Issuu on Google+

De 'Fab Four' van de Belgische concertindustrie  Trends 

26 juni 2008

Vestzak­broekzakpraktijken zijn schering en inslag

Het eerste weekend van juli is traditioneel de start van het nieuwe festivalseizoen. Al even traditioneel  woedt opnieuw de discussie over de hoge ticketprijzen voor festivals en concerten van oude rockers.  Trends wierp een blik achter de schermen van de live­entertainmentindustrie. We vonden er amper vier  grote namen, maar ook oorlogskassen en schommelende winstcijfers. 1. Jan Van Esbroeck: "Te veel concurrentie drijft ticketprijs op 2. Geert Allaert: "Zwakkere tussen­ personen verdwijnen 3. Bernard Denys: "Al drie jaar geen indexering 4. Herman Schueremans:  Kerngezond, maar geen commentaar  De Belgische live­entertainmentsector bestaat uit nogal wat bedrijven en bedrijfjes, maar bij nader inzien trekken  amper vier grote namen aan de belangrijkste touwtjes: Jan Van Esbroeck, Herman Schueremans, Geert Allaert  en Bernard Denys. Het vestzak­broekzakprincipe, waarbij bedrijven van dezelfde eigenaars elkaar betalen voor  diensten, is de concertmarkt dan ook niet vreemd. Zo verhuurt Jan Van Esbroeck als gedelegeerd bestuurder van  het Antwerpse Sportpaleis de zaal aan zijn evenementenbureau PSE Belgium. Tele Ticket Service, waar hij ook  aandeelhouder van is, doet de verkoop van de tickets voor die concerten. Maar ook Live Nation, met in het  bestuur Herman Schueremans, is een van de belangrijkste klanten van Van Esbroeck.  Dat kan ook moeilijk anders. Live Nation verwierf als concertorganisator bijna een monopoliepositie op de  Belgische markt en wordt daarom vaak aanzien als de grote schuldige voor de hoge ticketprijzen. Van Esbroeck  weerlegt dat: "Hoe minder spelers er zijn op de concertmarkt, hoe lager de ticketprijs blijft. Als meerdere  promotoren een artiest proberen te boeken, zal diens vraagprijs stijgen. De organisatoren zullen de meerkosten  doorrekenen in de ticketprijs en besparen op andere diensten." Afgaande op de cijfers van Live Nation en diens  dochterondernemingen Live Nation Festivals ­ de nv boven Rock Werchter, TW Classic en nu ook Werchter  Boutique ­ weet de promotor dankzij zijn positie wel te cashen. De moeder­ en dochteronderneming zijn  kerngezond.  "In de rockwereld kom je al snel in de winstzones. Als de ticketprijzen ergens goedkoper kunnen, dan is het daar",  verklaart Geert Allaert. Hij staat samen met Dries Herpoelaert aan het hoofd van Vorst Nationaal in Brussel,  Capitole in Gent, de Stadsschouwburg van Antwerpen, Music Hall Promotions, het productiehuis Geert Allaert  Theaterprodukties en de overkoepelende Music Hall Group. Allaert maakt de vergelijking tussen de prijzenpolitiek  in de theaterwereld en die in de concertindustrie. "Theaters kunnen nooit rendabel zijn." Daarnaast voorspelt hij  dat de zwakkere tussenpersonen zullen verdwijnen en uitsluitend de grote promotoren overeind zullen blijven.  "Live Nation blijft wel noodzakelijk omdat het artiesten garanties kan geven."  De Music Hall Group maakt voor de ticketverkoop gebruik van een tussenpersoon in de vorm van Sherpa.be, dat  ook huisverkoper is van de producties van Studio 100. "Onze groei is toch uitsluitend te danken aan het feit dat  we nu ook tickets verkopen voor bijvoorbeeld beurzen en tentoonstellingen", zegt Bernard Denys, de gedelegeerd  bestuurder van Sherpa.be. "Dankzij het grote totale volume kunnen we het bedrijf draaiende houden, want de  gemiddelde marge per ticket ligt tussen twee en drie euro. Al drie jaar lang hebben we onze prijzen niet  geïndexeerd. Doen we dat toch, dan moet dat in samenspraak met de producenten."  Jan Van Esbroeck is samen met Jan Vereecke gedelegeerd bestuurder van het Antwerpse Sportpaleis en van de  evenementenorganisator Promotie voor Speciale Evenementen Belgium (PSE Belgium). Het duo bezit ook elk  een derde van de aandelen van Tele Ticket Service, net als Stefan Esselens. Van Esbroeck kan daardoor een  graantje meepikken van de verschillende opbrengsten van een ticket. Of is het absoluut nodig om in meerdere  segmenten van de entertainmentsector aanwezig te zijn om voldoende winst te genereren en moeten de  bedrijven onder Van Esbroecks leiding elkaar in stand houden?  Laten we eens kijken naar de uitbating van het Sportpaleis. De provincie Antwerpen is eigenaar van de  concertzaal. De erfpacht werd toegewezen aan Van Esbroeck en Vereecke, die dertig jaar kregen om de  investeringen die ze na het faillissement van het Sportpaleis in 1996 deden, terug te verdienen. De belangrijkste  klanten zijn het eigen PSE Belgium en Live Nation, wiens bestuurder Herman Schueremans ook een klein  aandeel heeft in het Sportpaleis sinds na 1996 verschillende captains of industry als bestuurder werden gevraagd 


om de geloofwaardigheid te verhogen. "Als uitbaters van het Sportpaleis organiseren we zelden optredens. We  willen geen concurrent worden van onze klanten", legt Van Esbroeck uit. Omdat de prijs van de zaalhuur stijgt  naarmate het bezoekersaantal groter wordt, hebben Van Esbroeck en Vereecke er alle belang bij om niet  uitsluitend voor de evenementen van PSE Belgium, maar ook voor de concerten van andere organisatoren  promotie te voeren. Al doen ze dat alleen wanneer die ook gebruikmaken van de diensten van Tele Ticket  Service.  "Vergelijk het met een plein waar steeds één café was. De komst van een tweede café hoeft niet negatief te zijn,  want er kan een gunstige cafécluster ontstaan. Het Sportpaleis profileert zich als een succesvolle zaal en dat is  goed voor alle organisatoren."  Een logische redenering, maar ze wordt niet gestaafd door de balans van het Sportpaleis. De omzet van 15  miljoen euro in 2006 steeg tot 15,5 miljoen euro in 2007. Ook de winst na belastingen van 1,3 miljoen euro in  2006 steeg naar 1,5 miljoen euro in 2007. Maar die winstcijfers liggen lager dan de 2,4 miljoen euro die in 2004  op de balans noteerde. "2004 was een extreem goed jaar, onder andere dankzij een reeks concerten van Marco  Borsato", verklaart Van Esbroeck. "In 2005 brachten investeringen, onder andere in de naburige Lotto Arena, een  hoop eenmalige kosten en verhoogde afschrijvingen met zich. Maar de winst is nog altijd mooi in verhouding tot  de omzet."  Voor Tele Ticket Service geldt hetzelfde verhaal. Terwijl de omzet van 44 miljoen euro in 2005 naar bijna 60  miljoen euro in 2007 ging, daalde de winst na belastingen van 658.000 euro in 2005 tot 612.188 euro in 2007.  Van Esbroeck: "De volledige waarde van de verkochte tickets bepaalt de omzet. De werkelijke opbrengst ligt rond  twee euro per betaald en afgeleverd ticket. Voor de marge is het aantal verkochte tickets dus belangrijk, niet de  prijs van het ticket. Ik denk dat de marges zelfs nog lager zijn dan in de distributiesector. Dat vangen we op met  de cijfers van de rest van de groep." Tele Ticket Service werd in 1985 trouwens opgericht om de tickets van de  Night of the Proms, een concept van PSE Belgium, telefonisch te verkopen. De onderneming is ondertussen ook  wat je het witte product van de ticketleveranciers kunt noemen. Het is bijvoorbeeld het facilitaire bedrijf achter  Goformusic van Proximus.  Dan moet de oorzaak misschien worden gezocht bij de concertorganisatoren, de zogeheten promotoren, zoals  Live Nation en PSE Belgium. Van Esbroeck vertelt dat de omkadering van een show ­ het licht, het geluid en de  eventuele videomontages ­ een ontsporende factor is. De onderhandelingen met artiesten zijn naar zijn mening  onderhevig aan een redelijk normale inflatie, al zijn artiesten er altijd op uit om hun inkomsten te maximaliseren.  "Als organisator kunnen we daar niet te veel in meegaan. Hoe duurder het ticket van het ene concert wordt, hoe  minder consumenten willen uitgeven aan tickets voor andere concerten." Dat het gebrek aan concurrentie ­ Live  Nation domineert de markt ­ de prijs hoog houdt, weerlegt Van Esbroeck ook. "De concertmarkt werkt omgekeerd.  Hoe minder spelers er zijn, hoe lager de prijs en hoe hoger de kwaliteit. Als meerdere promotoren een artiest  proberen te boeken, zal diens vraagprijs stijgen. De organisatoren zullen de meerkosten doorrekenen in de  ticketprijs en besparen op andere diensten."  Vreest Van Esbroeck voor de komst van nieuwe promotoren, want de drie bedrijven die onder zijn leiding staan  beschikken over een mooie oorlogskas? "De kas van PSE Belgium is ondertussen groot genoeg om het  Sportpaleis mee over te nemen. We hebben geen ambities, maar mocht er een opportuniteit opduiken, dan  hebben we geen sectorkapitaal nodig. De oorlogskas van NV Sportpaleis Antwerpen hebben we net uitgegeven  aan de bouw van de Lotto Arena, waarvoor we uitsluitend eigen middelen gebruikten. Die van Tele Ticket Service  geeft enkel een momentopname weer, die steunt op liquiditeiten van anderen."  "Als de ticketprijzen ergens lager kunnen, dan is het in de rockwereld." De uitspraak komt van Geert Allaert. Hij  staat samen met Dries Herpoelaert aan het hoofd van Vorst Nationaal in Brussel, Capitole in Gent, de  Stadsschouwburg van Antwerpen, Music Hall Promotions, het productiehuis Geert Allaert Theaterprodukties en  de overkoepelende Music Hall Group. Allaert kan dus de vergelijking maken tussen de prijzenpolitiek in de  theaterwereld en die in de concertindustrie. "De prijzen voor theatertickets hebben we de jongste tien jaar niet  verhoogd, de ticketprijzen voor rockconcerten zijn in die tijd verdubbeld. Terwijl een rockband met enkele mensen  50.000 bezoekers kan bedienen. Je hebt alleen meer licht en geluid en een grotere zaal nodig. Dan kom je snel in  de winstzones. In het theater kan je met grote producties break­even draaien wanneer je tussen de 1000 en 1200  tickets verkoopt, maar de Vlaamse zalen tellen meestal zo'n 700 plaatsen. Theaters kunnen dus nooit rendabel  zijn." 75 % van de omzet en de winst van de groep moest tot nu dan ook van Vorst Nationaal komen, maar  volgens Allaert zorgen Capitole en de Stadsschouwburg binnenkort voor 50 % van de opbrengst.  Dat lijkt een noodzaak, want de omzet van Vorst Nationaal daalde van 3,8 miljoen euro in 2004 naar 3 miljoen  euro in 2006. De winst na belastingen van de zaal maakt bokkensprongen. In 2004 bedroeg die nog ­317.000 


euro, in 2005 was dat zelfs ­1 miljoen euro, maar in 2006 ging het resultaat plots naar 1,3 miljoen euro. "Toen  onze eigen producties te verlieslatend werden, beslisten we om ze met externe steun te maken. We hebben ook  gereorganiseerd. Rik De Nolf nam de aandelen over van Mercator en we beslisten op korte termijn een grote  stenen investering te doen. (90 % van de activa van Music Hall Group zit in gebouwen, nvdr) De bankiers  geloofden er niet in en leenden daarom op tien jaar en tegen hoge kosten. Ondertussen moesten we wel de  producties voor de komende jaren boeken. Daardoor hebben we het twee jaar moeilijk gehad. De komende  seizoenen komen we opnieuw op kruissnelheid."  De verhuur van de zalen ­ Capitole en Vorst Nationaal zijn eigendom van de groep, voor de Stadsschouwburg  kreeg ze een honderdjarige concessie ­ brengt behoorlijk wat in het laatje: zo'n 20 % van de ticketprijs. "Ons deel  is de jongste twintig jaar niet gestegen", vertelt Allaert. "We verlaagden het zelfs omdat de garanties die de  artiesten vragen, stegen. De marges behouden we door meer shows naar onze zalen te halen." De zalen worden  opnieuw ongeveer 200 keer per jaar verhuurd aan Music Hall Promotions. Music Hall zal vanaf volgend jaar zelfs  voor 20 % van de omzet van Vorst Nationaal zorgen. De promotoren Live Nation, C­Live en AJA tekenen ook elk  voor dat percentage. "De zwakkere tussenpersonen zullen stilaan verdwijnen, enkel de grote promotoren blijven  overeind", voorspelt Allaert. "Er komt een toenadering tussen de artiest en de zaal. Enkel grote promotoren als  Live Nation blijven noodzakelijk omdat ze het kapitaal, de professionaliteit en het netwerk hebben om artiesten  garanties te geven. Dat kan een zaal geen 280 keer per jaar."  Dankzij het vestzak­broekzakprincipe hoeft het volgens Allaert ook niet langer een ramp te zijn wanneer  bijvoorbeeld Stage Entertainment, een Nederlands entertainmentbedrijf dat veel producties in België speelt, een  jaar wat minder naar zijn huizen zou komen. Toch werd de afgelopen jaren een goede band met de onderneming  gesmeed. Zo verdeelt Music Hall alle tickets via Sherpa.be, dat deel uitmaakt van Stage Entertainment. Allaert:  "Het is gewoon goed dat de verdeling van de tickets wordt bewaakt door een betrouwbare externe partij. Maar het  klopt dat iedereen een beetje rekening houdt met iedereen. Als Stage Entertainment naar onze zalen komt, is dat  in ons voordeel. En wij verkopen via Sherpa.be tot één miljoen tickets."  Afgaande op omzet gaat het de ticketverdeler Sherpa.be voor de wind, met dank aan de hoge ticketprijzen. Bijna  54 miljoen euro omzet noteerde de onderneming vorig jaar op de balans. "Dat is ook het gevolg van het grotere  aantal projecten dat we beheren", nuanceert gedelegeerd bestuurder en medeoprichter Bernard Denys.  "Bovendien is de omzet de som van de volledige prijs van de verkochte tickets, niet uitsluitend het aandeel dat wij  aanrekenen Een reële omzet zou 10 % van dat bedrag zijn." De winst na belastingen bedroeg 696.493 euro in  2007. Het jaar voordien werd 116.000 euro verlies geleden, maar dat is volgens Denys te verklaren door een  verkort boekjaar na de overname door het Nederlandse Stage Entertainment. 2005 was dan weer een goed jaar  met 744.000 euro winst.  33 euro kost een ticket gemiddeld bij Sherpa.be. Dat is zo'n twee of drie euro meer dan enkele jaren geleden. Het  bedrijf, dat huisverkoper is van de producties van Studio 100 en Music Hall, verkoopt jaarlijks 1,6 miljoen tickets,  een aantal dat blijft groeien. "De groei is uitsluitend te danken aan het feit dat we nu ook tickets verkopen voor  bijvoorbeeld beurzen en tentoonstellingen. Dankzij dit grote volume kunnen we het bedrijf draaiende houden,  want de gemiddelde marge per ticket ligt tussen twee en drie euro. Al drie jaar lang hebben we niet geïndexeerd.  Doen we dat toch, dan moet dat in samenspraak met de producenten", zegt Denys. Omdat de producenten een  steeds hogere ticketprijs bepalen, voelt Sherpa.be een grotere druk om minder extra aan te rekenen voor zijn  diensten. "Werken op basis van een procentuele, variabele vergoeding zou onlogisch zijn", vindt Denys. "De  consument zou dan nog meer moeten betalen wanneer zijn ticket al duur is, en wij zouden marge moeten  inleveren wanneer we goedkope tickets verkopen."  Zijn de oorlogskas en de hoge financiële opbrengsten die opduiken op de balans dan een manier om de winst te  verhogen? "Die oorlogskas is geld van de promotoren die hun tickets via ons verkopen. Enkel het eigen  vermogen wordt gebruikt als investering", verklaart Denys. De druk om de marges niet te verhogen, wil Sherpa.be  compenseren door zijn werking verder te automatiseren en de verkoopkanalen verder te laten evolueren van de  kostenintensieve callcenters naar het goedkopere internet.  Cijfers zeggen niet alles, maar er vallen wel enkele conclusies uit te trekken. En dat moet maar als Herman  Schueremans zijn visie op de concertindustrie niet geeft. Schueremans is de zaakvoerder van Live Nation bvba  en bestuurder van diens dochteronderneming Live Nation Festivals ­ de nv boven Rock Werchter, TW Classic en  nu ook Werchter Boutique. Live Nations aandeelhouder is Live Nation Holdings, dat op zijn beurt de melkkoe is  voor de internationale holding die in Nederland is gevestigd.  Live Nation Festivals kun je als kerngezond omschrijven. De operationele winst bedroeg in 2006 bijna 30 % van  de omzet, wat als erg winstgevend te vertalen is. De festivalorganisator heeft bovendien een mooi potje liquide 


middelen: 3,3 miljoen euro in 2006. Dat de winst na belastingen in 2005 een dipje had, verklaarde Live Nation  vorig jaar in Trends onder andere door de stijgende vraagprijs van de artiesten.  Ook op moederonderneming Live Nation valt weinig aan te merken. De schommeling in liquide middelen die op  haar balans te zien is, is waarschijnlijk te verklaren door het feit dat het bedrijf ook dienstdoet als sluis tussen de  festivals en de holding. In 2006 noteerde Live Nation een uitzonderlijke opbrengst van 815.513 euro, wat kan  betekenen dat het een onderdeel verkocht. (T) © 2008 Roularta Media Group


10. De Fab Four van de Belgische muziekindustrie