853 pianoles van een verdienstelijk zangeres, telg uit een muzikale Leidse familie waarmee zij bevriend was, een leeftijdgenoot. Zij mocht van haar vader eens meezingen in een zangkoor. Daarin speelde de verplichting tot het betalen voor het lidmaatschap van de MvT een rol. Maar, naar het schijnt, vooral dat een jonge dochter voorbereid werd op een toekomst als echtgenote en moeder, maar nooit voor een toekomstig beroep. Hermann had Cornelia in hun lange verlovingstijd de kennis bijgebracht die nodig was met het oog op haar rol als gastvrouw in zijn huishouden. Zijn vrienden hadden hem om deze inspanning geprezen en hijzelf had er veel plezier van. De bestemming van vrouwen was het huwelijk en de zorg voor het gezin. Cécilia bleef alleen, een vrouw die haar bestemming had gemist. Hermann onderwees wel zijn dochter op dezelfde manier als zijn zonen. Cécilia was opvallend muzikaal. Hij liet haar slechts wat privélessen volgen, maar van een beroepsopleiding kon geen sprake zijn. De enige bron waarin Cécilia zelf aan het woord komt is een brief die zij op 29 januari 1878 schreef aan de musicus Frans Coenen (1826-1904) in Amsterdam. Coenen was daar directeur van de MtBdT. Cécilia vroeg hem in die hoedanigheid om hulp. Zij schreef: Weledele Heer! Toen ik kort geleden mijn broeder bezocht, had ik U ook gaarne eens gesproken, maar daar ik het gesprek niet storen wilde, en u dadelijk vertrok, is er niets van gekomen. Ik zal mij dus maar schriftelijk tot U wenden, daar ik een vriendelijk verzoek aan U heb. Door het aanstaande huwelijk van mijn broeder namelijk, breken we deze huishouding per 1 Mei op, en ik wilde weder gaarne in mijn onderhoud voorzien, daar ik niet gefortuneerd ben en gaarne werkzaam ben. Ik zoude gaarne piano-onderwijzeres willen zijn in Amsterdam, en wend mij tot U, om zo vriendelijk te willen zijn, mij hierin bij te staan. Ik weet niet of U bekend is dat ik reeds drie jaar tot en met 1869 in Bonn als zodanig gevestigd ben geweest; ik gaf daar les aan Hollandse, Engelse en Duitsche dames. Ook gaf ik te Godesberg 2 x per week aan particulieren aldaar zomers wonende, les. Met Musik Direktor Brambach, de

746

Vgl. dl. II, p. 239, noot 528.

323


altzangeres Schreck etc. was ik zeer bekend, en ik zoude er wel gebleven zijn, indien niet de lessen aan de Rijn wat laag gehonoreerd werden, en daar eene kinderloze tante die weduwe wird (sic), mij tot zich riep, gaf ik daaraan gehoor, vervolgens raakte ik geëngageerd, de rest is u bekend en woon ik hier ruim vijf jaar bij Leander. Ik voeg hier nog bij, dat ik mij al vroeg aan de muziek wijdde, Mevrouw C. van Schaik-Froschart was mijn leermeesteres in 1853 en in 1857 heb ik reeds onder directie van de heer Wetrens in Leiden op de concerten van Musis Sacrum gespeeld, en ontving dadelijk daarop eene uitnodiging om op Felix Meritis te spelen, wat mijn vader evenwel wegens mijn jeugd afsloeg. In 1873 en ’75 speelde ik in Haarlem op twee Bach concerten en te A’dam op Semper Crescendo met zeer gunstige recensies, ook in Caecilia van 15 April 1873. Ik ben verder bekend met de hoofdzakelijke inhoud met de Catechismus der Muziek van Lobe. Ik heb eens het genoegen gehad met U het Quartet van Schumann te spelen, en hoop dat uw oordeel niet ongunstig over mij is. Ik houd mij overtuigd dat uw hulp in deze voor mij onschatbaar is, en daarom roep ik Uw welwillendheid in; het is zoo moeilijk voor eene vrouw om zich alleen een weg te banen. Ik zoude geneigd zijn reeds nu te proberen, ik zou dan tot Mei elke week van hieruit naar Amsterdam kunnen komen . Na mijn beleefde groeten aan mevrouw verzocht te hebben, teken ik met hoogachting, Cécile Schlegel.747

Cécile vertrok naar Amsterdam en bracht er haar verdere leven door als zelfstandig pianolerares. Haar verzoek om hulp heeft haar niet veel gebracht. Haar vader en moeder hadden hun kinderen de eerste beginselen van het pianospel bijgebracht. Waar Leander jarenlang ingeschreven was op de muziekschool met de bedoeling tot musicus te worden gevormd, moest zij het doen met de muzieklessen van een leeftijdgenoot. In enkele muziekrecensies die Hermann Schlegel schreef voor het muziektijdschrift Caecilia bespreekt hij twee concerten waarop Cécile’s vroegere pianolerares mejuffrouw C.J. Froschart, zong. In 1855 zong zij een duo uit de Opera Le Juif Errant en één uit de opera Guillaume Tell, beide met de heer Von Rath. Tenslotte een aria van Bériot. ‘ Zij heeft’, schreef Hermann Schlegel, ‘sedert het jaar dat wij haar gehoord hadden, grote vorderingen gemaakt. [ ] groot genoegen deed ons het aplomb, waarmee zij zong; maar zij is ook een te grote Musicieuse [sic] dit niet te doen.’748 In een volgende recensie was haar vriendin inmiddels getrouwd en uit Leiden verdwenen als mevrouw C.J.van Schaik-Froschart. Zij zong geaccompagneerd door mevrouw Clara

747 NMI Den Haag, archief van Leander Schlegel, toegang 114, inv. nr. 64, brief VAN Cécile Schlegel AAN F. Coenen van 29 januari 1878. 748 H. Schlegel, ‘Het groot vocaal en instrumentaal concert onder leiding van P.J.H. Froschart’ in Caecilia, algemeen muzikaal tijdschrift van Nederland, jrg. 10, nr. 4, 15 februari 1853, pp. 37-38.

324


Schumann enige liederen. Hermann schreef dat hij de zangeres van jongs af aan had gekend en gewaardeerd.

749

In ieder geval waardeerde Hermann haar kunde als zangeres, zoals hij ook

Clara Schumann waardeerde: onder vrouwen hadden zij hun verdienste, zij het als uitzondering die de regel bevestigt, maar zij bleven vrouwen. Cécile zelf heeft ondanks het gebrek aan opleiding toch kans gezien behoorlijk piano te leren spelen. In 1873 slaagde het Bestuur van de Haarlemse Bachvereniging er in ‘de medewerking te verkrijgen van mejuffrouw C(écile vZ) S(chlegel,vZ), een pianiste die door haar techniek en opvatting meer aan een geacheveerde artieste dan aan een dilettante deed denken.’ Leander had hierin de hand als bestuurslid van deze vereniging. Het bestuur verzocht haar om een toegift, hetgeen zij deed door een étude van Chopin te spelen.750 Toen zij in 1875 opnieuw optrad op een concert van de Haarlemse Bachvereniging speelde zij met Leander het triple concert van Bach gearrangeerd voor twee piano’s. Het werd door de anonieme recensent ‘het glanspunt van de avond’ genoemd.751 Leander heeft zijn zus gestimuleerd op te treden en had waardering voor haar als pianiste. Hij zal zich herinnerd hebben hoe zijn moeder en Cornelia hem in de moeilijke jaren in Leipzig steeds hebben verdedigd. Het samenwonen met Leander was voor haar een veilige haven. Maar Cécile moest wijken toen Leander huwelijksplannen had. Zij was en bleef op zichzelf aangewezen. In hoeverre zij er in slaagde door het geven van pianolessen in haar onderhoud te voorzien is onbekend. Zij behoorde tot de categorie ongehuwde dames die zichzelf moesten zien te redden. In dat licht gedroeg zij zich als een echte Schlegel. Zij praktiseerde het zelfdoen, maar was daarin minder succesvol door gebrek aan gedegen vorming. Het roept het beeld op van een gedoemd bestaan in een wereld van ongelijke verhouding tussen mannen en vrouwen. Toen Cécile in 1910 overleed, was zij voor de vijftiende keer in Amsterdam verhuisd, nu naar de Hemonylaan nr. 19 in Amsterdam-Zuid. Ze werd op 5 juli 1910 ingeschreven op dit adres en overleed er op 4 augustus 1910, 72 jaar oud.752 Zij werd in Amsterdam begraven. Ging Leander zijn broer Gustav nog wel eens opzoeken in Bad Kreuznach a/d Nahe, over contacten met Gustav weten we alleen dat zij na diens overlijden een legaat kreeg, groot vijfhonderd gulden. 753

749 H. Schlegel, ‘Het grote soirée musicale’ op 23 januari 1855 in de Stads Gehoorzaal te Leiden’ in Caecilia, algemeen muzikaal tijdschrift van Nederland, jrg. 12, nr. 3, 15 mei 1855, pp. 29-30. 750 Caecilia, algemeen muzikaal tijdschrift van Nederland, jrg. 30, nr. 8, 15 april 1873, recensie van een concert van de Haarlemsche Bachvereniging op 21 maart 1873, pp. 60-61. 751 Oprechte Haarlemsche Courant, rubriek Mededelingen van verschillende aard, 29 april 1875; Caecilia, algemeen muzikaal tijdschrift van Nederland, jrg. 32, nr. 11, 15 mei 1875. p. 90. 752 BS Amsterdam, overlijdensregister 1910, aktenummer 4761, overlijden van Cecilia Schlegel te Amsterdam op 4 augustus 1910. 753 Vgl. dl. II, p. 257.

325


Periode 1878-1898 Leander vindt erkenning als musicus Keren we terug naar Leanders leven en werken in Haarlem. Hij was een bezet man met de muziekschool en alle nevenactiviteiten daaraan verbonden. Hij droeg bij aan de bloei van het Haarlemse muziekleven en zo trad hij de Haarlemmers ook tegemoet. Hij werd gewaardeerd om zijn aanpak, ijver en muzikale prestaties. Een kenmerk van zijn persoonlijkheid was zijn neiging tot een zekere luchthartigheid. Die trad aan het licht als om welke reden dan ook zijn belangstelling voor een bepaalde zaak afnam. Hij was dan geneigd zich ervan terug te trekken. Op die manier ging hij conflicten uit de weg. Als manager van de muziekschool was dat niet in zijn voordeel. Als er in de school problemen optraden, keek hij al snel de andere kant op. Hij was geneigd af te wachten totdat ze vanzelf verdwenen. Enerzijds verpakte hij dit gedrag in een houding boven de partijen te staan. Hij toonde dat door een houding van deftige distantie. Anderzijds bleek dat anderen ver konden gaan in het realiseren van hun persoonlijke ambities, zelfs als dat in zijn nadeel uitpakte. Hij was snel geneigd in zo’n geval zich van een taak terug te trekken ten gunste van de aspiraties van anderen. Deze karaktertrek was in haar aard dezelfde als die hij in Leipzig had getoond. Dezelfde strategie was in de jaren dat hij de muziekschool in Leiden bezocht al waarneembaar. Toen overleefde hij het verschil van inzicht tussen zijn vader en de muziekonderwijzers door discussies daarover te ontlopen. Waar Leander zich met de laatstgenoemden identificeerde, wees zijn vader hen juist grondig af. Overigens zonder dat het effect had. Zijn overlevingsstrategie was zich zo onzichtbaar mogelijk te maken, maar tegelijk zijn eigen weg te blijven gaan. Zoals bericht, was Leander slechts één jaar dirigent van het orkest Euterpe toen hij de dirigeerstok overdroeg aan Willem Robert. Hij deed dat omdat hij het toch minder leuk werk vond én omdat hij de druk voelde van Roberts ambities. Alleen als een activiteit zijn warme belangstelling had, zette hij door dat werk te blijven doen. Dat was het geval toen Appy in 1884 naar Amsterdam vertrok om zijn privémuziekschool te beginnen. De soirees die zij zo lang samen voor beider risico hadden georganiseerd, gingen in andere samenstelling door onder Leanders verantwoordelijkheid. Precies zoals hij in zijn opleidingtijd had moeten leven met zijn vader die druk op hem uitoefende andere wegen te bewandelen dan hij zelf wilde. Hij gebruikte opnieuw zijn vaardigheid in het uit de weg gaan van conflicten, zoals thuis en later op het conservatorium. Het was zijn manier om zijn persoonlijke musische wensen te realiseren. Ook in zijn werk leek het alsof persoonlijke aanvallen hem niet raakten. Hij kon echter noch flegmatiek noch krachteloos worden genoemd. Eerder stak hier de Schlegel-mentaliteit de kop op, maar dan wel op zijn Leanders. Een mate van vechten voor doelen, 326


opkomen voor zijn gelijk, maakten er deel van uit. Hier en daar wezen oud-leerlingen op driftige uitvallen als het hem teveel werd. Huwelijk en gezinsvorming Leander was nog steeds vrijgezel en volkomen thuis in de stad, waar hij actief deelnam aan het sociale verkeer. Hij kwam in zijn zang- en muziekschool in contact met veel zangminnende jeugdige nachtegalen. Het was daar dat hij hun koorzang naar betere prestaties dirigeerde en de leden faciliteiten bood met leeftijdgenoten om te gaan, zodat zij uiteindelijk het ouderlijk huis konden verlaten. In de pauzes leerden de koorleden een andere kant van hun dirigent kennen. Deze amuseerde hen met zijn onuitputtelijke schat aan grappen en vaardige anekdoten. Hij hield van verhaaltjes vertellen en werd erom gewaardeerd. Dit communicatiewapen had hij al vroeg ontwikkeld. Hij beschikte over een onuitputtelijke voorraad ‘moppen’ en grappige anekdotes. Zij waren de munitie om ongevaarlijke communicatie te genereren. Zijn vriendelijkheid betekende niet dat hij gemakkelijk benaderbaar was. In zoverre geleek hij op zijn vader en broer, die beiden ook maar zelden hun gevoelens bloot gaven. Zijn zielenroerselen hield hij onder controle. Zijn omgeving typeerde hem als een introverte persoonlijkheid. Leander zag tijdens het dirigeren van zijn koor een meisje uitgelicht dat hem bekoorde. De dirigent en de sopraan vonden elkaar. Haar naam was Emma de Waal Malefijt (1855-1933). Zijn bruid was de dochter van een Haarlemse chirurgijn.754 Het gezin woonde in de Barteljorisstraat. Over hun romance spreken de bronnen niet. Feit is dat Emma als twintigjarige toestemming kreeg van haar ouders met de directeur van de muziekschool te trouwen. Zijn aanstaande schoonfamilie legde hem niets in de weg. Hij leerde de familie kennen en voelde zich er thuis. Emma zal bij Hermann en zijn vrouw Albertina in Leiden zijn geïntroduceerd. Waarschijnlijk heeft zij Cécilia beter leren kennen dan Leanders vader en diens tweede echtgenote Albertina Pfeiffer. Leander had voor zijn huwelijk geen toestemming nodig van zijn vader. Als beschreven werden op 9 mei 1878 Gustav en Catharina E. G. Buddingh in Leiden in de echt verbonden. Twee maanden later op 11 juli 1878 traden Leander en Emma de Waal Malefijt in het huwelijk. Leander was 34 jaar oud en Emma 23. Getuigen voor Leander waren Gustav Schlegel en Wilhelm Heinrich Christoph Schmölling. Voor de bruid werd getekend door Abraham Reijnders, een behuwd oom van de bruid.755 Leander was getuige geweest bij het huwelijk van Gustav. Gustav bij het huwelijk van Leander in dezelfde rol. Onbekend is of er betekenis aan moet 754 755

Archief Gemeente Haarlem, BS, geboorteregister 1858, akte nr.76 op 6 april 1858. Archief Gemeente Haarlem, BS, trouwregister 1878, aktenummer 144.

327


worden gehecht dat hun vader wel bij Gustav als getuige optrad, maar bij Leander niet op de akte prijkte. 756 Over de bruiloft is buiten de huwelijksakte niets bekend. Achtergrond van Emma de Waal Malefijt Emma was het achtste kind van Adriaan de Waal Malefijt (1819-1887) en Alijdia Reijnders (1823-1902). Beiden waren geboren Haarlemmers. Adriaans vader was Willem de Waal Malefijt, commissionair. Hij woonde in Londen vanwege zijn beroepsbezigheden. Zijn moeder was Elisabeth Frederica Woortman. Zij woonde met haar gezin in de Grote Houtstraat. Hun zoon Adriaan werd leerling chirurgijn aan de Haarlemsche klinische school. Hij kreeg een aanstelling als stads heel- en vroedmeester. Adriaan en Alijdia Reijnders kregen veertien kinderen tussen 1847 en1868. Emma was het achtste kind, geboren op 3 april 1855.757 Zeven van hun kinderen overleden op jeugdige leeftijd. Tijdens het grote muziekfeest in Haarlem in 1875 wordt zij in het programmaboekje genoemd onder de koorleden, samen met haar zus Maria Josephine, een jaar ouder dan Emma. Zij versterkten de sopranen. Leanders en Emma’s eerste en enige kind, Alijdia werd geboren op 7 januari 1881, zij werd naar haar oma van moeders zijde vernoemd. Als kind werd ze Alijda genoemd. Later zou het Aleida worden. Leander gaf zijn dochter aan in het gezelschap van Pierre JozuÊ Louis Huet, Collectioneur van de Staatsloterij, en Willem Frederik George Lodewijk Robert toonkunstenaar. 758 Over hun familieleven is niet veel meer bekend dan wat incidentele herinneringen die hier en daar in het bronnenmateriaal werden aangetroffen. Over Emma als echtgenote en moeder is nauwelijks iets bekend. Hier en daar wordt zij geprezen voor haar gastvrijheid en in brieven aan Leander wordt zij steeds de hartelijkste groeten gedaan. Haar positie is even geheimzinnig als die van haar schoonmoeder Cornelia Buddingh, die ze nooit gekend heeft. Over Aleida is des te meer bekend, daar zij een ijverige leerling van de muziekschool van de MtBdT was en haar leven aan het werk van Bach en diens zonen zou wijden als vertolkster van het nagelaten werk van deze muziekfamilie. Zij stierf in 1964 in het huis dat haar vader in 1894 had laten bouwen aan de Zijlweg in Overveen. Leander kocht de grond samen met de oom van Emma,

Vgl. dl. II, p. 239. Vgl. genealogie van de familie Schlegel 1804-1964, bijlage 2. 758 Archief Gemeente Haarlem, BS, geboorteregister 1881, aktenummer 37. 756 757

328


Abraham Johannes Henricus Reijnders, steenkoper en metselaar, één van de getuigen bij hun huwelijk.759 Leanders plaats in het Haarlemse muziekleven De concerten van de Haarlemsche Bachvereniging werden een succes. Die naam werd representatief voor de kwaliteit van deze uitvoeringen. Ze werden een zeer gewaardeerd element in het Haarlemse muziekleven. De dynamiek in het muziekleven werd niet alleen door de muziekschool van de MtBdT bepaald, maar was ook het gevolg van verandering van het niveau waarop werd gemusiceerd. Er was in het land sprake van een muzikale lente, die werd gekenmerkt door nieuwe opvattingen in de toonkunst. Dat gold niet alleen voor Haarlem, het was een algemeen verschijnsel. Er groeide in de stad welwillendheid voor nieuwe nog niet eerder gehoorde muziek. Steeds meer werden onbekende

Figuur 18: Zur Erinnerung an das böhmische Streichquartett in Haarlem, 25-01-1898

composities tot uitvoering gebracht. Het was het resultaat van toenemende samenwerking tussen toonkunstenaars uit binnen- en buitenland. Zich verplaatsen van de ene stad naar de andere was gemakkelijker geworden door verbetering van de infrastructuur. Bij bijzondere gelegenheden werd concertbezoek elders mogelijk gemaakt door aansluitend op het concert op de lijn Amsterdam-Haarlem en Den Haag-Leiden een extra trein aan de dienstregeling toe te voegen! Die geste van de spoorwegexploitant werd geapprecieerd als regelrechte blikverruiming. Beter gevulde zalen maakten het mogelijk meer concerten aan te bieden met een bezetting van buiten de stad geëngageerde musici. Bovendien tegen een gage die voor hen aantrekkelijker was dan in het verleden. Het Haarlemse muziekleven had voordeel van de nabijheid van Amsterdam doordat daar beter werd ingespeeld op de grote wereld buiten het land. Leanders ervaring met de Duitse toonkunst speelde daarin een belangrijke rol. Dankzij zijn internationale netwerk wist

759 Afschrift van Bewijs van eigendom van grond waarop twee huizen worden gebouwd aan de Zijlweg in Bloemendaal, kadaster nr.2652, groot 3 aren, 31 centiaren. Akte verleden op 1 Augustus 1894 bij notaris Joh. Hofsteede te Bloemendaal. Quitantie van de grondaankoop van het huis aan de Zijlweg op 15 september 1894 ten bedragen van 11.400 gulden.

329


hij buitenlandse, veelal Duitse, toonkunstenaars te engageren. De bijdrage van Appy, Willem Robert en Leander Schlegel werden in de Spaarnestad gewaardeerd. Zij wisten het publiek naar de concertzalen te lokken. Nadat Appy was gestopt in 1884 met de abonnementsconcerten zette Leander, zoals opgemerkt, deze op eigen risico voort. Appy nodigde Leander uit in zijn particuliere muziekschool in Amsterdam in dienst te treden als leraar voor de soloklassen piano.760 Hij bleef overigens als directeur verbonden aan de Haarlemse muziekschool. Tegelijkertijd werd bekend gemaakt dat Daniel de Lange samen met Frans Coenen, Johan Messchaert en Julius Rรถntgen en met steun en instemming van het bestuur van de MtBdT toestemming kregen in nauw overleg met het gemeentebestuur van Amsterdam te komen tot het stichten van een conservatorium.761 Zowel Frans Coenen als Daniel de Lange hadden grote ervaring in het muziekonderwijs. Zij behoorden tot de toenmalige top van musici in Nederland. Er bestond behoefte aan een conservatorium naast de Koninklijke Muziekschool in Den Haag. Ook dit was een signaal dat de toonkunst in het algemeen professionaliseerde. Men liet de achterstandssituatie ten opzichte van het buitenland die de eerste helft van de eeuw kenmerkte geleidelijk aan achter zich. De muziekscholen in het land moesten het overwegend doen met leerlingen die zich lieten introduceren in de toonkunst. Doorgaans wilden zij niet meer dan een instrument leren bespelen of hun zangstem scholen. Uitzonderlijke talenten kwamen overal voor, maar moesten op den duur toch naar het niveau van conservatoriumonderwijs worden verwezen om hun mogelijkheden tot bloei te brengen. Talent op zichzelf bleek niet voldoende. De wil om door intensieve oefening het instrument te leren beheersen was belangrijker. De kwaliteit van het onderwijs binnen de muziekscholen van de MtBdT liet te wensen over. Het werd bepaald door de vaak beperkte opleiding van de leraren. Leander had onvoldoende profijt getrokken van de jaren die hij tussen1861-1863 in Leipzig doorbracht. Toch hadden deze bijgedragen aan zijn vorming als musicus. Hij vulde die aan met ervaring in de lespraktijk in Leiden tussen 18631867. Vervolgens met zijn tournee in het buitenland van1867 tot 1871. Hij zette zich op de kaart als musicus met podiumervaring. Hij specialiseerde zich in het accompagneren van solisten en eigen solospel op de piano. Hij maakte ruim gebruik van zijn internationale muzikale contacten. Gaandeweg werd zijn werk als directeur van de muziekschool steeds meer een belasting voor hem. Zijn neiging zaken op zijn beloop te laten, als zijn belangstelling ervoor verminderde, bleef niet zonder gevolgen. Hij gaf zijn medewerkers ruim baan hun eigen weg te kiezen, maar dat veroorzaakte ongemak. Bekend was Leanders voorkeur voor pianospelen. De Caecilia, algemeen muzikaal tijdschrift van Nederland, jrg. 41, nr. 6, 1 mei 1884, pp. 84-85. Vgl. NMI Den Haag, archief van Leander Schlegel, toegang 114, inv. nr. 92. Caecilia, algemeen muzikaal tijdschrift van Nederland, jrg. 41, 1884, pp. 162-164. 760 761

330


directievoering lag hem het minst. Het ging in toenemende mate knellen dat hij niet meer tijd kon besteden aan componeren. Lang lukte het zijn goede naam als musicus in stand te houden, maar er kwam wel kritiek op de manier waarop hij aan de school leiding gaf. Hij bleef buiten de gevarenzone doordat hij kon bogen op zijn bijdrage aan de muzikale productiviteit in de stad. Hij kreeg regelmatig als uitvoerend musicus goede recensies. Zijn muzikale voorkeur bleef Duits georiënteerd. Tot 1890 was het componeren beperkt tot de kleine uurtjes na de dagtaak. Hij wilde dat daaraan een eind kwam. In 1898 nam hij ontslag als directeur van de MtBdT. Zo slaagde hij erin te kunnen blijven spelen. Hij maakte tijd vrij om te componeren en zijn composities uit te voeren. Periode 1898-1913 Leander begint particuliere muziekschool Leander begon een particulier muziekinstituut. Een aantal leerlingen uit de elite van Haarlem en omgeving ging met hem mee. Het droeg de veelzeggende naam: L. Schlegel’s inrichting voor onderwijs in de beoefening van muziek. Klavierspel, koorzang, harmonie- en compositieleer, COLLEGE VOOR MUZIEK Zijlstraat 34 rood.762

Zijn dochter Aleida werd de lessen voor de beginners op de piano opgedragen. Dat leverde hem tijd op om meer met componeren bezig te zijn en les te geven aan gevorderden. Ook hier komt zijn persoonlijkheid om de hoek kijken. Willem (Guillaume Louis Frédéric) Landré (18741948), muziekrecensent, componist en leraar aan het Amsterdams conservatorium, beschreef zijn indruk van Leander op weg van huis naar zijn muziekschool: [ ] Vier of vijf of zesmaal per dag zag men door de Zijlstraat een deftig heertje lopen: klein, gezet, steeds volkomen gesoigneerd, met een hogen hoed, die door geen balsturig haartje ontsierd werd. Onberispelijk was altijd de boord, onberispelijk waren de manchetten die de kleine aristocratisch gevormde handen omsloten; en dan was er die fijn besneden kop die hem het uitzicht van een diplomaat of van een beroemd geleerde verleende. Zo was Leander Schlegel, die als man van geboorte en beschaving toegang had in de deftige Haarlemse kringen. 763

NMI Den Haag, archief van Leander Schlegel, toegang 114, inv. nr. 20, 4 b. Willem Landré, ‘Leander Schlegel. Geboren 2 februari 1844’, De vereenigde tijdschriften, jrg. 1923-1924, pp. 108-110. 762 763

331


Landré behoorde zelf tot de categorie musici die zich aan het gewone niets gelegen liet liggen. Als muziekcriticus spreekt hij met dedain over de doorsnee beroepsmusicus ‘want aan veler eruditie ontbrak nog heel wat.’ Als Hermann dat had kunnen lezen zou hij een geestverwant hebben ontmoet. Hij zou dan ook hebben begrepen dat Leander die categorie musici ver achter zich had gelaten. Landré noemde hem een zoon van een beroemde geleerde. Inderdaad was Leanders performance er één van distantie en deftigheid. Deze houding stond ten dienste aan het carrièrisme dat de familie als geheel kenmerkte. Niet minder toonde hij één van de Schlegels te zijn die als handelsmerk hadden hun eigen weg te gaan. Als Leander een eerste vertolking van een onbekend werk van eigen hand uitvoerde, was zijn ervaring dat het publiek terughoudend reageerde. Dat valt terug te lezen in de muziekrecensies in de dagbladpers en in de gespecialiseerde muziekbladen. Meer dan eens stelt de recensent zijn oordeel uit omdat de compositie zich niet gemakkelijk liet veroveren. De gewaardeerde pianist werd nog al eens aan het begin van de recensie uitbundig geprezen voor zijn prachtige pianospel. Het oordeel over de compositie werd vervolgens uitgesteld met de verklaring dat ‘het werk meer moet worden gehoord alvorens er een uitspraak over te doen.’ Het Nederlandse concertpubliek kwam niet zo vaak in aanraking met niet eerder uitgevoerde werken. Bovendien was het muziekaanbod niet beperkt tot werken uit de Duitssprekende landen. Op de concertrepertoires werd een internationaal palet geboden. Daarbinnen hadden de composities van Leander een beperkt bereik. Het overleven van de Bachvereniging in Haarlem was te danken geweest aan het inzicht van de samenstellers van de programma’s het publiek tegemoet te willen komen met een gevarieerder aanbod dan zich te beperken tot de muziek van de oude meester en diens familie, waarvoor in die periode nauwelijks aandacht bestond. Gewenning was op zijn minst nodig om vanuit volstrekte onbekendheid naar vertrouwdheid te komen. Dat gold ook voor de composities van Leanders hand. Bij Leander werd de keuze van een thema voor een compositie niet bepaald door het publiek, maar door Leander zelf. Alleen dat wat hem persoonlijk raakte, kwam in aanmerking uitgewerkt te worden. Hij schreef muziek om het te spelen. Hij was minder bezig met de vraag hoe het ontvangen werd. Wat hij zocht bij zijn publiek was geestverwantschap. Even zorgvuldig selecteerde hij vocalisten die de vertolking van liederen op zich moesten nemen. In die opvatting was het feitelijke componeren onderdeel van een complex proces waarin tekst en melodie moesten passen bij de keuze van de uitvoerende vocalisten. Het samenspel was erop gericht schoonheid over te brengen. De esthetische beleving was het hoogste doel dat hij zich stelde, hij bleef een romanticus. Leanders composities waren expressies van een innerlijke drang. Meer dan het verklanken van de muzieknotatie moest er een toegevoegde waarde uit voortkomen die de som 332


van de delen oversteeg. De instrumenten, inclusief de menselijke stem en de tekst van het lied moesten dat bereiken. Frans van Ruth (1951- ), musicus en kenner van het oeuvre van componisten uit de negentiende eeuw, beoordeelde het werk van Leander als volgt. Naar mijn overtuiging heeft Leander Schlegel een muziek gecomponeerd die door en door Duits is, of Oostenrijks. Die geen blanke top der duinen kent, geen Nederlandse wouden, geen oudHollandse dansen, geen Zuiderzee, kortom: een muziek zonder Neêrlandsch bloed in d’aders.764

Voor de teksten van zijn liederencomposities putte Leander uit poëzie. Als het gedicht door een Nederlandse auteur was geschreven, nam hij het op in een Duitse vertaling. 765 Het is te opvallend; van toeval kan geen sprake zijn. Het gaat hier om gedichten van Fiora della Neve (18491934)766, W.G. van Nouhuys (1854-1914) en Albert Verwey (1865-1937). Hij liet de Duitse Sehnsucht horen, het romantische in menselijke betrekkingen en het zoeken naar het verhevene volgens Schillers interpretatie van het esthetische.767 Daarvoor achtte Leander de Nederlandse taal niet geschikt. Hij vond dat wel in de grote Duitse literatuur en poëzie. Bij de geestesproducten van de romantiek voelde hij zich thuis. Leander weerde scherpte in taalklanken en liet zich geruststellen door zachtheid. Het ruisen van de wind, de dauw op een roos, de diepte van bewogenheid en verlangen uitgedrukt in klanken. Het is het numineuze als aanduiding van het irrationele dat fascineert, waarin schoonheid en vrees samenspannen. Bij Leander droeg elke noot, iedere frase bij aan het kleurenpalet om de emotie te ontlokken die hij wilde overdragen. Als de laatste noot wegsterft, blijft de ervaring van schoonheid achter. Het was Leander te doen om dat moment, dat weldra in het applaus van toehoorders ten onder zou gaan. Het bracht Leander terug in de modus van acceptatie van de publieke appreciatie voor zijn spel: opluchting en voldoening, uitgedrukt in een diepe buiging naar het publiek. Willem Landré stelde dat vast toen hij als jonge man op een concert de muziekbladen tijdens een concert van Leander mocht omslaan. Onder het langzame gedeelte uit Schumanns Sonate voor piano in g moll hoorde hij

Frans van Ruth, ‘Over de composities van Leander Schlegel’, http://www.leander-schlegel.nl/menu/composities/ (28-1-2014). 765 Frans van Ruth, Margaret Krill (ed.), Sämtliche Lieder, deel I en deel II (Den Haag, Nederlands Muziekinstituut 2009) aldaar pp.iii-iv. idem, Deutsche Liebeslieder opus 20 für eine Singstimme und Pianoforte (Den Haag, Nederlands Muziekinstituut) aldaar pp. iii-iv. 766 Fiore della Neve is een pseudoniem van M.G.L van Lochem, letterkundige, 1849-1934. 767 Friedrich Schiller, Über die ästhetische Erziehung des Menschen in eine Reihe von Briefen. Mit den Augustenburger Briefen herausgegeben von Klaus L. Berghahn (Stuttgart, Philipp Reclam 2002) pp. 7-124. 764

333


Leander heel zachtjes enkele keren voor zich heen zeggen: ‘unendliche Sehnsucht’…. ‘welch ein Hauch der Sehnsucht.’ 768 Zoals opgemerkt maakte Leander veel werk van het kiezen van de juiste vocalisten voor de uitvoering van zijn composities. Hij vond ze onder zijn leerlingen en wist ze te kiezen uit belangrijke vertolkers van het lied in binnen- en buitenland. Hij gaf in het programma van Der Arme Peter opus 5 expliciet aan dat de zangstem naast de vleugel moest zitten om de eenheid van stem en instrument te accentueren.769 Meer dan eens werd hij bewonderd om zijn vermogen de piano te laten zingen. Hij werd geroemd voor de wijze waarop hij zangstemmen ondersteunde. Die verdienste werd regelmatig hoger geschat dan zijn composities. Leanders oeuvre bestaat uit meer dan veertig composities.770 Het merendeel is tijdens zijn leven slechts enkele keren uitgevoerd. Na zijn dood zou het lang duren voor een revival zich weer aarzelend presenteerde in de laatste decennia van de twintigste eeuw. Deze is te danken aan de inspanningen van violist Willem Henri Noske (1918-1995) en de pianist Frans van Ruth. De eerste verzamelde een massief archief van toonkunstenaars van Nederlandse bodem. Noske reisde als vioolvirtuoos over de wereld, hij was een zoon van A.A. Noske (1873-1945) die een muziekuitgeverij in Middelburg bezat, toen al gericht op muziek van Nederlandse componisten. Van Ruth werd door Noske geïnspireerd Leanders werken op de piano te vertolken.771 Aan hun verzamelresultaten en vertolkingen is het te danken dat vaak schijnbaar vergeten composities onder het stof vandaan kwamen en opnieuw een publiek bereikten via concert of geluidsdrager. Het oeuvre van de componist Het perspectief van dit onderzoek laat niet toe nu uitvoerig in te gaan op de waardering van de composities van Leander door toonkunstenaars, recensenten en concertbezoekers. Willem Henri Noske en Frans van Ruth zijn de twee musici in Nederland die het oeuvre van Leander trachten recht te doen. Wat hier volgt is schatplichtig aan deze twee kenners. Onze focus beperkt 768 Willem Landré, ‘Leander Schlegel. Geboren 2 februari 1844’, De vereenigde tijdschriften, jrg. 1923-1924, pp. 108-110. 769 NMI Den Haag, archief van Leander Schlegel, toegang 114, inv. nr. B 16 aankondiging van concert programma’s, Der Arme Peter (nach Heinrich Heine), Frau Clara Schumann in hoher Verehrung gewidmet, Leipzig, E.W. Fritsch (451), 1886. 770 Frans van Ruth, ‘Uitvoeringen van composities van Leander Schlegel tijdens zijn leven 1857-1900’, http://leander-schlegel.nl/over-composities.htm (29-5-2007), idem, 1900-1913, ‘Uitvoeringen van composities van Leander Schlegel tijdens zijn leven, 1900-1913’, http://leander-schlegel.nl/composities-schlegels-uitvoeringen-vervolg.htm (29-5-2007). Genoemde teksten zijn in kopie in mijn bezit. 771 Hans C. Roskam, Willem Noske. Wonderkind-meesterviolist. Apostel van een verguisd verleden (Zutphen, Walburg Pers 2006).

334


zich tot de beweegredenen die het leven van de kleine familie Schlegel in Leiden en Haarlem hebben beheerst aan de hand van de vraag wat en vooral op welke wijze zij in Nederland hebben bijgedragen aan wetenschap, kunst en cultuur. Leander deed dat als toonkunstenaar. Zijn werk kenmerkt zich door een specifieke signatuur die zowel begrip als kritiek opriep. Al met al heeft hij bijgedragen aan het muziekleven zowel als componist, muziekleraar, concertpianist en als koordirecteur. De liedkunst nam daarbinnen een voorname plaats in. In het Nederlands Muziek Instituut (NMI) in den Haag worden de manuscripten van Leander bewaard.772 773 De vierenveertig composities op de lijst bestaan uit autografen. Slechts vijf werken zijn gedateerd, twee uit 1858, drie respectievelijk uit 1860, 1862 en 1908. Het is een aparte sensatie de autografen één voor één te bekijken. De autografen vertellen hun eigen geschiedenis in aantekeningen, doorhalingen en verbeteringen. Ze zijn aanleiding tot vragen waarom sommige opzetjes onuitgewerkt bleven, andere afgebroken werden, weer andere hernomen. Er zijn er die aangeduid worden als een schets. In het merendeel ontbreekt een vermelding van plaats en/of datum. Voor zover bekend wordt de uitgever wel met plaats en jaar genoemd. Niet ieder werk heeft een opusnummer en voorzover ze zijn genoemd, komen ze niet altijd overeen met andere bronnen. Bijzonderheden worden in de annotatie gegeven. Het is daarom nodig ze in een tijdlijn te plaatsen waarlangs ze zijn ontstaan. Van Ruth stelde een werkenlijst samen van door Leander gecomponeerde muziek. Bijeengebracht werden werken die uitgegeven zijn in het publieke domein, werken die voor uitgave gereed waren en werken die in de muziekliteratuur een definitief opusnummer kregen. Volgens deze ordening gaat het om de nummers 1 t/m 35. Van Ruth noteert aan wie een werk is opgedragen, de delen waaruit het bestaat en waar en wanneer het is uitgegeven. Waar dat niet kon, heeft hij gezocht naar de eerst bekende uitvoering. 774 Van Ruth gebruikte daarvoor het overzicht van het oeuvre dat de (muziek)hoogleraar B.M. Löwe in 1912 opstelde.775 Van Ruth stelde verder een lijst samen van de composities die door Leander werden uitgevoerd. Daarin noteerde hij waar en wanneer welke compositie werd gespeeld in de periode

772 Nederlands Muziekinstituut Den Haag, archief van Leander Schlegel, toegang 114, inv. nr. II B 20-29 composities, muziekmanuscripten. www.nederlandsmuziekinstituut.nl (27-12-2013). 773 Het NMI in den Haag bevindt zich in een reorganisatie. De collectie ondergebracht in de Koninklijke Bibliotheek wordt ondergebracht in het Haags Gemeente archief en kan aldaar worden ingezien. De bibliotheek blijft vooralsnog in de KB in het NMI. 774 Frans van Ruth, ‘Werkenlijst van Leander Schlegel’, http://leander-schlegel.nl/composities-werkenlijst.htm (26-12-2013). 775 B. M. Löwe, ’Leander Schlegel’, Musikliterarische Blätter, jrg. 4, augustus 1912, pp. 14-16.

335


1857-1900 en 1900-1913. 776 Hiervoor gebruikte hij concertprogramma’s, publicaties, bladmuziek en brieven. Op die manier destilleerde hij een receptiegeschiedenis. Van Ruth vormt samen met Noske een belangrijke bron voor onze kennis van de ontwikkeling in de muziek van de negentiende eeuw die nog niet grondig is bestudeerd. Leander speelde zijn composities uit zijn opleidingstijd nog op concerten in de eerste jaren na terugkeer uit Leipzig in 1863. Een serieuze productie van eigen composities waarmee hij naar buiten trad, kwam pas op gang rond de jaren negentig van de negentiende eeuw en het eerste decennium van de twintigste. In die tijd moest hij fysieke problemen onder ogen zien die voor zijn werk als uitvoerend musicus nadelig waren. Het waren klachten van reumatische aard die hem met regelmaat pijnlijke handen bezorgden en problemen met zijn gezichtsvermogen. Eerst werd het spelen bij kunstlicht bezwaarlijk. Later dwong het hem te stoppen met openbare optredens als concert-pianist. In het eerste decennium van de twintigste eeuw speelde hij niet meer in het openbaar. Alle druk bezette jaren hadden verhinderd zijn ideeën voor nieuwe composities om te zetten in muziek. In de loop der jaren was zijn portfolio gevuld geraakt met eigen werk. Voor een aanzienlijk deel was dat ongepubliceerd werk. Net als vroeger speelde ook nu weer onzekerheid een belangrijke rol. Hij vroeg zich steeds af of hij wel in staat was om het idee dat hij wilde verklanken tot uitdrukking te brengen. Twijfel aan zijn kunnen bleef hem parten spelen. Dezelfde twijfel die in de brieven van zijn vader werd bestreden met argumenten waarmee Leander toen niets wist aan te vangen. Nu vond hij er iets op. Om een nieuwe compositie onder de aandacht van het publiek te brengen, plaatste hij deze soms zonder toelichting op een programma. Daarnaast kreeg hij informatie via de recensent die het spel van Leander en de reactie van het publiek betrok in zijn oordeel. Hij gebruikte nog een ander middel om aandacht te genereren voor zijn portfolio. Die bestond er uit musici van grote naam achterna te reizen om hen een compositie, al dan niet in wording, te tonen en/of te laten horen. Soms ging het om een schets. Er waren ook composities bij die hij als afgerond beschouwde, maar die nog niet gepubliceerd waren. Hoe deze promotie strategisch in zijn werk ging beschreef Kalbeck. Leander zocht Joh. Brahms op die in Amsterdam een concert gaf. Toen de bewonderde componist de lobby van het hotel betrad, speelde Leander zijn compositie Ballade, opus 2.777 Leander had dit werk aan hem opgedragen. Joh. Brahms liep direct op Leander

776 Vgl. noot 772, p. 335 Frans van Ruth, ‘Uitvoeringen van composities van Leander Schlegel tijdens zijn leven,1857-1900’, idem, 1900-1913, ‘Uitvoeringen van composities van Leander Schlegel tijdens zijn leven, 19001913’. 777 Leander Schlegel, Ballade für Pianoforte opus 2, Herrn Dr. Johannes Brahms gewidmet (Mainz, B. Schott’s Söhne 1882).

336


toe, tikte op het muziekboek en zei : ‘Sie spielen aber schön Klavier, das Instrument singt ja sehr schön! .’ 778 De Maestro beloofde in Haarlem te komen spelen. Joh. Brahms liet zich erelid maken van de Haarlemse Bachvereniging. Blanche Marteau beschreef hoe haar man Henri door Leander Schlegel werd benaderd. Toen de over de wereld triomfen vierende violist Marteau (1874-1934) bij Mengelberg in Amsterdam concerteerde, zocht Leander hem daar op. Marteau beloofde Leander in zijn huis in Overveen te komen bezoeken. In solch traulichem Häuschen, ausgestattet mit geschmackvollem antiken Hausrat und hundertjährigen Fayencen, besuchte Henri Marteau in Overveen bei Harlem den Komponisten Leander Schlegel, einen untersetzten, lebhaften Sechziger, mit mächtigem, kahlen Schädel und weißen Schnauzbart, den man sich jung überhaupt nicht denken könnte. Das possierliche kleine Männlein war in den Vorjahren mehrfach dem Concertgebouw orchester nachgereist, wenn Marteau als dessen Solist auf den Programmen stand, um in einem günstigen Augenblick eine wahre Flut von Manuskripten vor ihm auszubreiten, die es wohl immer geblieben wären, hätte Marteau sie nicht aus ihrer Versunkenheit befreit.

Marteau had direct de aan Joh. Brahms verwante toonzetting herkend in de werken die hij vluchtig inzag. Hij koos een vioolwerk in wording uit en zegde toe dat te zullen spelen. In einem wahren Freudentaumel stürzte sich Schlegel in die Arbeit, schrieb an einem Violinkonzert, einer Klavier/Violine-Sonate und an einem Streichquartett, die er alle Marteau zu widmen gedachte. Diesen im Entstehen begriffenen Werken galt der Besuch. 779

Het middel werk op te dragen aan musici die hij wilde vereren, werd haast op kwistige wijze door hem toegepast. Hij bereikte er onder andere mee dat musicoloog-hoogleraar Max Kalbeck in Oostenrijk hem ‘de Haarlemse Brahms noemde’, zoals hij in 1911 in zijn bijlage bij zijn vaders brief uit 1861 noteerde.780 Een eerbetoon dat in de literatuur is blijven rondzingen. De violist Henri Marteau heeft zich metterdaad ingespannen composities van Leander op concertprogramma’s te krijgen. Hij speelde Leanders vioolkwartet in Berlijn, Wenen, Madrid, Barmen, Londen, Amsterdam en Haarlem. Daarnaast stimuleerde hij anderen composities van Leander uit te voeren.

778 Max Kalbeck, ‘Johannes Brahms III’, 2e halb band 1881-1885 Deutsche Brahms-Gesellschaft M.B.U. (Berlijn, 1912) p. 264. 779 Blanche Marteau, Henri Marteau , Siegeszug einer Geige (Tutzing, verlegt bei Hans Schneider 1971) pp. 175. 780 UBL Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, 1861 07 29; aldaar bijgelegd het antwoord op de brief van Leander Schlegel, gedateerd op 26 juni 1911. Vgl. dl. III, p. 282.

337


Toen Leander in 1898 met zijn particuliere muziekinstituut begon, trad er min of meer een nieuwe fase in, die de laatste in zijn leven zal blijken. De liedkunst nam al jaren in zijn Haarlemse periode een belangrijke plaats in. Er bestond een band met zangers en zangeressen, wier namen steeds terugkeren. Goede zangstemmen konden erop rekenen dat vroeg of laat ter hunner ere liederen werden opgedragen. Zo ook aan Clara Schumann-Wieck die hij in 1883 tevergeefs uitnodigde te komen zingen. Zij had het te druk. In 1887 schreef zij haar oordeel over de aan haar opgedragen compositie Der Arme Peter, opus 5. Het is een Charakterstück für das Piano nach Heinrich Heine. Hoewel zij waarderende woorden had, merkte zij op dat het hier en daar geschreven was in ‘Überschwenglichen beinah an Häute streifenden Harmonien.’ Dat zou naar haar mening minder moeten.781 Leander slaagde er steeds in zangers en zangeressen aan zijn muziek te binden. Maar de klacht werd veel gehoord dat zijn toonzetting niet eenvoudig uit te voeren was. Alleen de zangers die de uitdaging aangingen bleven over, anderen haakten af. Leander heeft kans gezien zich op actieve wijze in te zetten zijn composities uitgevoerd te krijgen. Een werk waar Leander zelf relativerend over schreef was het symphonisches Tongemälde Der Sachsische Prinzenraub. Het werd uitgevoerd in 1904 onder leiding van Willem Mengelberg door het Amsterdamse Orkestgebouw Orkest, daarna nog door de Haarlemse Bachvereniging. Leander schreef er een korte inleiding voor. In 1554 besloot een boze edelman, Franz von Kauffungen, twee zoontjes van de regerende vorst van Saksen uit diens kasteel in Altenburg te ontvoeren. Die kinderroof liep goed af, de beide kleine prinsen keerden ongedeerd terug en de rebellerende edelman die de ontvoering regelde, werd terechtgesteld. In het slotpark staan de ‘Prinzeneichen’ die uit vreugde om hun terugkeer werden geplant. 782 Deze geschiedenis leeft nog in het Duitse collectieve geheugen, zozeer zelfs dat nog onlangs een vuistdikke studie is gepubliceerd waarin de dramatis personae in tientallen variaties worden beschreven. 783 Sedert 2007 wordt met een zekere regelmaat de geschiedenis in het oude slot in Altenburg in juni als middeleeuws drama ten tonele gevoerd. Deze geschiedenis echter bracht Leander regelrecht terug in zijn kinderjaren toen zijn vader talloze malen het verhaal aan zijn kinderen vertelde.

781 NMI Den Haag, archief van Leander Schlegel, toegang 114, bijlage II, brief van Clara Schumann-Wieck aan Leander Schlegel, nr. 43, Frankfurt am Main, 7 juni 1887. 782 Dr. Günter Keil, ‘Der sächsische Prinzenraub zu Altenburg anno 1455’, Altenburgica, 4. Jahrgang, Heft 5, met 24 afbeeldingen (Altenburg 1995) 47 pp. 783 Joachim Emig, Der Altenburger Prinzenraub 1455, Strukturen und Mentalitäten eines spätmittelalterlichen Konflikts. Herausgegben von Joachim Emig in Verbindung mit Wolfgang Enke, Guntram Martin, Uwe Schirmer und André Thieme (Beucha, Sax-Verlag, 2. korrigierte und ergänzte Auflage 2008).

338


Deze, op zich zelf, niet zeer poëtische en lyrisch dorre gebeurtenis, zou ik niet tot onderwerp ener muzikale illustratie gekozen hebben, indien zij mij niet reeds als kind geboeid had, als wanneer mijn vader, (zelf Altenburger van geboorte) dezelve ontelbare malen verhalen moest, terwijl zij ook op ons poppenspel opgevoerd werd. Dit werk behoort alzo tot de zoogenaamde Programmamuziek. De waarde van een programma weegt dunkt mij zwaarder bij den Componist, dan bij den toehoorder; want hoewel de aanhef het sluipwoord der slotbeklimming voorstelt, en de torenwachter, niets kwaads vermoedende, een lied aanheft, het verraad eensklaps ontdekt wordt en de torenwachter alarm blaast, door den verren torenwachter beantwoord, hoewel eindelijk het bazuinsolo en de daarop volgende zangen van het vorstenhuis en volk moeten weergeven en ik ten slotte onder juichen en heilkreten de terugkeer van den eersten prins schilderen wilde, zoo zal men nochtans met weinig verbeeldingskracht aan dit werk een geheel ander onderwerp uit het rijk der Balladen ten gronde kunnen leggen. Leander Schlegel. 784

Leanders tekst in het programmaboekje verwijst naar het ouderlijk gezin. Het is niet de enige plaats in het gedrukte bronnenmateriaal waar hij dit doet. Het ging Leander klaarblijkelijk niet om het verhaal, maar om de herinnering aan zijn kinderjaren die hij uiteindelijk in noten heeft geschilderd. Als ongeveer zesjarige deed hij datzelfde naar aanleiding van een vreeswekkend onweer, zoals hij later noteerde.785 Eerbetoon en lauwerkransen Haarlemse muziekvrienden boden Leander in 1910 een Schlegelavond aan. Men wilde hem bedanken voor wat hij als musicus voor de stad betekende. In de krant werd een gedegen verslag van het programma gepubliceerd. Hij werd toegesproken. Uitgevoerd werden de Deutsche Liebeslieder, enkele werken voor piano-solo, de Zwei Frauenchöre, alsmede de allereerste uitvoering van Leanders vioolsonate in G-dur voor pianoforte en viool. Bij dit alles glorieerde Leander op de eerste rij als toehoorder. Leander schreef het organisatiecomité een dankbrief voor zoveel eerbetoon ondervonden. Ik gevoel mij gedrongen, aan U, hooggeachte Heeren, bij herhaling mijn diep gevoelden, innigen dank te brengen, voor Uwe zoo edele en tevens schitterend geslaagde pogingen, om eene reeks van mijne Composities onder de aandacht van een groot en uitgelezen publiek te brengen. Hoger dan alle onderscheiding, die mij daardoor ten deel viel, stel ik echter de ongeveinsde hartelijk-

784 Leander Schlegel, ‘Der sächsische Prinzenraub, sinfonisch Tongemälde. Inleiding’, Concertgebouw Orkest Amsterdam, ‘programmaboekje concert op 13 en 14 januari 1904’ (Amsterdam) pp. 14-16. 785 NMI Den Haag, archief van Leander Schlegel,toegang 114, inv. nr. II B componist, nr. 20, ‘Compositionsbuch von Leander Schlegel’, Elégie op. 1, ca. 1850. Vgl. dl. I, pp. 118.

339


heid, die U zo warm bezielde, om mij, als kunstenaar, bekendheid en erkenning te doen ondervinden. Van deze Uwe hartelijkheid ben ik diep ontroerd, en gevoel ik mij onuitsprekelijk geëerd. Moge de mij door U aangeboden kostbare lauwerkrans met hare sierlijke linten niet voor vergankelijkheid gevrijwaard zijn – onvergankelijk en onuitwisbaar toch zal mijne erkentelijkheid tot het einde mijner dagen zijn, voor de bewijzen Uwer grote toewijding, waarmede Gij, mijne Heren, mij een onuitsprekelijk geluk hebt geschonken. w.g. L. Schlegel. Overveen, eind Januari 1910. 786

En dat nadat hij de entree tot het concertpodium als directeur van de MtBdT vaarwel had gezegd. Bovendien had hij, al weer tien jaar geleden, moeten stoppen met spelen op concerten onder andere van de Bachvereniging. Hij had hun waardering en zijn invloed behouden. Leander was nu aangewezen op anderen om zijn werk in Duitsland en Oostenrijk gespeeld te krijgen. Dat was boven verwachting gelukt. En het werd hem van harte gegund. Klaarblijkelijk werd hij gekend en gewaardeerd. In vergelijk met de weerstanden die het lot waren van zowel zijn vader als zijn broer vond hij erkenning om wat hij ook als persoon vertegenwoordigde naast zijn erkenning als musicus. Componist en instrumentalist; beoordelingen Het is zeker dat Leanders optredens als concertpianist overwegend zeer werden gewaardeerd. Zijn kundigheid solisten te accompagneren onderstreepte die goede naam nog eens extra. Hij verstond de kunst in zijn begeleiding niet te domineren maar op subtiele wijze de zangstem te ondersteunen. Over zijn instrumentale composities bestaat een minder eenduidig beeld. Zijn Ballade opus 2 wordt meerdere keren besproken, dan eens positief, dan weer werd het als een middelmatige compositie gezien. Zo werd Leanders vertolking van Beethoven in een recensie geacheveerd genoemd. Maar in hetzelfde programma werd zijn Ballade opus 2 negatief beoordeeld: Het was jammer dat deze werkelijk uitstekende pianist zijn eigen compositie speelde, want inderdaad de pianoliteratuur leverde zoveel degelijke en fraaie zaken op, dat men ze niet met middelmatigheden hoeft te verrijken. De heer Schlegel is te degelijk musicus om niet zelf in te zien, dat men een groot kunstenaar kan zijn zonder compositietalent te bezitten. 787

786 Landré, Willem, Nieuwe Rotterdamsche Courant, ‘Letteren en Kunst, Leander Schlegel concert te Haarlem’,18 januari 1910. Caecilia, Maandblad voor muziek verenigd met het weekblad voor muziek (Amsterdam, Loman en Schut 1910) pp. 37 en 73-74. NMI Den Haag, archief van Leander Schlegel, toegang 114, inv.nr. II B 84, dankbrief aan de Heren leden van het Comité voor het Schlegel-Concert op 18 januari 1910. 787 Caecilia, algemeen muzikaal tijdschrift van Nederland, jrg. 42, nr. 8, 15 maart 1885, concert op 23 februari 1885, p. 75.

340


Een beoordeling door een recensent van een uitgevoerd muziekstuk tijdens een concert heeft een ander karakter dan de beoordeling van het werk van een componist door een musicoloog. Zo’n analyse houdt meer afstand tot degenen die het werk uitvoeren. Het richt zich meestal op de plaats die het muziekstuk inneemt in het oeuvre van de componist in zijn tijd, mede in vergelijking met werk van andere componisten. Ook dan weegt mee dat het oordeel niet vrij is van de persoonlijke voorkeuren van de beoordelaar. In de Nieuwe Rotterdamse Courant wees Willem Landré daarop toen hij zich uitsprak over het oeuvre van Leander Schlegel na diens overlijden. Er zijn talrijke componisten van minderwaardig talent, die zich groter bekendheid verschaft hebben dan de zeer begaafde man die maandagavond heel plotseling gestorven is in zijn eenvoudig huis in Overveen, [ ]. Leander Schlegel heeft steeds de eenzaamheid gezocht – als alle voornamen van geest – weinigen zijn vertrouwen geschonken, niemand ooit om een gunst gevraagd. Met groots mogelijke zorgvuldigheid zweeg hij steeds over zijn composities en wanneer een belangstellende uit eigen beweging er naar vroeg, antwoordde Schlegel steeds zo sober mogelijk of maakte er zich met een grapje van af. Toch had Schlegel sedert jaren een kleinen kring van vrienden om zich heen, die zijn werk in alle oprechtheid bewonderden en er zich moeite voor gegeven hebben, schoon zij van te voren wel wisten, dat de massa deze muziek nimmer enige waardering zou kunnen schenken. 788

Tot die Nederlandse intimi rond Leander hoorden onder meer Anna, baronnesse van Asbeck-Kluit en de zangeres Anna Stronck-Kappel. In het buitenland waren dat de Geneefse violist Henri Marteau, de Weense pianiste Lucilla Tolomei en de musicoloog Max Kalbeck. Zij waren het die werk van Leander in eigen kring bekend maakten en het zelf ook uitvoerden. Dankzij hun promotie in Duitsland en Oostenrijk ondervond Leanders werk in die landen korte tijd aandacht en lof, om daarna weer op de achtergrond te raken. Dat gebeurde eveneens in Nederland. Landré komt er rond voor uit dat hij werk van Leander uit zijn vroege periode beschouwt ‘als niet geslaagde pogingen van een in Figuur 19: Programma concert Wenen, 29 maart 1909

788

gemoedsleven aan Robert Schumann zeer verwante natuur.’ Vervolgens toont zijn werk dat hij aan deze richting trouw

Willem Landré, ‘Feuilleton. Leander Schlegel †’ in NRC, Ochtendblad A, woensdag 22 oktober 1913.

341


is gebleven. Hij wijst als oorzaak Mendelssohn-Bartholdy en Robert Schumann aan die het onderwijs aan het conservatorium in Leipzig domineerden. Leander had als alle alumni deze indoctrinatie ondergaan. Landré ziet dat als een betreurenswaardige feit. Vooral omdat die stroming in Europa al in Leanders tijd plaats had gemaakt voor vernieuwingen die onder de opkomende generatie toonkunstenaars in Europa tot ontwikkeling kwamen. Landré rekent de talentvolle Johannes Verhulst (1816-1891) tot deze Mendelssohn-Bartholdy en Schumann epigonen uit de Leipziger school. Verhulst was nimmer te bewegen geweest iets van Wagner, Berlioz of Liszt te dirigeren. Menigeen hoort in de Symphonie in E minor van Verhulst het Scherzo uit de Mittsommernachtstraum van Mendelssohn klinken. Landré noemde Schlegels composities eveneens te behoren tot een al lang achterhaalde periode. Toch stelde hij vast dat Leander desondanks zelfstandigheid als componist had ontwikkeld. Hij noemde Leanders ‘Deutsche Liebeslieder, ein Cyclus für Gesang und Klavier, een omvangrijk werk van een schoon, edel, lyrisch talent. Er zijn liederen in deze bundel, prachtig van

Figuur 20: Muziekomslag Passacaglia

stemming en gevoel.’ Landré meent voorts dat Leanders kamermuziek composities bevat die als ’zeer schoon’ worden beoordeeld. Hij noemt diens Passacaglia voor twee piano’s en zijn Sonate für Pianoforte und Violine. Landré positioneerde Leander in het kader van de Nederlandse muziekbeoefening met waardering voor diens eigenheid, maar geeft daarvan ook de reikwijdte aan. Juist in ons land, [ ], was deze voorname eenzame, die het gewone verafschuwde, een figuur om te eren. Een man van verstrekkende betekenis had hij kunnen zijn ware hij wat minder met hart en ziel verknocht geweest aan een richting die bestreden moet door allen wier de groei van eigen kunst ter harte gaat. Nu heeft hij slechts enkele composities gegeven die in de volle betekenis van het woord kunstwerken zijn, slechts enkele. Doch dit is al genoeg om zijn naam in dankbare herinnering te houden.789

Ondanks het succesvol ten gehore brengen van Leanders composities in Duitsland en Wenen verwoordde musicoloog B.M. Löwe zijn twijfels over de speelbaarheid van zijn werk.

789

Willem Landré, Feuilleton. Leander Schlegel † in NRC, Ochtendblad A, woensdag 22 oktober 1913.

342


Nicht immer jedoch glaubt man den Kompositionen den impulsiven Einfall – so gesucht klinkt vieles, so stören z.B. bei den Liedern op. 6 die langen Zwischenspiele des Klaviers, die al zu langen Pausen, die im Text dadurch entstehen und dem Gedichten nicht zu gute kommen. 790

Löwe’s twijfel wordt gedeeld door anderen. Soms gekoppeld aan het oordeel dat zijn composities vaak een cerebrale indruk maken. Dat doet afbreuk aan de emotie die de melodie opriep. Het trof de luisteraar als een contradictio in terminis. De lange tussenspelen worden als onnodig afleidend en dus als hinderlijk ervaren. Het verband tussen de liederen verdampt en van aansluiting op het volgende lied is geen sprake meer. Binnen onze focus past het op te merken dat ondanks alle waardering het algemeen gevoelen over Leanders composities lijkt te zijn dat zij een touch van exclusiviteit hebben die er toe leidt dat zijn werk telkens opnieuw ontdekt moet worden. Daarom is het risico groot dat het terzijde wordt gelegd. En dat gebeurde, spoedig na de eerste opleving in het eerste decennium van de twintigste eeuw. In de tweede helft van de twintigste eeuw was er opnieuw aandacht voor zijn werk als gevolg van de inspanningen van Noske en Van Ruth. Het luisteren naar zijn werk voorzover dat beschikbaar was op geluidsdragers heeft ons dichterbij zijn persoonlijkheid gebracht.791 We hoorden er zijn aarzeling in, zagen hem zoeken naar evenwicht tussen boodschap en gebruikte klankkleuren. Soms met een driftige ondertoon, dan weer luisterend naar het fluisteren van een andere waarheid vol zachtheid en, om een groot woord te gebruiken, verwijzing naar een elegisch landschap. Aards tegenover onaards. Verlangen tegenover berusting. Driftig uithalen geladen met ongeduld naar berustende overgave aan het onbereikbare. Strijd zonder overwinning. Emotie tegenover rationalisatie. Verlangen zonder hoop. In een achttal recensies van muziekuitvoeringen in de De Oprechte Haarlemsche Courant treedt Leander de lezers tegemoet zoals hij door anderen, onder wie Willem Landré en Willem Andriessen, is beschreven.792 Die portretten tonen deftige gesoigneerdheid en voornaamheid. Het is een beeld van onberispelijkheid als schild voor een kwetsbaar mens die op zijn levensweg zocht naar de essentie van het leven. Hier geen enkele keer zich afzetten tegen het programma,

B. M. Löwe,‘Leander Schlegel’, Musikliterarische Blätter, jrg. IV, augustus 1912. Zie discografie, bijlage 3, p. 392. 792 NMI Den Haag, archief Leander Schlegel, toegang 114, Openbaar leven, diverse activiteiten 97 d: Knipsels van recensies van concerten gegeven in Haarlem in 1910 en 1911 in De Oprechte Haarlemsche Courant geschreven door Leander Schlegel: 2 november 1910, Het Boheemsch Kwartet; 8 november 2e Soiree Gerard Salsman; 20 december het Tweede Bach concert; 9 januari 1911, Concert Perey Grainger;10 januari, 3e Bach concert; 31 januari, vierde Bach concert; 20 december 1911, Bach Jubileum, 2e avond; en 19 december 1911, Bach Jubileum. 790 791

343


of het verketteren van de muziekkeuze, maar respect en dankbaarheid voor de getoonde muzikale gaven van de uitvoerende kunstenaars. Leander was een regelmatig bezoeker van de muziekfestivals in Bayreuth. Hij vond het verklanken van de muziek in de concertzaal afbreuk doen aan de schoonheid van het Gesamtkunstwerk dat de grote meester Richard Wagner schiep. Maar het neemt niet weg dat hij de kunstzinnig diepe weergave van diens muziek in de concertzaal hoog schatte.793 Ook dan brengt Leander oprechte dankbaarheid tot uitdrukking voor de kunstzinnige wijze waarop het Amsterdamse Concertgebouworkest onder dirigent Mengelberg diens werk uitvoerde. Voor de lezer is duidelijk dat Leander liever afreisde naar Bayreuth, hij wist echter de pure verklanking in de concertzaal eveneens op waarde te schatten. Een bestaan dicht bij zichzelf Leander was voorbestemd musicus te worden op grond van zijn muzikale talent in overeenstemming met het beeld dat zijn toonkunst minnende vader en zijn muzikale moeder daarvan hadden. Bestudering van het bronnenmateriaal heeft een beeld opgeroepen van zijn leven als mens en musicus. Noske heeft het als diens tragedie omschreven dat Leander als musicus niet over een eigen land beschikte. ‘En zonder dat – zo leert de geschiedenis – kan een componist niet blijvend doorbreken.’794 Hij was een Nederlandse Duitser in het land achter de dijken en Duitse Nederlander in de tijdens zijn leven verenigde Duitse landen. Leander was opgevoed in de Saksisch-Pruisische interpretatie van de Verlichting en romantiek. Tot op zekere hoogte gold dat ook voor Hermann en Gustav en dat in een tijd van groeiend nationalisme en natievorming. In zijn persoonlijke muziekoriëntatie en voorkeuren bleef Leander thuis in de Duitse cultuur. Hij schatte de Nederlandse muzieksmaak niet hoog. Met dit oordeel volgde hij de opvatting van zijn vader. Toch had hij als musicus een breder smaakpalet dan louter waardering voor Duitse muziek, zo blijkt uit de door hem geschreven recensies van muziekuitvoeringen in Haarlemse kranten. Hij houdt ervan te verwijzen naar de geweldige rijkdom van muziek uit de muziekgeschiedenis. Het zijn korte impressies van muziekuitvoeringen in de stad. Ze vallen op door de milde toon die het lezen tot een plezier maakt.795 Waar zijn vader in diens recensies strikt analyserend en rationaliserend toetst of de muziek thuis hoort in wat hij ‘wetenschappelijke muziek’ noemde, verwoorden de besprekingen van Leander de vreugde over de schoonheid van muziek en bewondering voor de musici die dat in hun interpretatie hoorbaar maken. 796 De L. Schlegel, ‘Bach Jubileum’, Oprechte Haarlemsche Courant, Stads Editie, Tweede avond, 20 12 1911. Archief MvN, Willem Noske, in typeschrift korte tekst over Leander Schlegel, zd en zj. (in mijn bezit). 795 In 1910 en 1911 schreef Leander een achttal recensies van concerten in Haarlemse kranten Vgl. dl. III, p. 354, noot 792. 796 Vgl. dl. I, pp. 344, noot 267, over muziekrecensies van H. Schlegel. 793 794

344


meeste van de brieven die hij van toonkunstenaars uit Europa ontving, memoreerden de hartelijke toon in zijn brieven. Leander genoot van de schoonheid van muziek, van uiteenlopende signatuur en niveau. Hij eigende zich echter niet alle variëteiten toe. Zijn grens lag bij wat hij zelf in composities wenste uit te drukken. Hij vond zijn vorm vooral in de liedkunst naar Duitse traditie, het minst in zijn instrumentale composities. Zijn triomfen in Duitsland en Oostenrijk tonen aan dat promotie van zijn werken in die landen beter landde dan daarbuiten het geval was. De inspanningen om zijn werk in Nederland onder de aandacht te brengen door Noske en Van Ruth leidde evenmin tot een blijvende publieke belangstelling voor zijn composities. Noske schreef in een notitie dat ‘de Schlegel golf tussen 1902 en 1914 vooral in Duitsland en Oostenrijk spoedig daarna weer verdwijnt onder invloed van de opkomst van de Nieuwe Weense School.’797 Leander creëerde een loopbaan waarin ruimte was voor het scheppen en spelen van zijn muziek. Hij spreekt zich naar waarheid uit niet te geven om roem. Integendeel, hij had genoeg aan zichzelf. Hulp daarbij waren zijn neiging zich te verbergen achter grappen, deftige distantie en vriendelijke toegenegenheid. Hij was een meester in het bewaken van zijn persoonlijke ruimte. Leanders levenseinde Leander stierf onverwacht, in het harnas om het zo te zeggen. Hij had zich door de dienstbode zijn avondmaaltijd op zijn kamer laten brengen om zijn werk niet te hoeven onderbreken. Toen een huisgenoot het dienblad kwam halen vond zij hem in zijn stoel, voor altijd ingeslapen.798 Het moet Emma of Aleida zijn geweest die hem vond. Moeder en dochter lieten weten dat zij geen rouwbeklag en bloemen wensten. Leander werd begraven op de begraafplaats Groenesteeg in Leiden in het graf waarin ook Gustav was bijgezet. Emma en Aleida zouden hem volgen respectievelijk in 1933 en 1964. Over Emma zelf is na het huwelijk en de geboorte van Aleida niets meer vernomen. Aleida bleef pianolerares, tot haar overlijden speelde zij bij voorkeur Bach. Eén van haar leerlingen denkt met grote waardering aan haar en haar lessen terug. Aleida was, net als haar vader, klein van gestalte en evenals hij in zichzelf gekeerd. Deze leerling vond haar de verpersoonlijking van een volledige toewijding aan haar grote meester Bach.

797 Archief MvN, Willem Noske, in typeschrift korte tekst over Leander Schlegel, zd. en zj. Tekst in copy in mijn bezit. 798 Haarlem’s Dagblad, 21 oktober 1913, melding van het overlijden van Leander Schlegel, editie 21 oktober 1913.

345


Talloze malen heeft hij flarden van een Bach compositie op straat horen klinken.799 Als 83jarige trad ze voor het laatst tijdens een concert van de Haarlemse Bachvereniging in het openbaar op. Zij speelde van J.S. Bach diens Wohltemperiertes en Die Kunst der Fuge, naar gewoonte als dilettante aangeduid met A.S. Zij overleed op 18 oktober 1964.

800

Met haar is de

kleine familie Schlegel uit Leiden en Haarlem uitgestorven. De hechte band tussen het Saksische Altenburg en de Leidse tak van deze familie wordt door nazaten in Altenburg nog steeds levend gehouden. Er wonen ook nu nog Schlegels in Altenburg en directe omgeving. Er zijn daar enkele plaatsen van herinnering die in ere worden gehouden. In het slotpark van De Burcht staat voor het Natuurhistorisch Museum Mauritianum een monument. Het werd in 1894 onthuld ter nagedachtenis aan de Vogelpastor Christian Ludwig Brehm (1787-1864), diens zoon Alfred E. Brehm (1829-1884) en Hermann Schlegel. De bronzen medaillons in hoogreliëf eren deze natuurhistorische onderzoekers als hun beroemde stadgenoten. (afb.).801 Leander is er van de partij sedert de oude legende Der Sachsische Prinzenraub door hem op muziek is gezet. Het verhaal wordt sedert 2007 met een zekere regelmaat als spektakelstuk ten tonele gevoerd.802 In het Lindenau Museum gevestigd op de Burcht liggen in een vitrine enkele muziekbladen van Leanders compositie.803 Het geboortehuis van Hermann heeft in de gevel de aanwijzing dat Hermann Schlegel daar in 1804 is geboren (figuur 2).804 Leander is er in geslaagd als musicus carrière te maken. Hij was uitvoerend musicus, hij componeerde en hij heeft een muziekschool geleid. Zijn eenzelvige natuur droeg, naarmate zijn leven vorderde, bij aan zijn keuze zich vooral op het componeren te concentreren. Hij bleef zich inspannen om zijn eigen werken ten uitvoer te (laten) brengen. In zekere zin hebben Noske en Van Ruth, de laatste tot op de dag van vandaag, deze missie voortgezet. Zo zijn Leanders composities nog in het muzikaal geheugen aanwezig, zij het marginaal.

799 Deze leerling was haar overbuurman dr. A.A. Botter (1915-2013) die de collectie brieven die Hermann Schlegel aan zijn zoon Leander schreef na het overlijden van Aleida in 1964 in bezit kreeg. In de studeerkamer van het echtpaar Botter hangt nog het portret van Hermann Schlegel geschilderd door Heinrich Jonathan Finke, zie de afbeelding in deze studie. Vgl. UBL, Westerse Handschriften, BPL 3567, brieven VAN H. Schlegel AAN L. Schlegel, orthografische tekst, kenmerk 1861 08 30, p. 3, waarin Hermann aan Leander vraagt of hij de schilder heeft ontmoet die hem portretteerde. 800 Jos de Klerk, Haarlems muziekleven in de loop der tijden (Haarlem, H.D. Tjeenk Willink & Zoon NV) p. 260 en noot 3 p. 265. 801 Voor het bronzen hoogreliëf van Hermann Schlegel, vgl. Slotbeschouwing, p. 349. 802 Vgl. dl. III, p. 338. 803 Tijdens ons onderzoek in Altenburg in 2010 kregen we van de , Altenburgse musicus Harmen Cees Koster een opname van Leanders symphonische Tongemälde opus 21, live in Altenburger Schloss uitgevoerd op 2 juni 2005, waarvoor we hem zeer erkentelijk zijn. 804 Voor de gedenksteen geboortehuis van Hermann Schlegel in Altenburg, vgl. dl. I, p. 30.

346


Figuur 21: Monument voor natuuronderzoekers Brehm, Brehm en Schlegel, 1894

347


348


Slotbeschouwing De levens van de leden van de eerste twee generaties van de kleine familie Schlegel speelden zich af tussen 1804 en 1913. Binnen deze tijdspanne hebben wij ons onderzoek vooral gericht op de drie mannelijke telgen om aan de hand van hun levensloop hun eigenheid te positioneren binnen de omstandigheden waarin zij hun levens en professionele carrières vorm hebben gegeven. Hun gemeenschappelijke trekken zijn opvallend, maar ieder van hen geeft daaraan een eigen inhoud. Bij alle onderlinge verschillen blijven zij als familie op elkaar betrokken en hielpen ze elkaar om in de wereld vooruit te komen. Deze onderlinge verschillen gaven ook aanleiding tot flinke spanningen; zij kwamen tot uitdrukking in uiteenlopende ambities en individuele keuzes.

Figuur 22: Bronzen hoogreliĂŤf van Hermann Schlegel

Een migrantenfamilie De familie gedroeg zich in Leiden als een migrantenfamilie. Strikt genomen kon alleen de vader als migrant worden aangemerkt. Hermann Schlegel, de Saksische stamvader huwde met een Nederlandse domineesdochter uit De Kaag, hun kinderen werden in Leiden geboren en brachten daar hun jeugd door. Niettemin drukte de Duitse achtergrond van het hoofd van de familie in 349


Leiden een onuitwisbaar stempel op ieders leven. De prominente plaats die de Saksische afkomst van de vader in het gezin innam, werd een onderscheidend kenmerk. Duits was de taal waarin zij communiceerden, de opvoeding van de kinderen was op Pruisisch-Saksische leest geschoeid, het sociale verkeer in en rond het gezin werd gedomineerd door Duitsers. Het zijn typerende karakteristieken die zich voortdurend manifesteren. De talrijke analogieën in de levens van de vader, zijn echtgenote Cornelia en hun kinderen Cécilia, Gustav en Leander kunnen als familiegeschiedenis worden gelezen. Familiegeschiedenissen kenmerken zich door analoge patronen en gemeenschappelijke trekken die als familie-eigen worden beleefd en die soms generaties lang in stand worden gehouden door gedeelde opvattingen over de eigen identiteit, die zich dan als familie-typisch laten beschrijven.805 Het gemeenschappelijke dat hen verbindt is, achteraf beschouwd, door Hermann gemunt als strategie om zijn plaats, welstand en habitus te continueren, en deze via opvoeding en vorming direct over te dragen en door te geven aan zijn nageslacht. Hun onderlinge gedragingen, opvattingen en karaktertrekken vertonen treffende overeenkomsten die in belangrijke mate te herleiden zijn tot de grote invloed die Herman heeft uitgeoefend op het leven van elk van zijn drie kinderen. De geslachtslijn van de Schlegels kan maar kort worden gereconstrueerd. Hermann heeft zich ingespannen hieruit een respectabel verleden te destilleren dat hij wilde voortzetten, maar wel aangepast aan zijn doel maatschappelijke stijging te realiseren. Familiegeschiedenissen worden gecreëerd en steunen op krachtlijnen die de groep in stand houden. Ze bestaan uit codes die bedoeld zijn de kenmerkende eigenschappen over de generaties heen te consolideren en zo mogelijk te versterken. De toe-eigening van een vermeend familiewapen is daarvan een voorbeeld. Het drukt de behoefte uit naar maatschappelijke erkenning en respectabiliteit, iets dat wij vaker zien in kringen van homines novi en autodidacten. De Leidse tak van de familie Schlegel omvat de periode 1804-1964; in het laatste jaar overleed het enige kleinkind, Aleida, dochter van Leander. In de boedel van Aleida bevonden zich allerlei artefacten die aan Hermann, Gustav en Leander hadden toebehoord, onder andere een portret dat haar grootvader Hermann, grondlegger van de Hollandse familietak, van zichzelf had laten schilderen.806 Verder kwam ook een heel pakket brieven te voorschijn, geschreven door Hermann aan haar vader Leander, tijdens diens studiejaren aan het conservatorium in Leipzig (1861-1863). Het zijn prachtige

805 Vgl. Ron Chernow, The Warburgs. The 20th century odyssey of a remarkable Jewish family (New York, Random House, 1993). Alexander Waugh, Das Haus Wittgenstein, Geschichte einer ungewöhnlichen Familie (Frankfurt am Main, Fischer Taschenbuch, Verlag 2010). Thomas Mann, Buddenbrooks. Verfall einer Familie (Frankfurt am Main, Fischer Verlag GmbH 1974). 806 Vgl. dl. III, p. 346, noot 799, vgl. figuur 1, portret van Hermann Schlegel.voorafgaand aan deel I, p. 28.

350


brieven; de inhoud geeft een goed beeld van de persoonlijke opvattingen, drijfveren, aansporingen, voor- en afkeuren van haar grootvader. Dat die brieven al die tijd, meer dan honderd jaar, zorgvuldig zijn bewaard, eerst door Leander en daarna door zijn dochter zegt iets over de waarde die beiden eraan zijn blijven hechten.807 Het gebeurt niet zo vaak dat wij voor de negentiende eeuw kunnen beschikken over voldoende documentatie met betrekking tot het leven en denken van drie leden uit hetzelfde gezin, drie nauw verwante personen die elk voor zich bovendien een eigen oeuvre hebben nagelaten. In dit verband kan men zich afvragen in hoeverre de levensloop van deze drie mannen, een vader en zijn beide zonen, bij alle individuele verschillen en onderling uiteenlopende omstandigheden ook kan worden geduid op basis van gemeenschappelijke kenm