__MAIN_TEXT__

Page 1


KASK 2011


5

De rede en het ernstig te nemen verlangen Een gesprek met Wim De Temmerman, departementshoofd Anna Luyten

20

36

Complexiteit en zelforganisatie Grafisch ontwerp en textielontwerp op de drempel van de toekomst Frank Maes

Magister Artium Gandensis 2011 Laudatio Gilbert & George Lars Kwakkenbos

46

Impressies en reflecties

46

De wereld achter het cliché Anna Luyten

51

De woorden en de dingen Frank Maes

55 57

74

Münster / Gent Twee tentoonstellingen Fotograferen is een manier van bijhouden Anna Luyten

58

De multimediale wegen van de ziel Frank Maes

63

Kindvriendelijke ziekenhuizen Anna Luyten

64

De man die naar boven kijkt Anna Luyten

67

Nipple slip Anna Luyten

Gewoon werken De methode van Priit Pärn Frank Maes

80

Portret van een leermeester Een gesprek met Sam Bogaerts Anna Luyten

85

De toekomst start vandaag Jan Debbaut

91

Projecten 2011

124 Masterprojecten Beeldende Kunsten, Audiovisuele Kunsten, Drama

145 Bachelorprojecten Interieurvormgeving


De rede en het ernstig te nemen verlangen Een gesprek met Wim De Temmerman, departementshoofd Anna Luyten

Een late juni-avond op een Koninklijke Academie voor Schone Kunsten anno 2011. De lange gangen van wat vroeger een hospitaal was. Er hangen briefjes aan de muren: ‘Kot gevraagd.’ – ‘Kamer aangeboden in het centrum van Gent.’ Studenten interieurvormgeving tonen op tafels hun maquettes. In de verbouwde lokalen van het voormalige anatomische instituut Cloquet tuurt een student naar het scherm van zijn computer: ‘Ik vertel het verhaal van een jongen die in het water kijkt en door zijn spiegelbeeld wordt meegesleurd. Een mens verdrinkt zichzelf.’ Hij monteert zijn animatiefilm met de titel Narcissus. Op het eind van de gang wordt in de nieuwe cinemazaal een film over Pasolini vertoond. Tussen de nieuwe gebouwen op de Bijlokesite staan legertenten. Morgen verzamelen zich hier de modestudenten. De vrouw die het nieuwe studentenlunchcafé uitbaat, rijdt met haar fiets door de binnentuin naar huis. Ze vertelt een verhaal over bevroren geld dat ze terugvond in een potje in de diepvriezer. De tuinman heeft de heg geschoren in de vorm van een walvis. 5

In de verte, van over het grasveld, zijn stemmen te horen die tegen mekaar opgaan. Vanuit het enige nog verlichte venster. Een stem vol ambitie en zinnelijkheid, gedreven door macht en wilde begeerte. Een andere stem zoekt met een bijtend realisme redelijkheid. Ze ruziën. Het is het venster van het departementshoofd dat open staat. ‘Verlangen zonder wet, is geen verlangen, maar pervers.’ ‘De wet is voor diegenen die dienen.’ ‘Men moet het ergste vrezen als macht tegen rede vecht.’ Wim de Temmerman, een filosoof die in 2005 departementshoofd geworden is, luistert naar de replieken die heen en weer gaan. ‘Ga weg, impertinente meester, brutale wijsgeer.’ De conciërge loopt door de gang naar de directiekamer. De deuren vallen zwaarder dicht dan anders. Hij vraagt of hij het alarm moet aanzetten. ‘Ik ben hier nog een tijdje,’ zegt departementshoofd Wim De Temmerman. Hij laat één van zijn lievelingsopera’s in zijn werkkamer weerklinken en zet thee die ruikt naar venkel – op het


doosje staat ‘Mix étoiles’. Dat doet hij wel meer als hij hier ’s avonds nog aan het werk is. Hij kent de dialoog tussen keizer Nero en de filosoof Seneca uit L’incoronazione di Poppea van Monteverdi uit het hoofd. Een van de eerste opera’s ooit geschreven, en wonderlijk genoeg ook een van de beste ooit, zegt hij enthousiast. Het is een 360 jaar oude tweespraak. ‘Als Seneca zegt dat de macht zich nu en dan aan de wijsheid moet onderwerpen, tekent hij zijn doodsvonnis. Daarom is onze hors jeupositie zo interessant. In een academie sta je als kunstenaar of filosoof altijd een beetje buitenspel.’ Wim De Temmerman verwijst graag naar filosoof en socioloog Pierre Bourdieu als hij over de Academie voor Schone Kunsten spreekt. ‘Bourdieu gebruikte de uitdrukking hors jeu om over het onderwijs in het algemeen te spreken. Hij noemt het onderwijs een situatie waar je “buitenspel” bent: buiten het spel van de economische markt, van de macht en het maatschappelijke, sociale spel dat mensen onderling moeten spelen.’ ‘Een onderwijssituatie is een privilegesituatie. Je geniet tijdens die belangrijke, meestal jeugdige jaren in je leven de vrijheid om niet aan het spel te moeten participeren. In de oude huma-

nistische terminologie uitgedrukt: je kan jezelf ontplooien, datgene wat al in je sluimert, laten worden.’ ‘Een kunstschool is daarbij een verdubbelde buitenspelsituatie. Dat maakt het nog spannender dan in een gewone onderwijssituatie. Kunst is op zich al een maatschappelijk en sociaal, psychologisch hors jeu- gebeuren. Kunstwerken zijn in het licht van de alledaagse, meest elementaire behoeftebevrediging meestal nutteloos. En de kunstenaar geniet vaak een soort vrijheid die je in andere maatschappelijke sectoren niet geniet. Daarom noem ik het kunstonderwijs een plek die op een gekwadrateerde manier hors jeu is. Je staat buiten de sfeer van de macht en de markt om je volledig vrijelijk te gedragen, om je te ontplooien en jezelf te onderzoeken als kunstenaar in wording.’ Het is het onderzoek van een verlangen, zegt De Temmerman. ‘Het onderzoek van het verlangen om met beelden om te gaan, om met klank om te gaan, met beweging, om acteur te worden, of filmmaker of schilder of muzikant… De studenten komen hier dikwijls met een groot en soms romantisch gekleurd verlangen. Het is de taak van een academie om dat verlangen van de student ernstig te nemen, wellicht ernstiger dan in andere onderwijsvormen.’

Waarom moet dat verlangen zo ernstig genomen worden? ‘Omdat kunst en vormgeving, hoewel op het eerste gezicht soms nutteloos, even noodzakelijk zijn als water, als brood. Het genoemde verlangen is zeer menselijk, maar daarom nog niet maatschappelijk evident. Het wordt ook niet evident gehonoreerd. Daarom kan het des te krachtiger zijn wanneer een jong iemand zich erdoor durft te laten opeisen, en moeten we dit zeer ernstig nemen. De academie heeft de grote 6

verantwoordelijkheid dit verlangen op te vangen, te toetsen, een plaats te geven. De onduidelijkheid en de ongeordendheid van het dikwijls romantische en soms illusoire verlangen om kunstenaar te zijn, vormgever, dat samen met de studenten ordenen, een persoonlijke vorm geven, een plaats in hun dagelijksheid, en dat zowel intellectueel, emotioneel als artistiek, technisch, praktisch…’


De opleiding start bij de student zelf. ‘Het gaat in eerste instantie over de student. Hij of zij moet zich zowel technisch als ambachtelijk kunnen vervolmaken. Ik weet dat het woord “ambachtelijk” in artistieke context in onbruik is geraakt en soms een negatieve bijklank heeft; ambachten zijn al gauw “oude ambachten”, maar ik vind het zeer belangrijk. Men moet een medium en een manier van werken grondig leren kennen. Maar het is even belangrijk dat de student zich emotioneel en intellectueel zoekend opstelt ten opzichte van zichzelf. Wat hij of zij als kunstenaar of vormgever – ik kan het ook algemener ‘artistieke vorm­ gever’ noemen – wil doen en wil worden en zijn. Daarin vormt onze student een verschil met de wetenschappelijke

onderzoeker in opleiding: de kunstenaar gebruikt zijn persoonlijke manier van in het leven staan als inzet. Men kan het meest persoonlijke en intieme hier niet tussen haken plaatsen, integendeel, men moet het productief aanwenden.’ ‘Toch is het niet de bedoeling dat de student zich in de academie vier jaar lang onder een stolp bevindt en dan de wereld wordt ingestuurd. De academie is veeleer een vrijplek die actief een interactie zoekt met de wereld. De student wordt via verschillende delen in de opleiding met de realiteit buiten de school in contact gebracht, en die realiteit is ook in de school aanwezig. Anders zou het geen opleiding van waarde kunnen zijn.’

Hoe doet u dat? ‘Het zit al in de keuze van de docenten. Het docentenkorps dient te bestaan uit enerzijds excellente pedagogen van kunst en vormgeving, anderzijds uit actieve kunstenaars en vormgevers die vanuit en naast hun praktijk als pedagoog kennis en ervaring willen doorgeven. De opleidingen hebben dus nood aan voldoende lesgevers die in de realiteit van vormgeving en kunsten staan of die als theoreticus onderzoeksactief zijn. Onze studenten zelf stellen veel tentoon, overal in Vlaanderen en in het buitenland, brengen hun producties naar buiten, winnen wedstrijden… Maar het is ook ruimer, door de school tot een reëel en levend deel te maken van de stadscultuur. In ons geval is dat de Gentse stadscultuur die op het artistieke vlak zeer levendig is. Wij willen ons daarin inschrijven. Via de organisatie van tentoonstellingen, via onze cinemazaal, via lezingen, theater­ voorstellingen, het lunchcafé op de Bijlokesite. In de masteropleiding is 7

er ook een opleidingsonderdeel dat wij “kunst in het werkveld” noemen. We noemen het bewust geen “stage”, al heeft het er veel van weg. De student neemt een relatief autonome rol op en geen uitvoerende, wat in stages soms nog het geval is. Hij of zij moet in een reële werksituatie een plek vinden; dat kan in musea zijn, culturele huizen of in privéateliers van andere kunstenaars en vormgevers, bij theatergezelschappen, maar evengoed in zieken­ huizen of scholen in het kader van sociaal-artistieke projecten. Zo leren studenten professioneel functioneren buiten de academiemuren.’ Soms levert de academie ook diensten aan instellingen buiten de school. Het tweede en het derde bachelorjaar interieurvormgeving maken bijvoorbeeld ontwerpen voor de verbouwing van een schooltje in het Duitstalige landgedeelte, in samenwerking met de lokale gemeente en met de regering van de Duitstalige Gemeenschap.


‘Het punt is dus niet dat de oplei­ dingen door hun hors jeu-positie wereldvreemd zijn. Maar dat je er

op een zeer vrije manier met de reële wereld kunt omgaan, vrijer dan in die wereld zelf meestal mogelijk is.’

In het KASK huizen verschillende kunstopleidingen samen: mode, interieur, beeldende kunsten, fotografie, animatiefilm, film, drama, … ‘Dat is historisch zo gegroeid, doorheen de 260 jaar lange geschiedenis van de academie. Men volgde automatisch de evoluties in het artistieke veld waarin zich steeds nieuwe disciplines ontwikkelden. Het is niet het resultaat van een plotse, bewuste keuze. Maar we pikken wel op een positieve manier op die erfenis in. Ik hoop dat die diversiteit een van onze sterktes is. Wij kiezen niet voor een multidisciplinaire op­ leiding. Je wordt hier grondig opgeleid in een bepaald medium. Je zit of in het schilders­atelier, of in het fotografie­ atelier, noem ze maar op… dat is je hoofdatelier, dat volg je jarenlang.’ ‘Tegelijk heeft de student door de aanwezigheid van het hele spectrum aan artistieke disciplines om zich heen ook de kans uit het eigen medium te stappen en die andere media te verkennen, voor zover die nuttig zijn voor het eigen artistieke zoeken. Zowat alles is aanwezig. De studenten kunnen binnen de school in alle disciplines op een specialistische manier begeleid worden. Buiten de school is het transmediale schering en inslag, binnen de school houden we daar ook graag rekening mee.’ ‘Volgend jaar zullen we ook de muziek­ opleidingen integreren in het grotere

geheel. Er komt wat wij een “School of Arts” zullen noemen, verspreid over deze Bijlokesite en andere locaties in de stad. Dat is wel een bewuste keuze. Het zal de kunstschool zijn met het grootste aantal disciplines in één instelling in België’ ‘Wij organiseren die interactie tussen de verschillende kunstdisciplines voor een deel in het studieprogramma. Het oude romantische beeld van de solistische kunstenaar die in eenzaamheid aan zijn oeuvre werkt, bestaat nog. Maar er is evengoed steeds meer plaats voor een socialer kunstenaarschap waarin mensen vanuit verschillende disciplines mekaar vervolledigen in een gezamenlijk project. Daarom voorziet het studieprogramma dat je naast een hoofdatelier, ook neven­ateliers kan volgen waar studenten uit zeer diverse disciplines elkaar ontmoeten. Wij merken tegelijk dat studenten uit de verschillende ateliers elkaar vooral ontmoeten bij avondvoorstellingen, lezingen, tijdens het samenwerken aan projecten en producties of in de informele sfeer van het studentenlunchcafé. Een goed draaiend studentencafé is in een kunstschool minstens even belangrijk en soms belangrijker dan een goed draaiende administratie.’

KASK werkt voor alle opleidingen, behalve interieurvormgeving, met een toelatingsproef. Wat verwacht u van een student wanneer die hier binnenkomt? ‘We toetsen minstens drie capaciteiten: motivatie, de artistieke mogelijkheden en de theoretische interesse.’ ‘Er is een motivatiegesprek. Om te verhinderen dat studenten vanuit 8

verkeerde ideeën of verwachtingen aan de opleiding beginnen. We willen ook weten wat de kandidaat op artistiek vlak kan, of hij of zij aanleg heeft. Sommige kandidaten brengen een portfolio mee,


waardoor we kunnen zien of er een zekere aanleg is om zich als beeldend kunstenaar, als filmmaker of vormgever verder te ontwikkelen of niet. Dit is niet altijd doorslaggevend. Soms hebben kandidaten geen beelden bij, hebben ze die ook nog niet gemaakt. Ze kunnen een opdracht krijgen. Ze moeten bijvoorbeeld met een wegwerpcamera enkele uren de stad in. In de opleiding drama is improvisatie en het brengen van voorbereide oefeningen belangrijk.’

‘Een van onze eigen accenten is het belang dat wij hechten aan de theoretische mogelijkheden en interesses van een toekomstige student. Die worden ook afgetoetst, bijvoorbeeld in een korte tekst die de student schrijft, en aan de hand van het testen van de algemene kennis. In de opleiding is het vermogen tot reflectie belangrijk. We beschouwen de KASKstudent als een technisch, emotioneel en intellectueel onderzoeker.’

Heeft dat beschouwende karakter met uw eigen achtergrond als filosoof te maken? ‘Helemaal niet. Wij hebben gewoon het academiseringsproces van de masteropleidingen in de hogescholen ernstig genomen. De studieprogramma’s die gevormd zijn toen men naar de bachelor-masterstructuur overschakelde en die vooral vorm kregen onder mijn voorganger, stimuleren de student om meer dan vroeger onderzoekende competenties te ontwikkelen. In het kader van de academisering baseren de kunstopleidingen zich actiever en vooral explicieter dan vroeger op onderzoekservaring. Het artistieke, het technische, het emotionele en het theo­ retische onderzoek van de kunstenaar en de vormgever kan je volgens mij niet van elkaar scheiden. Elke kunstenaar of vormgever van historisch belang was steeds ook onderzoeker in zijn discipline. Deze aandacht voor de ontwikkeling van onderzoekscompetenties veronderstelt, naast een eigen pedagogische aanpak in de artistieke praktijk, een sterke klemtoon op de algemeen-theoretische vorming, zodat de student het eigen proces kan kaderen en woorden vindt om erover te spreken. In de actuele beeldende kunst is het beschouwende hoe dan ook zeer sterk aanwezig. Ook in het verleden heeft deze academie altijd prominente theoriedocenten ingescha9

keld. Ik denk bijvoorbeeld aan Wim Van Mulders, Stefan Hertmans, Paul De Vylder, Roland Decancq… ’ ‘Ik heb de weerstand tegen de academisering nooit begrepen. Behalve dat ze berust op veel misverstanden. In De Witte Raaf en in <H>ART bijvoorbeeld hebben slimme mensen daarover heel wat onzin geschreven. Men dacht dat wij hier klakkeloos de universitaire, theoretische modellen zouden invoeren. Zo werkt het niet. De beschouwing moet zich voortdurend verhouden tot de praktijk. De theoretische input is als een hemel vol kometen die langs de grote planeet van de artistieke praktijk passeren. Op een bepaald moment circuleerde het idee dat onze studenten de theorie aan de universiteit zouden kunnen volgen. Dat gebeurt nu voor bepaalde keuzevakken. Maar in zijn geheel leek me dat niet zo’n gelukkig plan, omdat de theorie moet aanleunen bij de artistieke praktijk. De docenten die theorie doceren, moeten weten wat de actuele vormgevers- en kunstenaarspraktijk inhoudt en zich er actief toe verhouden. Ze zijn meestal ook begeleider van de reflectieprocessen in de bacheloropleiding en van het artistieke proces van de masterproef. De studenten hebben voor hun masterproef zowel een theoriementor


als een praktijkmentor. Het is de essentie van ons model dat de theorie uiteindelijk in de praktijk binnensijpelt en

daarin een rol gaat spelen. De student gedraagt zich op dat gebied dikwijls als een goede opportunist.’

De student als opportunist? ‘Ja, en terecht. Kunststudenten springen methodisch opportunistisch om met de theorie. Ik bedoel niet dat ze zo weinig mogelijk naar de lessen komen. Neen, ze zijn – in het goede geval – opportunistisch in de ernstige zin van het woord: ze maken de theorie

rendabel voor hun eigen werk. Daarin ligt een verschil met de meeste univer­ siteitsstudenten. Wij moeten het theoretisch aanbod zo rijk en zo degelijk mogelijk maken, zodat de student er datgene uit kan halen wat zijn werk ten goede komt.’

Hoe nieuwsgierig en gulzig moeten studenten zijn? ‘Ik hoop dat ze nooit de drang naar het willen weten verliezen.’ U beschouwt de kunstenaar als een artistiek, technisch, emotioneel en intellectueel onderzoeker. En dat onderzoek kan hier langer verder lopen, ook na de masteropleiding. De onderzoeksprogramma’s op de campus en de samenwerking met de Universiteit Gent zijn een belangrijk facet van KASK. U hebt hier doctorandi. Waarom is dat onderzoek zo belangrijk aan KASK? ‘Een kunstenaar of vormgever die er toe doet is altijd een onderzoeker in zijn discipline geweest, maar in de oude onderwijscontext raakte dat facet ondergesneeuwd. Nochtans is hoger kunstonderwijs de plek bij uitstek waar de meest getalenteerde kunstenaars en kunstpedagogen samenkomen met jonge mensen met talent en nieuwe en frisse ideeën. Uiteraard impliceert dat een onderzoeksgebeuren, zowel collectief als individueel. Wij willen

de onderzoekscomponent die in ieder artistiek proces aanwezig is naar boven halen en actief stimuleren, omdat we mikken op vernieuwing in artistieke inhoud, vorm, expressie… Op grondigheid in het creëren, op technische vooruitgang ook. Overal in Europa zie je dat kunstscholen deze ontwikkeling doormaken. Vlaanderen vervult momenteel op dat punt een voortrekkersrol die we niet mogen kwijtspelen.’

Met het Herculesproject werd KASK het eerste kunstendepartement in Vlaanderen dat van de Vlaamse overheid geld kreeg uit het Herculesfonds voor middelgrote en grote onderzoeksapparatuur. Wat moet men zich daarbij voorstellen? We kregen een tweetal jaar terug een aanvraag goedgekeurd voor 350.000 euro met het oog op het inrichten van een audiovisueel onderzoekslab. Dat is intussen geïnstalleerd. Als je een 10

onderwijsomgeving wil ombouwen tot onderzoeksomgeving, heb je in de kunsten, net zoals in de wetenschappen, een degelijke onderzoeksinfrastructuur nodig. Een chemicus kan niet zonder


labo net zoals kunstenaars voor hun onderzoek niet zonder gespecialiseerde ateliers kunnen. Onze ateliers waren vooral gericht op de bachelor- en masterstudenten en omvatten vooral basisinfrastructuur. Dankzij dit project kunnen we onderzoekers die na hun masteropleiding, in het kader van bijvoorbeeld een doctoraat, audiovisueel artistiek onderzoek verrichten, gespecialiseerde

geluids-, film-, belichtings- en montageapparatuur bieden. De onderzoekers van onder meer de ateliers film, animatiefilm, drama en mediakunst maken er gebruik van. Maar ook de Hogeschool Gent zelf heeft actief geïnvesteerd op dit vlak. Zo werd het houtatelier op de Bijlokesite met speciale machines aangevuld om onderzoek op vlak van installatie en beeldhouwkunst te faciliteren.’

Opvallend aan KASK is dat er een aantal befaamde mensen uit de kunstwereld doceren. Hans Op de Beeck, Carl De Keyzer, Michaël Borremans, Anne-Mie Van Kerckhoven, Stephan Vanfleteren, Dirk Braeckman, Danny Venlet… om alleen maar de bij een groot publiek bekendste namen te noemen. Maar er doceren tal van vormgevers en kunstenaars met een sterke reputatie binnen hun discipline. Sommigen zijn oud-leerlingen van deze academie. Wat verwacht u van het korps van praktijkdocenten? Wat voor leermeesters moeten zij zijn? ‘Iedere docent heeft zijn eigen stijl, en is als het ware een type lesgever op zich. Maar er zijn toch twee types docenten die broodnodig zijn voor een goede kunstopleiding.’ ‘Je hebt vooreerst goede pedagogen van de kunst en van de vormgeving nodig. Het is een moeilijke en zeer specifieke bezigheid om een goed pedagoog van de kunst te zijn. En daarnaast heb je actieve kunstenaars nodig, die liefst ook goed functioneren als pedagoog. Ik verwacht daarvan vooral eenvoudige dingen: helder kunnen spreken over het werk van studenten, op tekorten wijzen zonder te demotiveren, mogelijke parcours

aangeven waarlangs een student zich kan verbeteren.’ ‘We zoeken geen docenten die een exclusieve meesterpositie innemen ten aanzien van de student. Wel docenten die de student zelf laten evolueren, die vanuit de student werken en denken en zoeken. En docenten die in een team van docenten kunnen werken en zich niet beschouwen als de exclusieve meester binnen een bepaalde discipline. Wanneer het goed loopt is er een grote generositeit aan­ wezig in de pedagogische overdracht, een vrij schenken van ervaring, aandacht, kennis, betrokkenheid, iets in de orde van de liefde tussen mensen.

Waarom is die liefde zo belangrijk? Het is een intense band. ‘Omdat de student zich in zijn werk heel persoonlijk engageert. De risico’s en de verantwoordelijkheid die men neemt als jonge mensen zich zo ver engageren, zijn groot. De ontmoeting is radicaler. Iedere student kent wel crisissituaties

11

in de ontwikkeling van zijn werk. Er is meer uitwisseling en daardoor meer breekbaarheid maar ook meer kans op blijheid dan in andere onderwijs­vormen.’


Welke studenten hoopt u dit jaar als KASKstudent af te leveren? Wat houdt die titel ‘afgestudeerd aan KASK’ idealiter voor u in? ‘Ik hoop dat ze allemaal sterk van elkaar verschillen als ze hier buitenkomen. Ik hoop dat ze beseffen dat hun vorming nog niet beëindigd is, dat ze zeker niet geloven dat er nu iets af is of dat zij zelf af zijn. In het blijven zoeken zelf ligt geluk. Ik hoop dat ze vrijdenkende onderzoekers zijn die voor hun mening uitkomen en die mondig zijn.’ ‘Ik heb zelf altijd de nadruk gelegd op de lijn die van de huidige academie loopt naar de periode van de Verlichting, in tegenstelling tot de Sint Lucasscholen die teruggaan op de retroactieve neo­ gotiek. Dat is een totaal andere erfenis.’ ‘De academie ontstond in de achttiende eeuw op het moment dat de kunst­opleidingen vrijgemaakt werden uit het gildesysteem. Van bij het ontstaan stond de mondigheid van de kunstenaar centraal. We proberen dat leidmotief aan te houden. Niet alleen

verbale of intellectuele mondigheid, maar ook en vooral artistiek. Dat vereist niet enkel technisch kunnen, vaardigheid, ambacht. Maar veel meer dan dat.’ ‘Je moet je artistieke werk in je eigen taal durven te poneren, geen werk willen maken dat meegaat met de mainstream, geen slijmerig gedrag ten aanzien van modes of tendensen of van wat iedereen verwacht. Ik hoop dat wij dergelijke studenten vormen in alle disciplines, studenten die eigenzinnig werk blijven maken dat geen kopie is. Aan het einde van hun parcours aan KASK staan, in mijn ideaalbeeld, studenten die geloven dat de wereld maakbaar is en dat zij daar met hun werk aan kunnen bijdragen. Die de wereld naar hun hand zetten in plaats van hem te ondergaan. Enfin, dat is misschien niet dé KASKstudent, maar wel mijn ideale alumnus.’

Kortom, een mens moet wil hij goed worden, goed zijn opgevoed en zich goede gewoonten hebben eigengemaakt, en dan doorgaan zijn leven door te brengen met rechtschapen bezigheden, en noch met opzet, noch tegen zijn zin slechte dingen doen. En dat kunnen alleen mensen bereiken die leven volgens een zeker verstandelijk inzicht en een juiste orde die de kracht heeft zich te doen gelden. Zo schrijft Aristoteles in zijn Ethica. Het boek staat in de bibliotheek van Wim de Temmerman tussen de Bijbel en Darwins The Voyage of H.M.S. Beagle. ‘Het is de Naardense vertaling van de Bijbel,’ zegt hij. ‘De enige Nederlandse vertaling die los van iedere kerkelijke organisatie is ontstaan.’ Boven de boekenkast hangt een schilderij van Steven Baelen, een oudstudent van KASK en laureaat van het HISK. Aan de andere muur een werk van Dirk Zoete, ook nog student geweest. En grafiek van Poliakov en Salvador Dalí. ‘Nieuw werk van recent afgestudeerden 12

voegt zich bij het oude archief van de academie. Tekeningen uit de studentenperiode van bijvoorbeeld Frits van den Berghe en van de hele Latemse school zijn in dat archief verzameld. Vroeger ging de directeur op het eind van het jaar rond in de school en zei: “Dàt en dàt blijft hier”. Nu zijn we wat meer geciviliseerd en hebben we een commissie waaraan de studenten werk kunnen voorleggen en worden zij door de Hogeschool Gent vergoed voor het werk dat hier blijft en dat dus wordt aangekocht.’ Wim De Temmerman leest over de vormgevers van het moderne scepti-


cisme. Op zijn tafel ligt Het verdorven genootschap van Philipp Blom. Een geschiedenis over de radicale filosofen van de achttiende eeuw die een mentaal broederschap vormden van intellectuele moed en revolutionaire ideeën. ‘Ik lees altijd drie boeken door elkaar.’ Daarnaast een boek met de gesprekken die Johann Peter Eckermann voerde met de dichter Goethe. ‘Hij toont de overgang van de openheid van de achttiende eeuw, die mij erg aanspreekt, naar de nogal pompeuze en conservatieve negentiende eeuw waarin alles zich opnieuw sluit.’ En hij toont het derde boek. Het is een boek dat onlangs verscheen en waarvan de schrijver Christophe Deborsu het eerste exemplaar aan de nog altijd ontslagnemend premier Yves Leterme overhandigde: Dag Vlaan­deren! Hoe Walen écht leven en denken. ‘Het is wat oppervlakkig en het doet me

13

soms denken aan de achterkant van de scheurkalender. Maar ik ijver er toch voor om dit buitenland zolang het nog binnenland is, beter te leren kennen. Wij werken nu actief aan interacties met de Waalse kunstopleidingen. Ik hoop dat het binnenland blijft, omdat er winst zit in het verschil, verschil in taal bijvoorbeeld.’ Als hij echt even volledig weg wil, gaat het departementshoofd van de academie naar zijn eigen buitenland dat ook een soort binnenland is. ‘Na zo’n wandeling in de achttiende eeuw, keer ik altijd verfrist naar de academie terug.’ Iedereen heeft zijn rede en zijn ernstig te nemen verlangen en leermeesters waarmee hij een parcours aflegt. ‘De Confessions van Rousseau en de volledige memoires van Casanova heb ik meerdere keren verslonden. Daarin staat alles wat je moet weten. Of toch bijna alles.’


01. Edwin Carels Expositie Julien Maire, Mixed Memories, M HKA Doctoraat in de kunsten, audiovisuele en beeldende kunsten: De levende lijn, een media-archeologisch onderzoek.


02. Helena De Preester Fonetisch Post-doctoraal onderzoek in de filosofie: Verbeelding. Tussen rede en passies, tussen lichaam en geest.


03. Ben Chikha Chokri Heldendood Doctoraat in de kunsten, drama: Wat is de kritische waarde van stereotypen als theatertekens?


04. Hilde Dâ&#x20AC;&#x2122;Haeyere en Sophie Nys Mack Senett met Bell & Howell 2709 camera, ca. 1926, courtesy AMPAS, Los Angeles Onderzoek in de kunsten, audiovisuele en beeldende kunsten: Stopping the Show.


05. Silvia Defrance Her Silence, actrice: Lisbeth Gruwez, foto: Kris Dewitte Doctoraat in de kunsten, audiovisuele kunsten: Spy Movie. Een onderzoek binnen het audiovisuele veld naar het â&#x20AC;&#x2DC;verborgenâ&#x20AC;&#x2122; potentieel van nieuwe media en animatie in zowel narratieve als non-narratieve structuren.


06. Leen Dewilde Onderzoeksproject, vormgeving: Kindvriendelijke ziekenhuizen.


Complexiteit en zelforganisatie Grafisch ontwerp en textielontwerp op de drempel van de toekomst Frank Maes

Over spinnen, spinsters, en het tarten van goden Het is een meesterwerk van een onvol­ prezen rijkdom en complexiteit. Las hilanderas heeft een geschiedenis in de luwte van de publieke aandacht achter de rug omdat Velázquez in datzelfde gezegende jaar 1656 ook Las meninas op doek zette. Er zijn veel overeenkomsten tussen het schilderij met de spinsters en dat met de bruidsmeisjes. In beide gevallen betreft het een kunstwerk dat een programma bevat, waarin de rijpe schilder Diego Velázquez zijn visie op de rol en de positie van de kunstenaar in beeld brengt. In Las meninas situeert hij zichzelf in de gewichtige context en het subtiele spel van de politieke macht. Hij positioneert zich ten opzichte van zijn opdrachtgever, koning Filips IV van Spanje, diens gezin, hofhouding, paleis en kunstverzameling. In Las hilanderas gaat het, zonder dat dit meteen zichtbaar is, over de artistieke en maatschappelijke verhoudingen tussen kunst en ambacht, en de positie van de kunstenaar ten aanzien van de goden en hun schepping. 20

Vooraan, op het eerste plan, zijn de spinsters in de schemer aan het werk. We zien de fabricage van een wandkleed: een aantal vrouwen spint en windt garen. Twee figuren, die zich het dichtst bij het beeldvlak en de kijker bevinden, zijn weliswaar uitgelicht maar hun gezichten zijn afgewend. De nadruk komt te liggen op een rug, een aantal armen, een hand. Deze anonieme figuren gaan op in hun handeling, ze maken integraal deel uit van de ruimte waarin ze zich bevinden. Ze vallen samen met wat ze doen. Dat ene oogcontact in het halfduister onderstreept het collectieve karakter van de handeling, de samenhorigheid. De licht-donker­ effecten verraden nog enigszins de grote invloed die Caravaggio’s chiaroscuro op de jonge Velázquez had. Maar het vloeiende penseelwerk, de verzadigde kleuren en de meesterlijke subtiliteiten van de lichtwerking in delicate glacis­lagen en withoogsels, toont aan hoe de latere Velázquez de invloeden van Titiaans topwerken uit de collectie van zijn meester heeft verwerkt


en tot een nieuw hoogtepunt gebracht. De wijze waarop de voorstelling van deze ruimte zich tot de toeschouwer verhoudt, is ietwat dubbelzinnig: enerzijds krijg je als kijker het gevoel dat je deze ruimte meteen kan binnenstappen, of er zelfs al binnen bent; anderzijds wordt rechts een rood gordijn opzij getrokken, zodat het lijkt alsof we met zachte dwang in het pluche van een theaterzitje teruggeduwd worden. De wijze waarop de schilder door middel van het licht de illusie van beweging in het spinnewiel weet op te roepen, is verbluffend. Het zou best kunnen dat Marcel Duchamps Roue de bicyclette sur socle uit 1913, de eerste readymade en het eerste kinetische kunstwerk, een revolutionaire hommage aan dit spinnewiel vormt. Hoe dan ook, Las hilanderas werd aanvankelijk beschouwd als niet meer dan een afbeelding van de koninklijke tapijtmanufactuur Sancta Isabel. Doorheen een opening als van een theaterpodium, in een kleine ruimte met een hoger vloerniveau die baadt in het licht, zijn op het tweede plan drie hofdames te zien. Zij werken niet. Ze kijken en staan te kijk. Bart Verschaffel heeft treffend beschreven hoe in de tweede helft van de zeventiende eeuw, aan de barokke hoven te Napels en Versailles, het barokke theater ontstaat.1 Voor het eerst wordt een publiek volledig aan één kant van een podium geplaatst, van waaruit het de ruimte van de artistieke handeling volledig kan overzien. Deze architectuur staat volledig in functie van de alziende blik van de absolutistische vorst. Het kijksysteem dat pas aan het barokke hof een concrete, architecturale vorm aanneemt, is op dat moment al ruim twee eeuwen, sinds de vroege renaissance, in de schilderkunst geïnstalleerd. Het is het systeem van de natuurwetenschappelijke, perspectivische en cartogra­ fische blik die het moderne individu in 21

staat stelt om de virtuele ruimte van het beeld en een groot deel van de wereld te veroveren. En om, louter op basis van de individuele ratio, als geniale Schepper naast God een Nieuwe Wereld te creëren. Om deze godgelijke alziendheid te verwerven en te behouden, om een autonoom Subject te worden, is het noodzakelijk dat de schepper en toeschouwer van deze ruimte beiden een en al oog worden. Een Oog dat die ruimte van buitenaf bekijkt, er niet in participeert, en haar zo reduceert tot een visuele constructie, tot een Object, een Beeld. De vrouwen op het podium – in een ruimte die functioneert als een ingekaderd beeld, een beeld binnenin het grotere beeldvlak van het schilderij – kijken naar een beeld: een wandtapijt, dat een scène voorstelt uit het zesde boek van Ovidius’ Metamorfosen. Deze scène biedt de sleutel tot de ontcijfering van Velázquez’ kunstwerk: Het sterfelijk meisje Arachne had de moed gehad de godin Pallas Athene, beschermster van de wevers en spinners, uit te dagen tot een wedstrijd in het weven. De scheidsrechters vonden de weefsels gelijkwaardig en daarmee was Arachne de morele winnares. Haar weefkunst was immers goddelijk bevonden. Erger was de directe belediging van de goden, want Arachne had de roof van Europa tot onderwerp genomen en Zeus in de gedaante van een stier afgebeeld. Arachne werd daarom door Athene in een spin veranderd.2 In het wandtapijt is op de voorgrond te zien hoe de gehelmde godin haar woede op Arachne botviert. Doordat de voeten van beide figuren samenvallen met de onderkant van het tapijt is het in de geschilderde weergave niet zo duidelijk of ze tot de ruimte van de hofdames of


tot de voorstelling op het wandtapijt behoren. Het wordt nog een stapje in­ gewikkelder. Athene en Arachne staan in de voorstelling van het verhaal voor het voorwerp van Athenes toorn, het door Ararchne vervaardigde weefsel met de voorstelling van de roof van Europa. In deze voorstelling verschijnt dus opnieuw een beeld, een zoveelste beeld in een beeld. Deze allerlaatste voorstelling heeft Velázquez ontleend aan Titiaans Roof van Europa, dat tot de koninklijke kunstcollectie behoorde. In een alge­ mene uitgave over barokke kunst trof ik daarover volgende passage aan: Arachnes weefsel is dus ook een verwijzing naar Titiaans disegno, diens idea en daarmee naar het aandeel van de creativiteit van de kunstenaar dat in elk schilderij steekt, al lijkt het nog zo natuurgetrouw. De begenadigde schilder Titiaan wordt dus gelijkgesteld aan Arachne, die kon weven als de goden. In de schetsmatig weerge­geven, fleurige en lichtovergoten scène op de achtergrond mogen we dus gerust een toespeling op het goddelijke karakter van de schilderkunst zien. Zo bezien bestaat er juist een tegen­ stelling met de gestalten op de voorgrond: zij komen niet boven het niveau van het handwerk uit.3 Diego Velázquez zoekt aansluiting bij de helden van de hoge renaissance, zoals Titiaan. Rond 1500 kwam de cultus van het genie tot stand. Het was in een ode aan de kunst van Titiaans tijdgenoot Michelangelo dat voor het eerst de act van het ‘creëren’, die tot dan toe uitsluitend aan God voorbehouden was, aan een mens toegedicht werd. Het was eveneens in die context dat de schilder, de beeldhouwer en zelfs de architect het statuut van de vrije, intellectuele kunsten, de zogenaamde ‘artes 22

liberales’ zoals de geometrie of de grammatica, opeisten. In de middel­ eeuwen bestond de functie van de schilder erin Gods schepping zo goed mogelijk te ‘lezen’ en na te bootsen, geenszins om er zelf iets aan toe te voegen. Zijn kunst stond ten dienste van het geloof en de gemeenschap, en werd bijgevolg aanzien als een ambacht, behorend tot de ‘artes mechanicae’. In het spoor van Titiaan en Arachne stelt Velázquez zijn kunst daarentegen voor als de vrucht van een autonome Schepper. Een prachtig tegenvoorbeeld van de rol en de positie die de helden van de hoge renaissance en (ruim een eeuw later) Velázquez het moderne individu en de moderne kunstenaar toedichten, vinden we in de periode daartussen (rond 1560) bij Pieter Bruegel de Oude. Bij Bruegel vallen de groten der aarde, zij die geschiedenis maken en de wereld (her)scheppen, pardoes van hun paard, zoals Saulus, of in zee, zoals Icarus. Zelfs Christus beeldt hij af terwijl Hij, onder de last van het kruis en de zwaarte­kracht, een knieval maakt. Velázquez misleidt de toeschouwer via zijn titel en doordat hij zijn spinsters ook daadwerkelijk op het eerste plan positioneert, terwijl de kern van het verhaal op de achtergrond plaatsvindt. Bruegel doet het omgekeerde. Ook zijn titel misleidt. Het voorwerp ervan is – in De bekering van Saulus, De val van Icarus en zelfs De kruisdraging – niet meer dan een paar onooglijk kleine toetsen, een niemendal binnen het grotere gebeuren van de voorstelling. Maar de boer op de voorgrond – de anonieme rugfiguur, opgaand in en samenvallend met zijn handeling en zijn omgeving – vormt, in tegenstelling tot de spinsters, geen misleidend alibi om een ‘grootsere’ actor te belichten. Hij vormt het eigenlijke Subject van Bruegels kunst. In zowel De bekering


van Saulus als De kruisdraging verdwijnt het centrale onderwerp van de titel in een veelheid van alledaagse acties en interacties. Het eigenlijke onderwerp van deze kunstwerken is de onherleidbare veelheid of meervoudigheid van de alledaagse werkelijkheid. Die valt buiten het bereik van de Geschiedenis. Daar staat het moderne Oog machteloos tegenover. Want van zodra dat op één actie focust, is het overzicht vervlogen, en bevindt het zich midden in het kluwen. Als Pieter Bruegels De parabel der blinden zijn meest expliciete rand­ bemerking bij de veroveringsdrang van de moderne blik vormt, dan is zijn Toren van Babel ongetwijfeld het meest manifeste getuigenis van een nimmer te reduceren veelvoudigheid en complexiteit. Geboren en getogen in een christelijke wereld die, vanaf Luther, voor eens en altijd verscheurd was, en tot artistieke maturiteit gekomen in een culturele gemeenschap die na de grote helden van de hoge renaissance enigszins verweesd achterbleef en in maniërisme verwijlde, is hij – in de huidige culturele en maatschappelijke realiteit – een hedendaagse kunstenaar. In een wereld die, onder andere dankzij digitalisering, globalisering en migraties, in hoge mate geëx­plodeerd en gefragmenteerd is, zijn er in de door Velázquez geconstrueerde krachts­verhoudingen al iets langer dan vandaag fundamentele verschuivingen aan de gang: bijvoorbeeld tussen vrije en toegepaste kunsten, tussen proces en product, tussen het podium van de Geschiedenis en de wereld van alledag. Deze transformaties lopen parallel met de verschuivingen van de geopolitieke en economische zwaarte­punten naar niet-westerse centra, na een half millennium van moderne westerse hegemonie. Binnen die context staat de scherpe, afstande23

lijke blik van het moderne, autonome adelaarsoog in toenemende mate machteloos. Zo zou het kunnen gebeuren dat het initiatief meer en meer in handen komt van de anonieme mieren en bijen die op de voorgrond van Bruegels en Velázquez’ doeken nijver aan het werk zijn, en in de vormen van collectieve intelligentie die uit massale interacties voortvloeien. In zijn toespraak ter gelegenheid van de verhuizing van het KASK (elders in dit boek afgedrukt) stelde Jan Debbaut: We hebben te maken met een heuse paradigmawissel; een samenspel van veranderingen die onze samenleving en onze cultuur ingrijpend wijzigen. Maar we kunnen nog niet goed overzien waar dat toe leidt. De gesprekken met Els Huygelen en Bram Crevits, coördinatoren van respectievelijk de master textiel en grafiek, speelden zich tegen de achtergrond van deze huidige toestand en ontwikkelingen af. Beiden hebben gemeen dat ze op een heel open, intel­ligente manier met de zopas aange­haalde verschuivingen omgaan. Ze bevinden zich in domeinen die, misschien beter dan sommige andere, in staat zullen zijn om een zekere graad van inzicht in en omgang met de hedendaagse complexiteit en onherleidbare heterogeniteit te ontwikkelen. 1. Bart Verschaffel, Figuren/Essays. Van Halewyck / De Balie, 1995. 2. Rolf Toman (red.), De kunst van de barok. Könemann, 1998. p. 406. 3. Idem.


Textiel maken is ook een vorm van bouwen Enkele jaren geleden zijn mode en textielontwerp in KASK van elkaar losgekoppeld en zijn ze elk een aparte afstudeerrichting geworden. Sindsdien is ook de richting textielontwerp geleide­lijk een heel eigen dynamiek gaan ontwikkelen. Els Huygelen is opgetogen over die evolutie. ‘We hebben andere studenten sinds de opsplitsing. Het gaat heel vaak om ingetogen, verlegen meisjes – jongens vormen nog altijd meer de uitzondering dan de regel – die hier openbloeien en fantastische dingen maken. Daar ben ik bijzonder blij en trots over. Het enige waar ik me zorgen over maak, is de vraag of ze na hun opleiding niet in een gat zullen vallen. Ook daarom willen we binnen de muren van KASK een kenniscentrum voor mode en textiel oprichten, waar studenten na hun studies terecht kunnen voor verder onderzoek.’ Ze komt uit de vrije kunsten. Ze had al met textiel gewerkt, maar het vrijwilligerswerk voor de vzw Kanaal te Kortrijk (die onder andere de tentoonstelling Inside the Visible van Cathy de Zegher organiseerde) gaf de definitieve aanzet om de stap naar textielontwerp te maken. De ervaring binnen de vrije kunsten neemt ze mee in haar rol als coördinator. Samen met de collega’s van de afstudeerrichting vindt ze het uiterst belangrijk dat de studenten niet te snel resultaatgericht werken: ‘Vroeger werd je niets aangeleerd, je werd meteen geacht aan de slag te gaan. Hier leren we de eerstejaarsstudent te vertrekken vanuit een of verscheidene begrippen. Op basis daarvan gaat de student zich in verschillende domeinen documenteren, een vormonderzoek verrichten en een concept uitwerken. Hij of zij wordt verplicht om verbanden te leggen, ook aan de hand van – zowel bestaande als zelf geschreven – tekst en 24

beeld. Juist omdat ze het vaak moeilijk hebben om zich uit te drukken.’ Zo is het de bedoeling tot systemen of procedures te komen die stap voor stap opgebouwd worden. ‘Er wordt voort­ durend benadrukt dat het resultaat niet zo belangrijk is. Het proces­matige staat centraal. Je weet niet waar je uitkomt. Sommige studenten gaan zo op in hun onderzoek dat ze heel moeilijk tot een resultaat komen. Maar veel studenten zijn juist heel sterk geconditioneerd op dit vlak, die willen meteen resultaat­ gericht werken, daar moeten we ze vanaf helpen. Een studente uit een andere school had het er aanvankelijk ontzettend moeilijk mee, maar vindt het inmiddels veel vruchtbaarder om zo te werken.’ Ze gelooft sterk in deze methode, onder andere omdat die zo universeel is. Vandaag zijn er veel vrije kunstenaars, ontwerpers, zelfs musici die er gebruik van maken. ‘Het werkt niet voor iedere student maar we leveren het als een basismethode aan, om er al dan niet op verder te bouwen. We geven de studenten ruimte, zetten geen druk. Ze krijgen de kans om diverse methodes uit te proberen.’ ‘Er zijn meer en meer contacten met andere richtingen, zoals met Miel Cardinael, die meubelontwerp geeft. Hij heeft ons uitgenodigd omwille van onze werkmethode, nadat onze studenten er met zijn studenten over gesproken hadden. Binnenkort willen we workshops organiseren met architecten. Vorig academiejaar deden wij een eerste project met Klaas Goris en Ralf Coussée. De studenten inspireerden zich op hun architectuur om een interactie te doen ontstaan. Textiel maken is ook een vorm van bouwen.’ Dat laatste kan sinds enige tijd vrij letterlijk genomen worden. Architect


Lars Spuybroek en zijn bureau NOX hebben van in het begin van het digitale ontwerpen, begin de jaren 1990, dit digitale niet louter als instrument maar als een belangrijke, scheppende actor in het ontwerpproces beschouwd. In dit zogenaamde computergegenereerde ontwerpen bepaalt de architect een aantal parameters, waarna de software de uiteindelijke vorm genereert. Opvallend is dat dit digitale ontwerpen door Spuybroek uitdrukkelijk gekoppeld wordt aan een ontwerppraktijk gebaseerd op weefselstructuren, onder andere voortgebracht door breien, haken, macramé, weven of vlechten.4 Het digitale en het weefsel zijn verbonden door een binaire logica (0/1; positief/negatief). De massale interactie van heel eenvoudige handelingen genereert een soepele structuur, die toelaat om zowel eindeloos te herhalen als maximaal te variëren en te differentiëren. Die band met het weefsel zat van meet af aan in de oorsprong van de computer vervat. De met ponskaarten gevoede, programmeerbare weefmachine van Joseph-Marie Jacquard was de onmiddellijke inspiratiebron voor de Analytical Engine van Charles Babbage, een voorloper van de computer. Ook computerwetenschap en cybernetica zijn geëvolueerd van volkomen extern geprogrammeerde machines naar de zichzelf ontwikkelende databases en autonome machines van vandaag. Als resultaat van deze evoluties ontstaat in hedendaagse architectuur zoals die van Spuybroek een integratie van constructie en decoratie, van architectuur en (toegepaste) kunst. Zo’n huwelijk beleefde een laatste hoogte­punt in de periode van de Arts&Crafts-beweging, de Art Nouveau en de Wiener Secession, niet toevallig ook een laatste stuiptrekking van het handmatige ambacht, maar raakte kort na 1900 in diskrediet. Een cruciaal probleem van deze bewegingen was dat hun sociale idealen 25

onverenigbaar waren met de kostprijs van dat individuele handwerk: ze konden de kloof tussen individu en massa niet overbruggen. In een traditioneel rollenpatroon trekt de man naar buiten om, als schepper naast God, met een scherpe, doelgerichte blik en in het uiterste geval met één geniale pennentrek, zijn eigen wereld te scheppen en die zichtbaar te maken. Hij richt bijvoorbeeld het orthogonale skelet van een gebouw op, de innerlijke structuur die door de modernistische avant-garde tot naakte essentie verheven werd. Intussen wordt de vrouw geacht binnen te blijven, dat wil zeggen, geen nieuwe wereld te creëren maar van de bestaande deel uit te maken en ervoor te zorgen dat die blijft draaien, in kleine, routineuze, repetitieve handelingen waarvan het resultaat, als de handelingen goed uitgevoerd worden, quasi onzichtbaar is. Als ze dan al beelden mag maken, dan vloeien die voort uit dezelfde soort op zich onbeduidende, repetitieve handelingen, zoals breien, haken, weven of kantklossen. En net zoals hun uitvoerder zelf, integreren de resultaten van deze nederige, vlijtige activiteit zich naadloos in het interieur van de woning, waar ze opgaan in een alledaagse, verstrooide waarneming van deze ruimte en ter decoratie dienen van het strakke, door de man gecreëerde skelet. Het bijzondere aan de nieuwe, digitaal gegenereerde architectuur, is dat men die dichotomie achter zich laat. Uit de nederige, routineuze en repetitieve handeling van het weven komt de structuur en de vorm van een gebouw tevoorschijn. Deze structuur is enerzijds repetitief en modulair (er is een zekere mate van conceptualisering, rationele berekening en modellering) en kan massale aantallen, volumes of data verwerken; anderzijds, en dat is een cruciaal verschil met de reducties


en standaardisaties van het hoge modernisme, is deze modulaire structuur in zekere mate flexibel en open, bezit ze het vermogen om als antwoord op specifieke, lokale omstandig­heden, zich binnen bepaalde limieten te transformeren. Zo is een dergelijk open, dynamisch model in staat om zowel om te gaan met massa als een antwoord te formuleren op het complexe, heterogene karakter ervan. Cruciaal is tevens dat de architect, voor zover we die term nog kunnen gebruiken, deel uitmaakt van het zogenaamde zelforganiserende proces dat hij- of zijzelf in gang gezet heeft: een hybride positionering in verhouding tot het traditionele, uitgesplitste rollenpatroon. Hij of zij is veel meer bezig met het ontwikkelen van processen dan van objecten. De vorm van het resulterende object is het resultaat van dat zelforganiserende proces, waarbij de architect slechts een van de spelers is in een geheel van interacties. Dit doet ook denken aan een termietenheuvel. In de schikking van de pilaren is daarin een zekere regelmaat waar te nemen, zodat men vroeger dacht dat er een Plan en een Architect aan de basis van moesten liggen. Niets is minder waar. Deze magistrale architectuur vloeit integraal voort uit zelforganiserende processen zonder enige centrale sturing, gebaseerd op massale inter­ acties. Intrigerend is ook dat de mieren de complexiteit die voortvloeit uit die interacties, onmogelijk kunnen vatten. Omgekeerd licht Els Huygelen toe hoe zij en haar collega’s de opleiding textiel­ ontwerp fundamenteel verruimen door die deels te conceptualiseren, door er methodes en procedures in te introduceren. Waardoor textielontwerp en architectuur op een vanzelfsprekende wijze in interactie kunnen treden met elkaar. ‘In het eerste jaar geeft Diane Steverlynck interessante 26

oefeningen rond verbindingen: hoe je met gelijk welk materiaal een oppervlak kan maken. Britt De Groot ontwikkelt modulaire systemen: elementen die ze uitlasert en vervolgens aan elkaar klit, zodat die volumes gaan vormen. Algemeen zijn er veel studenten met de vervloeiing van 2D in 3D en de verbuigingen of torsies van rechtlijnige rasterstructuren bezig. Door op bepaalde punten de bindingen te veranderen, verandert een vlak in een volume. Britt is begonnen in slappe en beweeglijke stoffen en experimenteert nu met ‘non-wovens’, zoals vilt, bestaande uit vezels die in elkaar klitten. Yu-Chieh Tsai ontwerpt kledij en stopt die in de wasmachine, waardoor ze krimpt, met als voorwaarde dat ze in beide toestanden moet functioneren. Elise Broekaert start vanuit het thema van de ontploffing, deels geïnspireerd door de Oostenrijkse kunstenaar Roman Signer. Ze ontwikkelt stoffen vanuit dat idee en komt zo, in eerste instantie handmatig, tot fantastische resultaten. Vervolgens probeert ze datzelfde resultaat te realiseren met een indu­striële productiemethode; dit genereert vol­ komen onvoorspelbare resultaten. Een aantal van deze voorbeelden maakt duidelijk dat hier nog iets veel fundamenteler aan de hand is dan een vruchtbare kruisbestuiving tussen twee toegepaste kunsten. Het toont aan hoe een traditioneel uitvoerende kunst een waarlijk scheppende kunst wordt, in die zin dat ze in de meest letterlijke zin nieuwe, autonome, soevereine Kunstwerken voortbrengt. Dit levert een nieuwe benadering en een nieuw begrip van de term ‘autonomie’ op, waarbij een autonoom Kunstwerk geen autonome Kunstenaar impliceert. Een moderne kunstenaar vertrekt vanuit een idee over wat ‘kunst’ is, en wil op basis daarvan een ‘kunstwerk’ maken. Dat is hier niet het geval. Een dergelijke attitude en


inzicht zijn ook in de richting multi­ mediale vormgeving aanwezig. Wat onderzoek in samenwerking met de bedrijfswereld betreft, is Els Huygelen duidelijk. Ze merkt bij veel afdelingen een schrik om met de industrie in zee te gaan. Die heeft zij niet. ‘Wij doen geen onderzoek op basis van een vraag uit de industrie, wij creëren zelf de vraag. We werken niet resultaatgericht maar procesmatig. We moeten een behoefte creëren, zodat men naar ons luistert.’ Ze merkt dat de geesten op dat vlak al sterk geëvolueerd zijn. Hetzelfde geldt voor wetenschappelijk onderzoek in het kader van de academisering. ‘We gaan geen dikke studies schrijven.’ Maar ze zou wel het eerder vermelde kenniscentrum en een databank willen oprichten, waar een uitwisseling van ideeën kan plaatsvinden. ‘Tentoonstellen is voor ons niet altijd evident. We kunnen evengoed een werkproces tonen als een afgewerkt product.’ In het verleden zijn er zware discussies met juryleden geweest. Zo toonde Lore Vanelslande tekeningen als eindwerk, maar volgens een jurylid kon het niet dat in een afdeling textiel­

ontwerp vrije kunst gecreëerd werd. ‘Waarom niet? Een eerste student evolueert in zijn of haar zoektocht zodanig dat die op een gegeven moment “kunst” begint te maken; een tweede creëert processen in plaats van afgewerkte producten; een derde maakt toegepast textiel. Die drie wegen moeten naast elkaar kunnen functioneren, ze zijn evenwaardig. Discussies op jury’s zijn fantastisch, zolang ze niet in ruzie ontaarden. Ook met de mentoren zijn de dialogen heel interessant. In het begin vroegen die zich af waar we mee bezig waren. Een mentor theorie sprak over zijn “moeilijkste mentorschap”.’ ‘Ik blijf studenten die de sprong willen maken wel verwittigen: pas op, want van zodra je er de stempel “kunst” op kleeft… Al begint die opdeling toch fel te vervagen als ik het oeuvre van enkele goede jonge beeldende kunstenaars zie.’ 4. Lars Spuybroek (red.), The Architecture of Variation. Thames & Hudson, 2009. p. 95-197.

Grafisch ontwerp en de problematiek van de Climate Porn De bachelor grafisch ontwerp bestaat uit vier ateliers: (vrije) grafiek; grafi­- sche vormgeving; web- en interactief design en illustratie. Het is de enige afstudeerrichting, althans officieel (zie de toelichting van Els Huygelen), die zowel autonome als toegepaste kunst omvat. In de master wordt, net als in de vrije kunsten, geen opdeling tussen de ateliers gemaakt. Coördinator Bram Crevits stapt in grote mate af van de dualiteit autonoomtoegepast. Traditioneel gaat men ervan uit dat een vormgever werkt ‘in opdracht van’ en dat een auto­- noom kunstenaar ageert vanuit een interne drang. ‘Als je spreekt over een 27

“opportuniteit”, dan impliceert dat zowel een vraag vanuit de buitenwereld als een rol van de maker, en creëer je een tussenpositie die veel duidelijker en interessanter is dan die traditionele opdeling.’ Puur materiaal-technisch beschouwd maakt het productieproces veel explicieter deel uit van het werk van de vormgever dan van iemand die een kunstwerk creëert om in een witte ruimte te plaatsen. Vandaag zijn er veel vormgevers die het proces – niet alleen dat van de productie maar ook van de distributie – in hun praktijk integreren, die daar een soort blauwdruk van maken. Zonder artisanaal te werk te gaan, kunnen ze dat hele proces begeleiden.


‘Belangrijk is de veranderende context, de toenemende complexiteit van onze samenleving, de impact van de informatie- en communicatie­ technologie op ons weefsel. De massa­ media hebben een “versplintering” teweeggebracht, de digitale media zorgen voor een “granularisering”: het wordt bijna vloeibaar. Wat is de positie van vormgeving in een samen­ leving die in netwerken functioneert? De stratificaties zijn weg, de gebieden van vroeger bestaan niet meer. In het atelier web- en interactief design worden kunst, technologie en samenleving op gelijke hoogte geplaatst.’ Studenten staan in het algemeen meer open voor samenwerking dan vroeger. In het eerste jaar krijgen ze een opdracht waarbij het er niet toedoet of ze die alleen maken of in groep. Daarbij moeten ze onderlinge complementariteit nastreven. In de master is samenwerking moeilijker, al is het eigenlijk heel belangrijk, zeker in web- en interactief design, omdat daarvoor zoveel verschillende competenties vereist zijn. In de master grafisch ontwerp ziet hij studenten teruggrijpen naar oude procedés, zoals zeefdruk, lithografie, zelfs ets, waarbij ze variatie in het seriële werk proberen te integreren. Niu Mingming, een Chinese masterstudent, dacht eerst vanuit een heel traditionele Oosterse benadering te werken. Met een traditionele Chinese zegelstempel, waarmee men signeert, is hij bladen vol gaan stempelen. Een individuele afdruk van de stempel affirmeert je identiteit en vormt compositorisch een soort contrapunt. In de herhaling is hij losgekomen van het artisanale. ‘In grafisch ontwerp is het altijd duidelijk dat het hier niet essentieel over het drukken met inkt op papier gaat. Dit is een atelier waar vooral nagedacht en gewerkt wordt rond reproductie­ procedés, in de context van een 28

geme­diatiseerde samenleving. Op Mingming heeft dat zijn effect niet gemist.’ Zoals aangegeven zijn er steeds meer studenten die processen bouwen en zo tot een heel autonome vorm komen. ‘Laurence Chanteloup ontwikkelde een masterproject waarin ze zich bezig­ hield met de vormgeving van populaire bladen als Joepie. Aan de hand van marketinggerichte psychologische onderzoeken heeft ze het kader ontleed waarin zo’n blad vorm krijgt; vervolgens heeft ze slechts een paar parameters veranderd om aan de hand daarvan het blad opnieuw vorm te geven. Dat is een autonoom kunstwerk.’ Elise Verstraete heeft, vanuit het atelier grafische vormgeving, een analyse gemaakt van de in de stad toegepast typografie, en legt een database aan, die beelden toegankelijk maakt op basis van verschillende parameters. Ze maakt daar nieuwe stadskaarten mee, en grafieken die een aantal relaties blootleggen. Die verschillende processen gebruikt ze om daaruit een heel persoonlijke beeldtaal te distilleren. Ze gebruikt al die gegevens als leidraad om op een heel vrije, persoonlijk manier installaties te bouwen. Stijn Peeters ontwikkelde een cirkelvormige, gekleurde vorm van muzieknotatie. Interessant in deze context is het veld van het zogenaamd generatief design. Men schrijft codes, bouwt een klein stukje software dat via de invoer van een aantal parameters vormen genereert. Merlijn Cantineau, student in het atelier web- en interactief design, maakt een systeem dat los van woorde­ lijke communicatie een datastroom genereert in verband met zijn koffie­ gebruik. De hoeveelheid en sterkte van elk te consumeren kopje wordt met sensoren geregistreerd. Generatief design is vaak gekoppeld aan de wereld van de datavisualisatie, waarin grafische kunstenaars op zoek


gaan naar gegevensstromen en die vormgeven. Daarin wordt een zekere inzichtelijkheid nagestreefd. Ze trachten een stukje van de informatiewereld, die zo overweldigend is, te bemeesteren en inzichtelijk te maken. ‘Als voorbeeld van die problematiek valt wel eens de term “Climate Porn”. De complexiteit van het probleem van de klimaatsverandering is ontzettend groot en onvatbaar: dit op een correcte manier visualiseren en toegankelijk maken kan je enerzijds niet doen met het beeld van een gletsjer die afbreekt; anderzijds doen de eenvoudige grafieken van Al Gore teveel denken aan economische voorspoed. Hoe kan je de uitdaging dan wel aangaan?’ Een interessante piste om verregaande complexiteit te vatten is die van de zogenaamde “ant systems”: software ontwikkeld op basis van de manier waarop sociale insecten zoals mieren, termieten en bijen zich organiseren en communiceren. Dergelijke software wordt toegepast in tal van gebieden die evoluerende processen bestuderen, waaronder de sociologie, stedenbouw, meteorologie, kosmologie of wetenschappen die levende orga­ nismen onder de loep nemen, zoals biologie, neurologie en psychologie. ‘Een heel boeiende gastspreker was Evan Roth. Die positioneert zich doel­ bewust op het snijvlak van toegepaste en autonome kunst, van technologie en samenleving. Hij gaf een workshop met als opdracht systemen uit de street art te combineren met methodes uit de hacking: hoe breek je binnen in een proces? Hij begaf zich met de deelnemende studenten in de Gentse publieke ruimte. Dan krijg je als kunstenaar geen witte wanden voorge­schoteld maar kom je in processen terecht waar je op in moet zien te spelen. De opdracht bestond er tevens in om geen vooraf bepaalde boodschap te communiceren maar eerst te zien waar 29

er kon ingebroken worden. Een derde punt was de wijze waarop viral media werken. Ingrepen werden bedacht in functie van de manier waarop ze zich als “virussen” via sociale netwerken zouden verspreiden. Daar zijn leuke interventies uit voortgevloeid, zoals de toevoeging van een aantal verbodsborden op een plek waar er al een viertal stonden.’ De Franse filosoof Michel de Certeau was midden de jaren 1970 een van de eersten om het maatschappelijk weefsel vanuit het oogpunt van de ‘gewone man’ te benaderen.5 In L’invention du quotidien portretteert hij de grootstad als een fantastisch, breugeliaans mierennest. 5. Michel de Certeau, L’invention du quotidien. PUF, 1974.


07. Jasmina Fekovic Bilitis Onderzoek in de kunsten, audiovisuele kunsten: Expanded Documentary.


08. Jerry Galle 375 Attemps To Write (robot drawing), 2010, 100 Ă&#x2014; 70 cm Doctoraat in de kunsten, beeldende kunsten: Poetische Machine. Een onderzoek in het poĂŤtiseren van elektronica.


09. Mekhitar Garabedian fig. a, a comme alphabet, 2009â&#x20AC;&#x201C;2011 (ongoing), pencil, pen, marker on paper, variable dimensions, courtesy of Hoet Bekaert gallery and the artist Doctoraat in de kunsten, beeldende kunsten: De eeuwige wederkeer van de revenant.


10. Julie Gilman Jan Fabre, De benen van de rede ontveld, 2000, foto: Dirk Pauwels Doctoraat in de kunstwetenschappen: Presentatie & conservatie van kunstwerken met organische componenten. Een onderzoek gestuurd door kunsttheoretische, praktische en deontologische vraagstellingen m.b.t. conservatie van bederfelijke materialen.


11. Elias Grootaers Not Waving, But Drowning Doctoraat in de kunsten, audiovisuele kunsten: Documentaire tijd als bespookte tijd in de wezenlijke rol van de klankband.


12. Martine Huvenne Nathalie Teirlinck, Venus versus me, film still Doctoraat in de kunstwetenschappen: Audiovisuele compositie en filmisch luisteren: een composito­rische benadering van de â&#x20AC;&#x2DC;innerlijke bewegingâ&#x20AC;&#x2122; in de film.


Magister Artium Gandensis 2011 Laudatio Gilbert & George Lars Kwakkenbos

Tijdens de culturele opening van het academiejaar 2010-2011 reikte de Hogeschool Gent de eretitel Magister Artium Gandensis uit aan het kunstenaarsduo Gilbert & George. De uitreiking gebeurde op voordracht van de kunstendepartementen van de hogeschool, en op voorstel van een jury. De eretitel gaat naar mensen die zich internationaal verdienstelijk maken in de beoefening van de kunsten, op een wijze die beantwoordt aan de visies van de departementen Koninklijke Academie voor Schone Kunsten (KASK) en Conservatorium van de Hogeschool Gent.De eretitel werd op 6 oktober 2010 uitgereikt tijdens een ceremonie in De Cirque op de Bijlokecampus. De laudatio werd uitgesproken door Lars Kwakkenbos, docent actuele kunst. What is art, and what is life? Where does a work of art begin, and where does it end, in the sheer endless spectrum of movements, ideas, activities, desires, hopes and fears that we call human life? Every artist, and every artist-to-be, knows this question. Every body of work is an attempt to answer it. 36

In his fifteenth Letter on the aesthetic education of man, the German philosopher Friedrich Schiller wrote that the different ways in which man is playing with beauty, conceal a promise. More than two hundred years ago he declared that, quote, “Man is only wholly Man when he is playing” and he promised us that, quote “this proposition, which at the moment perhaps seems paradoxical, will support the whole fabric of the art of the beautiful and of the still more difficult art of living”. Gilbert & George have been playing for more than four decades now. In 1967 they got to know each other at Saint Martin’s School of Art in London. Two years later, in 1969, they presented themselves as the Singing Sculpture. Two gentlemen in suits, singing a popular song from the thirties, ‘Underneath the Arches’, while standing in a college, or underneath the arches themselves. From that moment on Gilbert & George became not merely singing, but above all, living sculptures. They have not only dreamt of a life that would coincide with their art, they have achieved this. At least, so it seems when


we see them behaving in public, selfdisciplined and quiet, scrupulously following their ‘Laws of Sculptors’. I will read them to you: 1. Law number one: “Always be smartly dressed, well-groomed, relaxed and friendly, polite and in complete control” 2. Law number two: “Make the world believe in you and pay heavily for this privilege” 3. Law number three: “Never worry, assess, discuss or criticise, but remain quiet, respectful and calm” 4. And, law number four: “The Lord chissels still, so don’t leave your bench for long”. Since they published these laws in 1969, Gilbert & George have integrated their personal world into their art, that is to say, their own desires, hopes and fears, their house while they were renovating it in the mid-seventies, and the neighbourhood they live in. As you saw in the fragment of the interview by Hans-Ulrich Obrist in 2000, they live in Fournier Street, in Spitalfields, in the East End of London. Let me give a brief overview of those past four decades. In the late sixties Gilbert & George enlarged on romantic desires of going into nature. They did this mainly through large charcoal drawings, because, as it turned out later, they simply didn’t have the means to enlarge their pictures to such wall-filling formats otherwise. The idyll didn’t last long though, it appears. In the early seventies they started to compose and enlarge black-and-white photomaterial. The pictures resulting from this procedure turned darker in theme: instead of taking walks in nature, they captured themselves getting drunk, and their works also started to reflect a sense of madness. In 1974 they started to use the colour red. Later in the seventies, they 37

shifted their focus towards the neighboorhoud they were living in. Pictures of hooligans and tramps, homeless people and big buildings appeared. The big buildings were found a few blocks away, in the financial district. Dirty words on walls appeared in their work, including ‘cunt’, ‘fuck’ and ‘queer’ – back then still a dirty word. In the early eighties, more colours appeared in their work: green, blue, yellow and red started to scream, each as loud as it could, though without any need for drama. Allusions to sexual desires had been always there, but now they became more explicit. In the seventies they had already been using many cocks – penises – in their work, and a whole series of dirty words found in the streets. Boys hanging around on the street came in front of their camera. They became knights of Christian faith. Then there was AIDS. Gilbert & George lost many friends. In response to this, they made their pictures even more monumental, and they went naked. From the front or from the back, with their underpants halfway down. While Margaret Thatcher was revita­ lising the libido of the British economy, Gilbert & George erected scaffolding dedicated to death, hope, life and fear. Shit became a major motif: they constructed crosses with it. Blood, piss, sweat and spunk did too. Especially when they realised there was a whole cosmology to be discovered into its microstructure. Since then there has been no vanishing point in their cosmology of mod­ ern life. Male bodies – their own, sober or drunk, and those of others – dirty words in the street, blood, piss, sweat, spunk, shit, crosses, bombs, Union Jack flags, everything is close and immediate. Look at their recent pictures, for instance. Thanks to digital techno­logy, modern life has begun to hallucinate more than it ever has before, in kaleidoscopic patterns. Even their suits go mad.


And while their suits go virtually mad, dozens of newspapers, magazines and TV-stations never stop interviewing them, keen as these media are to finally close the gap between image and reality. There’s always a strange desire lingering though, left unfurfilled: what’s behind the play they are engaging in? Perhaps we don’t know Gilbert & George as well as some of us would like to know them. We don’t know the dialogues they engage in while they create their work. We don’t know what happens during those days when these two public figures isolate themselves for that purpose, shutting the door and leaving phonecalls unanswered. So be it. The absence of any vanishing point in their pictures, already suggests it: there is nothing to know, except for the play itself. We will never know all those young men – white, black, Bangladeshi – appearing in their work, for instance. Or the homeless man who appeared in one of the very few portraits they’ve made, and who they regularly let into their house. And we will never get to know all the waiters they have been flirting with. It is the modern gap between art and life, that the work of Gilbert & George is about. But have they overcome it, and by doing so, have they sacrificed their own identities to art? Rather than simply sacrificing themselves, Gilbert & George have been playfully constructing their identities. They still do. The rules they apply, have been published, and except for the two artists themselves, there is no playwright involved. So let’s go back to that promise made by Friedrich Schiller 200 years ago. “Man is only wholly Man when he is playing”, he wrote. And: “This proposition, which at the moment perhaps seems paradoxical, will support the whole fabric of the art of the beautiful and of the still more difficult art of living”. Schiller thought 38

this second element was the more difficult. And when he thought so, he was not only thinking about art and artists. “We like to be inclusive”, Gilbert & George once said. Their motto is to make art for all, which is the main reason they detest common thinking. Making art for all, means including the margins of life, and of society. But when it comes to the art of living, the question becomes much more complicated than merely asking ourselves: who is making art for whom? In The World of Gilbert and George, for instance, a film they made in the early eighties, one sees, amongst many other things, a series of young men, in the middle of their youth. They like to play football, or go to the movies, they say, or go down to the West End, or to the pub. While saying this, they look shyly and uncertainly into the camera, protective also, of things and thoughts they will not tell us. The World of Gilbert and George is a wonderfully poetic and touching film. I strongly recommend watching it, but showing it here, would take us too much time, and showing a fragment from it, would not be the right thing to do. The World of Gilbert and George is a work of art, once more, about desire, hope and fear, but also about youth, flowers, religion and patriotism. Part of its poetry is due to the fact that Gilbert & George not only try to make art for all. Their work is not only about the art of the beautiful. More than that, it embodies a strong urge to respect the art of all. The work of Gilbert & George reminds us of the difficult, but no less exciting, task of finding ourselves an art of living. In how they live and work, Gilbert & George reveal the constant play between freedom and discipline, and order and chaos, that any art of living implies. For in the end, their search for an art of living is not fundamentally different from anyone else’s.


Bibliografie — Gilbert & George, The World of Gilbert & George, UK 1981, 69 min, kleur. — Jacques Rancière, ‘The Aesthetic Revolution and Its Outcomes. Emplotments of Autonomy and Heteronomy’, New Left Review nr. 14 (maart-april 2002) pp. 133151. Nl. vert.: Id., ‘De esthetische revolutie en haar consequenties. Scenario’s van autonomie en heteronomie’, De Witte Raaf, nr. 105 (september-oktober 2003). Eveneens te lezen op www.dewitteraaf.be — Friedrich Schiller, Schillers Werke. Nationalausgabe, 43 dln. samenst. Julius Petersen, Weimar, Böhlaus Nachfolger, 1962–1963. Über die ästhetische Erziehung des Menschen in einer Reihen von Briefen (1795), dl. 20.

39


13. Philip Huyghe The insomnia tapes, 2010 Doctoraat in de kunsten, beeldende kunsten: Villanadine. Een artistiek onderzoek naar een beeldende transpositie van stilte en herhaling.


14. Jan Kempenaers S.R., 2011 Doctoraat in de kunsten, beeldende kunsten: Het â&#x20AC;&#x2DC;neo-pittoreskeâ&#x20AC;&#x2122; landschapsbeeld.


15. Stephanie Kiwitt Wondelgemse Meersen Onderzoek in de kunsten, beeldende kunsten: De fotograaf in de stad.


16. Susanne Kriemann A Silent Crazy Jungle Under Glass (atlas), 2011 Onderzoek in de kunsten, beeldende kunsten: De fotograaf in de stad.


17. Jasper Rigole The order of things Doctoraat in de kunsten, beeldende kunsten: The international Institute for the Conservation, Archiving & Distribution.


18. Jan Steen L’être et le jouant – Het zijn in het spelen Doctoraat in de kunsten, drama: L’être et le jouant – Het zijn in het spelen. Onderzoek naar de wijze waarop de speler ze´lf zijn lichaam ervaart als materiële drager van tekens; en hoe hij via onderzoek van het eigen lichaam en via fysieke training de performatieve presentie van het spelen kan intensifiëren.


Impressies en reflecties Anna Luyten & Frank Maes

Anna Luyten en Frank Maes verbleven dit jaar enkele dagen op KASK. Tijdens hun ontmoetingen bleven zij spontaan bij enkele studenten en onderzoekers langer stilstaan.

De wereld achter het cliché ‘Ik ben Lorenzo. Ik hou van schlager­muziek. Ik zit op de Reynaertschool en ik organiseer graag feestjes. Ik zit op internaat omdat ik thuis geslagen word.’ ‘Ik ben Zaur. Ik kom uit Tsjetsjenië en ik beat box heel graag. Ik hou van het woord respect.’ ‘Ik ben Robin. Ik ben 14 jaar en ik hou van Selena Gomez en Miley Cyrus.’ ‘Ik begin de documentaire op een klassieke manier’, zegt Sjoerd Tanghe. Maar hij zet van in het begin de juiste toon. Een toon die hem eigen is. Respect­vol en vol mededogen voor zijn onderwerp. Hij legt de laatste hand aan zijn montage. ‘Ik ben erg narratief. Ik vertel scène na scène rustig wat er gebeurt. Na een derde van de film komt er een kantelmoment waardoor je weet: dit zijn heel bijzondere jongens.’ Het bijzondere Feest, zo luidt de titel van zijn documentaire. 46

Sjoerd Tanghe is een van de master­ studenten film die dit jaar afstuderen. Als eindproject maakte hij een docu­ mentaire waarin hij drie jongeren portretteert die les volgen aan de Reynaertschool, een instelling voor buitengewoon secundair onderwijs waar jongeren met gedragsstoornissen worden begeleid. Hij kreeg het idee voor de documentaire bij het zien van een reportage in het televisieprogramma Koppen. ‘Leerkrachten van de Reynaertschool vertelden in die reportage hoe ze afgepeigerd om vier uur na school naar huis gingen. Je kreeg een cliché-beeld van de leerlingen: agressieve jongens, de lawaaimakers op de bus. Ik had dat clichébeeld eerlijk gezegd ook.’ Het leek hem een uitdaging om in de wereld van die jongeren binnen te geraken. Hij bezocht de school en kwam op het kersfeestje terecht. ‘Daar zag ik ook de mooie kant.’ Robin (14) heeft een enorme fascinatie voor zijn popidolen Selena Gomez en Miley Cyrus. Zijn kamer hangt vol foto’s van


die zingende meisjes. Lorenzo (17) is de sfeermaker en droomt ervan om dj en schlagerzanger te worden. Hij vlucht uit een pijnlijke thuissituatie. Hij is een fan van Frans Bauer. Zaur (18) is de stoere jongen, hij komt uit Tsjetsjenië en leeft zich uit in rappen en beatboxen. ‘Het bijzonder feest geeft een diepere kijk op de aparte leefwereld van deze jongens die door de samenleving vaak als “probleemjongeren” worden beschouwd. Wat hen bindt is hun bezetenheid door muziek. Na één bezoek aan de school was me meteen duidelijk dat er heel wat meer achter hen schuilgaat dan louter “gedragsstoornissen”,’ zegt Sjoerd Tanghe. ‘A portrait is a painting with something wrong with the mouth,’ gebruikt hij als motto. ‘Ik ben gefascineerd door het ontroerende, het onvoorspelbare, het dramatische, het mooie en tegelijk ook herkenbare dat vaak achter mensen schuilt. In mijn werk wil ik dan ook zo diep mogelijk in de leefwereld van mijn personages geraken en dit tonen aan anderen.’ De intimiteit op een serene manier naar buiten brengen, zonder toe te geven aan voyeurisme, noemt hij het ‘moeilijkste’ van zijn werk. Vorig jaar maakte hij de documentaire Me will always be me, een portret van zijn vader, de theatermaker, Dirk Tanghe. Voor de buitenwereld een gevierd man. Als zoon probeerde Sjoerd de moeilijke momenten van zijn vader te tonen. ‘Hij kwam net uit een ontwenningskliniek. Ook dat aspect wilde ik laten zien. Het was voor mij een ultiem aftasten van grenzen.’ ‘In het geval van de jongens van de Reynaertschool moest ik oppassen dat de kijker hen niet zou uitlachen.’ Wat hem het meest ontroerde, was de onbevangenheid en het vertrouwen waarmee de jongens aan de film meewerkten. ‘Het was geen vertrouwen dat “gewonnen” moest worden. Vele dingen 47

gebeurden gewoon: ‘Zaur kwam op de speelplaats in de camera rappen. Lorenzo wilde een carnavalsfeest organiseren en de andere twee vroegen of ze mochten komen optreden.’ Hij vroeg hen niet of hij een ‘documentaire’ over hen mocht maken. ‘ “Documentaire” is een moeilijk woord. Ik heb gezegd: “Ik wil een film maken over jullie. Willen jullie meedoen aan een film?” Dat is een heel andere vraag.’ Als muziek al een gezamenlijke interesse is, is de vlucht misschien nog wat de drie jongens het meeste bindt. ‘Lorenzo vertelt dat hij thuis geslagen wordt. Zaur heeft zijn vader verloren in Tsjetsjenië en vertelt dat hij wraak wil nemen. Die emotionele kant van hun verhaal fascineerde me.’ Nu hij aan het monteren is, voelt hij des te meer de verwantschap met zijn onderwerp. ‘Er zijn soms vlagen van herkenning. Als Zaur vertelt over zijn verloren vader, kan ik nog altijd emotioneel worden. Niet dat ik mijn vader verloren heb, maar ik ken de angst en het gevoel een vader te zien wegglijden. En ook Robin laat me niet onberoerd als hij begint te vertellen dat hij vroeger de pestkop was van de school en nu alleen op de wereld staat.’ Als maker wil hij een begrijpende blik doorgeven aan de kijker. Zichzelf als maker anonimiseren, doet hij niet. Al blijft hij in de documentaire buiten beeld. ‘Een documentairemaker kan zichzelf nooit buiten zijn onderwerp plaatsen,’ zegt hij. ‘Als ik nu Zaur aan het Zuid in Gent zie rondhangen, komt hij mij een hand geven. Ik heb als mens veel respect voor die jongens gekregen. Ik deel niet alleen emoties met hen, ook de interesse voor muziek. Al is mijn muziekkeuze hele­ maal anders. Ik monteer dat aspect indirect in de geluidsmontage. Naast de muziek van de jongens is muziek te horen die ik met mijn broer maakte: een subtiel getokkel op de gitaar.’


De blik als onderwerp Maithé Franco stelde de blik en het zicht vastklampen aan clichés zelfs centraal in haar documentaire. Voor Half Day Tour Soweto deed ze een reis over die ze een jaar voordien als toerist had gemaakt. Ook zij liet zich leiden door een fascinatie en een wil om vooroordelen te doorbreken. ‘Soweto staat bekend als gevaarlijk township en sloppenwijk. Maar toen ik er voor het eerst kwam, heb ik me er geen moment onveilig gevoeld.’ Hier klopt iets niet, dacht ze. En ze ging terug, om het georganiseerde kijkspel tussen westerlingen en Afrikanen te onderzoeken. ‘Het is markant dat Soweto zoveel bustoeristen lokt. De toeristen kijken vanuit kleine en grote bussen naar de mensen die er wonen.’ Franco zag en filmde hoe de blanke mensen van achter het busraam keken naar zwarte mensen. Ze wilde die blikken vastleggen. In hoeverre was zij zelf een voyeur? ‘Ik beschouwde de toeristen als voyeurs, maar natuurlijk was ik er zelf ook een. Ik stond er evengoed met een camera beeldjes te verzamelen. Zelfs de inwoners van het township zijn voyeurs. Je kan een fietstocht door Soweto maken. Dan komen de kinderen naar je toe om je blanke huid te voelen. Ik voelde me na een tijd gefrustreerd door de stereotiepe blik van de inwoners op mij als blanke. Alsof ik een wandelende zak geld was.’ Ook Maithé Franco zit in de montage­ fase. Ze monteert de drie blikken door elkaar. Zo geeft ze de kijker een caleidoscoop van gezichtspunten. ‘De beelden die ik zelf heb opgenomen, de filmpjes die toeristen die Soweto bezochten op YouTube zetten en de beelden die ik de inwoners zelf heb laten opnemen.’ Ze wil de westerse kijker deelgenoot maken van haar zoektocht en haar schaamte. ‘Ik voel me altijd beschaamd als ik mensen film. Ik wilde niet dat de inwoners me zagen als toerist.’ 48

Ze bezocht met een plaatselijke gids een van de armste wijken. Kliptown, een wijk onderaan een brug. Op de brug stopten de toeristenbussen en keken westerlingen letterlijk vanuit de hoogte toe. ‘In Kliptown voelde ik me in het begin erg onwennig. Daar voelde ik me pas echt een indringer. Ik ben dan wel naar beneden gegaan om met de mensen te praten, ik kwam er toch met een bepaald doel. Maar de mensen beschouwden me als hun bondgenoot, iemand die naar de buitenwereld kon communiceren dat ze niet gelukkig zijn met de huidige vorm van toerisme waarin vooral van bovenaf naar beneden wordt gekeken.’ Geduld, de wachtende houding van de wijze, ze leerde de waarde ervan kennen voor de documentairemaker. ‘Ik kreeg na een tijd een band met de verkopers rond de toeristische trekpleisters als Nelson Mandela’s huis, of de Hector Pieterson Memorial, omdat ik net als hen vaak terugkwam om de komst van de toeristen af te wachten. Zij kwamen om hun beeldjes te verkopen, ik om het perfecte shot te maken. Dat maakte ons op één of andere manier tot gelijken.’ Ze begon een steeds afstandelijker houding aan te nemen ten opzichte van die toeristen en besloot op een dag zo’n busreis mee te maken. ‘Een bustour is vaak de enige optie die de hotels de mensen aanbieden. Ik begreep ook wel dat veel misverstanden over de leef­situatie van de ander een gevolg zijn van de manier waarop de gids de situatie uitlegt. Hoewel mensen nog altijd zelf beslissen of ze foto’s nemen van de armoede rond hen of niet.’ Het liefst zou ze haar film nu ook tonen in Soweto zelf. ‘De inwoners zegden er zo vaak: “We worden door iedereen gefotografeerd maar we weten nooit wat er met dat filmmateriaal gebeurt.”’


De naar binnen gekeerde blik Het gevolg van verkeerde verwachtingen, dat is ook de invalshoek van masterstudent Hans Galle. Galle onder­ zoekt het in een fictiefilm. ‘Leni, een vlijtige studente kunstwetenschappen, krijgt tijdens het voorbereiden van haar thesis te kampen met onverklaarbare angstaanvallen. Terwijl ze op zoek gaat naar een oplossing voor haar probleem worden de aanvallen steeds erger. Wat als je op een bepaald moment vaststelt dat je verwachtingen niet stroken met de realiteit? Wat als je denkt op het juiste spoor te zitten maar nergens aankomt? Accepteer je eerzaam je lot of vecht je koppig terug?’ Nu twijfelt Hans Galle zelf. ‘De realisatie van de film lijkt niet meer haalbaar voor dit schooljaar,’ zegt hij. Hij wil wel vanuit zijn vele voorberei­dingen en de inhoud van zijn scenario een antwoord formuleren op de vraag over de grenzen van intimiteit en persoonlijke betrokken­heid in een fictiefilm: ‘Ik voel me erg verwant met het personage en haar zoektocht. Het concept voor de

film is ontstaan vanuit een persoonlijk gevoel bij een bepaalde periode in mijn leven. Een interessante fictiefilm is in zekere zin altijd intiem. Tegelijkertijd geeft fictie je de mogelijkheid dingen te transponeren naar een andere werke­lijkheid. In die zin creëer je een afstand die voor een bepaalde “veiligheid” zorgt.’ ‘Het verhaal van het personage is niet letterlijk mijn verhaal. Het is vertrokken vanuit mijn persoonlijke beleving.’ Voor Hans Galle zijn fictie en documentaire erg verwant. ‘Beide vormen liggen dichter bij elkaar dan mensen meestal denken. Ik zie vaak duidelijke raakvlakken: de constructie, de manieren van vertellen, de mani­ pulatie in functie van een onderliggend idee. De zin voor observatie en zin voor de “realiteit” die aan documentaire wordt toegeschreven, apprecieer ik ook erg in fictiefilm. De meeste fictiefilms die ik interessant vind, hebben meestal een bepaalde documentaire waarde.’

Levens in boeken Mentale stolpen. Drie mensen die zich een leven lang hebben verschanst in de wereld van het boek, het zou het thema van een roman kunnen zijn. Jonatan Lyssens maakte er een documentaire van. Antiquaar Wilma Schuhmacher, Professor Slavistiek Frans Vyncke en boekbinder August Kulche, blikken na een leven in het teken van het bedrukte papier terug op hun reële bestaan. ‘De mens projecteert allerlei gevoelens op het boek, terwijl het als object gevoelloos is en zich van ons niets aantrekt,’ zegt Jonatan Lyssens. Hij komt zelf uit een familie van bibliothecarissen. ‘Toen ik vijf was, nam mijn vader me mee naar een oude boekbinder. Het stof49

fige atelier, de wereld waarin die boekbinder leefde, is me altijd bijgebleven.’ Het vertrekpunt van de film is niet de inhoud van het boek maar veeleer het boek als object. ‘Bibliotheekgangen hebben voor mij iets mysterieus omdat ze werelden achter hun ruggen verbergen. Er zijn werelden van mensen die het boek hebben gemaakt, verkocht, gelezen en bewaard. In mijn film tracht ik die werelden, van de drie verschillende personages, in beeld te vatten.’ In zijn documentaire legt Lyssens evengoed vast wat er van een boek in de geest van een mens achterblijft. ‘Professor Vyncke ziet bijna niets meer. Zijn zicht is de laatste twintig jaar sterk


achteruit gegaan. Alle boeken die hij in zijn leven las en bezat, zitten ergens in een mentale bibliotheek.’ In een scène in de film gaan de professor en zijn vrouw in hun boekenrekken op zoek naar een exemplaar van Der Untergang des Abendlandes van Oswald Spengler. Hij weet precies welke uitgaves hij heeft, maar hij heeft alleen nog een vage herinnering van waar ze stonden. ‘Voor mij staat die scène dan ook voor

de vergeestelijking van de wereld. Ik ben altijd gefascineerd geweest door werelden die er niet meer zijn. Daarom zijn de mensen in mijn film ook mensen met een lang leven achter zich. Via hen krijg ik verhalen en belevingen te horen uit een tijd van voor ik bestond. Mensen bewandelen paden en laten sporen achter. Zij het in herinnering, zij het in materiële sporen zoals een collectie.’

Een leven documenteren Welke levenssporen maak je als documentaire filmmaker zichtbaar en welke niet. Kenneth Michiels, die afstudeert met een documentaire over zijn zus, ‘in een problematische gezinssituatie’, stelt zich voortdurend die vraag. Het is confronterend om de realiteit van iemand met wie je een intieme band hebt, te ‘vertellen’ aan de buitenwereld. Je giet het bestaan van een ander in een narratieve structuur. Kenneth Michiels: ‘Wat deel je met de buitenwereld en wat niet? Wat is er de meerwaarde van zo’n verhaal mee te delen aan anderen? Hoe ga je om met het feit dat je een film over je eigen familie maakt? Voor mij waren dat interessante vragen. Als documentairemaker ga je vaak heel opportu­ nistisch te werk. Maar door zo dicht bij mijn onderwerp te staan, ging ik me dikwijls in de plaats van mijn onderwerp zelf stellen. Ik voelde snel aan wat kon en wat niet kon.’ Zijn censuur werd zelfcensuur. Zijn narratieve structuur intimistischer en ingetogen. ‘Veel dichter dan dat kom je in je leven niet bij een onderwerp.’ Het vertel­ perspectief van de aanwezige documentairemaker werd een bewuste keuze.

50

‘Ik vind het belangrijk dat het duidelijk is dat ik niet objectief probeer te zijn in mijn films. Daarom probeer ik telkens mijn aanwezigheid als maker te benadrukken. Dat kan zowel fysiek als off-screen. Film is en blijft een constructie waarin objectiviteit enkel een illusie kan zijn. Die illusie wil ik zeker en vast niet wekken.’ ‘Ik hou van het documenteren, het maken van momentopnames waar je zelf middenin hebt gezeten. Maar ik geloof ook in een vorm van fictiefilm die erg aanleunt bij die van de documentaire. Een van de onderwerpen die mij altijd al heeft bezig gehouden is de vermenging van de twee genres tot waar de scheidingslijn nog amper merkbaar is. Het boeiende aan documentaires maken is de confrontatie van je eigen visie op bepaalde onderwerpen met die onderwerpen zelf. Je werkinstrumenten zijn echte mensen, met echte gevoelens, verwachtingen en overtuigingen. Uiteindelijk hou je iemand een spiegel voor in een documentaire. Dat kan heel confronterend zijn voor een mens.’ Anna Luyten


De woorden en de dingen Jasper Rigole, in 2004 afgestudeerd aan de filmafdeling van KASK, werkt momenteel aan een doctoraat in de kunsten. Hij beschikt over een studio binnen de muren van de Bijloke­ campus. Zijn promotor is Hans Op de Beeck, zijn copromotor Filip Geerardyn van de vakgroep Psycho­ analyse en Raadplegingspsychologie van de Universiteit Gent. Bijna een derde van zijn zesjarige mandaat zit erop. Het doctoraat in de kunsten kwam er als een gevolg van de Bologna-hervormingen in het hoger onderwijs en de daaruit voortvloeiende academisering. Er bestaat vandaag geen consensus in het Vlaamse onderwijslandschap over de precieze inhoud en formele criteria van zo’n doctoraat, met als belangrijkste twistappel het aandeel theorie. Het kan niet de bedoeling zijn dat de kunstenaar een doctoraat in de kunstwetenschappen aflevert. Iedere vorm van onderzoek aan een kunsthogeschool – en bij uitstek het doctoraat – begeeft zich in het spanningsveld tussen kunst en wetenschap. Elke associatie binnen het hoger onderwijs hanteert een eigen set van criteria om te bepalen wat een doctoraat in de kunsten dient in te houden. KASK is, als onderdeel van de Hogeschool Gent, gelieerd aan de Universiteit Gent. Een doctorandus wordt geacht zijn of haar promotor onder de docenten van KASK te kiezen en voor het theoretische luik bij een copromotor in de universiteit aan te kloppen. Binnen de Associatie Universiteit Gent dient de doctorandus in de kunsten naast een artistiek hoe dan ook eveneens een theoretisch luik af te leveren. Alleen is nog niet duidelijk 51

gedefinieerd wat dit reflectieve gedeelte precies moet of kan inhouden. Momenteel zijn er aan KASK nog geen doctoraten afgewerkt. De eerste resultaten worden afgewacht om de criteria nader te gaan bepalen. De huidige doctorandi kunnen de limieten van hun praktijk dus enigszins zelf aftasten. Het bijzondere aan het oeuvre van Jasper Rigole, en zeker in het licht van een doctoraat, is dat zijn werk op zich al sterk reflectief is. Hij creëert vaak metaverhalen over film waarin tekst een belangrijke functie vervult. De voedingsbodem voor de meeste van zijn werken is het door hem opgerichte Internationaal Instituut voor de Con­servatie en Verspreiding van Ander­mans Herinneringen. Dat bestaat voornamelijk uit een zich gestaag uitbreidend archief van familiefilms; 8mm-prenten die in de privésfeer gemaakt zijn en die hij her en der bijeengesprokkeld heeft. Zijn werken zijn opgebouwd uit een aaneenschakeling van fragmenten uit die verzameling gevonden films. Het Instituut vormt tevens het uitgangspunt van zijn doctoraat. Het Instituut heeft een merkwaar­dige status. Onlangs werd Rigole uitge­ nodigd door een Italiaanse organisatie die een werking rond familiefilms opstart. Deze organisatie tracht krachten uit diverse hoeken te bundelen om tot een zinvolle conservatie van en omgang met dit materiaal te komen. Hij werd daar uitgenodigd als vertegenwoordiger van een archief zonder officieel bestaan. Soms is het moeilijk om een keuze te maken inzake prioriteiten. Aan de basis van het Instituut ligt deels een reële bezorgdheid over dit filmmateriaal dat op het punt staat vergeten te worden.


Er zou iets rond moeten gebeuren. Er zijn weliswaar een aantal organisaties, zoals het Huis van Alijn, die er stevig rond gewerkt hebben maar er is geen enkele organisatie in ons land die dit als de eerste prioriteit beschouwt. En Rigole, die is en blijft in de eerste plaats kunstenaar. Het archief is niet fictief, maar het bezit, met de reële filmcollectie als basis, wel verschillende gezichten. Naast de artistieke poot is er een fictief deel dat zich als wetenschappelijk voordoet en sinds enige tijd is er ook een researchdeel dat moet uitmonden in een doctoraat. Dat doctoraat zal onderverdeeld zijn in een inhoudelijk, tekstueel deel, een visueel deel en een interactieve applicatie. Het visuele deel zal voornamelijk uit film bestaan maar kan ook ander materiaal bevatten. In de tekst zal Rigole met de toon spelen, hij zal diverse schrijfstijlen hanteren: academisch, essayistisch, wellicht ook verhalend proza. In de interactieve applicatie wordt dit alles dooreen geweven, zoals hij dat in zijn artistieke praktijk pleegt te doen. Het verkennen en bespelen van die grenzen vindt hij juist heel boeiend. Over de interactieve applicatie heeft Rigole lang nagedacht. Hij heeft een tijd overwogen zelf iets te ontwerpen en te ontwikkelen, maar vreesde dat technische aspecten te veel tijd en energie zouden opslorpen. Momenteel gaat hij ervan uit dat hij de iPad zal gebruiken. Er zijn nog problemen van diverse aard te overwinnen vooraleer het zover is maar het is goed dat je tekst- en beeldmateriaal op een heel individuele, persoonlijke manier kan bekijken, en dat je zelf de kijksnelheid kan bepalen, zoals je een boek zou lezen. Omdat ook die familiefilms een heel persoonlijk, intiem karakter hebben. In zijn recentste film is Rigole op zoek gegaan naar de beste manier om 52

tekst en beeld te combineren. Dat is niet zo evident. In de voorgaande installatie had hij een voice-over gebruikt, maar het voelde als te gemakkelijk aan om dit te herhalen – om een tekst te schrijven en die boven de beelden te plakken. Na veel omzwervingen heeft hij besloten om de techniek van de amateurfilmer zelf te gebruiken, en op dit vlak alle softwaremogelijkheden te negeren. Wat hij in die familiefilms zo apprecieert, is het ontbreken van elke ambitie, behalve een soort persoonlijke geschiedschrijving. (Er is een onmiskenbare overeenkomst met Atlas, de gigantische verzameling foto’s, gewaardeerd omwille van diezelfde artistieke intentie- en pretentieloosheid, die de Duitse schilder Gerhard Richter heel zijn loopbaan tot onuitputtelijke voedingsbron gediend heeft.) Veel van die beelden hebben intussen een algemene historische waarde maar dat was nooit de intentie. Deze films bezitten een vrijblijvendheid die ontzettend mooi is. Een naïviteit die hij als kunstenaar – die alle truken van de foor inmiddels kent als het op beeldmanipulatie aankomt – een beetje kwijt is. In amateurfilms wordt de tekst, op een blad papier, gewoon voor de camera gehouden. De meeste van die films zijn gemaakt zonder geluid. Soms is er een heel eenvoudige vorm van synchronisatie toegepast. Het is dubbel. Enerzijds komt hij tegemoet aan de drang om de technologie achter zich te laten en intuïtiever te werk te gaan. Anderzijds wil hij dit tonen op een medium – de iPad – dat state of the art is. Het gevaar, dat in veel mediakunst schuilt, is dat het gadget­gehalte de bovenhand haalt. Hij vindt het grappig te beseffen dat zijn beeld van, bijvoorbeeld, de jaren 1960 heel sterk bepaald wordt door het beeldmateriaal dat hij te zien heeft gekregen. Maar het actieterrein van familiefilms is ontzettend beperkt:


mensen filmen dingen die ze leuk vinden en willen onthouden. Zo ontstaat een land van melk en honing, waarin de zon altijd schijnt en niemand hoeft te werken. Zijn recentste film – getiteld Temps mort – gaat op zoek naar wat net buiten beeld ligt, naar sporen daarvan. De titel is een term van de Italiaanse regisseur Michelangelo Antonioni die slaat op een welbepaalde soort korte stukjes film. Mensen komen thuis van vakantie, ze hebben nog een p aar minuten pellicule over maar zijn erop gebrand de film naar het labo te brengen. Wat filmen ze dan? Een tuin waarin niets gebeurt, de hond die ligt te slapen, een schemerige woonkamer. Net als een van zijn grote helden, de Franse auteur Georges Perec, gaat Rigole op zoek naar wat die laatste ‘l’infraordinaire’ noemt: de kleine dingen die niemand ziet. Perec behoorde in de jaren 1960 en ’70 samen met bij­ voorbeeld Raymond Queneau tot ‘Oulipo’ – ouvriers de la littérature potentielle. In dezelfde context waarin François Morellet van aleatorische systemen gebruik begon te maken en Buren, Mosset, Parmentier en Toroni elke vorm van inspiratie, emotie, expressie of originaliteit uit de schilder­kunst verwijderden, maakten deze schrijvers komaf met de opvatting, daterend uit de hoge renaissance, dat de auteur of kunstenaar geniale daden verricht. Kunst is arbeid. Rigole volgt hen daarin. De moderne visie op de kunstenaar is gedateerd. De vraag of iets al dan niet al gedaan is, is oninteressant en onzinnig. Perec was verzot op wiskundige spelletjes. Hij maakte er gebruik van om de impact van de auteur deels uit handen te geven en over te laten aan vormen van gesystematiseerd toeval. Zodat het gefocuste, modernistische oog van de schepper naast God wijkt voor een veeleer verstrooide waarneming, eigen aan arbeid of huis53

vlijt, die zich inschrijft in en deel uitmaakt van de onvatbare onder­stroom van het alledaagse. Rigole bewondert vooral Perec omdat die er het beste in slaagt de procedures en structuren te laten verdwijnen en te laten opgaan in een ogenschijnlijk vanzelfsprekende inhoud. Hijzelf maakt in het creëren en functioneren van werken steeds meer gebruik van procedures of data­ basesystemen waarin toevals­aspecten een rol spelen. Zoals de grote oude klasfoto waar een camera at random computergestuurd overheen schuift. De bijhorende projectie van de schooljongen die zich op een bepaald moment in het vizier van de camera bevindt, gaat vergezeld van een voice-over die een beknopte biografie van een bekende figuur laat horen. De koppeling tussen biografie en foto is fictief. De volgorde van gezichten waar de camera halt bij houdt is deels wille­ keurig, deels door programmeur Rigole gemanipuleerd. Een beetje vals spelen is interessant. Het centrale begrip van de Oulipokunstenaars is la contrainte, de (zelf) beperking, als noodzakelijke voor­ waarde voor elke vorm van cultuur, van scheppende activiteit. Dat merk je wanneer je studenten een heel dwingende opdracht geeft; dat levert heel diverse resultaten op. Ook voor Rigole is dat een essentieel aspect van zijn kunstpraktijk. Zijn archief functioneert als een beperking. Wanneer hij een film maakt, beperkt hij zich tot beeldmateriaal dat hij in zijn bezit heeft – slechts zelden maakt hij gebruik van beelden die anderen hem aanbieden. Op het internet zijn vanzelfsprekend massa’s beelden te vinden maar hij vindt het een stuk moeilijker om daar een relatie mee op te bouwen. Het gaat hem om een fysieke band, om het feit dat hij de films uit zijn archief kan aanraken. En om de gedachte dat die


beelden verloren waren, dat ze, los van de oorspronkelijke eigenaar, waarde- en betekenisloos geworden zijn, en dat hij ze vervolgens op een rommelmarkt aangetroffen en verworven heeft. In de dynamiek van het verzamelen is een directe, emotionele band met het verzamelde object belangrijk. Zo ontstaat een parcours. Op analoge wijze wordt hij, in plaats van altijd gericht op zoek te gaan, graag verrast door een boek op een boekenmarkt of in een tweedehandsboekhandel. Hij raapt ook veel onooglijke dingen van straat op: die hebben ooit een waarde gehad; ze zijn andermans herinnering. Elk object functioneert als een herinnering maar die herinnering is niet inherent aan het object. Ze functioneert als een trigger. Als hij iets vindt, projecteert hij daar een nieuwe herin­ nering op, bijvoorbeeld het moment en de plaats waar hij het gevonden heeft. Zo bezit hij inmiddels een grote collectie sluitringen, enkele mappen vol. Plaats en tijd van de vondst zijn systematisch op een bijhorend etiket vermeld. Het betreft een vrij abstract voorwerp, dat toch een eigen vorm, grootte, gewicht en patina heeft – in hoeverre is dat in staat een herinnering vast te houden? Het is onvoorstelbaar hoeveel van die ringen zomaar voor het grijpen liggen. Hij vindt er elke dag, ze achtervolgen hem. Hij moet er dringend mee stoppen. In het kader van zijn doctoraat geeft Rigole ook les, het keuzevak Expanded Cinema. Dat is echt zijn ding, hij werkt zelf met het medium film in een beeldende kunstcontext. Enerzijds is pellicule dood, de traditionele 35mmfilmprojector is uit de grote bioscoopcomplexen verdwenen. Anderzijds kent pellicule een revival in kunstcontexten, waar mensen er op een semiarcheolo­ gische wijze mee aan de slag gaan. Zonder daar een positie over in te nemen, is dit vak rond dat dubbele 54

fenomeen opgebouwd. Het vertrekt vanuit film maar een student kan ook opteren voor een ander medium, zoals dia’s of geluidstapes. Het is een voordeel dat Rigole als docent uit eigen ervaring kan putten. Maar het is ook noodzakelijk om die eigen ervaring aan de kant te zetten; vaak moet je opletten niet te veel te sturen bij artistieke keuzes. En het is niet altijd gemakkelijk om mee te gaan in een artistiek discours waar je geen voeling mee hebt. Een doctoraat geeft je de mogelijkheid je te omringen met mensen uit verschillende disciplines. Zo fungeert filosoof Antoon Van den Braembussche als een tweede, onofficiële copromotor. Uit de dialoog met Filip Geerardyn vloeit daadwerkelijk een psycho­ analytisch onderdeel van het onderzoek voort. Momenteel bevindt hij zich op een ijl punt waarbij er heel veel dingen rondwaaien. Die moeten een plaats vinden. Je moet als kunstenaar in deze situatie zien om te gaan met een ritme dat altijd doorbroken wordt; je kan niet in een workflow opgaan. Op het rek achter zijn bureau bevinden zich een paar rijen boeken. De metaforenmachine. Een geschie­ denis van het geheugen van Douwe Draaisma staat ertussen. Lectuur die nog verwerkt zal worden. Aan de wand hangt een kader, met daarin, netjes naast elkaar, twee zwart-witkopieën van boekcovers: links Les mots van Jean-Paul Sartre; rechts Les choses van Georges Perec. Het lijkt hem een goed vertrekpunt voor de interactieve applicatie: dat je in het begin kan kiezen tussen een van de twee, of een combinatie van beide. Dat is de manier waarop een artistieke zoektocht werkt. Anders dan het lezen van een tekst, of het schrijven van een essay over Michel Foucault. Frank Maes


Thomas Gilissen, tentoonstellingszicht Künstakademie Münster, foto: Stefaan Dheedene.

Pieter Van Troos, tentoonstellingszicht Künstakademie Münster, foto: Stefaan Dheedene.

Jérémie Callens, tentoonstellingszicht Künstakademie Münster, foto: Stefaan Dheedene.

Margot Deroose, tentoonstellingszicht Künstakademie Münster, foto: Stefaan Dheedene.

KASK zette in 2011 een uitwisselingsproject met de Kunstakademie Münster op in de vorm van twee tentoonstellingen. In een eerste fase stelden masterstudenten Vrije Kunsten van KASK van 12 tot 21 april tentoon op de Leonardo-campus in Münster. De selectie gebeurde door Stefaan Dheedene

en Vincent Geyskens in samenspraak met de trajectcoördinatoren van de Vakgroep Autonome Kunsten. Deelnemende KASK-studenten waren Jérémie Callens, Margot Deroose, Elke Desutter, Kasper De Vos, Thomas Gilissen, Maaike Leyn, Jimmy Naessens, Lisa Spillebeen, Maarten Van Roy en Pieter Van Troos.


Maarten Van Roy en Kristina Berning, Der Mantel des Pathos 2 (14 Arbeiten), 2011, tentoonstellingszicht Zwarte Zaal, foto: Tine Du Gardein.

Inga Krüger en Katja Kottmann, tentoonstellingszicht Zwarte Zaal, foto: Tine Du Gardein.

Sun-Hwa Lee, Door for a Moment, 2010, tentoonstellingszicht Zwarte Zaal, foto: Tine Du Gardein. Niko Ikonomeas, O.K., 2011, tentoonstellingszicht Zwarte Zaal, foto: Tine Du Gardein.

Dorothea Schlänger, L’armée des imbeciles, 2010, tentoonstellingszicht Zwarte Zaal, foto: Tine Du Gardein.

Een tweede tentoonstelling liep van 6 tot 15 mei in de Zwarte Zaal op de campus van KASK. Deze toonde het werk van studenten van de Kunstakademie Münster en werd gecureerd door Guillaume Bijl, als docent verbonden aan die academie.

Deelnemende studenten van de Kunstakademie Münster waren Kyung-June Kim, Inga Krüger, Maarten Van Roy & Kristina Berning, Janine Tobüren, Dorothea Schlänger, Chung Ki Park, Sun-Hwa Lee, Jérôme Thomé, Maria, Magdalena Lippert, Jonas Hohnke, Nico Mares, Till-Martin Köster, Nico Ikonomeas.


Fotograferen is een manier van bijhouden ‘Voorzichtig, want ik geef je heel mijn leven mee,’ had haar grootmoeder gezegd. Ze had Marie Van den Driessche dagboeken meegegeven. De grootmoeder is 91 jaar. Van de inhoud van de dag­ boeken heeft Van den Driessche een fotoreportage gemaakt. Ze is een fotografe die gefascineerd wordt door het geheugen en het archiveren van herinneringen. ‘Ikzelf vergeet alles.’ Fotograferen is voor haar een letterlijke manier van vastleggen van gebeurtenissen. En het is een manier van vasthouden. ‘Het dagboek hangt nauw samen met haar leven,’ zegt Marie. ‘Ze heeft er alle belangrijke en onbelangrijke feiten in haar leven vanaf het jaar ’54 in bewaard.’ Dat jaar ’54 was een belangrijk keerpunt in het leven van haar grootmoeder, zo ontdekte ze later. ‘Mijn grootmoeder is Duitse. Tijdens de oorlog is ze getrouwd met een Vlaamse collaborateur. Na de oorlog heeft ze een andere man leren kennen, mijn grootvader, en heeft ze met hem een kind gekregen, mijn vader. In 1954.’ Op die manier legt Marie Van den Driessche de herinneringen vast van een vrouw die een tweede leven begon, en tegelijkertijd haar eigen wordingsgeschiedenis.

‘Het mooie in het dagboek is dat ze nooit expliciet zegt wat er gebeurt. De dood van mijn moeder beschrijft ze zo: “Om half negen vertrokken uit het ziekenhuis. Er drie dagen geweest.” Marie Van den Driessche noemt haar fotografie een manier om te ontsnappen aan de emotie die aan dingen kleeft door ze in haar werk te gebruiken. En daarmee maakt ze de dingen nog intiemer. Voor de foto’s van de dagboeken van haar grootmoeder wil ze een hokje bouwen, zodat ze een verheven plek krijgen. Ze eigent zich emotioneel beladen zaken toe. Ze kadreert ze. Ze belicht ze. Ze ontwikkelt ze. Dat deed ze ook in vorig werk, waarin ze objecten fotografeerde die ze van haar overleden moeder bijeengesprokkeld had: haar trouwring, haar bottines met veters maat 38, bruistabletten voor het voetbad dat ze altijd nam. ‘Als je dat doet met dingen uit je vertrouwde omgeving, krijgen ze een andere betekenis. Het wordt werkmateriaal. Ik heb ze vastgelegd. Iets is voorbij. In zeker opzicht maak je de dingen dood door ze te fotograferen. En toch ben ik blij als ik iets gefotografeerd heb. Het kan niet meer vergaan.’

De fotografe die onzichtbaar wil worden Een kind dat lijkt te zweven boven een sofa terwijl de vader met een flesje bier in zijn hand toekijkt. Het is een van de fascinerende foto’s die An-Sofie Kestelyn maakte voor haar eindproject. Ze trok naar een dorp in de Verenigde Staten. Weg uit het vertrouwde en tegelijkertijd testen hoe ze vertrouwen kon winnen. Vier jaar geleden had ze al een portrettenreeks gemaakt van twee tweelingzusjes die bij haar thuis in de buurt opgroeien. Ook dat zette ze 57

verder. ‘De meisjes zijn nu vijftien. Ze hebben rood haar. Ze zijn niet rijk. Ze hebben katten, konijnen, hamsters, muizen, een eend, een schildpad en vroeger ook nog wandelende takken.’ Zo schetst ze het milieu. ‘Ik wil de schoonheid uit hen puren.’ ‘Rijke mensen stellen zich veel minder open voor een vreemde die in hun leefwereld komt.’ Dat principe testte ze ook uit in de verre uithoek van Amerika, in Maine. ‘Ze wonen in een klein


huis. Het is er levendig. Er is veel chaos en beweging. Ik wilde de beweging in de beeldtaal van de foto’s tonen.’ Niet zozeer het esthetiseren van de armoe maar de beweging van een gezin wilde ze vastleggen. Twee weken lang ging ze naar het huis van de familie. Onderweg maakte ze portretten van mensen die ze op openbare plekken ontmoette.’ Het winnen van het vertrouwen, dat leerde ze vooral in Pearlstreet 165, op het adres

van haar Amerikaanse familie. ‘Door er gewoon te zijn. Er komt dan een fase waarin mensen je aanwezigheid als fotograaf accepteren, zelfs gewoon gaan vinden. Ik wil onzichtbaar worden. Ik zeg niet zoveel. Als ik te veel met de mensen praat, word ik te aanwezig. Op een bepaald moment kreeg de vader in huis met iedereen ruzie. Iedereen moest weg. Ik was foto’s aan het maken. Mij heeft hij niet buiten gezet.’

Portretten tussen verwondering en intimiteit Geertje de Waegeneer werkt vanuit een sociaal-documentaire benadering. Zij trok naar Calais, naar de plek waar vele illegalen al maanden verblijven. Ooit in het nieuws, maar stilaan in de vergetel­ heid geraakt. Ze wil in haar project ingaan op de verschillende soorten van marginaliteit. ‘Mijn project is ontstaan vanuit de verwondering over bepaalde vormen van onrecht en hoe mensen even in het blikveld van de media komen en ook er dan weer uit verdwijnen. De spektakelwaarde van de mensen was weg.’ Dat was het moment waarop De Waegeneer er naartoe trok. Ronddolende mensen, mensen die niets doen fotografeerde ze. Ook zij wilde zo onopvallend mogelijk blijven: niet met een grote camera rondtrekken, wel met een onopvallend plastic fototoestelletje.

‘ Maar toch begonnen mensen nieuwsgierig te worden en verloor ze haar anonimiteit. Ze stapte over naar een ander soort portret van de illegaliteit. Een kennis van haar die al zeven jaar wacht op zijn verblijfsdocumenten. ‘Iemand die je al jaren kent, fotogra­ feren is moeilijker. Je moet iemand toch altijd objectiveren. Het onbekende scherpt vaak je observatievermogen. Als je iemand kent, valt de verwondering weg en dat blijft toch altijd de eerste drive bij fotografie.’ Maar er komt iets anders voor in de plaats zegt ze: ‘Ik merk dat mijn foto’s van de nieuwkomers in Calais veel afstandelijker zijn en dat ik een intiemere blik kan werpen op zij die hier al langer verblijven.’ Anna Luyten

De multimediale wegen van de ziel Je zou kunnen stellen dat deze twee studenten twee uitersten vertegenwoordigen, in hun werkwijze en in de resultaten die ze presenteren. Hij creëert performances die zich afspelen in vluchtige installaties. Haar afstudeerproject is een tuin. Terwijl voor Rudy Lycke het werkproces het alfa en omega 58

van zijn jonge oeuvre vormt, flirt Karen Van der Perre met de grenzen tussen autonome kunst en functionele vormgeving. Wat op het eerste gezicht zo ver van elkaar afstaat, vertoont bij nader inzien echter heel wat overeenkomsten. Beide masterstudenten studeren af in de richting multimediale vorm-


geving. Deze afstudeerrichting plaatst zich doelbewust op de grensvlakken tussen kunst en vormgeving, beeld en voorwerp, atelier en buitenwereld. Het persoonlijke traject, de zelfontwikkeling van de student in een permanente dialoog met diverse contexten, mensen of media vormt het uitgangspunt van de opleiding. Die ontwikkeling kan zich afspelen in de meest uiteenlopende dis-

ciplines. Deze afstudeerrichting voert een hoge graad van artistieke autonomie hoog in het vaandel. Deze autonomie is echter, in scherpe tegenstelling tot die van de modernistische avant-garde, niet gekoppeld aan de onwrikbare essenties van een bepaald artistiek medium. Ze zetelt in de persoonlijkheid van de kunstenaar, in de specifieke dynamiek die deze weet te ontwikkelen.

Alles is chaotisch maar elk jaar komt hetzelfde terug Het atelier is een belangrijke plek voor Rudy Lycke. Hij kan er elke weekdag tot 22 uur op zijn gemak werken. Soms werkt hij samen, momenteel met een tweedejaarsstudente, Evelyne Bleyenberg. Ze delen een aantal overeenkomsten, ze leren van elkaar. Die verwantschap noemt hij een vorm van genezing. Hij is gestart in de richting beeldhouwkunst, daarvoor had hij in het deeltijds kunstonderwijs tekenen gevolgd. De beeldhouwkunstlessen hebben hun vruchten afgeworpen. Hij heeft er vooral geleerd om te blijven werken, maar de resultaten waren naar zijn gevoel te klassiek. Hij is naar een combinatie van beeldhouw- en performancekunst geëvolueerd. Dat heeft hem ertoe aangezet voor de master multimediale vormgeving te opteren. Kijken is voor hem het belangrijkste. Zijn performances ziet hij als levende schilderijen. Kleuren bekleden daarin een centrale rol. Geel, bijvoorbeeld; de kleur van de lente, die insecten aantrekt. Misschien was het om die reden dat het kleed van een medestudente zijn aandacht trok. En dat hij vervolgens besloten heeft om een kleed te maken. Eens die beslissing genomen, begint het werk: knippen en naaien, vertrekkend vanuit de concrete problemen die zich tijdens het werk zelf aandienen. In tweede instantie slaat hij aan het improviseren met de stukken die zijn initiële 59

arbeid opgeleverd heeft. Een camera registreert zijn handelingen. In de montage van dit gefilmde beeldmateriaal hanteert hij dikwijls een alternatieve, uiterst eenvoudige methode: in plaats van gebruik te maken van een montage­ programma, filmt hij rechtstreeks de op de monitor verschijnende beelden. In de diverse stadia van zo’n werkproces speelt toeval een beslissende rol. Toeval dat een beetje gestuurd wordt. Het werk aan een installatie is gestart vanuit spijt over iets wat hij ontvreemd had. Zijn werk vloeit voort uit probleem­ stellingen. Die zijn dikwijls van persoon­lijke aard. Kunst en leven lopen dooreen. Een agenda gebruikt hij niet. Wel een aantal notitieboekjes. Hij werkt het liefste half aan veertig dingen tegelijk. Dat vernestelt al eens tot een haast onontwarbaar kluwen. Als het helemaal niet meer gaat, weet hij: doe gewoon de afwas. En: alles is chaotisch maar elk jaar komt hetzelfde terug. Het doet enigszins denken aan het adagium dat Candide op het einde van Voltaires klassieker, geconfronteerd met de grootste rampen, de wereld instuurt: ‘Il faut cultiver son jardin.’ Al lijkt die slagzin eerder van toepassing op het tweede deel van deze tekst. Het werkproces mondt finaal uit in een eindvoorstelling, een performance. Kwestie van op een gegeven moment


af te ronden. Zo’n performance vindt plaats in een installatie die bestaat uit een amalgaam van alledaagse objecten, kleine constructies, projecties. Een performance van Rudy Lycke en Evelyne Bleyenberg, getiteld Warming, vond plaats in het Gentse kunsten­ centrum Croxhapox. De ruimte was, met hier en daar een lichtaccent, hoofdzakelijk in duisternis gehuld. Toeschouwers stonden wat verspreid langs de wanden toe te kijken. (Een performancepubliek bestaat in zijn ervaring meestal uit makke schapen. Af en toe durft hij wel eens een toeschouwer vastgrijpen.) In de ruimte was muziek te horen met veel resonantie: een bewerking van een stuk van Prokofiev door Hans Beckers. Er werd gepoetst en geteased. Er stonden emmers water. Evelyne lag lange tijd in een grote zak. De hele ruimte werd met water bespat en gedweild. Kleren werden gewassen en vervolgens aan een waslijn opgehangen. Er werden dia’s geprojecteerd. Jeugdfoto’s vermengden zich met de geur van dampende broeken. Er was, zoals in al zijn performances, een moment waarop ingehouden agressie tot uitbarsting kwam. Het geheel werd strak, zonder pathetiek, gefilmd. Zo’n performance bestaat uit pseudo­rituelen waarvan hij de spel­ regels zelf niet kent. Improvisatie is essentieel. De performance bevat sjama­nistische aspecten en elementen uit tantrische stromingen. Tantra vertrekt van de opvatting dat problemen zich uiten in je seksleven. Dit kan je via bepaalde technieken oplossen, die voornamelijk gebaseerd zijn op de adem­haling. Het heeft hem naar eigen zeggen gered, heeft hem geleerd van zichzelf te houden. Mensen genezen wil hij niet, maar warmte is belangrijk. Het aanvoelen van materialen zonder dat je ze aangeraakt hebt. Ook de destructie vormt een cruciaal element van zijn performances en installaties. Het is 60

mooi als monniken gedurende een jaar aan een zandsculptuur werken en die vervolgens in een handomdraai vernietigen. Het moment zelf is belangrijk. Naast geel geniet ook blauw een speciale status. Zijn masterscriptie is een onderzoek naar wat blauw in een performance kan zijn of betekenen. Over Joseph Beuys of Andrei Tarkovsky, grote inspiratiebronnen, besloot hij geen scriptie te maken, omdat hij daar wellicht een te persoonlijke mening over zou ventileren. Of misschien had hij schrik dat hij die persoonlijke verhouding tot hun oeuvres (deels) teniet zou doen door ze in een scriptie te onderzoeken en te beschrijven. Hij maakt ook schilderijen, al kunnen we ons afvragen of het opportuun is die term hier te gebruiken. Vierkante houten panelen beschildert hij met zwarte schrijfmachine-inkt, die een droogtijd van vijftig jaar heeft. Een van de problemen van dit werk is dat je kleren snel vuil worden. Diverse objecten zijn op de panelen gekleefd of geassembleerd, in de inktlaag opgenomen. Zo heeft hij een reproductie van een schilderij van de zestiende-eeuwse Duitser Lucas Cranach (of althans een stukje ervan) in een paneel verwerkt. Hij werkt soms met kopieën van werken die hem inspireren of hij kopieert wille­ keurig twaalf pagina’s uit een kunst­ geschiedenisboek, als basismateriaal om aan het werk te gaan. Schilderen doet hij om weg te zijn, hij kan er vol­ komen in opgaan, beseft niet meer dat hij iets aan het doen is. Het bezorgt hem het gevoel dat hij iets oplaadt. Maar de schilderijen zijn, stuk voor stuk, niet af. Hij bewerkt ze telkens weer opnieuw. Ze lijken te fungeren als een visuele variant van een klankbord. Hij twijfelt over hun status, de positie de ze innemen, de rol die ze in zijn oeuvre te spelen hebben. Hij heeft geen idee of hij ze – straks, in de KASKweek, of later – zal presenteren.


Toen ik hem ontmoette was hij in het atelier een soort groot kijkhok aan het construeren. Hij was van plan het hok wit te schilderen en er videoschermen in te plaatsen, met als doel daar voor- en zijaanzichten op te projecteren. Kijken is het belangrijkste. Kunst maken

heeft voor hem te maken met het bespelen van de schijn, met tonen dat je controle hebt over iets. Rudy Lycke is een practical guy, gericht op het spirituele. Er moet iets op het spel staan. Enkel tijdens een performance voelt hij zich bij mensen op zijn gemak.

Planten hebben een bewustzijn Karen Van der Perre is toegelaten op de Design Academie te Eindhoven, maar besloot om eerst in KASK – in één jaar – haar master te doen. Ze wilde afwerken wat ze hier in de bachelor had opgebouwd, daar een geheel van maken. Ze werkt met planten. In het verleden heeft ze zich afgevraagd hoe je met planten huisraad vormgeeft. Ze heeft gordijnen van klimplanten gemaakt. Een grasschilderij. Twee torens van aarde die rondvliegende zaden op­ vingen. Op de Bijlokesite, een plek met een ziekenzorgverleden van ruim zeven eeuwen, construeerde ze een serre en kweekte er geneeskrachtige kruiden. Ze plaatste varens in inkomhallen, omdat die het vermogen bezitten om rooklucht te zuiveren. In haar tweede bachelor maakte ze tekeningen van een machine die uit planten bestond. Elke plant voerde kleine acties uit, de ene plant hielp de andere. In 2010 startte ze het project Plant Solutions for Various Problems. Op de site van Timelab, een werkplaats voor kunst, technologie en samen­leving in de Brusselsepoortstraat in Gent, heeft Karen Van der Perre een tuin met de naam Het bezielde landschap gebouwd. Ze is daarbij vertrokken van de vraag hoe ze groenten beter zou kunnen laten groeien. Dat vormde in eerste instantie de aanleiding voor een studie, waarbij zowel wetenschappelijke als pseudowetenschappelijke literatuur uitgebreid aan bod kwam en verwerkt werd. Ze las over tests waarbij 61

planten via luidsprekers blootgesteld werden aan gesproken tekst. Een Japanner is tot de bevinding gekomen dat de kwaliteit van waterkristallen beduidend verbetert wanneer je in de onmiddellijke nabijheid van een waterreservoir positieve woorden laat horen. In een ander experiment liet men planten beelden van geweld en dood zien: heftige reacties werden opgevangen door een seismograaf. De moestuin is bovengronds geconstrueerd. Het grondoppervlak van de tuin bevindt zich ruim een meter boven de begane grond van het Timelabterrein. Aanvankelijk had ze stoffen zakken gestikt waarmee ze een soort eilandjes wou creëren, maar het resultaat stemde haar niet tevreden. Nu heeft ze, door middel van een aaneengesloten wand van vliertakken, één grote, amoebe-vormige tuin gemaakt. Voor het bepalen van de vorm werd ze geïnspireerd door de amorfe tekeningen en kaarten van de Weense kunstenaars Lois en Franziska Weinberger, die eveneens vaak met planten werken en daar soms voodoo-achtige rituelen mee uitvoeren. Het SMAK organiseerde in 2005 een tentoonstelling van de Weinbergers en bezit een uitgebreide collectie werken van het koppel. Op het moment van mijn bezoek zijn er diverse groenten te zien. Er staat een klein apparaat van metaal en plexiglas in de aarde geplant; een windmolen waarvan de wieken, in tegenstelling tot het bekende type, op een verticale as


draaien – een zogenaamde windmolen van Savonius. Die blijkt bijzonder effectief te zijn voor dit soort toepassing, een zuchtje wind volstaat om de wieken in beweging te brengen. De molen zet een muziekdoosje in gang. Er is een klassiek deuntje te horen dat bekend in de oren klinkt. Vivaldi, De Vier Jaargetijden. Andere machines zijn in ontwikkeling. In het eindresultaat zal elke machine een plaats krijgen in de tuin, en zal hun effect getoetst worden. In dit droge voorjaar vormt de watervoorziening een belangrijke, heel praktische kwestie. De Scheldetak die amper een tiental meter verderop voorbijstroomt, bleek volgens enkele metingen ondanks de waterzuivering te vervuild. Er is een regenwaterton geïnstalleerd, met een kleine pomp op zonne-energie. Aanvankelijk probeerde ze de drainering te sturen door middel van een microcontroller (een onderdeel uit een kleine pc), verbonden met twee in de aarde geprikte, gegalvaniseerde spijkers: die maten de vochtigheid, zodat de pomp autonoom in werking zou treden telkens dat nodig was. Het mechanisme bleek niet optimaal te functioneren. Nu werkt het zonne­ paneel gewoon met een timer. Een moestuin is een gevecht tegen de natuur, daar kan je niet onderuit. Een koperdraad fungeert als verde­ diging tegen slakken. Ze gebruikt geen pesticiden, het onkruid wordt gewied. Maar ook dat ligt nogal moeilijk, aan­ gezien ze een hart voor onkruid heeft. Dat kweekt ze ter compensatie een paar meter verderop. Door middel van paletten heeft ze, als pendant van de amoebe, een balkvormig volume gecreëerd. Eens het onkruid zich voldoende in de aarde vastgezet zal hebben en zo het aarden volume voldoende stevigheid verleent, kunnen de paletten verwijderd worden en verschijnt een mooie tafel. Een van de paletwanden heeft het wel een beetje 62

begeven, waardoor de balk een stevige knik vertoont. Op twee houten paneeltjes staan teksten over de moestuin te lezen: de eerste bevat wat uitleg over de tuin; de tweede is een manifest. Het eerste deel, dat nog uitgebreid zal worden, geeft een toelichting over de werking van elk toestel en schetst een toekomstbeeld van dit project: nu betreft het de eerste generatie, het zaad van elke groente wordt opnieuw geplant; vraag is of de beïnvloeding van het groeiproces in de genetische code van de nazaten geïntegreerd zal worden. Het manifest laat er geen twijfel over bestaan: planten hebben een ziel en een bewustzijn. Aanvankelijk gebruikte ze planten gewoon als materiaal. Door ermee te werken kreeg ze echter last van wroeging. Geleidelijk groeide het besef dat de planten met haar probeerden te communiceren, onder andere door kennis te nemen van het soort experimenten dat hierboven werd aangehaald. Binnen in het fablab, het atelier van Timelab toont Karen Van der Perre nog een paar kleine, ineengeknutselde toestelletjes. Een aaneenschakeling van een microcontroller, een mp3-speler, een volumeknop en luidsprekers. Een herlader voor batterijen met een minizonnepaneel. Toen ze hier aan de tuin begon te werken, werd ze gevraagd om in de zomer een luchtzuiverende serre te maken. Timelab beschikt over diverse computergestuurde machines, voornamelijk voor ingewikkelde freesof snijprocedures en 3D-printing. Kunstenaars in residentie maken er gebruik van, maar elke woensdag en vrijdag kunnen deze machines gebruikt worden door ieder die dit wenst. De lasercutter veroorzaakt een relatief hoge uitstoot van formaldehyde en benzeen. Karen zal testen uitvoeren om na te gaan hoelang het duurt om door middel van de serre de lucht te zuiveren.


Ze heeft weet van gelijkaardige experimenten die door de NASA uitgevoerd worden. Vroeger vond ze een goed verhaal voldoende. Nu gaat het ook om machines die in de realiteit moeten werken. Dan wordt de grens tussen beeld en realiteit, kunst en leven maximaal op spanning gezet. Zoiets geeft gensters. Wie bijvoorbeeld over de toestellen van Panamarenko laatdunkend opmerkt dat ze niet werken, heeft er geen snars van begrepen. Hij creëert een soort paradijselijke toestand waarin de

harmonie tussen mens en natuur – te land, te water, in de lucht en in de kosmos – hersteld wordt. De toestellen getuigen van een fantastische inventiviteit maar verbergen anderzijds nooit hun oorsprong als breekbaar knutselwerk. Wanneer ze in de realiteit getest worden, gaat er steevast slapstick­gewijs een en ander mis. Precies daaraan ontlenen ze hun beeldende kracht, hun materiële poëzie. De schipbreuk is cruciaal wanneer je naar utopia reist. Frank Maes

Kindvriendelijke ziekenhuizen Krankman, Krankman, wat een pechvent Kinkhoest, klierkoorts, flatulent Zeeziek, scheelzien, rode hond, Krankman, o wat maak jij het bont… Het verhaal van Krankman, zo door pech gegrepen dat hij het ziekenhuis als zijn thuis moet beschouwen, is een verhaal geschreven door de studenten animatie die zich inschreven in het project ‘Kindvriendelijke ziekenhuizen’ Het onderzoek kwam er op vraag van het Algemeen Ziekenhuis Jan Palfijn in Gent. De vraag was: ‘Wat is de invloed van interieurvormgeving en kunst op de ziekenhuisbeleving van kinderen.’ Een samenwerking tussen verschillende kunstopleidingen van het KASK met de faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen van de Universiteit Gent. Promotor van het onderzoeksproject is Jan De Pauw van de vakgroep Interieurvormgeving. ‘Jozefien Muylle is bij het onderzoek betrokken als cultureel agoog. De eerste vraag die wij ons natuurlijk stellen 63

is: wat is welbehagen en hoe ervaren kinderen dat? Samen met mijn collega Leen De Wilde van interieurvormgeving hebben we een aantal mensen rond ons verzameld die interesse hadden om mee te werken aan dit project. Heel wat studenten schreven zich daarop in. Zowel studenten drama als mensen die sprookjes voorlazen of illustreerden, mensen uit de textielafdeling die bedden­lakens en kussens ontwierpen voor de kinderen van de pediatrie en mensen die illustraties wilden maken.’ Maar het project krijgt niet zo makke­lijk ingang in de praktijk. ‘De realiteit van een ziekenhuis is anders dan de realiteit van een opleiding.’ ‘Het is een erg belangrijk interdisciplinair onderzoek voor ons als interieurvormgevers,’ zegt Leen de Wilde. ‘Het is goed om na te denken over interieur in de dagelijkse situatie van een ziekenhuis waarin je voor kinderen een positieve omgeving kan scheppen.’ Ze haalt een onderzoek aan waaruit blijkt wat de helende kracht van vormgeving kan zijn: ‘Patiënten die ontwaken na een galblaasoperatie, een kleine ingreep,


bleken veel sneller te recupereren als ze bij het wakker worden uitzicht hadden op een natuurlijk tafereel dan als ze uitzicht hadden op stedelijk weefsel. Er zijn nog niet voldoende testen gedaan op dit gebied, maar dit project

is alvast een start om op een andere manier over ziekenhuizen na te denken. Een mens blijft een mens en is niet te reduceren tot een patiënt.’ Anna Luyten

De man die naar boven kijkt Soms, als hij het even niet meer weet, – ‘als ik vastzit’, noemt hij dat – loopt hij de Gentse Sint-Baafskathedraal binnen. ‘Ik slijp er mijn ideeën,’ zegt hij. Dat doet hij door naar boven te kijken. Hij kijkt niet naar het Lam Gods, maar naar de hoge plafonds. ‘Ik wil iets mini­malistisch doen,’ denkt hij dan. Hij zegt: ‘Al kijkend naar het plafond van de kathedraal krijg ik altijd terug het juiste idee van de sfeer die ik moet weten vast te houden: die zware stenen en het gevoel van lichtheid…’ Hij heeft dat contrast nodig. Hij zoekt de gotische gewelven van de kathedraal op om te weten waar hij staat. ‘Daar, onder een immense hoogte, beseft een mens pas echt hoe klein hij is. Ik weet niet of ik gelovig ben, maar in de Sint-Baafs voel ik lijfelijk dat ik maar een onderdeel ben van iets groter.’ Hij noemt dat ‘het geometrische aura’ rond de mens. En zo werkt Michael Von der Crone (1987) aan de nieuwe modecollectie waarmee hij wil afstuderen. ‘Ik heb meestal de neiging het ver te zoeken,’ zegt hij. ‘Nu is het iets van dichtbij. Gent is gotiek.’ Hij is een student die het niet kan laten aan te kloppen bij de poorten van de hemel.

Het begon misschien wel met Knockin’ on Heaven’s Door, de tentoonstelling die hij in Bozar zag van beeldend kunstenaar Wim Delvoye, die ook de gotiek als inspiratiebron gebruikte. ‘Na die tentoonstelling begon ik verder na te denken: over het massale van stenen gewelven in kathedralen, de hoogte die een gevoel van verlichting schept, de strikte regels van religie, maar ook hoe die strakheid verademing schept.’ Hij greep terug naar zijn lessen kunstgeschiedenis en kunstfilosofie. En dacht: ‘Iets wat massief lijkt, licht maken. Als je van dat uitgangspunt een bewegend silhouet maakt, krijg je een lichtvoetigheid. De stoffen moeten fragiel zijn: toile en zijde. De tinten: witte en huidskleurige… Alsof ik iets onzichtbaars aanwezig wil maken. Niets opzichtigs, geen gimmicks. Iets sereens.’ Hij wil de gedachte van de kathedraal naar de catwalk krijgen. ‘Door verder te lezen over gotische vormen kwam ik terecht bij de pure en “Heilige” geometrie. Er is geen chaos. We zijn gecreëerd. Alles is volgens een bepaald principe vormgegeven.’ Een jonge modemaker aan het woord.

De kunst ‘Ik heb ooit gelezen dat mode kunst naar de gewone man brengt en dat kunst dat nodig heeft,’ zegt hij. Zijn 64

vader is arbeider, zijn moeder huisvrouw. Hij herinnert zich het geluid van zijn moeders naaimachine. De sfeer in


de kamer wanneer zijn moeder zelf haar kleren maakte. Hoe hij het liefste naast haar op de grond, tussen haar patronen die ze namaakte uit het modetijdschrift Vogue, vormpjes zat te knippen. ‘Ik mocht nooit aan de onaffe kleding­ stukken van mijn moeder komen.’ Zo leerde hij misschien wel goed te kijken. Hij herinnert zich het clipje van een zomer­hit dat hij als peuter begeesterd en steeds opnieuw bekijken wilde. ‘Wat is er nu te zien aan die Lambada?’, vroeg zijn moeder. ‘De kleren dansen,’ zei hij altijd. ‘Mode is een manier van knutselen,’ zegt hij. ‘Als modeontwerper kan ik een andere realiteit creëren. Een wereld waarvan ik, ook al is het maar twee minuten in een show, alles kan ensce­ neren en in beeld brengen.’ Wanneer ze hem op de lagere school vroegen wat hij later wilde worden, zei hij steevast: modeontwerper. Het waren de jaren negentig. De Vogue stond vol Versace. Als puber begon hij te twijfelen. Hij volgde avondlessen tekenen in de academie. Nog altijd tekent hij nauw­ gezet zijn silhouetten uit. ‘Ik kom niet al naaiend tot een creatie. Ik vertrek nog altijd vanuit de vorm.’ Hij is een knippende jongen gebleven. ‘Ik zou nooit een kunstenaar kunnen zijn. Ik heb een bepaalde zucht van de realiteit nodig,’ zegt hij. ‘Mode is een clash tussen twee werelden. Aan de ene kant zijn er de trends, moet je snel mee zijn met wat er in de wereld gebeurt, is er het commerciële aspect en aan de andere kant is er het artistieke. Je wil toch ook dat er een dag komt waarop

je mensen op straat ziet die je kleren dragen. En niemand doet dat om je concept of het verhaal achter je collectie, hoewel in mijn ideaalbeeld diegenen die mijn kleren dragen wel mensen zijn die weten waarom ze die gekocht hebben.’ Mode noemt hij ‘een genereuze kunstvorm’. ‘Als je jezelf beschouwt als kunstenaar, is het toch een mooi idee dat mensen je kunstwerk om zich heen kunnen dragen en zich ermee kunnen uiten?’ ‘Mode is een beeldtaal die nuttig en noodzakelijk is. Mode is altijd wat onderschat binnen de kunst, hoewel kunst­geschiedenis en kostuumgeschiedenis zeer nauw met elkaar verwant zijn. Bij veel bekende portretten uit de kunst­geschiedenis maakt kleding een wezenlijk deel uit van het schilderij. Het is belangrijk voor mij geweest dat ik mijn opleiding mode binnen de academie voor beeldende kunsten heb gekregen. Ik heb de theoretische omkadering vaak nodig gehad om een artistiek onderbouwde oplossing voor een creatief probleem te vinden. Het helpt een ontwerper om niet te blijven steken in clichés.’ ‘Die theoretische opleiding is ook nodig binnen de modementaliteit van nu. Zonder kunstfilosofie zou ik de mogelijkheid missen om verder te denken over wat mijn vak mode nu inhoudt. Meer nog: het opent creatieve wegen. Op de academie hebben we ook veel contact met de andere afdelingen: mensen van fotografie, textiel vooral. Het zit ook in de sfeer. Je loopt door de gangen en ziet het werk van anderen. Je ziet mensen die bezig zijn. Iedereen die creatief werk verricht, heeft dat soort prikkels nodig.’

Sculpturen Hoe belangrijk voor hem de vorm ook is, hij beschouwt zijn kledingstukken nooit los van een mens. ‘Het zijn sculpturen op een lichaam.’ En hij moet altijd nog een stap verder denken: ‘Kan het model 65

ermee neerzitten en haar armen strekken. Dat is een evenwichtsoefening voor de maker.’ Een collectie begint met zeer extreme bedenksels en loopt dan in iets draag-


baars over. ‘Ik zou er geen plezier aan beleven een broek voor mezelf te stikken. Ik werk aan een artistiek verhaal, aan een concept.’ Hij vertrekt van een tekening, die hij zo mooi mogelijk op papier wil krijgen. ‘Die tekening moet zo knap gemaakt zijn, dat ze mij uitdaagt.’ Het naaien en stikken zelf, daar beleeft hij een enorm plezier aan.

‘Een stuk moet goed gemaakt zijn. Wat ik misschien wel het aangenaamste vind in het hele proces, is het maken van de toile.’ Als hij die eerste stoffen klad­versie aan het maken is, kan hij het patroon pas echt uittesten. Zijn gedachten wil hij meten aan de realiteit. ‘En pas dan doe ik de afwerking in de uiteindelijke stof. Keurig en net.’

Studentenjob Hij heeft in de Nationale Bank gewerkt. Als poetsman. Hij heeft in een bed and breakfast gewerkt. Als kamerjongen. Hij heeft bij de posterijen gewerkt. Als postverdeler. Hij heeft bij het befaamde Nederlandse ontwerpersduo Viktor en Rolf gewerkt. Als creatieve, jonge belofte. Ze hebben hem gevraagd te blijven. ‘Ik moet mijn studies voor een groot deel zelf bekostigen. Daarom heb ik mijn master ook gespreid over twee jaar. Ik doe onnozele jobs om mijn droom waar te kunnen maken. Dat is niet erg. Ik leer er veel door; bijvoorbeeld dat ik de creativiteit enorm zou missen, mocht ik mijn droom in het water zien vallen. Die jobs houden me ook met beide voeten op de grond. Je moet je in de mode sowieso leren aanpassen aan de werkelijkheid.’ Het zijn manieren om zichzelf voort te jagen. Om aan die poorten van de hemel te blijven kloppen. ‘Ik ben realistisch genoeg om te weten dat je nooit weet waar je ooit terecht komt en hoe dwingend de realiteit kan zijn.’ Hij heeft nochtans al een sterk cv. Tijdens het eerste jaar dat hij op de academie zat, kocht Michael Von der Crone een dvd met een documentaire over het ontwerpersduo. ‘Bij hen wil ik

66

stage lopen,’ dacht hij onmiddellijk. Vorige zomer stuurde hij hen een mail met zijn cv en een portfolio van de mannen­collectie die hij al gemaakt had. Een paar dagen later kreeg hij telefoon met de vraag diezelfde week nog langs te komen. ‘Viktor en Rolf heb ik in het begin een paar keer gezien, in een latere fase niet echt.’ Het is een groot bedrijf; public relations, de financiële afdeling, de styling- en designafdeling en het atelier. Von der Crone kreeg een plek in het atelier, samen met drie vaste werknemers en zes stagiairs. ‘In de stylingafdeling worden de stukken ontworpen die voor de winkels bestemd zijn. In het atelier de artistieke stukken. Zij noemen dat de “haute couture”. Het zijn stukken die niet bedoeld zijn om te dragen. We maakten schetsen. Het was een goede oefening in het verkennen van grenzen. “Een mannenhemd op vrouwenlijf”, luidde de opdracht. “We willen een sculptuur van kragen en manchetten.” ’ ‘Viktor en Rolf kennen dat spel tussen al die werkelijkheden die met mode te maken hebben. Ze gebruiken het artistieke voor een deel als marketing. Na mijn stage bij hen ben ik anders naar hun werk gaan kijken. Ik zie er nu onmiddellijk de realiteit bij.’


Gulzig kijken Nu lonkt Parijs. Niemand houdt hem tegen: ‘Mijn partner heeft communi­ catiewetenschappen gestudeerd en wil zich meer bezighouden met de zakelijke kant van mode. Zo zijn we beiden op onze manier met hetzelfde bezig. Ook dat helpt om de lat hoog te leggen.’ Na zijn masterjaren wil Michael Von der Crone graag stage lopen bij Balenciaga. ‘Dat is een modehuis met een mooie verhouding tussen het klassieke, stijlvolle en het vernieuwende. Het zijn prachtige constructies, zowel wat de materie als de vormgeving betreft. Ik wil weten hoe dat technisch in elkaar zit. Het zijn kleren die je kan dragen en die goed uitgedacht zijn. Ik wil te weten komen hoe die balans tussen constructie en concept in kledij werkt.’ ‘Toen ik op de academie mode begon te studeren, ging er een wereld voor mij open. Ik ontdekte de Belgische mode. Op het eerste gezicht begreep ik de radica­ liteit van ontwerpers als Martin Margiela niet, maar als je het grotere kader ziet, is het slim en bevrijdend. Nu ben ik wel fier dat ik een “Belgisch ontwerper” ben.’ ‘Maar Parijs blijft toch wel de baker­ mat voor mij. Parijse mode vertrekt meer vanuit het gevoel van luxe. Luxe klinkt als een vies woord. Ik vind het ook iets moois hebben, iets begeerlijks.’ Hij spreekt met een grote gulzigheid en nieuwsgierige bezetenheid als hij het over mode heeft.

‘De Londense mode vertrekt meer vanuit het uitgaansleven en het straat­ milieu. Nu is de trend: “Dit is mijn ding”. Jonge ontwerpers als Mary Katrantzou zijn erg uitgesproken. Zij is iemand die print op stoffen op een nieuwe manier heeft gebruikt. Ze maakt er een statement van. Ik volg het op de voet. Zo kan ik voelen of ik nog wel juist bezig ben.’ Als er ergens in de wereld een mode­ show geweest is, wil hij zien wat daar gaande was. ‘Ik zoek ze op in bladen en nog het liefste op YouTube. Ik moet het bewegende silhouet zien.’ Modeshows in Parijs, Londen of Milaan bezoeken, kan hij niet. ‘Het is moeilijk om er binnen te geraken. Maar als ik in Parijs ben, loop ik wel alle winkels van de grote modenamen binnen.’ Niet om te kopen. Wel om datgene te zien wat hij op foto niet kan zien. Winkels als Colette of Balenciaga in Parijs, of Selfridges in Londen, het zijn zijn laboratoria. ‘Ik moet die kledingstukken voelen, onderzoeken hoe ze in mekaar gezet zijn, hoe ze zijn afgewerkt. Ik ga naar stockverkopen: hoe zit Ann Demeulemeester in mekaar, hoe doet Dries Van Noten het… Maar het kan evengoed de Zara zijn. Die kleren van de Zara hebben trouwens een perfecte afwerking. Dat is niet onbelangrijk. Daar kijken de mensen het eerste naar: de binnenkant. Een mooie voering, daar kopen mensen soms zelfs dingen voor.’ Anna Luyten

Nipple slip In de ateliers van de Kunsttoren in de Offerlaan zijn studenten aan het werk. Ze hangen hun werk op. Het ene naast het andere. Dan weer het andere naast het 67

ene. ‘Er is een nieuwe tendens naar meer figuratie, maar ook fotorealisme of het zich in ieder geval laten inspireren door realistisch bronnenmateriaal,’ luidt het.


‘Het zijn kunstenaars die zich bewust verhouden tot de complexiteit van de samenleving. Ze maken gebruik van verschillende referentiekaders, ook het internet.’ Een van de kunstenaars die graag surft op zoek naar beelden is Jérémie Callens. Zijn zoektocht naar materiaal is al even boeiend. Soms gaat hij ’s nachts met collega-studenten naar stortplaatsen voor verfafval. Daar vinden ze allerlei resten van verschillende materialen, die ze in hun werk gebruiken. Hij studeert dit jaar af. Hij zegt: ‘Toen ik in het tweede jaar zat, heb ik in een crisis gezeten. Ik wist niet welke thema’s ik wilde uitdiepen. Ik ben teruggevallen op techniek. Ik wist niet meer wat te doen.’ Het was een leraar die hem uit zijn crisis haalde. ‘Mijn docent Vincent Geyskens heeft mij gesteund. Door een collega-achtige aanpak. Door me aan te moedigen. Door er te zijn. Ook met woorden heeft hij mij aangemoedigd. Heel concreet. Hij zei wat hij goed en slecht vond. Duidelijkheid heb ik wel nodig.’ Callens vertekt in zijn werk vanuit foto’s. In het weekeinde zit hij voor de computer van zijn moeder, thuis in Ruiselede. ‘Ze heeft een kleuren­ printer.’ Hij opent windows. Hij opent een browser, gaat naar Google en tikt in: ‘celebrities’. Dan: ‘categorieën’. Hij zegt: ‘Je hebt van die maffe voyeuristische sites waar je beroemdheden ziet in hun zwakke momenten.’ Kernwoorden zijn er genoeg. ‘Nipple slip. En zo kom je op een goede site terecht. Een voyeuristische site over celebrities.’ Hij vangt poses van bekende sterren. Britney Spears of Paris Hilton bijvoorbeeld. ‘Het is een spel tussen een ster en paparazzi om sterren op hun zwakke momenten te foto­gra­ feren.’ Sommige sterren kennen dat 68

spel en spelen gretig mee. Ze laten bewust een stukje van hun slip zien of laten zich dronken fotograferen. ‘Het gaat me om de beeldende eigenschappen van die beeldcultuur. Niet om de naaktheid of het dronkenschap.’ Het is het geënsceneerde beeld van zwakheid. Wanneer Jérémie Callens een pose gevonden heeft waar hij verder op wil werken, legt hij een archief aan van de verschillende foto’s van dat ene zwakke moment. Soms vindt hij in de in het wassalon achtergelaten magazines beelden die hem aanstaan. ‘Het zijn al zodanig populaire beelden geworden dat mensen ze snel herkennen.’ Zelfs de gezichten zijn herkenbaar. De composities zijn vaak hetzelfde: een auto, een openzwaaiend portier, een rode loper. Hij vindt het materiaal pas interessant als er een ‘combinatie van verschillende materialen en kleuren zichtbaar wordt’; veel huid, een glitter- of latexjurk, veel blinkende pailletten. ‘En een glimlach is altijd welkom. Omdat het die lichamelijkheid beklemtoont.’ Het is vooral die beeldcompositie die hij wil tonen. In een van zijn werken rond de nipple slip-poses is de glimlach vooral heel zichtbaar, de rest verduistert hij in doffe kleuren. Wat ik wil schilderen zijn mensen, lichamen, situaties, handelingen die heel herkenbaar worden. Het lijken bijna portretten vanuit een schaduwspel. Hij trok vanuit zijn fascinatie voor die nipple slip-beeldtaal zelf naar Californië: ‘De fictie van het hele gebeuren is me toen zo opgevallen.’ Anna Luyten


19. Elly Van Eeghem Het hoekhuis Onderzoek in de kunsten, beeldende kunsten: Community arts in Gent.


20. Laurent Van Lancker Disorient Onderzoek in de kunsten, audiovisuele kunsten: Expanded Documentary.


21. Sarah Vanagt Corridor Onderzoek in de kunsten, audiovisuele kunsten: Expanded Documentary.


22. Kristof Van Gestel Familie, 19 sculpturen en publicatie naar aanleiding van een interactief project, â&#x20AC;&#x2DC;Een verlangen naar abstractieâ&#x20AC;&#x2122;, Felixart Museum, Drogenbos 2010. Doctoraat in de kunsten, beeldende kunsten: Ironie en Ruimte.


23. Catherine Willems Example output of some of the biomechanical measurements during one stride (i.e. stance phase and swing phase). Green: the accelerometer Y signal (oriented approximately vertically), with the large peak corresponding to heelstrike. Blue: raw signal of the sEMG electrode mounted on the M. gastrocnemius medialis. Purple: goniometer signal corresponding to plantarflexion (lower values) and dorsiflexion (higher values). Doctoraat in de kunsten, beeldende kunsten: Future Footwear.


Gewoon werken. De methode van Priit Pärn Frank Maes

Het plan luidt als volgt: de methode Pärn als uitgangspunt laten fungeren van een gesprek, met een aantal studenten uit de richting ani­ matiefilm die van deze methode gebruikmaken. Priit Pärn is een Estse cartoonist en animatieregisseur. Hij nam recent deel aan The Reality of the Lowest Rank te Brugge, een tentoonstelling met kunst uit Centraal-Europa, samengesteld door Luc Tuymans, Tommy Simoens en Edwin Carels. Deze laatste werkt aan KASK als onderzoeker rond de relatie tussen vroege animatiefilm en beel­ dende kunst. Animatiefilms namen een belangrijke plaats in binnen de tentoonstelling. Dit werd benadrukt in een toelichting van de curatoren: De productie van talloze animatiefilms in Centraal-Europa had een betekenisvolle impact. Aangezien ze minder scrupuleus werden gecontroleerd door het [communistische] regime, waren ze een invloedrijk genre waarin hypotheses over andere wereldbeelden konden worden gearticuleerd. Met zijn cartoons als sociale dagboeken werd de Estse Priit Pärn befaamd door de manier waarop hij het ineenstuiken van het regime signaleerde, nog voordat het woord ‘perestrojka’ begon te circuleren. […] Animatie is niet alleen 74

een techniek, het is vooral ook een strategische methodologie die het mogelijk maakt om een wereldbeeld te articuleren waar de nederigste objecten de sterkste resonantie krijgen.1 In een tekst over Priit Pärn verderop in de tentoonstellingscatalogus, van de hand van Nobuaki Doi, staan nog enkele intrigerende passages: Toen hem ooit in een interview werd gevraagd naar de boodschap van zijn werk antwoordde hij: ‘De beweging zelf is de boodschap.’ Het eigenaardige karakter ervan roept bij de kijkers de gedachte op dat er iemand is die op een andere wijze denkt dan de anderen. Die opvatting van animatie is werkelijk effectief in een socialistisch land, waar iedereen gedwongen wordt op dezelfde manier te denken. Door de kijker bewust te maken van dat feit wekt de filmmaker automatisch een gevoel van weerstand, van verzet. […] Maar laten wij niet vergeten dat de personages uit zijn films zelden veranderingen aanbrengen


in hun uitgangssituatie en na afloop van de film nog steeds gevangenzitten in dezelfde wanhopige toestand.2 De richting animatiefilm is sterk internationaal georiënteerd. Toen men in het kader van The Reality of the Lowest Rank een reeks screenings van animatiefilms met lezingen organiseerde, werden de studenten gestimuleerd om die bij te wonen. En Priit Pärn heeft, net zoals hij dat enkele jaren geleden ook al eens in ons land deed, voor geïnteresseerde studenten zijn be­ faamde methode toegelicht, in een seminarie met de titel How to Construct a Story – from Idea to Screenplay. Pärn, die zelf geen animatiefilm maar biologie studeerde en nadien een opleiding als cartoonist volgde, doceert aan de Kunstacademie voor Toegepaste Kunsten in het Finse Turku. Zijn methode stelt beginnende filmmakers in staat om op een vlotte manier scenario’s te schrijven. Het uitgangspunt ervan is niet te vlug het verhaal vast te leggen en voortdurend de verschillende mogelijkheden van een vertrekpunt te blijven onderzoeken.

Door af te wegen welke stukken van een verhaallijn, of zelfs van diverse mogelijke verhaallijnen, belangrijk zijn en welke minder en waar de belangrijke momenten zich situeren, krijgt men geleidelijk vat op het verhaal, wordt duidelijk waar het naartoe gaat, en wat er nodig is om daar te geraken. Het is daarbij de bedoeling dat vrije verbeelding en analytisch denken beide een belangrijke rol spelen en in elkaar verweven worden. De methode Pärn werpt vragen op over de manier waarop verbeelding en creativiteit functioneren, hoe je vanuit heel eenvoudige bestanddelen een filmscenario kan ontwikkelen, en hoe daarbij voor de hand liggende oplossingen en clichés vermeden kunnen worden. Deze werkwijze om verhalen te ontwikkelen verschilt van de klassieke, meer op karakterontwikkeling gerichte methode. Alle films van Pärn vormen eigenlijk een onderzoek naar de mogelijkheden van een kleine gebeurtenis. Zijn methode is bijzonder bruikbaar. Studenten komen snel vast te zitten in hun verhaal. Zijn methode leert om alle mogelijke verhaallijnen te onderzoeken vooraleer je iets vastlegt.

Na de vraag om een aantal studenten te spreken die van de methode Pärn gebruik maken, word ik voorgesteld aan Kristof Jakiela, Ben Gijsemans en Bram Algoed. Alle drie zijn ze het eerste jaar van een tweejarige master aan het afronden. Eigenlijk heb ik slechts één verzoek. Die voor de hand liggende en meteen met de deur in huis vallende vraag is voor de drie studenten dezelfde: hoe pas je de methodiek van Priit Pärn in je werk toe? Ben: De methode is handig als je snel op ideeën wil komen, je kan vlot heel veel met elkaar associëren. Je vult A en B met iets totaal anders in, je koppelt die aan elkaar en zo kom je tot een absurd creatief idee. Je kan jarenlang aan een scenario werken maar volgens Pärn volstaat een uurtje concentratie om 75

tientallen scenario’s te bedenken. Zijn films lijken wel allemaal op elkaar. Het kan voor ons niet de bedoeling zijn een Priit Pärn-film te maken. Kristof: Het hangt ervan af hoe je de procedure invult. In het seminarie kregen we de opdracht om met een paar


simpele vuistregels een aantal voor­ beelden te maken. Dat leverde toch heel uiteenlopende resultaten op. Ben: In zijn eigen films is het resultaat veel sterker. Bram: De methode stelt je in staat om heel snel leuke storyboards te maken. Ikzelf werk niet volgens zijn principes, aangezien theoretische uitgangspunten in zijn methodiek geen grote rol spelen. Ben: Het is indrukwekkend wat je in één beeld kan steken. In een oefening kregen we als startpunt een kamer met een venster, een televisie en iets op de vloer. Dat moest je zo zien in te vullen dat het verhaal zo interessant mogelijk zou worden. Kristof (toont zijn schetsen van de betreffende storyboard-oefening): De opdracht bestond er meer bepaald in dat je eerst moest inzoomen op de tv, vervolgens uitzoomen en iets laten zien wat inmiddels in de kamer gebeurd was. Ben: Hij liet ons eerst brainstormen. Dat leverde bij iedereen ongeveer dezelfde resultaten op. Bram: Hij liet mooi zien hoe gemakkelijk je in clichés denkt. Je moet altijd een eerste idee weggooien. Bij zeker de helft was er nieuws op tv, met het verslag van een zware storm bijvoorbeeld. En bij het uitzoomen stond de kamer dan gegarandeerd onder water. Het was een bewust opgezette val. Ben: Vervolgens trok hij dat zodanig open dat hij er veel meer informatie in kwijt kon. Bijvoorbeeld door in de kamer een camera te plaatsen, gericht op de kijker, en op de televisie te tonen wat de camera filmde. Zo verdubbelde 76

hij de ruimte. Hij vroeg ons om op basis van die drie elementen vijf verschillende storyboards uit te werken, te vergelijken en er ten slotte één te kiezen. Bram: Hij leerde in die sessies hoe je dingen bij elkaar kan brengen die op het eerste gezicht niets met elkaar te maken hebben. Dat levert veel interessantere ideeën op dan bij een voor de hand liggend opzet. Hij liet zien dat je een hele film kan maken door gewoon twee of drie elementen te kiezen die een spanning met elkaar opbouwen. En hij toonde hoe je die spanning opbouwt, hoe je naar een punt en een clou toewerkt. Ben: Je start met een element A en een element B. Je zoekt hoe je geleidelijk de spanning tussen beide elementen kan opvoeren, bijvoorbeeld door C te introduceren. Priit Pärn heeft letterlijk een film gemaakt met ‘A’ en ‘B’ als onderwerp. In de derde bachelor heeft men afgelopen jaar de opdracht gekregen om in één week tijd een film te maken. Dan is het onmogelijk om eerst een concept te ontwikkelen, en dat vervolgens uit te werken. De film dient heel snel, vanuit het handelen te ontstaan. In zo’n omstandigheden is die methode uiterst efficiënt. Bram: De methode focust tevens op de sequentie tussen probleem en oplossing. Het scheppen van een probleem trekt de kijker aan. En dan is het zoeken naar een creatieve oplossing met de elementen die voorhanden zijn. Kristof: Priit Pärn begon het seminarie met een grap. Aan de hand daarvan wou hij aantonen dat je best begint met de oplossing. ‘Waarom rijden domme blondjes niet in een auto van het merk Kia? Omdat ze een gsm van het merk Nokia hebben.’ De persoon die deze


mop (van de flauwere soort) verzonnen heeft, is volgens Pärn begonnen met het antwoord, en is daarna op zoek gegaan naar een goede vraag. Bram: Ik heb vooral onthouden dat je voldoende moet blijven verrassen. In Hotel E van Priit Pärn blijven de variaties en combinaties van teken- en verhaalstijlen je telkens verrassen. Hij voegt elementen samen om de kijker constant te prikkelen.

Ben: Mij is van de methode Pärn vooral bijgebleven dat je helemaal niet hoeft te wachten op inspiratie maar dat je via oefeningen tot resultaten kan komen. Gewoon werken. Bram: Zijn theorieën zijn heel eenvoudig. In zijn laatste film bijvoorbeeld, Life without Gabriella Ferri, is het knap om te zien hoe ervaring een belangrijke rol speelt. Maar een student zou een film helemaal niet zo opbouwen.

Hoezo? Ben: Het is wat tegenstrijdig. De school wil van haar studenten zelfstandige regisseurs maken. Priit Pärn werkt twee dagen aan een idee en wijdt vervolgens

twee jaar aan de uitwerking. Zo is de rol van de regisseur vlug uitgespeeld. Ik laat het liever tot het einde open.

Als ik het goed begrijp staan jullie helemaal niet te trappelen om Priit Pärns methode in jullie eigen praktijk toe te passen. Hoe gaan jullie dan wel te werk? Bram: Vorig jaar hebben we wel een beetje zoals Pärn gewerkt. We zitten momenteel in een fase waarbij we in elke film iets anders willen proberen. Vorig jaar hebben we een heel klassieke storyboardfilm gemaakt, heel strak volgens de geijkte stappen. Nu werken we allemaal op een heel andere manier. In mijn huidige project ben ik met de klankband begonnen. Die probeer ik zo gedetailleerd mogelijk te maken. Om aan de hand daarvan een verhaal te vertellen en een wereld te scheppen. Vervolgens zal ik zonder storyboard beelden maken en die op de klankband monteren. Dat is zo’n beetje tegen­ gesteld aan de methode van Pärn, waarin het storyboard de leidraad vormt. Een reden om van de klank te vertrekken, is dat die er dikwijls op het einde vlug aan toegevoegd wordt. Het is ook mogelijk om parallel beeld en klank uit te werken maar dan is het gevaar dat je twee keer hetzelfde vertelt. 77

Ben: Er bestaan veel methodes. Je moet je eigen methodiek zien te vinden. Cru­ciaal is dat je in het creatieproces niet veel tijd verspilt. Want animatie is een ontzettend intense manier van filmmaken. Bram: Je moet er zo hard over nadenken omdat je alles zelf maakt. Als wij ooit een speelfilm maken, zullen we vooral denken en handelen vanuit de mogelijk­heden van het medium. Je kan alles manipuleren, aanpassen, bespelen. In animatie ben je gedwongen om dat te doen, je moet effectief kiezen. Ben: Veel goede filmregisseurs, zoals Darren Aronofsky, zijn begonnen met animatie. Kristof: Het is belangrijk dat de kennis over die methodes in je achterhoofd zit. Soms ga je zus te werk, dan weer zo. Ik ga van start met talrijke brainstormsessies, om zoveel mogelijk ideeën en


vertrekpunten te verzamelen. Want als ik zomaar begin te werken, blijven er kansen liggen. Het is beter nog eens rustig alle mogelijkheden te overlopen en te overwegen welke bruikbaar zijn, om bijvoorbeeld de spanning of het verrassingseffect te verhogen. Ik hoed er me vooral voor om teveel vast te

leggen: het komt erop aan voldoende vrijheid te behouden in de uitwerking en de montage. Een strak storyboard is goed om in team te werken. Werk je alleen, dan is het beter jezelf niet van meet af aan vast te rijden. Een goed vertrekpunt is cruciaal.

Wat dat openhouden van mogelijkheden betreft, lijkt jouw aanpak me toch behoorlijk sterk bij de methode Pärn aan te sluiten. In zijn methode interesseert het me juist dat hij niet start van een vertrek-‘punt’, dat wil zeggen, van één punt of oorsprong of concept. Het is pas door minstens twee ogenschijnlijk incompatibele elementen met elkaar te verbinden of te laten botsen dat er een ‘idee’ ontstaat. De oorsprong van zijn verhalen is essentieel meervoudig, wat het belang en de inbreng van de Auteur, en bijgevolg van de Inspiratie, sterk relativeert. Ben: Daar ben ik het niet helemaal mee eens. Hij komt toch vrij snel tot een idee, waar al de rest uit voortvloeit. Maar de methode laat wel toe dat je op één dag heel veel kan verzinnen. En eenmaal je zo’n structuur uitgeschreven hebt en je bent meer tevreden over het einde dan over het begin, dan snij je het eerste stuk gewoon weg en verzin je een nieuw begin. Bram: Het is in die zin dat het werk­ proces bij Pärn zo belangrijk is. Dat hebben we vorig jaar heel hard gedaan: zwaar in het verhaal blijven snoeien en daarbij enkel de hoofdlijnen aan­ houden. Het procesmatige blijft ook nu belangrijk maar op een andere manier. Soms, als je in de loop van het werkproces voortdurend blijft aanpassen, kan de vrees je wel bekruipen dat je verdwaalt. Terwijl de film verbetert, wordt het voor de kijker misschien verwarrend. Het komt erop aan je daar goed bewust van te zijn, er voor op te letten. En het verhaal hoeft ook niet volkomen duidelijk te zijn. Er zit geen duidelijk verhaalstructuur in Pärns films.

78

Ben: Je moet je goed blijven afvragen wat de basis, de essentie van je film is. Die procesmatige ontwikkeling geeft je een goed gevoel over je concept. Als je verhaal al zo veel vormen aangenomen heeft, krijgt je het gevoel dat het ergens vandaan komt, dat je goed bezig bent. Bram: Die opdracht in de derde bachelor, om in één week een film te maken, leverde een aantal resultaten op die sterker waren dan voorafgaande films waar een heel semester aan gewerkt was. Kristof: De uitdaging blijft altijd om te verrassen. Als je een beperking opgelegd krijgt, ben je dikwijls zelf verrast over het resultaat dat daaruit voortvloeit. Bram: Volgens Jerzy Kucia moet je in een uur een storyboard kunnen maken. Een mens gebruikt slechts vijftien procent van zijn hersenmassa. Het is ons geraden om dat povere percentage efficiënt te gebruiken. Ben: Kucia maakt heel andere films dan Pärn, en zegt hier in wezen hetzelfde.


Bram: Igor Kovalyov daarentegen, die schrijft zijn script uit tot in de puntjes, met timing, klankband, alles erop en eraan. Zijn film is af voor de uitwerking begint. Kovalyov doet naar eigen zeggen niet graag aan animatie.

Ik vind dat interessant want zijn films zien er uiteindelijk niet zo uit. En als hij het over andermans films heeft, bespreekt hij het tekenwerk.

Het belang van het werkproces, en de scheppende rol van de beperking daarin, dat doet me denken aan een gesprek dat ik eerder deze week met Jasper Rigole had. Die had het in dat verband over de Franse schrijvers van de groep Oulipo, waaronder Georges Perec en Raymond Queneau, die ‘la contrainte’ als sturend principe hanteerden. Een opvallende overeenkomst met de animatiefilm is ook dat de Oulipo’s geen enkele vorm van vanzelfsprekend realisme aanvaardden, maar het verhaal opvatten als een pure constructie. Bram: We kregen eens de opdracht om op basis van een hoofdstuk uit Stijloefeningen van Raymond Queneau een animatiefilm te maken. Kristof: Het is een uiterst eenvoudig verhaaltje over iemand die een tram

duwt. Queneau heeft dat op honderd verschillende manieren geschreven. Bram: Ook al hebben sommige studenten op basis van eenzelfde hoofdstuk gewerkt, alle resulterende films waren volkomen verschillend.

Tenslotte, als uitsmijter, nog een behoorlijk enigmatisch stukje tekst van Nobuaki Doi over de laatste film van Priit Pärn, waarin met uitzondering van de dief alle personages slechts vier vingers hebben: Pärns films gaan dus altijd over de weerstand tegen het onweerstaanbare, over verzet. We hebben een hand om vast te houden; dat is wat de film Life without Gabriella Ferri achter zijn vreemdheid verbergt. Met vier vingers hebben we twee handen nodig om iets stevig vast te houden, met andere woorden: ‘A+B’. Dit verzet is voor de zwakken, 1. Luc Tuymans, Tommy Simoens & Edwin Carels, “Inleiding door de curatoren. The Static Slide beneath a Moving Image.” The Reality of the Lowest Rank. Een visie op Centraal-Europa. Red. Tuymans, Simoens & Carels. Lannoo, 2010. p. 44, 48.

79

en het is soms zo zwak dat wij aarzelen het verzet te noemen. Maar dan nog hebben wij een hand om vast te houden. Het is slechts een mogelijkheid tot een werkelijke band, maar het is er een. Sommigen zullen daar misschien anders over denken, maar Life without Gabriella Ferri heeft een happy ending, in oprechte en onvervalste zin.3 2. Nobuaki Doi, “Weerstand tegen het onweerstaanbare.” Ibid. p. 153. De volledige versie van deze tekst verscheen voor het eerst in ASIKA Magazine, deel 22, nr. 2, winteruitgave. 3. Nobuaki Doi, Ibid. p. 155.


Portret van een leermeester Anna Luyten

Sam Bogaerts is altijd een begeesterd man geweest. Geboren in 1948. Na zijn militaire dienst had hij ‘twaalf beroepen zonder ongelukken’ – zegt hij zelf – ‘boekhouder, chauffeur, kaai-expe­ diteur, marktkramer, dispatcher…’ Hij was 27 toen hij in 1975 aan zijn studies voordracht aan het Conservatorium in Antwerpen begon en zijn studies toneel aan het Conservatorium in Brussel. Een laatbloeier maar winter­ hard. Hij veranderde het Vlaamse theaterlandschap met de oprichting van Het Gezelschap van de Witte Kraai, samen met rasacteurs als Lucas Vander­ vost, Luk Perceval, Warre Borgmans en Johan van Assche. In de jaren tachtig zat hij in de artistiek leiding van befaamde groepen als Zuidelijk Toneel Globe en Toneelgroep Amsterdam. In de jaren negentig was hij huisregisseur bij Nederlands Toneel Gent en artistiek leider van theater Malpertuis. Hij was al langer gastdocent in verschillende scholen. Vanaf 2005 werd hij artistiek en pedagogisch leider van de opleiding drama in Gent. Hij werd als een soort vader van vele jonge acteurs.

80

Hij is niet zo’n man van ‘moeten’, eerder een vent van ‘mogen’ en ‘willen’. Maar op zijn website formuleert hij wel zijn tien geboden: 1. Bovenal besef uw nietigheid in ’t licht van ’t universum. 2. Aanvaard des levens harde feiten: ziekte, tegenslag, de ouderdom, de dood. 3. Heb eerbied voor de eigenheid: waardeer uw voorkeuren gelijk aan die van anderen. 4. Leef niet om te werken, neem tijd om te genieten en genot te gunnen. 5. Houd uw familie hoog, verzamel in uw graf geen eigendommen. 6. Verwond of dood alleen maar om uzelve en uw naasten te beschermen. 7. Geniet voluit van eigen lust en driften, doch nimmer tegen ander mens wil of zin. 8. Streef naar ieders voorspoed, zowel in zaken als in persoon. 9. Als gij uw naasten man of vrouw begeert: herschep tot schoonheid. 10. Vertolk wetten immer naar de geest, nooit naar de letter.


‘Sam Bogaerts is ook mijn mentor,’ zegt een jongen van de KASKafdeling interieurvormgeving. Hij schrijft de prijzen van de drankjes op een bord. Hij brengt in het Gentse kunstencentrum Campo alles in gereedheid voor het kleine festival Mayday Mayday, een driedaagse kruisbestuiving van komende scheppende kunstenaars: studenten van KASK animatiefilm, KASK drama, KASK multimediale vormgeving, KASK vrije kunsten, RITS drama, het experimenteel atelier van Sint Lucas en ook studenten theaterwetenschappen van de UGent en film- en literatuurwetenschappers van de UA. In de brochure staat: ‘Voor iedereen

die geïnteresseerd is in diamanten, ruw en ongeslepen.’ Het publiek is er nog niet. Mentor Sam Bogaerts wel.Wat wil hij zo graag doorgeven aan studenten drama? ‘Zelfstandigheid als kunstenaar. Je moet het begrip drama voortdurend blijven definiëren. Dat moeten wij als docent niet doen. Het is de taak van de studenten. Zij moeten voor ons uit lopen en niet achter onze rug bescherming zoeken. Zelfstandigheid als kunstenaar houdt in dat je je plan moet trekken en dat je goed genoeg moet zijn. Anders moet je er niet aan beginnen.’

Maar is de twijfel niet noodzakelijk om goed genoeg te zijn? Twijfel mag zeker. Maar wij zijn heel streng bij het selecteren van de mensen die binnenkomen in de opleiding, als je door de toelatingsproef raakt, als je naar de lessen komt en werkt, krijg je ook het diploma. Tot nu toe hebben we die garantie altijd kunnen waarmaken. Sinds Jan Steen en ik aan het hoofd van de opleiding staan, zijn er hooguit zes of zeven studenten afgevallen. Als mensen zich steeds opnieuw moeten bewijzen

in een afvalrace, geef je niet de nodige rust en het vertrouwen. Ervaringsoverdracht is het vaderlijke deel van de opleiding. Je moet mensen zelfvertrouwen geven en bevestigen in wat ze kunnen. Je moet ze niet afbreken op wat ze nog niet kunnen. Onze aanwijzingen zijn altijd positief. Wij zeggen nauwelijks dat iets niet goed is. Wij zeggen alleen wat wel goed is.’

Hoe laat u die zelfstandigheid groeien? ‘Wij bouwen het op. De eerste twee jaar van de opleiding houden we de studenten aan het handje. We zeggen wat ze moeten trainen en wat we belangrijk vinden in die training. In het laatste blok van het tweede jaar worden ze losgelaten en moeten ze

zelf keuzes maken. Dat gaat zo verder tot de masterproef. Dan moeten ze alles zelf regelen: zelf geld zoeken, een productieplatform, medespelers… En ook als het fout gaat, moeten zij hun plan trekken.

Averechts drama Hij was nog in de Franse stad Laon gisteren, samen met de studenten van het tweede jaar. ‘Die op de grens van de zelfstandigheid zitten’. Benjamin 81

Vandewalle, danser van opleiding, is docent ‘averechts drama’. Hij gaf er een concentratieoefening, voor de studenten die keuzes moeten leren


maken. ‘Bij de kathedraal op een top van een berg, drie uur lang op dezelfde plek blijven en naar één ding blijven kijken. Niet variëren. Natuurlijk is dat lastig na een half uur. Natuurlijk is dat vervelend. John Cage heeft ooit gezegd dat als je naar iets luistert wat je saai vindt na tien minuten, je dan twintig minuten moet blijven luisteren. Als het dan nog saai is, luister dan veertig minuten. Tot je drie uur luistert, dan begin je misschien toch iets interessants te ontdekken.’ De studenten deden er in de buurt nog een andere oefening. In de ‘internationale school zonder leraars’ van theatermaker Jan Ritsema. ‘Ze moesten 24 uur met een blinddoek lopen, eten

met een blinddoek, slapen met een blinddoek. Ook dat is een belangrijke ervaring,’ vindt Bogaerts. ‘Wat onze opleiding typeert is de veelzijdigheid. Onze studenten worden niet gedwongen om te kiezen voor een bepaalde rol binnen drama. Ze moeten niet acteren. Ze moeten niet schrijven, ze moeten niet maken of regisseren of vormgeven. Ze kunnen het com­ bineren. Ze kunnen afwisselen. We willen hen zo veel mogelijk vormen van theater leren kennen. We willen hen in contact brengen met tekst­ theater, met fysiek theater, met beeldend theater, met figuren­theater.’

Het soort onderwijs dat u geeft is gericht op zelfstandigheid of authenticiteit. Maar wat is die authenticiteit? ‘Het belangrijkste in drama is dat je de illusie schept dat er iets gebeurt. Ook al is het allemaal vooraf bedacht. Het is sowieso altijd een afspraak tussen publiek en performer te doen alsof wat hier en nu gebeurt echt is, terwijl het natuurlijk volgens een scenario verloopt. ‘Je kunt zeggen dat iedereen authen­tiek is, dat is ook zo, maar de vraag is hoe je dat omzet in iets dramatisch. Mijn eerste lessen in het eerste jaar bestaan voor het grootste deel uit dramatische improvisatie. Niet improviseren met een kopje koffie en dan vragen, “Hoe is het geweest?”. Neen, zonder tekst. De bedoeling is fysiek tot kunst te komen. Dat gaat merkwaardig genoeg heel snel, door die positieve manier van kritiek geven,

krijg je mensen die heel snel begrijpen waar ze naartoe moeten. Ze zijn natuurlijk wel bij de toelatingsproef getest op hun verbeeldingskracht. ‘En op schrijfvaardigheid, en nieuwsgierigheid en op de wil om op een podium te staan. Belangrijk voor deze opleiding is dat de studenten elke dag minstens twee uur op het toneel staan, in onveilige of schijnbaar onveilige omstandigheden. Niet om iets vast te leggen, maar om iets los te maken. Ze moeten op die scène durven gaan staan, zonder te weten wat ze gaan doen, terwijl er kritisch wordt gekeken. En ook dat gaat dat wonderlijk genoeg vrij snel omdat ze veel steun hebben aan mekaar.

Wat waren voor u de belangrijkste leermomenten die u nu aan uw studenten wil doorgeven? ‘Het besef dat je altijd alleen op het toneel staat, ook al zijn er andere mensen. Wat je ook hebt voorbereid, 82

in welk stuk je ook zit, jij moet het altijd doen. Alleen. En als je die verantwoordelijkheid voor jezelf niet neemt,


kom je in de problemen. Dan sta je iets slechts te doen of iets wat iedereen

slecht vindt, en waar je zelf ook een slecht gevoel bij hebt.

Studenten worden ook getraind in ‘kritische reflectie en in schrijven’. ‘Ook dat is voor een deel verantwoor­ delijkheid opnemen. Het is moeilijk geworden om zonder subsidie nog iets te maken. Of het nu voor een subsidieverstrekker als de Vlaamse Gemeenschap is of de Stad of kleine project-

subsidies, je moet een dossier kunnen schrijven. Het is een academische opleiding. Onderzoek speelt een belangrijke rol. En na elk blok moeten de studenten een kritische reflectie schrijven over hun eigen vorderingen.’

Kritisch zijn, houdt ook in dat men goed kan omgaan met kritiek van anderen. ‘Die wisselwerking van commentaar is bij drama belangrijk. Ze moeten kritiek positief kunnen verwerken. Maar het belangrijkste blijft dat je alles doet vanuit een zeer groot respect voor anderen.

Wij als docenten krijgen trouwens op dezelfde manier kritiek. Maar alles zal altijd zo verwoord worden dat het niet kwetst. De generositeit bepaalt ook je artiest-zijn.’

Hebt u grote, inspirerende voorbeelden? ‘Vooral beeldende kunstenaars. Escher met zijn manipulatie van de waar­ neming, is voor mij belangrijk. Ik vind me in zekere mate terug in Matisse,

in die kinderlijkheid. Het is een naïviteit die ik koester.’

Waarom is het belangrijk om naïviteit te koesteren? ‘Omdat dat eerlijk is. Omdat angst geen kans krijgt bij naïviteit.’ En er zijn de meesters van de abstractie. Mirò bijvoorbeeld, of Kandinsky. Essentieel bij drama is dat je iets tot een pure vorm kunt U geeft graag iets prijs van uzelf. ‘Dat is belangrijk. Het hangt altijd wel samen met de keuze die je hebt gemaakt en de vraag waarmee je de mensen naar huis wil sturen: is dat troost, is dat schoonheid, is dat een combinatie van de twee. Of is dat wijsheid en kennis, is dat revolte. Die keuze kan je vooraf maken.’

83

transformeren, waardoor er een gelaagde inhoud wordt gecommu­ niceerd, dat je geen kopie hebt van de realiteit. En toch gebeurt er iets. Je geeft iets prijs van jezelf.’


Wilt u troost brengen? ‘Het kan ook met de leeftijd te maken hebben. Toen ik dertig was, was ik onuitstaanbaar en dwars. Gewoon

een vervelende mens. Je moet dat durven inzien, dat je beter iets anders meedeelt dan cynisme.’

Is het dan de leeftijd die die ommekeer teweeg brengt? ‘Bij mij was dat zeker de leeftijd en ook de crisissen die daar mee te maken hebben. Ik heb toch een paar jaar fatsoenlijk moeten nadenken om mij terug op de rails te krijgen of op een spoor waarop ik verder kon.

Het had misschien te maken met het accepteren van het ouder worden, maar ook de angst niet meer mee te kunnen.’

Wanneer was dat dan? ‘Rond mijn vijftigste. Binnen een paar jaar moet ik verplicht op pensioen. Nu is dat anders. Ik weet zeker dat ik niet zal blijven hangen in nog ditjes en datjes doen. Al wil ik af en toe nog spelen, meespelen.’ Hebt u een plan? ‘Ik ga een kunstwerk maken dat nooit af zal zijn. Terwijl ik met een bootje door Europa vaar. Het zal ophouden als ik er niet meer ben. Dan zal niemand er nog iets wezenlijks aan moeten veranderen. Inhoudelijk wil ik zoveel mogelijk dingen met mekaar in verbinding brengen, maar het moet wel een kunstwerk blijven.

84

Ik weet nog niet hoe of wat. Een deel van het kunstwerk zal bestaan uit cijferwerk, inzichten en overzichten, maar het kan ook zijn dat ik een monoloog breng of een gedicht schrijf of foto’s neem, of dat ik een beeldhouwwerk maak. Allemaal binnen hetzelfde kader. En het begint met een webpagina.’


De toekomst start vandaag Prof. Jan Debbaut,

bijzonder Hoogleraar Curatorial Studies, Rijksuniversiteit Groningen

Rede uitgesproken op de academische zitting van KASK naar aanleiding van de inauguratie van de nieuwe campus op de Bijloke-site in Gent op 24 maart 2011. ‘De toekomst start vandaag’ leek me een aardige, enthousiaste titel, passend bij de gelegenheid. Maar hij is helaas niet van mij. Het is een citaat uit de rede waarmee Willem Sandberg – als nieuwe directeur – in 1945 het Stedelijk Museum in Amsterdam heropende. ‘Willen wij onszelf kunnen blijven,’ sprak hij toen al, ‘dan moeten we constant veranderen. Die toekomst start vandaag.’ In het stugge calvinistische Nederland van die tijd kreeg hij meteen – zoals iemand van de Sandberg Stichting het plastisch omschreef – ‘een grote mestkar vol verwijten over zich heen.’ Maar decennia later is de invloed van zijn vernieuwende denken in de museumwereld nog steeds goed voelbaar. Mensen die hem goed hebben gekend, kenmerken hem dan ook als de man ‘die een nieuwe tijd met zich meebracht.’ En dat vind ik mooi gezegd. Eigenlijk is dat de essentie van wat ik KASK en de toekomstige gebruikers en bewoners van deze nieuwe campus van harte toewens; dat hun activi- ­teiten de nieuwe tijd met zich mee moge brengen. 85

Laat ik echter eerst KASK feliciteren met deze prachtige nieuwe accommodatie. Als de waardebepaling van vastgoed nog steeds uitgaat van de stelregel ‘location, location, location’, dan kan KASK niet beter worden gehuisvest dan hier, en wel om een dubbele reden; de mogelijke synergie binnen deze campus en die erbuiten. Op de Bijlokesite heeft zich nu al een waaier aan instituten en opleidingen gevestigd die in dit land zijns gelijke niet kent en er komen er ongetwijfeld nog bij. De variatie is ongekend en gaat van een Operastudio tot Les Ballets C de la B, van het Conservatorium tot de curatorenopleiding Tebeac en van het nieuwe stadsmuseum STAM tot Muziekcentrum De Bijloke. Buiten die site ontstaat een wellicht nog uniekere concentratie die wel eens de ‘Gouden Kunstkilometer van Gent’ wordt genoemd met op loopafstand twee van de beste musea van ons land; het SMAK voor hedendaagse kunst en het schitterend gerenoveerde Museum voor Schone Kunsten. Daartegenover woont nu ook het HISK dat hoe langer hoe meer uitgroeit tot een van de belangrijkste


internationale werkplaatsen voor jonge kunstenaars, met een permanente doorstroom van binnen- en buitenlandse gastdocenten en deskundigen. Hier net om de hoek komt binnen een jaar of twee ook nog eens de nieuwe Herbert Stichting; een nieuw kunstcentrum met een van de belangrijkste privéverzamelingen van Europa. En dat alles samen met de universiteit en deze hogeschool bijna onder één dak. Die concentratie van onderzoek, onderwijs, kunst en cultuur vind je bijna nergens, zeker niet in dit land en vraagt om synergie als meerwaarde. De tijd is nog te kort geweest om die dynamiek op gang te brengen maar het is duidelijk dat hier een unieke kans ligt. Met wat goede wil ontstaat op deze plek een echt multidisciplinaire en grensoverstijgende synergie, die meer is dan de som der delen. En dat zal nodig zijn ook, gegeven wat volgt… Eigenlijk was me gevraagd iets te vertellen over ‘het kunstonderwijs in de eenentwintigste eeuw’. Dat viel niet mee. Eerlijk gezegd kom ik zelf al niet goed uit de basisvragen, zoals daar zijn: moet en kan je kunstenaars wel opleiden? En zo ja: hoe moet dat dan? Laat staan dat ik een heldere visie zou hebben op belangrijke actuele vraagstukken zoals het academiseringsproces van hogescholen of het doctoraat in de kunsten. En geloof me; ik sta hierin niet alleen. Sta me toe om na een ronde visitatiecommissies in de kunsthogescholen van dit land voor mezelf voorlopig diplomatisch te concluderen dat hier nog druk over moet worden nagedacht. Om mijn visie op het kunstenaarschap en wat daartoe nodig is te geven, ben ik waarschijnlijk ook slecht geplaatst. Mijn buren in Londen zijn/is het kunstenaarsduo Gilbert & George – en dat zijn niet de minsten want zij hebben van dit eigenste eerbiedwaar86

dige instituut een soort doctor honoris causa in de kunsten gekregen. Gilbert & George hebben eind jaren zestig al een aantal essentiële regels opgesteld waaraan de moderne kunstenaar moet voldoen. De eerste daarvan luidt: ‘Always be smartly dressed, well groomed, relaxed, friendly and polite and in complete control.’ De tweede: ‘Make the world to believe in you and to pay heavily for this privelege.’ Dat liegt er niet om. Een andere vriend van mij, John Baldessari, is in Los Angeles jarenlang professor en zelfs decaan geweest aan zowel CalArts als UCLA. Ook geen amateur dus. Maar hij maakt het nog bonter; twee van zijn uitspraken over opleiding en vorming van jonge kunstenaars zijn vrij bekend en worden vaak geciteerd. De eerste is het advies om vooral opbeurende onderwerpen zoals zeelandschappen en bloem­ stukken te schilderen, omdat deprimerende stillevens met dode vogels nu eenmaal slecht verkopen. Het tweede is het meer metho­dologisch getinte statement dat ‘als je maar lang genoeg rondhangt in de buurt van kunstenaars, je waarschijnlijk wel iets zal opsteken.’ Dat doet ons ook niet echt opschieten, natuurlijk. Ik probeer dan maar een andere invalshoek. Zoals u al merkte ben ik geen ‘kunstonderwijsman’ maar een ‘museummens’. Ik ben daarom geneigd de vraag over de toekomst van het kunstonderwijs te beantwoorden met een boutade van diezelfde Willem Sandberg waarover ik het eerder al had. Een van de eerste dingen die hij wilde doen was namelijk boven de ingang van het Stedelijk Museum een bord hangen met daarop de tekst: ‘U die binnenkomt, vergeet alles wat U over kunst weet. U die weggaat, begin nu over kunst na te denken.’ Dat gaat misschien op voor het museum, maar is nu precies


het omgekeerde van mijn persoonlijke opvatting inzake kunstonderwijs. Hier zou ik bij wijze van spreken boven de voordeur zetten ‘U die hier binnenkomt, begin nu over kunst na te denken. U die hier weggaat, vergeet alles wat U over kunst weet.’ Want als museumman ben ik geneigd om niet zozeer naar het vormingsproces te kijken dan wel naar het eindresultaat. Naar de kunstenaar die er al dan niet uit voortkomt. Ik weet niet goed hoe je jonge kunstenaars moet vormen, maar de wereld waarin ze hierna terechtkomen ken ik des te beter. Gedurende meer dan dertig jaar heb ik zowat overal menig atelier bezocht. Ik heb urenlang naar kunstenaars geluisterd. Ik heb hun werk bekeken, onderzocht en aangekocht voor vele verzamelingen. Ik heb hen publieke opdrachten mogen geven, ik heb tentoonstellingen gemaakt en catalogi gepubliceerd. Ik heb musea gebouwd van Eindhoven tot Beijing. En ik heb in te veel adviescommissies en besturen gezeteld. Ik meen daarom te weten hoe die kunstwereld in elkaar zit. Of liever: die kunstwerelden, want er is er niet één maar er zijn er vele die elkaar overlappen. En omdat ik nog steeds die jonge ateliers bezoek en de laatste jaren zowel hier als in de Verenigde Staten ook les geef aan jonge curatoren, ontstaat er langzaam maar zeker bij mij ook een beeld van wat er vandaag zoal leeft en van wat die nieuwe tijd die eraan komt met zich mee zou kunnen brengen. Het blijft natuurlijk speculeren, maar toch is het mijn vaste overtuiging dat we aan het begin staan van iets nieuws en niet langer aan het eind van een bestaande traditie, en dat daarom die ontwikkeling niet langer geleidelijk gaat, maar met onverwachte en soms grote sprongen. Daarom voelen velen onder ons zich – zeker binnen mijn 87

generatie – ongemakkelijk. Het is zoiets als een wedstrijd spelen terwijl de spelregels veranderen. En mijn generatie – die nu zowat overal de leiding heeft – was nu net zo goed in het opstellen en bepalen van die spelregels… We hebben te maken met een heuse paradigmawissel; een samenspel van veranderingen die onze samenleving en onze cultuur ingrijpend wijzigen. Maar we kunnen nog niet goed overzien waar dat toe leidt. Daarover uitspraken doen is wellicht onzinnig want voor­ barig; zoiets als in de tweede helft van de negentiende eeuw de toekomst van de beeldende kunst in de twintigste eeuw willen voorspellen, zonder te weten dat de fotografie eraan komt, of het urinoir van Duchamp. Alles om ons heen is in verandering; de wereldorde, onze cultuur, de kunst en de kunstwereld(-en). De wereld verandert politiek, sociaal en economisch. Door onze snel groeiende mobiliteit en sociale netwerken veranderen ook onze beleving en ervaring van die maatschappelijke omwenteling. Als je beschikt over een gsm of breedbandinternet is er niet langer sprake van centrum of periferie. Als we willen, weten we allemaal zowat alles simultaan. En we weten daardoor ook dat de comfortabele hegemonie van ons Westen bijna voorbij is. Daar zal het kunstonderwijs onherroepelijk op moeten inspelen; ook onze beeldcultuur wordt multicultureel en hybride. We hebben de voorbije decennia ook geleerd dat cultuur maakbaar is. Dat avant-gardes kunnen worden gerecycleerd in de mainstream en dat zoiets op termijn goede handel kan opleveren. We doen daarom aan cultural engeneering, city marketing en gentrification; kunst als schoonmaakmiddel. En omdat het op termijn goede handel is ontdekken we jong talent ook steeds vroeger. We ontwikkelden de laatste


jaren een absurde obsessie voor alles wat jong, vernieuwend en ontluikend is. Inmiddels drijft onze hele economie op de vermarkting van jeugdcultuur. Vroegere waarden als ervaring, maturiteit of wijsheid hebben afgedaan. Als je het op je vijfendertigste als kunstenaar niet internationaal hebt gemaakt, kan je het verder wel schudden. Er ligt vandaag een waanzinnige druk op jongeren die het in dat systeem willen maken. Ze zijn vroeger beducht op carrière en netwerk en zullen als mondige ‘klanten’ en gebruikers van een kunsthogeschool op dat punt veeleisender worden. In andere landen betalen ze er via tuition fees al fors voor en mogen ze dus meepraten over curriculum en docenten. Die internationale benchmarking wordt hier dus ook menens, of we krijgen een braindrain. En als we in dat systeem zelf ook gebenchmarkt willen worden, dan zullen we ook hier behoorlijk wat buitenlanders moeten importeren voor de nodige kruisbestuiving. Onze heden­ daagse globale experience economy verkoopt al lang geen diensten of producten meer, maar als package gebundelde ervaringen en belevingswerelden en die zijn voortaan supranationaal competitief en uitwisselbaar. Een shopping­center in Beijing ziet er tegenwoordig net hetzelfde uit als in Lyon, en als mijn maat jasje in mijn lievelingswinkel in Antwerpen toevallig is uitverkocht dan koop ik het volgende week wel in de franchise in Londen of New York. Of met EasyJet in Salzburg, als het echt goedkoop moet. Wat de kunst zelf betreft; ook die is ingrijpend aan het veranderen. Uiteraard door de introductie van nieuwe materialen en technologieën – denk maar aan de impact van video in onze beeldcultuur – maar niet alleen daardoor. Ik denk dat er meer ingrijpende veranderingsprocessen aan de gang 88

zijn, zoals de shift van object naar proces en van atelier naar internet. De objectgebonden kunstbeschouwing waarop ons onderwijs nog grotendeels is gebaseerd, wordt langzaam maar zeker verdrongen door een discursieve benadering. Het atelier van veel jonge kunstenaars lijkt vandaag meer een kantoor; een stoel, een werktafel met een MacBook Pro erop en knipsels en notities aan de (verder kale) muur. De intieme beslotenheid van het atelier als gangmaker van intieme expressie wordt vervangen door permanent online interactief bloggen met collega’s in Krakau of Mumbai of teleconferencing met zijn allen tegelijk via Skype. Door de ontplooiing van de interna­ tionale biënnalecultuur zijn kunstenaars ook gaan multitasken. In de kunstwereld hebben wij de duurzame langetermijnstrategie van onze instituten vervangen door het kortetermijndenken van spektakel en evenement; vandaag hier, morgen daar. Met steeds meer jongere curatoren die met gethematiseerde en steeds meer gepolitiseerde agenda’s zoeken naar een nieuwe zingeving. Het purisme van het modernisme – waarop nog vele van onze kunstopvattingen zijn gestoeld – zijn we ergens in de loop van de jaren tachtig kwijtgespeeld. Voortaan leven we tussen hybride formats; cross-overs, waarbij ‘het kunstenaarschap oudeschool’ – zoals dat tegenwoordig onder mijn studenten heet – als het ware vervliegt en ophoudt te bestaan. Voortaan vormen we ‘beeldcultuur-activisten’ op basis van het gelijkheidsbeginsel van de Franse filosoof Jacques Rancière. Of hebt u gemist dat het MuHKA recentelijk zijn naam veranderde van ‘museum voor hedendaagse kunst’ naar ‘centrum voor globale beeldcultuur’? Deze en nog vele andere veranderingsprocessen leiden tot een globale kunstwereld die almaar meer in een


spagaat terechtkomt. Aan de ene kant is er het super-neokapitalistische marktsysteem met al zijn excessen; een miljardenindustrie waarin de grote veilinghuizen, kunstbeurzen, mega­ galerieën en dito verzamelaars de dienst uitmaken. Dat is de wereld van Sotheby’s en Christie’s, van Pinault in Venetië en de Rubells in Miami, waarin Damien Hirst kan stunten door op één avond meer dan tweehonderd nieuwe werken te laten veilen voor meer dan honderd miljoen euro. Of door een schedel te bezetten met diamanten voor een waarde van vijftig miljoen die dan vervolgens in het Rijksmuseum op gelijke voet met De Nachtwacht wordt tentoongesteld. Interessant is wat hij daar zelf over zegt: ‘Ik wilde gestopt worden maar niemand stopte mij. Ik wilde uitzoeken waar de grenzen liggen, maar er zijn er geen.’ Het is de grote wereld waarin steeds weer dezelfde architecten steeds weer dezelfde gekloonde musea bouwen van Abu Dhabi tot Hong Kong, tegenwoordig ook nog leased and operated by het Louvre of de Guggenheim Foundation. Die kunstwereld komt met zijn branding, franchising en louter kwantitatieve benchmarking – met andere woorden met steeds meer van hetzelfde – terecht in de mechanica van de entertainmentindustrie. Een neoliberale droomwereld van laatkapitalistische excessen als speeltuin voor oligarchen, sjeiks en Chinese miljonair-communisten, of hoe moet je die tegenwoordig noemen? Tegenover deze natte droom van investeerders en speculanten staat een andere kunstwereld. Een kunstwereld die langzaam maar zeker gevormd wordt door een groeiend aantal net­ werken van jonge activisten die zoeken naar een nieuwe inhoudelijkheid en maatschappelijke zingeving van kunst. Maar die lijken in hun radicaliteit dan weer te stagneren in de steriliteit van een dogmatisch marxisme. Met 89

toe­nemende verbazing kijk ik naar het feit dat de grote veranderingen in de kunstwereld essentieel nog steeds lijken te drijven op twee ideologieën uit de vorige eeuw die naar mijn mening op dat punt inhoudelijk echt zijn uitgewerkt. Ik moest hier spreken over de toekomst van het kunstonderwijs. Mijn vraag is dus: heeft de kunsthogeschool dat allemaal in de gaten? En hoe monitort men al die ontwikkelingen? Tot wat wil een kunsthogeschool opleiden? En hoe doe je dat? En doe je dat autonoom of met anderen? En wie zijn die coalitiepartners dan? Ik denk dat de kunsthogeschool zich met al die vragen tegelijk moet bezighouden en de spelregels moet aanpassen terwijl het spel wordt gespeeld, ook al voelen velen zich daarbij ongemakkelijk. Maar ik denk ook dat dit kritisch moet gebeuren, niet modieus omwille van het modieuze. Er bestaat op dat punt niet één waarheid. Er is trouwens ook niet één soort kunstenaar; die komen in alle maten en gewichten. Ik neem daarom aan dat er ook niet één soort opleiding of voorbereiding tot het kunstenaarschap kan zijn. Daarom wens ik KASK op deze nieuwe campus een eigen, derde weg toe. De ontwikkeling van een flexibele en open organisatie met een variatie aan mogelijkheden, in synergie met de buren en niet bang voor verandering. Een organisatie die de volgende jaren veranderingen ook alert kan imple­ menteren, maar daarbij kritisch blijft en eigenwijs en zich bewust is van de relativiteit en tijdelijkheid van ideo­logieën en modetrends.


90


2011 Masterprojecten Beeldende Kunsten, Audiovisuele Kunsten, Drama Masterâ&#x20AC;&#x2122;s projects Visual Arts, Audiovisual Arts, Drama

Bachelorprojecten Interieurvormgeving Bachelorâ&#x20AC;&#x2122;s projects Interior Design


A03

A06

A05

A02

A04

A01

A

92


A11

A12

A10

A09

A08

A07

A

93


A14

A16

A13

A15

A

94


A21

A18

A20

A17

A19

A

95


A25

A31

A23

A28

A24

A22

A

96


A30

A35

A27

A26

A29

A

97


A37

A33

A36

A32

A34

A

98


B03

B06

B02

B05

99 B04

B01

B


B09

B10

B07

B08

B

100


C06

C03

C02

C01

C

101


C05

C08

C04

C07

C


C12

C10

103 C11

C09

C


C15

C17

C14

C16

C13

C

104


C20

C23

C19

C22

C18

C21

C

105


C25

C24

C

106


D05

D03

D04

D02

D01

D

107


108

D09

D07

D08

D06

D


E03

109 E01

E05

E02

E06

E


E12

E08

E10

E07

E09

E

110


E04

E13

E11

E

111


F08

F04

f07

F03

F06

F02

112 F05

F01

F


G03

G06

113 G05

G02

G01

G04

G


fotoâ&#x20AC;&#x2122;s: Thomas Sweertvaegher / Alexander Meeus

H

114


I04

I02

I03

I01

I

115


I06

I08

I05

I07

I

116


I10 I09

I

117


J04

J02

J03

J01

J

118


119 K02

K05

K03

K06

K04

K01

K


K09

K11

K08

K07

K10

K

120


L03

L02

L05

L01

L04

L

121


M07

M03

M06

M02

M05

M01

M04

M

122


M10

M13

M09

M12

M08

M11

M

123


A GRAFISCH ONTWERP / GRAPHIC DESIGN A01 YURI ANDRIES

• yuri_andries@hotmail.com

DANK U, KIND (THANK YOU, CHILD) ‘Creativity is the process of having original ideas that have value.’ — Ken Robinson Though this interesting defi­ nition of creativity can be analyzed in a number of ways, its message is clear. What most people also seem to agree upon is that ‘divergent thinking’, or ‘thinking outside the box’ is a crucial capacity in the deve­lopment of creativity. Children are often distinguished by something that we might be tempted to call ‘innocent naivety’. Studies have shown that very young children have a strong capacity for divergent thinking, but – interestingly – this capacity seems to diminish with growing older, due to education and the teaching of straightforward thinking. With this in mind, I, as a future graphic designer, wish to hark back to the experience, imagination and spontaneity of children. I wanted to develop my own capacity for creative thinking by zooming in on obvious things and altering them, so that they spark off new associations in the viewer’s mind. As such, I have chosen to develop several projects within the scope and approach of this Master’s project. The ‘thank you’ in the title points out the naïve cha­racter of all of my works, and is an expression of grati­­tude to the childlike nature.

124

A02 CLEM BOSTYN

• clem.bostijn1@telenet.be

THE ROOT OF ALL EVIL Let me introduce you to hip hop theology. But first we should get rid of the popular image of the genre that the musical industry has created. The bulk of commercial hip hop, dominated by 28 inch rims, diamond teeth and booty meat, has got nothing to with what hip hop really is about. Commercial hip hop is a caricature. I want to investigate how religion manifests itself in hip hop iconography, even though the two worlds may seem irre­ concilable. The representation of religion we find in hip hop subculture does not match the discourse of institutional religion, the inventors of heaven and hell, mysteries and miracles, and a long-haired, bearded Jesus in a white gown. These clichés are so inextricably associated with the notion of religion that they not only complicate a different outlook on it, but even seem to widen the gap between religion and hip hop. The hip hop church is rumbling with questions like ‘Does heaven have a ghetto?’. My project is a visualization of this tension. A03 LAURENCE CHANTELOUP • laurence.chanteloup@ skynet.be • www.lupagraphica.be

AUTO PILOT DECODED — BEYOND THE OBVIOUS Every day, we are overwhelmed by all manner of publications, each attuned to a specific target audience. As a graphic designer, having an intended audience in mind is crucial, and it is as if every designer has a kind of inner auto pilot which immediately comes up with a number of graphic characteristics for any given audience. Teen magazines, for instance, are practically drowned in images and photos of which the quality is not always the prime concern. But what if such an obvious graphical aspect disappears in a publication? Are the other elements strong enough to maintain the desired

vibe? Is the intended audience still interested when a designer experiments with these factors? These questions are the background against which I have created a number of surprising publications that will hopefully still appeal to their target audiences and perhaps even be accepted by them. In a second step, I also experiment with the contents, so that the alienation is even bigger and the audience is introduced to topics that may not have appeared interesting to them at first. In this project I study the obvious, leave out parts of it and create fresh and surprising publications in the hope that they will still be appreciated. A04 THOMAS DE BEN • thomasdeben@hotmail.com • www.flickr.com/photos/ thomasdeben

BLACK BOX Black Box is a virtual translation of Louis Paul Boon’s Mieke Maaike’s obscene jeugd (Mieke Maaike’s Obscene Youth) into an installation. Just like Boon, who kept a staggering collection of pictures of naked women in his Fenomenale Feminatheek, I also started a collection of ‘dirty pictures’ that was to influence my later work. Mieke Maaike’s obscene jeugd is not just the dirty story of a minor girl’s sexual exploits, but it is a reflection of Boon’s perverted thoughts in which personal fantasy and his accepting his feelings towards these are of crucial importance. This is what I want to convey in my installation, in a contemporary style and true to the absurd and grotesque nature of the better part of my work. The installation as a medium has the advantage of being able to address more senses than just the visual aspect of an illustrated book. In creating this installation I also want to break out of the obviousness of illustrating a text as a Master’s project.


A05 WOUTER DE BOECK

• wouterdeboeck@hotmail.com

A graphic designer’s work is by definition extremely visible and can strongly influence its audience. This influence is often limited to inciting people to consume, but it is a logical step to extend its scope and exert this influence in a socially relevant way. This project studies (1) the possibilities for a graphic designer to have an impact on society and (2) the forms of communication employed by a successful social campaign. (1) – Taking care of communi­ cation for organizations and institutions that fulfil a social function. – Create critical work on your own initiative. – Design for public information. (2) – Awareness campaigns. – Internal communication or communication between organizations about the campaign. – Communication aimed at people directly involved in the issue. A06 HANNE DE BRABANDER

along in granddad’s changing world. With a number of situations I want to show children in a simple way the consequences of Alz­ heimer’s disease, a topical issue that keeps growing in relevance.

A09 MARLIES DE CLERCK A07 LISA DE BROUWERE

• lisa@lisadebrouwere.be • www.lisadebrouwere.be

TWEE OUDE VROUWTJES (TWO OLD LADIES) Two old ladies, on the threshold between life and something else. They love each other. So much that it makes them so unhappy. Toon Tellegen describes these two old ladies in his short story collection of the same name. Hate and love, desire and repulsion, determination and despe­ ration. Story upon story, feelings change and logic dissolves. I move along. This way and that. Every image demands a different form of empathy and a change of style. Two old ladies, they are in a twilight zone. Are they soul mates, lovers? Or companions stuck in a rut? I trace along.

• info@hannedebrabander.be • www.hannedebrabander.be

A08 LISA DECAVEL OPA HEEFT EEN GAATJE IN ZIJN HOOFD (THE LITTLE HOLE IN GRANDDAD’S HEAD) My Master’s project is the illustrated story of a grandfather and his granddaughter, a story about the loss of identity and grip. Granddad is confused and forgets things. It starts with forgetting small things, but it gets gradually worse. His granddaughter, who is very fond of granddad, thinks he acts very strange. Love and acceptance in the relation between the two protagonists are the main themes throughout this story. Granddad’s changing behaviour causes no fear or rejection with the little girl, but curiosity and acceptance. She keeps loving her granddad even though he changes. She succeeds in going

125

it into a functional object, the book eventually transcends its original function. My Master’s project is the tentative result of this balancing act between form and function.

• lisa.decavel@gmail.com • lisadecavel.wordpress.com

BUILDING BOOKS The digital revolution has drastically changed the book business. The paper book is losing ground and is even regarded as a inferior product by some. Yet it is so much more than it may seem at first glance. By turning it into an object, I want to show that the paper book also has so many possibilities to offer. In the process, it becomes a stand-alone object, a presence in space. The functional aspect must not be neglected, however; a book is and remains in the first place a means of communication. This research questions the boundary between the book as a functional medium and the autonomous object. By turning

• marlies.de.clerck@hotmail.com

SOLD! Oil on canvas, 40 × 30 cm – 2011 A10 JOHANNITTA DEGRYSE

• johannitta.degryse.k6931 @studentehogent.be

JOHANNE From my very first days at school, I had trouble with words. Nothing in that area seemed to be easy or logical to me, and I always got through language classes by the skin of my teeth. It later became clear that dyslexia was to blame. That is why to me, designing a typeface is about more than just the graphic aspects, and why this project was more than just ‘an assignment’. I want to draw attention to the fact that reading, writing and spelling are not obvious matters to everyone. In the past years I have read voraciously, as this helps me to read quicker and with more ease. Reading regularly makes things a lot easier. For all these reasons I have chosen to design a serif letter in which aids are incorporated to help dyslectics in reading. Apart from that, I have also designed a book that attempts to reveal to people without dyslexia the difficulties this disorder entails. A11 ELKE DEMEULEMEESTER • demeulemeester.elke@ gmail.com

CROSSNOTES Crossnotes is a platform for the sharing and cultivating of ideas. The way the platform functions is determined by my interest in the use of new media as a means of communication in the exploitation of the dynamics between the physical and the digital world. Crossnotes builds on the synergy between these two worlds.


A12 NIELS DE PAEPE

• info@nielsdepaepe.be • www.rumblecomic.com

TYCHO IS SKIPPING CLASS. A DIGITAL PICTURE BOOK Picture, comic and illustrated books are most familiar to us in their printed forms. Although most of these books’ qualities were developed within the context of the printed medium, paper and ink are by no means the only possible carriers for them. The advent of the tablet computer has given us a new carrier on which picture and comic books can be realized. Up to now, though, most digital picture books are merely reproductions of their printed predecessors, and very little use is made of the potential of this new canvas. Tycho Is Skipping Class, the children’s book I am working on, is not a reinvention of the picture story, but a step towards a new approach to it – using the digital canvas instead of the printed paper. An approach that leaves behind a number of qualities of the typical printed picture story.

manipulation takes place. The artist processes and influences the image. Something abstract may emerge, but what was the starting point? Is there anything recognizable left, or does alienation arise? A14 LENNERT GAVEL

• lennert_gavel@hotmail.com

A16 GERARD HERMAN IN MEMORIAM Put a black border on a white envelope, or two dates on a sheet of paper, and everyone imme­ diately knows that they are dealing with an obituary. The same goes for a sunset, a cross, an angel or a gate in the clouds. The always unique and irreplaceable deceased is lost in the symbolic language that is connected with a culture of grief and mourning. Yet dying is the only certainty in our lives. Now that ever more people share their misery on the internet, a cultivated alternative heaven emerges where everyone is welcome to sob along for someone else’s grief. A15 ANNICK GRIETEN

A13 CAROLINE DIELS • caroline.diels@gmail.com FROM REALITY TO ABSTRACTION – MANIPULATION OF THE IMAGE ‘Even when you are consciously not manipulating, as a painter you are still manipulating. Whether you want it or not, you are doing it anyway.’ — Michael Borremans, A Knife in the Eye

When a painter creates a work, he starts with the choice of an image, a fragment selected from reality. In projecting this image on the canvas, he delimits it and takes it out of its context. The painter makes a composition in his field of vision, just like a photographer does who uses the lens to look at the world – a look that is framed. A painter, however, can attempt to render this fragment of reality in an interesting way, giving it a certain added value over the original image. In the process of creating this new image, choices are being made,

126

triggers for emotions and memories. The best way to relive these memories is the frequent use of our senses. That is why I wanted to create a cookery book that stimulates not just the eye, but also the nose, fingers and tongue – so that it evokes different associations in each reader.

• annick.grieten@gmail.com • bigbirdgo.tumblr.com

THE WAY TO THE HEART IS THROUGH THE STOMACH This Master’s project originated as a research into the reading experience with cookery books. I was intrigued by the fact that these books, that are immensely popular, are often designed with the greatest care and effort although we never really read them through. It is a pity that we use some of these gems only sporadically, as reference books, whereas a lot of ‘ordinary’ books of which every last page is thoroughly read, look rather monotonous. To combine the cookery book format with actual ‘reading’ texts, I considered why we keep and write down recipes; they mean something to us. For the most part they are cherished secrets handed down in the family or imitations of dishes we tasted on holidays, with friends or on special occasions. In fact, these recipes are more than just lists of instructions, they are

• gerard.herman@gmail.com • www.gerardherman.be

BEHOLD THE FOWLS OF THE AIR: FOR THEY SOW NOT, NEITHER DO THEY REAP, NOR GATHER INTO BARNS A year-long Master’s project, including and not limited to: a weekly radio show on the study of nature on Radio Centraal, a solo LP on the KRAAK label, an installation featuring a hare and a radio at Netwerk Aalst, a children’s book published by Netwerk Aalst, a painting exhi­bition at Hectoliter Brussels, a forty-two-minute schmaltzy song issued on tape, a tour of Northern Europe with Sheldon Siegel, performances in Brussels, Antwerp, Ghent and Rotterdam, a panpipe playing Thelonious Monk’s ‘Epistrophy’, a bunch of books and tapes, parties, bikes, and the support of a network of internationally minded friends who relentlessly create valuable, contrary publications. Here’s to good luck. A17 SANDER LASTOVETS

• postimees@hotmail.com • www.muuvs.com

DESIGNS CONNECTED WITH ORANGE This is a study by a graphic designer. It was carried out with the intention to have and to develop an open view towards any image and/or composition we see. Being more aware of the formal aspect of the visual field and of its position among other phenomena allows one to make explicit executions in one’s work. I started working by using design objects as examples…


A18 MAAIKE LAUWERYS

A20 NATASJA MABESOONE

A22 STIJN PEETERS

• natasjamabesoone@gmail.com • natasjamabesoone.blogspot. com

• maaikelauwerys@hotmail.com

LIGHT It gets light and we know that the day begins. It gets dark and the day is over. Days are defined by the light and we move through those days. I saw the light when I rose and peered through my white curtains. It amounts to seeing it, noticing it, and pause at what there is to see. It is all around, does not have a definite shape but influences everyone somehow. I bring an ode, a personal interpretation of the everyday experience of light, on paper. A magazine documents my translations, visually and tangibly open to interpretation.

N.M (A QUIET CONCERT GIVEN TO THE MIND) Through a combination of etching and drawing I try to visualize my transformational world. Observations of daily life merge with dream images and connect with the poetic atmosphere in my head. Symbols return like echoes, but can never overlap with the things they refer to. ‘If I were dreaming and you appeared, I’d want to be able to imagine I was still dreaming […] and that echoes of songs were suddenly rippling through the great inexplicit forest, lost in the depths of ages past, lost in impossible ages.’ — Fernando Pessoa, The Book of Disquiet

A19 MELISSA MABESOONE • melissamabesoone@hotmail. com • melissamabesoone.blogspot. com

‘I would like there to exist places that are stable, unmoving, intangible, untouched and almost untouchable, unchanging, deep-rooted; places that might be points of reference, of departure, of origin; […] such places don’t exist, and it’s because they don’t exist that space becomes a question, ceases to be self-evident, ceases to be incorporated, ceases to be appropriated. Space is a doubt: I have constantly to mark it, to designate it. It’s never mine, never given to me, I have to conquer it.’ — Georges Perec, Species of Spaces

127

A21 MINGMING NIU

• mm.public@yahoo.com.cn

COMBINING EUROPEAN AND CHINESE CULTURE I have been looking for the best way to combine Chinese traditional arts with Western modern art. But the harder I search, the more difficult this seems. During the past few years at KASK, I have changed and I have abandoned my traditional ideas, but my search is not over yet. Although the ideas and technical issues of the matter are often confusing to me, I feel privileged to be able to ask these questions and develop my art searching for solutions. I see my work as the pure expression of my ideas using the simplest visual language. Every work is a story of my life in Europe. Technically, I combine silkscreen printing, woodcut and drawing. I often use layered transparent colours, creating different effects. I like quiet and pure colours, so in my work I want to find a unity of colour matched to the rich shapes of design.

• stino_peeters@telenet.be

CIRCLE NOTATION As a self-taught musician on several instruments, I have spent a lot of time studying the medium of music and, specifically, the registration of this medium. I searched for an alternative to the traditional staff notation, that would still be understandable and practical. A next step in the process was the development of a new music notation system. After testing several of these systems, I settled upon a circular notation system of which repetitions and colour codes form the basis. A23 ESTHER PLATTEEUW

• illustratie@estherplatteeuw.com • www.estherplatteeuw.com

TWENTY THOUSAND LEAGUES UNDER THE SEA For this project I have chosen to work with Jules Verne’s classic story of Twenty Thousand Leagues under the Sea. This already lavishly illustrated book has a tremendous history, and I wanted to translate it to my own world, with wealthy doses of humour and absurdity. The story describes the long journey of professor Aronnax, his butler Conseil and harpoonist Ned Land through unfamiliar worlds hunting a mythical creature: the narwhal. A terrifying beast that wrecks ships and terrorizes the seas. Until the company discovers the monster’s true nature… My illustrations want to find a balance between image and text. In illustrating an unknown and frightening underwater world, I could give my imagi­nation full rein. A24 CELINE STRYPSTEEN

• celinestrypsteen@hotmail.com • celinestrypsteen.blogspot.com

ORDER AS SELF-PORTRAIT Most of our memories evaporate. They change and fade as we go on and gather more experiences. Details are lost and are replaced. This creates in me a pressing need for order and overview.


I attempt to arrange the events and experiences of every day and put them in order, so that I can organize my conclusions. It is a way of recognizing myself, of connecting to the world. It is a ceaseless search for something to hold on to. I look at it as a form of collecting the world. I believe that every form of organization starts from your inner architecture. It is about literally holding on to fleeting images and events, ordering them and giving them meaning. To feel a connection with the world. That is why I am building an autobiographical archive of images. All of the images that I collect and process on any given day combine to make up a self-portrait. But it is a whole that transcends its parts. This is how I try to understand the world I live in, give it a sense of transparency and restore its surveyability.

GRAPHIC NOVEL STUDY A comic book or graphic novel consists of a sequence of images that make up a story and uses its very own language with a given set of rules and conventions. In my Master’s project I attempt to interpret these conventions as freely as possible without a loss of readability. I chose to work without text. Repetition and recognition in the images are thus extremely important. As there are only images to be read, I have searched for other means to create clarity and to tell the story in a captivating way. These considerations have affected the particular design of the series of about thirty images that make up the story.

A25 XAVIER TRUANT

A27 EVELINE VANDENBERGHE

• eveline.vandenberghe.n0229@ student.hogent.be

• xaviertruant@hotmail.com • www.shanna-en-xavier.be

IK DACHT AAN PAPA (I THOUGHT ABOUT DADDY) Dad said, ‘You’re old enough now. I know what you want.’ I nodded my head. I wrote this story about a boy whose life is about to change drastically. He grew up between the pots and pans of his father’s restaurant, and now the day has come that he is to take his place helping in the business among his brothers and sisters. But there is one problem. The boy is not all that happy about this course of events. He wants adventure instead of a life behind the stove. And this is exactly what he gets, although it isn’t long before it becomes clear that this adventurous life is not perfect either. The book tells a story of growing up, giving in to your need for adventure and returning home a little older and wiser. It is an updated version of the biblical tale of the prodigal son.

128

A26 PIETER VANDENABEELE

• pietervdab@gmail.com • www.flickr.com/photos/ pieter_vandenabeele

‘NOVELS ARE BOOKS AND BOOKS ARE OBJECTS…’ ‘… and therefore they exist like other objects — they are a space in space.’ — William Gass.

Is a book merely a functional object? Or is it also a collector’s item or a graphic narrative? Is it an expression of technical ability and, thus, of a specific era? In an age of digital intan­ gibility the book seems not only a provider of content but also, especially, of status, which is why I analyze it as an object of craftsmanship and a formal object. My designs are a meeting of ‘dated’ techniques, aesthetics and design. They seem like homely shells that create a near poetic alienation of our relation with books. By casting the books, the beauty of the material is enhanced and a tension between durability and transience, between tangibility and intangi­ bility emerges. The books are taken away from their everyday environment and placed in a new context, reducing our experience of the near banal to its essence.

The arrangement and presentation of the work suggests a visual and graphic language that is typical for the conser­ vation of objects. The search for a common element in domestic scenes and libraries has prompted the reduction of the book to a decorative object to cherish. A28 FLORIJN VAN DEN BERGHE GERHARDT GOTT, DIARY OF EMPTINESS – A GRAPHIC NOVEL WITH A SOUNDTRACK Gerhardt Gott is my first graphic novel and includes a soundtrack that was also composed by me. Gerhardt works as a slaughter and kills pigs for a living. He does this without guilt. Meat is meat. But one night he has the most bizarre dream and upon waking he discovers a hole in his body. He can see right through it. Every day the hole grows a little bigger. The emptiness of his existence is eating him away – literally. It gnaws and gnaws, until there is nothing left of him. Writing a coherent story with a protagonist I can myself believe in, was the first part of my Master’s project. This story I then developed into a graphic novel and a soundtrack. The result of this project will entail not only a book with a CD, but also a live performance in which I project the graphics onto a screen accompanied by electronic music. Central concerns in the development of this project were the slow tempo of the graphic novel and artistic experiment. I did not want to impose any limits on myself artistically, but push my own boundaries. That is why I chose for three art forms that each tell Gerhardt’s story in their own specific way: the graphic (including text), the musical and the performance. A29 DEBORAH VAN HUL

• deborahvanhul@hotmail.com

DE ZOETE BROODJESBAKKER (THE BAKER OF HOT CAKES) The most delightful cakes Everyone loves them… They are baked, but not sold…


Jan de Maeyer tells us the story of a baker with a dilemma. Should he bake delightful cakes, or sell hot cakes after all? For him it is a quest for a balance between creativity and commerce. For me it is a quest for an original personal style. A quest for the right objects to shape the characters and their personalities. A quest for a way to bring them to life in their own world. A30 CAROLINE VANNESTE

• carolinevanneste@hotmail.com

WHAT’S YOUR TYPEFACE? The tremendous success and ubiquity of digital communication dramatically diminishes the use of handwriting. As just one result, we now have access to an overwhelming array of typefaces, though most people – let alone children – do not know how to make the best use of them. In school children are still being taught cursive writing, but no mention is made of the use of (digital) typefaces. I think the time has definitely come to introduce children to the world of typography. This is what I try to do, in a subtle way and from the perspective of a child, by attaching certain human characteristics to a number of fonts. My inspiration I have drawn from a questionnaire I made and used to interrogate a hundred children between the ages of eight and twelve on eight different typefaces. I have then used the character traits that emerged from the children’s answers to turn the typefaces into storybook characters that delve into the world of typography. A31 SANNE VAN WANZEELE

• sanne_vw88@hotmail.com

GAZOPHYLACTICUM ‘Gazophylacium’ is a little-used term for a cabinet of curiosities. The word, derived from the Greek ‘gazofulaikon’, literally refers to the keeping of treasures. I thought this name perfect for my project, as it entails making a cabinet of curiosities of my family. In my cabinet I collect

129

objects and characteristics that are all inspired by members of my family. By extensively travelling, I have started to realize how much family matters to me, and how little time I spend with them. Now they are involved in this project which implicates a lot of communication, on a search for their collecting habits or aberrations, all in the hope of getting to know them better and to show how there is something deviant or strange in each of us. There is of course also my interest for the graphic design aspects of the curiosity cabinet. This interest prompted the subject of my paper; ‘the evolution of the curiosity cabinet and the position of graphic design.’ The cabinet of curiosities was developed in the context of collecting and creating a microcosm. For quite some time now, I have been a collector of strange objects such as skeletons and fossils myself. As such, this project reflects who I am. A32 LUCAS VERMEIRE • lucas.vermeire.n0371@ student.hogent.be

THE WEIGHT OF ALL The central concern of graphic design is to propagate a message. A graphic designer’s main task is to attract people, and sub­ sequently prompt them to read the contents of a certain work, to visit an exhibition, buy a certain product or become aware of a certain idea. This is arguably the power of a graphic designer, that he can attach a message to any given product. For this terminal project, I have taken this notion as a starting point: the designer has the power to attach emotion to his work, by a purely formal method, regardless of the content. Through an examination of typographies and images in certain subcultures, I want to come to a graphic analysis. The graphic qualities will then be transposed to another context to create a sense of alienation. The creation of an atmosphere is an important part of this process.

A33 ELISE VERSTRAETE

• verstraete.elise@hotmail.com • eliseverstraete.carbonmade.com

URBAN TYPOGRAPHY MAPPED Typography in the public space is so natural today that we often walk past it without consciously registering it. Still we are flooded with a multitude of typefaces every moment. Whereas in my paper I consider these different typefaces more from a historical point of view, in my Master’s project I attempt to order and analyze them based on their formal characteristics. The city of Ghent is my research field. The first step in this process was to photograph the typefaces in the street, and to order the images in an online database using tags. This provided me with a clear overview of the enormous quantity of typo­ graphies in the city and the different typographical relations between neighbourhoods. I have then mapped the resulting insights using several graphic visualizations, such as a ‘data sculpture’, a relief that reflects the typographical evolution throughout the ages. Apart from this, I have also made a book in which the graphical aspect of data visualization dominates in the combination of objective representations and personal visual interpretations. Online database: elise.recyclerobot.com A34 JAN VERSTRAETEN

• verstraeten-jan@hotmail.com

AANVRAAGFORMULIER BULLETIN D ‘INSCRIPTION ANMELDUNGSFORMULAR REGISTRATION FORM Terug te sturen voor; A renvoyer avant le; Zurückschicken vor dem; Send back before 30.11.11 Organisatie CRYSTAL COPY; Organisation CRYSTAL COPY; Organisation CRYSTAL COPY; Organising CRYSTAL COPY, p.a Burgemeester Wijnenstraat 20, 5721 AJ Asten Blok: 90 × 90 × 140 cm


Model/formaat: B9090140 Naam / Nom / Name: Jan Verstraeten Volledig adres / Adresse complète: Walburgstraat 12, 9100 Sint-Niklaas Vollständige Anschrift / Full address: ———————————— Titel van de verzameling / Titre de la collection: Zelfportret* Titel des Exponats / Title of the collection: ——————————— Korte beschrijving: Raster naar 3D.CRYSTAL/zonder.facetten Plaats en datum / Lieu et date / Ort und Datum / Place and date: Asten – 11.02.11

which will result in a picture book. Carter’s story is a variation on Little Red Riding Hood for adults. On Little Red Riding Hood’s walk through the forest on her way to her grandmother, she does not encounter a wolf but a handsome man dressed in the green coat and slouch hat of a hunter and hung with game. In my images I play with light and shadow to create a specific atmosphere or to emphasize certain elements. By adding lots of details I want the reader to keep discovering new things in my work. A37 ZIZHI ZHANG

A35 FLORENCE WAUTERS

• w.flo@hotmail.com • www.florencewauters.be

EEN WERELD VAN VERHALEN (A WORLD OF STORIES) A World of Stories is a collection of short stories from around the world. The book is conceived to take the reader on a fictitious journey through the different continents. The challenge in creating this picture book was to convey just the right atmosphere for each country. I especially focussed on stories with a humorous note, such as the Caribbean tale of a king who wants to touch the moon. He makes his people build a tower of old crates until he can reach the moon… ‘A long long time ago there was a king who always wanted things his way. Everyone always had to do exactly what he said, when he said it; without grumbling or delay. Now one night, the king was looking out his window and he saw the silvery moon high up in the sky and… he just wanted to reach out his hand and touch the moon. But not even he could do this.’ A36 MAARTEN ZERELIK

• maarten_zerelik@hotmail.com • www.flickr.com/photos/ maarten_zerelik

IN GEZELSCHAP VAN WOLVEN (THE COMPANY OF WOLVES) I am illustrating Angela Carter’s story The Company of Wolves,

130

• zizhi.zhang.r9026@student. hogent.be

WOOD BOOK AND FOLDING WORKS This book is about a half hour dream which lasts for twenty years. It conveys a message on the brevity of life and how what we have is nothing but a dream. The story takes place in a hole in a tree, which suggested the use of wood for the book cover. The story is visualized in an abstract language, in which I avoid single images to show the events and plot. All of the images are continuous, like a long scroll. The effect is similar to music where rhythms and melodies are combined to convey a story. The listener cannot grasp the story directly from the music alone, but emotionally he can sense what the music wants to express. Similarly, I use abstract images to express the mood and plot of the story. I expect the viewer/ reader to feel the mood instead of the details of the story. I was inspired by the fan in my choice of material and technique; I use ink and rice paper, which is folded to create a three-dimensional object whose texture is part of the image. I hope that these techniques, and the resulting way of telling the story, can create new perspectives to its inter­ pretation.

B MULTIMEDIALE VORMGEVING / MULTIMEDIA DESIGN B01 HANS BECKERS

• hans_oiseau@hotmail.com • www.myspace.com/hansoiseau

SONARE MACHINA / СПІВ MАШИНИ In his visual music performance ‘Sonare Machina/Спів Mашини’, sound artist and performer Hans Beckers emphasizes the aesthetics and rhythms of sound, noise and silence. Using self-made instruments, he shows how objects that are not generally considered fit to play music on can in fact become musical instruments. For this performance an orchestra was assembled whose soloists include egg slicers, dessert bowls, sieves and poppyheads. Each instrument is separately driven by an old switchboard relay and can be considered a musician with an individual contribution and improvisatory style. For these forty musicians a score was composed in which the performer engages in a dia­ logue with his ‘fellow musicians’, aided by a machine that amplifies normally inaudible sounds through a magnetic field. In a combination of composition and improvisation, a whole range of materials is being tuned and rhythmically, melodically and harmonically played. ‘Sonare Machina/Спів Mашини’ is a performance in which the musician/performer plays and manipulates the installation. ‘Wherever we are, what we hear is mostly noise. When we ignore it, it disturbs us. When we listen to it, we find it fascinating. We want to capture these sounds, to use them not as sound effects but as musical instruments.’ — John Cage With the support of art studio De Pianofabriek, CAMPO and KASK


B02 ELISE BURM

• eliseburm@gmail.com • eliseburm.weebly.com

OAKI’S – IMAGINATION RENEWED Infinitely adaptable colourful interactive structures, or – in the original Dutch abbreviation – ‘OAKI’S’ is the concept of my terminal project. The project consists of two parts; there is a collection of drawings from imagination, and a series of three-dimensional objects. Intensive associations driven by colours, shapes and harmonies from everyday life spawn new images. These unambiguous trains of thought are visualized directly and spontaneously in colour felt tip drawings. The tension between shape and colour, and the relation between form and content function as a focus that is first represented in a two-dimensional method. From the subsequent selection of basic patterns an idiosyncratic plan emerges that will serve as the basis for a three-dimensional construction. Adaptable and stackable design suggests a link with functionality, although this is less a sign of conscious functional design than it is the result of a specific personal style. This may stimulate in the viewer/user a tangible experience that can be associated with elements from the personal background. The deconstruction of OAKI’S or a reassembly of its parts yields a new layer in an ultimate stratification. OAKI’S redefine obvious perception or, at the very least, question the evident usage of things. B03 RUTGER COX

• de.vestibule@yahoo.com

L’ÂME BARAS Animal: Size between a small cat (fat squirrel) and a big horse; just an animal. Beast: Size between a small lorry and a large cargo ship. Mastodons with uncertain intentions, con­descending all smaller creatures; things that basically get in the way. A thought that starts to lead its own life.

131

Cannon: Method of projection. Desert: Place of limitless opportunities. Dinosaur: Extinct giant animal. Dynamite: Means of opening up thought patterns. Fly: To be situated above the world, above the trivial. Not to take the slightest notice of worries like food, money, trains, etcetera. Giant animal: Nature revolting against humankind. Attacks strategic locations in order not to perish like the giant robot. Smells funny. Giant robot: Supreme power which humanity opposes. Created by man. Many giant robots have a very limited storage life. Giraffe: Animal. Smells funny, looks cool. Secret corridor: Way out of a system that always shows the way one is supposed to follow. Space suit: To wrap oneself in dreams. Vermin: Size between a horsefly and a fat squirrel; explosion of small swarming thoughts, with a short lifespan but not less teeming for that. Extremely demanding. B04 YI NONG DONG

• dong.yi.nong@gmail.com • vimeo.com/user1560595

THE PATH – IMMERSIVE INTERACTIVE ENVIRONMENT An Advertising Techniques graduate, I have worked as a graphic designer in Milan. Inspired by the digital arts, I have now dedicated myself to live media and interactive systems. The conceptual focus of my work is the relationship between Taoist philosophy and Nature. This project adopts new forms of technology in order to remind us of the essential role of Nature in our existence. According to Taoist philosophy, the wisdom of mankind is the ability to comprehend and respect Nature’s processes and rhythms. Nowadays Nature, man’s habitat, is neglected and sacrificed for industrialization. People are involved in the hectic rhythms of society, they plan the future without worrying about the consequences of the present.

My project is an audiovisual immersive installation, which includes different interactive techniques to investigate human perception. The main software adopted is Max Msp/Jitter, which works with a Kinect camera and an open source VPT mapping tool, and with IR sensors and Arduino. The installation is divided in four stages (Urban Environment, Nature, Self Discovery, Self Balance), which symbolize the Taoist path to inner balance. It aims to find the right combination of different technological tools, in order to generate the right synaesthetic experience, leading people to further reflections and deeper awareness. B05 RUDY LYCKE

• rudy.lycke@hogent.be

EXPERIMENTAL STUDIO AND IMPROVISATION IN PERFORMANCE My performances are the result of improvisation and experimentation with all manner of materials and found objects in the studio or on location. Mostly I work alone, or with a partner who agrees with my perception of the world. Tantric currents, the partner, artist’s books from the masters, coincidence, life itself, the inexplicable affection for the colour blue and – above all – the working process in the studio are my sources of inspiration. In that process the registration of coincidences, discoveries and improvisations is crucial. The process is a charging of the objects and attributes; the performance that takes place in the resultant installation is the discharge, the final destination. Nonverbal communication, the gaze and intimacy are always crucial concerns. These are things that are often neglected in our era of demo-capitalism, financial crisis, globalization, social isolation and digitalization. Where is the warmth? Yes, I’m the fool who cares! My performances are moving paintings that invite the spectator to come along. I want to give the people a ‘real’ time. My or our work is real. By improvising, I place myself in the arena, and that is the only place where I can


express myself. It is a ritual of which I do not know the rules. It is an examination of what warmth and performance can be. See you. ‘Till the next performance. Real Hug XXX See you and you will see. B06 VEERLE MICHIELS

• veerlemich@hotmail.com

FACADE You cannot hold on to time, but the location of a memory is often recalled vividly, in minute detail. A reconstruction of a facade that is taken out of its urban context and placed inside a theatre space. The installation shows a space that is about to disappear. It is a building that has lost its function over time. A building that is no longer needed. The installation/set is an examination of the inter­ section of theatre and the visual arts. What interests me are the formal aspects of the house and what such a house says about man. Man is most visible in his constructions. ‘Everything is on the point of vanishing. The only way to preserve and remember things is through rituals.’ — Christian Rizzo

B07 MEGGY RUSTAMOVA

• meggy.rustamova@gmail.com • meggyrustamova.weebly.com

I see my work as a search for ideas and forms. I formulate certain specific questions and attempt to examine them in depth. My performances are rooted in the visual arts and are often based on actions that leave behind traces. The performances take place in a museum or gallery, or in the public space. They are exercises in balancing the aspects of liveness and registration. My images result from the use of several media. Depending on the theme or the context, I create drawings, videos or performances. Some of the issues and themes that I address in this interdisciplinary work are identity, coincidence, metamorphosis and the interplay between appearance and disappearance.

132

B08 HIRANYAGARBHA TERRYN Hiranyagarbha terryn started dancing at the age of twelve in the Ghent Kopergietery company where she was in Ives Thuwis’s productions Tom Waits for No Man and Ich wollte noch etwas sagen and in Emilie Sterkenburgh’s Morgenblätter. During her diction and drama studies Jannie van Goor introduced her to the language of dance. After taking up studying again in 2006, in the first three years of her multimedia design training she focused on finding her means of expression in visual arts. Never having lost her love of dance, though, she now creates dance theatre performances. Hiranyagarbha terryn’s terminal project is based on Milan Kundera’s The Unbearable Lightness of Being and shows a young woman in the middle of her life who incorporates weight and lightness, betrayal and dreams. On a twilit scene, the woman’s desire for the heavy burden of a man’s body on top of hers is revealed. A heavy burden that is at once the most intense fulfilment. The heavier it becomes the closer she is pushed to the ground – to reality. But what if it disappears and a lightness takes its place, a lightness that feels heavier than the burden ever was? What if weakness turns to strength because the strong is too weak to hurt the weak? A search for the eternal desire for the vertiginous moment… the moment you feel like falling down in front of everyone, in the middle of a square… hoping someone will catch you… B09 KAREN VAN DER PERRE

• karen_vdp@hotmail.com • www.timelab.org

GARDEN Plants hold a prominent position in my work. At the core of my Master’s project is an animist belief that plants are animated beings. The project itself is a garden for plants and vegetables on location at timelab.

This garden is to be a place where no distinction is made between vegetables, flowers and those plants, such as dandelions and nettles, that we would rather get rid of. The growth of the plants in the project is stimulated by all manner of apparatuses, the effects of some of which have not yet been scientifically established. These techniques include a windmill that drives a musical box, so that the plants get to hear classical music, a greenhouse in which the plants are administered extra CO2, and another in which the air for the vegetables is cleared by other plants. This garden is a research project. Through an approach to the plants that differs from that in a conventional garden, we may discover a better way to deal with and use them. The plants may also benefit from the project. By initiating a long-term process, we may get the plants to acquire new qualities that they can pass along to the next generations. B10 JOHANNA VAN OVERMEIR

• johannavanovermeir@gmail.com • www.johannavanovermeir.com

P (S) 5 – BAPTISM, HAIRCUT, DISTRACTION, SHOOTING BOOKS, BOOK WASHING Rituals are often the remains of religions that gradually transform and merge with other media; making religion persistent and ineradicable. We keep looking for different ways to feel one with everything and everyone. The Western world turns to concerts, performances, art, … to rediscover something divine that we have lost through the ages. We long for our origins or roots that we cannot describe in words. This is what I try to convey, in different ways. These performances represent minor rituals in which the passer-by is involved. Unconstrained, sometimes unexpectedly, people participate in the work, and I can approach them by consciously or unconsciously involving them.


C VRIJE KUNSTEN / FINE ARTS C01 SEVERINE BAERT

• severinebaert@yahoo.com

BYTS, ’s-Hertogenbosch (NL), 2010

C02 LIESJE BLANCKE

• liesje.blancke@gmail.com

NATURE MORTE In her work, Liesje Blancke attempts to convey the beauty of perceived objects. She often works with organic found objects that may be regarded as natural waste. The aesthetic value of these objects resides to her mainly in the material state of the moment. Not the dead animal, but the aesthetics of physicality are her focus. The organic material emanates a certain vitality despite its essential lifelessness. This approach is evident in Blancke’s realistic drawing technique which recalls that of encyclopaedic illustrations. Liesje Blancke has a profound fascination for the fragility of matter. As such, her work focuses on the frail nature of the rejected and dismissed substance that reincarnates in her personal style. The combination of realistically rendered matter and artificially produced fabric intensifies the focus on the material aspect, regardless of any charged subject. The candle-wax finishing creates a transparent effect that makes the two layers blend. This technique adds a level of abstraction to a complex landscape full of nuances of light and texture. C03 LOT BRUTSAERT

cide and might even transform into something new. The subject is able to take on the shape and structure of his object, and a form of estrangement can occur. My research material consists mainly of pictures from newspapers and magazines that become the basis for collages. These collages are assemblages of different contexts and are in turn translated into ambiguous drawings. Thus both translation and noise enter the image.

• lot_brutsaert@hotmail.com

In my visual work I attempt to determine the concept of metamorphosis. When an individual gets entirely absorbed in a certain action, a fusion can occur. A child that loses itself in its game, or an artist who gets totally engrossed in his creative work: individual and action coin-

133

wonderful shadow of the plant on the wall, and the other way around. This resulted in a magnificent interplay of planes, colours and lines. As the sun continued its course, this balanced composition immediately vanished. Luckily, I thought, I have captured it on film. But the moment cannot be captured fully and accurately. After that first surprising time, I have really already seen it. All that is left for me now, is to refer to that beauty I have seen and my experience of it.

C04 JÉRÉMIE CALLENS

• jeremie.callens@gmail.com

C07 JOLIEN DE ROO

‘You notice something is sucking all the flavor out of food the pleasure out of sex the color out of everything in sight?’ — William S. Burroughs

C05 RAACHEL CLINCKSPOOR

• raachel-ling@hotmail.com

TE LIJF (CORPOREAL) How do I understand the world around me? These sculptures are a study of the specific nature of a direction that is noticeable in bodily movements. The sculptures are inspired by a mental image, an intention, a direction or an action that is expressed in an impulse of the body. They deal not just with the body as an object in space, but with the corporeal ‘understanding’ of other objects. What is at the heart of this project is the conviction that this understanding is mainly possible because of our corporeality and that it is this understanding that connects us with other objects. The sculptural forms of these works contain a quest for that inner impulse of movement, the experience of understanding itself. C06 JANA CORDENIER

• janacordenier@hotmail.com

I looked up, to where a plant occupied its unchanging place against the wall. For a brief spell – no longer than five minutes – an impressive sight unfolded there. The bright sun casts a

• jolienderoo@yahoo.com

It is the world around me and my immediate surroundings that form the basis of my work. Visual stimuli give the impetus for pictorial movements on the canvas. These often leave traces that at first glance seem to have no referent. The nature of the shapes on the canvas is not easily established, although they clearly suggest a certain entity. They exist, and belong in the environments in which they move. It is not their ‘being’ that is uncertain, but their exact meaning. The works’ meanings are ambiguous and provoke questions in the observer; questions to which partial answers are sometimes suggested by somewhat more concrete additional elements. At times the image appears not to surpass the abstract pictorial action. I find it interesting how these different interventions cause changing interpretations in the spectator. C08 WALDO DE ROO

• ohwaldo@gmail.com

Waldo De Roo’s visual work consists of drawings, photographs, collages, sculptures and installations. Everyday encounters, objects and movements spark off fragments of ideas that result in collages or drawn sketches. It is De Roo’s childlike enthusiasm in perpetually reexamining the possibilities of his materials and his nostalgic and youthful palette that make for this work’s emotional charge.


Duality is a constant throughout this body of work. Light and dark, good and evil, hate and love, man and machine, nature and technology are instances of De Roo’s strong preoccupation with opposites and the attraction between them. These, like the dichotomy between mind and matter, are all sources of inspiration. Although the work may at first glance seem superficial like a gadget and the result of co­ incidence, it is in fact extremely layered and well thought-out. Elements from these different layers are continually clashing, causing subtle shifts in meaning. These dialectical tensions, shifts and reversals give the work its coherence, as De Roo’s sober, direct and accessible style give it its fundamental honesty. C09 MARGOT DEROOSE

• margotderoose@hotmail.com • www.margotderoose.com

A sepal, petal, and a thorn Upon a common summer’s morn— A flask of Dew—A Bee or two— A Breeze—a caper in the trees— And I’m a Rose! — Emily Dickinson

C10 ELKE DESUTTER

• desutterelke@gmail.com • www.desutterelke.be

From my own experience and observations, it appears that the fascination for human acts and corporeality is strong. The body is a personal thing that forms itself consciously and unconsciously. This body is not always ‘clear’ in my work. It is taken out of its normal context and appears unreal. The boundary between reality and fiction is continually questioned. We do not see the body as shape, but it is presented to us like this. Not actually tangible, not quotidian, but still we feel connected to it. Through the combination of reality and fiction in my work, the image persists. Fictitious images are inserted into the camera

134

frame, so as to convey them realistically. Without, however, neglecting the fictitious element. A recurrent theme in my work are connections. How you can connect everything, the way we want to connect with a certain work, the need to link images. In my works, connections are being made between objects by literally joining them together. By stitching, tying or kneading them together. They are literally being tied to reality. C11 WARD DEVOLDER

• ward_devolder@hotmail.com

The body, with which we present ourselves to the world, has to endure quite a lot nowadays. The high-tech age that is ours offers sheer limitless opportunities to reconstruct our body – and thus our self – should we feel nature has dealt us a bad hand. I, like so many others, am a victim of this cult of the body. It is this extraordinary fascination that I explore in my paintings. My work starts with taking or collecting photographs of bodies; my own, that of my girlfriend, friends or just anonymous strangers. All of these images are examined in the same manner and become the basis for a painting. My work is a combination of construction and destruction. Controlled and precise brushstrokes give the bodies an artificial aspect. By leaving out certain parts of the bodies, new connotations are attached to them and they are allowed to be seen in their pure form.

It is this tradition that is the basis for this work in which I deal with a volume of poetry by Sylvia Plath. The book has been in my possession for quite some time now, and although I know of the intentions behind the words, I have not yet wanted to read the actual poems. Or, more accurately: I have not yet dared to read the actual poems. On the roof of a towering building, surrounded by nature and the distant rumble of traffic, I will absorb the book for the first time. Frustration, nature, fear and admiration all come together in ‘Projet pour un texte, Sylvia Plath’. C13 THOMAS GILISSEN

• thomasgilissen@gmail.com

OCULAR NARCOTICS The landscape troubles his conscience. He remembers being here with his brother when they both were younger. They saw the sunset, twice. Leaving the valley behind he observes himself in the mirror and takes in the environment. Soil that’s turned over and equipment left on the side of the road. He remembers fierce discussions with his father. He turns the wheel, proceeding in the opposite direction. Ocular narcotic is a visual complex. It shows how I psycho­ somatically respond to the materiality of my surroundings. It is a continuation of the spiritual works of our ancestors. Group Show, Münster (D), 2011 BYTS, s-Hertogenbosch (NL), 2010

C14 LIESE-LOTTE GOOSSENS C12 SARAH D’HANENS

• lilot_goossens@hotmail.com

• sarahdhanens@yahoo.com

PROJET POUR UN TEXTE, SYLVIA PLATH As Marcel Broodthaers said, ‘cinema is a form of writing.’ ‘Projet pour un texte, Sylvia Plath’ is a video-installation that is rooted in my great affinity with writing, language and text. I am indebted to predecessors – writers, artists, colleagues, the entire past. But inspiration and fascination can also have a paralyzing effect.

CURIOUSER AND CURIOUSER No image is truly unknown to us, as we instantly try to link anything new to previously registered images. This categorization or ordering is a necessity, we do it in order to grasp everything. We want to understand everything to reach the truth. This process is a survival strategy we employ to attain some form of mental quiet, to be able to admit new images over and over. But this need for quiet is also stifling;


by wanting to grasp and order the unknown from our very first encounter with it, we deny it the opportunity to remain a mystery. I try to make images that reopen the way to the mysterious. Images that let incomplete or entirely ungraspable truths teem. I aim to offer clues, not comprehensive interpretations. Not everything contains a single unequivocal truth that can be grasped completely. The images I make must thus also remain incomplete and devoid of a stifling truth. It is the only way to let mystery in, to keep looking.

how once, holding his mother’s hand at a Brussels gallery, he no longer saw any flowers, but only paint. And how liberating that moment felt. (M.L.) Wondrous adventures with stark vectors, lines, charcoal, white oil paint, cut-and-past fragments of canvas or paintings – that is what Maaike Leyn’s drawings and paintings are. But they also conjure up worlds, or a world. So that we not only encounter pieces of work – with visual objects – but also a realm of thought, the vision of an artist; with the readable traces of the seeing and acting life of a young woman. (Hans Theys)

C15 VICKY LEMA

• vickylema@hotmail.com • www.vickylema.be

Any instance of the artificial alteration of reality is an inspi­ ration for me to start painting. I am fascinated by strange places and heterotopias. To me, the process of altering reality or the distancing from reality and the creation of other, virtual spaces is exactly what painting does: the image of reality fades, reality is replaced by a painted space. Through the medium of painting I want to come to a more abstracted version of the structure of the contemporary space. The images – ultimately – lose their origins to find a way to a form of autonomy. The image becomes authentic in a new way and contrasts with what we experience as truthful. It must be reconstructed pictorially so that its formal manipulations and constructions are revealed. I focus on forms and fragments from the landscape; they are as artificial as their pictorial equivalents. C16 MAAIKE LEYN

• m.leyn@scarlet.be • www.maaikeleyn.com

DOG POUND I have long thought that I had some kind of image-dyslexia. I can see colours, accents, shapes and paint – but no horse. As if the simplest notions escape me at first. But then I heard a certain painter tell an anecdote about

135

C17 LISA SPILLEBEEN • lisa_spillebeen@hotmail.com • users.telenet.be/lisa.spille- been

Potential subjects are being neglected in favour of attention to the interplay of colours, lines and planes. C18 DANIËL VANDERSMISSEN • danielvandersmissen@yahoo. com • danyakulto.weebly.com

[DAN(IL) YAPUNGKU/YAKULTO/ MOHEGAN/JUMANYA] Object(s) of Migration, a project about experiments. Migration is a broad concept that is applicable both to man and animals and to plants and objects. What sets these latter two apart, though, is their dependence on carriers that transport them into a strange habitat, where they are planted or placed as homeless objects. The subsequent process of acceptance or rejection is attended with obstructions and slippage. In this migratory movement there simultaneously is a growing stratification with regard to content, where older layers are left to slumber underneath transparent or covering new ones. These original layers are complemented and perhaps even overgrown by the particulars of the place of arrival or passage. Apart from objects and subjects, there are also migrations of ideas and actions.

A concept is thus complemented by perceptions and experiences from other situations, communi­ cations and environments. A realization of this is the IGECCprojects, in which the acronym stands for interactIve ongoinG expEriment in chaotiC communiCations. The IGECC concept functions as a pivot for real and virtual activities and actions that result in simple performances and installations. C19 WESLEY VAN GAEVER

• ishkari@gmail.com

TECHNOLOGICAL INTIMACY Every new technology has an immediate effect on man. These effects, however, are not necessarily positive, but more often than not they are an ambiguous complex of both positive and dark elements. The familiar aspect of techno­logy (the functional intention we ascribe to it) is thus always countered by the unfamiliar. It is precisely this unfamiliar aspect that gives man the freedom to dream about it. It opens up perspectives that are culturally determined. Cultural perspectives such as these, on the possibilities of technology and the position it takes in our psychological perception, are what I wish to portray in my work. C20 PETER VAN HECKE

• peter_van_hecke@hotmail.com

BOUNDARIES From the very beginning of his time on earth, man has sought not only to understand the world but also to mould it to his will. He tries to understand the phenomena around him and subject them to controllable rules. Reality is recognized and placed within clear-cut contexts, frames and standards, and this becomes the way man organizes the world. I like to discover and unveil these structures, to question or break them. I explore the limits of conventions but also of pure material, architectural contexts and traffic regulations. this is where | draw the line


C21 SOPHIE VANHOMWEGEN

• info@sophievanhomwegen.be • www.sophievanhomwegen.be

REFLECTION The constructed and idealized images of the female body that abound in the media are the starting point for this work through which I try to change my own position on these imposed ideals. This I attempt by neutralizing certain images that leave a strong impression on me; I rip them out of their contexts and take my turn in manipulating and transforming them. By my ‘dissection’ and reassembly of new bodies, these images are revealed as essentially inhuman. The analysis makes me more aware of my own distorted self-image, prompting the decision to take this selfimage into my own hands so as to put things back in their place. As such, my work is the realization of an inner world where rational thought and imagination continually influence each other. Absurd notions take on a form and a place in an absurd mental world. This becomes a game in which I am master of what goes on both on and off stage. C22 LAURENS VAN LIESHOUT • Laurens.Van.Lieshout@ telenet.be

Content is irrelevant, the sensory experience is fundamental. Form and packaging are the essence. C23 PIETER VAN TROOS

• pietervantroos@hotmail.com

It gives you security, a chance to endure, doesn’t it? How can I say it all without losing myself? Without boring you? (Persona, Ingmar Bergman, 1966)

136

C24 MARIEKE VAN WUYTSWINKEL • mariekevw98@hotmail.com • mariekevanwuytswinkel. hi-ka-sk.be

THE WAVER / ATTEMPTS OF RECONSTRUCTION / SAVING TIME The phenomenon of time is the common factor in these works that I have created during the past two years. In them, I cautiously philosophize on duration and the elusiveness of time, or glance back on both the distant and the very recent past. From several perspectives I attempt to grasp this abstract but everpresent phenomenon. In the video The Waver (2010) I examine the concept of duration. Simultaneously it is an exploration of the relationship between photography and video and the roles of actor, camera, cameraman and viewer. Attempts of Reconstruction (2011) is based on a series of old photographs of my parental home. The original pictures were made with the sole intention to inform, but their inadequate quality caused them to remain in the photo boxes. The work is a reconstruction of these under­ exposed photos and an examination of their changed meaning. Saving Time (2011) is the result of the idea to capture or store future time. This work’s intention is to render this form of time tangible; a utopian aim that is doomed to failure. C25 CAROLINA MOSQUERA (CAROLINA VYNCKE) • mosquera_carolina@hotmail. com • www.carolinamosquera.com

HIDE. SEEK. SHOW. PLAY How do we relate to objects from our youth? How do we look at them now, and how do we interpret their message? These questions can be seen as a verbal representation of the ‘fil rouge’ throughout my work, which is centred around fragility, force and gravity. I want to portray both force and fragility through the basic

components and materials I use. Waxes, plastics, polymers and metals are all fit for this. Fabrics and tissues have been recurrent elements in other recent work of mine. I am constantly in search of genuine shapes. My main focus is based on authenticity and veracity, even though this implies that I have to force myself in ignoring the values and education of society. This process can be compared to undressing. The subtle art of showing on the outside what has grown on the inside. The vulnerability of the artefact is not only present in the choice of my basic materials, but is also part of the subject itself.

D TEXTIEL­ ONTWERP / TEXTILE DESIGN D01 ELISE BROEKAERT

• elisebroekaert@hotmail.com

EXPLOSION SHOT We are surrounded by motion – nothing is ever stationary. These motions bring about interesting transformations. This precarious situation I equate with explosions. An explosion is a chaotic outburst that can vary in size. Often only the biggest changes catch the eye. In my story I want to focus on minor explosions. I want to convey the beauty of these explosions by showing their subtle, fragile, chaotic and vulnerable aspects. In my ‘explosions shot’ I am inspired by coincidences and the continuous jumble of colours and materials. I want my designs to be snapshots of an explosion. They are dynamic fabrics full of life. Every colour is beautiful in itself, but a balance must be found in combining them. Every choice entails a different feeling. I my designs I am always looking for the optimal effect of material, colour and structure. Until I have found just the right ambiance.


D02 KESSIA BEIRNAERT • kessiabeirnaert@hotmail.com • www.everyoneweb.com/ Kessia.Beirnaert

COOKING WITH TEXTILE / MATERIALS IN PROCESS MATERIALS IN PROCESS How to start your new culinary experience? Ingredients – Dough jackets – White or off-white T-shirt fabric – Puff ink – Polypropylene Rotisserie chicken – Feathers – Skin-tone leather – Beige antiskid gauze – Skin-tone perforated imitation leather – Blood red printing ink – Old beige wool granddad sweater – Blood red plastic bags – String Preparation Try cooking with textile instead of food. Drop pieces of a wool sweater, paper or plastic in the deep fryer, grill them, serve them flambé, put them through the mincing machine or cut them julienne… Compose your menu, analyze its courses. Draw your inspiration from the actions, recipes and processes of your dishes. Use your senses and feelings; pursue what captivates you most. Your actions and combinations of materials will spawn new ideas. Play with the ingredients and let unsuspected new possibilities surprise you. Above all, don’t stick to the recipe and dare to do things the way you shouldn’t. Finish it all off with a dash of humour. Hints – Be right comfortable with yourself, feel free to pluck yourself. – Roast your T-shirt nice and crispy and break in bite-size bits.

137

D03 ANNE-SOPHIE CHRISTIAENS • annesophiechristiaens@gmail. com • www.annesophiechristiaens.be

For some years now, I have been captivated by man and his surroundings, as a subject for my work. For my final year I have primarily focused on the objects and traces people ‘leave behind’. Traces, stains of people who have been somewhere. They show the absent person. Through this research I have started looking at everyday things in a more abstracted way. I have let myself be guided by intuition, regardless of any rules, laws and interrelations. From this chaotic mix I have filtered those elements that I found the most interesting. These I have processed and combined, resulting in new, playful and spontaneous designs. I do not want to pigeonhole either myself or my work and I want to remain open to new impressions, playful intuitions and unusual compositions. Unconstrained, I want to be influenced by my surroundings, absorb what appeals to me and use and revise it into something contemporary. Despite the spontaneity of my quest and method, my designs share some common characteristics. Development, movement, shifts, coincidences, irregu­ larities, speed, linearity, deconstruction and layering are all sources of inspiration to continue my work as a designer. D04 BRITT DE GROOT

• britt_de_groot@msn.com

DISAPPEAR Textile is everywhere, it is a constant in our lives. But all too often, it is relegated to the background and does not receive the attention it deserves. My terminal project collection wishes to counter this by presenting textile that is prominent and continues to stimulate. Techniques including laser treatment, pleating and embroidery add a third dimension to the

otherwise two-dimensional textile. The basis for this third dimension consists of geome­trical shapes, and with prints I enhance their different manifestations. The challenge in this is to keep coming up and playing with new geometrical shapes. This results in a lively and changing textile; textile that offers several impressions and manifestations. Depending on the position of the viewer, the angle of the light and the textile itself, aspects and shapes will appear and disappear. With special thanks to Audax Textielmuseum Tilburg and Di-Jet.

D05 LIEN D’HAESELEER

• lientjedhaeseleer@gmail.com

INTIMACY BETWEEN MOTHER AND CHILD The starting point for this project was the intimate relationship between mother and child. In the first few months after giving birth, a mother will attempt to recreate the security and comfort of the womb. Her embraces and caresses make up a warm, protective environment for her newborn child. As it grows up, the child lets go of its mother to venture into the world by itself. You cannot explore the world from inside your mother’s arms. But the need for security remains, and children turn to cuddly toys or blankets as substitutes for their mother. My designs respond to this. They take the shape of teddy bears or embracing arms, hands and fingers. Antennae with which we grope and feel, but also touch, embrace, caress, love. I plunged into the world of children and found inspiration in fairy tales and stories such as Alice in Wonderland and The Wolf and the Seven Young Kids. But also Dumbo, and the way his mother wraps him in her big ears and rocks him in her trunk, inspired me. Although they primarily focus on intimacy, the objects are enriched by play and learning elements. Oppositions such as inside-outside or front-back make for an element of surprise that disrupts the obviousness. It is Alice’s amazement as she


wanders through Wonderland that I wish to convey to both children and adults. The result is a series of proto­types of play objects that are mainly handcrafted. D06 VEERLE HERREMANS • veerle_herremans@hotmail. com

By way of the other, we find ourselves. So it is also with images and the illusion of their proximity. My work is primarily a search for images. They are fragments – unfinished. They oscillate between absence and realization, between distance and proximity. Memories of images from history in turn generate new images. The differentiation of mate­ rials, realistic representation and the expression of space in pre-modern painting serve as a basis for my research. A shape, a space emerges from its contours. Carpets are temporary places. They mark a surface and give rhythm to a space. Memory and geography are visible in its patterns. The entire carpet is mirrored in the detail. In those details ever new worlds appear. D07 SELIEN NAUDTS

• naudts_selien@hotmail.com • www.seliennaudts.be

OUR FORGOTTEN FUR ‘Our forgotten fur’ refers to our inner animal that gets ever more lost and repressed. In our western society it is generally frowned upon to associate oneself with animals. The use of animal materials is likewise not fully appreciated. Yet, through the feeling of the material our inner animal can be brought back to life. What people nowadays call their ‘fur’ cannot compare with the riches of animal materials. People mostly wear mass-produced, offthe-peg clothing, and the animal feeling and bond with the animal have all but disappeared. There is no more room for intimacy. With materials like leather, fur and wool, I produce new ‘furs’ that people may come

138

to appreciate as their own. For what if in the course of evolution we had not shed our fur? What would it look like? How would we feel? How would we behave? Through my newly created furs, I want to rekindle in people the love and understanding for animal beauty. I want people to rediscover their animal identity. D08 YU-CHIEH TSAI

• aileen181920@hotmail.com

CHANGING Wrapping and the body My work is a continuous examination of the relation between textile and the human body, of what textile can do to our bodies. I want the textile I design to be more than just textile. I approach it with different ideas, and see it as a design product that people can have fun with – a product that may not have a direct use in reality. My aim is not as much to make a usable product as it is to create concepts and introduce new ideas to textile. So that people’s minds are set to work when they see the it. About changing Textiles have their own characters. They can be changed. They have lives. My final goal is a fabric that changes when it is washed. As humans, we are lucky. We can change things in our lives if we want to. Changing is like a game. You might win, or you might lose. Once you have changed, though, you can never go back. Most people are afraid of losing. So they would rather stay the same. And they miss out on the only opportunity to become better. ‘To change or not to change, that is the question.’ D09 LIEKE VAN OPSTAL

• liekevanopstal@hotmail.com • www.liekevanopstal.nl

You often do not notice them anymore. You don’t pay attention to the numerous surprises that

are offered to you day after day. Motions. Like the mechanical opening of an umbrella. The folds of an accordion. Opening a popup book. These things that seem so ordinary amaze me, and I wish to cherish this amazement for the everyday moment by briefly stopping time. The unrelenting commotion of our lives puts us in a conti­ nuous process of change. Moving a construction or a shape in its environment, gives you the feeling of newly created spatiality. Two-dimensional shapes are transformed into threedimensional sculptures. The act and the metamorphosis that make up these transformations are what matter to me most. The emerging shape comes second. A lot of mechanical forms are directly lifted from nature. Take the bud of a flower, slowly opening at dawn and closing again at dusk. I have started an examination of the formation of folds, leading to evolutionary forms. Memorized fabrics that can return to their original shape after a process of motion.

E FOTOGRAFIE / PHOTOGRAPHY E01 ZAZA BERTRAND (ALEXANDRA BERTRAND)

• zaza_bertrand@hotmail.com

COOL PLACES – So, I realized that being with my family is more important than being cool. – Dad, what you just said was powerfully uncool. – You know what the song says: “It’s hip to be square”. – That song is so lame. – So lame that it’s… cool? – No. – Am I cool, kids? – No. – Good. I’m glad. And that’s what makes me cool, not caring, right? – No. – Well, how the hell do you be cool? I feel like we’ve tried everything here.


– Wait, Marge. Maybe if you’re truly cool, you don’t need to be told you’re cool. – Well, sure you do. – How else would you know? The Simpsons (‘Homerpalooza’)

village, to sell its marked-down luxury articles in a pleasant atmosphere. I approached the security staff members of this shopping village as if they were a fictitious community united by a collective investment in the environment, shopping and weekend tourism.

E02 GEERTJE DE WAEGENEER

• geertje.dw@gmail.com

E05 AN-SOFIE KESTELEYN The most important phase in Geertje De Waegeneer’s social documentary photography is the actual shooting. The result is straightforward photography that does not seem to require extensive postproduction, as traditional darkroom techniques are fully employed. Most projects are long-term and evolve around a group of people who are often forgotten by society; slum area labourers, illegal immigrants or Fourth World citizens in our own neighbourhoods, cities or country. This Master’s project focuses on different approaches to illegality. From a distanced view on recent immigrants to a more intimate look at those who have been here a while longer.

• ansofie.kesteleyn@gmail.com • www.ansofiekesteleyn.be

A LAMB NAMED BEAUTY / PEARLSTREET 165 / AMERICAN PORTRAITS A Lamb Named Beauty was started in 2007, when the twins were ten. Now, four years later, a first instalment is shown. Pearlstreet 165 grants the viewer a look inside the Fitzsimmons’s home in Maine, USA. In American Portraits a series of American girls and women are captured on the location of the first encounter; coming out of the supermarket, next to their car or high up in the Rocky Mountains…

E03 TINE DU GARDEIN • tine.dugardein@gmail.com • imaselfishcunt.blogspot.com

‘The blindness is apparent when someone lets slip the word ‘snapshot’. Ignorance can always be covered by ‘snapshot’. The word has never had any meaning. I am at war with the obvious.’ — William Eggleston

E04 LAURENT FOBE

• laurent.fobe@gmail.com

• petra.mingneau.0071@ student.hogent.be

Welcome to the edge of things, where sky, sea, land and wandering souls snatch a brief embrace. E07 ANNELIE VANDENDAEL • annelievandendael@hotmail. com • www.annelievandendael.com

MASTER’S PROJECT ‘Si on retouche trop, on gomme la vie. Ce n’est plus de la photo, c’est de la chirurgie esthétique.’ — Peter Lindbergh.

VILLAGE As a visual examination of what ‘community’ means in a society whose structure is based on consumption, I made a series of photographs in the themed shopping centre ‘Maasmechelen Retail Village’. This remote shopping village was designed as an idyllic interpretation of a nineteenth-century miners’

139

E09 TIM VAN DEN OUDEN HOVEN • timvandenoudenhoven@gmail. com

DISPARITIONS ‘Quand l’oeil voit noir, l’esprit voit trouble. Dans la nuit il y a de l’anxiété, même pour les plus forts.’ — Victor Hugo Welcome to the concrete abyss. I walk towards it, like blood from a final heartbeat staggering onwards in its ultimate circulation through a labyrinth of veins. I only reach dead ends, infinite walls of compiled cells, meti­ culously assembled so as to take the horizon away from me. This was constructed, not for my presence, but for my absence. All traces I plan on making are eradicated even before I get a chance to leave any. It is what I am used to… E10 JORIK VAN ESCH

E06 PETRA MINGNEAU

A study of memory, and the struggle to hold on to it.

E08 MARIE VAN DEN DRIESSCHE • marie.vandendriessche@ gmail.com

Never forget again. Try not to lose. Guard from afar. Index fiercely. What deserves to stay?

• jorikvanesch@hotmail.com

50A 161 162 50a 161 162 is the code attributed to the Knokke-Arlon railway line, and all photographs from this eponymous project were taken along this route. The landscapes and buildings are visible from inside the train and are never more than fifty yards away from the tracks. The photographs document the landscape, sketch the portrait of an era and offer a cross section of Belgium. Even though the final work is structural and organized in nature, the actual motivations for engaging in this project were grounded in a love for the country and its diversity. Charles Baudelaire summed it up nicely when he wrote: ‘Le beau est toujours bizarre.’


E11 LAURA WAUTERS

• laurawauters@gmail.com

ÍSA·FOLDA We all have a place where we can hold absolute sway. A no man’s land we can escape to and be ourselves. My place is called Ísafolda: it’s a place between reality and imagination, where I will always feel at home and yet a stranger. I can never stay there for too long, because reality gradually slips away there. I travelled across the sea to my second home and brought a little piece of it back, to put away and cherish. E12 LYNN WESTERLINCK

• lynnwesterlinck@gmail.com

E13 LAURA ZUALLAERT

• zualaura@yahoo.com

ASPARRAGOS / THE UPLANDS My terminal project consists of two films: Asparragos We import asparagus from Peru. Why from so far off? There are both economical and political reasons for this, but is this also socially and ecologically sound? This is the story of the Peruvian asparagus. Directed and shot by Laura Zuallaert | Edited by Dieter Diependaele – 35’

The Uplands Birmingham, Handsworth. These allotments hold entire histories. Labourers came to work here during the Industrial Revolution, families grew their greens here during the World Wars. After the Second World War, Jamaicans, Indians and Irishmen came to Birmingham to work in construction, nursing or at the railways. In the allotments they found peace and quiet after work. Directed and shot by Laura Zuallaert | Edited by Kenneth Michiels – 15’

140

F ANIMATIEFILM / ANIMATION F01 RODERIK BÖSENSELL

• bosensell_roderik@hotmail.com

STORIES WITHOUT END At the end of the 1990s, the animated gif (or, animated graphics interchange format) disappeared off the radar of the common internet user. These formerly ubiquitous images went underground for over a decade to reappear into the digital world now. The animated gif’s main characteristic is its endless repetition of a very limited number of images; making it the most minimalist version of the animation feature. Stories without End is a selection of animated gifs from a range of online sources. Iconic images from well-known films come together in a single frame. Despite their familiarity, however, the images are unique and alienating as the characters seem ‘trapped’ inside the endless repetition of an isolated glance or gesture. The repetition isolates the images, and when these individual images are placed alongside each other a certain interaction and intertextuality emerges that is up to the viewer’s interpretation. At the same time this context is undermined when it is made clear that the images are in fact randomly interchangeable, suggesting yet another relation between them. F02 JOLIEN HAESEN

• haesen.jolien@gmail.com • www.myspace.com/jolienhaesen

DE POTTENKIJKERS (THE PRYERS) How far can research go? Where does privacy end in a society obsessed with revealing everything? Is shit still a taboo? De Pottenkijkers is a fictitious documentary about a secret laboratory that studies people in public toilets and examines everything that gets flushed. One of the lab assistants’ job consists in watching public toilet spycamera footage and analyzing the visitors’ behaviour. Another team of six assistants analyze

the flushed faeces’ smell, contents, shape, texture, etcetera. Each lab assistant does this in his or her own way, but with unchanging concentration, with subtle references to the present consumer society. This animated short is not meant to shock with vulgarity, but to capture and fascinate the viewer with a dash of humour and an all-too-human subject that is recognizable to everyone but often still broached with shame. F03 MAUD LANGASKENS

• maudlangaskens@gmail.com

PROSIT In the absurd world of Prosit the intoxicated characters end up in a game of moving and being moved. A strange and surprising look at a night of boozing… F04 Wiet Lengeler

• wietlengeler@gmail.com • www.epicblue.be

the light still shines Sound recordings of fairs and carnivals are the onset of a deeper investigation of the way sounds evoke images. The light still shines is an attempt to convey the sensory experience of a visit to the fair. F05 STAN LOISEAUX

• stanloiseaux@gmail.com

DREAM FISHERS The story unfolds as a David Attenborough wildlife documentary. We witness the struggle for life of some human creatures living in a world without land. Deep below sea level we see a dream fisher catching his prey in his sleep. Meanwhile we follow the unsuccessful hunt of a harpoon fisher and the more inventive attempts of a lantern fisher. But the survival of the fittest is not only about food, it’s also about finding a mate. We witness how the homes of the dream fishers are caught on hooks and reeled in by humanoid creatures living on their ‘islands’ on the surface.


F06 BRITT RAES

• britt.raes@gmail.com • www.birdbee.be

HOMEMADE Every woman has her own way of cooking. Homemade introduces us to Bernadette, whose kitchen habits are indeed peculiar, to say the least. This film is essentially about the everyday indifference people display towards each other. Many of us are stuck in our daily routines and habits. We take it for granted that people function the way we expect them to, and show no appreciation for it. But acting the way people expect of you does not necessarily make you happy. Technically, the film is based on a series of monotypes that illustrate puns. These images were transformed into a story and digitally animated. F07 VIRGINIE SURIANO

• virginiesuriano@hotmail.com

LA RENCONTRE (THE ENCOUNTER) Is it possible to consciously erase a part of your past from your memory? A man is continuously confronted with memories of his deceased wife. He cannot find a way to cope with this and decides to forget her. He bans her and everything that reminds him of her from his mind, from his memory. Even though his love for her was once limitless, his farewell is final. Or so he thinks. A combination of stop-motion and cut-out animation brings the character to life in a threedimensional space. But also sound, light, shadow and the few props help to shape the story.

childhood during the Russian revolution and his family’s ensuing escape.

G FILM G01 JESSIE DE LEEUW

YOU WILL FIND IT Twenty-nine-year-old Cilia’s life quietly runs its course at the checkout of ‘Superette Edwin’. But Cilia is a master of escape; in her imagination she leaves dull reality far behind and she creates a colourful musical world. One day handsome Jef stands at her checkout. Will Cilia succeed this time in turning her dream into reality? I wanted to make a film that makes people happy. Life is not all sorrow and misery, there is also fun, joy and humour. And what other genre celebrates this side of life more than musical? Musical sequences have always transported me into another dimension, into a world intoxi­ cated with cheerfulness. My protagonist Cilia also wants to escape everyday reality and space out in musical fantasies. But somewhere along the way she realizes that her fantasies are just that and she must also find her place in life. You Will Find It – a story about post-its, home-made cakes and tight supermarket uniforms. Cast: Eva Van Der Gucht, Roy Aernouts, Jaak Van Assche, Brit Van Hoof, Ludo Busschots Direction & screenplay: Jessie De Leeuw Photography: Robrecht Heyvaert Editing: Bram Rabaey Music: Raf Van Assche, Roy Aernouts Production: Lies Staes

F08 BORIS SVERLOW

• jessiedl@hotmail.com

• bsverlow@gmail.com • myspace.com/boristheanimator

G02 MAITHÉ FRANCO SHATTERED PAST A story as shattered as its title suggests. A man is writing down his memoires. In the middle of this he suddenly suffers a stroke. This catapults him back into his

141

• franco.maithe@gmail.com

HALF DAY TOUR SOWETO Soweto gained a reputation as the centre of resistance against apartheid in South Africa. That history now draws busloads of

tourists to the township, creating an organized spectacle where Africans and Westerners look at each other. But from what points of view do we look? Do personal truths stand in the way of genuine encounters, or can this kind of tourism help to clear away the obstacles? In a globalized world people can only live together when efforts are made to understand each other. I myself try to look at the world around me from as many perspectives as possible to form nuanced opinions. As a filmmaker I want to create documentaries that question and perhaps even do away with stereotypical conceptions. Half Day Tour Soweto wants the viewer to question his own view of Africa. The limited and predominantly negative media coverage of the continent has created in a lot of Westerners an image that is replete with clichés. Are we still able to view Africa outside of this frame of reference that was forced upon us? Do we give Africans a fair chance? Can Africa be more than just poverty, war, AIDS and illiteracy? But also: what image do Africans have of the West? They too have constructed an image from encounters with tourists, and that image is often not less clichéd. My personal search for a more respectful attitude towards the so-called other has been fuelled by the extensive travelling I have done in the past couple of years. Especially in Africa I was struck by the fact that my preconceived image did not correspond with reality, or that it was at least biased. It is my hope that this documentary can stimulate the same experience in the viewer. Concept, photography and editing: Maithé Franco Sound recording: Lotte Meersman and Benjamin Dalle Sound editing: Michel Coquett Filmed in Full HD Language: English, Zulu (Dutch subtitles)


G03 HANS GALLE

• hansgalle@gmail.com

Work in progress Leni is a diligent student of art who suffers inexplicable fits of anxiety during the preparation of her Master’s thesis. As she searches for a solution, the attacks get worse and worse. Leni is an intelligent girl who has developed a passion for her field. The satisfaction she got out of working hard has always given her the feeling she is doing the right things that will eventually lead to a fulfilling life. But when this is supposed to become reality, everything grinds to a halt. Everyone around her seems to excel just a little more and they all have promising bright futures ahead of them as they approach the end of their studies. One after the other, they seem to find a way to keep doing and enjoying what they are good in. Except for Leni. Leni gets left behind, with a passion that remains invisible. What if you realize that what you expected is not going to happen? What if the track you thought was right doesn’t seem to lead anywhere? Ambition is a peculiar thing. We may be realists enough to know that not every wish is going to be fulfilled, but still we think we have a right to our little patch of happiness. The little push in the right direction from that one person in the right place. But what if this doesn’t happen? What if we lose track and blow our chances? Or if we simply realize we have made the wrong decisions? Do we stand tall and accept fate or do we fight? ‘Where there is a will, there is a way’… Or so they say… G04 JONATAN LYSSENS

• jonatanlyssens@yahoo.com

COLLECTIES (COLLECTIONS) Collecties takes us to the world of books. This is the home of Wilma Schuhmacher, Professor Vyncke and August Kulche. They each look back on a lifetime dedicated to the printed paper. Confronted with their own limits, they keep up this devotion to the

142

book that, like them, grows more vulnerable and fragile with the passing of time. In this exceptional world, book and man live together. The lives of books and the three main characters – an antiquarian bookseller, a reader and a bookbinder – are the essence of this documentary which shows how both books and people are simulta­ neously powerful and fragile. Some of these books have changed the course of history. But they also remain simple material objects that are sold, studied, printed, bound and perhaps also forgotten or neglected. The book may hold sway in its paper realm, it is still defenceless. The film shows us three elder­ly people who have built a life around books, each in his or her own way. They tell us the stories of those lives and those books. Direction: Jonatan Lyssens Photography: Jonatan Lyssens Editing: Jonatan Lyssens Music: Fulco Ottervanger Additional sound recording: Greet Habraken, Teresa Oyen Sound editing: Michel Coquette Cast: Wilma Schuhmacher, Professor Frans Vyncke, August Kulche, Lucy D’hooghe Filmed in HDV

G05 KENNETH MICHIELS

• michiels.kenneth@skynet.be

DAY 5 (Working title)

these boys society dismisses all too quickly as ‘delinquents’. ‘A portrait is a painting with something wrong with the mouth.’ I am fascinated by the moving, the unpredictable, the dramatic, the beautiful and often recognizable aspects of people’s backgrounds. In my work I want to delve deep into my subjects’ worlds and show what I find there to the viewer. Gaining access to the personal world and lives of these young people society labels ‘delinquents’ seemed like a challenge to me; they are the noisy louts on the bus whose aggression and looming presence is felt as threatening. After just one visit to the Reynaert School in Ghent, where these youngsters are counselled, it was clear to me that a lot more is hidden beneath the surface of ‘behavioural disturbances’. How do these kids feel about their instable behaviour, how do they experience this? It remains largely ignored that there is often a painful situation at home that is to blame. This documentary shows the unique world of these young people so that their portraits become much more meaningful than a distanced discourse on ‘young people in special education’. Concept, camera and editing: Sjoerd Tanghe Sound editing: Michel Coquette Music: ONS Filmed in Full HD

G06 SJOERD TANGHE

• sjoerd.tanghe@gmail.com • www.hetbijzonderfeest

HET BIJZONDER FEEST (THE SPECIAL PARTY) Robin, Zaur and Lorenzo go to special education, to a school for youngsters with behavioural disturbances. However diffe­ rent their personalities and backgrounds are, one thing they share: their love for music. Robin (14) has an obsessive fascination for pop idols Selena Gomez and Miley Cyrus. Lorenzo (17) dreams of becoming a DJ and singer while Zaur (18) is passionately into rapping and beatboxing. Het Bijzonder Feest offers an intimate look into the lives of

H MODE / FASHION MOVEMENT #18 On the 10th and 11th of June, the Bijloke Campus was in a bustle with the eighteenth edition of Movement, KASK’s annual fashion event where students present their end-of-year collections. Like the previous editions, Movement#18 was not just a fashion show but a varied programme that took the visitor on a tour through all the aspects of fashion design, showcasing the diversity and


talents of KASK Fashion students and staff. Visitors were welcomed to KASK’s ‘Zwarte Zaal’ by boys and girls in historical costume, the work of second-year students and an appetizer for the actual show in which original silhouettes appeared in quick succession on the tautly designed catwalk. A marvellously compelling show ensued, featuring “Felt Forms” (“Vormen in Vilt”) and trench coats by the first-year students, ethnic costumes by the second-year students and of course the students’ end-of-year collections. Next to the shows in the KASK building, this year’s Movement also included an exhibition by the Fashion students in the new city museum STAM. Curators Marina Yee and Ronny Martin had assembled a surprising composition boasting coarse cotton volumes by the first-year students, fashion design drawings and mood boards. An absolute eye-catcher was the collection of court gowns designed by the second- and third-year students for the TOGA 125 Fashion Award competition in which Julie Van de Berghe’s design won the second prize. KASK Fashion’s brand-new shoe studio proved highly inspirational as well and could present an extensive collection of shoes, including the “Men into Women” line, created in cooperation with Maison Anna Heylen.

I DRAMA Productions I01 AUDIENCE Master’s project of Tiemen Van Haver

• tiemenvh@gmail.com • ontroerendgoed.be

performers: Maria Dafneros, Matthieu Sys, Tiemen Van Haver & Joeri Smet | direction: Alexander Devriendt | set & costume design: Sophie De Somere | light: Timme Afschrift | Camera: Aaron De Keyzer | stage technician: Wim Hermans | promoter: Sam Bogaerts | co-promoter: Alexander

143

Devriendt | in co-production with Richard Jordan productions ltd. / with the support of The National Theatre Studio (London) & Vooruit (Ghent)

‘I have often been part of an audience, and I like it. Nothing can beat that feeling of being ‘there’ in a room with others. To hear them laugh, smell them, applaud synchronously with them. Sometimes I am more interested in them than in what happens onstage. I wonder, how long would I be able to watch them? Probably exactly as long as I would be able to stand them gazing at me. Because there’s so many of them and I am only one. Let’s do it differently. Let’s watch the audience together.’

and by: Elien Hanselaer, Lieselotte De Keyzer, Lize Pede, Michaël Ghekiere (Canto Minjauw), Seppe Cosyns | dramaturgy: Mats Van Herreweghe |coaching: Elsie de Brauw | promoter: Sam Bogaerts | co-promoters: Geert Belpaeme and Pieter De Buysser

GAT begins at the beginning: the big bang that disrupts the balance of nothing. The result: bodies in an empty space, people who start to relate to each other, who discover and explore each other, the possibility of an emerging world and at the same time the expectation that every­ thing will be something, that everyone must be someone. All information at www.lhommmm.be (that’s four m’s).

I02 BALLERINA Master’s project of

Anne-Charlotte Bisoux • annecharlottebisoux@gmail. com • dramagent.be/masterproeven absurdist musical theatre | promoter: Sam Bogaerts | co-promoter: Ineke Nijssen | musical direction: Dick van der Harst

The story of a girl looking for words in French and Dutch. She recounts her dreams and the memories of a family. About how lonely it was, the family. About unanswered questions and being cold. About a walk between flowers and blooming with pieces of broken people, darkness, the power of imagination. With Harp and humour too. ‘Bon. Right. I’ll start then. I wanted to tell a story. But no one believed me. That I wanted to tell this story. And that this story was true. No.’ I03 ‘L’Hommmm’ presents: GAT (HOLE) Master’s project of Elien Hanselaer, Seppe Cosyns And Michaël Ghekiere (Canto Minjauw) • elien.hanselaer@gmail.com • seppecosyns@gmail.com • michael.canto.minjauw@ gmail.com • dramagent.be/masterproeven • www.lhommmm.be physical theatre & dance | direction & concept: Geert Belpaeme | with

I04 ‘Kylie Goethe’ presents: GOED GEPROBEERD (NICE TRY) Master’s project of

Tania Billiard

• ritadepita@gmail.com • dramagent.be/masterproeven

‘Start with a long silence. Don’t use any scenery. Imagination is for audiences, not for creators. It’s recommended to play naked. It makes you look vulnerable and honest. If you haven’t got anything to say, go on about how you haven’t got anything to say for pages on end and call it ‘meta’. Emptiness is a feeling as well. Have a smoke. Have a drink. Listen to Purcell. Take a random Wikipedia article and build a metaphor around it. No matter how far-fetched, it will work. Use lots of enumerations, they are always good fun and they fill up time. Know that you are important. If someone calls your work trivial, that person is an ignorant philistine. He doesn’t understand it and you shouldn’t explain it to him. Add a badge to your facebook profile. Like! Sign petitions but don’t act. Dare not to know better. Wash someone. Make noise. Make a mess. Dance to jazz. Writhe to jazz. End in silence as you clean up the stage. Take a bow. Run off. Come back. Take a bow. Wave to the technician. Run off. Come back. Take a bow. Run off. Come back. Take a bow.’


I05 IL VA PLEURER, HET GAAT REGENEN (IL VA PLEURER, IT LOOKS LIKE RAIN) Master’s project of Jeroen Serruys (text, direction) & Loes Carrette (performance)

• jeroene_serruys@hotmail.com • loescarrette@gmail.com • dramagent.be/masterproeven

Also with Michaël Ghekiere (Canto Minjauw) | promoter: Sam Bogaerts | co-promoter: Johan Knuts

‘What if I play Cary Grant and you Grace Kelly maybe that’ll work do anything you like to me I’ll do anything.’ I06 KWEST#1: HET BREIN (THE BRAIN) Master’s project of Nele Van Den Broeck

• neleuh@hotmail.com • dramagent.be/masterproeven

Three pounds of grey matter inside the skull; this is the source of all our thoughts, emotions and memories. The human brain is able to grasp relativity. It can grasp the notion of infinity. It can learn a language, cry and brush teeth. But what is really going on inside those three pounds, is one of our age’s big unanswered questions. KWEST#1: Het Brein is a theatrical-scientific lecture performance in which Nele Van den Broeck ‘tells’ about the functioning of the brain and the latest developments in neuro­ logy, in an accessible and unique way, with a good dash of fun and music for good measure. It is the first instalment in a series of performances that will each deal with a big scientific question. I07 OCH ZWIJGT (OH SHUT UP) Master’s project of Sielke De Mulder (text and performance)

• sielkedemulder@gmail.com

promoter Sam Bogaerts | co-promoter Tania Van der Sanden

About growing old. And not really coping with that. About how one day you can’t seem to hook your

144

bra and how your joints get all creaky at times. And that you used be a fox in your days. But that you’re starting to doubt that now. And that this makes you kind of sad sometimes. ‘Oh shut up. There’s so much more I need to tell You’ve got lots of listening to do I’m so glad you came. You should come back Like tomorrow or something. I’m always right here I’ve got time.’ I08 ‘Tibaldus en andere hoeren’ presents:

OMTRENT OTHELLO (CONCERNING OTHELLO) Master’s project of Timeau De Keyser and Simon De Winne

• timeau@hotmail.com • simon_dewinne@hotmail.com • tibaldus.be

a theatre performance by Hans Mortelmans and Timeau De Keyser | by and with: Simon De Winne, Bert Dobbelaere and Seppe Gebruers | music: Seppe Gebruers | light: Ruben Desiere | set design: Simon Van den Abeele | promoter: Sam Bogaerts | co-promoter: Hildegard De Vuyst | production: Tibaldus en andere hoeren, in cooperation with University College Ghent KASK, drama department / with the support of the City of Ghent

I09 ‘Ballet Dommage’ presents: WE ALL NEED SOME Master’s project of Katrien Valckenaers

• katrienvalckenaers@gmail.com • www.balletdommage.be • dramagent.be/masterproeven

by and with: Maxim Storms and Katrien Valckenaers | promoter: Sam Bogaerts | co-promoter: Mieja Hollevoet | coaching: Benjamin Verdonck and Laura Vroom | music: Gerrit Valckenaers | set: Alice Vanderschoot | costumes: Astrid Michaelis | light: Jan Van Hove | production: Het Entrepot & Drama Ghent KASK

We All Need Some shows the structures and systems, myths and calculations we can employ to find our place in the overwhelming grandeur of everything. We

see two people looking for new ways to relate to themselves, the other and that which they have no words for. They were inspired by Franz Kafka’s The Burrow, Species of Spaces by Georges Perec, the work of visual artist Erwin Wurm, art brut artist Aloïse Corbaz and Francis Alÿs’s actions. ‘I would have liked to make something beautiful (with a wolf and a castle that should collapse) to – I would have liked to make a piece that offers comfort for – I would have liked – I would have liked to play a wolf once, in a castle that should collapse, to use that image to express something about – I would have liked to build something that moved those old ladies as well. From a letter by Maxim (November 2009): ‘I would have liked to remain ten. I climbed trees and sang hymns. I would have liked to be there still. With sawdust in my hair and a piece of strawberry chewing gum stuck behind my left ear. I told everyone that the trees next to our house couldn’t be chopped down. I remember going around for that, distributing little pleading notes in peoples’ mailboxes, going from door to door with a petition I’d made and putting banners up in the trees that I’d made of old bedding. I remember how radical I was about that sort of thing… Now I’m twenty. It’s raining outside so I’m staying in.’ I10 ZOON (SON) • •

Master’s project of Lize Pede (text, direction) lize_pede@yahoo.com dramagent.be/masterproeven

With and by Freek Mariën and Lize Pede | promoter: Sam Bogaerts | co-promoter: Miet Warlop | make-up: Louiza Vande Woestyne | coaching: Elsie de Brauw, Mia Hollevoet

About a mother and a son. ‘I would have loved nothing more than to take your body apart and put it back where it came from. Safe, with me.’ A search for what is underneath the flesh. ‘So good to have had you with me. I hope my tears didn’t


bother you. I just wasn’t prepared that you’d be so beautiful. Some people seem to reflect the light, others it sort of bounces off, but you, somehow, seem to absorb it. I love you, don’t you ever forget this. Your mother (you’ve only got one)’

J–K PROFES­ SIONELE BACHELOR INTERIEURVORMGEVING / PROFESSIONAL BACHELOR’S DEGREE IN INTERIOR DESIGN Third year students in the Inte­ rior Design programme make their Bachelor’s project for one of four specialized majors; Interior Finishing & Advice, Interior Design, Furniture & Design or Temporary Installations. These four fields of specialization make the programme fully attuned to the sector’s ever increasing level of professional specialization, without neglecting the general aspects of the training. Within each focus, students are offered a range of assignments, each with its own particularity, complexity and scale.

J FOCUS: INTERIEUR­­ AFWERKING & ADVIES / INTERIOR FINISHING & ADVICE

designs for public libraries and hospitals. A thorough analysis of the building, site and specific demands forms the basis on which students first draw up a balanced zoning plan and a functional organization chart. A second phase focuses emphatically on the technical execution of the design and a detailed elaboration of design decisions. This involves choices of material and technique and the elaboration of construction and realization details. Parallel to this large assignment, students are introduced to aspects of sales, project management, quantity surveys, advice and more in a series of smaller, real service assignments. This combination familiarizes the students in the Interior Finishing & Advice focus with the everyday practice of the interior designer.

145

JONAS VANDERHAEGHE JEROEN VANLOOT

K FOCUS: INTERIEUR­ ONTWERPEN / INTERIOR DESIGN

NELE MENTENS

The Interior Design focus presents the students with design assignments of an advanced complexity. For their Bachelor’s project, students make a choice from an entire range of assignments in different fields, dealing with buildings in either the commercial (a concept store for a brand of choice), cultural (theatres or museums) or public sector (schools) or accommodation facilities (hotels). The emphasis in this field of specialization is on the phase of analysis and conceptualization and how these two aspects of the design process influence each other. A thorough analysis of the building, the site and a list of specific demands is not only carried out technically, focussing on structure, history and surfaces, but students are also expected to take up a motivated stance on the context of the assignment, the customer and the building. Both analysis and personal position will influence the choices made in the course of the ensuing design process. This stimulates the students’ total awareness of their own design process.

J02 ISABELLE ROSSIGNOL

SAM BEVERNAGE

PILAR BECKERS STEPHANIE DE DECKERS SANDRA DE MOL J01 NICK DE MOOR nick.demoor.p0325@student. hogent.be

LAURENCE DE WALSCHE SANDER DEWANDELAERE LEEN KUYKEN

In the Interior Finishing & Advice focus the complexity of pure design – the conceptualization – shifts to the specific questions of realization and finishing. Students are first confronted with the entire design process in an extensive and often complex assignment with a public character; ranging from shop fitting to

GREGORY VAN MARIS

rossignolisabelle@hotmail.com

K01 MARJOLIJN BIJMAN J03 SHARON SAELENS

marjolijnbijman@hotmail.com

Sharonsaelens@hotmail.com

STEFFI BRANTEGEM J04 DELPHINE SYS Delphine.sys.p0139@student. hogent.be

LOES COESSENS


simple and healthy life. K02 CHLOË DE CORTE

ELISE VAN HOOF

chloe_decorte6@hotmail.com

JELKE DE MEY

elisevanhoof1@hotmail.com

XAVIER DE CLERCQ

K11 MARTHE VANTHUYNE vt_marthe@hotmail.com marthevanthuyne.blogspot.com

FREDERIK DE JAEGERE

DIETER VEYS

L01 Dewanti Indriati

JONAS DE POORTERE K03 KENNETH DE SMEYTERE

dewanti.indriati.n0216@ student.hogent.be

kenneth_desmeytere@ hotmail.com

MASJA DE WAEGENEER K04 ELLEN DEBAVEYE ellen.debaveye.p0083@ student.hogent.be

K05 CLIFF DEBUE

cliffdebue@msn.com

LOUIS DEFOUR K06 ELOISE DELEENER

eloise.deleener@live.be

HANNE HILLEWAERE SOPHIE KEIJ

keijsophie@gmail.com

KAROLIEN LUCKX K07 THAÏS NIVILLE

thaisje_66@hotmail.com

K08 JULIE PEELMAN

julie.peelman@hotmail.com

K09 VERGINIA PEPERSTRAETE verginia_peperstraete@ hotmail.com

FEBE SIMOENS JASPER SNAUWAERT K10 JOZEFIEN SPITAEL jozefien.spitael.p0119@ student.hogent.be

146

L FOCUS: MEUBEL & DESIGN / FURNITURE & DESIGN

MICHIEL JANSEGERS

michieljansegers@hotmail.com

KATARZYNA KNEBEL LYNN LAUWERS

Popular TV shows on product development and design have made the concept of design accessible to all. The design of everyday functional objects livens up our homes and working environ­ments, as ever new variations of chairs, tables and beds are mainly designed to look trendy. The Furniture & Design focus, however, engages in a critical reflection on both industrialized and traditional design. We consider designing as the attribution of meaning to our material surroundings, and the products and objects we create are developed from the point of view of the function and place they assume in an interdisciplinary and intercultural world. Professional designers who actively shape today what will be used tomorrow – by the current and future generations – should pay special attention to the motivations behind a specific shape or design. As such, in this focus we trace the ‘rights of existence’ of pieces of furniture or design objects. Newly developed techno­ logies or the negative – cultural, social, psychological or ecolo­ gical – effects of a design object on its user can be adequate reasons for questioning an existing object and replacing it with a more effective alternative. For it is an absolute necessity to analyze and redefine designs that no longer fill a need in an evolved society or that even threaten a

TOM MAESEELE L02 ANNELIES THYS

anlthys@gmail.com

L03 LYNN THYS lynn.thys.p0176@student. hogent.be

MYRIAM TIJSKENS

myriamtijskens@hotmail.com

L04 SARA VAN RANSBEECK

saravanransbeeck@hotmail.com

RIMCO VERTRIEST Rimcovertriest@hotmail.com webs.hogent.be/rimcovertriest

M FOCUS: TIJDELIJKE INSTALLATIES / TEMPORARY INSTALLATIONS The Temporary Installations focus confronts students with a series of projects of a very specific, indeed temporary, nature. It concentrates on projects such as exhibitions, fair and expo


stands, events, film and theatre sets or any other assignment that involves a temporary use. From this perspective, students are first of all familiarized with the particular technicality that this kind of assignment entails. These temporary installations must be made so they can be built up and taken apart in relatively little time and as such have very specific technical demands. Flexibility, adaptability and reusability are central concerns, but aspects of transpor­ tation, lighting and more are also extensively dealt with. Apart from this rather technical dimension, there is of course also a focus on the specific conceptual approach to temporary installations. Students should not merely provide solutions to specific design questions, but should also take matters of context into account: a company’s corporate identity in the case of fair stands, the atmosphere and narrative in a set design for film or theatre.

M04 RANI LEUNENS

ranileunens@hotmail.com

M05 HANNELORE MALFAIT ANNELIES MARIE JAN MARTENS M06 JUDITH RIBBENS JOYCE RYCKX M07 CEDRIC VAN DAMME Cedric_Van_Damme@hotmail. com

MAUREEN VAN DE POEL KEN VAN DONGEN M08 LIESJE VAN DYCK

liesjevandyck@hotmail.com

LEEN CAMMAERTS LAATA DE BRUYNE ANDRIES DE CONINCK HENDRIKA DE MAES­ SCHALCK

M09 ASTRID VANDEPUTTE

astridvandeputte@me.com

M10 JUSTINE VANELSLANDER justinevanelslander@hotmail. com

M11 JULIE VANNESTE

julie_vanneste@hotmail.com

M01 TINNEKE DE WEVER M12 JOLIEN VANQUATEM MAYA DEGRAEVE

M02 ILSE DEKETELAERE

M13 EVA VERBIEST

ilsedeketelaere@gmail.com www.ilsedeketelaere.be

vanquatemjolien@hotmail.com

eva_verbiest973@hotmail.com

MILAN VERSTRAETE SILKE DENOLF M03 NIELS GHARRAFI

nielsgharrafi@hotmail.com

ANGELIKA GIZA

147

verstraete.milan@gmail.com


vrouw   

man

Bachelor Interieurvormgeving

Bachelor Audiovisuele Kunsten

Bachelor Beeldende Kunsten

Aantal studenten naar nationaliteit 2009-2010

Master Audiovisuele Kunsten

Belg   

Master Beeldende Kunsten

EU   

Specifieke Lerarenopleiding

6

11

4+8=

4+18=

26

26+26=

24+16=

138

4+14=

Schakel­ Master programma Drama Beeldende Kunsten

68+198=

9

20

6

4+8=

408+670=

127 Bachelor Drama

160++94=

42

34+25=

194+486=

totaal: 340

539

Aantal studenten naar geslacht en aantal 2009-2010

Master of Fine Arts

Tentoonstelling en Beheer van Actuele Kunsten

niet-EU

96+2+ 90+10 90+10 94+4+2 33+67 100 90+10 97+2+1 96+4 33+67 100 Bachelor Interieurvormgeving

Bachelor Drama

Bachelor Audiovisuele Kunsten

Bachelor Beeldende Kunsten

Schakel­ Master programma Drama Beeldende Kunsten

Aantal studenten naar nationaliteit 2009-2010

50+50 100 50+50 EM Fine Arts

148

EM Graphic Design

EM Multi­ media Design

Master Audiovisuele Kunsten

Belg   

Master Beeldende Kunsten

EU   

Specifieke Lerarenopleiding

niet-EU

Master of Fine Arts

Tentoonstelling en Beheer van Actuele Kunsten


Aantallen en percentages nieuwe inschrijvingen. Behalve voor de opleiding drama worden ook de verschillen in aantal in vergelijking met het academiejaar 2008-2009 weergegeven. Totaal

Totaal 1e bac

inschrijvingen Nieuwe inschrijvingen

Herin­ schrijvingen

Generatie­ studenten

Nietgeneratie studenten

Totaal

Bachelor Interieurvormgeving

340 (-26)

117

91 (-21)

18 (-11)

109 (32%) (-32)

23 (68%) (+6)

Bachelor Audiovisuele Kunsten

127 (+18)

57

31 (-8)

19 (+7)

50 (39%) (-1)

77 (61%) (+19)

Bachelor Beeldende Kunsten

539 (-15)

202

121 (+10)

65 (-1)

186 (35%) (+9)

353 (65%) (-24)

Bachelor Drama

42

8

5

2

7 (17%)

35 (83%)

Master Audiovisuele Kunsten

20 (-2)

0

1 (-1)

1 (5%) (-1)

19 (95%) (-1)

Master Beeldende Kunsten

139 (+47)

0

5 (+1)

5 (4%) (+1)

134 (96%) (+46)

Master Drama

9

0

0

0 (0%)

9 (100%)

Overzicht van studenten die hun bachelordiploma (interieurvorm­ geving), masterdiploma (beeldende of audiovisuele kunsten / drama) of diploma specifieke lerarenopleiding behaalden in 2009-2010. Naar geslacht en aantal vrouw   

man

Interieurvormgeving

149

Audiovisuele Kunsten

Beeldende Kunsten

19 3

4+8=

Fine Arts (EM)

Drama

36+40=

1

4=

96+228=

13

32+20=

76+252=

81

totaal: 82

Specifieke lerarenopleiding


Studenten KASK in percentages naar regio. Enkel studenten met de Belgische nationaliteit werden opgenomen. De categorie “andere” omvat Belgische studenten die hun domicilie in het buitenland hebben.

Totaal

OostVlaanderen

WestVlaanderen

Antwerpen

Vlaams Brabant, Waals Brabant & Brussel

Limburg

Wallonië

Andere

501 (42%)

384 (33%)

142 (12%)

112 (9%)

35 (3%)

3

2

Buitenlandse studenten, ingeschreven in het academiejaar 2009-2010 hadden volgende nationaliteit: Nationaliteit

Aantal

Bulgarije

1

Polen

2

Canada

1

Portugal

1

Groot-Brittannië

1

Rusland

2

Slowakije

1

Chili

1

Spanje

1

China

2

Taiwan

1

Colombia

1

Thailand

1

Duitsland

2

Tsjechië

1

Finland

1

Turkije

1

Frankrijk

2

Venezuela

1

Georgië

1

1

Indonesië

4

Verenigde Staten

Iran

3

Italië

1

Japan

1

Nederland

43

150


personeel KASK

Jeannice Adriaansens Vito Adriaensens Liene Aerts Timme Afschrift Patrick Alliet Kasper Andreasen Susanna Antico Vincent Bal Katia Ballegeer Serena Baplu Paola Bartoletti Ines Beert Gaëtan Begerem Sven Bellanger Ruben Bellinxk Geert Belpaeme Chokri Ben Chikha Laurence Berden Patrik Berx Peter Beyls Marie-Louise Bisschop Beatrijs Boeykens Sam Bogaerts Michaël Borremans Eva Bos Johan Bosschem Dirk Braeckman Bart Brants Willem Breynaert Rob Breyne Martine Brodelet Hans Bryssinck Paul BusChmann Christine Buyse Francky Caen Angelique Campens Olivera Capara Miel Cardinael Edwin Carels Paul Casaer Ingrid Castelein Freddy Claeys Geert Clarisse Martine Clierieck Carl Cneut Lisa Colpaert Godelieve Colruyt Sébastien Conard Frank Cools Leo Copers Michel Coquette Bram Crevits Antonella Cusimano Hilde D’haeyere Nele D’herde Johan Daenen Monique Darge Filip De Baudringhien Guy De Bievre Hugo De Block Saskia De Bodt Rik De Boe Christoph De Boeck Manon De Boer Katia De Bondt Maria De Boodt Elisabeth De Brauw Greta De Brauwer Noël De Buck Anouk De Clercq Karel De Cock

151

Martine De Gos Jan De Jonckheere Carl De Keyzer Karlien De Koninck Ingrid De Meuter Annelies De Mey Jan De Pauw Helena De Preester Peter De Roy Birgit De Rynck Dirk De Schepper Peter De Smet Helena De Smet Wim De Temmerman Robin De Vooght Eric De Vos Hildegarde De Vuyst Lodewijk De Wilde José De Wilde Leen De Wilde Dries De Wit Sandy De Wolf Mia De Wulf Mario Debaene Christine Deboosere Stoffel Debuysere Anna-Maria Decock Lieven Deconinck Wouter Decorte Silvia Defrance Evert Defrancq Francis Degand Luc Degryse Ine Dehandschutter Carlos Dekeyrel Fabrice Delecluse Luc Deleu Paul Demets Jean-Marie Demeyer Louis Demeyere Marc Demoor Wannes Deneer Emmanuel Depoorter Danny Deprez Bieke Depuydt Peter Derks Johan Derycke Luc Derycke Pascal Desimpelaere Herwig Deweerdt Bernard Dewulf Els Dezwarte Stefaan Dheedene Martine Dielman Danny Dobbelaere Mieke-Katarine Dobbels Patrick DombRecht Michel Druart Raphaël Dua Ronny Duquenne Wim Eeckhout Nick Ervinck Filip Eyckmans Marijke Fabré Martine Fache Kurt Gabriel Jerry Galle Mekhitar Garabedian Vincent Geyskens Julie Gilman

vrouw   

Isidoor Goddeeris Roel Goussey Véronique Govaert Johan Grimonprez Elias Grootaers Martine Gyselbrecht Veerle Hallaert Nick Hannes Els Hemerijckx Jimmy Hendrickx Stefaan Hertmans Elias Heuninck Tony Heyndrickx Veerle Heynssens Dominiek Hoens Mieja Hollevoet Emiel Hoorne Jasmin Horozic Matthias Hoste Chris Hubrecht Martine Huvenne Elisabeth Huygelen Philip Huyghe Vincent Impens Steven Jacobs Luc Janssen Thomas Janssens Bram Jespers Anita Kars Jan Kempenaers Stephanie Kiwitt Filip Kolen Susanne Kriemann Liesbeth Kusters Lars Kwakkenbos Dieter Lapauw Harry Laureys André Lefevre Katty Lemahieu Hendrik Leper Pascal Leroy Nico Leunen Daniël Libens Frank Lissens Liesbeth Louwyck Frank Maes Ives Maes Guy Marchal Sven Marievoet Erik Martens Renzo Martens Ronny Martin Philip Metten Armand Mevis Carlo Mistiaen Jean-Paul Monbaliu Luc Monsaert Gustavo Mulhall Jozefien Muylle Tomas Navratil Steven Neetens Erik Nerinckx Parcifal Neyt Rosalina Nijsen Sophie Nys Hans Op De Beeck Johan Opstaele Christian Overdeput Sjoerd Paridaen Jozef Pastijn Kim Pint

man

65+35 Marc Popelier Dirk Pültau Henk Rabau Jasper Rigole Gert Robijns Eva Kamala Rodenburg Els Roelandt Daniël Roelant Roger Roelens Peter Rogiers Katrien Rondelez Peter Rouffaer Raf Schoenmaekers Gillis Senepart HannaH Slock Marie Snauwaert Boris Snauwaert Christophe Sonck Jan Steen Diane Steverlynck Jan Stragier Pieter T’jonck Ophélie Tailler Sandra Termont Hans Theys Tom Tosseyn Eric Ubben Martien Van Beeck Theodorus Van Bergen Stéphane Van Burm Gerd Van Cauteren Bram Van Damme Sebastiaan Van Damme Gwendeline Van De Velde Lieven Van Den Abeele Caroline Van Den Eynden Francine Van Der Biest Gerrit Van Der Harst Tania Van Der Sanden Jan Van Der Veken Thomas Van Der Velde An Van Dienderen Willy Van Driel Elly Van Eeghem Brecht Van Elslande Stephan Van Fleteren Jef Van Gestel Kristof Van Gestel René Van Gijsegem Dirk Van Gogh Carl Van Isacker Annemie Van Kerckhoven Natalie Van Laere Elke Van Landeghem Kurt Van Maldegem Griet Van Reeth Stijn Van Rossem Viola Van Rossum Nicoline Van Stapele Bart Van Steenkiste Sofie Vandamme Frank Vande Veire Henk Vandekerkhove Bart Vandenbossche Jolien Vandenbroele Jacky Vander Linden Robrecht Vanderbeeken

Bram Vandeveire Ludwig Vandevelde Benjamin Vandewalle AnJa Veirman Danny Venlet Geert Vercaemer Jan Vercruysse Geert Vergauwe Harold Vergucht Peter Verhelst Hildegarde Verheyen Karolien Verlinden Leo Verlinden Joris Vermassen Pascal Vermeersch Kaatje Vermeire Marita Vermeulen Pieter Vermeulen Willem Vermoere Evelyn Verschoore Youliana Verschuren Patrick Viaene Hans Vos Katrien Vuylsteke Vanfleteren Wim Waelput Miet Warlop Tom Wellekens Veronique Welvaert Saskia Westerduin Kathleen Wijnen Catherine Willems Erwin Wittevrongel Marina Yee Peter Ysabie


COLOFON Deze publicatie verschijnt naar aanleiding van de presentatie van de masterprojecten en professionele bacherlorproeven 2011 aan het departement Koninklijke Academie voor Schone Kunsten (KASK) van de Hogeschool Gent. De presentatie omvat vier luiken: Movement #18 Modeshow: 10 & 11 juni, Bijloke Campus, Zwarte Zaal Tentoonstelling: 10 & 11 juni, Bijlokesite, STA’M Dramafestival 17 juni – 2 juli: diverse locaties, Bijlokecampus KASKfilms 31 juni: cinema Sphinx KASKweek Tentoonstelling masterprojecten en bacherlor­proeven 30 juni – 3 juli: Bijlokecampus & Kunsttoren

Coördinatie en redactie publicatie: Luc Derycke, Wim De Temmerman, Anna Luyten, Frank Maes en Wim Waelput Auteurs: Jan Debbaut, Lars Kwakkenbos, Anna Luyten en Frank Maes

Jan Debbaut is bijzonder Hoogleraar Curatorial Studies aan de Rijksuniversiteit Groningen en gewezen directeur van de Tate Collections in London en het Van Abbemuseum in Eindhoven.

Vertaling en tekstredactie: David Depestel Proofreading: Liene Aerts en Ann Cesteleyn

Lars Kwakkenbos is docent actuele kunst en coördinator afstudeerrichting Fotografie aan het KASK – Hogeschool Gent.

Beeldredactie: Tine Du Gardein

Anna Luyten is journaliste, filosofe, literatuur- en theaterwetenschapper.

Vormgeving: Luc Derycke & Jeroen Wille, Studio Luc Derycke Typografie: Jeroen Wille, Studio Luc Derycke Vormgeving cover en logo: Thomas Desmet, Studio Luc Derycke Website: Ine Dehandschutter en Harold Vergught Met dank aan: Sam Bogaerts, Paul Casaer, Bram Crevits, Luc Degryse, Dirk Deschepper, Pascal Desimpelaere, Dries De Wit, Els Huygelen, Erik Martens, Sjoerd Paridaen, Roger Roelens, Thomas Van der Velde, Dirk van Gogh, Katrien Vuylsteke Vanfleteren en Saskia Westerduin Druk: Cassochrome, Waregem Oplage: 1400 exemplaren KASK – Hogeschool Gent Jozef Kluyskensstraat 2 B 9000 Gent www.kaskweek.be www.kask.be

152

Over de auteurs

Frank Maes is curator en publicist over hedendaagse kunst en architectuur. Hij is gastdocent aan het KASK – Hogeschool Gent (actuele kunst), Sint-Lukas Brussel en de academies van Waasmunster en Oudenaarde.


Profile for KASK

KASK-2011  

2011 catalogue. Master's projects 2011. Bachelor projects Interior Design. Texts by Frank Maes and Anna Luyten.

KASK-2011  

2011 catalogue. Master's projects 2011. Bachelor projects Interior Design. Texts by Frank Maes and Anna Luyten.

Profile for kaskmag
Advertisement