Issuu on Google+

Tijdschrift voor heemkunde en folklore www.hakendover.be nr. 28 Pasen 2004


Inhoudstafel - De alvermannekes bestaan echt - De voerman van de verdwaalde zielen van Ranshoven - Bedevaart (pentekeningen) - Legende - Ontdekken dat je niet geboren bent & Een Hakendovenaar sterft in Nederland - De geconserveerde Zaligmaker - Stuur eens een kaartje - De bedevaart naar "Okkedore" - Bouwgeschiedenis - Honderd jaar Tilburg & het ontstaan van bedevaarten

Hou de komende maanden de website http://www.hakendover.be in het oog. Hij nadert na veel gesleutel en weerom een nieuwe lay-out zijn definitieve vorm. Het foto- en documentenarchief is compleet, evenals de geschiedenispagina waarop je nu via zoekterm informatie kan zoeken. De nieuwspagina zou wat completer moeten zijn op paasdag... Jammer genoeg net niet op tijd klaargeraakt.

Den Dertienden Dag vereniging voor heemkunde en folklore Hakendover - Wulmersum Processieweg 77 3300 Hakendover 0497/944081 http://www.hakendover.be info@hakendover.be k.merckx@skynet.be

Maar uniek voor Hakendover... http://www.hakendover.be/goegel... waarin u de populaire zoekmachine google voortaan ook in het hakendovers dialect vindt.


De bejaarde man die ons dit verhaal vertelt, wil dat alleen doen op voorwaarde dat wij zijn naam niet vermelden. Hij heeft daar een goede reden voor. Als de familie nog eens samen zit, wordt steevast deze gebeurtenis opgedist. De ouderen in het gezelschap weten niet wat ze moeten denken over de waarachtigheid ervan. Daarom zijn ze vaak onderwerp van spot van de jongeren, die hen op de ongerijmdheid van het hele verhaal wijzen. Onze verteller heeft zich in die discussie nooit gemengd. Maar nu hij de laatste overlevende van zijn generatie is, komt hij met de ware toedracht naar buiten. "Het was voor de oorlog. We waren thuis kleine boeren met wat land. Als we wilden ploegen, moesten we in ruil voor wat hulp in de oogst of de klein bieten, een os gaan lenen. We hadden juist genoeg om elke dag voldoende te eten. Daarom was de groentetuin dan ook van groot belang. Naast ons woonde mijn nonkel, eveneens een kleine boer. Zelf had hij geen kinderen, zodat ik het grootste deel van de dag bij hem op de boerderij zat. De man zag slecht, hij droeg een bril met dikke glazen. Was het misschien daarom dat hij graag had dat ik met hem optrok? In het voorjaar ging hij elk jaar erwtenrijzen kappen in de diepe straat naar Ezemaal. De holle weg was fel dichtgegroeid, zodat het beneden wat duister was. Toen hij weer eens ging rijzen kappen, besloot ik hem een poets te bakken. Terwijl hij op het talud bezig was, liep ik stilletjes over het veld langs de bovenkant van de diepe straat. Mijn nonkel had mij niet gezien. Ik legde mij plat op mijn buik en gooide kluiten aarde in zijn richting. Eerst kleine daarna dikkere, met hele handen vol. Het gaf een gerommel tussen de dorre struiken, precies of er een lawine op komst was. De arme man keek eerst een paar keer ongerust op, maar hij zag niets verdacht. Toen de kluiten bleven komen, griste hij zijn bijltje mee, haastte zich holderdebolder naar beneden en liep zo snel zijn benen hem konden dragen naar huis. Zijn takkenbos met rijzen liet hij ter plaatse achter. Toen ze 's avonds rond de Leuvense stoof zaten, vertelde hij wat hij in de diepe straat had meegemaakt. Hij was er vast van overtuigd dat de Alvermannetjes achter hem hadden gezeten met aardkluiten, omdat hij hun slaap had verstoord. Ze waren immers heel de nacht in de weer geweest om werkjes voor de mensen op te knappen. En overdag wilden ze rusten. Ik zat erbij, maar gaf geen kik. 's Anderdaags had ik spijt van mijn plagerij. Ik ben toen zelf in de vroege morgen terug naar de diepe straat gegaan. Ik heb de takkenbos samengebonden en hem stilletjes, zonder dat iemand het zag, in nonkels tuin neergelegd. De verrassing was natuurlijk compleet. Tot zijn laatste dag heeft mijn nonkel geloofd dat het de Alvermannetjes waren, die hem dat hadden gelapt. Zij en zij alleen hadden die erwtenrijzen thuisbezorgd. En, voegde hij er dan telkens veelbetekenend aan toe, het moeten zij wel geweest zijn, want wie anders wist waar mijn tuin was."

Folklore


Fons van Miekes was een authentieke volksfiguur van Wulmersum. Omdat hij in zijn jeugd een ongeluk had gehad en hij daardoor kreupelde, werd hij in de volksmond "De Schieëve va Miekes "genoemd. Fons en zijn zuster Maria waren beiden ongetrouwd en woonden er samen in een kleine boerderij. In de zomer zaten de mannen van de Walenstraat 's avonds bijeen op de gracht. Er werden nieuwtjes uitgewisseld, maar vaak ook anekdotes en verhalen verteld. Als Fons begon te vertellen deden ze stilletjes achter zijn rug op mekaar teken: "Hoft uër tesse mar toe". Want Fons had een onbegrensde fantasie. Alleen als hij over de verdwaalde zielen van Ranshoven begon, wist niemand goed wat ze daarover moesten denken. Fons vertelde: "Het was kort na de oorlog. Ik moest van mijn nonkel in de late namiddag nog een kar bieten gaan laden op de Sinte-Pietersberg tussen Wulmersum en Meer. Ik spande in en tegen dat ik terug aan Ranshoven voorbij kwam begon het al te duisteren. Ik was niet op mijn gemak, want het was algemeen bekend dat het daar spookte. Ik was geen honderd meter ver de diepe straat in of ineens bleef mijn paard staan. Hoe ik ook riep, het beest verroerde geen poot. Ik wilde van de kar afspringen, maar ik was precies verlamd. Ik was helemaal verstijfd van schrik en van kou. Ik zag en hoorde geen enkel geluid meer. Ik zat daar een hele tijd. Ik luisterde naar de klokken van de kerk om te weten hoe laat het was, maar die zwegen als vermoord. Het was lange tijd doodstil. Toen stak er opeens zo een hevige wind op dat ik vreesde van de kar te vliegen. Daarna was het plots weer muisstil en begon er een klein vreemd klokje te luiden, dat ik nog nooit had gehoord. Vlak daarop klonken twaalf doffe slagen. Het uur van de spoken ging door mijn hoofd. Opeens een geweldige bons achter mij op de wagen, gevolgd door een felle lichtflits. Ik voelde mijn hart kloppen in mijn keel. Ik hoorde achter mij een stem: "Draai u niet om. Gij alleen kunt ons helpen." Zonder het echt te beseffen, merkte ik dat ik weer kon spreken en mij bewegen. Ik vroeg: "Wie zijt gij en wat moet ik doen?" De gedaante antwoordde: "Wij zijn de zielen van de overledenen van Ranshoven. Omdat onze begraafplaats verwoest is, kunnen wij geen rust vinden. Daarom is het nodig dat wij zeven keer de plaats bezoeken waar wij vroeger geleefd of gewerkt hebben. Gij zijt de voerman die ons daar naartoe moet brengen." Ik zei: " Goed, ik zal u voeren, maar doe mij of mijn paard geen kwaad." Ik wilde vertrekken maar de geest waarschuwde : "Wacht eerst op de anderen." Ik hoorde achter mij acht of negen ploffen, precies of de mulder een zak naar beneden liet vallen. Toen deed de eerste geest teken en ik klakte met mijn tong. Ik draaide mijn gevoer. Het paard stapte nu door de stikdonkere nacht. De maan zat verscholen achter dikke wolken en er was geen ster te zien. Aan het hof van Ranshoven, bij Stevens, moest ik inhouden en voelde ik dat de eerste verdwaalde ziel afstapte. Bij Jans, bij de Witte van Freekes en bij Tist hetzelfde. Vlak over de spoorweg gaf de geest met zijn hand aan dat we langs het Broek moesten. Zijn hand was blauw en doorschijnend. Aan Klits bleef nog alleen de eerste geest over. "Rij nu drie keer rond de kerk van Hakendover en kom dan terug om alle zielen op te halen. Ziet dat niemand u ziet en zet er wat vaart achter want om één uur moet alles afgelopen zijn." Ik liet de lijn kletsen op het achtereind van het paard. Het getrappel van de hoeven klonk hol tegen de gevels van de huizen. Ik hoorde in de verte een klok één keer tampen. Ik had dus nog een half uur de tijd. Met moeite kreeg ik mijn wagen

Folklore


gemend doorheen het smalle straatje rond de kerk. Eén enkele keer hoorde ik aan het snerpend geluid dat ik de kerkmuur raakte. Ik hield mijn adem in. Verder geen geluid. Toen ik aan Klits terugkwam, stond de geest mij al op te wachten. Ik hoorde weer het doffe bonzen van de zielen, die opstapten. We kwamen veilig in Ranshoven aan, niemand had ons gezien. Eens dat alle zielen afgestapt waren, haalde ik verlicht adem. Maar de geest sprak: "Dit is onze eerste boetetocht. Op de gepaste tijd, telkens als het klokje van Ranshoven luidt, zal ik u komen wekken. En dat tot de zeven keer zijn vol gemaakt." Ik heb toen maanden bijna niet durven slapen. Nog zes keer zijn ze mij komen wakker maken. Er werd dan op het venster geklopt van mijn kamer. Ik kleedde mij vlug aan, deed voorzichtig de deur open en spande het paard in. Elke keer volgden wij hetzelfde ritueel en gingen we langs dezelfde weg. Op het einde van de zevende tocht zei de geest: " Nu kunnen alle zielen in vrede rusten. Slaap nu de slaap der rechtvaardigen. Uw taak is volbracht." Ik ben toen naar huis gereden en heb drie dagen en drie nachten geslapen. Ik heb lange tijd hierover aan niemand iets durven vertellen. Toen ben ik naar Sint-Truiden gegaan en heb aan een pater van het begijnhof alles opgebiecht." Als hij gedaan had, zweeg Fons minuten lang. Hij keek dan met een dromerige blik over zijn schouder richting Ranshoven en staarde vervolgens lange tijd voor zich uit. Het gebeuren had hem diep aangegrepen. Spookprocessie

De grootmoeder van E.H. Juliaan Roggen vertelde indertijd dat er te Ramshoven bij nacht een processie door de velden trok van de verloren zielen die geen rust konden vinden. Zonder twijfel betreft het hier een zeer oud volksverhaal. Ook Servaes Kinnart vertelde dat er bij de ouderen van Hakendover enige angst bestond voor de plaats. Ooit had deze laatste aan Emanuel van Suskes wijsgemaakt hij dat op een nachtelijke tocht van Goetsenhoven naar Hakendover een raar geluid had gehoord in de struiken te Ramshoven. “Ja, ja!!” had Emanuel met angstige bijgelovige ogen gezucht. Op welk historisch gegeven berust dit verhaal? Snel trekken we de conclusie dat de afgestorvenen van Ramshoven geen begrafenis hebben gekregen... en even snel zijn we dan bij de veronderstelling dat het gehucht is uitgestorven door een of andere besmettelijke ziekte. Besmettelijke ziektes waren in de zestiende en zeventiende eeuw geen uitzondering. In de 16e eeuw waren er te Hakendover 11 melaatsen en in Goetsenhoven 12 tussen 1610 en 1670. In de tweede helft werd Goetsenhoven zwaar getroffen door epidemieën van cholera. Op 26 juli 1676 werd er een soldaat van het Hollands leger begraven en zeer snel volgden het aantal zieken en sterfgevallen. Erger was het gesteld in 1693: een vijfde van de Goetsenhovense bevolking werd het slachtoffer van de cholera, in Ast vielen acht doden en vijf te Meer. Keren we echter terug naar ons uitgangspunt ‘Ramshoven’, dan merken we dat de kapel - en mogelijk ook de bewoning- toen reeds meer dan 70 jaar waren verdwenen.

Botten

Waar komt het verhaal van de ‘Dodenprocessie van Ramshoven’ dan vandaan? Misschien moeten we de oorsprong elders zoeken. Is het mogelijk dat boeren hier al eens op beenderen zijn gestoten en heeft dit de fantasie geprikkeld? Bij het ploegen is het uiteraard niet uitzonderlijk dat er historische resten naar boven komen. Rijst meteen het probleem of dit ook zo evident is bij weidegronden, en dat zijn de meeste gronden rond Ramshoven toch. Denken we immers maar aan de nabijheid van de beek. Net zoals te Ast en te Meer bevond er zich in Ramshoven een kerkhof. Het kerkhof van Ramshoven was “groot omtrint een daechmael”. Appermans vermeldt dat er hierover geen getuigenissen (over begrafenissen) in het archief te vinden zijn. “Vermoedelijk”, schrijft hij, “werden daar, reeds voor de dertiende eeuw, geen teraardebestellingen meer gedaan.” Hier komt het toeval ons tehulp. Eind jaren zeventig (1978 - 1979) werd de veldweg aan Ramshoven gebetonneerd ten bate van de ruilverkaveling. Bij die werkzaamheden stootte men op fundamenten en op de resten van het kerkhof van Ramshoven. Dankzij S. Dewaelheyns beschikken we nog over enige dia’s van de graafwerken. Duidelijk zien we menselijke beenderen. Naar verluidt nam H. Dewaelheyns toen ook een schedel mee naar huis. Betreft het hier de ‘lichamelijke resten’ van de ‘verloren zielen’ van Ramshoven?

Folklore


Paasmaandag


Paasmaandag


"Velen doen dertienmaal de toer rond de kerk, anderen slechts driemaal. Ze stoppen even bij de spikdoorn die zo'n belangrijke rol speelt in de legende. Aan de voet van de boom staan manden met takjes van de boom. Ze worden meegenomen als talisman. Men heeft rond de boom een hekje geplaatst om te voorkomen dat de bedevaarders zelf schors en takjes gaan lossnijden. Op het kerkhof bevindt zich ook een aardehok. Een man verdeelt zakjes gevuld met die aarde. Jaarlijks verdwijnen er op deze manier twee karrenvrachten kerkhofgrond. Aan die grond worden merkwaardige eigenschappen toegeschreven. Men strooit het over de akkers als bescherming tegen de Kwade Hand van de heksen. Tussen het graan in de schuur is het ideaal tegen ratten en muizen. Als je in zo'n zakje een menselijk bot vindt, kan je het tegen een pijnlijke tand houden. In de kerk staat het beeld van de Zaligmaker. Mensen offeren er geld, spelden met haar, zakjes graan, aardappelen. De voeten van het beeld lijken wel aangetast door houtworm. Maar niets is minder waar. De gelovigen prikken de voeten van het beeld met gewijde spelden, ideaal voor het genezen van tandpijn. De mis begint. Er heerst een enorme drukte. De priester kan zich slechts met de grootste moeite een weg banen doorheen het volk. De processie vertrekt. De massa betreedt al zingend en biddend de velden. De ruiters stormen met hun boeren paarden In drie toeren stormen ze rond het volk kluiten aarde opwerpend en het graan vertrappelend. In een wolk van zweet en stof zegent de priester de paarden en de bedevaarders. Het is een merkwaardig en onvergetelijk spektakel. De bedevaarders verlaten de velden en nemen bedevaartvaantjes mee als aandenken. De ruiters bevestigen de vlagjes aan de oogkleppen van hun rijpaarden. In het dorp openen de kermiskramen en de molens beginnen te draaien. De geur van friet en smoutebollen overwint de geur van stof en zweet. De danstenten openen hun deuren. De kermis begint: men drinkt, men eet, men danst tot de avond valt.� (Bron: A. Marinus, 1950?)

Paasmaandag

Omstreeks het jaar 690 zouden drie vrome maagden uit het edel geslacht van de keizer van Rome, de opdracht hebben gegeven om een kerk op te trekken op de hooibout (de zuidwestkant van het dorp). 's Nachts werd de kerk door engelen afgebroken. De maagden waagden opnieuw een kans op de Steen-berg, maar weerom vernietigden engelen bij nacht wat de arbeiders tijdens de dag hadden opgetrokken. De maagden smeekten God hen een geschikte bouwplaats aan te wijzen. Op de dertiende dag na Driekoningen leidde een engel hen naar de plaats die ondanks de wintertijd in volle bloei stond. In een boom (spikdoorn) (1) zat een vogel met een brief van God in de bek: "Dit is de plaats door God uitverkoren ...� Gedurende de werkzaamheden waren er steeds dertien metsers aan het werk, bij de uitbetaling daagden er telkens slechts twaalf op. God zelf was de dertiende werkman. Toen de kerk voltooid was, wijdde Hij haar. Later trachtten twee bisschoppen de kerk te wijden maar de ene werd plots blind, de andere lam. Om-wille van hun berouw herstelde God hun gezondheid. Veelvuldige mirakels zouden zich hier hebben voorgedaan: doden werden tot leven gewekt, zieken genezen... Twee verhalen zijn alom bekend in de orale traditie: - Een boer verhinderde de processie de doorgang over zijn akker. Hij oogstte dat jaar slechts lege graanhalmen. - Op een keer kon de processie wegens te slechte weersomstandigheden niet uitgaan. De volgende morgen hing het beeld van de Zaligmaker vol met slijk. Het beeld had zelf de weg afgelegd. Omstreeks het jaar 690 waren er in Hakendover drie vrome maagden die stamden uit het geslacht van de Romeinse keizer Octavianus. Deze drie vrouwen besloten -door een goddelijke ingeving- een kerk te bouwen voor de Goddelijke Zaligmaker, voor wie zij een bijzondere verering koesterden. Te Hakendover aangekomen lieten zij op een plaats, "Hooibout"


geheten, de werken beginnen. Maar 's avonds braken de engelen alles terug af. Hierop kozen de maagden de plek uit die men "Steenberg" noemt. Wederom braken de engelen 's nachts af wat overdag gebouwd was. Uiteraard waren de maagden nu wel zeer ontgoocheld en bedroefd, temeer daar zij dachten een zonde begaan te hebben en God zich van hen had afgewend. Hierom smeekten zij de Heer om vergeving en vroegen God hen een geschikte bouwplaats aan te wijzen God zond hen een engel die zei: "Maagden, uw verzoek wordt verhoord. Sta op en volg mij naar de plaats die de Heer welgevallig is." Dit gebeurde op de dertiende dag na Driekoningen en er lag een dik pak sneeuw. Op de aangewezen plek echter, in een kring afgespannen met een rode zijden draad, stond alles in bloei en geurden fijne kruiden en bloemen, alle besprenkeld met fijne dauwdruppels. Daarenboven stond er op de plek waar het hoofdaltaar zich nu bevindt een spikdoorn in volle bloei, groen en heerlijk geurend. In de boom zongen vogels een prachtige zang. Eén van hen hield in zijn rechterpoot een brief waarin te lezen stond: "Dit is de plaats door God uitverkoren en door God aan de drie maagden toegewezen om er een kerk te bouwen ter ere van de Goddelijke Zaligmaker." De engel geleidde de maagden naar deze plaats en sprak: "Deze plaats heeft God uitverkoren, bouw hier een kerk en stel daarvoor 12 werklieden aan, want God zelf zal de dertiende zijn." Gedurende de bouw werden door iedereen steeds 13 werklieden gezien. Bij de maaltijden en de uitbetalingen waren er echter slechts 12 aanwezig. Niemand echter vermoedde of wist wie er ontbrak, omdat steeds leek of ze voltallig waren. God zelf was de dertiende werkman. Toen de kerk voltooid was, werd zij door God als volgt gewijd: "Deze plaats wijd Ik in Mijn naam, zodat ze verder door niemand anders hoeft gewijd te worden." Toen twee bisschoppen de kerk wilden wijden, werd de ene plots blind en de andere lam. Omwille van hun berouw schonk God hen vergiffenis en herstelde hun gezondheid. Hiervoor zeer dankbaar, zijn deze bisschoppen grote beschermers van onze kerk geworden.

Paasmaandag


Het zouden drie titels uit de krant van vandaag kunnen zijn. -'Een vondeling in Hakendover’ - 'Ontdekken dat je niet geboren bent’ - 'Hakendoverse kurassier sterft in Nederlandse dienst’ Maar neen, het zijn drie merkwaardige feiten die wij hebben ontmoet in de registers van burgerlijke stand van Hakendover bij opzoekwerk naar de stambomen van de families Verhaegen en Stevens. Een vondeling in Hakendover Een kind te vondeling leggen is van alle tijden. Zelfs de Bijbel vertelt al het verhaal van Mozes, die drijvend op de Nijl in een rieten mandje werd achtergelaten. Tot aan de Franse tijd (einde 18de eeuw) was het te vondeling leggen een misdrijf waarvoor de dader zware straffen ( schandpaal, opsluiting, verbanning…) riskeerde. De wet van 17 december 1796 stipuleerde dat de hoofdplaatsen van de Departementen dienden te voorzien in een huis voor vondelingen en verlaten kinderen. Kinderen werden er in een schuif of draaibare cilinder gelegd. Ze kregen een willekeurige naam en werden zo gelegaliseerd. Zo is mijn betovergrootmoeder (tevens de overgrootmoeder van Eddy Merckx), Angelina Journois, een vondelinge van de stad Leuven. Vanaf 1811 was het te vondeling leggen niet langer strafbaar. Maar ook op andere plaatsen waar veel volk passeerde, legden moeders vaak ten einde raad hun kind neer. Dat met de hoop dat anderen er zich zouden over ontfermen. En het gebeurde niet zo uitzonderlijk. In de registers van Hakendover (Commune de Hackendover, Registre des actes de naissance, 808 nr. 1) vinden we de inschrijving van een vondeling terug op 19 januari 1808. Uit de

Paasmaandag

Franstalige geboorteakte leren we dat Pierre Houbrechts en Hubert Goyen verklaren dat ze de pasgeborene hebben gevonden, diezelfde dag om drie uur 's nachts. Waar en in welke omstandigheden staat in de registers niet vermeld. Getuigen bij de aangifte waren Jean Henry Dewaelheyns, 31 jaar, landbouwer en Pierre Houbrechts, 40 jaar, dagloner. Deze laatste kon niet schrijven. Men schatte de vondeling 2 à 3 dagen oud. Hij kreeg de naam, waarschijnlijk bij het doopsel, Charles Christ. Wat er verder mee gebeurde is niet te achterhalen. De naam Charles Christ komt verder niet meer voor in de registers van Hakendover. Vermelden we nog een vondeling van het vrouwelijk geslacht. Vanuit de overlevering vinden we daarover gegevens onder voetnoot 38 in het boek 'Hakendover, een dorp in Haspengouw' van Respen. De auteur vertelt daarin hoe onder het burgemeesterschap van Henricus Goyens (° 1805 - + 1884) de meid in de gang van zijn huis een meisje vond. Het kreeg de naam 'Nieke'. Ze werd uitbesteed bij 'Philipinne', die een snoepwinkeltje hield aan de kerk. De gemeente (waarschijnlijk het 'Bureel van We l d a d i g h e i d ' ) b e t a a l d e h a a r h e t onderhoudsgeld. Later zou ze trouwen met 'Fille van Rosse Pitte'. Meestal bevatten die overleveringen een grond van waarheid. We hebben al een hele speurtocht naar gegevens over 'Nieke' achter de rug. Maar met het verdwijnen alle gegevens door de brand van 1944 is het zoeken van een speld in een hooiberg. Misschien kan u, beste lezer, ons door uw reacties op het zoekertje onderaan op het juiste spoor helpen. Ontdekken dat je niet geboren bent Dat overkwam Hermanus Julianus Verhaegen. Wel degelijk geboren in Hakendover op 6 oktober 1871 als wettelijke zoon van Augustinus


Verhaegen en Josephina Augustina Dewaelheyns. Dat zijn ouders hem niet aangegeven hebben, is zeer onwaarschijnlijk. Ze wisten hoe het moest want hij was de vierde in de rij en zij woonden in het centrum van het dorp. Bureaucratische slordigheid? Wie zal het zeggen. Feit is dat Herman Julius Verhaegen via een speciale clausule wordt bijgeschreven met de geboorteakte nummer 26 van 1890 (Commune de Hackendover, Registre des actes de naissance, 1890 nr. 26). Er staat vermeld dat hij wel in het doopregister stond opgeschreven. En waarom precies op dat ogenblik? Wel Hermanus Julianus Verhaegen was negentien jaar geworden en moest deelnemen aan de loting van 1891. De gemeente kreeg dan de lijst met de namen van dienstplichtigen en ontduiking was door sociale controle haast onmogelijk. Op het ogenblik dat hij soldaat ging worden, werd men zich officieel pas bewust van zijn bestaan. Dit is zeldzaam, maar geen eenmalig geval en meestal werd de lacune eerder ontdekt. Een Hakendoverse kurassier sterft in Nederlandse dienst Op 12 december 1817 arriveert uit Nederland het ontstellend bericht dat Joannes Verhaegen op 19 juni 1817 overleden is in Kampen, provincie Overijssel. (Gemeente Hakendover, Register der acten van overlijden, 1817, nr. 4) Joannes Baptista Verhaegen is het zesde kind van Petrus Henricus Verhaegen en Maria Catharina Broos. Het echtpaar is afkomstig van onze Lieve Vrouw- Tielt en komt zich in 1797 in Hakendover vestigen. Ze hebben dan al vijf kinderen. Joannes Baptista Verhaegen is de eerste ven de kinderen die wordt geboren in Hakendover in l' an VI van de Franse Republiek (1797-1798). De juiste datum is niet vermeld. Bij de overgang van de parochiale naar de burgerlijke registers liep er blijkbaar heel wat fout. Daarbij komt nog dat men in de Franse periode een eigen telling hanteerde. Zo ontbreken voor Hakendover de geboorteakten van l' an VI en VII helemaal en zijn die van l' an VIII en IX onvolledig. Om dan toch maar alle borelingen in te schrijven, zal men bij de afsluiting van de tienjaarlijkse tafel op 6 nivose de l' an IX ( 27 december 1802) gewoon de naam van de kinderen oplijsten bij hun (Frans) geboortejaar. Toen hij 19 jaar werd, moest Joannes Verhaegen soldaat worden. Of toch niet?

Paasmaandag

Nadat Napoleon in Waterloo definitief was verslagen, vaardigde de Constitutie van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden op 25 augustus 1815 een besluit uit waardoor de conscriptie en de loting opnieuw werden ingevoerd. Toch waren de contingenten soldaten veel kleiner dan in de tijd van de Franse keizer. Bij de militiewet van 1817, artikel 60, werd bepaald dat alle jonge mannen aan de loting moesten deelnemen in het jaar dat ze 19 werden. Joannes Verhaegen loot er zich in en wordt ingelijfd bij de Cavalerie. Voor 1830 bestonden in de Nederlandse ruiterij 4 kurassier "Afdeelingen", nummers 1,2,3 en 9. Elk kurassier- regiment of "afdeeling" bestond uit 4 eskadrons: twee eskadrons vrijwilligers en twee eskadrons dienstplichtigen. Alhoewel er geen zekerheid over bestaat, is het moeilijk denkbaar dat Joannes Verhaegen als vrijwilliger zou getekend hebben. Of was hij toch verblind door het prachtig uniform met de zilveren borstplaat en wuivende helmbos? We zullen het niet weten. Het opzoekingswerk in Nederland kan immers alleen ter plaatse gebeuren of mits een forse vergoeding door beroepsgenealogen van het archief zelf. De getalsterkte van het regiment bedroeg 47 officieren en 735 ruiters, waarvan 6 officieren en 81 manschappen voor het depot. Het is in dat depot van het derde regiment kurassiers te Kampen Overijssel dat Joannes Verhaegen het leven liet. De eigenlijke doodsoorzaak hebben we niet kunnen achterhalen. Was het ziekte, een ongeval, een stamp van een paard…wie zal het zeggen? Het gezin van Petrus Verhaegen wordt niet van leed gespaard. Van de negen kinderen blijven er op dat ogenblik nog vijf over. Wie kan ons helpen? We zoeken meer gegevens over de vondeling 'Nieke' geboren in circa 1870-1880, die gevonden werd in de gang van burgemeester Henricus Goyens. Zij zou opgroeien in het snoepwinkeltje van Philippine aan de kerk en later trouwen met 'Fille van Rosse Pitte' Kent iemand haar naam of de naam van haar echtgenoot? Of de naam van Philippine? Wie bezit nog een exemplaar van het familieboekje 'Goenband' nr. 4 uit 1975 waarin over dit voorval bericht wordt? Alle hulp dankbaar aanvaard bij: Gui Nijs, Wulmersumsesteenweg 394, Hakendover. Tel en fax 016/788676 en gui.nijs@pi.be


Vorig jaar mocht het beeld van de Goddelijke Zaligmaker niet mee. Nee, niet omdat het regende, maar omdat het er erg slecht mee gesteld was. Omdat het jarenlang in de buurt van de blazers van de verwarming van de kerk had gestaan, was het houtwerk gekrompen en op tal van plaatsen waren stukken uit de verflaag van het beeld losgekomen. Toen leden van het Koninklijk Instituut van het Kunstpatrimonium in 2003 in onze kerk aanwezig waren voor het opnieuw samenstellen van het gerestaureerde retabel, merkten ze het beeld op. Vrij snel werd het beeld ingepakt en overgebracht naar hun ateliers in het Jubelpark in Brussel. In eerste instantie werd het aan een grondig onderzoek onderworpen en daarbij kwam men tot de volgende vaststellingen: - het beeld kent vier verflagen - de bovenste verflaag (die nu

geconserveerd is) dateert uit de negentiende eeuw - de handen dateren uit de negentiende eeuw - het eigenlijke beeld dateert van circa 1340 -1350 - het is afkomstig uit een Maaslands atelier Voor alle duidelijkheid: het beeld is niet gerestaureerd maar geconserveerd. Een restauratie houdt immers in dat men het beeld naar een vroegere toestand zou hebben teruggebracht. Dit was niet mogelijk daar het voor Pasen 2004 weer in de kerk moest zijn.

Paasmaandag


Heemkundige Kring Den Dertienden Dag ontwierp 4 postkaarten over de paardenprocessie en de bedevaart. Abonnees van DDD krijgen de vier kaarten er gratis bij. Wie de kaarten los wil bekomen, betaalt tijdens de paasdagen € 2 voor een set van vier kaarten, € 0.50 voor één kaart. Begin twintigste eeuw werden er massa’s postkaarten gedrukt, vooral van de kerk van de Goddelijke Zaligmaker en de bron. Vreemd genoeg is het aantal kaarten over de processie zelf erg beperkt. Heel beroemd is het stel van 6 kaarten van de hand van kunstschilder Ost. Heemkundige Kring Het XIII-maal pakte de oude traditie weer op en gaf reeksen van kaarten uit die nog steeds verkrijgbaar zijn: het retabel, de kerk, de glasramen... Ook het processiecomité liet zich niet onbetuigd met een reeks ‘handgetekende’ kaarten. Om de lacune op te vangen wat betreft de processie, de folklore en de bedevaart ontwierpen wij een reeks van vier kaarten met folklore, kermis en processie als centraal thema.

Paasmaandag


Paasmaandag


72 jaar naar Hakendover Met een jaar onderbreking omwille van het monden klauwzeer, nam Toon Hendrickx uit Etten-Leur voor de 72ste keer deel aan de bedevaart naar Scherpenheuvel. Toon kwam de eerste keer in 1928 en heeft sindsdien – met uitzondering van de oorlogsjaren – geen enkele processie overgeslagen. “Als 16-jarige knaap mocht ik mee met mijn oom”, zegt de kranige man. Oom was medeorganisator en Toon hielp hem. “Als ge me helpt met het ophalen van de contributie, magde van mijn geld me naar ‘Okkedore’, had oom gezegd. “Het zei mij wel wat”, aldus de gewezen secretaris van het West-Brabantse broederschap. “Ik had horen zeggen dat ze daar lekker bier hadden. Bovendien sprak een reisje naar het buitenland mij wel aan. Vandaag is zo’n uitstap niets in vergelijking met toen. In die tijd kwamen wij met de trein. “Die kwam van Gilze Rijen en stopte overal. In Essen moesten wij uit de trein, voorbij de douane. Er werd een Belgische locomotief voorgehangen en zo konden wij naar Tienen. Mijn oom had een logement in de Gelijnstraat (). In de namiddag naar de Norbertijner Paterskerk () en van daaruit al biddend en zingend met vaandels naar Hakendover. Vroeger keerde iedereen terug naar Tienen voor het avondmaal, waar we om 19.30 uur bijeen kwamen voor de uitreiking van medailles. Weer naar het logement en vroeg uit de veren. Om 9 uur gingen wij de mis voor de processie uit Breda bijwonen. Nadat wij de benedictie kregen op het veld, moesten wij snel terug naar Tienen, want om 14 uur vertrok de trein terug naar huis.” Die eerste bedevaart naar Hakendover is Toon zijn leven lang bijgebleven. Hij was zeer onder de indruk door de devotie van de pelgrims, door het beeld van de Goddelijke Zaligmaker dat vanuit de kerk meegedragen werd door stoere kerels. Toon Hendrickx maakte in Hakendover onafscheidelijke vrienden. Hij maakte er kennis met Michel en Emanuel Roggen. Ze werden een beetje familie van mekaar. In 1930 werd afgesproken dat de vrienden uit Hakendover een tegenbezoek zouden brengen. Ze kwamen met de fiets. Een krant schreef dat er bij Hendrickx Belgische boeren op bezoek kwamen.

Paasmaandag

Toon kwam uit een godvruchtig gezin. Nadat hij de school afmaakte, werd hij net als zijn vader landbouwer. “Het mooiste beroep dat er is”, meent hij nog steeds. Toon is altijd een bijzonder man geweest die steeds bereid was om de kar te trekken en om anderen te helpen. Maar hij was ook een man met een visie. Iedere winter volgde hij cursussen om bij te blijven, maar ook om zijn kijk op de wereld te verruimen. Na een tijd werd hij bestuurslid en c o m m i s s a r i s v a n h e t We s t - B r a b a n t s e broederschap. Die functie heeft hij inmiddels al weer doorgegeven. Maar zijn jaarlijkse uitstap naar Hakendover Tilburg voor zichzelf. Dat waren “afgescheidenen”, daar moest ik me maar niet mee ophouden. Ook moest ik zorgen aan die kant sterke commissarissen te hebben. Hij toonde me een brief waar de pastoor van de parochie van de Broederschap vroeg om De Moer bij Tilburg te laten komen. De heer K. De commissaris van De Moer bleef liever bij Breda. Het spreekt vanzelf dat ik in Hakendover wel met de besturen van beide partijen sprak en we maakten de afspraak eens in Tilburg bij elkaar te komen. Toen we in Tilburg uitstapten op weg naar de pastorie van Heikant, vroeg de deken: “Ga je de zaak verkopen, Toon?” Ik zei: “Nee, we gaan eens horen hoe zij het doen, later hebben we elkaar misschien nodig en wij vertellen hoe wij het doen...” We werden goed ontvangen en de vrede was gesloten. Vorig jaar publiceerden we in onze paaseditiehet eerste deel van zijn boek “Hakendover, een leven lang”. In januari was Toon nog te gast in ons dorp voor de viering van het Dertienmaal. Samen met Frans Pierlé rakelden ze hun jeugdherinneringen aan pasen te Hakendover op. Hieronder vertelt Toon over de viering van 90 jaar Breda-Hakendover.


90 jaar Ook bij ons (in Breda) werd die 90 jaar gevierd. Het was het werk van onze nieuwe voorzitter en het bestuur. Tijdens de voorbereidingen ging het er allemaal maar geheimzinnig aan toe. Maar het werd een geweldig feest. Elkaar terug zien, kennismaken met elkaars partner, vrienden van Hakendover, Tilburg, de Meierij, een oude vriend uit Schijndel... Ik had vooraf wel eens gedacht: als ze het me vragen, wil ik wel eens mijn verhaal doen over de bedevaart en de Broederschap. (...)

Sindsdien heeft ook Hakendover zijn beeldende processie. 100 jaar En toen werd het 100 jaar! Piet Knaepen ging voordien reeds naar Hakendover om borden aan de kerk te gaan plaatsen met de mededeling “100 jaar bedevaart Breda Hakendover”. Zelf had ik twee jaar eerder de bisschop gevraagd om bij die viering van 100 jaar te willen meegaan. Bisschop Ernst ging mee. Hij koos als intentie: “Verdieping van het Geloof in het Wi l l i b r o r d j a a r ” . Wi j voegden daar aan toe: “Dankbaar gedenken, 100 jaren”. De bisschop zou zelf rijden met twee van zijn

Paasmaandag

Beeldende processie De vrienden van het gezin Roggen bleven komen en ook wij reden in de zomer een paar keer en dan nog eens in januari naar Hakendover om te spreken over de processie van paasmaandag. We spraken er met de pastoor en met het processiecomité. Jaarlijks kwamen we ook in Hoogstraten waar E.H. Jules Roggen priesterdirecteur was om er de Bloedprocessie bij te wonen. We konden die processie ervaren als schoon, nieuw en spreken... We brachten dat ter sprake in Hakendover en stelden voor: “Pas de processie aan en geef iets van het verhaal weer. We gingen ook eens naar de processie in Boxtel kijken.


huisgenoten. Ik had op eerste paasdag eten voor hen besteld bij de zusters in de school van Hakendover. Hij kon er om 8 uur ontbijten dan was hij tijdig klaar voor de mis van 9 uur. De plechtige mis was alvast een eerste teken van dankbaarheid voor die honderd jaar bedevaart. Tegelijk met onze bisschop was ook kardinaal Danneels aanwezig. Ook bij ons werd de honderdjarige bedevaart gevierd. Dat gebeurde in de grote zaal te Teteringen. Terelfderure kwamen ook de vrienden van Hakendover daar aan. Zij hadden het hen toegezonden plan met de wegbeschrijving verkeerd gesitueerd en drie uur door Breda rondgezworven. Bij die gelegenheid vertoonden we ook de dia’s die ik van Victor Respen had gekregen. Vreugde en verdriet Vreugde en verdriet staan soms dicht bij elkaar. Op zondag 29 september 1996 kwam een telefoon uit Hakendover met het droevige nieuws dat mijn goede vriend E.H. Juliaan Roggen overleden was. Hij was niet alleen een goede vriend, maar door de jaren heen mijn beste verbindingsman met Hakendover geweest die het mogelijk maakte de bedevaart in Hakendover te integreren. (...)

Paasmaandag


HAKENDOVER Hakendover ligt ten zuidoosten van Tienen, op de grens van het Hageland en de Haspengouw. Taalkundig bevindt het zich op een boogscheut van de taalgrens en binnen de Uërdingerlijn (de ich-mich-grens). De nabijheid van de Romeinse heerweg Bavai Keulen onderstreept het belang van deze plaats. In de directe omgeving van het dorp treffen we drie Romeinse tumuli aan. Het dorp telt een aantal vierkantshoeven (waaronder de Bosschellenhoeve op het grensgebied met Wommersom die toebehoorde aan de Orde van de Ridders van Malta), een merkwaardige hoeve met zadeldak langs de Sint-Truidensesteenweg, een tweetal 'kastelen' en de merkwaardige SintSalvatorbron die op Hemelvaart (in de volksmond: 'rijstpapkermis') wordt gewijd. De Kerk met kerkhofmuur en de pastorij uit 1741 zijn als monument geklasseerd. BEDEVAARTPLAATS Heel wat bedevaartplaatsen stammen uit de periode van de Contrareformatie (vb. Scherpenheuvel) of de 19e-eeuwse secularisatie (vb. Lourdes, Banneux) tijdens dewelke de Katholieke Kerk haar tanende positie trachtte te restaureren, Hakendover is een typisch voorbeeld van een middeleeuwse bedevaartplaats. De bouwlegende van de Kerk van de Goddelijke Zaligmaker werd voor het eerst ter schrift gesteld in 1432 door drie kerkmeesters. De kerk beschikte niet over de noodzakelijke relieken en de bouwlegende (de Goddelijke Zaligmaker was als dertiende werkman zelf aanwezig bij de bouw van zijn kerk) moest dat gebrek opvangen. De bouwlegende bezorgde de kerk het nodige cachet en vooral in de eerste helft van 15e eeuw steeg het belang van Hakendover als begankenisplaats. Getuigen hiervan zijn de uitbreiding van de kerk in deze periode en het 15eeeuwse retabel dat de legende aanschouwelijk voorstelt. Als we de kronieken mogen geloven deden zich hier tal van mirakels voor. Toch is de legende meer dan zo maar een middeleeuwse uitvinding. Ze bevat duidelijk voorchristelijke elementen. Vooral de cultus van de Drie

Paasmaandag

Maagden of de Drie Gezusters is een motief dat in de streek veelvuldig opduikt. Wellicht moet het worden gezien als een verchristianisering van de drie Keltische godinnen die de 'toegang' naar de andere wereld langs een bron bewaakten. De bron, de boom en de gewijde aarde (in de meeste bedevaartplaatsen treffen we slechts één van deze

motieven aan) zijn als gegeven duidelijk van Keltische of Germaanse oorsprong. Bedevaarders (thans vooral Nederlanders) nemen takjes van de spikdoorn, water van de Salvatorbron en gewijde aarde van het kerkhof mee als remedie tegen of ter voorkoming van allerlei onheil.


Ook de paardenprocessie op paasmaandag draagt iets in zich van een voor-christelijke vruchtbaarheidscultus. De processie begeeft zich over de akkers naar het topje van de Teinse Berg, zowat de 'poort' van de vruchtbare Haspengouw. Daar stormen de paarden in drie toeren rond het volk waarna ze de zegen krijgen. De legende gaf ook het ontstaan aan een merkwaardiger bedevaart, nl. die van het Dertienmaal op 16 en 17 januari. Een volledig Dertienmaal omvat dertien toeren tussen de kerk van de Goddelijke

arbeiders tijdens de dag hadden opgetrokken. De maagden smeekten God hen een geschikte bouwplaats aan te wijzen. Op de dertiende dag na Driekoningen leidde een engel hen naar de plaats die ondanks de wintertijd in volle bloei stond. In een boom (spikdoorn) (1) zat een vogel met een brief van God in de bek: "Dit is de plaats door God uitverkoren ..." Gedurende de werkzaamheden waren er steeds dertien metsers aan het werk, bij de uitbetaling daagden er telkens slechts twaalf op. God zelf was de dertiende werkman. Toen de kerk voltooidwas, wijdde Hij haar. Later trachtten twee bisschoppen de kerk te wijden maar de ene werd plots blind, de andere lam. Omwille van hun berouw herstelde God hun gezondheid. Veelvuldige mirakels zouden zich hier hebben voorgedaan: doden werden tot leven gewekt, zieken genezen... Twee verhalen zijn alom bekend in de orale traditie: - Een boer verhinderde de processie de doorgang over zijn akker. Hij oogstte dat jaar slechts lege graanhalmen. - Op een keer kon de processie wegens te slechte weersomstandigheden niet uitgaan. De volgende morgen hing het beeld van de Zaligmaker vol met slijk. Het beeld had zelf de weg afgelegd. (1) De naam "Hakendover" zou zijn afgeleid van "hagedoorn" (spikdoorn). De meest recente etymologische verklaring (Vollon) houdt het op "bochten - of hakendieperik" (Germaans). De oudste bewoning situeert zich op een plaats die men nog steeds de "Dieperik" noemt, langs een bochtige weg in de nabijheid van de bron.

Zaligmaker en de O.-L.-V.-ten-Steenkapel te Grimde (waar volgens de overlevering de Drie Maagden zouden begraven liggen), in totaal ongeveer 42 km. In dezelfde periode viert men eveneens het feest van de kerkwijding ("Hakendoverwijn"). LEGENDE Omstreeks het jaar 690 zouden drie vrome maagden uit het edel geslacht van de keizer van Rome, de opdracht hebben gegeven om een kerk op te trekken op de hooibout (de zuid-westkant van het dorp). 's Nachts werd de kerk door engelen afgebroken. De maagden waagden opnieuw een kans op de Steenberg, maar weerom vernietigden engelen bij nacht wat de

Paasmaandag

KERK VAN DE GODDELIJKE ZALIGMAKER In 1139 duikt de kerk van Hakendover voor het eerst op in een oorkonde als parochiekerk of 'ecclesia integra'. De oudste gedeelten van de kerk schijnen ook uit die periode te stammen. Je hoeft geen geoefend oog te hebben om te merken dat de kerk een amalgaam van verschillende stijlen is die in elkaar lijken te vervloeien. XIIe eeuw Uit de 12e eeuw dateren de romaanse toren en het schip evenals de zuidelijke kruisbeuk met zijn kruisribbengewelf. In die periode vormde een kleine deur in de zijbeuk de toegang. XIIIe eeuw De toren werd verhoogd en de kleine rondbogige romaanse torenvensters werden vergroot en kregen dubbele galmgaten.


XVe eeuw De toren werd weerom verhoogd met een verdieping waardoor hij instortte. Daarom trok men zware steunberen op. Op de zuidwestelijke hoek van de toren werd een traphoektorentje gebouwd. Het romaanse zijportaal werd vergroot tot een imposant gotisch portaal. Het koor werd vervangen door het huidige koor in hooggotiek. Naast de zuiderkruisbeuk verrees pal op het koor een tweede zijkapel. XVIe eeuw De romaanse zuiderkruisbeuk werd verlengd zodat hij gelijk kwam te staan met de nieuwere gotische zijkapel. De noordelijke kruisbeuk verving men door een brede onregelmatige gotische (alhoewel die stijl toen reeds buiten gebruik was) kruisbeuk. De muurschildering die in 1993 werd blootgelegd, is een epithaaf of grafschrift. Reeds langer bekend is de beeltenis op de pilaster. Volgens de overlevering verschijnt zij steeds weer als men ze wil verwijderen. 1765 Vermoedelijk werd de torenspits herbouwd. De zijbeuken werden opgetrokken tot boven de romaanse vensters van de middenbeuk (dat kun je nog steeds zien). Binnenin de kerk vervingen barokke pijlers en gotische spitsbogen de vroegere romaanse zuilen en rondbogen. 1860 De kerk werd bevrijd van haar barokke praal. De huidige sacristie werd tegen de zuidelijke zijkapel en kruisbeuk aangebouwd. 1993-1994 De ietwat 'Oostenrijks' aandoende schildering van het plafond van het schip accentueert het onderscheid tussen de barokke en de romaanse en gotische gedeelten. INTERIEUR Het Drie-Maagdenretabel dat het hoogaltaar siert, is ĂŠĂŠn van de oudste en merkwaardigste retabels van Brabantse oorsprong. De meest afdoende stelling situeert het kunstwerk omstreeks 1400. Vroeger schreef men het toe aan een zekere meester Denis die in 1485 in het dorp zou hebben verbleven. Duidelijk zijn er echter meerdere beeldensnijders aan het werk geweest en is het verantwoord te spreken over een 'atelier'. de beelden die het portaal van het stadhuis te Brussel sierden, zijn wellicht van dezelfde hand(en). De

Paasmaandag

retabelbak met zijn rijk versierde gotische nissen is van jongere datum dan de sobere gotische beeldjes. In 1978 werd het retabel voor meer dan de helft geplunderd. De gestolen beelden werden opnieuw in kunsthout m.b.v. mallen (afgietsels uit 1880) gegoten. In de romaanse zuiderkruisbeuk bevindt zich de merkwaardige Christus-op-de-koude-steen. Voor hem zien we het graf van Christus. Hier komt men bidden voor de genezing van zieke kinderen, getuige de talrijke fopspenen, kleertjes,... die men hier achterlaat (similia similibus curantur). Aan weerszijden van het zittende beeld zien we de beelden van 'Sint-Jan de bleiter' (tegen huilende kinderen) en 'Marie de bedzeiker' (tegen bedplassen). Het altaar in de gotische zuidelijke kapel wordt getooid door een triptiek van A. Knaepen dat legende en bedevaart uitbeeldt. (tekst: K. Merckx))


Alhoewel er op Paasmaandag aanzienlijk minder volk is dan vroeger, nemen toch nog steeds duizenden pelgrirns en ook toeristen, deel aan de paardenprocessie en bedevaart. Wat zet de mensen ertoe aan om voor die ene gelegenheid naar dit onooglijke dorpje te komen? Ingaand op deze vraag, stuiten wij op het hoe en waarom van bedevaarten in het algemeen. Alvorens de bedevaart naar Hakendover in het licht te stellen, dalen we af in de grijze nevelen van het vroege christendom om een antwoord te vinden op die vragen. Het ontstaan van bedevaarten Jeruzalem We kunnen stellen dat de eerste bedevaarten naar Jeruzalem aan de basis liggen van de christelijke bedevaarten. "Het is mogelijk", schrijft lef Lamberts in 'Bedevaart en liturgie', "dat de eerste christenen in Jeruzalem de gedachtenis van het lijden, de dood en de verrijzenis van de Heer vierden door zich van de ene naar de andere plaats te begeven waar deze gebeurtenissen zich voordeden." Toch maakten de Joodse opstanden en de daaruitvolgende verwoesting van de stad dat de christenen de stad ontvluchtten. Daarom hielden ze hun erediensten in ĂŠĂŠn of ander huis en was er nog geen sprake van "een bedevaart naar een heilige plaats". Toch zouden de ruimten die men voor de liturgie ging gebruiken g a a n d e w e g a a n waardigheid winnen omdat zij de verzamelplaats waren voor de gelovigen. Op de begraafplaatsen waar de familie het jaargetijde van de afgestorvene vierde, wonnen vooral de graven van martelaars aan belangstelling. Na de vrede van Constantijn (313) ging men koortsachtig op zoek naar de heilige plaatsen waar bijbelse gebeurtenissen konden worden gelokaliseerd. En zulke plaatsen waren in Jeruzalem veelvuldig aanwezig. Overal begon men te bouwen: gebedshuizen, martyria, en natuurlijk het Calvariecomplex. Christenen kwamen van ver gereisd om deze plaatsen te bezoeken. Ze werden "peregrinus"

Paasmaandag

(vreemdeling) genoemd, afgeleid van "pereger" (over land gereisd), of zoals wij zeggen "pelgrim". Relieken en martelaars Meer en meer gingen christenen op die plaatsen ook op zoek naar overblijfselen, sporen van deze gebeurtenissen (=reliquiae) en die werden veelvuldig gevonden: de laatste voetafdruk van Christus, de lans waarmee Christus was doorboord, het "Ware Kruis", de schotel waarop het hoofd van Johannes de Doper voor Herodes werd "geserveerd" ... Niet alleen ging men op zoek naar overblijfselen van de Heer, maar ook van heilige personen en martelaars, want deze werden aanroepen als bemiddelaars. In de martelaarsgraven werden de losse altaren voor de viering van de verjaardag van de marteldood vervangen door vaste. Iets gelijkaardigs gebeurde in de basilieken, waar men de altaren ging voorzien van een ruimte voor relieken; want men moest "het Offer van de Heer vieren boven de resten van hen die hun bloed hadden vergoten voor Hem". (1. Lamberts, p.210) Aan Lichaamsdelen van een martelaar werd dezelfde kracht toebedeeld als aan het ganse lichaam en daarom besloot men tot opgraving (elevatio), overbrenging (translatio) en verdeling (dismenbratio). Nadat de Roomse kerk dit lange tijd uitdrukkelijk verbood, zou Paulus I, na de verwoesting van Romeinse graven door de Longobarden in 757, het bevel geven tot opening van de graven en verdeling. Omdat Pepijn III Rome had verdedigd, kreeg hij de toelating relieken mee te nemen nĂĄar het noorden. In de daaropvolgende periode zakten steeds meer monniken, bisschoppen. ..naar Rome af om relieken te kopen. Om niet met lege handen te moeten thuiskomen, durfden zij die relieken al wel eens stelen of- wat heel veel is gebeurd -zelf vervaardigen ! Bedevaarten Zo kwam vrijwel elke kerk in het bezit van relieken. Het gewone volk kende er een therapeutische kracht aan toe. Vooral lichamelijk contact met de relieken was


Goddelijke Zaligmaker is een vreemde eend in de bijt. Zij beschikt niet over relieken en toch lokt zij jaarlijks duizenden bedevaarders. Uit mondelinge overlevering en ook schriftelijke bronnen kennen wij talrijke verhalen over zogenaamde wonderbaarlijke genezingen en mirakels die zich hier zouden hebben afgespeeld.

hier zeer belangrijk. Om leniging van kwalen en ziektes te verkrijgen, moest een heel precies ritueel worden gevolgd. Deze volkse rituelen stonden vaak dichter bij magie, dan bij de kerkelijke leerstellingen. Deze cultusplaatsen waren immers vaak heidense heiligdommen die waren gekerstend en daarmee ook de heidense magische praktijken. Afuankelijk van het belang van de patroonheilige en het aantal relieken dat in het bedehuis werd bewaard, kenden kerken een al of niet grote toeloop van bedevaarders en pelgrims. Naast het verlangen op genezing, gingen zij ook op bedevaart als straf, uit een belofte of uit een bijzondere devotie voor een bepaalde heilige ...Bovendien verbonden pausen aflaten aan het bezoek aan een bedevaartplaats. Kwamen tijdens de loop van het jaar individuele pelgrims naar de parochiekerken, dan lokte vooral de feestdag van de patroonheilige (in Hakendover paasmaandag) of de wijdingsdatum van de kerk (in Hakendover het feest van "Hakendoverwijn" tijdens de week van het Dertienmaal in januari) veel bedevaarders. Dat waren immers de dagen waarop de processie door het dorp trok, en de relieken -al of niet in een schrijn werden (worden) meegedragen. Hakendover Waar bevindt Hakendover zich tussen al deze parochies, annex bedevaartplaatsen? De kerk van de

Paasmaandag

Bouwlegende In Hakendover is het de bouwlegende die bedevaarders naar de kerk trekt. Vaak werd zo'n legende met dit doel voor ogen in het leven geroepen. Het lijkt er echter op dat de wereldlijke bestuurders van onze kerk, die de legende in 1432 voor het eerst op schrift stelden, rijkelijk hebben geput uit veel oudere mondelinge verhaalgegevens, die ze hier en daar wat hebben aangedikt. Het ter schrift stellen van zo'n legende maakte de baan vrij voor een kerkelijke erkenning, die er in 1508 kwam voor Hakendover. In 1873 en 1875 zou Paus Pius IX de volgende aflaten vergunnen: "eenen vollen aflaat aan die te Hakendover het Dertienmaal volbrengen", "verrijkt met aflaten het in de kerk van Hakendover bestaande broederschap te eere van den Goddelijken Zaligmaker", "eenen vollen aflaat aan die de kerk van Hakendover bezoeken tijdens de Paasweek. " Een all-round bedevaartplaats Hakendover kan zijn bedevaarders meer bieden dan de relieken elders. Aarde van het kerkhof, takjes van de legendarische spikdoorn, water van de bron van de Goddelijke Zaligmaker worden terwille van hun heilzame werking meegenomen. De "Christusin-het-Graf' die zich in de kerk bevindt, wordt aanroepen voor de genezing van baby's. Getuige hiervan, zijn de fopspenen, babyschoentjes en beertjes die aan het "graf' worden vastgemaakt. Het Dertienmaal (13x heen en weer tussen de kerk en het O.-L.-V.-tenSteenkapelletje; in totaal ongeveer 40 km) is een "individuele bedevaart", tegenover de paardenprocessie, die een "collectieve" belevenis is. Het O.-L.- Vrouw-ten- Steenkapelletje waar volgens


de legende de "Drie Maagden" rusten, wordt bezocht voor allerhande kwalen. Opmerkelijk zijn de metalen kroontjes. Bedevaarders plaatsen een kroontje op het hoofd ui de hoop op genezing. De bedevaart naar Hakendover Uit de Kempen In "Sagen en legenden uit het Hageland" schrijft L. Rock: "Uit alle gouwen, uit alle landen komen duizenden en duizenden bedevaarders er naartoe (= naar Hakendover) gestroomd, om de bescherming van Onzen Lieven Heer van Hakendover af te smeeken. Bijzonder uit het Noorden van ons Hageland en de Kempen is de toeloop buitengemeen groot." Niet voor niets zong de Tiense (Hakendoverse ?) jeugd het rijmpje "Kempenes, koekebakkoek, neemt den bessem en slaagt er oep." In "De Kempenaar", een krant voor Turnhout en omstreken, verscheen eind vorige eeuw, vrijwel jaarlijks, een verslag over de bedevaart vanuit Turnhout. Eind jaren '80 meldde Turnhout, op de vraag van onze kerkfabriek, dat het wegens gebrek aan belangstelling niet meer aan de bedevaart deelneemt. uit: "De Kempenaar", 16/4/1870 "Dezen morgen is de jaarlijksche bedevaart van Turnhout naar H o e k e n d o v e r v e r t ro k k e n . W I j vernemen dat het getal pelgrims van jaar tot jaar toeneemt en eenen plechtigen optocht vormt, waarvan onder andere een 15-tal personen deel maken, die, in de vorm van koorknapen gek/eed, den Zaligmaker met zijnen twaalf Apostelen voorstellen. De offeranden zullen bestaan in eene uitstekende schoone waskaars bestemd voor de kerk van Haekendover, benevens eene insgelijks prachtige kaars voor de kapel O.-L.-Vrouw van Steen. In de kerk zal tevens eene piramyde van waskaarsen branden, verbeeldende een jaartal uit de 14de eeuw, waarin de kerk gesticht is. De bedevaarders zullen in korps deelnemen aan de plechtige processie te Haekendover, en na afloop der godsdienstoefeningen (waarvan de orde bIj gedrukte briejjes aan de ledematen is bekend gemaakt) onder klokgelui vertrekken. " Uit Nederland Opmerkelijk is de opkomst van duizenden Nederlanders, vooral uit de streek van Breda en Tilburg. Hoe zijn zij ertoe gekomen Hakendover als bedevaartplaats uit te kiezen? Vooreerst spelen er historische factoren. De eerste reformatoren hekelden de bedevaarten, heiligen- en reliekenverering. Bekend is de uitspraak van Luther volgens dewelke "alle bedevaarten dienen te worden afgeschaft. Er is niets goeds in. Geen enkel gebod schrijft ze voor. De bedevaarten bieden eerder gelegenheid tot zonde en tot misprijzen van Gods

Paasmaandag

geboden". We gaan niet verder in op de theologische argumenten van zijn overigens niet volledig onterechte kritiek. Ook Erasmus immers leverde kritiek op talrijke uitspattingen in de reliekenverering. Belangrijk is wel dat Luthers en Calvijns leerstellingen mede aanleiding waren tot de godsdienstoorlogen, en tot de tachtigjarige onafuankelijkheidsstrijd tegen het katholieke Spanje. Alhoewel de Unie van Utrecht (1579) geloofsvrijheid toestond, bleef beoefening van de katholieke godsdienst in Nederland een misdrijf. Toch leefde het katholicisme er verder. Daar processies en optochten niet konden uitgaan, werd naar uitwegen gezocht. Een bedevaart naar het katholieke Vlaanderen bijvoorbeeld. Pas in de vorige eeuw begonnen de Nederlandse katholieken aan een geleidelijke emancipatie.

In Nederland bestaat er ook een processieverbod krachtens art. 184 van de grondwet van 1848. Daardoor is het verboden om buiten gebouwen en besloten plaatsen openbare godsdienstoefeningen te houden waar die in 1848 niet gebruikelijk waren. Zulke bewijzen zijn voor de Zuidelijke (katholieke) provincies echter moeilijk te leveren. In Breda Naast historische factoren speelde ook het toeval een rol in de keuze van Hakendover als bedevaartplaats. In het voorjaar van 1892 bracht de familie Matthijssen een bezoek aan de familie van Bilsen waar het gesprek handelde over het voor hen onbekende Hakendover. Hun nieuwsgierigheid was gewekt en samen met een paar anderen stapten zij de daaropvolgende Pasen te voet naar Baarle-Nassau, van waaruit zij per trein verder reisden naar Turnhout waar zij aansloten met de bedevaarders aldaar. De bedevaart trok hen aan want reeds een paar jaar later ondernamen zij de tocht met 160 pelgrims. In 1895 moest een extra trein worden voorzien. En die reis verliep lang niet zo vlot als in onze tijd. De Heer Meijs die de bedevaart vanaf 1901


Baronielaan te Breda, de zetel van de bedevaartorganisatie. Datzelfde jaar werden 825 nieuwe leden aangeworven, zodat Breda niet langer aansluiting zocht met Turnhout. Ook werd tot de oprichting van het "Broederschap van de Goddelijke Zaligmaker". Toen tijdens de Eerste Wereldoórlog alle bedevaarten verboden waren, liet men een beeld van de Goddelijke Zaligmaker maken en in de H.-Hartkerk plaatsen. Zo ging tijdens de beide oorlogen de "bedevaart" door in de kerk. Na de Tweede Wereldoorlog werd meer en meer overgeschakeld op autobussen, later op eigen vervoer. Sinds 1950 sluiten de pelgrims de bedevaart naar Hakendover ook af met een bezoek aan Scherpenheuvel. Na 1964 werd het tweedaagse verblijf te Hakendover ingekort tot 1 dag.

meemaakte, schreef hierover : “In het begin moesten wij vanuit Waspik te voet naar het tramstation den Hout-Osteind Vanuit Dongen, Oosteind; en Oosterhout reisden we per trein met aansluiting van de pelgrims van Hank, Dusset' en Raamsdonkveer naar Breda. On, 7 uur hadden we er een II Mis in de St.-Josefkerk en na een kop koffie reisden we per trein naar Roosendaal en Essen. Daar werden wij geconfronteerd met de douane, hetgeen een grote rompslomp was en dan hals over kop de trein weer in en dikwijls was men zijn vrienden kwijt. Later werd dit beter toen de coupés genummerd waren. De terugreis vertrokken we om ong. 2 uur vanuit Tienen naar Essen. Daar werden we weer gecontroleerd en kwam er een Hollandse locomotief voor de trein en Hollandse conducteurs. Zo kwamen we dan rond 6 uur in Breda en dan ging het weer per tran, naar Oosterhout en verder meestal te voet naar huis, zodat we om 8 a 9 uur daar aankwamen. Het is wel e e n t o c h t m e t hindernissen, dat is tegenwoordig wel goed geregeld " In 1899 werd de HeiligHartkerk langs de

Paasmaandag

Meierij Tilburg In 1904 ging Tilburg voor het eerst los van Breda op bedevaart. De meierij zou zich in 1936 op haar beurt gaan afsplitsen van Tilburg. Ook in Tilburg gaan stemmen op om het tweedaagse verblijf in te korten tot 1 dag, maar het lopen van "de grote dertien" blijft een uitdaging, en is onmogelijk bij een ééndaags verblijf. Misschien hebben zij ook veel te goede herinneringen aan hun verblijf in Hakendover! Reeds in 1901 immers vonden de bedevaarders uit Tilburg een onderkomen bij de familie Debempt langs de St.-Truidensteenweg. Toen in 1910 Maria-Theresia Debempt trouwde met Emiel PierIé, konden zij overnachten in de vierkantshoeve langs de Meierstraat, waar wel 200 man in de schuur verbleef Mannen en vrouwen sliepen apart, wassen gebeurde aan de pomp, en voor de vroegmis werd er -uiteraard -niet gegeten. Ook in tal van andere woningen en boerderijen en in Tienen verbleven bedevaarders. Zelfs al blijft men nu maar één dag in Hakendover, toch onderhouden de Nederlanders nog steeds goede contacten met hun vroegere gastfamilies. Naar verluidt sliepen bedevaarders sommige jaren zelfs op straat omdat ze nergens nog een onderkomen vonden.


Paasmaandag



DDDnr28